Aanteekeningen.De eerste uitgave, die wij van dit blijspel bezitten, verscheen in 1598, in quarto, en draagt den volgenden titel:A Pleasant Conceited Comedie Called, Loues labors lost. As it was presented before her Highnes this last Christmas. Newly corrected and augmented.ByW. Shakespeare. Imprinted at London bij W. W. for Cutbert Burby. 15981. De uitgever, Burby, heeft zijn recht op dit stuk, blijkens de registers van het boekverkoopersgilde, in 1606, aan een ander overgedragen; dat deze het op nieuw heeft uitgegeven, blijkt niet. De tekst der eerste quarto-uitgave is in de folio-uitgave voor het eerst weder afgedrukt, en er in overgegaan met de meeste drukfouten: enkele oude drukfouten zijn verbeterd, maar er komen ook slechtere lezingen in voor; de folio-uitgave voegt de slotwoorden: “Gij dien weg, wij dezen” bij den tekst der quarto-uitgave, maar laat, zeer ten onrechte, in het eerste tooneel van het derde bedrijf reg. 84–93 (blz. 203: “Ik wil u een voorbeeld geven” enz.) uit, en kent in de woordenwisseling tusschen Biron en Rosaline (II. 1. 180. blz. 200) “Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen” enz. de gezegden van Biron verkeerdelijk aan Boyet toe. De folio-uitgave moge iets zorgvuldiger gedrukt zijn, eenige drukfouten verbeterd hebben, zij is geenszins beter dan de quarto-uitgave.Het stuk was alzoo in 1598 reeds geschreven; de vermelding, dat het op Kersttijd voor de Koningin gespeeld is, kan doen denken, dat het in 1597 gereed was, doch dit is niet zeker, daar het jaar 1598 eerst 24 Maart 1599 eindigde. Ondertusschen ook Meres vermeldde het in dat zelfde jaar in zijnPalladis Tamia. (Zie blz. 121.) Naar alle waarschijnlijkheid was het stuk verscheiden jaren ouder. De bijvoeging op den titel der quarto-uitgave: “Newly corrected and augmented” zou dit doen vermoeden, als die uitdrukking niet zoo vaak, bij voorbeeld bij de afzonderlijke uitgaven van Richard III, alleen uit speculatie ten onrechte ware bijgevoegd; ondertusschen is het hier mogelijk, dat een paar plaatsen ter gelegenheid van de vertooning voor de Koningin, door den dichter meer zijn uitgewerkt, zooals nader in de aanteekeningen wordt aangewezen. Maar het stuk zelf draagt de blijken, dat het tot de eerstelingen des dichters behoort, tot het tijdperk, waarin hij ook de “Twee Edellieden van Verona” en “De Klucht der Vergissingen” schreef; de geheele geest van het stuk, de knuppelverzen, de vele afwisselend rijmende regels enz. bewijzen dit ten duidelijkste; hierbij komt nog, dat het dansende paard, waarI. 2. 57van gesproken wordt, reeds in 1589 in Londen vertoond werd; de toespeling zou eenige jaren later niet begrepen zijn.—Dat het stuk langen tijd door het publiek gaarne gezien werd,kan hieruit blijken, dat het in 1631, naar den tekst der folio-uitgave, nog eens in quarto werd gedrukt.Over den aanleg van het stuk en de karakters der personen hier te spreken, valt buiten het bestek dezer aanteekeningen. Om het geestige stuk ten volle te genieten, moge men zich in den tijd des dichters verplaatsen. Zooveel mogelijk is in de aanteekeningen alles medegedeeld, wat tot opheldering, ook van den oorspronkelijken tekst, noodig te rekenen is. De gewone verdeeling in bedrijven en tooneelen moge te wenschen overlaten, ten behoeve van aanhalingen en vergelijkingen moest zij behouden blijven.Er is niets bekend van een bron, waaruit dit stuk geput kan zijn.—Navarre is als tooneel der handeling met oordeel gekozen, als een neutraal gebied tusschen Spanje en Frankrijk, beide aan Engeland vijandig gezind; dat het de zetel was van Hendrik IV, deed aan de belangstelling geen afbreuk. De gebeurtenissen van 1589 in Frankrijk wekten in Engeland levendige belangstelling, vooral toen Elizabeth den troonpretendent met hulptroepen ondersteunde. Opmerkelijk is de overeenkomst van enkele namen met die van voorname, toen levende personen in Frankrijk. Het was onderBiron, dat de Engelsche hulptroepen in Frankrijk dienden; hij was zeer bij hen gezien (in de oude uitgaven heet hijBerowne2, welke naam IV. 3. 232 opmoonrijmt).Longavillemaakte naam bij Senlis in 1589;Dumainedoet denken aan den Duc de Maine of de Mayenne, wiens naam door Chapman in zijn “Conspiracie of Byron” evenzoo gespeld wordt. In 1586 had er een luisterrijke samenkomst plaats van den Koning van Navarre en een Fransche prinses, Catharina de Medici. De naam van den Spaanschen bluffer,—in de oude uitgaven vaak met het woordBraggart, in plaats van met zijn naam aangewezen,—doet aan de Onoverwinnelijke vloot, deArmada, denken. Het is, alsof Shakespeare aan zijn personen in dit blijspel met opzet namen gaf, die de belangstelling der toeschouwers moesten verhoogen. Ook dit wijst er op, dat dit stuk dagteekent uit een tijd, dat de Fransche toestanden en gebeurtenissen de meeste aandacht trokken, dus tusschen 1589 en 1593.I. 1. 56.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.In het oorspronkelijke gaat hier nog de uitroepwhyvooraf, alsof de koning zich de vraag van Biron nooit heeft gedaan en zich even moet bedenken, om ten minste eenig antwoord te geven.—Dat roemzucht, ijdelheid zijn drijfveer is, werd in zijn eerste woorden reeds uitgedrukt.I. 1. 185.Zijn genades gerechtsdienaar.Gelijk zoo even “reprehendeer” voor “representeer” zegt Dom hier weertharborough(volgens de quartofarborough) voorthirdborough. Hij verdraait genoeg woorden, op de wijze der Clowns bij Shakespeare, dat hier een enkele vergissing wel eens onvertaald mag blijven.I. 1. 196.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel.Als men van een derden of van een hoogsten hemel spreekt, dan is de hemel, waar Biron met God nu in wenscht opgetrokken te worden, wel bijzonder laag. ’t Kan ook eenvoudig zijn, dat Longaville op denhemel, d. i. de zoldering, van het tooneel, wijst. Het woordstijl, dat volgt, heeft ook twee beteekenissen, schrijfwijze en pilaar, in ’t Engelsch isstilezoowel schrijfwijze als een slagboom tusschen velden.—Een oogenblik later vindt men weder woordspelingen metmanner, manier,to be taken with the manner, op heeterdaad betrapt worden, enmanor house, heerenhuis; als mede metform, vorm en zitbank.I. 1. 251.Dit gering elzenvorentje.In ’t Engelsch:that bare minnow of thy mirth.Minnowis een klein vischje (Phoxinus lævis), tot de vorens te rekenen, te nauwernood een palm lang, bij onselzenvorentjegeheeten, minder bekend dan hetalvertjeof denesteling, die een paar palm lang wordt.I. 2. 34.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.In het Engelsch een woordspeling metcross, een munt, ento cross, in den weg treden.I. 2. 57.Het dansende paard.Hier wordt gedoeld op het aan elk bekende paard Marocco, dat door een zekeren Banks in Londen, het eerst in 1589, vertoond werd en door velen als zeer begaafd geroemd wordt, o. a. door Jonson, Donne, Sir Walter Raleigh. Het gaf te kennen, hoeveel stuivers een hem getoond zilverstuk waard was, het aantal oogen op geworpendobbelsteenenenz. De opgang, dien het paard maakte, bewoog zijn meester ook het buitenland te gaan bezoeken. In Orleans beweerden de Capucijners, dat het dier een duivel was. De aanklacht werd echter ingetrokken, toen, bij de volgende voorstelling, het dier, op bevel van zijn heer, onder de toeschouwers er een uitzocht met een crucifix op den hoed, voor het heilige symbool knielde en het kuste. Men zegt, dat ten slotte Banks met zijn paard te Rome wegens tooverij verbrand is geworden.I. 2. 82.Van welke complexie?Complexiewas in gebruik in de beteekenis van temperament. Men nam, evenals vier elementen, ook vier temperamenten, het cholerisch enz. aan; en omdat men meende, dat van het temperament ook de gelaatskleur afhing, werd het woord ook voor de laatste gebezigd. Zoo vat Mot het op.I. 2. 114.Is er geene ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?De oude ballade:King Cophetua and the Beggar-maid, doorPercyin zijnReliques of Ancient English Poetryuit een liederenverzameling van 1612 afgedrukt en ook in Delius’ Shakespeare-uitgave overgenomen, verhaalt eenvoudig, dat Koning Cophetua, die niets van liefde wilde weten, eens plotseling, toen hij uit een venster lag, door liefde voor een bedelaarster bevangen werd, en deze huwde. Penelophon (Armado noemt haar later, IV. 1. 67, Zenelophon) was dadelijk in haar hoogen rang goed thuis; de koning leefde zeer gelukkig met haar; zij werden bij hun dood zeer betreurd en in één graf begraven. Zie ook “Romeo en Julia”, II. 1. 14 en “2 Koning Hendrik IV”, V. 3. 106.I. 2. 136.Dagloonster.In ’t Engelsch staatday-woman, wat ook wel voordairy-woman, dus “melkmeisje”, zou kunnen staan; in Schotland wordt een melkmeisje hier en daardeygenoemd.—In Engeland waren over het algemeendeyesbedienden van lageren rang. In een statuut van Richard II wordt het loon bepaald van:“a swineherd, a female labourer, and deye” op zes shillings jaarlijks. Chaucer vergelijkt in het begin van zijn “Nonnes Preestes Tale” het maal van een “poore widowe” met dat van eendey:“Milk and brown bread, in which she fond no lack, Seinde3bacon, and sometime an ey or twey; For she was, as it were, a manerdey.”I. 2. 141.Dat is er na!In het Engelsch zegt Jacquenetta:That ’s hereby, wat bij haar beteekent: “Al naar ’t uitkomt”, maar door Armado wordt gehouden voor: “Hier vlak bij”.I. 2. 183.De eerste en tweede reden voor een tweegevecht.Voor het tweegevecht bestonden eere-wetboeken, zie “Romeo en Julia”, II. 4. 26.II. 1. 45.In kennis rijk.In het Engelsch:well fitted in arts, waarmede de zeven vrije kunsten,artes liberales, bedoeld worden.II. 1. 89.Daar komt Navarre.Dat bij zijn komst de dames haar maskers klaar hebben, behoeft niet te bevreemden; naar de Italiaansche mode, in Sh.’s tijd ook in Engeland in zwang, verschenen de dames in het openbaar meestal gemaskerd. Het masker was oorspronkelijk bestemd ter bescherming tegen de zonnestralen; dat men het op reis bij de hand had, was dus niets meer dan natuurlijk.II. 1. 236.Als een agaatsteen.In Sh.’s tijd waren zegelsteenen van agaat, waar de afbeelding van een menschenhoofd of van een geheelen mensch op gesneden was, zeer gewoon. In 2 Hendrik IV. I. 2. 19 vergelijkt Falstaff zijn page met zulk een figuurtje. Zie ook “Veel leven om niets” III. 1. 65 en “Romeo en Julia” I. 4. 55.III. 1. 2.Concolinel!Zeker de aanvang of het refrein van een bekend liedje. In gevallen als deze werd de keuze van een liedje meest aan de spelers overgelaten.III. 1. 9.Met een Franschen slag.In het Engelsch staat:with a French brawl, wat Armado voor rumoer, gekijf of kloppartij houdt, terwijl de jongen er een bekenden dans mede bedoelt, zooals men had: “Coratitoes, lavoltos, jigs, measures, pavins, brawls, galliards, canaries”. De vroolijkejigsencanariesworden een oogenblik later door den jongen ook vermeld. De naam vanbrawlis afgeleid van het Franschebranle. Met dezen dans werd niet zelden een bal geopend; hij was wel geschikt om een ongedwongen toon te doen heerschen, als ten minste de volgende beschrijving uit een boekje, in 1579 te Antwerpen verschenen, juist is. “Un des gentilshommes et une des dames, estans les premiers en la danse, laissent les autres (qui cependant continuent la danse), et, se mettans dedans la dicte compagnie vont baisans par ordre toutes les personnes qui y sont: à sçavoir, le gentilhomme les dames, et la dame les gentilshommes. Puis, ayant achevé leurs baisemens, au lieu qu’ils estoyent les premiers en la danse, se mettent les derniers. Et ceste façon de faire se continue par le gentilhomme et la dame qui sont les plus prochains, jusques à ce qu’on vienne aux derniers”.III. 1. 21.Als een zeeman op het oude behangsel.Er staat eigenlijk: “als een man naar de oude schilderij”. Om de thans niet zeer duidelijke toespeling wat duidelijker te doen zijn, is er een zeeman van gemaakt, die vaak, als hij de handen niet uit de mouwen moet steken, ze in zijn zakken bergt, en is er van wandtapijten gesproken, waar zeker meermalen zeelieden op voorkwamen.III. 1. 28.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Het was in de mode, soms onstoffelijke zaken met een geldswaarde te meten. Zoo schreef Greene een boekje:A Groat’s worth of Witenz. (zie de aanteekeningen op 1 Koning Hendrik VI); zoo zegt ook Prins Hendrik in 2 K. Hendrik IV, II. 2. 99:a crown’s worth of interpretation.III. 1. 30.Het stokpaard is vergeten.Bij de Meioptochten speelde,—zie de aanteekeningop 1 K. Hendrik IV, III. 3. 129,—behalve broeder Tuck en Juffer Marianne, het paard een groote rol; het berijden eischte, al was het uit rijs gevlochten en met een bordpapieren kop, veel bedrevenheid, waarvan Jonson in zijn blijspel “Every Man out of his Humor” getuigt. Op aandrang der Puriteinen werd het onschuldige beest, nog uit den Paapschen tijd afkomstig, niet meer op de Meifeesten toegelaten en de daarover geslaakte verzuchting: “For, O, for, O, the hobbyhorse is forgot” (Hamlet III. 2. 142) werd weldra bij allerlei gelegenheden te pas gebracht.III. 1. 73.De pointe meteen.In ’t Engelsch:thy l’envoy.L’envoyis de oud-Fransche uitdrukking, ook in Engeland gebruikelijk, voor het slot of het slotcouplet van een gedicht, waarmee het aan iemand toegezonden of opgedragen werd. Aan Armado is de ware beteekenis van het woord niet duidelijk; hij denkt, dat het de oplossing van een raadsel beteekent.—In het vervolg maakt Mot er een toespeling op, datSalvezoowel het woord voor “zalf” als de Latijnsche welkomstgroet is. Hier moest, om een woordspeling te behouden, het woordl’envoydoorpointevervangen worden, zooals Gildemeister ook in zijn Duitsche vertaling deed. Een weegbreeblad werd als middel bij wonden gebezigd, zie “Romeo en Julia” I. 2. 52.III. 1. 102.Een gans van de hand gezet.De Engelsche uitdrukking beteekent: een koopje bezorgd, iemand genoopt, zichzelf voor een gans te verklaren, een spelletje, op het land gebruikelijk.—Fast and loose, wat volgt, is de naam van een goochelaarsstukje, waarbij iemand niet heeft, wat hij vast in de hand meent te hebben.—De markt was gedaanziet op het zeggen, dat drie vrouwen en een gans samen een markt uitmaken.III. 1. 136.Mijn robijntje, mijn kneu.Het onder den naam vankneu,vlamsijsoftukkerbekend vogeltje, deFringilla cannabina, heet in Groningerland en in Utrechtrobijntje. Het Engelsch heeft hiermy incony Jew. “Incony” beteekent “fijn, lief” en “Jew” staat hier voorjewel, evenals in den “Midzomernachtdroom”, III. 1. 97.IV. 1. 22.O schoonheidsketterij.Als alleen het geloof zalig maakt, is vertrouwen op goede werken ketterij.IV. 1. 56.Boyet, gij kunt trancheeren; snijd dit kapoentje eens voor.Tot de zaken, die een goed cavalier verstaan moest, behoorde het voorsnijden van gevogelte. Kapoentje staat, naar ’t voorbeeld van het Franschepoulet, hier voor minnebriefje.IV. 1. 101.Een phantast, een Monarcho.Hier wordt gedoeld op een zonderling, die in Londen zeer bekend was, zich steeds in hoogdravende taal uitte en in het vaste denkbeeld verkeerde, dat hij heer der geheele wereld was. Het volk had hem den spotnaam van Monarcho gegeven. In een verzameling van grafschriften van Thomas Churchyard, uitgegeven in 1580, vindt men er een op dezen “phantastischen monarch,” zooals hij er heet. Het is in Delius’ Sh.-uitgave afgedrukt.IV. 1. 110.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?In ’t Engelsen:Who is the suitor?in de oude edities staatshooter, dat nagenoeg eveneens werd uitgesproken; een woordspeling tusschen.suitor, “vrijer” enshooter, “schutter” is bedoeld.IV. 1. 125.Koningin Ginevra.De niet bijzonder getrouwe gemalin van koning Arthur, uit gedichten en tooneelstukken aan Sh.’s publiek welbekend.IV. 1. 133.De stop.Die in het midden der schijf was, en diende om te meten hoe ver de raakschoten van het midden bleven.—Het gesprek vloeit over van dubbelzinnigheden.IV. 1. 146.Armado aan de’ eenen kant.De boer vergelijkt in zijn gedachten de gevatheid der juffers met die van Mot en komt daardoor in eens op Armado.—Zulk een sprong in de redeneering behoeft in Dikkop niet te verwonderen.IV. 2. 37.Dictynna.Een bijnaam van Diana, die in de Metamorphosen van Ovidius voorkomt.IV. 2. 58.Een spitser.Een hert met zijn eerste gewei, twee onverdeelde spitsen; het volgend jaar heeft iedere stang een tak en heet het hert eengavelaarofgaffelaar.—Voor het verstaan der Engelsche uitdrukkingen in dit Epitaphium kan een aanhaling uit een tooneelstuk van 1606,The Return from Parnassus, dienen: “Now, Sir, a buck is the first year a fawn; the second year, a pricket; the third year, a sorrell” (welk woord ooksorelensorellgeschreven wordt); “the fourth year, a soar; the fifth year, a buck of the first head” (zoo noemde Nathanaël het hert); “the sixth year, a complete buck”.—Dat in het vers ook een woordspeling ligt metsoarofsore(hert) ensore(gewond), is duidelijk.IV. 2. 65.Als verzenenenz. In ’t Engelsch een woordspeling mettalententalon, klauw, welk woord in Sh.’s tijd niet zelden ooktalentgeschreven werd.IV. 2. 71.In den schoot der pia mater.Depia materis het dunne vlies om de hersenen; het woord beviel waarschijnlijk aan Sh. om de onzinnigheid.IV. 2. 85.Heer eerwaarde, quasi herwaarts.Ook het oorspronkelijke heeft hier, opzettelijk, zeer gezochte woordspelingen; een oogenblik later methogshead, okshoofd, enhog’s head, zwijnskop.IV. 2. 96.O goede oude Mantuaan!Die goede oude Mantuaan was Baptista Spagnolus, ook Joannes Baptista Mantuanus geheeten, (1448–1518), een Carmeliet, die Latijnsche Eclogæ en Elegieën schreef, welke van het eind der vijftiende eeuw af herhaaldelijk gedrukt en ook in de scholen gelezen werden. Zijn eerste Ecloga (Herdersdicht) begint:Fauste,precor,gelidaenz. Farnaby zegt, in zijn voorrede voor Martialis, dat depedanten(zooals hij de schoolmeesters noemt) hetFauste,precor,gelidahooger stelden dan hetArma virumque cano(het begin der Æneis van de andere Mantuaansche zwaan). Als Sh. zich met geleerdheid inlaat, blijkt hij wel op de hoogte te zijn.—De schoolmeester lucht, terwijl Nathanaël den brief leest, ook zijn kennis door een Italiaansch citaat. Zooals dit hier staat, vindt men het in een boek van 1591,Florio’s seconds fruits; Florio was een Italiaansch onderwijzer in Londen. Hoe de oude uitgaven, de Folio zoowel als de Quarto, vreemde talen onkenbaar maken, kan men bij deze gelegenheid opmerken; deze geven hier te lezen:vemchie, vencha, que non te vnde, que non te perreche.—Eindelijk toont hij even zijn muzikale begaafdheid.—Het volgende sonnet werd door den uitgever Jaggard, evenals dat van Longaville (blz. 210) in “De Verliefde Pelgrim” opgenomen, een kleinen dichtbundel, die, met gebruikmaking van Sh.’s naam, in 1599 verscheen.IV. 2. 133.Het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren der vreemde koningin.Hier heeft blijkbaar de dichter vergeten, dat Jacquenetta even te voren van den brief gezegd heeft (IV. 2. 94): “en mij toegezonden door Don Armado”; als men deze laatste woorden schrapt, is alles duidelijk. Dikkop weet, dat de prinses den brief van Armado in handen heeft, en kan dit aan Jacquenetta hebben meegedeeld. Dat zij Biron voor een Fransch hoveling houdt, is hieruit te verklaren, dat Biron waarschijnlijk, blijkens zijn vragen in het begin van het stuk, zich eerst sinds kort bij den koning van Navarre heeft aangesloten. Dat zij de prinses koningin noemt, is niet bevreemdend, als men bedenkt, dat de titel van koning of koningin ook aan koningskinderen gegeven werd, zooals bijv. Chriemhilde in het Nevelingenlied reeds vóór haar huwelijk koningin wordt genoemd.IV. 2. 155.Spreek mij niet van vaders.Nathanaël denkt aan een kerkvader, Holofernes aan andere vaderschappen, waarmee hij niets te maken wil hebben.IV. 3. 5.Zoo zegt men, zeide de nar.De nar is Dikkop; zie I. 1. 317.IV. 3. 29.De nacht van dauw.Ter verklaring kan men omzetten: “de dauw der nacht”.IV. 3. 48.Hij draagt een papier er van voor zich.De veroordeelde, die rondgeleid of te pronk gesteld werd, kreeg een papier, waarop zijn misdrijf stond, voor de borst.IV. 3. 54.Amors galg.In ’t Engelsch wordt Tyburn genoemd, de terechtstellingsplaats in het oude Londen.IV. 3. 250.Wie reikt mij ’t bijbelboekenz. Een bijbel of nieuw testament, om dit boek bij het zweren te kussen, zooals in Engeland steeds geschiedt. De vertaling zou dus ook kunnen luiden: “Wie neemt een eed mij af.”IV. 3. 258.Zoo ravenzwartenz. De argumenten van Biron voor zijn donkere schoone vinden wij ook in Sh.’s sonnetten aan een zwarte, verleidelijke schoone gebezigd, Sonn. 127, 130, 132. Deze stond hem hier ongetwijfeld voor den geest bij de beschrijving van Rosaline.IV. 3. 296.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeerenenz. In dit pleidooi van Biron vindt men enkele denkbeelden niet alleen herhaald, maar zelfs in nagenoeg dezelfde woorden uitgedrukt, in het oog vallend bij het beeld van het Prometheus-vuur. Van daar, dat men vermoed heeft, dat dit pleidooi eerst korter geweest en later door den dichter omgewerkt en uitgebreid zou zijn; dat in het handschrift dus zoowel de eerste schets als het uitgewerkte geheel stonden en beide door den afschrijver of zetter zijn overgenomen; enkele regels der eerste redactie zouden hier, andere later ingeschoven zijn. In de Globe-edition wordt alleen van de drie regels 302–204: “Uit vrouwenoogen” enz. aangewezen, dat zij behooren te vervallen, maar dan moet men veeleer, ter wille van den samenhang nog eenige voorafgaande regels verwerpen, zooals dan ook, door plaatsing tusschen [], hier gedaan is.—Vreemd is het zeker, dat de dichter, bij het omwerken van eenige regels, de oude niet duidelijk heeft doorgehaald. Volgens Capell en Dyce moeten ook reg. 312–319 “Want welk een schrijver” enz. verworpen worden.—Als men niet wil aannemen, dat alles of nagenoeg alles behouden moet worden en dat Biron in herhalingen treedt om zijn betoog meer klem bij te zetten, dan komt het mij veeleer waarschijnlijk voor, dat de herhalingen te danken zijn aan een poging om het lang betoog te bekorten en dat deze bekorte rede in het afschrift naast het oorspronkelijke stond. Alsdan zou de gang van het oorspronkelijke betoog deze kunnen zijn:“En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,Elk uwer zwoer hiermee zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen” enz.Het verkort betoog zou dan hebben moeten zijn, wat Furnivall voor het eerste ontwerp houdt in de voorrede van het facsimile der quarto-uitgave. Dit ontwerp is volgens hem: reg. 318–319 (later vervangen door 296–298 en uitgebreid met 305–411), 299–301 (vervangen door 320–323), 312–317 (vervangen door 324–349), 302–304 (vervangen door 350–354). Hierop volgt dan reg. 355 enz.Hoe het zij, als zeker is wel aan te nemen, dat door Shakespeare hier zijn eerste ontwerp is omgewerkt. Misschien is de omwerking van grooter omvang geweest dan wij thans kunnen aantoonen.V. 1. 1.Satis quod sufficit.“Genoeg is, wat voldoende is”. Zij hebben juist het middagmaal gebruikt.V. 1. 21.Zulke radbrakers der orthographie.Holofernes richt zijn toorn tegen het afslijten der woorden door de uitspraak, terwijl de spelling onveranderd blijft. In Sh.’s tijd werden vele, thans niet meer uitgesproken letters nog gehoord, of men wist zich ten minste nog te herinneren, dat zij niet altijd stom geweest waren.V. 1. 30.Laus Deo, bone intelligo.Nathanaël gebruiktbonevoor “goed”, terwijl hetbenemoest zijn. Holofernes vindt dit een schram voor Priscianus, maar erkent, dat het verstaanbaar is. Priscianus van Cæsarea was de beroemde taalkundige der oudheid, die in de zesde eeuw na Chr. te Constantinopel, onder Justinianus, Latijn onderwees. Zijn taalkundige geschriften waren in de middeleeuwen, en lang daarna, veel in gebruik en werden ook in deze eeuw nog uitgegeven.—De oude drukken zijn hier weder jammerlijk onnauwkeurig; er staat:Laus deo, bene intelligo; waarop Holofernes zegt:Bome boon for boon prescian, a litle scratcht, ’twil serve.V. 1. 44.Honorificabilitudinitatibus.Shakespeare overtreft met dit, zeker op de school gesmeed, woord, zijn voorganger Rabelais niet, die als titel van een boek opgeeft:Antipericatametaparhengedamphicribrationes, en evenmin sommige namen der organische scheikunde, die b.v. overmethylæthyltriacetylphosphammoniumbromideen dergelijke stoffen handelt.—Het vlamwiekje, waarvan gesproken wordt, het Engelscheflapdragon, is het een of ander klein voorwerp, dat op aangestoken wijn of brandewijn dreef en brandend moest ingezwolgen worden.V. 1. 124.De negen helden.De negen helden,the Nine Worthies, traden bij de Lord-Mayors- en andere feestelijke optochtensteedsop, tot groote vreugde van het publiek. De echte helden waren: drie uit de geschiedenis der Joden, Josua, David en Judas Maccabæus, drie uit de heidensche oudheid, Hector, Alexander en Julius Cæsar, en drie uit de christenheid, Arthur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon. Shakespeare heeft de vrijheid genomen eenige der helden door andere te vervangen.—In de beschrijving van een Chester volksfeest, in handschrift ter Harleyische boekerij aanwezig en van teekeningen voorzien, treden na de negenWorthiesde vier Jaargetijden op, zooals Shakespeare aan het slotVerenHiemslaat opkomen. Hij volgde hier dus de gewoonten der volksfeesten, en verhoogde aldus voor de toeschouwers de vermakelijkheid van het stuk.V. 2. 11.Tot wasdom.Omdat het zegel, in dien tijd vanwas, op Cupido’s naam kleefde.V. 2. 40.Zoo schoon als inkt dus.Rosaline is een zwartje. Nu de hoogblonde Catharina zich in de plagerij mengt, wordt zij met de in rood gedrukte namen of initialen van feest- en heilige dagen vergeleken, en de O’s doelen op pokputjes, zooals blijkt uit het zeggen der prinses: “A pox of that jest!”V. 2. 57.Zoo is ’t; ik deelde ’tenz. Het Engelsch heeft:Ay, or I would these hands might never part. Wat beteekent dit? dat zij geen hand ooit aan een echtgenoot zal wegschenken? of bestond het slot der keten uit handjes, zoodat zij dit sieraad altijd wil dragen? Er moest van dezen regel maar iets gemaakt worden.V. 2. 157.De maskers komen.In Shakespeare’s tijd was het optreden van gemaskerden met of zonder poëtische toespraken zeer in de mode. Prachtige vertooningen van dien aard hadden er telkens aan het hof van Hendrik VIII en van Elizabeth plaats; de beschrijvingen er van zijn in de kronieken van Holinshed en van Hall te vinden. Het Russisch kostuum werd daartoe meermalen gekozen.V. 2. 159.Als een glansrijk taf.De maskers der dames bestonden uit taf.V. 2. 187.Om ’t veld hier maatvast met u rond te gaan.In ’t Engelsch:to tread a measure.Measureis de naam van een statigen dans, ongeveer als de menuet. Zie “Veel leven om niets”, II. 1. 80.V. 2. 215.Toch blijft zij steeds de maan.Trots al haar wisselingen blijft de maan steeds dezelfde, en de koning steeds aan de maan verknocht, evenals de man in de maan onveranderd blijft.V. 2. 235.In ’t dobb’len te bedreven.In ’t Engelsch staat:since you can cog.To cogis de uitdrukking voor het vervalschen van dobbelsteenen en beteekent dus “valsch dobbelen”of in ’t algemeen “bedriegen”, vooral door behendige leugens.V. 2. 247.Recht fraaie vaerzen;—is niet vaars een kalf?In ’t Engelsch is de overgang volstrekt niet minder gezocht:Veal,quoththe Dutchman. Is not “veal”a calf?De Hollander zegt “veal” (in plaats van “well”). Is “veal” niet een kalf?” In het Duitsch heeft Gildemeister de woordspeling eveneens metVerseenFärsenagebootst.V. 2. 277.Ik zeide: trek!“Trek” kan ook beteekenen “ga heen”. In ’t Engelsch staat: “No point”, waarpoint, als Fransch beschouwt,niet, als Engelsch,degenspitsbeteekent.V. 2. 281.Van dorpers hoort men vaak een gladder taal.In ’t Engelsch:Well, better wits have worn plain statute caps. Bij een parlementsacte van 1571 (in 1597 herroepen) was bepaald, dat, met uitzondering van den adel en andere personen van rang, ieder, die boven de zes jaar was, op zon- en feestdagen een wollen muts moest dragen, in Engeland vervaardigd,—een maatregel ter bescherming der inlandsche nijverheid. Met de dragers van ordonnantie-mutsen worden dus eerzame kleine burgers, handwerkslieden, enz. bedoeld.V. 2. 332.Elpen tandenpracht.Het Engelsch spreekt vanwhale’s bone, watwalrustandbeteekent.V. 2. 339.Veel heil en zegen.Het Engelsch heeft hier een woordspeling methail, datheilenhagelbeteekent.V. 2. 419.Roep Gods erbarmen in voor deze drie.In ’t Engelsch:Write, “Lord have mercy on us” on those three. “Heer, heb erbarmen met ons” was het gewoon opschrift op huizen, waarin de pest was uitgebroken. “’s Heeren teekens”, waarmee hier de geschenken bedoeld worden, was de naam voor pestvlekken.V. 2. 478.’t Is uw vak.In ’t Engelsch:you are allow’d; dat is: “you are an allowed fool”.V. 2. 490.Wij zijn niet onnoozel, heer.Dit is de beteekenis van ’t Eng.:You cannot beg us. De vorst kon naar oud gebruik de voogdijschap over een onnoozele als gunst toestaan; de voogd kreeg dan de beschikking over het vermogen van den hem toegekenden beschermeling.V. 2. 546.Niets boven de vijf in ’t novem.Novum, ofNovem, of voluitNovem quinque, was een dobbelspel, waarbij negen en vijf de twee beste worpen waren. De vijf spelers in de vertooning der negen helden waren dus de kostelijkste vijf ter wereld, op den vijfworp in ’t novem na.V. 2. 568.Uw neus getuigt van neen, want die staat veel te recht.De scheeve houding van het hoofd op de oude afbeeldingen van Alexander is bekend.V. 2. 580.Uw leeuw, die een houwbijlenz. Volgens de ridderboeken droeg Alexanders wapenschild een leeuw, op een stoel zittend, met een strijdbijl in de pooten. Dikkop stelt dit op zijn manier voor en wil Alexander door Ajax (a jakes) vervangen; hier moge Castor, door Dikkop verkeerd uitgesproken, voor hem invallen, evenals Gildemeister het in zijn vertaling hem reeds liet doen.V. 2. 609.Uw leeftijd heeft den voorrang.In ’t Engelsch:you are my elder. Volgens de overlevering hing Judas zich op aan een vlierboom,an elder.V. 2. 629.Vaarwel, beste Juud, enz. In ’t Engelsch wordtass, ezel, als slot van den naam afgescheiden. Om de woordspeling eenigszins over te brengen, moest de vertaler den vorigen regel invoegen.V. 2. 640.Bij dien vriend daar was Hector maar een Stroojaan.Zoo vertaalt ook Gildemeister. In ’t Engelsch staat:Hector was but a Trojan; maarTrojanhad in de 16deeeuw in ’t Engelsch de beteekenis van landlooper. De vertaling met Trojaan zou niets zijn.V. 2. 652.Een vergulde muskaatnoot.Bij wijze van doosjes met flikjes of bonbons dienden vroeger vergulde muskaatnoten en met kruidnagels bestoken sinaasappelen als geschenken, vooral op Nieuwjaar.V. 2. 694.Meer Ate’s.Ate, de godin der tweedracht.V. 2. 706.Meester, laat mij uw bovensten knoop eens losmaken.Het Engelsch zegt woordelijk: “laat mij u een knoopsgat lager nemen”. Geeft de vertaling de beteekenis terug, of wil het zeggen: “laat mij ronduit met u spreken?”V. 2. 717.Ik draag de wol op ’t lijf voor boete.Grofwollen hemden waren boethemden; hier moet de wol van het bovenkleed er voor dienen.V. 2. 736.Hoe gaat het uwe hoogheid?In ’t Engelschhow fares your majesty?De vraag klinkt nog al vreemd; er dienen eigenlijk een paar woorden aan vooraf te gaan, b.v. “Wat zware slag!” of “Een schriklijk nieuws!” Bij een tooneelbewerking zou zoo iets ingelascht mogen worden, bij een vertaling echter niet.V. 2. 827.En wat voor mij?enz. Regels 827–832 moeten ongetwijfeld, met het oog op reg. 847 en volgg. weggelaten worden; men zie boven, de aanteekening opIV. 3. 296en volgende regels.1Door het photolithographisch facsimile, uitgegeven door W. Griggs, thans voor ieder gemakkelijk verkrijgbaar. Het is no. 5 der Shakspere-Quarto Facsimiles.↑2Zoo heet ook Mélun in de oude uitgavenMelooneofMelloone(“Koning Jan”, IV. 3. 15, V. 2. 1, enz.)↑3Thans “singed”.↑
Aanteekeningen.De eerste uitgave, die wij van dit blijspel bezitten, verscheen in 1598, in quarto, en draagt den volgenden titel:A Pleasant Conceited Comedie Called, Loues labors lost. As it was presented before her Highnes this last Christmas. Newly corrected and augmented.ByW. Shakespeare. Imprinted at London bij W. W. for Cutbert Burby. 15981. De uitgever, Burby, heeft zijn recht op dit stuk, blijkens de registers van het boekverkoopersgilde, in 1606, aan een ander overgedragen; dat deze het op nieuw heeft uitgegeven, blijkt niet. De tekst der eerste quarto-uitgave is in de folio-uitgave voor het eerst weder afgedrukt, en er in overgegaan met de meeste drukfouten: enkele oude drukfouten zijn verbeterd, maar er komen ook slechtere lezingen in voor; de folio-uitgave voegt de slotwoorden: “Gij dien weg, wij dezen” bij den tekst der quarto-uitgave, maar laat, zeer ten onrechte, in het eerste tooneel van het derde bedrijf reg. 84–93 (blz. 203: “Ik wil u een voorbeeld geven” enz.) uit, en kent in de woordenwisseling tusschen Biron en Rosaline (II. 1. 180. blz. 200) “Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen” enz. de gezegden van Biron verkeerdelijk aan Boyet toe. De folio-uitgave moge iets zorgvuldiger gedrukt zijn, eenige drukfouten verbeterd hebben, zij is geenszins beter dan de quarto-uitgave.Het stuk was alzoo in 1598 reeds geschreven; de vermelding, dat het op Kersttijd voor de Koningin gespeeld is, kan doen denken, dat het in 1597 gereed was, doch dit is niet zeker, daar het jaar 1598 eerst 24 Maart 1599 eindigde. Ondertusschen ook Meres vermeldde het in dat zelfde jaar in zijnPalladis Tamia. (Zie blz. 121.) Naar alle waarschijnlijkheid was het stuk verscheiden jaren ouder. De bijvoeging op den titel der quarto-uitgave: “Newly corrected and augmented” zou dit doen vermoeden, als die uitdrukking niet zoo vaak, bij voorbeeld bij de afzonderlijke uitgaven van Richard III, alleen uit speculatie ten onrechte ware bijgevoegd; ondertusschen is het hier mogelijk, dat een paar plaatsen ter gelegenheid van de vertooning voor de Koningin, door den dichter meer zijn uitgewerkt, zooals nader in de aanteekeningen wordt aangewezen. Maar het stuk zelf draagt de blijken, dat het tot de eerstelingen des dichters behoort, tot het tijdperk, waarin hij ook de “Twee Edellieden van Verona” en “De Klucht der Vergissingen” schreef; de geheele geest van het stuk, de knuppelverzen, de vele afwisselend rijmende regels enz. bewijzen dit ten duidelijkste; hierbij komt nog, dat het dansende paard, waarI. 2. 57van gesproken wordt, reeds in 1589 in Londen vertoond werd; de toespeling zou eenige jaren later niet begrepen zijn.—Dat het stuk langen tijd door het publiek gaarne gezien werd,kan hieruit blijken, dat het in 1631, naar den tekst der folio-uitgave, nog eens in quarto werd gedrukt.Over den aanleg van het stuk en de karakters der personen hier te spreken, valt buiten het bestek dezer aanteekeningen. Om het geestige stuk ten volle te genieten, moge men zich in den tijd des dichters verplaatsen. Zooveel mogelijk is in de aanteekeningen alles medegedeeld, wat tot opheldering, ook van den oorspronkelijken tekst, noodig te rekenen is. De gewone verdeeling in bedrijven en tooneelen moge te wenschen overlaten, ten behoeve van aanhalingen en vergelijkingen moest zij behouden blijven.Er is niets bekend van een bron, waaruit dit stuk geput kan zijn.—Navarre is als tooneel der handeling met oordeel gekozen, als een neutraal gebied tusschen Spanje en Frankrijk, beide aan Engeland vijandig gezind; dat het de zetel was van Hendrik IV, deed aan de belangstelling geen afbreuk. De gebeurtenissen van 1589 in Frankrijk wekten in Engeland levendige belangstelling, vooral toen Elizabeth den troonpretendent met hulptroepen ondersteunde. Opmerkelijk is de overeenkomst van enkele namen met die van voorname, toen levende personen in Frankrijk. Het was onderBiron, dat de Engelsche hulptroepen in Frankrijk dienden; hij was zeer bij hen gezien (in de oude uitgaven heet hijBerowne2, welke naam IV. 3. 232 opmoonrijmt).Longavillemaakte naam bij Senlis in 1589;Dumainedoet denken aan den Duc de Maine of de Mayenne, wiens naam door Chapman in zijn “Conspiracie of Byron” evenzoo gespeld wordt. In 1586 had er een luisterrijke samenkomst plaats van den Koning van Navarre en een Fransche prinses, Catharina de Medici. De naam van den Spaanschen bluffer,—in de oude uitgaven vaak met het woordBraggart, in plaats van met zijn naam aangewezen,—doet aan de Onoverwinnelijke vloot, deArmada, denken. Het is, alsof Shakespeare aan zijn personen in dit blijspel met opzet namen gaf, die de belangstelling der toeschouwers moesten verhoogen. Ook dit wijst er op, dat dit stuk dagteekent uit een tijd, dat de Fransche toestanden en gebeurtenissen de meeste aandacht trokken, dus tusschen 1589 en 1593.I. 1. 56.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.In het oorspronkelijke gaat hier nog de uitroepwhyvooraf, alsof de koning zich de vraag van Biron nooit heeft gedaan en zich even moet bedenken, om ten minste eenig antwoord te geven.—Dat roemzucht, ijdelheid zijn drijfveer is, werd in zijn eerste woorden reeds uitgedrukt.I. 1. 185.Zijn genades gerechtsdienaar.Gelijk zoo even “reprehendeer” voor “representeer” zegt Dom hier weertharborough(volgens de quartofarborough) voorthirdborough. Hij verdraait genoeg woorden, op de wijze der Clowns bij Shakespeare, dat hier een enkele vergissing wel eens onvertaald mag blijven.I. 1. 196.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel.Als men van een derden of van een hoogsten hemel spreekt, dan is de hemel, waar Biron met God nu in wenscht opgetrokken te worden, wel bijzonder laag. ’t Kan ook eenvoudig zijn, dat Longaville op denhemel, d. i. de zoldering, van het tooneel, wijst. Het woordstijl, dat volgt, heeft ook twee beteekenissen, schrijfwijze en pilaar, in ’t Engelsch isstilezoowel schrijfwijze als een slagboom tusschen velden.—Een oogenblik later vindt men weder woordspelingen metmanner, manier,to be taken with the manner, op heeterdaad betrapt worden, enmanor house, heerenhuis; als mede metform, vorm en zitbank.I. 1. 251.Dit gering elzenvorentje.In ’t Engelsch:that bare minnow of thy mirth.Minnowis een klein vischje (Phoxinus lævis), tot de vorens te rekenen, te nauwernood een palm lang, bij onselzenvorentjegeheeten, minder bekend dan hetalvertjeof denesteling, die een paar palm lang wordt.I. 2. 34.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.In het Engelsch een woordspeling metcross, een munt, ento cross, in den weg treden.I. 2. 57.Het dansende paard.Hier wordt gedoeld op het aan elk bekende paard Marocco, dat door een zekeren Banks in Londen, het eerst in 1589, vertoond werd en door velen als zeer begaafd geroemd wordt, o. a. door Jonson, Donne, Sir Walter Raleigh. Het gaf te kennen, hoeveel stuivers een hem getoond zilverstuk waard was, het aantal oogen op geworpendobbelsteenenenz. De opgang, dien het paard maakte, bewoog zijn meester ook het buitenland te gaan bezoeken. In Orleans beweerden de Capucijners, dat het dier een duivel was. De aanklacht werd echter ingetrokken, toen, bij de volgende voorstelling, het dier, op bevel van zijn heer, onder de toeschouwers er een uitzocht met een crucifix op den hoed, voor het heilige symbool knielde en het kuste. Men zegt, dat ten slotte Banks met zijn paard te Rome wegens tooverij verbrand is geworden.I. 2. 82.Van welke complexie?Complexiewas in gebruik in de beteekenis van temperament. Men nam, evenals vier elementen, ook vier temperamenten, het cholerisch enz. aan; en omdat men meende, dat van het temperament ook de gelaatskleur afhing, werd het woord ook voor de laatste gebezigd. Zoo vat Mot het op.I. 2. 114.Is er geene ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?De oude ballade:King Cophetua and the Beggar-maid, doorPercyin zijnReliques of Ancient English Poetryuit een liederenverzameling van 1612 afgedrukt en ook in Delius’ Shakespeare-uitgave overgenomen, verhaalt eenvoudig, dat Koning Cophetua, die niets van liefde wilde weten, eens plotseling, toen hij uit een venster lag, door liefde voor een bedelaarster bevangen werd, en deze huwde. Penelophon (Armado noemt haar later, IV. 1. 67, Zenelophon) was dadelijk in haar hoogen rang goed thuis; de koning leefde zeer gelukkig met haar; zij werden bij hun dood zeer betreurd en in één graf begraven. Zie ook “Romeo en Julia”, II. 1. 14 en “2 Koning Hendrik IV”, V. 3. 106.I. 2. 136.Dagloonster.In ’t Engelsch staatday-woman, wat ook wel voordairy-woman, dus “melkmeisje”, zou kunnen staan; in Schotland wordt een melkmeisje hier en daardeygenoemd.—In Engeland waren over het algemeendeyesbedienden van lageren rang. In een statuut van Richard II wordt het loon bepaald van:“a swineherd, a female labourer, and deye” op zes shillings jaarlijks. Chaucer vergelijkt in het begin van zijn “Nonnes Preestes Tale” het maal van een “poore widowe” met dat van eendey:“Milk and brown bread, in which she fond no lack, Seinde3bacon, and sometime an ey or twey; For she was, as it were, a manerdey.”I. 2. 141.Dat is er na!In het Engelsch zegt Jacquenetta:That ’s hereby, wat bij haar beteekent: “Al naar ’t uitkomt”, maar door Armado wordt gehouden voor: “Hier vlak bij”.I. 2. 183.De eerste en tweede reden voor een tweegevecht.Voor het tweegevecht bestonden eere-wetboeken, zie “Romeo en Julia”, II. 4. 26.II. 1. 45.In kennis rijk.In het Engelsch:well fitted in arts, waarmede de zeven vrije kunsten,artes liberales, bedoeld worden.II. 1. 89.Daar komt Navarre.Dat bij zijn komst de dames haar maskers klaar hebben, behoeft niet te bevreemden; naar de Italiaansche mode, in Sh.’s tijd ook in Engeland in zwang, verschenen de dames in het openbaar meestal gemaskerd. Het masker was oorspronkelijk bestemd ter bescherming tegen de zonnestralen; dat men het op reis bij de hand had, was dus niets meer dan natuurlijk.II. 1. 236.Als een agaatsteen.In Sh.’s tijd waren zegelsteenen van agaat, waar de afbeelding van een menschenhoofd of van een geheelen mensch op gesneden was, zeer gewoon. In 2 Hendrik IV. I. 2. 19 vergelijkt Falstaff zijn page met zulk een figuurtje. Zie ook “Veel leven om niets” III. 1. 65 en “Romeo en Julia” I. 4. 55.III. 1. 2.Concolinel!Zeker de aanvang of het refrein van een bekend liedje. In gevallen als deze werd de keuze van een liedje meest aan de spelers overgelaten.III. 1. 9.Met een Franschen slag.In het Engelsch staat:with a French brawl, wat Armado voor rumoer, gekijf of kloppartij houdt, terwijl de jongen er een bekenden dans mede bedoelt, zooals men had: “Coratitoes, lavoltos, jigs, measures, pavins, brawls, galliards, canaries”. De vroolijkejigsencanariesworden een oogenblik later door den jongen ook vermeld. De naam vanbrawlis afgeleid van het Franschebranle. Met dezen dans werd niet zelden een bal geopend; hij was wel geschikt om een ongedwongen toon te doen heerschen, als ten minste de volgende beschrijving uit een boekje, in 1579 te Antwerpen verschenen, juist is. “Un des gentilshommes et une des dames, estans les premiers en la danse, laissent les autres (qui cependant continuent la danse), et, se mettans dedans la dicte compagnie vont baisans par ordre toutes les personnes qui y sont: à sçavoir, le gentilhomme les dames, et la dame les gentilshommes. Puis, ayant achevé leurs baisemens, au lieu qu’ils estoyent les premiers en la danse, se mettent les derniers. Et ceste façon de faire se continue par le gentilhomme et la dame qui sont les plus prochains, jusques à ce qu’on vienne aux derniers”.III. 1. 21.Als een zeeman op het oude behangsel.Er staat eigenlijk: “als een man naar de oude schilderij”. Om de thans niet zeer duidelijke toespeling wat duidelijker te doen zijn, is er een zeeman van gemaakt, die vaak, als hij de handen niet uit de mouwen moet steken, ze in zijn zakken bergt, en is er van wandtapijten gesproken, waar zeker meermalen zeelieden op voorkwamen.III. 1. 28.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Het was in de mode, soms onstoffelijke zaken met een geldswaarde te meten. Zoo schreef Greene een boekje:A Groat’s worth of Witenz. (zie de aanteekeningen op 1 Koning Hendrik VI); zoo zegt ook Prins Hendrik in 2 K. Hendrik IV, II. 2. 99:a crown’s worth of interpretation.III. 1. 30.Het stokpaard is vergeten.Bij de Meioptochten speelde,—zie de aanteekeningop 1 K. Hendrik IV, III. 3. 129,—behalve broeder Tuck en Juffer Marianne, het paard een groote rol; het berijden eischte, al was het uit rijs gevlochten en met een bordpapieren kop, veel bedrevenheid, waarvan Jonson in zijn blijspel “Every Man out of his Humor” getuigt. Op aandrang der Puriteinen werd het onschuldige beest, nog uit den Paapschen tijd afkomstig, niet meer op de Meifeesten toegelaten en de daarover geslaakte verzuchting: “For, O, for, O, the hobbyhorse is forgot” (Hamlet III. 2. 142) werd weldra bij allerlei gelegenheden te pas gebracht.III. 1. 73.De pointe meteen.In ’t Engelsch:thy l’envoy.L’envoyis de oud-Fransche uitdrukking, ook in Engeland gebruikelijk, voor het slot of het slotcouplet van een gedicht, waarmee het aan iemand toegezonden of opgedragen werd. Aan Armado is de ware beteekenis van het woord niet duidelijk; hij denkt, dat het de oplossing van een raadsel beteekent.—In het vervolg maakt Mot er een toespeling op, datSalvezoowel het woord voor “zalf” als de Latijnsche welkomstgroet is. Hier moest, om een woordspeling te behouden, het woordl’envoydoorpointevervangen worden, zooals Gildemeister ook in zijn Duitsche vertaling deed. Een weegbreeblad werd als middel bij wonden gebezigd, zie “Romeo en Julia” I. 2. 52.III. 1. 102.Een gans van de hand gezet.De Engelsche uitdrukking beteekent: een koopje bezorgd, iemand genoopt, zichzelf voor een gans te verklaren, een spelletje, op het land gebruikelijk.—Fast and loose, wat volgt, is de naam van een goochelaarsstukje, waarbij iemand niet heeft, wat hij vast in de hand meent te hebben.—De markt was gedaanziet op het zeggen, dat drie vrouwen en een gans samen een markt uitmaken.III. 1. 136.Mijn robijntje, mijn kneu.Het onder den naam vankneu,vlamsijsoftukkerbekend vogeltje, deFringilla cannabina, heet in Groningerland en in Utrechtrobijntje. Het Engelsch heeft hiermy incony Jew. “Incony” beteekent “fijn, lief” en “Jew” staat hier voorjewel, evenals in den “Midzomernachtdroom”, III. 1. 97.IV. 1. 22.O schoonheidsketterij.Als alleen het geloof zalig maakt, is vertrouwen op goede werken ketterij.IV. 1. 56.Boyet, gij kunt trancheeren; snijd dit kapoentje eens voor.Tot de zaken, die een goed cavalier verstaan moest, behoorde het voorsnijden van gevogelte. Kapoentje staat, naar ’t voorbeeld van het Franschepoulet, hier voor minnebriefje.IV. 1. 101.Een phantast, een Monarcho.Hier wordt gedoeld op een zonderling, die in Londen zeer bekend was, zich steeds in hoogdravende taal uitte en in het vaste denkbeeld verkeerde, dat hij heer der geheele wereld was. Het volk had hem den spotnaam van Monarcho gegeven. In een verzameling van grafschriften van Thomas Churchyard, uitgegeven in 1580, vindt men er een op dezen “phantastischen monarch,” zooals hij er heet. Het is in Delius’ Sh.-uitgave afgedrukt.IV. 1. 110.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?In ’t Engelsen:Who is the suitor?in de oude edities staatshooter, dat nagenoeg eveneens werd uitgesproken; een woordspeling tusschen.suitor, “vrijer” enshooter, “schutter” is bedoeld.IV. 1. 125.Koningin Ginevra.De niet bijzonder getrouwe gemalin van koning Arthur, uit gedichten en tooneelstukken aan Sh.’s publiek welbekend.IV. 1. 133.De stop.Die in het midden der schijf was, en diende om te meten hoe ver de raakschoten van het midden bleven.—Het gesprek vloeit over van dubbelzinnigheden.IV. 1. 146.Armado aan de’ eenen kant.De boer vergelijkt in zijn gedachten de gevatheid der juffers met die van Mot en komt daardoor in eens op Armado.—Zulk een sprong in de redeneering behoeft in Dikkop niet te verwonderen.IV. 2. 37.Dictynna.Een bijnaam van Diana, die in de Metamorphosen van Ovidius voorkomt.IV. 2. 58.Een spitser.Een hert met zijn eerste gewei, twee onverdeelde spitsen; het volgend jaar heeft iedere stang een tak en heet het hert eengavelaarofgaffelaar.—Voor het verstaan der Engelsche uitdrukkingen in dit Epitaphium kan een aanhaling uit een tooneelstuk van 1606,The Return from Parnassus, dienen: “Now, Sir, a buck is the first year a fawn; the second year, a pricket; the third year, a sorrell” (welk woord ooksorelensorellgeschreven wordt); “the fourth year, a soar; the fifth year, a buck of the first head” (zoo noemde Nathanaël het hert); “the sixth year, a complete buck”.—Dat in het vers ook een woordspeling ligt metsoarofsore(hert) ensore(gewond), is duidelijk.IV. 2. 65.Als verzenenenz. In ’t Engelsch een woordspeling mettalententalon, klauw, welk woord in Sh.’s tijd niet zelden ooktalentgeschreven werd.IV. 2. 71.In den schoot der pia mater.Depia materis het dunne vlies om de hersenen; het woord beviel waarschijnlijk aan Sh. om de onzinnigheid.IV. 2. 85.Heer eerwaarde, quasi herwaarts.Ook het oorspronkelijke heeft hier, opzettelijk, zeer gezochte woordspelingen; een oogenblik later methogshead, okshoofd, enhog’s head, zwijnskop.IV. 2. 96.O goede oude Mantuaan!Die goede oude Mantuaan was Baptista Spagnolus, ook Joannes Baptista Mantuanus geheeten, (1448–1518), een Carmeliet, die Latijnsche Eclogæ en Elegieën schreef, welke van het eind der vijftiende eeuw af herhaaldelijk gedrukt en ook in de scholen gelezen werden. Zijn eerste Ecloga (Herdersdicht) begint:Fauste,precor,gelidaenz. Farnaby zegt, in zijn voorrede voor Martialis, dat depedanten(zooals hij de schoolmeesters noemt) hetFauste,precor,gelidahooger stelden dan hetArma virumque cano(het begin der Æneis van de andere Mantuaansche zwaan). Als Sh. zich met geleerdheid inlaat, blijkt hij wel op de hoogte te zijn.—De schoolmeester lucht, terwijl Nathanaël den brief leest, ook zijn kennis door een Italiaansch citaat. Zooals dit hier staat, vindt men het in een boek van 1591,Florio’s seconds fruits; Florio was een Italiaansch onderwijzer in Londen. Hoe de oude uitgaven, de Folio zoowel als de Quarto, vreemde talen onkenbaar maken, kan men bij deze gelegenheid opmerken; deze geven hier te lezen:vemchie, vencha, que non te vnde, que non te perreche.—Eindelijk toont hij even zijn muzikale begaafdheid.—Het volgende sonnet werd door den uitgever Jaggard, evenals dat van Longaville (blz. 210) in “De Verliefde Pelgrim” opgenomen, een kleinen dichtbundel, die, met gebruikmaking van Sh.’s naam, in 1599 verscheen.IV. 2. 133.Het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren der vreemde koningin.Hier heeft blijkbaar de dichter vergeten, dat Jacquenetta even te voren van den brief gezegd heeft (IV. 2. 94): “en mij toegezonden door Don Armado”; als men deze laatste woorden schrapt, is alles duidelijk. Dikkop weet, dat de prinses den brief van Armado in handen heeft, en kan dit aan Jacquenetta hebben meegedeeld. Dat zij Biron voor een Fransch hoveling houdt, is hieruit te verklaren, dat Biron waarschijnlijk, blijkens zijn vragen in het begin van het stuk, zich eerst sinds kort bij den koning van Navarre heeft aangesloten. Dat zij de prinses koningin noemt, is niet bevreemdend, als men bedenkt, dat de titel van koning of koningin ook aan koningskinderen gegeven werd, zooals bijv. Chriemhilde in het Nevelingenlied reeds vóór haar huwelijk koningin wordt genoemd.IV. 2. 155.Spreek mij niet van vaders.Nathanaël denkt aan een kerkvader, Holofernes aan andere vaderschappen, waarmee hij niets te maken wil hebben.IV. 3. 5.Zoo zegt men, zeide de nar.De nar is Dikkop; zie I. 1. 317.IV. 3. 29.De nacht van dauw.Ter verklaring kan men omzetten: “de dauw der nacht”.IV. 3. 48.Hij draagt een papier er van voor zich.De veroordeelde, die rondgeleid of te pronk gesteld werd, kreeg een papier, waarop zijn misdrijf stond, voor de borst.IV. 3. 54.Amors galg.In ’t Engelsch wordt Tyburn genoemd, de terechtstellingsplaats in het oude Londen.IV. 3. 250.Wie reikt mij ’t bijbelboekenz. Een bijbel of nieuw testament, om dit boek bij het zweren te kussen, zooals in Engeland steeds geschiedt. De vertaling zou dus ook kunnen luiden: “Wie neemt een eed mij af.”IV. 3. 258.Zoo ravenzwartenz. De argumenten van Biron voor zijn donkere schoone vinden wij ook in Sh.’s sonnetten aan een zwarte, verleidelijke schoone gebezigd, Sonn. 127, 130, 132. Deze stond hem hier ongetwijfeld voor den geest bij de beschrijving van Rosaline.IV. 3. 296.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeerenenz. In dit pleidooi van Biron vindt men enkele denkbeelden niet alleen herhaald, maar zelfs in nagenoeg dezelfde woorden uitgedrukt, in het oog vallend bij het beeld van het Prometheus-vuur. Van daar, dat men vermoed heeft, dat dit pleidooi eerst korter geweest en later door den dichter omgewerkt en uitgebreid zou zijn; dat in het handschrift dus zoowel de eerste schets als het uitgewerkte geheel stonden en beide door den afschrijver of zetter zijn overgenomen; enkele regels der eerste redactie zouden hier, andere later ingeschoven zijn. In de Globe-edition wordt alleen van de drie regels 302–204: “Uit vrouwenoogen” enz. aangewezen, dat zij behooren te vervallen, maar dan moet men veeleer, ter wille van den samenhang nog eenige voorafgaande regels verwerpen, zooals dan ook, door plaatsing tusschen [], hier gedaan is.—Vreemd is het zeker, dat de dichter, bij het omwerken van eenige regels, de oude niet duidelijk heeft doorgehaald. Volgens Capell en Dyce moeten ook reg. 312–319 “Want welk een schrijver” enz. verworpen worden.—Als men niet wil aannemen, dat alles of nagenoeg alles behouden moet worden en dat Biron in herhalingen treedt om zijn betoog meer klem bij te zetten, dan komt het mij veeleer waarschijnlijk voor, dat de herhalingen te danken zijn aan een poging om het lang betoog te bekorten en dat deze bekorte rede in het afschrift naast het oorspronkelijke stond. Alsdan zou de gang van het oorspronkelijke betoog deze kunnen zijn:“En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,Elk uwer zwoer hiermee zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen” enz.Het verkort betoog zou dan hebben moeten zijn, wat Furnivall voor het eerste ontwerp houdt in de voorrede van het facsimile der quarto-uitgave. Dit ontwerp is volgens hem: reg. 318–319 (later vervangen door 296–298 en uitgebreid met 305–411), 299–301 (vervangen door 320–323), 312–317 (vervangen door 324–349), 302–304 (vervangen door 350–354). Hierop volgt dan reg. 355 enz.Hoe het zij, als zeker is wel aan te nemen, dat door Shakespeare hier zijn eerste ontwerp is omgewerkt. Misschien is de omwerking van grooter omvang geweest dan wij thans kunnen aantoonen.V. 1. 1.Satis quod sufficit.“Genoeg is, wat voldoende is”. Zij hebben juist het middagmaal gebruikt.V. 1. 21.Zulke radbrakers der orthographie.Holofernes richt zijn toorn tegen het afslijten der woorden door de uitspraak, terwijl de spelling onveranderd blijft. In Sh.’s tijd werden vele, thans niet meer uitgesproken letters nog gehoord, of men wist zich ten minste nog te herinneren, dat zij niet altijd stom geweest waren.V. 1. 30.Laus Deo, bone intelligo.Nathanaël gebruiktbonevoor “goed”, terwijl hetbenemoest zijn. Holofernes vindt dit een schram voor Priscianus, maar erkent, dat het verstaanbaar is. Priscianus van Cæsarea was de beroemde taalkundige der oudheid, die in de zesde eeuw na Chr. te Constantinopel, onder Justinianus, Latijn onderwees. Zijn taalkundige geschriften waren in de middeleeuwen, en lang daarna, veel in gebruik en werden ook in deze eeuw nog uitgegeven.—De oude drukken zijn hier weder jammerlijk onnauwkeurig; er staat:Laus deo, bene intelligo; waarop Holofernes zegt:Bome boon for boon prescian, a litle scratcht, ’twil serve.V. 1. 44.Honorificabilitudinitatibus.Shakespeare overtreft met dit, zeker op de school gesmeed, woord, zijn voorganger Rabelais niet, die als titel van een boek opgeeft:Antipericatametaparhengedamphicribrationes, en evenmin sommige namen der organische scheikunde, die b.v. overmethylæthyltriacetylphosphammoniumbromideen dergelijke stoffen handelt.—Het vlamwiekje, waarvan gesproken wordt, het Engelscheflapdragon, is het een of ander klein voorwerp, dat op aangestoken wijn of brandewijn dreef en brandend moest ingezwolgen worden.V. 1. 124.De negen helden.De negen helden,the Nine Worthies, traden bij de Lord-Mayors- en andere feestelijke optochtensteedsop, tot groote vreugde van het publiek. De echte helden waren: drie uit de geschiedenis der Joden, Josua, David en Judas Maccabæus, drie uit de heidensche oudheid, Hector, Alexander en Julius Cæsar, en drie uit de christenheid, Arthur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon. Shakespeare heeft de vrijheid genomen eenige der helden door andere te vervangen.—In de beschrijving van een Chester volksfeest, in handschrift ter Harleyische boekerij aanwezig en van teekeningen voorzien, treden na de negenWorthiesde vier Jaargetijden op, zooals Shakespeare aan het slotVerenHiemslaat opkomen. Hij volgde hier dus de gewoonten der volksfeesten, en verhoogde aldus voor de toeschouwers de vermakelijkheid van het stuk.V. 2. 11.Tot wasdom.Omdat het zegel, in dien tijd vanwas, op Cupido’s naam kleefde.V. 2. 40.Zoo schoon als inkt dus.Rosaline is een zwartje. Nu de hoogblonde Catharina zich in de plagerij mengt, wordt zij met de in rood gedrukte namen of initialen van feest- en heilige dagen vergeleken, en de O’s doelen op pokputjes, zooals blijkt uit het zeggen der prinses: “A pox of that jest!”V. 2. 57.Zoo is ’t; ik deelde ’tenz. Het Engelsch heeft:Ay, or I would these hands might never part. Wat beteekent dit? dat zij geen hand ooit aan een echtgenoot zal wegschenken? of bestond het slot der keten uit handjes, zoodat zij dit sieraad altijd wil dragen? Er moest van dezen regel maar iets gemaakt worden.V. 2. 157.De maskers komen.In Shakespeare’s tijd was het optreden van gemaskerden met of zonder poëtische toespraken zeer in de mode. Prachtige vertooningen van dien aard hadden er telkens aan het hof van Hendrik VIII en van Elizabeth plaats; de beschrijvingen er van zijn in de kronieken van Holinshed en van Hall te vinden. Het Russisch kostuum werd daartoe meermalen gekozen.V. 2. 159.Als een glansrijk taf.De maskers der dames bestonden uit taf.V. 2. 187.Om ’t veld hier maatvast met u rond te gaan.In ’t Engelsch:to tread a measure.Measureis de naam van een statigen dans, ongeveer als de menuet. Zie “Veel leven om niets”, II. 1. 80.V. 2. 215.Toch blijft zij steeds de maan.Trots al haar wisselingen blijft de maan steeds dezelfde, en de koning steeds aan de maan verknocht, evenals de man in de maan onveranderd blijft.V. 2. 235.In ’t dobb’len te bedreven.In ’t Engelsch staat:since you can cog.To cogis de uitdrukking voor het vervalschen van dobbelsteenen en beteekent dus “valsch dobbelen”of in ’t algemeen “bedriegen”, vooral door behendige leugens.V. 2. 247.Recht fraaie vaerzen;—is niet vaars een kalf?In ’t Engelsch is de overgang volstrekt niet minder gezocht:Veal,quoththe Dutchman. Is not “veal”a calf?De Hollander zegt “veal” (in plaats van “well”). Is “veal” niet een kalf?” In het Duitsch heeft Gildemeister de woordspeling eveneens metVerseenFärsenagebootst.V. 2. 277.Ik zeide: trek!“Trek” kan ook beteekenen “ga heen”. In ’t Engelsch staat: “No point”, waarpoint, als Fransch beschouwt,niet, als Engelsch,degenspitsbeteekent.V. 2. 281.Van dorpers hoort men vaak een gladder taal.In ’t Engelsch:Well, better wits have worn plain statute caps. Bij een parlementsacte van 1571 (in 1597 herroepen) was bepaald, dat, met uitzondering van den adel en andere personen van rang, ieder, die boven de zes jaar was, op zon- en feestdagen een wollen muts moest dragen, in Engeland vervaardigd,—een maatregel ter bescherming der inlandsche nijverheid. Met de dragers van ordonnantie-mutsen worden dus eerzame kleine burgers, handwerkslieden, enz. bedoeld.V. 2. 332.Elpen tandenpracht.Het Engelsch spreekt vanwhale’s bone, watwalrustandbeteekent.V. 2. 339.Veel heil en zegen.Het Engelsch heeft hier een woordspeling methail, datheilenhagelbeteekent.V. 2. 419.Roep Gods erbarmen in voor deze drie.In ’t Engelsch:Write, “Lord have mercy on us” on those three. “Heer, heb erbarmen met ons” was het gewoon opschrift op huizen, waarin de pest was uitgebroken. “’s Heeren teekens”, waarmee hier de geschenken bedoeld worden, was de naam voor pestvlekken.V. 2. 478.’t Is uw vak.In ’t Engelsch:you are allow’d; dat is: “you are an allowed fool”.V. 2. 490.Wij zijn niet onnoozel, heer.Dit is de beteekenis van ’t Eng.:You cannot beg us. De vorst kon naar oud gebruik de voogdijschap over een onnoozele als gunst toestaan; de voogd kreeg dan de beschikking over het vermogen van den hem toegekenden beschermeling.V. 2. 546.Niets boven de vijf in ’t novem.Novum, ofNovem, of voluitNovem quinque, was een dobbelspel, waarbij negen en vijf de twee beste worpen waren. De vijf spelers in de vertooning der negen helden waren dus de kostelijkste vijf ter wereld, op den vijfworp in ’t novem na.V. 2. 568.Uw neus getuigt van neen, want die staat veel te recht.De scheeve houding van het hoofd op de oude afbeeldingen van Alexander is bekend.V. 2. 580.Uw leeuw, die een houwbijlenz. Volgens de ridderboeken droeg Alexanders wapenschild een leeuw, op een stoel zittend, met een strijdbijl in de pooten. Dikkop stelt dit op zijn manier voor en wil Alexander door Ajax (a jakes) vervangen; hier moge Castor, door Dikkop verkeerd uitgesproken, voor hem invallen, evenals Gildemeister het in zijn vertaling hem reeds liet doen.V. 2. 609.Uw leeftijd heeft den voorrang.In ’t Engelsch:you are my elder. Volgens de overlevering hing Judas zich op aan een vlierboom,an elder.V. 2. 629.Vaarwel, beste Juud, enz. In ’t Engelsch wordtass, ezel, als slot van den naam afgescheiden. Om de woordspeling eenigszins over te brengen, moest de vertaler den vorigen regel invoegen.V. 2. 640.Bij dien vriend daar was Hector maar een Stroojaan.Zoo vertaalt ook Gildemeister. In ’t Engelsch staat:Hector was but a Trojan; maarTrojanhad in de 16deeeuw in ’t Engelsch de beteekenis van landlooper. De vertaling met Trojaan zou niets zijn.V. 2. 652.Een vergulde muskaatnoot.Bij wijze van doosjes met flikjes of bonbons dienden vroeger vergulde muskaatnoten en met kruidnagels bestoken sinaasappelen als geschenken, vooral op Nieuwjaar.V. 2. 694.Meer Ate’s.Ate, de godin der tweedracht.V. 2. 706.Meester, laat mij uw bovensten knoop eens losmaken.Het Engelsch zegt woordelijk: “laat mij u een knoopsgat lager nemen”. Geeft de vertaling de beteekenis terug, of wil het zeggen: “laat mij ronduit met u spreken?”V. 2. 717.Ik draag de wol op ’t lijf voor boete.Grofwollen hemden waren boethemden; hier moet de wol van het bovenkleed er voor dienen.V. 2. 736.Hoe gaat het uwe hoogheid?In ’t Engelschhow fares your majesty?De vraag klinkt nog al vreemd; er dienen eigenlijk een paar woorden aan vooraf te gaan, b.v. “Wat zware slag!” of “Een schriklijk nieuws!” Bij een tooneelbewerking zou zoo iets ingelascht mogen worden, bij een vertaling echter niet.V. 2. 827.En wat voor mij?enz. Regels 827–832 moeten ongetwijfeld, met het oog op reg. 847 en volgg. weggelaten worden; men zie boven, de aanteekening opIV. 3. 296en volgende regels.1Door het photolithographisch facsimile, uitgegeven door W. Griggs, thans voor ieder gemakkelijk verkrijgbaar. Het is no. 5 der Shakspere-Quarto Facsimiles.↑2Zoo heet ook Mélun in de oude uitgavenMelooneofMelloone(“Koning Jan”, IV. 3. 15, V. 2. 1, enz.)↑3Thans “singed”.↑
Aanteekeningen.De eerste uitgave, die wij van dit blijspel bezitten, verscheen in 1598, in quarto, en draagt den volgenden titel:A Pleasant Conceited Comedie Called, Loues labors lost. As it was presented before her Highnes this last Christmas. Newly corrected and augmented.ByW. Shakespeare. Imprinted at London bij W. W. for Cutbert Burby. 15981. De uitgever, Burby, heeft zijn recht op dit stuk, blijkens de registers van het boekverkoopersgilde, in 1606, aan een ander overgedragen; dat deze het op nieuw heeft uitgegeven, blijkt niet. De tekst der eerste quarto-uitgave is in de folio-uitgave voor het eerst weder afgedrukt, en er in overgegaan met de meeste drukfouten: enkele oude drukfouten zijn verbeterd, maar er komen ook slechtere lezingen in voor; de folio-uitgave voegt de slotwoorden: “Gij dien weg, wij dezen” bij den tekst der quarto-uitgave, maar laat, zeer ten onrechte, in het eerste tooneel van het derde bedrijf reg. 84–93 (blz. 203: “Ik wil u een voorbeeld geven” enz.) uit, en kent in de woordenwisseling tusschen Biron en Rosaline (II. 1. 180. blz. 200) “Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen” enz. de gezegden van Biron verkeerdelijk aan Boyet toe. De folio-uitgave moge iets zorgvuldiger gedrukt zijn, eenige drukfouten verbeterd hebben, zij is geenszins beter dan de quarto-uitgave.Het stuk was alzoo in 1598 reeds geschreven; de vermelding, dat het op Kersttijd voor de Koningin gespeeld is, kan doen denken, dat het in 1597 gereed was, doch dit is niet zeker, daar het jaar 1598 eerst 24 Maart 1599 eindigde. Ondertusschen ook Meres vermeldde het in dat zelfde jaar in zijnPalladis Tamia. (Zie blz. 121.) Naar alle waarschijnlijkheid was het stuk verscheiden jaren ouder. De bijvoeging op den titel der quarto-uitgave: “Newly corrected and augmented” zou dit doen vermoeden, als die uitdrukking niet zoo vaak, bij voorbeeld bij de afzonderlijke uitgaven van Richard III, alleen uit speculatie ten onrechte ware bijgevoegd; ondertusschen is het hier mogelijk, dat een paar plaatsen ter gelegenheid van de vertooning voor de Koningin, door den dichter meer zijn uitgewerkt, zooals nader in de aanteekeningen wordt aangewezen. Maar het stuk zelf draagt de blijken, dat het tot de eerstelingen des dichters behoort, tot het tijdperk, waarin hij ook de “Twee Edellieden van Verona” en “De Klucht der Vergissingen” schreef; de geheele geest van het stuk, de knuppelverzen, de vele afwisselend rijmende regels enz. bewijzen dit ten duidelijkste; hierbij komt nog, dat het dansende paard, waarI. 2. 57van gesproken wordt, reeds in 1589 in Londen vertoond werd; de toespeling zou eenige jaren later niet begrepen zijn.—Dat het stuk langen tijd door het publiek gaarne gezien werd,kan hieruit blijken, dat het in 1631, naar den tekst der folio-uitgave, nog eens in quarto werd gedrukt.Over den aanleg van het stuk en de karakters der personen hier te spreken, valt buiten het bestek dezer aanteekeningen. Om het geestige stuk ten volle te genieten, moge men zich in den tijd des dichters verplaatsen. Zooveel mogelijk is in de aanteekeningen alles medegedeeld, wat tot opheldering, ook van den oorspronkelijken tekst, noodig te rekenen is. De gewone verdeeling in bedrijven en tooneelen moge te wenschen overlaten, ten behoeve van aanhalingen en vergelijkingen moest zij behouden blijven.Er is niets bekend van een bron, waaruit dit stuk geput kan zijn.—Navarre is als tooneel der handeling met oordeel gekozen, als een neutraal gebied tusschen Spanje en Frankrijk, beide aan Engeland vijandig gezind; dat het de zetel was van Hendrik IV, deed aan de belangstelling geen afbreuk. De gebeurtenissen van 1589 in Frankrijk wekten in Engeland levendige belangstelling, vooral toen Elizabeth den troonpretendent met hulptroepen ondersteunde. Opmerkelijk is de overeenkomst van enkele namen met die van voorname, toen levende personen in Frankrijk. Het was onderBiron, dat de Engelsche hulptroepen in Frankrijk dienden; hij was zeer bij hen gezien (in de oude uitgaven heet hijBerowne2, welke naam IV. 3. 232 opmoonrijmt).Longavillemaakte naam bij Senlis in 1589;Dumainedoet denken aan den Duc de Maine of de Mayenne, wiens naam door Chapman in zijn “Conspiracie of Byron” evenzoo gespeld wordt. In 1586 had er een luisterrijke samenkomst plaats van den Koning van Navarre en een Fransche prinses, Catharina de Medici. De naam van den Spaanschen bluffer,—in de oude uitgaven vaak met het woordBraggart, in plaats van met zijn naam aangewezen,—doet aan de Onoverwinnelijke vloot, deArmada, denken. Het is, alsof Shakespeare aan zijn personen in dit blijspel met opzet namen gaf, die de belangstelling der toeschouwers moesten verhoogen. Ook dit wijst er op, dat dit stuk dagteekent uit een tijd, dat de Fransche toestanden en gebeurtenissen de meeste aandacht trokken, dus tusschen 1589 en 1593.I. 1. 56.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.In het oorspronkelijke gaat hier nog de uitroepwhyvooraf, alsof de koning zich de vraag van Biron nooit heeft gedaan en zich even moet bedenken, om ten minste eenig antwoord te geven.—Dat roemzucht, ijdelheid zijn drijfveer is, werd in zijn eerste woorden reeds uitgedrukt.I. 1. 185.Zijn genades gerechtsdienaar.Gelijk zoo even “reprehendeer” voor “representeer” zegt Dom hier weertharborough(volgens de quartofarborough) voorthirdborough. Hij verdraait genoeg woorden, op de wijze der Clowns bij Shakespeare, dat hier een enkele vergissing wel eens onvertaald mag blijven.I. 1. 196.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel.Als men van een derden of van een hoogsten hemel spreekt, dan is de hemel, waar Biron met God nu in wenscht opgetrokken te worden, wel bijzonder laag. ’t Kan ook eenvoudig zijn, dat Longaville op denhemel, d. i. de zoldering, van het tooneel, wijst. Het woordstijl, dat volgt, heeft ook twee beteekenissen, schrijfwijze en pilaar, in ’t Engelsch isstilezoowel schrijfwijze als een slagboom tusschen velden.—Een oogenblik later vindt men weder woordspelingen metmanner, manier,to be taken with the manner, op heeterdaad betrapt worden, enmanor house, heerenhuis; als mede metform, vorm en zitbank.I. 1. 251.Dit gering elzenvorentje.In ’t Engelsch:that bare minnow of thy mirth.Minnowis een klein vischje (Phoxinus lævis), tot de vorens te rekenen, te nauwernood een palm lang, bij onselzenvorentjegeheeten, minder bekend dan hetalvertjeof denesteling, die een paar palm lang wordt.I. 2. 34.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.In het Engelsch een woordspeling metcross, een munt, ento cross, in den weg treden.I. 2. 57.Het dansende paard.Hier wordt gedoeld op het aan elk bekende paard Marocco, dat door een zekeren Banks in Londen, het eerst in 1589, vertoond werd en door velen als zeer begaafd geroemd wordt, o. a. door Jonson, Donne, Sir Walter Raleigh. Het gaf te kennen, hoeveel stuivers een hem getoond zilverstuk waard was, het aantal oogen op geworpendobbelsteenenenz. De opgang, dien het paard maakte, bewoog zijn meester ook het buitenland te gaan bezoeken. In Orleans beweerden de Capucijners, dat het dier een duivel was. De aanklacht werd echter ingetrokken, toen, bij de volgende voorstelling, het dier, op bevel van zijn heer, onder de toeschouwers er een uitzocht met een crucifix op den hoed, voor het heilige symbool knielde en het kuste. Men zegt, dat ten slotte Banks met zijn paard te Rome wegens tooverij verbrand is geworden.I. 2. 82.Van welke complexie?Complexiewas in gebruik in de beteekenis van temperament. Men nam, evenals vier elementen, ook vier temperamenten, het cholerisch enz. aan; en omdat men meende, dat van het temperament ook de gelaatskleur afhing, werd het woord ook voor de laatste gebezigd. Zoo vat Mot het op.I. 2. 114.Is er geene ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?De oude ballade:King Cophetua and the Beggar-maid, doorPercyin zijnReliques of Ancient English Poetryuit een liederenverzameling van 1612 afgedrukt en ook in Delius’ Shakespeare-uitgave overgenomen, verhaalt eenvoudig, dat Koning Cophetua, die niets van liefde wilde weten, eens plotseling, toen hij uit een venster lag, door liefde voor een bedelaarster bevangen werd, en deze huwde. Penelophon (Armado noemt haar later, IV. 1. 67, Zenelophon) was dadelijk in haar hoogen rang goed thuis; de koning leefde zeer gelukkig met haar; zij werden bij hun dood zeer betreurd en in één graf begraven. Zie ook “Romeo en Julia”, II. 1. 14 en “2 Koning Hendrik IV”, V. 3. 106.I. 2. 136.Dagloonster.In ’t Engelsch staatday-woman, wat ook wel voordairy-woman, dus “melkmeisje”, zou kunnen staan; in Schotland wordt een melkmeisje hier en daardeygenoemd.—In Engeland waren over het algemeendeyesbedienden van lageren rang. In een statuut van Richard II wordt het loon bepaald van:“a swineherd, a female labourer, and deye” op zes shillings jaarlijks. Chaucer vergelijkt in het begin van zijn “Nonnes Preestes Tale” het maal van een “poore widowe” met dat van eendey:“Milk and brown bread, in which she fond no lack, Seinde3bacon, and sometime an ey or twey; For she was, as it were, a manerdey.”I. 2. 141.Dat is er na!In het Engelsch zegt Jacquenetta:That ’s hereby, wat bij haar beteekent: “Al naar ’t uitkomt”, maar door Armado wordt gehouden voor: “Hier vlak bij”.I. 2. 183.De eerste en tweede reden voor een tweegevecht.Voor het tweegevecht bestonden eere-wetboeken, zie “Romeo en Julia”, II. 4. 26.II. 1. 45.In kennis rijk.In het Engelsch:well fitted in arts, waarmede de zeven vrije kunsten,artes liberales, bedoeld worden.II. 1. 89.Daar komt Navarre.Dat bij zijn komst de dames haar maskers klaar hebben, behoeft niet te bevreemden; naar de Italiaansche mode, in Sh.’s tijd ook in Engeland in zwang, verschenen de dames in het openbaar meestal gemaskerd. Het masker was oorspronkelijk bestemd ter bescherming tegen de zonnestralen; dat men het op reis bij de hand had, was dus niets meer dan natuurlijk.II. 1. 236.Als een agaatsteen.In Sh.’s tijd waren zegelsteenen van agaat, waar de afbeelding van een menschenhoofd of van een geheelen mensch op gesneden was, zeer gewoon. In 2 Hendrik IV. I. 2. 19 vergelijkt Falstaff zijn page met zulk een figuurtje. Zie ook “Veel leven om niets” III. 1. 65 en “Romeo en Julia” I. 4. 55.III. 1. 2.Concolinel!Zeker de aanvang of het refrein van een bekend liedje. In gevallen als deze werd de keuze van een liedje meest aan de spelers overgelaten.III. 1. 9.Met een Franschen slag.In het Engelsch staat:with a French brawl, wat Armado voor rumoer, gekijf of kloppartij houdt, terwijl de jongen er een bekenden dans mede bedoelt, zooals men had: “Coratitoes, lavoltos, jigs, measures, pavins, brawls, galliards, canaries”. De vroolijkejigsencanariesworden een oogenblik later door den jongen ook vermeld. De naam vanbrawlis afgeleid van het Franschebranle. Met dezen dans werd niet zelden een bal geopend; hij was wel geschikt om een ongedwongen toon te doen heerschen, als ten minste de volgende beschrijving uit een boekje, in 1579 te Antwerpen verschenen, juist is. “Un des gentilshommes et une des dames, estans les premiers en la danse, laissent les autres (qui cependant continuent la danse), et, se mettans dedans la dicte compagnie vont baisans par ordre toutes les personnes qui y sont: à sçavoir, le gentilhomme les dames, et la dame les gentilshommes. Puis, ayant achevé leurs baisemens, au lieu qu’ils estoyent les premiers en la danse, se mettent les derniers. Et ceste façon de faire se continue par le gentilhomme et la dame qui sont les plus prochains, jusques à ce qu’on vienne aux derniers”.III. 1. 21.Als een zeeman op het oude behangsel.Er staat eigenlijk: “als een man naar de oude schilderij”. Om de thans niet zeer duidelijke toespeling wat duidelijker te doen zijn, is er een zeeman van gemaakt, die vaak, als hij de handen niet uit de mouwen moet steken, ze in zijn zakken bergt, en is er van wandtapijten gesproken, waar zeker meermalen zeelieden op voorkwamen.III. 1. 28.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Het was in de mode, soms onstoffelijke zaken met een geldswaarde te meten. Zoo schreef Greene een boekje:A Groat’s worth of Witenz. (zie de aanteekeningen op 1 Koning Hendrik VI); zoo zegt ook Prins Hendrik in 2 K. Hendrik IV, II. 2. 99:a crown’s worth of interpretation.III. 1. 30.Het stokpaard is vergeten.Bij de Meioptochten speelde,—zie de aanteekeningop 1 K. Hendrik IV, III. 3. 129,—behalve broeder Tuck en Juffer Marianne, het paard een groote rol; het berijden eischte, al was het uit rijs gevlochten en met een bordpapieren kop, veel bedrevenheid, waarvan Jonson in zijn blijspel “Every Man out of his Humor” getuigt. Op aandrang der Puriteinen werd het onschuldige beest, nog uit den Paapschen tijd afkomstig, niet meer op de Meifeesten toegelaten en de daarover geslaakte verzuchting: “For, O, for, O, the hobbyhorse is forgot” (Hamlet III. 2. 142) werd weldra bij allerlei gelegenheden te pas gebracht.III. 1. 73.De pointe meteen.In ’t Engelsch:thy l’envoy.L’envoyis de oud-Fransche uitdrukking, ook in Engeland gebruikelijk, voor het slot of het slotcouplet van een gedicht, waarmee het aan iemand toegezonden of opgedragen werd. Aan Armado is de ware beteekenis van het woord niet duidelijk; hij denkt, dat het de oplossing van een raadsel beteekent.—In het vervolg maakt Mot er een toespeling op, datSalvezoowel het woord voor “zalf” als de Latijnsche welkomstgroet is. Hier moest, om een woordspeling te behouden, het woordl’envoydoorpointevervangen worden, zooals Gildemeister ook in zijn Duitsche vertaling deed. Een weegbreeblad werd als middel bij wonden gebezigd, zie “Romeo en Julia” I. 2. 52.III. 1. 102.Een gans van de hand gezet.De Engelsche uitdrukking beteekent: een koopje bezorgd, iemand genoopt, zichzelf voor een gans te verklaren, een spelletje, op het land gebruikelijk.—Fast and loose, wat volgt, is de naam van een goochelaarsstukje, waarbij iemand niet heeft, wat hij vast in de hand meent te hebben.—De markt was gedaanziet op het zeggen, dat drie vrouwen en een gans samen een markt uitmaken.III. 1. 136.Mijn robijntje, mijn kneu.Het onder den naam vankneu,vlamsijsoftukkerbekend vogeltje, deFringilla cannabina, heet in Groningerland en in Utrechtrobijntje. Het Engelsch heeft hiermy incony Jew. “Incony” beteekent “fijn, lief” en “Jew” staat hier voorjewel, evenals in den “Midzomernachtdroom”, III. 1. 97.IV. 1. 22.O schoonheidsketterij.Als alleen het geloof zalig maakt, is vertrouwen op goede werken ketterij.IV. 1. 56.Boyet, gij kunt trancheeren; snijd dit kapoentje eens voor.Tot de zaken, die een goed cavalier verstaan moest, behoorde het voorsnijden van gevogelte. Kapoentje staat, naar ’t voorbeeld van het Franschepoulet, hier voor minnebriefje.IV. 1. 101.Een phantast, een Monarcho.Hier wordt gedoeld op een zonderling, die in Londen zeer bekend was, zich steeds in hoogdravende taal uitte en in het vaste denkbeeld verkeerde, dat hij heer der geheele wereld was. Het volk had hem den spotnaam van Monarcho gegeven. In een verzameling van grafschriften van Thomas Churchyard, uitgegeven in 1580, vindt men er een op dezen “phantastischen monarch,” zooals hij er heet. Het is in Delius’ Sh.-uitgave afgedrukt.IV. 1. 110.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?In ’t Engelsen:Who is the suitor?in de oude edities staatshooter, dat nagenoeg eveneens werd uitgesproken; een woordspeling tusschen.suitor, “vrijer” enshooter, “schutter” is bedoeld.IV. 1. 125.Koningin Ginevra.De niet bijzonder getrouwe gemalin van koning Arthur, uit gedichten en tooneelstukken aan Sh.’s publiek welbekend.IV. 1. 133.De stop.Die in het midden der schijf was, en diende om te meten hoe ver de raakschoten van het midden bleven.—Het gesprek vloeit over van dubbelzinnigheden.IV. 1. 146.Armado aan de’ eenen kant.De boer vergelijkt in zijn gedachten de gevatheid der juffers met die van Mot en komt daardoor in eens op Armado.—Zulk een sprong in de redeneering behoeft in Dikkop niet te verwonderen.IV. 2. 37.Dictynna.Een bijnaam van Diana, die in de Metamorphosen van Ovidius voorkomt.IV. 2. 58.Een spitser.Een hert met zijn eerste gewei, twee onverdeelde spitsen; het volgend jaar heeft iedere stang een tak en heet het hert eengavelaarofgaffelaar.—Voor het verstaan der Engelsche uitdrukkingen in dit Epitaphium kan een aanhaling uit een tooneelstuk van 1606,The Return from Parnassus, dienen: “Now, Sir, a buck is the first year a fawn; the second year, a pricket; the third year, a sorrell” (welk woord ooksorelensorellgeschreven wordt); “the fourth year, a soar; the fifth year, a buck of the first head” (zoo noemde Nathanaël het hert); “the sixth year, a complete buck”.—Dat in het vers ook een woordspeling ligt metsoarofsore(hert) ensore(gewond), is duidelijk.IV. 2. 65.Als verzenenenz. In ’t Engelsch een woordspeling mettalententalon, klauw, welk woord in Sh.’s tijd niet zelden ooktalentgeschreven werd.IV. 2. 71.In den schoot der pia mater.Depia materis het dunne vlies om de hersenen; het woord beviel waarschijnlijk aan Sh. om de onzinnigheid.IV. 2. 85.Heer eerwaarde, quasi herwaarts.Ook het oorspronkelijke heeft hier, opzettelijk, zeer gezochte woordspelingen; een oogenblik later methogshead, okshoofd, enhog’s head, zwijnskop.IV. 2. 96.O goede oude Mantuaan!Die goede oude Mantuaan was Baptista Spagnolus, ook Joannes Baptista Mantuanus geheeten, (1448–1518), een Carmeliet, die Latijnsche Eclogæ en Elegieën schreef, welke van het eind der vijftiende eeuw af herhaaldelijk gedrukt en ook in de scholen gelezen werden. Zijn eerste Ecloga (Herdersdicht) begint:Fauste,precor,gelidaenz. Farnaby zegt, in zijn voorrede voor Martialis, dat depedanten(zooals hij de schoolmeesters noemt) hetFauste,precor,gelidahooger stelden dan hetArma virumque cano(het begin der Æneis van de andere Mantuaansche zwaan). Als Sh. zich met geleerdheid inlaat, blijkt hij wel op de hoogte te zijn.—De schoolmeester lucht, terwijl Nathanaël den brief leest, ook zijn kennis door een Italiaansch citaat. Zooals dit hier staat, vindt men het in een boek van 1591,Florio’s seconds fruits; Florio was een Italiaansch onderwijzer in Londen. Hoe de oude uitgaven, de Folio zoowel als de Quarto, vreemde talen onkenbaar maken, kan men bij deze gelegenheid opmerken; deze geven hier te lezen:vemchie, vencha, que non te vnde, que non te perreche.—Eindelijk toont hij even zijn muzikale begaafdheid.—Het volgende sonnet werd door den uitgever Jaggard, evenals dat van Longaville (blz. 210) in “De Verliefde Pelgrim” opgenomen, een kleinen dichtbundel, die, met gebruikmaking van Sh.’s naam, in 1599 verscheen.IV. 2. 133.Het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren der vreemde koningin.Hier heeft blijkbaar de dichter vergeten, dat Jacquenetta even te voren van den brief gezegd heeft (IV. 2. 94): “en mij toegezonden door Don Armado”; als men deze laatste woorden schrapt, is alles duidelijk. Dikkop weet, dat de prinses den brief van Armado in handen heeft, en kan dit aan Jacquenetta hebben meegedeeld. Dat zij Biron voor een Fransch hoveling houdt, is hieruit te verklaren, dat Biron waarschijnlijk, blijkens zijn vragen in het begin van het stuk, zich eerst sinds kort bij den koning van Navarre heeft aangesloten. Dat zij de prinses koningin noemt, is niet bevreemdend, als men bedenkt, dat de titel van koning of koningin ook aan koningskinderen gegeven werd, zooals bijv. Chriemhilde in het Nevelingenlied reeds vóór haar huwelijk koningin wordt genoemd.IV. 2. 155.Spreek mij niet van vaders.Nathanaël denkt aan een kerkvader, Holofernes aan andere vaderschappen, waarmee hij niets te maken wil hebben.IV. 3. 5.Zoo zegt men, zeide de nar.De nar is Dikkop; zie I. 1. 317.IV. 3. 29.De nacht van dauw.Ter verklaring kan men omzetten: “de dauw der nacht”.IV. 3. 48.Hij draagt een papier er van voor zich.De veroordeelde, die rondgeleid of te pronk gesteld werd, kreeg een papier, waarop zijn misdrijf stond, voor de borst.IV. 3. 54.Amors galg.In ’t Engelsch wordt Tyburn genoemd, de terechtstellingsplaats in het oude Londen.IV. 3. 250.Wie reikt mij ’t bijbelboekenz. Een bijbel of nieuw testament, om dit boek bij het zweren te kussen, zooals in Engeland steeds geschiedt. De vertaling zou dus ook kunnen luiden: “Wie neemt een eed mij af.”IV. 3. 258.Zoo ravenzwartenz. De argumenten van Biron voor zijn donkere schoone vinden wij ook in Sh.’s sonnetten aan een zwarte, verleidelijke schoone gebezigd, Sonn. 127, 130, 132. Deze stond hem hier ongetwijfeld voor den geest bij de beschrijving van Rosaline.IV. 3. 296.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeerenenz. In dit pleidooi van Biron vindt men enkele denkbeelden niet alleen herhaald, maar zelfs in nagenoeg dezelfde woorden uitgedrukt, in het oog vallend bij het beeld van het Prometheus-vuur. Van daar, dat men vermoed heeft, dat dit pleidooi eerst korter geweest en later door den dichter omgewerkt en uitgebreid zou zijn; dat in het handschrift dus zoowel de eerste schets als het uitgewerkte geheel stonden en beide door den afschrijver of zetter zijn overgenomen; enkele regels der eerste redactie zouden hier, andere later ingeschoven zijn. In de Globe-edition wordt alleen van de drie regels 302–204: “Uit vrouwenoogen” enz. aangewezen, dat zij behooren te vervallen, maar dan moet men veeleer, ter wille van den samenhang nog eenige voorafgaande regels verwerpen, zooals dan ook, door plaatsing tusschen [], hier gedaan is.—Vreemd is het zeker, dat de dichter, bij het omwerken van eenige regels, de oude niet duidelijk heeft doorgehaald. Volgens Capell en Dyce moeten ook reg. 312–319 “Want welk een schrijver” enz. verworpen worden.—Als men niet wil aannemen, dat alles of nagenoeg alles behouden moet worden en dat Biron in herhalingen treedt om zijn betoog meer klem bij te zetten, dan komt het mij veeleer waarschijnlijk voor, dat de herhalingen te danken zijn aan een poging om het lang betoog te bekorten en dat deze bekorte rede in het afschrift naast het oorspronkelijke stond. Alsdan zou de gang van het oorspronkelijke betoog deze kunnen zijn:“En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,Elk uwer zwoer hiermee zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen” enz.Het verkort betoog zou dan hebben moeten zijn, wat Furnivall voor het eerste ontwerp houdt in de voorrede van het facsimile der quarto-uitgave. Dit ontwerp is volgens hem: reg. 318–319 (later vervangen door 296–298 en uitgebreid met 305–411), 299–301 (vervangen door 320–323), 312–317 (vervangen door 324–349), 302–304 (vervangen door 350–354). Hierop volgt dan reg. 355 enz.Hoe het zij, als zeker is wel aan te nemen, dat door Shakespeare hier zijn eerste ontwerp is omgewerkt. Misschien is de omwerking van grooter omvang geweest dan wij thans kunnen aantoonen.V. 1. 1.Satis quod sufficit.“Genoeg is, wat voldoende is”. Zij hebben juist het middagmaal gebruikt.V. 1. 21.Zulke radbrakers der orthographie.Holofernes richt zijn toorn tegen het afslijten der woorden door de uitspraak, terwijl de spelling onveranderd blijft. In Sh.’s tijd werden vele, thans niet meer uitgesproken letters nog gehoord, of men wist zich ten minste nog te herinneren, dat zij niet altijd stom geweest waren.V. 1. 30.Laus Deo, bone intelligo.Nathanaël gebruiktbonevoor “goed”, terwijl hetbenemoest zijn. Holofernes vindt dit een schram voor Priscianus, maar erkent, dat het verstaanbaar is. Priscianus van Cæsarea was de beroemde taalkundige der oudheid, die in de zesde eeuw na Chr. te Constantinopel, onder Justinianus, Latijn onderwees. Zijn taalkundige geschriften waren in de middeleeuwen, en lang daarna, veel in gebruik en werden ook in deze eeuw nog uitgegeven.—De oude drukken zijn hier weder jammerlijk onnauwkeurig; er staat:Laus deo, bene intelligo; waarop Holofernes zegt:Bome boon for boon prescian, a litle scratcht, ’twil serve.V. 1. 44.Honorificabilitudinitatibus.Shakespeare overtreft met dit, zeker op de school gesmeed, woord, zijn voorganger Rabelais niet, die als titel van een boek opgeeft:Antipericatametaparhengedamphicribrationes, en evenmin sommige namen der organische scheikunde, die b.v. overmethylæthyltriacetylphosphammoniumbromideen dergelijke stoffen handelt.—Het vlamwiekje, waarvan gesproken wordt, het Engelscheflapdragon, is het een of ander klein voorwerp, dat op aangestoken wijn of brandewijn dreef en brandend moest ingezwolgen worden.V. 1. 124.De negen helden.De negen helden,the Nine Worthies, traden bij de Lord-Mayors- en andere feestelijke optochtensteedsop, tot groote vreugde van het publiek. De echte helden waren: drie uit de geschiedenis der Joden, Josua, David en Judas Maccabæus, drie uit de heidensche oudheid, Hector, Alexander en Julius Cæsar, en drie uit de christenheid, Arthur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon. Shakespeare heeft de vrijheid genomen eenige der helden door andere te vervangen.—In de beschrijving van een Chester volksfeest, in handschrift ter Harleyische boekerij aanwezig en van teekeningen voorzien, treden na de negenWorthiesde vier Jaargetijden op, zooals Shakespeare aan het slotVerenHiemslaat opkomen. Hij volgde hier dus de gewoonten der volksfeesten, en verhoogde aldus voor de toeschouwers de vermakelijkheid van het stuk.V. 2. 11.Tot wasdom.Omdat het zegel, in dien tijd vanwas, op Cupido’s naam kleefde.V. 2. 40.Zoo schoon als inkt dus.Rosaline is een zwartje. Nu de hoogblonde Catharina zich in de plagerij mengt, wordt zij met de in rood gedrukte namen of initialen van feest- en heilige dagen vergeleken, en de O’s doelen op pokputjes, zooals blijkt uit het zeggen der prinses: “A pox of that jest!”V. 2. 57.Zoo is ’t; ik deelde ’tenz. Het Engelsch heeft:Ay, or I would these hands might never part. Wat beteekent dit? dat zij geen hand ooit aan een echtgenoot zal wegschenken? of bestond het slot der keten uit handjes, zoodat zij dit sieraad altijd wil dragen? Er moest van dezen regel maar iets gemaakt worden.V. 2. 157.De maskers komen.In Shakespeare’s tijd was het optreden van gemaskerden met of zonder poëtische toespraken zeer in de mode. Prachtige vertooningen van dien aard hadden er telkens aan het hof van Hendrik VIII en van Elizabeth plaats; de beschrijvingen er van zijn in de kronieken van Holinshed en van Hall te vinden. Het Russisch kostuum werd daartoe meermalen gekozen.V. 2. 159.Als een glansrijk taf.De maskers der dames bestonden uit taf.V. 2. 187.Om ’t veld hier maatvast met u rond te gaan.In ’t Engelsch:to tread a measure.Measureis de naam van een statigen dans, ongeveer als de menuet. Zie “Veel leven om niets”, II. 1. 80.V. 2. 215.Toch blijft zij steeds de maan.Trots al haar wisselingen blijft de maan steeds dezelfde, en de koning steeds aan de maan verknocht, evenals de man in de maan onveranderd blijft.V. 2. 235.In ’t dobb’len te bedreven.In ’t Engelsch staat:since you can cog.To cogis de uitdrukking voor het vervalschen van dobbelsteenen en beteekent dus “valsch dobbelen”of in ’t algemeen “bedriegen”, vooral door behendige leugens.V. 2. 247.Recht fraaie vaerzen;—is niet vaars een kalf?In ’t Engelsch is de overgang volstrekt niet minder gezocht:Veal,quoththe Dutchman. Is not “veal”a calf?De Hollander zegt “veal” (in plaats van “well”). Is “veal” niet een kalf?” In het Duitsch heeft Gildemeister de woordspeling eveneens metVerseenFärsenagebootst.V. 2. 277.Ik zeide: trek!“Trek” kan ook beteekenen “ga heen”. In ’t Engelsch staat: “No point”, waarpoint, als Fransch beschouwt,niet, als Engelsch,degenspitsbeteekent.V. 2. 281.Van dorpers hoort men vaak een gladder taal.In ’t Engelsch:Well, better wits have worn plain statute caps. Bij een parlementsacte van 1571 (in 1597 herroepen) was bepaald, dat, met uitzondering van den adel en andere personen van rang, ieder, die boven de zes jaar was, op zon- en feestdagen een wollen muts moest dragen, in Engeland vervaardigd,—een maatregel ter bescherming der inlandsche nijverheid. Met de dragers van ordonnantie-mutsen worden dus eerzame kleine burgers, handwerkslieden, enz. bedoeld.V. 2. 332.Elpen tandenpracht.Het Engelsch spreekt vanwhale’s bone, watwalrustandbeteekent.V. 2. 339.Veel heil en zegen.Het Engelsch heeft hier een woordspeling methail, datheilenhagelbeteekent.V. 2. 419.Roep Gods erbarmen in voor deze drie.In ’t Engelsch:Write, “Lord have mercy on us” on those three. “Heer, heb erbarmen met ons” was het gewoon opschrift op huizen, waarin de pest was uitgebroken. “’s Heeren teekens”, waarmee hier de geschenken bedoeld worden, was de naam voor pestvlekken.V. 2. 478.’t Is uw vak.In ’t Engelsch:you are allow’d; dat is: “you are an allowed fool”.V. 2. 490.Wij zijn niet onnoozel, heer.Dit is de beteekenis van ’t Eng.:You cannot beg us. De vorst kon naar oud gebruik de voogdijschap over een onnoozele als gunst toestaan; de voogd kreeg dan de beschikking over het vermogen van den hem toegekenden beschermeling.V. 2. 546.Niets boven de vijf in ’t novem.Novum, ofNovem, of voluitNovem quinque, was een dobbelspel, waarbij negen en vijf de twee beste worpen waren. De vijf spelers in de vertooning der negen helden waren dus de kostelijkste vijf ter wereld, op den vijfworp in ’t novem na.V. 2. 568.Uw neus getuigt van neen, want die staat veel te recht.De scheeve houding van het hoofd op de oude afbeeldingen van Alexander is bekend.V. 2. 580.Uw leeuw, die een houwbijlenz. Volgens de ridderboeken droeg Alexanders wapenschild een leeuw, op een stoel zittend, met een strijdbijl in de pooten. Dikkop stelt dit op zijn manier voor en wil Alexander door Ajax (a jakes) vervangen; hier moge Castor, door Dikkop verkeerd uitgesproken, voor hem invallen, evenals Gildemeister het in zijn vertaling hem reeds liet doen.V. 2. 609.Uw leeftijd heeft den voorrang.In ’t Engelsch:you are my elder. Volgens de overlevering hing Judas zich op aan een vlierboom,an elder.V. 2. 629.Vaarwel, beste Juud, enz. In ’t Engelsch wordtass, ezel, als slot van den naam afgescheiden. Om de woordspeling eenigszins over te brengen, moest de vertaler den vorigen regel invoegen.V. 2. 640.Bij dien vriend daar was Hector maar een Stroojaan.Zoo vertaalt ook Gildemeister. In ’t Engelsch staat:Hector was but a Trojan; maarTrojanhad in de 16deeeuw in ’t Engelsch de beteekenis van landlooper. De vertaling met Trojaan zou niets zijn.V. 2. 652.Een vergulde muskaatnoot.Bij wijze van doosjes met flikjes of bonbons dienden vroeger vergulde muskaatnoten en met kruidnagels bestoken sinaasappelen als geschenken, vooral op Nieuwjaar.V. 2. 694.Meer Ate’s.Ate, de godin der tweedracht.V. 2. 706.Meester, laat mij uw bovensten knoop eens losmaken.Het Engelsch zegt woordelijk: “laat mij u een knoopsgat lager nemen”. Geeft de vertaling de beteekenis terug, of wil het zeggen: “laat mij ronduit met u spreken?”V. 2. 717.Ik draag de wol op ’t lijf voor boete.Grofwollen hemden waren boethemden; hier moet de wol van het bovenkleed er voor dienen.V. 2. 736.Hoe gaat het uwe hoogheid?In ’t Engelschhow fares your majesty?De vraag klinkt nog al vreemd; er dienen eigenlijk een paar woorden aan vooraf te gaan, b.v. “Wat zware slag!” of “Een schriklijk nieuws!” Bij een tooneelbewerking zou zoo iets ingelascht mogen worden, bij een vertaling echter niet.V. 2. 827.En wat voor mij?enz. Regels 827–832 moeten ongetwijfeld, met het oog op reg. 847 en volgg. weggelaten worden; men zie boven, de aanteekening opIV. 3. 296en volgende regels.1Door het photolithographisch facsimile, uitgegeven door W. Griggs, thans voor ieder gemakkelijk verkrijgbaar. Het is no. 5 der Shakspere-Quarto Facsimiles.↑2Zoo heet ook Mélun in de oude uitgavenMelooneofMelloone(“Koning Jan”, IV. 3. 15, V. 2. 1, enz.)↑3Thans “singed”.↑
Aanteekeningen.
De eerste uitgave, die wij van dit blijspel bezitten, verscheen in 1598, in quarto, en draagt den volgenden titel:A Pleasant Conceited Comedie Called, Loues labors lost. As it was presented before her Highnes this last Christmas. Newly corrected and augmented.ByW. Shakespeare. Imprinted at London bij W. W. for Cutbert Burby. 15981. De uitgever, Burby, heeft zijn recht op dit stuk, blijkens de registers van het boekverkoopersgilde, in 1606, aan een ander overgedragen; dat deze het op nieuw heeft uitgegeven, blijkt niet. De tekst der eerste quarto-uitgave is in de folio-uitgave voor het eerst weder afgedrukt, en er in overgegaan met de meeste drukfouten: enkele oude drukfouten zijn verbeterd, maar er komen ook slechtere lezingen in voor; de folio-uitgave voegt de slotwoorden: “Gij dien weg, wij dezen” bij den tekst der quarto-uitgave, maar laat, zeer ten onrechte, in het eerste tooneel van het derde bedrijf reg. 84–93 (blz. 203: “Ik wil u een voorbeeld geven” enz.) uit, en kent in de woordenwisseling tusschen Biron en Rosaline (II. 1. 180. blz. 200) “Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen” enz. de gezegden van Biron verkeerdelijk aan Boyet toe. De folio-uitgave moge iets zorgvuldiger gedrukt zijn, eenige drukfouten verbeterd hebben, zij is geenszins beter dan de quarto-uitgave.Het stuk was alzoo in 1598 reeds geschreven; de vermelding, dat het op Kersttijd voor de Koningin gespeeld is, kan doen denken, dat het in 1597 gereed was, doch dit is niet zeker, daar het jaar 1598 eerst 24 Maart 1599 eindigde. Ondertusschen ook Meres vermeldde het in dat zelfde jaar in zijnPalladis Tamia. (Zie blz. 121.) Naar alle waarschijnlijkheid was het stuk verscheiden jaren ouder. De bijvoeging op den titel der quarto-uitgave: “Newly corrected and augmented” zou dit doen vermoeden, als die uitdrukking niet zoo vaak, bij voorbeeld bij de afzonderlijke uitgaven van Richard III, alleen uit speculatie ten onrechte ware bijgevoegd; ondertusschen is het hier mogelijk, dat een paar plaatsen ter gelegenheid van de vertooning voor de Koningin, door den dichter meer zijn uitgewerkt, zooals nader in de aanteekeningen wordt aangewezen. Maar het stuk zelf draagt de blijken, dat het tot de eerstelingen des dichters behoort, tot het tijdperk, waarin hij ook de “Twee Edellieden van Verona” en “De Klucht der Vergissingen” schreef; de geheele geest van het stuk, de knuppelverzen, de vele afwisselend rijmende regels enz. bewijzen dit ten duidelijkste; hierbij komt nog, dat het dansende paard, waarI. 2. 57van gesproken wordt, reeds in 1589 in Londen vertoond werd; de toespeling zou eenige jaren later niet begrepen zijn.—Dat het stuk langen tijd door het publiek gaarne gezien werd,kan hieruit blijken, dat het in 1631, naar den tekst der folio-uitgave, nog eens in quarto werd gedrukt.Over den aanleg van het stuk en de karakters der personen hier te spreken, valt buiten het bestek dezer aanteekeningen. Om het geestige stuk ten volle te genieten, moge men zich in den tijd des dichters verplaatsen. Zooveel mogelijk is in de aanteekeningen alles medegedeeld, wat tot opheldering, ook van den oorspronkelijken tekst, noodig te rekenen is. De gewone verdeeling in bedrijven en tooneelen moge te wenschen overlaten, ten behoeve van aanhalingen en vergelijkingen moest zij behouden blijven.Er is niets bekend van een bron, waaruit dit stuk geput kan zijn.—Navarre is als tooneel der handeling met oordeel gekozen, als een neutraal gebied tusschen Spanje en Frankrijk, beide aan Engeland vijandig gezind; dat het de zetel was van Hendrik IV, deed aan de belangstelling geen afbreuk. De gebeurtenissen van 1589 in Frankrijk wekten in Engeland levendige belangstelling, vooral toen Elizabeth den troonpretendent met hulptroepen ondersteunde. Opmerkelijk is de overeenkomst van enkele namen met die van voorname, toen levende personen in Frankrijk. Het was onderBiron, dat de Engelsche hulptroepen in Frankrijk dienden; hij was zeer bij hen gezien (in de oude uitgaven heet hijBerowne2, welke naam IV. 3. 232 opmoonrijmt).Longavillemaakte naam bij Senlis in 1589;Dumainedoet denken aan den Duc de Maine of de Mayenne, wiens naam door Chapman in zijn “Conspiracie of Byron” evenzoo gespeld wordt. In 1586 had er een luisterrijke samenkomst plaats van den Koning van Navarre en een Fransche prinses, Catharina de Medici. De naam van den Spaanschen bluffer,—in de oude uitgaven vaak met het woordBraggart, in plaats van met zijn naam aangewezen,—doet aan de Onoverwinnelijke vloot, deArmada, denken. Het is, alsof Shakespeare aan zijn personen in dit blijspel met opzet namen gaf, die de belangstelling der toeschouwers moesten verhoogen. Ook dit wijst er op, dat dit stuk dagteekent uit een tijd, dat de Fransche toestanden en gebeurtenissen de meeste aandacht trokken, dus tusschen 1589 en 1593.I. 1. 56.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.In het oorspronkelijke gaat hier nog de uitroepwhyvooraf, alsof de koning zich de vraag van Biron nooit heeft gedaan en zich even moet bedenken, om ten minste eenig antwoord te geven.—Dat roemzucht, ijdelheid zijn drijfveer is, werd in zijn eerste woorden reeds uitgedrukt.I. 1. 185.Zijn genades gerechtsdienaar.Gelijk zoo even “reprehendeer” voor “representeer” zegt Dom hier weertharborough(volgens de quartofarborough) voorthirdborough. Hij verdraait genoeg woorden, op de wijze der Clowns bij Shakespeare, dat hier een enkele vergissing wel eens onvertaald mag blijven.I. 1. 196.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel.Als men van een derden of van een hoogsten hemel spreekt, dan is de hemel, waar Biron met God nu in wenscht opgetrokken te worden, wel bijzonder laag. ’t Kan ook eenvoudig zijn, dat Longaville op denhemel, d. i. de zoldering, van het tooneel, wijst. Het woordstijl, dat volgt, heeft ook twee beteekenissen, schrijfwijze en pilaar, in ’t Engelsch isstilezoowel schrijfwijze als een slagboom tusschen velden.—Een oogenblik later vindt men weder woordspelingen metmanner, manier,to be taken with the manner, op heeterdaad betrapt worden, enmanor house, heerenhuis; als mede metform, vorm en zitbank.I. 1. 251.Dit gering elzenvorentje.In ’t Engelsch:that bare minnow of thy mirth.Minnowis een klein vischje (Phoxinus lævis), tot de vorens te rekenen, te nauwernood een palm lang, bij onselzenvorentjegeheeten, minder bekend dan hetalvertjeof denesteling, die een paar palm lang wordt.I. 2. 34.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.In het Engelsch een woordspeling metcross, een munt, ento cross, in den weg treden.I. 2. 57.Het dansende paard.Hier wordt gedoeld op het aan elk bekende paard Marocco, dat door een zekeren Banks in Londen, het eerst in 1589, vertoond werd en door velen als zeer begaafd geroemd wordt, o. a. door Jonson, Donne, Sir Walter Raleigh. Het gaf te kennen, hoeveel stuivers een hem getoond zilverstuk waard was, het aantal oogen op geworpendobbelsteenenenz. De opgang, dien het paard maakte, bewoog zijn meester ook het buitenland te gaan bezoeken. In Orleans beweerden de Capucijners, dat het dier een duivel was. De aanklacht werd echter ingetrokken, toen, bij de volgende voorstelling, het dier, op bevel van zijn heer, onder de toeschouwers er een uitzocht met een crucifix op den hoed, voor het heilige symbool knielde en het kuste. Men zegt, dat ten slotte Banks met zijn paard te Rome wegens tooverij verbrand is geworden.I. 2. 82.Van welke complexie?Complexiewas in gebruik in de beteekenis van temperament. Men nam, evenals vier elementen, ook vier temperamenten, het cholerisch enz. aan; en omdat men meende, dat van het temperament ook de gelaatskleur afhing, werd het woord ook voor de laatste gebezigd. Zoo vat Mot het op.I. 2. 114.Is er geene ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?De oude ballade:King Cophetua and the Beggar-maid, doorPercyin zijnReliques of Ancient English Poetryuit een liederenverzameling van 1612 afgedrukt en ook in Delius’ Shakespeare-uitgave overgenomen, verhaalt eenvoudig, dat Koning Cophetua, die niets van liefde wilde weten, eens plotseling, toen hij uit een venster lag, door liefde voor een bedelaarster bevangen werd, en deze huwde. Penelophon (Armado noemt haar later, IV. 1. 67, Zenelophon) was dadelijk in haar hoogen rang goed thuis; de koning leefde zeer gelukkig met haar; zij werden bij hun dood zeer betreurd en in één graf begraven. Zie ook “Romeo en Julia”, II. 1. 14 en “2 Koning Hendrik IV”, V. 3. 106.I. 2. 136.Dagloonster.In ’t Engelsch staatday-woman, wat ook wel voordairy-woman, dus “melkmeisje”, zou kunnen staan; in Schotland wordt een melkmeisje hier en daardeygenoemd.—In Engeland waren over het algemeendeyesbedienden van lageren rang. In een statuut van Richard II wordt het loon bepaald van:“a swineherd, a female labourer, and deye” op zes shillings jaarlijks. Chaucer vergelijkt in het begin van zijn “Nonnes Preestes Tale” het maal van een “poore widowe” met dat van eendey:“Milk and brown bread, in which she fond no lack, Seinde3bacon, and sometime an ey or twey; For she was, as it were, a manerdey.”I. 2. 141.Dat is er na!In het Engelsch zegt Jacquenetta:That ’s hereby, wat bij haar beteekent: “Al naar ’t uitkomt”, maar door Armado wordt gehouden voor: “Hier vlak bij”.I. 2. 183.De eerste en tweede reden voor een tweegevecht.Voor het tweegevecht bestonden eere-wetboeken, zie “Romeo en Julia”, II. 4. 26.II. 1. 45.In kennis rijk.In het Engelsch:well fitted in arts, waarmede de zeven vrije kunsten,artes liberales, bedoeld worden.II. 1. 89.Daar komt Navarre.Dat bij zijn komst de dames haar maskers klaar hebben, behoeft niet te bevreemden; naar de Italiaansche mode, in Sh.’s tijd ook in Engeland in zwang, verschenen de dames in het openbaar meestal gemaskerd. Het masker was oorspronkelijk bestemd ter bescherming tegen de zonnestralen; dat men het op reis bij de hand had, was dus niets meer dan natuurlijk.II. 1. 236.Als een agaatsteen.In Sh.’s tijd waren zegelsteenen van agaat, waar de afbeelding van een menschenhoofd of van een geheelen mensch op gesneden was, zeer gewoon. In 2 Hendrik IV. I. 2. 19 vergelijkt Falstaff zijn page met zulk een figuurtje. Zie ook “Veel leven om niets” III. 1. 65 en “Romeo en Julia” I. 4. 55.III. 1. 2.Concolinel!Zeker de aanvang of het refrein van een bekend liedje. In gevallen als deze werd de keuze van een liedje meest aan de spelers overgelaten.III. 1. 9.Met een Franschen slag.In het Engelsch staat:with a French brawl, wat Armado voor rumoer, gekijf of kloppartij houdt, terwijl de jongen er een bekenden dans mede bedoelt, zooals men had: “Coratitoes, lavoltos, jigs, measures, pavins, brawls, galliards, canaries”. De vroolijkejigsencanariesworden een oogenblik later door den jongen ook vermeld. De naam vanbrawlis afgeleid van het Franschebranle. Met dezen dans werd niet zelden een bal geopend; hij was wel geschikt om een ongedwongen toon te doen heerschen, als ten minste de volgende beschrijving uit een boekje, in 1579 te Antwerpen verschenen, juist is. “Un des gentilshommes et une des dames, estans les premiers en la danse, laissent les autres (qui cependant continuent la danse), et, se mettans dedans la dicte compagnie vont baisans par ordre toutes les personnes qui y sont: à sçavoir, le gentilhomme les dames, et la dame les gentilshommes. Puis, ayant achevé leurs baisemens, au lieu qu’ils estoyent les premiers en la danse, se mettent les derniers. Et ceste façon de faire se continue par le gentilhomme et la dame qui sont les plus prochains, jusques à ce qu’on vienne aux derniers”.III. 1. 21.Als een zeeman op het oude behangsel.Er staat eigenlijk: “als een man naar de oude schilderij”. Om de thans niet zeer duidelijke toespeling wat duidelijker te doen zijn, is er een zeeman van gemaakt, die vaak, als hij de handen niet uit de mouwen moet steken, ze in zijn zakken bergt, en is er van wandtapijten gesproken, waar zeker meermalen zeelieden op voorkwamen.III. 1. 28.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Het was in de mode, soms onstoffelijke zaken met een geldswaarde te meten. Zoo schreef Greene een boekje:A Groat’s worth of Witenz. (zie de aanteekeningen op 1 Koning Hendrik VI); zoo zegt ook Prins Hendrik in 2 K. Hendrik IV, II. 2. 99:a crown’s worth of interpretation.III. 1. 30.Het stokpaard is vergeten.Bij de Meioptochten speelde,—zie de aanteekeningop 1 K. Hendrik IV, III. 3. 129,—behalve broeder Tuck en Juffer Marianne, het paard een groote rol; het berijden eischte, al was het uit rijs gevlochten en met een bordpapieren kop, veel bedrevenheid, waarvan Jonson in zijn blijspel “Every Man out of his Humor” getuigt. Op aandrang der Puriteinen werd het onschuldige beest, nog uit den Paapschen tijd afkomstig, niet meer op de Meifeesten toegelaten en de daarover geslaakte verzuchting: “For, O, for, O, the hobbyhorse is forgot” (Hamlet III. 2. 142) werd weldra bij allerlei gelegenheden te pas gebracht.III. 1. 73.De pointe meteen.In ’t Engelsch:thy l’envoy.L’envoyis de oud-Fransche uitdrukking, ook in Engeland gebruikelijk, voor het slot of het slotcouplet van een gedicht, waarmee het aan iemand toegezonden of opgedragen werd. Aan Armado is de ware beteekenis van het woord niet duidelijk; hij denkt, dat het de oplossing van een raadsel beteekent.—In het vervolg maakt Mot er een toespeling op, datSalvezoowel het woord voor “zalf” als de Latijnsche welkomstgroet is. Hier moest, om een woordspeling te behouden, het woordl’envoydoorpointevervangen worden, zooals Gildemeister ook in zijn Duitsche vertaling deed. Een weegbreeblad werd als middel bij wonden gebezigd, zie “Romeo en Julia” I. 2. 52.III. 1. 102.Een gans van de hand gezet.De Engelsche uitdrukking beteekent: een koopje bezorgd, iemand genoopt, zichzelf voor een gans te verklaren, een spelletje, op het land gebruikelijk.—Fast and loose, wat volgt, is de naam van een goochelaarsstukje, waarbij iemand niet heeft, wat hij vast in de hand meent te hebben.—De markt was gedaanziet op het zeggen, dat drie vrouwen en een gans samen een markt uitmaken.III. 1. 136.Mijn robijntje, mijn kneu.Het onder den naam vankneu,vlamsijsoftukkerbekend vogeltje, deFringilla cannabina, heet in Groningerland en in Utrechtrobijntje. Het Engelsch heeft hiermy incony Jew. “Incony” beteekent “fijn, lief” en “Jew” staat hier voorjewel, evenals in den “Midzomernachtdroom”, III. 1. 97.IV. 1. 22.O schoonheidsketterij.Als alleen het geloof zalig maakt, is vertrouwen op goede werken ketterij.IV. 1. 56.Boyet, gij kunt trancheeren; snijd dit kapoentje eens voor.Tot de zaken, die een goed cavalier verstaan moest, behoorde het voorsnijden van gevogelte. Kapoentje staat, naar ’t voorbeeld van het Franschepoulet, hier voor minnebriefje.IV. 1. 101.Een phantast, een Monarcho.Hier wordt gedoeld op een zonderling, die in Londen zeer bekend was, zich steeds in hoogdravende taal uitte en in het vaste denkbeeld verkeerde, dat hij heer der geheele wereld was. Het volk had hem den spotnaam van Monarcho gegeven. In een verzameling van grafschriften van Thomas Churchyard, uitgegeven in 1580, vindt men er een op dezen “phantastischen monarch,” zooals hij er heet. Het is in Delius’ Sh.-uitgave afgedrukt.IV. 1. 110.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?In ’t Engelsen:Who is the suitor?in de oude edities staatshooter, dat nagenoeg eveneens werd uitgesproken; een woordspeling tusschen.suitor, “vrijer” enshooter, “schutter” is bedoeld.IV. 1. 125.Koningin Ginevra.De niet bijzonder getrouwe gemalin van koning Arthur, uit gedichten en tooneelstukken aan Sh.’s publiek welbekend.IV. 1. 133.De stop.Die in het midden der schijf was, en diende om te meten hoe ver de raakschoten van het midden bleven.—Het gesprek vloeit over van dubbelzinnigheden.IV. 1. 146.Armado aan de’ eenen kant.De boer vergelijkt in zijn gedachten de gevatheid der juffers met die van Mot en komt daardoor in eens op Armado.—Zulk een sprong in de redeneering behoeft in Dikkop niet te verwonderen.IV. 2. 37.Dictynna.Een bijnaam van Diana, die in de Metamorphosen van Ovidius voorkomt.IV. 2. 58.Een spitser.Een hert met zijn eerste gewei, twee onverdeelde spitsen; het volgend jaar heeft iedere stang een tak en heet het hert eengavelaarofgaffelaar.—Voor het verstaan der Engelsche uitdrukkingen in dit Epitaphium kan een aanhaling uit een tooneelstuk van 1606,The Return from Parnassus, dienen: “Now, Sir, a buck is the first year a fawn; the second year, a pricket; the third year, a sorrell” (welk woord ooksorelensorellgeschreven wordt); “the fourth year, a soar; the fifth year, a buck of the first head” (zoo noemde Nathanaël het hert); “the sixth year, a complete buck”.—Dat in het vers ook een woordspeling ligt metsoarofsore(hert) ensore(gewond), is duidelijk.IV. 2. 65.Als verzenenenz. In ’t Engelsch een woordspeling mettalententalon, klauw, welk woord in Sh.’s tijd niet zelden ooktalentgeschreven werd.IV. 2. 71.In den schoot der pia mater.Depia materis het dunne vlies om de hersenen; het woord beviel waarschijnlijk aan Sh. om de onzinnigheid.IV. 2. 85.Heer eerwaarde, quasi herwaarts.Ook het oorspronkelijke heeft hier, opzettelijk, zeer gezochte woordspelingen; een oogenblik later methogshead, okshoofd, enhog’s head, zwijnskop.IV. 2. 96.O goede oude Mantuaan!Die goede oude Mantuaan was Baptista Spagnolus, ook Joannes Baptista Mantuanus geheeten, (1448–1518), een Carmeliet, die Latijnsche Eclogæ en Elegieën schreef, welke van het eind der vijftiende eeuw af herhaaldelijk gedrukt en ook in de scholen gelezen werden. Zijn eerste Ecloga (Herdersdicht) begint:Fauste,precor,gelidaenz. Farnaby zegt, in zijn voorrede voor Martialis, dat depedanten(zooals hij de schoolmeesters noemt) hetFauste,precor,gelidahooger stelden dan hetArma virumque cano(het begin der Æneis van de andere Mantuaansche zwaan). Als Sh. zich met geleerdheid inlaat, blijkt hij wel op de hoogte te zijn.—De schoolmeester lucht, terwijl Nathanaël den brief leest, ook zijn kennis door een Italiaansch citaat. Zooals dit hier staat, vindt men het in een boek van 1591,Florio’s seconds fruits; Florio was een Italiaansch onderwijzer in Londen. Hoe de oude uitgaven, de Folio zoowel als de Quarto, vreemde talen onkenbaar maken, kan men bij deze gelegenheid opmerken; deze geven hier te lezen:vemchie, vencha, que non te vnde, que non te perreche.—Eindelijk toont hij even zijn muzikale begaafdheid.—Het volgende sonnet werd door den uitgever Jaggard, evenals dat van Longaville (blz. 210) in “De Verliefde Pelgrim” opgenomen, een kleinen dichtbundel, die, met gebruikmaking van Sh.’s naam, in 1599 verscheen.IV. 2. 133.Het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren der vreemde koningin.Hier heeft blijkbaar de dichter vergeten, dat Jacquenetta even te voren van den brief gezegd heeft (IV. 2. 94): “en mij toegezonden door Don Armado”; als men deze laatste woorden schrapt, is alles duidelijk. Dikkop weet, dat de prinses den brief van Armado in handen heeft, en kan dit aan Jacquenetta hebben meegedeeld. Dat zij Biron voor een Fransch hoveling houdt, is hieruit te verklaren, dat Biron waarschijnlijk, blijkens zijn vragen in het begin van het stuk, zich eerst sinds kort bij den koning van Navarre heeft aangesloten. Dat zij de prinses koningin noemt, is niet bevreemdend, als men bedenkt, dat de titel van koning of koningin ook aan koningskinderen gegeven werd, zooals bijv. Chriemhilde in het Nevelingenlied reeds vóór haar huwelijk koningin wordt genoemd.IV. 2. 155.Spreek mij niet van vaders.Nathanaël denkt aan een kerkvader, Holofernes aan andere vaderschappen, waarmee hij niets te maken wil hebben.IV. 3. 5.Zoo zegt men, zeide de nar.De nar is Dikkop; zie I. 1. 317.IV. 3. 29.De nacht van dauw.Ter verklaring kan men omzetten: “de dauw der nacht”.IV. 3. 48.Hij draagt een papier er van voor zich.De veroordeelde, die rondgeleid of te pronk gesteld werd, kreeg een papier, waarop zijn misdrijf stond, voor de borst.IV. 3. 54.Amors galg.In ’t Engelsch wordt Tyburn genoemd, de terechtstellingsplaats in het oude Londen.IV. 3. 250.Wie reikt mij ’t bijbelboekenz. Een bijbel of nieuw testament, om dit boek bij het zweren te kussen, zooals in Engeland steeds geschiedt. De vertaling zou dus ook kunnen luiden: “Wie neemt een eed mij af.”IV. 3. 258.Zoo ravenzwartenz. De argumenten van Biron voor zijn donkere schoone vinden wij ook in Sh.’s sonnetten aan een zwarte, verleidelijke schoone gebezigd, Sonn. 127, 130, 132. Deze stond hem hier ongetwijfeld voor den geest bij de beschrijving van Rosaline.IV. 3. 296.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeerenenz. In dit pleidooi van Biron vindt men enkele denkbeelden niet alleen herhaald, maar zelfs in nagenoeg dezelfde woorden uitgedrukt, in het oog vallend bij het beeld van het Prometheus-vuur. Van daar, dat men vermoed heeft, dat dit pleidooi eerst korter geweest en later door den dichter omgewerkt en uitgebreid zou zijn; dat in het handschrift dus zoowel de eerste schets als het uitgewerkte geheel stonden en beide door den afschrijver of zetter zijn overgenomen; enkele regels der eerste redactie zouden hier, andere later ingeschoven zijn. In de Globe-edition wordt alleen van de drie regels 302–204: “Uit vrouwenoogen” enz. aangewezen, dat zij behooren te vervallen, maar dan moet men veeleer, ter wille van den samenhang nog eenige voorafgaande regels verwerpen, zooals dan ook, door plaatsing tusschen [], hier gedaan is.—Vreemd is het zeker, dat de dichter, bij het omwerken van eenige regels, de oude niet duidelijk heeft doorgehaald. Volgens Capell en Dyce moeten ook reg. 312–319 “Want welk een schrijver” enz. verworpen worden.—Als men niet wil aannemen, dat alles of nagenoeg alles behouden moet worden en dat Biron in herhalingen treedt om zijn betoog meer klem bij te zetten, dan komt het mij veeleer waarschijnlijk voor, dat de herhalingen te danken zijn aan een poging om het lang betoog te bekorten en dat deze bekorte rede in het afschrift naast het oorspronkelijke stond. Alsdan zou de gang van het oorspronkelijke betoog deze kunnen zijn:“En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,Elk uwer zwoer hiermee zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen” enz.Het verkort betoog zou dan hebben moeten zijn, wat Furnivall voor het eerste ontwerp houdt in de voorrede van het facsimile der quarto-uitgave. Dit ontwerp is volgens hem: reg. 318–319 (later vervangen door 296–298 en uitgebreid met 305–411), 299–301 (vervangen door 320–323), 312–317 (vervangen door 324–349), 302–304 (vervangen door 350–354). Hierop volgt dan reg. 355 enz.Hoe het zij, als zeker is wel aan te nemen, dat door Shakespeare hier zijn eerste ontwerp is omgewerkt. Misschien is de omwerking van grooter omvang geweest dan wij thans kunnen aantoonen.V. 1. 1.Satis quod sufficit.“Genoeg is, wat voldoende is”. Zij hebben juist het middagmaal gebruikt.V. 1. 21.Zulke radbrakers der orthographie.Holofernes richt zijn toorn tegen het afslijten der woorden door de uitspraak, terwijl de spelling onveranderd blijft. In Sh.’s tijd werden vele, thans niet meer uitgesproken letters nog gehoord, of men wist zich ten minste nog te herinneren, dat zij niet altijd stom geweest waren.V. 1. 30.Laus Deo, bone intelligo.Nathanaël gebruiktbonevoor “goed”, terwijl hetbenemoest zijn. Holofernes vindt dit een schram voor Priscianus, maar erkent, dat het verstaanbaar is. Priscianus van Cæsarea was de beroemde taalkundige der oudheid, die in de zesde eeuw na Chr. te Constantinopel, onder Justinianus, Latijn onderwees. Zijn taalkundige geschriften waren in de middeleeuwen, en lang daarna, veel in gebruik en werden ook in deze eeuw nog uitgegeven.—De oude drukken zijn hier weder jammerlijk onnauwkeurig; er staat:Laus deo, bene intelligo; waarop Holofernes zegt:Bome boon for boon prescian, a litle scratcht, ’twil serve.V. 1. 44.Honorificabilitudinitatibus.Shakespeare overtreft met dit, zeker op de school gesmeed, woord, zijn voorganger Rabelais niet, die als titel van een boek opgeeft:Antipericatametaparhengedamphicribrationes, en evenmin sommige namen der organische scheikunde, die b.v. overmethylæthyltriacetylphosphammoniumbromideen dergelijke stoffen handelt.—Het vlamwiekje, waarvan gesproken wordt, het Engelscheflapdragon, is het een of ander klein voorwerp, dat op aangestoken wijn of brandewijn dreef en brandend moest ingezwolgen worden.V. 1. 124.De negen helden.De negen helden,the Nine Worthies, traden bij de Lord-Mayors- en andere feestelijke optochtensteedsop, tot groote vreugde van het publiek. De echte helden waren: drie uit de geschiedenis der Joden, Josua, David en Judas Maccabæus, drie uit de heidensche oudheid, Hector, Alexander en Julius Cæsar, en drie uit de christenheid, Arthur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon. Shakespeare heeft de vrijheid genomen eenige der helden door andere te vervangen.—In de beschrijving van een Chester volksfeest, in handschrift ter Harleyische boekerij aanwezig en van teekeningen voorzien, treden na de negenWorthiesde vier Jaargetijden op, zooals Shakespeare aan het slotVerenHiemslaat opkomen. Hij volgde hier dus de gewoonten der volksfeesten, en verhoogde aldus voor de toeschouwers de vermakelijkheid van het stuk.V. 2. 11.Tot wasdom.Omdat het zegel, in dien tijd vanwas, op Cupido’s naam kleefde.V. 2. 40.Zoo schoon als inkt dus.Rosaline is een zwartje. Nu de hoogblonde Catharina zich in de plagerij mengt, wordt zij met de in rood gedrukte namen of initialen van feest- en heilige dagen vergeleken, en de O’s doelen op pokputjes, zooals blijkt uit het zeggen der prinses: “A pox of that jest!”V. 2. 57.Zoo is ’t; ik deelde ’tenz. Het Engelsch heeft:Ay, or I would these hands might never part. Wat beteekent dit? dat zij geen hand ooit aan een echtgenoot zal wegschenken? of bestond het slot der keten uit handjes, zoodat zij dit sieraad altijd wil dragen? Er moest van dezen regel maar iets gemaakt worden.V. 2. 157.De maskers komen.In Shakespeare’s tijd was het optreden van gemaskerden met of zonder poëtische toespraken zeer in de mode. Prachtige vertooningen van dien aard hadden er telkens aan het hof van Hendrik VIII en van Elizabeth plaats; de beschrijvingen er van zijn in de kronieken van Holinshed en van Hall te vinden. Het Russisch kostuum werd daartoe meermalen gekozen.V. 2. 159.Als een glansrijk taf.De maskers der dames bestonden uit taf.V. 2. 187.Om ’t veld hier maatvast met u rond te gaan.In ’t Engelsch:to tread a measure.Measureis de naam van een statigen dans, ongeveer als de menuet. Zie “Veel leven om niets”, II. 1. 80.V. 2. 215.Toch blijft zij steeds de maan.Trots al haar wisselingen blijft de maan steeds dezelfde, en de koning steeds aan de maan verknocht, evenals de man in de maan onveranderd blijft.V. 2. 235.In ’t dobb’len te bedreven.In ’t Engelsch staat:since you can cog.To cogis de uitdrukking voor het vervalschen van dobbelsteenen en beteekent dus “valsch dobbelen”of in ’t algemeen “bedriegen”, vooral door behendige leugens.V. 2. 247.Recht fraaie vaerzen;—is niet vaars een kalf?In ’t Engelsch is de overgang volstrekt niet minder gezocht:Veal,quoththe Dutchman. Is not “veal”a calf?De Hollander zegt “veal” (in plaats van “well”). Is “veal” niet een kalf?” In het Duitsch heeft Gildemeister de woordspeling eveneens metVerseenFärsenagebootst.V. 2. 277.Ik zeide: trek!“Trek” kan ook beteekenen “ga heen”. In ’t Engelsch staat: “No point”, waarpoint, als Fransch beschouwt,niet, als Engelsch,degenspitsbeteekent.V. 2. 281.Van dorpers hoort men vaak een gladder taal.In ’t Engelsch:Well, better wits have worn plain statute caps. Bij een parlementsacte van 1571 (in 1597 herroepen) was bepaald, dat, met uitzondering van den adel en andere personen van rang, ieder, die boven de zes jaar was, op zon- en feestdagen een wollen muts moest dragen, in Engeland vervaardigd,—een maatregel ter bescherming der inlandsche nijverheid. Met de dragers van ordonnantie-mutsen worden dus eerzame kleine burgers, handwerkslieden, enz. bedoeld.V. 2. 332.Elpen tandenpracht.Het Engelsch spreekt vanwhale’s bone, watwalrustandbeteekent.V. 2. 339.Veel heil en zegen.Het Engelsch heeft hier een woordspeling methail, datheilenhagelbeteekent.V. 2. 419.Roep Gods erbarmen in voor deze drie.In ’t Engelsch:Write, “Lord have mercy on us” on those three. “Heer, heb erbarmen met ons” was het gewoon opschrift op huizen, waarin de pest was uitgebroken. “’s Heeren teekens”, waarmee hier de geschenken bedoeld worden, was de naam voor pestvlekken.V. 2. 478.’t Is uw vak.In ’t Engelsch:you are allow’d; dat is: “you are an allowed fool”.V. 2. 490.Wij zijn niet onnoozel, heer.Dit is de beteekenis van ’t Eng.:You cannot beg us. De vorst kon naar oud gebruik de voogdijschap over een onnoozele als gunst toestaan; de voogd kreeg dan de beschikking over het vermogen van den hem toegekenden beschermeling.V. 2. 546.Niets boven de vijf in ’t novem.Novum, ofNovem, of voluitNovem quinque, was een dobbelspel, waarbij negen en vijf de twee beste worpen waren. De vijf spelers in de vertooning der negen helden waren dus de kostelijkste vijf ter wereld, op den vijfworp in ’t novem na.V. 2. 568.Uw neus getuigt van neen, want die staat veel te recht.De scheeve houding van het hoofd op de oude afbeeldingen van Alexander is bekend.V. 2. 580.Uw leeuw, die een houwbijlenz. Volgens de ridderboeken droeg Alexanders wapenschild een leeuw, op een stoel zittend, met een strijdbijl in de pooten. Dikkop stelt dit op zijn manier voor en wil Alexander door Ajax (a jakes) vervangen; hier moge Castor, door Dikkop verkeerd uitgesproken, voor hem invallen, evenals Gildemeister het in zijn vertaling hem reeds liet doen.V. 2. 609.Uw leeftijd heeft den voorrang.In ’t Engelsch:you are my elder. Volgens de overlevering hing Judas zich op aan een vlierboom,an elder.V. 2. 629.Vaarwel, beste Juud, enz. In ’t Engelsch wordtass, ezel, als slot van den naam afgescheiden. Om de woordspeling eenigszins over te brengen, moest de vertaler den vorigen regel invoegen.V. 2. 640.Bij dien vriend daar was Hector maar een Stroojaan.Zoo vertaalt ook Gildemeister. In ’t Engelsch staat:Hector was but a Trojan; maarTrojanhad in de 16deeeuw in ’t Engelsch de beteekenis van landlooper. De vertaling met Trojaan zou niets zijn.V. 2. 652.Een vergulde muskaatnoot.Bij wijze van doosjes met flikjes of bonbons dienden vroeger vergulde muskaatnoten en met kruidnagels bestoken sinaasappelen als geschenken, vooral op Nieuwjaar.V. 2. 694.Meer Ate’s.Ate, de godin der tweedracht.V. 2. 706.Meester, laat mij uw bovensten knoop eens losmaken.Het Engelsch zegt woordelijk: “laat mij u een knoopsgat lager nemen”. Geeft de vertaling de beteekenis terug, of wil het zeggen: “laat mij ronduit met u spreken?”V. 2. 717.Ik draag de wol op ’t lijf voor boete.Grofwollen hemden waren boethemden; hier moet de wol van het bovenkleed er voor dienen.V. 2. 736.Hoe gaat het uwe hoogheid?In ’t Engelschhow fares your majesty?De vraag klinkt nog al vreemd; er dienen eigenlijk een paar woorden aan vooraf te gaan, b.v. “Wat zware slag!” of “Een schriklijk nieuws!” Bij een tooneelbewerking zou zoo iets ingelascht mogen worden, bij een vertaling echter niet.V. 2. 827.En wat voor mij?enz. Regels 827–832 moeten ongetwijfeld, met het oog op reg. 847 en volgg. weggelaten worden; men zie boven, de aanteekening opIV. 3. 296en volgende regels.
De eerste uitgave, die wij van dit blijspel bezitten, verscheen in 1598, in quarto, en draagt den volgenden titel:A Pleasant Conceited Comedie Called, Loues labors lost. As it was presented before her Highnes this last Christmas. Newly corrected and augmented.ByW. Shakespeare. Imprinted at London bij W. W. for Cutbert Burby. 15981. De uitgever, Burby, heeft zijn recht op dit stuk, blijkens de registers van het boekverkoopersgilde, in 1606, aan een ander overgedragen; dat deze het op nieuw heeft uitgegeven, blijkt niet. De tekst der eerste quarto-uitgave is in de folio-uitgave voor het eerst weder afgedrukt, en er in overgegaan met de meeste drukfouten: enkele oude drukfouten zijn verbeterd, maar er komen ook slechtere lezingen in voor; de folio-uitgave voegt de slotwoorden: “Gij dien weg, wij dezen” bij den tekst der quarto-uitgave, maar laat, zeer ten onrechte, in het eerste tooneel van het derde bedrijf reg. 84–93 (blz. 203: “Ik wil u een voorbeeld geven” enz.) uit, en kent in de woordenwisseling tusschen Biron en Rosaline (II. 1. 180. blz. 200) “Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen” enz. de gezegden van Biron verkeerdelijk aan Boyet toe. De folio-uitgave moge iets zorgvuldiger gedrukt zijn, eenige drukfouten verbeterd hebben, zij is geenszins beter dan de quarto-uitgave.
Het stuk was alzoo in 1598 reeds geschreven; de vermelding, dat het op Kersttijd voor de Koningin gespeeld is, kan doen denken, dat het in 1597 gereed was, doch dit is niet zeker, daar het jaar 1598 eerst 24 Maart 1599 eindigde. Ondertusschen ook Meres vermeldde het in dat zelfde jaar in zijnPalladis Tamia. (Zie blz. 121.) Naar alle waarschijnlijkheid was het stuk verscheiden jaren ouder. De bijvoeging op den titel der quarto-uitgave: “Newly corrected and augmented” zou dit doen vermoeden, als die uitdrukking niet zoo vaak, bij voorbeeld bij de afzonderlijke uitgaven van Richard III, alleen uit speculatie ten onrechte ware bijgevoegd; ondertusschen is het hier mogelijk, dat een paar plaatsen ter gelegenheid van de vertooning voor de Koningin, door den dichter meer zijn uitgewerkt, zooals nader in de aanteekeningen wordt aangewezen. Maar het stuk zelf draagt de blijken, dat het tot de eerstelingen des dichters behoort, tot het tijdperk, waarin hij ook de “Twee Edellieden van Verona” en “De Klucht der Vergissingen” schreef; de geheele geest van het stuk, de knuppelverzen, de vele afwisselend rijmende regels enz. bewijzen dit ten duidelijkste; hierbij komt nog, dat het dansende paard, waarI. 2. 57van gesproken wordt, reeds in 1589 in Londen vertoond werd; de toespeling zou eenige jaren later niet begrepen zijn.—Dat het stuk langen tijd door het publiek gaarne gezien werd,kan hieruit blijken, dat het in 1631, naar den tekst der folio-uitgave, nog eens in quarto werd gedrukt.
Over den aanleg van het stuk en de karakters der personen hier te spreken, valt buiten het bestek dezer aanteekeningen. Om het geestige stuk ten volle te genieten, moge men zich in den tijd des dichters verplaatsen. Zooveel mogelijk is in de aanteekeningen alles medegedeeld, wat tot opheldering, ook van den oorspronkelijken tekst, noodig te rekenen is. De gewone verdeeling in bedrijven en tooneelen moge te wenschen overlaten, ten behoeve van aanhalingen en vergelijkingen moest zij behouden blijven.
Er is niets bekend van een bron, waaruit dit stuk geput kan zijn.—Navarre is als tooneel der handeling met oordeel gekozen, als een neutraal gebied tusschen Spanje en Frankrijk, beide aan Engeland vijandig gezind; dat het de zetel was van Hendrik IV, deed aan de belangstelling geen afbreuk. De gebeurtenissen van 1589 in Frankrijk wekten in Engeland levendige belangstelling, vooral toen Elizabeth den troonpretendent met hulptroepen ondersteunde. Opmerkelijk is de overeenkomst van enkele namen met die van voorname, toen levende personen in Frankrijk. Het was onderBiron, dat de Engelsche hulptroepen in Frankrijk dienden; hij was zeer bij hen gezien (in de oude uitgaven heet hijBerowne2, welke naam IV. 3. 232 opmoonrijmt).Longavillemaakte naam bij Senlis in 1589;Dumainedoet denken aan den Duc de Maine of de Mayenne, wiens naam door Chapman in zijn “Conspiracie of Byron” evenzoo gespeld wordt. In 1586 had er een luisterrijke samenkomst plaats van den Koning van Navarre en een Fransche prinses, Catharina de Medici. De naam van den Spaanschen bluffer,—in de oude uitgaven vaak met het woordBraggart, in plaats van met zijn naam aangewezen,—doet aan de Onoverwinnelijke vloot, deArmada, denken. Het is, alsof Shakespeare aan zijn personen in dit blijspel met opzet namen gaf, die de belangstelling der toeschouwers moesten verhoogen. Ook dit wijst er op, dat dit stuk dagteekent uit een tijd, dat de Fransche toestanden en gebeurtenissen de meeste aandacht trokken, dus tusschen 1589 en 1593.
I. 1. 56.Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.In het oorspronkelijke gaat hier nog de uitroepwhyvooraf, alsof de koning zich de vraag van Biron nooit heeft gedaan en zich even moet bedenken, om ten minste eenig antwoord te geven.—Dat roemzucht, ijdelheid zijn drijfveer is, werd in zijn eerste woorden reeds uitgedrukt.
I. 1. 185.Zijn genades gerechtsdienaar.Gelijk zoo even “reprehendeer” voor “representeer” zegt Dom hier weertharborough(volgens de quartofarborough) voorthirdborough. Hij verdraait genoeg woorden, op de wijze der Clowns bij Shakespeare, dat hier een enkele vergissing wel eens onvertaald mag blijven.
I. 1. 196.Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel.Als men van een derden of van een hoogsten hemel spreekt, dan is de hemel, waar Biron met God nu in wenscht opgetrokken te worden, wel bijzonder laag. ’t Kan ook eenvoudig zijn, dat Longaville op denhemel, d. i. de zoldering, van het tooneel, wijst. Het woordstijl, dat volgt, heeft ook twee beteekenissen, schrijfwijze en pilaar, in ’t Engelsch isstilezoowel schrijfwijze als een slagboom tusschen velden.—Een oogenblik later vindt men weder woordspelingen metmanner, manier,to be taken with the manner, op heeterdaad betrapt worden, enmanor house, heerenhuis; als mede metform, vorm en zitbank.
I. 1. 251.Dit gering elzenvorentje.In ’t Engelsch:that bare minnow of thy mirth.Minnowis een klein vischje (Phoxinus lævis), tot de vorens te rekenen, te nauwernood een palm lang, bij onselzenvorentjegeheeten, minder bekend dan hetalvertjeof denesteling, die een paar palm lang wordt.
I. 2. 34.Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.In het Engelsch een woordspeling metcross, een munt, ento cross, in den weg treden.
I. 2. 57.Het dansende paard.Hier wordt gedoeld op het aan elk bekende paard Marocco, dat door een zekeren Banks in Londen, het eerst in 1589, vertoond werd en door velen als zeer begaafd geroemd wordt, o. a. door Jonson, Donne, Sir Walter Raleigh. Het gaf te kennen, hoeveel stuivers een hem getoond zilverstuk waard was, het aantal oogen op geworpendobbelsteenenenz. De opgang, dien het paard maakte, bewoog zijn meester ook het buitenland te gaan bezoeken. In Orleans beweerden de Capucijners, dat het dier een duivel was. De aanklacht werd echter ingetrokken, toen, bij de volgende voorstelling, het dier, op bevel van zijn heer, onder de toeschouwers er een uitzocht met een crucifix op den hoed, voor het heilige symbool knielde en het kuste. Men zegt, dat ten slotte Banks met zijn paard te Rome wegens tooverij verbrand is geworden.
I. 2. 82.Van welke complexie?Complexiewas in gebruik in de beteekenis van temperament. Men nam, evenals vier elementen, ook vier temperamenten, het cholerisch enz. aan; en omdat men meende, dat van het temperament ook de gelaatskleur afhing, werd het woord ook voor de laatste gebezigd. Zoo vat Mot het op.
I. 2. 114.Is er geene ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?De oude ballade:King Cophetua and the Beggar-maid, doorPercyin zijnReliques of Ancient English Poetryuit een liederenverzameling van 1612 afgedrukt en ook in Delius’ Shakespeare-uitgave overgenomen, verhaalt eenvoudig, dat Koning Cophetua, die niets van liefde wilde weten, eens plotseling, toen hij uit een venster lag, door liefde voor een bedelaarster bevangen werd, en deze huwde. Penelophon (Armado noemt haar later, IV. 1. 67, Zenelophon) was dadelijk in haar hoogen rang goed thuis; de koning leefde zeer gelukkig met haar; zij werden bij hun dood zeer betreurd en in één graf begraven. Zie ook “Romeo en Julia”, II. 1. 14 en “2 Koning Hendrik IV”, V. 3. 106.
I. 2. 136.Dagloonster.In ’t Engelsch staatday-woman, wat ook wel voordairy-woman, dus “melkmeisje”, zou kunnen staan; in Schotland wordt een melkmeisje hier en daardeygenoemd.—In Engeland waren over het algemeendeyesbedienden van lageren rang. In een statuut van Richard II wordt het loon bepaald van:“a swineherd, a female labourer, and deye” op zes shillings jaarlijks. Chaucer vergelijkt in het begin van zijn “Nonnes Preestes Tale” het maal van een “poore widowe” met dat van eendey:
“Milk and brown bread, in which she fond no lack, Seinde3bacon, and sometime an ey or twey; For she was, as it were, a manerdey.”
I. 2. 141.Dat is er na!In het Engelsch zegt Jacquenetta:That ’s hereby, wat bij haar beteekent: “Al naar ’t uitkomt”, maar door Armado wordt gehouden voor: “Hier vlak bij”.
I. 2. 183.De eerste en tweede reden voor een tweegevecht.Voor het tweegevecht bestonden eere-wetboeken, zie “Romeo en Julia”, II. 4. 26.
II. 1. 45.In kennis rijk.In het Engelsch:well fitted in arts, waarmede de zeven vrije kunsten,artes liberales, bedoeld worden.
II. 1. 89.Daar komt Navarre.Dat bij zijn komst de dames haar maskers klaar hebben, behoeft niet te bevreemden; naar de Italiaansche mode, in Sh.’s tijd ook in Engeland in zwang, verschenen de dames in het openbaar meestal gemaskerd. Het masker was oorspronkelijk bestemd ter bescherming tegen de zonnestralen; dat men het op reis bij de hand had, was dus niets meer dan natuurlijk.
II. 1. 236.Als een agaatsteen.In Sh.’s tijd waren zegelsteenen van agaat, waar de afbeelding van een menschenhoofd of van een geheelen mensch op gesneden was, zeer gewoon. In 2 Hendrik IV. I. 2. 19 vergelijkt Falstaff zijn page met zulk een figuurtje. Zie ook “Veel leven om niets” III. 1. 65 en “Romeo en Julia” I. 4. 55.
III. 1. 2.Concolinel!Zeker de aanvang of het refrein van een bekend liedje. In gevallen als deze werd de keuze van een liedje meest aan de spelers overgelaten.
III. 1. 9.Met een Franschen slag.In het Engelsch staat:with a French brawl, wat Armado voor rumoer, gekijf of kloppartij houdt, terwijl de jongen er een bekenden dans mede bedoelt, zooals men had: “Coratitoes, lavoltos, jigs, measures, pavins, brawls, galliards, canaries”. De vroolijkejigsencanariesworden een oogenblik later door den jongen ook vermeld. De naam vanbrawlis afgeleid van het Franschebranle. Met dezen dans werd niet zelden een bal geopend; hij was wel geschikt om een ongedwongen toon te doen heerschen, als ten minste de volgende beschrijving uit een boekje, in 1579 te Antwerpen verschenen, juist is. “Un des gentilshommes et une des dames, estans les premiers en la danse, laissent les autres (qui cependant continuent la danse), et, se mettans dedans la dicte compagnie vont baisans par ordre toutes les personnes qui y sont: à sçavoir, le gentilhomme les dames, et la dame les gentilshommes. Puis, ayant achevé leurs baisemens, au lieu qu’ils estoyent les premiers en la danse, se mettent les derniers. Et ceste façon de faire se continue par le gentilhomme et la dame qui sont les plus prochains, jusques à ce qu’on vienne aux derniers”.
III. 1. 21.Als een zeeman op het oude behangsel.Er staat eigenlijk: “als een man naar de oude schilderij”. Om de thans niet zeer duidelijke toespeling wat duidelijker te doen zijn, is er een zeeman van gemaakt, die vaak, als hij de handen niet uit de mouwen moet steken, ze in zijn zakken bergt, en is er van wandtapijten gesproken, waar zeker meermalen zeelieden op voorkwamen.
III. 1. 28.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Het was in de mode, soms onstoffelijke zaken met een geldswaarde te meten. Zoo schreef Greene een boekje:A Groat’s worth of Witenz. (zie de aanteekeningen op 1 Koning Hendrik VI); zoo zegt ook Prins Hendrik in 2 K. Hendrik IV, II. 2. 99:a crown’s worth of interpretation.
III. 1. 30.Het stokpaard is vergeten.Bij de Meioptochten speelde,—zie de aanteekeningop 1 K. Hendrik IV, III. 3. 129,—behalve broeder Tuck en Juffer Marianne, het paard een groote rol; het berijden eischte, al was het uit rijs gevlochten en met een bordpapieren kop, veel bedrevenheid, waarvan Jonson in zijn blijspel “Every Man out of his Humor” getuigt. Op aandrang der Puriteinen werd het onschuldige beest, nog uit den Paapschen tijd afkomstig, niet meer op de Meifeesten toegelaten en de daarover geslaakte verzuchting: “For, O, for, O, the hobbyhorse is forgot” (Hamlet III. 2. 142) werd weldra bij allerlei gelegenheden te pas gebracht.
III. 1. 73.De pointe meteen.In ’t Engelsch:thy l’envoy.L’envoyis de oud-Fransche uitdrukking, ook in Engeland gebruikelijk, voor het slot of het slotcouplet van een gedicht, waarmee het aan iemand toegezonden of opgedragen werd. Aan Armado is de ware beteekenis van het woord niet duidelijk; hij denkt, dat het de oplossing van een raadsel beteekent.—In het vervolg maakt Mot er een toespeling op, datSalvezoowel het woord voor “zalf” als de Latijnsche welkomstgroet is. Hier moest, om een woordspeling te behouden, het woordl’envoydoorpointevervangen worden, zooals Gildemeister ook in zijn Duitsche vertaling deed. Een weegbreeblad werd als middel bij wonden gebezigd, zie “Romeo en Julia” I. 2. 52.
III. 1. 102.Een gans van de hand gezet.De Engelsche uitdrukking beteekent: een koopje bezorgd, iemand genoopt, zichzelf voor een gans te verklaren, een spelletje, op het land gebruikelijk.—Fast and loose, wat volgt, is de naam van een goochelaarsstukje, waarbij iemand niet heeft, wat hij vast in de hand meent te hebben.—De markt was gedaanziet op het zeggen, dat drie vrouwen en een gans samen een markt uitmaken.
III. 1. 136.Mijn robijntje, mijn kneu.Het onder den naam vankneu,vlamsijsoftukkerbekend vogeltje, deFringilla cannabina, heet in Groningerland en in Utrechtrobijntje. Het Engelsch heeft hiermy incony Jew. “Incony” beteekent “fijn, lief” en “Jew” staat hier voorjewel, evenals in den “Midzomernachtdroom”, III. 1. 97.
IV. 1. 22.O schoonheidsketterij.Als alleen het geloof zalig maakt, is vertrouwen op goede werken ketterij.
IV. 1. 56.Boyet, gij kunt trancheeren; snijd dit kapoentje eens voor.Tot de zaken, die een goed cavalier verstaan moest, behoorde het voorsnijden van gevogelte. Kapoentje staat, naar ’t voorbeeld van het Franschepoulet, hier voor minnebriefje.
IV. 1. 101.Een phantast, een Monarcho.Hier wordt gedoeld op een zonderling, die in Londen zeer bekend was, zich steeds in hoogdravende taal uitte en in het vaste denkbeeld verkeerde, dat hij heer der geheele wereld was. Het volk had hem den spotnaam van Monarcho gegeven. In een verzameling van grafschriften van Thomas Churchyard, uitgegeven in 1580, vindt men er een op dezen “phantastischen monarch,” zooals hij er heet. Het is in Delius’ Sh.-uitgave afgedrukt.
IV. 1. 110.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?In ’t Engelsen:Who is the suitor?in de oude edities staatshooter, dat nagenoeg eveneens werd uitgesproken; een woordspeling tusschen.suitor, “vrijer” enshooter, “schutter” is bedoeld.
IV. 1. 125.Koningin Ginevra.De niet bijzonder getrouwe gemalin van koning Arthur, uit gedichten en tooneelstukken aan Sh.’s publiek welbekend.
IV. 1. 133.De stop.Die in het midden der schijf was, en diende om te meten hoe ver de raakschoten van het midden bleven.—Het gesprek vloeit over van dubbelzinnigheden.
IV. 1. 146.Armado aan de’ eenen kant.De boer vergelijkt in zijn gedachten de gevatheid der juffers met die van Mot en komt daardoor in eens op Armado.—Zulk een sprong in de redeneering behoeft in Dikkop niet te verwonderen.
IV. 2. 37.Dictynna.Een bijnaam van Diana, die in de Metamorphosen van Ovidius voorkomt.
IV. 2. 58.Een spitser.Een hert met zijn eerste gewei, twee onverdeelde spitsen; het volgend jaar heeft iedere stang een tak en heet het hert eengavelaarofgaffelaar.—Voor het verstaan der Engelsche uitdrukkingen in dit Epitaphium kan een aanhaling uit een tooneelstuk van 1606,The Return from Parnassus, dienen: “Now, Sir, a buck is the first year a fawn; the second year, a pricket; the third year, a sorrell” (welk woord ooksorelensorellgeschreven wordt); “the fourth year, a soar; the fifth year, a buck of the first head” (zoo noemde Nathanaël het hert); “the sixth year, a complete buck”.—Dat in het vers ook een woordspeling ligt metsoarofsore(hert) ensore(gewond), is duidelijk.
IV. 2. 65.Als verzenenenz. In ’t Engelsch een woordspeling mettalententalon, klauw, welk woord in Sh.’s tijd niet zelden ooktalentgeschreven werd.
IV. 2. 71.In den schoot der pia mater.Depia materis het dunne vlies om de hersenen; het woord beviel waarschijnlijk aan Sh. om de onzinnigheid.
IV. 2. 85.Heer eerwaarde, quasi herwaarts.Ook het oorspronkelijke heeft hier, opzettelijk, zeer gezochte woordspelingen; een oogenblik later methogshead, okshoofd, enhog’s head, zwijnskop.
IV. 2. 96.O goede oude Mantuaan!Die goede oude Mantuaan was Baptista Spagnolus, ook Joannes Baptista Mantuanus geheeten, (1448–1518), een Carmeliet, die Latijnsche Eclogæ en Elegieën schreef, welke van het eind der vijftiende eeuw af herhaaldelijk gedrukt en ook in de scholen gelezen werden. Zijn eerste Ecloga (Herdersdicht) begint:Fauste,precor,gelidaenz. Farnaby zegt, in zijn voorrede voor Martialis, dat depedanten(zooals hij de schoolmeesters noemt) hetFauste,precor,gelidahooger stelden dan hetArma virumque cano(het begin der Æneis van de andere Mantuaansche zwaan). Als Sh. zich met geleerdheid inlaat, blijkt hij wel op de hoogte te zijn.—De schoolmeester lucht, terwijl Nathanaël den brief leest, ook zijn kennis door een Italiaansch citaat. Zooals dit hier staat, vindt men het in een boek van 1591,Florio’s seconds fruits; Florio was een Italiaansch onderwijzer in Londen. Hoe de oude uitgaven, de Folio zoowel als de Quarto, vreemde talen onkenbaar maken, kan men bij deze gelegenheid opmerken; deze geven hier te lezen:vemchie, vencha, que non te vnde, que non te perreche.—Eindelijk toont hij even zijn muzikale begaafdheid.—Het volgende sonnet werd door den uitgever Jaggard, evenals dat van Longaville (blz. 210) in “De Verliefde Pelgrim” opgenomen, een kleinen dichtbundel, die, met gebruikmaking van Sh.’s naam, in 1599 verscheen.
IV. 2. 133.Het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren der vreemde koningin.Hier heeft blijkbaar de dichter vergeten, dat Jacquenetta even te voren van den brief gezegd heeft (IV. 2. 94): “en mij toegezonden door Don Armado”; als men deze laatste woorden schrapt, is alles duidelijk. Dikkop weet, dat de prinses den brief van Armado in handen heeft, en kan dit aan Jacquenetta hebben meegedeeld. Dat zij Biron voor een Fransch hoveling houdt, is hieruit te verklaren, dat Biron waarschijnlijk, blijkens zijn vragen in het begin van het stuk, zich eerst sinds kort bij den koning van Navarre heeft aangesloten. Dat zij de prinses koningin noemt, is niet bevreemdend, als men bedenkt, dat de titel van koning of koningin ook aan koningskinderen gegeven werd, zooals bijv. Chriemhilde in het Nevelingenlied reeds vóór haar huwelijk koningin wordt genoemd.
IV. 2. 155.Spreek mij niet van vaders.Nathanaël denkt aan een kerkvader, Holofernes aan andere vaderschappen, waarmee hij niets te maken wil hebben.
IV. 3. 5.Zoo zegt men, zeide de nar.De nar is Dikkop; zie I. 1. 317.
IV. 3. 29.De nacht van dauw.Ter verklaring kan men omzetten: “de dauw der nacht”.
IV. 3. 48.Hij draagt een papier er van voor zich.De veroordeelde, die rondgeleid of te pronk gesteld werd, kreeg een papier, waarop zijn misdrijf stond, voor de borst.
IV. 3. 54.Amors galg.In ’t Engelsch wordt Tyburn genoemd, de terechtstellingsplaats in het oude Londen.
IV. 3. 250.Wie reikt mij ’t bijbelboekenz. Een bijbel of nieuw testament, om dit boek bij het zweren te kussen, zooals in Engeland steeds geschiedt. De vertaling zou dus ook kunnen luiden: “Wie neemt een eed mij af.”
IV. 3. 258.Zoo ravenzwartenz. De argumenten van Biron voor zijn donkere schoone vinden wij ook in Sh.’s sonnetten aan een zwarte, verleidelijke schoone gebezigd, Sonn. 127, 130, 132. Deze stond hem hier ongetwijfeld voor den geest bij de beschrijving van Rosaline.
IV. 3. 296.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeerenenz. In dit pleidooi van Biron vindt men enkele denkbeelden niet alleen herhaald, maar zelfs in nagenoeg dezelfde woorden uitgedrukt, in het oog vallend bij het beeld van het Prometheus-vuur. Van daar, dat men vermoed heeft, dat dit pleidooi eerst korter geweest en later door den dichter omgewerkt en uitgebreid zou zijn; dat in het handschrift dus zoowel de eerste schets als het uitgewerkte geheel stonden en beide door den afschrijver of zetter zijn overgenomen; enkele regels der eerste redactie zouden hier, andere later ingeschoven zijn. In de Globe-edition wordt alleen van de drie regels 302–204: “Uit vrouwenoogen” enz. aangewezen, dat zij behooren te vervallen, maar dan moet men veeleer, ter wille van den samenhang nog eenige voorafgaande regels verwerpen, zooals dan ook, door plaatsing tusschen [], hier gedaan is.—Vreemd is het zeker, dat de dichter, bij het omwerken van eenige regels, de oude niet duidelijk heeft doorgehaald. Volgens Capell en Dyce moeten ook reg. 312–319 “Want welk een schrijver” enz. verworpen worden.—Als men niet wil aannemen, dat alles of nagenoeg alles behouden moet worden en dat Biron in herhalingen treedt om zijn betoog meer klem bij te zetten, dan komt het mij veeleer waarschijnlijk voor, dat de herhalingen te danken zijn aan een poging om het lang betoog te bekorten en dat deze bekorte rede in het afschrift naast het oorspronkelijke stond. Alsdan zou de gang van het oorspronkelijke betoog deze kunnen zijn:
“En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,Elk uwer zwoer hiermee zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen” enz.
“En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,
Elk uwer zwoer hiermee zijn boek juist af;
Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?
Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’ren
De wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,
Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,
De spierkracht van den reiziger vermoeit.
En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,
Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,
En ook de studie, ’t doel van uwen eed;
Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,
Door loodzwaar peinzen” enz.
Het verkort betoog zou dan hebben moeten zijn, wat Furnivall voor het eerste ontwerp houdt in de voorrede van het facsimile der quarto-uitgave. Dit ontwerp is volgens hem: reg. 318–319 (later vervangen door 296–298 en uitgebreid met 305–411), 299–301 (vervangen door 320–323), 312–317 (vervangen door 324–349), 302–304 (vervangen door 350–354). Hierop volgt dan reg. 355 enz.
Hoe het zij, als zeker is wel aan te nemen, dat door Shakespeare hier zijn eerste ontwerp is omgewerkt. Misschien is de omwerking van grooter omvang geweest dan wij thans kunnen aantoonen.
V. 1. 1.Satis quod sufficit.“Genoeg is, wat voldoende is”. Zij hebben juist het middagmaal gebruikt.
V. 1. 21.Zulke radbrakers der orthographie.Holofernes richt zijn toorn tegen het afslijten der woorden door de uitspraak, terwijl de spelling onveranderd blijft. In Sh.’s tijd werden vele, thans niet meer uitgesproken letters nog gehoord, of men wist zich ten minste nog te herinneren, dat zij niet altijd stom geweest waren.
V. 1. 30.Laus Deo, bone intelligo.Nathanaël gebruiktbonevoor “goed”, terwijl hetbenemoest zijn. Holofernes vindt dit een schram voor Priscianus, maar erkent, dat het verstaanbaar is. Priscianus van Cæsarea was de beroemde taalkundige der oudheid, die in de zesde eeuw na Chr. te Constantinopel, onder Justinianus, Latijn onderwees. Zijn taalkundige geschriften waren in de middeleeuwen, en lang daarna, veel in gebruik en werden ook in deze eeuw nog uitgegeven.—De oude drukken zijn hier weder jammerlijk onnauwkeurig; er staat:Laus deo, bene intelligo; waarop Holofernes zegt:Bome boon for boon prescian, a litle scratcht, ’twil serve.
V. 1. 44.Honorificabilitudinitatibus.Shakespeare overtreft met dit, zeker op de school gesmeed, woord, zijn voorganger Rabelais niet, die als titel van een boek opgeeft:Antipericatametaparhengedamphicribrationes, en evenmin sommige namen der organische scheikunde, die b.v. overmethylæthyltriacetylphosphammoniumbromideen dergelijke stoffen handelt.—Het vlamwiekje, waarvan gesproken wordt, het Engelscheflapdragon, is het een of ander klein voorwerp, dat op aangestoken wijn of brandewijn dreef en brandend moest ingezwolgen worden.
V. 1. 124.De negen helden.De negen helden,the Nine Worthies, traden bij de Lord-Mayors- en andere feestelijke optochtensteedsop, tot groote vreugde van het publiek. De echte helden waren: drie uit de geschiedenis der Joden, Josua, David en Judas Maccabæus, drie uit de heidensche oudheid, Hector, Alexander en Julius Cæsar, en drie uit de christenheid, Arthur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon. Shakespeare heeft de vrijheid genomen eenige der helden door andere te vervangen.—In de beschrijving van een Chester volksfeest, in handschrift ter Harleyische boekerij aanwezig en van teekeningen voorzien, treden na de negenWorthiesde vier Jaargetijden op, zooals Shakespeare aan het slotVerenHiemslaat opkomen. Hij volgde hier dus de gewoonten der volksfeesten, en verhoogde aldus voor de toeschouwers de vermakelijkheid van het stuk.
V. 2. 11.Tot wasdom.Omdat het zegel, in dien tijd vanwas, op Cupido’s naam kleefde.
V. 2. 40.Zoo schoon als inkt dus.Rosaline is een zwartje. Nu de hoogblonde Catharina zich in de plagerij mengt, wordt zij met de in rood gedrukte namen of initialen van feest- en heilige dagen vergeleken, en de O’s doelen op pokputjes, zooals blijkt uit het zeggen der prinses: “A pox of that jest!”
V. 2. 57.Zoo is ’t; ik deelde ’tenz. Het Engelsch heeft:Ay, or I would these hands might never part. Wat beteekent dit? dat zij geen hand ooit aan een echtgenoot zal wegschenken? of bestond het slot der keten uit handjes, zoodat zij dit sieraad altijd wil dragen? Er moest van dezen regel maar iets gemaakt worden.
V. 2. 157.De maskers komen.In Shakespeare’s tijd was het optreden van gemaskerden met of zonder poëtische toespraken zeer in de mode. Prachtige vertooningen van dien aard hadden er telkens aan het hof van Hendrik VIII en van Elizabeth plaats; de beschrijvingen er van zijn in de kronieken van Holinshed en van Hall te vinden. Het Russisch kostuum werd daartoe meermalen gekozen.
V. 2. 159.Als een glansrijk taf.De maskers der dames bestonden uit taf.
V. 2. 187.Om ’t veld hier maatvast met u rond te gaan.In ’t Engelsch:to tread a measure.Measureis de naam van een statigen dans, ongeveer als de menuet. Zie “Veel leven om niets”, II. 1. 80.
V. 2. 215.Toch blijft zij steeds de maan.Trots al haar wisselingen blijft de maan steeds dezelfde, en de koning steeds aan de maan verknocht, evenals de man in de maan onveranderd blijft.
V. 2. 235.In ’t dobb’len te bedreven.In ’t Engelsch staat:since you can cog.To cogis de uitdrukking voor het vervalschen van dobbelsteenen en beteekent dus “valsch dobbelen”of in ’t algemeen “bedriegen”, vooral door behendige leugens.
V. 2. 247.Recht fraaie vaerzen;—is niet vaars een kalf?In ’t Engelsch is de overgang volstrekt niet minder gezocht:Veal,quoththe Dutchman. Is not “veal”a calf?De Hollander zegt “veal” (in plaats van “well”). Is “veal” niet een kalf?” In het Duitsch heeft Gildemeister de woordspeling eveneens metVerseenFärsenagebootst.
V. 2. 277.Ik zeide: trek!“Trek” kan ook beteekenen “ga heen”. In ’t Engelsch staat: “No point”, waarpoint, als Fransch beschouwt,niet, als Engelsch,degenspitsbeteekent.
V. 2. 281.Van dorpers hoort men vaak een gladder taal.In ’t Engelsch:Well, better wits have worn plain statute caps. Bij een parlementsacte van 1571 (in 1597 herroepen) was bepaald, dat, met uitzondering van den adel en andere personen van rang, ieder, die boven de zes jaar was, op zon- en feestdagen een wollen muts moest dragen, in Engeland vervaardigd,—een maatregel ter bescherming der inlandsche nijverheid. Met de dragers van ordonnantie-mutsen worden dus eerzame kleine burgers, handwerkslieden, enz. bedoeld.
V. 2. 332.Elpen tandenpracht.Het Engelsch spreekt vanwhale’s bone, watwalrustandbeteekent.
V. 2. 339.Veel heil en zegen.Het Engelsch heeft hier een woordspeling methail, datheilenhagelbeteekent.
V. 2. 419.Roep Gods erbarmen in voor deze drie.In ’t Engelsch:Write, “Lord have mercy on us” on those three. “Heer, heb erbarmen met ons” was het gewoon opschrift op huizen, waarin de pest was uitgebroken. “’s Heeren teekens”, waarmee hier de geschenken bedoeld worden, was de naam voor pestvlekken.
V. 2. 478.’t Is uw vak.In ’t Engelsch:you are allow’d; dat is: “you are an allowed fool”.
V. 2. 490.Wij zijn niet onnoozel, heer.Dit is de beteekenis van ’t Eng.:You cannot beg us. De vorst kon naar oud gebruik de voogdijschap over een onnoozele als gunst toestaan; de voogd kreeg dan de beschikking over het vermogen van den hem toegekenden beschermeling.
V. 2. 546.Niets boven de vijf in ’t novem.Novum, ofNovem, of voluitNovem quinque, was een dobbelspel, waarbij negen en vijf de twee beste worpen waren. De vijf spelers in de vertooning der negen helden waren dus de kostelijkste vijf ter wereld, op den vijfworp in ’t novem na.
V. 2. 568.Uw neus getuigt van neen, want die staat veel te recht.De scheeve houding van het hoofd op de oude afbeeldingen van Alexander is bekend.
V. 2. 580.Uw leeuw, die een houwbijlenz. Volgens de ridderboeken droeg Alexanders wapenschild een leeuw, op een stoel zittend, met een strijdbijl in de pooten. Dikkop stelt dit op zijn manier voor en wil Alexander door Ajax (a jakes) vervangen; hier moge Castor, door Dikkop verkeerd uitgesproken, voor hem invallen, evenals Gildemeister het in zijn vertaling hem reeds liet doen.
V. 2. 609.Uw leeftijd heeft den voorrang.In ’t Engelsch:you are my elder. Volgens de overlevering hing Judas zich op aan een vlierboom,an elder.
V. 2. 629.Vaarwel, beste Juud, enz. In ’t Engelsch wordtass, ezel, als slot van den naam afgescheiden. Om de woordspeling eenigszins over te brengen, moest de vertaler den vorigen regel invoegen.
V. 2. 640.Bij dien vriend daar was Hector maar een Stroojaan.Zoo vertaalt ook Gildemeister. In ’t Engelsch staat:Hector was but a Trojan; maarTrojanhad in de 16deeeuw in ’t Engelsch de beteekenis van landlooper. De vertaling met Trojaan zou niets zijn.
V. 2. 652.Een vergulde muskaatnoot.Bij wijze van doosjes met flikjes of bonbons dienden vroeger vergulde muskaatnoten en met kruidnagels bestoken sinaasappelen als geschenken, vooral op Nieuwjaar.
V. 2. 694.Meer Ate’s.Ate, de godin der tweedracht.
V. 2. 706.Meester, laat mij uw bovensten knoop eens losmaken.Het Engelsch zegt woordelijk: “laat mij u een knoopsgat lager nemen”. Geeft de vertaling de beteekenis terug, of wil het zeggen: “laat mij ronduit met u spreken?”
V. 2. 717.Ik draag de wol op ’t lijf voor boete.Grofwollen hemden waren boethemden; hier moet de wol van het bovenkleed er voor dienen.
V. 2. 736.Hoe gaat het uwe hoogheid?In ’t Engelschhow fares your majesty?De vraag klinkt nog al vreemd; er dienen eigenlijk een paar woorden aan vooraf te gaan, b.v. “Wat zware slag!” of “Een schriklijk nieuws!” Bij een tooneelbewerking zou zoo iets ingelascht mogen worden, bij een vertaling echter niet.
V. 2. 827.En wat voor mij?enz. Regels 827–832 moeten ongetwijfeld, met het oog op reg. 847 en volgg. weggelaten worden; men zie boven, de aanteekening opIV. 3. 296en volgende regels.
1Door het photolithographisch facsimile, uitgegeven door W. Griggs, thans voor ieder gemakkelijk verkrijgbaar. Het is no. 5 der Shakspere-Quarto Facsimiles.↑2Zoo heet ook Mélun in de oude uitgavenMelooneofMelloone(“Koning Jan”, IV. 3. 15, V. 2. 1, enz.)↑3Thans “singed”.↑
1Door het photolithographisch facsimile, uitgegeven door W. Griggs, thans voor ieder gemakkelijk verkrijgbaar. Het is no. 5 der Shakspere-Quarto Facsimiles.↑
2Zoo heet ook Mélun in de oude uitgavenMelooneofMelloone(“Koning Jan”, IV. 3. 15, V. 2. 1, enz.)↑
3Thans “singed”.↑