INHOUD.

Zoo de opium den wijzenGewenschte diensten doet,Een zakpistool en moedZijn hooger nog te prijzen.

Zoo de opium den wijzenGewenschte diensten doet,Een zakpistool en moedZijn hooger nog te prijzen.

En naar dit voorschrift schoot hij zich voor den kop, tot reden alleen deze gevende, dat zijn ziel zijn lichaam moede was, en dat men een huis verlaat, waarin men zich verveelt.

Lord Scarborough scheidde van het leven met dezelfde kalmte als van zijn bediening als Opper-Stalmeester. Men verweet hem in het Hoogerhuis, dat hij ’s Konings zijde voorstond, omdat hij eene hooge betrekking had ten hove. „Mijne Heeren,” zeide hij, „om u te toonen dat mijn politieke meeningen niet afhankelijk zijn van mijne bediening, zend ik onmiddellijk mijn ontslag in.” Iets later, moetende kiezen tusschen een minnares, die hij liefhad, en een andere, die trouwbeloften van hem had, maakte hij zich van kant om zich uit de verlegenheid te redden.

Niet zoo snel kwam Robeck tot dat besluit. Niet alleen overwoog hij de zaak, maar hij schreef zelfs een boek, dat heel dik, heel geleerd, heel droog en heel vervelend was en, daarin betoogd hebbende, dat de zelfmoord geoorloofd is, maakte hij van dat verlof voor zich zelven gebruik.

In December 1761 was een arme man hout gaan sprokkelen in Hydepark, toen hij een welgekleed heer zag, die met een zwaarmoedig gelaat de laan op en neder ging. De arme man, denkende dat het een Officier was, die hier een tweegevecht kwam houden, dook achter de struiken weg. Hij zag toen, hoe de onbekende een papier voor den dag haalde, dat hij met blijkbare ontroering las en toen verscheurde. Daarop haalde hij een pistool uit zijn zak, zette ze tegen zijn voorhoofd en trok den haan over. Het zwam ontbrandde; maar het schot ging niet af. Nu sprong de man uit zijn schuilhoek te voorschijn en ontrukte het moordgeweer aan den zelfmoordenaar, die, zijn degen trekkende, er zijn redder mede wilde doorsteken. „Stoot toe,” zeide deze, „ik ben evenmin bevreesd voor den dood als gij; maar ik heb meer moed.’t Is nu vijf-en-twintig jaren, dat ik in armoede en kommer leef; maar ik laat aan God de zorg over om een einde te maken aan mijn lijden.” De andere, over dit antwoord getroffen, bleef een oogenblik stokstijf staan, trok toen zijn beurs en gaf die aan den braven grijsaard, wien hij beloven deed, geene pogingen aan te wenden, om achter zijn naam te komen.

Het is buiten twijfel, dat die man het aan ’t rechte eind had, en zoo er wijsgeeren geweest zijn, die den zelfmoord op den straks aangevoerden grond verdedigden, anderen zeiden met recht, dat iemand die zich zelf niet heeft doen geboren worden, ook geen recht heeft zich te doen sterven, en dat niemand zijn post verlaten mag zonder last van dengene, die hem daarop gesteld heeft. Het toont meer ware geestkracht, zijn keten te slepen dan die te verbreken, en Regulus toonde meer waren moed dan Kato. ’t Is de flaauwhartigheid, niet de deugd, die iemand de slagen der fortuin in een graf doet ontwijken.

Terecht zei daarom Kleomenes, toen hij bezweek in den strijd, na vruchteloos den dood getart te hebben, tegen iemand, die hem aanspoorde zich zelven van kant te maken en de schande der neêrlaag niet te overleven: „Tot zulk een uiterste kan men altijd komen; doch niet zoolang er nog een zweem van hoop overblijft: te blijven leven is soms een daad van moed en volharding, en zal een zelfmoord loffelijk zijn, dan moet hij dienst doen aan het Vaderland.”

Niemand weet vooraf, ook in den grootsten tegenspoed, hoe de kans nog te zijnen voordeel kan keeren. Josefus, met zijn makkers in een spelonk verborgen, bleef alleen nog hoop voeden, toen al de anderen wanhooptenen elkander om ’t leven brachten. Hij volgde dat voorbeeld niet, en zag zich beloond doordat het lot hem voortaan gunstiger werd. Kassius en Brutus daarentegen deden de laatste overblijfselen der Romeinsche vrijheid te gronde gaan, door de overhaasting, waarmede zij, na een verloren veldslag, zich ontijdig van ’t leven beroofden. Montaigne vertelt dat de hertog van Enghien, ter gelegenheid van den slag bij Sérifolles, (in 1544), tot twee malen zich het staal op de borst zette, als wanhopende aan de uitkomst van den strijd, die hachelijk stond aan de zijde waar hij streed, en zich door te groote overhaasting bijna had verstoken van het genot der overwinning.

Er bestaat een onuitgegeven vertoog van Bilderdijk, over den zelfmoord, waarin hij beweert, dat het eigenlijk dwaas is over het al of niet geoorloofde daarvan te twisten, want dat niemand er ooit toe gekomen is, dan door een macht, waar hij vergeefs weêrstand aan zocht te bieden.

Antigonus, een zijner soldaten opgemerkt hebbende, die zich door buitengewone kloekmoedigheid onderscheidde, gelastte zijn geneesheeren hem te genezen van een langdurige en pijnlijke kwaal, waaraan hij lijdende was. Later, toen de genezing volbracht was, bespeurende, dat de man zich vrij wat minder wakker kweet dan te voren, liet hij hem komen, en vroeg, wie hem dus van een dapperen kerel in een bloodaard veranderd had. „Gij zelf, o Koning,” was het antwoord; „want gij hebt mij van een kwaal verlost, die mij het leven zonder waarde deed zijn.”

Verliefdheid.—Iemand, die recht verliefd is, is doorgaans tot alle handelingen in staat, die hem de gunst van ’t beminde voorwerp kunnen doen verwerven, en laatzich door zijn hartstocht even goed tot het volbrengen van de wakkerste daden als van de grootste buitensporigheden vervoeren. Brantôme vertelt, hoe de schoone Agnes Sorel, ’t niet kunnende verduren, dat Karel VII een lui en vroolijk leven leidde zonder zich over zijn land te bekommeren, naar hem toeging en hem zeide, dat een sterreziener haar in haar prilste jeugd voorspeld had, dat zij bemind zou worden door den dappersten en kloeksten Vorst van ’t Kristendom; toen haar ’s Konings liefde ten deel viel, had zij gemeend, dat hij de bedoelde persoon was, doch nu zag zij in, hoe zij zich bedrogen had, en dat die dappere Vorst niet Karel VII was, maar de Koning van Engeland, die hem zoo vele steden afnam,—en dat zij daarom den laatste zou gaan opzoeken. Deze verwijtende taal trof Karel VII zoozeer, dat hij, zijn vermaken vaarwel zeggende, zich geheel aan den oorlog wijdde en zoo wel zijn minnares als zijn koninkrijk behield.

Een andere vertelling, door denzelfden schrijver bewaard, toont nog sterker het vermogen aan, dat in zijn tijd de vrouwen op haar minnaars hadden. Een meisje had er een, die een groote babbelaar was, en lei hem een volstrekt stilzwijgen op, dat hij gedurende twee jaren zoo trouw bewaarde, dat ieder hem beschouwde als zijn spraakvermogen door ziekte verloren te hebben. Eens in een vol gezelschap, beroemde zijn minnares zich er op, dat zij hem met één woord genezen zou, ’t welk zij deed, door eenvoudig tot hem te zeggen: „Spreek.”

De liefde wordt met recht blind afgebeeld: immers waar zij eenmaal in iemands hart wortel heeft geschoten, doet zij hem of haar zoo wel de lichamelijke als de zielsgebreken van ’t beminde voorwerp over ’t hoofd zien.Men sprak tot een Koning van Persiën over de liefde van Leïla en Meynoum. De Koning liet dezen laatste tot zich komen, en vroeg hem of hij inderdaad zijn liefste zoo zeer beminde als men beweerde. „Men moet haar zien,” antwoordde Meynoum, „om te beseffen, hoe lief ik haar heb.”—De Koning ontbood haar en zag een mager en leelijk vrouwtje: „Hoe!” riep hij uit, „is dat nu het voorwerp eener zoo teedere min? De minste slavin uit mijn harem is schooner dan zij.”—„Oordeel dan, hoe lief ik haar heb,” zei Meynoum: „dewijl zij even schoon is in mijne oogen als leelijk in de uwe.”

Een vrouw werd door haar minnaar in de armen van zijn medevrijer verrast, en dorst niettemin het feit te loochenen. „Hoe nu!” zeide hij: „gij durft de onbeschaamdheid zoo verre drijven?”—„Ha, trouwelooze!” riep zij, zeker ook wel bewust, hoe de liefde blind maakt: „ik zie het wel, gij bemint mij niet meer; want gij gelooft uw oogen meer dan mij.”

Een meisje, dat drie maanden van haar minnaar gescheiden was geweest, ontmoette hem onverwachts op de wandeling. Niet minder verheugd dan zij, gaf hij zich aan de teederste verwelkoming over, toen er plotselings een regenbui opkwam. Dit hinderde den jonkman, die zich tegen de druppels zocht te beveiligen. „Hoe nu!” riep het meisje verontwaardigd uit, „gij zijt drie maanden afwezig geweest, gij bemint mij, gij ziet mij, en gij bemerkt dat het regent!”

Antiochus, zoon van Seleukus, Koning van Syriën, was doodelijk verliefd van zijn stiefmoeder Stratonice en dorst aan niemand het geheim van zijn hartstocht verklaren, dien hij niet in staat was te overwinnen. Hij besloot eindelijkzich ziek te houden en zich bij gebrek aan voedsel te laten sterven. De Geneesheer Erasistrates, tot hem gezonden, deed al zijn best om de oorzaak uit te vorschen van een kwaal, die zoo raadselachtig was, en bleef daarom geheele dagen in ’s Prinsen slaapsalet, al zijn bewegingen en blikken gade slaande. Ten leste merkte hij, welken indruk de tegenwoordigheid van Stratonice op den zieke te weeg bracht, hoe, als hij haar zag, zijn kleur verschoot, zijn stem heesch en zijn pols ongelijk werd, hoe een mat floers zijn oogen overdekte, zijn leden aan ’t beven sloegen en het koude zweet hem uitbrak. Dit was een lichtstraal voor den Arts, die, nu begrijpende, wat het eenig geneesmiddel kon zijn, dat hier baat zou brengen, zich ten taak stelde, den jongeling te redden, door hem aan dat middel te helpen. Hij begaf zich naar den Koning, en zeide: „Ik heb ontdekt waar uw zoon aan lijdt: hem kwelt een hevige liefde, maar die, helaas! onmogelijk voldoening kan vinden.”—„Hoe!” riep Seleukus, verbaasd: „en welke vrouw is er dan, die niet gevleid zou zijn met de liefde van den Prins, of zoo wreed om hem te versmaden?”—„Wat zal ik zeggen?” hernam de Geneesheer: „een vrouw moet in allen gevalle vrij zijn: en dat is hier het geval niet; want, om de waarheid te zeggen, de Prins is verliefd op mijne vrouw.”—„Op uwe vrouw!” herhaalde de Koning: „en zoudt gij, die zoo aan mijn huis gehecht zijt, dan weigeren hem die af te staan.”—„Hoor!” zei Erasistrates: „stel u in mijn geval: indien ’t op Stratonice was, dat hij zijn zinnen gezet had, zoudt gij dan genegen zijn, afstand van haar te doen om zijn minzieke gril te voldoen.”—„Gave het de Hemel!” riep Seleukus, „niet alleen Stratonice, mijnhalve Koninkrijk zou ik geven, om zulk een dierbaren zoon te redden.”—„Dan is de zaak in orde,” hervatte Erasistrates, „en het behoud van uw zoon hangt alleen van u af. Hij is verliefd op Stratonice, hij kwijnt, hij blaakt, hij sterft voor haar:—en het geneesmiddel is in uw macht.”—Seleukus aarzelde niet, en, zijn Rijksgrooten samengeroepen hebbende, gaf hij hun zijn voornemen te kennen om Antiochus tot Koning van het Aziatische Bovenrijk te maken en hem Stratonice tot vrouw te geven.

Rousseau, te Venetiën zijnde, legde een bezoek bij den Goeverneur van een jongen Engelschman af. ’t Was winter en zij zaten bij ’t vuur te praten. Juist kwam de post aan en de Goeverneur kreeg zijn brieven van huis, waarvan hij er een aan zijn kweekeling hardop voorlas. Rousseau, die geen Engelsch kende, verstond er niets van, maar zag met niet weinig verbazing, hoe de jongeling een paar fraaie kanten lubben, die hij droeg, heimelijk een voor een verscheurde en op ’t vuur smeet. Toen de brieven gelezen waren, wees Rousseau den Goeverneur de ontbloote polsen van zijn kweekeling, en vroeg hem, wat zulks beteekende. De Goeverneur, ziende wat geschied was, begon te lachen, knikte zijn kweekeling goedkeurend toe, en gaf, na diens toestemming verkregen te hebben, de navolgende verklaring van ’t voorgevallene. „De lubben,” zeide hij, „die Lord John verscheurd heeft, zijn een geschenk, hem onlangs door een Signora hier uit de stad gedaan. Nu is Lord John verloofd aan een Juffrouw bij ons te lande, die zijn liefde dubbel waardig is. Deze brief is van de moeder van zijn aanstaande en bevat de mededeeling, die aanleiding gegevenheeft tot hetgeen gij gezien hebt; zij luidt vertaald als volgt: „Lucy is nog altijd even hard bezig aan de manchetten voor Lord John. Gisteren namiddag was Betsy Holsam bij haar te bezoek en wilde met alle geweld haar helpen aan haar werk. Van morgen was Lucy veel vroeger dan gewoonlijk opgestaan, en toen ik wilde weten waarom, ontdekte ik dat het alleen was om weêr alles los te tornen wat Miss Betsy geborduurd had. Zij wilde niet, dat zich aan haar geschenk een enkele steek zou bevinden, die van een andere hand was dan de hare.””

Iemand zeide aan Zeno, dat het een wijsgeer niet betaamde, verliefd te wezen. „Indien dit zoo ware,” antwoordde Zeno, „dan zou ik de vrouwen beklagen, zij zouden zich dan met de liefde der domöoren moeten te vrede stellen.”

Verschil van opvatting.—Dionysius had aan Plato een kleed gezonden naar den Perzischen smaak, lang, met bloemen geborduurd en van fijne geuren doortrokken. Plato weigerde het, zeggende, dat hij, een man geboren zijnde, zich niet als in een vrouwejapon wilde steken. Aristippus daar-en-tegen nam het geschenk aan, zeggende, dat een vast gemoed in elk gewaad hetzelfde blijft.

Toen Dionysius dien zelfden Aristippus in ’t aangezicht gespogen had en zijn vrienden hem verweten, dat hij zich zulks niet aantrok, antwoordde hij: „De visschers laten zich wel van ’t hoofd tot de voeten door ’t zeeschuim bespatten om een ellendig bliekje te vangen.”

Diogenes was bezig kool schoon te maken, en zeide totAristippus, die voorbijging: „Indien gij u met kool wist tevreden te stellen, zoudt gij geen dwingeland het hof behoeven te maken.”—„En gij,” antwoordde Aristippus, „zoudt geen kool behoeven schoon te maken, indien gij met uw medemenschen wist om te gaan.”

Vleierij.—De Thraciërs, eenige weldaden willende vergelden, hun door Agezilaus bewezen, kwamen hem vertellen dat zij hem heilig verklaard hadden. „Waarlijk!” zeide hij, „heeft uwe Natie het vermogen, van wien zij wil, een God te maken? Eilieve! maakt dan een God van een uwer, en als ik zie dat ’t hem goed bekomen is, zal ik u dank weten voor uw beleefdheid.”

Vriendschap.—Eudamidas van Korinthe lag op sterven, en, wetende dat hij aan zijn moeder en aan zijn dochter niets naliet, maar tevens de harten zijner vrienden naar het zijne beoordeelende, maakte hij dit testament: „Ik vermaak aan Arethus het voorrecht om voor de voeding en het onderhoud mijner oude moeder te zorgen, en aan Charixenes dat om mijn dochter uit te huwelijken en haar een zoo ruimen bruidschat mogelijk mede te geven, en, mocht een van beiden komen te sterven, dan stel ik den anderen tot zijn plaatsvervanger voor dit gedeelte mijner erfmaking aan.”—De beide vrienden toonden zich het in hen gestelde vertrouwen ten volle waardig. Arethus nam de moeder van Eudamidas tot zich en behandelde haar als of het de zijne was, en Charixenes huwde des overledenen dochter op denzelfden dag als de zijne uit, aan elk een gelijk deel van zijn vermogen medegevende.

Een Magistraatspersoon te Parijs, van wien het jammer is dat Sedaïs in zijnDiscours sur les qualités qui constituent la beauté de l’âmeons den naam verzwegen heeft, verliest een vriend, die bij zijn dood niets nalaat dan schulden en twee onverzorgde kinderen. De nagebleven vriend verkoopt zijn huis, schaft zijn rijtuig af, gaat in de voorstad wonen, en komt van daar alle dagen, te voet, zijn ambtsplichten aan ’t gerechtshof vervullen. Straks is de laster aan ’t werk, men beschuldigt hem van gierigheid, van slecht gedrag, enz. Na twee jaren keert de man terug in de groote wereld: hij had een som van 20,000 pond gespaard, die hij nu ten voordeele der kinderen van wijlen zijn vriend plaatst.

De ware vriendschap boezemt niet dan edele gevoelens in. Kallisthenes van Olanthus, die Alexander den Groote had verzeld op zijn zegetochten, was van hoog verraad beschuldigd en op last van dien Vorst in een ijzeren kooi gesloten, die ’t leger volgde. Lyzimachus, een van Alexander’s veldoversten en de getrouwe vriend van Kallisthenes, liet niet na, hem te komen bezoeken. Herhaaldelijk smeekte hem de gevangene dit na te laten, en zich des Konings toorn niet op den hals te halen. „Ik heb,” voegde hij er bij, „genoeg aan mijn eigen leed, laat mij niet nog het verdriet hebben, van het uwe er bij te dragen.”—„Ik zal,” zei Lyzimachus, „alle dagen bij u komen. Indien de Koning zag, dat brave lieden u aan uw lot overlieten, hij zou geen berouw gevoelen over de behandeling, die hij u heeft aangedaan, en geloof slaan aan uwe schuld; hij moet het genoegen niet hebben, te zien, dat de vrees van in zijne ongenade te vallen, mij een vriend heeft doen verlaten.”

Op gelijke wijze antwoordde d’Aubigné aan Hendrik IV van Frankrijk, die hem verweet, dat hij den Heer de la Trémouille, wien ’t Hof ontzegd was, bezoeken bleef: „Sire! de la Trémouille is ongelukkig genoeg, nu hij uw gunst verloren heeft; en ik heb gemeend, hem niet te mogen verlaten op het tijdstip dat hij mijn vriendschap ’t meest behoeft.”

Voiture, een der vernuften, die onder Lodewijk XIII in Frankrijk bloeiden, had 200 pistolen met het spel verloren en kon ze niet betalen. „Ik heb,” schreef hij aan zijn vriend, den abt Costar, „onmiddellijk behoefte aan 200 pistolen; hebt gij ze, zoo zend ze mij, hebt gij ze niet, leen ze dan; ’t ga hoe ’t ga, gij moet ze mij bezorgen, en gij moogt niet gedoogen, dat een ander u deze schoone gelegenheid om mij te verplichten ontroove; het zou mij leed doen voor u, en, voor zoo verre ik u ken, zoudt gij er u moeielijk in kunnen troosten; verkoop dus liever wat gij hebt eer u zulk een ongeluk treffe. Gij ziet, welk een heerschzuchtig vriend ik ben: ik schep er vermaak in dus met u te handelen, en ik zou er nog een grooter gevoelen, indien gij ’t met mij deedt; maar gij zijt een bloodaard.—Ik zal aan den man, die mij ’t geld brengt, mijne schuldbekentenis meêgeven. Vaarwel.”—Costar antwoordde: „Het doet mij een onbeschrijfelijk genoegen, u den kleinen dienst te bewijzen, dien gij van mij vordert; ik had nooit gedacht dat men zulk een genoegen kon hebben voor 200 pistolen. Nu ik dat ondervind, beloof ik u altijd eene kleine kas ter uwer beschikking te zullen hebben, wend u dus tot mij zoo dikwerf gij ’t noodig acht; gij zult geen grooter vermaak hebben in ’t bevelen dan ik in ’t gehoorzamen. Niet te min,hoe onderworpen ook aan uwen wil, zal ik in opstand komen zoo dikwijls gij mij zoudt willen dwingen een schuldbekentenis van u aan te nemen.”

„Een vriend, die mij mijn feilen toont,Gestreng bestraft en nooit verschoont,Heeft op mijn hart een groot vermogen—”

„Een vriend, die mij mijn feilen toont,Gestreng bestraft en nooit verschoont,Heeft op mijn hart een groot vermogen—”

zei Van Alphen, en datzelfde gevoelde ook reeds in zijn tijd Filippus van Macedoniën. Bij gelegenheid van een verkoop van gevangenen, in een min voegelijke houding gezeten zijnde, werd hij daarvan door een hunner gewaarschuwd: „Stelt dien man in vrijheid,” zeide hij, „ik wist niet dat hij een vriend van mij was.”

De volgende edele vriendschapstrekken worden verhaald van den Engelschen geneesheer Mead, die in 1754 overleed. Zijn vriend Friend, die lijfarts was der Koningin, had in 1722, als Lid van ’t Parlement, zich heftig tegen het Ministerie verklaard. De Minister, hierover gebelgd, had hem van hoog verraad beticht en in den toren van Londen doen sluiten. Een half jaar later werd de Minister ziek en liet Mead halen, die, na zich omtrent den aard der ziekte te hebben vergewist, tot den zieke zeide, dat hij voor diens genezing instond, maar dat hij hem zelfs geen glas water zou voorschrijven, zoolang Friend in den kerker zat. De Minister aarzelde eerst hieraan te voldoen, doch na eenige dagen erger wordende, zorgde hij voor de in-vrijheid-stelling des gevangenen. Niet vroeger echter wilde Mead zijn taak bij den Minister aanvaarden, dan toen Friend aan de zijnen was teruggegeven en de aanklacht ingetrokken, waarna hij aan zijn vriend omstreeks 5000 guinjes bracht, die hij verdiendhad met het verplegen der patienten van den anderen, gedurende diens gevangenschap.

Weelde.—Zeleukus, de Wetgever der Lokriërs, dacht een geestig middel uit om zijn stadgenooten te genezen van de buitensporige weelde, waartoe zij vervallen waren. Hij vaardigde namelijk een bevelschrift uit, dat geen vrouw van vrije geboorte, als zij uitging, meer dan eene dienstmaagd mocht achter zich voeren, ten zij in geval zij dronken was: noch ook gouden vercierselen op haar lijf of een geborduurden tabbaard dragen, wat alleen aan vrouwen van slechten naam vergund werd: voorts dat geen man, behalve boeven en ruffianen, gouden ringen aan den vinger, noch gewaden van fijne Milezische stof mocht dragen.—Dewijl nu noch vrouw, noch man gerekend wenschte te worden tot de uitzonderingen te behooren, miste de verbodsbepaling haar uitwerking niet.

Woordhouden.—Sommigen beweeren, dat de dood ons ontslaat van alle verplichtingen; die leer is intusschen somtijds op zonderlinge wijze toegepast. Hendrik VII, Koning van Engeland, was met Koning Filips den Schoone overeengekomen, dat deze den Hertog van Suffolk, die tegen hem krijg gevoerd had en naar de Nederlanden geweken was, in zijne handen zou stellen, nemende hij, Hendrik VII, aan, dat hij gezegden Hertog het leven en de vrijheid laten zou;—doch bij zijn uitersten wil gelastte hij zijn zoon hem terstond na zijn dood te doen ombrengen.

Evenzeer een letterknecht, doch in edeler zin, toonde zich de Graaf van Egmond, toen hij, te gelijk gevangenen gevonnisd zijnde met den Graaf van Hoorne, die door hem, onder verzekering dat hem niets kwaads zou overkomen, naar Brussel was gelokt, met grooten aandrang verzocht, het eerst onthoofd te worden, opdat zijn dood hem de belofte kwijtschold, door hem aan Hoorne gedaan.—’t Komt mij intusschen voor, dat de dood den Koning van Engeland niet van zijn gegeven woord ontsloeg en dat Egmond daarvan ook buiten den dood ontslagen was. Niemand kan instaan dan voor hetgeen afhangt van zijn wil en van zijn macht; en welke verplichting Egmond ook jegens Hoorne had aangegaan, hij was daarvan ontslagen zoodra een sterker macht dan de zijne hem in de onmogelijkheid bracht die na te komen. Hendrik VII daar-en-tegen is er niet meer om te verschonen, dat hij ’t verbreken van zijn woord uitstelde tot zijn dood; of liever, hij verbrak het, nog levend zijnde, toen hij, bij zijn testament, den moord van Suffolk gelastte.

Zelfbedrog.—Even als sommige ouders het meeste zwak hebben voor diegenen onder hunne kinderen, die ziekelijk, mismaakt of stompzinnig zijn, en men schrijvers ziet, die bij voorkeur roem dragen op hun minst gelukkig geslaagde werken, schijnen in ’t algemeen de lieden eigenschappen, waar zij in uitmunten, gering te schatten om zich te verheffen op andere, waarin zij slechts breekebeenen zijn—vermoedelijk meenende op die wijze een nieuwe aanspraak op roem te verwerven bij die, welke zij reeds verworven hebben. Zoo gewaagt Plutarchus van Periander, die een treffelijk geneesheer was, doch zulks weinig scheen te tellen, en daar-en-tegenstofte op zijn verzen, die erbarmelijk slecht waren; ’t zelfde deed Dionysius de Oude, die als Veldheer groote verdiensten had, doch zich meer liet voorstaan op zijn dichterlijke gaven, die niets beteekenden. Cezar geeft zich in zijne Gedenkschriften ontzaglijk veel moeite om zijn bekwaamheid als krijgsbouwkundige op den voorgrond te stellen, breedvoerig uitweidende over de verschansingen, die hij opgeworpen, over de bruggen, die hij gebouwd heeft, terwijl hij daar-en-tegen zeer kort is waar hij van zijn wapenfeiten gewaagt. Zeker oordeelde hij, dat zijn naam als uitnemend Veldheer genoegzaam was gevestigd, en het er nu op aankwam, den lezer ook zijn verdiensten als ingenieur te doen opmerken. De Prins van Kaunitz, die onder Keizerin Maria Therezia en haar beide opvolgers als eerste Staatsdienaar zich een grooten roem verwierf en de „koetsier van Europa” werd bijgenaamd, pochte in het laatst van zijn leven op zijn voortreffelijke rijkunst; ofschoon hij niet dan met moeite op zijn paard geholpen kon worden en niet verder reed dan zijn eigen manege rond; en ik herinner mij een Rechtsgeleerde, die, een openbare boekerij bezoekende, vol werken over zijn vak, daar geen acht op sloeg, maar op den toon van een deskundige den verkeerden samenstel ging berispen van een wenteltrap, die er heen geleidde en die toch het werk was van een beroemd Architect.

Zelfverloochening.—Er is misschien geen daad, die moeilijker valt, dan den lof, dien men zelf behalen kon, op te offeren ten einde de eer of goeden naam van anderen te bevorderen.—Zoo handelde Lelius, die zich als luitenant van Scipio in diens veldtochtensteeds met zooveel beleid en wakkerheid gekweten had, dat, naar veler gevoelen, hem de voornaamste eer toekwam van de behaalde overwinningen, doch die steeds allen lof deswegen afwees, beweerende nooit anders geweest te zijn dan de uitvoerder van Scipio’s bevelen.

Toen Karel V in 1537 besloten had, Provence binnen te trekken, raadde Antonio de Leyva, hoezeer van oordeel zijnde, dat die tocht zijn meester tot groote eer verstrekken zou, hem dien ten sterkste af, en dat met geene andere bedoeling, dan dat de Keizer, de onderneming tot een gelukkig einde gebracht hebbende, er te grooter lof door zou inoogsten, als men wist, dat hij die tegen het gevoelen zijner raadslieden begonnen had.

Toen de Thracische Gezanten Achilonide, moeder van Brazidas, over den dood van haar zoon kwamen troosten, en onder andere loftuitingen beweerden, dat hij zijns gelijke niet had, wees zij die lofspraak af, zeggende: „Zoekt mij zoo iets niet te doen gelooven, ik weet dat Sparta vele burgers bezit, grooter en dapperder dan hij was.”

Toen men Theopompus, Koning van Sparta, prees, dat alles zoo goed ging onder zijn regeering en dat zulks alleen daar van daan kwam, dat hij zich zoo goed wist te doen gehoorzamen, antwoordde hij: „Daar ligt het niet aan, maar daaraan, dat het volk zoo goed weet te gehoorzamen.”

Opmerkingen van de bewerker:Het portret van de auteur in de beschikbare scan was van slechte kwaliteit; het identieke portret in deze e-tekst is overgenomen van dbnl.org.Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarop ze betrekking hebben.De inconsequenties en het taalgebruik van het originele werk zijn zoveel mogelijk behouden. Enkele overduidelijke zetfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Belangrijker correcties:blz. 11:gespokenveranderd ingesproken;blz. 20:ommachtveranderd inonmacht;blz. 23:plotslingveranderd inplotselingzoals elders;blz. 26:'t huisveranderd int' huis;blz. 31:Epamimondasveranderd inEpaminondas;blz. 43:daaraanveranderd indaarna;blz. 52:soldaadveranderd insoldaatzoals elders;blz. 54:'s Landveranderd in's Lands;blz. 58:Ihoasveranderd inThoas;blz. 64:Cesarveranderd inCezarzoals elders;blz. 79:Aarthertogveranderd inAartshertog;blz. 111:voltrektveranderd involstrekt;blz. 112:Seleuktesveranderd inSeleukeszoals elders;Inhoudsopgave: verschillende bladzijdenummers gecorrigeerd.

Opmerkingen van de bewerker:

Het portret van de auteur in de beschikbare scan was van slechte kwaliteit; het identieke portret in deze e-tekst is overgenomen van dbnl.org.

Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarop ze betrekking hebben.

De inconsequenties en het taalgebruik van het originele werk zijn zoveel mogelijk behouden. Enkele overduidelijke zetfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Belangrijker correcties:


Back to IndexNext