VII. AFKEURING EN WAARDEERING.

Wie zich alleen door waarheid laat leiden en in de eerste plaats met haar te rade gaat, doet vaak nodeloos pijn.

Het is waar, dat uw gelaat lelik is, dat uw neus uw gehele uiterlik ontsiert. Is het nodig, dat ik u deze mijn mening vooral niet onthoud?

Grofheid, hardheid, onbeschaamdheid besparen ons menige krenkende en kwetsende ervaring niet, zogenoemd in dienst der waarheid. Dan menen ze aan de waarheid verplicht te zijn, ons vooral het onaangename te zeggen. Het aangename? Dat zou op vleierij kunnen lijken. Maar het onaangename. Dat is eerlik.

Ik geloof niet, dat dergelike eerlikheid goed doet. Ze maakt de spreker gevoelloos en onbarmhartig, berokkent de hoorder nodeloos verdriet.

Waarheid is een gevaarlike eigenschap, wanneer ze niet terzij wordt gestaan door kiesheid en liefde. Dan is ze een scherp mes, dat niet alleen zieke plekken opereert, maar ook in 't gezonde vlees snijdt en het lichaam verminkt. Ze ontstemt, verbittert, verhardt, wekt wrevel en weerwraak.

Waarheid moet ons heil beogen en alleen met dit doel aangewend worden. Zij moet voortvloeien uit liefde en geleid worden door liefde. Zij moetdienareswezen der Liefde. Eerst dan kunnen we haar zonder bezwaar gebruiken.

Dienares. Het lijkt een vernederende positie. De Waarheid—dienares! De Waarheid—waar de mensen zo groot van opgeven!

En toch, het is niet anders. Zij is middel. In dienst der boosaardigheid, der haat, een vreselik middel. In dienst der Liefde een heilmiddel.

„Al ware het”, zegt Paulus, „dat ik de talen der menschen en der Engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.

„De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen.

„Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.”

Kennis—zij zal te niet gedaan worden. En gelukkig, want wij, hardvochtige waarheidszeggers, „wij kennen ten deele.”

Maar „de liefde vergaat nimmermeer”.

„En nu blijft”, zegt de apostel ten slotte, niet waarheid, maar „geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.”

3)Naar het 250ste duizendtal van de Engelsche uitgave door G. Akersloot. Utrecht, H. Honig. 1912. Prijs ƒ 1,25.

Hoe weldadig werkt na afkeuring de waardeering. Doch hoe eigenaardig en hoe droevig, dat in 't menschenleven bijna altijd de eerste voorop gaat. 't Lijkt wel, of de menschen die u iets onaangenaams te zeggen hebben zich hiermee moeten haasten. Verzwijgen kunnen ze 't niet: dat zou hun „eerlijkheid” niet gedoogen; en ze gebruiken de eerste de beste gelegenheid—of ongelegenheid—om u te believen, gelijk ze meenen, doch eigenlijk om u te grieven. En als ze u dan getroffen hebben, diep getroffen, dan zwijgen ze en gaan heen.

Maar dan komt de milder gestemde, die ook oog voor uw goede eigenschappen heeft, en aarzelend, schuchter waagt hij het, u van zijn ingenomenheid te spreken. Den brief, dien hij reeds voor u geschreven had, heeft hij weer vernietigd, omdat hij vreesde van vleierij te worden beschuldigd of misschien van huichelarij. Niet waar, de eerlijkheid gebiedt ons alleen, onze naasten te kwetsen. Streelen is veinzen. Doch gelukkig, zulke „veinzers” zijn er nog, en de verscheurde brief moge al niet in uw handen komen, na maanden wordt er een tweede geschreven en die bereikt u wel.

Zaakonderwijs—o, daar meent die man mee, dat je de kinderen alles echt moet laten zien, en dat je geen woorden moogt gebruiken.

Wie zo spreekt, nu, die heeft het glad mis.

Geen woorden gebruiken?

Maar dat doe ik op dit ogenblik toch zelf, nu ik zaakonderwijs ga geven over zaakonderwijs.

Hoe zou een leraar in geschiedenis de zaken uit het verleden kunnen meedelen zonder woorden?

Als die man aan zijn jongens verhaalt van Napoleons tocht naar Rusland, zo levendig, dat de jongens er met hun hele hart bij zijn, dangeefthij zaakonderwijs, zo mooi als je 't maar denken kunt.

En als hij zijn jongens bracht bij oude gevels, dus bij de dingen, en hij opende hun ogen niet door zijn woorden, of hij liet ze documenten zien, b.v. handschriften, die ze niet begrepen, dan gaf hijgeenzaakonderwijs.

Zaakonderwijs—dat is, je leerlingen bij de werkelikheid brengen, zó, dat ze haar zien, de werkelikheid van het nabije of het verre, in plaats of tijd, op zinnelik of geestelik gebied. En daartoe gebruiken we de dingen, de modellen, de afbeeldingen, maar naast en zelfs bij dat alles toch ook de woorden. En daartegenoverstaat: formalisties onderwijs, waar geen leven in zit en dat geen leven wekt.

We gaan samen naar het Rijksmuseum, ik wijs u Rembrandt's Staalmeesters en zeg: Dit is een wonder van schoonheid. Gij zegt: die mannen met die hoeden? Van dat mooie zie ik niets. En toch is het zo, houd ik vol, want heel de wereld zegt het.

Heb ik u nu bij Rembrandt's schoonheid gebracht? Rembrandt was er in al zijn schoonheid, en gij waart er ook. Gij stondt tegenover elkaar. Maar er was geen aanraking. Die schoonheid bleef voor u verborgen. Ondanks uw geopende ogen zaagt ge niet. En nu bedoelt zaakonderwijs: uw ogen te openen, dat zewelzien. Zolang Rembrandt's schoonheid u niet ontroerd heeft, is al uw opgeven daarvan maar napraterij, formalisme, dode kennis. Daarom vordert zaakonderwijs twee dingen: de vatbaarheid van de leerling om te begrijpen, te gevoelen, en de kunst van de meester, om die vatbaarheid in werking te brengen. De gevoelige plaat moet er zijn èn 't zonnelicht, en anders krijg je nooit een photografie. De hele kunst van onderwijzen bestaat in het wekken der geesten, zodat de leerlingen—kleine en grote—zelf de stoffelike en geestelike realiteiten gaan zien en ervaren. En wie zulk onderwijs geeft—Fröbelonderwijzeres, leraar, predikant, professor—die geeft goed zaakonderwijs.

Onze gehele school, lagere en hogere, zit vol van pakhuiskennis. Kisten en balen vol worden geladen en overgeladen. Dat goedje leeft niet, 't is alles netjes ingepakt ter verzending. Hoeveel studenten in deletteren komen in aanraking met de ziel der dichters, verklankt in hun taal? Ze „leren” literatuur, zoals onze kleine studentjes in de lagere school leren: „Op de kleigrond worden verbouwd tarwe, haver, bonen, suikerbieten, vlas, cichorei, enz.” Hebben ze die, al is 't in de schooltuin bij de botanieles, ooit leren kennen? Neen, nimmer, tarwe niet, haver niet, bonen niet, suikerbieten niet, vlas niet, cichorei niet, en enz. ook niet. 't Hoeft ook niet, als ze 't maar kunnen opzeggen.

Daartegen nu gaat het pleiten voor zaakonderwijs. Niet tegen het opzeggen, maar tegen hetenkelopzeggen. Tegen de vernisbeschaving. Tegen de schijncultuur.

Alles stroomde de stad in. Uit de buitenwijken zag je overal donkere rivieren van saamgedrongen menschen zachtjes door de straten vloeien, over de pleinen en bruggen, naar het centrum: zwarte stralen van een vreemde komeet, die, door de kern uitgezonden, nu weer werden ingetrokken.

Hoe dichter je het midden der stad naderde, hoe dichter de massa werd, totdat eindelijk, in 't hart der stad, op het ongeveer ronde plein, een groote schijf van rusteloos krioelend leven alles ontving en na warrelende wiegeling weer uitstuurde.

't Was een feestavond, de stad was schitterend geïllumineerd, en natuurlijk het schoonst op het oude, uitgestrekte hoofdplein en in de voorname winkelstraten.

De menschen zochten het licht, evenals de avondvlinders.

Misschien was ik de eenige, die tegen den stroom introk. Al dat geflikker en geschitter, al die vurige lijnen en lichtkleurige slingers, al die stralende schoonheid kon me ditmaal niet bekoren, en ik ging, alleen, uit de heete volte naar de koelte, de leegte en de donkerheid van een nieuwe arbeiderswijk in een afgelegen grensgedeelte der stad.

't Was daar donkerder dan gewoonlijk. Alleen de straatlantaarns brandden. Het licht in de winkelkasten had men maar niet aangestoken: er zouden vanavond toch geen koopers komen en de winkeliers waren zelf ook de stad in.

De huizen hadden een ongezellig voorkomen. De meeste vensters waren donkere vlekken. Slechts spaarzaam zag je door een neerhangend gordijn wat gelig schijnsel. Dat was bij oudjes of zieken.

Een vredige rust omving me. Hoe stil was het hier. Ik hoorde mijn eigen voetstappen. Tusschen twee lantaarns was het donker genoeg, om hoog, heel hoog, de sterren te zien—fijnstralende goudpunten in blauwzwarten hemel—koele lichten der eeuwigheid.

Toen sloeg ik een zijstraat in, en daar zag ik, in de verte, lichtjes. Lichtjes aan den voorgevel van een huis. Een illuminatie!

Een eenzame illuminatie midden in de verlatenheid.

Ik ging er heen. 't Was een W van rood-geverfde latjes. Vier vetglaasjes in de bovenste rij, drie in de middelste, twee in de onderste. Met elkaar negen. 't Waren er niet veel, maar ze brandden alle zuiver. En ze werden niet overschitterd door helgele flikkering van vlammend gas of koudwitten glans van booglampen. Ze hadden hier het rijk alleen.

Boven de W waren twee bochten van geplooid vlaggedoek, met wat sparregroen, en aan beide uiteinden oranjestrikken, als ter weerszijden van een paardekop.

En onder de W zat op een stoel, naast de huisdeur, een jongetje van een jaar of tien: eenzaam figuurtje bij de eenzame illuminatie.

Ik bleef staan, om de verlichting rustig te bekijken.

Toen stond het jongetje op, maar nam eerst een paar krukken terzij van zijn stoel. Daarna wentelde hij zich met een eigenaardige slappe slingering naar mij toe, en stond met een paar zwaaitjes naast me.

Hij wachtte blijkbaar dat ik wat zeggen zou, verwachtte wellicht een woordje van lof, en daarom zei ik: „Wat een mooie W! En wat branden ze mooi!”

Toen kwam het mondje los, helder jongensstemmetje in de straatstilte, en ik hoorde de heele geschiedenis.

Die W had hijzelf gemaakt, met zijn vader. Eerst hadden zij een paar latten gekocht, en die hadden ze in stukken gezaagd, precies op maat, en die hadden ze aan elkaar getimmerd, een echte W. En 't was een groote, want toen hij op de tafel lag, staken de punten aan alle kanten buiten den rand uit. Maar dat kon Meneer wel zien. „Hij is bijna zoo groot als ik.”

Met liefdevollen trots keek de jongen naar zijn W op.

En toen had hij hem mogen verven, heelemaal alleen, rood, ziet u wel. En vader had er de ijzertjes in gestoken—eerst gaatjes geboord—en hem opgehangen. Dat vlaggedoek had moeder genaaid, op demachine, drie banen. En die strikken, daar, op zij, ziet u, had moeder ook gemaakt.

Kind—dacht ik—wat ben jij gelukkig!

En toen had vader er vanavond de vetglaasjes ingezet en die tegen donker aangestoken. En ze brandden dadelijk mooi.

Waar vader was? O, die was met moeder naar de illuminatie kijken. Zijn zusje was ook mee. Maar hij kon natuurlijk niet. 't Was te vol. Maar dáárom had vader met hem samen ook een illuminatie gemaakt.

Was hij dan alleen thuis? Neen, grootmoeder zat binnen. Maar die zat zeker een beetje te slapen.Ze was ook al oud. Maar daar straks was ze toch buiten geweest en ze had de W natuurlijk ook zien branden en ze vond het ook prachtig.

Zoo vertelde hij me alles. Hij zag wel, dat ik veel belangstelling had en dat ik genoot. Maar hij dacht, dat het alles zijn mooie W gold. Hij kon ook niet vermoeden, dat ik belang stelde inhemen genoot vanhem. Wat was hij? Maar die W!

Toen ik afscheid genomen had, ging het eenzame figuurtje weer zitten, dicht bij zijn W, zijn eigen W, door vader en hem zelf gemaakt. Voor ik aan 't eind der straat den hoek omsloeg, keek ik nog eens om. Het jongetje was niet meer te onderscheiden; maar zijn eenzame verlichting straalde nog op een afstand, midden in de omringende schaduwen.

Weer ging ik in mijn eentje verder door de stille straten, maar nu stadwaarts. En ik dacht: Zouden er vanavond velen zoo innig en zoo rustig en zoo dankbaar van de illuminatie genieten als dat lamme kind? Vaders liefde straalt hem uit de negen lichtjes tegen. En symboliseert de eerste letter van den naam onzer Koningin hier niet ook de Weelde van zijn eigen Werk? Het zelfgemaakte, het eigene, het niet overschitterde—is dat niet de reine bron van zijn onvermengd genot?

Wat maken we het ons toch moeilijk! En hoe vaak wordt onze levensblijheid vergiftigd door jaloezie en nijd!

De straatlantaarns verspreiden hun waaiers van geel licht nog over mijn verlaten weg. Maar als ik, in de schaduw tusschen twee lichtwaaiers, omhoog zie, tintelen daar weer de stille sterren. Die behoeven wat duisterheid om gezien te worden, als de vreugde van het eenzame jongetje.

Het geluk is een stemming.

Dat is dus iets heel ijls.

Je kunt het niet pakken, niet vasthouden, niet vóór je zetten, niet bij je steken, niet opsluiten.

Het is als het aroma van een bloem.

Maar dan eigenlijk nog precies het tegenovergestelde.

Want de bloemengeur is iets zwevends, we kunnen hem opvangen, verdichten, vloeibaar maken, meedragen, er ons mee verkwikken wanneer we willen.

Doch het geluk is niets, absoluut niets. Men kan niet zeggen: het is minder dan het denkbaar kleinste stofdeeltje, want dan zou het, bij toeneming, bij vermenigvuldiging, misschien nog éénmaal op te vangen zijn, op de fijnste punt van de fijnste naald. Maar het is met geen stofdeeltje te vergelijken, het is met niets in de wereld te vergelijken, het bestaat niet in de wereld. Zelfs niet in het heelal. 't Is dan ook onzin te spreken van het ijle geluk. IJlheid en dichtheid komen alleen te pas in de wereld der stof. Wat ijl is moet onder omstandigheden ook dicht kunnen worden. En zoo moeten we dus onze uitspraak, dat het geluk iets heel ijls is, weer intrekken. Het is iets volmaaktanders. Het is—dat is het meest juiste wat we er van kunnen zeggen—het is niets.

En toch is het zoo werkelijk als dit blad papier, zoo reëel als een tafel. We nemen het zoo zeker waar, als dien stoel, als dien schreeuw, als dien geur. We zien het niet, hooren het niet, ruiken het niet. Maar het is er, en zóó stellig, dat we soms den stoel niet zien, den schreeuw niet hooren, den geur niet ruiken, omdat we alléén oogen en ooren hebben voor het geluk. Ja, àl het bestaande, àl het omringende verdwijnt dan voor het geluk, dat eigenlijk „niets” is, maar dan alléén bestaat, en het zoogenaamd werkelijk bestaande wordt niets.

Het is dus dwaasheid te spreken van kleiner dan een stofdeeltje. Het geluk is reusachtig groot. Het neemt den omvang aan van kamers, van huizen, van straten, van pleinen, van wouden, van wolken, van het luchtruim. Het vult een hoekje van een eenzaam hutje en het gansche heelal. Wáár we dan liggen of wandelen of zweven, overal ontmoeten we het.

Als het zoo werkelijk en zoo groot is, kunnen we het ons toch wel toeëigenen? Dat beproeven de menschen dan ook, honderden en duizenden en millioenen. Misschien wel allen. Dan gieten ze het in een glas en noemen het drank. Dan tellen ze het uit in een kist en noemen het geld. Dan vlechten ze het tot een krans en noemen het roem. Maar als ze dan het glas ledigen, was 't geluk er juist uit verdwenen. En als ze 't geld in de hand houden, voelen ze 't geluk nietmeer. En als de krans hun hoofd siert, drukt hij met zorg, angst, wangunst, omdat het geluk, nog net tijdig, aan de lauwerbladeren ontsnapt was.

Het is een wonderlijke verschijning, dat onwerkelijke en toch zoo waarachtig werkelijke, dat ongrijpbare en toch alom aanwezige, dat eeuwig gezochte en eeuwig ontvluchtende.

Wat is het een zegen, dat het geluk maar een stemming is.

Ware het een goudklomp, dan zouden we er om moeten strijden en ten slotte zouden alleen de sterken het in hun bezit hebben.

Ware het een hooge rang, dan was het nooit voor een laaggeborene en eenvoudig aangelegde beschikbaar.

Ware het een kunstwerk, dan konden alleen de artisten er naar streven.

Maar het is zoo iets vaags en algemeens als de dampkringslucht. Je hapt maar en je hebt het. Of je zwak bent of sterk, arm of rijk, simpel of wijs, alledaagsch of begaafd, je hapt maar. Keizer of landlooper, het geluk is bij ieder en voor ieder, zooals het water om de visschen.

Doch zóó is het toch niet precies.

't Is nietomons, maarinons. En het trekt er niet van buiten in, maar moet van binnen uit ontwikkeld worden. Bloemen ademen geuren uit. Zoo ontvloeit als een opwekkend aroma aan ons innerlijk leven de geluksstemming.

Nu is het de moeite van 't opmerken waard, hoe dat innerlijk proces onafhankelijk kan werken van allerlei buitenafsche invloeden, hoe deze zelfs vaak ontbindend en bedervend invreten in dien teeren, nauw-luisterenden groei daar binnen. Rijkdom, rang, roem, ze vernielen het geluk, dat zoo rustig wasemde in bescheiden, nederigen, vergeten staat. Zinnestreeling, zielsbekoring, ze vergiftigen de vredige stemming, die, tot stralende verrukking gestegen, inzinkt tot donkere dofheid. Kracht doet in overmoed, wijsheid in zelfvergoding het geluk vervluchtigen. Zoo werkelijk als het is, zoo schuw. Het vliedt voor een schim. Maar ook, ondanks zijn teerheid, kan het sterk zijn als diamant. Het weerstaat ziekte, armoede, vernedering, zelfs gezondheid, rijkdom, verheffing. Het blijft trouw in tegenspoed, zelfs in voorspoed. Het ontplooit zijn stemmingsschoon onder alle, de meest tegenstrijdige omstandigheden, het is de schijnbaar grillige, onafhankelijke heerscher, die zijn troon stelt waar hij wil.

De naar 't uiterlijk misdeelden soms begenadigend, de naar 't uiterlijk bevoorrechten zijn zegen onthoudend.

Voor ieder toegankelijk, door niemand te dwingen.

En toch door zoo weinigen anders dan kortstondig genoten.

Waarom?

We willen toch wel het geluk?

Ik vrees, dat velen meenen, dat het een goudklomp, een hooge rang, een kunstwerk is, en dat ze nu altijd maar den verkeerden kant uitkijken.

Slechts een stemming. God heeft het zijn kinderen wel gemakkelijk gemaakt. Waarom makenzijhet zich zoo moeilijk?

Het geluk is slechts een stemming.

Doch is dit een voordeel?

Een stemming....

Ware het liever goud of rang of kunst of kracht, dan konden we, met een vast doel voor oogen, het wellicht door volhardende inspanning veroveren. En als we het dan eenmaal hadden, dan hádden we het ook.

Of, nog beter, ware het kennis!

Dat zou inderdaad het beste zijn. Want kennis kan immers iedereen verwerven?....

Hoe zullen we in vredesnaam ons een stemming verzekeren!

Zij mag dan zoo eenvoudig, zoo overal en altijd beschikbaar en bereikbaar wezen, hoe krijgen we ze, hoe onderwerpen we haar ons, hoe verzamelen we haar in een accumulator?

Zij is niet aan gezondheid, rijkdom, eer gebonden. Maar waaraan dan wel?

Ze is ook niet aan ziekte, armoede, schande verknocht, anders konden we, als de vroegere monniken en bonzen en derwischen, ons lichaam verwaarloozen, zelfs kerven, de woestijn in trekken en de bespotting der wereld winnen.

Ze stoort zich niet aan kennis. Zelfs niet aan deugd.

Dat laatste is wel het droevigste, het bitterste, wat er is: Het geluk stoort zich niet aan deugd. We zijn hulpvaardig, inschikkelijk, waarheidlievend, eerlijk tot op een penning—en toch niet gelukkig? En daar zijn anderen: zelfzuchtig, hardvochtig, leugenachtig, oneerlijk—en toch wel gelukkig?

Doet het er dan niets, niets aan toe, wat we zijn of hoe we zijn, wat we doen of hoe we dat doen?

Loopt er dan nergens een grenslijn door de physieke, de oeconomische, de sociale, de geestelijke, de zedelijke wereld, zoodat we met zekerheid kunnen zeggen: Aan deze zijde waait onafgebroken de zoele wind van het geluk? Hier, waar de palmen en olijven wassen, daar stijgen ook de wierookgeuren der geluksstemming?

Wanneer er nu eens een mensch was, gezond, sterk, welvarend, hooggeplaatst, veelwetend, verstandig, wijs, braaf—zou hij gelukkig zijn? Zou het geluk 't product zijn van al die factoren? Of zou er één, één heel geringe invloed kunnen werken, die dit productsgeluk tot in 't hart vergiftigde?

Er schijnt een grenslijn te zijn, maar die volgt niet de punten, door ons aangegeven. Ze loopt door den leeftijd, en scheidt kinderen van ouderen.

Kinderen ziende, in hun vrijen, niet door volwassenen beroerden staat, moeten we wel onder den indruk komen: Wat zijn zij gelukkig!

Een arm schooiertje, nauwelijks vijf jaar, drenteltin zijn havelooze plunje door de straat. Het motregent. Een dame, achter de ruiten, beklaagt het arme kind. Hij hoort dit gelukkig niet en zingt: Weg met de Sociale, leve Willemien, de handen in den zak, den mond wijd open. Van Sociale weet hij niet, van Willemien evenmin. Maar er zingt iets in hem en dat pakt de klanken die toevallig in de lucht zweven.

Twee kleine meisjes, vierjarigen, loopen op het trottoir. Ze steken de straat over, kleine scheepjes, drijvend in de menschenzee. Eensklaps rolt, onvoorzien, een zwaarbeladen kar vlak bij hen. Nu komen ze op een meneer af, een wildvreemde, en geven hem een handje. Vol vertrouwen. Doch pas is 't gevaar geweken, of ze laten den meneer weer los en vervolgen hun tocht. Zonder bedanken. Ze zeggen niet eens: Dag Meneer! Ze reizen onbekommerd door 's levens moeilijkheden en grijpen de hulp aan van 't oogenblik.

Een familie is met één slag van schatrijk straatarm geworden. De ouders zijn der wanhoop nabij, de dochters zitten gebroken, met roodbeschreide oogen. Het groote landgoed met villa, koetshuis, personeel—alles weg. Er komen gedachten aan zelfmoord. Alleen de zevenjarige Henri voelt er niets van, en speelt op zijn fluit. „Maar Henri, hoe kun je fluiten, je weet toch dat we nu arm zijn,” zegt een zuster, zacht-verwijtend. „Mag een arm jongetje dan niet fluiten?” vraagt Henri.

Een meisje van vijf jaar zoekt kiezelsteentjes in den tuin, platte. Dat zijn guldens, en daar koopt ze allerleidingen voor, ginds in den winkel van den kastanjeboom. Ze koopt zich rijk met niets. Dan toovert ze, van haar guldens, kinderen die naar school gaan, en de school is daar in dien hoek, op het plaatsje achter 't huis.

Zou er op de geheele wereld iemand met zijn edelsteenen goedkooper, volkomener, veiliger gelukkig zijn dan dit kind met haar kiezelsteentjes? Is er één opera-zanger ter wereld, die onbezorgder geniet dan dit zingende schooiertje? Gaan er ooit meisjes in dreigend gevaar—vertrouwenvoller naar vreemde meneeren? En waar is een wonderer tooverfluit, dan die in de vingers van den rijken armen Henri?

Nergens bloeit het geluk, de zuivere stemming, zoo rijk, zoo natuurlijk, zoo onafgebroken als in de kinderwereld. Hildebrand heeft verhaald van kinderrampen, maar waren die niet hoofdzakelijk uit de wereld der volwassenen geimporteerd?

Wie gelukkig wil zijn, blijve een kind. Dan zingt hij zijn vreugde uit in den motregen, vertrouwt op de hulp van het moment, werkt zich niet ziek voor diamanten en hecht meer aan de fluit, die hem trouw blijft, dan aan 't landgoed, dat zich verspeculeeren laat.

Indien gij niet wordt gelijk deze kleinen, gij zult het koninkrijk der hemelen geenszins binnengaan.

Een kind blijven, opnieuw een kind worden, is dat mogelijk?

Blijven—dat wordt den kinderen moeilijk genoeggemaakt, door Ooms, Tantes, Grootouders, door hun eigen Ouders, door het heirleger van volwassenen. Dezen—men rekent ze soms tot de opvoeders—roepen door geschenken de hebzucht, door sieraden de ijdelheid, door lof de eerzucht, door vleierij de jaloezie wakker. Het kind is niet gelukkig, als het niet een schat van speelgoed, mooie kleeren en de bioscoop heeft. Men wekt begeerten, maakt ontevredenen.

Opnieuw een kind worden—dan moeten we ons onttrekken aan de zuiging der wereld, die ons hardnekkig voeren wil in haar sfeer van kostbare en rustroovende zotheden. Wij moeten durven zingen, zonder te letten op haar critiek; durven genieten van de weiden, de boomen, de wolken, de sterren, de vogels, gelijk het kind van zijn steentjes; de vredestemming van een eenvoudig genot hooger schatten dan de zorg van een omvangrijk bezit; en ons durven loslaten in 's levens zee, onder alle omstandigheden vertrouwende op een Macht, die wij bij de hand kunnen vatten.

Zullen we dan verzekerd zijn van altijd-durend geluk?

Licht komt alleen uit tegen duister. Geen geluksstemming zonder ervaring der smart. Deze laatste zal ons niet bespaard blijven. Maar het is droevig te zien, hoeveel menschen de zuivere stemming verjagen, die ze wilden verwerven, gelukzoekers in het land van zorg, schijn en slavernij, waar 't geluk niet te vinden is.

Een strenge eisch?

Niet zoo erg.

Er staat immers niet: Doe al het goede. Er staat ook niet: Doe het moeilijkst goede.

Er staat alleen: Doe het goede. Welnu, doe dat dan.

Er staat een bak aardappelen om te schillen. Schil die.

Of dat dan iets goeds is?

Wel, natuurlijk. Er moet toch gegeten worden? En daartoe zijn toch aardappelen noodig. En die moeten toch eerst worden geschild?

Aardappelen-schillen, dat is: medewerken aan het onderhoud van het menschelijk geslacht. En zou dat niet iets goeds zijn?

Sommigen denken bij het woord goed aanstonds aan de zelfverloochening van een heilige.

Ten onrechte. Dan kwam de meerderheid onzer nooit aan het goede toe.

Maar goed is: Schoenen poetsen, vaten wasschen, bedden opmaken, administratie bijhouden, kinderen verzorgen, een scheepsdek schrobben, den vloer vegen, tuinboonen doppen, onkruid wieden, zieken oppassen,orde handhaven, vleesch braden, huizen bouwen, schoenen lappen. En duizend dingen meer.

We hebben de hand maar uit te strekken en het goede ligt onder haar bereik. Overal omringt het ons. Gelukkig. Zonder een heilige te zijn, kan ieder onzer dag aan dag het goede doen.

Doe dat dan. En doe het goed.

Poets de schoenen—zoo, dat ook de randen en de hakken glimmen. Wasch de vaten—zoo, dat alle vet verdwenen is, ook uit de hoekjes. Maak de bedden op—zoo, dat een mensch lekker ligt. Voer de administratie—zoo, dat alles er behagelijk uitziet en uitmunt door nauwkeurigheid. Braad het vleesch—zoo, dat het niet verbrandt. En lap de schoenen—zoo, dat er geen pennen of spijkers door steken.

Doe uw werk onberispelijk, hoe eenvoudig het zij. De eisch is uiterst bescheiden. Alle noodig en nuttig werk is goed.

Maar och———

In een groot gebouw had men een werkvrouw, die de vloeren inderdaad onberispelijk schrobde. Als zij een vloer gedaan had, was deze blank.

De vrouw werd eindelijk te oud en te zwak voor haar werk. Toen zocht men jonge krachten, die haar taak konden overnemen. Men beproefde het met frissche, jonge meiden, met jeugdige weduwen, zelfs met jonge mannen, glazenwasschers van beroep. Maar niet één schrobde de vloeren blank. Ze flodderden en dweilden, maar als den volgenden morgen de vloer droog was, zat hij nog vol vuile strepen envegen en plekken. En langs de randen der muren was het één donkere lijn van vuil.

Al die jonge, krachtige menschen, die zich voor werkvrouw uitgaven, waren niet in staat een vloer te schrobben. Ook niet de deskundige glazenwasschers. En de oude werkvrouw bleek een unicum geweest te zijn.

Het goede doen? Er zijn zeker genoeg bereidwilligen.

Het goedegoedte doen? Dit geschiedt alleen door de zeldzame uitzonderingen. De overgroote meerderheid is niet in staat, meer dan zestig procent der eischen te voldoen.

Er was een arme jongen, die door het sterven van zijn vader al vroeg uit geldverdienen moest. Hij werd loopjongen in een winkel. Pakjes bezorgen, dat was inderdaad een uiterst bescheiden werk. Volgens sommigen heb je daar geen verstand voor noodig, zooals b.v. voor het inschrijven van bestellingen, optellen van posten, klaarmaken van rekeningen. Verstand is pas noodig, zoodra er geschreven en gerekend moet worden. Maar onze jongen bleek toch dat overbodige verstand te gebruiken. Eer hij uit den winkel ging, keek hij opmerkzaam de adressen na, trok nog eens aan de touwtjes, of ze behoorlijk toegeknoopt waren, sorteerde de pakjes, zoodat hij er een paar meer kon dragen dan een ander, bepaalde een vlugge route. Doordit alles was hij reeds vlug met zijn werk gereed. Zelfs kon hij nu en dan vergissingen voorkomen, door tijdig de onderstelling te opperen, of een zeker voorwerp wel aan dàt adres moest worden bezorgd. Hij wist, door ervaring, hoe en waarmee bepaalde klanten bediend moesten worden. Zijn aandacht zat in zijn werk en dwaalde niet, onder 't loopen, naar alle gevalletjes, die buiten zijn taak lagen. En zoo werd hij een nadenkende, eigenlijk een voordenkende loopjongen.

Natuurlijk sprongen zijn verdiensten gauw in 't oog. Een loopjongen, die geen standjes behoefde te krijgen voor stommiteiten, dat was al een wonder, maar een, die pluimpjes verdiende met verstandige zorg en gewetensvolle trouw, dat was een mirakel. Onze vriend had zelf geen aasje idee van eenige bijzondere verdienste; het sprak voor hem vanzelf, dat hij zijn werk goed deed; het controleeren van adressen en inpakkerijen kon hij eenvoudig niet nalaten; hij had er bovendien een zeker plezier in, de kortste route te vinden en onderweg rekening te houden met tal van bijzonderheidjes, zoo bijv. met het feit, dat meneer A. op bepaalde uren niet thuis was of mevrouw B. het snelst hielp tusschen tweeën en halfdrie. Zijn werk zat vol problemen, en zonder dit als iets gewichtigs te beschouwen, was hij aanhoudend bezig, die problemen te stellen en op te lossen.

Die jongen klom op tot winkelbediende, tot eersten bediende, tot chef van een groot magazijn, tot directeur eener reusachtige zaak. Hij had ook leger-commandantkunnen worden of eerste minister. Dat hing maar van omstandigheden af. In welke richting hij zijn levensarbeid had gevonden, hij zou er geslaagd zijn en een der hoogste trappen bereikt hebben, terwijl zijn vroegere kameraden het niet verder hadden gebracht dan van loopjongen tot loopknecht. Vele menschen maken alleen promotie in leeftijd en als het van hen afhing, zouden ze niet eens ouder worden.

Er zijn mededingers naar allerlei betrekkingen, die het in een aantal prachtige aanbevelingen zoeken. Ze leggen letterlijk een verzameling van getuigschriften aan, alsof de leegte van een vacante plaats met zoo'n pakket gevuld moest worden. Iedere sollicitatie wordt gerugsteund, om niet te zeggen voortgeperst, door de dringende en haast dwingende opsomming van hun deugden. Die getuigschriften lezende—als men er den tijd voor af kan nemen—vraagt men zich met verbazing af, waarom al die vroegere patroons toch zulk een rijkbegaafde hebben laten schieten. Men zou zoo denken, dat iedere chef overgelukkig behoorde te zijn met zulk een medehelper. Doch al de overige bezitters zijn blijkbaar niet naijverig geweest op dit kleinood en hebben het in schitterende verpakking doorgezonden.

Maar één getuigschrift is er, dat absolute waarde heeft: het getuigschrift, dat een patroon iemand niet missen wil, omdat hij hem bijna niet missen kàn. Ten slotte komt de ondergeschikte dan niet met zijnverzoek bij de superieuren, maar komen dezen met hun aanbod bij den ondergeschikte, in wien ze superieure gaven waardeeren.

Het heet, dat men in onzen tijd er komen moet met kruiwagen en reclame. 't Is mogelijk, dat in bureaucratische kringen, waar zelfstandigheid niet gewenscht, zelfs niet geduld wordt, de aanbeveling het vaak wint van de verdienste: machineraderen kunnen gemakkelijk een andere, schijnbaar voorname plaats in het raderwerk innemen, ze passen overal. Maar waar het maatschappelijk leven nog niet verbureaucratiseerd is, waar nog gewerkt en geworsteld moet worden, waar persoonlikheden noodig zijn en geen raderen, waar men niet slechts behoeft te „loopen”, maar genoodzaakt is te presteeren, daar helpt kruiwagen noch reclame, daar zouden onbenullige middelmatigheden de zaak ten gronde richten, daar baat slechts één aanbeveling, de aanbeveling van éígen werk, dat van verstandelijke gaven getuigt; maar bovenal van den zedelijken dwang: het goedegoedte willen doen.

'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten:Op 't slijten komt het aen.Constantijn Huygens.

'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten:Op 't slijten komt het aen.Constantijn Huygens.

Constantijn Huygens.

„Rusten maar”, zei de dokter. „Rusten maar. Is veertien dagen niet genoeg, dan een maand. Is een maand niet genoeg, dan drie maanden. Is drie maanden niet genoeg, dan een halfjaar. Ja eigenlijk—zoo besloot hij—eigenlijk moesten de menschen in dezen tijd, die 't wat erg druk hebben, of—klonk het er ietwat verwijtend bij—die zich wat erg druk maken, zoo om de zes jaar er eens een halfjaar uit, heelemaal eruit! Dat zou ze opknappen!”

De patiënt, tot wien hij die kleine speech hield, lag maar geduldig te luisteren en maakte onderdehand het plan, dat hij, als hij 't eens voor 't zeggen kreeg, zoo'n halfjaar vacantie om de zes jaar zou proclameeren. Maar om 't zoo ver te brengen, dat zijn invloed dit kon bewerken, moest hij niet rusten, maar werken. En zijn onrustige geest was al weer bezig.

„Neen”, zei de dokter, „rusten is niet volslagen luieren, maar onverplichten arbeid verrichten, arbeid, die niet van je geëischt wordt, die je niet jaagt en drijft, en dien je kunt laten liggen als de ambitieverflauwt. Rusten is: met kalmte en opgewektheid bezig zijn.”

„Mag ik lezen?”

„Welzeker, maar nog liever boomen omhakken. Doch je mag ook wel lezen, maar neem dan iets anders dan waarin je den laatsten tijd verdiept bent geweest.”

En de man van 't werkend rusten greep een deel van Huygens. Hij had al meermalen ondervonden, wat kalme opgewektheid er in de verzen van dezen zeventiend'eeuwer leeft en hoe die uit de verzen op den lezer overgaat.

De zakelijke Huygens, de man van het werkelijke leven, de blijmoedig belangstellende dichter, die de mysteriën van 't aardsche leven vol vertrouwen aan God overlaat en zich aan zijn dagelijksche plichten wijdt, deze moest zijn invloed weer eens doen gelden op een der zonen van den onrustigen nieuweren tijd. Kom, kloeke, kalme, krachtige voorzaat, spreek nog eens tot een uwer „overspannen” nakomelingen en giet hem iets in van uw vrede en sterkte.

Zullen we samen Hofwijck bezoeken? Daar is misschien het stille plekje, waar we buiten de beslommeringen der Hofstad weer langzaam op adem kunnen komen. Aanlokkender naam dan Hofwijck is er niet voor wie de rust behoeft, geen prettiger gezelschap dan dat van Huygens voor wie het leven, de natuur, 't menschelijk vernuft in gelijken mate bemint. Naar Hofwijck dan. Terecht zingt de dichter zelf: „Eens moet het Hofwijckzijn.”

Zie, daar dwalen we al door de lanen van het rustige Buiten en zijn met den gastvrijen eigenaar in gesprek. We klagen hem onzen nood, en klagen daarbij de eeuw aan, die met zijn spoor en telegraaf, zijn boot en telephoon, met zijn fluitende of bengelende stoomtram tot zelfs in de afgelegenste hoekjes van 't land, den mensch nergens met rust laat.

Al dat krantengeschrijf, met ochtend en avond nieuwe emoties; al die wereldberoeringen, dagelijks overgebracht in iedere huiskamer; al die lectuur, die den dokter in zijn coupé en den reiziger in de trein zelfs niet loslaat, en die straks de voetgangers op den openbaren weg vergezelt en hen maakt tot lezende wandelaars en renners, die geen seconde tijd ongebruikt willen laten voor hun geestelijke inwikkeling; al dat gevecht in 's lands vergaderzaal en 's volks meeting—'t vermoordt ons.

Lezend en tobbend over de Dreyfuszaak, zijn we bezig ons zelf tot bannelingen te maken uit den kring van het rustige, vreedzame, kalme leven; levend en strijdend in den boerenkrijg, laten we ons kwetsen en dooden zonder een slagveld te hebben betreden.

Belangstellend in alle gewichtige feiten van den dag, verliezen we 't belang van ons eigen leven uit het oog.

En zoo raken we ten slotte—overspannen.

Ja overspannen, dat is een woord en een kwaal van den nieuweren tijd.

Vroeger kende men dat niet.

Toen was 't leven gezonder.

Toen waren de menschen krachtiger van zenuw en spier, beter van bloed.

Toen groeide en bloeide een forsch geslacht van fiksche mannen en blozende vrouwen en dartele, joelende kinderen.

Toen was 't de tijd voor bakkers en brouwers en kende men geen specialisten voor allerlei kwalen, zenuwartsen, zenuwinrichtingen, zenuwbaden, en de hemel weet wat gezenuw of gezemel nog meer!

Toen...

Doch de luisterende dichter legt onze ratelende tong een oogenblik het zwijgen op; hij begrijpt uit dat onafgebroken gepraat wel, dat we overspannen zijn, doch kalmeerend voegt hij erbij: „Ook ik,

'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten.”

'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten.”

Maar nu staan we verslagen. Hoe? Hij? Hebben we wel goed verstaan? Een der kloekste zonen van dat kloeke voorgeslacht, zou hij overspannen zijn geweest?

Doch hij spreekt niet van „overspannen”—hij spreekt van „over-reckt”—is dit mogelijk iets anders?

Doch neen, of we de snaar te sterk spannen of te sterk rekken, 't komt beide op hetzelfde neer. Oorzaak en gevolg zijn ook in beide gevallen dezelfde: we willen een hoogen, helderen toon doen klinken, en—

„de snaer, die heldste luijdt,Scheidt d'eerste menighmaal van leven en van Luijt,Verkracht en over-reckt.”

„de snaer, die heldste luijdt,Scheidt d'eerste menighmaal van leven en van Luijt,Verkracht en over-reckt.”

Willen we alle snaren van leven en luit zoo lang mogelijk behouden, laten we dan—een toontje lager zingen!

Ja, laten we een toontje lager zingen.

We willen ook zooveel, en dat vele willen we zoo gauw.

We willen in ons huisgezin ideale ouders voor onze kinderen zijn, hen opvoedend met liefde en wijsheid; we willen van die kinderen alles nagaan, ieder trekje van hun aard kennen en de juiste middelen aanwenden, om de zich openbarende gebreken reeds vroegtijdig den kop in te drukken. Ideale ouders, ter vorming van ideale kinderen!

En we willen voortreffelijke onderwijzers zijn, die van ieder kind der klasse een studie maken, en de fouten der leerlingen in den grond trachten te verbeteren; onderwijzers, die van de tallooze kleinere en grootere conflicten en mislukkingen de oorzaak steeds bij zichzelf zoeken en dientengevolge gebukt gaan onder de neerdrukkende macht eener onafgebroken zelfveroordeeling.

En we willen, ons ergerend aan allerlei misstanden en wanverhoudingen in de organisatie der onderwijswereld, gruwend van de examenvloek die een groot deel van ons onderwijs met lamheid slaat, walgend van de methodiekvergoding met haar overschatting van de verstandelijke ontwikkeling, verontwaardigdover de lakschheid en de lamlendigheid, waarmede zoovelen voortgaan jaar in jaar uit de jeugd van een heel geslacht te kwellen en te bederven, toornend over de zelfzucht en de gemakzucht, waarmee dressuur gehandhaafd blijft tegenover den schreeuwenden eisch der jonkheid naar een natuurlijken groei—we willen gansch ons onderwijs hervormen en daartoe al wat zich aan 't onderwijs wijdt bezielen met hervormingsijver.

En we willen nog meer. Ook buiten de school klinken ons noodkreten in 't oor, en we mogen, we kúnnen ook daarvoor onze ooren niet sluiten.

De arbeider roept ons op, en vraagt, indien we hem dan waarachtig goedgezind zijn, waarom we niet meewerken aan de opheffing van zijn loonslavernij.

En de vrouw roept ons op, en vraagt, indien we dan waarachtig de vrijheid vanelkenmensch liefhebben, waarom we ons niet mede aangorden tot den strijd voor háár recht, om ook in wettigen en wettelijken zin meer te zijn dan een misdadiger of een idioot.

En de geestdriftige kampioen voor onthouding aller zin- en zielbedervende prikkels, de liefdevolle en onvermoeide bestrijder van drankgebruik—dat in elken vorm drankmisbruik is—hij wendt zich tot ons met al de kracht van zijn overtuiging en al de warmte zijner menschenmin, en vraagt, waarom we van verre blijven staan bij den strijd tegen dien kanker der huiselijke eendracht en der volkswelvaart.

En zij, die niet het dier wenschen op te offeren aan den lust en de luiheid van den mensch, maar dieintegendeel een deel van zichzelf willen geven ten behoeve van het geminachte en mishandelde schepsel, dat redeloos genoemd wordt door hen die 't in hun redeloosheid vertrappen, ook zij vragen uw instemming, uw steun, uw medewerking.

En de vriend van den wereldvrede roept ons op, en overtuigt ons, dat we niet slechts het zilver onzer beurs, maar ook de warmte van ons hart, de scherpte van ons verstand, de kracht van ons woord aan de groote en goede zaak der volkrenliefde moeten wijden.

Och, overal en altijd hooren we de noodkreten der lijdenden en zachtkens daar tusschen door de teere liefde-klanken der helpers. En verwijtend vraagt ons geweten, waarom we niet mee arbeiden door de stille werking van ons voorbeeld, waarom we ons niet mede scharen onder de vaan der moderne kruisvaarders en met hen optrekken naar het heilige land van eendracht, liefde, geluk.

En we móéten luisteren en mede-arbeiden. We moeten luisteren en mede optrekken. De lendenen omgord!

Liever bezweken op den donkeren, moeilijken weg, dan in zelfzuchtige koestering het leven genoten!

Liever bezweken......

Liever bezweken? En zij dan, die in de eerste plaats recht op onze zorg hebben, de kinderen, die wij in 't aanzijn hebben geroepen? Moeten die dan maar aanhun lot worden overgelaten? Of aan de zorgen van anderen opgedragen?

En de vrouw, die lief en leed met ons deelen zou en die we nu voor 't leed alleen laten zitten?

Niet elke mensch heeftrechtom te bezwijken.

Wie eenmaal zekere ernstige verplichtingen op zich heeft geladen, dient te zorgen, dat hij die verplichtingen kan nakomen. En trouw in het kleine is beter dan mislukking in het groote.

Alleen hij, die de volle beschikking heeft over zichzelf, mag zijn geheelen persoon wijden, desnoods opofferen aan het algemeen welzijn. Doch ieder, die de belangen van andere personen of zekere instellingen te behartigen heeft, dienthiervoorin de eerste plaats zijn krachten te besteden en te sparen. Wat hem, naarbeidènrustènontspanningdan nog aan krachten overblijft, mag hij—moet hij—aanwenden ten behoeve dier tallooze misdeelden, wier nood zoo dringend om zijn bijstand roept.

De wijsheid der Ouden:Est modus in rebus4)geldt niet alleen bij de bevrediging onzer lichamelijke behoeften en zinnelijke neigingen. Er is onmatigheid in eten en drinken, doch er is ook onmatigheid in—'t bestrijden der onmatigheid.

Wie als vurig ijveraar voor de geheel-onthouding tenslotte zijn gezondheid verwoest en zijn gezin dreigt te ruïneeren, zondigt door onmatigheid. En de droevigegevolgen dezer zonden laten zich—als altijd—niet wachten.

Wie de belangen van tallooze goede instellingen op maatschappelijk gebied met zooveel kracht verzorgt, dat hij tenslotte zijn heel gewone dagtaak niet meer met blijmoedigheid kan verrichtten, zondigt evenzeer door onmatigheid. En er is iets tragi-komisch in, dat de man, die de wereld hervormen wil, zijn eigennederigenarbeid moet laten liggen, niet door oorspronkelijk gemis aan kracht, maar door overschatting van kracht.

Dit zijn heel nuchtere opmerkingen en overwegingen, doch de feiten dwingen ons wel eens naar die overwegingen te luisteren en er ons voordeel mee te doen. We kennen er te velen, die, wanend of wetend te werken voor andrer heil, dien arbeid zagen uitloopen op eigen en andrer onheil.

En onze tijd is in dit opzicht een gevaarlijke tijd, die 't op de snelle slooping van ons levensmateriaal schijnt toe te leggen. Er is dan ook geen twijfel aan, of naast de roepstemmen om hulp zullen straks steeds meer en luider ook de waarschuwende stemmen klinken, dat de helpers zich niet tot hulpbehoevenden mogen maken. Een ieder kenne zijn kracht.

Dat overigens ook vroeger eeuwen het euvel der overspanning hebben gekend bewijst wel het woord van een zoo wijs en ervaren man als Huygens. En niet minder treffend spreekt het uit den raad, ons door Schiller gegeven:


Back to IndexNext