The Project Gutenberg eBook ofVerspreide Opstellen, II

The Project Gutenberg eBook ofVerspreide Opstellen, IIThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Verspreide Opstellen, IIAuthor: Jan LigthartRelease date: December 24, 2011 [eBook #38397]Most recently updated: January 8, 2021Language: DutchCredits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttps://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VERSPREIDE OPSTELLEN, II ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Verspreide Opstellen, IIAuthor: Jan LigthartRelease date: December 24, 2011 [eBook #38397]Most recently updated: January 8, 2021Language: DutchCredits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttps://www.pgdp.net

Title: Verspreide Opstellen, II

Author: Jan Ligthart

Author: Jan Ligthart

Release date: December 24, 2011 [eBook #38397]Most recently updated: January 8, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttps://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VERSPREIDE OPSTELLEN, II ***

Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met of zonder trema of koppelteken) zijn behouden.Van de illustratie is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.Het eerste deel van Verspreide Opstellen is beschikbaar viaProject Gutenberg (e-boek no. 38396).Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met of zonder trema of koppelteken) zijn behouden.

Van de illustratie is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

Het eerste deel van Verspreide Opstellen is beschikbaar viaProject Gutenberg (e-boek no. 38396).

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

VERSPREIDE OPSTELLENVANJAN LIGTHART.II.UITGEGEVEN VOOR HET LIGTHART-COMITÉ DOORJ. B. WOLTERS' U.M.—GRONINGEN, DEN HAAG, 1917.

VAN

JAN LIGTHART.

II.

UITGEGEVEN VOOR HET LIGTHART-COMITÉ DOORJ. B. WOLTERS' U.M.—GRONINGEN, DEN HAAG, 1917.

In deze serie zijn verschenen:JAN LIGTHART,Verspreide Opstellen, I2e dr.ƒ 0,70JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, II- 0,70JAN LIGTHART, In Zweden2e dr.- 0,95en zullen in den loop van 1918 of 1919 verschijnen:JAN LIGTHART, Over Opvoeding, I.JAN LIGTHART, Over Opvoeding, II.JAN LIGTHART,Jeugdherinneringen.

In deze serie zijn verschenen:

en zullen in den loop van 1918 of 1919 verschijnen:

TER INLEIDING.Is er een wezenlik verschil tussen kinderen en volwassenen? Of ligt niet, wat bij de laatsten meer samengesteld verborgen en ineengestrengeld is, open en bloot bij het kind, zodat het zich in meer duidelike en sprekende trekken vertoont. Het kind is de jonge mens en menselike aandriften en neigingen openbaren zich in zijn daden en vinden in zijn woorden uitweg. De kenner van het kind wordt zo mensenkenner. Gelijk een leerling, die in zijn natuurkundeboek in enkele trekken een werktuig getekend ziet en door het schetsmatige zijn aandacht leert te bepalen bij de hoofdzaken, zo doorziet men in het kind de hoofdlijnen van het gebouw der menselike ziel. De kindervriend ontwikkelt zich tot mensenvriend, de kinderkenner tot mensenkenner.Bij Jan Ligthart is deze overgang duidelik merkbaar, en zij komt uit in het werk, dat mevrouw Ligthart in deze bundel heeft verzameld, en, dat naast enkele stukken uitSchool en Levenook enige bevat, die als hoofdartikel zijn verschenen inHet Nieuws van den Dagmet de ondertekening: Mr. Jan. Hij was in die stukken opvoeder van mensen.Wat had Jan Ligthart toch tot opvoeder gemaakt? Zeker, hij was kwekeling geweest aan een Amsterdamse school en had aan de z.g.n. stadslessen zijn opleiding tot onderwijzer ontvangen. Hij had dus wel wat over opvoedinggehoord en gelezen, ook later, toen hij voor de hoofdakte studeerde. Maar dat weten maakte hem toch geen opvoeder, kon niet het hart vormen, dat hem sierde.Wat hij had aan mensen- en levenskennis, had hij allereerst doorzelfervaring. Deze wijze man was een kwajongen geweest, die speelde en stoeide in Amsterdams straten, en genoot van de dwaasheid der jeugd, en die, onder moeilike levensomstandigheden—(een heel brave, maar niet sterke vader kon het gezin niet op zijn maatschappelike hoogte houden en alle zorg niet weren)—welke hem niet verborgen bleven, toch het paradijs der kindsheid niet uitgedreven werd. Hij was een opgeschoten jongen geworden met verliefde en dichterlike stemmingen, peinzend over God en wereld. Hij kwam in de school, hij vond vrienden en liefde, maar verloor zijn levensbeschouwing en vast Godsgeloof, dat onderzocht werd met crities verstand. Hij werd schoolhoofd, man, vader, en het geluk klopte aan zijn deur: drie kinderen werden hem geschonken, in zijn arbeid vond hij zijn vreugde, in anderen helpen zijn zegen.Maar ook hier viel de schaduw in het licht. Hij treurde om maatschappelike kwalen en gebreken: hij was verenigingsman en maatschappelik strijder; alle bewegingen, wier roepstem hij tekent op pagina115en116,—sociale werkzaamheid, vrouwenbeweging, geheelonthouding, rein leven, dierenbescherming en vegetarisme—hadden zijn sympathie, en bij hem was sympathie steeds daad en zelfgevend offer. Zijn hart kromp onder onrecht, onrecht, der natuur van het kind aangedaan in domme of liefdeloze onderwijsinstellingen, in de grotemaatschappij in telkens nieuwe vorm bedreven. Zo was voor hem het leven naast genietend arbeiden strijdend worstelen.Hij hield lezingen, schreef met Scheepstra en anderen, leesboeken voor de kinderen, opvoedkundige artikelen voor hun ouders en meesters. Hij oogstte daarmee vriendelikheid, zelfs roem, in binnen- en buitenland. Twee maal deed hij een reis naar het Noorden, om er voordrachten te houden, de Koningin raadpleegde hem over de opvoeding harer dochter. Maar naast al die waardering had hij de spot te verduren van wie hem niet konden begrijpen, de onverdraagzaamheid der naijverigen, de verdraaiing van woord en gedachte door onnadenkende vluchtigheid of lasterzieke achterklap.Beurtelings had hij de vrucht en de mislukking van zijn arbeid gezien en had hij arbeidende geleerd, dat wij ons moeten beperken.De rust in maanden, dat ook hij „overrekt” scheen, schonk de gelegenheid, diep te beseffen, dat wij ons geluk moeten bouwen op andere dan uitwendige factoren.Zo was voor hem, die zo eerlik tegenover zich zelf stond, en niet alleen de verantwoordelikheid voor zijn woorden en daden, maar ook voor zijn neigingen en begeerten gevoelde, het leven zelf de school des levens geworden. Hij verstond de wereld en de andere mensen, omdat hij zichzelf verstond. En dat innerlike verstaan maakte hem allereerst tot opvoeder. Achter al dit werk schuilt, meer dan achter enige tot nu verschenen bundel des schrijvers persoonlike ervaring. Het is een bundel van zelfopenbaring, ook—van zelfopenbaring in het goede. Maar dat was de auteur zich niet, wij zijn 't ons wel bewust.Ligthart was—en dit was de twede factor, die hem opvoeder maakte—een zeldzaam goed mens. Er was een ongewone vereniging in hem van moed en zachtmoedigheid, van waarheidszin en tedere mensenliefde, van volhardende trouw en spontane ontvankelikheid voor frisse indrukken, van idealen, van optimisme en gezonde zakelikheid. Zijn moed kwam uit, als hij optrad tegen onrecht. Als jong onderwijzer bezocht hij een cursus voor de hoofdakte. Terwey, de taalleraar, kon geen rook verdragen en dus was 't roken verboden in de lokalen. Als het tóch gebeurde, kwam de concierge het verbieden. Op een keer werd de man met spot ontvangen. Toen barstte de zwakke Ligthart in verontwaardiging los en hij verweet ze allen, dat zíj, die gehoorzaamheid eisten van hun kinderen, een man hoonden, die zijn plicht deed en dat zij zelf nóch konden gehoorzamen, nóch een offer konden brengen voor hun leermeester.—Daar was een man, die dong naar een betrekking en Ligthart's voorspraak vroeg. Ik acht je geschikt, was het antwoord, maar ik acht een ander meer geschikt, en vind, dat die er meer recht op heeft. Zo was zijn woord en waarheidsliefde, steeds onbezweken in al de duizend kleine voorvallen van het leven, waarin ze geëist worden, en dikwijls moeiliker zijn te volbrengen dan bij een grote gebeurtenis. Hij was tevens zo zacht en teer. Had iemand misdreven, dan kon hij zo'n innig medelijden hebben. Hij keurde altijd de zonde af, de zondaar had hij altijd nog lief.Blijvend.En dat vind ik het grootste, het meest wonderbaarlike in Ligthart. Wij, zijn vrienden, hadden de volstrekte overtuiging, dat hij ons nooit zou laten schieten. Men bouwde op hem. Men zou hem, methet oog op zijn gezondheid, soms sparen, maar nimmer kon de gedachte zelfs post vatten, dat hij wel eens niet zou willen helpen, dat het hem te lastig zou worden, dat hij, in afkeer van bedreven kwaad, zich zou afwenden van de mens. Ten opzichte van zijn vriendentrouw en blijvende liefde had men het gevoel, dat men anders alleen tegenover zijn moeder heeft. En die trouw was geen sleur, was niet ontstaan uit een temperament, dat hecht aan het oude—alleen omdat het oud is. Integendeel. Ligthart was steeds open voor nieuwe dingen, bezig met nieuwe plannen voor nieuwe scholen en boeken, nieuwe kennissen en vrienden makend, door nieuwe studies zijn inzichten verrijkend. Met blijde vreugde nam hij dat nieuwe op, verwerkte het, paste het aan bij zijn kennis en zijn onderwijs. Toen hij warm was geworden voor de zaak der zending, moest hij er van verhalen, moest hij anderen opwekken, om er ook in de school van te verhalen. Toen hij het Christendom opnieuw ontdekte en veroverde—Christendom als liefdebetonende macht en niet als enig uiterlikstelsel,—moest hij ook daar van spreken.Van nog een derde combinatie sprak ik: idealisme, optimisme en gezonde zakelikheid. Ligthart hoopte en geloofde. Hij vertrouwde op het goede in de mens en hij wist het op te wekken. Tegenover zijn mildheid kon de gierige niet vrekkig blijven; waar hij hartelik was en zich gaf, kon de deftige zijn afstand niet zo bewaren, als hij gewoonlik deed. Waar hij met de kinderen joelde en jubelde en stoeide, waar hij kind was onder en met de kinderen, daar stak zijn geest anderen aan. Waar hij tijd, moeite, geduld over had, waar hij vergaf en vergat—deze man konwerkelik totáál vergeten, dat men iets kwaads tegen hem gedaan had—daar kon men zelf niet nalaten, iets van het zijne te geven, toorn en wrok als onedel te voelen.Maar dit idealisme was nuchter en zakelik.Allereerst kende hij de menselike natuur in zijn zwakheden, in zijn verdorvenheid.Hij zag ook de rechte verhoudingen. Hij wilde, dat men zich binnen de grenzen van zijn kracht, zijn kennen en kunnen zou houden: te ver reiken brengt mislukking, en smart, voor ons zelven en anderen. Hij genas, niet door mystieke voorschriften, door diepe redenering, maar door liefdevol meevoelen en practiese raad. Hij gaf zijn adviezen met het oog op het werkelike leven. Zelf een onbaatzuchtig man, die eigenlik totaal niet aan geld hechtte, dan om er goed mede te kunnen doen, pleitte hij altijd voor behoorlike levensvoorwaarden der onderwijzers. Vroegen rijke ouders hem, iemand aan te wijzen, die hun kind les zou kunnen geven, dan deed hij dit graag, maar bepaalde meteen, dat zij hun liefde voor hun kind en hun waardering van 't onderwijs zouden uitdrukken in een ruime schadeloosstelling. Graag het goede prijzend en waarderend, ontgingen hem geen fouten, en hij had een aardige manier, om iemand er aan te herinneren. Voor mijn correspondentie met hem maakte ik bijv. gebruik van briefkaarten met zijn adres er op gedrukt (in onsmakelike grove letters had een drukker mij die geleverd). Toen op een keer mijn handschrift al te onduidelik was geworden, zelfs voor zijn geduldig lezen, schreef hij mij, dat ik met mijn grote letters meer eerbied had voor de ogen van de post dan voor de zijne. Hijzelf zou trouwens de keuze derletter niet aan den drukker overgelaten hebben. Hij was verliefd op nauwkeurigheid. Elke kleinigheid had zijn belangstelling: wat hij deed, deed hij goed. Voor alles zette hij zich, gaf hij zich moeite. Een gewone felicitatie bij geboorte, huwelik, examen, wist hij toch altijd nog een persoonlik cachet te geven. Een voorbeeld. Toen Mr. J. Limburg in 's Gravenhage bij de Kamerverkiezing viel tegen den heer Ter Laan, maar daarna in Friesland werd herkozen, telegrafeerde hij een vierregelig vers, waarin o.a.:Zuid-Holland werpt hem uit, door al te links bewegen,Maar Friesland vangt hem op....Hij hield van een woordspel.—Zo wist hij een zekere bekoorlikheid bij te zetten aan zijn practiese wenken, wist zijn diepe ernst door een goede dosis humor vriendelik te tinten.Zo was Ligthart een goed, een zeldzaam mens, en, zich zelf van zijn bizondere waarde niet bewust, gaf hij in zijn zelfopenbaringen zoveel heerliks te aanschouwen, dat hij ook daardoor een opvoeder werd.Gegeven eenmaal zijn aanleg, maakte de levenservaring omtrent anderen opgedaan, hem tot zielszorger. Als men tot hem kwam om raad te vragen over de opvoeding van een kind, dan ontdekte hij al spoedig dat vele oorzaken van moeiten niet in het kind, maar bij de ouders lagen. Dan moest hij de ouders er wel opmerkzaam op maken, dat hun angst het kind onrustig maakte, hun ongeduldig voorwaarts dringen meer eiste, dan het kind geven kon, hun slappe wil en weke toegeeflikheid ongehoorzaamheid enbrutaliteit als uitlokte en opriep. Dan kreeg hij belijdenissen, die hem een diepe blik deden slaan in de zielsnoden en het levensleed van zo menig mens. Achter schijnbare kalmte, deftige redeneringen, gewichtig en groot doen, vond hij hongerende zielen, onrustige geesten. Hij trachtte ze tot evenwicht te brengen, door ze op hun werk en hun plicht te wijzen, door ze met gezonde zin de zakelike noodwendigheden van 't leven onder 't oog te brengen. Ligtharts troost in dergelijke gevallen was een strenge, en daarom een louterende troost. Hij verbloemde de ellenden van 't leven noch gaf hoop op een smarteloze toekomst. Hij wilde, dat de wereld en zijn moeite in ons eigen innerlik overwonnen zouden worden, dat wij, boven de dingen staand, door hen ongedeerd zouden verder leven.Niet de moeilikheden ontvluchten, ze overwinnen in volhardende arbeid, dat was zijn leuze, en daarmee bemoedigde hij en sterkte hij.Ligthart was dus ook opvoeder, raadsman, leidsman van volwassenen. Hij was het door recht van geboorte en usantie: het leven had zijn aanleg in deze richting ontwikkeld. Al vroeg, door hem een vader te schenken van sterke, zedelike beginselen, die als natuurlike vanzelfsprekendheid leefden in het gezin Ligthart, maar anderen, de schoondochters bijv. dadelik opvielen als iets bijzonder achtenswaards. Zijn moeder was de zon van zijn leven: met onbegrensde verering hing hij aan haar en zij zat portret voor het beeld der moeder, dat hij hier schetst als ideaal der vrouw.—Versterkt werd zijn aanleg door het levendige opvoedkundige denken, dat in Den Haag heerst:bij de stichting der meeste scholen, die iets nieuws probeerden in Den Haag, was hij meer of minder betrokken als bestuurslid of adviseur.Maar Ligthart mocht ook opvoeder zijn doordroit de conquête: hij had zijn roem veroverd.Hij had met een zwak gestel en met een beperkte tijd, waarover anderen ook nog ruimschoots beschikten, zo heel veel tot stand gebracht, en hij, die in zijn jeugd zo zwak was, dat zijn familie vreesde, dat hij niet volwassen zou worden, dat hij als jong onderwijzer niet in een stuk van zijn huis naar school kon wandelen, doch onderweg moest rusten, wist toch nog zo wijs met zijn kracht om te gaan, dat hij 56 jaar werd.Hij was een levenskunstenaar. Hij wist zijn tijd te verdelen, hij wist arbeid en rust af te wisselen, hij wist te remmen, als 't nodig was. Hij was een virtuoos in de arbeid door deze beginselen toe te passen: alles dadelik zo goed mogelik te doen en niet te doen, wat niet in zijn aard lag. Plichtsgetrouwheid, arbeidsvreugd en bescheidenheid, bescheidenheid ook hierin, dat hij steeds medewerkers zocht: dat gaf hem de rust, dat het werk toch gedaan werd, als de kracht hem ontzinken kon.Welaan, deze man mocht inSchool en Leven, inHet Nieuws van den Dagspreken tot duizenden en tienduizenden, optreden als wijsheidsleraar. Wat hij verkondigde, had hij zelf in het leven geleerd en toegepast.Dikwijls, als ik iemand spreek, die over een ander schreef of sprak, hoor ik, in persoonlik gesprek, minder prettige dingen, „maar die zeg of schrijf je zo niet”. Ikstel er prijs op, te zeggen, dat het beeld, dat ik van de mens Ligthart ontwierp als inleiding tot deze bundel, zeer onvolledig en schetsmatig is, maar alleen in deze zin, dat mijn woorden mij vaal en grijs schijnen bij de heerlikheid van den man, die ik vijftien jaren gekend heb in allerlei betrekkingen en die ik nooit ontmoette zonder zijn diepe invloed te ondergaan. Het is mij een weemoedig en tot dankbaarheid stemmend voorrecht, deze bundel van mijn vereerde vaderlike vriend bij ons publiek in te leiden: mogen zij hem ter hand nemen met de gedachte, dat hier een mens tot hen spreekt, een ziel.Het is Pinksteren en er was iets van Pinkstergloed in Ligthart. Vertolken wilde hij goddelik en christelik leven. Is dat nieuw? Neen, hij beweerde het niet. Misschien ging het hem als de apostel, die zeide, dat hij „dezelfde dingen” had te zeggen. Maar Ligthart bracht ze tot zijn volk en zijn tijd in zodanige vorm en zo bezield met zijn eigen persoonlikheid, dat het eeuwig menselike hier verschenen in een tijdelike concrete omlijning, die het stempelde tot eigen, fris enoorspronkelikwerk.'s Graveland, Pinksteren 1917.R. C.

Is er een wezenlik verschil tussen kinderen en volwassenen? Of ligt niet, wat bij de laatsten meer samengesteld verborgen en ineengestrengeld is, open en bloot bij het kind, zodat het zich in meer duidelike en sprekende trekken vertoont. Het kind is de jonge mens en menselike aandriften en neigingen openbaren zich in zijn daden en vinden in zijn woorden uitweg. De kenner van het kind wordt zo mensenkenner. Gelijk een leerling, die in zijn natuurkundeboek in enkele trekken een werktuig getekend ziet en door het schetsmatige zijn aandacht leert te bepalen bij de hoofdzaken, zo doorziet men in het kind de hoofdlijnen van het gebouw der menselike ziel. De kindervriend ontwikkelt zich tot mensenvriend, de kinderkenner tot mensenkenner.

Bij Jan Ligthart is deze overgang duidelik merkbaar, en zij komt uit in het werk, dat mevrouw Ligthart in deze bundel heeft verzameld, en, dat naast enkele stukken uitSchool en Levenook enige bevat, die als hoofdartikel zijn verschenen inHet Nieuws van den Dagmet de ondertekening: Mr. Jan. Hij was in die stukken opvoeder van mensen.

Wat had Jan Ligthart toch tot opvoeder gemaakt? Zeker, hij was kwekeling geweest aan een Amsterdamse school en had aan de z.g.n. stadslessen zijn opleiding tot onderwijzer ontvangen. Hij had dus wel wat over opvoedinggehoord en gelezen, ook later, toen hij voor de hoofdakte studeerde. Maar dat weten maakte hem toch geen opvoeder, kon niet het hart vormen, dat hem sierde.

Wat hij had aan mensen- en levenskennis, had hij allereerst doorzelfervaring. Deze wijze man was een kwajongen geweest, die speelde en stoeide in Amsterdams straten, en genoot van de dwaasheid der jeugd, en die, onder moeilike levensomstandigheden—(een heel brave, maar niet sterke vader kon het gezin niet op zijn maatschappelike hoogte houden en alle zorg niet weren)—welke hem niet verborgen bleven, toch het paradijs der kindsheid niet uitgedreven werd. Hij was een opgeschoten jongen geworden met verliefde en dichterlike stemmingen, peinzend over God en wereld. Hij kwam in de school, hij vond vrienden en liefde, maar verloor zijn levensbeschouwing en vast Godsgeloof, dat onderzocht werd met crities verstand. Hij werd schoolhoofd, man, vader, en het geluk klopte aan zijn deur: drie kinderen werden hem geschonken, in zijn arbeid vond hij zijn vreugde, in anderen helpen zijn zegen.

Maar ook hier viel de schaduw in het licht. Hij treurde om maatschappelike kwalen en gebreken: hij was verenigingsman en maatschappelik strijder; alle bewegingen, wier roepstem hij tekent op pagina115en116,—sociale werkzaamheid, vrouwenbeweging, geheelonthouding, rein leven, dierenbescherming en vegetarisme—hadden zijn sympathie, en bij hem was sympathie steeds daad en zelfgevend offer. Zijn hart kromp onder onrecht, onrecht, der natuur van het kind aangedaan in domme of liefdeloze onderwijsinstellingen, in de grotemaatschappij in telkens nieuwe vorm bedreven. Zo was voor hem het leven naast genietend arbeiden strijdend worstelen.

Hij hield lezingen, schreef met Scheepstra en anderen, leesboeken voor de kinderen, opvoedkundige artikelen voor hun ouders en meesters. Hij oogstte daarmee vriendelikheid, zelfs roem, in binnen- en buitenland. Twee maal deed hij een reis naar het Noorden, om er voordrachten te houden, de Koningin raadpleegde hem over de opvoeding harer dochter. Maar naast al die waardering had hij de spot te verduren van wie hem niet konden begrijpen, de onverdraagzaamheid der naijverigen, de verdraaiing van woord en gedachte door onnadenkende vluchtigheid of lasterzieke achterklap.

Beurtelings had hij de vrucht en de mislukking van zijn arbeid gezien en had hij arbeidende geleerd, dat wij ons moeten beperken.De rust in maanden, dat ook hij „overrekt” scheen, schonk de gelegenheid, diep te beseffen, dat wij ons geluk moeten bouwen op andere dan uitwendige factoren.

Zo was voor hem, die zo eerlik tegenover zich zelf stond, en niet alleen de verantwoordelikheid voor zijn woorden en daden, maar ook voor zijn neigingen en begeerten gevoelde, het leven zelf de school des levens geworden. Hij verstond de wereld en de andere mensen, omdat hij zichzelf verstond. En dat innerlike verstaan maakte hem allereerst tot opvoeder. Achter al dit werk schuilt, meer dan achter enige tot nu verschenen bundel des schrijvers persoonlike ervaring. Het is een bundel van zelfopenbaring, ook—van zelfopenbaring in het goede. Maar dat was de auteur zich niet, wij zijn 't ons wel bewust.

Ligthart was—en dit was de twede factor, die hem opvoeder maakte—een zeldzaam goed mens. Er was een ongewone vereniging in hem van moed en zachtmoedigheid, van waarheidszin en tedere mensenliefde, van volhardende trouw en spontane ontvankelikheid voor frisse indrukken, van idealen, van optimisme en gezonde zakelikheid. Zijn moed kwam uit, als hij optrad tegen onrecht. Als jong onderwijzer bezocht hij een cursus voor de hoofdakte. Terwey, de taalleraar, kon geen rook verdragen en dus was 't roken verboden in de lokalen. Als het tóch gebeurde, kwam de concierge het verbieden. Op een keer werd de man met spot ontvangen. Toen barstte de zwakke Ligthart in verontwaardiging los en hij verweet ze allen, dat zíj, die gehoorzaamheid eisten van hun kinderen, een man hoonden, die zijn plicht deed en dat zij zelf nóch konden gehoorzamen, nóch een offer konden brengen voor hun leermeester.—Daar was een man, die dong naar een betrekking en Ligthart's voorspraak vroeg. Ik acht je geschikt, was het antwoord, maar ik acht een ander meer geschikt, en vind, dat die er meer recht op heeft. Zo was zijn woord en waarheidsliefde, steeds onbezweken in al de duizend kleine voorvallen van het leven, waarin ze geëist worden, en dikwijls moeiliker zijn te volbrengen dan bij een grote gebeurtenis. Hij was tevens zo zacht en teer. Had iemand misdreven, dan kon hij zo'n innig medelijden hebben. Hij keurde altijd de zonde af, de zondaar had hij altijd nog lief.Blijvend.En dat vind ik het grootste, het meest wonderbaarlike in Ligthart. Wij, zijn vrienden, hadden de volstrekte overtuiging, dat hij ons nooit zou laten schieten. Men bouwde op hem. Men zou hem, methet oog op zijn gezondheid, soms sparen, maar nimmer kon de gedachte zelfs post vatten, dat hij wel eens niet zou willen helpen, dat het hem te lastig zou worden, dat hij, in afkeer van bedreven kwaad, zich zou afwenden van de mens. Ten opzichte van zijn vriendentrouw en blijvende liefde had men het gevoel, dat men anders alleen tegenover zijn moeder heeft. En die trouw was geen sleur, was niet ontstaan uit een temperament, dat hecht aan het oude—alleen omdat het oud is. Integendeel. Ligthart was steeds open voor nieuwe dingen, bezig met nieuwe plannen voor nieuwe scholen en boeken, nieuwe kennissen en vrienden makend, door nieuwe studies zijn inzichten verrijkend. Met blijde vreugde nam hij dat nieuwe op, verwerkte het, paste het aan bij zijn kennis en zijn onderwijs. Toen hij warm was geworden voor de zaak der zending, moest hij er van verhalen, moest hij anderen opwekken, om er ook in de school van te verhalen. Toen hij het Christendom opnieuw ontdekte en veroverde—Christendom als liefdebetonende macht en niet als enig uiterlikstelsel,—moest hij ook daar van spreken.

Van nog een derde combinatie sprak ik: idealisme, optimisme en gezonde zakelikheid. Ligthart hoopte en geloofde. Hij vertrouwde op het goede in de mens en hij wist het op te wekken. Tegenover zijn mildheid kon de gierige niet vrekkig blijven; waar hij hartelik was en zich gaf, kon de deftige zijn afstand niet zo bewaren, als hij gewoonlik deed. Waar hij met de kinderen joelde en jubelde en stoeide, waar hij kind was onder en met de kinderen, daar stak zijn geest anderen aan. Waar hij tijd, moeite, geduld over had, waar hij vergaf en vergat—deze man konwerkelik totáál vergeten, dat men iets kwaads tegen hem gedaan had—daar kon men zelf niet nalaten, iets van het zijne te geven, toorn en wrok als onedel te voelen.

Maar dit idealisme was nuchter en zakelik.

Allereerst kende hij de menselike natuur in zijn zwakheden, in zijn verdorvenheid.

Hij zag ook de rechte verhoudingen. Hij wilde, dat men zich binnen de grenzen van zijn kracht, zijn kennen en kunnen zou houden: te ver reiken brengt mislukking, en smart, voor ons zelven en anderen. Hij genas, niet door mystieke voorschriften, door diepe redenering, maar door liefdevol meevoelen en practiese raad. Hij gaf zijn adviezen met het oog op het werkelike leven. Zelf een onbaatzuchtig man, die eigenlik totaal niet aan geld hechtte, dan om er goed mede te kunnen doen, pleitte hij altijd voor behoorlike levensvoorwaarden der onderwijzers. Vroegen rijke ouders hem, iemand aan te wijzen, die hun kind les zou kunnen geven, dan deed hij dit graag, maar bepaalde meteen, dat zij hun liefde voor hun kind en hun waardering van 't onderwijs zouden uitdrukken in een ruime schadeloosstelling. Graag het goede prijzend en waarderend, ontgingen hem geen fouten, en hij had een aardige manier, om iemand er aan te herinneren. Voor mijn correspondentie met hem maakte ik bijv. gebruik van briefkaarten met zijn adres er op gedrukt (in onsmakelike grove letters had een drukker mij die geleverd). Toen op een keer mijn handschrift al te onduidelik was geworden, zelfs voor zijn geduldig lezen, schreef hij mij, dat ik met mijn grote letters meer eerbied had voor de ogen van de post dan voor de zijne. Hijzelf zou trouwens de keuze derletter niet aan den drukker overgelaten hebben. Hij was verliefd op nauwkeurigheid. Elke kleinigheid had zijn belangstelling: wat hij deed, deed hij goed. Voor alles zette hij zich, gaf hij zich moeite. Een gewone felicitatie bij geboorte, huwelik, examen, wist hij toch altijd nog een persoonlik cachet te geven. Een voorbeeld. Toen Mr. J. Limburg in 's Gravenhage bij de Kamerverkiezing viel tegen den heer Ter Laan, maar daarna in Friesland werd herkozen, telegrafeerde hij een vierregelig vers, waarin o.a.:

Zuid-Holland werpt hem uit, door al te links bewegen,Maar Friesland vangt hem op....

Zuid-Holland werpt hem uit, door al te links bewegen,Maar Friesland vangt hem op....

Hij hield van een woordspel.—Zo wist hij een zekere bekoorlikheid bij te zetten aan zijn practiese wenken, wist zijn diepe ernst door een goede dosis humor vriendelik te tinten.

Zo was Ligthart een goed, een zeldzaam mens, en, zich zelf van zijn bizondere waarde niet bewust, gaf hij in zijn zelfopenbaringen zoveel heerliks te aanschouwen, dat hij ook daardoor een opvoeder werd.

Gegeven eenmaal zijn aanleg, maakte de levenservaring omtrent anderen opgedaan, hem tot zielszorger. Als men tot hem kwam om raad te vragen over de opvoeding van een kind, dan ontdekte hij al spoedig dat vele oorzaken van moeiten niet in het kind, maar bij de ouders lagen. Dan moest hij de ouders er wel opmerkzaam op maken, dat hun angst het kind onrustig maakte, hun ongeduldig voorwaarts dringen meer eiste, dan het kind geven kon, hun slappe wil en weke toegeeflikheid ongehoorzaamheid enbrutaliteit als uitlokte en opriep. Dan kreeg hij belijdenissen, die hem een diepe blik deden slaan in de zielsnoden en het levensleed van zo menig mens. Achter schijnbare kalmte, deftige redeneringen, gewichtig en groot doen, vond hij hongerende zielen, onrustige geesten. Hij trachtte ze tot evenwicht te brengen, door ze op hun werk en hun plicht te wijzen, door ze met gezonde zin de zakelike noodwendigheden van 't leven onder 't oog te brengen. Ligtharts troost in dergelijke gevallen was een strenge, en daarom een louterende troost. Hij verbloemde de ellenden van 't leven noch gaf hoop op een smarteloze toekomst. Hij wilde, dat de wereld en zijn moeite in ons eigen innerlik overwonnen zouden worden, dat wij, boven de dingen staand, door hen ongedeerd zouden verder leven.

Niet de moeilikheden ontvluchten, ze overwinnen in volhardende arbeid, dat was zijn leuze, en daarmee bemoedigde hij en sterkte hij.

Ligthart was dus ook opvoeder, raadsman, leidsman van volwassenen. Hij was het door recht van geboorte en usantie: het leven had zijn aanleg in deze richting ontwikkeld. Al vroeg, door hem een vader te schenken van sterke, zedelike beginselen, die als natuurlike vanzelfsprekendheid leefden in het gezin Ligthart, maar anderen, de schoondochters bijv. dadelik opvielen als iets bijzonder achtenswaards. Zijn moeder was de zon van zijn leven: met onbegrensde verering hing hij aan haar en zij zat portret voor het beeld der moeder, dat hij hier schetst als ideaal der vrouw.—Versterkt werd zijn aanleg door het levendige opvoedkundige denken, dat in Den Haag heerst:bij de stichting der meeste scholen, die iets nieuws probeerden in Den Haag, was hij meer of minder betrokken als bestuurslid of adviseur.

Maar Ligthart mocht ook opvoeder zijn doordroit de conquête: hij had zijn roem veroverd.

Hij had met een zwak gestel en met een beperkte tijd, waarover anderen ook nog ruimschoots beschikten, zo heel veel tot stand gebracht, en hij, die in zijn jeugd zo zwak was, dat zijn familie vreesde, dat hij niet volwassen zou worden, dat hij als jong onderwijzer niet in een stuk van zijn huis naar school kon wandelen, doch onderweg moest rusten, wist toch nog zo wijs met zijn kracht om te gaan, dat hij 56 jaar werd.

Hij was een levenskunstenaar. Hij wist zijn tijd te verdelen, hij wist arbeid en rust af te wisselen, hij wist te remmen, als 't nodig was. Hij was een virtuoos in de arbeid door deze beginselen toe te passen: alles dadelik zo goed mogelik te doen en niet te doen, wat niet in zijn aard lag. Plichtsgetrouwheid, arbeidsvreugd en bescheidenheid, bescheidenheid ook hierin, dat hij steeds medewerkers zocht: dat gaf hem de rust, dat het werk toch gedaan werd, als de kracht hem ontzinken kon.

Welaan, deze man mocht inSchool en Leven, inHet Nieuws van den Dagspreken tot duizenden en tienduizenden, optreden als wijsheidsleraar. Wat hij verkondigde, had hij zelf in het leven geleerd en toegepast.

Dikwijls, als ik iemand spreek, die over een ander schreef of sprak, hoor ik, in persoonlik gesprek, minder prettige dingen, „maar die zeg of schrijf je zo niet”. Ikstel er prijs op, te zeggen, dat het beeld, dat ik van de mens Ligthart ontwierp als inleiding tot deze bundel, zeer onvolledig en schetsmatig is, maar alleen in deze zin, dat mijn woorden mij vaal en grijs schijnen bij de heerlikheid van den man, die ik vijftien jaren gekend heb in allerlei betrekkingen en die ik nooit ontmoette zonder zijn diepe invloed te ondergaan. Het is mij een weemoedig en tot dankbaarheid stemmend voorrecht, deze bundel van mijn vereerde vaderlike vriend bij ons publiek in te leiden: mogen zij hem ter hand nemen met de gedachte, dat hier een mens tot hen spreekt, een ziel.

Het is Pinksteren en er was iets van Pinkstergloed in Ligthart. Vertolken wilde hij goddelik en christelik leven. Is dat nieuw? Neen, hij beweerde het niet. Misschien ging het hem als de apostel, die zeide, dat hij „dezelfde dingen” had te zeggen. Maar Ligthart bracht ze tot zijn volk en zijn tijd in zodanige vorm en zo bezield met zijn eigen persoonlikheid, dat het eeuwig menselike hier verschenen in een tijdelike concrete omlijning, die het stempelde tot eigen, fris enoorspronkelikwerk.

's Graveland, Pinksteren 1917.R. C.

Niet het kind in de wieg kanmenschheeten, ook al lacht en schreit het; niet de knaap in de schoolbank, ook al denkt en gevoelt hij, al ontwikkelt zich zijn taal met zijn geest. Eerst wanneer

„bei der Leidenschaft Ruf der Jüngling erwachet,Und des Bewusztseins Blitz dämmernd die Welt ihm erhellt”,

„bei der Leidenschaft Ruf der Jüngling erwachet,Und des Bewusztseins Blitz dämmernd die Welt ihm erhellt”,

eerst dan wordt het kindmensch. Dan spiegelt zich alles af in zijn ziel en wekt daar tal van vragen, waarvan de knaap geen flauw vermoeden had. Wanneer hetBewustzijnals een bliksemstraal te voorschijn springt uit den dommelenden, droomenden geest, en een flauw schemerlicht werpt over alles, dat zich om en in ons bevindt, dan, bij dien dageraad deszielelevens, ontvangen we pasbesef, schoon nog zwak: besef van onzen toestand op aarde, besef van ons stoffelijk en geestelijk bestaan, besef van verwantschap onzer ziel met andere menschenzielen, besef van onze nauwe betrekking tot de omringende wereld, tot de gansche grootsche schepping, tot den bewusten of onbewusten oorsprong aller dingen, tot de werkende kracht of den scheppenden God.

Bij den eenen mensch is dit ontwaken een zachte, geleidelijke overgang; langzaam, schier onmerkbaar, rijst de bleeke zon van 't zelfbewustzijn aan den donkeren, maar rustigen hemel des zielelevens; zoete melancholie murmelt het morgenlied.

Bij den anderen echter gaat deze kentering gepaard met woedende stormen; hemel en aarde wankelen op hun grondvesten; alles hult zich in diepe duisternis; nergens is licht, nergens vastheid; angst, radeloosheid, wanhoop, trekken als geesten der nacht het hart binnen en heerschen daar onbeperkt, tenzij er een vriendelijke stemme, ruischend om het hoofd, met zachten klem gebiedt:„toch niet bezorgd te wezen.”

Zooals bij de wisseling der seizoenen de natuur in opstand geraakt en de voorjaarszon door bliksemstralen en donderslagen wordt aangekondigd, zoo voeren bij de voornaamste wisseling der levenstijdperken vaak allerlei machten een geweldigen strijd in de ziel.—Herhaaldelijk lezen we in den Bijbel, dat aarde en hemel in beroering zijn, dat alle elementen in onderlingen kamp zijn losgebroken, wanneer de God des Hemels zich aan de Aarde vertoont, wanneer het Licht der Schepping door de wolken breekt, die Hemel en Aarde scheiden. Maar evenzeer herhaaldelijk, neen duizend en duizenden malen zien we in de harten onzer medemenschen, dat ook dáár de chaos schijnt weer te keeren, wanneer de goddelijke vonk van 't zelfbewustzijn als uit de krachtige aanraking van den geest met de wereld ontspringt enschittert door de nevelen der kinderlijke droomwereld. Onder barensweeën wordt de mensch „wederom geboren.”

Daar zijn er ook, die van dit alles niets verstaan. Misschien..... zijn deze de „normale”, de gezonde menschennaturen. Misschien ook zijn ze de gelukkigste, doch, in ieder geval, degrootstezijn ze niet. De hoogste aristocratie des geestes heeft in den strijd, dikwijls tot stervens toe gewond, den ridderslag ontvangen.

Laatst ontving ik een brief van een jonggehuwde vrouw, die haar eersteling verwachtte. Maar 't was geen brief vol blijde hoop. Er lag nu reeds een schaduw over dat toekomstig geluk. Er was twijfel aan eigen geschiktheid voor de verantwoordelijke taak van het moeder-zijn. „Zal ik ooit in staat blijken, het teere wezentje, dat straks in mijn armen ligt, op te voeden tot een braaf en gelukkig mensch?” Die zorg drukte de blijdschap der zoete verwachting neer. „Het lijkt me zoo uiterst moeilijk, een kind naar behooren op te voeden. En toch, dit is immers onze dure plicht, waar wij dat nieuwe schepseltje in 't aanzijn hebben geroepen?”

Toen heb ik de schrijfster geantwoord, dat ze blijkbaar veel te veel waarde hechtte aan haar eigen beteekenis, aan haar eigen invloed, aan de middelen eener weloverdachte, beginselvaste opvoeding, en te weinig vertrouwen had in het kindje, dat ze nog krijgen moest. Niet dat ik haar zorgeloosheid toewenschte, maar wel de onbezorgdheid, die vrucht is van geloof en vertrouwen. Er is in tijden als de onze, waarin op allerlei gebied het redeneerend verstand heerschappij wil voeren, te weinig geloof. Ik bedoel niet: geloof in een of andere theologische of politiekeof oeconomische leerstelling. Aan dàt geloof is waarlijk geen gebrek. Ook niet aan het geloof in paedagogische dogma's. Hooren we niet dagelijks en uurlijks bij allerlei principes en grondstellingen zweren? Maar geloof in den zin vanvertrouwen.

In ieder kind bloeit, stil verborgen, een wonderbloem. Terwijl uw zuigeling daar in de wieg ligt—zoo'n lekkere dikkert!—ontkiemt en wast daarbinnen iets heel teers en fijns. Ge ziet er aanvankelijk nog niets van. En zelfs kan het jaren duren, eer het zich aan U, eer het zich aan zichzelf openbaart. Maar toch is het er, reeds van den beginne af. Want als het er niet was, vanwaar zou het dan later komen? Dat is het persoonlijke, het eigene, het individueele, het eenig hem toebehoorende, jadat is uw kind. Niet het lichaampje, dat door u met zooveel zorg wordt gereinigd en gevoed, niet het verstand, dat door u met zooveel kennis wordt opgebouwd—neen, uw kind is geen samenstel van stof of van begrippen. Wie daarop bouwt, komt tenslotte bedrogen uit. Want de stof is zelfzuchtig, en begrippen zijn hard en koud. Maar in die stof, en als onzichtbare heerscheres over die begrippen, leeft en werkt deikheid, de niet te omschrijven onbekende, de ziel. Zij alleen is uw kind. En haar kunt ge vervangen noch veranderen. Integendeel, zij zal alles beschouwen en wijzigen naar de bizondere eigenschappen van haar aard. Doch ge kunt op haar vertrouwen. En ge móét op haar vertrouwen. Als ergens in het mensch-zijn zich iets van de Godheid doet bespeuren, dan is het daar.

Toen De Genestet een leelijk trekje ontdekt had in het hart van zijn lieveling, maakte hij zich daar bekommerd over, en zon op allerlei middelen, om dat kwaad te bestrijden. Maar zijn wijsheid schoot te kort. Toen bad hij, en wachtte. En zie—„'t hooghartig zondaresje” kwam uit zichzelve tot hem, „nederig en klein.” Wie had dat wonder bewerkt? Niet de paedagogische middelen van den vader. Doch zelf getuigde deze: „Meest werkt demacht ten goede, door God in 't hart gelegd.” Vertrouw op die macht ten goede.

Daar zit ge op een avond bij de wieg van uw eersteling. De ademhaling van het slapend kleintje gaat zoo rustig. Met een kleurtje op de wangen ligt het daar. En in uw eigen ziel is de vrede, die van dit blozend koontje straalt en uit die blonde lokjes licht. Wat zalig gevoel! Geen zorg voor de toekomst kwelt u, geen besef van eigen onvolmaaktheid drukt u neer. Ge denkt er wel niet aan, maar de overtuiging leeft toch in u, dat menschelijke wijsheid vaak het wonderbloempje der kinderziel doet welken, menschelijke wijsheid, die zoo vaak dwaas ingrijpen is in het stille werk Gods. Ge vat uw taak wel ernstig op, maar verwacht nietalleheil, zelfs niet hetmeesteheil van uw middelen. Er is vertrouwen in u gekomen, vertrouwen in demacht ten goede, thans reeds werkend in dat jonge zieltje. En zwijgend geeft ge u over aan de weldadige kalmte van dat stille vertrouwen.

Er was eens een vrouw, die nooit den zin van haar man deed.

Men zal zoo zeggen: Dat is zoo'n bijzonderheid niet, zulke vrouwen zijn er meer. En zelfs zijn er mannen, die nooit den zin van hun vrouw doen.

Maar zoo bedoel ik het niet.

Ik wilde zeggen, dat die vrouwaltijdden zin van haar man deed. En ongedwongen, met haar volle hart. Echter niet, dan nadat ze eerst drie minuten haar eigen zin had gedaan.

Haar eerste opwelling en haar eerste woord was steeds: „Hè neen!” Maar dan volgde bijna geregeld, na een heel kort poosje, de tweede opwelling en het tweede woord: „Nu ja dan maar!”

„Vrouw, willen we een uurtje gaan wandelen?”

„Hè neen!”

De weigerverzuchting was begrijpelijk. De man was klaar met zijn werk en had wandellust. Maar de vrouw moest nog even wat in orde brengen en wou dan juist, moede van het gedribbel, een oogenblikje rustig gaan zitten, de krant inkijken. Hij wou zich wat bewegen. Zij eens even bekomen.

De man was echter een wijze. Sommigen zeggen: een slimmerd.

Hij klaagde niet, dat zijn vrouw „ook nooit” instemde met zijn voorstellen. Hij dreigde niet, dat hij dan „in vredesnaam” maar alleen zou gaan. Hij zweeg. En drie minuten later hoorde hij: „Nu, wil je graag? Laten we dan maar gaan!”

Hij had op de tweede opwelling vertrouwd, en niet te vergeefs. Zóó sterk en zóó zeker, dat hij nu zelfs grootmoedig dorst worden:

„Neen, neen, als jij moe bent en liever thuisblijft...” Doch niettemin liep hij al naar den kapstok en greep reeds naar zijn hoed.

Die grootmoedigheid der mannen beperkt zich, gelijk we weten, tot het bewaren van den edelen schijn. Daarmee hebben ze hun offers aan de zelfverloochening gebracht. En spoedig wandelden man en vrouw samen buiten, hij een en al ontspanning, zij niet zonder inspanning. Toch durfde de edele huichelaar nog vragen, of ze 't nu niet heerlijk vond en of hij niet goed had gedaan, met haar uit huis te jagen. Want gelijk we andermaal weten, mannen willen niet alleen hun zin, ze willen ook gelijk hebben.

De vrouw gaf hem gelijk. Nu ze eenmaal over de eerste opwelling heen was en de tweede had opgevolgd, viel het haar gemakkelijk op dien weg verder te gaan. De moeilijkheid bestond voor haar niet in de opoffering—offeren is het ademhalen der vrouwelijke natuur—maar in het maken van de onverwachte wending.

En dit is toch ook begrijpelijk. Wij allen leven onder zekere invloeden, ervaren daarbij bepaalde stemmingen,ontwikkelen in harmonie daarmee bepaalde gedachtengangen, vormen min of meer bewust onze bepaalde plannen voor de allernaaste toekomst, en zitten dan midden in een vrij samengestelde constructie van innerlijk leven. Ons denken, gevoelen, willen, fantaseeren maakt een bepaalde kaleidoscopische figuur, en als iemand, door zijn ingrijpen, daarvan een andere figuur wil maken, is het noodig, dat de cylinder van onze psyche een halven draai wentelt. Dat nu valt ons niet altijd licht. Het brengt ons uit ons doen. En het kost ons dientengevolge eenige minuten van bezinning en zelfoverwinning, eer we er toe komen. Vandaar het verzet van zoo menige „eerste opwelling”. En wijs is de man, doch ook de vrouw, die op de tweede wacht.

Het niet-aanstonds voldoen aan iemands wil, zelfs het niet-onmiddellijk gehoorzamen van kinderen en ondergeschikten, behoeft volstrekt niet tegen hen te getuigen. Integendeel—het kan juist bewijzen, dat ze zich met hun heele hart aan hun werk hebben gegeven, zoodat ze daaraan met tallooze draden verbonden zijn. Los te zijn van zijn taak is een twijfelachtige deugd, ook al is het geriefelijk als iemand zich daardoor snel richten kan naar onze wisselende bevelen. Beter is het, aldus één te zijn met zijn arbeid, dat het verband maar niet zonder inspanning verbroken wordt. We wachten liever op de tweede opwelling van een ernstig werker, die zich in zijn arbeid verliest, dangediend te worden door mechanische onverschilligheid.

Er is echter nog een ander gebied, waar de tweede opwelling van veel ernstiger beteekenis is, waar de eerste onwil niet voortkomt uit wat meermalen een deugd mag heeten, maar uit den donkeren afgrond eener booze natuur; niet als het antwoord der vasthoudendheid op een vraag of een gebod, maar als de spontane reactie op de prikkels van 't leven. Daar is die onwil dan ook eigenlijk nietonwil, maar slechte wil.

Leelijke neigingen kronkelen als giftige slangen in de diepte van menig menschengemoed. Zinnelijke lusten doen begeeren naar het verbodene. Nijd en gierigheid willen den ondergang van een medemensch. We verfoeien onszelf om de ontzettende opborrelingen onzer innerlijke boosheid. Het recht van den rijke, de reinheid der onschuldige, de roem van den begaafde—ze bestaan niet voor de laaghartige verlangens onzer onbeheerschte zelfzucht. Dat recht wordt verkracht, die reinheid besmet, die roem belasterd, door duizenden en nogmaals duizenden eerlijke, brave, edele naturen, in de eerste opwelling van hun zondig hart. Hoe zou de wereld er uitzien, wanneer eens plotseling openbaar werd het verborgen leven der ongeremde begeerten. En hoe, wanneer deze aanstonds in daden werden verwezenlijkt!

Er zijn maar weinige begenadigden, die, als eenmaal Hij, naar wien de christenheid zich noemt, onbekommerd kunnen leven naar de eerste aanwijzingen van al hun neigingen. Dat was een leven uit God. Uitdeze bron der heiligheid kon niets onheiligs voortvloeien. Wij, overigen, mogen al dankbaar zijn, wanneer we nu en dan eens gehoor mogen geven aan een eerste opwelling. Meestal moeten we haar in bedwang houden, met geweld terugduwen, en een oogenblik, doch soms ook uren en dagen, wachten, totdat de tweede, en in haar ons beter ik, is doorgebroken. Ons beter ik, dat wellicht juister ons verbeterd ik kon heeten. Immers, het is de vrucht der zedelijke, der christelijke opvoeding, die zich in deze correctie onzer natuurlijke aandriften openbaart.

Het is raadzaam voor onszelf niet maar onnadenkend naar eerste opwelling te oordeelen of te handelen, doch 't is niet minder plicht onze medemenschen niet maar aanstonds te schatten naar hun onvoorbereid doen en hen te houden aan hun rasse uitspraken. Menigeen is veel beter dan hij schijnt, en veel zachter dan hij oordeelt. Deze uitingen vertegenwoordigen niet zijn geheele persoonlijkheid. Er werken ook andere elementen in hem. Gun ze den tijd naar buiten te komen en schort uw oordeel op. Het is een der groote schaduwzijden van onze haastige polemieken in vergadering en dagblad, dat zij den strijd doen voeren tusschen de ongezuiverde machten der eerste opwellingen. Hoeveel mooier en edeler kon het karakter van ons huiselijk en maatschappelijk leven worden, als bezonnenheid haar louterende werking had verricht.

In Engelsch-Indië leefde eens een grijze weldoener, die als een heilige werd vereerd. Op zekeren dag begafzich een jongeling tot hem en vroeg: Wat moet ik toch doen, om heilig te worden zooals gij?

Toen opende de oude zijn levensboek voor het eerbiedig oog van den jongere, en daarin stonden te lezen de verachtelijkste en laaghartigste misdaden. „Dat heb ik alles misdreven,” zei de heilige man. „Zoo door en door zondig is mijn hart.”

De jongeling sidderde, alsof hij een adder had aangeraakt.

„Maar”, ging de grijsaard voort, „ik heb het alleen misdreven in gedachten. Het waren mijn eerste opwellingen. Ik heb die echter telkens weer laten wegzinken in den onreinen poel, waaruit ze waren voortgekomen. En daarna schonk God mij de kracht Zijn wil te volbrengen.”

De jongeling ging heen. Nu wist hij het: men wordt geen heilige, dan door zelfbeheersching, loutering gehoorzaamheid. En waar de eerste opwelling ons verraderlijk verrast, zij alle zedelijke kracht geconcentreerd op—de tweede.

Terwijl ik dit schrijf, staat er een portret naast me. Het is van een 72-jarige vrouw.

De aanwezigheid van dit portret is geen uitzondering, want altijd, wanneer ik schrijf, is het bij me. Maar even heb ik op te zien, en het ziet mij aan, vriendelijk zacht, berustend en bemoedigend.

Ook des nachts is het in mijn onmiddellijke nabijheid. Nauwelijks word ik 's morgens wakker, of die oogen zeggen mij goeden morgen. Eens, ruim tien jaar geleden, moest ik voor gezondheid een halfjaar naar buiten. Mijn vrouw was bij me. Maar zij ook, de vriendelijke oude. In slapelooze nachten was ook zij een stille troosteres, die opwekte met hoop en vertrouwen. Zij liet haar gansche verleden tot mij spreken: een verhaal van toewijding, smart, vertwijfeling, trouw, strijd, zege.

Nooit gaan we sedert op reis, of zij gaat mee. Het is ons zoo vreemd, als zij alleen achterblijft. En wezouden het stellig niet zoo rustig vinden, als zij niet alles met ons meemaakte.

Eén ding spijt ons slechts: dat zij van haar aanwezigheid niet zoo kan genieten als wij, dat aan dit stukje papier elke bewustheid ontbreekt. Wat zou ze zich menigmaal verheugen!

Maar toch ook: wat zou ze zich menigmaal bedroeven! En bovenal: wat zou ze zich vaak bekommerd maken over haar kinderen!

Neen, het is goed, dat zij geen besef heeft van het haar omringende leven. Het is genoeg, datwijervaren den invloed, die nog nu van haar beeld uitgaat en die hieraan door haar leven verzekerd is.

Hoe is het aan dit leven gelukt, aldus het graf te overwinnen?

Simpel door moeder te zijn, niet anders dan moeder.

Het is zoo eenvoudig. Duizenden en millioenen vrouwen hebben die levenstaak en daarin dezelfde macht.

Maar of iedere moeder zich goed van haar taak kwijt?

Er zijn er, die liever concerten aanhooren dan 't gebabbel hunner kinderen, liever een mooi boek lezen dan een kinderhart. Er zijn er, die aanstonds moe worden als haar kind veel te vertellen heeft, maar gansche middagen kunnen luisteren naar de verhalen van vriendinnen. Er zijn er, die de moedertaak eigenlijk niet voldoende vinden om een vrouwenleven te vullen en niet naast maar boven de verzorging der kinderen hun meesten en besten tijd geven aan geldverdienen,kunst of wetenschappelijk werk. Dan wordt de moedertaak grootendeels overgedragen aan gehuurde vreemden en verliest daarmee, wat haar juist zoo'n stillen, duurzamen, krachtigen invloed geeft: het moederlijke. Men behoeft niet te verwachten, dat in zulke gevallen moeders portret nog een menschenleeftijd na haar dood aan de volwassen kinderen tot steun en opwekking kan wezen. Moeder leeft nietnahaar sterven, omdat ze als moeder eigenlijk ook niet geleefd heeftvoorhaar sterven.

Het is nu eenmaal zoo: de vrouw wordt niet moeder door het voortbrengen van kinderen, maar alleen door zich aan die kinderen te geven en blijde toe te laten, dat de kinderen zich aan haar geven.

Wie oog heeft voor de schoonheid en de redelijkheid der natuur, moet wel steeds met bewondering zien naar een zuigend kind aan de moederborst. Ik weet in geen enkel beeld of feit de verhouding tusschen moeder en kind mooier en juister uit te drukken.

Het kind moet gevoed worden. Hoe eenvoudig, en toch hoe wondervol, dat het kind zelf, alleen door het feit van zijn geboorte, de moederborst doet zwellen, de melkklieren in werking stelt. De borst groeit uit in zulk een vorm, dat ze als 't ware naar het kind heen trekt, en de kleine vlijt zich zoo gemakkelijk in moeders arm, bij het warme, zachte lichaam, en zuigt. Hoe is het mogelijk, dat moeders, anders dan in nood, in de plaats van haar malsche, warme,mildvloeiende natuurbronnen de harde, koude flesch hebben geschoven. Dat is reeds afstand doen van de moedertaak. Voor niets ter wereld had de vrouw ooit de natuur moeten verloochenen, hààr natuur, en haar voor de kinderen, en alleen voor de kinderen gevormde borst mogen vervangen door een flesch met een speen.

Zooals de moedermelk vanzelf komt met het kind, zoo worden in het moederhart ook allerlei sentimenten wakker, die slechts gewacht hebben op de eerste kinderkreten. Een drang tot verzorgen, tot koesteren openbaart zich, waaraan de jonge moeder slechts heeft te gehoorzamen, om aanstonds tusschen de kleine en haar het verbroken stoffelijke contact geestelijk te herstellen.

Er zijn moeders, die het eigenlijk zonde van haar gaven en talenten achten, haar zuigelingen te verzorgen. Die kleine wezentjes voeden, reinigen, wasschen, dat kan een ander even goed en misschien nog beter; den tijd en de kracht daaraan besteed, kan moeder vruchtbaarder gebruiken door te schilderen, te musiceeren, te studeeren, geld te verdienen. Die kindertjes merken toch niet, wie ze behandelt. En later, als het geestelijk leven ontwikkeld moet worden, is het voor moeder vroeg genoeg om op te treden.

Maar wie zoo redeneeren, hebben het mis. Dat zegt reeds haar eigen moederinstinct, dat haar, ondanks al die schijnware motieven, naar het kind heen drijft. Een moeder, die haar zuigeling aan vreemden toevertrouwt, om zelf „nuttiger” dingen te doen, verloochenthaar innigst wezen. Zij voelt dit heel goed, maar laat zich van den weg brengen door eenzijdig geredeneer.

Wie het kind wascht, wie het schoone luiers omdoet, wie het voedt, geeft middelerwijl ook haar gansche persoonlijkheid. In hààr handen, in hààr stem, in de wijze waarop zij het kind hanteert, toespreekt, aankijkt, leeft hààr geest, hààr gemoed, hààr liefde. Zoo weeft ze in haar woorden, in haar liedjes, in haar manieren, in haar geheele zijn en doen een breede verbinding tusschen het kind en haar, een onzichtbare navelstreng, waardoor haar geestelijk leven het kind toevloeit. In het eerste jaar, reeds in de eerste maanden en weken, begint de moedertaak, omdat dan de moederinvloed begint. En wie dit tijdperk niet telt is als de man, die de gletscherbeekjes van geen belang acht voor de rivier, omdat je in die ondiepe, water-arme dingetjes toch niet varen kunt.

Een moeder in de huiskamer te midden van een kring kinderen van verschillenden leeftijd is een compleet landsbestuur: vereenigde wetgevende en uitvoerende macht. En dan is ze nog veel meer. Eigenlijk ken ik maar één beeld, dat haar beteekenis juist weergeeft: zij is de zon van dit kleine wereldje.

Het is niet noodig, dat ze zich aanhoudend met de kinderen bemoeit. De zon staat stil en straalt. Zoo kan moeder rustig op haar plaatsje zitten en door haar tegenwoordigheid licht en warmte brengen inde huiskamer-atmosfeer. Daarbij groeien de kinderen verstandelijk, maar vooral zedelijk.

Moeder preekt niet. Ze verbiedt weinig. Ze geeft het voorbeeld van welwillendheid, inschikkelijkheid, opoffering, werkzaamheid. Ze stemt aldus het veelsnarig instrument van het huisgezin. En bij die stille muziek geniet vader. En onder haar invloed komen ook de dienstboden.

Ik kan me niet voorstellen, hoe men speciaal de huismoeder een sloof kan noemen en haar taak als iets minderwaardigs beschouwen. Zeker, het werk kan haar wel eens over 't hoofd loopen, maar dat overkomt den man ook, hetzij hij minister is, journalist, koopman of predikant. Wie heeft echter zijn dagtaak te verrichten in een kring, die zoo rechtstreeks zijn sympathie heeft, als de moeder? Elk lid van 't gezin behoort haar als 't ware toe, is een deel van haar zelf. Zij drijft altijd „eigen zaken”.

En die zaken zijn van een opwekkende verscheidenheid. Vervelend? Het huismoederbestaan vervelend en eentonig? Haar leven, altijd zoo binnen vier muren bekrompen? Maar ieder kind brengt toch zijn eigen aard mee en daarin zijn eigen behoeften? Een gezin van vier kinderen is al een rijkdom aan verscheidenheid, voldoende om een geest bezig te houden en dag aan dag met nieuwe toestanden en verhoudingen en problemen te boeien. Telkens onder 't opgroeien der kinderen komen er in dezen kleinen levenden caleidoscoop andere figuren te voorschijn, en eer kan men zeggen, dat het moeder wel eens te machtig wordt,alweer opnieuw raad te schaffen en oplossing te bewerken, dan dat ze verdrogen zou door de doodende eenvormigheid van een uurwerkarbeid.

Elk kind brengt zijn eigen aard mee en vraagt dienovereenkomstig zijn eigen behandeling. Vergelijk daarmee het administratieve werk van menige „zelfstandige” vrouw, die „zich zelf” kan wezen in een „onafhankelijke” positie buitenshuis. Niemand zal ontkennen, dat ook deze arbeid geestverfrisschendkanwezen, maar moet daartegenover de taak der huismoeder geestdoodend zijn? Moeilijk zal men, vrees ik, een arbeidsveld voor de vrouw vinden, dat zoo alle gaven van geest en gemoed vordert en ontwikkelt, als het terrein der huiskamer. De kinderen worden opgevoed door moeder, maar juist hierdoor groeit moeder zelf uit, ontplooit zij zich. Onze eigenschappen komen alleen te voorschijn, als ze door het leven worden opgeroepen, en slechts in de practijk kunnen zij gesterkt en gelouterd worden. Aldus wordt het individu een persoonlijkheid. En den besten kans op vorming van eigen leven hebben zij, die dagelijks met anderen hebben te verkeeren bij heel vertrouwelijken omgang. In dit opzicht is de moeder zeker buitengewoon begunstigd. Hoe men ooit zulk een positie als iets minderwaardigs kan beschouwen, is mij een raadsel.

„Als ik uit de kleine kinderen ben, krijg ik wat meer tijd,” meent menige huismoeder. Ik hoop voor haar, dat ze ongelijk heeft. En waar alles naar behoorengaat, zal de toekomst haar ook in 't ongelijk stellen. De kinderen worden grooter, maar kunnen moeder nog niet missen. Ze raadplegen haar bij hoeden en japonnen, bij boorden en dassen. „Moeder, hoe vindt u, dat die das staat?” vraagt de 18-jarige jongen, die tien minuten lang voor den spiegel heeft gestaan en tenslotte zekerheid wil hebben door moeders oordeel. Moeder heeft haar jongen altijd vrij gelaten in zijn eigen smaak, zich nooit tusschen haar zoon en zijn das geplaatst—gelijk ze zich ook nooit tusschen hem en zijn meisje zal dringen:hijmoet het weten—maar hiervan is 't gevolg juist, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders meening heeft ingewonnen, haar uitspraak heeft vernomen, en zijn vrijheid geniet in het handelen naar moeders hartewensch. Had zij geboden, hij had zich verzet. Nu zij, liefdevol meelevend, vrij heeft gelaten, voelt hij zich aan haar gebonden.

Het gevolg is, zeiden we, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders meening heeft ingewonnen. En hieruit blijkt, dat ook moeder geen rust krijgt bij 't opgroeien van haar kroost. „Als ik uit de kleine kinderen ben.....” Jawel, maar een rechtgeaarde moeder komtuitde kleine kinderen, ominde groote kinderen te zitten. En hebben de kleine haar handen gebonden—„handenbindertjes” noemt ons volk aardig dat onbeholpen grut—de groote binden haar hoofd en hart, waar ze bij alles moeders raad en belangstelling behoeven.

Een mooi gezicht is een jonge moeder met eenkind aan de borst. Niet minder mooi, de huisvrouw te midden van een kinderschaar. Dat kleine goed scharrelt wel overal rond, maar als kuikens om de klokhen. Nauwelijks dreigt er eenig gevaar, van welken aard ook, of ze zoeken veiligheid onder moeders vleugels. Maar van een eigenaardig schoon, onopgemerkt door de oppervlakkigheid, doch verrukkelijk voor scherpziende belangstelling, is de verhouding tusschen de half- en heel-volwassen kinderen en de moeder. Er is een bizonder humoristisch element in deze verhouding, dat een glimlach wekt en tegelijk ontroert.

Zij—de moeder—kan tegen dat groote goed niet meer op. Die jongens, die meisjes, ze zijn lichamelijk en geestelijk zoo ontwikkeld. De baard ontspruit, de boezem zwelt. Ze heeten in de buitenwereld heeren en dames. En ze zijn ook zoo knap. In wis- en natuurkunde zweven ze als in vliegmachines onzichtbaar hoog boven moeders hoofd, ver uit haar horizon. „Neen, Moeder, daar weet U nu heelemaal niets van.” En moeder berust daarin met gelatenheid. Over de nieuwste boeken in de wereldliteratuur hebben ze haar oordeel. „Neen, Moeder, heusch, dààrin bent U een beetje ouderwetsch.” En ze zijn ook in maatschappelijke vraagstukken veel dieper doorgedrongen, dan moeder, die er eigenlijk nooit in doorgedrongen is, omdat ze nooit een leeraar heeft gehad, die zijn sociaal-politieke inzichten ontwikkelde voor zijn onrijpe leerlingen. Ze zijn in alle opzichten moeder de baas: in lichaamskracht, in kennis, in ontwikkeling, in inzicht. En moeder denkt er het hare van: diezelfoverschatting is eigen aan dien leeftijd, kom, laat ieder de dwaasheid van zijn jaren genieten.

Doch zie nu, als die krachtige, verstandige, inzichtvolle zelfstandigheden in moeilijkheid komen, in zeer reëele moeilijkheid. Dan draaien ze om moeder heen, dan zijn ze onrustig, dan verliezen ze die sterk gevoelde zekerheid, en zijn weer de afhankelijke kinderen van ouds. Bij moeder schreien ze hun nooden uit, bij haar zoeken ze troost en voorlichting, al hun zelfstandigheid lost op, waar die met een verantwoordelijkheid gepaard gaat, die het onervaren hart niet dragen kan. Het is zoo gemakkelijk te redeneeren, te oordeelen, te veroordeelen, te phantaseeren, en zoo uiterst moeilijk te leven. In het redeneeren en phantaseeren, in het oordeelen en veroordeelen, zijn ze moeder verreweg de meerdere, maar als het op leven aankomt, als de problemen niet aan het hoofd of de phantasie, doch aan de daad oplossing vragen, dan moet moeder er bij komen, de onmisbare, en uit den nood helpen.

Dat is het humoristische in deze verhouding, dat de waanwijze zelfstandigheid om uitredding drentelt om de bescheiden hulpvaardigheid en, na de verlossing, straks toch weer in haar zelfoverschatting vervalt. Ach, wat hebben juist die ouderen moeder nog dringend noodig!

Een moeder is een wezen, dat alle waardeering verdient en zich goedig moet laten welgevallen, dat alle waardeering haar onthouden wordt. Haar invloed is zoo weinig tastbaar en meetbaar, dat hij der grovezelfzucht ontgaat. Maar 't is een moeder niet om waardeering te doen, 't is haar alleen te doen om moeder te zijn naar den drang van haar instinct. En ook alleen dan heeft zij succes.

Principiëel kan niemand moeder zijn. Men is het krachtens natuur en aanleg.

Eén der kenmerken der moeder is toewijding, zelfverloochening. Eigenlijk drukt dit laatste woord nog niet zuiver de bedoelde eigenschap uit. Het doet nog denken aan opzet, bewustheid, inspanning. Een moeder behoeft haar zelf niet te verloochenen, omdat ze geen zelf heeft. „Al mijn égoïsme zijt gij,” laat Hildebrand iemand zeggen. Dat is Moedertaal. Een moeder bestaat niet, alleen haar kinderen bestaan, en gelijk haar borst voedingsbron werd voor den zuigeling, werd dit heel haar bestaan levenslang voor de kinderen. Haar wezen is wijden.

Zóó is de Moeder. En waar zij zoo is, behoeft zij zich nooit bekommerd te maken over paedagogiek. Zij brengt paedagogiek voort. Die vloeit uit haar toegewijd leven. Die roept het kind in haar wakker als moedermelk. De mannen der wetenschap gaan tot haar en zien haar de paedagogiek af, die zij, onbewust van haar gave, zoo maar als levensrealiteit uitstroomt.

Maar dit geschiedt alleen, als zij waarlijk moeder is. Want er zijn ook veel onechte moeders, nog veel meer dan „onechte” kinderen. Die willen leven voor zichzelf, ja, begeeren dat de kinderen voor haar leven, alsof de zuigeling moeder moest worden. Dit zijnechter geen moeders, alleen voortbrengsters van kinderen.

De echte moeder zorgt altijd voor haar kinderen, zelfs nog na haar dood.

Een zeer goede vriendin schreef mij over de onoverkomelijke moeilijkheden, om in haar armoede een nieuwe woning te huren; woordelijk stond in dien brief na het droeve verslag van alle vergeefsche pogingen: „Verleden week was ik wanhopend, tot ik op een nacht met Moeder bezig was en ik haar hoorde zeggen: „Kind, verlies den moed maar niet, je komt er wel weer door.” En toen ik den volgenden dag er op uit trok, vond ik een woning.”

Voor de volkomen waarheid hiervan sta ik in, want die vriendin was mijn zuster, en haar moeder de mijne. Haar brief—zij weet het zelf niet—heb ik bewaard als een schitterend bewijsstuk van wat een echte moeder vermag, en wanneer ik dit citaat hier aan de openbaarheid prijs geef, het is—opdat het alle moeders zal overtuigen van haar buitengewone beteekenis voor de kinderen, en opwekken tot de heerlijke, gezegende taak, goede Moeders te zijn.


Back to IndexNext