Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Kweel, kind, breng mijn gehoorzintuig in beweging.Mot(zingt).Concolinel!Armado.Een liefelijk zangstukje!—Ga jeugdige teederheid; neem dezen sleutel; stel den slungel in vrijheid; breng hem subietelijk hier; ik moet hem bezigen voor een brief aan mijn liefste.Mot.Meester, wilt gij uw liefste met een Franschen slag veroveren?Armado.Wat meent gij? met een Fransche kloppartij?Mot.Neen, mijn onvergelijkelijke gebieder! maar stoot een melodie van het tongtipje af, maak er een capriool bij met de voeten, geef er geest aan door uw oogleden opwaarts te keeren; zucht een noot en zing een noot, nu eens door den gorgel, alsof gij bij uwen liefdezang liefde verzwolgt, dan weder door den neus, alsof gij bij het ruiken van liefde liefde opsnooft, met uw hoed als een luifel over de winkelkast uwer oogen, met uw armen gekruist op uw afgedragen kamizool, als een konijntje aan het spit, of met uw handen in de zakkenals een zeeman op het oude behangsel. En blijf niet te lang in één toon, maar snip snap en weg er mee. Dit heet naar den aard, dit heet geestrijk, dit verleidt u aardige deernen, die ook zonder dat te verleiden zijn, en maakt hèn tot opmerkelijke mannen,—merkt gij dit wel op?—die van zulke dingen het meest werk maken.Armado.Hoe zijt gij aan die ondervinding gekomen?Mot.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Armado.Maar o, maar o!29Mot.Het stokpaard is vergeten!Armado.Noemt gij mijn liefste een stokpaard?Mot.Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan vergeten?Armado.Bijna had ik dit gedaan.Mot.O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.Armado.Met de borst en in de borst, knaap!Mot.En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.Armado.Wat wilt gij toonen?Mot.Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar, omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.Armado.Ik ben het, alle drie.Mot.En driemaal zooveel,—en toch volstrekt niets.Armado.Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.Mot.Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!Armado.Ha, wat zegt ge?Mot.Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is zeer langzaam ter been. Maar ik ga.Armado.De weg is niet lang. Ga!Mot.Zoo snel als lood, heer.Armado.Wat meent gij, jeugdig vernuft?Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?Mot.Ominime, goede meester; of liever, meester, niet waar.Armado.Wat! lood niet traag? dat is het wel.Mot.Gij zegt dit, meester, veel te snel.Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?Armado.O, zoete rook der redekunst!Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;—Ik schiet u naar den boer.Mot.Dan poef! zie, ’k ben voorbij!(Motaf).Armado.Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!—Met verlof, ik zucht u in ’t gelaat, firmament!Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.—Mijn heraut weer terug?70(Motkomt terug, metDikkop.)Mot.Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!Armado.Een wonder, een enigma; kom, depointemeteen!Dikkop.Neen, niets van igma of vanpointe! geen zalf uit de doos, heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geenpointe, geenpointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!Armado.Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!Mot.Houden de wijzen het voor iets anders?Is eenpointeniet iets, dat snijdt?Armado.Neen, page, ’t is een toespraak, een epiloog, om zaken,Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken.Ik wil een voorbeeld geven:Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Ziedaar de moraal, nu volgt depointe.Mot.Ik wil er depointeaanzetten. Zeg de moraal nog eens.Armado.Een vos en een aap en een hommel er bij.Waren drie in getal; oneven waren zij.Mot.Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren,Die bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volggij dan met mijnpointe.Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Armado.Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren,En bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Mot.Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer verlangen?Dikkop.Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.—Gij zijt niet bekocht, heer, is ’t gansje maar vet.—De knaap is een leeperd, en hem veel te mans;Laat zien: een vettepointe, dat is een vette gans.Armado.Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan?106Mot.Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan.Toen riept gij om depointe.Dikkop.En ik om de weegbree, ja, zoo is ’t gegaan.Toen kwam dien knaap zijnpointe, de vette gans, die gij kocht;En de markt was gedaan.Armado.Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?Mot.Dat zal ik u tastbaar maken.Dikkop.Neen, gij hebt er het gevoel niet van,Mot; ik wil dezepointezeggen:Ik, Dikkop, zat in ’t hok, zag ’t open en liep heen;Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.Armado.Nu spreken wij niet verder van ’t geval.Dikkop.O, van dat vallen heb ik al genoeg.Armado.Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.Dikkop.Een vrijman met welk meisje?—O, ik ruik alweer eenpointe, een gans hierin.Armado.Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld, gelibereerd; gij waart ingekerkerd,ingesperd, gecaptiveerd, met boeien belast.Dikkop.Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?Armado.Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u, in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie, want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!(Armadoaf.)Mot.Als een vervolg, ja; ik kom.—Vriend Dikkop, adieu.Dikkop.Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!(Motaf.)Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.—“Wat kost dat lint?” “Twee stuivers.”—Neen, ik geef er een remuneratie voor”; nu, ik krijg het er voor.—Remuneratie!—Wel, het is een mooier naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen zonder dit woord.143(Bironkomt op.)Biron.O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.Dikkop.Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor een remuneratie?Biron.Wat is een remuneratie?Dikkop.Wel, heer, twee blanken.Biron.Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.Dikkop.Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.Biron.Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken.Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn.Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.Dikkop.En wanneer moet ik ’t doen, heer?Biron.O, dezen nadenmiddag.Dikkop.Zeer goed, heer, ’k zal het doen, vaarwel!Biron.Wat! en gij weet niet, wat het is.Dikkop.Ik zal ’t wel weten, heer, als ik ’t gedaan heb.Biron.Wel, kerel, van te voren moet gij ’t weten.Dikkop.Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.Biron.’t Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, ’t is slechts dit:—Van middag jaagt hier de prinses in ’t park;Zij heeft in haar gevolg een schoone dame;Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil,Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. VraagNaar haar; en dit verzegelde geheimReikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed;Hier hebt gij een douceur.(Hij geeft hem een schelling.)Dikkop.Douceur!—O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!—Ik zal het doen, heer, alsof het gedrukt was.—Douceur!—remuneratie!(Dikkopaf.)Biron.O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel!Een echte speurhond van verliefde zuchten,Een censor, ja, een nachtpatrouilleman,Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske,Van trotscher stof dan eenig menschenkind!Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje,Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido,Sonnettenkoning, vorst van armenkruising,Gezalfde souverein van o’s en ach’s,Patroon der pruttelaars en lanterfanters,185Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt,Machthebber, op wiens wenk de boden dravenVan ’t echtsgerechtshof,—o, mijn klein, zwak hart!—Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem,En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel!Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw?Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt,Steeds na te zien en eeuwig in de war,Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg’len,Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg’ling eischt!Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles!En van de drie, dan de ergste juist te minnen!Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw,Met twee pikballen in ’t gelaat voor oogen,En, bij mijn ziel, ja, een, die ’t kwaad zou doen,Al had zij Argus tot eunuuk en wachter!En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar!Ik smeek om haar! Maar ’t zij zoo, ’t is een straf,Die mij Cupido oplegt om ’t verachtenDer almacht van zijn schrikb’re, kleine macht.Nu, ’k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier’;Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!(Bironaf.)Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor de tenten in het park.De Prinses,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden, Gevolg en een Houtvester komen op.Prinses.Was dat de koning, die zijn paard zoo spoorde,De steile helling van den heuvel op?Boyet.Ik weet niet, maar mij dunkt, hij was het niet.Prinses.Wie ’t wezen mocht, hoogdravend was zijn streven.We ontvingen, heeren, ons bescheid vandaag,En keeren Zaterdag naar Frankrijk weer.—Houtvester, spreek, waar is nu dat geboomte,Waarin wij voor ons moordspel moeten staan?Houtvester.Vlakbij, daar aan den hoek van ’t kreupelhout;Die stand is goed, daar hebt gij ’t schoonste schot.Prinses.Gij denkt, het is de schoonheid, die daar schiet;En daarom spreekt gij van het schoonste schot.Houtvester.Vergeef, vorstin, dat is ’t niet, wat ik meen.13Prinses.Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij “neen”?Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!Houtvester.Zeer schoon, prinses.Prinses.Zeer schoon, prinses.Neen, geen blanketsel thans;Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans.Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;(Zij geeft hem geld.)Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.Houtvester.O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.Prinses.Mijn schoon vond redding in der werken loon!O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd!Schoon wordt de onschoone hand, die rijk’lijk geeft!—Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht;En ’t beste schot wordt dan voor boos geacht.Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet;Verwond ik niet, de deernis duldde ’t niet,Verwond ik, ’k heb alleen mijn kunst getoond;Geen moord-, maar roemzucht is ’t, die in mij woont.Wie kan ontkennen, dat niet inderdaadDe roemzucht wreede gruw’len soms begaat,Indien naar eer en lof, armzaal’gen schijn,De krachten van ons hart begeerig zijn;Zooals mij enkel lust naar lof het bloedVan herten, die mij lief zijn, spillen doet?35Boyet.Is ’t roemzucht niet, die booze vrouwen stijftIn ’t opperste gezag, en die ze drijftHeer van haar heer te zijn?Prinses.De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof,Voor wie een heer der schepping kruipt in ’t stof.(Dikkopkomt op.)Boyet.Daar komt een lid van hun gemeenebest.Dikkop.Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.Prinses.Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen het hoofd kwijt.Dikkop.Wie is de grootste dame, de hoogste?Prinses.Die het dikst en het langst is.Dikkop.Die het dikst en ’t langst is? het is zoo; waar is waar.Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw,Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou.Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.Prinses.Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?Dikkop.Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline te geven.53Prinses.Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; ’t is om ’t even.—Verder weg, wakk’re bode!—Boyet, gij kunt trancheeren,Snijd dit kapoentje eens voor.Boyet.Snijd dit kapoentje eens voor.’k Voldoe aan uw begeeren.—Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor;Hij is aan Jacquenetta.Prinses.Hij is aan Jacquenetta.Toch lezen; ga door!Breek aan ’t zegel den hals; en een elk leene ’t oor.Boyet(leest).“Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf, dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker danbekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen:veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,—o lage en duistere gemeene taal!—luidt,videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens zijde? aan die des konings?—neen, aan die van beiden in één; of aan die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis; gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord, profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en mijn hart aan uw gezamenlijke persoon.87“De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,“Don Adriano De Armado.“Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen,Lam, die als buit hem in de klauwen vielt;Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen,Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt;Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot?Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot.”Prinses.Wat voor een veêrbos is ’t, die zulk een onzin schreef?Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?Boyet.Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.Prinses.Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.Boyet.Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in ’t park hier een woning;Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koningEn voor zijn studiegenooten.Prinses.En voor zijn studiegenooten.Gij knaap daar, zeg iets meer;Wie gaf u dien brief?Dikkop.Wie gaf u dien brief?Ik zeide ’t reeds, mijn heer.Prinses.Aan wien moest gij hem geven?Dikkop.Aan wien moest gij hem geven?Van mijn heer aan een juffer.Prinses.En spreek, van welken heer en aan welke juffer?Dikkop.Van de’ eedlen heer Biron, dien ’k onderdanig diene,Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.Prinses.Gij hebt den brief verwisseld.—Komt, heeren, mij na!—(TotRosaline.)Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.(De Prinses en haar Gevolg af.)Boyet.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Rosaline.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Richt gij tot mij uw vragen?Boyet.Ja, kort begrip van schoonheid!Rosaline.Ja, kort begrip van schoonheid!Die gij den boog ziet dragen.Daar zijt gij goed bediend!Boyet.Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij,’k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij.Dit was raak!115Rosaline.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.Boyet.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.En hebt ge een buit op ’t oog?Rosaline.Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog.Dit was raak, inderdaad!Maria.Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.Boyet.En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.Rosaline.Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was, wat dat treffen betreft?Boyet.Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden, dat al een vrouw was, toenkoningin Genevravan Brittanje nog een klein meisje was, wat dat treffen betreft.Rosaline.Gij kunt niet raken, raken, raken,Gij kunt niet raken, goede man.Boyet.Zoo ik, zoo ik, zoo ik ’t niet kan,Dan komt een ander, die het kan.(RosalineenCatharinaaf.)Dikkop.Op mijn woord, recht vermaak’lijk; ’t ging hard tegen hard!Maria.De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen ’t zwart.Boyet.De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten,Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.Maria.Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.Dikkop.Ja, om in ’t zwart te treffen, is de afstand te wijd.Boyet.Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.Dikkop.’t Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.Maria.Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.Dikkop.Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.Boyet.Ik vrees te veel poedels.—Nu, uiltje, slaap wel!(BoyetenMariaaf.)Dikkop.Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed!142Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed!Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug,En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!—Armado aan de’ eenen kant,—o wat suikeren man!Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan!Een kushand te geven en aardig te zweren weet!—En zijn page aan de’ anderen kant, die handvol geest, die aap!O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!(Jachtgedruisch achter het tooneel.)Halloo! halloo!(Dikkopaf.)Tweede Tooneel.Aldaar.Een ander gedeelte van het park.Holofernes,NathanaëlenDomkomen op.Nathanaël.Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder de getuigenis van een goed geweten.Holofernes.Het hert was, zooals gij weet,sanguis, met vurig bloed;—rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het oor vancoelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,—en dan nedervalt als een gewone appel op het gelaat vanterra, den grond, het land, het aardrijk.Nathanaël.Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker u, heer magister, het was een voljarig hert.Holofernes.Heer geestelijke,haud credo...Dom.Het was geenhaud credo, het was een spitser.Holofernes.Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van insinuatie, als het warein via, op den weg der explicatie, om een replicatie, als het ware, te maken,facere, of veeleer zijn inclinatie te toonen,ostentare,—volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste, ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of veeleerder ongeconfirmeerde manier,—van wederom mijnhaud credovoor een hert te insereeren.Dom.Ik heb gezegd, dat het dier geenhaud credo, maar een spitser was.Holofernes.O tweemaal gezoden onnoozelheid,bis coctus!O gij monsterIgnorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit!24Nathanaël.Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een boek omsluit;hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is slechts eenanimal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen wezen,—Gelijk wij bij ’t proeven en voelen ook zijn,—voor de gaven, in ons geprezen;Want mij zou ’t slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek;Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid een vlek;Dochomne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind;Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.Dom.Gij tweeën zijt geleerden; is ’t uw vernuft reeds gebleken,Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?Holofernes.Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.Dom.Wat is Dikdunna?Nathanaël.Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.Holofernes.De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar,Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar.De allusie houdt steek bij de naamsverandering.Dom.’t Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de maansverandering.Holofernes.God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie houdt steek bij demaansverandering.Dom.En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering, want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien, dat heteen spitserwas, wat de prinses geschoten heeft.Holofernes.Heer Nathanaël, wilt gij eens eenextempore epitaphiumop den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.Nathanaël.Ja,perge, beste magister,perge; en maak zoo een eind aan alle onhebbelijke aardigheid.Holofernes.Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt van vaardigheid.“De schoone schietster spande, en schooteen spitser, schuw en slank;Een spitser is gespitste nu,gespietst met hare spies.De spitser kreeg een tweede spits;twee ellen was die lank;En zeg eens, of de spitser nuniet tot een gaff’laar wies.Maar ik voeg bij een hert één L,dan zijn ’t er vijftig, man;En ’t wonder is: met één L meermaak ik er honderd van.”Nathanaël.Een merkwaardig talent voor verzen!64Dom.Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.Holofernes.Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren, beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen; deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoedin den schoot derpia mater, en aan ’t licht gebracht, als de gelegenheid ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik ben er dankbaar voor.Nathanaël.Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger, en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van het gemeenebest.Holofernes.Mehercle!als uw zoonsingeniumhebben, aan instructie zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn, zal ikzelf trachten op haar te werken. Dochvir sapit, qui pauca loquitur.—Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij toe u eens aan te spreken.Holofernes.Heer eerwaarde,quasiherwaarts! Als nu iemand hier aangesproken moet worden, wie is het dan?Dikkop.Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.Holofernes.Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg voor een zwijn; ’t is aardig, ’t is goed.Jacquenetta.Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen brief. Hij werd mij gegeven door Dikkopen mij toegezonden door Don Armado; ik bid u, lees hem.(Nathanaëlleest den brief.)Holofernes.“Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra Ruminat”—en zoo voorts.O goede oude Mantuaan!ik mag van u zeggen, wat de reiziger van Venetië zegt:98“Venetia, Venetia,Chi non ti vede, non ti prezia.”Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.—Ut,re,sol,la,mi,fa.—Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever, zooals Horatius zegt in zijn—Wat, bij mijn ziel! verzen?Nathanaël.Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.Holofernes.Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;lege, domine.Nathanaël(leest).“Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde zweren?Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;En dat ik u vereer, is ’t goede in mijn natuur.Uw oog voert ’s hemels flits, uw stem zijn schrikb’ren donder,Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.O godd’lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig.”Holofernes.Gij vindt de apostropha’s niet en mist daardoor het ware accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de maat in acht genomen, maar watelegantia, zoetvloeiendheid, de gulden cadans betreft,—caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist, Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht?Imitariis niets: dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte paard zijnen ruiter.—Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?Jacquenetta.Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.Holofernes.Ik wil hetsuperscriptumbezien. “Aan de sneeuwwitte hand van de overschoone Rosaline.” Ik wil nog eens letten op het begrip van den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de persoon, aan welke geschreven werd. “Uwer edelheid zich toewijdend voor alle begeerde diensten, Biron.” Heer Nathanaël, deze Biron is een van ’s konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.—Trippel van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel!148Jacquenetta.Beste Dikkop, ga met mij mede.—God behoede uw gezondheid, heer!Dikkop.Ik ga mede, meisje.(DikkopenJacquenettaaf.)Nathanaël.Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods, recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,—Holofernes.Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u, mijnheer Nathanaël?Nathanaël.Zeer goed, wat het schrift betreft.Holofernes.Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd den disch met eengratiaste gratificeeren, krachtens mijnsprivilegiibij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uwbenvenutoop mij wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik verzoek om uw gezelschap.Nathanaël.En ik ben u dankbaar, want gezelschap,—zegt de tekst,—is het geluk des levens.Holofernes.En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den tekst.—(TotDom.)Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen neen zeggen;pauca verba.—Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.(Allen af.)Derde Tooneel.Een ander gedeelte van het park.Bironkomt op, met een papier in de hand.Biron.De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,—pik dat besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! wantzoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen, vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen, zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer, ik wil niet. Ach! maar haar oog!—bij het licht der zon, als het niet om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij, en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar, allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven, als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte!20(Hij klimt in een boom.)(De Koning komt op, met een papier in de hand.)Koning.Wee mij!Biron(ter zijde).Aangeschoten, waarachtig!—Ga zoo voort, allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den linkervleugel geraakt.—Op mijne eer, geheimen!Koning(leest).“Zoo lieflijk kust de gouden zonne nietDe morgendruppen, die aan ’t roosje hangen,Als uw, uw oog, dat held’re stralen schiet,De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen;Niet half zoo helder schijnt de zilv’ren maanDoor ’t held’re water van de diepte heen,Als uw gelaat mij gloort door meen’gen traan;Gij straalt door elken druppel, dien ik ween;En elke druppel wordt tot zegewagen,Waarin gij,—zie den stroom, die in mij welt,—Op mijner tranen golven wordt gedragen;Ja, ’t is mijn leed, dat uwe glorie meldt.Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ikU in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik.Uw schoon, o koningin der koninginnen!Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen.”Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers!Zoet loof, beschaduw dwaasheid!—Wie komt daar?(Hij verschuilt zich.)Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!(Longavilletreedt op, met een papier in de hand.)Biron(ter zijde).Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!Longaville.Wee mij, ik brak mijn eed!Biron(ter zijde).Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt een papier er van vóór zich!48Koning(ter zijde).Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!Biron(ter zijde).Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.Longaville.Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?Biron(ter zijde).Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend;Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen,Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.Longaville.Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin.Maria, o mijns harten koningin!In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.Biron(ter zijde).Met rijmen belint is ’t pak van Venus’ wicht;Verscheur zijn pofbroek niet!Longaville.Verscheur zijn pofbroek niet!Ik zend dit toch.(Hij leest.)“Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,—Daartegen stuiten aardsche reed’nen af,—Mij niet tot breken van mijn eed gebracht?Maar brak ik dien voor u, ’t verdient geen straf.Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij;Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld;Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij;Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld.Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht;O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet,Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht;Is die gebroken, mijne schuld is ’t niet.En waar’ ’t mijn schuld, wat dwaas waar’ niet zoo wijs,Dat hij hem brak, voor ’t heil van ’t paradijs?”Biron(ter zijde).’t Is gisting in ’t bloed; die maakt het vleesch tot god,Een groen gansje, een godin: ’t is afgodische spot.Wij zijn allen aan ’t malen; God geve ons herstel!(Dumainetreedt op, met een papier in de hand.)Longaville.Hoe zend ik dit?—Wie komt? ter zijde! snel!(Hij verschuilt zich).Biron(ter zijde).Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel!’k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen,En schouw ’t geheim der narren, die hier dolen.Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit;Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit!82Dumaine.O allergodd’lijkst Kaatje!Biron(ter zijde).O allergodslasterlijkste dwaas!Dumaine.Bij ’t hemelrijk! een wonder voor het oog!Biron(ter zijde).Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt te hoog.Dumaine.Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!Biron(ter zijde).Een amberkleur’ge raaf waar’ meer dan raar.Dumaine.Slank als de ceder.Biron(ter zijde).Krom! haar schouder, ach!Moet zeker kind’ren.Dumaine.Moet zeker kind’ren.Schoon gelijk de dag.Biron(ter zijde).Als meen’ge dag; dan moet de zon niet schijnen.Dumaine.O, hadde ik mijnen wensch!Longaville.(ter zijde).En ik den mijnen!Koning(ter zijde).En ik den mijnen, hemel!Biron(ter zijde).Amen, zeg ik voort,Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?Dumaine.Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in ’t bloed,Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Biron(ter zijde).Een koorts in ’t bloed? Nu, die tapt u in schalenEen aderlating af; o lieflijk dwalen!Dumaine.Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.Biron(ter zijde).Nog eens hoor ik, hoe min ’t verstand verdreef.Dumaine(leest).“Op een dag,—o booze dagVan de zoete Meie!—zagLiefde een roosje met genugt’Spelen in de dart’le lucht;Door ’t fluweelen loof der hegVond de onzichtb’re wind zijn weg,En de knaap, in stervenspijn,Wenschte ’s hemels aâm te zijn.“Lucht,” zoo sprak hij, “kust haar vrij;Zaal’ge lucht, ware ik als gij!Wee! ’k verpandde woord en trouw,Dat ik nooit u plukken zou!Ach, wat eed voor teed’re jeugd,Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd!Neen, geen zonde zij ’t geacht,Zoo ’k mijn eed om u verkracht,U, die Jupiter zoudt nopenJuno een moorin te doopen,En zijn godheid te verzaken,Om als mensch voor u te blaken.””120Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemdMijn leed, het hong’ren van mijn hart, haar noemt.O waar’ de vorst, Biron en LongavilleNu ook verliefd! Besmette ook hunne zieleMeineed! dit wiesch van ’t voorhoofd mij de vlek;Want niemand valt in ’t oog, zijn allen gek.Longaville(te voorschijn tredend).Dumaine, uw min woont in geen christ’lijk hart.Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart.Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood,Wierd ik aldus betrapt in bitt’ren nood.Koning(vooruittredend).Zoo bloos dan; zijn geval is ’t uwe, heer,Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer;Gij mint Maria niet! nooit van zijn levenHeeft Longaville een rijmbrief haar geweven!Zijn armen op de borst nooit saamgekruist,Tot stilling van een hart, waar liefde in huist!’k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen,Bespeurde u beide’ en moest om beiden blozen,Vernam uw zondig rijm’len, hoorde uw klachten,Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten,“Wee mij!” roept de één, en die: “O Jupiter!”Voor de’ een is haar van goud, dien ’t oog een ster;(TotLongaville.)Gij, breken zoudt ge om ’t paradijs uw eeden;(TotDumaine.)Als gij zou Jupiter een eed vertreden!—Wat zal Biron wel zeggen bij het hoorenVan ’t schennen uwer trouw, zoo luid bezworenWat zal hij spotten, plagen, steek’lig zingen,Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen!’k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bijNiet willen, dat hij zooveel wist van mij!Biron(ter zijde).Nu treed ik op, en geesel huichelarij.—(Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.)Mijn beste vorst, ik bid u, ’t sta mij vrij:Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagenAan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagenZijn ooit uw oogen; in uw tranenvlietKan geen prinses zich spieg’len, zeker niet!Gij breekt geen eed ooit, ’t ware u ergernis;En niemand rijm’, dan wiens beroep het is!Maar staat gij niet beschaamd?—gij niet in nood,Dat elk van u zoo ver van ’t doelwit schoot?Uw’ splinter vond de koning,(OpDumainewijzend,totLongaville.)gij den zijnen;Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen.O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik,Van leed en kommer, zuchten en gesnik!Hoe zag ik, spraak’loos van verwondering,Dat een monarch een mug werd, gonzen ging!De groote Hercules een drijftol zweepte,De wijze Salomo met deuntjes dweepte,En Nestor met de knapen paardje speelde,En Timon lachend kinderschaapjes streelde!Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel ’t mee!171En beste Longavill’, waar schuilt uw wee?Waar ’t uwe, heer en vorst? Niet waar, in ’t hart?Een wijnsoep, hé!Koning.Te steek’lig is uw gard.Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?Biron.Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet.Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken,Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken;Ik ben verraden, wijl ik mij verbondMet mannen, die ik zwak, meineedig vond.Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf?Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijfMet haar en baard? spreek ik ooit opgetogenTot lof van hand en voet, gelaat en oogen,Van leest en geest, hals, houding, boezem, been,Van kin en knie?—(Hij ontwaartDikkopmetJacquenettaen wil ijlings wegloopen.)Koning.Wat is ’t? waar ijlt gij heen?Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?Biron.De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!(Hij blijft op een wenk van den Koning staan.)(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.Heer koning!Koning(totDikkop).Zoo, wat brengt gij voor kaproen?Dikkop.O heer, een stuk verraad!Koning.O heer, een stuk verraad!Wat moet verraad hier doen?Dikkop.O heer, het doet u niets.Koning.Dan wensch ik niets te ontdekken,En mag ’t verraad met u in vrede henentrekken.Jacquenetta.Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen,Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.Koning.Biron, kijk hem in.—(Hij geeft den brief aanBiron.)Biron, kijk hem in.—Van wien hebt gij den brief?Jacquenetta.Van Dikkop.Koning(totDikkop).En gij, van wien gij?Dikkop.Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.(Bironverscheurt den brief.)Koning(totBiron).Wat is ’t? wat komt u over, dat gij den brief verscheurt?Biron.’t Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.Longaville.Wij willen ’t hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt!202Dumaine(de stukken oprapend).Het schrift is van Biron; ja zie, zijn naam aan ’t end!Biron(totDikkop).O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande en ellend!—O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Koning.O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Wat dan?Biron.Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man.Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood,Zijn dieven op ’t punt van liefde, en wij verdienen den dood.Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.Dumaine.’t Getal is nu even.Biron.’t Getal is nu even.Een vierspan, op mijne eer.Wat doen die tortels hier nog?Koning.Wat doen die tortels hier nog?Nu, vrienden, gij kunt gaan.Dikkop.Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.(DikkopenJacquenettaaf.)Biron.Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd!Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen;De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt,En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen;Wij kunnen ’s levens oorzaak niet versmoren;Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.Koning.’t Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?Biron.Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen,De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan,Bij ’t rijzen van den eersten oostergloed,Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan,En kust den lagen grond met vroom gemoed?Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindtDen moed haar in het hemelsch oog te staren,En wordt niet door haar majesteit verblind?Koning.Wat dwaze woede is u in ’t brein gevaren?Mijn liefde is zelf de maan aan ’s hemels boog,Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.Biron.Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog.De dag wierd nacht, waar’ mijn geliefde er niet!O, de uitgelezenste aller tinten kwamen,Als tot een feest, bijeen op hare wang;En ’t eêlste smolt daar met het eêlste samen,En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang’.Leen mij de bloemen aller redekunst;—Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon!Voor koopwaar bedel’ koopmanslof zich gunst,Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon.241Een kluiz’naar, wien een honderd winters hind’ren,Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af;Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind’ren,Leent de eerste jeugd der wieg aan ’s grijsaards staf;O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!Koning.Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!Biron.Is ebbenhout als zij? dan godd’lijk hout!Een vrouw uit zulk een hout waar’ ’t heilrijkst lot.Wie reikt mij ’t bijbelboek, opdat ik zweer,Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten wareZij van haar oogen gloedvol blikken leer’;O, schoon is geen gelaat, min zwart dan ’t hare.Koning.Wat paradox! Zwart is de leus der hel,De kleur van krochten, en het kleed der nacht;En blankheid staat bij hemelreinheid wel.Biron.De duivel lokt liefst in der englen dracht.Zoo ravenzwart mijn liefste’s hoofd bedekt,Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernisMet ijd’len schijn verliefde dwazen trekt;Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is.De mode erkent haar schoonheid; en dit doetNatuurlijk bloed den lof van verf verwerven;En noopt het blank, dat gisping duchten moet,Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.Dumaine.Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.Longaville.De kolenbrander heeft een blank gezicht.Koning.En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.Dumaine.Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.Biron.Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen,Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn’.Koning.Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen,Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.Biron.Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.Koning.Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.Dumaine.Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.Longaville(zijn voet vooruitstekend).Zie, ’t beeld van uw geliefde is hier mijn schoen.Biron.Bestond het straatplaveisel uit uw oogen,Te ruw waar’ ’t voor haar voet en te gering.Dumaine.O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen,280Dat die weg opzag, als ze er over ging.Koning.Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?Biron.Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.Koning.Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig,Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.Dumaine.Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!Longaville.Voortreff’lijk ja, een sluwe vond, een list,Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!Dumaine.Een zalf voor meineed!Biron.Een zalf voor meineed!Nu, hoog noodig is ’t.Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne,En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten;Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien:Blijkbaar verraad aan ’t koningschap der jeugd!Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magenVeel, veel te jong; onthouding maakte u krank.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,[Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,De heerlijkheid doorgrond van diepe studie,Zoo niet door ’t wonderschoon gelaat der vrouw?Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool,Die ’t echte Prometheïsch vuur doen vlammen.]Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want welk een schrijver in de gansche wereldLeert zulk een schoonheid als een vrouwenoog?Het weten toch is slechts een deel van ons,En waar wij zijn, daar is ons weten ook;Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen,Zien wij ons weten daar dan ook niet in?Wij deden de’ eed van te studeeren, vrienden,Doch daarmee zwoeren we onze boeken af;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevondenDer schoone verzen, die ’t bezielend oogDer schoone meesteressen thans u ingaf?323De traag’re kunsten zeet’len gansch in ’t brein,En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden,Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst;Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd,Woont geenszins ingemetseld in het brein,Maar vliegt, met aller elementen leven,Snel, als gedachten ’t zijn, naar elke kracht,En geeft aan elke kracht een dubb’le kracht,Ver boven hare taak en dienstverplichting;Zij schenkt aan ’t oog een nieuw en kostlijk zien;Het oog des minnaars staart den aad’laar blind;Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid,Zelfs dat aan de’ argwaan van den dief ontsnapt;’t Gevoel der liefde is fijner, meer gevoeligDan bij de huisjesslak de teed’re horens;Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak.Is niet de liefde in moed een Hercules,Die in ’t geboomt’ der Hesperiden klimt?Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziekAls Phœbus’ lier, bespannen met zijn haar?Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koorDen hemel met hun harmonie aan ’t droomen.Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen,Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd;O! dan verrukt zijn lied der wilden oor,En plant erbarmen in tyrannenharten.Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij sprank’len staâg het echt Prometheusvuur;Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool,Die heel de wereld leert, omvat en voedt;En niemand anders is in iets voortreff’lijk.Dies waart gij dwaas, toen gij deez’ vrouwen afzwoert,En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas.In naam der wijsheid,—’t woord, dat mannen minnen,—In naam der min,—het woord, dat mannen streelt,—In naam der mannen,—scheppers dezer vrouwen,—In naam der vrouwen,—de oorsprong van ons, mannen,—Verzaken we onzen eed, tot ons behoud,Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf.De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan,Want menschenmin vervult de hoogste wet,En wie kan menschenmin van liefde scheiden?Koning.Dan, Sint Cupido! en in ’t veld, soldaten!Biron.Ontplooit uw standaards, heeren, er op los!Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad,Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!Longaville.Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is ’t?Wij maken ’t hof dus aan de Fransche meisjes?Koning.En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht!Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.Biron.Wij leiden haar dan eerst van ’t park daarheen;En voor die wandeling zoek’ zich elk de handDer uitverkoren schoone. Na den middagVermake haar een geestig tijdverdrijf,Zoo goed de korte tijd het scheppen kan;Want dartele uren, maskerspel en dansen,’t Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.Koning.Van hier, van hier! Terstond aan ’t werk! want tijd,Zoo wij hem niet verbeuz’len, brengt profijt.Biron.Allons!wie onkruid zaait, oogst nimmer koren;Gerechtigheid weegt alles even zwaar;Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren;Ons koper geeft geen recht op beter waar.(Allen af.)
Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Kweel, kind, breng mijn gehoorzintuig in beweging.Mot(zingt).Concolinel!Armado.Een liefelijk zangstukje!—Ga jeugdige teederheid; neem dezen sleutel; stel den slungel in vrijheid; breng hem subietelijk hier; ik moet hem bezigen voor een brief aan mijn liefste.Mot.Meester, wilt gij uw liefste met een Franschen slag veroveren?Armado.Wat meent gij? met een Fransche kloppartij?Mot.Neen, mijn onvergelijkelijke gebieder! maar stoot een melodie van het tongtipje af, maak er een capriool bij met de voeten, geef er geest aan door uw oogleden opwaarts te keeren; zucht een noot en zing een noot, nu eens door den gorgel, alsof gij bij uwen liefdezang liefde verzwolgt, dan weder door den neus, alsof gij bij het ruiken van liefde liefde opsnooft, met uw hoed als een luifel over de winkelkast uwer oogen, met uw armen gekruist op uw afgedragen kamizool, als een konijntje aan het spit, of met uw handen in de zakkenals een zeeman op het oude behangsel. En blijf niet te lang in één toon, maar snip snap en weg er mee. Dit heet naar den aard, dit heet geestrijk, dit verleidt u aardige deernen, die ook zonder dat te verleiden zijn, en maakt hèn tot opmerkelijke mannen,—merkt gij dit wel op?—die van zulke dingen het meest werk maken.Armado.Hoe zijt gij aan die ondervinding gekomen?Mot.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Armado.Maar o, maar o!29Mot.Het stokpaard is vergeten!Armado.Noemt gij mijn liefste een stokpaard?Mot.Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan vergeten?Armado.Bijna had ik dit gedaan.Mot.O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.Armado.Met de borst en in de borst, knaap!Mot.En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.Armado.Wat wilt gij toonen?Mot.Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar, omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.Armado.Ik ben het, alle drie.Mot.En driemaal zooveel,—en toch volstrekt niets.Armado.Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.Mot.Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!Armado.Ha, wat zegt ge?Mot.Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is zeer langzaam ter been. Maar ik ga.Armado.De weg is niet lang. Ga!Mot.Zoo snel als lood, heer.Armado.Wat meent gij, jeugdig vernuft?Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?Mot.Ominime, goede meester; of liever, meester, niet waar.Armado.Wat! lood niet traag? dat is het wel.Mot.Gij zegt dit, meester, veel te snel.Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?Armado.O, zoete rook der redekunst!Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;—Ik schiet u naar den boer.Mot.Dan poef! zie, ’k ben voorbij!(Motaf).Armado.Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!—Met verlof, ik zucht u in ’t gelaat, firmament!Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.—Mijn heraut weer terug?70(Motkomt terug, metDikkop.)Mot.Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!Armado.Een wonder, een enigma; kom, depointemeteen!Dikkop.Neen, niets van igma of vanpointe! geen zalf uit de doos, heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geenpointe, geenpointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!Armado.Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!Mot.Houden de wijzen het voor iets anders?Is eenpointeniet iets, dat snijdt?Armado.Neen, page, ’t is een toespraak, een epiloog, om zaken,Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken.Ik wil een voorbeeld geven:Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Ziedaar de moraal, nu volgt depointe.Mot.Ik wil er depointeaanzetten. Zeg de moraal nog eens.Armado.Een vos en een aap en een hommel er bij.Waren drie in getal; oneven waren zij.Mot.Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren,Die bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volggij dan met mijnpointe.Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Armado.Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren,En bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Mot.Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer verlangen?Dikkop.Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.—Gij zijt niet bekocht, heer, is ’t gansje maar vet.—De knaap is een leeperd, en hem veel te mans;Laat zien: een vettepointe, dat is een vette gans.Armado.Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan?106Mot.Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan.Toen riept gij om depointe.Dikkop.En ik om de weegbree, ja, zoo is ’t gegaan.Toen kwam dien knaap zijnpointe, de vette gans, die gij kocht;En de markt was gedaan.Armado.Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?Mot.Dat zal ik u tastbaar maken.Dikkop.Neen, gij hebt er het gevoel niet van,Mot; ik wil dezepointezeggen:Ik, Dikkop, zat in ’t hok, zag ’t open en liep heen;Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.Armado.Nu spreken wij niet verder van ’t geval.Dikkop.O, van dat vallen heb ik al genoeg.Armado.Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.Dikkop.Een vrijman met welk meisje?—O, ik ruik alweer eenpointe, een gans hierin.Armado.Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld, gelibereerd; gij waart ingekerkerd,ingesperd, gecaptiveerd, met boeien belast.Dikkop.Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?Armado.Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u, in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie, want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!(Armadoaf.)Mot.Als een vervolg, ja; ik kom.—Vriend Dikkop, adieu.Dikkop.Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!(Motaf.)Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.—“Wat kost dat lint?” “Twee stuivers.”—Neen, ik geef er een remuneratie voor”; nu, ik krijg het er voor.—Remuneratie!—Wel, het is een mooier naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen zonder dit woord.143(Bironkomt op.)Biron.O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.Dikkop.Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor een remuneratie?Biron.Wat is een remuneratie?Dikkop.Wel, heer, twee blanken.Biron.Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.Dikkop.Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.Biron.Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken.Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn.Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.Dikkop.En wanneer moet ik ’t doen, heer?Biron.O, dezen nadenmiddag.Dikkop.Zeer goed, heer, ’k zal het doen, vaarwel!Biron.Wat! en gij weet niet, wat het is.Dikkop.Ik zal ’t wel weten, heer, als ik ’t gedaan heb.Biron.Wel, kerel, van te voren moet gij ’t weten.Dikkop.Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.Biron.’t Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, ’t is slechts dit:—Van middag jaagt hier de prinses in ’t park;Zij heeft in haar gevolg een schoone dame;Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil,Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. VraagNaar haar; en dit verzegelde geheimReikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed;Hier hebt gij een douceur.(Hij geeft hem een schelling.)Dikkop.Douceur!—O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!—Ik zal het doen, heer, alsof het gedrukt was.—Douceur!—remuneratie!(Dikkopaf.)Biron.O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel!Een echte speurhond van verliefde zuchten,Een censor, ja, een nachtpatrouilleman,Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske,Van trotscher stof dan eenig menschenkind!Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje,Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido,Sonnettenkoning, vorst van armenkruising,Gezalfde souverein van o’s en ach’s,Patroon der pruttelaars en lanterfanters,185Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt,Machthebber, op wiens wenk de boden dravenVan ’t echtsgerechtshof,—o, mijn klein, zwak hart!—Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem,En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel!Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw?Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt,Steeds na te zien en eeuwig in de war,Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg’len,Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg’ling eischt!Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles!En van de drie, dan de ergste juist te minnen!Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw,Met twee pikballen in ’t gelaat voor oogen,En, bij mijn ziel, ja, een, die ’t kwaad zou doen,Al had zij Argus tot eunuuk en wachter!En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar!Ik smeek om haar! Maar ’t zij zoo, ’t is een straf,Die mij Cupido oplegt om ’t verachtenDer almacht van zijn schrikb’re, kleine macht.Nu, ’k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier’;Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!(Bironaf.)Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor de tenten in het park.De Prinses,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden, Gevolg en een Houtvester komen op.Prinses.Was dat de koning, die zijn paard zoo spoorde,De steile helling van den heuvel op?Boyet.Ik weet niet, maar mij dunkt, hij was het niet.Prinses.Wie ’t wezen mocht, hoogdravend was zijn streven.We ontvingen, heeren, ons bescheid vandaag,En keeren Zaterdag naar Frankrijk weer.—Houtvester, spreek, waar is nu dat geboomte,Waarin wij voor ons moordspel moeten staan?Houtvester.Vlakbij, daar aan den hoek van ’t kreupelhout;Die stand is goed, daar hebt gij ’t schoonste schot.Prinses.Gij denkt, het is de schoonheid, die daar schiet;En daarom spreekt gij van het schoonste schot.Houtvester.Vergeef, vorstin, dat is ’t niet, wat ik meen.13Prinses.Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij “neen”?Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!Houtvester.Zeer schoon, prinses.Prinses.Zeer schoon, prinses.Neen, geen blanketsel thans;Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans.Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;(Zij geeft hem geld.)Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.Houtvester.O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.Prinses.Mijn schoon vond redding in der werken loon!O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd!Schoon wordt de onschoone hand, die rijk’lijk geeft!—Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht;En ’t beste schot wordt dan voor boos geacht.Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet;Verwond ik niet, de deernis duldde ’t niet,Verwond ik, ’k heb alleen mijn kunst getoond;Geen moord-, maar roemzucht is ’t, die in mij woont.Wie kan ontkennen, dat niet inderdaadDe roemzucht wreede gruw’len soms begaat,Indien naar eer en lof, armzaal’gen schijn,De krachten van ons hart begeerig zijn;Zooals mij enkel lust naar lof het bloedVan herten, die mij lief zijn, spillen doet?35Boyet.Is ’t roemzucht niet, die booze vrouwen stijftIn ’t opperste gezag, en die ze drijftHeer van haar heer te zijn?Prinses.De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof,Voor wie een heer der schepping kruipt in ’t stof.(Dikkopkomt op.)Boyet.Daar komt een lid van hun gemeenebest.Dikkop.Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.Prinses.Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen het hoofd kwijt.Dikkop.Wie is de grootste dame, de hoogste?Prinses.Die het dikst en het langst is.Dikkop.Die het dikst en ’t langst is? het is zoo; waar is waar.Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw,Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou.Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.Prinses.Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?Dikkop.Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline te geven.53Prinses.Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; ’t is om ’t even.—Verder weg, wakk’re bode!—Boyet, gij kunt trancheeren,Snijd dit kapoentje eens voor.Boyet.Snijd dit kapoentje eens voor.’k Voldoe aan uw begeeren.—Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor;Hij is aan Jacquenetta.Prinses.Hij is aan Jacquenetta.Toch lezen; ga door!Breek aan ’t zegel den hals; en een elk leene ’t oor.Boyet(leest).“Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf, dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker danbekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen:veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,—o lage en duistere gemeene taal!—luidt,videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens zijde? aan die des konings?—neen, aan die van beiden in één; of aan die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis; gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord, profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en mijn hart aan uw gezamenlijke persoon.87“De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,“Don Adriano De Armado.“Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen,Lam, die als buit hem in de klauwen vielt;Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen,Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt;Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot?Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot.”Prinses.Wat voor een veêrbos is ’t, die zulk een onzin schreef?Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?Boyet.Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.Prinses.Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.Boyet.Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in ’t park hier een woning;Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koningEn voor zijn studiegenooten.Prinses.En voor zijn studiegenooten.Gij knaap daar, zeg iets meer;Wie gaf u dien brief?Dikkop.Wie gaf u dien brief?Ik zeide ’t reeds, mijn heer.Prinses.Aan wien moest gij hem geven?Dikkop.Aan wien moest gij hem geven?Van mijn heer aan een juffer.Prinses.En spreek, van welken heer en aan welke juffer?Dikkop.Van de’ eedlen heer Biron, dien ’k onderdanig diene,Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.Prinses.Gij hebt den brief verwisseld.—Komt, heeren, mij na!—(TotRosaline.)Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.(De Prinses en haar Gevolg af.)Boyet.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Rosaline.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Richt gij tot mij uw vragen?Boyet.Ja, kort begrip van schoonheid!Rosaline.Ja, kort begrip van schoonheid!Die gij den boog ziet dragen.Daar zijt gij goed bediend!Boyet.Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij,’k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij.Dit was raak!115Rosaline.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.Boyet.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.En hebt ge een buit op ’t oog?Rosaline.Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog.Dit was raak, inderdaad!Maria.Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.Boyet.En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.Rosaline.Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was, wat dat treffen betreft?Boyet.Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden, dat al een vrouw was, toenkoningin Genevravan Brittanje nog een klein meisje was, wat dat treffen betreft.Rosaline.Gij kunt niet raken, raken, raken,Gij kunt niet raken, goede man.Boyet.Zoo ik, zoo ik, zoo ik ’t niet kan,Dan komt een ander, die het kan.(RosalineenCatharinaaf.)Dikkop.Op mijn woord, recht vermaak’lijk; ’t ging hard tegen hard!Maria.De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen ’t zwart.Boyet.De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten,Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.Maria.Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.Dikkop.Ja, om in ’t zwart te treffen, is de afstand te wijd.Boyet.Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.Dikkop.’t Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.Maria.Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.Dikkop.Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.Boyet.Ik vrees te veel poedels.—Nu, uiltje, slaap wel!(BoyetenMariaaf.)Dikkop.Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed!142Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed!Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug,En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!—Armado aan de’ eenen kant,—o wat suikeren man!Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan!Een kushand te geven en aardig te zweren weet!—En zijn page aan de’ anderen kant, die handvol geest, die aap!O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!(Jachtgedruisch achter het tooneel.)Halloo! halloo!(Dikkopaf.)Tweede Tooneel.Aldaar.Een ander gedeelte van het park.Holofernes,NathanaëlenDomkomen op.Nathanaël.Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder de getuigenis van een goed geweten.Holofernes.Het hert was, zooals gij weet,sanguis, met vurig bloed;—rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het oor vancoelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,—en dan nedervalt als een gewone appel op het gelaat vanterra, den grond, het land, het aardrijk.Nathanaël.Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker u, heer magister, het was een voljarig hert.Holofernes.Heer geestelijke,haud credo...Dom.Het was geenhaud credo, het was een spitser.Holofernes.Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van insinuatie, als het warein via, op den weg der explicatie, om een replicatie, als het ware, te maken,facere, of veeleer zijn inclinatie te toonen,ostentare,—volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste, ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of veeleerder ongeconfirmeerde manier,—van wederom mijnhaud credovoor een hert te insereeren.Dom.Ik heb gezegd, dat het dier geenhaud credo, maar een spitser was.Holofernes.O tweemaal gezoden onnoozelheid,bis coctus!O gij monsterIgnorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit!24Nathanaël.Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een boek omsluit;hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is slechts eenanimal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen wezen,—Gelijk wij bij ’t proeven en voelen ook zijn,—voor de gaven, in ons geprezen;Want mij zou ’t slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek;Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid een vlek;Dochomne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind;Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.Dom.Gij tweeën zijt geleerden; is ’t uw vernuft reeds gebleken,Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?Holofernes.Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.Dom.Wat is Dikdunna?Nathanaël.Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.Holofernes.De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar,Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar.De allusie houdt steek bij de naamsverandering.Dom.’t Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de maansverandering.Holofernes.God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie houdt steek bij demaansverandering.Dom.En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering, want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien, dat heteen spitserwas, wat de prinses geschoten heeft.Holofernes.Heer Nathanaël, wilt gij eens eenextempore epitaphiumop den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.Nathanaël.Ja,perge, beste magister,perge; en maak zoo een eind aan alle onhebbelijke aardigheid.Holofernes.Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt van vaardigheid.“De schoone schietster spande, en schooteen spitser, schuw en slank;Een spitser is gespitste nu,gespietst met hare spies.De spitser kreeg een tweede spits;twee ellen was die lank;En zeg eens, of de spitser nuniet tot een gaff’laar wies.Maar ik voeg bij een hert één L,dan zijn ’t er vijftig, man;En ’t wonder is: met één L meermaak ik er honderd van.”Nathanaël.Een merkwaardig talent voor verzen!64Dom.Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.Holofernes.Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren, beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen; deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoedin den schoot derpia mater, en aan ’t licht gebracht, als de gelegenheid ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik ben er dankbaar voor.Nathanaël.Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger, en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van het gemeenebest.Holofernes.Mehercle!als uw zoonsingeniumhebben, aan instructie zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn, zal ikzelf trachten op haar te werken. Dochvir sapit, qui pauca loquitur.—Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij toe u eens aan te spreken.Holofernes.Heer eerwaarde,quasiherwaarts! Als nu iemand hier aangesproken moet worden, wie is het dan?Dikkop.Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.Holofernes.Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg voor een zwijn; ’t is aardig, ’t is goed.Jacquenetta.Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen brief. Hij werd mij gegeven door Dikkopen mij toegezonden door Don Armado; ik bid u, lees hem.(Nathanaëlleest den brief.)Holofernes.“Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra Ruminat”—en zoo voorts.O goede oude Mantuaan!ik mag van u zeggen, wat de reiziger van Venetië zegt:98“Venetia, Venetia,Chi non ti vede, non ti prezia.”Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.—Ut,re,sol,la,mi,fa.—Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever, zooals Horatius zegt in zijn—Wat, bij mijn ziel! verzen?Nathanaël.Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.Holofernes.Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;lege, domine.Nathanaël(leest).“Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde zweren?Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;En dat ik u vereer, is ’t goede in mijn natuur.Uw oog voert ’s hemels flits, uw stem zijn schrikb’ren donder,Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.O godd’lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig.”Holofernes.Gij vindt de apostropha’s niet en mist daardoor het ware accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de maat in acht genomen, maar watelegantia, zoetvloeiendheid, de gulden cadans betreft,—caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist, Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht?Imitariis niets: dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte paard zijnen ruiter.—Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?Jacquenetta.Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.Holofernes.Ik wil hetsuperscriptumbezien. “Aan de sneeuwwitte hand van de overschoone Rosaline.” Ik wil nog eens letten op het begrip van den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de persoon, aan welke geschreven werd. “Uwer edelheid zich toewijdend voor alle begeerde diensten, Biron.” Heer Nathanaël, deze Biron is een van ’s konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.—Trippel van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel!148Jacquenetta.Beste Dikkop, ga met mij mede.—God behoede uw gezondheid, heer!Dikkop.Ik ga mede, meisje.(DikkopenJacquenettaaf.)Nathanaël.Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods, recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,—Holofernes.Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u, mijnheer Nathanaël?Nathanaël.Zeer goed, wat het schrift betreft.Holofernes.Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd den disch met eengratiaste gratificeeren, krachtens mijnsprivilegiibij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uwbenvenutoop mij wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik verzoek om uw gezelschap.Nathanaël.En ik ben u dankbaar, want gezelschap,—zegt de tekst,—is het geluk des levens.Holofernes.En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den tekst.—(TotDom.)Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen neen zeggen;pauca verba.—Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.(Allen af.)Derde Tooneel.Een ander gedeelte van het park.Bironkomt op, met een papier in de hand.Biron.De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,—pik dat besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! wantzoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen, vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen, zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer, ik wil niet. Ach! maar haar oog!—bij het licht der zon, als het niet om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij, en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar, allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven, als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte!20(Hij klimt in een boom.)(De Koning komt op, met een papier in de hand.)Koning.Wee mij!Biron(ter zijde).Aangeschoten, waarachtig!—Ga zoo voort, allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den linkervleugel geraakt.—Op mijne eer, geheimen!Koning(leest).“Zoo lieflijk kust de gouden zonne nietDe morgendruppen, die aan ’t roosje hangen,Als uw, uw oog, dat held’re stralen schiet,De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen;Niet half zoo helder schijnt de zilv’ren maanDoor ’t held’re water van de diepte heen,Als uw gelaat mij gloort door meen’gen traan;Gij straalt door elken druppel, dien ik ween;En elke druppel wordt tot zegewagen,Waarin gij,—zie den stroom, die in mij welt,—Op mijner tranen golven wordt gedragen;Ja, ’t is mijn leed, dat uwe glorie meldt.Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ikU in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik.Uw schoon, o koningin der koninginnen!Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen.”Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers!Zoet loof, beschaduw dwaasheid!—Wie komt daar?(Hij verschuilt zich.)Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!(Longavilletreedt op, met een papier in de hand.)Biron(ter zijde).Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!Longaville.Wee mij, ik brak mijn eed!Biron(ter zijde).Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt een papier er van vóór zich!48Koning(ter zijde).Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!Biron(ter zijde).Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.Longaville.Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?Biron(ter zijde).Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend;Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen,Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.Longaville.Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin.Maria, o mijns harten koningin!In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.Biron(ter zijde).Met rijmen belint is ’t pak van Venus’ wicht;Verscheur zijn pofbroek niet!Longaville.Verscheur zijn pofbroek niet!Ik zend dit toch.(Hij leest.)“Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,—Daartegen stuiten aardsche reed’nen af,—Mij niet tot breken van mijn eed gebracht?Maar brak ik dien voor u, ’t verdient geen straf.Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij;Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld;Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij;Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld.Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht;O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet,Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht;Is die gebroken, mijne schuld is ’t niet.En waar’ ’t mijn schuld, wat dwaas waar’ niet zoo wijs,Dat hij hem brak, voor ’t heil van ’t paradijs?”Biron(ter zijde).’t Is gisting in ’t bloed; die maakt het vleesch tot god,Een groen gansje, een godin: ’t is afgodische spot.Wij zijn allen aan ’t malen; God geve ons herstel!(Dumainetreedt op, met een papier in de hand.)Longaville.Hoe zend ik dit?—Wie komt? ter zijde! snel!(Hij verschuilt zich).Biron(ter zijde).Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel!’k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen,En schouw ’t geheim der narren, die hier dolen.Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit;Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit!82Dumaine.O allergodd’lijkst Kaatje!Biron(ter zijde).O allergodslasterlijkste dwaas!Dumaine.Bij ’t hemelrijk! een wonder voor het oog!Biron(ter zijde).Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt te hoog.Dumaine.Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!Biron(ter zijde).Een amberkleur’ge raaf waar’ meer dan raar.Dumaine.Slank als de ceder.Biron(ter zijde).Krom! haar schouder, ach!Moet zeker kind’ren.Dumaine.Moet zeker kind’ren.Schoon gelijk de dag.Biron(ter zijde).Als meen’ge dag; dan moet de zon niet schijnen.Dumaine.O, hadde ik mijnen wensch!Longaville.(ter zijde).En ik den mijnen!Koning(ter zijde).En ik den mijnen, hemel!Biron(ter zijde).Amen, zeg ik voort,Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?Dumaine.Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in ’t bloed,Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Biron(ter zijde).Een koorts in ’t bloed? Nu, die tapt u in schalenEen aderlating af; o lieflijk dwalen!Dumaine.Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.Biron(ter zijde).Nog eens hoor ik, hoe min ’t verstand verdreef.Dumaine(leest).“Op een dag,—o booze dagVan de zoete Meie!—zagLiefde een roosje met genugt’Spelen in de dart’le lucht;Door ’t fluweelen loof der hegVond de onzichtb’re wind zijn weg,En de knaap, in stervenspijn,Wenschte ’s hemels aâm te zijn.“Lucht,” zoo sprak hij, “kust haar vrij;Zaal’ge lucht, ware ik als gij!Wee! ’k verpandde woord en trouw,Dat ik nooit u plukken zou!Ach, wat eed voor teed’re jeugd,Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd!Neen, geen zonde zij ’t geacht,Zoo ’k mijn eed om u verkracht,U, die Jupiter zoudt nopenJuno een moorin te doopen,En zijn godheid te verzaken,Om als mensch voor u te blaken.””120Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemdMijn leed, het hong’ren van mijn hart, haar noemt.O waar’ de vorst, Biron en LongavilleNu ook verliefd! Besmette ook hunne zieleMeineed! dit wiesch van ’t voorhoofd mij de vlek;Want niemand valt in ’t oog, zijn allen gek.Longaville(te voorschijn tredend).Dumaine, uw min woont in geen christ’lijk hart.Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart.Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood,Wierd ik aldus betrapt in bitt’ren nood.Koning(vooruittredend).Zoo bloos dan; zijn geval is ’t uwe, heer,Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer;Gij mint Maria niet! nooit van zijn levenHeeft Longaville een rijmbrief haar geweven!Zijn armen op de borst nooit saamgekruist,Tot stilling van een hart, waar liefde in huist!’k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen,Bespeurde u beide’ en moest om beiden blozen,Vernam uw zondig rijm’len, hoorde uw klachten,Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten,“Wee mij!” roept de één, en die: “O Jupiter!”Voor de’ een is haar van goud, dien ’t oog een ster;(TotLongaville.)Gij, breken zoudt ge om ’t paradijs uw eeden;(TotDumaine.)Als gij zou Jupiter een eed vertreden!—Wat zal Biron wel zeggen bij het hoorenVan ’t schennen uwer trouw, zoo luid bezworenWat zal hij spotten, plagen, steek’lig zingen,Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen!’k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bijNiet willen, dat hij zooveel wist van mij!Biron(ter zijde).Nu treed ik op, en geesel huichelarij.—(Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.)Mijn beste vorst, ik bid u, ’t sta mij vrij:Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagenAan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagenZijn ooit uw oogen; in uw tranenvlietKan geen prinses zich spieg’len, zeker niet!Gij breekt geen eed ooit, ’t ware u ergernis;En niemand rijm’, dan wiens beroep het is!Maar staat gij niet beschaamd?—gij niet in nood,Dat elk van u zoo ver van ’t doelwit schoot?Uw’ splinter vond de koning,(OpDumainewijzend,totLongaville.)gij den zijnen;Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen.O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik,Van leed en kommer, zuchten en gesnik!Hoe zag ik, spraak’loos van verwondering,Dat een monarch een mug werd, gonzen ging!De groote Hercules een drijftol zweepte,De wijze Salomo met deuntjes dweepte,En Nestor met de knapen paardje speelde,En Timon lachend kinderschaapjes streelde!Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel ’t mee!171En beste Longavill’, waar schuilt uw wee?Waar ’t uwe, heer en vorst? Niet waar, in ’t hart?Een wijnsoep, hé!Koning.Te steek’lig is uw gard.Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?Biron.Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet.Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken,Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken;Ik ben verraden, wijl ik mij verbondMet mannen, die ik zwak, meineedig vond.Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf?Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijfMet haar en baard? spreek ik ooit opgetogenTot lof van hand en voet, gelaat en oogen,Van leest en geest, hals, houding, boezem, been,Van kin en knie?—(Hij ontwaartDikkopmetJacquenettaen wil ijlings wegloopen.)Koning.Wat is ’t? waar ijlt gij heen?Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?Biron.De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!(Hij blijft op een wenk van den Koning staan.)(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.Heer koning!Koning(totDikkop).Zoo, wat brengt gij voor kaproen?Dikkop.O heer, een stuk verraad!Koning.O heer, een stuk verraad!Wat moet verraad hier doen?Dikkop.O heer, het doet u niets.Koning.Dan wensch ik niets te ontdekken,En mag ’t verraad met u in vrede henentrekken.Jacquenetta.Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen,Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.Koning.Biron, kijk hem in.—(Hij geeft den brief aanBiron.)Biron, kijk hem in.—Van wien hebt gij den brief?Jacquenetta.Van Dikkop.Koning(totDikkop).En gij, van wien gij?Dikkop.Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.(Bironverscheurt den brief.)Koning(totBiron).Wat is ’t? wat komt u over, dat gij den brief verscheurt?Biron.’t Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.Longaville.Wij willen ’t hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt!202Dumaine(de stukken oprapend).Het schrift is van Biron; ja zie, zijn naam aan ’t end!Biron(totDikkop).O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande en ellend!—O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Koning.O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Wat dan?Biron.Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man.Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood,Zijn dieven op ’t punt van liefde, en wij verdienen den dood.Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.Dumaine.’t Getal is nu even.Biron.’t Getal is nu even.Een vierspan, op mijne eer.Wat doen die tortels hier nog?Koning.Wat doen die tortels hier nog?Nu, vrienden, gij kunt gaan.Dikkop.Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.(DikkopenJacquenettaaf.)Biron.Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd!Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen;De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt,En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen;Wij kunnen ’s levens oorzaak niet versmoren;Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.Koning.’t Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?Biron.Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen,De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan,Bij ’t rijzen van den eersten oostergloed,Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan,En kust den lagen grond met vroom gemoed?Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindtDen moed haar in het hemelsch oog te staren,En wordt niet door haar majesteit verblind?Koning.Wat dwaze woede is u in ’t brein gevaren?Mijn liefde is zelf de maan aan ’s hemels boog,Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.Biron.Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog.De dag wierd nacht, waar’ mijn geliefde er niet!O, de uitgelezenste aller tinten kwamen,Als tot een feest, bijeen op hare wang;En ’t eêlste smolt daar met het eêlste samen,En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang’.Leen mij de bloemen aller redekunst;—Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon!Voor koopwaar bedel’ koopmanslof zich gunst,Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon.241Een kluiz’naar, wien een honderd winters hind’ren,Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af;Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind’ren,Leent de eerste jeugd der wieg aan ’s grijsaards staf;O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!Koning.Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!Biron.Is ebbenhout als zij? dan godd’lijk hout!Een vrouw uit zulk een hout waar’ ’t heilrijkst lot.Wie reikt mij ’t bijbelboek, opdat ik zweer,Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten wareZij van haar oogen gloedvol blikken leer’;O, schoon is geen gelaat, min zwart dan ’t hare.Koning.Wat paradox! Zwart is de leus der hel,De kleur van krochten, en het kleed der nacht;En blankheid staat bij hemelreinheid wel.Biron.De duivel lokt liefst in der englen dracht.Zoo ravenzwart mijn liefste’s hoofd bedekt,Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernisMet ijd’len schijn verliefde dwazen trekt;Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is.De mode erkent haar schoonheid; en dit doetNatuurlijk bloed den lof van verf verwerven;En noopt het blank, dat gisping duchten moet,Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.Dumaine.Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.Longaville.De kolenbrander heeft een blank gezicht.Koning.En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.Dumaine.Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.Biron.Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen,Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn’.Koning.Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen,Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.Biron.Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.Koning.Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.Dumaine.Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.Longaville(zijn voet vooruitstekend).Zie, ’t beeld van uw geliefde is hier mijn schoen.Biron.Bestond het straatplaveisel uit uw oogen,Te ruw waar’ ’t voor haar voet en te gering.Dumaine.O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen,280Dat die weg opzag, als ze er over ging.Koning.Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?Biron.Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.Koning.Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig,Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.Dumaine.Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!Longaville.Voortreff’lijk ja, een sluwe vond, een list,Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!Dumaine.Een zalf voor meineed!Biron.Een zalf voor meineed!Nu, hoog noodig is ’t.Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne,En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten;Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien:Blijkbaar verraad aan ’t koningschap der jeugd!Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magenVeel, veel te jong; onthouding maakte u krank.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,[Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,De heerlijkheid doorgrond van diepe studie,Zoo niet door ’t wonderschoon gelaat der vrouw?Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool,Die ’t echte Prometheïsch vuur doen vlammen.]Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want welk een schrijver in de gansche wereldLeert zulk een schoonheid als een vrouwenoog?Het weten toch is slechts een deel van ons,En waar wij zijn, daar is ons weten ook;Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen,Zien wij ons weten daar dan ook niet in?Wij deden de’ eed van te studeeren, vrienden,Doch daarmee zwoeren we onze boeken af;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevondenDer schoone verzen, die ’t bezielend oogDer schoone meesteressen thans u ingaf?323De traag’re kunsten zeet’len gansch in ’t brein,En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden,Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst;Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd,Woont geenszins ingemetseld in het brein,Maar vliegt, met aller elementen leven,Snel, als gedachten ’t zijn, naar elke kracht,En geeft aan elke kracht een dubb’le kracht,Ver boven hare taak en dienstverplichting;Zij schenkt aan ’t oog een nieuw en kostlijk zien;Het oog des minnaars staart den aad’laar blind;Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid,Zelfs dat aan de’ argwaan van den dief ontsnapt;’t Gevoel der liefde is fijner, meer gevoeligDan bij de huisjesslak de teed’re horens;Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak.Is niet de liefde in moed een Hercules,Die in ’t geboomt’ der Hesperiden klimt?Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziekAls Phœbus’ lier, bespannen met zijn haar?Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koorDen hemel met hun harmonie aan ’t droomen.Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen,Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd;O! dan verrukt zijn lied der wilden oor,En plant erbarmen in tyrannenharten.Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij sprank’len staâg het echt Prometheusvuur;Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool,Die heel de wereld leert, omvat en voedt;En niemand anders is in iets voortreff’lijk.Dies waart gij dwaas, toen gij deez’ vrouwen afzwoert,En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas.In naam der wijsheid,—’t woord, dat mannen minnen,—In naam der min,—het woord, dat mannen streelt,—In naam der mannen,—scheppers dezer vrouwen,—In naam der vrouwen,—de oorsprong van ons, mannen,—Verzaken we onzen eed, tot ons behoud,Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf.De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan,Want menschenmin vervult de hoogste wet,En wie kan menschenmin van liefde scheiden?Koning.Dan, Sint Cupido! en in ’t veld, soldaten!Biron.Ontplooit uw standaards, heeren, er op los!Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad,Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!Longaville.Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is ’t?Wij maken ’t hof dus aan de Fransche meisjes?Koning.En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht!Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.Biron.Wij leiden haar dan eerst van ’t park daarheen;En voor die wandeling zoek’ zich elk de handDer uitverkoren schoone. Na den middagVermake haar een geestig tijdverdrijf,Zoo goed de korte tijd het scheppen kan;Want dartele uren, maskerspel en dansen,’t Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.Koning.Van hier, van hier! Terstond aan ’t werk! want tijd,Zoo wij hem niet verbeuz’len, brengt profijt.Biron.Allons!wie onkruid zaait, oogst nimmer koren;Gerechtigheid weegt alles even zwaar;Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren;Ons koper geeft geen recht op beter waar.(Allen af.)
Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Kweel, kind, breng mijn gehoorzintuig in beweging.Mot(zingt).Concolinel!Armado.Een liefelijk zangstukje!—Ga jeugdige teederheid; neem dezen sleutel; stel den slungel in vrijheid; breng hem subietelijk hier; ik moet hem bezigen voor een brief aan mijn liefste.Mot.Meester, wilt gij uw liefste met een Franschen slag veroveren?Armado.Wat meent gij? met een Fransche kloppartij?Mot.Neen, mijn onvergelijkelijke gebieder! maar stoot een melodie van het tongtipje af, maak er een capriool bij met de voeten, geef er geest aan door uw oogleden opwaarts te keeren; zucht een noot en zing een noot, nu eens door den gorgel, alsof gij bij uwen liefdezang liefde verzwolgt, dan weder door den neus, alsof gij bij het ruiken van liefde liefde opsnooft, met uw hoed als een luifel over de winkelkast uwer oogen, met uw armen gekruist op uw afgedragen kamizool, als een konijntje aan het spit, of met uw handen in de zakkenals een zeeman op het oude behangsel. En blijf niet te lang in één toon, maar snip snap en weg er mee. Dit heet naar den aard, dit heet geestrijk, dit verleidt u aardige deernen, die ook zonder dat te verleiden zijn, en maakt hèn tot opmerkelijke mannen,—merkt gij dit wel op?—die van zulke dingen het meest werk maken.Armado.Hoe zijt gij aan die ondervinding gekomen?Mot.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Armado.Maar o, maar o!29Mot.Het stokpaard is vergeten!Armado.Noemt gij mijn liefste een stokpaard?Mot.Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan vergeten?Armado.Bijna had ik dit gedaan.Mot.O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.Armado.Met de borst en in de borst, knaap!Mot.En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.Armado.Wat wilt gij toonen?Mot.Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar, omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.Armado.Ik ben het, alle drie.Mot.En driemaal zooveel,—en toch volstrekt niets.Armado.Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.Mot.Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!Armado.Ha, wat zegt ge?Mot.Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is zeer langzaam ter been. Maar ik ga.Armado.De weg is niet lang. Ga!Mot.Zoo snel als lood, heer.Armado.Wat meent gij, jeugdig vernuft?Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?Mot.Ominime, goede meester; of liever, meester, niet waar.Armado.Wat! lood niet traag? dat is het wel.Mot.Gij zegt dit, meester, veel te snel.Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?Armado.O, zoete rook der redekunst!Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;—Ik schiet u naar den boer.Mot.Dan poef! zie, ’k ben voorbij!(Motaf).Armado.Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!—Met verlof, ik zucht u in ’t gelaat, firmament!Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.—Mijn heraut weer terug?70(Motkomt terug, metDikkop.)Mot.Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!Armado.Een wonder, een enigma; kom, depointemeteen!Dikkop.Neen, niets van igma of vanpointe! geen zalf uit de doos, heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geenpointe, geenpointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!Armado.Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!Mot.Houden de wijzen het voor iets anders?Is eenpointeniet iets, dat snijdt?Armado.Neen, page, ’t is een toespraak, een epiloog, om zaken,Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken.Ik wil een voorbeeld geven:Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Ziedaar de moraal, nu volgt depointe.Mot.Ik wil er depointeaanzetten. Zeg de moraal nog eens.Armado.Een vos en een aap en een hommel er bij.Waren drie in getal; oneven waren zij.Mot.Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren,Die bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volggij dan met mijnpointe.Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Armado.Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren,En bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Mot.Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer verlangen?Dikkop.Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.—Gij zijt niet bekocht, heer, is ’t gansje maar vet.—De knaap is een leeperd, en hem veel te mans;Laat zien: een vettepointe, dat is een vette gans.Armado.Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan?106Mot.Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan.Toen riept gij om depointe.Dikkop.En ik om de weegbree, ja, zoo is ’t gegaan.Toen kwam dien knaap zijnpointe, de vette gans, die gij kocht;En de markt was gedaan.Armado.Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?Mot.Dat zal ik u tastbaar maken.Dikkop.Neen, gij hebt er het gevoel niet van,Mot; ik wil dezepointezeggen:Ik, Dikkop, zat in ’t hok, zag ’t open en liep heen;Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.Armado.Nu spreken wij niet verder van ’t geval.Dikkop.O, van dat vallen heb ik al genoeg.Armado.Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.Dikkop.Een vrijman met welk meisje?—O, ik ruik alweer eenpointe, een gans hierin.Armado.Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld, gelibereerd; gij waart ingekerkerd,ingesperd, gecaptiveerd, met boeien belast.Dikkop.Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?Armado.Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u, in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie, want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!(Armadoaf.)Mot.Als een vervolg, ja; ik kom.—Vriend Dikkop, adieu.Dikkop.Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!(Motaf.)Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.—“Wat kost dat lint?” “Twee stuivers.”—Neen, ik geef er een remuneratie voor”; nu, ik krijg het er voor.—Remuneratie!—Wel, het is een mooier naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen zonder dit woord.143(Bironkomt op.)Biron.O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.Dikkop.Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor een remuneratie?Biron.Wat is een remuneratie?Dikkop.Wel, heer, twee blanken.Biron.Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.Dikkop.Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.Biron.Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken.Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn.Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.Dikkop.En wanneer moet ik ’t doen, heer?Biron.O, dezen nadenmiddag.Dikkop.Zeer goed, heer, ’k zal het doen, vaarwel!Biron.Wat! en gij weet niet, wat het is.Dikkop.Ik zal ’t wel weten, heer, als ik ’t gedaan heb.Biron.Wel, kerel, van te voren moet gij ’t weten.Dikkop.Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.Biron.’t Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, ’t is slechts dit:—Van middag jaagt hier de prinses in ’t park;Zij heeft in haar gevolg een schoone dame;Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil,Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. VraagNaar haar; en dit verzegelde geheimReikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed;Hier hebt gij een douceur.(Hij geeft hem een schelling.)Dikkop.Douceur!—O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!—Ik zal het doen, heer, alsof het gedrukt was.—Douceur!—remuneratie!(Dikkopaf.)Biron.O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel!Een echte speurhond van verliefde zuchten,Een censor, ja, een nachtpatrouilleman,Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske,Van trotscher stof dan eenig menschenkind!Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje,Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido,Sonnettenkoning, vorst van armenkruising,Gezalfde souverein van o’s en ach’s,Patroon der pruttelaars en lanterfanters,185Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt,Machthebber, op wiens wenk de boden dravenVan ’t echtsgerechtshof,—o, mijn klein, zwak hart!—Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem,En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel!Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw?Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt,Steeds na te zien en eeuwig in de war,Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg’len,Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg’ling eischt!Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles!En van de drie, dan de ergste juist te minnen!Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw,Met twee pikballen in ’t gelaat voor oogen,En, bij mijn ziel, ja, een, die ’t kwaad zou doen,Al had zij Argus tot eunuuk en wachter!En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar!Ik smeek om haar! Maar ’t zij zoo, ’t is een straf,Die mij Cupido oplegt om ’t verachtenDer almacht van zijn schrikb’re, kleine macht.Nu, ’k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier’;Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!(Bironaf.)
Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Kweel, kind, breng mijn gehoorzintuig in beweging.Mot(zingt).Concolinel!Armado.Een liefelijk zangstukje!—Ga jeugdige teederheid; neem dezen sleutel; stel den slungel in vrijheid; breng hem subietelijk hier; ik moet hem bezigen voor een brief aan mijn liefste.Mot.Meester, wilt gij uw liefste met een Franschen slag veroveren?Armado.Wat meent gij? met een Fransche kloppartij?Mot.Neen, mijn onvergelijkelijke gebieder! maar stoot een melodie van het tongtipje af, maak er een capriool bij met de voeten, geef er geest aan door uw oogleden opwaarts te keeren; zucht een noot en zing een noot, nu eens door den gorgel, alsof gij bij uwen liefdezang liefde verzwolgt, dan weder door den neus, alsof gij bij het ruiken van liefde liefde opsnooft, met uw hoed als een luifel over de winkelkast uwer oogen, met uw armen gekruist op uw afgedragen kamizool, als een konijntje aan het spit, of met uw handen in de zakkenals een zeeman op het oude behangsel. En blijf niet te lang in één toon, maar snip snap en weg er mee. Dit heet naar den aard, dit heet geestrijk, dit verleidt u aardige deernen, die ook zonder dat te verleiden zijn, en maakt hèn tot opmerkelijke mannen,—merkt gij dit wel op?—die van zulke dingen het meest werk maken.Armado.Hoe zijt gij aan die ondervinding gekomen?Mot.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Armado.Maar o, maar o!29Mot.Het stokpaard is vergeten!Armado.Noemt gij mijn liefste een stokpaard?Mot.Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan vergeten?Armado.Bijna had ik dit gedaan.Mot.O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.Armado.Met de borst en in de borst, knaap!Mot.En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.Armado.Wat wilt gij toonen?Mot.Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar, omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.Armado.Ik ben het, alle drie.Mot.En driemaal zooveel,—en toch volstrekt niets.Armado.Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.Mot.Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!Armado.Ha, wat zegt ge?Mot.Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is zeer langzaam ter been. Maar ik ga.Armado.De weg is niet lang. Ga!Mot.Zoo snel als lood, heer.Armado.Wat meent gij, jeugdig vernuft?Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?Mot.Ominime, goede meester; of liever, meester, niet waar.Armado.Wat! lood niet traag? dat is het wel.Mot.Gij zegt dit, meester, veel te snel.Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?Armado.O, zoete rook der redekunst!Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;—Ik schiet u naar den boer.Mot.Dan poef! zie, ’k ben voorbij!(Motaf).Armado.Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!—Met verlof, ik zucht u in ’t gelaat, firmament!Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.—Mijn heraut weer terug?70(Motkomt terug, metDikkop.)Mot.Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!Armado.Een wonder, een enigma; kom, depointemeteen!Dikkop.Neen, niets van igma of vanpointe! geen zalf uit de doos, heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geenpointe, geenpointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!Armado.Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!Mot.Houden de wijzen het voor iets anders?Is eenpointeniet iets, dat snijdt?Armado.Neen, page, ’t is een toespraak, een epiloog, om zaken,Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken.Ik wil een voorbeeld geven:Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Ziedaar de moraal, nu volgt depointe.Mot.Ik wil er depointeaanzetten. Zeg de moraal nog eens.Armado.Een vos en een aap en een hommel er bij.Waren drie in getal; oneven waren zij.Mot.Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren,Die bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volggij dan met mijnpointe.Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Armado.Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren,En bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Mot.Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer verlangen?Dikkop.Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.—Gij zijt niet bekocht, heer, is ’t gansje maar vet.—De knaap is een leeperd, en hem veel te mans;Laat zien: een vettepointe, dat is een vette gans.Armado.Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan?106Mot.Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan.Toen riept gij om depointe.Dikkop.En ik om de weegbree, ja, zoo is ’t gegaan.Toen kwam dien knaap zijnpointe, de vette gans, die gij kocht;En de markt was gedaan.Armado.Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?Mot.Dat zal ik u tastbaar maken.Dikkop.Neen, gij hebt er het gevoel niet van,Mot; ik wil dezepointezeggen:Ik, Dikkop, zat in ’t hok, zag ’t open en liep heen;Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.Armado.Nu spreken wij niet verder van ’t geval.Dikkop.O, van dat vallen heb ik al genoeg.Armado.Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.Dikkop.Een vrijman met welk meisje?—O, ik ruik alweer eenpointe, een gans hierin.Armado.Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld, gelibereerd; gij waart ingekerkerd,ingesperd, gecaptiveerd, met boeien belast.Dikkop.Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?Armado.Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u, in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie, want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!(Armadoaf.)Mot.Als een vervolg, ja; ik kom.—Vriend Dikkop, adieu.Dikkop.Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!(Motaf.)Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.—“Wat kost dat lint?” “Twee stuivers.”—Neen, ik geef er een remuneratie voor”; nu, ik krijg het er voor.—Remuneratie!—Wel, het is een mooier naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen zonder dit woord.143(Bironkomt op.)Biron.O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.Dikkop.Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor een remuneratie?Biron.Wat is een remuneratie?Dikkop.Wel, heer, twee blanken.Biron.Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.Dikkop.Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.Biron.Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken.Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn.Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.Dikkop.En wanneer moet ik ’t doen, heer?Biron.O, dezen nadenmiddag.Dikkop.Zeer goed, heer, ’k zal het doen, vaarwel!Biron.Wat! en gij weet niet, wat het is.Dikkop.Ik zal ’t wel weten, heer, als ik ’t gedaan heb.Biron.Wel, kerel, van te voren moet gij ’t weten.Dikkop.Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.Biron.’t Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, ’t is slechts dit:—Van middag jaagt hier de prinses in ’t park;Zij heeft in haar gevolg een schoone dame;Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil,Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. VraagNaar haar; en dit verzegelde geheimReikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed;Hier hebt gij een douceur.(Hij geeft hem een schelling.)Dikkop.Douceur!—O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!—Ik zal het doen, heer, alsof het gedrukt was.—Douceur!—remuneratie!(Dikkopaf.)Biron.O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel!Een echte speurhond van verliefde zuchten,Een censor, ja, een nachtpatrouilleman,Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske,Van trotscher stof dan eenig menschenkind!Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje,Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido,Sonnettenkoning, vorst van armenkruising,Gezalfde souverein van o’s en ach’s,Patroon der pruttelaars en lanterfanters,185Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt,Machthebber, op wiens wenk de boden dravenVan ’t echtsgerechtshof,—o, mijn klein, zwak hart!—Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem,En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel!Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw?Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt,Steeds na te zien en eeuwig in de war,Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg’len,Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg’ling eischt!Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles!En van de drie, dan de ergste juist te minnen!Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw,Met twee pikballen in ’t gelaat voor oogen,En, bij mijn ziel, ja, een, die ’t kwaad zou doen,Al had zij Argus tot eunuuk en wachter!En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar!Ik smeek om haar! Maar ’t zij zoo, ’t is een straf,Die mij Cupido oplegt om ’t verachtenDer almacht van zijn schrikb’re, kleine macht.Nu, ’k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier’;Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!(Bironaf.)
Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Kweel, kind, breng mijn gehoorzintuig in beweging.Mot(zingt).Concolinel!Armado.Een liefelijk zangstukje!—Ga jeugdige teederheid; neem dezen sleutel; stel den slungel in vrijheid; breng hem subietelijk hier; ik moet hem bezigen voor een brief aan mijn liefste.Mot.Meester, wilt gij uw liefste met een Franschen slag veroveren?Armado.Wat meent gij? met een Fransche kloppartij?Mot.Neen, mijn onvergelijkelijke gebieder! maar stoot een melodie van het tongtipje af, maak er een capriool bij met de voeten, geef er geest aan door uw oogleden opwaarts te keeren; zucht een noot en zing een noot, nu eens door den gorgel, alsof gij bij uwen liefdezang liefde verzwolgt, dan weder door den neus, alsof gij bij het ruiken van liefde liefde opsnooft, met uw hoed als een luifel over de winkelkast uwer oogen, met uw armen gekruist op uw afgedragen kamizool, als een konijntje aan het spit, of met uw handen in de zakkenals een zeeman op het oude behangsel. En blijf niet te lang in één toon, maar snip snap en weg er mee. Dit heet naar den aard, dit heet geestrijk, dit verleidt u aardige deernen, die ook zonder dat te verleiden zijn, en maakt hèn tot opmerkelijke mannen,—merkt gij dit wel op?—die van zulke dingen het meest werk maken.Armado.Hoe zijt gij aan die ondervinding gekomen?Mot.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Armado.Maar o, maar o!29Mot.Het stokpaard is vergeten!Armado.Noemt gij mijn liefste een stokpaard?Mot.Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan vergeten?Armado.Bijna had ik dit gedaan.Mot.O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.Armado.Met de borst en in de borst, knaap!Mot.En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.Armado.Wat wilt gij toonen?Mot.Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar, omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.Armado.Ik ben het, alle drie.Mot.En driemaal zooveel,—en toch volstrekt niets.Armado.Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.Mot.Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!Armado.Ha, wat zegt ge?Mot.Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is zeer langzaam ter been. Maar ik ga.Armado.De weg is niet lang. Ga!Mot.Zoo snel als lood, heer.Armado.Wat meent gij, jeugdig vernuft?Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?Mot.Ominime, goede meester; of liever, meester, niet waar.Armado.Wat! lood niet traag? dat is het wel.Mot.Gij zegt dit, meester, veel te snel.Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?Armado.O, zoete rook der redekunst!Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;—Ik schiet u naar den boer.Mot.Dan poef! zie, ’k ben voorbij!(Motaf).Armado.Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!—Met verlof, ik zucht u in ’t gelaat, firmament!Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.—Mijn heraut weer terug?70(Motkomt terug, metDikkop.)Mot.Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!Armado.Een wonder, een enigma; kom, depointemeteen!Dikkop.Neen, niets van igma of vanpointe! geen zalf uit de doos, heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geenpointe, geenpointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!Armado.Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!Mot.Houden de wijzen het voor iets anders?Is eenpointeniet iets, dat snijdt?Armado.Neen, page, ’t is een toespraak, een epiloog, om zaken,Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken.Ik wil een voorbeeld geven:Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Ziedaar de moraal, nu volgt depointe.Mot.Ik wil er depointeaanzetten. Zeg de moraal nog eens.Armado.Een vos en een aap en een hommel er bij.Waren drie in getal; oneven waren zij.Mot.Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren,Die bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volggij dan met mijnpointe.Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Armado.Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren,En bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Mot.Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer verlangen?Dikkop.Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.—Gij zijt niet bekocht, heer, is ’t gansje maar vet.—De knaap is een leeperd, en hem veel te mans;Laat zien: een vettepointe, dat is een vette gans.Armado.Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan?106Mot.Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan.Toen riept gij om depointe.Dikkop.En ik om de weegbree, ja, zoo is ’t gegaan.Toen kwam dien knaap zijnpointe, de vette gans, die gij kocht;En de markt was gedaan.Armado.Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?Mot.Dat zal ik u tastbaar maken.Dikkop.Neen, gij hebt er het gevoel niet van,Mot; ik wil dezepointezeggen:Ik, Dikkop, zat in ’t hok, zag ’t open en liep heen;Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.Armado.Nu spreken wij niet verder van ’t geval.Dikkop.O, van dat vallen heb ik al genoeg.Armado.Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.Dikkop.Een vrijman met welk meisje?—O, ik ruik alweer eenpointe, een gans hierin.Armado.Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld, gelibereerd; gij waart ingekerkerd,ingesperd, gecaptiveerd, met boeien belast.Dikkop.Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?Armado.Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u, in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie, want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!(Armadoaf.)Mot.Als een vervolg, ja; ik kom.—Vriend Dikkop, adieu.Dikkop.Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!(Motaf.)Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.—“Wat kost dat lint?” “Twee stuivers.”—Neen, ik geef er een remuneratie voor”; nu, ik krijg het er voor.—Remuneratie!—Wel, het is een mooier naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen zonder dit woord.143(Bironkomt op.)Biron.O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.Dikkop.Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor een remuneratie?Biron.Wat is een remuneratie?Dikkop.Wel, heer, twee blanken.Biron.Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.Dikkop.Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.Biron.Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken.Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn.Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.Dikkop.En wanneer moet ik ’t doen, heer?Biron.O, dezen nadenmiddag.Dikkop.Zeer goed, heer, ’k zal het doen, vaarwel!Biron.Wat! en gij weet niet, wat het is.Dikkop.Ik zal ’t wel weten, heer, als ik ’t gedaan heb.Biron.Wel, kerel, van te voren moet gij ’t weten.Dikkop.Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.Biron.’t Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, ’t is slechts dit:—Van middag jaagt hier de prinses in ’t park;Zij heeft in haar gevolg een schoone dame;Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil,Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. VraagNaar haar; en dit verzegelde geheimReikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed;Hier hebt gij een douceur.(Hij geeft hem een schelling.)Dikkop.Douceur!—O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!—Ik zal het doen, heer, alsof het gedrukt was.—Douceur!—remuneratie!(Dikkopaf.)Biron.O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel!Een echte speurhond van verliefde zuchten,Een censor, ja, een nachtpatrouilleman,Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske,Van trotscher stof dan eenig menschenkind!Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje,Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido,Sonnettenkoning, vorst van armenkruising,Gezalfde souverein van o’s en ach’s,Patroon der pruttelaars en lanterfanters,185Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt,Machthebber, op wiens wenk de boden dravenVan ’t echtsgerechtshof,—o, mijn klein, zwak hart!—Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem,En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel!Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw?Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt,Steeds na te zien en eeuwig in de war,Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg’len,Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg’ling eischt!Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles!En van de drie, dan de ergste juist te minnen!Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw,Met twee pikballen in ’t gelaat voor oogen,En, bij mijn ziel, ja, een, die ’t kwaad zou doen,Al had zij Argus tot eunuuk en wachter!En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar!Ik smeek om haar! Maar ’t zij zoo, ’t is een straf,Die mij Cupido oplegt om ’t verachtenDer almacht van zijn schrikb’re, kleine macht.Nu, ’k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier’;Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!(Bironaf.)
Eerste Tooneel.Een ander gedeelte van het park.ArmadoenMotkomen op.Armado.Kweel, kind, breng mijn gehoorzintuig in beweging.Mot(zingt).Concolinel!Armado.Een liefelijk zangstukje!—Ga jeugdige teederheid; neem dezen sleutel; stel den slungel in vrijheid; breng hem subietelijk hier; ik moet hem bezigen voor een brief aan mijn liefste.Mot.Meester, wilt gij uw liefste met een Franschen slag veroveren?Armado.Wat meent gij? met een Fransche kloppartij?Mot.Neen, mijn onvergelijkelijke gebieder! maar stoot een melodie van het tongtipje af, maak er een capriool bij met de voeten, geef er geest aan door uw oogleden opwaarts te keeren; zucht een noot en zing een noot, nu eens door den gorgel, alsof gij bij uwen liefdezang liefde verzwolgt, dan weder door den neus, alsof gij bij het ruiken van liefde liefde opsnooft, met uw hoed als een luifel over de winkelkast uwer oogen, met uw armen gekruist op uw afgedragen kamizool, als een konijntje aan het spit, of met uw handen in de zakkenals een zeeman op het oude behangsel. En blijf niet te lang in één toon, maar snip snap en weg er mee. Dit heet naar den aard, dit heet geestrijk, dit verleidt u aardige deernen, die ook zonder dat te verleiden zijn, en maakt hèn tot opmerkelijke mannen,—merkt gij dit wel op?—die van zulke dingen het meest werk maken.Armado.Hoe zijt gij aan die ondervinding gekomen?Mot.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.Armado.Maar o, maar o!29Mot.Het stokpaard is vergeten!Armado.Noemt gij mijn liefste een stokpaard?Mot.Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan vergeten?Armado.Bijna had ik dit gedaan.Mot.O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.Armado.Met de borst en in de borst, knaap!Mot.En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.Armado.Wat wilt gij toonen?Mot.Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar, omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.Armado.Ik ben het, alle drie.Mot.En driemaal zooveel,—en toch volstrekt niets.Armado.Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.Mot.Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!Armado.Ha, wat zegt ge?Mot.Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is zeer langzaam ter been. Maar ik ga.Armado.De weg is niet lang. Ga!Mot.Zoo snel als lood, heer.Armado.Wat meent gij, jeugdig vernuft?Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?Mot.Ominime, goede meester; of liever, meester, niet waar.Armado.Wat! lood niet traag? dat is het wel.Mot.Gij zegt dit, meester, veel te snel.Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?Armado.O, zoete rook der redekunst!Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;—Ik schiet u naar den boer.Mot.Dan poef! zie, ’k ben voorbij!(Motaf).Armado.Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!—Met verlof, ik zucht u in ’t gelaat, firmament!Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.—Mijn heraut weer terug?70(Motkomt terug, metDikkop.)Mot.Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!Armado.Een wonder, een enigma; kom, depointemeteen!Dikkop.Neen, niets van igma of vanpointe! geen zalf uit de doos, heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geenpointe, geenpointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!Armado.Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!Mot.Houden de wijzen het voor iets anders?Is eenpointeniet iets, dat snijdt?Armado.Neen, page, ’t is een toespraak, een epiloog, om zaken,Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken.Ik wil een voorbeeld geven:Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Ziedaar de moraal, nu volgt depointe.Mot.Ik wil er depointeaanzetten. Zeg de moraal nog eens.Armado.Een vos en een aap en een hommel er bij.Waren drie in getal; oneven waren zij.Mot.Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren,Die bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volggij dan met mijnpointe.Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Armado.Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren,En bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Mot.Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer verlangen?Dikkop.Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.—Gij zijt niet bekocht, heer, is ’t gansje maar vet.—De knaap is een leeperd, en hem veel te mans;Laat zien: een vettepointe, dat is een vette gans.Armado.Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan?106Mot.Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan.Toen riept gij om depointe.Dikkop.En ik om de weegbree, ja, zoo is ’t gegaan.Toen kwam dien knaap zijnpointe, de vette gans, die gij kocht;En de markt was gedaan.Armado.Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?Mot.Dat zal ik u tastbaar maken.Dikkop.Neen, gij hebt er het gevoel niet van,Mot; ik wil dezepointezeggen:Ik, Dikkop, zat in ’t hok, zag ’t open en liep heen;Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.Armado.Nu spreken wij niet verder van ’t geval.Dikkop.O, van dat vallen heb ik al genoeg.Armado.Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.Dikkop.Een vrijman met welk meisje?—O, ik ruik alweer eenpointe, een gans hierin.Armado.Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld, gelibereerd; gij waart ingekerkerd,ingesperd, gecaptiveerd, met boeien belast.Dikkop.Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?Armado.Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u, in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie, want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!(Armadoaf.)Mot.Als een vervolg, ja; ik kom.—Vriend Dikkop, adieu.Dikkop.Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!(Motaf.)Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.—“Wat kost dat lint?” “Twee stuivers.”—Neen, ik geef er een remuneratie voor”; nu, ik krijg het er voor.—Remuneratie!—Wel, het is een mooier naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen zonder dit woord.143(Bironkomt op.)Biron.O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.Dikkop.Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor een remuneratie?Biron.Wat is een remuneratie?Dikkop.Wel, heer, twee blanken.Biron.Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.Dikkop.Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.Biron.Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken.Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn.Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.Dikkop.En wanneer moet ik ’t doen, heer?Biron.O, dezen nadenmiddag.Dikkop.Zeer goed, heer, ’k zal het doen, vaarwel!Biron.Wat! en gij weet niet, wat het is.Dikkop.Ik zal ’t wel weten, heer, als ik ’t gedaan heb.Biron.Wel, kerel, van te voren moet gij ’t weten.Dikkop.Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.Biron.’t Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, ’t is slechts dit:—Van middag jaagt hier de prinses in ’t park;Zij heeft in haar gevolg een schoone dame;Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil,Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. VraagNaar haar; en dit verzegelde geheimReikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed;Hier hebt gij een douceur.(Hij geeft hem een schelling.)Dikkop.Douceur!—O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!—Ik zal het doen, heer, alsof het gedrukt was.—Douceur!—remuneratie!(Dikkopaf.)Biron.O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel!Een echte speurhond van verliefde zuchten,Een censor, ja, een nachtpatrouilleman,Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske,Van trotscher stof dan eenig menschenkind!Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje,Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido,Sonnettenkoning, vorst van armenkruising,Gezalfde souverein van o’s en ach’s,Patroon der pruttelaars en lanterfanters,185Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt,Machthebber, op wiens wenk de boden dravenVan ’t echtsgerechtshof,—o, mijn klein, zwak hart!—Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem,En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel!Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw?Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt,Steeds na te zien en eeuwig in de war,Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg’len,Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg’ling eischt!Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles!En van de drie, dan de ergste juist te minnen!Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw,Met twee pikballen in ’t gelaat voor oogen,En, bij mijn ziel, ja, een, die ’t kwaad zou doen,Al had zij Argus tot eunuuk en wachter!En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar!Ik smeek om haar! Maar ’t zij zoo, ’t is een straf,Die mij Cupido oplegt om ’t verachtenDer almacht van zijn schrikb’re, kleine macht.Nu, ’k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier’;Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!(Bironaf.)
Een ander gedeelte van het park.
ArmadoenMotkomen op.
Armado.Kweel, kind, breng mijn gehoorzintuig in beweging.
Armado.
Kweel, kind, breng mijn gehoorzintuig in beweging.
Mot(zingt).Concolinel!
Mot
(zingt).Concolinel!
Armado.Een liefelijk zangstukje!—Ga jeugdige teederheid; neem dezen sleutel; stel den slungel in vrijheid; breng hem subietelijk hier; ik moet hem bezigen voor een brief aan mijn liefste.
Armado.
Een liefelijk zangstukje!—Ga jeugdige teederheid; neem dezen sleutel; stel den slungel in vrijheid; breng hem subietelijk hier; ik moet hem bezigen voor een brief aan mijn liefste.
Mot.Meester, wilt gij uw liefste met een Franschen slag veroveren?
Mot.
Meester, wilt gij uw liefste met een Franschen slag veroveren?
Armado.Wat meent gij? met een Fransche kloppartij?
Armado.
Wat meent gij? met een Fransche kloppartij?
Mot.Neen, mijn onvergelijkelijke gebieder! maar stoot een melodie van het tongtipje af, maak er een capriool bij met de voeten, geef er geest aan door uw oogleden opwaarts te keeren; zucht een noot en zing een noot, nu eens door den gorgel, alsof gij bij uwen liefdezang liefde verzwolgt, dan weder door den neus, alsof gij bij het ruiken van liefde liefde opsnooft, met uw hoed als een luifel over de winkelkast uwer oogen, met uw armen gekruist op uw afgedragen kamizool, als een konijntje aan het spit, of met uw handen in de zakkenals een zeeman op het oude behangsel. En blijf niet te lang in één toon, maar snip snap en weg er mee. Dit heet naar den aard, dit heet geestrijk, dit verleidt u aardige deernen, die ook zonder dat te verleiden zijn, en maakt hèn tot opmerkelijke mannen,—merkt gij dit wel op?—die van zulke dingen het meest werk maken.
Mot.
Neen, mijn onvergelijkelijke gebieder! maar stoot een melodie van het tongtipje af, maak er een capriool bij met de voeten, geef er geest aan door uw oogleden opwaarts te keeren; zucht een noot en zing een noot, nu eens door den gorgel, alsof gij bij uwen liefdezang liefde verzwolgt, dan weder door den neus, alsof gij bij het ruiken van liefde liefde opsnooft, met uw hoed als een luifel over de winkelkast uwer oogen, met uw armen gekruist op uw afgedragen kamizool, als een konijntje aan het spit, of met uw handen in de zakkenals een zeeman op het oude behangsel. En blijf niet te lang in één toon, maar snip snap en weg er mee. Dit heet naar den aard, dit heet geestrijk, dit verleidt u aardige deernen, die ook zonder dat te verleiden zijn, en maakt hèn tot opmerkelijke mannen,—merkt gij dit wel op?—die van zulke dingen het meest werk maken.
Armado.Hoe zijt gij aan die ondervinding gekomen?
Armado.
Hoe zijt gij aan die ondervinding gekomen?
Mot.Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.
Mot.
Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.
Armado.Maar o, maar o!29
Armado.
Maar o, maar o!29
Mot.Het stokpaard is vergeten!
Mot.
Het stokpaard is vergeten!
Armado.Noemt gij mijn liefste een stokpaard?
Armado.
Noemt gij mijn liefste een stokpaard?
Mot.Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan vergeten?
Mot.
Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan vergeten?
Armado.Bijna had ik dit gedaan.
Armado.
Bijna had ik dit gedaan.
Mot.O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.
Mot.
O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.
Armado.Met de borst en in de borst, knaap!
Armado.
Met de borst en in de borst, knaap!
Mot.En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.
Mot.
En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.
Armado.Wat wilt gij toonen?
Armado.
Wat wilt gij toonen?
Mot.Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar, omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.
Mot.
Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar, omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.
Armado.Ik ben het, alle drie.
Armado.
Ik ben het, alle drie.
Mot.En driemaal zooveel,—en toch volstrekt niets.
Mot.
En driemaal zooveel,—en toch volstrekt niets.
Armado.Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.
Armado.
Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.
Mot.Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!
Mot.
Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!
Armado.Ha, wat zegt ge?
Armado.
Ha, wat zegt ge?
Mot.Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is zeer langzaam ter been. Maar ik ga.
Mot.
Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is zeer langzaam ter been. Maar ik ga.
Armado.De weg is niet lang. Ga!
Armado.
De weg is niet lang. Ga!
Mot.Zoo snel als lood, heer.
Mot.
Zoo snel als lood, heer.
Armado.Wat meent gij, jeugdig vernuft?Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?
Armado.
Wat meent gij, jeugdig vernuft?
Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?
Mot.Ominime, goede meester; of liever, meester, niet waar.
Mot.
Ominime, goede meester; of liever, meester, niet waar.
Armado.Wat! lood niet traag? dat is het wel.
Armado.
Wat! lood niet traag? dat is het wel.
Mot.Gij zegt dit, meester, veel te snel.Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?
Mot.
Gij zegt dit, meester, veel te snel.
Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?
Armado.O, zoete rook der redekunst!Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;—Ik schiet u naar den boer.
Armado.
O, zoete rook der redekunst!
Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;—
Ik schiet u naar den boer.
Mot.Dan poef! zie, ’k ben voorbij!
Mot.
Dan poef! zie, ’k ben voorbij!
(Motaf).
Armado.Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!—Met verlof, ik zucht u in ’t gelaat, firmament!Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.—Mijn heraut weer terug?70
Armado.
Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!—
Met verlof, ik zucht u in ’t gelaat, firmament!
Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.—
Mijn heraut weer terug?70
(Motkomt terug, metDikkop.)
Mot.Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!
Mot.
Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!
Armado.Een wonder, een enigma; kom, depointemeteen!
Armado.
Een wonder, een enigma; kom, depointemeteen!
Dikkop.Neen, niets van igma of vanpointe! geen zalf uit de doos, heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geenpointe, geenpointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!
Dikkop.
Neen, niets van igma of vanpointe! geen zalf uit de doos, heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geenpointe, geenpointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!
Armado.Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!
Armado.
Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!
Mot.Houden de wijzen het voor iets anders?Is eenpointeniet iets, dat snijdt?
Mot.
Houden de wijzen het voor iets anders?
Is eenpointeniet iets, dat snijdt?
Armado.Neen, page, ’t is een toespraak, een epiloog, om zaken,Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken.Ik wil een voorbeeld geven:Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.Ziedaar de moraal, nu volgt depointe.
Armado.
Neen, page, ’t is een toespraak, een epiloog, om zaken,
Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken.
Ik wil een voorbeeld geven:
Een vos en een aap en een hommel er bij
Waren drie in getal; oneven waren zij.
Ziedaar de moraal, nu volgt depointe.
Mot.Ik wil er depointeaanzetten. Zeg de moraal nog eens.
Mot.
Ik wil er depointeaanzetten. Zeg de moraal nog eens.
Armado.Een vos en een aap en een hommel er bij.Waren drie in getal; oneven waren zij.
Armado.
Een vos en een aap en een hommel er bij.
Waren drie in getal; oneven waren zij.
Mot.Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren,Die bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volggij dan met mijnpointe.Een vos en een aap en een hommel er bijWaren drie in getal; oneven waren zij.
Mot.
Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren,
Die bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.
Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volg
gij dan met mijnpointe.
Een vos en een aap en een hommel er bij
Waren drie in getal; oneven waren zij.
Armado.Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren,En bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.
Armado.
Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren,
En bracht het in ’t effen; zij waren met hun vieren.
Mot.Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer verlangen?
Mot.
Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer verlangen?
Dikkop.Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.—Gij zijt niet bekocht, heer, is ’t gansje maar vet.—De knaap is een leeperd, en hem veel te mans;Laat zien: een vettepointe, dat is een vette gans.
Dikkop.
Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.—
Gij zijt niet bekocht, heer, is ’t gansje maar vet.—
De knaap is een leeperd, en hem veel te mans;
Laat zien: een vettepointe, dat is een vette gans.
Armado.Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan?106
Armado.
Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan?106
Mot.Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan.Toen riept gij om depointe.
Mot.
Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan.
Toen riept gij om depointe.
Dikkop.En ik om de weegbree, ja, zoo is ’t gegaan.Toen kwam dien knaap zijnpointe, de vette gans, die gij kocht;En de markt was gedaan.
Dikkop.
En ik om de weegbree, ja, zoo is ’t gegaan.
Toen kwam dien knaap zijnpointe, de vette gans, die gij kocht;
En de markt was gedaan.
Armado.Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?
Armado.
Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?
Mot.Dat zal ik u tastbaar maken.
Mot.
Dat zal ik u tastbaar maken.
Dikkop.Neen, gij hebt er het gevoel niet van,Mot; ik wil dezepointezeggen:Ik, Dikkop, zat in ’t hok, zag ’t open en liep heen;Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.
Dikkop.
Neen, gij hebt er het gevoel niet van,
Mot; ik wil dezepointezeggen:
Ik, Dikkop, zat in ’t hok, zag ’t open en liep heen;
Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.
Armado.Nu spreken wij niet verder van ’t geval.
Armado.
Nu spreken wij niet verder van ’t geval.
Dikkop.O, van dat vallen heb ik al genoeg.
Dikkop.
O, van dat vallen heb ik al genoeg.
Armado.Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.
Armado.
Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.
Dikkop.Een vrijman met welk meisje?—O, ik ruik alweer eenpointe, een gans hierin.
Dikkop.
Een vrijman met welk meisje?—O, ik ruik alweer eenpointe, een gans hierin.
Armado.Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld, gelibereerd; gij waart ingekerkerd,ingesperd, gecaptiveerd, met boeien belast.
Armado.
Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld, gelibereerd; gij waart ingekerkerd,ingesperd, gecaptiveerd, met boeien belast.
Dikkop.Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?
Dikkop.
Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?
Armado.Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u, in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie, want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!
Armado.
Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u, in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie, want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!
(Armadoaf.)
Mot.Als een vervolg, ja; ik kom.—Vriend Dikkop, adieu.
Mot.
Als een vervolg, ja; ik kom.—Vriend Dikkop, adieu.
Dikkop.Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!
Dikkop.
Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!
(Motaf.)
Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.—“Wat kost dat lint?” “Twee stuivers.”—Neen, ik geef er een remuneratie voor”; nu, ik krijg het er voor.—Remuneratie!—Wel, het is een mooier naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen zonder dit woord.143
Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.—“Wat kost dat lint?” “Twee stuivers.”—Neen, ik geef er een remuneratie voor”; nu, ik krijg het er voor.—Remuneratie!—Wel, het is een mooier naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen zonder dit woord.143
(Bironkomt op.)
Biron.O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.
Biron.
O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.
Dikkop.Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor een remuneratie?
Dikkop.
Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor een remuneratie?
Biron.Wat is een remuneratie?
Biron.
Wat is een remuneratie?
Dikkop.Wel, heer, twee blanken.
Dikkop.
Wel, heer, twee blanken.
Biron.Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.
Biron.
Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.
Dikkop.Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.
Dikkop.
Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.
Biron.Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken.Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn.Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.
Biron.
Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken.
Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn.
Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.
Dikkop.En wanneer moet ik ’t doen, heer?
Dikkop.
En wanneer moet ik ’t doen, heer?
Biron.O, dezen nadenmiddag.
Biron.
O, dezen nadenmiddag.
Dikkop.Zeer goed, heer, ’k zal het doen, vaarwel!
Dikkop.
Zeer goed, heer, ’k zal het doen, vaarwel!
Biron.Wat! en gij weet niet, wat het is.
Biron.
Wat! en gij weet niet, wat het is.
Dikkop.Ik zal ’t wel weten, heer, als ik ’t gedaan heb.
Dikkop.
Ik zal ’t wel weten, heer, als ik ’t gedaan heb.
Biron.Wel, kerel, van te voren moet gij ’t weten.
Biron.
Wel, kerel, van te voren moet gij ’t weten.
Dikkop.Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.
Dikkop.
Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.
Biron.’t Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, ’t is slechts dit:—Van middag jaagt hier de prinses in ’t park;Zij heeft in haar gevolg een schoone dame;Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil,Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. VraagNaar haar; en dit verzegelde geheimReikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed;Hier hebt gij een douceur.
Biron.
’t Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, ’t is slechts dit:—
Van middag jaagt hier de prinses in ’t park;
Zij heeft in haar gevolg een schoone dame;
Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil,
Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. Vraag
Naar haar; en dit verzegelde geheim
Reikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed;
Hier hebt gij een douceur.
(Hij geeft hem een schelling.)
Dikkop.Douceur!—O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!—Ik zal het doen, heer, alsof het gedrukt was.—Douceur!—remuneratie!
Dikkop.
Douceur!—O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!—Ik zal het doen, heer, alsof het gedrukt was.—Douceur!—remuneratie!
(Dikkopaf.)
Biron.O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel!Een echte speurhond van verliefde zuchten,Een censor, ja, een nachtpatrouilleman,Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske,Van trotscher stof dan eenig menschenkind!Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje,Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido,Sonnettenkoning, vorst van armenkruising,Gezalfde souverein van o’s en ach’s,Patroon der pruttelaars en lanterfanters,185Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt,Machthebber, op wiens wenk de boden dravenVan ’t echtsgerechtshof,—o, mijn klein, zwak hart!—Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem,En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel!Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw?Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt,Steeds na te zien en eeuwig in de war,Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg’len,Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg’ling eischt!Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles!En van de drie, dan de ergste juist te minnen!Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw,Met twee pikballen in ’t gelaat voor oogen,En, bij mijn ziel, ja, een, die ’t kwaad zou doen,Al had zij Argus tot eunuuk en wachter!En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar!Ik smeek om haar! Maar ’t zij zoo, ’t is een straf,Die mij Cupido oplegt om ’t verachtenDer almacht van zijn schrikb’re, kleine macht.Nu, ’k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier’;Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!
Biron.
O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel!
Een echte speurhond van verliefde zuchten,
Een censor, ja, een nachtpatrouilleman,
Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske,
Van trotscher stof dan eenig menschenkind!
Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje,
Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido,
Sonnettenkoning, vorst van armenkruising,
Gezalfde souverein van o’s en ach’s,
Patroon der pruttelaars en lanterfanters,185
Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt,
Machthebber, op wiens wenk de boden draven
Van ’t echtsgerechtshof,—o, mijn klein, zwak hart!—
Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem,
En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel!
Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw?
Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt,
Steeds na te zien en eeuwig in de war,
Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg’len,
Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg’ling eischt!
Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles!
En van de drie, dan de ergste juist te minnen!
Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw,
Met twee pikballen in ’t gelaat voor oogen,
En, bij mijn ziel, ja, een, die ’t kwaad zou doen,
Al had zij Argus tot eunuuk en wachter!
En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar!
Ik smeek om haar! Maar ’t zij zoo, ’t is een straf,
Die mij Cupido oplegt om ’t verachten
Der almacht van zijn schrikb’re, kleine macht.
Nu, ’k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier’;
Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!
(Bironaf.)
Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor de tenten in het park.De Prinses,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden, Gevolg en een Houtvester komen op.Prinses.Was dat de koning, die zijn paard zoo spoorde,De steile helling van den heuvel op?Boyet.Ik weet niet, maar mij dunkt, hij was het niet.Prinses.Wie ’t wezen mocht, hoogdravend was zijn streven.We ontvingen, heeren, ons bescheid vandaag,En keeren Zaterdag naar Frankrijk weer.—Houtvester, spreek, waar is nu dat geboomte,Waarin wij voor ons moordspel moeten staan?Houtvester.Vlakbij, daar aan den hoek van ’t kreupelhout;Die stand is goed, daar hebt gij ’t schoonste schot.Prinses.Gij denkt, het is de schoonheid, die daar schiet;En daarom spreekt gij van het schoonste schot.Houtvester.Vergeef, vorstin, dat is ’t niet, wat ik meen.13Prinses.Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij “neen”?Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!Houtvester.Zeer schoon, prinses.Prinses.Zeer schoon, prinses.Neen, geen blanketsel thans;Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans.Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;(Zij geeft hem geld.)Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.Houtvester.O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.Prinses.Mijn schoon vond redding in der werken loon!O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd!Schoon wordt de onschoone hand, die rijk’lijk geeft!—Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht;En ’t beste schot wordt dan voor boos geacht.Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet;Verwond ik niet, de deernis duldde ’t niet,Verwond ik, ’k heb alleen mijn kunst getoond;Geen moord-, maar roemzucht is ’t, die in mij woont.Wie kan ontkennen, dat niet inderdaadDe roemzucht wreede gruw’len soms begaat,Indien naar eer en lof, armzaal’gen schijn,De krachten van ons hart begeerig zijn;Zooals mij enkel lust naar lof het bloedVan herten, die mij lief zijn, spillen doet?35Boyet.Is ’t roemzucht niet, die booze vrouwen stijftIn ’t opperste gezag, en die ze drijftHeer van haar heer te zijn?Prinses.De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof,Voor wie een heer der schepping kruipt in ’t stof.(Dikkopkomt op.)Boyet.Daar komt een lid van hun gemeenebest.Dikkop.Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.Prinses.Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen het hoofd kwijt.Dikkop.Wie is de grootste dame, de hoogste?Prinses.Die het dikst en het langst is.Dikkop.Die het dikst en ’t langst is? het is zoo; waar is waar.Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw,Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou.Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.Prinses.Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?Dikkop.Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline te geven.53Prinses.Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; ’t is om ’t even.—Verder weg, wakk’re bode!—Boyet, gij kunt trancheeren,Snijd dit kapoentje eens voor.Boyet.Snijd dit kapoentje eens voor.’k Voldoe aan uw begeeren.—Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor;Hij is aan Jacquenetta.Prinses.Hij is aan Jacquenetta.Toch lezen; ga door!Breek aan ’t zegel den hals; en een elk leene ’t oor.Boyet(leest).“Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf, dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker danbekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen:veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,—o lage en duistere gemeene taal!—luidt,videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens zijde? aan die des konings?—neen, aan die van beiden in één; of aan die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis; gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord, profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en mijn hart aan uw gezamenlijke persoon.87“De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,“Don Adriano De Armado.“Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen,Lam, die als buit hem in de klauwen vielt;Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen,Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt;Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot?Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot.”Prinses.Wat voor een veêrbos is ’t, die zulk een onzin schreef?Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?Boyet.Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.Prinses.Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.Boyet.Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in ’t park hier een woning;Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koningEn voor zijn studiegenooten.Prinses.En voor zijn studiegenooten.Gij knaap daar, zeg iets meer;Wie gaf u dien brief?Dikkop.Wie gaf u dien brief?Ik zeide ’t reeds, mijn heer.Prinses.Aan wien moest gij hem geven?Dikkop.Aan wien moest gij hem geven?Van mijn heer aan een juffer.Prinses.En spreek, van welken heer en aan welke juffer?Dikkop.Van de’ eedlen heer Biron, dien ’k onderdanig diene,Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.Prinses.Gij hebt den brief verwisseld.—Komt, heeren, mij na!—(TotRosaline.)Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.(De Prinses en haar Gevolg af.)Boyet.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Rosaline.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Richt gij tot mij uw vragen?Boyet.Ja, kort begrip van schoonheid!Rosaline.Ja, kort begrip van schoonheid!Die gij den boog ziet dragen.Daar zijt gij goed bediend!Boyet.Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij,’k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij.Dit was raak!115Rosaline.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.Boyet.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.En hebt ge een buit op ’t oog?Rosaline.Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog.Dit was raak, inderdaad!Maria.Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.Boyet.En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.Rosaline.Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was, wat dat treffen betreft?Boyet.Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden, dat al een vrouw was, toenkoningin Genevravan Brittanje nog een klein meisje was, wat dat treffen betreft.Rosaline.Gij kunt niet raken, raken, raken,Gij kunt niet raken, goede man.Boyet.Zoo ik, zoo ik, zoo ik ’t niet kan,Dan komt een ander, die het kan.(RosalineenCatharinaaf.)Dikkop.Op mijn woord, recht vermaak’lijk; ’t ging hard tegen hard!Maria.De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen ’t zwart.Boyet.De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten,Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.Maria.Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.Dikkop.Ja, om in ’t zwart te treffen, is de afstand te wijd.Boyet.Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.Dikkop.’t Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.Maria.Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.Dikkop.Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.Boyet.Ik vrees te veel poedels.—Nu, uiltje, slaap wel!(BoyetenMariaaf.)Dikkop.Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed!142Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed!Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug,En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!—Armado aan de’ eenen kant,—o wat suikeren man!Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan!Een kushand te geven en aardig te zweren weet!—En zijn page aan de’ anderen kant, die handvol geest, die aap!O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!(Jachtgedruisch achter het tooneel.)Halloo! halloo!(Dikkopaf.)Tweede Tooneel.Aldaar.Een ander gedeelte van het park.Holofernes,NathanaëlenDomkomen op.Nathanaël.Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder de getuigenis van een goed geweten.Holofernes.Het hert was, zooals gij weet,sanguis, met vurig bloed;—rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het oor vancoelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,—en dan nedervalt als een gewone appel op het gelaat vanterra, den grond, het land, het aardrijk.Nathanaël.Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker u, heer magister, het was een voljarig hert.Holofernes.Heer geestelijke,haud credo...Dom.Het was geenhaud credo, het was een spitser.Holofernes.Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van insinuatie, als het warein via, op den weg der explicatie, om een replicatie, als het ware, te maken,facere, of veeleer zijn inclinatie te toonen,ostentare,—volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste, ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of veeleerder ongeconfirmeerde manier,—van wederom mijnhaud credovoor een hert te insereeren.Dom.Ik heb gezegd, dat het dier geenhaud credo, maar een spitser was.Holofernes.O tweemaal gezoden onnoozelheid,bis coctus!O gij monsterIgnorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit!24Nathanaël.Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een boek omsluit;hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is slechts eenanimal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen wezen,—Gelijk wij bij ’t proeven en voelen ook zijn,—voor de gaven, in ons geprezen;Want mij zou ’t slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek;Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid een vlek;Dochomne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind;Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.Dom.Gij tweeën zijt geleerden; is ’t uw vernuft reeds gebleken,Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?Holofernes.Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.Dom.Wat is Dikdunna?Nathanaël.Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.Holofernes.De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar,Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar.De allusie houdt steek bij de naamsverandering.Dom.’t Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de maansverandering.Holofernes.God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie houdt steek bij demaansverandering.Dom.En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering, want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien, dat heteen spitserwas, wat de prinses geschoten heeft.Holofernes.Heer Nathanaël, wilt gij eens eenextempore epitaphiumop den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.Nathanaël.Ja,perge, beste magister,perge; en maak zoo een eind aan alle onhebbelijke aardigheid.Holofernes.Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt van vaardigheid.“De schoone schietster spande, en schooteen spitser, schuw en slank;Een spitser is gespitste nu,gespietst met hare spies.De spitser kreeg een tweede spits;twee ellen was die lank;En zeg eens, of de spitser nuniet tot een gaff’laar wies.Maar ik voeg bij een hert één L,dan zijn ’t er vijftig, man;En ’t wonder is: met één L meermaak ik er honderd van.”Nathanaël.Een merkwaardig talent voor verzen!64Dom.Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.Holofernes.Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren, beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen; deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoedin den schoot derpia mater, en aan ’t licht gebracht, als de gelegenheid ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik ben er dankbaar voor.Nathanaël.Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger, en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van het gemeenebest.Holofernes.Mehercle!als uw zoonsingeniumhebben, aan instructie zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn, zal ikzelf trachten op haar te werken. Dochvir sapit, qui pauca loquitur.—Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij toe u eens aan te spreken.Holofernes.Heer eerwaarde,quasiherwaarts! Als nu iemand hier aangesproken moet worden, wie is het dan?Dikkop.Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.Holofernes.Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg voor een zwijn; ’t is aardig, ’t is goed.Jacquenetta.Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen brief. Hij werd mij gegeven door Dikkopen mij toegezonden door Don Armado; ik bid u, lees hem.(Nathanaëlleest den brief.)Holofernes.“Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra Ruminat”—en zoo voorts.O goede oude Mantuaan!ik mag van u zeggen, wat de reiziger van Venetië zegt:98“Venetia, Venetia,Chi non ti vede, non ti prezia.”Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.—Ut,re,sol,la,mi,fa.—Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever, zooals Horatius zegt in zijn—Wat, bij mijn ziel! verzen?Nathanaël.Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.Holofernes.Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;lege, domine.Nathanaël(leest).“Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde zweren?Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;En dat ik u vereer, is ’t goede in mijn natuur.Uw oog voert ’s hemels flits, uw stem zijn schrikb’ren donder,Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.O godd’lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig.”Holofernes.Gij vindt de apostropha’s niet en mist daardoor het ware accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de maat in acht genomen, maar watelegantia, zoetvloeiendheid, de gulden cadans betreft,—caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist, Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht?Imitariis niets: dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte paard zijnen ruiter.—Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?Jacquenetta.Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.Holofernes.Ik wil hetsuperscriptumbezien. “Aan de sneeuwwitte hand van de overschoone Rosaline.” Ik wil nog eens letten op het begrip van den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de persoon, aan welke geschreven werd. “Uwer edelheid zich toewijdend voor alle begeerde diensten, Biron.” Heer Nathanaël, deze Biron is een van ’s konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.—Trippel van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel!148Jacquenetta.Beste Dikkop, ga met mij mede.—God behoede uw gezondheid, heer!Dikkop.Ik ga mede, meisje.(DikkopenJacquenettaaf.)Nathanaël.Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods, recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,—Holofernes.Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u, mijnheer Nathanaël?Nathanaël.Zeer goed, wat het schrift betreft.Holofernes.Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd den disch met eengratiaste gratificeeren, krachtens mijnsprivilegiibij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uwbenvenutoop mij wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik verzoek om uw gezelschap.Nathanaël.En ik ben u dankbaar, want gezelschap,—zegt de tekst,—is het geluk des levens.Holofernes.En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den tekst.—(TotDom.)Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen neen zeggen;pauca verba.—Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.(Allen af.)Derde Tooneel.Een ander gedeelte van het park.Bironkomt op, met een papier in de hand.Biron.De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,—pik dat besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! wantzoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen, vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen, zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer, ik wil niet. Ach! maar haar oog!—bij het licht der zon, als het niet om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij, en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar, allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven, als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte!20(Hij klimt in een boom.)(De Koning komt op, met een papier in de hand.)Koning.Wee mij!Biron(ter zijde).Aangeschoten, waarachtig!—Ga zoo voort, allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den linkervleugel geraakt.—Op mijne eer, geheimen!Koning(leest).“Zoo lieflijk kust de gouden zonne nietDe morgendruppen, die aan ’t roosje hangen,Als uw, uw oog, dat held’re stralen schiet,De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen;Niet half zoo helder schijnt de zilv’ren maanDoor ’t held’re water van de diepte heen,Als uw gelaat mij gloort door meen’gen traan;Gij straalt door elken druppel, dien ik ween;En elke druppel wordt tot zegewagen,Waarin gij,—zie den stroom, die in mij welt,—Op mijner tranen golven wordt gedragen;Ja, ’t is mijn leed, dat uwe glorie meldt.Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ikU in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik.Uw schoon, o koningin der koninginnen!Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen.”Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers!Zoet loof, beschaduw dwaasheid!—Wie komt daar?(Hij verschuilt zich.)Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!(Longavilletreedt op, met een papier in de hand.)Biron(ter zijde).Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!Longaville.Wee mij, ik brak mijn eed!Biron(ter zijde).Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt een papier er van vóór zich!48Koning(ter zijde).Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!Biron(ter zijde).Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.Longaville.Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?Biron(ter zijde).Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend;Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen,Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.Longaville.Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin.Maria, o mijns harten koningin!In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.Biron(ter zijde).Met rijmen belint is ’t pak van Venus’ wicht;Verscheur zijn pofbroek niet!Longaville.Verscheur zijn pofbroek niet!Ik zend dit toch.(Hij leest.)“Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,—Daartegen stuiten aardsche reed’nen af,—Mij niet tot breken van mijn eed gebracht?Maar brak ik dien voor u, ’t verdient geen straf.Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij;Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld;Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij;Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld.Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht;O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet,Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht;Is die gebroken, mijne schuld is ’t niet.En waar’ ’t mijn schuld, wat dwaas waar’ niet zoo wijs,Dat hij hem brak, voor ’t heil van ’t paradijs?”Biron(ter zijde).’t Is gisting in ’t bloed; die maakt het vleesch tot god,Een groen gansje, een godin: ’t is afgodische spot.Wij zijn allen aan ’t malen; God geve ons herstel!(Dumainetreedt op, met een papier in de hand.)Longaville.Hoe zend ik dit?—Wie komt? ter zijde! snel!(Hij verschuilt zich).Biron(ter zijde).Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel!’k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen,En schouw ’t geheim der narren, die hier dolen.Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit;Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit!82Dumaine.O allergodd’lijkst Kaatje!Biron(ter zijde).O allergodslasterlijkste dwaas!Dumaine.Bij ’t hemelrijk! een wonder voor het oog!Biron(ter zijde).Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt te hoog.Dumaine.Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!Biron(ter zijde).Een amberkleur’ge raaf waar’ meer dan raar.Dumaine.Slank als de ceder.Biron(ter zijde).Krom! haar schouder, ach!Moet zeker kind’ren.Dumaine.Moet zeker kind’ren.Schoon gelijk de dag.Biron(ter zijde).Als meen’ge dag; dan moet de zon niet schijnen.Dumaine.O, hadde ik mijnen wensch!Longaville.(ter zijde).En ik den mijnen!Koning(ter zijde).En ik den mijnen, hemel!Biron(ter zijde).Amen, zeg ik voort,Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?Dumaine.Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in ’t bloed,Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Biron(ter zijde).Een koorts in ’t bloed? Nu, die tapt u in schalenEen aderlating af; o lieflijk dwalen!Dumaine.Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.Biron(ter zijde).Nog eens hoor ik, hoe min ’t verstand verdreef.Dumaine(leest).“Op een dag,—o booze dagVan de zoete Meie!—zagLiefde een roosje met genugt’Spelen in de dart’le lucht;Door ’t fluweelen loof der hegVond de onzichtb’re wind zijn weg,En de knaap, in stervenspijn,Wenschte ’s hemels aâm te zijn.“Lucht,” zoo sprak hij, “kust haar vrij;Zaal’ge lucht, ware ik als gij!Wee! ’k verpandde woord en trouw,Dat ik nooit u plukken zou!Ach, wat eed voor teed’re jeugd,Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd!Neen, geen zonde zij ’t geacht,Zoo ’k mijn eed om u verkracht,U, die Jupiter zoudt nopenJuno een moorin te doopen,En zijn godheid te verzaken,Om als mensch voor u te blaken.””120Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemdMijn leed, het hong’ren van mijn hart, haar noemt.O waar’ de vorst, Biron en LongavilleNu ook verliefd! Besmette ook hunne zieleMeineed! dit wiesch van ’t voorhoofd mij de vlek;Want niemand valt in ’t oog, zijn allen gek.Longaville(te voorschijn tredend).Dumaine, uw min woont in geen christ’lijk hart.Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart.Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood,Wierd ik aldus betrapt in bitt’ren nood.Koning(vooruittredend).Zoo bloos dan; zijn geval is ’t uwe, heer,Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer;Gij mint Maria niet! nooit van zijn levenHeeft Longaville een rijmbrief haar geweven!Zijn armen op de borst nooit saamgekruist,Tot stilling van een hart, waar liefde in huist!’k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen,Bespeurde u beide’ en moest om beiden blozen,Vernam uw zondig rijm’len, hoorde uw klachten,Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten,“Wee mij!” roept de één, en die: “O Jupiter!”Voor de’ een is haar van goud, dien ’t oog een ster;(TotLongaville.)Gij, breken zoudt ge om ’t paradijs uw eeden;(TotDumaine.)Als gij zou Jupiter een eed vertreden!—Wat zal Biron wel zeggen bij het hoorenVan ’t schennen uwer trouw, zoo luid bezworenWat zal hij spotten, plagen, steek’lig zingen,Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen!’k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bijNiet willen, dat hij zooveel wist van mij!Biron(ter zijde).Nu treed ik op, en geesel huichelarij.—(Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.)Mijn beste vorst, ik bid u, ’t sta mij vrij:Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagenAan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagenZijn ooit uw oogen; in uw tranenvlietKan geen prinses zich spieg’len, zeker niet!Gij breekt geen eed ooit, ’t ware u ergernis;En niemand rijm’, dan wiens beroep het is!Maar staat gij niet beschaamd?—gij niet in nood,Dat elk van u zoo ver van ’t doelwit schoot?Uw’ splinter vond de koning,(OpDumainewijzend,totLongaville.)gij den zijnen;Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen.O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik,Van leed en kommer, zuchten en gesnik!Hoe zag ik, spraak’loos van verwondering,Dat een monarch een mug werd, gonzen ging!De groote Hercules een drijftol zweepte,De wijze Salomo met deuntjes dweepte,En Nestor met de knapen paardje speelde,En Timon lachend kinderschaapjes streelde!Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel ’t mee!171En beste Longavill’, waar schuilt uw wee?Waar ’t uwe, heer en vorst? Niet waar, in ’t hart?Een wijnsoep, hé!Koning.Te steek’lig is uw gard.Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?Biron.Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet.Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken,Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken;Ik ben verraden, wijl ik mij verbondMet mannen, die ik zwak, meineedig vond.Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf?Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijfMet haar en baard? spreek ik ooit opgetogenTot lof van hand en voet, gelaat en oogen,Van leest en geest, hals, houding, boezem, been,Van kin en knie?—(Hij ontwaartDikkopmetJacquenettaen wil ijlings wegloopen.)Koning.Wat is ’t? waar ijlt gij heen?Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?Biron.De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!(Hij blijft op een wenk van den Koning staan.)(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.Heer koning!Koning(totDikkop).Zoo, wat brengt gij voor kaproen?Dikkop.O heer, een stuk verraad!Koning.O heer, een stuk verraad!Wat moet verraad hier doen?Dikkop.O heer, het doet u niets.Koning.Dan wensch ik niets te ontdekken,En mag ’t verraad met u in vrede henentrekken.Jacquenetta.Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen,Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.Koning.Biron, kijk hem in.—(Hij geeft den brief aanBiron.)Biron, kijk hem in.—Van wien hebt gij den brief?Jacquenetta.Van Dikkop.Koning(totDikkop).En gij, van wien gij?Dikkop.Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.(Bironverscheurt den brief.)Koning(totBiron).Wat is ’t? wat komt u over, dat gij den brief verscheurt?Biron.’t Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.Longaville.Wij willen ’t hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt!202Dumaine(de stukken oprapend).Het schrift is van Biron; ja zie, zijn naam aan ’t end!Biron(totDikkop).O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande en ellend!—O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Koning.O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Wat dan?Biron.Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man.Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood,Zijn dieven op ’t punt van liefde, en wij verdienen den dood.Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.Dumaine.’t Getal is nu even.Biron.’t Getal is nu even.Een vierspan, op mijne eer.Wat doen die tortels hier nog?Koning.Wat doen die tortels hier nog?Nu, vrienden, gij kunt gaan.Dikkop.Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.(DikkopenJacquenettaaf.)Biron.Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd!Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen;De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt,En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen;Wij kunnen ’s levens oorzaak niet versmoren;Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.Koning.’t Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?Biron.Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen,De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan,Bij ’t rijzen van den eersten oostergloed,Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan,En kust den lagen grond met vroom gemoed?Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindtDen moed haar in het hemelsch oog te staren,En wordt niet door haar majesteit verblind?Koning.Wat dwaze woede is u in ’t brein gevaren?Mijn liefde is zelf de maan aan ’s hemels boog,Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.Biron.Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog.De dag wierd nacht, waar’ mijn geliefde er niet!O, de uitgelezenste aller tinten kwamen,Als tot een feest, bijeen op hare wang;En ’t eêlste smolt daar met het eêlste samen,En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang’.Leen mij de bloemen aller redekunst;—Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon!Voor koopwaar bedel’ koopmanslof zich gunst,Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon.241Een kluiz’naar, wien een honderd winters hind’ren,Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af;Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind’ren,Leent de eerste jeugd der wieg aan ’s grijsaards staf;O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!Koning.Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!Biron.Is ebbenhout als zij? dan godd’lijk hout!Een vrouw uit zulk een hout waar’ ’t heilrijkst lot.Wie reikt mij ’t bijbelboek, opdat ik zweer,Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten wareZij van haar oogen gloedvol blikken leer’;O, schoon is geen gelaat, min zwart dan ’t hare.Koning.Wat paradox! Zwart is de leus der hel,De kleur van krochten, en het kleed der nacht;En blankheid staat bij hemelreinheid wel.Biron.De duivel lokt liefst in der englen dracht.Zoo ravenzwart mijn liefste’s hoofd bedekt,Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernisMet ijd’len schijn verliefde dwazen trekt;Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is.De mode erkent haar schoonheid; en dit doetNatuurlijk bloed den lof van verf verwerven;En noopt het blank, dat gisping duchten moet,Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.Dumaine.Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.Longaville.De kolenbrander heeft een blank gezicht.Koning.En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.Dumaine.Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.Biron.Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen,Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn’.Koning.Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen,Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.Biron.Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.Koning.Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.Dumaine.Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.Longaville(zijn voet vooruitstekend).Zie, ’t beeld van uw geliefde is hier mijn schoen.Biron.Bestond het straatplaveisel uit uw oogen,Te ruw waar’ ’t voor haar voet en te gering.Dumaine.O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen,280Dat die weg opzag, als ze er over ging.Koning.Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?Biron.Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.Koning.Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig,Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.Dumaine.Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!Longaville.Voortreff’lijk ja, een sluwe vond, een list,Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!Dumaine.Een zalf voor meineed!Biron.Een zalf voor meineed!Nu, hoog noodig is ’t.Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne,En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten;Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien:Blijkbaar verraad aan ’t koningschap der jeugd!Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magenVeel, veel te jong; onthouding maakte u krank.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,[Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,De heerlijkheid doorgrond van diepe studie,Zoo niet door ’t wonderschoon gelaat der vrouw?Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool,Die ’t echte Prometheïsch vuur doen vlammen.]Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want welk een schrijver in de gansche wereldLeert zulk een schoonheid als een vrouwenoog?Het weten toch is slechts een deel van ons,En waar wij zijn, daar is ons weten ook;Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen,Zien wij ons weten daar dan ook niet in?Wij deden de’ eed van te studeeren, vrienden,Doch daarmee zwoeren we onze boeken af;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevondenDer schoone verzen, die ’t bezielend oogDer schoone meesteressen thans u ingaf?323De traag’re kunsten zeet’len gansch in ’t brein,En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden,Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst;Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd,Woont geenszins ingemetseld in het brein,Maar vliegt, met aller elementen leven,Snel, als gedachten ’t zijn, naar elke kracht,En geeft aan elke kracht een dubb’le kracht,Ver boven hare taak en dienstverplichting;Zij schenkt aan ’t oog een nieuw en kostlijk zien;Het oog des minnaars staart den aad’laar blind;Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid,Zelfs dat aan de’ argwaan van den dief ontsnapt;’t Gevoel der liefde is fijner, meer gevoeligDan bij de huisjesslak de teed’re horens;Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak.Is niet de liefde in moed een Hercules,Die in ’t geboomt’ der Hesperiden klimt?Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziekAls Phœbus’ lier, bespannen met zijn haar?Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koorDen hemel met hun harmonie aan ’t droomen.Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen,Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd;O! dan verrukt zijn lied der wilden oor,En plant erbarmen in tyrannenharten.Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij sprank’len staâg het echt Prometheusvuur;Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool,Die heel de wereld leert, omvat en voedt;En niemand anders is in iets voortreff’lijk.Dies waart gij dwaas, toen gij deez’ vrouwen afzwoert,En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas.In naam der wijsheid,—’t woord, dat mannen minnen,—In naam der min,—het woord, dat mannen streelt,—In naam der mannen,—scheppers dezer vrouwen,—In naam der vrouwen,—de oorsprong van ons, mannen,—Verzaken we onzen eed, tot ons behoud,Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf.De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan,Want menschenmin vervult de hoogste wet,En wie kan menschenmin van liefde scheiden?Koning.Dan, Sint Cupido! en in ’t veld, soldaten!Biron.Ontplooit uw standaards, heeren, er op los!Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad,Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!Longaville.Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is ’t?Wij maken ’t hof dus aan de Fransche meisjes?Koning.En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht!Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.Biron.Wij leiden haar dan eerst van ’t park daarheen;En voor die wandeling zoek’ zich elk de handDer uitverkoren schoone. Na den middagVermake haar een geestig tijdverdrijf,Zoo goed de korte tijd het scheppen kan;Want dartele uren, maskerspel en dansen,’t Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.Koning.Van hier, van hier! Terstond aan ’t werk! want tijd,Zoo wij hem niet verbeuz’len, brengt profijt.Biron.Allons!wie onkruid zaait, oogst nimmer koren;Gerechtigheid weegt alles even zwaar;Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren;Ons koper geeft geen recht op beter waar.(Allen af.)
Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor de tenten in het park.De Prinses,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden, Gevolg en een Houtvester komen op.Prinses.Was dat de koning, die zijn paard zoo spoorde,De steile helling van den heuvel op?Boyet.Ik weet niet, maar mij dunkt, hij was het niet.Prinses.Wie ’t wezen mocht, hoogdravend was zijn streven.We ontvingen, heeren, ons bescheid vandaag,En keeren Zaterdag naar Frankrijk weer.—Houtvester, spreek, waar is nu dat geboomte,Waarin wij voor ons moordspel moeten staan?Houtvester.Vlakbij, daar aan den hoek van ’t kreupelhout;Die stand is goed, daar hebt gij ’t schoonste schot.Prinses.Gij denkt, het is de schoonheid, die daar schiet;En daarom spreekt gij van het schoonste schot.Houtvester.Vergeef, vorstin, dat is ’t niet, wat ik meen.13Prinses.Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij “neen”?Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!Houtvester.Zeer schoon, prinses.Prinses.Zeer schoon, prinses.Neen, geen blanketsel thans;Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans.Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;(Zij geeft hem geld.)Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.Houtvester.O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.Prinses.Mijn schoon vond redding in der werken loon!O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd!Schoon wordt de onschoone hand, die rijk’lijk geeft!—Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht;En ’t beste schot wordt dan voor boos geacht.Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet;Verwond ik niet, de deernis duldde ’t niet,Verwond ik, ’k heb alleen mijn kunst getoond;Geen moord-, maar roemzucht is ’t, die in mij woont.Wie kan ontkennen, dat niet inderdaadDe roemzucht wreede gruw’len soms begaat,Indien naar eer en lof, armzaal’gen schijn,De krachten van ons hart begeerig zijn;Zooals mij enkel lust naar lof het bloedVan herten, die mij lief zijn, spillen doet?35Boyet.Is ’t roemzucht niet, die booze vrouwen stijftIn ’t opperste gezag, en die ze drijftHeer van haar heer te zijn?Prinses.De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof,Voor wie een heer der schepping kruipt in ’t stof.(Dikkopkomt op.)Boyet.Daar komt een lid van hun gemeenebest.Dikkop.Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.Prinses.Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen het hoofd kwijt.Dikkop.Wie is de grootste dame, de hoogste?Prinses.Die het dikst en het langst is.Dikkop.Die het dikst en ’t langst is? het is zoo; waar is waar.Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw,Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou.Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.Prinses.Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?Dikkop.Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline te geven.53Prinses.Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; ’t is om ’t even.—Verder weg, wakk’re bode!—Boyet, gij kunt trancheeren,Snijd dit kapoentje eens voor.Boyet.Snijd dit kapoentje eens voor.’k Voldoe aan uw begeeren.—Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor;Hij is aan Jacquenetta.Prinses.Hij is aan Jacquenetta.Toch lezen; ga door!Breek aan ’t zegel den hals; en een elk leene ’t oor.Boyet(leest).“Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf, dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker danbekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen:veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,—o lage en duistere gemeene taal!—luidt,videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens zijde? aan die des konings?—neen, aan die van beiden in één; of aan die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis; gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord, profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en mijn hart aan uw gezamenlijke persoon.87“De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,“Don Adriano De Armado.“Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen,Lam, die als buit hem in de klauwen vielt;Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen,Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt;Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot?Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot.”Prinses.Wat voor een veêrbos is ’t, die zulk een onzin schreef?Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?Boyet.Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.Prinses.Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.Boyet.Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in ’t park hier een woning;Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koningEn voor zijn studiegenooten.Prinses.En voor zijn studiegenooten.Gij knaap daar, zeg iets meer;Wie gaf u dien brief?Dikkop.Wie gaf u dien brief?Ik zeide ’t reeds, mijn heer.Prinses.Aan wien moest gij hem geven?Dikkop.Aan wien moest gij hem geven?Van mijn heer aan een juffer.Prinses.En spreek, van welken heer en aan welke juffer?Dikkop.Van de’ eedlen heer Biron, dien ’k onderdanig diene,Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.Prinses.Gij hebt den brief verwisseld.—Komt, heeren, mij na!—(TotRosaline.)Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.(De Prinses en haar Gevolg af.)Boyet.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Rosaline.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Richt gij tot mij uw vragen?Boyet.Ja, kort begrip van schoonheid!Rosaline.Ja, kort begrip van schoonheid!Die gij den boog ziet dragen.Daar zijt gij goed bediend!Boyet.Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij,’k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij.Dit was raak!115Rosaline.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.Boyet.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.En hebt ge een buit op ’t oog?Rosaline.Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog.Dit was raak, inderdaad!Maria.Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.Boyet.En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.Rosaline.Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was, wat dat treffen betreft?Boyet.Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden, dat al een vrouw was, toenkoningin Genevravan Brittanje nog een klein meisje was, wat dat treffen betreft.Rosaline.Gij kunt niet raken, raken, raken,Gij kunt niet raken, goede man.Boyet.Zoo ik, zoo ik, zoo ik ’t niet kan,Dan komt een ander, die het kan.(RosalineenCatharinaaf.)Dikkop.Op mijn woord, recht vermaak’lijk; ’t ging hard tegen hard!Maria.De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen ’t zwart.Boyet.De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten,Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.Maria.Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.Dikkop.Ja, om in ’t zwart te treffen, is de afstand te wijd.Boyet.Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.Dikkop.’t Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.Maria.Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.Dikkop.Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.Boyet.Ik vrees te veel poedels.—Nu, uiltje, slaap wel!(BoyetenMariaaf.)Dikkop.Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed!142Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed!Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug,En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!—Armado aan de’ eenen kant,—o wat suikeren man!Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan!Een kushand te geven en aardig te zweren weet!—En zijn page aan de’ anderen kant, die handvol geest, die aap!O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!(Jachtgedruisch achter het tooneel.)Halloo! halloo!(Dikkopaf.)Tweede Tooneel.Aldaar.Een ander gedeelte van het park.Holofernes,NathanaëlenDomkomen op.Nathanaël.Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder de getuigenis van een goed geweten.Holofernes.Het hert was, zooals gij weet,sanguis, met vurig bloed;—rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het oor vancoelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,—en dan nedervalt als een gewone appel op het gelaat vanterra, den grond, het land, het aardrijk.Nathanaël.Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker u, heer magister, het was een voljarig hert.Holofernes.Heer geestelijke,haud credo...Dom.Het was geenhaud credo, het was een spitser.Holofernes.Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van insinuatie, als het warein via, op den weg der explicatie, om een replicatie, als het ware, te maken,facere, of veeleer zijn inclinatie te toonen,ostentare,—volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste, ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of veeleerder ongeconfirmeerde manier,—van wederom mijnhaud credovoor een hert te insereeren.Dom.Ik heb gezegd, dat het dier geenhaud credo, maar een spitser was.Holofernes.O tweemaal gezoden onnoozelheid,bis coctus!O gij monsterIgnorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit!24Nathanaël.Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een boek omsluit;hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is slechts eenanimal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen wezen,—Gelijk wij bij ’t proeven en voelen ook zijn,—voor de gaven, in ons geprezen;Want mij zou ’t slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek;Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid een vlek;Dochomne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind;Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.Dom.Gij tweeën zijt geleerden; is ’t uw vernuft reeds gebleken,Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?Holofernes.Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.Dom.Wat is Dikdunna?Nathanaël.Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.Holofernes.De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar,Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar.De allusie houdt steek bij de naamsverandering.Dom.’t Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de maansverandering.Holofernes.God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie houdt steek bij demaansverandering.Dom.En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering, want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien, dat heteen spitserwas, wat de prinses geschoten heeft.Holofernes.Heer Nathanaël, wilt gij eens eenextempore epitaphiumop den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.Nathanaël.Ja,perge, beste magister,perge; en maak zoo een eind aan alle onhebbelijke aardigheid.Holofernes.Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt van vaardigheid.“De schoone schietster spande, en schooteen spitser, schuw en slank;Een spitser is gespitste nu,gespietst met hare spies.De spitser kreeg een tweede spits;twee ellen was die lank;En zeg eens, of de spitser nuniet tot een gaff’laar wies.Maar ik voeg bij een hert één L,dan zijn ’t er vijftig, man;En ’t wonder is: met één L meermaak ik er honderd van.”Nathanaël.Een merkwaardig talent voor verzen!64Dom.Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.Holofernes.Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren, beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen; deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoedin den schoot derpia mater, en aan ’t licht gebracht, als de gelegenheid ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik ben er dankbaar voor.Nathanaël.Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger, en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van het gemeenebest.Holofernes.Mehercle!als uw zoonsingeniumhebben, aan instructie zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn, zal ikzelf trachten op haar te werken. Dochvir sapit, qui pauca loquitur.—Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij toe u eens aan te spreken.Holofernes.Heer eerwaarde,quasiherwaarts! Als nu iemand hier aangesproken moet worden, wie is het dan?Dikkop.Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.Holofernes.Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg voor een zwijn; ’t is aardig, ’t is goed.Jacquenetta.Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen brief. Hij werd mij gegeven door Dikkopen mij toegezonden door Don Armado; ik bid u, lees hem.(Nathanaëlleest den brief.)Holofernes.“Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra Ruminat”—en zoo voorts.O goede oude Mantuaan!ik mag van u zeggen, wat de reiziger van Venetië zegt:98“Venetia, Venetia,Chi non ti vede, non ti prezia.”Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.—Ut,re,sol,la,mi,fa.—Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever, zooals Horatius zegt in zijn—Wat, bij mijn ziel! verzen?Nathanaël.Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.Holofernes.Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;lege, domine.Nathanaël(leest).“Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde zweren?Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;En dat ik u vereer, is ’t goede in mijn natuur.Uw oog voert ’s hemels flits, uw stem zijn schrikb’ren donder,Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.O godd’lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig.”Holofernes.Gij vindt de apostropha’s niet en mist daardoor het ware accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de maat in acht genomen, maar watelegantia, zoetvloeiendheid, de gulden cadans betreft,—caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist, Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht?Imitariis niets: dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte paard zijnen ruiter.—Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?Jacquenetta.Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.Holofernes.Ik wil hetsuperscriptumbezien. “Aan de sneeuwwitte hand van de overschoone Rosaline.” Ik wil nog eens letten op het begrip van den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de persoon, aan welke geschreven werd. “Uwer edelheid zich toewijdend voor alle begeerde diensten, Biron.” Heer Nathanaël, deze Biron is een van ’s konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.—Trippel van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel!148Jacquenetta.Beste Dikkop, ga met mij mede.—God behoede uw gezondheid, heer!Dikkop.Ik ga mede, meisje.(DikkopenJacquenettaaf.)Nathanaël.Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods, recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,—Holofernes.Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u, mijnheer Nathanaël?Nathanaël.Zeer goed, wat het schrift betreft.Holofernes.Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd den disch met eengratiaste gratificeeren, krachtens mijnsprivilegiibij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uwbenvenutoop mij wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik verzoek om uw gezelschap.Nathanaël.En ik ben u dankbaar, want gezelschap,—zegt de tekst,—is het geluk des levens.Holofernes.En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den tekst.—(TotDom.)Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen neen zeggen;pauca verba.—Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.(Allen af.)Derde Tooneel.Een ander gedeelte van het park.Bironkomt op, met een papier in de hand.Biron.De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,—pik dat besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! wantzoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen, vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen, zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer, ik wil niet. Ach! maar haar oog!—bij het licht der zon, als het niet om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij, en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar, allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven, als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte!20(Hij klimt in een boom.)(De Koning komt op, met een papier in de hand.)Koning.Wee mij!Biron(ter zijde).Aangeschoten, waarachtig!—Ga zoo voort, allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den linkervleugel geraakt.—Op mijne eer, geheimen!Koning(leest).“Zoo lieflijk kust de gouden zonne nietDe morgendruppen, die aan ’t roosje hangen,Als uw, uw oog, dat held’re stralen schiet,De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen;Niet half zoo helder schijnt de zilv’ren maanDoor ’t held’re water van de diepte heen,Als uw gelaat mij gloort door meen’gen traan;Gij straalt door elken druppel, dien ik ween;En elke druppel wordt tot zegewagen,Waarin gij,—zie den stroom, die in mij welt,—Op mijner tranen golven wordt gedragen;Ja, ’t is mijn leed, dat uwe glorie meldt.Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ikU in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik.Uw schoon, o koningin der koninginnen!Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen.”Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers!Zoet loof, beschaduw dwaasheid!—Wie komt daar?(Hij verschuilt zich.)Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!(Longavilletreedt op, met een papier in de hand.)Biron(ter zijde).Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!Longaville.Wee mij, ik brak mijn eed!Biron(ter zijde).Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt een papier er van vóór zich!48Koning(ter zijde).Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!Biron(ter zijde).Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.Longaville.Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?Biron(ter zijde).Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend;Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen,Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.Longaville.Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin.Maria, o mijns harten koningin!In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.Biron(ter zijde).Met rijmen belint is ’t pak van Venus’ wicht;Verscheur zijn pofbroek niet!Longaville.Verscheur zijn pofbroek niet!Ik zend dit toch.(Hij leest.)“Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,—Daartegen stuiten aardsche reed’nen af,—Mij niet tot breken van mijn eed gebracht?Maar brak ik dien voor u, ’t verdient geen straf.Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij;Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld;Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij;Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld.Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht;O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet,Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht;Is die gebroken, mijne schuld is ’t niet.En waar’ ’t mijn schuld, wat dwaas waar’ niet zoo wijs,Dat hij hem brak, voor ’t heil van ’t paradijs?”Biron(ter zijde).’t Is gisting in ’t bloed; die maakt het vleesch tot god,Een groen gansje, een godin: ’t is afgodische spot.Wij zijn allen aan ’t malen; God geve ons herstel!(Dumainetreedt op, met een papier in de hand.)Longaville.Hoe zend ik dit?—Wie komt? ter zijde! snel!(Hij verschuilt zich).Biron(ter zijde).Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel!’k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen,En schouw ’t geheim der narren, die hier dolen.Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit;Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit!82Dumaine.O allergodd’lijkst Kaatje!Biron(ter zijde).O allergodslasterlijkste dwaas!Dumaine.Bij ’t hemelrijk! een wonder voor het oog!Biron(ter zijde).Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt te hoog.Dumaine.Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!Biron(ter zijde).Een amberkleur’ge raaf waar’ meer dan raar.Dumaine.Slank als de ceder.Biron(ter zijde).Krom! haar schouder, ach!Moet zeker kind’ren.Dumaine.Moet zeker kind’ren.Schoon gelijk de dag.Biron(ter zijde).Als meen’ge dag; dan moet de zon niet schijnen.Dumaine.O, hadde ik mijnen wensch!Longaville.(ter zijde).En ik den mijnen!Koning(ter zijde).En ik den mijnen, hemel!Biron(ter zijde).Amen, zeg ik voort,Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?Dumaine.Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in ’t bloed,Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Biron(ter zijde).Een koorts in ’t bloed? Nu, die tapt u in schalenEen aderlating af; o lieflijk dwalen!Dumaine.Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.Biron(ter zijde).Nog eens hoor ik, hoe min ’t verstand verdreef.Dumaine(leest).“Op een dag,—o booze dagVan de zoete Meie!—zagLiefde een roosje met genugt’Spelen in de dart’le lucht;Door ’t fluweelen loof der hegVond de onzichtb’re wind zijn weg,En de knaap, in stervenspijn,Wenschte ’s hemels aâm te zijn.“Lucht,” zoo sprak hij, “kust haar vrij;Zaal’ge lucht, ware ik als gij!Wee! ’k verpandde woord en trouw,Dat ik nooit u plukken zou!Ach, wat eed voor teed’re jeugd,Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd!Neen, geen zonde zij ’t geacht,Zoo ’k mijn eed om u verkracht,U, die Jupiter zoudt nopenJuno een moorin te doopen,En zijn godheid te verzaken,Om als mensch voor u te blaken.””120Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemdMijn leed, het hong’ren van mijn hart, haar noemt.O waar’ de vorst, Biron en LongavilleNu ook verliefd! Besmette ook hunne zieleMeineed! dit wiesch van ’t voorhoofd mij de vlek;Want niemand valt in ’t oog, zijn allen gek.Longaville(te voorschijn tredend).Dumaine, uw min woont in geen christ’lijk hart.Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart.Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood,Wierd ik aldus betrapt in bitt’ren nood.Koning(vooruittredend).Zoo bloos dan; zijn geval is ’t uwe, heer,Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer;Gij mint Maria niet! nooit van zijn levenHeeft Longaville een rijmbrief haar geweven!Zijn armen op de borst nooit saamgekruist,Tot stilling van een hart, waar liefde in huist!’k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen,Bespeurde u beide’ en moest om beiden blozen,Vernam uw zondig rijm’len, hoorde uw klachten,Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten,“Wee mij!” roept de één, en die: “O Jupiter!”Voor de’ een is haar van goud, dien ’t oog een ster;(TotLongaville.)Gij, breken zoudt ge om ’t paradijs uw eeden;(TotDumaine.)Als gij zou Jupiter een eed vertreden!—Wat zal Biron wel zeggen bij het hoorenVan ’t schennen uwer trouw, zoo luid bezworenWat zal hij spotten, plagen, steek’lig zingen,Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen!’k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bijNiet willen, dat hij zooveel wist van mij!Biron(ter zijde).Nu treed ik op, en geesel huichelarij.—(Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.)Mijn beste vorst, ik bid u, ’t sta mij vrij:Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagenAan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagenZijn ooit uw oogen; in uw tranenvlietKan geen prinses zich spieg’len, zeker niet!Gij breekt geen eed ooit, ’t ware u ergernis;En niemand rijm’, dan wiens beroep het is!Maar staat gij niet beschaamd?—gij niet in nood,Dat elk van u zoo ver van ’t doelwit schoot?Uw’ splinter vond de koning,(OpDumainewijzend,totLongaville.)gij den zijnen;Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen.O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik,Van leed en kommer, zuchten en gesnik!Hoe zag ik, spraak’loos van verwondering,Dat een monarch een mug werd, gonzen ging!De groote Hercules een drijftol zweepte,De wijze Salomo met deuntjes dweepte,En Nestor met de knapen paardje speelde,En Timon lachend kinderschaapjes streelde!Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel ’t mee!171En beste Longavill’, waar schuilt uw wee?Waar ’t uwe, heer en vorst? Niet waar, in ’t hart?Een wijnsoep, hé!Koning.Te steek’lig is uw gard.Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?Biron.Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet.Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken,Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken;Ik ben verraden, wijl ik mij verbondMet mannen, die ik zwak, meineedig vond.Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf?Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijfMet haar en baard? spreek ik ooit opgetogenTot lof van hand en voet, gelaat en oogen,Van leest en geest, hals, houding, boezem, been,Van kin en knie?—(Hij ontwaartDikkopmetJacquenettaen wil ijlings wegloopen.)Koning.Wat is ’t? waar ijlt gij heen?Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?Biron.De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!(Hij blijft op een wenk van den Koning staan.)(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.Heer koning!Koning(totDikkop).Zoo, wat brengt gij voor kaproen?Dikkop.O heer, een stuk verraad!Koning.O heer, een stuk verraad!Wat moet verraad hier doen?Dikkop.O heer, het doet u niets.Koning.Dan wensch ik niets te ontdekken,En mag ’t verraad met u in vrede henentrekken.Jacquenetta.Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen,Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.Koning.Biron, kijk hem in.—(Hij geeft den brief aanBiron.)Biron, kijk hem in.—Van wien hebt gij den brief?Jacquenetta.Van Dikkop.Koning(totDikkop).En gij, van wien gij?Dikkop.Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.(Bironverscheurt den brief.)Koning(totBiron).Wat is ’t? wat komt u over, dat gij den brief verscheurt?Biron.’t Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.Longaville.Wij willen ’t hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt!202Dumaine(de stukken oprapend).Het schrift is van Biron; ja zie, zijn naam aan ’t end!Biron(totDikkop).O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande en ellend!—O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Koning.O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Wat dan?Biron.Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man.Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood,Zijn dieven op ’t punt van liefde, en wij verdienen den dood.Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.Dumaine.’t Getal is nu even.Biron.’t Getal is nu even.Een vierspan, op mijne eer.Wat doen die tortels hier nog?Koning.Wat doen die tortels hier nog?Nu, vrienden, gij kunt gaan.Dikkop.Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.(DikkopenJacquenettaaf.)Biron.Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd!Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen;De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt,En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen;Wij kunnen ’s levens oorzaak niet versmoren;Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.Koning.’t Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?Biron.Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen,De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan,Bij ’t rijzen van den eersten oostergloed,Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan,En kust den lagen grond met vroom gemoed?Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindtDen moed haar in het hemelsch oog te staren,En wordt niet door haar majesteit verblind?Koning.Wat dwaze woede is u in ’t brein gevaren?Mijn liefde is zelf de maan aan ’s hemels boog,Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.Biron.Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog.De dag wierd nacht, waar’ mijn geliefde er niet!O, de uitgelezenste aller tinten kwamen,Als tot een feest, bijeen op hare wang;En ’t eêlste smolt daar met het eêlste samen,En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang’.Leen mij de bloemen aller redekunst;—Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon!Voor koopwaar bedel’ koopmanslof zich gunst,Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon.241Een kluiz’naar, wien een honderd winters hind’ren,Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af;Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind’ren,Leent de eerste jeugd der wieg aan ’s grijsaards staf;O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!Koning.Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!Biron.Is ebbenhout als zij? dan godd’lijk hout!Een vrouw uit zulk een hout waar’ ’t heilrijkst lot.Wie reikt mij ’t bijbelboek, opdat ik zweer,Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten wareZij van haar oogen gloedvol blikken leer’;O, schoon is geen gelaat, min zwart dan ’t hare.Koning.Wat paradox! Zwart is de leus der hel,De kleur van krochten, en het kleed der nacht;En blankheid staat bij hemelreinheid wel.Biron.De duivel lokt liefst in der englen dracht.Zoo ravenzwart mijn liefste’s hoofd bedekt,Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernisMet ijd’len schijn verliefde dwazen trekt;Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is.De mode erkent haar schoonheid; en dit doetNatuurlijk bloed den lof van verf verwerven;En noopt het blank, dat gisping duchten moet,Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.Dumaine.Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.Longaville.De kolenbrander heeft een blank gezicht.Koning.En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.Dumaine.Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.Biron.Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen,Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn’.Koning.Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen,Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.Biron.Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.Koning.Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.Dumaine.Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.Longaville(zijn voet vooruitstekend).Zie, ’t beeld van uw geliefde is hier mijn schoen.Biron.Bestond het straatplaveisel uit uw oogen,Te ruw waar’ ’t voor haar voet en te gering.Dumaine.O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen,280Dat die weg opzag, als ze er over ging.Koning.Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?Biron.Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.Koning.Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig,Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.Dumaine.Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!Longaville.Voortreff’lijk ja, een sluwe vond, een list,Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!Dumaine.Een zalf voor meineed!Biron.Een zalf voor meineed!Nu, hoog noodig is ’t.Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne,En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten;Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien:Blijkbaar verraad aan ’t koningschap der jeugd!Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magenVeel, veel te jong; onthouding maakte u krank.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,[Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,De heerlijkheid doorgrond van diepe studie,Zoo niet door ’t wonderschoon gelaat der vrouw?Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool,Die ’t echte Prometheïsch vuur doen vlammen.]Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want welk een schrijver in de gansche wereldLeert zulk een schoonheid als een vrouwenoog?Het weten toch is slechts een deel van ons,En waar wij zijn, daar is ons weten ook;Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen,Zien wij ons weten daar dan ook niet in?Wij deden de’ eed van te studeeren, vrienden,Doch daarmee zwoeren we onze boeken af;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevondenDer schoone verzen, die ’t bezielend oogDer schoone meesteressen thans u ingaf?323De traag’re kunsten zeet’len gansch in ’t brein,En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden,Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst;Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd,Woont geenszins ingemetseld in het brein,Maar vliegt, met aller elementen leven,Snel, als gedachten ’t zijn, naar elke kracht,En geeft aan elke kracht een dubb’le kracht,Ver boven hare taak en dienstverplichting;Zij schenkt aan ’t oog een nieuw en kostlijk zien;Het oog des minnaars staart den aad’laar blind;Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid,Zelfs dat aan de’ argwaan van den dief ontsnapt;’t Gevoel der liefde is fijner, meer gevoeligDan bij de huisjesslak de teed’re horens;Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak.Is niet de liefde in moed een Hercules,Die in ’t geboomt’ der Hesperiden klimt?Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziekAls Phœbus’ lier, bespannen met zijn haar?Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koorDen hemel met hun harmonie aan ’t droomen.Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen,Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd;O! dan verrukt zijn lied der wilden oor,En plant erbarmen in tyrannenharten.Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij sprank’len staâg het echt Prometheusvuur;Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool,Die heel de wereld leert, omvat en voedt;En niemand anders is in iets voortreff’lijk.Dies waart gij dwaas, toen gij deez’ vrouwen afzwoert,En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas.In naam der wijsheid,—’t woord, dat mannen minnen,—In naam der min,—het woord, dat mannen streelt,—In naam der mannen,—scheppers dezer vrouwen,—In naam der vrouwen,—de oorsprong van ons, mannen,—Verzaken we onzen eed, tot ons behoud,Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf.De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan,Want menschenmin vervult de hoogste wet,En wie kan menschenmin van liefde scheiden?Koning.Dan, Sint Cupido! en in ’t veld, soldaten!Biron.Ontplooit uw standaards, heeren, er op los!Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad,Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!Longaville.Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is ’t?Wij maken ’t hof dus aan de Fransche meisjes?Koning.En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht!Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.Biron.Wij leiden haar dan eerst van ’t park daarheen;En voor die wandeling zoek’ zich elk de handDer uitverkoren schoone. Na den middagVermake haar een geestig tijdverdrijf,Zoo goed de korte tijd het scheppen kan;Want dartele uren, maskerspel en dansen,’t Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.Koning.Van hier, van hier! Terstond aan ’t werk! want tijd,Zoo wij hem niet verbeuz’len, brengt profijt.Biron.Allons!wie onkruid zaait, oogst nimmer koren;Gerechtigheid weegt alles even zwaar;Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren;Ons koper geeft geen recht op beter waar.(Allen af.)
Eerste Tooneel.Voor de tenten in het park.De Prinses,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden, Gevolg en een Houtvester komen op.Prinses.Was dat de koning, die zijn paard zoo spoorde,De steile helling van den heuvel op?Boyet.Ik weet niet, maar mij dunkt, hij was het niet.Prinses.Wie ’t wezen mocht, hoogdravend was zijn streven.We ontvingen, heeren, ons bescheid vandaag,En keeren Zaterdag naar Frankrijk weer.—Houtvester, spreek, waar is nu dat geboomte,Waarin wij voor ons moordspel moeten staan?Houtvester.Vlakbij, daar aan den hoek van ’t kreupelhout;Die stand is goed, daar hebt gij ’t schoonste schot.Prinses.Gij denkt, het is de schoonheid, die daar schiet;En daarom spreekt gij van het schoonste schot.Houtvester.Vergeef, vorstin, dat is ’t niet, wat ik meen.13Prinses.Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij “neen”?Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!Houtvester.Zeer schoon, prinses.Prinses.Zeer schoon, prinses.Neen, geen blanketsel thans;Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans.Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;(Zij geeft hem geld.)Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.Houtvester.O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.Prinses.Mijn schoon vond redding in der werken loon!O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd!Schoon wordt de onschoone hand, die rijk’lijk geeft!—Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht;En ’t beste schot wordt dan voor boos geacht.Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet;Verwond ik niet, de deernis duldde ’t niet,Verwond ik, ’k heb alleen mijn kunst getoond;Geen moord-, maar roemzucht is ’t, die in mij woont.Wie kan ontkennen, dat niet inderdaadDe roemzucht wreede gruw’len soms begaat,Indien naar eer en lof, armzaal’gen schijn,De krachten van ons hart begeerig zijn;Zooals mij enkel lust naar lof het bloedVan herten, die mij lief zijn, spillen doet?35Boyet.Is ’t roemzucht niet, die booze vrouwen stijftIn ’t opperste gezag, en die ze drijftHeer van haar heer te zijn?Prinses.De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof,Voor wie een heer der schepping kruipt in ’t stof.(Dikkopkomt op.)Boyet.Daar komt een lid van hun gemeenebest.Dikkop.Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.Prinses.Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen het hoofd kwijt.Dikkop.Wie is de grootste dame, de hoogste?Prinses.Die het dikst en het langst is.Dikkop.Die het dikst en ’t langst is? het is zoo; waar is waar.Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw,Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou.Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.Prinses.Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?Dikkop.Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline te geven.53Prinses.Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; ’t is om ’t even.—Verder weg, wakk’re bode!—Boyet, gij kunt trancheeren,Snijd dit kapoentje eens voor.Boyet.Snijd dit kapoentje eens voor.’k Voldoe aan uw begeeren.—Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor;Hij is aan Jacquenetta.Prinses.Hij is aan Jacquenetta.Toch lezen; ga door!Breek aan ’t zegel den hals; en een elk leene ’t oor.Boyet(leest).“Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf, dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker danbekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen:veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,—o lage en duistere gemeene taal!—luidt,videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens zijde? aan die des konings?—neen, aan die van beiden in één; of aan die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis; gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord, profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en mijn hart aan uw gezamenlijke persoon.87“De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,“Don Adriano De Armado.“Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen,Lam, die als buit hem in de klauwen vielt;Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen,Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt;Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot?Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot.”Prinses.Wat voor een veêrbos is ’t, die zulk een onzin schreef?Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?Boyet.Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.Prinses.Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.Boyet.Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in ’t park hier een woning;Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koningEn voor zijn studiegenooten.Prinses.En voor zijn studiegenooten.Gij knaap daar, zeg iets meer;Wie gaf u dien brief?Dikkop.Wie gaf u dien brief?Ik zeide ’t reeds, mijn heer.Prinses.Aan wien moest gij hem geven?Dikkop.Aan wien moest gij hem geven?Van mijn heer aan een juffer.Prinses.En spreek, van welken heer en aan welke juffer?Dikkop.Van de’ eedlen heer Biron, dien ’k onderdanig diene,Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.Prinses.Gij hebt den brief verwisseld.—Komt, heeren, mij na!—(TotRosaline.)Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.(De Prinses en haar Gevolg af.)Boyet.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Rosaline.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Richt gij tot mij uw vragen?Boyet.Ja, kort begrip van schoonheid!Rosaline.Ja, kort begrip van schoonheid!Die gij den boog ziet dragen.Daar zijt gij goed bediend!Boyet.Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij,’k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij.Dit was raak!115Rosaline.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.Boyet.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.En hebt ge een buit op ’t oog?Rosaline.Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog.Dit was raak, inderdaad!Maria.Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.Boyet.En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.Rosaline.Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was, wat dat treffen betreft?Boyet.Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden, dat al een vrouw was, toenkoningin Genevravan Brittanje nog een klein meisje was, wat dat treffen betreft.Rosaline.Gij kunt niet raken, raken, raken,Gij kunt niet raken, goede man.Boyet.Zoo ik, zoo ik, zoo ik ’t niet kan,Dan komt een ander, die het kan.(RosalineenCatharinaaf.)Dikkop.Op mijn woord, recht vermaak’lijk; ’t ging hard tegen hard!Maria.De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen ’t zwart.Boyet.De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten,Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.Maria.Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.Dikkop.Ja, om in ’t zwart te treffen, is de afstand te wijd.Boyet.Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.Dikkop.’t Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.Maria.Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.Dikkop.Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.Boyet.Ik vrees te veel poedels.—Nu, uiltje, slaap wel!(BoyetenMariaaf.)Dikkop.Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed!142Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed!Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug,En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!—Armado aan de’ eenen kant,—o wat suikeren man!Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan!Een kushand te geven en aardig te zweren weet!—En zijn page aan de’ anderen kant, die handvol geest, die aap!O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!(Jachtgedruisch achter het tooneel.)Halloo! halloo!(Dikkopaf.)
Eerste Tooneel.Voor de tenten in het park.De Prinses,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden, Gevolg en een Houtvester komen op.Prinses.Was dat de koning, die zijn paard zoo spoorde,De steile helling van den heuvel op?Boyet.Ik weet niet, maar mij dunkt, hij was het niet.Prinses.Wie ’t wezen mocht, hoogdravend was zijn streven.We ontvingen, heeren, ons bescheid vandaag,En keeren Zaterdag naar Frankrijk weer.—Houtvester, spreek, waar is nu dat geboomte,Waarin wij voor ons moordspel moeten staan?Houtvester.Vlakbij, daar aan den hoek van ’t kreupelhout;Die stand is goed, daar hebt gij ’t schoonste schot.Prinses.Gij denkt, het is de schoonheid, die daar schiet;En daarom spreekt gij van het schoonste schot.Houtvester.Vergeef, vorstin, dat is ’t niet, wat ik meen.13Prinses.Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij “neen”?Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!Houtvester.Zeer schoon, prinses.Prinses.Zeer schoon, prinses.Neen, geen blanketsel thans;Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans.Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;(Zij geeft hem geld.)Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.Houtvester.O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.Prinses.Mijn schoon vond redding in der werken loon!O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd!Schoon wordt de onschoone hand, die rijk’lijk geeft!—Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht;En ’t beste schot wordt dan voor boos geacht.Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet;Verwond ik niet, de deernis duldde ’t niet,Verwond ik, ’k heb alleen mijn kunst getoond;Geen moord-, maar roemzucht is ’t, die in mij woont.Wie kan ontkennen, dat niet inderdaadDe roemzucht wreede gruw’len soms begaat,Indien naar eer en lof, armzaal’gen schijn,De krachten van ons hart begeerig zijn;Zooals mij enkel lust naar lof het bloedVan herten, die mij lief zijn, spillen doet?35Boyet.Is ’t roemzucht niet, die booze vrouwen stijftIn ’t opperste gezag, en die ze drijftHeer van haar heer te zijn?Prinses.De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof,Voor wie een heer der schepping kruipt in ’t stof.(Dikkopkomt op.)Boyet.Daar komt een lid van hun gemeenebest.Dikkop.Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.Prinses.Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen het hoofd kwijt.Dikkop.Wie is de grootste dame, de hoogste?Prinses.Die het dikst en het langst is.Dikkop.Die het dikst en ’t langst is? het is zoo; waar is waar.Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw,Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou.Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.Prinses.Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?Dikkop.Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline te geven.53Prinses.Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; ’t is om ’t even.—Verder weg, wakk’re bode!—Boyet, gij kunt trancheeren,Snijd dit kapoentje eens voor.Boyet.Snijd dit kapoentje eens voor.’k Voldoe aan uw begeeren.—Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor;Hij is aan Jacquenetta.Prinses.Hij is aan Jacquenetta.Toch lezen; ga door!Breek aan ’t zegel den hals; en een elk leene ’t oor.Boyet(leest).“Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf, dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker danbekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen:veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,—o lage en duistere gemeene taal!—luidt,videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens zijde? aan die des konings?—neen, aan die van beiden in één; of aan die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis; gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord, profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en mijn hart aan uw gezamenlijke persoon.87“De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,“Don Adriano De Armado.“Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen,Lam, die als buit hem in de klauwen vielt;Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen,Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt;Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot?Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot.”Prinses.Wat voor een veêrbos is ’t, die zulk een onzin schreef?Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?Boyet.Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.Prinses.Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.Boyet.Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in ’t park hier een woning;Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koningEn voor zijn studiegenooten.Prinses.En voor zijn studiegenooten.Gij knaap daar, zeg iets meer;Wie gaf u dien brief?Dikkop.Wie gaf u dien brief?Ik zeide ’t reeds, mijn heer.Prinses.Aan wien moest gij hem geven?Dikkop.Aan wien moest gij hem geven?Van mijn heer aan een juffer.Prinses.En spreek, van welken heer en aan welke juffer?Dikkop.Van de’ eedlen heer Biron, dien ’k onderdanig diene,Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.Prinses.Gij hebt den brief verwisseld.—Komt, heeren, mij na!—(TotRosaline.)Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.(De Prinses en haar Gevolg af.)Boyet.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Rosaline.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Richt gij tot mij uw vragen?Boyet.Ja, kort begrip van schoonheid!Rosaline.Ja, kort begrip van schoonheid!Die gij den boog ziet dragen.Daar zijt gij goed bediend!Boyet.Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij,’k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij.Dit was raak!115Rosaline.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.Boyet.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.En hebt ge een buit op ’t oog?Rosaline.Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog.Dit was raak, inderdaad!Maria.Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.Boyet.En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.Rosaline.Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was, wat dat treffen betreft?Boyet.Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden, dat al een vrouw was, toenkoningin Genevravan Brittanje nog een klein meisje was, wat dat treffen betreft.Rosaline.Gij kunt niet raken, raken, raken,Gij kunt niet raken, goede man.Boyet.Zoo ik, zoo ik, zoo ik ’t niet kan,Dan komt een ander, die het kan.(RosalineenCatharinaaf.)Dikkop.Op mijn woord, recht vermaak’lijk; ’t ging hard tegen hard!Maria.De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen ’t zwart.Boyet.De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten,Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.Maria.Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.Dikkop.Ja, om in ’t zwart te treffen, is de afstand te wijd.Boyet.Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.Dikkop.’t Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.Maria.Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.Dikkop.Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.Boyet.Ik vrees te veel poedels.—Nu, uiltje, slaap wel!(BoyetenMariaaf.)Dikkop.Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed!142Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed!Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug,En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!—Armado aan de’ eenen kant,—o wat suikeren man!Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan!Een kushand te geven en aardig te zweren weet!—En zijn page aan de’ anderen kant, die handvol geest, die aap!O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!(Jachtgedruisch achter het tooneel.)Halloo! halloo!(Dikkopaf.)
Voor de tenten in het park.
De Prinses,Rosaline,Maria,Catharina,Boyet,Edellieden, Gevolg en een Houtvester komen op.
Prinses.Was dat de koning, die zijn paard zoo spoorde,De steile helling van den heuvel op?
Prinses.
Was dat de koning, die zijn paard zoo spoorde,
De steile helling van den heuvel op?
Boyet.Ik weet niet, maar mij dunkt, hij was het niet.
Boyet.
Ik weet niet, maar mij dunkt, hij was het niet.
Prinses.Wie ’t wezen mocht, hoogdravend was zijn streven.We ontvingen, heeren, ons bescheid vandaag,En keeren Zaterdag naar Frankrijk weer.—Houtvester, spreek, waar is nu dat geboomte,Waarin wij voor ons moordspel moeten staan?
Prinses.
Wie ’t wezen mocht, hoogdravend was zijn streven.
We ontvingen, heeren, ons bescheid vandaag,
En keeren Zaterdag naar Frankrijk weer.—
Houtvester, spreek, waar is nu dat geboomte,
Waarin wij voor ons moordspel moeten staan?
Houtvester.Vlakbij, daar aan den hoek van ’t kreupelhout;Die stand is goed, daar hebt gij ’t schoonste schot.
Houtvester.
Vlakbij, daar aan den hoek van ’t kreupelhout;
Die stand is goed, daar hebt gij ’t schoonste schot.
Prinses.Gij denkt, het is de schoonheid, die daar schiet;En daarom spreekt gij van het schoonste schot.
Prinses.
Gij denkt, het is de schoonheid, die daar schiet;
En daarom spreekt gij van het schoonste schot.
Houtvester.Vergeef, vorstin, dat is ’t niet, wat ik meen.13
Houtvester.
Vergeef, vorstin, dat is ’t niet, wat ik meen.13
Prinses.Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij “neen”?Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!
Prinses.
Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij “neen”?
Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!
Houtvester.Zeer schoon, prinses.
Houtvester.
Zeer schoon, prinses.
Prinses.Zeer schoon, prinses.Neen, geen blanketsel thans;Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans.Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;
Prinses.
Zeer schoon, prinses.Neen, geen blanketsel thans;
Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans.
Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;
(Zij geeft hem geld.)
Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.
Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.
Houtvester.O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.
Houtvester.
O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.
Prinses.Mijn schoon vond redding in der werken loon!O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd!Schoon wordt de onschoone hand, die rijk’lijk geeft!—Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht;En ’t beste schot wordt dan voor boos geacht.Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet;Verwond ik niet, de deernis duldde ’t niet,Verwond ik, ’k heb alleen mijn kunst getoond;Geen moord-, maar roemzucht is ’t, die in mij woont.Wie kan ontkennen, dat niet inderdaadDe roemzucht wreede gruw’len soms begaat,Indien naar eer en lof, armzaal’gen schijn,De krachten van ons hart begeerig zijn;Zooals mij enkel lust naar lof het bloedVan herten, die mij lief zijn, spillen doet?35
Prinses.
Mijn schoon vond redding in der werken loon!
O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd!
Schoon wordt de onschoone hand, die rijk’lijk geeft!—
Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht;
En ’t beste schot wordt dan voor boos geacht.
Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet;
Verwond ik niet, de deernis duldde ’t niet,
Verwond ik, ’k heb alleen mijn kunst getoond;
Geen moord-, maar roemzucht is ’t, die in mij woont.
Wie kan ontkennen, dat niet inderdaad
De roemzucht wreede gruw’len soms begaat,
Indien naar eer en lof, armzaal’gen schijn,
De krachten van ons hart begeerig zijn;
Zooals mij enkel lust naar lof het bloed
Van herten, die mij lief zijn, spillen doet?35
Boyet.Is ’t roemzucht niet, die booze vrouwen stijftIn ’t opperste gezag, en die ze drijftHeer van haar heer te zijn?
Boyet.
Is ’t roemzucht niet, die booze vrouwen stijft
In ’t opperste gezag, en die ze drijft
Heer van haar heer te zijn?
Prinses.De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof,Voor wie een heer der schepping kruipt in ’t stof.
Prinses.
De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof,
Voor wie een heer der schepping kruipt in ’t stof.
(Dikkopkomt op.)
Boyet.Daar komt een lid van hun gemeenebest.
Boyet.
Daar komt een lid van hun gemeenebest.
Dikkop.Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.
Dikkop.
Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.
Prinses.Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen het hoofd kwijt.
Prinses.
Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen het hoofd kwijt.
Dikkop.Wie is de grootste dame, de hoogste?
Dikkop.
Wie is de grootste dame, de hoogste?
Prinses.Die het dikst en het langst is.
Prinses.
Die het dikst en het langst is.
Dikkop.Die het dikst en ’t langst is? het is zoo; waar is waar.Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw,Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou.Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.
Dikkop.
Die het dikst en ’t langst is? het is zoo; waar is waar.
Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw,
Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou.
Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.
Prinses.Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?
Prinses.
Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?
Dikkop.Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline te geven.53
Dikkop.
Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline te geven.53
Prinses.Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; ’t is om ’t even.—Verder weg, wakk’re bode!—Boyet, gij kunt trancheeren,Snijd dit kapoentje eens voor.
Prinses.
Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; ’t is om ’t even.—
Verder weg, wakk’re bode!—Boyet, gij kunt trancheeren,
Snijd dit kapoentje eens voor.
Boyet.Snijd dit kapoentje eens voor.’k Voldoe aan uw begeeren.—Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor;Hij is aan Jacquenetta.
Boyet.
Snijd dit kapoentje eens voor.’k Voldoe aan uw begeeren.—
Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor;
Hij is aan Jacquenetta.
Prinses.Hij is aan Jacquenetta.Toch lezen; ga door!Breek aan ’t zegel den hals; en een elk leene ’t oor.
Prinses.
Hij is aan Jacquenetta.Toch lezen; ga door!
Breek aan ’t zegel den hals; en een elk leene ’t oor.
Boyet(leest).“Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf, dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker danbekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen:veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,—o lage en duistere gemeene taal!—luidt,videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens zijde? aan die des konings?—neen, aan die van beiden in één; of aan die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis; gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord, profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en mijn hart aan uw gezamenlijke persoon.87“De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,“Don Adriano De Armado.
Boyet
(leest).“Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf, dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker danbekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen:veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,—o lage en duistere gemeene taal!—luidt,videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens zijde? aan die des konings?—neen, aan die van beiden in één; of aan die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis; gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord, profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en mijn hart aan uw gezamenlijke persoon.87
“De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,
“Don Adriano De Armado.
“Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen,Lam, die als buit hem in de klauwen vielt;Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen,Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt;Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot?Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot.”
“Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen,
Lam, die als buit hem in de klauwen vielt;
Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen,
Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt;
Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot?
Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot.”
Prinses.Wat voor een veêrbos is ’t, die zulk een onzin schreef?Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?
Prinses.
Wat voor een veêrbos is ’t, die zulk een onzin schreef?
Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?
Boyet.Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.
Boyet.
Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.
Prinses.Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.
Prinses.
Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.
Boyet.Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in ’t park hier een woning;Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koningEn voor zijn studiegenooten.
Boyet.
Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in ’t park hier een woning;
Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koning
En voor zijn studiegenooten.
Prinses.En voor zijn studiegenooten.Gij knaap daar, zeg iets meer;Wie gaf u dien brief?
Prinses.
En voor zijn studiegenooten.Gij knaap daar, zeg iets meer;
Wie gaf u dien brief?
Dikkop.Wie gaf u dien brief?Ik zeide ’t reeds, mijn heer.
Dikkop.
Wie gaf u dien brief?Ik zeide ’t reeds, mijn heer.
Prinses.Aan wien moest gij hem geven?
Prinses.
Aan wien moest gij hem geven?
Dikkop.Aan wien moest gij hem geven?Van mijn heer aan een juffer.
Dikkop.
Aan wien moest gij hem geven?Van mijn heer aan een juffer.
Prinses.En spreek, van welken heer en aan welke juffer?
Prinses.
En spreek, van welken heer en aan welke juffer?
Dikkop.Van de’ eedlen heer Biron, dien ’k onderdanig diene,Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.
Dikkop.
Van de’ eedlen heer Biron, dien ’k onderdanig diene,
Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.
Prinses.Gij hebt den brief verwisseld.—Komt, heeren, mij na!—(TotRosaline.)Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.
Prinses.
Gij hebt den brief verwisseld.—Komt, heeren, mij na!—
(TotRosaline.)Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.
(De Prinses en haar Gevolg af.)
Boyet.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?
Boyet.
Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?
Rosaline.Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Richt gij tot mij uw vragen?
Rosaline.
Wie is ’t, die jaagt, die jaagt?Richt gij tot mij uw vragen?
Boyet.Ja, kort begrip van schoonheid!
Boyet.
Ja, kort begrip van schoonheid!
Rosaline.Ja, kort begrip van schoonheid!Die gij den boog ziet dragen.Daar zijt gij goed bediend!
Rosaline.
Ja, kort begrip van schoonheid!Die gij den boog ziet dragen.
Daar zijt gij goed bediend!
Boyet.Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij,’k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij.Dit was raak!115
Boyet.
Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij,
’k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij.
Dit was raak!115
Rosaline.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.
Rosaline.
Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.
Boyet.Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.En hebt ge een buit op ’t oog?
Boyet.
Nu, ik ben ’t zelf, die jaag.En hebt ge een buit op ’t oog?
Rosaline.Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog.Dit was raak, inderdaad!
Rosaline.
Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog.
Dit was raak, inderdaad!
Maria.Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.
Maria.
Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.
Boyet.En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.
Boyet.
En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.
Rosaline.Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was, wat dat treffen betreft?
Rosaline.
Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was, wat dat treffen betreft?
Boyet.Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden, dat al een vrouw was, toenkoningin Genevravan Brittanje nog een klein meisje was, wat dat treffen betreft.
Boyet.
Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden, dat al een vrouw was, toenkoningin Genevravan Brittanje nog een klein meisje was, wat dat treffen betreft.
Rosaline.Gij kunt niet raken, raken, raken,Gij kunt niet raken, goede man.
Rosaline.
Gij kunt niet raken, raken, raken,
Gij kunt niet raken, goede man.
Boyet.Zoo ik, zoo ik, zoo ik ’t niet kan,Dan komt een ander, die het kan.
Boyet.
Zoo ik, zoo ik, zoo ik ’t niet kan,
Dan komt een ander, die het kan.
(RosalineenCatharinaaf.)
Dikkop.Op mijn woord, recht vermaak’lijk; ’t ging hard tegen hard!
Dikkop.
Op mijn woord, recht vermaak’lijk; ’t ging hard tegen hard!
Maria.De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen ’t zwart.
Maria.
De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen ’t zwart.
Boyet.De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten,Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.
Boyet.
De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten,
Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.
Maria.Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.
Maria.
Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.
Dikkop.Ja, om in ’t zwart te treffen, is de afstand te wijd.
Dikkop.
Ja, om in ’t zwart te treffen, is de afstand te wijd.
Boyet.Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.
Boyet.
Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.
Dikkop.’t Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.
Dikkop.
’t Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.
Maria.Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.
Maria.
Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.
Dikkop.Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.
Dikkop.
Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.
Boyet.Ik vrees te veel poedels.—Nu, uiltje, slaap wel!
Boyet.
Ik vrees te veel poedels.—Nu, uiltje, slaap wel!
(BoyetenMariaaf.)
Dikkop.Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed!142Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed!Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug,En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!—Armado aan de’ eenen kant,—o wat suikeren man!Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan!Een kushand te geven en aardig te zweren weet!—En zijn page aan de’ anderen kant, die handvol geest, die aap!O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!
Dikkop.
Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed!142
Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed!
Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug,
En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!—
Armado aan de’ eenen kant,—o wat suikeren man!
Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan!
Een kushand te geven en aardig te zweren weet!—
En zijn page aan de’ anderen kant, die handvol geest, die aap!
O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!
(Jachtgedruisch achter het tooneel.)
Halloo! halloo!
Halloo! halloo!
(Dikkopaf.)
Tweede Tooneel.Aldaar.Een ander gedeelte van het park.Holofernes,NathanaëlenDomkomen op.Nathanaël.Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder de getuigenis van een goed geweten.Holofernes.Het hert was, zooals gij weet,sanguis, met vurig bloed;—rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het oor vancoelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,—en dan nedervalt als een gewone appel op het gelaat vanterra, den grond, het land, het aardrijk.Nathanaël.Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker u, heer magister, het was een voljarig hert.Holofernes.Heer geestelijke,haud credo...Dom.Het was geenhaud credo, het was een spitser.Holofernes.Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van insinuatie, als het warein via, op den weg der explicatie, om een replicatie, als het ware, te maken,facere, of veeleer zijn inclinatie te toonen,ostentare,—volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste, ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of veeleerder ongeconfirmeerde manier,—van wederom mijnhaud credovoor een hert te insereeren.Dom.Ik heb gezegd, dat het dier geenhaud credo, maar een spitser was.Holofernes.O tweemaal gezoden onnoozelheid,bis coctus!O gij monsterIgnorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit!24Nathanaël.Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een boek omsluit;hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is slechts eenanimal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen wezen,—Gelijk wij bij ’t proeven en voelen ook zijn,—voor de gaven, in ons geprezen;Want mij zou ’t slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek;Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid een vlek;Dochomne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind;Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.Dom.Gij tweeën zijt geleerden; is ’t uw vernuft reeds gebleken,Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?Holofernes.Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.Dom.Wat is Dikdunna?Nathanaël.Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.Holofernes.De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar,Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar.De allusie houdt steek bij de naamsverandering.Dom.’t Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de maansverandering.Holofernes.God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie houdt steek bij demaansverandering.Dom.En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering, want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien, dat heteen spitserwas, wat de prinses geschoten heeft.Holofernes.Heer Nathanaël, wilt gij eens eenextempore epitaphiumop den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.Nathanaël.Ja,perge, beste magister,perge; en maak zoo een eind aan alle onhebbelijke aardigheid.Holofernes.Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt van vaardigheid.“De schoone schietster spande, en schooteen spitser, schuw en slank;Een spitser is gespitste nu,gespietst met hare spies.De spitser kreeg een tweede spits;twee ellen was die lank;En zeg eens, of de spitser nuniet tot een gaff’laar wies.Maar ik voeg bij een hert één L,dan zijn ’t er vijftig, man;En ’t wonder is: met één L meermaak ik er honderd van.”Nathanaël.Een merkwaardig talent voor verzen!64Dom.Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.Holofernes.Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren, beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen; deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoedin den schoot derpia mater, en aan ’t licht gebracht, als de gelegenheid ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik ben er dankbaar voor.Nathanaël.Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger, en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van het gemeenebest.Holofernes.Mehercle!als uw zoonsingeniumhebben, aan instructie zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn, zal ikzelf trachten op haar te werken. Dochvir sapit, qui pauca loquitur.—Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij toe u eens aan te spreken.Holofernes.Heer eerwaarde,quasiherwaarts! Als nu iemand hier aangesproken moet worden, wie is het dan?Dikkop.Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.Holofernes.Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg voor een zwijn; ’t is aardig, ’t is goed.Jacquenetta.Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen brief. Hij werd mij gegeven door Dikkopen mij toegezonden door Don Armado; ik bid u, lees hem.(Nathanaëlleest den brief.)Holofernes.“Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra Ruminat”—en zoo voorts.O goede oude Mantuaan!ik mag van u zeggen, wat de reiziger van Venetië zegt:98“Venetia, Venetia,Chi non ti vede, non ti prezia.”Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.—Ut,re,sol,la,mi,fa.—Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever, zooals Horatius zegt in zijn—Wat, bij mijn ziel! verzen?Nathanaël.Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.Holofernes.Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;lege, domine.Nathanaël(leest).“Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde zweren?Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;En dat ik u vereer, is ’t goede in mijn natuur.Uw oog voert ’s hemels flits, uw stem zijn schrikb’ren donder,Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.O godd’lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig.”Holofernes.Gij vindt de apostropha’s niet en mist daardoor het ware accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de maat in acht genomen, maar watelegantia, zoetvloeiendheid, de gulden cadans betreft,—caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist, Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht?Imitariis niets: dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte paard zijnen ruiter.—Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?Jacquenetta.Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.Holofernes.Ik wil hetsuperscriptumbezien. “Aan de sneeuwwitte hand van de overschoone Rosaline.” Ik wil nog eens letten op het begrip van den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de persoon, aan welke geschreven werd. “Uwer edelheid zich toewijdend voor alle begeerde diensten, Biron.” Heer Nathanaël, deze Biron is een van ’s konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.—Trippel van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel!148Jacquenetta.Beste Dikkop, ga met mij mede.—God behoede uw gezondheid, heer!Dikkop.Ik ga mede, meisje.(DikkopenJacquenettaaf.)Nathanaël.Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods, recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,—Holofernes.Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u, mijnheer Nathanaël?Nathanaël.Zeer goed, wat het schrift betreft.Holofernes.Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd den disch met eengratiaste gratificeeren, krachtens mijnsprivilegiibij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uwbenvenutoop mij wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik verzoek om uw gezelschap.Nathanaël.En ik ben u dankbaar, want gezelschap,—zegt de tekst,—is het geluk des levens.Holofernes.En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den tekst.—(TotDom.)Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen neen zeggen;pauca verba.—Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.(Allen af.)
Tweede Tooneel.Aldaar.Een ander gedeelte van het park.Holofernes,NathanaëlenDomkomen op.Nathanaël.Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder de getuigenis van een goed geweten.Holofernes.Het hert was, zooals gij weet,sanguis, met vurig bloed;—rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het oor vancoelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,—en dan nedervalt als een gewone appel op het gelaat vanterra, den grond, het land, het aardrijk.Nathanaël.Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker u, heer magister, het was een voljarig hert.Holofernes.Heer geestelijke,haud credo...Dom.Het was geenhaud credo, het was een spitser.Holofernes.Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van insinuatie, als het warein via, op den weg der explicatie, om een replicatie, als het ware, te maken,facere, of veeleer zijn inclinatie te toonen,ostentare,—volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste, ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of veeleerder ongeconfirmeerde manier,—van wederom mijnhaud credovoor een hert te insereeren.Dom.Ik heb gezegd, dat het dier geenhaud credo, maar een spitser was.Holofernes.O tweemaal gezoden onnoozelheid,bis coctus!O gij monsterIgnorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit!24Nathanaël.Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een boek omsluit;hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is slechts eenanimal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen wezen,—Gelijk wij bij ’t proeven en voelen ook zijn,—voor de gaven, in ons geprezen;Want mij zou ’t slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek;Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid een vlek;Dochomne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind;Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.Dom.Gij tweeën zijt geleerden; is ’t uw vernuft reeds gebleken,Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?Holofernes.Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.Dom.Wat is Dikdunna?Nathanaël.Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.Holofernes.De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar,Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar.De allusie houdt steek bij de naamsverandering.Dom.’t Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de maansverandering.Holofernes.God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie houdt steek bij demaansverandering.Dom.En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering, want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien, dat heteen spitserwas, wat de prinses geschoten heeft.Holofernes.Heer Nathanaël, wilt gij eens eenextempore epitaphiumop den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.Nathanaël.Ja,perge, beste magister,perge; en maak zoo een eind aan alle onhebbelijke aardigheid.Holofernes.Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt van vaardigheid.“De schoone schietster spande, en schooteen spitser, schuw en slank;Een spitser is gespitste nu,gespietst met hare spies.De spitser kreeg een tweede spits;twee ellen was die lank;En zeg eens, of de spitser nuniet tot een gaff’laar wies.Maar ik voeg bij een hert één L,dan zijn ’t er vijftig, man;En ’t wonder is: met één L meermaak ik er honderd van.”Nathanaël.Een merkwaardig talent voor verzen!64Dom.Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.Holofernes.Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren, beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen; deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoedin den schoot derpia mater, en aan ’t licht gebracht, als de gelegenheid ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik ben er dankbaar voor.Nathanaël.Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger, en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van het gemeenebest.Holofernes.Mehercle!als uw zoonsingeniumhebben, aan instructie zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn, zal ikzelf trachten op haar te werken. Dochvir sapit, qui pauca loquitur.—Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij toe u eens aan te spreken.Holofernes.Heer eerwaarde,quasiherwaarts! Als nu iemand hier aangesproken moet worden, wie is het dan?Dikkop.Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.Holofernes.Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg voor een zwijn; ’t is aardig, ’t is goed.Jacquenetta.Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen brief. Hij werd mij gegeven door Dikkopen mij toegezonden door Don Armado; ik bid u, lees hem.(Nathanaëlleest den brief.)Holofernes.“Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra Ruminat”—en zoo voorts.O goede oude Mantuaan!ik mag van u zeggen, wat de reiziger van Venetië zegt:98“Venetia, Venetia,Chi non ti vede, non ti prezia.”Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.—Ut,re,sol,la,mi,fa.—Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever, zooals Horatius zegt in zijn—Wat, bij mijn ziel! verzen?Nathanaël.Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.Holofernes.Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;lege, domine.Nathanaël(leest).“Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde zweren?Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;En dat ik u vereer, is ’t goede in mijn natuur.Uw oog voert ’s hemels flits, uw stem zijn schrikb’ren donder,Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.O godd’lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig.”Holofernes.Gij vindt de apostropha’s niet en mist daardoor het ware accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de maat in acht genomen, maar watelegantia, zoetvloeiendheid, de gulden cadans betreft,—caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist, Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht?Imitariis niets: dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte paard zijnen ruiter.—Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?Jacquenetta.Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.Holofernes.Ik wil hetsuperscriptumbezien. “Aan de sneeuwwitte hand van de overschoone Rosaline.” Ik wil nog eens letten op het begrip van den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de persoon, aan welke geschreven werd. “Uwer edelheid zich toewijdend voor alle begeerde diensten, Biron.” Heer Nathanaël, deze Biron is een van ’s konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.—Trippel van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel!148Jacquenetta.Beste Dikkop, ga met mij mede.—God behoede uw gezondheid, heer!Dikkop.Ik ga mede, meisje.(DikkopenJacquenettaaf.)Nathanaël.Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods, recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,—Holofernes.Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u, mijnheer Nathanaël?Nathanaël.Zeer goed, wat het schrift betreft.Holofernes.Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd den disch met eengratiaste gratificeeren, krachtens mijnsprivilegiibij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uwbenvenutoop mij wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik verzoek om uw gezelschap.Nathanaël.En ik ben u dankbaar, want gezelschap,—zegt de tekst,—is het geluk des levens.Holofernes.En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den tekst.—(TotDom.)Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen neen zeggen;pauca verba.—Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.(Allen af.)
Aldaar.Een ander gedeelte van het park.
Holofernes,NathanaëlenDomkomen op.
Nathanaël.Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder de getuigenis van een goed geweten.
Nathanaël.
Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder de getuigenis van een goed geweten.
Holofernes.Het hert was, zooals gij weet,sanguis, met vurig bloed;—rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het oor vancoelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,—en dan nedervalt als een gewone appel op het gelaat vanterra, den grond, het land, het aardrijk.
Holofernes.
Het hert was, zooals gij weet,sanguis, met vurig bloed;—rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het oor vancoelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,—en dan nedervalt als een gewone appel op het gelaat vanterra, den grond, het land, het aardrijk.
Nathanaël.Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker u, heer magister, het was een voljarig hert.
Nathanaël.
Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker u, heer magister, het was een voljarig hert.
Holofernes.Heer geestelijke,haud credo...
Holofernes.
Heer geestelijke,haud credo...
Dom.Het was geenhaud credo, het was een spitser.
Dom.
Het was geenhaud credo, het was een spitser.
Holofernes.Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van insinuatie, als het warein via, op den weg der explicatie, om een replicatie, als het ware, te maken,facere, of veeleer zijn inclinatie te toonen,ostentare,—volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste, ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of veeleerder ongeconfirmeerde manier,—van wederom mijnhaud credovoor een hert te insereeren.
Holofernes.
Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van insinuatie, als het warein via, op den weg der explicatie, om een replicatie, als het ware, te maken,facere, of veeleer zijn inclinatie te toonen,ostentare,—volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste, ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of veeleerder ongeconfirmeerde manier,—van wederom mijnhaud credovoor een hert te insereeren.
Dom.Ik heb gezegd, dat het dier geenhaud credo, maar een spitser was.
Dom.
Ik heb gezegd, dat het dier geenhaud credo, maar een spitser was.
Holofernes.O tweemaal gezoden onnoozelheid,bis coctus!O gij monsterIgnorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit!24
Holofernes.
O tweemaal gezoden onnoozelheid,bis coctus!
O gij monsterIgnorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit!24
Nathanaël.Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een boek omsluit;hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is slechts eenanimal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;
Nathanaël.
Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een boek omsluit;
hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is slechts eenanimal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;
Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen wezen,—Gelijk wij bij ’t proeven en voelen ook zijn,—voor de gaven, in ons geprezen;Want mij zou ’t slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek;Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid een vlek;Dochomne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind;Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.
Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen wezen,—
Gelijk wij bij ’t proeven en voelen ook zijn,—voor de gaven, in ons geprezen;
Want mij zou ’t slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek;
Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid een vlek;
Dochomne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind;
Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.
Dom.Gij tweeën zijt geleerden; is ’t uw vernuft reeds gebleken,Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?
Dom.
Gij tweeën zijt geleerden; is ’t uw vernuft reeds gebleken,
Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?
Holofernes.Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.
Holofernes.
Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.
Dom.Wat is Dikdunna?
Dom.
Wat is Dikdunna?
Nathanaël.Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.
Nathanaël.
Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.
Holofernes.De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar,Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar.De allusie houdt steek bij de naamsverandering.
Holofernes.
De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar,
Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar.
De allusie houdt steek bij de naamsverandering.
Dom.’t Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de maansverandering.
Dom.
’t Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de maansverandering.
Holofernes.God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie houdt steek bij demaansverandering.
Holofernes.
God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie houdt steek bij demaansverandering.
Dom.En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering, want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien, dat heteen spitserwas, wat de prinses geschoten heeft.
Dom.
En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering, want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien, dat heteen spitserwas, wat de prinses geschoten heeft.
Holofernes.Heer Nathanaël, wilt gij eens eenextempore epitaphiumop den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.
Holofernes.
Heer Nathanaël, wilt gij eens eenextempore epitaphiumop den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.
Nathanaël.Ja,perge, beste magister,perge; en maak zoo een eind aan alle onhebbelijke aardigheid.
Nathanaël.
Ja,perge, beste magister,perge; en maak zoo een eind aan alle onhebbelijke aardigheid.
Holofernes.Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt van vaardigheid.
Holofernes.
Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt van vaardigheid.
“De schoone schietster spande, en schooteen spitser, schuw en slank;Een spitser is gespitste nu,gespietst met hare spies.De spitser kreeg een tweede spits;twee ellen was die lank;En zeg eens, of de spitser nuniet tot een gaff’laar wies.Maar ik voeg bij een hert één L,dan zijn ’t er vijftig, man;En ’t wonder is: met één L meermaak ik er honderd van.”
“De schoone schietster spande, en schoot
een spitser, schuw en slank;
Een spitser is gespitste nu,
gespietst met hare spies.
De spitser kreeg een tweede spits;
twee ellen was die lank;
En zeg eens, of de spitser nu
niet tot een gaff’laar wies.
Maar ik voeg bij een hert één L,
dan zijn ’t er vijftig, man;
En ’t wonder is: met één L meer
maak ik er honderd van.”
Nathanaël.Een merkwaardig talent voor verzen!64
Nathanaël.
Een merkwaardig talent voor verzen!64
Dom.Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.
Dom.
Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.
Holofernes.Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren, beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen; deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoedin den schoot derpia mater, en aan ’t licht gebracht, als de gelegenheid ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik ben er dankbaar voor.
Holofernes.
Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren, beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen; deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoedin den schoot derpia mater, en aan ’t licht gebracht, als de gelegenheid ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik ben er dankbaar voor.
Nathanaël.Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger, en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van het gemeenebest.
Nathanaël.
Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger, en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van het gemeenebest.
Holofernes.Mehercle!als uw zoonsingeniumhebben, aan instructie zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn, zal ikzelf trachten op haar te werken. Dochvir sapit, qui pauca loquitur.—Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.
Holofernes.
Mehercle!als uw zoonsingeniumhebben, aan instructie zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn, zal ikzelf trachten op haar te werken. Dochvir sapit, qui pauca loquitur.—Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.
(JacquenettaenDikkopkomen op.)
Jacquenetta.God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij toe u eens aan te spreken.
Jacquenetta.
God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij toe u eens aan te spreken.
Holofernes.Heer eerwaarde,quasiherwaarts! Als nu iemand hier aangesproken moet worden, wie is het dan?
Holofernes.
Heer eerwaarde,quasiherwaarts! Als nu iemand hier aangesproken moet worden, wie is het dan?
Dikkop.Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.
Dikkop.
Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.
Holofernes.Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg voor een zwijn; ’t is aardig, ’t is goed.
Holofernes.
Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg voor een zwijn; ’t is aardig, ’t is goed.
Jacquenetta.Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen brief. Hij werd mij gegeven door Dikkopen mij toegezonden door Don Armado; ik bid u, lees hem.
Jacquenetta.
Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen brief. Hij werd mij gegeven door Dikkopen mij toegezonden door Don Armado; ik bid u, lees hem.
(Nathanaëlleest den brief.)
Holofernes.“Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra Ruminat”—en zoo voorts.O goede oude Mantuaan!ik mag van u zeggen, wat de reiziger van Venetië zegt:98
Holofernes.
“Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra Ruminat”—en zoo voorts.O goede oude Mantuaan!ik mag van u zeggen, wat de reiziger van Venetië zegt:98
“Venetia, Venetia,Chi non ti vede, non ti prezia.”
“Venetia, Venetia,
Chi non ti vede, non ti prezia.”
Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.—Ut,re,sol,la,mi,fa.—Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever, zooals Horatius zegt in zijn—Wat, bij mijn ziel! verzen?
Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.—Ut,re,sol,la,mi,fa.—Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever, zooals Horatius zegt in zijn—Wat, bij mijn ziel! verzen?
Nathanaël.Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.
Nathanaël.
Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.
Holofernes.Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;lege, domine.
Holofernes.
Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;lege, domine.
Nathanaël(leest).“Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde zweren?Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;En dat ik u vereer, is ’t goede in mijn natuur.Uw oog voert ’s hemels flits, uw stem zijn schrikb’ren donder,Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.O godd’lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig.”
Nathanaël
(leest).“Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde zweren?
Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!
Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;
Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.
Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,
Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;
Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;
Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,
Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;
En dat ik u vereer, is ’t goede in mijn natuur.
Uw oog voert ’s hemels flits, uw stem zijn schrikb’ren donder,
Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.
O godd’lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,
Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig.”
Holofernes.Gij vindt de apostropha’s niet en mist daardoor het ware accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de maat in acht genomen, maar watelegantia, zoetvloeiendheid, de gulden cadans betreft,—caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist, Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht?Imitariis niets: dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte paard zijnen ruiter.—Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?
Holofernes.
Gij vindt de apostropha’s niet en mist daardoor het ware accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de maat in acht genomen, maar watelegantia, zoetvloeiendheid, de gulden cadans betreft,—caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist, Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht?Imitariis niets: dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte paard zijnen ruiter.—Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?
Jacquenetta.Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.
Jacquenetta.
Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.
Holofernes.Ik wil hetsuperscriptumbezien. “Aan de sneeuwwitte hand van de overschoone Rosaline.” Ik wil nog eens letten op het begrip van den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de persoon, aan welke geschreven werd. “Uwer edelheid zich toewijdend voor alle begeerde diensten, Biron.” Heer Nathanaël, deze Biron is een van ’s konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.—Trippel van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel!148
Holofernes.
Ik wil hetsuperscriptumbezien. “Aan de sneeuwwitte hand van de overschoone Rosaline.” Ik wil nog eens letten op het begrip van den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de persoon, aan welke geschreven werd. “Uwer edelheid zich toewijdend voor alle begeerde diensten, Biron.” Heer Nathanaël, deze Biron is een van ’s konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.—Trippel van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel!148
Jacquenetta.Beste Dikkop, ga met mij mede.—God behoede uw gezondheid, heer!
Jacquenetta.
Beste Dikkop, ga met mij mede.—God behoede uw gezondheid, heer!
Dikkop.Ik ga mede, meisje.
Dikkop.
Ik ga mede, meisje.
(DikkopenJacquenettaaf.)
Nathanaël.Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods, recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,—
Nathanaël.
Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods, recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,—
Holofernes.Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u, mijnheer Nathanaël?
Holofernes.
Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u, mijnheer Nathanaël?
Nathanaël.Zeer goed, wat het schrift betreft.
Nathanaël.
Zeer goed, wat het schrift betreft.
Holofernes.Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd den disch met eengratiaste gratificeeren, krachtens mijnsprivilegiibij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uwbenvenutoop mij wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik verzoek om uw gezelschap.
Holofernes.
Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd den disch met eengratiaste gratificeeren, krachtens mijnsprivilegiibij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uwbenvenutoop mij wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik verzoek om uw gezelschap.
Nathanaël.En ik ben u dankbaar, want gezelschap,—zegt de tekst,—is het geluk des levens.
Nathanaël.
En ik ben u dankbaar, want gezelschap,—zegt de tekst,—is het geluk des levens.
Holofernes.En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den tekst.—(TotDom.)Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen neen zeggen;pauca verba.—Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.
Holofernes.
En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den tekst.—(TotDom.)Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen neen zeggen;pauca verba.—Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.
(Allen af.)
Derde Tooneel.Een ander gedeelte van het park.Bironkomt op, met een papier in de hand.Biron.De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,—pik dat besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! wantzoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen, vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen, zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer, ik wil niet. Ach! maar haar oog!—bij het licht der zon, als het niet om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij, en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar, allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven, als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte!20(Hij klimt in een boom.)(De Koning komt op, met een papier in de hand.)Koning.Wee mij!Biron(ter zijde).Aangeschoten, waarachtig!—Ga zoo voort, allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den linkervleugel geraakt.—Op mijne eer, geheimen!Koning(leest).“Zoo lieflijk kust de gouden zonne nietDe morgendruppen, die aan ’t roosje hangen,Als uw, uw oog, dat held’re stralen schiet,De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen;Niet half zoo helder schijnt de zilv’ren maanDoor ’t held’re water van de diepte heen,Als uw gelaat mij gloort door meen’gen traan;Gij straalt door elken druppel, dien ik ween;En elke druppel wordt tot zegewagen,Waarin gij,—zie den stroom, die in mij welt,—Op mijner tranen golven wordt gedragen;Ja, ’t is mijn leed, dat uwe glorie meldt.Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ikU in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik.Uw schoon, o koningin der koninginnen!Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen.”Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers!Zoet loof, beschaduw dwaasheid!—Wie komt daar?(Hij verschuilt zich.)Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!(Longavilletreedt op, met een papier in de hand.)Biron(ter zijde).Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!Longaville.Wee mij, ik brak mijn eed!Biron(ter zijde).Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt een papier er van vóór zich!48Koning(ter zijde).Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!Biron(ter zijde).Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.Longaville.Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?Biron(ter zijde).Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend;Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen,Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.Longaville.Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin.Maria, o mijns harten koningin!In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.Biron(ter zijde).Met rijmen belint is ’t pak van Venus’ wicht;Verscheur zijn pofbroek niet!Longaville.Verscheur zijn pofbroek niet!Ik zend dit toch.(Hij leest.)“Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,—Daartegen stuiten aardsche reed’nen af,—Mij niet tot breken van mijn eed gebracht?Maar brak ik dien voor u, ’t verdient geen straf.Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij;Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld;Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij;Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld.Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht;O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet,Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht;Is die gebroken, mijne schuld is ’t niet.En waar’ ’t mijn schuld, wat dwaas waar’ niet zoo wijs,Dat hij hem brak, voor ’t heil van ’t paradijs?”Biron(ter zijde).’t Is gisting in ’t bloed; die maakt het vleesch tot god,Een groen gansje, een godin: ’t is afgodische spot.Wij zijn allen aan ’t malen; God geve ons herstel!(Dumainetreedt op, met een papier in de hand.)Longaville.Hoe zend ik dit?—Wie komt? ter zijde! snel!(Hij verschuilt zich).Biron(ter zijde).Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel!’k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen,En schouw ’t geheim der narren, die hier dolen.Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit;Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit!82Dumaine.O allergodd’lijkst Kaatje!Biron(ter zijde).O allergodslasterlijkste dwaas!Dumaine.Bij ’t hemelrijk! een wonder voor het oog!Biron(ter zijde).Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt te hoog.Dumaine.Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!Biron(ter zijde).Een amberkleur’ge raaf waar’ meer dan raar.Dumaine.Slank als de ceder.Biron(ter zijde).Krom! haar schouder, ach!Moet zeker kind’ren.Dumaine.Moet zeker kind’ren.Schoon gelijk de dag.Biron(ter zijde).Als meen’ge dag; dan moet de zon niet schijnen.Dumaine.O, hadde ik mijnen wensch!Longaville.(ter zijde).En ik den mijnen!Koning(ter zijde).En ik den mijnen, hemel!Biron(ter zijde).Amen, zeg ik voort,Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?Dumaine.Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in ’t bloed,Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Biron(ter zijde).Een koorts in ’t bloed? Nu, die tapt u in schalenEen aderlating af; o lieflijk dwalen!Dumaine.Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.Biron(ter zijde).Nog eens hoor ik, hoe min ’t verstand verdreef.Dumaine(leest).“Op een dag,—o booze dagVan de zoete Meie!—zagLiefde een roosje met genugt’Spelen in de dart’le lucht;Door ’t fluweelen loof der hegVond de onzichtb’re wind zijn weg,En de knaap, in stervenspijn,Wenschte ’s hemels aâm te zijn.“Lucht,” zoo sprak hij, “kust haar vrij;Zaal’ge lucht, ware ik als gij!Wee! ’k verpandde woord en trouw,Dat ik nooit u plukken zou!Ach, wat eed voor teed’re jeugd,Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd!Neen, geen zonde zij ’t geacht,Zoo ’k mijn eed om u verkracht,U, die Jupiter zoudt nopenJuno een moorin te doopen,En zijn godheid te verzaken,Om als mensch voor u te blaken.””120Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemdMijn leed, het hong’ren van mijn hart, haar noemt.O waar’ de vorst, Biron en LongavilleNu ook verliefd! Besmette ook hunne zieleMeineed! dit wiesch van ’t voorhoofd mij de vlek;Want niemand valt in ’t oog, zijn allen gek.Longaville(te voorschijn tredend).Dumaine, uw min woont in geen christ’lijk hart.Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart.Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood,Wierd ik aldus betrapt in bitt’ren nood.Koning(vooruittredend).Zoo bloos dan; zijn geval is ’t uwe, heer,Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer;Gij mint Maria niet! nooit van zijn levenHeeft Longaville een rijmbrief haar geweven!Zijn armen op de borst nooit saamgekruist,Tot stilling van een hart, waar liefde in huist!’k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen,Bespeurde u beide’ en moest om beiden blozen,Vernam uw zondig rijm’len, hoorde uw klachten,Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten,“Wee mij!” roept de één, en die: “O Jupiter!”Voor de’ een is haar van goud, dien ’t oog een ster;(TotLongaville.)Gij, breken zoudt ge om ’t paradijs uw eeden;(TotDumaine.)Als gij zou Jupiter een eed vertreden!—Wat zal Biron wel zeggen bij het hoorenVan ’t schennen uwer trouw, zoo luid bezworenWat zal hij spotten, plagen, steek’lig zingen,Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen!’k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bijNiet willen, dat hij zooveel wist van mij!Biron(ter zijde).Nu treed ik op, en geesel huichelarij.—(Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.)Mijn beste vorst, ik bid u, ’t sta mij vrij:Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagenAan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagenZijn ooit uw oogen; in uw tranenvlietKan geen prinses zich spieg’len, zeker niet!Gij breekt geen eed ooit, ’t ware u ergernis;En niemand rijm’, dan wiens beroep het is!Maar staat gij niet beschaamd?—gij niet in nood,Dat elk van u zoo ver van ’t doelwit schoot?Uw’ splinter vond de koning,(OpDumainewijzend,totLongaville.)gij den zijnen;Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen.O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik,Van leed en kommer, zuchten en gesnik!Hoe zag ik, spraak’loos van verwondering,Dat een monarch een mug werd, gonzen ging!De groote Hercules een drijftol zweepte,De wijze Salomo met deuntjes dweepte,En Nestor met de knapen paardje speelde,En Timon lachend kinderschaapjes streelde!Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel ’t mee!171En beste Longavill’, waar schuilt uw wee?Waar ’t uwe, heer en vorst? Niet waar, in ’t hart?Een wijnsoep, hé!Koning.Te steek’lig is uw gard.Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?Biron.Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet.Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken,Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken;Ik ben verraden, wijl ik mij verbondMet mannen, die ik zwak, meineedig vond.Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf?Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijfMet haar en baard? spreek ik ooit opgetogenTot lof van hand en voet, gelaat en oogen,Van leest en geest, hals, houding, boezem, been,Van kin en knie?—(Hij ontwaartDikkopmetJacquenettaen wil ijlings wegloopen.)Koning.Wat is ’t? waar ijlt gij heen?Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?Biron.De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!(Hij blijft op een wenk van den Koning staan.)(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.Heer koning!Koning(totDikkop).Zoo, wat brengt gij voor kaproen?Dikkop.O heer, een stuk verraad!Koning.O heer, een stuk verraad!Wat moet verraad hier doen?Dikkop.O heer, het doet u niets.Koning.Dan wensch ik niets te ontdekken,En mag ’t verraad met u in vrede henentrekken.Jacquenetta.Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen,Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.Koning.Biron, kijk hem in.—(Hij geeft den brief aanBiron.)Biron, kijk hem in.—Van wien hebt gij den brief?Jacquenetta.Van Dikkop.Koning(totDikkop).En gij, van wien gij?Dikkop.Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.(Bironverscheurt den brief.)Koning(totBiron).Wat is ’t? wat komt u over, dat gij den brief verscheurt?Biron.’t Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.Longaville.Wij willen ’t hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt!202Dumaine(de stukken oprapend).Het schrift is van Biron; ja zie, zijn naam aan ’t end!Biron(totDikkop).O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande en ellend!—O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Koning.O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Wat dan?Biron.Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man.Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood,Zijn dieven op ’t punt van liefde, en wij verdienen den dood.Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.Dumaine.’t Getal is nu even.Biron.’t Getal is nu even.Een vierspan, op mijne eer.Wat doen die tortels hier nog?Koning.Wat doen die tortels hier nog?Nu, vrienden, gij kunt gaan.Dikkop.Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.(DikkopenJacquenettaaf.)Biron.Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd!Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen;De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt,En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen;Wij kunnen ’s levens oorzaak niet versmoren;Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.Koning.’t Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?Biron.Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen,De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan,Bij ’t rijzen van den eersten oostergloed,Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan,En kust den lagen grond met vroom gemoed?Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindtDen moed haar in het hemelsch oog te staren,En wordt niet door haar majesteit verblind?Koning.Wat dwaze woede is u in ’t brein gevaren?Mijn liefde is zelf de maan aan ’s hemels boog,Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.Biron.Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog.De dag wierd nacht, waar’ mijn geliefde er niet!O, de uitgelezenste aller tinten kwamen,Als tot een feest, bijeen op hare wang;En ’t eêlste smolt daar met het eêlste samen,En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang’.Leen mij de bloemen aller redekunst;—Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon!Voor koopwaar bedel’ koopmanslof zich gunst,Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon.241Een kluiz’naar, wien een honderd winters hind’ren,Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af;Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind’ren,Leent de eerste jeugd der wieg aan ’s grijsaards staf;O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!Koning.Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!Biron.Is ebbenhout als zij? dan godd’lijk hout!Een vrouw uit zulk een hout waar’ ’t heilrijkst lot.Wie reikt mij ’t bijbelboek, opdat ik zweer,Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten wareZij van haar oogen gloedvol blikken leer’;O, schoon is geen gelaat, min zwart dan ’t hare.Koning.Wat paradox! Zwart is de leus der hel,De kleur van krochten, en het kleed der nacht;En blankheid staat bij hemelreinheid wel.Biron.De duivel lokt liefst in der englen dracht.Zoo ravenzwart mijn liefste’s hoofd bedekt,Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernisMet ijd’len schijn verliefde dwazen trekt;Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is.De mode erkent haar schoonheid; en dit doetNatuurlijk bloed den lof van verf verwerven;En noopt het blank, dat gisping duchten moet,Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.Dumaine.Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.Longaville.De kolenbrander heeft een blank gezicht.Koning.En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.Dumaine.Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.Biron.Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen,Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn’.Koning.Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen,Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.Biron.Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.Koning.Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.Dumaine.Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.Longaville(zijn voet vooruitstekend).Zie, ’t beeld van uw geliefde is hier mijn schoen.Biron.Bestond het straatplaveisel uit uw oogen,Te ruw waar’ ’t voor haar voet en te gering.Dumaine.O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen,280Dat die weg opzag, als ze er over ging.Koning.Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?Biron.Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.Koning.Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig,Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.Dumaine.Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!Longaville.Voortreff’lijk ja, een sluwe vond, een list,Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!Dumaine.Een zalf voor meineed!Biron.Een zalf voor meineed!Nu, hoog noodig is ’t.Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne,En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten;Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien:Blijkbaar verraad aan ’t koningschap der jeugd!Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magenVeel, veel te jong; onthouding maakte u krank.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,[Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,De heerlijkheid doorgrond van diepe studie,Zoo niet door ’t wonderschoon gelaat der vrouw?Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool,Die ’t echte Prometheïsch vuur doen vlammen.]Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want welk een schrijver in de gansche wereldLeert zulk een schoonheid als een vrouwenoog?Het weten toch is slechts een deel van ons,En waar wij zijn, daar is ons weten ook;Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen,Zien wij ons weten daar dan ook niet in?Wij deden de’ eed van te studeeren, vrienden,Doch daarmee zwoeren we onze boeken af;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevondenDer schoone verzen, die ’t bezielend oogDer schoone meesteressen thans u ingaf?323De traag’re kunsten zeet’len gansch in ’t brein,En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden,Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst;Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd,Woont geenszins ingemetseld in het brein,Maar vliegt, met aller elementen leven,Snel, als gedachten ’t zijn, naar elke kracht,En geeft aan elke kracht een dubb’le kracht,Ver boven hare taak en dienstverplichting;Zij schenkt aan ’t oog een nieuw en kostlijk zien;Het oog des minnaars staart den aad’laar blind;Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid,Zelfs dat aan de’ argwaan van den dief ontsnapt;’t Gevoel der liefde is fijner, meer gevoeligDan bij de huisjesslak de teed’re horens;Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak.Is niet de liefde in moed een Hercules,Die in ’t geboomt’ der Hesperiden klimt?Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziekAls Phœbus’ lier, bespannen met zijn haar?Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koorDen hemel met hun harmonie aan ’t droomen.Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen,Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd;O! dan verrukt zijn lied der wilden oor,En plant erbarmen in tyrannenharten.Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij sprank’len staâg het echt Prometheusvuur;Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool,Die heel de wereld leert, omvat en voedt;En niemand anders is in iets voortreff’lijk.Dies waart gij dwaas, toen gij deez’ vrouwen afzwoert,En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas.In naam der wijsheid,—’t woord, dat mannen minnen,—In naam der min,—het woord, dat mannen streelt,—In naam der mannen,—scheppers dezer vrouwen,—In naam der vrouwen,—de oorsprong van ons, mannen,—Verzaken we onzen eed, tot ons behoud,Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf.De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan,Want menschenmin vervult de hoogste wet,En wie kan menschenmin van liefde scheiden?Koning.Dan, Sint Cupido! en in ’t veld, soldaten!Biron.Ontplooit uw standaards, heeren, er op los!Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad,Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!Longaville.Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is ’t?Wij maken ’t hof dus aan de Fransche meisjes?Koning.En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht!Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.Biron.Wij leiden haar dan eerst van ’t park daarheen;En voor die wandeling zoek’ zich elk de handDer uitverkoren schoone. Na den middagVermake haar een geestig tijdverdrijf,Zoo goed de korte tijd het scheppen kan;Want dartele uren, maskerspel en dansen,’t Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.Koning.Van hier, van hier! Terstond aan ’t werk! want tijd,Zoo wij hem niet verbeuz’len, brengt profijt.Biron.Allons!wie onkruid zaait, oogst nimmer koren;Gerechtigheid weegt alles even zwaar;Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren;Ons koper geeft geen recht op beter waar.(Allen af.)
Derde Tooneel.Een ander gedeelte van het park.Bironkomt op, met een papier in de hand.Biron.De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,—pik dat besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! wantzoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen, vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen, zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer, ik wil niet. Ach! maar haar oog!—bij het licht der zon, als het niet om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij, en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar, allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven, als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte!20(Hij klimt in een boom.)(De Koning komt op, met een papier in de hand.)Koning.Wee mij!Biron(ter zijde).Aangeschoten, waarachtig!—Ga zoo voort, allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den linkervleugel geraakt.—Op mijne eer, geheimen!Koning(leest).“Zoo lieflijk kust de gouden zonne nietDe morgendruppen, die aan ’t roosje hangen,Als uw, uw oog, dat held’re stralen schiet,De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen;Niet half zoo helder schijnt de zilv’ren maanDoor ’t held’re water van de diepte heen,Als uw gelaat mij gloort door meen’gen traan;Gij straalt door elken druppel, dien ik ween;En elke druppel wordt tot zegewagen,Waarin gij,—zie den stroom, die in mij welt,—Op mijner tranen golven wordt gedragen;Ja, ’t is mijn leed, dat uwe glorie meldt.Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ikU in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik.Uw schoon, o koningin der koninginnen!Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen.”Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers!Zoet loof, beschaduw dwaasheid!—Wie komt daar?(Hij verschuilt zich.)Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!(Longavilletreedt op, met een papier in de hand.)Biron(ter zijde).Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!Longaville.Wee mij, ik brak mijn eed!Biron(ter zijde).Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt een papier er van vóór zich!48Koning(ter zijde).Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!Biron(ter zijde).Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.Longaville.Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?Biron(ter zijde).Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend;Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen,Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.Longaville.Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin.Maria, o mijns harten koningin!In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.Biron(ter zijde).Met rijmen belint is ’t pak van Venus’ wicht;Verscheur zijn pofbroek niet!Longaville.Verscheur zijn pofbroek niet!Ik zend dit toch.(Hij leest.)“Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,—Daartegen stuiten aardsche reed’nen af,—Mij niet tot breken van mijn eed gebracht?Maar brak ik dien voor u, ’t verdient geen straf.Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij;Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld;Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij;Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld.Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht;O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet,Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht;Is die gebroken, mijne schuld is ’t niet.En waar’ ’t mijn schuld, wat dwaas waar’ niet zoo wijs,Dat hij hem brak, voor ’t heil van ’t paradijs?”Biron(ter zijde).’t Is gisting in ’t bloed; die maakt het vleesch tot god,Een groen gansje, een godin: ’t is afgodische spot.Wij zijn allen aan ’t malen; God geve ons herstel!(Dumainetreedt op, met een papier in de hand.)Longaville.Hoe zend ik dit?—Wie komt? ter zijde! snel!(Hij verschuilt zich).Biron(ter zijde).Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel!’k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen,En schouw ’t geheim der narren, die hier dolen.Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit;Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit!82Dumaine.O allergodd’lijkst Kaatje!Biron(ter zijde).O allergodslasterlijkste dwaas!Dumaine.Bij ’t hemelrijk! een wonder voor het oog!Biron(ter zijde).Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt te hoog.Dumaine.Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!Biron(ter zijde).Een amberkleur’ge raaf waar’ meer dan raar.Dumaine.Slank als de ceder.Biron(ter zijde).Krom! haar schouder, ach!Moet zeker kind’ren.Dumaine.Moet zeker kind’ren.Schoon gelijk de dag.Biron(ter zijde).Als meen’ge dag; dan moet de zon niet schijnen.Dumaine.O, hadde ik mijnen wensch!Longaville.(ter zijde).En ik den mijnen!Koning(ter zijde).En ik den mijnen, hemel!Biron(ter zijde).Amen, zeg ik voort,Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?Dumaine.Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in ’t bloed,Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.
Een ander gedeelte van het park.
Bironkomt op, met een papier in de hand.
Biron.De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,—pik dat besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! wantzoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen, vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen, zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer, ik wil niet. Ach! maar haar oog!—bij het licht der zon, als het niet om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij, en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar, allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven, als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte!20
Biron.
De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,—pik dat besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! wantzoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen, vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen, zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer, ik wil niet. Ach! maar haar oog!—bij het licht der zon, als het niet om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij, en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar, allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven, als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte!20
(Hij klimt in een boom.)
(De Koning komt op, met een papier in de hand.)
Koning.Wee mij!
Koning.
Wee mij!
Biron(ter zijde).Aangeschoten, waarachtig!—Ga zoo voort, allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den linkervleugel geraakt.—Op mijne eer, geheimen!
Biron
(ter zijde).Aangeschoten, waarachtig!—Ga zoo voort, allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den linkervleugel geraakt.—Op mijne eer, geheimen!
Koning(leest).“Zoo lieflijk kust de gouden zonne nietDe morgendruppen, die aan ’t roosje hangen,Als uw, uw oog, dat held’re stralen schiet,De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen;Niet half zoo helder schijnt de zilv’ren maanDoor ’t held’re water van de diepte heen,Als uw gelaat mij gloort door meen’gen traan;Gij straalt door elken druppel, dien ik ween;En elke druppel wordt tot zegewagen,Waarin gij,—zie den stroom, die in mij welt,—Op mijner tranen golven wordt gedragen;Ja, ’t is mijn leed, dat uwe glorie meldt.Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ikU in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik.Uw schoon, o koningin der koninginnen!Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen.”
Koning
(leest).“Zoo lieflijk kust de gouden zonne niet
De morgendruppen, die aan ’t roosje hangen,
Als uw, uw oog, dat held’re stralen schiet,
De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen;
Niet half zoo helder schijnt de zilv’ren maan
Door ’t held’re water van de diepte heen,
Als uw gelaat mij gloort door meen’gen traan;
Gij straalt door elken druppel, dien ik ween;
En elke druppel wordt tot zegewagen,
Waarin gij,—zie den stroom, die in mij welt,—
Op mijner tranen golven wordt gedragen;
Ja, ’t is mijn leed, dat uwe glorie meldt.
Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ik
U in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik.
Uw schoon, o koningin der koninginnen!
Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen.”
Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers!Zoet loof, beschaduw dwaasheid!—Wie komt daar?
Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers!
Zoet loof, beschaduw dwaasheid!—Wie komt daar?
(Hij verschuilt zich.)
Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!
Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!
(Longavilletreedt op, met een papier in de hand.)
Biron(ter zijde).Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!
Biron
(ter zijde).Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!
Longaville.Wee mij, ik brak mijn eed!
Longaville.
Wee mij, ik brak mijn eed!
Biron(ter zijde).Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt een papier er van vóór zich!48
Biron
(ter zijde).Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt een papier er van vóór zich!48
Koning(ter zijde).Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!
Koning
(ter zijde).Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!
Biron(ter zijde).Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.
Biron
(ter zijde).Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.
Longaville.Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?
Longaville.
Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?
Biron(ter zijde).Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend;Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen,Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.
Biron
(ter zijde).Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend;
Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen,
Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.
Longaville.Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin.Maria, o mijns harten koningin!In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.
Longaville.
Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin.
Maria, o mijns harten koningin!
In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.
Biron(ter zijde).Met rijmen belint is ’t pak van Venus’ wicht;Verscheur zijn pofbroek niet!
Biron
Verscheur zijn pofbroek niet!
Longaville.Verscheur zijn pofbroek niet!Ik zend dit toch.
Longaville.
Verscheur zijn pofbroek niet!Ik zend dit toch.
(Hij leest.)
“Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,—Daartegen stuiten aardsche reed’nen af,—Mij niet tot breken van mijn eed gebracht?Maar brak ik dien voor u, ’t verdient geen straf.Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij;Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld;Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij;Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld.Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht;O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet,Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht;Is die gebroken, mijne schuld is ’t niet.En waar’ ’t mijn schuld, wat dwaas waar’ niet zoo wijs,Dat hij hem brak, voor ’t heil van ’t paradijs?”
“Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,—
Daartegen stuiten aardsche reed’nen af,—
Mij niet tot breken van mijn eed gebracht?
Maar brak ik dien voor u, ’t verdient geen straf.
Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij;
Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld;
Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij;
Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld.
Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht;
O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet,
Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht;
Is die gebroken, mijne schuld is ’t niet.
En waar’ ’t mijn schuld, wat dwaas waar’ niet zoo wijs,
Dat hij hem brak, voor ’t heil van ’t paradijs?”
Biron(ter zijde).’t Is gisting in ’t bloed; die maakt het vleesch tot god,Een groen gansje, een godin: ’t is afgodische spot.Wij zijn allen aan ’t malen; God geve ons herstel!
Biron
Een groen gansje, een godin: ’t is afgodische spot.
Wij zijn allen aan ’t malen; God geve ons herstel!
(Dumainetreedt op, met een papier in de hand.)
Longaville.Hoe zend ik dit?—Wie komt? ter zijde! snel!
Longaville.
Hoe zend ik dit?—Wie komt? ter zijde! snel!
(Hij verschuilt zich).
Biron(ter zijde).Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel!’k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen,En schouw ’t geheim der narren, die hier dolen.Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit;Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit!82
Biron
(ter zijde).Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel!
’k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen,
En schouw ’t geheim der narren, die hier dolen.
Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit;
Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit!82
Dumaine.O allergodd’lijkst Kaatje!
Dumaine.
O allergodd’lijkst Kaatje!
Biron(ter zijde).O allergodslasterlijkste dwaas!
Biron
(ter zijde).O allergodslasterlijkste dwaas!
Dumaine.Bij ’t hemelrijk! een wonder voor het oog!
Dumaine.
Bij ’t hemelrijk! een wonder voor het oog!
Biron(ter zijde).Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt te hoog.
Biron
(ter zijde).Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt te hoog.
Dumaine.Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!
Dumaine.
Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!
Biron(ter zijde).Een amberkleur’ge raaf waar’ meer dan raar.
Biron
(ter zijde).Een amberkleur’ge raaf waar’ meer dan raar.
Dumaine.Slank als de ceder.
Dumaine.
Slank als de ceder.
Biron(ter zijde).Krom! haar schouder, ach!Moet zeker kind’ren.
Biron
(ter zijde).Krom! haar schouder, ach!
Moet zeker kind’ren.
Dumaine.Moet zeker kind’ren.Schoon gelijk de dag.
Dumaine.
Moet zeker kind’ren.Schoon gelijk de dag.
Biron(ter zijde).Als meen’ge dag; dan moet de zon niet schijnen.
Biron
Dumaine.O, hadde ik mijnen wensch!
Dumaine.
O, hadde ik mijnen wensch!
Longaville.(ter zijde).En ik den mijnen!
Longaville.
(ter zijde).En ik den mijnen!
Koning(ter zijde).En ik den mijnen, hemel!
Koning
(ter zijde).En ik den mijnen, hemel!
Biron(ter zijde).Amen, zeg ik voort,Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?
Biron
(ter zijde).Amen, zeg ik voort,
Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?
Dumaine.Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in ’t bloed,Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.
Dumaine.
Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in ’t bloed,
Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.
Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Biron(ter zijde).Een koorts in ’t bloed? Nu, die tapt u in schalenEen aderlating af; o lieflijk dwalen!Dumaine.Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.Biron(ter zijde).Nog eens hoor ik, hoe min ’t verstand verdreef.Dumaine(leest).“Op een dag,—o booze dagVan de zoete Meie!—zagLiefde een roosje met genugt’Spelen in de dart’le lucht;Door ’t fluweelen loof der hegVond de onzichtb’re wind zijn weg,En de knaap, in stervenspijn,Wenschte ’s hemels aâm te zijn.“Lucht,” zoo sprak hij, “kust haar vrij;Zaal’ge lucht, ware ik als gij!Wee! ’k verpandde woord en trouw,Dat ik nooit u plukken zou!Ach, wat eed voor teed’re jeugd,Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd!Neen, geen zonde zij ’t geacht,Zoo ’k mijn eed om u verkracht,U, die Jupiter zoudt nopenJuno een moorin te doopen,En zijn godheid te verzaken,Om als mensch voor u te blaken.””120Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemdMijn leed, het hong’ren van mijn hart, haar noemt.O waar’ de vorst, Biron en LongavilleNu ook verliefd! Besmette ook hunne zieleMeineed! dit wiesch van ’t voorhoofd mij de vlek;Want niemand valt in ’t oog, zijn allen gek.Longaville(te voorschijn tredend).Dumaine, uw min woont in geen christ’lijk hart.Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart.Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood,Wierd ik aldus betrapt in bitt’ren nood.Koning(vooruittredend).Zoo bloos dan; zijn geval is ’t uwe, heer,Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer;Gij mint Maria niet! nooit van zijn levenHeeft Longaville een rijmbrief haar geweven!Zijn armen op de borst nooit saamgekruist,Tot stilling van een hart, waar liefde in huist!’k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen,Bespeurde u beide’ en moest om beiden blozen,Vernam uw zondig rijm’len, hoorde uw klachten,Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten,“Wee mij!” roept de één, en die: “O Jupiter!”Voor de’ een is haar van goud, dien ’t oog een ster;(TotLongaville.)Gij, breken zoudt ge om ’t paradijs uw eeden;(TotDumaine.)Als gij zou Jupiter een eed vertreden!—Wat zal Biron wel zeggen bij het hoorenVan ’t schennen uwer trouw, zoo luid bezworenWat zal hij spotten, plagen, steek’lig zingen,Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen!’k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bijNiet willen, dat hij zooveel wist van mij!Biron(ter zijde).Nu treed ik op, en geesel huichelarij.—(Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.)Mijn beste vorst, ik bid u, ’t sta mij vrij:Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagenAan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagenZijn ooit uw oogen; in uw tranenvlietKan geen prinses zich spieg’len, zeker niet!Gij breekt geen eed ooit, ’t ware u ergernis;En niemand rijm’, dan wiens beroep het is!Maar staat gij niet beschaamd?—gij niet in nood,Dat elk van u zoo ver van ’t doelwit schoot?Uw’ splinter vond de koning,(OpDumainewijzend,totLongaville.)gij den zijnen;Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen.O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik,Van leed en kommer, zuchten en gesnik!Hoe zag ik, spraak’loos van verwondering,Dat een monarch een mug werd, gonzen ging!De groote Hercules een drijftol zweepte,De wijze Salomo met deuntjes dweepte,En Nestor met de knapen paardje speelde,En Timon lachend kinderschaapjes streelde!Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel ’t mee!171En beste Longavill’, waar schuilt uw wee?Waar ’t uwe, heer en vorst? Niet waar, in ’t hart?Een wijnsoep, hé!Koning.Te steek’lig is uw gard.Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?Biron.Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet.Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken,Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken;Ik ben verraden, wijl ik mij verbondMet mannen, die ik zwak, meineedig vond.Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf?Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijfMet haar en baard? spreek ik ooit opgetogenTot lof van hand en voet, gelaat en oogen,Van leest en geest, hals, houding, boezem, been,Van kin en knie?—(Hij ontwaartDikkopmetJacquenettaen wil ijlings wegloopen.)Koning.Wat is ’t? waar ijlt gij heen?Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?Biron.De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!(Hij blijft op een wenk van den Koning staan.)(JacquenettaenDikkopkomen op.)Jacquenetta.Heer koning!Koning(totDikkop).Zoo, wat brengt gij voor kaproen?Dikkop.O heer, een stuk verraad!Koning.O heer, een stuk verraad!Wat moet verraad hier doen?Dikkop.O heer, het doet u niets.Koning.Dan wensch ik niets te ontdekken,En mag ’t verraad met u in vrede henentrekken.Jacquenetta.Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen,Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.Koning.Biron, kijk hem in.—(Hij geeft den brief aanBiron.)Biron, kijk hem in.—Van wien hebt gij den brief?Jacquenetta.Van Dikkop.Koning(totDikkop).En gij, van wien gij?Dikkop.Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.(Bironverscheurt den brief.)Koning(totBiron).Wat is ’t? wat komt u over, dat gij den brief verscheurt?Biron.’t Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.Longaville.Wij willen ’t hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt!202Dumaine(de stukken oprapend).Het schrift is van Biron; ja zie, zijn naam aan ’t end!Biron(totDikkop).O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande en ellend!—O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Koning.O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Wat dan?Biron.Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man.Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood,Zijn dieven op ’t punt van liefde, en wij verdienen den dood.Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.Dumaine.’t Getal is nu even.Biron.’t Getal is nu even.Een vierspan, op mijne eer.Wat doen die tortels hier nog?Koning.Wat doen die tortels hier nog?Nu, vrienden, gij kunt gaan.Dikkop.Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.(DikkopenJacquenettaaf.)Biron.Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd!Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen;De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt,En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen;Wij kunnen ’s levens oorzaak niet versmoren;Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.Koning.’t Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?Biron.Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen,De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan,Bij ’t rijzen van den eersten oostergloed,Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan,En kust den lagen grond met vroom gemoed?Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindtDen moed haar in het hemelsch oog te staren,En wordt niet door haar majesteit verblind?Koning.Wat dwaze woede is u in ’t brein gevaren?Mijn liefde is zelf de maan aan ’s hemels boog,Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.Biron.Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog.De dag wierd nacht, waar’ mijn geliefde er niet!O, de uitgelezenste aller tinten kwamen,Als tot een feest, bijeen op hare wang;En ’t eêlste smolt daar met het eêlste samen,En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang’.Leen mij de bloemen aller redekunst;—Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon!Voor koopwaar bedel’ koopmanslof zich gunst,Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon.241Een kluiz’naar, wien een honderd winters hind’ren,Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af;Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind’ren,Leent de eerste jeugd der wieg aan ’s grijsaards staf;O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!Koning.Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!Biron.Is ebbenhout als zij? dan godd’lijk hout!Een vrouw uit zulk een hout waar’ ’t heilrijkst lot.Wie reikt mij ’t bijbelboek, opdat ik zweer,Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten wareZij van haar oogen gloedvol blikken leer’;O, schoon is geen gelaat, min zwart dan ’t hare.Koning.Wat paradox! Zwart is de leus der hel,De kleur van krochten, en het kleed der nacht;En blankheid staat bij hemelreinheid wel.Biron.De duivel lokt liefst in der englen dracht.Zoo ravenzwart mijn liefste’s hoofd bedekt,Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernisMet ijd’len schijn verliefde dwazen trekt;Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is.De mode erkent haar schoonheid; en dit doetNatuurlijk bloed den lof van verf verwerven;En noopt het blank, dat gisping duchten moet,Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.Dumaine.Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.Longaville.De kolenbrander heeft een blank gezicht.Koning.En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.Dumaine.Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.Biron.Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen,Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn’.Koning.Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen,Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.Biron.Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.Koning.Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.Dumaine.Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.Longaville(zijn voet vooruitstekend).Zie, ’t beeld van uw geliefde is hier mijn schoen.Biron.Bestond het straatplaveisel uit uw oogen,Te ruw waar’ ’t voor haar voet en te gering.Dumaine.O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen,280Dat die weg opzag, als ze er over ging.Koning.Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?Biron.Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.Koning.Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig,Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.Dumaine.Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!Longaville.Voortreff’lijk ja, een sluwe vond, een list,Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!Dumaine.Een zalf voor meineed!Biron.Een zalf voor meineed!Nu, hoog noodig is ’t.Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne,En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten;Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien:Blijkbaar verraad aan ’t koningschap der jeugd!Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magenVeel, veel te jong; onthouding maakte u krank.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,[Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,De heerlijkheid doorgrond van diepe studie,Zoo niet door ’t wonderschoon gelaat der vrouw?Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool,Die ’t echte Prometheïsch vuur doen vlammen.]Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want welk een schrijver in de gansche wereldLeert zulk een schoonheid als een vrouwenoog?Het weten toch is slechts een deel van ons,En waar wij zijn, daar is ons weten ook;Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen,Zien wij ons weten daar dan ook niet in?Wij deden de’ eed van te studeeren, vrienden,Doch daarmee zwoeren we onze boeken af;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevondenDer schoone verzen, die ’t bezielend oogDer schoone meesteressen thans u ingaf?323De traag’re kunsten zeet’len gansch in ’t brein,En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden,Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst;Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd,Woont geenszins ingemetseld in het brein,Maar vliegt, met aller elementen leven,Snel, als gedachten ’t zijn, naar elke kracht,En geeft aan elke kracht een dubb’le kracht,Ver boven hare taak en dienstverplichting;Zij schenkt aan ’t oog een nieuw en kostlijk zien;Het oog des minnaars staart den aad’laar blind;Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid,Zelfs dat aan de’ argwaan van den dief ontsnapt;’t Gevoel der liefde is fijner, meer gevoeligDan bij de huisjesslak de teed’re horens;Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak.Is niet de liefde in moed een Hercules,Die in ’t geboomt’ der Hesperiden klimt?Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziekAls Phœbus’ lier, bespannen met zijn haar?Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koorDen hemel met hun harmonie aan ’t droomen.Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen,Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd;O! dan verrukt zijn lied der wilden oor,En plant erbarmen in tyrannenharten.Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij sprank’len staâg het echt Prometheusvuur;Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool,Die heel de wereld leert, omvat en voedt;En niemand anders is in iets voortreff’lijk.Dies waart gij dwaas, toen gij deez’ vrouwen afzwoert,En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas.In naam der wijsheid,—’t woord, dat mannen minnen,—In naam der min,—het woord, dat mannen streelt,—In naam der mannen,—scheppers dezer vrouwen,—In naam der vrouwen,—de oorsprong van ons, mannen,—Verzaken we onzen eed, tot ons behoud,Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf.De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan,Want menschenmin vervult de hoogste wet,En wie kan menschenmin van liefde scheiden?Koning.Dan, Sint Cupido! en in ’t veld, soldaten!Biron.Ontplooit uw standaards, heeren, er op los!Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad,Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!Longaville.Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is ’t?Wij maken ’t hof dus aan de Fransche meisjes?Koning.En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht!Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.Biron.Wij leiden haar dan eerst van ’t park daarheen;En voor die wandeling zoek’ zich elk de handDer uitverkoren schoone. Na den middagVermake haar een geestig tijdverdrijf,Zoo goed de korte tijd het scheppen kan;Want dartele uren, maskerspel en dansen,’t Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.Koning.Van hier, van hier! Terstond aan ’t werk! want tijd,Zoo wij hem niet verbeuz’len, brengt profijt.Biron.Allons!wie onkruid zaait, oogst nimmer koren;Gerechtigheid weegt alles even zwaar;Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren;Ons koper geeft geen recht op beter waar.(Allen af.)
Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.
Veel gemin geen gewin, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.
Biron(ter zijde).Een koorts in ’t bloed? Nu, die tapt u in schalenEen aderlating af; o lieflijk dwalen!
Biron
(ter zijde).Een koorts in ’t bloed? Nu, die tapt u in schalen
Een aderlating af; o lieflijk dwalen!
Dumaine.Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.
Dumaine.
Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.
Biron(ter zijde).Nog eens hoor ik, hoe min ’t verstand verdreef.
Biron
(ter zijde).Nog eens hoor ik, hoe min ’t verstand verdreef.
Dumaine(leest).“Op een dag,—o booze dagVan de zoete Meie!—zagLiefde een roosje met genugt’Spelen in de dart’le lucht;Door ’t fluweelen loof der hegVond de onzichtb’re wind zijn weg,En de knaap, in stervenspijn,Wenschte ’s hemels aâm te zijn.“Lucht,” zoo sprak hij, “kust haar vrij;Zaal’ge lucht, ware ik als gij!Wee! ’k verpandde woord en trouw,Dat ik nooit u plukken zou!Ach, wat eed voor teed’re jeugd,Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd!Neen, geen zonde zij ’t geacht,Zoo ’k mijn eed om u verkracht,U, die Jupiter zoudt nopenJuno een moorin te doopen,En zijn godheid te verzaken,Om als mensch voor u te blaken.””120
Dumaine
(leest).
“Op een dag,—o booze dag
Van de zoete Meie!—zag
Liefde een roosje met genugt’
Spelen in de dart’le lucht;
Door ’t fluweelen loof der heg
Vond de onzichtb’re wind zijn weg,
En de knaap, in stervenspijn,
Wenschte ’s hemels aâm te zijn.
“Lucht,” zoo sprak hij, “kust haar vrij;
Zaal’ge lucht, ware ik als gij!
Wee! ’k verpandde woord en trouw,
Dat ik nooit u plukken zou!
Ach, wat eed voor teed’re jeugd,
Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd!
Neen, geen zonde zij ’t geacht,
Zoo ’k mijn eed om u verkracht,
U, die Jupiter zoudt nopen
Juno een moorin te doopen,
En zijn godheid te verzaken,
Om als mensch voor u te blaken.””120
Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemdMijn leed, het hong’ren van mijn hart, haar noemt.O waar’ de vorst, Biron en LongavilleNu ook verliefd! Besmette ook hunne zieleMeineed! dit wiesch van ’t voorhoofd mij de vlek;Want niemand valt in ’t oog, zijn allen gek.
Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemd
Mijn leed, het hong’ren van mijn hart, haar noemt.
O waar’ de vorst, Biron en Longaville
Nu ook verliefd! Besmette ook hunne ziele
Meineed! dit wiesch van ’t voorhoofd mij de vlek;
Want niemand valt in ’t oog, zijn allen gek.
Longaville(te voorschijn tredend).Dumaine, uw min woont in geen christ’lijk hart.Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart.Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood,Wierd ik aldus betrapt in bitt’ren nood.
Longaville
(te voorschijn tredend).Dumaine, uw min woont in geen christ’lijk hart.
Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart.
Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood,
Wierd ik aldus betrapt in bitt’ren nood.
Koning(vooruittredend).Zoo bloos dan; zijn geval is ’t uwe, heer,Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer;Gij mint Maria niet! nooit van zijn levenHeeft Longaville een rijmbrief haar geweven!Zijn armen op de borst nooit saamgekruist,Tot stilling van een hart, waar liefde in huist!’k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen,Bespeurde u beide’ en moest om beiden blozen,Vernam uw zondig rijm’len, hoorde uw klachten,Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten,“Wee mij!” roept de één, en die: “O Jupiter!”Voor de’ een is haar van goud, dien ’t oog een ster;(TotLongaville.)Gij, breken zoudt ge om ’t paradijs uw eeden;(TotDumaine.)Als gij zou Jupiter een eed vertreden!—Wat zal Biron wel zeggen bij het hoorenVan ’t schennen uwer trouw, zoo luid bezworenWat zal hij spotten, plagen, steek’lig zingen,Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen!’k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bijNiet willen, dat hij zooveel wist van mij!
Koning
(vooruittredend).Zoo bloos dan; zijn geval is ’t uwe, heer,
Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer;
Gij mint Maria niet! nooit van zijn leven
Heeft Longaville een rijmbrief haar geweven!
Zijn armen op de borst nooit saamgekruist,
Tot stilling van een hart, waar liefde in huist!
’k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen,
Bespeurde u beide’ en moest om beiden blozen,
Vernam uw zondig rijm’len, hoorde uw klachten,
Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten,
“Wee mij!” roept de één, en die: “O Jupiter!”
Voor de’ een is haar van goud, dien ’t oog een ster;
(TotLongaville.)Gij, breken zoudt ge om ’t paradijs uw eeden;
(TotDumaine.)Als gij zou Jupiter een eed vertreden!—
Wat zal Biron wel zeggen bij het hooren
Van ’t schennen uwer trouw, zoo luid bezworen
Wat zal hij spotten, plagen, steek’lig zingen,
Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen!
’k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bij
Niet willen, dat hij zooveel wist van mij!
Biron(ter zijde).Nu treed ik op, en geesel huichelarij.—(Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.)Mijn beste vorst, ik bid u, ’t sta mij vrij:Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagenAan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagenZijn ooit uw oogen; in uw tranenvlietKan geen prinses zich spieg’len, zeker niet!Gij breekt geen eed ooit, ’t ware u ergernis;En niemand rijm’, dan wiens beroep het is!Maar staat gij niet beschaamd?—gij niet in nood,Dat elk van u zoo ver van ’t doelwit schoot?Uw’ splinter vond de koning,(OpDumainewijzend,totLongaville.)gij den zijnen;Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen.O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik,Van leed en kommer, zuchten en gesnik!Hoe zag ik, spraak’loos van verwondering,Dat een monarch een mug werd, gonzen ging!De groote Hercules een drijftol zweepte,De wijze Salomo met deuntjes dweepte,En Nestor met de knapen paardje speelde,En Timon lachend kinderschaapjes streelde!Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel ’t mee!171En beste Longavill’, waar schuilt uw wee?Waar ’t uwe, heer en vorst? Niet waar, in ’t hart?Een wijnsoep, hé!
Biron
(ter zijde).Nu treed ik op, en geesel huichelarij.—
(Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.)
Mijn beste vorst, ik bid u, ’t sta mij vrij:
Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagen
Aan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagen
Zijn ooit uw oogen; in uw tranenvliet
Kan geen prinses zich spieg’len, zeker niet!
Gij breekt geen eed ooit, ’t ware u ergernis;
En niemand rijm’, dan wiens beroep het is!
Maar staat gij niet beschaamd?—gij niet in nood,
Dat elk van u zoo ver van ’t doelwit schoot?
Uw’ splinter vond de koning,
(OpDumainewijzend,totLongaville.)gij den zijnen;
Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen.
O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik,
Van leed en kommer, zuchten en gesnik!
Hoe zag ik, spraak’loos van verwondering,
Dat een monarch een mug werd, gonzen ging!
De groote Hercules een drijftol zweepte,
De wijze Salomo met deuntjes dweepte,
En Nestor met de knapen paardje speelde,
En Timon lachend kinderschaapjes streelde!
Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel ’t mee!171
En beste Longavill’, waar schuilt uw wee?
Waar ’t uwe, heer en vorst? Niet waar, in ’t hart?
Een wijnsoep, hé!
Koning.Te steek’lig is uw gard.Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?
Koning.
Te steek’lig is uw gard.
Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?
Biron.Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet.Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken,Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken;Ik ben verraden, wijl ik mij verbondMet mannen, die ik zwak, meineedig vond.Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf?Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijfMet haar en baard? spreek ik ooit opgetogenTot lof van hand en voet, gelaat en oogen,Van leest en geest, hals, houding, boezem, been,Van kin en knie?—
Biron.
Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet.
Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken,
Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken;
Ik ben verraden, wijl ik mij verbond
Met mannen, die ik zwak, meineedig vond.
Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf?
Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijf
Met haar en baard? spreek ik ooit opgetogen
Tot lof van hand en voet, gelaat en oogen,
Van leest en geest, hals, houding, boezem, been,
Van kin en knie?—
(Hij ontwaartDikkopmetJacquenettaen wil ijlings wegloopen.)
Koning.Wat is ’t? waar ijlt gij heen?Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?
Koning.
Wat is ’t? waar ijlt gij heen?
Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?
Biron.De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!
Biron.
De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!
(Hij blijft op een wenk van den Koning staan.)
(JacquenettaenDikkopkomen op.)
Jacquenetta.Heer koning!
Jacquenetta.
Heer koning!
Koning(totDikkop).Zoo, wat brengt gij voor kaproen?
Koning
(totDikkop).Zoo, wat brengt gij voor kaproen?
Dikkop.O heer, een stuk verraad!
Dikkop.
O heer, een stuk verraad!
Koning.O heer, een stuk verraad!Wat moet verraad hier doen?
Koning.
O heer, een stuk verraad!Wat moet verraad hier doen?
Dikkop.O heer, het doet u niets.
Dikkop.
O heer, het doet u niets.
Koning.Dan wensch ik niets te ontdekken,En mag ’t verraad met u in vrede henentrekken.
Koning.
Dan wensch ik niets te ontdekken,
En mag ’t verraad met u in vrede henentrekken.
Jacquenetta.Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen,Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.
Jacquenetta.
Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen,
Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.
Koning.Biron, kijk hem in.—
Koning.
Biron, kijk hem in.—
(Hij geeft den brief aanBiron.)
Biron, kijk hem in.—Van wien hebt gij den brief?
Biron, kijk hem in.—Van wien hebt gij den brief?
Jacquenetta.Van Dikkop.
Jacquenetta.
Van Dikkop.
Koning(totDikkop).En gij, van wien gij?
Koning
(totDikkop).En gij, van wien gij?
Dikkop.Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.
Dikkop.
Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.
(Bironverscheurt den brief.)
Koning(totBiron).Wat is ’t? wat komt u over, dat gij den brief verscheurt?
Koning
(totBiron).Wat is ’t? wat komt u over, dat gij den brief verscheurt?
Biron.’t Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.
Biron.
’t Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.
Longaville.Wij willen ’t hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt!202
Longaville.
Wij willen ’t hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt!202
Dumaine(de stukken oprapend).Het schrift is van Biron; ja zie, zijn naam aan ’t end!
Dumaine
(de stukken oprapend).Het schrift is van Biron; ja zie, zijn naam aan ’t end!
Biron(totDikkop).O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande en ellend!—O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.
Biron
(totDikkop).O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande en ellend!—
O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.
Koning.O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Wat dan?
Koning.
O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.Wat dan?
Biron.Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man.Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood,Zijn dieven op ’t punt van liefde, en wij verdienen den dood.Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.
Biron.
Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man.
Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood,
Zijn dieven op ’t punt van liefde, en wij verdienen den dood.
Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.
Dumaine.’t Getal is nu even.
Dumaine.
’t Getal is nu even.
Biron.’t Getal is nu even.Een vierspan, op mijne eer.Wat doen die tortels hier nog?
Biron.
’t Getal is nu even.Een vierspan, op mijne eer.
Wat doen die tortels hier nog?
Koning.Wat doen die tortels hier nog?Nu, vrienden, gij kunt gaan.
Koning.
Wat doen die tortels hier nog?Nu, vrienden, gij kunt gaan.
Dikkop.Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.
Dikkop.
Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.
(DikkopenJacquenettaaf.)
Biron.Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd!Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen;De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt,En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen;Wij kunnen ’s levens oorzaak niet versmoren;Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.
Biron.
Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd!
Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen;
De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt,
En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen;
Wij kunnen ’s levens oorzaak niet versmoren;
Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.
Koning.’t Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?
Koning.
’t Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?
Biron.Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen,De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan,Bij ’t rijzen van den eersten oostergloed,Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan,En kust den lagen grond met vroom gemoed?Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindtDen moed haar in het hemelsch oog te staren,En wordt niet door haar majesteit verblind?
Biron.
Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen,
De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan,
Bij ’t rijzen van den eersten oostergloed,
Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan,
En kust den lagen grond met vroom gemoed?
Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindt
Den moed haar in het hemelsch oog te staren,
En wordt niet door haar majesteit verblind?
Koning.Wat dwaze woede is u in ’t brein gevaren?Mijn liefde is zelf de maan aan ’s hemels boog,Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.
Koning.
Wat dwaze woede is u in ’t brein gevaren?
Mijn liefde is zelf de maan aan ’s hemels boog,
Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.
Biron.Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog.De dag wierd nacht, waar’ mijn geliefde er niet!O, de uitgelezenste aller tinten kwamen,Als tot een feest, bijeen op hare wang;En ’t eêlste smolt daar met het eêlste samen,En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang’.Leen mij de bloemen aller redekunst;—Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon!Voor koopwaar bedel’ koopmanslof zich gunst,Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon.241Een kluiz’naar, wien een honderd winters hind’ren,Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af;Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind’ren,Leent de eerste jeugd der wieg aan ’s grijsaards staf;O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!
Biron.
Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog.
De dag wierd nacht, waar’ mijn geliefde er niet!
O, de uitgelezenste aller tinten kwamen,
Als tot een feest, bijeen op hare wang;
En ’t eêlste smolt daar met het eêlste samen,
En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang’.
Leen mij de bloemen aller redekunst;—
Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon!
Voor koopwaar bedel’ koopmanslof zich gunst,
Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon.241
Een kluiz’naar, wien een honderd winters hind’ren,
Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af;
Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind’ren,
Leent de eerste jeugd der wieg aan ’s grijsaards staf;
O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!
Koning.Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!
Koning.
Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!
Biron.Is ebbenhout als zij? dan godd’lijk hout!Een vrouw uit zulk een hout waar’ ’t heilrijkst lot.Wie reikt mij ’t bijbelboek, opdat ik zweer,Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten wareZij van haar oogen gloedvol blikken leer’;O, schoon is geen gelaat, min zwart dan ’t hare.
Biron.
Is ebbenhout als zij? dan godd’lijk hout!
Een vrouw uit zulk een hout waar’ ’t heilrijkst lot.
Wie reikt mij ’t bijbelboek, opdat ik zweer,
Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten ware
Zij van haar oogen gloedvol blikken leer’;
O, schoon is geen gelaat, min zwart dan ’t hare.
Koning.Wat paradox! Zwart is de leus der hel,De kleur van krochten, en het kleed der nacht;En blankheid staat bij hemelreinheid wel.
Koning.
Wat paradox! Zwart is de leus der hel,
De kleur van krochten, en het kleed der nacht;
En blankheid staat bij hemelreinheid wel.
Biron.De duivel lokt liefst in der englen dracht.Zoo ravenzwart mijn liefste’s hoofd bedekt,Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernisMet ijd’len schijn verliefde dwazen trekt;Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is.De mode erkent haar schoonheid; en dit doetNatuurlijk bloed den lof van verf verwerven;En noopt het blank, dat gisping duchten moet,Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.
Biron.
De duivel lokt liefst in der englen dracht.
Zoo ravenzwart mijn liefste’s hoofd bedekt,
Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernis
Met ijd’len schijn verliefde dwazen trekt;
Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is.
De mode erkent haar schoonheid; en dit doet
Natuurlijk bloed den lof van verf verwerven;
En noopt het blank, dat gisping duchten moet,
Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.
Dumaine.Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.
Dumaine.
Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.
Longaville.De kolenbrander heeft een blank gezicht.
Longaville.
De kolenbrander heeft een blank gezicht.
Koning.En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.
Koning.
En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.
Dumaine.Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.
Dumaine.
Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.
Biron.Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen,Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn’.
Biron.
Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen,
Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn’.
Koning.Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen,Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.
Koning.
Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen,
Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.
Biron.Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.
Biron.
Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.
Koning.Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.
Koning.
Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.
Dumaine.Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.
Dumaine.
Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.
Longaville(zijn voet vooruitstekend).Zie, ’t beeld van uw geliefde is hier mijn schoen.
Longaville
Biron.Bestond het straatplaveisel uit uw oogen,Te ruw waar’ ’t voor haar voet en te gering.
Biron.
Bestond het straatplaveisel uit uw oogen,
Te ruw waar’ ’t voor haar voet en te gering.
Dumaine.O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen,280Dat die weg opzag, als ze er over ging.
Dumaine.
O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen,280
Dat die weg opzag, als ze er over ging.
Koning.Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?
Koning.
Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?
Biron.Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.
Biron.
Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.
Koning.Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig,Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.
Koning.
Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig,
Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.
Dumaine.Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!
Dumaine.
Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!
Longaville.Voortreff’lijk ja, een sluwe vond, een list,Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!
Longaville.
Voortreff’lijk ja, een sluwe vond, een list,
Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!
Dumaine.Een zalf voor meineed!
Dumaine.
Een zalf voor meineed!
Biron.Een zalf voor meineed!Nu, hoog noodig is ’t.Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne,En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten;Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien:Blijkbaar verraad aan ’t koningschap der jeugd!Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magenVeel, veel te jong; onthouding maakte u krank.En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,[Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af;Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,De heerlijkheid doorgrond van diepe studie,Zoo niet door ’t wonderschoon gelaat der vrouw?Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool,Die ’t echte Prometheïsch vuur doen vlammen.]Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’renDe wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,De spierkracht van den reiziger vermoeit.En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,En ook de studie, ’t doel van uwen eed;Want welk een schrijver in de gansche wereldLeert zulk een schoonheid als een vrouwenoog?Het weten toch is slechts een deel van ons,En waar wij zijn, daar is ons weten ook;Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen,Zien wij ons weten daar dan ook niet in?Wij deden de’ eed van te studeeren, vrienden,Doch daarmee zwoeren we onze boeken af;Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevondenDer schoone verzen, die ’t bezielend oogDer schoone meesteressen thans u ingaf?323De traag’re kunsten zeet’len gansch in ’t brein,En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden,Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst;Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd,Woont geenszins ingemetseld in het brein,Maar vliegt, met aller elementen leven,Snel, als gedachten ’t zijn, naar elke kracht,En geeft aan elke kracht een dubb’le kracht,Ver boven hare taak en dienstverplichting;Zij schenkt aan ’t oog een nieuw en kostlijk zien;Het oog des minnaars staart den aad’laar blind;Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid,Zelfs dat aan de’ argwaan van den dief ontsnapt;’t Gevoel der liefde is fijner, meer gevoeligDan bij de huisjesslak de teed’re horens;Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak.Is niet de liefde in moed een Hercules,Die in ’t geboomt’ der Hesperiden klimt?Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziekAls Phœbus’ lier, bespannen met zijn haar?Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koorDen hemel met hun harmonie aan ’t droomen.Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen,Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd;O! dan verrukt zijn lied der wilden oor,En plant erbarmen in tyrannenharten.Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:Zij sprank’len staâg het echt Prometheusvuur;Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool,Die heel de wereld leert, omvat en voedt;En niemand anders is in iets voortreff’lijk.Dies waart gij dwaas, toen gij deez’ vrouwen afzwoert,En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas.In naam der wijsheid,—’t woord, dat mannen minnen,—In naam der min,—het woord, dat mannen streelt,—In naam der mannen,—scheppers dezer vrouwen,—In naam der vrouwen,—de oorsprong van ons, mannen,—Verzaken we onzen eed, tot ons behoud,Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf.De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan,Want menschenmin vervult de hoogste wet,En wie kan menschenmin van liefde scheiden?
Biron.
Een zalf voor meineed!Nu, hoog noodig is ’t.
Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne,
En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten;
Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien:
Blijkbaar verraad aan ’t koningschap der jeugd!
Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magen
Veel, veel te jong; onthouding maakte u krank.
En wat uw eed nu aangaat van ’t studeeren,
[Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af;
Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?
Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,
De heerlijkheid doorgrond van diepe studie,
Zoo niet door ’t wonderschoon gelaat der vrouw?
Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:
Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool,
Die ’t echte Prometheïsch vuur doen vlammen.]
Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad’ren
De wakk’re levensgeesten tot gevang’nen,
Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,
De spierkracht van den reiziger vermoeit.
En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,
Hiermeê zwoert gij ’t gebruik der oogen af,
En ook de studie, ’t doel van uwen eed;
Want welk een schrijver in de gansche wereld
Leert zulk een schoonheid als een vrouwenoog?
Het weten toch is slechts een deel van ons,
En waar wij zijn, daar is ons weten ook;
Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen,
Zien wij ons weten daar dan ook niet in?
Wij deden de’ eed van te studeeren, vrienden,
Doch daarmee zwoeren we onze boeken af;
Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,
Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevonden
Der schoone verzen, die ’t bezielend oog
Der schoone meesteressen thans u ingaf?323
De traag’re kunsten zeet’len gansch in ’t brein,
En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden,
Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst;
Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd,
Woont geenszins ingemetseld in het brein,
Maar vliegt, met aller elementen leven,
Snel, als gedachten ’t zijn, naar elke kracht,
En geeft aan elke kracht een dubb’le kracht,
Ver boven hare taak en dienstverplichting;
Zij schenkt aan ’t oog een nieuw en kostlijk zien;
Het oog des minnaars staart den aad’laar blind;
Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid,
Zelfs dat aan de’ argwaan van den dief ontsnapt;
’t Gevoel der liefde is fijner, meer gevoelig
Dan bij de huisjesslak de teed’re horens;
Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak.
Is niet de liefde in moed een Hercules,
Die in ’t geboomt’ der Hesperiden klimt?
Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziek
Als Phœbus’ lier, bespannen met zijn haar?
Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koor
Den hemel met hun harmonie aan ’t droomen.
Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen,
Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd;
O! dan verrukt zijn lied der wilden oor,
En plant erbarmen in tyrannenharten.
Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:
Zij sprank’len staâg het echt Prometheusvuur;
Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool,
Die heel de wereld leert, omvat en voedt;
En niemand anders is in iets voortreff’lijk.
Dies waart gij dwaas, toen gij deez’ vrouwen afzwoert,
En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas.
In naam der wijsheid,—’t woord, dat mannen minnen,—
In naam der min,—het woord, dat mannen streelt,—
In naam der mannen,—scheppers dezer vrouwen,—
In naam der vrouwen,—de oorsprong van ons, mannen,—
Verzaken we onzen eed, tot ons behoud,
Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf.
De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan,
Want menschenmin vervult de hoogste wet,
En wie kan menschenmin van liefde scheiden?
Koning.Dan, Sint Cupido! en in ’t veld, soldaten!
Koning.
Dan, Sint Cupido! en in ’t veld, soldaten!
Biron.Ontplooit uw standaards, heeren, er op los!Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad,Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!
Biron.
Ontplooit uw standaards, heeren, er op los!
Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad,
Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!
Longaville.Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is ’t?Wij maken ’t hof dus aan de Fransche meisjes?
Longaville.
Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is ’t?
Wij maken ’t hof dus aan de Fransche meisjes?
Koning.En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht!Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.
Koning.
En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht!
Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.
Biron.Wij leiden haar dan eerst van ’t park daarheen;En voor die wandeling zoek’ zich elk de handDer uitverkoren schoone. Na den middagVermake haar een geestig tijdverdrijf,Zoo goed de korte tijd het scheppen kan;Want dartele uren, maskerspel en dansen,’t Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.
Biron.
Wij leiden haar dan eerst van ’t park daarheen;
En voor die wandeling zoek’ zich elk de hand
Der uitverkoren schoone. Na den middag
Vermake haar een geestig tijdverdrijf,
Zoo goed de korte tijd het scheppen kan;
Want dartele uren, maskerspel en dansen,
’t Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.
Koning.Van hier, van hier! Terstond aan ’t werk! want tijd,Zoo wij hem niet verbeuz’len, brengt profijt.
Koning.
Van hier, van hier! Terstond aan ’t werk! want tijd,
Zoo wij hem niet verbeuz’len, brengt profijt.
Biron.Allons!wie onkruid zaait, oogst nimmer koren;Gerechtigheid weegt alles even zwaar;Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren;Ons koper geeft geen recht op beter waar.
Biron.
Allons!wie onkruid zaait, oogst nimmer koren;
Gerechtigheid weegt alles even zwaar;
Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren;
Ons koper geeft geen recht op beter waar.
(Allen af.)