„Het lijkt wel, of de katten hier 's nachts net zoo huishouden als bij ons,” zei mijn vrouw. En zij had gelijk. Wie in een stad woont, weet, hoe op sommige tijden van 't jaar, de katten van je buren en dan nog enige zwerfkatten kunnen krijsen en blazen in het tuintje achter je huis.
Datzelfde geluid nu horen we hier haast elke morgen, heel in de vroegte, zoo om een uur of vier. En ook 's middags en 's avonds.
't Komt echter niet van katten. Die zien we niet. Maar aan de overzij van de zandweg, waaraan ons pension ligt, verrijst een mooi dennebos, hoge, bruinstammige dennen met donkergroene kruinen. En daaruit komt het harde gekrijs. Enige mooigevederde vogels vergasten er ons op.
Reeds meermalen is het opgemerkt, hoe groot verschil er wezen kan tussen de bevedering en de stem van een vogel. De volle orgelklanken van de nachtegaal schijnen even weinig bij zijn vale veertjes te behoren, als de onwelluidende schreeuwen van de papegaai en de pauw bij hun schitterende tooi. En zo is het ook met onze overburen in het dennenbos. Ze krijsen afgrijselik, maar hebben een prachtig verenkleed.Zieje ze, dan noem je zeVlaamse gaai, er is in de klankvan deze naam zo iets voornaams en warms, dat heel wel bij hun uiterlik past, maarhoorje ze, dan spreek je vanMeerkolofKrijtekster. Hun geluid doet denken aan krijsende heksen, zo rauw en onheilspellend klinkt het, en worden heksen niet wel eens Meerkollen genoemd? Maar de naamKrijtekster, ofschoon het minst gebruikt, is misschien nog wel de meest juiste en sprekende. Vooreerst omdat de vogel aan de ekster verwant is, en ten twede omdat zijnkrijten, schreeuwen, een van zijn „sprekendste” kenmerken is. Ik vermoed, dat die naam ook de meest volksaardige is. Hij is zo kenschetsend.
Toen ik nog jong was, kende ik de naam zonder ooit iets van de vogel gezien of gehoord te hebben. Men zal zeggen: dat is zo'n wonder niet. Ook nu nog leren de kinderen heel veel namen zonder ooit iets van de dingen te horen of te zien. Maar zo bedoel ik het nu niet. Het was niet de meester, die me met die naam bekend had gemaakt, maar mijn moeder. En deze had ons die naam nooit „geleerd”, maar door hem te gebruiken aan ons overgedragen. Een van ons gezin kon nog al luid praten, erg luid, vooral wanneer ze in enig geschil haar gelijk wou betogen. Dan zei mijn moeder vaak, en 't is of ik de stem nog hoor: „Hè kind, schreeuw toch zo niet, je schreeuwt als een krijtekster.” De juistheid van de vergelijking kon ik toen niet beoordelen. Krijteksters had je niet in Amsterdam, maar zo is de naam mij bijgebleven, en nu ik het krijsende geluid reeds jaren ken en mij het luide gekrijt van menige opgewonden kinderstem herinner,moet ik bekennen, dat de vergelijking goed gekozen was, al was ze dan ook voor ons nietszeggend. Mijn moeder had jarenlang in Brabant gewoond en kende dus de vogel, had wellicht vandaar die vergelijking als heersende beeldspraak meegebracht (bestaat ze wellicht nog in Brabant of andere zandstreken?), maar voor ons bezat die vergelijking niets tekenachtigs, was ze slechts een graadbepaling: je schreeuwt als een krijtekster, betekende voor ons: je schreeuwt hinderlik hard. En daar bleef het bij, totdat de vogel ons in werkelikheid de beste toelichting bracht, veel beter toelichting, dan enig taalboekje vermag te schenken.
Nu ik toch aan beeldspraak van de zandgrond ben, wou ik wel eens weten, of iemand, die daar thuis is, wel eens gehoord heeft van „jouw kar is toch niet aan de zijne gebonden.” Dit zei mijn moeder, als we ons b.v. voor een of andere daad verontschuldigden, omdat een vriendje ze ook bedreven had. De uitdrukking betekende natuurlik, dat wij door het gedrag van een ander toch niet tot hetzelfde gedrag verplicht waren. Dat begrepen we heel best. Maar niemand weer dacht toen bij die woorden aan eenkar, die aan een andere kar gebonden was. De figuurlike zin van de uitdrukking was ons alleen bewust. Natuurlik. De woorden en uitdrukkingen ontlenen hun betekenis voor ons aan hetgebruik, midden in 't leven, en niet aan schoolse verklaringen. En dat gebruik geschiedde in dit geval, als er noch van karren noch van binden sprake was, maar alleen van ongehoorzame kinderen, die hun overtredingen meenden te kunnen rechtvaardigenmet die hunner makkers, of van dwingende kinderen, die hun zin wilden verkrijgen door op het voorbeeld van andere te wijzen.
Toen ik later menige boerenkar gebonden zag achter een andere, beide getrokken door hetzelfde paard, en die dus in al zijn bewegingen de eerste moest volgen, toen zag ik de uitdrukking uit mijn kinderjaren eensklaps in schitterende werkelikheid voor me. Geen vrijheid van weg of beweging voor nummer twee. Overal waar de eerste ging, moest de twede volgen. Daarmee was voor deze met alle vrijheid ook alle zelfstandigheid en verantwoordelikheid verdwenen, en ik hoorde de twede kar, neen, de twede mens, gebonden aan de eerste, zich op die gebondenheid beroepen als op een voldoende verontschuldiging.
Nog één voorbeeld van een beeldspraak, die ik, evenmin als dit tweetal uitdrukkingen, ooit anders hoorde, dan uit mijn moeders mond. Van een heel voorzichtig mens heette het: „Nee, maar die gaat ook in geen mandje melken.” Kent iemand die zegswijze? Ook deze is mij weer als kind vertrouwd geworden door 't gebruik, zonder dat ik er ooit bij aan een mandje dacht. Maar toen ik later eens, plotseling, in mijn verbeelding dat mandje voor me zag, voelde ik de spottende scherts van een boerenleven, dat meer verstand bezit en gebruikt, dan de „ontwikkelde” stadsmensen wel denken.
Maar nu nog even naar mijn krijteksters terug. Onlangs werden we uit onze lectuur opgeschrikt door een angstig geschreeuw van de hele mussenwereld. Wekeken op, en daar zagen we een krijtekster met een mus in zijn snavel wegvliegen. Hij zette zich op een dennetak, legde de mus daar even neer, precies zoals een kat dat met een muis doet, pakte het dode diertje toen weer op, en vloog ermee het bos in. We hoefden niet te vragen, of onze Meerkol een kwade heks was. Met eigen ogen hadden we 't gezien.
Enige ogenblikken later sjilpten de mussen er weer vrolik op los en kwamen uit hun schuilhoekjes te voorschijn. Zouden ze er iets van gevoeld hebben, dat een der hunnen zo eensklaps uit het land der levenden was verdwenen? Zouden ze hem missen? Of alleen maar een ogenblikje bang zijn geweest voor hun eigen hachje? In de mussenwereld als in de mensenwereld, het schip zinkt in de diepte weg, en de golven vloeien weer samen, of er niets gebeurd is. We zien geen graven, maar alleen de zee, de eindeloze, eeuwig rusteloze zee, de zee van het woelende, vereffenende leven. Is het zo?
Op de zandgronden zijn niet alleen hei en dennen, krijteksters en eekhoorns, er zijn ook nog mensen. Dat wordt altijd zo leuk vergeten door de ijverige geografen en natuurvrinden. Mensen tellen niet mee. Die bestudeer je niet. Die laat je links liggen. En dan vooral de mensen op de zandgronden. Heten die niet „domme boeren”, even armelik aan ontwikkeling als hun grond schraal is aan voedingsstoffen? Je mag nog wel enigeaandacht wijden aan hun rogge, boekweit en aardappelen, aan hun knollen, spurrie en lupinen, maar aan henzelf, dat loont de moeite niet. Ze zijn zo bekrompen.
Ja, dat heb ik ondervonden. In menige boerderij zijn we geweest, hebben het bedrijf gadegeslagen en met de mensen gepraat, maar—heb ik het zo goed getroffen?—in de stad heb ik bij windbuilerigheid heel wat meer domheid en bekrompenheid aangetroffen dan bij die domme boeren.
Daar heb je Klaosjemeu. Ze is drie-en-zeventig en ongetrouwd. Wat wil je, zal zo'n boerin anders doen dan op 't land werken en sjouwen met varkensvoer? Klaosjemeu woont met haar zuster Mientje, een vrouw van vijf-en-zeventig, op dezelfde boerderij, met de zoon van Mientje en diens vrouw, en dan het dochtertje van het jonge paar, een zevenjarig meisje. En toen we zo bij hen zaten te praten, zei Klaosjemeu: „Jao, 't is lastig voor ons kleintje, dat die school zo ver is, want we kunnen haar niet altijd halen en brengen, maar lezen kan ze toch.”Hoe had ze dat dan geleerd? Twee jaar geleden had het kleine ding haar voet gebrand. Toen moest ze een lange tijd thuis blijven liggen. Daarbij verveelde ze zich erg. En toen had Klaosjemeu bedacht, om haar maar lezen te leren. Hoe? Klaosjemeu wist niemendal af van methode, noch van Bouman noch van Versluys, ook Hoogeveen's Leesplank was nooit tot haar doorgedrongen. Maar ze kende nog het A, B, C. Dat leerde ze het kind met de ouderwetse namen, en dan zochten ze de letters in de Bijbel op.„En zo heeft het kind 't geleerd. En nu kan ze 't. Haal maar eens een boekje en lees eens.”
De kleine ging weg, kwam spoedig terug met een oude Bijbel, ging op de grond zitten, sloeg het boek open en las, waar het toevallig openviel. 't Was bij Psalm 110, een psalm met nog al heel moeilike woorden. Maar 't ging zonder haperen, en allerliefst klonk het eentonige kinderstemmetje in de kring van volwassenen:
Een psalm van David.De Heere heeft tot mijnen Heere gesproken: Zit aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden gezet zal hebben tot eene voetbank uwer voeten.De Heere zal den scepter uwer sterkte zenden uit Zion, zeggende: Heersch in het midden uwer vijanden.Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal u de dauw uwer jeugd zijn.De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.De Heere is aan uwe rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage zijns toorns.Hij zal recht doen onder de Heidenen; Hij zal het vol doode lichamen maken; Hij zal verslaan dengenen, die het hoofd is over een groot land.Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal hij het hoofd omhoog heffen.
Een psalm van David.
De Heere heeft tot mijnen Heere gesproken: Zit aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden gezet zal hebben tot eene voetbank uwer voeten.
De Heere zal den scepter uwer sterkte zenden uit Zion, zeggende: Heersch in het midden uwer vijanden.
Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal u de dauw uwer jeugd zijn.
De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.
De Heere is aan uwe rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage zijns toorns.
Hij zal recht doen onder de Heidenen; Hij zal het vol doode lichamen maken; Hij zal verslaan dengenen, die het hoofd is over een groot land.
Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal hij het hoofd omhoog heffen.
Ik heb de gehele psalm overgeschreven, om eens te doen zien, welke moeilike woorden er in voorkomen. Die las het lieve kind onberispelik. Natuurlik begreep ze de tekst niet en was er geen voordracht in haar toon, maar daar ging het hier niet om. Hoofdzaak was: ze kon lezen, en ze kon goed lezen. En dat volgens de methode van het A, B, C, en onder de ongeschoolde leiding ener ruim zeventigjarige boerin. Domme boeren?
Ik beloofde, dat ik de kleine „Pim en Mien” zou sturen, en als ze die uit had, „Ot en Sien”, en zo verder het hele rijtje. En Klaosjemeu? Ik kon het haar niet toezeggen, maar anders kreeg ze op haar oude dag nog de acte van onderwijzeres, honoris causa. Er zijn, vrees ik, dommer en ongeduldiger schooljuffrouwen, die de acte bezitten krachtens een welvolbracht eksamen en onderwijzen volgens een volmaakte methode, menselikerwijs volmaakt als de kieswet van Van Houten. Ach, de methode! Ik wil geen kwaad van haar zeggen, al bederft ze vaak de onderwijzersstudie en de onderwijspraktijk. Maar de persoonlikheid van de onderwijzer, van de onderwijzeres is toch ook nog iets. Niet waar, domme Klaosjemeu?
„Mientje kan ook al de taofels,” zei Grootmoeder, naar wie ze genoemd is. En inderdaad, ze kende ook al de tafels van vermenigvuldiging, en prompt ook.
„En waar woon je?”
„Ik woon in de provincie Gelderland, in de gemeente E., in de buurtschap T.”
Dat was Mientje haar Aardrijkskunde. Heeft ze erheus niet meer aan dan aan het „begrip plattegrond” en het „kaartbegrip”?
Maar dat lezen van „een Priester, naar de ordening van Melchizédek,” dat is toch immers een dwaas ding? Laten we hier niet van dwaas spreken, maar bewondering koesteren voor een oude boerin, die met geen andere hulp dan haar oude Bijbel haar achternichtje zo ver gebracht had. Zijzelf en de anderen hadden uit dat boek heel hun leven nog wel iets meer gehaald—n.l. hun troost en kracht in moeilike tijden. En moeilike tijden waren over dit boerengezin heengegaan.
Meer dan twee honderd jaren had de familie op een boerderij gewoond, van ouder tot ouder. Toen was de boerderij met het hele landgoed, waartoe ze behoorde, verkocht, en moesten zij een andere plaats zoeken. Maar die was niet te vinden, uren in den omtrek niet. De oude boer leefde toen nog, de man van Mientje. En o, meester, vertelde Mientje, wat die man toen een strijd heeft gehad! Hij was ten ende raad. Maar, hij geleufde, dat de Heer alles ten goede zou keren. Die zou hem niet verlaten. En in zijn radeloosheid liep ie het huus uit, naar een eikenbosje, en daar knielde hij neer, en daar bad hij God om voorlichting. En toen hij opgestaan was, kwam hij bij me en zei: Vrouw, zou Veldzicht niet te koop zijn? 't Is mogelik, zei ik. En hij ging er op af, en jao heur, 't was te koop. En zo zitten we nou hier, al vijf jaar. Maar mijn beste man is dood.
De tranen kwamen het oudje in de ogen, als ze over haar man sprak. Maar, zei ze, als om haar smart te verklaren, maar 't was ook zo'n innig goeie man en zo'n brave, vrome ziel. Door al zijn lijden heen kwam hij steeds dichter bij den Heer. En hij heeft geleden. Ach, de stakker heeft zo'n pijn gehad in zijn ziekte. Maar dan zong hij maar een psalm, en als je hem dan zo hoorde zingen, ach meester, dan brak je hart. Vader, zei ik tegen hem, wat zing je nog? Ja, zei die dan, in mijn ziel jubelt het door al mijn pijnen heen. En wat heeft de Heere Jezus wel voor ons geleden. En Die was zonder zonden.
In 't Diaconessenhuis te Utrecht is hij nog tweemaal geopereerd. Maar 't mocht niet baten. En daar is hij dan ook gestorven. Maar wat die man daar nog een zegen geweest is! De andere zieken, die lang zo erg niet waren als hij, werden door hem getroost. En dan bad hij met ze. Ja, dat kon hij hier in huis ook zo met ons doen. 't Is altijd een voorbidder in huis geweest, meester. En bij alles maar met God raadplegen. En daar is hij zalig bij heengegaan.
Mientje en Klaosjemeu waren niet uitgepraat van die goede geest, die een groot deel van haar leven haar geleid en gesterkt had. En nu wachtten ze maar, totdat het ook hun tijd was. Dan werden ze bij hem begraven op het kleine, stille kerkhof. Heeft meester het kerkhof al gezien? Ja, dat had ik. Maar we zouden er nu nog eens naar toe gaan, om zijn graf te bezoeken.
Dat deden we, enige dagen later. We dwaalden tussen de steentjes rond, totdat we zijn zerk vonden,en daar lazen we: Hier rust Aalt v. L., oud 77 jaar. Gestorven November 1905. En daaronder: Door Lijden geheiligd.
Wellicht hebben we het bij uitstek goed getroffen met onze bezoeken bij de boeren. Maar in die eenvoudige woningen hebben we herhaaldelik gevonden: verstand, liefde, vroomheid. En alle drie echt. Laten we voorlopig niet meer van die domme boeren spreken en erkennen, dat de zandgrond nog iets anders ter lering biedt dan hei en dennen en krijteksters.
Het is wel een aangrijpend stuk wereldgeschiedenis6), dat we nu doormaken.
Maar hoe geweldig ook, nieuw is het niet.
Europa heeft meermalen over haar gehele uitgestrektheid in vuur en vlam gestaan. En al is het waar, dat de krijg tans zoveel moordender is met zijn volmaakte vernielingswerktuigen, daar is ook het gevolg van, dat hij spoediger beslecht kan zijn. Gelijk overal geldt hier de wet van 't energieverbruik: vermeerdering van spanning, vermindering van tijd. Snel en krachtig is kort handelen. Naar menselike berekening zal de ellende gauwer voorbij zijn: we kennen geen 80- of 30- of 7- of 4-jarige oorlogen meer. We kennen alleen uitbarstingen als van vuurspuwende bergen.
Wat in deze dagen evenwel bevreemdt, het is de bevreemding der mensen, dat zulk een massale moordpartij nu nog mogelijk is bij de reeds bereikte zedelike en verstandelike ontwikkeling.
Die bevreemding is bevreemdend, omdat ze van zulk een onverstand getuigt bij die verstandelik ontwikkelden.
Wat baat, in de eerste plaats, verstandelike ontwikkeling, als ze niet uitsluitend in dienst staat der zedelike ontwikkeling. Dan is ze een kwaad te meer, daar al haar uiterst werkzame faktoren dan meehelpen, om de moraliteit nog sneller te doen verworden. Danvermenigvuldigtze de ellende op schrikbarende wijze. Terecht heeft men de duivel nooit als een domoor getekend. Hij is de intelligentste en geslepenste diplomaat te knap af, en verliest het alleen tegen de waarachtige onschuld. Daarmee weet hij geen weg.
Verstandelike ontwikkeling is dus op zichzelf geen voordeel. Men zet geen vrede kunstig in elkaar, als er geen vredegezindheid in de harten leeft. En die is er niet, omdat er geen liefde is.
Is er geen liefde? Hebben we dan ook niet een hoge zedelike ontwikkeling bereikt?
Het is overbodig over deze vraag veel bespiegelingen te houden: de feiten spreken met overgrote duidelikheid. Wás er liefde, wás de mensheid moreel hoog ontwikkeld, dan kon het kanon niet de hoogste toon voeren in de beslechting van geschillen. Maar het feit, dat de macht bij de moord berust, bewijst afdoende het schromelik tekort aan liefde.
Dat is ook niet anders te verwachten.
Hoe de mensen van deze tijd ook verschillend over Jezus Christus denken, in hem Gods Zoon, een volmaakt mens of een zachtaardige dweper zien, hieromtrent zijn de tot oordelen bevoegden het wel eens, dat in Hem de Liefde werkelikheid was geworden.
Welnu, die vlees geworden Liefde heeft de mensheidin koelen bloede en eigenlik met bevredigd haatgevoel aan 't kruis genageld.
Men haatte de Liefde.
De Joden wilden wel een Messias, maar een, die hen van 't juk der Romeinen zou verlossen en dan hun koning zijn, hun aardse koning. Ze begeerden een koninkrijk hier op aarde. Maar een Koninkrijk der hemelen, een vrede des harten door de heerschappij der liefde, daarnaar waren ze gans niet begerig, en ze riepen het „Kruist hem” over de volksmisleider. Liever een moordenaar losgelaten dan deze zielenredder.
En zo dachten de Joden niet, omdat ze Joden waren, want zo denkt nog tans de gehele Romaanse, Germaanse, Slaviese wereld onder allerlei walgelike schijn van Christendom.
Het kruis van Christus is inderdaad de morele veroordeling der menselike natuur. Hier hebben wij, mensen, getoond, hoe veilig de Liefde op aarde rondwandelt. En als zij weer eens van haar hemelse hoogte afdaalde, om opnieuw reddend—doch ook richtend—onder ons rond te gaan, ze zou weer evenzo ontvangen worden, nu niet door de Joden, maar door de Duitsers, of de Engelsen of de Nederlanders, brave, christelike natiën. Zij zou hier weer een kruis vinden.
Maar datzelfde kruis van Christus is tevens de morele zegepraal der, ja óók der menselike natuur. Dat Hij, een mens, zulk een liefde tot de mensen metzijn onbegrensd Godsvertrouwen verenigde, dat is voor de naar verlossing uit haar zelfzucht reikhalzende ziel een hoopvol teken. Daar is een mens geweest, een mens van gelijke bewegingen als wij, die—door zijn zondeloosheid, dat is: door zijn heiligheid, dat is: door zijn goddelikheid—de lof en de smaad, de kroon en het kruis der wereld niet heeft geacht, in wien de liefde zaligheid werkte onder het smartelikste lichamelik en geestelik lijden.
„Zie de mens,” zei Pilatus van hem.
Wanneer Pilatus nu eens in die woorden de adelbrief van ons geslacht had uitgegeven!
Jezus Christus—demens. Hij de alleen ware mens. En wij—armzalige verwordingen van dit type!
Dan is er geen reden tot vertwijfeling bij de zedelike mogelikheid, die we bij dien Eenen verwerkelikt zien en wiens invloed we, ondanks alles, toch in de loop der geschiedenis kunnen bespeuren.
Maar dan is er wel reden tot bittere smart en zelfverwijt, dat de verwerkeliking van de hoogste aanleg in de menselike natuur zo uiterst, uiterst langzaam gaat, en dat mede door onze schuld.
Niet de Liefde heerst, maar de Zelfzucht, en deze gebruikt de meest barbaarse middelen, om zonder enige zachtheid of verschoning haar zegeweg te effenen. Vernielen en vermoorden, zoals geen middeleeuwse roverbende 't zou gedaan hebben, dat is haar christelikheid. En dat geschiedt dan onder de godslasterende aanroeping van de zegen der Voorzienigheid.
Doch wachten we ons, omdat het eerste binnenbrekenop onzijdig gebied, het eerste bloedvergieten van onschuldigen, nu op de zondenlijst der Duitsers komt, onze verontwaardiging bij uitsluiting over hun hoofden uit te storten. We zijn nog niet vergeten de verbranding van hoeve aan hoeve, de concentratiekampen in Zuid Afrika, waar door „godvrezende” Engelsen vrouwen en kinderen als in moordholen opeengehoopt werden. En we weten ook, hoe in onze Oost, door de kogels onzer soldaten, dessa's werden platgeschoten, ook vrouwen en kinderen geveld. In dit opzicht geeft het ene beschaafde, christelike volk het andere niets toe. Als wij in Duitslands plaats waren geweest, hadden we evenzo gedaan en de anderen niet minder. Dit te erkennen, is niets meer dan simpele eerlikheid en bewaart ons tenminste voor die schijnheilige eigengerechtigheid, die in gloeiende verontwaardiging uitbreekt over... onze eigen zonden, nu die toevallig door anderen bedreven worden en deze daar profijt van hebben.
Men kan vragen, waaraan de schrijver dezer regelen het gezag ontleent tot zulke uitspraken. Dan behoeft hij echter met zijn antwoord niet verlegen te staan en niet eens de geschiedboeken te raadplegen. Het is voldoende, als hij de mensen bij hun medemensen, bij hun vrienden, buren, stad-, stand-, landgenoten, als hij hen bij henzelf bepaalt. Vaak hoort men beweren, dat de geschiedenis een leerschool voor 't heden is. Het schijnt nog aannemeliker, dat omgekeerd het hedende geschiedenis doet begrijpen, en dat op de grote gebeurtenissen in het leven der volkeren, het licht wordt geworpen door de gebeurtenissen in 't leven der individuen om ons heen, door de gebeurtenissen in ons eigen leven.
Treffend is in de laatste moeilike dagen uitgekomen, van welk een eigenaardig karakter onze persoonlike liefde is. De mensen hebben zich gehaast met—niet een buitenlandse vijand, maar hun eigen landgenoten te bestrijden. In allerijl vergoudden en verzilverden ze hun papier, weigerden papier te ontvangen, sloegen buitensporig levensvoorraad in—absoluut niet denkend aan anderen. En zo deden ze tegenover hun medeburgers. Tans, als bij een schouwburgbrand, kwam het eens aan de dag, wat er in de menselike natuur zit: dringt de anderen maar dood, mits wij gered worden.
Dit is precies het tegengestelde van christendom. En deze uiting van broedermoordende zelfzucht is eigenlik nog jammerliker dan de gevoelloze vernielingswoede op 't slagveld. Zij, die de kanonnen doen aanrukken, wagen er ook hun eigen leven aan, terwijl de anderen heel veiligjes met hun zilver en hun voorraad binnen de vier muren van hun bovendien noglafhartigegoïsme blijven.
Waar aldus de liefde spreekt in eigen kring en eigen hart, behoeven we ons nog niet verontwaardigd te tonen over een inval, die als hoogste nadeel heeft, dat hijonsin ongelegenheid brengt. Geschiedde hij ergens ver weg, in Afghanistan b.v.; onze verontwaardigingzou slinken met het toenemen van de afstand,d. i.met het toenemen van ons gevoel van veiligheid. Neen, er is reden om onszelf eens goed te leren kennen, nu de omstandigheden in ons oproepen wat er in ons is.
Zijn wij bereid tot offeren?
Dat isdehoofdvraag.
Men spot vaak met die oude god der Israëlieten, die offers eiste, bloed van stieren en rammen, en aldus verzoend moest worden.
Maar is de God der Liefde minder wreed?
Kunnen we ons een leven van liefde anders denken dan als een aanhoudend offeren?
Wie zich aan de Liefde overgeeft en uit de volheid zijns harten uitroept: „Zeggijwat ik doen zal,” die moet nog iets anders op 't altaar brengen dan stieren en rammen, die moet als Abraham zijn eengeboorne, als Christus zichzelf overgeven, volkomen.
Ach, we zijn nog niet eens in staat, een beetje gerief te offeren, een beetje ontspanning, een beetje rust. Worden we er toe verplicht, en kunnen we het niet ontduiken, dan klagen we, of, als we 't heel ver brengen, berusten we, zwijgend en hopend. Wáár is de innerlike blijheid der offerende liefde?
Er is nog zo bitter weinig christendom. Ook in ons. En dáár schort het.
Het is niet nodig, hier verder over uit te weiden.
Ieder raadplege eens eerlik zijn eigen hart.
Dan zal hij zien, dat de oorzaak der tans uitgebroken ellende ook dáár schuilt. En dat die oorzaakalleen verzwakt als dáár tenminste wordt ingestemd met de woorden: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.
We leren altijd zo naief uit onze studieboeken „de oorzaken” der verschillende dingen.
Maar zijn die oorzaken iets anders dan variaties van het ene door-en-door onchristelike thema:Ik?Ze zijn slechts de momentele omlijningen der Zelfzucht, tijdelike verschijningsvormen van blijvende krachten. En tegenover haar staat alleen: Bereidheid tot redden.
Wie hiertoe bereid is, voelt zich onder alle dreiging rustig en vredig. Hij heeft de wereld overwonnen. Dat is zaligheid.
6)Dit werd geschreven bij het uitbreken van den oorlog.
6)Dit werd geschreven bij het uitbreken van den oorlog.
„Vrede op Aarde!”Streng dreigde op steile rots de burcht van 't menslik recht.Gebouwd door Zelfzucht, hief hij koud zijn harde tinnen.Al wat door kracht en list de slotheer wist te winnen,Werd hier beschermd, en zwakke Onnozelheid geknecht.Een ijzren band van wet haar vrijheid aangelegd,Moest die misdeelde nog haar keetnen erend minnen.Het Recht! Het heilig Recht! Wie dorst de kamp beginnen,Verwaten wensend, dat die „tempel” wierd geslecht?Onnozel Kind, in 's werelds beestenstal geboren,Aan 't eind uws levens door het menslik recht gekruist,In u zal de aard, der Liefde godlik recht zien gloren,Dat vrede brengt. O Christus, zelfs door hen verguisd,Die in hun schone naam u heten toe te horen,Geen vrede aleer uw vree door wolk én wereld ruist.
„Vrede op Aarde!”
Streng dreigde op steile rots de burcht van 't menslik recht.Gebouwd door Zelfzucht, hief hij koud zijn harde tinnen.Al wat door kracht en list de slotheer wist te winnen,Werd hier beschermd, en zwakke Onnozelheid geknecht.
Een ijzren band van wet haar vrijheid aangelegd,Moest die misdeelde nog haar keetnen erend minnen.Het Recht! Het heilig Recht! Wie dorst de kamp beginnen,Verwaten wensend, dat die „tempel” wierd geslecht?
Onnozel Kind, in 's werelds beestenstal geboren,Aan 't eind uws levens door het menslik recht gekruist,In u zal de aard, der Liefde godlik recht zien gloren,
Dat vrede brengt. O Christus, zelfs door hen verguisd,Die in hun schone naam u heten toe te horen,Geen vrede aleer uw vree door wolk én wereld ruist.
INHOUD.Blz.I.Vroege tucht1II.In Blaricum12III.Een paar klachten14IV.Over straffen35V.Van buiten? of van binnen?38VI.Zeg maar ja39VII.Groeien gaat langzaam61VIII.Frederik Fröbel64IX.Dood-eenvoudig106Durven?135X.Wek godsdienst in het kinderhart148XI.Een moeilik ogenblik158XII.Op en om een ringoven180XIII.De zedelike opvoeding moet bij de volwassenen beginnen204XIV.„In zijn natuur”210XV.Van de zandgronden224XVI.Waar 't schort235XVII.Vrede door recht243
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. xi[Niet in Bron.],Blz. 3weingjeweinigjeBlz. 21[Niet in Bron.],Blz. 26vertredenovertredenBlz. 36ontwikklenontwikkelenBlz. 38”[Verwijderd.]Blz. 44”[Verwijderd.]Blz. 45kabbe-belingkabbelingBlz. 66„[Verwijderd.]Blz. 71[Niet in Bron.]”Blz. 71”[Verwijderd.]Blz. 72„[Verwijderd.]Blz. 78[Niet in Bron.]”Blz. 82”[Verwijderd.]Blz. 98oordwoordBlz. 98weerspanningweerspannigBlz. 107[Niet in Bron.].Blz. 113[Niet in Bron.]„Blz. 125[Niet in Bron.].Blz. 130EmilieEmileBlz. 133eingeenigeBlz. 143redeneringgenredeneringenBlz. 145moreelemoreleBlz. 168verorbenenverorberenBlz. 175bliksemdebliksemendeBlz. 182,.Blz. 186jongenjongensBlz. 199,.Blz. 202schaftijdschafttijdBlz. 214[Niet in Bron.]”Blz. 229[Niet in Bron.]”Blz. 236vermenigtvuldigtvermenigvuldigtBlz. 241d..i.d. i.
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: