HOOFDSTUK V.

„Wel haest getrouwt, dat langhe rouwt”,

„Wel haest getrouwt, dat langhe rouwt”,

wijze, maar vaak in den wind geslagen, raad. Van droeviger ondervinding getuigt nog de spreuk in eene Duitsche hanzestad:

„Mancher Mann laut singet,Wenn man die Braut ihm bringet.Wüszte er was man ihm brächte,Er wohl lieber weinen möchte.”

„Mancher Mann laut singet,Wenn man die Braut ihm bringet.Wüszte er was man ihm brächte,Er wohl lieber weinen möchte.”

De kerkelijke ondertrouwregisters en de stadhuispuiboeken zijn hier beter, daar slechter, soms in 't geheel niet, bewaard, of ook hier nauwkeurig, daar slordig bijgehouden, door slechte berging, vocht, muizetanden aangevreten, terwijl wij af en toe met huivering lezen, dat de zoontjes van den burgemeester er hunne pennen, ja hunne nagels op oefenden of de domineesjuffrouw er papillotten van maakte: waaraan ze bezweken. Het is hartbrekend zoo meedoogenloos als menschen met oude papieren konden (en kunnen!) omgaan. Jacob van Lennep vertelt ons, dat hij eens een jonge juffrouw aantrof, met een mand naast zich, bezig de brieven te verscheuren en daarin te werpen van een harer ooms, die gezant bij de Porte geweest was. Zoo werd ook het ganschearchief der stad Zalt-Bommel van vóór 1660 in 1831 opgeruimd, 2164 halve kilo's aan papier en 16 dito aan perkament. Door dezen verkoop was het gemeentebestuur (eere wien eere toekomt, zegt met begrijpelijke bitterheid De Hoop Scheffer, die ons het feit herinnert) in staat zich een groen tafelkleed voor de vergaderzaal en een paar witte gordijnen aan te schaffen. Gelukkig ontbreekt het goede niet. De puiaanteekeningboeken van Amsterdam b.v. zijn in voortreffelijken staat en wie er in bladert, ziet de geslachten der menschen langs zich heengaan en hem treft menige beroemde naam: „25 Aug. 1590 Jacobus Arminius, predikant deezer steede, geadsisteerd met Claes Fraensz. (Oetgens van Waveren) burgemeester deezer steede ter eenre, en Lijsbeth Laurensdr. oud 20 jaar, wonende op het Water in de gulde Reaal, geadsisteerd met Laurens Jacobsz. [Reaal] schepen en raad, haar vader en Geertje Pieters, moeder, ter andere zijde”; „20 Nov. 1610: Joost van Vondel en Maayke Wolf”; „10 Juni 1634: Rembrandt van Rijn en Saskia Uylenburg” en zoovelen meer, die allen als gewone menschenkinderen van vrijen tot trouwen gekomen zijn en zich voor commissarissen hebben laten aanteekenen. Wil men ten besluite van dit deel onzes hoofdstuks een bewijs, hoe angstig de kerk op de proclamaties acht gaf(met reden, waarlijk!): „Wordt gevraagd” (ter synode van Haarlem ao1600) „wat men doen sal in een sake des huwlijks, waerin een seker joncman belofte hebbende met eene jonge dochter, henengegaan is nae de commissarissen der huwelijxsche zaken ende nochtans de dochter, die hij verwachtede, niet en is verschenen, waardoor hij, vertoornd zijnde, nae een ander plaetse is vertrocken, alwaer hij hem aen een ander beloeft ende twee huwelijcksche proclamatiën ghehadt heeft, maer en is het huwelijk niet bevesticht geworden, doordien dat de voorschr. dochter de derde proclamatie heeft opgehouden, ende is niettemin nochtans in huyshoudinge met de tweede getreden ende daerin soo lange gebleven, totdat de dochter, met welcke hij eerst beloeft was, met een ander man openbaarlijck is ghehuwelijckt ende nu versoect in den huwelijken staat bevesticht te werden”. De synode staat het toe.

Bij de aanteekening nu moest eerst, als van oude tijden, de toestemming blijken van partijen. Vervolgens het consent der ouders. Van de oude, gewestelijke rechtstoestanden zij slechts kort vermeld, dat in Friesland minderjarigen de toestemming van ouders of voogden noodig hadden (zie bovenblz. 66), dat in Gelderland noch in Holland het ontbreken van die toestemming de nietigheid des huwelijksmet zich bracht, wel vermogensnadeelen, terwijl in hetzelfde Gelderland eerst de Echtorde van 1597 die nietigheid uitsprak. Reeds vroeger had ook het Eeuwig Edict van Karel V (1540) het consent der ouders geëischt. Toch vinden wij herhaaldelijk zulke huwelijken vermeld b. v. „Den 21 Juny 1618 capiteyn de Vries getrout met Lambrecht Kanters dochter, van (ds.) Taurijn in de Buerkerk, tegen wil ende danck des vaders”. Jonker Lambert Kanter, raad der stad Utrecht, was ouderling ter synode van Dordrecht en zou aldaar overlijden 24 April 1619 en den 27stenplechtig worden begraven. Ds. Joh. Taurinus, de bekende schrijver van de „Weegschaal” was vurig remonstrant: zoo zal de weigering des vaders hier wel in het godsdienstgeschil haar oorzaak gevonden hebben. Het blijft de roem der gereformeerde kerk, dat zij met nadruk het consent der ouders eischte. Reeds in 1572 had de eerste Noordhollandsche synode uitgesproken: „Nyemant, die onder eens anders macht geworpen is (zal) hem vervoirderen hem met yemant te verloven sonder die haer wille, die sij onderworpen sijn, daartoe te hebben”. Ouders en vrienden moeten, stelt zij voor (en dit is ook regel geworden), met de jongelieden medekomen, en anders moet men dezen met schande afwijzen, „al waert dat sij den dienaren oyck veel wilden wijsmaecken”. De Dordtschesynode van 1574 spreekt zich in denzelfden geest uit. De kerk placht zich gaarne te beroepen op het voorbeeld van Simson, den richter in Israël, die „gezien hebbende eene vrouw te Thimnat van de dochteren der Filistijnen, zoo ging hij opwaarts en gaf het zijnen vader en moeder te kennen en zeide: neem mij die tot vrouw”. In overeenstemming daarmede de overheid in 1580: de proclamatiën worden niet toegelaten zonder consent der ouders. Toen de student Corn. Floor te Franeker in 1598 huwen wilde met eene pupil van prof. Drusius (het was een in die dagen berucht geval) verzocht de kerkeraad aan de overheid de proclamatiën op te schorten, totdat gebleken zou zijn van 't consent van 's jongelings moeder. Ouders, verhinderd zelven te verschijnen, mochten bij volmacht van hunne gevoelens laten blijken. Daarvoor put ik een voorbeeld uit de genoemde pui-boeken van Amsterdam. Op 31 Mei 1625 kwam Warner van Lennep (voorvader van het bekende geslacht) ter aanteekening ten stadhuize, bijgestaan door secretaris Valckenier (want de jongman had, afkomstig van Emmerik, in Amsterdam geen verwanten), vertoonend zijns vaders consent. Met hem de bruid, Sara van Halmael, geassisteerd door haar stiefmoeder. En dan de bijvoeging: „de vader heeft gezegd, dat hij de geboden niet zal schutten”. Hetwas geen consent van harte blijkbaar. Daar het woord „ouders” aanleiding gaf tot misverstand, bepaalden de Staten van Holland en Westfriesland in 1671, dat de uitdrukking „ouders” in art. 3 der ordonnantie van 1580 te verstaan zij als vader en moeder, niet grootvader of grootmoeder. Eindelijk, dat het voorschrift omtrent het oudersconsent langzamerhand zich in de zeden vastzette, blijkt o. m. uit de verbazing, waarmede Nederlanders in den vreemde afwijkende toestanden opmerkten. Den 4denMei 1689 teekende Const. Huygens de zoon in zijn journaal aan, dat in Engeland een meisje van 14 jaar een goed en valide huwelijk kon sluiten in 't geheim en zonder het consent der ouders.

Kinderhuwelijk.—Willem II en zijn bruid Maria van Engeland.—Naar de schildering van Van Dijck, in het Rijksmuseum, Amsterdam.Kinderhuwelijk.Willem II en zijn bruid Maria van Engeland.Naar de schildering van Van Dijck, in het Rijksmuseum, Amsterdam.

Kinderhuwelijk.Willem II en zijn bruid Maria van Engeland.Naar de schildering van Van Dijck, in het Rijksmuseum, Amsterdam.

Naar de schildering van Van Dijck, in het Rijksmuseum, Amsterdam.

Ziehier ons de gelegenheid geboden iets te zeggen van de leeftijdsgrens. De verbazing van Huygens vond haar oorzaak in die 14 jaren. Want dat ten onzent de geboden zonder toestemming der ouders niet werden toegelaten, gold alleen voor jongemannen onder de 25, voor jongedochters onder de 20. De leeftijdsgrens voor huwelijken was oudtijds in de verschillende gewesten verschillend, men vindt 18-14, 14-12, terwijl huwelijken onder deze jaren gesloten voor oneerlijk en strafbaar, niet voor nietig golden. Zoo nog onder Karel V. Maar onder de Republiek waren zulke kinderhuwelijken verboden. In Frieslanden Utrecht werden ook bij de vrouw de 25 jaren geëischt, vóór zij het ouderlijk consent zou kunnen ontberen. Wie dan nochtans zulk een verboden echt sloot, mocht geen aanspraken op het huwelijksgoed doen gelden, verstandige bepaling ter bescherming van jonge, onervaren erfdochters, opdat niet een of andere schavuit haar hart veroveren, haarzelve schaken en voorts met haar en haar geld trouwen zou—wat toch telkens geschiedde. Was alzoo 14 en 12 jaar voor man en vrouw de uiterste grens nederwaarts volgens de wet—hoe stond het er mee in de practijk? Wij hebben daaromtrent geene opzettelijke onderzoekingen onder oogen gehad, met name niet voor kinderhuwelijken, zooals dat o. a. in Engeland is geschied. Over het onderwerp in het algemeen stip ik slechts aan, dat sommigen de oorzaak van kinderhuwelijken vinden in den wensch der ouders om ontduiking hunner macht (b.v. door schaking) te vóórkomen. Zeker geldt dit niet voor alle dergelijke verbintenissen, zooals ze bij Hindoes en Australiërs, bij Balineezen en Dajaks gesloten worden, en waarvoor onderscheiden redenen bestaan. Ook heeft reeds wijlen de hoogleeraar Wilken onderscheid gemaakt tusschen wezenlijke kinderhuwelijken en verlovingen tusschen kinderen. Maar opmerkelijk is, dat ze in Engelandnog zoo laat, in de 16deen 17deeeuw, gesloten worden. Zoo heeftF. J. Furnivalleen onderzoek ingesteld alleen voor de dioceesChestervan 1561 tot 1566 met allerbelangrijkste uitkomsten, en wel zonderling klinken ons getuigenissen als dat „Harie Accars at the time of his marriage with his child wife Jane was „about the age off viij yeres and the said Jane about iiij or v yeres old”". Zulke kinderhuwelijken werden in alle vormen gesloten, waren in de gevolgen meest uiterst ongelukkig en hadden verschillende oorzaken. Uitgenomen enkele dergelijke verbintenissen uit staatkundige beweegredenen (toen Willem II met Maria Henriëtte Stuart trouwde, 12 Mei 1641, was hij nog geen 15, zij juist 10 jaar oud) zijn mij ten onzent op dit punt geen gegevens bekend. Wel voorbeelden van zeer jong trouwen. Toen Jacob de Witt 9 October 1616 met Anna van den Corput in den echt trad, was de bruid 16 jaar. In de deftige families bleef dit niet ongewoon, en in de nadagen der republiek vinden wij huwelijken, waarbij de jonge dochter 15, 16 meest 17 of 18 jaar oud is. Sommigen vonden dat te jong. Mevrouw Helder „zoude ongaarne zien dat haare Dogter (van 18 jaar) zoo vroeg trouwde, als nu meer en meer de mode wordt.” In eenvoudiger kringen schijnt de huwelijksleeftijd ouder, 25 tot 30 jaar, omdat daar het wachten op den noodigen welstand meêtelt, somsook de familieband. Op alle dorpen van Rijnland en Delfland, laten wij ons vertellen uit het derde kwart der 18deeeuw, vindt men jongelieden die 10 à 12 jaar gevrijd hebben, ja die niet voor hun 50stejaar getrouwd zijn, niet uit al te groote koelheid, maar uit eene ongemeen sterke ouderliefde. Een Duitsch reiziger op 't eind der eeuw vertelt, dat in Engeland meer ongehuwden van 40 dan in Nederland van 25 jaren zijn.

Waren de jongelieden boven de 25 en 20 en konden zij geen consent vertoonen, dan werden de ouders ontboden en gehoord, waarna de magistraat over de gegrondheid hunner bezwaren besliste. Zijn de ouders binnen twee weken niet verschenen, dan gold dit voor toestemming; kwamen zij en was de rechter het met hunne bezwaren eens, dan was er geen appel of reformatie, gelijk de desbetreffende bepaling van 1597 in 1663 werd vernieuwd. Natuurlijk kwam het ook voor, dat de rechter het niet met hen eens was en dan mochten de geboden voortgang hebben. Jammer, dat kerk en staat ook hier zich niet immer naar elkander voegen wilden, dat schouten en secretarissen ten platten lande zich „vaak niet wilden conformeeren met de politie der H.H. Staten om 't consent der ouders te verwachten”, oorzaak van vele landelijke drama's. Te Nieuwkoop woonde in 1595 eene vrouw, die met drie mannen tegelijk ondertrouwd was ennu, zonder consent, met den derden te Nieuwveen wilde trouwen. De predikant weigerde terecht. Toen liet de baljuw van Rijnland haar door zijn schout trouwen.

In gegoede kringen stelde men bij de verloving ook de huwelijksvoorwaarden vast, waaronder ook hetspelden-en het weduwengeld, voorts morgengave (waaroverlater) en bruidschat. Waar de bruidegom alleen zijne sterke handen en de bruid haar „eertje en haar kleertje” meebracht, kon de belijing achterwege blijven. Jan Steen heeft zulk een huwelijkscontract op een prachtig stuk vereeuwigd. Den huwelijkshandel tusschen de ouders der geliefden, waarbij het wederzijdsche goed tegen elkaâr werd opgewogen, zien wij op prenten vaak voorgesteld door een weegschaal, waarop de jongelui zitten. De plank, waarop het meisje met een schatkistje in haren schoot, daalt, die, waarop de jongeling met leege handen, rijst: het huwelijk springt af. Gelukkig, zoo men het eens werd en de mansvader (als in Friesland) der bruid den riem gaf met kettinkjes, waaraan sleutels, schaar, reukballetje en spiegeltje, als om de arbeidzaamheid en de schoonheidszin, der huisvrouw beide noodig, zinnebeeldig uit te drukken. Uit de 16deeeuw hebben wij als geschenken bij die gelegenheid: damastenrokken, gouden ringen, armbanden, maar ook een spinnewiel, tafellakens, drinkvaten, maar ook een in blauw fluweel gebonden gebedenboek met gouden sloten en ook—onergerlijk en natuurlijk—een wieg. In Groningen heette deze bijeenkomst de wijnkoop, omdat de wijnkan er lustig bij rondging en het contract ving doorgaans aan: „Dat ter eere Gods en (zelfde gedachte als bij de wieg) tot vermeerderinge des menschelijken geslachts een wettig huwelijk is beraamd tusschen ...” De bekende Groninger predikant R. Alberthoma teekende in zijn dagboek op 4 Jan. 1753 aan: „van middag is de wijnkoop gehouden van den heer Paulus Chevallier, theol. prof. en onze enige dochter Margaretha Geertruid.” Een zeer eigenaardig geval deed zich in 1775 in de Beemster voor, waarvan Betje Wolff, die daar toen immers woonde, geheel vervuld was en er aan haren vriend, dr. D. H. Gallandat over schrijft.De schatrijke weduwe Agatha van Foreest—geb. Van Foreest, moeder van acht kinderen, werd verliefd op een armen Beemster boerenjongen, Jan Schenk, die nog met haar kinderen had gespeeld. Toen zij besloten was hem te trouwen, liet zij hare kinderen samenkomen op haar buitenplaats in de Beemster (de twee oudste zoons waren officier), deelde hun haar plan mede en beloofde, als een der huwelijksvoorwaarden, hun een millioen gulden af testaan. Er ontstond een zware twist,—„de degens zijn uitgeraakt en de Heeren hebben hunnen aanstaanden stiefvader van de Plaats gejaagd met vele dreigementen.” Toch heeft toen mevrouw de geboden laten vragen, die, na protestatie der familie, ook gegeven zijn. Daar de bruigom roomsch was, moesten zij van zes tot zes weken onder de geboden staan; het huwelijk volgde 4 Juni en werd, zeker om de ergernis, in huis gesloten. Het portret dezer trouwlustige dame hangt in het Westfriesch museum te Hoorn als No. 56. Over ergerlijk bedrog met huwelijksche voorwaarden ontbreken helaas de berichten niet. Men bepaalde een veel hooger som, welke de vrouw mede ten huwelijk bracht, dan de waarheid was, wees haar een douairie of lijftocht toe, grooter dan de wederzijdsche bezittingen samen bedroegen: bij een breuk (faillissement) trok de vrouw dit alles van den boedel af en voor de schuldeischers bleef 10% over!

Huwelijksweegschaal.—Foto naar een prent, toegeschreven aan G. de Jode.De Lifde eylaes heeft nu den sack gecreghen,D' ouders Weghen, haer dochter in balance,Heeft den uryer soo ueel goets niet daer teghen,Het houwelyck is af, hy moet uanden dance.Amour est refroidy, affection est morte,L' Hollandois ueult la dote et la fille poiser:Que si le Jeun Amant aultant des biens n' apporte,Ailleurs il luy faudra sa fortune chercher.Huwelijksweegschaal.Foto naar een prent, toegeschreven aan G. de Jode.

De Lifde eylaes heeft nu den sack gecreghen,D' ouders Weghen, haer dochter in balance,Heeft den uryer soo ueel goets niet daer teghen,Het houwelyck is af, hy moet uanden dance.Amour est refroidy, affection est morte,L' Hollandois ueult la dote et la fille poiser:Que si le Jeun Amant aultant des biens n' apporte,Ailleurs il luy faudra sa fortune chercher.

De Lifde eylaes heeft nu den sack gecreghen,D' ouders Weghen, haer dochter in balance,Heeft den uryer soo ueel goets niet daer teghen,Het houwelyck is af, hy moet uanden dance.

Amour est refroidy, affection est morte,L' Hollandois ueult la dote et la fille poiser:Que si le Jeun Amant aultant des biens n' apporte,Ailleurs il luy faudra sa fortune chercher.

Huwelijksweegschaal.Foto naar een prent, toegeschreven aan G. de Jode.

Foto naar een prent, toegeschreven aan G. de Jode.

Bij den ondertrouwdiendenpartijen al verder over te leggen een „getuigenis van vrijigheid”, bewijs dat men ongetrouwd was. Tegen bigamie hebben kerk en staat gelijkelijk als tegen een groot en schadelijk euvel krijg gevoerd. In onze periode kwam de verbintenis met meer dan ééne vrouw als wettige huwelijksvorm reeds lang niet meer voor; waartoezijne neiging ook nog iemand voeren mocht, godsdienst, recht en zede stempelden gelijkelijk polygamie als overtreding. Het beroep op de oudvaders in het O. T. wezen Beza, à Limborch, Barlaeus, Cats en wie er verder over geschreven hebben, af met te betoogen, dat zij dwaalden, of dat de veelheid der zondaren de zonde niet verontschuldigt, of dat God in den beginne de veelwijverij toeliet, om de aarde bevolkt te krijgen, maar dat zij toch niet in zijn plan lag, omdat Hij anders gemakkelijk uit Adam meer dan ééne Eva had kunnen scheppen. In de jaren 1535 en een tiental volgende was dit betoog te pas gekomen tegen munsterschen, batenburgers en davidjoristen, die het dubbel huwelijk in theorie verdedigden en in de practijk toepasten. Bekent niet Jan Pietersz. van Alkmaar dat „hem door den leeraar Jacob Remmes is gegeven geweest tot sijne tweede huysvrouwe, de voorsz. sijne eerste huysvrouwe noch levende, eene genoempt Nele?” Was niet de wederdooper Lourijs Lourijsz. van Leiden met Dorothea Pietersdr., ook in 1534, als met zijne vrouw naar Dordrecht gereisd, om daar te prediken, zijne eerste vrouw te Leiden achterlatende? Was niet Maria Barent Gerrijtsdr. uit het land van IJselstein, eerst getrouwd met Gerrit Kieviet, die te Amsterdam werd onthoofd, daarna „een van de huysvrouwen geweestvan eenen Corn. Appelman oick van den verbonde van Batenburch, die voor sulx tot Utrecht geëxecuteert is geweest?” Doch de verdwaasdheid dezer ongelukkige schepsels heeft maar kort de toenmalige maatschappij in beroering gebracht. Thans dan waakten staat en kerk zoo goed mogelijk tegen dubbel huwelijk, al was het vaak uiterst moeielijk zekerheid van iemands dood te verkrijgen. Toch kon strengheid bij zoo groot gevaar geen kwaad: bij gebleken bigamie volgde soms doodstraf, te Amsterdam werd iemand, die bij het leven zijner vrouw geboden had gevraagd, gegeeseld. Omgekeerd heeft de overheid voor bigamie te goeder trouw genadig willen zijn door o. m. de wettiging der kinderen mogelijk te maken. Echter heeft zij geen gevolg kunnen geven aan den wensch der gereformeerde kerk, dat men alleen zou mogen trouwen ter plaatse waar de geboden waren gegaan. Dat was niet tegen te gaan. Wel echter moesten, als partijen op verschillende plaatsen woonden, op beide de geboden gelezen worden. Hier is een voorbeeld, ook voor plattelandstoestanden eigenaardig: „Edam 30 Juni 1612 getrouwt Dirck Cornelisz. van Haakswijck (Axwijk) met Trijn Jansdr. van Middelije (Middelie) met goede attestatie des schoolmeesters tot Middelije haare wettelijke uytroepingen gehad te hebben, getrouwthier te Edam in de hooytijd, dat tot haerent niet gepredickt wordt en daerom oock haer preddicandt van huys was”. Juist omdat het doodsbewijs soms zoo moeielijk te leveren viel, toonde ook de kerk vaak mededoogen. ZekereGeorge Church, een Engelschman, te Rotterdam wonend, had daar, in 1633, eene weduwe getrouwd,Margaretha Hope, die twee mannen gehad had. Maar nu was het gebleken, dat de eerste dier twee nog leefde, in overspel met eene andere, nadat hijMargaretha„malitieuselijck” had verlaten. ToenGeorgedit te weten was gekomen, had hij zich aanstonds van zijne vrouw afgezonderd en eene scheiding bewerkt tusschen haar en dien eersten man. Hij vroeg nu aan de synode van Den Briel of zijn huwelijk metMargaretha, vóór den datum dier scheiding, onecht was geweest en zij dus op nieuw moesten trouwen? Waarop de hooge vergadering „nemende in consideratie de onmijdelijcke onwetenheyt van den man, de trouwloose verlating vanMargaretha Hopebij haren eersten man, den commer van d'een en d'ander sijde...” het huwelijk voor wettig verklaarde. In 1664 werd Johan de Witt om advies gevraagd in eene dergelijke zaak van teeren aard. Eene vrouw was getrouwd met een man, die op dat tijdstip in Holland nog eene andere vrouw in leven had, al heette het dat zijoverleden was. Maar zij had reeds met dien man geleefd, nog vóór het gerucht van dat overlijden haar was ter oore gekomen, en had dus reeds niet met hem mogen huwen, volgens de wet, dat de overspeler met de overspeelster niet huwen mag. Bovendien kon zij niet aangeven, wanneer zij van dat overlijden had gehoord, wat te vreemder was, omdat die vrouw in een Delftsch logement verblijf hield en men dus van haar afsterven gemakkelijk naricht had kunnen bekomen. De Witt geeft nu den (zeker zeer wonderlijken) raad, dat zij de „saecke sooveel doenlijck secreet houden” moet, omdat anders wel eens scheiding zou kunnen worden bevolen. Hier was, zouden wij zeggen, geen reden voor mededoogen. In elk geval blijkt het gevaar voor bigamie niet denkbeeldig.

Soms werd er bij den ondertrouw gelet op de mogelijkheid, dat de bruid „deflorata”, onteerd kon zijn. Sommige instructies schrijven voor, dat predikant of ambtenaar (bij opgevat vermoeden) moeten vragen of het bruidspaar „vleeschelijke conversatie” gehad heeft? Ook dit stuk uit de geschiedenis des huwelijks heeft eene lange ontwikkeling achter zich, maar wij kunnen er èn om de uitgebreidheid èn om de eigenaardigheid van het onderwerp niet lang bijstil staan. Er zijn tijden, waarin en volken, waarbij de ongereptheid der bruid niet slechts onnoodig, maar zelfs ongewenscht werd geacht zoodat zij, op velerlei, voor ons begrip stuitende, manier vóór het huwelijk werd gedefloreerd. Maar de regel was toch het omgekeerde, dat nl. de maagdelijkheid der bruid van de hoogste waardij werd geacht en bij het huwelijk op overtuigende wijze moest worden aangetoond. Wat Deut. XXII: 13–21 van de oude Israëlieten verhaalt, mag als vast gebruik bij tal van volken gelden, terwijl oude vertellingen en sprookjes dan weêr herinneren, hoe met dit bewijs bedrog kon worden en ook vaak werd gepleegd. Maar hiervan genoeg. In ons tijdperk gold het reeds lang als misdrijf zoo bij de verloving bleek, dat de bruid ontmaagd was, daarom, naar de volkszeden, nog niet altijd als schande. In Amsterdam verwezen commissarissen, als 't bleek, dat de bruid onteerd was, de zaak naar M. H. van den gerechte. Was de zwangerschap der bruid „notoirlijck” dan betaalden in de generaliteitslanden partijen ieder ƒ20, waarbij de ouders voor hunne kinderen, vrouwen voor haar dienstmaagden instonden. Hadden nu partijen nochtans geen bezwaar tegen het huwelijk, dan ontstonden er natuurlijk geene moeielijkheden en deze soort verbintenissen waren talrijk, door de volksmoraal ook niet veroordeeld.„'t Is aan onze stranden,” vertelt ons iemand in 1773, „zeer gemeen een bruid bezwangerd te zien vóór den trouwdag, maar de gelieven blijven elkander getrouw”. En zoo was het niet alleen aan onze stranden, maar ook verder. In de bouwstoffen voor een beroemd geworden rapport, door barond'Alphonsein 1813 uitgebracht over den staat van ons land en volk, bevindt zich ook een stuk van den prefect de Stassart d.d. 22 Aug. 1812, waarin o. a.: „... De families wachten met het vaststellen van een huwelijk, tot de jongelieden neiging voor elkander getoond hebben. Vandaar de nauwe betrekkingen tusschen de beide geslachten. Bovendien trouwen, althans in de lagere klassen, de meisjes niet vóór zij zwanger zijn, maar in dien toestand worden zij ook bijna nooit verlaten.” Bij deze uitspraak staat een aanteekening van J. D. Janssen, den lateren secretaris-generaal bij het departement voor de zaken der hervormde kerk, waarin hij dien vrijeren omgang prijst en voorts ontkent, dat de bedoelde meisjes zóó zijn. Hij kent geen enkele klasse zóó bedorven, „zelfs” niet in Den Haag, „à l'exception peut être de celle des domestiques, qui a en général les mœurs les plus dissolues”. D'Alphonseheeft toen geschreven: „il en résulte quelquefois quelques anticipations sur les droits de l'hymen”. Dat was weder veel tegunstig. Vandaar, dat het in zijne kringen aan den raadspensionaris van Slingeland zeer kwalijk werd genomen, dat hij, in 1726, een huwelijk sloot met zijne dienstmeid, Johanna van Coesveldt, een „mariage honteux” zegt de Fransche gezantde Fénélon, dat hem veel kwaad heeft gedaan.

Maar groote moeielijkheden ontstonden als opschorsing der geboden werd gevraagd, door wie zeide door den bruidegom te zijn onteerd. Volgens den vasten regel in de Republiek, dat wie een maagd onteerthaar moet trouwen (ducere) of geld betalen (dotare), kon de onteerde eene actie instellen en middelerwijl de geboden laten ophouden. Dan werd er naar eene minnelijke schikking gestreefd en dikwijls waren het commissarissen tot de huwelijksche zaken, die trachtten „partijen te accordeeren”. Veelal ging het afkoopen boven het trouwen. Zijn de partijen, heet het in een plakkaat van 1666, te zeer ongelijk van kwaliteit, dan zal de gedefloreerde vrouwspersoon worden gecontenteerd met een eerlijken bruidsschat. Doch beiden betalen ƒ200 boete. De keuze tusschen trouwen of afkoopen stond meest aan den onteerder, soms aan den rechter. Besloot hij tot dotatie, dan mocht het meisje die ook van den vader van haren verleider eischen. Overigens bestond er omtrent talrijke, bijkomende vragen geen vaststaande rechtsovertuigingen daarom doet het te meer leed, dat de kerk haren invloed niet meer voor het trouwen heeft aangewend. Zij kon „niet verstaen, dat een vrij, ongehillichte persoon gehouden (sou) wesen te trouwen eene dochter, die hij beslapen heeft”. Beweert zij, dat hij haar trouwbeloften deed, dan zal de magistraat dat, door afneming van een eed, moeten beslechten. Men zou wenschen, dat de kerk, die herhaaldelijk blijk heeft gegeven, zich de belangen van den zwakke aan te trekken, ook hier krachtiger voor de, dikwijls bedrogen en in elk geval verlaten, vrouw ware opgekomen. Hoe zorgvuldig zij echter zulke gevallen onderzocht, moge blijken uit het volgend gebeurde in deHollandsche gemeente te Londen. In 1570 wenschte zekere Pieter de Brune te trouwen, maar na de eerste proclamatie werd het bezwaar ingebracht, dat hij te Gent reeds aan eene andere trouwbelofte gegeven had. Geroepen voor den Londenschen kerkeraad, verklaarde Pieter „tbijslapen ten diverschen stonden gheschiedt tsijne”, maar van belofte aan die dochter kon geen sprake zijn, omdat „daer ghenouch gheruchte van oneerbaerheit achter haer ghijnck”. De kerkeraad verlangde toen eene notarieele acte uit Gent, ten bewijze dat genoemd meisje inderdaad „in 't openbare leven zat”, eene dergelijke acte te Londen, waarin hij verklaardete willen trouwen, maar dat het Gentsche meisje trouwbeloften op hem praetendeerde, voorts eene verklaring, dat hij zich onderwerpen zal aan de uitspraak van „den E. Superintendent den bisschop van Londen, tsij (van) de duytsche consistorie”, eindelijk dat, als 't meisje te Gent binnen drie maanden niet verklaarde, of zij bij haren eisch volhardde, dan eerst Pieter zich vrij achten mocht. Alle acten in duplo ter toezending aan bedoeld meisje. Dit is wel een treffend voorbeeld van wijze herderlijke zorg. Het huwelijk schijnt intusschen niet te zijn doorgegaan, althans in de trouwboeken der gemeente vond ik alleen een Jacques de Brune, getrouwd 11 Mei 1609.

DE VERLOVING OF ONDERTROUW. (VERVOLG).

Het is er verre vandaan, dat nu alles zou zijn onderzocht, waarnaar volgens wet en gewoonte bij den ondertrouw een onderzoek diende te worden ingesteld. Het ergste moet nog komen, d. w. z. het moest blijken, dat partijen niet tot elkander stonden in verboden graad van bloedverwantschap. Ook hier weêr ligt eene geschiedenis achter ons, die tot in den oertijd terug reikt. Waar het matriarchaat heerschte (het moederrecht, waarbij naam, eigendom, voorrecht, stamverwantschap door de moeder overgaan, ook als de vader bekend is), waren gansch andere verboden graden, dan waar het patriarchaat bestond. Broeder en zuster van éénen vader, maar van twee moeders zijn bij het matriarchale stelsel niet consanguinair d. i. bestaan elkander niet in den bloede, waarom Abraham tot koning Abimelech zegt vanSara: „Zij is mijne zuster, de dochter van mijn vader, maar niet van mijne moeder en zij werd mijne vrouw”. In dit stelsel is een man nauw verwant aan dochters van eene tante van moederszijde, wat bij het patriarchale niet het geval is. Voorts speelt hier de opvatting van het stamverband haar rol. Soms is een huwelijk alleen geoorloofd in (dus met nauwer verwanten), soms alleen buiten den stam (dus met geen of zeer verre bloedverwanten). Wederom komen consanguinaire huwelijken voor tusschen zeer nauwe betrekkingen als broeder en zuster, waarbij dus voor de schadelijkheid van dergelijke verbintenissen, door sommige moderne schrijvers aangenomen, niet werd gevreesd. Over dit laatste punt heeft ten onzent, in 1888, N. P. van der Stok een lijvig werk geschreven, „Huwelijken tusschen bloedverwanten”, waarbij eene uitvoerige lijst van vreemde en eigen literatuur. Het Oudisraëlietisch recht verbood te huwen met moeder en stiefmoeder, met zuster, halfzuster en schoonzuster, met kleindochter en schoondochter, met tante en aangehuwde tante, wat van hier in het christelijk en mohammedaansch recht overging. Oudgermaansch recht verbood huwelijken tusschen ouders en kinderen, broeders en zusters.Jacob Grimm, de wijdberoemde grondlegger van de studie der Duitsche taal, van hetDuitsche recht en van den Duitschen godsdienst, zegt dit aldus: „Ehverbot wegen zu naher verwandtschaft zwischen eltern, kindern und geschwistern versteht sich von selbst; die kirchengesetze dehnten es aus auf schwägerschaft und geistliche verwandtschaft”. En zóó is het ook. In den beginne ontzegde de middeleeuwsche kerk het huwelijk zóó ver, als verwantschap naar Germaansch recht werd aangenomen. Tot in de 9deeeuw vormt in de Duitsche landen deze derde generatie de grens. Maar in 1058 breidde paus Nicolaas II het verbod uit tot de zevende generatie. Deze bepaling echter bracht zulk een sleep van lasten en moeielijkheden met zich, dat in 1215 Innocentius III er op terug kwam. Volgens hem was een huwelijk in op- of afgaande linie volstrekt onbestaanbaar; tot in den 4dengraad der zijlinie ongeoorloofd. Daar echter man en vrouw één vleesch en bloed zijn, waren de verwanten van den een ook die der andere, waarom huwelijken, van wie tot elkander in zwagerschap stonden, insgelijks tot den vierden graad verboden waren. Eindelijk: doopvader en doopmoeder stonden tot den doopeling in ouderlijke betrekking, daarom mocht b.v. de peetdochter niet trouwen met den weduwnaar harer overleden peetmoeder. Dit was de geestelijke verwantschap, welke later door de protestantsche theologenen juristen zou worden ontkend, als geenerlei grond vindend in Gods woord. Volgens hen mochten dus peters en meters over 't zelfde kind wel trouwen. Voor 't overige namen deze gereformeerde en luthersche theologen eene dubbele verhindering aan, eene volgens het O. Tisch, goddelijk, eene andere volgens het Romeinsch en kanoniek, menschelijk recht, waarbij zij trachtten de verschillen te vereffenen. Ik denk o. a. aan Beza's tractaat over huwelijksbeletselen, een boek ontstaan uit academische lessen (1591), dat ook hier te lande, in 't Latijn, en in 't Nederlandsch vertaald, ijverig is gelezen en o. a. door de synode van Tholen in 1602 is aanbevolen, toen zij haar „Forme ende maniere van te ondertrouwen, dienende tot instructie voor den kerckendienaren” opstelde, als bij uitstek geschikt, om de „graden van bloetvrientschap of maeghschap in denwelcken te houwelicken van God verboden is” juist te leeren onderscheiden. Ik denk aan Melanchthon's verhandeling over de bloed- en huwelijksverwantschap, dat zich voor het beoogde doel zeer goed leent, want het geeft een bevattelijk overzicht van wat onder verboden graden te verstaan zij, met voorbeelden uit de bijbelsche historie, de Grieksche mythologie en de profane geschiedenis. Ook de Heidelbergsche hoogleeraar Hieron. Zanchius, die inzijn tijd in aanmerking is gekomen voor een stoel aan de jonge, Leidsche hoogeschool, schreef een hier te lande aanbevolen werk over verloving, huwelijk en echtscheiding, waarin hij ook uitvoerig handelt over de verboden graden. Ten onzent geeft de vermaarde theoloog Gisbertus Voetius een tractaat over huwelijk en huwelijksbeletselen. Welnu, deze theologen en de door hen voorgelichte kerkedienaren zagen wel, dat de verbodsbepalingen in de Schrift niet immer met die in de landswetten of in het kanoniek recht overeenstemden. Dus trachtten zij naar eene regeling van staatswege, waarbij met de bijbelsche opvatting rekening werd gehouden, middelerwijl zich vaak schikkende, in wat zij toch afkeurden. Wanneer de overheid een huwelijk toeliet in een, volgens de gereformeerde kerk verboden, graad, dan voltrok de predikant het niet zonder schriftelijk bevel en na de betrokkenen genoegzaam gewaarschuwd te hebben.

De regeling van staatswege van de verboden graden van consanguiniteit ging langzaam en bleef onvoldoende. Nog in 1673 leggen de Staten van Zeeland de verklaring af, dat zij bij het vaststellen der verboden graden op moeielijkheden stuiten, en dat zij daarom overleg zullen plegen met hunne naastgelegen bondgenooten, de Staten van Holland en Westfriesland,met wie zij altijd dezelfde wetten hebben gehad. Deze laatsten nu hadden reeds in 1580 bij devroeger genoemdeordonnantie, de verboden graden zoo goed mogelijk behandeld, door Zeeland gevolgd in 1583, door Utrecht in 1584, door Friesland in 1586, Gelderland 1597, terwijl voor de generaliteitslanden het Echtreglement van 1656 de graden voorschreef. Hier werd dan het huwelijk verboden tusschen: 1º. Ouders en kinderen, opwaarts en nederwaarts; 2º. broeders en zusters 't zij van vollen of van halven bedde; 3º. man en schoondochter of kleinschoondochter, vrouw en schoonzoon of kleinschoonzoon; 4º. man en voordochter der overleden huisvrouw, vrouw en voorzoon van den overleden man; 5º. man en de weduwe zijns broeders, vrouw en den weduwnaar haars zusters; 6º. man en de weduwe van broeders of zusters zoon, vrouw en den weduwnaar van broeders of zusters dochter. De verboden graden door bloedverwantschap waren ook die door huwelijksverwantschap: in den zooveelsten graad als iemand is mijn bloedverwant, in den zooveelsten is zijn vrouw mijn huwelijksverwant, legt Melanchthon ons uit en Huig de Groot leert: „In swagerschap is verboden te huwelijken binnen de leden hier voren van bloede vermaant.”

Wij willen nu zien, hoe deze theoretische wetsbepalingenhare toepassingen vonden in de practijk van het gewone leven, om de kennis waarvan het ons hier bovenal te doen is. Over de beide eerste graden bestond geen verschil. Verbintenissen tusschen neef en nicht, van ouds verboden, waren veelvuldig voorgekomen. „Otto Gerijts”, zegt eene Arnhemsche schepenaanteekening d.d. 22 Mei 1555, „heeft bij zijns ooms dochter geslapen ind twe kynder by haer geworven. En, so hij sulx nyet hefft willen laeten,” heeft de pastoor den schout met de kerkmeesteren in de vergadering van het kerspel te kennen gegeven, „dat zij sulx de werltlicke here solden laeten straffen.” De vereeniging tusschen neef en nicht gold tijdens de Republiek volgens kerkelijk oordeel voor oneerbaar: wel verbieden Gods woord en de geschreven wetten het niet, maar het is toch niet stichtelijk. Hier is invloed van het kanonieke recht, dat, zegt Beza, nog precieser zijn wil dan God in Zijn woord en zelfs het huwelijk verbood tusschen zusterskinderen tot den derden graad. Zoo mocht dan volgens gereformeerd inzicht geen huwelijk plaats hebben van een man met „sijns broeders wijfs dochter, dewelke is sijne betroude nichte”, ook niet van een man met de nicht van de vrouw, met wie hij geboeleerd heeft. Het is eigenaardig, dat eene Groningsche synode van 1613 huwelijken tusschen neef en nicht afkeurt, omdatde vriendschap tot andere geslachten moet worden uitgebreid. Zoo oordeelde ook de kerkvader Augustinus reeds, toen hij het huwelijksbeletsel der bloedverwantschap een uitvloeisel noemde van de goddelijke wet, die wil, dat niet alleen door de banden des bloeds, maar ook door die van den echt, de gemeenschap der menschen met elkander in den ruimsten zin bevestigd zal worden.

Hevige beroering wekte in Groningsche doopsgezinde kringen ao1681 het voorgenomen huwelijk van een achterneef en achternicht. Christoffel Wensing, van de Vlaamsche gemeente te Groningen wenschte te trouwen met Antje Mennes van Appingedam en—beide vaders der jongelui waren neven! De kerkeraad te Groningen weigerde zijne toestemming te geven... uit vrees dat zulk een huwelijk bloedschande mocht zijn. Er hadden twee samenkomsten plaats van de oudsten en de afgevaardigden uit de naburige gemeenten, die telkens de zaak naar Groningen verwezen. Toen ging Christoffel naar Appingedam (het was intusschen al voorjaar 1683 geworden!), vroeg dáár de voltrekking van het huwelijk, maar ontving eene weigering, waarop, om de zaak te beslissen, eene vergadering is gehouden vanalleVlaamsch-doopsgezinde gemeenten, met afgevaardigden uit 29 gemeenten, onder wie 3 Oostfriesche. De eerste vergaderingduurde van 6 uur 's avonds tot twee uur na middernacht, de volgende begon 's middags 12 uur en besloot eindelijk het geval te onderwerpen aan de stemming der Groninger gemeente. Een-en-vijftig stonden het verzoek van Christoffel toe, maar „met kommer”, drie-en-twintig waren er tegen. Daarop besloot deze synode in de uitspraak der Groninger broederschap te berusten, „met kommer en noodshalve” en onder zekere voorwaarden. „Zooveel had het in”, roept De Hoop Scheffer uit, die ons deze geschiedenis heeft verteld, „om in Groningen onder de Vlaamsche doopsgezinden zijn achternichtje te trouwen!” Laat ons hopen dat Christoffel en Antje gelukkig zijn geweest. Maar de lezer bespeurt, dat de gansche zaak buiten de overheid omgaat: die had het huwelijk zeker toegestaan. Christoffel Wensing wilde zich echter niet buiten het gemeenteverband stellen en moest daarvoor de lasten overhebben.

De eigenlijke moeielijkheden intusschen begonnen eerst bij een huwelijk van den man met de betrekkingen zijner overleden vrouw en omgekeerd. In sommige gevallen was door de landswetten voorzien, maar er deden zich telkens nieuwe voor, waarover dan uitspraak moest worden gedaan, waarbij het oordeel der kerkelijken zijn invloed oefende. Een huwelijk tusschen den man en de voordochter deroverleden huisvrouw was, zagen wij, in de ordonnantiën verboden. Toch wenschte Nicolaas Nieuwland, burgemeester van 's-Gravenhage, in 1626 zulk een huwelijk aan te gaan, waartoe prins Maurits toestemming gegeven had. Maar, terwijl er reeds twee geboden gegaan waren, schutten Heeren Staten het derde en, niettegenstaande de man bij zijne vrouw geene kinderen gehad had, sloegen zij het huwelijk af. Volgens de gereformeerde kerk zou de burgemeester zich aan bloedschande hebben schuldig gemaakt. Toen het eens te Opwierda in Groningen bleek, dat zekere Jan Cyess met „sijne stiefdochter boleerde”, werden aanstonds maatregelen genomen „daermit doch sülcke grouwelen vuth dem lande gewehret mochten werden.”

Het huwelijk tusschen den man en de zuster der overleden vrouw was zóó gewoon en lag, door huiselijke omstandigheden, zóó voor de hand, dat de overheid, schoon het verboden was, aarzelde het te veroordeelen. Toch gevoelden velen het als ongeoorloofd en achtten het althans als „lichtveerdigheyt in den h. ehestandt”. Ja, terwijl natuurlijk het huwelijk verboden was van den man met de weduwe zijns broeders, gold ook het trouwen met de halfzuster der overleden huisvrouw in vele kringen voor zonde, wat zich zelfs uitstrekte tot het huwelijk met hare bastaardzuster.Tot deze groep reken ik ook het huwelijk tusschen den man en de vrouw van den broeder der overleden huisvrouw, zijne schoonzuster dus ook, maar verder af. De overheid liet dat soms toe, zooals bij een geval te Gouda in 1601. Daar was Cornelis Cornelisz. getrouwd geweest met Grietje Anteunisdr., Adriaan Anteunisz. haar broeder, met Maaike Adriaansdr. Grietje en Adriaan waren gestorven en nu wenschte Cornelis met Maaike te trouwen. Mocht dat? Het gevoelen was, dat hier de affiniteit, de zwagerschap, ver genoeg was, om het toe te staan, maar dat de eerbaarheid, het fatsoen er toch tegen opkwamen. Wij zijn niet blind voor de zorgvuldigheid der overwegingen, opdat maar de zuiverheid des huwelijks onbesmet zou blijven, al is het waar, dat men soms al te angstig was.

Tot wijder kring, maar in dezelfde rubriek, is te rekenen het huwelijk met de tante der overleden huisvrouw. Bij zulk een geval, ao1604, heerschte nog onzekerheid, al waren velen geneigd het een „abominabelhuwelijk” te noemen. Nu gold het hier eene „bloetmoeye” en dat kon niet nalaten, oordeelden zij, den toorn Gods te wekken. Maar eene eeuw bijkans later, in 1698, was er geene onzekere jurisprudentie meer en weigerde de magistraat zulk eene verbintenis, zelfs waar het thans geene „bloetmoeye”, maareene „coude moeye” betrof. Jacob Jansz. Knecht nl. koopman te Amsterdam, was weduwnaar van Catharina Peckstok en wenschte te hertrouwen met Maria Sarragon, zuster van Catharina's insgelijks overleden moeder. Na de tweede proclamatie werd de derde geweigerd. Knecht wendde zich tot de hooge regeering en betoogde, dat het huwelijk allerminst geschiedde uit ongebonden driften, maar met alle modestie en eerzaam overleg; dat hij met zijne eerste vrouw maar weinig maanden getrouwd geweest was en geene kinderen bij haar had verwekt; dat de bruid, eene zedige, pieuse, bejaarde dochter zich de opschorting der geboden zoodanig aantrok, dat zij daardoor genoegzaam in eene mijmering vervallen was. Het mocht alles niet baten. Bij resolutie van 25 Januari sloegen H. E. Gr. Mog. het verzoek af, zich beroepende op de ordonnantie van 1580, laatste lid nederwaarts t. w. huwelijk van eene vrouw met den weduwnaar van de dochter eener zuster. Op een huwelijk als dit, tusschen den man en zijne koude tante, achtte men ook Levit. XVIII, 14, XX, 20 toepasselijk: „tot de vrouw van den broeder uws vaders zult gij niet naderen: het is uwe tante.”

Mag de man trouwen met een nicht der overleden vrouw? In Holland en in Groningen zijn van kerkelijke zijde zulke verbintenissen veroordeeld. Het iswaar, dat een dier gevallen was verzwaard door de omstandigheid dat „die voorsz. nichte in absentie sijns wijfs met den man op sijn bedde gelegen had,” naar zij zeide, „om sijns crancken kinds wille”. Toch stond het oordeel er over niet vast, en de overheid ging met hare beslissingen waarlijk niet over éénen nacht ijs. Den 8stenApril 1638 wendden de Staten van Utrecht zich tot de theologische faculteit, toen bestaande uit Gisbertus Voetius en Meinardus Schotanus, met de vraag: „of iemand mag trouwen met de dochter der zuster der overleden huisvrouw?” Dezelfde vraag legden zij voor aan de juridische faculteit, aan vier advocaten en aan de gereformeerde predikanten. Tot dusver had men zulk een huwelijk toegestaan. Voetius heeft toen het antwoord gesteld, dat daarna werd geteekend door Schotanus en de vijf predikanten. Later bleek, dat het antwoord der juridische hoogleeraren en van twee advokaten met het hunne geheel overéénkwam t. w. zulk een huwelijk is volstrekt verboden. In de vergadering der Staten is het stuk toen gelezen en overwogen en, naar de bedoeling ervan, het verbod voor de provincie Utrecht uitgevaardigd. In Holland werd dit soort van huwelijk verboden bij publicatie van 21 Mei 1664. Maar de Utrechtsche geschiedenis toont wel duidelijk, hoe omzichtig de vaderen in deze stoffe te werk gingen.Onder deze bepaling achtten sommigen zelfs te behooren het huwelijk van den man met de dochter van den halven broeder of de halve zuster der overleden huisvrouw, als hij dus de „coude oom” zijner bruid was.

Wat moet men denken van een huwelijk tusschen den man en de stiefmoeder der overleden huisvrouw? Er was in de landswetten wel voorzien in 't geval, dat iemand de stiefdochterzijner overleden vrouw zou willen huwen, maar dat hij zijne aangetrouwde stiefmoederzou begeeren, daaraan had niemand gedacht. En toch, ziethier ten jare 1697 Daniël Hooydonck, weduwnaar van Arriaantje Bont, die de geboden vraagt met Sara Wallencourt, stiefmoeder der doode Arriaantje. Immers Sara was de tweede vrouw geweest van wijlen Abraham Bont, in leven koster der Walenkerk te 's-Gravenhage, die in zijn eerste huwelijk vader was vanArriaantje. Schepenen durfden om het zeldzame geval het derde gebod niet laten gaan. Daniël heeft het toen hooger gezocht en 31 Januari stonden H. E. Gr. Mog. den trouw toe.

Het aantal mogelijke gevallen op dit gebied is als dat der sprinkhanen in menigte. Mag een man trouwen met de bruid van zijn overleden broeder? Of (ik noem alleen wat zich inderdaad heeft voorgedaan)met de zuster zijner gestorven bruid? Mag een jonkman trouwen met de bijzit van zijn oom? Op deze al bijzonder onfrissche vraag antwoordt eene synode van 1592 terecht, dat zulk een huwelijk „nyet in Godts woordt bestaen mag”, wat natuurlijk ook geldt van een huwelijk tusschen een weduwnaar en de bijzit van zijn broeder, die bovendien nog in leven is. Maar met deze overwegingen hebben wij de grenzen van het gebied der verboden graden in eigenlijken zin reeds overschreden. Wij stappen er dus van af. Misschien zijn sommigen onzer lezers reeds ongeduldig geworden: zij begeeren nu eindelijk tot de blijde bruiloft te mogen ingaan. Zij hebben, vinden zij, nu genoeg stof om met Philogamos inCats'„Weduwenhouwelijk” te kunnen uitroepen: „Hoe! Is het huwelijk soo lange in de werelt geweest, waarde man, en sijnder noch soo veele saecken omtrent die gelegentheyt te vinden, die heden noch in twijfel staan?” Helaas, wij zijn nog niet aan de bruiloft toe. Bij den ondertrouw kan nog van andere huwelijksbeletselen blijken.

Afkeurenswaardig achtte de kerk het huwelijk tusschen een voogd of diens zoon en de weeze, die zijn pupil was, tenzij met toestemming der Staten. Dezen gaven haar in geen geval vóór de eindrekening had plaats gehad, wat bij de meerderjarigheid derpupillen geschiedde, meest ten overstaan van de vertegenwoordigers van het openbaar gezag. Huwelijksbeletsel was voorts krankzinnigheid. Dan melaatschheid. Ten jare 1470 was Geert ten Starte, burger der stad Kampen, door lepra aangetast, maar de stadsdokter, mr. Franck Johanssoen, gaf, na consult met vier Utrechtsche geneesheeren, hoop op herstel. Maar de vrouw van den patiënt beklaagde zich over het geld, dat de behandeling kostte en wilde ook niet langer met haren man samenwonen. Geert wendde zich toen tot den Raad met verzoek haar in beide opzichten tot rede te willen brengen, onder overlegging van een rechtsgeleerd advies, waarin uit bijbelsch en kanoniek recht werd betoogd, dat zij tot samenwoning verplicht was. Maar dit was niet de gewone opvatting. Als regel gold onder de Republiek, dat het huwelijk tusschen melaatschen en gezonden verboden was, dat trouwbeloften met iemand, die later blijkt lepra te hebben, van onwaarde zullen zijn en dat zij onderling slechts mochten trouwen met consent van de overheid. In geval van een voorgenomen huwelijk geschiedde te Amsterdam de keuring, van wie verdacht werden besmet te zijn, in de spreekkamer van het leprozenhuis, aan de wand waarvan die bekende schilderij hing, verbeeldende den „vroolijken” optocht der leprozen opkoppermaandag. Vertoonde de gevreesde ziekte zich echter na het huwelijk, dan, oordeelde o. a. Cats, mocht men den band er niet om breken:


Back to IndexNext