ALS DE EERSTE SNEEUW VALT.

ALS DE EERSTE SNEEUW VALT.Doortje en Frits gaven een theepartijtje met ’t mooie serviesje, dat St. Nicolaas hun had gebracht; buurtje Mien was de visite. Natuurlijk schonk Doortje in; ze deed ’t wat handig en morste geen droppel. Kleine broer Frits presenteerde de beschuitjes, maar nam er eerst zelf zooveel van, dat er voor de visite niets overbleef dan één enkel, afgeknabbeld brokje.Nam er eerst zelf zooveel van.Nam er eerst zelf zooveel van.Doortje zag het; bijna zou ze met dien gulzigen Frits aan ’t kibbelen zijn gegaan, maar ze vergat het, omdat Oom Jan binnenkwam.’t Was ook zoo leuk, dat Oom Jan kwam, juist nu ze zoo deftig aan ’t theeschenken was!„Oom ook een kopje?”„Alsjeblieft en met veel suiker, hoor!”„Ja Oom,” zei Door en ze trok een gewichtig gezicht, terwijl ze een kopje halfvol suiker schepte;—zóó zou ’t Oom toch wel zoet genoeg wezen, dacht ze.„Even allemaal je oogen toe,” zei Oom, toen hij zijn thee had.„Eén, twee, drie——nù weer kijken!”O, die Oom Jan kon tooveren: op ’t schaaltje, naast het ongelukkige stukje beschuit, lag een handvol amandels!„Nu maar gauw aan ’t kraken en kijken of je ook een philippine hebt!”„Een philippine? Wat is dat?” vroeg Doortje.„O, dat weetikwel,” riep Mien uit; „dat is als er twee amandels in één dop zitten in plaats van één. Als ik nu met jou een philippine heb, dan eten we er ieder één van op en spreken af wanneer we „bonjour philippine” tegen elkaar zullen zeggen; wie ’t dan’t eerstzegt, heeft het gewonnen.”„En krijgt een presentje van mij,” zei Oom, die vast hielp kraken.Als er nu maar zoo’n philippine bij was!„Kijk Oom, probeer deze eens!”„Nee, die ik hier heb!”„Hè, eerst de mijne, Oom, dit is er zeker een.”Zoo riepen ze met hun drieën.Oom kraakte en kraakte.——„Hoera, daar heb je een philippine!” Allemaal kijken. Ja, hoor—twee amandeltjes in één dop.„Wie zullen ’t nu samen doen?”Doortje en Mien waren er dadelijk voor klaar. Oom gaf ieder een amandeltje, dat ze tegelijk moesten opeten.En nu bedenken op welken dag ze de philippine zouden hebben.„Zondag,” zei kleine Frits, die er niet eens alles van begreep.„Och wel neen; dat’s veel te gemakkelijk te onthouden.”„Als Oom Jan weer komt!”„Ook niet, want als Oom hier komt, denkiker natuurlijk aan en dat ’s niet eerlijk voor Mien. Toe Oom, bedenkt u eens iets heel, heel moeilijks!”„Laat eens zien—als——als de eerste sneeuw valt!”„Hè ja, dat ’s aardig,” riepen de meisjes uit, „als de eerste sneeuw valt!” en ze dansten van pret met elkaar rond.Oom gaf ieder een amandeltje.Oom gaf ieder een amandeltje.„Nu ben ik er toch benieuwd naar wie er, als de eerste vlokjes naar beneden dwarrelen, ’t vlugst bij zal wezen om naar haar buurtje te loopen en „bonjour philippine” te roepen,” zei Oom.„Ik zeker,” verklaarde Mien.„Neen, ’k weet vast, datik’t zal zijn,” riep Doortje en bedacht bij zichzelf een plannetje. Ze zou aan Saartje, de kindermeid, vragen haar voortaan iederen morgen vroeg wakker te maken, dan één, twee, drie uit bed wippen, kijken wat voor weer ’t was en—als ze de eerste sneeuw zag, dan vliegensvlug in de kleeren schieten, naar de buren loopen en zóó hard door de brievenbus: „bonjour philippine” roepen, dat Mien, die dan zeker nog niet op zou wezen, ’t boven kon hooren.—En als de eerstesneeuw nu eens overdag kwam? O, dàn, dan zou Door er ook wel weer iets op verzinnen; ze zou—ze zou——o, ze zou zóóveel!Maar wat ze nu heelemaal niet had gedacht——ze werd erg verkouden en moest verscheidene dagen in bed blijven, warmpjes onder de wol.En ze dansten van pret.En ze dansten van pret.Vervelend! Als ’t nu begon te sneeuwen, kon ze niet eens naar Mien.Maar tòch wou Doortje het winnen en zezouhet winnen ook, dacht ze, want zij had nu immers zoo mooi den tijd aan de philippine te denken, veel beter dan Mien, die naar school moest.Zoo gauw ze de eerste sneeuwvlokjes zag, zou ze Frits met een stukje papier, waarop stond: „bonjour philippine” naar Mien sturen; dan was ze er toch zeker ’t eerst bij.Maar al moest Mien naar school, zij dacht toch óók wel aan de philippine, net zoo goed als Door, en zij had óók een plannetje. Daarbij moest Teunis, de oude tuinman, haar helpen.Teunis kon ’t altijd zoo mooi raden van ’t weer: als Teunis zei, dat je maar een paraplu moest meenemen, kon je er bijna zeker van zijn, dat er regen kwam, al leek ’t er eerst ook niets op. Dat zag hij aan de wolken en aan den wind, ja, aan nog heel veel meer. Als iemand haast zijn heele leven buiten heeft doorgebracht en altijd goed om zich heen kijkt, ziet en leert hij veel, wat een ander niet eens opmerkt. Zoo was ’t Teunis ookgegaan. Hij hield er van op de wolken en de lucht te letten, maar ook op de kleinste bloempjes en diertjes, en wees Mien dikwijls hoe de lieve Heer alles, de groote dingen, zoowel als de kleine, zoo heerlijk gemaakt heeft.Toen Mien hem van de philippine vertelde, moest oude Teunis even lachen. „En moet ik je nou zeggen wanneer ’t zal gaan sneeuwen? Maar Mientje, dat kan ik immers niet.”„Och neen, alleen maar als je ’tdenkt,” zei Mien ongeduldig.Maar Mientje, dat kan ik immers niet.Maar Mientje, dat kan ik immers niet.Teunis schudde zijn hoofd, zooals hij altijd deed, als men hem naar ’t weer vroeg. „Daar kan een mensch toch immers vooruit niks van zeggen,” mompelde hij, maar Mien dacht, dat, als Teunis ’t van den regen kon raden, hij ’t van de sneeuw ook wel zou weten en huppelde vroolijk naar binnen.Den volgenden middag ging Teunis net ’t hek uit, toen Mien van school thuiskwam. „Nou kon er vannacht wel eens een flink pak vallen,” zei hij; „de lucht zit vol, hoor, en—’k voel het ook in mijn botten.”„Heusch waar? Komt er vannacht sneeuw?” vroeg Mien blij.Met Saartje fluisterde.Met Saartje fluisterde.„’kWeethet natuurlijk niet, maar ’t kan zijn——’t kan zijn——” Weg strompelde oude Teunis.Mien naar binnen, een stuk papier gekregen en daar met groote letters opgeschreven: „bonjour philippine.”Toen naar de buren. Met Saartje, die haar opendeed, fluisterde ze druk en duwde haar een rolletje papier in de hand, dat Saar lachend onder haar boezelaar verstopte, toen ze later naar boven ging.Een geheimpje?—Wacht maar! Den volgenden ochtend kwam Saartje vroeg ’t gordijn van de kinderkamer ophalen. „Sneeuw, Door! Er ligt al een heel pak en ’t sneeuwt nog.”„Hoera,” kraaide Doortje met haar schorre stem, „de eerste sneeuw,” en ze ging overeind zitten om de vlokken voorbij ’t raam te zien dansen.„Kijk eens op je nachtzak,” riep kleine Frits uit ’t andere bedje, „’t is net alsof er een brief op zit.”O, die Mien, die slimmerd!O, die Mien, die slimmerd!Doortje keek naar haar nachtzak, die over ’t voeteneind van haar ledikant hing en wat las ze op ’t stuk papier, dat er met een speld aan vast was gemaakt?Met groote letters stond ’t er op geschreven: „bonjour philippine!” O, die Mien, die slimmerd!—Toen Oom Jan er van hoorde, moest hij er om lachen, net als iedereen bij Door thuis en—Door zelf ook. Zóó verliezen vond ze wel grappig, maar Oom Jan zei, dat Doortje het toch eigenlijk maarhalfverloren had, want Teunis had Mien geholpen en dat vond Mien toen ook.Wie moest nu ’t presentje hebben, Mien of Door?Oom wist ’t niet te bedenken en wat deed hij toen?——Hij gafiederder meisjes een mooie, groote pop!—

ALS DE EERSTE SNEEUW VALT.Doortje en Frits gaven een theepartijtje met ’t mooie serviesje, dat St. Nicolaas hun had gebracht; buurtje Mien was de visite. Natuurlijk schonk Doortje in; ze deed ’t wat handig en morste geen droppel. Kleine broer Frits presenteerde de beschuitjes, maar nam er eerst zelf zooveel van, dat er voor de visite niets overbleef dan één enkel, afgeknabbeld brokje.Nam er eerst zelf zooveel van.Nam er eerst zelf zooveel van.Doortje zag het; bijna zou ze met dien gulzigen Frits aan ’t kibbelen zijn gegaan, maar ze vergat het, omdat Oom Jan binnenkwam.’t Was ook zoo leuk, dat Oom Jan kwam, juist nu ze zoo deftig aan ’t theeschenken was!„Oom ook een kopje?”„Alsjeblieft en met veel suiker, hoor!”„Ja Oom,” zei Door en ze trok een gewichtig gezicht, terwijl ze een kopje halfvol suiker schepte;—zóó zou ’t Oom toch wel zoet genoeg wezen, dacht ze.„Even allemaal je oogen toe,” zei Oom, toen hij zijn thee had.„Eén, twee, drie——nù weer kijken!”O, die Oom Jan kon tooveren: op ’t schaaltje, naast het ongelukkige stukje beschuit, lag een handvol amandels!„Nu maar gauw aan ’t kraken en kijken of je ook een philippine hebt!”„Een philippine? Wat is dat?” vroeg Doortje.„O, dat weetikwel,” riep Mien uit; „dat is als er twee amandels in één dop zitten in plaats van één. Als ik nu met jou een philippine heb, dan eten we er ieder één van op en spreken af wanneer we „bonjour philippine” tegen elkaar zullen zeggen; wie ’t dan’t eerstzegt, heeft het gewonnen.”„En krijgt een presentje van mij,” zei Oom, die vast hielp kraken.Als er nu maar zoo’n philippine bij was!„Kijk Oom, probeer deze eens!”„Nee, die ik hier heb!”„Hè, eerst de mijne, Oom, dit is er zeker een.”Zoo riepen ze met hun drieën.Oom kraakte en kraakte.——„Hoera, daar heb je een philippine!” Allemaal kijken. Ja, hoor—twee amandeltjes in één dop.„Wie zullen ’t nu samen doen?”Doortje en Mien waren er dadelijk voor klaar. Oom gaf ieder een amandeltje, dat ze tegelijk moesten opeten.En nu bedenken op welken dag ze de philippine zouden hebben.„Zondag,” zei kleine Frits, die er niet eens alles van begreep.„Och wel neen; dat’s veel te gemakkelijk te onthouden.”„Als Oom Jan weer komt!”„Ook niet, want als Oom hier komt, denkiker natuurlijk aan en dat ’s niet eerlijk voor Mien. Toe Oom, bedenkt u eens iets heel, heel moeilijks!”„Laat eens zien—als——als de eerste sneeuw valt!”„Hè ja, dat ’s aardig,” riepen de meisjes uit, „als de eerste sneeuw valt!” en ze dansten van pret met elkaar rond.Oom gaf ieder een amandeltje.Oom gaf ieder een amandeltje.„Nu ben ik er toch benieuwd naar wie er, als de eerste vlokjes naar beneden dwarrelen, ’t vlugst bij zal wezen om naar haar buurtje te loopen en „bonjour philippine” te roepen,” zei Oom.„Ik zeker,” verklaarde Mien.„Neen, ’k weet vast, datik’t zal zijn,” riep Doortje en bedacht bij zichzelf een plannetje. Ze zou aan Saartje, de kindermeid, vragen haar voortaan iederen morgen vroeg wakker te maken, dan één, twee, drie uit bed wippen, kijken wat voor weer ’t was en—als ze de eerste sneeuw zag, dan vliegensvlug in de kleeren schieten, naar de buren loopen en zóó hard door de brievenbus: „bonjour philippine” roepen, dat Mien, die dan zeker nog niet op zou wezen, ’t boven kon hooren.—En als de eerstesneeuw nu eens overdag kwam? O, dàn, dan zou Door er ook wel weer iets op verzinnen; ze zou—ze zou——o, ze zou zóóveel!Maar wat ze nu heelemaal niet had gedacht——ze werd erg verkouden en moest verscheidene dagen in bed blijven, warmpjes onder de wol.En ze dansten van pret.En ze dansten van pret.Vervelend! Als ’t nu begon te sneeuwen, kon ze niet eens naar Mien.Maar tòch wou Doortje het winnen en zezouhet winnen ook, dacht ze, want zij had nu immers zoo mooi den tijd aan de philippine te denken, veel beter dan Mien, die naar school moest.Zoo gauw ze de eerste sneeuwvlokjes zag, zou ze Frits met een stukje papier, waarop stond: „bonjour philippine” naar Mien sturen; dan was ze er toch zeker ’t eerst bij.Maar al moest Mien naar school, zij dacht toch óók wel aan de philippine, net zoo goed als Door, en zij had óók een plannetje. Daarbij moest Teunis, de oude tuinman, haar helpen.Teunis kon ’t altijd zoo mooi raden van ’t weer: als Teunis zei, dat je maar een paraplu moest meenemen, kon je er bijna zeker van zijn, dat er regen kwam, al leek ’t er eerst ook niets op. Dat zag hij aan de wolken en aan den wind, ja, aan nog heel veel meer. Als iemand haast zijn heele leven buiten heeft doorgebracht en altijd goed om zich heen kijkt, ziet en leert hij veel, wat een ander niet eens opmerkt. Zoo was ’t Teunis ookgegaan. Hij hield er van op de wolken en de lucht te letten, maar ook op de kleinste bloempjes en diertjes, en wees Mien dikwijls hoe de lieve Heer alles, de groote dingen, zoowel als de kleine, zoo heerlijk gemaakt heeft.Toen Mien hem van de philippine vertelde, moest oude Teunis even lachen. „En moet ik je nou zeggen wanneer ’t zal gaan sneeuwen? Maar Mientje, dat kan ik immers niet.”„Och neen, alleen maar als je ’tdenkt,” zei Mien ongeduldig.Maar Mientje, dat kan ik immers niet.Maar Mientje, dat kan ik immers niet.Teunis schudde zijn hoofd, zooals hij altijd deed, als men hem naar ’t weer vroeg. „Daar kan een mensch toch immers vooruit niks van zeggen,” mompelde hij, maar Mien dacht, dat, als Teunis ’t van den regen kon raden, hij ’t van de sneeuw ook wel zou weten en huppelde vroolijk naar binnen.Den volgenden middag ging Teunis net ’t hek uit, toen Mien van school thuiskwam. „Nou kon er vannacht wel eens een flink pak vallen,” zei hij; „de lucht zit vol, hoor, en—’k voel het ook in mijn botten.”„Heusch waar? Komt er vannacht sneeuw?” vroeg Mien blij.Met Saartje fluisterde.Met Saartje fluisterde.„’kWeethet natuurlijk niet, maar ’t kan zijn——’t kan zijn——” Weg strompelde oude Teunis.Mien naar binnen, een stuk papier gekregen en daar met groote letters opgeschreven: „bonjour philippine.”Toen naar de buren. Met Saartje, die haar opendeed, fluisterde ze druk en duwde haar een rolletje papier in de hand, dat Saar lachend onder haar boezelaar verstopte, toen ze later naar boven ging.Een geheimpje?—Wacht maar! Den volgenden ochtend kwam Saartje vroeg ’t gordijn van de kinderkamer ophalen. „Sneeuw, Door! Er ligt al een heel pak en ’t sneeuwt nog.”„Hoera,” kraaide Doortje met haar schorre stem, „de eerste sneeuw,” en ze ging overeind zitten om de vlokken voorbij ’t raam te zien dansen.„Kijk eens op je nachtzak,” riep kleine Frits uit ’t andere bedje, „’t is net alsof er een brief op zit.”O, die Mien, die slimmerd!O, die Mien, die slimmerd!Doortje keek naar haar nachtzak, die over ’t voeteneind van haar ledikant hing en wat las ze op ’t stuk papier, dat er met een speld aan vast was gemaakt?Met groote letters stond ’t er op geschreven: „bonjour philippine!” O, die Mien, die slimmerd!—Toen Oom Jan er van hoorde, moest hij er om lachen, net als iedereen bij Door thuis en—Door zelf ook. Zóó verliezen vond ze wel grappig, maar Oom Jan zei, dat Doortje het toch eigenlijk maarhalfverloren had, want Teunis had Mien geholpen en dat vond Mien toen ook.Wie moest nu ’t presentje hebben, Mien of Door?Oom wist ’t niet te bedenken en wat deed hij toen?——Hij gafiederder meisjes een mooie, groote pop!—

ALS DE EERSTE SNEEUW VALT.

Doortje en Frits gaven een theepartijtje met ’t mooie serviesje, dat St. Nicolaas hun had gebracht; buurtje Mien was de visite. Natuurlijk schonk Doortje in; ze deed ’t wat handig en morste geen droppel. Kleine broer Frits presenteerde de beschuitjes, maar nam er eerst zelf zooveel van, dat er voor de visite niets overbleef dan één enkel, afgeknabbeld brokje.Nam er eerst zelf zooveel van.Nam er eerst zelf zooveel van.Doortje zag het; bijna zou ze met dien gulzigen Frits aan ’t kibbelen zijn gegaan, maar ze vergat het, omdat Oom Jan binnenkwam.’t Was ook zoo leuk, dat Oom Jan kwam, juist nu ze zoo deftig aan ’t theeschenken was!„Oom ook een kopje?”„Alsjeblieft en met veel suiker, hoor!”„Ja Oom,” zei Door en ze trok een gewichtig gezicht, terwijl ze een kopje halfvol suiker schepte;—zóó zou ’t Oom toch wel zoet genoeg wezen, dacht ze.„Even allemaal je oogen toe,” zei Oom, toen hij zijn thee had.„Eén, twee, drie——nù weer kijken!”O, die Oom Jan kon tooveren: op ’t schaaltje, naast het ongelukkige stukje beschuit, lag een handvol amandels!„Nu maar gauw aan ’t kraken en kijken of je ook een philippine hebt!”„Een philippine? Wat is dat?” vroeg Doortje.„O, dat weetikwel,” riep Mien uit; „dat is als er twee amandels in één dop zitten in plaats van één. Als ik nu met jou een philippine heb, dan eten we er ieder één van op en spreken af wanneer we „bonjour philippine” tegen elkaar zullen zeggen; wie ’t dan’t eerstzegt, heeft het gewonnen.”„En krijgt een presentje van mij,” zei Oom, die vast hielp kraken.Als er nu maar zoo’n philippine bij was!„Kijk Oom, probeer deze eens!”„Nee, die ik hier heb!”„Hè, eerst de mijne, Oom, dit is er zeker een.”Zoo riepen ze met hun drieën.Oom kraakte en kraakte.——„Hoera, daar heb je een philippine!” Allemaal kijken. Ja, hoor—twee amandeltjes in één dop.„Wie zullen ’t nu samen doen?”Doortje en Mien waren er dadelijk voor klaar. Oom gaf ieder een amandeltje, dat ze tegelijk moesten opeten.En nu bedenken op welken dag ze de philippine zouden hebben.„Zondag,” zei kleine Frits, die er niet eens alles van begreep.„Och wel neen; dat’s veel te gemakkelijk te onthouden.”„Als Oom Jan weer komt!”„Ook niet, want als Oom hier komt, denkiker natuurlijk aan en dat ’s niet eerlijk voor Mien. Toe Oom, bedenkt u eens iets heel, heel moeilijks!”„Laat eens zien—als——als de eerste sneeuw valt!”„Hè ja, dat ’s aardig,” riepen de meisjes uit, „als de eerste sneeuw valt!” en ze dansten van pret met elkaar rond.Oom gaf ieder een amandeltje.Oom gaf ieder een amandeltje.„Nu ben ik er toch benieuwd naar wie er, als de eerste vlokjes naar beneden dwarrelen, ’t vlugst bij zal wezen om naar haar buurtje te loopen en „bonjour philippine” te roepen,” zei Oom.„Ik zeker,” verklaarde Mien.„Neen, ’k weet vast, datik’t zal zijn,” riep Doortje en bedacht bij zichzelf een plannetje. Ze zou aan Saartje, de kindermeid, vragen haar voortaan iederen morgen vroeg wakker te maken, dan één, twee, drie uit bed wippen, kijken wat voor weer ’t was en—als ze de eerste sneeuw zag, dan vliegensvlug in de kleeren schieten, naar de buren loopen en zóó hard door de brievenbus: „bonjour philippine” roepen, dat Mien, die dan zeker nog niet op zou wezen, ’t boven kon hooren.—En als de eerstesneeuw nu eens overdag kwam? O, dàn, dan zou Door er ook wel weer iets op verzinnen; ze zou—ze zou——o, ze zou zóóveel!Maar wat ze nu heelemaal niet had gedacht——ze werd erg verkouden en moest verscheidene dagen in bed blijven, warmpjes onder de wol.En ze dansten van pret.En ze dansten van pret.Vervelend! Als ’t nu begon te sneeuwen, kon ze niet eens naar Mien.Maar tòch wou Doortje het winnen en zezouhet winnen ook, dacht ze, want zij had nu immers zoo mooi den tijd aan de philippine te denken, veel beter dan Mien, die naar school moest.Zoo gauw ze de eerste sneeuwvlokjes zag, zou ze Frits met een stukje papier, waarop stond: „bonjour philippine” naar Mien sturen; dan was ze er toch zeker ’t eerst bij.Maar al moest Mien naar school, zij dacht toch óók wel aan de philippine, net zoo goed als Door, en zij had óók een plannetje. Daarbij moest Teunis, de oude tuinman, haar helpen.Teunis kon ’t altijd zoo mooi raden van ’t weer: als Teunis zei, dat je maar een paraplu moest meenemen, kon je er bijna zeker van zijn, dat er regen kwam, al leek ’t er eerst ook niets op. Dat zag hij aan de wolken en aan den wind, ja, aan nog heel veel meer. Als iemand haast zijn heele leven buiten heeft doorgebracht en altijd goed om zich heen kijkt, ziet en leert hij veel, wat een ander niet eens opmerkt. Zoo was ’t Teunis ookgegaan. Hij hield er van op de wolken en de lucht te letten, maar ook op de kleinste bloempjes en diertjes, en wees Mien dikwijls hoe de lieve Heer alles, de groote dingen, zoowel als de kleine, zoo heerlijk gemaakt heeft.Toen Mien hem van de philippine vertelde, moest oude Teunis even lachen. „En moet ik je nou zeggen wanneer ’t zal gaan sneeuwen? Maar Mientje, dat kan ik immers niet.”„Och neen, alleen maar als je ’tdenkt,” zei Mien ongeduldig.Maar Mientje, dat kan ik immers niet.Maar Mientje, dat kan ik immers niet.Teunis schudde zijn hoofd, zooals hij altijd deed, als men hem naar ’t weer vroeg. „Daar kan een mensch toch immers vooruit niks van zeggen,” mompelde hij, maar Mien dacht, dat, als Teunis ’t van den regen kon raden, hij ’t van de sneeuw ook wel zou weten en huppelde vroolijk naar binnen.Den volgenden middag ging Teunis net ’t hek uit, toen Mien van school thuiskwam. „Nou kon er vannacht wel eens een flink pak vallen,” zei hij; „de lucht zit vol, hoor, en—’k voel het ook in mijn botten.”„Heusch waar? Komt er vannacht sneeuw?” vroeg Mien blij.Met Saartje fluisterde.Met Saartje fluisterde.„’kWeethet natuurlijk niet, maar ’t kan zijn——’t kan zijn——” Weg strompelde oude Teunis.Mien naar binnen, een stuk papier gekregen en daar met groote letters opgeschreven: „bonjour philippine.”Toen naar de buren. Met Saartje, die haar opendeed, fluisterde ze druk en duwde haar een rolletje papier in de hand, dat Saar lachend onder haar boezelaar verstopte, toen ze later naar boven ging.Een geheimpje?—Wacht maar! Den volgenden ochtend kwam Saartje vroeg ’t gordijn van de kinderkamer ophalen. „Sneeuw, Door! Er ligt al een heel pak en ’t sneeuwt nog.”„Hoera,” kraaide Doortje met haar schorre stem, „de eerste sneeuw,” en ze ging overeind zitten om de vlokken voorbij ’t raam te zien dansen.„Kijk eens op je nachtzak,” riep kleine Frits uit ’t andere bedje, „’t is net alsof er een brief op zit.”O, die Mien, die slimmerd!O, die Mien, die slimmerd!Doortje keek naar haar nachtzak, die over ’t voeteneind van haar ledikant hing en wat las ze op ’t stuk papier, dat er met een speld aan vast was gemaakt?Met groote letters stond ’t er op geschreven: „bonjour philippine!” O, die Mien, die slimmerd!—Toen Oom Jan er van hoorde, moest hij er om lachen, net als iedereen bij Door thuis en—Door zelf ook. Zóó verliezen vond ze wel grappig, maar Oom Jan zei, dat Doortje het toch eigenlijk maarhalfverloren had, want Teunis had Mien geholpen en dat vond Mien toen ook.Wie moest nu ’t presentje hebben, Mien of Door?Oom wist ’t niet te bedenken en wat deed hij toen?——Hij gafiederder meisjes een mooie, groote pop!—

Doortje en Frits gaven een theepartijtje met ’t mooie serviesje, dat St. Nicolaas hun had gebracht; buurtje Mien was de visite. Natuurlijk schonk Doortje in; ze deed ’t wat handig en morste geen droppel. Kleine broer Frits presenteerde de beschuitjes, maar nam er eerst zelf zooveel van, dat er voor de visite niets overbleef dan één enkel, afgeknabbeld brokje.

Nam er eerst zelf zooveel van.Nam er eerst zelf zooveel van.

Nam er eerst zelf zooveel van.

Doortje zag het; bijna zou ze met dien gulzigen Frits aan ’t kibbelen zijn gegaan, maar ze vergat het, omdat Oom Jan binnenkwam.

’t Was ook zoo leuk, dat Oom Jan kwam, juist nu ze zoo deftig aan ’t theeschenken was!

„Oom ook een kopje?”

„Alsjeblieft en met veel suiker, hoor!”

„Ja Oom,” zei Door en ze trok een gewichtig gezicht, terwijl ze een kopje halfvol suiker schepte;—zóó zou ’t Oom toch wel zoet genoeg wezen, dacht ze.

„Even allemaal je oogen toe,” zei Oom, toen hij zijn thee had.

„Eén, twee, drie——nù weer kijken!”

O, die Oom Jan kon tooveren: op ’t schaaltje, naast het ongelukkige stukje beschuit, lag een handvol amandels!

„Nu maar gauw aan ’t kraken en kijken of je ook een philippine hebt!”

„Een philippine? Wat is dat?” vroeg Doortje.

„O, dat weetikwel,” riep Mien uit; „dat is als er twee amandels in één dop zitten in plaats van één. Als ik nu met jou een philippine heb, dan eten we er ieder één van op en spreken af wanneer we „bonjour philippine” tegen elkaar zullen zeggen; wie ’t dan’t eerstzegt, heeft het gewonnen.”

„En krijgt een presentje van mij,” zei Oom, die vast hielp kraken.

Als er nu maar zoo’n philippine bij was!

„Kijk Oom, probeer deze eens!”

„Nee, die ik hier heb!”

„Hè, eerst de mijne, Oom, dit is er zeker een.”

Zoo riepen ze met hun drieën.

Oom kraakte en kraakte.——„Hoera, daar heb je een philippine!” Allemaal kijken. Ja, hoor—twee amandeltjes in één dop.

„Wie zullen ’t nu samen doen?”

Doortje en Mien waren er dadelijk voor klaar. Oom gaf ieder een amandeltje, dat ze tegelijk moesten opeten.

En nu bedenken op welken dag ze de philippine zouden hebben.

„Zondag,” zei kleine Frits, die er niet eens alles van begreep.

„Och wel neen; dat’s veel te gemakkelijk te onthouden.”

„Als Oom Jan weer komt!”

„Ook niet, want als Oom hier komt, denkiker natuurlijk aan en dat ’s niet eerlijk voor Mien. Toe Oom, bedenkt u eens iets heel, heel moeilijks!”

„Laat eens zien—als——als de eerste sneeuw valt!”

„Hè ja, dat ’s aardig,” riepen de meisjes uit, „als de eerste sneeuw valt!” en ze dansten van pret met elkaar rond.

Oom gaf ieder een amandeltje.Oom gaf ieder een amandeltje.

Oom gaf ieder een amandeltje.

„Nu ben ik er toch benieuwd naar wie er, als de eerste vlokjes naar beneden dwarrelen, ’t vlugst bij zal wezen om naar haar buurtje te loopen en „bonjour philippine” te roepen,” zei Oom.

„Ik zeker,” verklaarde Mien.

„Neen, ’k weet vast, datik’t zal zijn,” riep Doortje en bedacht bij zichzelf een plannetje. Ze zou aan Saartje, de kindermeid, vragen haar voortaan iederen morgen vroeg wakker te maken, dan één, twee, drie uit bed wippen, kijken wat voor weer ’t was en—als ze de eerste sneeuw zag, dan vliegensvlug in de kleeren schieten, naar de buren loopen en zóó hard door de brievenbus: „bonjour philippine” roepen, dat Mien, die dan zeker nog niet op zou wezen, ’t boven kon hooren.—En als de eerstesneeuw nu eens overdag kwam? O, dàn, dan zou Door er ook wel weer iets op verzinnen; ze zou—ze zou——o, ze zou zóóveel!

Maar wat ze nu heelemaal niet had gedacht——ze werd erg verkouden en moest verscheidene dagen in bed blijven, warmpjes onder de wol.

En ze dansten van pret.En ze dansten van pret.

En ze dansten van pret.

Vervelend! Als ’t nu begon te sneeuwen, kon ze niet eens naar Mien.

Maar tòch wou Doortje het winnen en zezouhet winnen ook, dacht ze, want zij had nu immers zoo mooi den tijd aan de philippine te denken, veel beter dan Mien, die naar school moest.

Zoo gauw ze de eerste sneeuwvlokjes zag, zou ze Frits met een stukje papier, waarop stond: „bonjour philippine” naar Mien sturen; dan was ze er toch zeker ’t eerst bij.

Maar al moest Mien naar school, zij dacht toch óók wel aan de philippine, net zoo goed als Door, en zij had óók een plannetje. Daarbij moest Teunis, de oude tuinman, haar helpen.

Teunis kon ’t altijd zoo mooi raden van ’t weer: als Teunis zei, dat je maar een paraplu moest meenemen, kon je er bijna zeker van zijn, dat er regen kwam, al leek ’t er eerst ook niets op. Dat zag hij aan de wolken en aan den wind, ja, aan nog heel veel meer. Als iemand haast zijn heele leven buiten heeft doorgebracht en altijd goed om zich heen kijkt, ziet en leert hij veel, wat een ander niet eens opmerkt. Zoo was ’t Teunis ookgegaan. Hij hield er van op de wolken en de lucht te letten, maar ook op de kleinste bloempjes en diertjes, en wees Mien dikwijls hoe de lieve Heer alles, de groote dingen, zoowel als de kleine, zoo heerlijk gemaakt heeft.

Toen Mien hem van de philippine vertelde, moest oude Teunis even lachen. „En moet ik je nou zeggen wanneer ’t zal gaan sneeuwen? Maar Mientje, dat kan ik immers niet.”

„Och neen, alleen maar als je ’tdenkt,” zei Mien ongeduldig.

Maar Mientje, dat kan ik immers niet.Maar Mientje, dat kan ik immers niet.

Maar Mientje, dat kan ik immers niet.

Teunis schudde zijn hoofd, zooals hij altijd deed, als men hem naar ’t weer vroeg. „Daar kan een mensch toch immers vooruit niks van zeggen,” mompelde hij, maar Mien dacht, dat, als Teunis ’t van den regen kon raden, hij ’t van de sneeuw ook wel zou weten en huppelde vroolijk naar binnen.

Den volgenden middag ging Teunis net ’t hek uit, toen Mien van school thuiskwam. „Nou kon er vannacht wel eens een flink pak vallen,” zei hij; „de lucht zit vol, hoor, en—’k voel het ook in mijn botten.”

„Heusch waar? Komt er vannacht sneeuw?” vroeg Mien blij.

Met Saartje fluisterde.Met Saartje fluisterde.

Met Saartje fluisterde.

„’kWeethet natuurlijk niet, maar ’t kan zijn——’t kan zijn——” Weg strompelde oude Teunis.

Mien naar binnen, een stuk papier gekregen en daar met groote letters opgeschreven: „bonjour philippine.”

Toen naar de buren. Met Saartje, die haar opendeed, fluisterde ze druk en duwde haar een rolletje papier in de hand, dat Saar lachend onder haar boezelaar verstopte, toen ze later naar boven ging.

Een geheimpje?—Wacht maar! Den volgenden ochtend kwam Saartje vroeg ’t gordijn van de kinderkamer ophalen. „Sneeuw, Door! Er ligt al een heel pak en ’t sneeuwt nog.”

„Hoera,” kraaide Doortje met haar schorre stem, „de eerste sneeuw,” en ze ging overeind zitten om de vlokken voorbij ’t raam te zien dansen.

„Kijk eens op je nachtzak,” riep kleine Frits uit ’t andere bedje, „’t is net alsof er een brief op zit.”

O, die Mien, die slimmerd!O, die Mien, die slimmerd!

O, die Mien, die slimmerd!

Doortje keek naar haar nachtzak, die over ’t voeteneind van haar ledikant hing en wat las ze op ’t stuk papier, dat er met een speld aan vast was gemaakt?Met groote letters stond ’t er op geschreven: „bonjour philippine!” O, die Mien, die slimmerd!—

Toen Oom Jan er van hoorde, moest hij er om lachen, net als iedereen bij Door thuis en—Door zelf ook. Zóó verliezen vond ze wel grappig, maar Oom Jan zei, dat Doortje het toch eigenlijk maarhalfverloren had, want Teunis had Mien geholpen en dat vond Mien toen ook.

Wie moest nu ’t presentje hebben, Mien of Door?

Oom wist ’t niet te bedenken en wat deed hij toen?——Hij gafiederder meisjes een mooie, groote pop!—


Back to IndexNext