Chapter 7

“En ik blijf bij je, kaptein”, zei McCoy.’s Nachts kwamen er lichte, bedriegelijke koeltjes uit het zuiden, en de razende kapitein, met zijn lading vuur, keek en schatte hoeveel hij afdreef naar het westen; en af en toe ging hij in zijn eentje weg om zachtjes te vloeken opdat McCoy het niet zou hooren.De dageraad liet weer palmen zien die uit het water groeiden.“Dat is de lijwaartsche landtong van Makemo”, zei McCoy. “Katioe is maar een paar mijlen naar het westen. Misschien kunnen we daar komen.”Maar de strooming, zuigend tusschen de twee eilanden, dreef hen naar het noordwesten, en om één uur’s middags zagen ze de palmen van Katioe boven de zee uitrijzen en er weer in terugzinken.Een paar minuten later, juist toen de kapitein had ontdekt dat een nieuwe strooming uit het noordoosten dePyreneeënhad gegrepen, riepen de uitkijken in de mast-toppen, dat er kokospalmen in ’t westen waren.“Dat is Raraka”, zei McCoy. “We komen daar niet zonder wind. De strooming trekt nu naar ’t zuidwesten. Maar we moeten goed uitkijken. Een paar mijlen verder loopt een strooming naar ’t noorden en draait dan rond naar ’t noordwesten. Dat zal ons van Fakarava wegdrijven en in Fakarava zal dePyreneeënhaar bed vinden.”“Ze kunnen drijven wat ze Godv—, wat ze willen”, merkte kapitein Davenport warm op. “We zullen even goed ergens een bed voor het schip vinden.”Maar de toestand aan boord werd onhoudbaar. Het dek was zóó heet, dat het leek of een paar graden stijging het in vlammen zou doen uitbarsten. Op sommige punten vormden zelfs de zwaar-gezoolde schoenen van de matrozen geen bescherming meer, en ze waren gedwongen tot vlug springen om te vermijden dat hun voeten schroeiden. De rook was veel dichter en scherper geworden. Iedereen aan boord had last van ontstoken oogen, en ze hoestten en kuchten als een troep tuberculose-patiënten. In den namiddag werden de booten buiten boord gezwaaid en uitgerust. De laatste pakken gedroogde bananen werden er in geladen en de instrumenten van de officieren. Kapitein Davenport brachtzelfs den chronometer in de barkas: hij vreesde dat ieder oogenblik het dek in de lucht zou vliegen.Den geheelen nacht woog die vrees zwaar op allen, en in het eerste morgenlicht staarden ze elkaar in de holle oogen en vermoeide gezichten, alsof ze verwonderd waren dat dePyreneeënnog hield en zij nog leefden.Af en toe snel loopend, en zelfs nu en dan overgaand in een onwaardig huppel-gangetje, onderzocht kapitein Davenport het dek van zijn schip.“Het is nog maar een kwestie van uren, zoo niet van minuten”, verklaarde hij toen hij weer op de kampanje kwam.De kreet “Land” kwam naar omlaag uit den mast-top. Vanaf het dek was het land niet te zien, en McCoy ging het want in, terwijl de kapitein van de gelegenheid gebruik maakte om een beetje van de bitterheid uit zijn hart weg te vloeken. Maar het vloeken werd plotselingbeëindigddoor een donkere streep op het water die hij snel zag naderen uit het noordoosten. Het was geen bui, maar een echte, doorstaande bries—de passaatwind, uit zijn verband gerukt, acht streken uit zijn normale richting, maar hij nam zijn werk toch weer op.“Een beetje hooger, kaptein”, zei McCoy zoodra hij weer op de kampanje was. “Dat is de oostelijke tong van Fakarava en we zullen door de vaargeul binnen stevenen met halven wind, in volle vaart, en met alle zeilen gespannen.”Een uur later waren de kokospalmen en het laag-liggende land zichtbaar vanaf het dek. Het gevoel dat de weerstand van het schip op zijn eind liep drukte zwaar op iedereen. Kapitein Davenport liet de drie booten strijken en kort achter het schip aan sleepen, in iedere boot een matroos om hen uit elkaar te houden. DePyreneeënscheerde vlaklangs de wal; de atol, witgewasschen door de branding, was nauwelijks twee kabellengten verwijderd.“Maak klarigheid om te halzen, kaptein”, waarschuwde McCoy. En een minuut later brak het land in tweeën; een smalle invaart werd zichtbaar, en daarachter de lagune, een groote spiegel, dertig mijlen lang en een derde zoo breed.“Nu, kaptein.”Voor den laatsten keer zwaaiden de ra’s van het groote fregatschip rond, terwijl het gehoorzaamde aan het roer en de doorvaart binnen stevende. De steken waren nauwelijks gelegd en niets was nog opgeschoten, toen matrozen en stuurlui in een paniek terug holden naar de kampanje. Er was niets gebeurd, maar iedereen voelde dat er iets zou gebeuren. Ze konden niet zeggen waarom; ze wisten alleen dat het nu ginggebeuren. McCoy wilde naar voren gaan om zijn post op den boeg in te nemen: hij moest het schip naar binnen loodsen; maar de kapitein greep hem bij zijn arm en rukte hem terug.“Doe het van hier uit”, zei hij. “Dat dek is niet veilig. Wat nu?” vroeg hij het volgende oogenblik. “We staan stil.”McCoy glimlachte.“Je gaat tegen een zeven-knoops-strooming in, kaptein”, zei hij. “Zoo stroomt hier de eb uit de doorvaart.”Na een uur had dePyreneeënnauwelijks haar lengte gewonnen, maar de wind kwam door en het schip begon vooruit te komen.“Gaan jullie maar in de booten”, beval kapitein Davenport.Zijn stem klonk nog en de matrozen kwamen juist in beweging om te gehoorzamen, toen het dek midscheeps in een massa rook en vlammen omhoog geblazen werd, de zeilen en het tuig in. Een gedeelte bleef daar hangen en de restviel in zee. Het was een geluk voor de mannen die op het achterschip bijeen stonden dat de wind dwars inkwam. In een blinde paniek stortten ze zich naar de booten, maar de stem van McCoy, met haar overtuigende boodschap van onberoerde kalmte en tijdelooze rust, hield hen terug.“Kalm aan”, zei hij. “Alles gaat goed. Laat iemand dien jongen overboord helpen, asjeblieft.”De roerganger had in de algemeene verwarring het stuurrad laten schieten. Kapitein Davenport vloog er heen en kon nog juist op tijd de spaken grijpen om te voorkomen dat het schip zou zwaaien in den stroom en op het rif zou loopen.“Zorgt u maar voor de booten”, zei hij tegen mijnheer Konig. “Haal er één tegen het schip aan, op zij van den spiegel... Als ik overboord ga zal het bliksems vlug zijn.”Mijnheer Konig aarzelde, klom toen over de verschansing en liet zich neer in de boot.“Een halve streek afhouden, kaptein.”Kapitein Davenport schrok. Hij had gedacht dat hij zijn schip voor zich alleen had.“Ja, ja, een halve streek is het”, antwoordde hij.Midscheeps was dePyreneeëneen open, vlammende oven, waar een geweldige massa rook uit barstte, die hoog boven de masten uit steeg en het voorste gedeelte van het schip volkomen verborg. McCoy, in de beschutting van het bezaanswant, ging voort met zijnmoeilijketaak het groote vaartuig door de kronkelende vaargeul te loodsen. Het vuur kroop van het centrum der ontploffing langs het dek naar achteren, en de hoog-rijzende toren van zeilen aan den grooten mast ging op en verdween in een gordijn van vlammen. Ofschoon ze niet te zien waren, wisten de twee mannen, dat vóór op het schip de voorzeilen nog trokken.“Als al de zeilen maar niet wegbranden vóór dat we binnen zijn”, gromde de kapitein.“We halen het”, verzekerde McCoy hem met supreem vertrouwen. “We hebben tijd genoeg. We zullen het halen. En als we eenmaal binnen zijn leggen we d’r vóór den wind, dat zal den rook van ons weg houden en het vuur beletten naar achteren te kruipen.”Een vlammende tong sprong op naast den bezaansmast, reikte hunkerend naar de laagste reep zeildoek, miste, en verdween. Van omhoog viel een brandend stuk touwwerk juist in den nek van kapitein Davenport. Hij handelde met de snelheid van iemand die door een wesp is gestoken toen hij zijn arm uitstak en het pijnlijk vuur van zijn huid veegde.“Hoe liggen we voor, kaptein?”“Noordwest-bij-west.”“Hou d’r westnoordwest.”Kapitein Davenport liet het grootestuurraddraaien tusschen zijn handen en gaf den gevraagden koers.“West-bij-noord, kapitein.”“West-bij-noord is het.”“En nu west.”Langzaam, streek voor streek, beschreef dePyreneeën,terwijl ze de lagune binnen schoof, den kwart-cirkel die haar vóór den wind bracht, en streek voor streek, met een kalme zekerheid alsof hij duizend jaren tijd had, zong McCoy den veranderenden koers.“Nog een streek, kaptein.”“Een streek is het.”Kapitein Davenport draaide verscheiden spaken rond, hield dan plotseling stil en draaide er één terug om het schip te houden.“Recht zoo.”“Recht ligt ze—pal op d’r koers.”Ondanks het feit dat ze den wind achter hadden, was de hitte zóó fel, dat kapitein Davenport zijdelings naar hetkompashuisje moest kijken, terwijl hij nu met de eene dan met de andere hand hetstuurradlos liet, om zijn brandende wangen te wrijven of te beschutten. McCoy’s baard schrompelde krinkelend en knetterend weg, en de lucht van schroeiend haar, sterk in den neus van den ander, deed hem met plotselingeongerustheidnaar McCoy kijken. Voortdurend lieten zijn handen de spaken van het stuurrad om beurten los, en wreef hij hun schroeiende ruggen tegen zijn broek. Alle zeilen aan den bezaansmast verdwenen in een bliksemende vuurzuil, en de twee mannen moesten bukken en hun gezichten beschutten met hun armen.“Nu,” zei McCoy en hij keek even vooruit naar den lagen oever, “vier streken in den wind, kaptein; en laat ’r dan maar loopen.”Overal om hen heen en op hen vielen stukken en flarden brandend touwwerk en zeildoek. De tanige rook van een smeulend stuk teertouw voor de voeten van den kapitein bezorgde hem een geweldige hoestbui, maar nog steeds klemde hij zich vast aan de spaken van het stuurrad.DePyreneeënstootte; de boeg ging omhoog en schuurde zachtjes tot stilstand. Een regen van brandende flarden, losgeraakt door den schok, viel op hen neer. Het schip schoof weer vooruit en stootte een tweeden keer. Ze verbrijzelde het brooze koraal onder haar ijzeren kiel, dreef weer verder, en stootte voor de derde maal.“Heelemaal over”, zei McCoy. “Heelemaal over?” vroeg hij zacht, een oogenblik later.“Ze zal niet luisteren”, was het antwoord.“Ook al goed. Ze zwaait rond.” McCoy keek over de verschansing. “Zacht, wit zand. We konden ’t niet beter hebben. Een mooi bed.”Toen dePyreneeënrond zwaaide, met het achterschip uit den wind, kwam een vreeselijke zee van rook en vlammen naar achteren stroomen. Kapitein Davenport liet het roer los en vluchtte in schroeiende foltering. Hij greep het meertouw van de boot die langszij lag, keek dan om naar McCoy die naast hem stond om hem voor te laten gaan.“Jij eerst!” schreeuwde de kapitein, greep hem bij den schouder en gooide hem bijna over de reeling. Maar de vlammen en de rook waren te verschrikkelijk, en hij volgde vlak achter McCoy aan. De twee mannen slingerden zich langs het touw naar beneden en gleden tegelijk neer in de boot. Een matroos in den boeg sneed het touw door met zijn zeemansmes, zonder bevelen af te wachten. De riemen, in evenwicht klaar gehouden, beten in het water, en de boot schoot weg.“Een mooi bed, kaptein”, mompelde McCoy, omziend.“Ja, een mooi bed, en allemaal dank zij jou”, was het antwoord. De drie booten hielden aan op het witte strand van fijngestampt koraal. Daarachter, aan den rand van een kokospalmen-boschje, zag men een half dozijn gras-hutten, en een dertigtal opgewonden inboorlingen, met groote oogen starend naar den drijvenden brand die hier was komen landen.De booten schuurden aan den grond, en ze stapten uit op het witte strand.“En nu”, zei McCoy, “moet ik zien dat ik weer op Pitcairn kom.”1Op Engelsche schepen noemt men den tijd van vier tot achtuur’snamiddags de hondenwacht.

“En ik blijf bij je, kaptein”, zei McCoy.

’s Nachts kwamen er lichte, bedriegelijke koeltjes uit het zuiden, en de razende kapitein, met zijn lading vuur, keek en schatte hoeveel hij afdreef naar het westen; en af en toe ging hij in zijn eentje weg om zachtjes te vloeken opdat McCoy het niet zou hooren.

De dageraad liet weer palmen zien die uit het water groeiden.

“Dat is de lijwaartsche landtong van Makemo”, zei McCoy. “Katioe is maar een paar mijlen naar het westen. Misschien kunnen we daar komen.”

Maar de strooming, zuigend tusschen de twee eilanden, dreef hen naar het noordwesten, en om één uur’s middags zagen ze de palmen van Katioe boven de zee uitrijzen en er weer in terugzinken.

Een paar minuten later, juist toen de kapitein had ontdekt dat een nieuwe strooming uit het noordoosten dePyreneeënhad gegrepen, riepen de uitkijken in de mast-toppen, dat er kokospalmen in ’t westen waren.

“Dat is Raraka”, zei McCoy. “We komen daar niet zonder wind. De strooming trekt nu naar ’t zuidwesten. Maar we moeten goed uitkijken. Een paar mijlen verder loopt een strooming naar ’t noorden en draait dan rond naar ’t noordwesten. Dat zal ons van Fakarava wegdrijven en in Fakarava zal dePyreneeënhaar bed vinden.”

“Ze kunnen drijven wat ze Godv—, wat ze willen”, merkte kapitein Davenport warm op. “We zullen even goed ergens een bed voor het schip vinden.”

Maar de toestand aan boord werd onhoudbaar. Het dek was zóó heet, dat het leek of een paar graden stijging het in vlammen zou doen uitbarsten. Op sommige punten vormden zelfs de zwaar-gezoolde schoenen van de matrozen geen bescherming meer, en ze waren gedwongen tot vlug springen om te vermijden dat hun voeten schroeiden. De rook was veel dichter en scherper geworden. Iedereen aan boord had last van ontstoken oogen, en ze hoestten en kuchten als een troep tuberculose-patiënten. In den namiddag werden de booten buiten boord gezwaaid en uitgerust. De laatste pakken gedroogde bananen werden er in geladen en de instrumenten van de officieren. Kapitein Davenport brachtzelfs den chronometer in de barkas: hij vreesde dat ieder oogenblik het dek in de lucht zou vliegen.

Den geheelen nacht woog die vrees zwaar op allen, en in het eerste morgenlicht staarden ze elkaar in de holle oogen en vermoeide gezichten, alsof ze verwonderd waren dat dePyreneeënnog hield en zij nog leefden.

Af en toe snel loopend, en zelfs nu en dan overgaand in een onwaardig huppel-gangetje, onderzocht kapitein Davenport het dek van zijn schip.

“Het is nog maar een kwestie van uren, zoo niet van minuten”, verklaarde hij toen hij weer op de kampanje kwam.

De kreet “Land” kwam naar omlaag uit den mast-top. Vanaf het dek was het land niet te zien, en McCoy ging het want in, terwijl de kapitein van de gelegenheid gebruik maakte om een beetje van de bitterheid uit zijn hart weg te vloeken. Maar het vloeken werd plotselingbeëindigddoor een donkere streep op het water die hij snel zag naderen uit het noordoosten. Het was geen bui, maar een echte, doorstaande bries—de passaatwind, uit zijn verband gerukt, acht streken uit zijn normale richting, maar hij nam zijn werk toch weer op.

“Een beetje hooger, kaptein”, zei McCoy zoodra hij weer op de kampanje was. “Dat is de oostelijke tong van Fakarava en we zullen door de vaargeul binnen stevenen met halven wind, in volle vaart, en met alle zeilen gespannen.”

Een uur later waren de kokospalmen en het laag-liggende land zichtbaar vanaf het dek. Het gevoel dat de weerstand van het schip op zijn eind liep drukte zwaar op iedereen. Kapitein Davenport liet de drie booten strijken en kort achter het schip aan sleepen, in iedere boot een matroos om hen uit elkaar te houden. DePyreneeënscheerde vlaklangs de wal; de atol, witgewasschen door de branding, was nauwelijks twee kabellengten verwijderd.

“Maak klarigheid om te halzen, kaptein”, waarschuwde McCoy. En een minuut later brak het land in tweeën; een smalle invaart werd zichtbaar, en daarachter de lagune, een groote spiegel, dertig mijlen lang en een derde zoo breed.

“Nu, kaptein.”

Voor den laatsten keer zwaaiden de ra’s van het groote fregatschip rond, terwijl het gehoorzaamde aan het roer en de doorvaart binnen stevende. De steken waren nauwelijks gelegd en niets was nog opgeschoten, toen matrozen en stuurlui in een paniek terug holden naar de kampanje. Er was niets gebeurd, maar iedereen voelde dat er iets zou gebeuren. Ze konden niet zeggen waarom; ze wisten alleen dat het nu ginggebeuren. McCoy wilde naar voren gaan om zijn post op den boeg in te nemen: hij moest het schip naar binnen loodsen; maar de kapitein greep hem bij zijn arm en rukte hem terug.

“Doe het van hier uit”, zei hij. “Dat dek is niet veilig. Wat nu?” vroeg hij het volgende oogenblik. “We staan stil.”

McCoy glimlachte.

“Je gaat tegen een zeven-knoops-strooming in, kaptein”, zei hij. “Zoo stroomt hier de eb uit de doorvaart.”

Na een uur had dePyreneeënnauwelijks haar lengte gewonnen, maar de wind kwam door en het schip begon vooruit te komen.

“Gaan jullie maar in de booten”, beval kapitein Davenport.

Zijn stem klonk nog en de matrozen kwamen juist in beweging om te gehoorzamen, toen het dek midscheeps in een massa rook en vlammen omhoog geblazen werd, de zeilen en het tuig in. Een gedeelte bleef daar hangen en de restviel in zee. Het was een geluk voor de mannen die op het achterschip bijeen stonden dat de wind dwars inkwam. In een blinde paniek stortten ze zich naar de booten, maar de stem van McCoy, met haar overtuigende boodschap van onberoerde kalmte en tijdelooze rust, hield hen terug.

“Kalm aan”, zei hij. “Alles gaat goed. Laat iemand dien jongen overboord helpen, asjeblieft.”

De roerganger had in de algemeene verwarring het stuurrad laten schieten. Kapitein Davenport vloog er heen en kon nog juist op tijd de spaken grijpen om te voorkomen dat het schip zou zwaaien in den stroom en op het rif zou loopen.

“Zorgt u maar voor de booten”, zei hij tegen mijnheer Konig. “Haal er één tegen het schip aan, op zij van den spiegel... Als ik overboord ga zal het bliksems vlug zijn.”

Mijnheer Konig aarzelde, klom toen over de verschansing en liet zich neer in de boot.

“Een halve streek afhouden, kaptein.”

Kapitein Davenport schrok. Hij had gedacht dat hij zijn schip voor zich alleen had.

“Ja, ja, een halve streek is het”, antwoordde hij.

Midscheeps was dePyreneeëneen open, vlammende oven, waar een geweldige massa rook uit barstte, die hoog boven de masten uit steeg en het voorste gedeelte van het schip volkomen verborg. McCoy, in de beschutting van het bezaanswant, ging voort met zijnmoeilijketaak het groote vaartuig door de kronkelende vaargeul te loodsen. Het vuur kroop van het centrum der ontploffing langs het dek naar achteren, en de hoog-rijzende toren van zeilen aan den grooten mast ging op en verdween in een gordijn van vlammen. Ofschoon ze niet te zien waren, wisten de twee mannen, dat vóór op het schip de voorzeilen nog trokken.

“Als al de zeilen maar niet wegbranden vóór dat we binnen zijn”, gromde de kapitein.

“We halen het”, verzekerde McCoy hem met supreem vertrouwen. “We hebben tijd genoeg. We zullen het halen. En als we eenmaal binnen zijn leggen we d’r vóór den wind, dat zal den rook van ons weg houden en het vuur beletten naar achteren te kruipen.”

Een vlammende tong sprong op naast den bezaansmast, reikte hunkerend naar de laagste reep zeildoek, miste, en verdween. Van omhoog viel een brandend stuk touwwerk juist in den nek van kapitein Davenport. Hij handelde met de snelheid van iemand die door een wesp is gestoken toen hij zijn arm uitstak en het pijnlijk vuur van zijn huid veegde.

“Hoe liggen we voor, kaptein?”

“Noordwest-bij-west.”

“Hou d’r westnoordwest.”

Kapitein Davenport liet het grootestuurraddraaien tusschen zijn handen en gaf den gevraagden koers.

“West-bij-noord, kapitein.”

“West-bij-noord is het.”

“En nu west.”

Langzaam, streek voor streek, beschreef dePyreneeën,terwijl ze de lagune binnen schoof, den kwart-cirkel die haar vóór den wind bracht, en streek voor streek, met een kalme zekerheid alsof hij duizend jaren tijd had, zong McCoy den veranderenden koers.

“Nog een streek, kaptein.”

“Een streek is het.”

Kapitein Davenport draaide verscheiden spaken rond, hield dan plotseling stil en draaide er één terug om het schip te houden.

“Recht zoo.”

“Recht ligt ze—pal op d’r koers.”

Ondanks het feit dat ze den wind achter hadden, was de hitte zóó fel, dat kapitein Davenport zijdelings naar hetkompashuisje moest kijken, terwijl hij nu met de eene dan met de andere hand hetstuurradlos liet, om zijn brandende wangen te wrijven of te beschutten. McCoy’s baard schrompelde krinkelend en knetterend weg, en de lucht van schroeiend haar, sterk in den neus van den ander, deed hem met plotselingeongerustheidnaar McCoy kijken. Voortdurend lieten zijn handen de spaken van het stuurrad om beurten los, en wreef hij hun schroeiende ruggen tegen zijn broek. Alle zeilen aan den bezaansmast verdwenen in een bliksemende vuurzuil, en de twee mannen moesten bukken en hun gezichten beschutten met hun armen.

“Nu,” zei McCoy en hij keek even vooruit naar den lagen oever, “vier streken in den wind, kaptein; en laat ’r dan maar loopen.”

Overal om hen heen en op hen vielen stukken en flarden brandend touwwerk en zeildoek. De tanige rook van een smeulend stuk teertouw voor de voeten van den kapitein bezorgde hem een geweldige hoestbui, maar nog steeds klemde hij zich vast aan de spaken van het stuurrad.

DePyreneeënstootte; de boeg ging omhoog en schuurde zachtjes tot stilstand. Een regen van brandende flarden, losgeraakt door den schok, viel op hen neer. Het schip schoof weer vooruit en stootte een tweeden keer. Ze verbrijzelde het brooze koraal onder haar ijzeren kiel, dreef weer verder, en stootte voor de derde maal.

“Heelemaal over”, zei McCoy. “Heelemaal over?” vroeg hij zacht, een oogenblik later.

“Ze zal niet luisteren”, was het antwoord.

“Ook al goed. Ze zwaait rond.” McCoy keek over de verschansing. “Zacht, wit zand. We konden ’t niet beter hebben. Een mooi bed.”

Toen dePyreneeënrond zwaaide, met het achterschip uit den wind, kwam een vreeselijke zee van rook en vlammen naar achteren stroomen. Kapitein Davenport liet het roer los en vluchtte in schroeiende foltering. Hij greep het meertouw van de boot die langszij lag, keek dan om naar McCoy die naast hem stond om hem voor te laten gaan.

“Jij eerst!” schreeuwde de kapitein, greep hem bij den schouder en gooide hem bijna over de reeling. Maar de vlammen en de rook waren te verschrikkelijk, en hij volgde vlak achter McCoy aan. De twee mannen slingerden zich langs het touw naar beneden en gleden tegelijk neer in de boot. Een matroos in den boeg sneed het touw door met zijn zeemansmes, zonder bevelen af te wachten. De riemen, in evenwicht klaar gehouden, beten in het water, en de boot schoot weg.

“Een mooi bed, kaptein”, mompelde McCoy, omziend.

“Ja, een mooi bed, en allemaal dank zij jou”, was het antwoord. De drie booten hielden aan op het witte strand van fijngestampt koraal. Daarachter, aan den rand van een kokospalmen-boschje, zag men een half dozijn gras-hutten, en een dertigtal opgewonden inboorlingen, met groote oogen starend naar den drijvenden brand die hier was komen landen.

De booten schuurden aan den grond, en ze stapten uit op het witte strand.

“En nu”, zei McCoy, “moet ik zien dat ik weer op Pitcairn kom.”

1Op Engelsche schepen noemt men den tijd van vier tot achtuur’snamiddags de hondenwacht.

1Op Engelsche schepen noemt men den tijd van vier tot achtuur’snamiddags de hondenwacht.


Back to IndexNext