„Gij bant het wijf als 't met haar echte man wil eeten,Zoo 't bannen duivels is, zoo moet gij duivels heeten.”
„Gij bant het wijf als 't met haar echte man wil eeten,Zoo 't bannen duivels is, zoo moet gij duivels heeten.”
Ook was het natuurlijk, dat de overheid deed wat zij kon, om het kwaad tegen te gaan, wat zeer moeielijk viel, omdat het 't inwendig leven der gemeenten raakte. De Staten van Friesland namen b.v. 8 April 1597 deze resolutie aan: „Alsoe eenige mennonyten hen onderwynden niet alleen echteluyden te scheyden, maar oock (afvalligen).. te scheyden, bannen ende den duyvel overgeven...” verbieden zij de toepassing van den ban, die tot echtscheiding voert, waarvan ook echtbreuk, wanhoop en dergelijke het gevolg zijn en bedreigen leeraren en vermaners, die er toe medewerken, de eerste maal met geldboete, daarna met eeuwige verbanning.
Voorts hebben calvinistisch-gereformeerden en remonstrantsch-gereformeerden (want op dit punt trokken zij één lijn) de echtmijding bestreden met de pen. Petrus Bloccius veroordeelt (1567) „sommige, die willen verstandt hebben van den ban, drijven die so tyrannisch als dat se man ende wijf scheyden tegen de leer Christi, Matth. V, Rom. VIII..” Ook theologenals à Limborch en Episcopius veroordeelen de echtmijding op bijbelsche gronden; Episcopius wijdt er 20 November 1633 eene gansche predikatie aan, later door à Limborch gebruikt voor zijn boek, waarin hij opsomt, waarom zij te veroordeelen is, de argumenten en teksten der doopsgezinden vóór de echtmijding uitvoerig weêrlegt en dan zegt: Wij zouden nog veel andere dingen kunnen noemen, „maar de tijt en onse krachten en laten het niet toe”. Dit gelooven wij gaarne. Zelfs het uithoudings- en verduwingsvermogen der vaderen voor lange predikatiën werd door dit (juiste, maar) al te lange vertoog op te zware proef gesteld.
De gevoelens over hertrouw hangen met die over scheiding samen. Hertrouw was volgens staats- en kerkrecht geoorloofd onder zekere voorwaarden. Het Romeinsche zoowel als het Germaansche recht staan het tweede huwelijk toe met een treurtijd van een jaar, het rouwjaar, opdat er geen „bloedsverwarring” zou plaats hebben en er geene onzekerheid zou zijn, wie de vader was van het, na den dood des eersten mans, geboren kind, voorts ook om het openbare eerbaarheidsgevoel te eerbiedigen. De protestantsche theologen beriepen zich, om het geoorloofde van eene „huwelijksherhaling” te bewijzen op Jozef, dieweduwnaar was, toen hij zich met Maria verloofde, zoodat God heeft gewild, dat Zijn Zoon uit een tweede huwelijk werd geboren! Ook de stamvader van David was immers uit Ruth's tweede huwelijk gesproten? Zoo het geestelijker ware bij één huwelijk te blijven, dan ware het coelibaat nog geestelijker. Als God zegt: 't is niet goed, dat de mensch alleen zij, of: vermenigvuldigt u, dan geldt dit ook voor een weduwnaar enz. enz. Niet-kerkelijke schrijvers ontleenen hunne argumenten insgelijks aan het goddelijk en menschelijk recht. Jacob Cats zegt, dat veroordeeling van het tweede huwelijk roomsch is en dus onder ons niet behoeft te gelden:
„'k En wil nogh evenwel geen menschen wederhouwen,Van weder als het dient of andermaal te trouwen,Al wat hier tegen wrocht is oude ketters werck,Dat noyt en heeft behaeght aan Godes ware kerck,”
„'k En wil nogh evenwel geen menschen wederhouwen,Van weder als het dient of andermaal te trouwen,Al wat hier tegen wrocht is oude ketters werck,Dat noyt en heeft behaeght aan Godes ware kerck,”
maar hij raadt toch groote voorzichtigheid aan:
„Het is van outs gelooft, dat veeltijts nieuwe trouGedijt tot nieuwen twist of tot een nieuwen rou.”
„Het is van outs gelooft, dat veeltijts nieuwe trouGedijt tot nieuwen twist of tot een nieuwen rou.”
Een schoen, gevormd alreede naar den eersten voet, voegt zich met moeite aan den tweeden.
De practijk liet zich door deze waarschuwing echter zelden tegenhouden. Er zijn zeker voorbeelden, van wie na een eerste huwelijk weduwnaar bleven, zeer bekend zijn die van Vondel en van Constantijn Huygens, welke laatste in zijne gedichten daarvan uitleg geeft en zegt, dat hij geene opvolgster wil geven aan wie met geene te vergelijken was, en dat zijne vrienden hem niet langer moeten aanraden te hertrouwen: hij wil geen slechte vrouw en een goede niet opnieuw verliezen. Het zijn verzen van 6 Januari 1641, 14 Februari 1642 (in 't Latijn): den 13denMaart 1637 was Susanna van Baerle van eene dochter bevallen, den 30stenziek geworden en 10 Mei overleden. Maar regel was toch de hertrouw. De vaderen, die zoo nadrukkelijk als huwelijksargument zich beriepen op het paulinisch woord, dat trouwen beter is dan branden, voerden dit ook voor het tweede huwelijk aan.
Dit zijn geen dingen, waarover men heden ten dage openlijk spreekt; er was een tijd, dat men er eerlijk voor uitkwam. En wel zelden heeft iemand dit nobeler en treffender gedaan dan prins Willem I. In 1575 was hij voor de derde maal gehuwd met Charlotte van Bourbon, die hem door hare lieftalligheid, trouwe zorg en weinig-voor-zich-zelve-eischen zeer gelukkig maken en de ellende van zijn tweedehuwelijk zou vergeten doen. Welnu, het was 7 Juli 1575 dat de prins (kort dus na zijn bruiloftsdag) uit Dordrecht aan zijn broeder Jan schreef: „Car, quand à ce que vous alléguez qu'en priant Dieu et m'efforçant j'eusse bien peu obtenir plus longtemps la graçe et le don de continence sans prendre le soubdain conseil de me marier—je ne veulx pas le desbattre; mais puisque le dilay n'eust peu remédier à aucuns inconvéniens par vousalléguezet aux aultres y eust peu beaucoup nuire, j'estyme que ce seroit esté peine perdu de pourchasser ceste requeste de Dieu, lequel ne m'a jamais promis de le donner..”
Wat in de tweede plaats ook niet mag vergeten worden is de groote en droevige sterfte onder de vrouwen toenmaals. Wie eenmaal geleerd heeft op dit verschijnsel te letten, ziet het onze gansche geschiedenis door: de kraamvrouwensterfte is groot door de slechte verloskunde, en daarnaast putten de talrijke bevallingen de moeders uit. Vandaar, dat wij bij al die mannen, die maar eenigszins voor ons uit de vergetelheid in 't licht treden, staatslieden, geleerden, kunstenaars en dergelijken, vinden, dat zij (in den regel) twee- driemaal gehuwd zijn geweest. Langer kan ik bij dit punt hier niet stilstaan, omdat het niet tot ons eigenlijk onderwerp behoort, maar„De Rijn” van Borger bezingt, wat in tal van gezinnen oorzaak was van diepen rouw... én oorzaak meteen van eene nieuwe verbintenis.
Voor de goede orde nu kwam het vooral aan op de vaststelling van den tijd, die tusschen eerste en tweede huwelijk verloopen moest. In 1619 nog was het noodig te vragen, of het niet goed zou zijn, dat men eene orde beraamde op het hertrouwen, opdat er een goede tijd tusschen afsterven en hertrouwen zijn mocht? Reeds in 1583 was er bij de Staten van Holland en West-Friesland aangedrongen op eene wet „op 't punt der weduwen, die te vroeg hertrouwen”. Want wel gold, gelijk wij zeiden en om nog eens met Cats te spreken: „een jaar is voor den rou, dat is een oude wet”, maar hij laat er terecht op volgen:
„.. of immers naar de keuren,Die yder lantschap heeft als eygen om te treuren.”
„.. of immers naar de keuren,Die yder lantschap heeft als eygen om te treuren.”
En zoo was het ook. In Groningen gold ten jare 1639 de rouwtijd voor de vrouw één jaar en zes weken, of zóólang als zij van haren eersten man zwanger ging. Tegelijk werden dan beschermende maatregelen getroffen voor de kinderen uit het eerste huwelijk. In de Ommelanden mochten de gebodenvoor het tweede huwelijk niet gaan, vóórdat voor die kinderen gezorgd was. Desgelijks bepaalde ook het Drenthsche landrecht. Bij hertrouw moesten de voorkinderen door voormombers verzorgd en hun de goederen van eigen vader of moeder gewaarborgd worden, bij gebreke waarvan man of vrouw hunne bezittingen uit het eerste huwelijk verloren en tien goudguldens boete hadden te betalen. „Ende de predikant, die hier tegens de kundiging mogte doen, vijf goutguldens”.
Zoo ging het ook met Nederlanders in den vreemde. In het oud-notarieel archief te Rome bevindt zich o. a. (volgens vriendelijke mededeeling van prof. Hensen te Warmond) eene door notarisCusanoopgemaakte akte, waarbij twee gevolmachtigden „Guiseppe Campo” d. i.à CamperenGuglielmoBlomaerts, burgers van 's-Hertogenbosch opkomen voor het kindsgedeelte uit de nalatenschap van Gerrit Ameyden, vader van den grooten advocaat en journalist te Rome, Dirk Ameyden (1586–1656). De moeder, Maria à Camper, wilde hertrouwen en deze beide burgers zorgden voor de belangen van het voorkind.
Om naar het vaderland terug te keeren: in de ordonnantie op den houwelijken staat in Overijsel van 18 Juni 1603 staat voorgeschreven, dat als de „verknuppinghedes houwelijcks” door den dood of wettelijke oorzaken wordt verbroken, de hertrouw geoorloofd is, voor den man na drie maanden, voor de vrouw na zes. In Utrecht gold als treurtijd twintig weken. In Leiden mocht de weduwe niet trouwen vóór zes maanden na haars mans dood, tenzij zij binnen dien termijn was bevallen. Maar trouwde zij, zwanger zijnde van haren eersten man, dan werden zij en hare getuigen „arbitralijck gecorrigeerd”. In Amsterdam golden dezelfde zes maanden, in de generaliteitslanden moesten de weduwen negen maanden geduld hebben, in Zeeland (niet van overheidswege, maar volgens kerkelijke bepalingen) achttien weken voor weduwen, acht voor weduwnaars... maar vier en twintig weken, zoo zij predikant waren. Die moesten wat meer zelfbeheersching toonen.
Omdat echtscheiding werd toegestaan o. a. bij verlating, moest ook hertrouw bij verlating geregeld worden. In de generaliteitslanden moest de verlaten vrouw vijf jaar met een ander huwelijk wachten. Zoo ook in Zeeland. Elders korter, maar in Overijsel ook vijf jaar. Echter geschiedde ook andersom: vrouwen, die van haar mannen wegliepen. In zulke gevallen placht de kerkeraad bij de magistraat ter plaatse verlof tot hertrouw te vragen, bij weigering zich tewenden tot het Hof. In Enkhuizen deed zich in 1599 't volgend geval voor. Daar was een manspersoon komen wonen, die „in Brabant sijn huysvrou int leven heeft gelaten... ende heeft hier 14 jaren in overspel bij een andere geseten, hoewel hij te vooren devoir hadde gedaan om sijn huysvrou bij hem te ontbieden. De vrouwe, die hij in Brabant verlaten heeft, heeft getoeft 7 jaren, daerna is sij in 't pausdom met eenen anderen getraut, daer sij vijf kinderen bij heeft.” Nu had intusschen de man te Enkhuizen zijne „bijzittige” door den dood verloren en vroeg te mogen hertrouwen, „voorgevende niet te hebbendonum continentiae”. De kerkeraad besloot toen voor hem bij de overheid verlof te vragen.
Wij besluiten met eene soortgelijke geschiedenis ao1624. In Dordrecht woonde iemand, wiens vrouw aan eene ongeneeselijke ziekte leed. Hij was toen naar Leiden gegaan en had daar eene vrouw „aengeslagen”, die in tien jaren van haren man, een matroos, niets had vernomen. Na eenigen tijd kregen zij bericht van den dood, zoowel der zieke vrouw als van den zeevaarder, waarop zij te Delft waren getrouwd, maar te Leiden blijven wonen.De man, door den kerkeraad te Leiden van het avondmaal geweerd, verzocht thans weêr daartoe te mogen worden toegelaten. En hij verklaart, dat „soo hij de vrouw verlaeten moet om temoogen saligh werden, dat hij liever haer, dan sijne salicheyt verlaeten wil, hoewel hij liever bij haer blijven soude, indien het buyten verlies sijner salicheyt conde geschieden”. Omdat nu het huwelijk reeds was gesloten, werd goedgevonden „dat men desen man, hem vroom dragende, met leetwesen ende schultbekenninge sal mogen aennemen.” De lezer heeft bespeurd, dat deze en dergelijke gevallen van verlating natuurlijkerwijze overgaan in gevallen van overspel. Deze dordtrechtsche overtreder had niet mogen trouwen. Want immers, wie bij het leven zijner vrouw met eene andere had geboeleerd, mocht na den dood zijner vrouw geene geboden met die andere laten gaan. Met deze overweging hebben wij ons meteen den weg gebaand tot ons laatste hoofdstuk.
HUWELIJKSLEVEN.
Wij wenschen ten besluite eenig licht te laten vallen op het huwelijksleven der vaderen, het goede en het booze, maar mogen de belijdenis niet achterhouden, dat wij daarin maar zeer gebrekkig slagen zullen, met name wat betreft de eigenlijke huwelijksverhoudingen. Want vooreerst dient daartoe nog allerlei ruw materiaal te worden bewerkt; en vooral ontsnapt het beste ervan aan onze waarneming, omdat het intieme geluk geen openbaarheid wil en wilde, het slechte daarentegen zich aan ons opdringt en (b.v. door processtukken) brutaal aan den dag treedt.
De rechtstoestand der gehuwde vrouw herinnerde (in hare ondergeschiktheid en minderwaardigheid) in onze periode nog sterk aan vroeger eeuwen. Naar Oudhollandsch recht was de vrouw haren echtgenoot onbeperkte gehoorzaamheid schuldig, hij beheert haregoederen, hij kan roerend goed vrij vervreemden, zijne schulden binden ook haar. Voor het drijven van koopmanschap behoeft zij zijne toestemming; daarentegen mag zij bepaalde goederen (b.v. speldegeldgelijk wij zagen) van het beheer door den man uitsluiten en heeft zij ook vrije beschikking over de benoodigdheden voor de huishouding. Zij mag niet in rechte verschijnen zonder toestemming van haren echtgenoot en mag als regel ook geen eed afleggen. Ook mist zij de ouderlijke macht. Aanvankelijk had zij bij den dood van haren man ook niet het recht van boedelafstand. Maar later kwam men haar hierin te hulp, en om te vóórkomen, dat de man den gemeenen boedel met schulden bezwaren zou, welke de baten overtroffen, kon de vrouw, bij overlijden van den man, de gemeenschap verlaten en den doode met de schade alleen laten blijven. Daartoe had zij slechts de sleutels op de doodkist te leggen en het huis uit te gaan, of een korenhalm weg te werpen als zinnebeeld van boedelafstand, waarna zij voor de betaling der schulden niet meer aansprakelijk was. Nog later was eene verklaring voor schepenen en twee getuigen voldoende met het in bewaring geven van den sleutel. In al deze dingen hebben Romeinsch, Germaansch en kanoniek recht eendrachtig samengewerkt. Want wel had de katholieke kerk verboden,om de vrouw bij overspel te dooden, wel had zij het verstootingsrecht beperkt, maar de minderwaardigheid der vrouw had ook zij, mede op bijbelsche gronden, haren leden ingeprent.
Al verder had de man het recht zijne vrouw te tuchtigen en de bepalingen daaromtrent zijn van de uiterste ruwheid, niet slechts in middeleeuwsche keuren en handvesten, maar in ordonnanties tot op 't einde der republiek: eene donkere bladzijde in onze beschavingsgeschiedenis. Strafbaar was slechts zware mishandeling d. i. „enormelicken slaen mit vuysten, stocken ende diergel., met hooftwonden of andere merckelijcke quetsingen, indien daer bloet na volchde.”
Hoe Leidsche burgers in den aanvang der 16deeeuw van dat recht gebruik maakten, heb ik lang geleden uit de vonnissen van de schepenbank te Leiden aangetoond. Vrouwenmishandeling (buiten de grenzen van het toen geoorloofde) scheen daar wel aan de orde van den dag, en voor woestaards, die zich daaraan schuldig maakten, was de toren Eversteen aan der stede veste bezuiden de Witte poort bestemd: „... sal geleyt worden beneden in eversteen ende dair blijven liggen den tijt van 14 dagen ten exemple van alle degenen, die hoir huysvrouwen slaen...” Hier is Cornelis Huygen, die „mit sijne huysvrouweseer qualicken geleeft heeft, hair smitende, treckende bij den hair ende onder de voet werpende ende hair clederen ontwien snijende.” Hier verschijnt Cornelis Florisz. alias Toet, die „wel droncken wesende up eenen heylighen dach omtrent de middach thuys gecomen is vindende een huspot opt vier staan om te coecken ende heeft dieselve huspot vant vier genomen ende mitte potte over thuys (over den vloer) geworpen, zijne huysvrouwe zeer qualicken toesprekende ende haer mitte schaerde vande selve pot enige gaten in haer hooft gesmeten ende qualicken mit hair geleeft...”
Natuurlijk is dit niet de maatstaf voor den tijd: het zijn de rauwheden van eene door armoede gedemoraliseerde weversbevolking in eene Leidsche achterbuurt. Maar al ging dit de maat te buiten, ook tegen echtelijke tuchtiging was de vrouw de gansche periode der republiek door maar weinig beschermd. Wat de toestand althans niet beter maakte, was, dat de gereformeerde kerk, die in veel opzichten eene tuchtmeesteresse geweest is der onbesnoeide schare, te dezen opzichte, schoon hare dienaren mishandeling straften, toch ook de onderworpenheid, de onwaardigheid der vrouw leerde. Zij maakte de Oudtestamentische moraal van ettelijke eeuwen vóór Christus zonder meer gezaghebbend voor Westersche toestanden van 16 en17 eeuwen n. C., en het is stuitend voor ons zedelijk gevoel te bespeuren, hoe b.v. de moraal van Genesis III: 16 als onomstootelijk bewijs geldt voor de leer, dat de man de meester, de vrouw de dienaresse is. De theorie, zoowel van staat en kerk, stond dus laag, al willen wij niet blind zijn voor kerkelijke uitspraken van hooger allooi, als daar is, dat de dienaren twistenden zullen trachten wederom in trouw, liefde en eenigheid te doen samenleven; dat een man, die met tirannie of fortse zijne huisvrouw van 't avondmaal afhoudt, tot beter zal vermaand houden.
Om ook van elders iets te noemen: Van Limborch zegt, dat het vrouweplicht is haars mans gezag tegenover derden hoog te houden en om, als zij haren man iets verstandigs heeft aangeraden, te doen alsof het van hem uitging. En Barlaeus: „Acht voor een man niets liefelijker, niets welgevalliger, dan met eene vrouw samen te wonen, met wie hij het bedde en de dagelijksche gesprekken deelt, wie hij alles toevertrouwt, zijne hartsgeheimen vertelt, zoodat het zijne het hare en het hare het zijne is,” gelijk ds. Franc. Martinius van Epe, als hij uitweidt over het huwelijk, zegt, dat het er vooral om te doen moet zijn, dat de man eene andere helft voor zijne ziel vinde.
Na deze algemeenere beschouwingen trachten wij thans tot enkele bijzonderheden te komen en beginnenmet iets te zeggen over de tegenzijde van het huwelijk, de ontucht. „Eyntlicken nae dien oock klaerlick blijckt, dat die hoererie ende overspellen swaerlicken in swanghe gaen die welcke sonden Godt soo ernstelick in sijn woort verboden heeft. Wort verklaert, dat dieselve inconformiteyt van Godes uytgedruckte woort voort na keyserlicke ende andere des landes ende stede rechten, nae die grouwelickheyt des feits sonder eenige conniventie andere ten exempel gestraft sullen worden: alsoo anders daer door alle tucht, ehr ende eerbaerheyt, mitsgaders die hillicheyt ende onoploselijcke verknuppinghe ende bant des houwelijcken staets vergeten ende met voeten ghetreden wort..” Aldus in eene Overijselsche ordonnantie ao1603.
Bepalingen van dezen aard (maar niet altijd zoo goed gesteld) komen in alle gewestelijke en stedelijke keuren en plakkaten in onafzienbaar aantal voor. Het trekt daarbij onze aandacht, dat die plakkaten telkens strenger worden. De ordonnantie voor Holland en Zeeland in 1580 herinnert er aan, dat de schandelijke zonde der ontucht den toorn Gods verwekt en dus moet bestreden worden. De man, in overspel betrapt, is verder tot alle ambten onbevoegd. Op overspel tusschen twee getrouwden volgde eerverlies en 50-jarig bannissement; op overspel tusschen eengehuwd man en eene jonge dochter stond voor de eerste maal eene boete van honderd caroli en bij herhaling ook 50-jarige verbanning, terwijl de vrouw 14 dagen te water en te brood geleid werd; zondigde een jongman met eene gehuwde vrouw, dan moest hij aldus 14 dagen gevangen zitten en werd de vrouw gebannen.
In Zeeland boette hij het nog bovendien met de verbeurte van de helft zijner goederen. Bovendien verscheen in dat gewest in 1666 eene aanvulling, waarbij overspel tusschen twee getrouwden gestraft werd met publieke schavotteering voor beiden, eeuwig bannissement en verbeurdverklaring van een groot deel der goederen. Weder zeven jaren later namen die van Zeeland nog strenger maatregelen: thans straften zij ook overspel met de ongetrouwde vrouw met bannissement, voor de tweede maal met publieke schavotteering.
De Staten van Holland verviervoudigden in 1677 de boete op overspel, voor twee getrouwden bedroeg zij toen ƒ1000. En daar het delict van overspel toenam, omdat „oock officieren van den gerechte met de schuldigen composeeren of transigeeren” (de oude en ingekankerde kwaal!) werden deze schouten bedreigd met eene boete gelijk aan het dubbel der genoten som, bij herhaling het viervoud en afzetting.Veel erger nog, dat zij herhaaldelijk overspel uitlokten, om daarna met afdreiging groote sommen te verdienen, euvel, dat tot den tijd onzer inlijving heeft voortgeduurd, zoodat de Fransche hooge ambtenaren, die er de weêrzinwekkende voorbeelden van zagen, het openlijk brandmerkten en op afschaffing aandrongen.
De kerk, van hare zijde, bestreed het kwaad door streng vast te houden aan het oude beginsel, dat echtbreuk een huwelijksbeletsel vormt tusschen de schuldigen en door dezulken nimmer tot den trouw toe te laten. Namen zij daarmede geen genoegen, dan verwees de predikant hen naar de overheid. Voorts ontzegde—wij zagen het reedsin ander verband—de kerk het avondmaal aan wie in overspel leefden en liet dit verbod afkondigen ter plaatse, waar de misdaad was gepleegd. Hadden echter „soedanige persoonen, die bij malcanderen in onecht geseten hadden, kynderen bij malcanderen gecregen”, dan, besloot de kerk, moest men hen wel „oepentlijcken bestraffen van haer schandelijcke ergernisse”, maar, om der wille der kinderen, „evenwel in den huwelijken staet bevestigen”. De kerk doopte voorts de onechte kinderen als de anderen, maar dikwijls in afzonderlijke beurten.
In de Generaliteitslanden waren de vroedvrouwenonder eede gehouden binnen een etmaal aangifte te doen van de geboorte van bastaards, met naam en woonplaats der moeder (zoo die protestantsch was), vermoedelijk opdat zij niet door den nooddoop roomsch zouden gemaakt worden. Maar ook in de protestantsche provinciën komt deze bepaling voor (in Zeeland stond op overtreding door de vroedvrouw 100 gulden en zelve-het-kind-moeten-houden), met het doel, dat niet door de kans op geheimhouding der buiten echt geborenen, verleiding of buiten huwelijk samenwonen zouden toenemen.
Toen wijvroegerhandelden over huwelijksbeletselen hebben wij ook gesproken van het „ten huwelijk nemen of geld betalen, ducere aut dotare”. Hier ter plaatse voegt nog de herinnering, dat het onderzoek naar het vaderschap, in het Oudgermaansch recht toegelaten, in het kanoniek verboden, in de Nederlandsche rechten was toegestaan, opdat de vader niet ontkomen zou aan de verplichting om zijne kinderen te onderhouden. „De kinderen buyten egt geteelt zynde”, zegt Huig de Groot, „moeten onderhouden worden tot gemeene kosten van vader en moeder”. Tot dat onderhoud werden gerekend de kraamkosten, ook de begrafeniskosten. Welke middelen men soms gebruikte, om den vader tot de betaling dier kosten te dwingen verhaalt ons Heerma van Vosmet dit burleske geval. Laurens Mauritsz. Doucy, hoedenmaker te Amsterdam, kreeg een onecht kind, dat met de moeder in de kraam stierf. De verwanten der overleden vrouw lieten hem aanzeggen, dat, als hij niet aanstonds de begrafeniskosten voor zijne rekening nam, zij het volgend begrafenisbriefje zouden doen drukken en verspreiden: „Tegens Saterdag den 5denMaart 1661 wort UE. ter begraffenisse gebeden met Teuntgen Claes en het craemsoontgen van Laurens Mauritsz. Doucy”. De onderhouding moest duren tot het 18dejaar bij jongens, tot het 14debij meisjes. Werd nog in de late middeleeuwen de vader vaak door een godsoordeel aangewezen, in onze periode was de weg aldus. De ongehuwde moeder mag eene actie instellen tegen den verleider, tenzij (reeds aanstonds) zij blijkt geweten te hebben, dat hij gehuwd was. Bij die actie legt zij de verklaring af, dat de aangewezene de vader is van haar kind, waartegen de man zich bij eede verzetten kan. Soms verzette hij zich daartegen inderdaad, als in een proces voor de rechtbank te Gouda, in hooger beroep door het Hof behandeld, waar de gedaagde, Govert Govertsz. Dubbelt, door de eischeresse Grietje Soutmans aangesproken om betaling van ƒ50 voor kraamkosten en ƒ1 wekelijks voor alimentatie, zegt, dat hij tot niets gehouden is, omdat eischeres is eene openbare lichtekooi en dusgeen geloof verdient en hij niet gehouden is „zoo schandaleusen geraepten kindt van een openbare hoer naar rechten te alimenteeren”. Hij weigert den eed en het Hof ontzegt aan eischeresse haren eisch. Bekende de man omgang met haar gehad te hebben, dan werd hij als vader erkend, als de moeder hem het kind opzwoer. Zulk een eed legde zij ook vaak reeds aan de vroedvrouw af. Er zijn echter ook keuren, die slechts geloof hechten aan de verklaringen van den man. Dat onder dit stelsel—hoeveel er ook vóór pleit—afdreiging veelvuldig voorkwam, ligt voor de hand, vrouwen spraken drie mannen om hetzelfde kind aan, enz. De beslissing werd den rechter overgelaten, die wel vaak over Salomo's wijsheid mag te beschikken gehad hebben. Het onderzoek naar het vaderschap is, zooals men weet, eerst door de invoering van den Code Napoléon (1 Maart 1811) opgeheven. Dit weinige zij voor ons doel genoeg.
Bij wijze van tegenstelling met dit zeer stoffelijke, herinneren wij aan iets zeer geestelijks: de dichterhuwelijken uit de dagen der sentimentaliteit, van Feith's „Julia” en dergelijke. Zulk eene poëtische verbintenis „zonder togt van diersche zinnen”, louter in „vernuftsvereeniging” om „hersenpopjes te teelen” sloten in 1772 te Assen mr. L. Trip en jonkvr. Barbara van Lier.
Wijzen nu de telkens strengere bepalingen op een ook telkens slechter wordend huwelijksleven? Het is buitengemeen moeielijk tot een, ook maar bij benadering juist, oordeel te komen. Berichten zijn er genoeg, het komt er op aan ze te wikken en te wegen. De berichtgevers zelven zijn immers zoo verschillend. De strenge moralisten en de predikanten in hunne boetpredikatiën zijn uiteraard geneigd zeer donkere verven te gebruiken, waartegen men op zijne hoede moet zijn, maar min of meer oppervlakkige naturen, van wie wij ook mededeeling ontvangen, zien weêr te weinig van het kwaad, glijden er luchthartig overheen en, vooral, onthouden ons wat zij zelven niet zagen.Reizigers kunnen slecht zijn ingelicht, zij kunnen (waarvoor b.v. Diderot in zijne reisbeschrijving door ons land zeer goed oog had) het bijzondere voor het algemeene houden. Al verder zal een schrijver, die Franschgezind is, den invloed van Fransche zeden minder gevaarlijk achten en het booze ervan eer ontkennen, dan een, die Frankrijk houdt voor de bron van alle kwaad ook op huwelijksgebied. De Franschgezinde zal geneigd zijn daarentegen op b.v. Engeland te wijzen en te zeggen, dat de hang zijner tijdgenooten, om Engelsche manieren na te bootsen, ook hun huwelijksleven schade heeft berokkend. De patriot zal van nature geneigd zijn om bij den prinsgezindedonkere vlekken te speuren, en de oranjeman op zijne beurt het er voor houden, dat de radicale meeningen van den kees hem ook losser van zeden moeten maken. De patriciër zal smalen op het „samenhokken als beesten” van den proletariër en van den rondzwervenden vagebond, en de kleine man zal met grimmigheid wijzen op het bederf in paleizen en kasteelen. En allen zullen zij gelijk hebben en ongelijk; zij zullen, schoon eenzijdig, bevooroordeeld, toch stukken der waarheid opmerken en aan 't licht brengen. Middelerwijl moet de tegenwoordige onderzoeker maar zien, hoe hij den weg vindt met zooveel gidsen en hij mag, vooral, bij het luid rumoer der aanklagende stemmen, nimmer vergeten, dat het vredige, eerbare, gelukkige huwelijksleven stil en bescheiden is, opspraak vreest en ook geen opspraak geeft en meest toevallig zich ons openbaart. Wij voor ons kunnen niet meer doen, dan de indrukken weêrgeven, door eene waarneming, zoo nauwkeurig als ons mogelijk was, op ons gemaakt. Wij beginnen met het slechte en eindigen met het goede.
Het monogame huwelijk—dat is ons wel gebleken—is de vrucht van eene eeuwen en eeuwen lange worsteling tegen de polygame neigingen van den man; het gelukkige, man en vrouw naar stof en geest gelukkig makende, huwelijk is bovendienhet gevolg van de beste eigenschappen van karakter, gemoed, van zedelijke beginselen, van godsdienstige gevoelens. Over dit laatste punt is lezenswaard (wij maken er bij uitzondering melding van, waar wij in dit boekje uitsluitend onze aandacht aan het verledene schenken) de in 1881 door het Haagsch genootschap bekroonde verhandeling van dr.Carl Thönes, „Die christliche Anschauung der Ehe und ihre modernen Gegner”. Maar, om tot ons onderwerp terug te keeren, wat wonder, dat in de door ons beschouwde periode dat pleit nog niet was beslecht, aan al die voorwaarden nog niet was voldaan. Dat geldt niet van ons land alleen, het was overal zóó. Maar één factor, die ten onzent zeer bijzonder in rekening moet worden gebracht, is de invloed der gereformeerde en doopsgezinde moraal op dit punt, die bij een goed deel der natie zoo al geen verhevene, dan toch strenge, huwelijkszeden had bevorderd. In dit opzicht mochten gereformeerde theologen vrijmoedig hun stem verheffen, mocht de doopsgezinde W. de Vos, leeraar bij de Lam-isten, in 1771 eene prijsverhandeling over het huwelijk schrijven. Maar, gelijk hun invloed door rigoristische gestrengheid niet onverdeeld gezegend was, was hij ook noch algemeen noch volstrekt en zij zelven trouwens waren den tijdgeest onderworpen. Overziet men het tijdperk van Karel V tot aan koningWillem I dan neemt men zeker eene verfijning van zeden waar, gekuischter taal, ingetogener manieren, wat men vooral toetsen kan aan het karakter van de kluchten en blijspelen en van de liederen. Dat wil niet zeggen, dat ook de zedigheid en de eerbaarheid in gelijke mate waren voortgeschreden. Wat men niet meer zegt, kan men nog wel denken en willen, en preutschheid is nog geen zuivere ingetogenheid. Het huwelijksleven onderging ook den invloed van de stijgende weelde, maaraltijd treffen wij hier bij de middellaag der kleine en gezeten burgerij toch liefde voor het rustig, echtelijk samenwonen. Zeker was onder hen, die het betalen konden, het hebben van wat Campo Weyerman kamerkatjes noemt niet ongewoon en ook niet zoo fel veroordeeld, terwijl, wie het niet betalen konden (zooals b.v. de sententieboeken der schepenbanken ons verraden) al te vaak buurmans huis met kwaad begeeren betraden. Voorts boden de groote en drukke steden te dezen meer gelegenheid tot zondigen dan de kleine en de dorpen; daarom en niet om de grooter onschuld van het platte land vinden wij ginds meer ontucht dan hier. Wat ook geldt van de prostitutie, die zich in de steden rauw en (wel gereglementeerd, maar) onbeteugeld vertoonde.
Over ongelukkige huwelijken in den dieperenzin van 't woord valt het moeielijk te oordeelen; wij kennen allerlei voorbeelden van bazige of spilzieke of luie vrouwen, van brutale, zelfzuchtige, grove mannen, en wij maken onze gevolgtrekkingen, maar tot de fijnere oorzaken van mislukte echtvereenigingen dringen wij moeielijk door. Kleine trekjes ontbreken niet. Constantijn Huygens de zoon, in zijn rijtuig op weg van Den Haag naar Leiden, werd aangereden door de karos van den raadsheer van der Goes. Zijne vrouw, naast hem, snauwde hem toe „soo bruy je altijt maar toe”, en met dezen nijdigen trek om de lippen staat zij nu voor ons—misschien onverdiend. Want Huygens, zelf geen hoogstaand man, zag de kleine dingen eer dan de groote. Het door hem, gedurende den tijd dat hij secretaris van Willem III was, gehouden dagboek geeft ons een donkeren kijk op het huwelijksleven in zijne kringen, maar hij was de man niet, om er het goede en verhevene naast te zien en te teekenen. Zoodat wij ook hier tot eenige voorzichtigheid gemaand worden. De opzienbarende gevallen, waarin een huwelijk tot openbaar schandaal werd en burengerucht veroorzaakte, vormen natuurlijk uitzonderingen, maar er zijn toch te veel voorbeelden, om ons niet ietwat pessimistisch te stemmen. Hier heeft zeker het overvloedig drinken zijn boozen invloed doengelden. Wie de pamfletten bestudeerd heeft, welke zijn uitgegeven over de gedragingen van professor Adriaan Heereboort van Leiden (1648), door hemzelven, zijne ongelukkige vrouw en zijnen zwager, die behoudt voorgoed de herinnering aan de bittere ellende, door de zeldzame ruwheid en walgelijke dronkenschap van dezen man over zijn huis gebracht. Maar, als wij alles te samen vatten, dan vertoont, in de beide eerste eeuwen der Republiek, het huwelijksleven zich, bij veel ruwheid, bij veel nog ongebreidelden hartstocht, toch onder de groote massa als een geordend en eerbaar samenleven van het gezin. Wij zullen daar zooaanstondsnog voller licht over laten vallen.
Als de 18deeeuw echter hare intrede heeft gedaan, rijzen er talrijke klachten over de ontheiliging des huwelijks, die wij als betrouwbaar moeten erkennen. Voor een deel is hier de invloed van eene weelde, die geen tegenwicht meer vond in vroegere robuuste kracht en energie, wat te erkennen nog iets anders is, dan de 18deeeuw, naar ouden trant, in haar geheel eene eeuw van verval te noemen, wat zij zeker niet was. Voor een ander deel zijn hier buitenlandsche invloeden, wat (wederom) te erkennen niet hetzelfde is, als alle zedenbederf uit het buitenland te laten indringen. Frankrijk gaf in sommige kringen den toon aan, maarvoor Engelsche invloeden was het 18de-eeuwsche vaderland ook bijzonder gevoelig. En in Frankrijk was het alsof alles tegen het huwelijk samenspande. „Il a contre lui les relâchements, les accommodements de la morale sociale, la liberté chaque jour plus grande des habitudes privées”. Aldus De Goncourt en aldus het getuigenis o. a. van de talrijke mémoires van het tijdperk. En deze voorbeelden vonden hier navolging, het werd mode. Justus van Effen, in het tweede kwart der eeuw, zegt terecht (in een van zijne vroegere, Fransche geschriften): „La politesse des manières, qui distingue si avantageusement l'Europe des autres parties du monde, a introduit comme une mode le mépris de l'amour conjugal. Dans nos villes capitales un homme, qui y tient quelque rang se croiroit deshonoré s'il ne préféroit pas aux caresses légitimes de la plus aimable femme la tendresse étudiée et artificielle de quelque salope dont tout le mérite est dans les jambes ou dans le gosier”. Hetzelfde verschijnsel, maar anders verklaard, omschrijft de vrijheer Knigge, wiens „Ueber den Umgang mit Menschen”, 1788, hier reeds het volgende jaar eene vertaling vond: „de schuld zal voorzeker bijna altijd aan de vrouw liggen, wanneer een man, die in andere opzichten geen slegt man is, den kus, welken hij van getrouwe, zuivere en warme lippen, op eene eerlijke wijze engemakkelijk in zijn huis zou kunnen ontvangen, met verwaarloozing van pligt en betamelijkheid bij vreemden haalt”.
Wie ten onzent meer geneigd waren om zich naar Engelsche mode te richten vonden gelijke toestanden. Het voorbeeld derGeorges(zoo meesterlijk doorThackeraygeteekend) deed veel kwaad, enHogarth'sstukken, die ons Engelsch huwelijksleven schilderen op zijn ergst, geven geene uitzonderingen. Ook moeten wij het schandelijk leven gedenken, dat aan vele kleine Duitsche hoven geleid werd, zeker ook van invloed ten onzent, toen wij in den loop der eeuw voor Duitsche letterkunde en Duitschen geest toegankelijker gingen worden, dan vroeger het geval was. Onze Spectatoren, al zijn zij als zedenmeesters ietwat eenzijdig, overtuigen ons toch, dat het kwaad niet gering was en de juffrouwen Wolff en Deken geven ons in hare romans de beelden van gelukkige huwelijken, als bedoelde tegenhangers tegen de vele bedorven echtvereenigingen harer dagen. Van haar is ook een woord als dit: „In ons altoos drok, woelig Amsterdam zelf schijnt het niet meer zeer zeldzaam te zijn, getrouwde mannen veel meer met hun maitressen, dan met hunne vrouwen te zien... klaagde gij mij onlangs zelf niet, dat gij in een balcon (van de komedie) gezeten had naast degemaintineerde van een getrouwd man, die zich niet schaamde haar te verzellen?” Dit alles drijft ons oordeel in de ongunstige richting. En uitspraken in dezen geest klinken van alle kanten. In eene verhandeling van Dirk van Hinloopen, 1793, lees ik (wel met den gewonen waan, dat oudtijds alles beter was, maar toch) weêr het zelfde: „Kuisheid bij jongelieden en getrouwheid aan den huwelijksband (waarop onze oude Batten en de voorige Nederlanders zoo met recht konden roemen) worden niet meer geacht”. Hoe voorzichtig echter wij bij voortduring moeten zijn, blijkt, als wij b.v. het ééne bericht door een ander kunnen controleeren. De patriotsche hoogleeraar Y. van Hamelsveld vertelt ons ergens: „In onze voornaamste koopsteden zijn huizen, in welken in eene kamer de pourtraiten van vrouwen, die zich ter omhelzing aanbieden, zijn opgehangen, uit welke men ééne naar welgevallen uitkiest. Hier zou het meer dan eens gebeurd zijn, dat de man zijn eigen vrouw ontmoette”. Dit werd gezegd 1790. Maar twee jaar later merktGrabnerop, een Duitsch officier, die ons land goed kende en onze boeken las: „..Van Hamelsveld vertelt wel, dat een Amsterdammer zijne vrouw in een bordeel vond, maar die geschiedenis heb ik wel 10 maal gehoord in 7 jaar. Dan is ze zeldzaam. In Londen, Parijs ofBerlijn had men ze in de eerste 8 dagen voor 10 andere gevallen vergeten”. Dat is niet onverstandig geredeneerd.
In de geschiedenis der predikkunde zijn de voorbeelden bekend van predikers, die het eerste gedeelte hunner leerrede altijd zetten in den toon van „o wee, o wee!”, maar bij het tweede gedeelte geregeld overgingen in dien van het „hoezee, hoezee!” Het zal den schijn wekken, alsof ik in de nog restende bladzijden van dit boekje dat laakbaar voorbeeld volg. Het is maar schijn. Want niet uit oppervlakkig optimisme, maar wezenlijk op grond, van wat de geschiedenis mij schijnt te leeren, houd ik mij overtuigd, dat in het huwelijksleven ten onzent als regel het goede het booze overtrof. Het kwaad, waarvan wij getuigen waren, is dat van bepaalde kringen. Landgenoot en vreemdeling bewijzen ons dat in tal van berichten, bevestigd door wat de geschiedenis van de maatschappij, de kunst, de wetenschap, de familie ons leert.De breede middellaag, wij zeiden hetreeds in ander verband, der natie biedt het schouwspel van zuiverder zeden, „die gelukkige middenstand”, zegt Betje Wolff in haar „Proeve over de opvoeding”, „waarvan ik welverzekerd ben, dat ik daar het grootste getal brave vrouwen en tederemoeders zal vinden”. Het is het schouwspel van het huiselijke, het ingetogene, schoon niet altijd bevallige. Dezelfde Van Effen van daareven getuigt ook: „Le mariage, qui ouvre la carrière de la galanterie aux Françoises la ferme d'ordinaire aux belles de ce pays. La mode n'a pas encore réussi à falsifier chez nous les idées de l'amour conjugal... Les maris et les femmes s'aiment bourgeoisement et de toute leur âme.. ce sont des baisers perpétuels... et si indiscrets qu'on les entendroit quand on ne les verroit pas.. Nos coeurs ressemblent assez à nos tourbes, ils brulent lentement et longtems.. Les femmes de Hollande n'ont pas assez de vanité pour polir les agrémens brutes qu'elles ont reçu de la nature, qui n'embellit jamais tout à fait et qui laisse toujours quelque chose à faire à l'industrie..” Dit werd geschreven 12 September 1718. Men ziet het: het burgerlijke, het rustige, het weinig romantische, maar het eerbare. Reeds de Engelsche gezantSir William Temple(1668.1672) had dien indruk van onze huisgezinnen, waar de vrouw het bestuur heeft, waaraan man en kinderen zich gaarne onderwerpen, waar het leven rustig, onbesproken voortvloeit. Gelijk uit diezelfde jaren, 1664, een ons overigens niet goed gezind Engelsch pamflettist getuigt van de mannen in Holland: „Chast and modest to their women,being strangers to the two formentors of lust, idleness and courtship; alwayes doing less then they speak and speaking less then they think”. Goed gezind was ons zeker ook nietOliver Goldsmith, maar zijn getuigenis (1759) is met dat al van waarde: „De Engelschen” (ik geef de vertaling van dr. Barnauw) „hebben hunne vrouwen lief met veel hartstocht, de Hollanders met omzichtigheid. De Engelschen geven met hun hand hun hart, de Hollanders geven hun hand, maar houden wijselijk hun hart achterwege. Er schijnt weinig verschil tusschen een Hollandschen bruidegom en den Hollandschen echtgenoot. Beiden kenmerken zich door een zelfde koele, niet te overrompelen kalmte. Zij verwachten Elysium noch Paradijs achter het bedgordijn en „Yiffrow” is zoomin eene godinne in den huwelijksnacht als na tien jaren huwelijksintimiteit”. Dit is boosaardig en wezenlijk onwaar. Maar het is hetzelfde verschijnsel, van het koele, het weinig bevallige, maar het hechte en solidene, dat uit de schampere woorden kan worden opgemaakt.
Ik geef ook nog een Franschman het woord,Diderot, ons beter gezind, maar de uitkomst is dezelfde. Hij dan schrijft (1773): „Presque toutes les femmes y(in Holland)étant sages, il y a peu d'hommes dérangés et de mauvais ménages. L'intérêt,le travail, l'amour du gain, l'assiduité aux affaires et le gout du commerce amortissent les passions; une femme m'a dit qu'il y avait beaucoup d'indolents, mais presque point d'amoureux. Le libertinage vague des hommes mariés est sévèrement puni”. Vriendelijk is dit ook niet, maar altijd hetzelfde beeld. Eindelijk, weder twintig jaren later (1792) een Duitscher, de reeds genoemdeGrabner: „De grond voor de echtelijke gelukzaligheid ligt in de Nederlanden in den welstand, gelukkig temperament, zacht gedrag der echtgenooten. De mannen laten den vrouwen het huisregiment, behandelen haar met teederheid. De vrouwen zijn zorgvuldig, van onbevlekte trouw en maken zich aan ijdele verspilling niet schuldig”. En dan laat hij volgen: „worin Sie eben so sehr durch ihr gemässigtes Temperament als die herrschenden Sitten unterstützt werden”. Hoe gelukkig hun echt is, blijkt wel uit hun zilveren en gouden bruiloften. Ik sluit de rij met weder een landgenoot, onzen raadpensionaris Schimmelpenninck, die, het was 1803, op een gezegde van Napoleon: „ik weet dat gij gelukkig getrouwd zijt”, antwoordde: „In dat opzicht doen wij ons best trouw te blijven aan onze bataafsche zeden”.
Ziethier een wolk van getuigen. Welnu, thans laten wij (om naast dit grovere nu ook aan het fijne enverhevene recht te doen) de geslachten der menschen langs ons geestesoog voorbijgaan, eene lange, lange rij, en telkens wordt onze liefderijke aandacht getrokken door wie in gelukkig huwelijk vergaard waren, ziel met ziel te zaam gesmolten door dat „krachtigste cement, dat harten bindt, waar muren breken tot puin in 't end”. De martelaarsbrieven der oude doopsgezinden uit de jaren 1535 tot 1570, geschreven in het aangezicht des doods (vergelijk bovenblz. 29), uit den kerker, gunnen ons een diepen blik te slaan in het geestelijk leven dezer „slachtschaapkens Christi”, hoe deze echtgenooten elkander liefhebben, door de scheiding op het pijnlijkst gekweld, elkander opbeuren en in het geloof opbouwen. Hoe zij elkander raad geven voor den tijd, dat zij er een van beiden niet meer zijn zullen, over de opvoeding der kinderen, over het weduwschap, waarbij soms van de zijde van den man zich de natuurlijke en menschelijke jaloezie openbaart in den wensch, dat de vrouw niet moge hertrouwen, hoe zij naar hun kinderen verlangen en telkens vragen b.v. „kus mijn lief Susanneke...” inderdaad, aan de edelste, echtelijke gevoelens zijn onze martelaarsboeken rijk! En hier is ten jare 1566, in hervormde kringen, te Souburg op Walcheren het echtpaar Adriaan de Decker en Petronella Pieters. De vrouwhad op drastische wijze een Maria-beeld beleedigd (door het met haren pantoffel te slaan) en moest daarom sterven. De man bleef haar trouw, wilde haar niet verlaten en zou met haar gehangen worden, zij echter het eerst, omdat zij het feit had gepleegd. Toen haar de strik om den hals werd gelegd, sloeg hij de oogen tot haar omhoog en zeide: „O, Nelle, waertoe hebst dij ons in onze oude daghen gebracht”. Enkele oogenblikken later was hij haar in den dood gevolgd.
Van trouwe huwelijksliefde bewaart aldus onze geschiedenis menig treffend voorbeeld, waarvan wij er onzen lezers nog een enkel in herinnering brengen. Het eerste is verbonden aan de Haarlemsche burgemeestersvrouw Brecht Engbertsdr. Proosten, die wel verdiend heeft, zegt Hooft (dien ik hier ga navertellen) haren naam uit het graf der vergetelheid te houden. Het was 1573, Haarlem overgegeven en uitgemoord, maar na den slag op de Zuiderzee bood de Spanjaard uitwisseling van gevangenen aan. Burgemeester Pieter Kies, Brechtjes man, op zijn eerewoord losgelaten,zoudaarover met Verdugo te Amsterdam gaan onderhandelen. Zijne vrouw vergezelde hem. Zij voeren in een open schuit, en bij de waterpoort schoten eenige soldaten, bij ongeluk of met opzet, op hen. Een kogel trof Brechtjein den arm en bleef in 't been steken. Zij, die haren man kende als dapper en oploopend, verbeet zich „zonder hagh oft wagh te zeggen” bevreesd, dat hij woedend worden en, zich aan den schutter vergrijpend, in zijn gewissen dood loopen zou. Eerst toen haar 't bloed bij de kleederen neêrliep, ontdekte haar man wat was geschied, stoof op, wilde aan land... maar toen was de schuit al ver genoeg.
Het tweede voorbeeld verplaatst ons naar 't slot Loevestein. Daar was in 1624 als gevangene binnengebracht Arnold Geesteranus, remonstrantsch predikant, omdat hij, tegen den wil der bovendrijvende partij, was voortgegaan met voor zijn vervolgde geloofsgenooten te prediken. Loevestein was vol, dus sloot men hem in een nauw en rookerig vertrek in een der torens. Nu was Arnold vroeger verloofd geweest met Susanna Oostdijk, uit eene deftige Brielsche familie, maar had haar heur woord teruggegeven, omdat hij haar niet aan zijn leven van zorgen en gevaren wilde binden. Zij van haren kant werd bovendien nog tegengehouden door de zorg voor eene ziekelijke moeder. Maar toen deze gestorven was en Susanna hoorde, dat Arnoldus levenslang op Loevestein gevangen zitten zou, aarzelde zij niet, snelde naar hem toe en bood hem aan, als zijne vrouw, zijn kerker met hem te deelen. De Statengaven toestemming, de geboden werden gelezen en de oude dominee Jodocus Geesteranus van Gorinchem, Arnolds vader, maar contra-remonstrant, zegende het huwelijk in. Velen hebben het geval bezongen, o. a. Tollens: