Maoeki.

“Ik ben een man”, zei de zendeling.“Zeker, jij bent een man. Maar het is mijn duister begrip niet gegeven om te weten wat jij gelooft.”“Ik zeg u, ik geloof dat alles gemaakt is in zes dagen.”“Dat zeg je nu wel, dat zeg je nu wel,” mompelde de oude kannibaal sussend.Niet dan nadat John Starhurst en Naraoe naar bed waren gegaan kroop Erirola het huis van het dorpshoofd binnen, en overhandigde hem, na een diplomatieke redevoering, den walvischtand.Het oude dorpshoofd hield den tand heel lang in zijn handen. Het was een mooie tand, en hij wilde hem erg graag hebben. Ook raadde hij het verzoek dat er achter zat. “Neen, neen; walvischtanden waren mooi,” en het water kwam hem in zijn mond, maar hij gaf hem onder veel verontschuldigingen terug aan Erirola.Vroeg in de morgenschemering was John Starhurst op de been, schrijdend over het boschpad in zijn groote leerenlaarzen, achter hem aan de trouwe Naraoe, hij zelf achter een naakten gids aan, die hem geleend was door Mongondro om den weg te wijzen naar het volgende dorp, dat om twaalf uur bereikt werd. Hier kwam een nieuwe gids den weg wijzen. Een mijl achter hem aan zwoegde Erirola, de walvischtand in het mandje over zijn schouder geslagen. Twee dagen volgde hij den zendeling, en bood den tand aan de verschillende dorpshoofden aan. Maar dorp na dorp weigerde den tand. Hij volgde zóó snel op de aankomst van den zendeling dat zij het verzoek raadden dat er gedaan zou worden, en zij wilden er niets mee te maken hebben.Zij kwamen langzamerhand diep in de bergen, en Erirola nam een geheim pad, sneed den zendeling den pas af, en bereikte vóór hem de vesting van den Boeli van Gatoka. De Boeli nu wist niet van John Starhurst’s naderende komst. Bovendien was de tand mooi—een buitengewoon exemplaar, en de kleur was van de zeldzaamste hoedanigheid. De tand werd in het openbaar aangeboden. De Boeli van Gatoka, zittend op zijn beste mat, omgeven door zijn hoplieden, drie vliegenjagers achter hem aan het werk, verwaardigde zich uit de hand van zijn heraut den walvischtand te ontvangen, die hem werd aangeboden door Ra Vatoe en die in de bergen was gebracht door zijn neef Erirola. Een geweldig handgeklap weerklonk toen het geschenk werd aanvaard, en de vergaderde hoplieden, herauten en vliegenjagers riepen in koor: A! woi! woi! woi! A! woi! woi! woi! A taboea levoe! Woi! woi! A moedoea, moedoea, moedoea!“Weldra zal er een man komen, een blanke man,” begon Erirola, na de vereischte pauze. “Het is een zendeling, en hij zal vandaag komen. Het behaagt Ra Vatoe zijn laarzen te begeeren. Hij wenscht ze ten geschenke te geven aan zijn goeden vriend Mongondro, en het is zijn plan om ze testuren met de voeten er in, want Mongondro is een oud man en zijn tanden zijn niet goed meer. Zorg er voor, o Boeli, dat de voeten mee gaan in de laarzen. Wat de rest van hem betreft, die mag hier blijven.”De verrukking over den walvischtand verdween uit de oogen van den Boeli, en hij keek aarzelend om zich heen. Maar hij had den tand aangenomen.“Een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan”, bemoedigde Erirola.“Neen, een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan,” antwoordde de Boeli, die zichzelf weer was. “Mongondro zal de laarzen hebben. Vlug, jonge mannen, ga den zendeling tegemoet op het pad. Drie of vier is genoeg. Zorg dat je de laarzen ook meebrengt.”“Het is te laat”, zei Erirola. “Luister! Hij komt er aan.”John Starhurst, met Naraoe dicht op zijn hielen, brak door het dichte hout, en verscheen met groote schreden op het tooneel. De bewuste laarzen waren volgeloopen bij het doorwaden van den stroom en spoten fijne straaltjes water uit bij iederen stap. Starhurst keek om zich heen met schitterende oogen. Gesteund door een onwankelbaar vertrouwen, ontoegankelijk voor twijfel of vrees, juichte hij innerlijk over alles wat hij zag. Hij wist dat hij sinds het begin der tijden de eerste blanke was die de bergvesting Gatoka betrad.De gras-hutten stonden tegen den steilen bergwand geklemd of hingen boven de wild-stroomende Rewa. Aan beide kanten torende een machtige rotsmuur. Drie uren zonlicht op zijn best konden er doordringen in die nauwe spleet. Er waren geen kokospalmen of bananen te zien, ofschoon dichte, tropische plantengroei zich over alles heen stortte, druipend in lichte slingers van denhoogen rand der bergwanden, en in weligen overvloed stroomend uit al de spleten en uitstekende randen. Aan het verre einde van de kloof sprong de Rewa achthonderd voet omlaag in één enkelen boog, en de atmosfeer in de rotsvesting trilde mee met den rhythmischen donder van den waterval.Uit het huis van den Boeli zag John Starhurst den Boeli en zijn gevolg te voorschijn komen.“Ik breng u goede tijding”, was de begroeting van den zendeling.“Wie heeft je gestuurd?” repliceerde de Boeli rustig.“God.”“Het is een nieuwe naam op Viti Levoe”, grijnsde de Boeli. “Van welke eilanden, dorpen, of bergpassen is hij het opperhoofd?”“Hij is het opperhoofd van alle landen, alle dorpen, alle bergpassen,” antwoordde John Starhurst plechtig. “Hij is de Heer van hemel en aarde, en ik ben gekomen om u Zijn woord te brengen.”“Heeft hij walvischtanden gestuurd?” was de onbeschaamde vraag.“Neen, maar kostbaarder dan walvischtanden is de—”“Het is gewoonte tusschen opperhoofden om walvischtanden te sturen,” onderbrak de Boeli. “Je opperhoofd is òf een gierigaard, óf jij bent een dwaas, om met leege handen in de bergen te komen. Zie, een grootmoediger mensch is je vóór.”Terwijl hij dat zei, liet hij den walvischtand zien dien hij had aangenomen van Erirola.Naraoe kreunde.“Het is de walvischtand van Ra Vatoe,” fluisterde hij Starhurst in. “Ik ken hem goed. Nu is het met ons gedaan.”“Dat is gunstig,” antwoordde de zendeling, en hij haalde zijn hand door zijn langen baard en zette zijn bril recht. “Ra Vatoe heeft gezorgd dat wij goed ontvangen zouden worden.”Maar Naraoe kreunde opnieuw, en schoof weg van de hielen waar hij zoo trouw achter aan had geloopen.“Ra Vatoe zal spoedig Lotoe worden”, legde Starhurst uit, “en ik ben gekomen om u de Lotoe te brengen.”“Ik wil niet met je Lotoe te maken hebben”, zei de Boeli trotsch. “En het is mijn plan je vandaag nog te laten dood slaan.”De Boeli wenkte een van zijn groote bergbewoners, en de man trad naar voren, een geweldige knots zwaaiend. Naraoe vloog het naaste huis binnen, trachtend zich te verbergen tusschen de vrouwen en de matten; maar John Starhurst sprong onder de knots door en sloeg zijn armen om den hals van zijn beul. Van uit dit strategisch punt begon hij te betoogen. Hij betoogde om zijn leven, en hij wist het; maar hij was niet ontdaan of bang.“Het zou niet goed voor u zijn mij te dooden”, zei hij tegen den wilde. “Ik heb u geen kwaad gedaan, en ik heb den Boeli geen kwaad gedaan.”Zóó goed klemde hij zich vast aan den hals van den kerel, dat zij niet durfden toeslaan met hun knotsen. En hij hield vol en bleef zich vastklemmen en redeneeren om zijn leven met hen die riepen om zijn dood.“Ik ben John Starhurst”, ging hij kalm verder. “Ik heb drie jaren lang gewerkt op Fidzji, en ik heb het niet gedaan om er voordeel mee te behalen. Ik ben hier onder u om uw bestwil. Waarom zou iemand mij dooden? Niemand zal daar voordeel van hebben.”De Boeli keek eens naar den walvischtand. Hij was goed betaald voor de daad.De zendeling was omringd door een dichte massa naakte wilden, die allen vochten om hem te pakken te krijgen. De doodszang, die is de zang van den oven, werd aangeheven, en zijn vermaningen waren niet hoorbaar meer. Maar zóó handig wond en kronkelde hij zijn lichaam om den man die hem vasthield, dat ze den doodelijken slag niet konden toebrengen. Erirola glimlachte, en de Boeli werd boos.“Weg met jullie”, riep hij. “Goed nieuws voor de bewoners van de kust—een dozijn groote kerels en één zendeling, zonder wapens, zwak als een vrouw, die jullie allemaal de baas is.”“Wacht, o Boeli,” riep John Starhurst vanuit het dichtst van de verwarring, “en ik zal zelfs u overwinnen. Want mijn wapenen zijn Waarheid en Rechtvaardigheid, en geen mensch kan hen weerstaan.”“Kom dan hier,” antwoordde de Boeli, “want mijn wapen is maar een onnoozele, armzalige knots en, zooals je zegt, hij kan jou niet weerstaan.”De troep wilden week terug, en John Starhurst stond daar alleen, tegenover den Boeli, die leunde op een reusachtige, knoestige oorlogsknots.“Kom hier, zendeling, en overwin mij,” daagde de Boeli uit.“Zóó, zonder wapens, zal ik komen en u overwinnen,” was John Starhurst ’s antwoord, en na zijn bril afgeveegd en recht gezet te hebben, kwam hij naar voren.De Boeli hief zijn knots omhoog, en wachtte.“In de eerste plaats, mijn dood zal u geen enkel voordeel brengen,” begon het betoog.“Ik laat het antwoord aan mijn knots”, was de repliek van den Boeli. En op ieder punt van het betoog antwoordde hij hetzelfde, terwijl hij den zendeling voortdurend scherp gadesloeg om dat handige inloopen onder de geheven knotste voorkomen. Toen, en toen voor het eerst, wist John Starhurst dat zijn dood naderde. Hij deed geen poging om in te loopen. Blootshoofds stond hij daar in de zon en bad met luider stem—de mysterieuze gestalte van den onvermijdelijken blanke, die, met Bijbel, kogel, of rumflesch, den verbaasden wilde heeft opgezocht in al zijn bolwerken. Zóó ook stond daar John Starhurst in de rotsvesting van den Boeli van Gatoka.“Vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen,” bad hij. “O, Heer! heb medelijden met Fidzji. Zie genadig neer op Fidzji. O Jehova, hoor ons om Zijnentwil, Uw Zoon, dien Gij gegeven hebt, opdat door Hem alle menschen zouden worden tot Uw kinderen. Uit U zijn wij voortgekomen, en onze bestemming is weder tot U terug te keeren. Het land is duister, o Heer, het land is duister, maar Gij hebt de macht om te redden. Strek Uw hand uit, o Heer, en red Fidzji, arm kannibalen-Fidzji.”De Boeli werd ongeduldig.“Nu zal ik je antwoorden”, mompelde hij, en tegelijkertijd zwaaide hij zijn knots met beide handen.Naraoe, verborgen tusschen de vrouwen en de matten, hoorden den slag vallen, en huiverde. Toen rees de doodszang, en hij wist, dat het lichaam van zijn beminden zendeling naar den oven gesleept werd toen hij hoorde zingen:“Sleep mij zachtjes. Sleep mij zachtjes.”“Want ik ben de voorvechter van mijn land.”“Dank! Dank! Dank!”Daarna steeg er een enkele stem op uit het lawaai, die vroeg:“Waar is de dappere man?”Een honderd stemmen brulden het antwoord:“Hij wordt naar den oven gesleept om gekookt te worden.”“Waar is de lafaard?” vroeg de enkele stem.“Hij gaat het vertellen!” brulden de honderd stemmen terug. “Hij gaat het vertellen!”Naraoe kreunde onder de wroeging en de verwijten die hij zichzelf deed. De woorden van het oude lied spraken de waarheid. Hij was de lafaard, en voor hem bleef er niets over dan te gaan vertellen wat er gebeurd was.Maoeki.Hij woog honderd en tien pond. Zijn haar was kroezig als van een neger, en hij was zwart. Hij was eigenaardig zwart. Hij was niet blauw-zwart of paars-zwart, maar pik-zwart. Hij heette Maoeki, en hij was de zoon van een dorpshoofd. Hij had drietambo’s.Tambo is Melanesisch voortaboeen volle neef van dat Polynesische woord. De drietambo’svan Maoeki waren als volgt: ten eerste, hij mocht nooit een vrouw een hand geven en geen vrouwenhand mocht hem of een van zijn persoonlijke eigendommen ooit aanraken; ten tweede mocht hij nooit mosselen eten noch ander voedsel dat gekookt was op een vuur waar ook mosselen op gekookt waren; ten derde mocht bij nooit een krokodil aanraken noch varen in een kano waarin zich een gedeelte van een krokodil bevond al was het maar zooveel als een tand.Van een andere kleur zwart waren zijn tanden, die diep-zwart, of misschien beter, roet-zwart waren. Zij waren zoo gemaakt in één enkelen nacht, door zijn moeder, die er een verband met een zeker tot poeder gestampt gesteente om heen had gelegd. Dat gesteente werd opgegraven uit de grond-afschuiving achter Port Adams. Port Adams is een zee-dorp op Malaita, en Malaita is het meest barbaarsche eiland in de Salomon-groep—zóó barbaarsch, dat kooplui of planters er nog geen vasten voet hebben kunnen krijgen; en vanaf den tijd van de eerste tripangvisschers en sandelhoutvaarders tot op de meest moderne koelie-wervers, uitgerustmet automatische geweren en benzine-motoren, zijn honderden blanke avonturiers hier aan hun eind gekomen door tomahawks en stomp-neuzige Snider-kogels. Zoo is Malaita ook nu nog, in de twintigste eeuw, vruchtbaar terrein voor de koelie-wervers, die zijn kusten afzoeken naar koelies die zich bij contract verbinden om te zwoegen op de plantages van de meer beschaafde eilanden in de buurt, voor een loon van dertig dollar in het jaar. De inboorlingen van de meer beschaafde eilanden zijn zelf te beschaafd geworden om op plantages te werken.Maoeki’s ooren waren doorboord, niet op één plaats, ook niet op twee, maar op een paar dozijn plaatsen. In een van de kleinere gaten droeg hij een aarden pijp. De grootere gaten waren te wijd om ze daar voor te gebruiken. De kop van de pijp zou er doorheen gevallen zijn. In het grootste gat van elk oor droeg hij gewoonlijk ronde houten stoppen die een flinke tien duim middellijn hadden. Ruw berekend, was de omtrek van gezegde gaten dertig duim. Maoeki was universeel in zijn voorliefdes. In de verschillende gaten droeg hij zeer verschillende dingen, als leege hulzen van geweerpatronen, hoefnagels, koperen schroeven, eindjes touw, strengen gevlochten platting, reepen groen blad, en, zoolang de dag nog koel was, vuurroode hibiscus-bloemen. Hieruit ziet men dat zakken geen onmisbaar vereischte voor zijn welzijn waren. Bovendien, zakken waren onmogelijk, want zijn eenig kleedingstuk bestond in een stuk calico ter breedte van een paar duim. Een zakmes droeg hij in zijn haar, het lemmet dicht geklapt op een kroezigen lok. Zijn meest gewaardeerde bezitting was het oor van een porseleinen kopje, dat hij had opgehangen aan een schildpadden ring, die op zijn beurt weer door zijn neus-tusschenschot was gehaald.Maar al deze verfraaiingen ten spijt, had Maoeki een aardig gezicht. Het was werkelijk een knap gezicht, van welk standpunt ook bezien, en voor een Melanesiër was het een merkwaardig knap gezicht.Het eenige gebrek ervan was gemis aan kracht. Het was zacht en vrouwelijk, bijna meisjesachtig. De trekken waren klein, regelmatig en fijn. De kin was zwak, en de mond was zwak. Er was geen kracht en geen karakter in kaken, neus en voorhoofd. Alleen in de oogen kon men nu en dan een glimp zien van de verborgen eigenschappen die zoo’n groot deel vormden van zijn karakter en die andere menschen niet konden begrijpen. Die verborgen eigenschappen waren durf, volharding, onbevreesdheid, fantazie, en handigheid; en als zij uitdrukking vonden in de een of andere opvallende daad, met verrassende vastberadenheid verricht, stonden de menschen om hem heen verbaasd.Maoeki’s vader was dorpshoofd van Port Adams, en zoo kwam het dat Maoeki, geboren kustbewoner, half amphibie en half mensch was. Hij kende de gewoonten van visschen en oesters, en het rif was hem een open boek. Van kano’s had hij ook verstand. Hij leerde zwemmen toen hij een jaar oud was. Op zijn zevende jaar kon hij een volle minuut lang zijn adem inhouden, en recht naar den bodem zwemmen door dertig voet water. En op zijn zevende jaar werd hij gestolen door de boschbewoners, die zelfs niet zwemmen kunnen en die bang zijn voor zout water. Daarna zag Maoeki de zee nog slechts van uit de verte, door scheuren in het oerwoud en vanaf open plekken op de hooge berghellingen. Hij werd de slaaf van Fanfoa, opperhoofd van een twintigtal boschdorpen, overal verspreid over de randen van Malaita’s bergketens, waarvan de rook, op kalme morgens, ongeveer het eenig zichtbaar teeken is dat de zeevarende blanken hebben van de overvloedige bevolking in het binnenland.Want de blanken dringen niet door tot in het binnenland van Malaita. Eéns hebben ze het geprobeerd, in de dagen dat er goud werd gezocht, maar altijd lieten zij er hun hoofden achter, die nu naar omlaag grijnzen vanaf de berookte daksparren van de boschhutten.Toen Maoeki een jonge man van zeventien jaren was, kreeg Fanfoa gebrek aan tabak. Hij kreeg vreeselijk gebrek aan tabak. Het was een harde tijd in al zijn dorpen. Hij had een fout begaan. Soe-o was een haven, zóó klein dat een groote schoener er niet op zijn anker kon zwaaien. Het werd omringd door mangroven die tot boven het diepe water hingen. Het was een val, en in de val zeilden op een goeden dag twee blanken in een kleine kits. Zij waren op inlandsche koelies uit, en ze hadden veel tabak en ruil-artikelen, om maar te zwijgen van drie geweren en ammunitie in overvloed. Nu woonden er op Soe-o geen kustbewoners, en het was daar dat de boschbewoners konden afdalen naar de zee. De kits maakte prachtige zaken. Den eersten dag teekenden er twintig koelies. Zelfs de oude Fanfoa teekende. En dienzelfden dag hakten de twintig nieuwe koelies de hoofden van de twee blanken af, vermoordden de zwarte bemanning, en staken de kits in brand. Daarna, en drie maanden lang, was er meer dan volop tabak en ruil-artikelen in al de boschdorpen. Toen kwam het oorlogsschip, dat granaten wierp, mijlen ver de heuvels in, en de bevolking uit de dorpen opschrikte, het diepere oerwoud in. Toen stuurde het oorlogsschip landingsafdeelingen aan wal. De dorpen werden alle in brand gestoken, te zamen met de tabak en het ruil-goed. De kokospalmen en pisang-boomen werden omgehakt, de taro-tuinen omgewoeld, en de varkens en kippen doodgeschoten.Het was een lesje voor Fanfoa, maar ondertusschen zat hij zonder tabak. Ook waren zijn jonge mannen te banggeworden om te gaan teekenen op de wervings-schepen. Daarom beval Fanfoa dat zijn slaaf, Maoeki, naar beneden gebracht en aangeworven zou worden voor een halve kist tabak, bij vooruitbetaling te voldoen, en voor wat messen, bijlen, calico, en kralen, waarvoor hij moest betalen met zwaren arbeid op de plantages.Maoeki stond doodsangsten uit toen ze hem aan boord van den schoener brachten. Hij was een lam dat ter slachtbank geleid wordt. Blanke waren woeste, wreede wezens. Zij moesten dat wel zijn, anders zouden zij er hun beroep niet van maken zich te wagen langs de kusten en in alle havens van Malaita, twee op een schoener, als iedere schoener van vijftien tot twintig zwarten voer als bemanning en dikwijls zooveel als zestig of zeventig zwarte koelies. Behalve dat, was er altijd het gevaar van de bevolking, de plotselinge aanval en het buitmaken van den schoener met alle hens. Waarlijk, de blanken moesten vreeselijke menschen zijn. Bovendien hadden zij zulke machtige duvel-duvels in hun bezit—geweren die heel snel en veel keeren achtereen schoten, dingen van ijzer en koper die de schoeners deden varen wanneer er geen wind was, en kisten die praatten en lachten juist zooals menschen praatten en lachten. Ja, en hij had gehoord van een blanke die een speciale duvel-duvel had, zóó machtig, dat hij al zijn tanden uit zijn mond kon nemen en ze weer terug kon leggen wanneer hij maar wilde.Ze namen Maoeki mee naar beneden, in de kajuit. Aan dek hield de eene blanke wacht met twee revolvers in zijn gordel. In de kajuit zat de andere blanke met een boek voor zich, waarin hij vreemde teekens en lijnen schreef. Hij monsterde Maoeki alsof hij een varken of een kip was, keek in de holten onder zijn armen, en schreef in het boek. Toen hield hij hem den schrijfstok voor, en Maoeki raakte er evenaan met zijn hand en verbond zich door die daad tot drie jaren zwoegen op de plantages van de Moongleam Zeepmaatschappij. Er werd hem niet uitgelegd dat de wil van de wreede blanken daar was om de uitvoering der verbintenis af te dwingen, en dat achter alles, met hetzelfde doel, de macht stond van al de oorlogsschepen van Groot-Britannië.Er waren nog meer zwarten aan boord, uit ongehoord verre plaatsen, en toen de blanke iets tegen hen zei, rukten ze de lange veder uit Maoeki’s haar, knipten datzelfde haar kort af, en wikkelden een lava-lava van helder geel calico om zijn lendenen.Na veel lange dagen op den schoener, en nadat hij meer land en eilanden had gezien dan waar hij ooit van gedroomd had, werd hij aan wal gezet op Nieuw-Georgië, en moest aan het werk op het veld, oerwoud kappen en bamboe snijden. Voor den eersten keer in zijn leven wist hij wat werken was. Zelfs als slaaf van Fanfoa had hij nooit gewerkt zooals nu. En hij hield niet van werken. Het was opstaan als het licht werd en slapen gaan als het donker werd, op twee maaltijden per dag. En het eten was altijd hetzelfde. Weken achtereen kregen ze niets danaardappelen; en weken achtereen was het niets dan rijst. Dag in dag uit sneed hij het vleesch uit de kokosdoppen; en lange dagen en weken voedde hij de vuren die de kopra rookten, tot hij ontstoken oogen kreeg en aan het boomen vellen werd gezet. Hij was een goed houthakker, en later kwam hij in de ploeg die bruggen bouwde. Eens kwam hij voor straf in de wegwerkersploeg. Soms deed hij dienst als bemanning in de sloepen, wanneer zij kopra binnen brachten van verre stranden, of wanneer de blanken uitvoeren om visch te vangen met dynamiet.Behalve allerlei andere dingen leerde hij tripang-Engelsch, waarmee hij kon praten met alle blanken en met alle inlandschekoelies die anders in duizend verschillende dialecten gesproken zouden hebben. Ook leerde hij een en ander omtrent de blanken, vooral dit, dat ze hun woord hielden. Wanneer zij een zwartje zeiden dat hij een stok tabak zou krijgen, dan kreeg hij hem ook. Wanneer zij een zwartje zeiden dat ze zeven glazen uit hem zouden slaan als hij het een of ander deed, en hij deed het toch, dan werden er onveranderlijk zeven glazen uit hem geslagen. Maoeki wist niet wat zeven glazen waren, maar het kwam voor in tripang-Engelsch, en hij stelde zich voor dat het de tanden en het bloed waren die somtijds gepaard gingen met het proces van zeven glazen uit iemand slaan. Hij leerde nog iets: geen zwartje werd geslagen of gestraft wanneer hij geen kwaad had gedaan. Zelfs als de blanken dronken waren, en dat waren ze dikwijls, sloegen ze nooit wanneer er niet tegen den een of anderen regel gezondigd was.Maoeki hield niet van de plantage. Hij haatte werken, en hij was de zoon van een opperhoofd. Verder was het tien jaar geleden dat hij uit Port Adams gestolen was door Fanfoa, en hij had heimwee. Hij had zelfs heimwee naar de slavernij onder Fanfoa. Dus liep hij weg. Hij week terug in het oerwoud, met het idee om in zuidelijke richting zijn weg te zoeken naar het strand en een kano te stelen om daarin naar Port Adams te gaan. Maar de koorts kreeg hem te pakken, en hij werd gevangen genomen en meer dood dan levend teruggebracht.Hij liep een tweeden keer weg, in gezelschap van twee zwartjes van Malaita. Ze kwamen twintig mijlen ver de kust langs, en mochten zich verborgen houden in de hut van een vrij man van Malaita die in dat dorp woonde. Maar in het zwartst van den nacht kwamen er twee blanken die voor het heele dorp niet bang waren, en die zeven glazen uit de wegloopers sloegen, hen bonden als varkens en hen in desloep gooiden. Maar de man die hen in zijn huis had verborgen gehouden—zeven maal zeven glazen moeten er uit hem geslagen zijn te oordeelen naar het vel, het haar, en de tanden die in het rond vlogen, en hij verloor voor de rest van zijn aardsche leven den moed om gastvrijheid te verleenen aan weggeloopen koelies.Een jaar lang zwoegde Maoeki verder. Toen werd hij aangesteld tot huisjongen, en had goed te eten en een gemakkelijk leven. Zijn werk was het huis schoon houden en de blanken te bedienen van bier en whisky op alle uren van den dag en de meeste uren van den nacht. Hij deed het graag, maar hij was liever in Port Adams. Hij moest nog twee jaar dienen, maar twee jaar in de kwellingen van het heimwee was te veel voor hem. Hij was verstandiger geworden in zijn eene jaar dienst, en omdat hij nu huisjongen was, had hij beter de gelegenheid. Hij moest de geweren schoonmaken, en hij wist waar de sleutel van de voorraadkamer hing. Hij ontwierp een plan tot ontvluchting, en op een goeden nacht slopen er tien zwartjes van Malaita en één van San Cristoval uit de barakken weg en sleepten een van de booten naar beneden op het strand. De sleutel die het hangslot op de boot openmaakte werd verschaft door Maoeki, en het was Maoeki die de boot uitrustte met een dozijn Winchesters, een geweldige hoeveelheid ammunitie, een kist dynamiet met slaghoedjes en lonten, en tien kisten tabak.De noordwest-moesson waaide en zij vlogen naar het zuiden. Zij reisden ’s nachts, en overdag hielden ze zich schuil op afgelegen, onbewoonde eilandjes, of trokken de sloep in het oerwoud op de grootere eilanden. Zoo bereikten zij Goeadalcanar, voeren langs de kust tot ze halverwege waren, en staken de Indispensable-straat over naar het eiland Florida. Hier doodden zij den jongen van San Cristoval,bewaarden zijn hoofd, en kookten en aten de rest. De kust van Malaita was niet meer dan twintig mijlen verder, maar den laatsten nacht konden ze door een sterke strooming en veranderlijke winden het land niet halen. Het daglicht vond hen nog verscheiden mijlen van hun doel. Maar het daglicht bracht een kotter met twee blanken er in die niet bang waren voor elf mannen van Malaita gewapend met twaalf geweren. Maoeki en zijn kameraden werden teruggebracht naar Toelagi, waar de groote blanke meester van alle blanke mannen woonde. En de groote blanke meester hield een gerechtszitting, na afloop waarvan de deserteurs één voor één gebonden werden, ieder twintig zweepslagen kregen en bovendien nog tot vijftien dollar boete veroordeeld werden. Toen werden zij teruggestuurd naar Nieuw-Georgië, waar de blanken een flinke zeven glazen uit hen sloegen en hen aan het werk zetten. Maar Maoeki was geen huisjongen meer. Hij werd bij de wegwerkersploeg ingedeeld. De boete van vijftien dollar was betaald door de blanken waar hij van weggeloopen was, en er werd hem medegedeeld dat hij die met zijn werk moest betalen, hetgeen zes maanden langer zwoegen beteekende. Verder bezorgde zijn deel in de gestolen tabak hem nog een jaar zwoegen.Port Adams was nu drie en een half jaar ver weg, dus stal hij op een nacht een kano, hield zich verborgen op de eilandjes in de Manning-straat, voer de straat over en zette koers langs de oostkust van Isabella, om, toen hij twee derden van den weg achter zich had, gevangen genomen te worden door de blanken in Meringe-lagune. Na een week ontsnapte hij hun en vluchtte het oerwoud in. Er woont niemand in het oerwoud van Isabella, alleen langs de kust wonen menschen, en dat waren allen Christenen. De blanken loofden een belooning van vijfhonderd stokken tabak uit,en telkens als Maoeki zich op het strand waagde om een kano te stelen, werd hij opgejaagd door de kustbewoners. Vier maanden gingen zoo voorbij, toen hij eindelijk, nadat de belooning op duizend stokken tabak was gebracht, gegrepen werd en teruggestuurd naar Nieuw-Georgië en de wegwerkersploeg. Nu vertegenwoordigen duizend stokken tabak een waarde van vijftig dollar, en Maoeki moest de belooning zelf betalen, hetgeen een jaar en acht maanden arbeid vereischte. Dus was Port Adams nu vijf jaren ver weg.Zijn heimwee was sterker dan ooit, en het lokte hem weinig aan te berusten en braaf te zijn, zijn vijf jaren uit te werken, en dan naar huis te gaan. Den volgenden keer werd hij op heeterdaad betrapt terwijl hij vluchtte. Zijn geval werd gebracht voor mijnheer Haveby, de eiland-directeur van de Moongleam Zeepmaatschappij, die hem als onverbeterlijk brandmerkte. De maatschappij had plantages op de Santa-Cruz-eilanden, honderden mijlen over de zee, en daarheen stuurde ze haar onverbeterlijke koelies van de Salomon-eilanden. En daarheen werd Maoeki gestuurd, ofschoon hij er nooit is aangekomen. De schoener deed onderweg Santa Anna aan, en in den nacht zwom Maoeki naar den wal, waar hij twee geweren en een kist tabak van den handels-agent stal en in een kano ontsnapte naar Cristoval. Malaita was nu in het noorden, vijftig of zestig mijlen ver weg. Maar toen hij den overtocht waagde, werd hij overvallen door een stijve koelte en teruggeslagen naar Santa Anna, waar de agent hem in de boeien sloeg en hem vasthield tot de schoener zou terugkeeren van Santa Cruz. De twee geweren kon de agent nog redden, maar de kist tabak bleef Maoeki schuldig in den vorm van een jaar werken. Het aantal jaren waarvoor hij nu bij de maatschappij in de schuld stond was zes.Op den terugtocht naar Nieuw-Georgië liet de schoener het anker vallen in Maraoe-Sound, dat in het oostelijk uiteinde van Goeadalcanar ligt. Maoeki zwom naar den wal met handboeien om zijn polsen, en ontsnapte het oerwoud in. De schoener ging verder, maar de agent van de Moongleam aan den wal loofde duizend stokken tabak uit en Maoeki werd door de boschbewoners bij hem gebracht met een jaar en acht maanden meer op zijn rekening. Opnieuw, en nog vóór dat de schoener binnenliep, ontsnapte hij, dezen keer in een sloep, vergezeld door een kist tabak van den agent. Maar een noordwester-storm deed hem stranden op Oegi, waar de Christen-inlanders zijn tabak stalen en hem overleverden aan den agent van de Moongleam die daar zetelde. De tabak die de inlanders gestolen hadden beteekende weer een jaar voor hem, en het totale bedrag was nu acht en een half jaar.“We zullen hem naar Lord Howe sturen”, zei mijnheer Haveby. “Bunster zit daar, en we zullen hen de zaak onder elkaar laten uitvechten. Ik stel me zoo voor dat òf Maoeki Bunster zal krijgen, òf Bunster Maoeki, en in allebei de gevallen blij dat we van de heeren af zijn.”Als men van Meringe-lagune, op Isabella, uitzeilt, en koers zet pal naar het magnetisch noorden, zal men na honderdvijftig mijlen varen de glinsterend witte koraalstranden van Lord Howe boven de zee zien uit rijzen. Lord Howe is een ring van land, een goede honderdvijftig mijlen in omtrek, verscheiden honderd meter breed op de grootste breedte, en op sommige punten torenend tot een hoogte van tien voet boven den zeespiegel. Binnen in dezen ring van zand ligt een groote lagune vol koraalbanken. Lord Howe behoort noch geographisch noch ethnologisch tot de Salomon’s. Het is een atol, terwijl de Salomon’shooge eilanden zijn; en zijn bevolking en taal zijn Polynesisch, terwijl de bewoners van de Salomon’s Melanesiërs zijn. Lord Howe is bevolkt door den grooten westelijken stroom van Polynesiërs, die tot op den dag van heden doorgaat en groote kano’s met vlerken op zijn stranden spoelt met den zuidoost-passaat. Ook zijn er sporen van een flauwe strooming van Melanesiërs in de periode van den noordwest-moesson.Geen mensch komt ooit op Lord Howe, of Ontong Java, zooals het soms genoemd wordt. Thomas Cook & Son verkoopen geen kaartjes daarheen, en touristen droomen zelfs niet van zijn bestaan. Zelfs geen blanke zendeling is er geland op zijn door de branding gebeukte kusten. De vijfduizend inlanders zijn even vreedzaam als primitief. Toch zijn zij niet altijd vreedzaam geweest. DeZeilaanwijzingenspreken van hen als vijandig en verraderlijk. Maar de menschen die deZeilaanwijzingensamenstellen hebben nooit gehoord van de verandering die er gebracht is in de harten der bewoners, die, enkele jaren geleden, een groote bark buitmaakten en alle hens vermoordden met uitzondering van den tweeden stuurman. Deze eenige overlevende bracht de tijding aan zijn broeders. De kapiteins van drie koopvaardij-schoeners gingen met hem terug naar Lord Howe. Zij zeilden hun schepen de lagune binnen en begonnen het evangelie van den blanke te prediken, dat blanken alleen door blanken gedood zullen worden, en dat de mindere rassen hun handen thuis moeten houden. De schoeners zeilden de lagune op en neer, vernielend en verwoestend. Ontsnappen van dien smallen zandcirkel was niet mogelijk; en er waren geen bosschen om in te vluchten. De menschen werden neergeschoten zoodra ze gezien werden, en gezien worden was onvermijdelijk. De dorpen werden verbrand, de kano’s vernield, de kippens en varkensdoodgeschoten, en de kostbare kokospalmen omgehakt. Een maand lang ging dat zoo door; toen zeilden de schoeners weg; maar de vrees voor den blanke was diep in de harten van de eilanders gebrand, en nooit meer waren ze zoo overmoedig om een blanke kwaad te doen.Max Bunster was de eenige blanke op Lord Howe. Hij dreef handel voor de alomtegenwoordige Moongleam Zeepmaatschappij. En de maatschappij had hem het baantje op Lord Howe gegeven, omdat het,behalveontslag uit den dienst, de meest afgelegen plek was die ze konden vinden. Dat de maatschappij hem niet ontsloeg was te wijten aan de moeilijkheid een ander te vinden om zijn plaats in te nemen. Hij was een groote, zware Duitscher, en er was iets niet in den haak in zijn hersenen.Half krankzinnig was een zachte qualificatie van zijn toestand. Hij was een bullebak en een lafaard, en een driemaal grootere barbaar dan welke barbaar ook op het eiland. Hij was een lafaard, en zijn bruutheid was van het laffe soort. Toen hij voor het eerst bij de maatschappij in dienst kwam, werd hij op Savo gestationneerd. Toen er een teringachtige koloniaal gestuurd werd om zijn plaats in te nemen, sloeg hij hem half dood met zijn vuisten en stuurde hem als een wrak terug op den schoener die hem gebracht had.De volgende man die mijnheer Haveby uitkoos om Bunster af te lossen was een jonge reus uit Yorkshire. Hij had den naam een geweldig vechtersbaas te zijn, en vechten deed hij liever dan eten. Maar Bunster vocht niet. Hij was zacht als een lammetje—tien dagen lang, aan het einde waarvan de man uit Yorkshire naar bed moest met een gecombineerden aanval van koorts en dysenterie. Toen kwam Bunster los; onder anderen sleurde hij hem op den vloer en stond een poos boven op hem te dansen. Bang voor wat erzou gebeuren als zijn slachtoffer beter werd, vluchtte Bunster op een kotter naar Goevoetoe, waar hij zich onderscheidde door een jongen Engelschman af te ranselen, die al invaliede was door een Boerenkogel in zijn beide heupen.Toen was het dat mijnheer Haveby Bunster naar Lord Howe stuurde, de plaats waar de afval opgeborgen werd. Hij vierde zijn landing met een halve kist jenever op te dweilen en den ouden, asthmatischen stuurman van den schoener die hem gebracht had af te ranselen. Toen de schoener vertrok, riep hij de Kanaka’s1op het strand en daagde hen uit hem te leggen in een partijtje worstelen, en hij beloofde een kist tabak aan wie daarin zou slagen. Drie Kanaka’s legde hij, maar hij werd onmiddelijk daarna gelegd door een vierden, die een kogel door zijn longen kreeg in plaats van tabak.En zoo begon Bunster’s heerschappij op Lord Howe. Drieduizend menschen woonden er in het voornaamste dorp; maar het was als uitgestorven, zelfs midden op den dag, wanneer hij er door kwam. Mannen, vrouwen en kinderen vluchtten voor hem weg. Zelfs de honden en varkens zorgden dat ze uit de voeten kwamen, terwijl de koning het niet beneden zich achtte weg te kruipen onder een mat. De twee eerste ministers leefden in voortdurenden angst voor Bunster, die nooit een punt van geschil besprak, maar er op los sloeg met allebei zijn vuisten.En op Lord Howe kwam Maoeki, om acht lange jaren voor Bunster te werken. Ontsnappen van Lord Howe was niet mogelijk. Hoe het ook liep, goed of slecht, Bunster en hij waren aan elkaar gebonden. Bunster woog tweehonderdpond. Maoeki woog er honderd en tien. Bunster was een gedegenereerd beest. Maar Maoeki was een primitieve wilde. En beiden hadden ze hun eigen wil en hun eigen wenschen.Maoeki had geen idee voor welk soort van meester hij zou moeten werken. Niemand had hem gewaarschuwd, en hij had als vanzelfsprekend aangenomen dat Bunster zou zijn als andere blanken: iemand die veel whisky dronk, een heerscher en een wetgever, die altijd zijn woord hield en die nooit een zwartje sloeg als hij het niet verdiende. Bunster was in het voordeel. Hij wist alles van Maoeki, en hij grijnsde van plezier bij de gedachte dat hij hem in zijn bezit zou krijgen. De laatste kok sukkelde met een gebroken arm en een ontwrichten schouder, dus maakte Bunster Maoeki kok en algemeen huisjongen.En Maoeki merkte weldra dat er blanken en blanken waren. Nog denzelfden dag dat de schoener wegzeilde werd hem bevolen een kuiken te gaan koopen van Samisee, den inlandschen zendeling van Tonga. Maar Samisee was de lagune overgestoken en zou pas na drie dagen terug zijn. Maoeki kwam terug met het nieuws. Hij klom de steile trap op (het huis stond op palen twaalf voet hoog boven het zand) en trad de woonkamer binnen. De agent eischte het kuiken. Maoeki deed zijn mond open om uitleg te geven. Maar Bunster wenschte geen uitleg. Hij sloeg er op los met zijn vuist. De slag trof Maoeki op zijn mond en lichtte hem omhoog. Hij vloog door de deur-opening, heelemaal over de smalle galerij, en naar beneden op den grond, de bovenste leuning brekend in zijn val. Zijn lippen waren een verwarde, vormlooze massa, en zijn mond was vol bloed en losgeslagen tanden.“Dat zal je leeren dat tegenspreken bij mij niet opgaat!” schreeuwde de agent, paars van woede, terwijl hij naar hem omlaag keek over de gebroken leuning.Maoeki had nog nooit zulk een blanke gezien, en hij besloot zich stil te houden en nooit iets te misdoen. Hij zag hoe de bootjongens afgedekt werden, en hoe een van hen drie dagen lang zonder eten in de boeien zat, alleen omdat hij de misdaad had begaan een dol te breken bij het roeien. Dan hoorde hij ook de praatjes in het dorp, en vernam waarom Bunster een derde vrouw had genomen—met geweld, zooals algemeen bekend was. De eerste en de tweede vrouw lagen begraven op het kerkhof onder het witte koraalzand, met platte stukken koraalrots aan hoofden voeteneind. Zij waren gestorven, zoo werd er verteld, doordat Bunster hen zoo veel en zoo onbarmhartig sloeg. De derde vrouw werd zonder twijfel slecht behandeld, Maoeki kon dat met eigen oogen zien.Maar er was geen enkele manier om niet te misdoen in de oogen van den blanke, die gehinderd scheen te worden door alles wat leefde. Als Maoeki niets zei werd hij geslagen en voor zuurpruim uitgescholden. Als hij praatte werd hij geslagen omdat hij tegensprak. Wanneer hij ernstig was zei Bunster dat hij een samenzwering uitbroedde en gaf hem al bij voorbaat een pak ransel; en wanneer hij trachtte vroolijk te zijn en te lachen, werd hij beschuldigd van spotten met zijn heer en meester en kreeg een proefje van den stok. Bunster was een duivel. De dorpsbewoners zouden wel met hem afgerekend hebben, hadden zij zich de les van de drie schoeners niet herinnerd. En niettegenstaande dat zouden zij toch met hem afgerekend hebben, als er een oerwoud was geweest om in te vluchten. Maar zooals de zaken nu stonden, zou het vermoorden van een blanke, van iederen blanke, een oorlogsschip brengen dat de misdadigers zou dooden en de kostbare kokospalmen om zou hakken. Dan waren er de bootjongens, die het vaste plan hadden hem bij ongeluk te laten verdrinken bij deeerste de beste gelegenheid om den kotter te laten omslaan. Maar Bunster zorgde wel dat de kotter niet omsloeg.Maoeki was van een ander ras, en aangezien ontsnappen onmogelijk was zoolang Bunster leefde, besloot hij den blanke te dooden. Maar hoe?Hij kreeg er de kans niet toe. Bunster was altijd op zijn qui-vive. Dag en nacht had hij zijn revolvers klaar. Hij stond niemand toe achter zich om te loopen, zooals Maoeki ondervonden had, nadat hij verscheiden keeren tegen den grond was geslagen. Bunster wist dat hij meer te vreezen had van den goedgehumeurden, kalmen jongen van Malaita met zijn zacht gezicht dan van de heele bevolking van Lord Howe; en het bracht meer kleur en fleur in het folterprogramma dat hij uitwerkte. En Maoeki hield zich stil, verdroeg zijn bestraffingen, en wachtte.Alle andere blanken hadden zijntambo’sgeëerbiedigd; Bunster niet. Maoeki’s wekelijksch rantsoen tabak was twee stokken. Bunster gaf ze aan zijn vrouw en beval Maoeki ze uit haar hand in ontvangst te nemen. Maar dat mocht niet gebeuren, en Maoeki moest het zonder zijn tabak stellen. Op dezelfde manier was hij gedwongen menigen maaltijd voorbij te laten gaan, en er waren veel dagen dat hij met honger rond liep. Hij kreeg bevel om schotels klaar te maken van de groote mosselen die groeiden in de lagune. Dat kon hij niet doen, want mosselen warentambo. Zes keeren achtereen weigerde hij de mosselen aan te raken, en zes keeren werd hij bewusteloos geslagen. Bunster wist dat de jongen liever zou sterven, maar hij noemde zijn weigering muiterij, en hij zou hem doodgeslagen hebben als er een andere kok was geweest om hem te vervangen.Een van Bunsters geliefkoosde grappen was Maoeki bij zijn kroezige lokken te grijpen en zijn hoofd tegen den muur aan te slaan. Een andere grap was onverwachts, als hijer het minst op verdacht was, het brandende eind van een sigaar tegen Maoeki’s vleesch te houden. Dit noemde hij vaccinatie, en Maoeki werd verscheiden keeren in de week gevaccineerd. Eens, in een aanval van razernij, rukte Bunster het kopjes-oor uit Maoeki’s neus, en scheurde zoo zijn geheele neustusschenschot stuk.“O, wat ’n smoel!” was zijn kritiek, toen hij de verwoesting overzag die hij had aangericht.Het vel van een haai is als schuurpapier, maar het vel van een rog is als een rasp. In de Zuidzee wordt het door de inlanders gebruikt als houtvijl om kano’s en pagaaien glad te schaven. Bunster liet een handschoen van roggevel maken. Den eersten keer dat hij hem op Maoeki probeerde, haalde hij met één veeg van zijn hand de huid van Maoeki’s rug, van nek tot oksel. Bunster was verrukt. Hij gaf zijn vrouw een proefje van den handschoen, en probeerde hem grondig op de bootjongens. De eerste ministers kwamen om elk een veeg in ontvangst te nemen, en ze moesten lachen en het als een grap beschouwen.“Lach, verdomme, lach!” zoo gaf hij de houding aan die zij hadden aan te nemen.Maoeki werd het ruimst bedeeld met den handschoen. Er ging geen dag voorbij zonder een streeling met het instrument. Er waren tijden dat het verlies van zooveel opperhuid hem ’s nachts uit den slaap hield, en dikwijls werd de half-genezen oppervlakte op nieuw rauw geschuurd door den grappigen mijnheer Bunster. Maoeki bleef geduldig wachten, volkomen zeker dat vroeg of laat zijn tijd zou komen. En hij wist precies wat hij doen zou, tot in de kleinste bijzonderheid, toen de tijd werkelijk kwam.Op een morgen stond Bunster op in een humeur om zeven glazen uit het heelal te slaan. Hij begon bij Maoeki, en hijeindigde bij Maoeki en in den tijd die daar tusschen verliep, bokste hij zijn vrouw tegen den grond en rammelde alle bootjongens door elkaar. Aan het ontbijt noemde hij de koffie spoeling, en gooide den kokenden inhoud van den kop in Maoeki’s gezicht. Om tien uur begon Bunster koortsig te rillen, en een half uur later brandde hij van koorts. Het was geen gewone aanval. Het werd snel erger en ontwikkelde zich tot zwarte koorts. De dagen gingen voorbij, en hij werd zwakker en zwakker en kwam niet meer uit zijn bed. Maoeki bleef toekijken en wachten, terwijl zijn huid weer heel werd. Hij gaf de jongens bevel om den kotter op het strand te halen, den bodem te schrobben, en alles in orde te maken. Zij dachten dat het bevel van Bunster uitging, en gehoorzaamden. Maar Bunster lag bewusteloos op dat oogenblik en gaf geen bevelen. Dit was Maoeki’s kans, maar nog steeds wachtte hij.Toen het ergste voorbij, en Bunster weer bij kennis en herstellende was, hoewel nog zwak als een klein kind, pakte Maoeki zijn weinige lijfsieraden in zijn kist, het porseleinen kopjes-oor incluis. Toen ging hij naar het dorp en had een onderhoud met den koning en zijn twee ministers.“Dit Bunster, hem goed jij hou van ’m veel?” vroeg hij. Zij verklaarden hem uit één mond dat ze heelemaal niet van den agent hielden. De ministers barstten los in een omstandig verhaal van al den smaad en het onrecht waarmee ze waren overladen. De koning liet alle waardigheid varen, en schreide. Maoeki onderbrak hen ruw.“Jij snap mij—mij groot meester mij land. Jij niet hou van ’m dit wit meester. Mij niet hou van ’m. Veel goed jij doe honderd kokosnoot, tweehonderd kokosnoot, driehonderd kokosnoot bij kotter. Hem afgeloopen, jij ga slaap ’m goed. Allemaal Kanaka slaap ’m goed. Zoo gauwgroot lawaai bij huis, jij niet snap hoor ’m dat lawaai. Jij allemaal slaap sterk te veel.”Een dergelijk onderhoud had Maoeki met de bootjongens.Toen beval hij Bunster’s vrouw terug te keeren naar het huis van haar familie. Als zij geweigerd had, zou hij in een moeilijk parket zijn geweest, want zijntambozou hem niet toegestaan hebben haar beet te pakken.Toen het huis verlaten was, ging hij de slaapkamer binnen, waar de agent in een lichte sluimering lag. Maoeki nam eerst de twee revolvers weg en deed daarna den rog-handschoen aan zijn hand. De eerste waarschuwing die Bunster kreeg was een slag met den handschoen die het vel wegnam over de heele lengte van zijn neus.“Goed, hè?” grijnsde Maoeki tusschen twee slagen door, waarvan de eene het voorhoofd bloot veegde en de andere één kant van zijn gezicht schoon raspte. “Lach, verdomme, lach!”Maoeki verrichte zijn werk degelijk, en de Kanaka’s, verscholen in hun huizen, hoorden het “groot lawaai” dat Bunster maakte en een paar uren lang bleef maken.Toen Maoeki klaar was, droeg hij het bootkompas en al de geweren en ammunitie naar den kotter, dien hij ballastte met kisten tabak. Het was terwijl hij zich hiermee bezig hield, dat er een afschuwelijk wezen zonder vel uit het huis kwam en gillend het strand af holde, tot het in het zand viel en bleef liggen brullen en razen onder de schroeiende zon.Maoeki keek er even naar en aarzelde. Toen ging hij er heen en nam het hoofd weg, wikkelde het in een mat, en stuwde het in het roerkastje van den kotter.Zoo vast sliepen de Kanaka’s dien langen, heeten dag, dat zij niet zagen hoe de kotter door de doorvaart naar zee liep en koers zette naar het zuiden, scherp bij den zuidoostpassaat zeilend. Ook werd de kotter niet gezien op denlangen overtocht naar de kust van Isabella en gedurende het moeizaam tegen den wind opwerken vandaar naar Malaita. Maoeki landde in Port Adams met een rijkdom van geweren en tabak zooals nog geen man vóór hem ooit bezeten had. Maar hij bleef daar niet. Hij had het hoofd van een blanke genomen, en alleen het oerwoud kon hem beschermen. Dus ging hij terug naar de boschdorpen, waar hij den ouden Fanfoa en een half dozijn van de voornaamste aanvoerders dood schoot en zich zelf opperhoofd maakte van al de dorpen. Toen zijn vader gestorven was, heerschte Maoeki’s broer in Port Adams, en, vereenigd, kust- en boschbewoners, was de combinatie die er uit ontstond de sterkste van de honderden vechtende stammen van Malaita.Sterker dan zijn vrees voor het Britsche Gouvernement was Maoeki’s vrees voor de almachtige Moongleam Zeepmaatschappij; en op een dag bereikte hem in het oerwoud een boodschap, die hem in herinnering bracht dat hij de maatschappij acht en een half jaar arbeid schuldig was. Hij stuurde een gunstig antwoord terug, en toen verscheen de onvermijdelijke blanke, de kapitein van den schoener, de eenige blanke die gedurende Maoeki’s regeering zich waagde in het oerwoud en er levend uitkwam. Deze man kwam er niet alleen uit, maar bracht zevenhonderd en vijftig dollar in goudstukken met zich mee, de prijs in geld van acht en een half jaar werken plus de kostende prijs van zekere geweren en kisten tabak.Maoeki weegt niet langer honderd en tien pond. Zijn buik heeft driemaal zijn vroeger en omvang, en hij heeft vier vrouwen. Hij heeft nog veel andere dingen—geweren en revolvers, het oor van een porseleinen kopje en een uitgelezen verzameling hoofden van boschbewoners. Maar kostbaarder dan de heele verzameling is een ander hoofd, prachtig gedroogd en gerookt, met rossig haar en een geelachtigenbaard, dat bewaard wordt in de fijnst geweven lava-lava’s. Als Maoeki ten oorlog trekt tegen dorpen buiten zijn rijk, haalt hij altijd zijn hoofd te voorschijn, en, alleen in zijn gras-paleis, beschouwt hij het lang en plechtig. Op zulke oogenblikken valt er een stilte als van den dood over het dorp, en er is zelfs geen kind dat leven durft te maken. Het hoofd wordt beschouwd als de machtigste duvel-duvel op Malaita, en aan het bezit daarvan wordt al de grootheid van Maoeki toegeschreven.

“Ik ben een man”, zei de zendeling.

“Zeker, jij bent een man. Maar het is mijn duister begrip niet gegeven om te weten wat jij gelooft.”

“Ik zeg u, ik geloof dat alles gemaakt is in zes dagen.”

“Dat zeg je nu wel, dat zeg je nu wel,” mompelde de oude kannibaal sussend.

Niet dan nadat John Starhurst en Naraoe naar bed waren gegaan kroop Erirola het huis van het dorpshoofd binnen, en overhandigde hem, na een diplomatieke redevoering, den walvischtand.

Het oude dorpshoofd hield den tand heel lang in zijn handen. Het was een mooie tand, en hij wilde hem erg graag hebben. Ook raadde hij het verzoek dat er achter zat. “Neen, neen; walvischtanden waren mooi,” en het water kwam hem in zijn mond, maar hij gaf hem onder veel verontschuldigingen terug aan Erirola.

Vroeg in de morgenschemering was John Starhurst op de been, schrijdend over het boschpad in zijn groote leerenlaarzen, achter hem aan de trouwe Naraoe, hij zelf achter een naakten gids aan, die hem geleend was door Mongondro om den weg te wijzen naar het volgende dorp, dat om twaalf uur bereikt werd. Hier kwam een nieuwe gids den weg wijzen. Een mijl achter hem aan zwoegde Erirola, de walvischtand in het mandje over zijn schouder geslagen. Twee dagen volgde hij den zendeling, en bood den tand aan de verschillende dorpshoofden aan. Maar dorp na dorp weigerde den tand. Hij volgde zóó snel op de aankomst van den zendeling dat zij het verzoek raadden dat er gedaan zou worden, en zij wilden er niets mee te maken hebben.

Zij kwamen langzamerhand diep in de bergen, en Erirola nam een geheim pad, sneed den zendeling den pas af, en bereikte vóór hem de vesting van den Boeli van Gatoka. De Boeli nu wist niet van John Starhurst’s naderende komst. Bovendien was de tand mooi—een buitengewoon exemplaar, en de kleur was van de zeldzaamste hoedanigheid. De tand werd in het openbaar aangeboden. De Boeli van Gatoka, zittend op zijn beste mat, omgeven door zijn hoplieden, drie vliegenjagers achter hem aan het werk, verwaardigde zich uit de hand van zijn heraut den walvischtand te ontvangen, die hem werd aangeboden door Ra Vatoe en die in de bergen was gebracht door zijn neef Erirola. Een geweldig handgeklap weerklonk toen het geschenk werd aanvaard, en de vergaderde hoplieden, herauten en vliegenjagers riepen in koor: A! woi! woi! woi! A! woi! woi! woi! A taboea levoe! Woi! woi! A moedoea, moedoea, moedoea!

“Weldra zal er een man komen, een blanke man,” begon Erirola, na de vereischte pauze. “Het is een zendeling, en hij zal vandaag komen. Het behaagt Ra Vatoe zijn laarzen te begeeren. Hij wenscht ze ten geschenke te geven aan zijn goeden vriend Mongondro, en het is zijn plan om ze testuren met de voeten er in, want Mongondro is een oud man en zijn tanden zijn niet goed meer. Zorg er voor, o Boeli, dat de voeten mee gaan in de laarzen. Wat de rest van hem betreft, die mag hier blijven.”

De verrukking over den walvischtand verdween uit de oogen van den Boeli, en hij keek aarzelend om zich heen. Maar hij had den tand aangenomen.

“Een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan”, bemoedigde Erirola.

“Neen, een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan,” antwoordde de Boeli, die zichzelf weer was. “Mongondro zal de laarzen hebben. Vlug, jonge mannen, ga den zendeling tegemoet op het pad. Drie of vier is genoeg. Zorg dat je de laarzen ook meebrengt.”

“Het is te laat”, zei Erirola. “Luister! Hij komt er aan.”

John Starhurst, met Naraoe dicht op zijn hielen, brak door het dichte hout, en verscheen met groote schreden op het tooneel. De bewuste laarzen waren volgeloopen bij het doorwaden van den stroom en spoten fijne straaltjes water uit bij iederen stap. Starhurst keek om zich heen met schitterende oogen. Gesteund door een onwankelbaar vertrouwen, ontoegankelijk voor twijfel of vrees, juichte hij innerlijk over alles wat hij zag. Hij wist dat hij sinds het begin der tijden de eerste blanke was die de bergvesting Gatoka betrad.

De gras-hutten stonden tegen den steilen bergwand geklemd of hingen boven de wild-stroomende Rewa. Aan beide kanten torende een machtige rotsmuur. Drie uren zonlicht op zijn best konden er doordringen in die nauwe spleet. Er waren geen kokospalmen of bananen te zien, ofschoon dichte, tropische plantengroei zich over alles heen stortte, druipend in lichte slingers van denhoogen rand der bergwanden, en in weligen overvloed stroomend uit al de spleten en uitstekende randen. Aan het verre einde van de kloof sprong de Rewa achthonderd voet omlaag in één enkelen boog, en de atmosfeer in de rotsvesting trilde mee met den rhythmischen donder van den waterval.

Uit het huis van den Boeli zag John Starhurst den Boeli en zijn gevolg te voorschijn komen.

“Ik breng u goede tijding”, was de begroeting van den zendeling.

“Wie heeft je gestuurd?” repliceerde de Boeli rustig.

“God.”

“Het is een nieuwe naam op Viti Levoe”, grijnsde de Boeli. “Van welke eilanden, dorpen, of bergpassen is hij het opperhoofd?”

“Hij is het opperhoofd van alle landen, alle dorpen, alle bergpassen,” antwoordde John Starhurst plechtig. “Hij is de Heer van hemel en aarde, en ik ben gekomen om u Zijn woord te brengen.”

“Heeft hij walvischtanden gestuurd?” was de onbeschaamde vraag.

“Neen, maar kostbaarder dan walvischtanden is de—”

“Het is gewoonte tusschen opperhoofden om walvischtanden te sturen,” onderbrak de Boeli. “Je opperhoofd is òf een gierigaard, óf jij bent een dwaas, om met leege handen in de bergen te komen. Zie, een grootmoediger mensch is je vóór.”

Terwijl hij dat zei, liet hij den walvischtand zien dien hij had aangenomen van Erirola.

Naraoe kreunde.

“Het is de walvischtand van Ra Vatoe,” fluisterde hij Starhurst in. “Ik ken hem goed. Nu is het met ons gedaan.”

“Dat is gunstig,” antwoordde de zendeling, en hij haalde zijn hand door zijn langen baard en zette zijn bril recht. “Ra Vatoe heeft gezorgd dat wij goed ontvangen zouden worden.”

Maar Naraoe kreunde opnieuw, en schoof weg van de hielen waar hij zoo trouw achter aan had geloopen.

“Ra Vatoe zal spoedig Lotoe worden”, legde Starhurst uit, “en ik ben gekomen om u de Lotoe te brengen.”

“Ik wil niet met je Lotoe te maken hebben”, zei de Boeli trotsch. “En het is mijn plan je vandaag nog te laten dood slaan.”

De Boeli wenkte een van zijn groote bergbewoners, en de man trad naar voren, een geweldige knots zwaaiend. Naraoe vloog het naaste huis binnen, trachtend zich te verbergen tusschen de vrouwen en de matten; maar John Starhurst sprong onder de knots door en sloeg zijn armen om den hals van zijn beul. Van uit dit strategisch punt begon hij te betoogen. Hij betoogde om zijn leven, en hij wist het; maar hij was niet ontdaan of bang.

“Het zou niet goed voor u zijn mij te dooden”, zei hij tegen den wilde. “Ik heb u geen kwaad gedaan, en ik heb den Boeli geen kwaad gedaan.”

Zóó goed klemde hij zich vast aan den hals van den kerel, dat zij niet durfden toeslaan met hun knotsen. En hij hield vol en bleef zich vastklemmen en redeneeren om zijn leven met hen die riepen om zijn dood.

“Ik ben John Starhurst”, ging hij kalm verder. “Ik heb drie jaren lang gewerkt op Fidzji, en ik heb het niet gedaan om er voordeel mee te behalen. Ik ben hier onder u om uw bestwil. Waarom zou iemand mij dooden? Niemand zal daar voordeel van hebben.”

De Boeli keek eens naar den walvischtand. Hij was goed betaald voor de daad.

De zendeling was omringd door een dichte massa naakte wilden, die allen vochten om hem te pakken te krijgen. De doodszang, die is de zang van den oven, werd aangeheven, en zijn vermaningen waren niet hoorbaar meer. Maar zóó handig wond en kronkelde hij zijn lichaam om den man die hem vasthield, dat ze den doodelijken slag niet konden toebrengen. Erirola glimlachte, en de Boeli werd boos.

“Weg met jullie”, riep hij. “Goed nieuws voor de bewoners van de kust—een dozijn groote kerels en één zendeling, zonder wapens, zwak als een vrouw, die jullie allemaal de baas is.”

“Wacht, o Boeli,” riep John Starhurst vanuit het dichtst van de verwarring, “en ik zal zelfs u overwinnen. Want mijn wapenen zijn Waarheid en Rechtvaardigheid, en geen mensch kan hen weerstaan.”

“Kom dan hier,” antwoordde de Boeli, “want mijn wapen is maar een onnoozele, armzalige knots en, zooals je zegt, hij kan jou niet weerstaan.”

De troep wilden week terug, en John Starhurst stond daar alleen, tegenover den Boeli, die leunde op een reusachtige, knoestige oorlogsknots.

“Kom hier, zendeling, en overwin mij,” daagde de Boeli uit.

“Zóó, zonder wapens, zal ik komen en u overwinnen,” was John Starhurst ’s antwoord, en na zijn bril afgeveegd en recht gezet te hebben, kwam hij naar voren.

De Boeli hief zijn knots omhoog, en wachtte.

“In de eerste plaats, mijn dood zal u geen enkel voordeel brengen,” begon het betoog.

“Ik laat het antwoord aan mijn knots”, was de repliek van den Boeli. En op ieder punt van het betoog antwoordde hij hetzelfde, terwijl hij den zendeling voortdurend scherp gadesloeg om dat handige inloopen onder de geheven knotste voorkomen. Toen, en toen voor het eerst, wist John Starhurst dat zijn dood naderde. Hij deed geen poging om in te loopen. Blootshoofds stond hij daar in de zon en bad met luider stem—de mysterieuze gestalte van den onvermijdelijken blanke, die, met Bijbel, kogel, of rumflesch, den verbaasden wilde heeft opgezocht in al zijn bolwerken. Zóó ook stond daar John Starhurst in de rotsvesting van den Boeli van Gatoka.

“Vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen,” bad hij. “O, Heer! heb medelijden met Fidzji. Zie genadig neer op Fidzji. O Jehova, hoor ons om Zijnentwil, Uw Zoon, dien Gij gegeven hebt, opdat door Hem alle menschen zouden worden tot Uw kinderen. Uit U zijn wij voortgekomen, en onze bestemming is weder tot U terug te keeren. Het land is duister, o Heer, het land is duister, maar Gij hebt de macht om te redden. Strek Uw hand uit, o Heer, en red Fidzji, arm kannibalen-Fidzji.”

De Boeli werd ongeduldig.

“Nu zal ik je antwoorden”, mompelde hij, en tegelijkertijd zwaaide hij zijn knots met beide handen.

Naraoe, verborgen tusschen de vrouwen en de matten, hoorden den slag vallen, en huiverde. Toen rees de doodszang, en hij wist, dat het lichaam van zijn beminden zendeling naar den oven gesleept werd toen hij hoorde zingen:

“Sleep mij zachtjes. Sleep mij zachtjes.”

“Want ik ben de voorvechter van mijn land.”

“Dank! Dank! Dank!”

Daarna steeg er een enkele stem op uit het lawaai, die vroeg:

“Waar is de dappere man?”

Een honderd stemmen brulden het antwoord:

“Hij wordt naar den oven gesleept om gekookt te worden.”

“Waar is de lafaard?” vroeg de enkele stem.

“Hij gaat het vertellen!” brulden de honderd stemmen terug. “Hij gaat het vertellen!”

Naraoe kreunde onder de wroeging en de verwijten die hij zichzelf deed. De woorden van het oude lied spraken de waarheid. Hij was de lafaard, en voor hem bleef er niets over dan te gaan vertellen wat er gebeurd was.

Hij woog honderd en tien pond. Zijn haar was kroezig als van een neger, en hij was zwart. Hij was eigenaardig zwart. Hij was niet blauw-zwart of paars-zwart, maar pik-zwart. Hij heette Maoeki, en hij was de zoon van een dorpshoofd. Hij had drietambo’s.Tambo is Melanesisch voortaboeen volle neef van dat Polynesische woord. De drietambo’svan Maoeki waren als volgt: ten eerste, hij mocht nooit een vrouw een hand geven en geen vrouwenhand mocht hem of een van zijn persoonlijke eigendommen ooit aanraken; ten tweede mocht hij nooit mosselen eten noch ander voedsel dat gekookt was op een vuur waar ook mosselen op gekookt waren; ten derde mocht bij nooit een krokodil aanraken noch varen in een kano waarin zich een gedeelte van een krokodil bevond al was het maar zooveel als een tand.

Van een andere kleur zwart waren zijn tanden, die diep-zwart, of misschien beter, roet-zwart waren. Zij waren zoo gemaakt in één enkelen nacht, door zijn moeder, die er een verband met een zeker tot poeder gestampt gesteente om heen had gelegd. Dat gesteente werd opgegraven uit de grond-afschuiving achter Port Adams. Port Adams is een zee-dorp op Malaita, en Malaita is het meest barbaarsche eiland in de Salomon-groep—zóó barbaarsch, dat kooplui of planters er nog geen vasten voet hebben kunnen krijgen; en vanaf den tijd van de eerste tripangvisschers en sandelhoutvaarders tot op de meest moderne koelie-wervers, uitgerustmet automatische geweren en benzine-motoren, zijn honderden blanke avonturiers hier aan hun eind gekomen door tomahawks en stomp-neuzige Snider-kogels. Zoo is Malaita ook nu nog, in de twintigste eeuw, vruchtbaar terrein voor de koelie-wervers, die zijn kusten afzoeken naar koelies die zich bij contract verbinden om te zwoegen op de plantages van de meer beschaafde eilanden in de buurt, voor een loon van dertig dollar in het jaar. De inboorlingen van de meer beschaafde eilanden zijn zelf te beschaafd geworden om op plantages te werken.

Maoeki’s ooren waren doorboord, niet op één plaats, ook niet op twee, maar op een paar dozijn plaatsen. In een van de kleinere gaten droeg hij een aarden pijp. De grootere gaten waren te wijd om ze daar voor te gebruiken. De kop van de pijp zou er doorheen gevallen zijn. In het grootste gat van elk oor droeg hij gewoonlijk ronde houten stoppen die een flinke tien duim middellijn hadden. Ruw berekend, was de omtrek van gezegde gaten dertig duim. Maoeki was universeel in zijn voorliefdes. In de verschillende gaten droeg hij zeer verschillende dingen, als leege hulzen van geweerpatronen, hoefnagels, koperen schroeven, eindjes touw, strengen gevlochten platting, reepen groen blad, en, zoolang de dag nog koel was, vuurroode hibiscus-bloemen. Hieruit ziet men dat zakken geen onmisbaar vereischte voor zijn welzijn waren. Bovendien, zakken waren onmogelijk, want zijn eenig kleedingstuk bestond in een stuk calico ter breedte van een paar duim. Een zakmes droeg hij in zijn haar, het lemmet dicht geklapt op een kroezigen lok. Zijn meest gewaardeerde bezitting was het oor van een porseleinen kopje, dat hij had opgehangen aan een schildpadden ring, die op zijn beurt weer door zijn neus-tusschenschot was gehaald.

Maar al deze verfraaiingen ten spijt, had Maoeki een aardig gezicht. Het was werkelijk een knap gezicht, van welk standpunt ook bezien, en voor een Melanesiër was het een merkwaardig knap gezicht.

Het eenige gebrek ervan was gemis aan kracht. Het was zacht en vrouwelijk, bijna meisjesachtig. De trekken waren klein, regelmatig en fijn. De kin was zwak, en de mond was zwak. Er was geen kracht en geen karakter in kaken, neus en voorhoofd. Alleen in de oogen kon men nu en dan een glimp zien van de verborgen eigenschappen die zoo’n groot deel vormden van zijn karakter en die andere menschen niet konden begrijpen. Die verborgen eigenschappen waren durf, volharding, onbevreesdheid, fantazie, en handigheid; en als zij uitdrukking vonden in de een of andere opvallende daad, met verrassende vastberadenheid verricht, stonden de menschen om hem heen verbaasd.

Maoeki’s vader was dorpshoofd van Port Adams, en zoo kwam het dat Maoeki, geboren kustbewoner, half amphibie en half mensch was. Hij kende de gewoonten van visschen en oesters, en het rif was hem een open boek. Van kano’s had hij ook verstand. Hij leerde zwemmen toen hij een jaar oud was. Op zijn zevende jaar kon hij een volle minuut lang zijn adem inhouden, en recht naar den bodem zwemmen door dertig voet water. En op zijn zevende jaar werd hij gestolen door de boschbewoners, die zelfs niet zwemmen kunnen en die bang zijn voor zout water. Daarna zag Maoeki de zee nog slechts van uit de verte, door scheuren in het oerwoud en vanaf open plekken op de hooge berghellingen. Hij werd de slaaf van Fanfoa, opperhoofd van een twintigtal boschdorpen, overal verspreid over de randen van Malaita’s bergketens, waarvan de rook, op kalme morgens, ongeveer het eenig zichtbaar teeken is dat de zeevarende blanken hebben van de overvloedige bevolking in het binnenland.Want de blanken dringen niet door tot in het binnenland van Malaita. Eéns hebben ze het geprobeerd, in de dagen dat er goud werd gezocht, maar altijd lieten zij er hun hoofden achter, die nu naar omlaag grijnzen vanaf de berookte daksparren van de boschhutten.

Toen Maoeki een jonge man van zeventien jaren was, kreeg Fanfoa gebrek aan tabak. Hij kreeg vreeselijk gebrek aan tabak. Het was een harde tijd in al zijn dorpen. Hij had een fout begaan. Soe-o was een haven, zóó klein dat een groote schoener er niet op zijn anker kon zwaaien. Het werd omringd door mangroven die tot boven het diepe water hingen. Het was een val, en in de val zeilden op een goeden dag twee blanken in een kleine kits. Zij waren op inlandsche koelies uit, en ze hadden veel tabak en ruil-artikelen, om maar te zwijgen van drie geweren en ammunitie in overvloed. Nu woonden er op Soe-o geen kustbewoners, en het was daar dat de boschbewoners konden afdalen naar de zee. De kits maakte prachtige zaken. Den eersten dag teekenden er twintig koelies. Zelfs de oude Fanfoa teekende. En dienzelfden dag hakten de twintig nieuwe koelies de hoofden van de twee blanken af, vermoordden de zwarte bemanning, en staken de kits in brand. Daarna, en drie maanden lang, was er meer dan volop tabak en ruil-artikelen in al de boschdorpen. Toen kwam het oorlogsschip, dat granaten wierp, mijlen ver de heuvels in, en de bevolking uit de dorpen opschrikte, het diepere oerwoud in. Toen stuurde het oorlogsschip landingsafdeelingen aan wal. De dorpen werden alle in brand gestoken, te zamen met de tabak en het ruil-goed. De kokospalmen en pisang-boomen werden omgehakt, de taro-tuinen omgewoeld, en de varkens en kippen doodgeschoten.

Het was een lesje voor Fanfoa, maar ondertusschen zat hij zonder tabak. Ook waren zijn jonge mannen te banggeworden om te gaan teekenen op de wervings-schepen. Daarom beval Fanfoa dat zijn slaaf, Maoeki, naar beneden gebracht en aangeworven zou worden voor een halve kist tabak, bij vooruitbetaling te voldoen, en voor wat messen, bijlen, calico, en kralen, waarvoor hij moest betalen met zwaren arbeid op de plantages.

Maoeki stond doodsangsten uit toen ze hem aan boord van den schoener brachten. Hij was een lam dat ter slachtbank geleid wordt. Blanke waren woeste, wreede wezens. Zij moesten dat wel zijn, anders zouden zij er hun beroep niet van maken zich te wagen langs de kusten en in alle havens van Malaita, twee op een schoener, als iedere schoener van vijftien tot twintig zwarten voer als bemanning en dikwijls zooveel als zestig of zeventig zwarte koelies. Behalve dat, was er altijd het gevaar van de bevolking, de plotselinge aanval en het buitmaken van den schoener met alle hens. Waarlijk, de blanken moesten vreeselijke menschen zijn. Bovendien hadden zij zulke machtige duvel-duvels in hun bezit—geweren die heel snel en veel keeren achtereen schoten, dingen van ijzer en koper die de schoeners deden varen wanneer er geen wind was, en kisten die praatten en lachten juist zooals menschen praatten en lachten. Ja, en hij had gehoord van een blanke die een speciale duvel-duvel had, zóó machtig, dat hij al zijn tanden uit zijn mond kon nemen en ze weer terug kon leggen wanneer hij maar wilde.

Ze namen Maoeki mee naar beneden, in de kajuit. Aan dek hield de eene blanke wacht met twee revolvers in zijn gordel. In de kajuit zat de andere blanke met een boek voor zich, waarin hij vreemde teekens en lijnen schreef. Hij monsterde Maoeki alsof hij een varken of een kip was, keek in de holten onder zijn armen, en schreef in het boek. Toen hield hij hem den schrijfstok voor, en Maoeki raakte er evenaan met zijn hand en verbond zich door die daad tot drie jaren zwoegen op de plantages van de Moongleam Zeepmaatschappij. Er werd hem niet uitgelegd dat de wil van de wreede blanken daar was om de uitvoering der verbintenis af te dwingen, en dat achter alles, met hetzelfde doel, de macht stond van al de oorlogsschepen van Groot-Britannië.

Er waren nog meer zwarten aan boord, uit ongehoord verre plaatsen, en toen de blanke iets tegen hen zei, rukten ze de lange veder uit Maoeki’s haar, knipten datzelfde haar kort af, en wikkelden een lava-lava van helder geel calico om zijn lendenen.

Na veel lange dagen op den schoener, en nadat hij meer land en eilanden had gezien dan waar hij ooit van gedroomd had, werd hij aan wal gezet op Nieuw-Georgië, en moest aan het werk op het veld, oerwoud kappen en bamboe snijden. Voor den eersten keer in zijn leven wist hij wat werken was. Zelfs als slaaf van Fanfoa had hij nooit gewerkt zooals nu. En hij hield niet van werken. Het was opstaan als het licht werd en slapen gaan als het donker werd, op twee maaltijden per dag. En het eten was altijd hetzelfde. Weken achtereen kregen ze niets danaardappelen; en weken achtereen was het niets dan rijst. Dag in dag uit sneed hij het vleesch uit de kokosdoppen; en lange dagen en weken voedde hij de vuren die de kopra rookten, tot hij ontstoken oogen kreeg en aan het boomen vellen werd gezet. Hij was een goed houthakker, en later kwam hij in de ploeg die bruggen bouwde. Eens kwam hij voor straf in de wegwerkersploeg. Soms deed hij dienst als bemanning in de sloepen, wanneer zij kopra binnen brachten van verre stranden, of wanneer de blanken uitvoeren om visch te vangen met dynamiet.

Behalve allerlei andere dingen leerde hij tripang-Engelsch, waarmee hij kon praten met alle blanken en met alle inlandschekoelies die anders in duizend verschillende dialecten gesproken zouden hebben. Ook leerde hij een en ander omtrent de blanken, vooral dit, dat ze hun woord hielden. Wanneer zij een zwartje zeiden dat hij een stok tabak zou krijgen, dan kreeg hij hem ook. Wanneer zij een zwartje zeiden dat ze zeven glazen uit hem zouden slaan als hij het een of ander deed, en hij deed het toch, dan werden er onveranderlijk zeven glazen uit hem geslagen. Maoeki wist niet wat zeven glazen waren, maar het kwam voor in tripang-Engelsch, en hij stelde zich voor dat het de tanden en het bloed waren die somtijds gepaard gingen met het proces van zeven glazen uit iemand slaan. Hij leerde nog iets: geen zwartje werd geslagen of gestraft wanneer hij geen kwaad had gedaan. Zelfs als de blanken dronken waren, en dat waren ze dikwijls, sloegen ze nooit wanneer er niet tegen den een of anderen regel gezondigd was.

Maoeki hield niet van de plantage. Hij haatte werken, en hij was de zoon van een opperhoofd. Verder was het tien jaar geleden dat hij uit Port Adams gestolen was door Fanfoa, en hij had heimwee. Hij had zelfs heimwee naar de slavernij onder Fanfoa. Dus liep hij weg. Hij week terug in het oerwoud, met het idee om in zuidelijke richting zijn weg te zoeken naar het strand en een kano te stelen om daarin naar Port Adams te gaan. Maar de koorts kreeg hem te pakken, en hij werd gevangen genomen en meer dood dan levend teruggebracht.

Hij liep een tweeden keer weg, in gezelschap van twee zwartjes van Malaita. Ze kwamen twintig mijlen ver de kust langs, en mochten zich verborgen houden in de hut van een vrij man van Malaita die in dat dorp woonde. Maar in het zwartst van den nacht kwamen er twee blanken die voor het heele dorp niet bang waren, en die zeven glazen uit de wegloopers sloegen, hen bonden als varkens en hen in desloep gooiden. Maar de man die hen in zijn huis had verborgen gehouden—zeven maal zeven glazen moeten er uit hem geslagen zijn te oordeelen naar het vel, het haar, en de tanden die in het rond vlogen, en hij verloor voor de rest van zijn aardsche leven den moed om gastvrijheid te verleenen aan weggeloopen koelies.

Een jaar lang zwoegde Maoeki verder. Toen werd hij aangesteld tot huisjongen, en had goed te eten en een gemakkelijk leven. Zijn werk was het huis schoon houden en de blanken te bedienen van bier en whisky op alle uren van den dag en de meeste uren van den nacht. Hij deed het graag, maar hij was liever in Port Adams. Hij moest nog twee jaar dienen, maar twee jaar in de kwellingen van het heimwee was te veel voor hem. Hij was verstandiger geworden in zijn eene jaar dienst, en omdat hij nu huisjongen was, had hij beter de gelegenheid. Hij moest de geweren schoonmaken, en hij wist waar de sleutel van de voorraadkamer hing. Hij ontwierp een plan tot ontvluchting, en op een goeden nacht slopen er tien zwartjes van Malaita en één van San Cristoval uit de barakken weg en sleepten een van de booten naar beneden op het strand. De sleutel die het hangslot op de boot openmaakte werd verschaft door Maoeki, en het was Maoeki die de boot uitrustte met een dozijn Winchesters, een geweldige hoeveelheid ammunitie, een kist dynamiet met slaghoedjes en lonten, en tien kisten tabak.

De noordwest-moesson waaide en zij vlogen naar het zuiden. Zij reisden ’s nachts, en overdag hielden ze zich schuil op afgelegen, onbewoonde eilandjes, of trokken de sloep in het oerwoud op de grootere eilanden. Zoo bereikten zij Goeadalcanar, voeren langs de kust tot ze halverwege waren, en staken de Indispensable-straat over naar het eiland Florida. Hier doodden zij den jongen van San Cristoval,bewaarden zijn hoofd, en kookten en aten de rest. De kust van Malaita was niet meer dan twintig mijlen verder, maar den laatsten nacht konden ze door een sterke strooming en veranderlijke winden het land niet halen. Het daglicht vond hen nog verscheiden mijlen van hun doel. Maar het daglicht bracht een kotter met twee blanken er in die niet bang waren voor elf mannen van Malaita gewapend met twaalf geweren. Maoeki en zijn kameraden werden teruggebracht naar Toelagi, waar de groote blanke meester van alle blanke mannen woonde. En de groote blanke meester hield een gerechtszitting, na afloop waarvan de deserteurs één voor één gebonden werden, ieder twintig zweepslagen kregen en bovendien nog tot vijftien dollar boete veroordeeld werden. Toen werden zij teruggestuurd naar Nieuw-Georgië, waar de blanken een flinke zeven glazen uit hen sloegen en hen aan het werk zetten. Maar Maoeki was geen huisjongen meer. Hij werd bij de wegwerkersploeg ingedeeld. De boete van vijftien dollar was betaald door de blanken waar hij van weggeloopen was, en er werd hem medegedeeld dat hij die met zijn werk moest betalen, hetgeen zes maanden langer zwoegen beteekende. Verder bezorgde zijn deel in de gestolen tabak hem nog een jaar zwoegen.

Port Adams was nu drie en een half jaar ver weg, dus stal hij op een nacht een kano, hield zich verborgen op de eilandjes in de Manning-straat, voer de straat over en zette koers langs de oostkust van Isabella, om, toen hij twee derden van den weg achter zich had, gevangen genomen te worden door de blanken in Meringe-lagune. Na een week ontsnapte hij hun en vluchtte het oerwoud in. Er woont niemand in het oerwoud van Isabella, alleen langs de kust wonen menschen, en dat waren allen Christenen. De blanken loofden een belooning van vijfhonderd stokken tabak uit,en telkens als Maoeki zich op het strand waagde om een kano te stelen, werd hij opgejaagd door de kustbewoners. Vier maanden gingen zoo voorbij, toen hij eindelijk, nadat de belooning op duizend stokken tabak was gebracht, gegrepen werd en teruggestuurd naar Nieuw-Georgië en de wegwerkersploeg. Nu vertegenwoordigen duizend stokken tabak een waarde van vijftig dollar, en Maoeki moest de belooning zelf betalen, hetgeen een jaar en acht maanden arbeid vereischte. Dus was Port Adams nu vijf jaren ver weg.

Zijn heimwee was sterker dan ooit, en het lokte hem weinig aan te berusten en braaf te zijn, zijn vijf jaren uit te werken, en dan naar huis te gaan. Den volgenden keer werd hij op heeterdaad betrapt terwijl hij vluchtte. Zijn geval werd gebracht voor mijnheer Haveby, de eiland-directeur van de Moongleam Zeepmaatschappij, die hem als onverbeterlijk brandmerkte. De maatschappij had plantages op de Santa-Cruz-eilanden, honderden mijlen over de zee, en daarheen stuurde ze haar onverbeterlijke koelies van de Salomon-eilanden. En daarheen werd Maoeki gestuurd, ofschoon hij er nooit is aangekomen. De schoener deed onderweg Santa Anna aan, en in den nacht zwom Maoeki naar den wal, waar hij twee geweren en een kist tabak van den handels-agent stal en in een kano ontsnapte naar Cristoval. Malaita was nu in het noorden, vijftig of zestig mijlen ver weg. Maar toen hij den overtocht waagde, werd hij overvallen door een stijve koelte en teruggeslagen naar Santa Anna, waar de agent hem in de boeien sloeg en hem vasthield tot de schoener zou terugkeeren van Santa Cruz. De twee geweren kon de agent nog redden, maar de kist tabak bleef Maoeki schuldig in den vorm van een jaar werken. Het aantal jaren waarvoor hij nu bij de maatschappij in de schuld stond was zes.

Op den terugtocht naar Nieuw-Georgië liet de schoener het anker vallen in Maraoe-Sound, dat in het oostelijk uiteinde van Goeadalcanar ligt. Maoeki zwom naar den wal met handboeien om zijn polsen, en ontsnapte het oerwoud in. De schoener ging verder, maar de agent van de Moongleam aan den wal loofde duizend stokken tabak uit en Maoeki werd door de boschbewoners bij hem gebracht met een jaar en acht maanden meer op zijn rekening. Opnieuw, en nog vóór dat de schoener binnenliep, ontsnapte hij, dezen keer in een sloep, vergezeld door een kist tabak van den agent. Maar een noordwester-storm deed hem stranden op Oegi, waar de Christen-inlanders zijn tabak stalen en hem overleverden aan den agent van de Moongleam die daar zetelde. De tabak die de inlanders gestolen hadden beteekende weer een jaar voor hem, en het totale bedrag was nu acht en een half jaar.

“We zullen hem naar Lord Howe sturen”, zei mijnheer Haveby. “Bunster zit daar, en we zullen hen de zaak onder elkaar laten uitvechten. Ik stel me zoo voor dat òf Maoeki Bunster zal krijgen, òf Bunster Maoeki, en in allebei de gevallen blij dat we van de heeren af zijn.”

Als men van Meringe-lagune, op Isabella, uitzeilt, en koers zet pal naar het magnetisch noorden, zal men na honderdvijftig mijlen varen de glinsterend witte koraalstranden van Lord Howe boven de zee zien uit rijzen. Lord Howe is een ring van land, een goede honderdvijftig mijlen in omtrek, verscheiden honderd meter breed op de grootste breedte, en op sommige punten torenend tot een hoogte van tien voet boven den zeespiegel. Binnen in dezen ring van zand ligt een groote lagune vol koraalbanken. Lord Howe behoort noch geographisch noch ethnologisch tot de Salomon’s. Het is een atol, terwijl de Salomon’shooge eilanden zijn; en zijn bevolking en taal zijn Polynesisch, terwijl de bewoners van de Salomon’s Melanesiërs zijn. Lord Howe is bevolkt door den grooten westelijken stroom van Polynesiërs, die tot op den dag van heden doorgaat en groote kano’s met vlerken op zijn stranden spoelt met den zuidoost-passaat. Ook zijn er sporen van een flauwe strooming van Melanesiërs in de periode van den noordwest-moesson.

Geen mensch komt ooit op Lord Howe, of Ontong Java, zooals het soms genoemd wordt. Thomas Cook & Son verkoopen geen kaartjes daarheen, en touristen droomen zelfs niet van zijn bestaan. Zelfs geen blanke zendeling is er geland op zijn door de branding gebeukte kusten. De vijfduizend inlanders zijn even vreedzaam als primitief. Toch zijn zij niet altijd vreedzaam geweest. DeZeilaanwijzingenspreken van hen als vijandig en verraderlijk. Maar de menschen die deZeilaanwijzingensamenstellen hebben nooit gehoord van de verandering die er gebracht is in de harten der bewoners, die, enkele jaren geleden, een groote bark buitmaakten en alle hens vermoordden met uitzondering van den tweeden stuurman. Deze eenige overlevende bracht de tijding aan zijn broeders. De kapiteins van drie koopvaardij-schoeners gingen met hem terug naar Lord Howe. Zij zeilden hun schepen de lagune binnen en begonnen het evangelie van den blanke te prediken, dat blanken alleen door blanken gedood zullen worden, en dat de mindere rassen hun handen thuis moeten houden. De schoeners zeilden de lagune op en neer, vernielend en verwoestend. Ontsnappen van dien smallen zandcirkel was niet mogelijk; en er waren geen bosschen om in te vluchten. De menschen werden neergeschoten zoodra ze gezien werden, en gezien worden was onvermijdelijk. De dorpen werden verbrand, de kano’s vernield, de kippens en varkensdoodgeschoten, en de kostbare kokospalmen omgehakt. Een maand lang ging dat zoo door; toen zeilden de schoeners weg; maar de vrees voor den blanke was diep in de harten van de eilanders gebrand, en nooit meer waren ze zoo overmoedig om een blanke kwaad te doen.

Max Bunster was de eenige blanke op Lord Howe. Hij dreef handel voor de alomtegenwoordige Moongleam Zeepmaatschappij. En de maatschappij had hem het baantje op Lord Howe gegeven, omdat het,behalveontslag uit den dienst, de meest afgelegen plek was die ze konden vinden. Dat de maatschappij hem niet ontsloeg was te wijten aan de moeilijkheid een ander te vinden om zijn plaats in te nemen. Hij was een groote, zware Duitscher, en er was iets niet in den haak in zijn hersenen.

Half krankzinnig was een zachte qualificatie van zijn toestand. Hij was een bullebak en een lafaard, en een driemaal grootere barbaar dan welke barbaar ook op het eiland. Hij was een lafaard, en zijn bruutheid was van het laffe soort. Toen hij voor het eerst bij de maatschappij in dienst kwam, werd hij op Savo gestationneerd. Toen er een teringachtige koloniaal gestuurd werd om zijn plaats in te nemen, sloeg hij hem half dood met zijn vuisten en stuurde hem als een wrak terug op den schoener die hem gebracht had.

De volgende man die mijnheer Haveby uitkoos om Bunster af te lossen was een jonge reus uit Yorkshire. Hij had den naam een geweldig vechtersbaas te zijn, en vechten deed hij liever dan eten. Maar Bunster vocht niet. Hij was zacht als een lammetje—tien dagen lang, aan het einde waarvan de man uit Yorkshire naar bed moest met een gecombineerden aanval van koorts en dysenterie. Toen kwam Bunster los; onder anderen sleurde hij hem op den vloer en stond een poos boven op hem te dansen. Bang voor wat erzou gebeuren als zijn slachtoffer beter werd, vluchtte Bunster op een kotter naar Goevoetoe, waar hij zich onderscheidde door een jongen Engelschman af te ranselen, die al invaliede was door een Boerenkogel in zijn beide heupen.

Toen was het dat mijnheer Haveby Bunster naar Lord Howe stuurde, de plaats waar de afval opgeborgen werd. Hij vierde zijn landing met een halve kist jenever op te dweilen en den ouden, asthmatischen stuurman van den schoener die hem gebracht had af te ranselen. Toen de schoener vertrok, riep hij de Kanaka’s1op het strand en daagde hen uit hem te leggen in een partijtje worstelen, en hij beloofde een kist tabak aan wie daarin zou slagen. Drie Kanaka’s legde hij, maar hij werd onmiddelijk daarna gelegd door een vierden, die een kogel door zijn longen kreeg in plaats van tabak.

En zoo begon Bunster’s heerschappij op Lord Howe. Drieduizend menschen woonden er in het voornaamste dorp; maar het was als uitgestorven, zelfs midden op den dag, wanneer hij er door kwam. Mannen, vrouwen en kinderen vluchtten voor hem weg. Zelfs de honden en varkens zorgden dat ze uit de voeten kwamen, terwijl de koning het niet beneden zich achtte weg te kruipen onder een mat. De twee eerste ministers leefden in voortdurenden angst voor Bunster, die nooit een punt van geschil besprak, maar er op los sloeg met allebei zijn vuisten.

En op Lord Howe kwam Maoeki, om acht lange jaren voor Bunster te werken. Ontsnappen van Lord Howe was niet mogelijk. Hoe het ook liep, goed of slecht, Bunster en hij waren aan elkaar gebonden. Bunster woog tweehonderdpond. Maoeki woog er honderd en tien. Bunster was een gedegenereerd beest. Maar Maoeki was een primitieve wilde. En beiden hadden ze hun eigen wil en hun eigen wenschen.

Maoeki had geen idee voor welk soort van meester hij zou moeten werken. Niemand had hem gewaarschuwd, en hij had als vanzelfsprekend aangenomen dat Bunster zou zijn als andere blanken: iemand die veel whisky dronk, een heerscher en een wetgever, die altijd zijn woord hield en die nooit een zwartje sloeg als hij het niet verdiende. Bunster was in het voordeel. Hij wist alles van Maoeki, en hij grijnsde van plezier bij de gedachte dat hij hem in zijn bezit zou krijgen. De laatste kok sukkelde met een gebroken arm en een ontwrichten schouder, dus maakte Bunster Maoeki kok en algemeen huisjongen.

En Maoeki merkte weldra dat er blanken en blanken waren. Nog denzelfden dag dat de schoener wegzeilde werd hem bevolen een kuiken te gaan koopen van Samisee, den inlandschen zendeling van Tonga. Maar Samisee was de lagune overgestoken en zou pas na drie dagen terug zijn. Maoeki kwam terug met het nieuws. Hij klom de steile trap op (het huis stond op palen twaalf voet hoog boven het zand) en trad de woonkamer binnen. De agent eischte het kuiken. Maoeki deed zijn mond open om uitleg te geven. Maar Bunster wenschte geen uitleg. Hij sloeg er op los met zijn vuist. De slag trof Maoeki op zijn mond en lichtte hem omhoog. Hij vloog door de deur-opening, heelemaal over de smalle galerij, en naar beneden op den grond, de bovenste leuning brekend in zijn val. Zijn lippen waren een verwarde, vormlooze massa, en zijn mond was vol bloed en losgeslagen tanden.

“Dat zal je leeren dat tegenspreken bij mij niet opgaat!” schreeuwde de agent, paars van woede, terwijl hij naar hem omlaag keek over de gebroken leuning.

Maoeki had nog nooit zulk een blanke gezien, en hij besloot zich stil te houden en nooit iets te misdoen. Hij zag hoe de bootjongens afgedekt werden, en hoe een van hen drie dagen lang zonder eten in de boeien zat, alleen omdat hij de misdaad had begaan een dol te breken bij het roeien. Dan hoorde hij ook de praatjes in het dorp, en vernam waarom Bunster een derde vrouw had genomen—met geweld, zooals algemeen bekend was. De eerste en de tweede vrouw lagen begraven op het kerkhof onder het witte koraalzand, met platte stukken koraalrots aan hoofden voeteneind. Zij waren gestorven, zoo werd er verteld, doordat Bunster hen zoo veel en zoo onbarmhartig sloeg. De derde vrouw werd zonder twijfel slecht behandeld, Maoeki kon dat met eigen oogen zien.

Maar er was geen enkele manier om niet te misdoen in de oogen van den blanke, die gehinderd scheen te worden door alles wat leefde. Als Maoeki niets zei werd hij geslagen en voor zuurpruim uitgescholden. Als hij praatte werd hij geslagen omdat hij tegensprak. Wanneer hij ernstig was zei Bunster dat hij een samenzwering uitbroedde en gaf hem al bij voorbaat een pak ransel; en wanneer hij trachtte vroolijk te zijn en te lachen, werd hij beschuldigd van spotten met zijn heer en meester en kreeg een proefje van den stok. Bunster was een duivel. De dorpsbewoners zouden wel met hem afgerekend hebben, hadden zij zich de les van de drie schoeners niet herinnerd. En niettegenstaande dat zouden zij toch met hem afgerekend hebben, als er een oerwoud was geweest om in te vluchten. Maar zooals de zaken nu stonden, zou het vermoorden van een blanke, van iederen blanke, een oorlogsschip brengen dat de misdadigers zou dooden en de kostbare kokospalmen om zou hakken. Dan waren er de bootjongens, die het vaste plan hadden hem bij ongeluk te laten verdrinken bij deeerste de beste gelegenheid om den kotter te laten omslaan. Maar Bunster zorgde wel dat de kotter niet omsloeg.

Maoeki was van een ander ras, en aangezien ontsnappen onmogelijk was zoolang Bunster leefde, besloot hij den blanke te dooden. Maar hoe?

Hij kreeg er de kans niet toe. Bunster was altijd op zijn qui-vive. Dag en nacht had hij zijn revolvers klaar. Hij stond niemand toe achter zich om te loopen, zooals Maoeki ondervonden had, nadat hij verscheiden keeren tegen den grond was geslagen. Bunster wist dat hij meer te vreezen had van den goedgehumeurden, kalmen jongen van Malaita met zijn zacht gezicht dan van de heele bevolking van Lord Howe; en het bracht meer kleur en fleur in het folterprogramma dat hij uitwerkte. En Maoeki hield zich stil, verdroeg zijn bestraffingen, en wachtte.

Alle andere blanken hadden zijntambo’sgeëerbiedigd; Bunster niet. Maoeki’s wekelijksch rantsoen tabak was twee stokken. Bunster gaf ze aan zijn vrouw en beval Maoeki ze uit haar hand in ontvangst te nemen. Maar dat mocht niet gebeuren, en Maoeki moest het zonder zijn tabak stellen. Op dezelfde manier was hij gedwongen menigen maaltijd voorbij te laten gaan, en er waren veel dagen dat hij met honger rond liep. Hij kreeg bevel om schotels klaar te maken van de groote mosselen die groeiden in de lagune. Dat kon hij niet doen, want mosselen warentambo. Zes keeren achtereen weigerde hij de mosselen aan te raken, en zes keeren werd hij bewusteloos geslagen. Bunster wist dat de jongen liever zou sterven, maar hij noemde zijn weigering muiterij, en hij zou hem doodgeslagen hebben als er een andere kok was geweest om hem te vervangen.

Een van Bunsters geliefkoosde grappen was Maoeki bij zijn kroezige lokken te grijpen en zijn hoofd tegen den muur aan te slaan. Een andere grap was onverwachts, als hijer het minst op verdacht was, het brandende eind van een sigaar tegen Maoeki’s vleesch te houden. Dit noemde hij vaccinatie, en Maoeki werd verscheiden keeren in de week gevaccineerd. Eens, in een aanval van razernij, rukte Bunster het kopjes-oor uit Maoeki’s neus, en scheurde zoo zijn geheele neustusschenschot stuk.

“O, wat ’n smoel!” was zijn kritiek, toen hij de verwoesting overzag die hij had aangericht.

Het vel van een haai is als schuurpapier, maar het vel van een rog is als een rasp. In de Zuidzee wordt het door de inlanders gebruikt als houtvijl om kano’s en pagaaien glad te schaven. Bunster liet een handschoen van roggevel maken. Den eersten keer dat hij hem op Maoeki probeerde, haalde hij met één veeg van zijn hand de huid van Maoeki’s rug, van nek tot oksel. Bunster was verrukt. Hij gaf zijn vrouw een proefje van den handschoen, en probeerde hem grondig op de bootjongens. De eerste ministers kwamen om elk een veeg in ontvangst te nemen, en ze moesten lachen en het als een grap beschouwen.

“Lach, verdomme, lach!” zoo gaf hij de houding aan die zij hadden aan te nemen.

Maoeki werd het ruimst bedeeld met den handschoen. Er ging geen dag voorbij zonder een streeling met het instrument. Er waren tijden dat het verlies van zooveel opperhuid hem ’s nachts uit den slaap hield, en dikwijls werd de half-genezen oppervlakte op nieuw rauw geschuurd door den grappigen mijnheer Bunster. Maoeki bleef geduldig wachten, volkomen zeker dat vroeg of laat zijn tijd zou komen. En hij wist precies wat hij doen zou, tot in de kleinste bijzonderheid, toen de tijd werkelijk kwam.

Op een morgen stond Bunster op in een humeur om zeven glazen uit het heelal te slaan. Hij begon bij Maoeki, en hijeindigde bij Maoeki en in den tijd die daar tusschen verliep, bokste hij zijn vrouw tegen den grond en rammelde alle bootjongens door elkaar. Aan het ontbijt noemde hij de koffie spoeling, en gooide den kokenden inhoud van den kop in Maoeki’s gezicht. Om tien uur begon Bunster koortsig te rillen, en een half uur later brandde hij van koorts. Het was geen gewone aanval. Het werd snel erger en ontwikkelde zich tot zwarte koorts. De dagen gingen voorbij, en hij werd zwakker en zwakker en kwam niet meer uit zijn bed. Maoeki bleef toekijken en wachten, terwijl zijn huid weer heel werd. Hij gaf de jongens bevel om den kotter op het strand te halen, den bodem te schrobben, en alles in orde te maken. Zij dachten dat het bevel van Bunster uitging, en gehoorzaamden. Maar Bunster lag bewusteloos op dat oogenblik en gaf geen bevelen. Dit was Maoeki’s kans, maar nog steeds wachtte hij.

Toen het ergste voorbij, en Bunster weer bij kennis en herstellende was, hoewel nog zwak als een klein kind, pakte Maoeki zijn weinige lijfsieraden in zijn kist, het porseleinen kopjes-oor incluis. Toen ging hij naar het dorp en had een onderhoud met den koning en zijn twee ministers.

“Dit Bunster, hem goed jij hou van ’m veel?” vroeg hij. Zij verklaarden hem uit één mond dat ze heelemaal niet van den agent hielden. De ministers barstten los in een omstandig verhaal van al den smaad en het onrecht waarmee ze waren overladen. De koning liet alle waardigheid varen, en schreide. Maoeki onderbrak hen ruw.

“Jij snap mij—mij groot meester mij land. Jij niet hou van ’m dit wit meester. Mij niet hou van ’m. Veel goed jij doe honderd kokosnoot, tweehonderd kokosnoot, driehonderd kokosnoot bij kotter. Hem afgeloopen, jij ga slaap ’m goed. Allemaal Kanaka slaap ’m goed. Zoo gauwgroot lawaai bij huis, jij niet snap hoor ’m dat lawaai. Jij allemaal slaap sterk te veel.”

Een dergelijk onderhoud had Maoeki met de bootjongens.

Toen beval hij Bunster’s vrouw terug te keeren naar het huis van haar familie. Als zij geweigerd had, zou hij in een moeilijk parket zijn geweest, want zijntambozou hem niet toegestaan hebben haar beet te pakken.

Toen het huis verlaten was, ging hij de slaapkamer binnen, waar de agent in een lichte sluimering lag. Maoeki nam eerst de twee revolvers weg en deed daarna den rog-handschoen aan zijn hand. De eerste waarschuwing die Bunster kreeg was een slag met den handschoen die het vel wegnam over de heele lengte van zijn neus.

“Goed, hè?” grijnsde Maoeki tusschen twee slagen door, waarvan de eene het voorhoofd bloot veegde en de andere één kant van zijn gezicht schoon raspte. “Lach, verdomme, lach!”

Maoeki verrichte zijn werk degelijk, en de Kanaka’s, verscholen in hun huizen, hoorden het “groot lawaai” dat Bunster maakte en een paar uren lang bleef maken.

Toen Maoeki klaar was, droeg hij het bootkompas en al de geweren en ammunitie naar den kotter, dien hij ballastte met kisten tabak. Het was terwijl hij zich hiermee bezig hield, dat er een afschuwelijk wezen zonder vel uit het huis kwam en gillend het strand af holde, tot het in het zand viel en bleef liggen brullen en razen onder de schroeiende zon.

Maoeki keek er even naar en aarzelde. Toen ging hij er heen en nam het hoofd weg, wikkelde het in een mat, en stuwde het in het roerkastje van den kotter.

Zoo vast sliepen de Kanaka’s dien langen, heeten dag, dat zij niet zagen hoe de kotter door de doorvaart naar zee liep en koers zette naar het zuiden, scherp bij den zuidoostpassaat zeilend. Ook werd de kotter niet gezien op denlangen overtocht naar de kust van Isabella en gedurende het moeizaam tegen den wind opwerken vandaar naar Malaita. Maoeki landde in Port Adams met een rijkdom van geweren en tabak zooals nog geen man vóór hem ooit bezeten had. Maar hij bleef daar niet. Hij had het hoofd van een blanke genomen, en alleen het oerwoud kon hem beschermen. Dus ging hij terug naar de boschdorpen, waar hij den ouden Fanfoa en een half dozijn van de voornaamste aanvoerders dood schoot en zich zelf opperhoofd maakte van al de dorpen. Toen zijn vader gestorven was, heerschte Maoeki’s broer in Port Adams, en, vereenigd, kust- en boschbewoners, was de combinatie die er uit ontstond de sterkste van de honderden vechtende stammen van Malaita.

Sterker dan zijn vrees voor het Britsche Gouvernement was Maoeki’s vrees voor de almachtige Moongleam Zeepmaatschappij; en op een dag bereikte hem in het oerwoud een boodschap, die hem in herinnering bracht dat hij de maatschappij acht en een half jaar arbeid schuldig was. Hij stuurde een gunstig antwoord terug, en toen verscheen de onvermijdelijke blanke, de kapitein van den schoener, de eenige blanke die gedurende Maoeki’s regeering zich waagde in het oerwoud en er levend uitkwam. Deze man kwam er niet alleen uit, maar bracht zevenhonderd en vijftig dollar in goudstukken met zich mee, de prijs in geld van acht en een half jaar werken plus de kostende prijs van zekere geweren en kisten tabak.

Maoeki weegt niet langer honderd en tien pond. Zijn buik heeft driemaal zijn vroeger en omvang, en hij heeft vier vrouwen. Hij heeft nog veel andere dingen—geweren en revolvers, het oor van een porseleinen kopje en een uitgelezen verzameling hoofden van boschbewoners. Maar kostbaarder dan de heele verzameling is een ander hoofd, prachtig gedroogd en gerookt, met rossig haar en een geelachtigenbaard, dat bewaard wordt in de fijnst geweven lava-lava’s. Als Maoeki ten oorlog trekt tegen dorpen buiten zijn rijk, haalt hij altijd zijn hoofd te voorschijn, en, alleen in zijn gras-paleis, beschouwt hij het lang en plechtig. Op zulke oogenblikken valt er een stilte als van den dood over het dorp, en er is zelfs geen kind dat leven durft te maken. Het hoofd wordt beschouwd als de machtigste duvel-duvel op Malaita, en aan het bezit daarvan wordt al de grootheid van Maoeki toegeschreven.


Back to IndexNext