DE NIEUWE SLEE.

DE NIEUWE SLEE.„Wat zit jij zoo ijverig te schrijven, Wim?”„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier, terwijl hij Nette met een donkeren blik aankeek.„Hij maakt een verlanglijst voor zijn jaardag,” verteldeOtto, die aan den anderen kant van de tafel zijn Fransche woordjes in de dictionnaire opzocht.„Daar hoef je toch niet zoo geheimzinnig mee te doen! Laat ’s kijken, Wim! Toe, wees niet zoo flauw! Hoe kan ik je nou wat geven, als ik niet eens mag zien wat er op staat?”Wim schoof voorzichtig een vloeitje over ’t begin van zijn lijst en terwijl hij dit stevig vasthield, leunde hij wat achterover om Nette een kijkje op de rest te geven.„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier.„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier.„Een zakmes, een doosje potlooden, een geschiedenisboek, een stempel,” las Nette halfluid.„En een slee, een mooie ijzeren, zooals Vic Rijen er een heeft,” viel Otto in, terwijl hij gauw onder de tafel dook om de prop papier, die Wim hem naar ’t hoofd gooide, te ontwijken.„Dat is gemeen! Hoe kom je daaraan? Hoe weet je dat?” voer Wim vuurrood van drift uit, terwijl Nette van de gelegenheid gebruik maakte om het vloeitje weg te trekken. Ja hoor, daar stond het met groote letters bovenaan de verlanglijst: „een ijzeren slee zooals Vic heeft.”„Dat ’s gemeen,” bromde Wim nog eens. Otto kwam weer boven water en gooide een handvol snippers uit de prullenmand op de tafel.„Och, mannetje, heb toch niet zoo’n praats! Je hebt zeker wel een half dozijn verlanglijsten op klad gemaakt en op iedere lijst stond ’t met letters als koeien; als ’t zoo’n geheim was, hadt je maar wat beter op de snippers moeten passen. Hier heb je ze! Kan ik ’t helpen, dat ik ’t zoo heb gelezen?”„Nou ja,” mompelde Wim nog, maar verder hield hij zich stil. Hij wou maar liever niet verder over de slee praten; hij schaamde zich eigenlijk voor de anderen, dat hij met zoo’n grooten wensch voor den dag kwam. Gewoonlijk kregen ze op hun jaardagen van Ma een boek en verder een paar kleinigheden.—Maar een slee—dat was zoo iets groots,—Wim had ’t bijna niet durven opschrijven—en toch, en tòch—hij wilde er zoo dolgraag een hebben. De tijd voor sleden op den Bergweg kwam nu weer aan. Heerlijk, zoo met een lange rist achter elkaar van boven af te komen, en als de baan goed was en er niets in den weg kwam, hadt je zoo’n vaart, dat je heelemaal tot aan het Corversbosch, daar waar de weg ombuigt naar de Schuttershei, doorgleedt.—Heerlijk! Wim vond ’t nog prettiger dan schaatsenrijden!—Maar dit jaar zou hij niet kunnen meedoen, behalve misschien den enkelen keer, dat Otto hem zijn prikker wilde leenen, want de zijne had ’t verleden winter afgelegd, er was geen herstellen meer aan. Wim was er ál te woest mee omgegaan; daarvan hadhij nu spijt genoeg, maar dat was een schrale troost en ’t hielp hem niet aan een nieuwe slee!—Zijn eenige hoop was nu op zijn jaardag gevestigd. Zou Ma misschien?? In elk geval kon hij ’t probeeren, en zoo kwam het, dat op Wims verlanglijst met groote letters bovenaan stond:een ijzeren slee.„Zou je er een krijgen van Ma?” vroeg Nette nieuwsgierig aan Wim, die de lijst in zijn zak had gestoken en nu met de handen onder ’t hoofd zoogenaamd in zijn aardrijkskundeboek verdiept zat.Wim haalde zijn schouders op.„Och.”„Och, wel nee,” zei Otto; „dat kan je begrijpen, zoo’n ijzeren slee is veel te duur. Ik snap niet hoe Wim ’t durft vragen—als ’t nu nog een prikker was....”„Als ik geen slee krijg, wil ik geen prikker ook,” mompelde Wim zonder op te zien. Hij werd boos, omdat Nette en Otto er maar niet over wilden uitscheiden, en daarom zei hij meer dan hij eigenlijk wel meende.„Bijna alle jongens hebben een ijzeren slee. Zoo’n lompe prikker! Ze zouden er je nog om uitlachen!”„Nou, dan leen ik jou van den winter den mijne ook niet! Dan wordt je tenminste niet uitgelachen!—’t Kan mij niet schelen! Ik sleed liever lekker, al lachen ze dan ook eens, dan dat ik er enkel maar naar kijken mag. Dat zeg ik je!”In zijn hart was Wim het met Otto eens, maar hij was in een booze bui en hield nu maar vol, dat niet sleden verre te verkiezen was boven sleden met een prikker—en beide jongens raakten zoo in vuur, dat ’t weinigscheelde of het was op een kibbelpartij uitgeloopen.En stond toen met kloppend hart te wachten.En stond toen met kloppend hart te wachten.Zoo gauw Wim Ma een oogenblikje alleen vond, gaf hij zijn lijst en stond toen met kloppend hart te wachten, totdat Ma haar had ingezien. Hij verfrommelde den kwast van den grooten stoel tusschen zijn vingers en had hem er bijna afgepeuterd, toen Ma met lezen klaar was.„Wim, jongen, Ma is bang, dat je dat bovenste zult moeten schrappen. Dat is wel een erggrootewensch, vindt je niet?—Je weet wel, dat Ma zulke groote cadeaux niet kan geven!”Wim knikte. Dat had hij wel gevreesd. Eén poging waagde hij nog: „Maar in plaats van ’t boek, Ma?”„Ma vindt ’t erg naar je te moeten teleurstellen, beste jongen, maar heusch, het gaat niet. Het is toch beter, dat je er nu dadelijk je zinnen maar afzet, dan dat je je vleit met een hoop, die ik toch niet kan verwezenlijken. We moeten heel zuinig wezen, Wim, dat weet je wel; en er is zooveel noodig voor jullie leeren en voor allerlei andere noodzakelijke dingen!”Wim liet ’t hoofd hangen.—Ma gaf hem een kus en vervolgde op opgewekten toon:„Kom Wim, Otto zal je van den winter bepaald zijn prikker wel eens leenen, en wie weet, als je nu eens flink je best doet op school en thuis wat minder wild bent, of je dan ’t volgend jaar niet zelf weer een prikker kunt hebben. Maar dan er voorzichtiger mee omgaan, hoor!” en Ma dreigde hem lachend met den vinger.Wim gaf een flauw lachje terug. ’t Volgend jaar een prikker—och, en hij wou nù een ijzeren slee!Verdrietig sloop Wim weg.Lag er al een aardig laagje in den tuin.Lag er al een aardig laagje in den tuin.Tot overmaat van ramp begon het te sneeuwen; eerst kwamen er slechts enkele vlokjes, maar tegen den avond werden ze grooter en volgden elkaar sneller op, en toen de jongens voor het naar bed gaan nog eens uitkeken, lag er al een aardig laagje in den tuin.„Dat gaat goed,” zei Otto tevreden, want hij dacht aan zijn prikker, dien hij vanmiddag van den zolder had gehaald. Wim antwoordde er niets op;hijdacht aan de ijzeren slee, waarvan hij nu zijn zinnen moest afzetten, en aan Otto’s prikker, dien hij nu niet kon leenen. Dit maakte hem knorrig en den volgenden morgen, toen alles in ’t rond dik onder de sneeuw lag,had hij eerst recht een bokkepruik op. Nu zouden de anderen natuurlijk gaan sleden om twaalf uur en om vier uur en hij zou mogen toekijken!Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt: Ma, de groote zussen, Truus en Cato, en Wim, want Nette en Otto waren al weg; die hadden gauw voortgemaakt om naar den Bergweg te komen.Wim haastte zich niet. Waarom zou hij ook? Stilletjes at hij zijn boterhammen en zijn gezicht stond o zoo donker.Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt.Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt.Op een wenk van Ma lieten de zussen, die anders wel eens bazig konden zijn, hem vanochtend met rust, en Ma deed zelf ook net alsof ze niets van zijn booze bui merkte.„Wim, jongen,” zei ze, zoo opgewekt mogelijk, „Otto en Net zijn zoo gauw weggeloopen, wil jij nu straks nog even een boodschap voor me doen? Enkel maar een briefje bij Nicht Saar brengen!”„Bij Nicht Saar!” herhaalde Wim langzaam. „Moet ik er naar binnen?” en zijn gezicht werd nog langer, want Nicht Saar, die pas in ’t dorp op kamers was komen wonen, was geen bizondere vriendin van de jongens. Zij was een ietwat zonderlinge oude dame, die volstrekt geen kinderdrukte gewend was en nogal gauw met haar op- en aanmerkingen klaar was, wanneer ze eens een enkelen keer kwam. Wim had een streepje bij haar voor, omdat hij de naamgenoot van haar overleden man was, maar toch kreeg hij even goed, zoo niet meer zijn deel van Nichts aanmerkingen, want ’t scheen dat Nicht ’t zich in het hoofd had gezet, dat Wim, omdat hijWillemheette, nu ook een volmaakte jongen moest wezen, en—dat was niet het geval!Boterham in den mond stak.Boterham in den mond stak.„Neen,” zei Ma, „je hoeft het alleen maar aan de deur af te geven. Denk er aan, ’tnietin de bus te stoppen! Ik ben er niet heel zeker van of Nicht wel thuis is, en mocht dit niet zoo zijn, dan moet je haar adres aan de juffrouw vragen.”„Ja Ma,” zei Wim landerig, terwijl hij zijn laatste reepje boterham in den mond stak.„Je mag wel wat voortmaken,” maande Truus aan, „anders kom je nog te laat.”Wim stond op, stopte ’t briefje in zijn blouse en verdween met een halfluid: „Dag Ma, Truus, To,” in het aangrenzend kabinetje, waar de jongens ’s avondshun schoolwerk maakten. Dood op zijn gemak begon Wim zijn boeken in ’t zeiltje te pakken; haast had hij niet. Hij zag er tegenop door de sneeuw te moeten loopen en uit de verte het gejoel en gejuich der vroolijke bende op den Bergweg te moeten aanhooren, hijzonderslee!En legde zijn oor tegen den kier van de deur.En legde zijn oor tegen den kier van de deur.Het riempje zat vastgesjord en Wim was op ’t punt weg te gaan, toen Cato iets zei, dat zijn aandacht trok.„Bedoelt u zoo’n mooie ijzeren slee met omgekrulde ijzers?” vroeg ze tamelijk luid.„Sst,” zei Ma.„O, maar Wim is al weg,” zei Truus nu.Wim stond als een standbeeld met zijn boeken onder den arm en toen deed hij iets, dat hij op elk ander oogenblik schandelijk zou hebben gevonden: hij kwam voorzichtig een paar stapjes nader en legde zijn oor tegen den kier van de deur.„De jongen heeft er zijn hart zoo op gezet,” hoorde hij Ma nog zeggen. Toen begonnen zij binnen over andere dingen te praten en Wim sloop, wel wat beschaamd over zijn luisteren, behoedzaam weg.Onderweg moest hij gedurig denken aan wat hij had gehoord en hij was er zoo mee vervuld, dat hij ’t briefje aan Nicht Saar glad vergat. Zou Ma tòch nog...? Ofmisschien Ma en de meisjes samen? Zijn hoop leefde weer op—ja, nog voordat hij bij zijn school was, had hij al de vaste overtuiging, dat zijn groote wensch toch nog vervuld zou worden. Weg boos humeur, weg bokkepruik—geen vroolijker jongen nu dan Wim! Om twaalf uur liep hij zelfs mee met de anderen naar den Bergweg, en met een zeker medelijden keek hij naar broer Otto en zijn prikker, die hoogst vergenoegd naar beneden sulden.Keek hij naar broer Otto en zijn prikker.Keek hij naar broer Otto en zijn prikker.Daar hadt je Vic met de mooie slee! Wacht maar, vriendje, kijk maar niet pedant—’t zal te bezien staan of jouw slee de mooisteblijftvan de heele baan!Met een omweg ging Wim naar huis; in de Kerkstraat bij den smid stonden zulke mooie sleden; die moest hij nog even zien. En terwijl hij zich daar stond te verlustigen en al vast in gedachte een keus deed, schoot hem plotseling de boodschap aan Nicht te binnen.Nicht woonde in de Langestraat—als hij hard liep, kon ’t nog net.Als een pijl uit den boog vloog Wim door de Korenstraat en de kleine zij straatjes van de Heerenstraat,kwam buiten adem aan ’t huis, waar Nicht Saaren pensionwas, trok aan de bel alsof er brand was, en stopte ’t briefje gauw in de bus.Trok aan de bel alsof er brand was.Trok aan de bel alsof er brand was.Pas toen hij thuis was en in de gang zijn cape afdeed, herinnerde hij zich, dat Ma nog zóó had gezegd ’t briefje niet in de bus te stoppen, maar af te geven. Och kom, zou dat er nu zooveel toe doen? Zoo’n dringende boodschap zou ’t toch wel niet zijn en mogelijk was Nicht niet eens uit. Wim besloot er maar niets van te zeggen en antwoordde volmondig „ja”, toen Ma hem aan de koffietafel vroeg, of hij zijn boodschap goed had gedaan. Verder praatte hij vroolijk mee met de anderen, en toen Otto en Nette over zijn jaardag begonnen en hem plaagden wat hij wel zou krijgen, ja, en òf hij wel wat zou krijgen, lachte Wim fijntjes en dacht: „Praat maar toe, ik weet wat ik weet.” Als hij aan zijn jaardag dacht, zag hij alleen maar de slee; alle andere wenschen vielen daarbij weg; hoe dichter ’t aan den gewichtigen dag toe kwam, des te mooier ensierlijker werd de slee en op den jaardag zelf was ’t al een pronkjuweel geworden, waarbij die van Vic maar een prul leek.Wim was vroeg op en haastte zich naar beneden om zijn schat nu in werkelijkheid te kunnen zien. Maar hoe vroeg hij ook kwam, Ma was nog eerder geweest en kwam nog juist bijtijds om hem te beletten, de huiskamer binnen te gaan.„Even nog wachten, vent,” zei Ma, nadat ze hem hartelijk gepakt en gefeliciteerd had; „ik ben nog niet heelemaal klaar,” en Ma verdween weer in de kamer.Toen kwamen de groote zussen, geheimzinnig een pakje wegmoffelend onder haar schort—toen Otto, die hem in ’t voorbijgaan zijn cadeau vast gaf: een zakmes, waarvoor Wim werktuigelijk bedankte—en ’t laatst van allen Nette.Nu deed Ma de deur op een kier en vroeg, of de jarige maar wilde komen.Wims hart bonsde, toen hij over den drempel stapte.„Lang zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de gloria, in de gloria, in de glo-ri-a-aa!” klonk ’t hem tegemoet.Wat ongeduldig weerde hij de zussen af—dat gezoen was ’t vervelendste op een verjaardag! Nu voerden ze hem in triomf naar ’t tafeltje voor ’t raam, waar Ma de presentjes had neergelegd op gekleurd vloeipapier, zóó dat ze ’t meest voldeden. Een boek in prachtband, een stempel, potlooden, twee mesjes voor slöjdwerk, een passer en een stuk chocola;—en dan nog ’t zakmes van Otto, dat Wim er nu bij legde. Wim bekeek zijnpresenten en bedankte, maar hij was niet zoo blij, als Ma wel gehoopt had. Telkens dwaalde zijn blik van ’t tafeltje door de kamer. De slee—waar was de slee? Wim durfde er niet naar vragen. Eindelijk troostte hij zich met de gedachte, dat de slee zeker niet op tijd bezorgd was. Ja, dat zou ’t wezen. Toen werd hij wat opgewekter.Naar ’t tafeltje voor ’t raam.Naar ’t tafeltje voor ’t raam.Om twaalf uur was zijn eerste vraag aan Jansje, die hem opendeed: „Is er niets voor mij gekomen?”En toen ’t antwoord „Neen” luidde, nam Wim ’t haar bepaald kwalijk, enzijkon ’t toch allerminst helpen.Den heelen middag, ’t was Woensdag, bleef Wim thuis. De anderen gingen een fermen loop doen, maar hij was er niet toe te bewegen, mee te gaan.Of hij zich dan niet wel voelde?Och, jawel—en Wim zat lusteloos in den grootenstoel voor ’t raam wat te bladeren in zijn nieuwe boek, een stukje op te knabbelen van zijn chocola en eigenlijk.... te wachten op zijn slee, die.... niet verscheen.En Wim zat lusteloos in den grooten stoel.En Wim zat lusteloos in den grooten stoel.„Als de jongens vanavond komen, zal hij wel wat opfleuren,” dacht Ma, die stilletjes om Wim te verrassen een paar vrindjes had gevraagd. „Zou ’t om de slee wezen? Maar ik heb ’t hem immers vooruit gezegd, dat hij zich dien wensch maar uit het hoofd moest zetten.”Ma begreep er ’t rechte niet van—ze wist ook niets van Wims luistervink spelen. En dan was er nog iets, waarvan Ma ’t rechte niet begreep en dat hing samen met de boodschap, die Wim niet zóó gedaan had, als hem was opgedragen.Wim keek dien middag telkens uit en Ma ook, en beiden verwonderden ze er zich over, dat hetgeen, waarop ieder voor zich wachtte, maar niet verscheen. ’t Was een saaie middag.„Vreemd dat Nicht er heel niet geweest is,” zei Cato aan tafel.„Zou ze dan weten, dat Wim jarig is?” vroeg Nette verbaasd.„Ja zeker, ze heeft me laatst zelf den datum gevraagden ik heb gezien, dat ze hem opgeschreven heeft.”„Den mijnen ook?” vroeg Otto.„Welnee, alleen dien van Wim.”„Natuurlijk, Wim heeft een streepje voor!”„Daar heb ik ook wat aan,” bromde Wim, die, hoewel hij anders niet op Nicht Saar gesteld was, ’t nu toch wel aardig zou hebben gevonden, als Nicht gekomen was—met een pakje—nu ja, dat hoorde er natuurlijk bij. ’t Zou tenminste zoo’n klein beetje een vergoeding zijn geweest voor die teleurstelling over de slee.„Zou Nicht ’t kwalijk hebben genomen, u weet wel?” vroeg Truus met een wenk aan Ma.„’t Kan bijna niet, daar ’t alleen een antwoord was op haar vraag—maar toch, je kunt ’t nooit weten, Nicht is wat zonderling. Als ik niet zeker wist, dat Wim er ’t briefje zelf had afgegeven, zou ik denken, dat ’t misschien niet tot haar is gekomen.”Wim schrikte op uit zijn gesoes. Wat zei Ma? Nog over ’t briefje? Wat was er met dat briefje? Zou hij het nu nog zeggen? Nee—’t was al zoo lang geleden. Misschien bedoelden ze dat niet eens. Hij had ’t ook maar half gehoord.Om zeven uur een harde ruk aan de bel.„Een verrassing voor jou!” riep Truus uit.Wim spitste zijn ooren, keek Ma aan. Ma knikte. „Ik hoop tenminste, dat je ’t prettig zult vinden, jongen. Je bent vandaag niet zoo gauw voldaan.”Wim kreeg een kleur. Ja, Mahadgelijk: hij was schandelijk ondankbaar geweest. Och, maar als nu de slee nog kwam, dan was ’t gauw vergeten, dan kwam allesnog goed en zou hij zoo vroolijk zijn, als Ma ’t zich maar wenschen kon.Gepraat in de gang—stappen naar de deur, die Otto met een zwaai opendeed—daar keken vier vroolijke gezichten naar binnen: Bram, Nico, Piet en Vic.Bram, Nico, Piet en Vic.Bram, Nico, Piet en Vic.Leuk van Ma ze stil te vragen,—maar, waar was—de slee? Wim wierp achter de jongens om een blik in de gang. Niets te zien; de voordeur was weer dicht. Zijn gezicht betrok weer. Zou die slee dan nooit komen? En hij had toch zelfgehoord, dat Ma er met de meisjes over sprak!Wim was maar half met zijn hart bij de spelletjes, die ze nu allen met elkaar deden. Hij praatte en lachte wel mee, maar eigenlijk ging het alles buiten hem om.Tegen negen uur werd er weer gebeld.„Nog een verrassing!” riep Nette uit.„Nee, nee,” zei Ma gauw, met een medelijdenden blik naar Wim; „’k zou niet weten wat er nu nog moest komen!”’t Was niet eens noodig geweest, dat Ma dit zoo zei: Wim had nu toch alle hoop laten varen. Bijna negenuur. Nee, als de slee had moeten komen, was hij er nu al geweest!„De post, Mevrouw!”„De post, Mevrouw!”Jansje tikte. „De post, Mevrouw!”„Hé! van Nicht Saar,” zei Ma verrast en toen, even later met een vroolijken blik op Wim: „Luister eens, jongen, dit geldt jou ook.”„Vanmiddag laat van een driedaagsch uitstapje thuis gekomen, vond ik je brief met de inlichtingen—die ik trouwens zelf gevraagd had—van Willems wenschen. ’t Is wel niet mijn gewoonte cadeaux te geven op verjaardagen, maar met Willem wil ik een uitzondering maken. ’t Spijt me zeer, dat ik je brief niet eerder in handen heb gekregen—nu ben ik niet klaar met mijn cadeau. ’t Is nu te laat er nog voor te zorgen. Eerlijk gezegd, was ik ontevreden, omdat ik op mijn vraag maar geen antwoord kreeg. We hadden toch afgesproken, dat je zoudt informeeren of ik nog thuis was; zoo niet, dan zou de juffrouw je mijn adres geven. Het ontstemde mij, dat ik geen bericht van je kreeg en daarom kwam ik ook niet, zooals eerst mijn plan was,vóór Willems jaardag thuis. Enfin, ik heb den brief nu en ’t is zeker een misverstand geweest. ’t Is me nu te laat om zelf nog te komen, bovendien ben ik moe van de reis; maar ik wil den jongen zijn cadeau nu toch niet onthouden. Geef hem inliggenden brief met mijn gelukwenschen.”Vier, vijf, zes handen tegelijk werden naar het papiertje uitgestoken, dat Ma omhoog hield.Wim pakte het en met een kleur als vuur las hij hardop: „Goed voor een mooie ijzeren slede, uit te kiezen door Willem zelf.”„O, Ma!” was al wat Wim zeggen kon—de tranen sprongen hem in de oogen, en als hij zich niet geschaamd had voor de vrindjes, dan...Met een kleur als vuur las hij hardop.Met een kleur als vuur las hij hardop.Dat werd een heerlijk slot van den dag. Ma verzon het en allen vonden ’t dol. Verbeeld je, ze gingen met hun zessen en de vier vrindjes er bij, dat was tien, warm ingestopt er nog op uit, naar de Kerkstraat, om daar bij den smid een slee uit te kiezen. ’t Was Wim alsof hij droomde, nu hij daar op den laten avond in den winkelstond en zijn vurige wensch op ’t punt was vervuld te worden.Hij zocht een prachtslee uit. Zelfs Vic moest bekennen, dat de zijne er niet bij haalde.Of ze haar dadelijk mee mochten nemen? „Wel ja, hoor!” Nette in de slee—Wim, Otto, Vic en Piet aan ’t duwen—hei, wat vloog die er overheen! Zoo licht als een veer!Hij zocht een prachtslee uit.Hij zocht een prachtslee uit.Nu weer terug naar Ma en de anderen, en toen in vroolijken optocht allen met elkaar de vier vrinden één voor één thuis gebracht. Het laatste eind mocht Wim zelf in de slee.Ma liep er op een drafje bij met de meisjes en pret dat ze hadden. Wim vooral, hij was door alles heen.Maar thuis, toen de nieuwe slee veilig was opgeborgen en de drie jongsten ook nog even mochten opblijven om na te praten, werd Wim weer stil. Hij keek zoo ernstig.„Jongenlief, wat is er?” vroeg Ma, die zich al ongerust maakte.„Ma—ik—ik weet wel hoe ’t komt, dat Nicht uw brief zoo laat kreeg.” Ziezoo, nu was ’t begin gemaakt, nu was ’t hooge woord er uit: „’t Was mijn schuld, Ma”—en haperend en stotterend, maar toch al opgelucht, vertelde Wim de heele geschiedenis, ook dat van zijnluistervink spelen.Ma zei er maar niet veel meer van.Ma zei er maar niet veel meer van.Ma zei er maar niet veel meer van; de jongen hader al narigheid genoeg over gehad. Maar gelukkig, het eind van den dag was dan tochgoedgeweest, vond Ma, terwijl ze haar jongen afkuste en zijn hoofd weer ophief, dat hij erg beschaamd liet hangen.Nou, òf ’tgoedwas geweest! Dat vond Wim ook, toen hij in bed lag en den heelen dag nog eens naging. „Maar de halve waarheid spreken en voor luistervink spelen doe ’k van mijn leven niet meer,” dacht hij,—„wat een ellende heb ik me daarmee op den hals gehaald! En—’t scheelde niet veel of ik was er mijn slee nog door misgeloopen ook!”

DE NIEUWE SLEE.„Wat zit jij zoo ijverig te schrijven, Wim?”„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier, terwijl hij Nette met een donkeren blik aankeek.„Hij maakt een verlanglijst voor zijn jaardag,” verteldeOtto, die aan den anderen kant van de tafel zijn Fransche woordjes in de dictionnaire opzocht.„Daar hoef je toch niet zoo geheimzinnig mee te doen! Laat ’s kijken, Wim! Toe, wees niet zoo flauw! Hoe kan ik je nou wat geven, als ik niet eens mag zien wat er op staat?”Wim schoof voorzichtig een vloeitje over ’t begin van zijn lijst en terwijl hij dit stevig vasthield, leunde hij wat achterover om Nette een kijkje op de rest te geven.„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier.„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier.„Een zakmes, een doosje potlooden, een geschiedenisboek, een stempel,” las Nette halfluid.„En een slee, een mooie ijzeren, zooals Vic Rijen er een heeft,” viel Otto in, terwijl hij gauw onder de tafel dook om de prop papier, die Wim hem naar ’t hoofd gooide, te ontwijken.„Dat is gemeen! Hoe kom je daaraan? Hoe weet je dat?” voer Wim vuurrood van drift uit, terwijl Nette van de gelegenheid gebruik maakte om het vloeitje weg te trekken. Ja hoor, daar stond het met groote letters bovenaan de verlanglijst: „een ijzeren slee zooals Vic heeft.”„Dat ’s gemeen,” bromde Wim nog eens. Otto kwam weer boven water en gooide een handvol snippers uit de prullenmand op de tafel.„Och, mannetje, heb toch niet zoo’n praats! Je hebt zeker wel een half dozijn verlanglijsten op klad gemaakt en op iedere lijst stond ’t met letters als koeien; als ’t zoo’n geheim was, hadt je maar wat beter op de snippers moeten passen. Hier heb je ze! Kan ik ’t helpen, dat ik ’t zoo heb gelezen?”„Nou ja,” mompelde Wim nog, maar verder hield hij zich stil. Hij wou maar liever niet verder over de slee praten; hij schaamde zich eigenlijk voor de anderen, dat hij met zoo’n grooten wensch voor den dag kwam. Gewoonlijk kregen ze op hun jaardagen van Ma een boek en verder een paar kleinigheden.—Maar een slee—dat was zoo iets groots,—Wim had ’t bijna niet durven opschrijven—en toch, en tòch—hij wilde er zoo dolgraag een hebben. De tijd voor sleden op den Bergweg kwam nu weer aan. Heerlijk, zoo met een lange rist achter elkaar van boven af te komen, en als de baan goed was en er niets in den weg kwam, hadt je zoo’n vaart, dat je heelemaal tot aan het Corversbosch, daar waar de weg ombuigt naar de Schuttershei, doorgleedt.—Heerlijk! Wim vond ’t nog prettiger dan schaatsenrijden!—Maar dit jaar zou hij niet kunnen meedoen, behalve misschien den enkelen keer, dat Otto hem zijn prikker wilde leenen, want de zijne had ’t verleden winter afgelegd, er was geen herstellen meer aan. Wim was er ál te woest mee omgegaan; daarvan hadhij nu spijt genoeg, maar dat was een schrale troost en ’t hielp hem niet aan een nieuwe slee!—Zijn eenige hoop was nu op zijn jaardag gevestigd. Zou Ma misschien?? In elk geval kon hij ’t probeeren, en zoo kwam het, dat op Wims verlanglijst met groote letters bovenaan stond:een ijzeren slee.„Zou je er een krijgen van Ma?” vroeg Nette nieuwsgierig aan Wim, die de lijst in zijn zak had gestoken en nu met de handen onder ’t hoofd zoogenaamd in zijn aardrijkskundeboek verdiept zat.Wim haalde zijn schouders op.„Och.”„Och, wel nee,” zei Otto; „dat kan je begrijpen, zoo’n ijzeren slee is veel te duur. Ik snap niet hoe Wim ’t durft vragen—als ’t nu nog een prikker was....”„Als ik geen slee krijg, wil ik geen prikker ook,” mompelde Wim zonder op te zien. Hij werd boos, omdat Nette en Otto er maar niet over wilden uitscheiden, en daarom zei hij meer dan hij eigenlijk wel meende.„Bijna alle jongens hebben een ijzeren slee. Zoo’n lompe prikker! Ze zouden er je nog om uitlachen!”„Nou, dan leen ik jou van den winter den mijne ook niet! Dan wordt je tenminste niet uitgelachen!—’t Kan mij niet schelen! Ik sleed liever lekker, al lachen ze dan ook eens, dan dat ik er enkel maar naar kijken mag. Dat zeg ik je!”In zijn hart was Wim het met Otto eens, maar hij was in een booze bui en hield nu maar vol, dat niet sleden verre te verkiezen was boven sleden met een prikker—en beide jongens raakten zoo in vuur, dat ’t weinigscheelde of het was op een kibbelpartij uitgeloopen.En stond toen met kloppend hart te wachten.En stond toen met kloppend hart te wachten.Zoo gauw Wim Ma een oogenblikje alleen vond, gaf hij zijn lijst en stond toen met kloppend hart te wachten, totdat Ma haar had ingezien. Hij verfrommelde den kwast van den grooten stoel tusschen zijn vingers en had hem er bijna afgepeuterd, toen Ma met lezen klaar was.„Wim, jongen, Ma is bang, dat je dat bovenste zult moeten schrappen. Dat is wel een erggrootewensch, vindt je niet?—Je weet wel, dat Ma zulke groote cadeaux niet kan geven!”Wim knikte. Dat had hij wel gevreesd. Eén poging waagde hij nog: „Maar in plaats van ’t boek, Ma?”„Ma vindt ’t erg naar je te moeten teleurstellen, beste jongen, maar heusch, het gaat niet. Het is toch beter, dat je er nu dadelijk je zinnen maar afzet, dan dat je je vleit met een hoop, die ik toch niet kan verwezenlijken. We moeten heel zuinig wezen, Wim, dat weet je wel; en er is zooveel noodig voor jullie leeren en voor allerlei andere noodzakelijke dingen!”Wim liet ’t hoofd hangen.—Ma gaf hem een kus en vervolgde op opgewekten toon:„Kom Wim, Otto zal je van den winter bepaald zijn prikker wel eens leenen, en wie weet, als je nu eens flink je best doet op school en thuis wat minder wild bent, of je dan ’t volgend jaar niet zelf weer een prikker kunt hebben. Maar dan er voorzichtiger mee omgaan, hoor!” en Ma dreigde hem lachend met den vinger.Wim gaf een flauw lachje terug. ’t Volgend jaar een prikker—och, en hij wou nù een ijzeren slee!Verdrietig sloop Wim weg.Lag er al een aardig laagje in den tuin.Lag er al een aardig laagje in den tuin.Tot overmaat van ramp begon het te sneeuwen; eerst kwamen er slechts enkele vlokjes, maar tegen den avond werden ze grooter en volgden elkaar sneller op, en toen de jongens voor het naar bed gaan nog eens uitkeken, lag er al een aardig laagje in den tuin.„Dat gaat goed,” zei Otto tevreden, want hij dacht aan zijn prikker, dien hij vanmiddag van den zolder had gehaald. Wim antwoordde er niets op;hijdacht aan de ijzeren slee, waarvan hij nu zijn zinnen moest afzetten, en aan Otto’s prikker, dien hij nu niet kon leenen. Dit maakte hem knorrig en den volgenden morgen, toen alles in ’t rond dik onder de sneeuw lag,had hij eerst recht een bokkepruik op. Nu zouden de anderen natuurlijk gaan sleden om twaalf uur en om vier uur en hij zou mogen toekijken!Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt: Ma, de groote zussen, Truus en Cato, en Wim, want Nette en Otto waren al weg; die hadden gauw voortgemaakt om naar den Bergweg te komen.Wim haastte zich niet. Waarom zou hij ook? Stilletjes at hij zijn boterhammen en zijn gezicht stond o zoo donker.Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt.Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt.Op een wenk van Ma lieten de zussen, die anders wel eens bazig konden zijn, hem vanochtend met rust, en Ma deed zelf ook net alsof ze niets van zijn booze bui merkte.„Wim, jongen,” zei ze, zoo opgewekt mogelijk, „Otto en Net zijn zoo gauw weggeloopen, wil jij nu straks nog even een boodschap voor me doen? Enkel maar een briefje bij Nicht Saar brengen!”„Bij Nicht Saar!” herhaalde Wim langzaam. „Moet ik er naar binnen?” en zijn gezicht werd nog langer, want Nicht Saar, die pas in ’t dorp op kamers was komen wonen, was geen bizondere vriendin van de jongens. Zij was een ietwat zonderlinge oude dame, die volstrekt geen kinderdrukte gewend was en nogal gauw met haar op- en aanmerkingen klaar was, wanneer ze eens een enkelen keer kwam. Wim had een streepje bij haar voor, omdat hij de naamgenoot van haar overleden man was, maar toch kreeg hij even goed, zoo niet meer zijn deel van Nichts aanmerkingen, want ’t scheen dat Nicht ’t zich in het hoofd had gezet, dat Wim, omdat hijWillemheette, nu ook een volmaakte jongen moest wezen, en—dat was niet het geval!Boterham in den mond stak.Boterham in den mond stak.„Neen,” zei Ma, „je hoeft het alleen maar aan de deur af te geven. Denk er aan, ’tnietin de bus te stoppen! Ik ben er niet heel zeker van of Nicht wel thuis is, en mocht dit niet zoo zijn, dan moet je haar adres aan de juffrouw vragen.”„Ja Ma,” zei Wim landerig, terwijl hij zijn laatste reepje boterham in den mond stak.„Je mag wel wat voortmaken,” maande Truus aan, „anders kom je nog te laat.”Wim stond op, stopte ’t briefje in zijn blouse en verdween met een halfluid: „Dag Ma, Truus, To,” in het aangrenzend kabinetje, waar de jongens ’s avondshun schoolwerk maakten. Dood op zijn gemak begon Wim zijn boeken in ’t zeiltje te pakken; haast had hij niet. Hij zag er tegenop door de sneeuw te moeten loopen en uit de verte het gejoel en gejuich der vroolijke bende op den Bergweg te moeten aanhooren, hijzonderslee!En legde zijn oor tegen den kier van de deur.En legde zijn oor tegen den kier van de deur.Het riempje zat vastgesjord en Wim was op ’t punt weg te gaan, toen Cato iets zei, dat zijn aandacht trok.„Bedoelt u zoo’n mooie ijzeren slee met omgekrulde ijzers?” vroeg ze tamelijk luid.„Sst,” zei Ma.„O, maar Wim is al weg,” zei Truus nu.Wim stond als een standbeeld met zijn boeken onder den arm en toen deed hij iets, dat hij op elk ander oogenblik schandelijk zou hebben gevonden: hij kwam voorzichtig een paar stapjes nader en legde zijn oor tegen den kier van de deur.„De jongen heeft er zijn hart zoo op gezet,” hoorde hij Ma nog zeggen. Toen begonnen zij binnen over andere dingen te praten en Wim sloop, wel wat beschaamd over zijn luisteren, behoedzaam weg.Onderweg moest hij gedurig denken aan wat hij had gehoord en hij was er zoo mee vervuld, dat hij ’t briefje aan Nicht Saar glad vergat. Zou Ma tòch nog...? Ofmisschien Ma en de meisjes samen? Zijn hoop leefde weer op—ja, nog voordat hij bij zijn school was, had hij al de vaste overtuiging, dat zijn groote wensch toch nog vervuld zou worden. Weg boos humeur, weg bokkepruik—geen vroolijker jongen nu dan Wim! Om twaalf uur liep hij zelfs mee met de anderen naar den Bergweg, en met een zeker medelijden keek hij naar broer Otto en zijn prikker, die hoogst vergenoegd naar beneden sulden.Keek hij naar broer Otto en zijn prikker.Keek hij naar broer Otto en zijn prikker.Daar hadt je Vic met de mooie slee! Wacht maar, vriendje, kijk maar niet pedant—’t zal te bezien staan of jouw slee de mooisteblijftvan de heele baan!Met een omweg ging Wim naar huis; in de Kerkstraat bij den smid stonden zulke mooie sleden; die moest hij nog even zien. En terwijl hij zich daar stond te verlustigen en al vast in gedachte een keus deed, schoot hem plotseling de boodschap aan Nicht te binnen.Nicht woonde in de Langestraat—als hij hard liep, kon ’t nog net.Als een pijl uit den boog vloog Wim door de Korenstraat en de kleine zij straatjes van de Heerenstraat,kwam buiten adem aan ’t huis, waar Nicht Saaren pensionwas, trok aan de bel alsof er brand was, en stopte ’t briefje gauw in de bus.Trok aan de bel alsof er brand was.Trok aan de bel alsof er brand was.Pas toen hij thuis was en in de gang zijn cape afdeed, herinnerde hij zich, dat Ma nog zóó had gezegd ’t briefje niet in de bus te stoppen, maar af te geven. Och kom, zou dat er nu zooveel toe doen? Zoo’n dringende boodschap zou ’t toch wel niet zijn en mogelijk was Nicht niet eens uit. Wim besloot er maar niets van te zeggen en antwoordde volmondig „ja”, toen Ma hem aan de koffietafel vroeg, of hij zijn boodschap goed had gedaan. Verder praatte hij vroolijk mee met de anderen, en toen Otto en Nette over zijn jaardag begonnen en hem plaagden wat hij wel zou krijgen, ja, en òf hij wel wat zou krijgen, lachte Wim fijntjes en dacht: „Praat maar toe, ik weet wat ik weet.” Als hij aan zijn jaardag dacht, zag hij alleen maar de slee; alle andere wenschen vielen daarbij weg; hoe dichter ’t aan den gewichtigen dag toe kwam, des te mooier ensierlijker werd de slee en op den jaardag zelf was ’t al een pronkjuweel geworden, waarbij die van Vic maar een prul leek.Wim was vroeg op en haastte zich naar beneden om zijn schat nu in werkelijkheid te kunnen zien. Maar hoe vroeg hij ook kwam, Ma was nog eerder geweest en kwam nog juist bijtijds om hem te beletten, de huiskamer binnen te gaan.„Even nog wachten, vent,” zei Ma, nadat ze hem hartelijk gepakt en gefeliciteerd had; „ik ben nog niet heelemaal klaar,” en Ma verdween weer in de kamer.Toen kwamen de groote zussen, geheimzinnig een pakje wegmoffelend onder haar schort—toen Otto, die hem in ’t voorbijgaan zijn cadeau vast gaf: een zakmes, waarvoor Wim werktuigelijk bedankte—en ’t laatst van allen Nette.Nu deed Ma de deur op een kier en vroeg, of de jarige maar wilde komen.Wims hart bonsde, toen hij over den drempel stapte.„Lang zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de gloria, in de gloria, in de glo-ri-a-aa!” klonk ’t hem tegemoet.Wat ongeduldig weerde hij de zussen af—dat gezoen was ’t vervelendste op een verjaardag! Nu voerden ze hem in triomf naar ’t tafeltje voor ’t raam, waar Ma de presentjes had neergelegd op gekleurd vloeipapier, zóó dat ze ’t meest voldeden. Een boek in prachtband, een stempel, potlooden, twee mesjes voor slöjdwerk, een passer en een stuk chocola;—en dan nog ’t zakmes van Otto, dat Wim er nu bij legde. Wim bekeek zijnpresenten en bedankte, maar hij was niet zoo blij, als Ma wel gehoopt had. Telkens dwaalde zijn blik van ’t tafeltje door de kamer. De slee—waar was de slee? Wim durfde er niet naar vragen. Eindelijk troostte hij zich met de gedachte, dat de slee zeker niet op tijd bezorgd was. Ja, dat zou ’t wezen. Toen werd hij wat opgewekter.Naar ’t tafeltje voor ’t raam.Naar ’t tafeltje voor ’t raam.Om twaalf uur was zijn eerste vraag aan Jansje, die hem opendeed: „Is er niets voor mij gekomen?”En toen ’t antwoord „Neen” luidde, nam Wim ’t haar bepaald kwalijk, enzijkon ’t toch allerminst helpen.Den heelen middag, ’t was Woensdag, bleef Wim thuis. De anderen gingen een fermen loop doen, maar hij was er niet toe te bewegen, mee te gaan.Of hij zich dan niet wel voelde?Och, jawel—en Wim zat lusteloos in den grootenstoel voor ’t raam wat te bladeren in zijn nieuwe boek, een stukje op te knabbelen van zijn chocola en eigenlijk.... te wachten op zijn slee, die.... niet verscheen.En Wim zat lusteloos in den grooten stoel.En Wim zat lusteloos in den grooten stoel.„Als de jongens vanavond komen, zal hij wel wat opfleuren,” dacht Ma, die stilletjes om Wim te verrassen een paar vrindjes had gevraagd. „Zou ’t om de slee wezen? Maar ik heb ’t hem immers vooruit gezegd, dat hij zich dien wensch maar uit het hoofd moest zetten.”Ma begreep er ’t rechte niet van—ze wist ook niets van Wims luistervink spelen. En dan was er nog iets, waarvan Ma ’t rechte niet begreep en dat hing samen met de boodschap, die Wim niet zóó gedaan had, als hem was opgedragen.Wim keek dien middag telkens uit en Ma ook, en beiden verwonderden ze er zich over, dat hetgeen, waarop ieder voor zich wachtte, maar niet verscheen. ’t Was een saaie middag.„Vreemd dat Nicht er heel niet geweest is,” zei Cato aan tafel.„Zou ze dan weten, dat Wim jarig is?” vroeg Nette verbaasd.„Ja zeker, ze heeft me laatst zelf den datum gevraagden ik heb gezien, dat ze hem opgeschreven heeft.”„Den mijnen ook?” vroeg Otto.„Welnee, alleen dien van Wim.”„Natuurlijk, Wim heeft een streepje voor!”„Daar heb ik ook wat aan,” bromde Wim, die, hoewel hij anders niet op Nicht Saar gesteld was, ’t nu toch wel aardig zou hebben gevonden, als Nicht gekomen was—met een pakje—nu ja, dat hoorde er natuurlijk bij. ’t Zou tenminste zoo’n klein beetje een vergoeding zijn geweest voor die teleurstelling over de slee.„Zou Nicht ’t kwalijk hebben genomen, u weet wel?” vroeg Truus met een wenk aan Ma.„’t Kan bijna niet, daar ’t alleen een antwoord was op haar vraag—maar toch, je kunt ’t nooit weten, Nicht is wat zonderling. Als ik niet zeker wist, dat Wim er ’t briefje zelf had afgegeven, zou ik denken, dat ’t misschien niet tot haar is gekomen.”Wim schrikte op uit zijn gesoes. Wat zei Ma? Nog over ’t briefje? Wat was er met dat briefje? Zou hij het nu nog zeggen? Nee—’t was al zoo lang geleden. Misschien bedoelden ze dat niet eens. Hij had ’t ook maar half gehoord.Om zeven uur een harde ruk aan de bel.„Een verrassing voor jou!” riep Truus uit.Wim spitste zijn ooren, keek Ma aan. Ma knikte. „Ik hoop tenminste, dat je ’t prettig zult vinden, jongen. Je bent vandaag niet zoo gauw voldaan.”Wim kreeg een kleur. Ja, Mahadgelijk: hij was schandelijk ondankbaar geweest. Och, maar als nu de slee nog kwam, dan was ’t gauw vergeten, dan kwam allesnog goed en zou hij zoo vroolijk zijn, als Ma ’t zich maar wenschen kon.Gepraat in de gang—stappen naar de deur, die Otto met een zwaai opendeed—daar keken vier vroolijke gezichten naar binnen: Bram, Nico, Piet en Vic.Bram, Nico, Piet en Vic.Bram, Nico, Piet en Vic.Leuk van Ma ze stil te vragen,—maar, waar was—de slee? Wim wierp achter de jongens om een blik in de gang. Niets te zien; de voordeur was weer dicht. Zijn gezicht betrok weer. Zou die slee dan nooit komen? En hij had toch zelfgehoord, dat Ma er met de meisjes over sprak!Wim was maar half met zijn hart bij de spelletjes, die ze nu allen met elkaar deden. Hij praatte en lachte wel mee, maar eigenlijk ging het alles buiten hem om.Tegen negen uur werd er weer gebeld.„Nog een verrassing!” riep Nette uit.„Nee, nee,” zei Ma gauw, met een medelijdenden blik naar Wim; „’k zou niet weten wat er nu nog moest komen!”’t Was niet eens noodig geweest, dat Ma dit zoo zei: Wim had nu toch alle hoop laten varen. Bijna negenuur. Nee, als de slee had moeten komen, was hij er nu al geweest!„De post, Mevrouw!”„De post, Mevrouw!”Jansje tikte. „De post, Mevrouw!”„Hé! van Nicht Saar,” zei Ma verrast en toen, even later met een vroolijken blik op Wim: „Luister eens, jongen, dit geldt jou ook.”„Vanmiddag laat van een driedaagsch uitstapje thuis gekomen, vond ik je brief met de inlichtingen—die ik trouwens zelf gevraagd had—van Willems wenschen. ’t Is wel niet mijn gewoonte cadeaux te geven op verjaardagen, maar met Willem wil ik een uitzondering maken. ’t Spijt me zeer, dat ik je brief niet eerder in handen heb gekregen—nu ben ik niet klaar met mijn cadeau. ’t Is nu te laat er nog voor te zorgen. Eerlijk gezegd, was ik ontevreden, omdat ik op mijn vraag maar geen antwoord kreeg. We hadden toch afgesproken, dat je zoudt informeeren of ik nog thuis was; zoo niet, dan zou de juffrouw je mijn adres geven. Het ontstemde mij, dat ik geen bericht van je kreeg en daarom kwam ik ook niet, zooals eerst mijn plan was,vóór Willems jaardag thuis. Enfin, ik heb den brief nu en ’t is zeker een misverstand geweest. ’t Is me nu te laat om zelf nog te komen, bovendien ben ik moe van de reis; maar ik wil den jongen zijn cadeau nu toch niet onthouden. Geef hem inliggenden brief met mijn gelukwenschen.”Vier, vijf, zes handen tegelijk werden naar het papiertje uitgestoken, dat Ma omhoog hield.Wim pakte het en met een kleur als vuur las hij hardop: „Goed voor een mooie ijzeren slede, uit te kiezen door Willem zelf.”„O, Ma!” was al wat Wim zeggen kon—de tranen sprongen hem in de oogen, en als hij zich niet geschaamd had voor de vrindjes, dan...Met een kleur als vuur las hij hardop.Met een kleur als vuur las hij hardop.Dat werd een heerlijk slot van den dag. Ma verzon het en allen vonden ’t dol. Verbeeld je, ze gingen met hun zessen en de vier vrindjes er bij, dat was tien, warm ingestopt er nog op uit, naar de Kerkstraat, om daar bij den smid een slee uit te kiezen. ’t Was Wim alsof hij droomde, nu hij daar op den laten avond in den winkelstond en zijn vurige wensch op ’t punt was vervuld te worden.Hij zocht een prachtslee uit. Zelfs Vic moest bekennen, dat de zijne er niet bij haalde.Of ze haar dadelijk mee mochten nemen? „Wel ja, hoor!” Nette in de slee—Wim, Otto, Vic en Piet aan ’t duwen—hei, wat vloog die er overheen! Zoo licht als een veer!Hij zocht een prachtslee uit.Hij zocht een prachtslee uit.Nu weer terug naar Ma en de anderen, en toen in vroolijken optocht allen met elkaar de vier vrinden één voor één thuis gebracht. Het laatste eind mocht Wim zelf in de slee.Ma liep er op een drafje bij met de meisjes en pret dat ze hadden. Wim vooral, hij was door alles heen.Maar thuis, toen de nieuwe slee veilig was opgeborgen en de drie jongsten ook nog even mochten opblijven om na te praten, werd Wim weer stil. Hij keek zoo ernstig.„Jongenlief, wat is er?” vroeg Ma, die zich al ongerust maakte.„Ma—ik—ik weet wel hoe ’t komt, dat Nicht uw brief zoo laat kreeg.” Ziezoo, nu was ’t begin gemaakt, nu was ’t hooge woord er uit: „’t Was mijn schuld, Ma”—en haperend en stotterend, maar toch al opgelucht, vertelde Wim de heele geschiedenis, ook dat van zijnluistervink spelen.Ma zei er maar niet veel meer van.Ma zei er maar niet veel meer van.Ma zei er maar niet veel meer van; de jongen hader al narigheid genoeg over gehad. Maar gelukkig, het eind van den dag was dan tochgoedgeweest, vond Ma, terwijl ze haar jongen afkuste en zijn hoofd weer ophief, dat hij erg beschaamd liet hangen.Nou, òf ’tgoedwas geweest! Dat vond Wim ook, toen hij in bed lag en den heelen dag nog eens naging. „Maar de halve waarheid spreken en voor luistervink spelen doe ’k van mijn leven niet meer,” dacht hij,—„wat een ellende heb ik me daarmee op den hals gehaald! En—’t scheelde niet veel of ik was er mijn slee nog door misgeloopen ook!”

DE NIEUWE SLEE.

„Wat zit jij zoo ijverig te schrijven, Wim?”„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier, terwijl hij Nette met een donkeren blik aankeek.„Hij maakt een verlanglijst voor zijn jaardag,” verteldeOtto, die aan den anderen kant van de tafel zijn Fransche woordjes in de dictionnaire opzocht.„Daar hoef je toch niet zoo geheimzinnig mee te doen! Laat ’s kijken, Wim! Toe, wees niet zoo flauw! Hoe kan ik je nou wat geven, als ik niet eens mag zien wat er op staat?”Wim schoof voorzichtig een vloeitje over ’t begin van zijn lijst en terwijl hij dit stevig vasthield, leunde hij wat achterover om Nette een kijkje op de rest te geven.„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier.„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier.„Een zakmes, een doosje potlooden, een geschiedenisboek, een stempel,” las Nette halfluid.„En een slee, een mooie ijzeren, zooals Vic Rijen er een heeft,” viel Otto in, terwijl hij gauw onder de tafel dook om de prop papier, die Wim hem naar ’t hoofd gooide, te ontwijken.„Dat is gemeen! Hoe kom je daaraan? Hoe weet je dat?” voer Wim vuurrood van drift uit, terwijl Nette van de gelegenheid gebruik maakte om het vloeitje weg te trekken. Ja hoor, daar stond het met groote letters bovenaan de verlanglijst: „een ijzeren slee zooals Vic heeft.”„Dat ’s gemeen,” bromde Wim nog eens. Otto kwam weer boven water en gooide een handvol snippers uit de prullenmand op de tafel.„Och, mannetje, heb toch niet zoo’n praats! Je hebt zeker wel een half dozijn verlanglijsten op klad gemaakt en op iedere lijst stond ’t met letters als koeien; als ’t zoo’n geheim was, hadt je maar wat beter op de snippers moeten passen. Hier heb je ze! Kan ik ’t helpen, dat ik ’t zoo heb gelezen?”„Nou ja,” mompelde Wim nog, maar verder hield hij zich stil. Hij wou maar liever niet verder over de slee praten; hij schaamde zich eigenlijk voor de anderen, dat hij met zoo’n grooten wensch voor den dag kwam. Gewoonlijk kregen ze op hun jaardagen van Ma een boek en verder een paar kleinigheden.—Maar een slee—dat was zoo iets groots,—Wim had ’t bijna niet durven opschrijven—en toch, en tòch—hij wilde er zoo dolgraag een hebben. De tijd voor sleden op den Bergweg kwam nu weer aan. Heerlijk, zoo met een lange rist achter elkaar van boven af te komen, en als de baan goed was en er niets in den weg kwam, hadt je zoo’n vaart, dat je heelemaal tot aan het Corversbosch, daar waar de weg ombuigt naar de Schuttershei, doorgleedt.—Heerlijk! Wim vond ’t nog prettiger dan schaatsenrijden!—Maar dit jaar zou hij niet kunnen meedoen, behalve misschien den enkelen keer, dat Otto hem zijn prikker wilde leenen, want de zijne had ’t verleden winter afgelegd, er was geen herstellen meer aan. Wim was er ál te woest mee omgegaan; daarvan hadhij nu spijt genoeg, maar dat was een schrale troost en ’t hielp hem niet aan een nieuwe slee!—Zijn eenige hoop was nu op zijn jaardag gevestigd. Zou Ma misschien?? In elk geval kon hij ’t probeeren, en zoo kwam het, dat op Wims verlanglijst met groote letters bovenaan stond:een ijzeren slee.„Zou je er een krijgen van Ma?” vroeg Nette nieuwsgierig aan Wim, die de lijst in zijn zak had gestoken en nu met de handen onder ’t hoofd zoogenaamd in zijn aardrijkskundeboek verdiept zat.Wim haalde zijn schouders op.„Och.”„Och, wel nee,” zei Otto; „dat kan je begrijpen, zoo’n ijzeren slee is veel te duur. Ik snap niet hoe Wim ’t durft vragen—als ’t nu nog een prikker was....”„Als ik geen slee krijg, wil ik geen prikker ook,” mompelde Wim zonder op te zien. Hij werd boos, omdat Nette en Otto er maar niet over wilden uitscheiden, en daarom zei hij meer dan hij eigenlijk wel meende.„Bijna alle jongens hebben een ijzeren slee. Zoo’n lompe prikker! Ze zouden er je nog om uitlachen!”„Nou, dan leen ik jou van den winter den mijne ook niet! Dan wordt je tenminste niet uitgelachen!—’t Kan mij niet schelen! Ik sleed liever lekker, al lachen ze dan ook eens, dan dat ik er enkel maar naar kijken mag. Dat zeg ik je!”In zijn hart was Wim het met Otto eens, maar hij was in een booze bui en hield nu maar vol, dat niet sleden verre te verkiezen was boven sleden met een prikker—en beide jongens raakten zoo in vuur, dat ’t weinigscheelde of het was op een kibbelpartij uitgeloopen.En stond toen met kloppend hart te wachten.En stond toen met kloppend hart te wachten.Zoo gauw Wim Ma een oogenblikje alleen vond, gaf hij zijn lijst en stond toen met kloppend hart te wachten, totdat Ma haar had ingezien. Hij verfrommelde den kwast van den grooten stoel tusschen zijn vingers en had hem er bijna afgepeuterd, toen Ma met lezen klaar was.„Wim, jongen, Ma is bang, dat je dat bovenste zult moeten schrappen. Dat is wel een erggrootewensch, vindt je niet?—Je weet wel, dat Ma zulke groote cadeaux niet kan geven!”Wim knikte. Dat had hij wel gevreesd. Eén poging waagde hij nog: „Maar in plaats van ’t boek, Ma?”„Ma vindt ’t erg naar je te moeten teleurstellen, beste jongen, maar heusch, het gaat niet. Het is toch beter, dat je er nu dadelijk je zinnen maar afzet, dan dat je je vleit met een hoop, die ik toch niet kan verwezenlijken. We moeten heel zuinig wezen, Wim, dat weet je wel; en er is zooveel noodig voor jullie leeren en voor allerlei andere noodzakelijke dingen!”Wim liet ’t hoofd hangen.—Ma gaf hem een kus en vervolgde op opgewekten toon:„Kom Wim, Otto zal je van den winter bepaald zijn prikker wel eens leenen, en wie weet, als je nu eens flink je best doet op school en thuis wat minder wild bent, of je dan ’t volgend jaar niet zelf weer een prikker kunt hebben. Maar dan er voorzichtiger mee omgaan, hoor!” en Ma dreigde hem lachend met den vinger.Wim gaf een flauw lachje terug. ’t Volgend jaar een prikker—och, en hij wou nù een ijzeren slee!Verdrietig sloop Wim weg.Lag er al een aardig laagje in den tuin.Lag er al een aardig laagje in den tuin.Tot overmaat van ramp begon het te sneeuwen; eerst kwamen er slechts enkele vlokjes, maar tegen den avond werden ze grooter en volgden elkaar sneller op, en toen de jongens voor het naar bed gaan nog eens uitkeken, lag er al een aardig laagje in den tuin.„Dat gaat goed,” zei Otto tevreden, want hij dacht aan zijn prikker, dien hij vanmiddag van den zolder had gehaald. Wim antwoordde er niets op;hijdacht aan de ijzeren slee, waarvan hij nu zijn zinnen moest afzetten, en aan Otto’s prikker, dien hij nu niet kon leenen. Dit maakte hem knorrig en den volgenden morgen, toen alles in ’t rond dik onder de sneeuw lag,had hij eerst recht een bokkepruik op. Nu zouden de anderen natuurlijk gaan sleden om twaalf uur en om vier uur en hij zou mogen toekijken!Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt: Ma, de groote zussen, Truus en Cato, en Wim, want Nette en Otto waren al weg; die hadden gauw voortgemaakt om naar den Bergweg te komen.Wim haastte zich niet. Waarom zou hij ook? Stilletjes at hij zijn boterhammen en zijn gezicht stond o zoo donker.Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt.Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt.Op een wenk van Ma lieten de zussen, die anders wel eens bazig konden zijn, hem vanochtend met rust, en Ma deed zelf ook net alsof ze niets van zijn booze bui merkte.„Wim, jongen,” zei ze, zoo opgewekt mogelijk, „Otto en Net zijn zoo gauw weggeloopen, wil jij nu straks nog even een boodschap voor me doen? Enkel maar een briefje bij Nicht Saar brengen!”„Bij Nicht Saar!” herhaalde Wim langzaam. „Moet ik er naar binnen?” en zijn gezicht werd nog langer, want Nicht Saar, die pas in ’t dorp op kamers was komen wonen, was geen bizondere vriendin van de jongens. Zij was een ietwat zonderlinge oude dame, die volstrekt geen kinderdrukte gewend was en nogal gauw met haar op- en aanmerkingen klaar was, wanneer ze eens een enkelen keer kwam. Wim had een streepje bij haar voor, omdat hij de naamgenoot van haar overleden man was, maar toch kreeg hij even goed, zoo niet meer zijn deel van Nichts aanmerkingen, want ’t scheen dat Nicht ’t zich in het hoofd had gezet, dat Wim, omdat hijWillemheette, nu ook een volmaakte jongen moest wezen, en—dat was niet het geval!Boterham in den mond stak.Boterham in den mond stak.„Neen,” zei Ma, „je hoeft het alleen maar aan de deur af te geven. Denk er aan, ’tnietin de bus te stoppen! Ik ben er niet heel zeker van of Nicht wel thuis is, en mocht dit niet zoo zijn, dan moet je haar adres aan de juffrouw vragen.”„Ja Ma,” zei Wim landerig, terwijl hij zijn laatste reepje boterham in den mond stak.„Je mag wel wat voortmaken,” maande Truus aan, „anders kom je nog te laat.”Wim stond op, stopte ’t briefje in zijn blouse en verdween met een halfluid: „Dag Ma, Truus, To,” in het aangrenzend kabinetje, waar de jongens ’s avondshun schoolwerk maakten. Dood op zijn gemak begon Wim zijn boeken in ’t zeiltje te pakken; haast had hij niet. Hij zag er tegenop door de sneeuw te moeten loopen en uit de verte het gejoel en gejuich der vroolijke bende op den Bergweg te moeten aanhooren, hijzonderslee!En legde zijn oor tegen den kier van de deur.En legde zijn oor tegen den kier van de deur.Het riempje zat vastgesjord en Wim was op ’t punt weg te gaan, toen Cato iets zei, dat zijn aandacht trok.„Bedoelt u zoo’n mooie ijzeren slee met omgekrulde ijzers?” vroeg ze tamelijk luid.„Sst,” zei Ma.„O, maar Wim is al weg,” zei Truus nu.Wim stond als een standbeeld met zijn boeken onder den arm en toen deed hij iets, dat hij op elk ander oogenblik schandelijk zou hebben gevonden: hij kwam voorzichtig een paar stapjes nader en legde zijn oor tegen den kier van de deur.„De jongen heeft er zijn hart zoo op gezet,” hoorde hij Ma nog zeggen. Toen begonnen zij binnen over andere dingen te praten en Wim sloop, wel wat beschaamd over zijn luisteren, behoedzaam weg.Onderweg moest hij gedurig denken aan wat hij had gehoord en hij was er zoo mee vervuld, dat hij ’t briefje aan Nicht Saar glad vergat. Zou Ma tòch nog...? Ofmisschien Ma en de meisjes samen? Zijn hoop leefde weer op—ja, nog voordat hij bij zijn school was, had hij al de vaste overtuiging, dat zijn groote wensch toch nog vervuld zou worden. Weg boos humeur, weg bokkepruik—geen vroolijker jongen nu dan Wim! Om twaalf uur liep hij zelfs mee met de anderen naar den Bergweg, en met een zeker medelijden keek hij naar broer Otto en zijn prikker, die hoogst vergenoegd naar beneden sulden.Keek hij naar broer Otto en zijn prikker.Keek hij naar broer Otto en zijn prikker.Daar hadt je Vic met de mooie slee! Wacht maar, vriendje, kijk maar niet pedant—’t zal te bezien staan of jouw slee de mooisteblijftvan de heele baan!Met een omweg ging Wim naar huis; in de Kerkstraat bij den smid stonden zulke mooie sleden; die moest hij nog even zien. En terwijl hij zich daar stond te verlustigen en al vast in gedachte een keus deed, schoot hem plotseling de boodschap aan Nicht te binnen.Nicht woonde in de Langestraat—als hij hard liep, kon ’t nog net.Als een pijl uit den boog vloog Wim door de Korenstraat en de kleine zij straatjes van de Heerenstraat,kwam buiten adem aan ’t huis, waar Nicht Saaren pensionwas, trok aan de bel alsof er brand was, en stopte ’t briefje gauw in de bus.Trok aan de bel alsof er brand was.Trok aan de bel alsof er brand was.Pas toen hij thuis was en in de gang zijn cape afdeed, herinnerde hij zich, dat Ma nog zóó had gezegd ’t briefje niet in de bus te stoppen, maar af te geven. Och kom, zou dat er nu zooveel toe doen? Zoo’n dringende boodschap zou ’t toch wel niet zijn en mogelijk was Nicht niet eens uit. Wim besloot er maar niets van te zeggen en antwoordde volmondig „ja”, toen Ma hem aan de koffietafel vroeg, of hij zijn boodschap goed had gedaan. Verder praatte hij vroolijk mee met de anderen, en toen Otto en Nette over zijn jaardag begonnen en hem plaagden wat hij wel zou krijgen, ja, en òf hij wel wat zou krijgen, lachte Wim fijntjes en dacht: „Praat maar toe, ik weet wat ik weet.” Als hij aan zijn jaardag dacht, zag hij alleen maar de slee; alle andere wenschen vielen daarbij weg; hoe dichter ’t aan den gewichtigen dag toe kwam, des te mooier ensierlijker werd de slee en op den jaardag zelf was ’t al een pronkjuweel geworden, waarbij die van Vic maar een prul leek.Wim was vroeg op en haastte zich naar beneden om zijn schat nu in werkelijkheid te kunnen zien. Maar hoe vroeg hij ook kwam, Ma was nog eerder geweest en kwam nog juist bijtijds om hem te beletten, de huiskamer binnen te gaan.„Even nog wachten, vent,” zei Ma, nadat ze hem hartelijk gepakt en gefeliciteerd had; „ik ben nog niet heelemaal klaar,” en Ma verdween weer in de kamer.Toen kwamen de groote zussen, geheimzinnig een pakje wegmoffelend onder haar schort—toen Otto, die hem in ’t voorbijgaan zijn cadeau vast gaf: een zakmes, waarvoor Wim werktuigelijk bedankte—en ’t laatst van allen Nette.Nu deed Ma de deur op een kier en vroeg, of de jarige maar wilde komen.Wims hart bonsde, toen hij over den drempel stapte.„Lang zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de gloria, in de gloria, in de glo-ri-a-aa!” klonk ’t hem tegemoet.Wat ongeduldig weerde hij de zussen af—dat gezoen was ’t vervelendste op een verjaardag! Nu voerden ze hem in triomf naar ’t tafeltje voor ’t raam, waar Ma de presentjes had neergelegd op gekleurd vloeipapier, zóó dat ze ’t meest voldeden. Een boek in prachtband, een stempel, potlooden, twee mesjes voor slöjdwerk, een passer en een stuk chocola;—en dan nog ’t zakmes van Otto, dat Wim er nu bij legde. Wim bekeek zijnpresenten en bedankte, maar hij was niet zoo blij, als Ma wel gehoopt had. Telkens dwaalde zijn blik van ’t tafeltje door de kamer. De slee—waar was de slee? Wim durfde er niet naar vragen. Eindelijk troostte hij zich met de gedachte, dat de slee zeker niet op tijd bezorgd was. Ja, dat zou ’t wezen. Toen werd hij wat opgewekter.Naar ’t tafeltje voor ’t raam.Naar ’t tafeltje voor ’t raam.Om twaalf uur was zijn eerste vraag aan Jansje, die hem opendeed: „Is er niets voor mij gekomen?”En toen ’t antwoord „Neen” luidde, nam Wim ’t haar bepaald kwalijk, enzijkon ’t toch allerminst helpen.Den heelen middag, ’t was Woensdag, bleef Wim thuis. De anderen gingen een fermen loop doen, maar hij was er niet toe te bewegen, mee te gaan.Of hij zich dan niet wel voelde?Och, jawel—en Wim zat lusteloos in den grootenstoel voor ’t raam wat te bladeren in zijn nieuwe boek, een stukje op te knabbelen van zijn chocola en eigenlijk.... te wachten op zijn slee, die.... niet verscheen.En Wim zat lusteloos in den grooten stoel.En Wim zat lusteloos in den grooten stoel.„Als de jongens vanavond komen, zal hij wel wat opfleuren,” dacht Ma, die stilletjes om Wim te verrassen een paar vrindjes had gevraagd. „Zou ’t om de slee wezen? Maar ik heb ’t hem immers vooruit gezegd, dat hij zich dien wensch maar uit het hoofd moest zetten.”Ma begreep er ’t rechte niet van—ze wist ook niets van Wims luistervink spelen. En dan was er nog iets, waarvan Ma ’t rechte niet begreep en dat hing samen met de boodschap, die Wim niet zóó gedaan had, als hem was opgedragen.Wim keek dien middag telkens uit en Ma ook, en beiden verwonderden ze er zich over, dat hetgeen, waarop ieder voor zich wachtte, maar niet verscheen. ’t Was een saaie middag.„Vreemd dat Nicht er heel niet geweest is,” zei Cato aan tafel.„Zou ze dan weten, dat Wim jarig is?” vroeg Nette verbaasd.„Ja zeker, ze heeft me laatst zelf den datum gevraagden ik heb gezien, dat ze hem opgeschreven heeft.”„Den mijnen ook?” vroeg Otto.„Welnee, alleen dien van Wim.”„Natuurlijk, Wim heeft een streepje voor!”„Daar heb ik ook wat aan,” bromde Wim, die, hoewel hij anders niet op Nicht Saar gesteld was, ’t nu toch wel aardig zou hebben gevonden, als Nicht gekomen was—met een pakje—nu ja, dat hoorde er natuurlijk bij. ’t Zou tenminste zoo’n klein beetje een vergoeding zijn geweest voor die teleurstelling over de slee.„Zou Nicht ’t kwalijk hebben genomen, u weet wel?” vroeg Truus met een wenk aan Ma.„’t Kan bijna niet, daar ’t alleen een antwoord was op haar vraag—maar toch, je kunt ’t nooit weten, Nicht is wat zonderling. Als ik niet zeker wist, dat Wim er ’t briefje zelf had afgegeven, zou ik denken, dat ’t misschien niet tot haar is gekomen.”Wim schrikte op uit zijn gesoes. Wat zei Ma? Nog over ’t briefje? Wat was er met dat briefje? Zou hij het nu nog zeggen? Nee—’t was al zoo lang geleden. Misschien bedoelden ze dat niet eens. Hij had ’t ook maar half gehoord.Om zeven uur een harde ruk aan de bel.„Een verrassing voor jou!” riep Truus uit.Wim spitste zijn ooren, keek Ma aan. Ma knikte. „Ik hoop tenminste, dat je ’t prettig zult vinden, jongen. Je bent vandaag niet zoo gauw voldaan.”Wim kreeg een kleur. Ja, Mahadgelijk: hij was schandelijk ondankbaar geweest. Och, maar als nu de slee nog kwam, dan was ’t gauw vergeten, dan kwam allesnog goed en zou hij zoo vroolijk zijn, als Ma ’t zich maar wenschen kon.Gepraat in de gang—stappen naar de deur, die Otto met een zwaai opendeed—daar keken vier vroolijke gezichten naar binnen: Bram, Nico, Piet en Vic.Bram, Nico, Piet en Vic.Bram, Nico, Piet en Vic.Leuk van Ma ze stil te vragen,—maar, waar was—de slee? Wim wierp achter de jongens om een blik in de gang. Niets te zien; de voordeur was weer dicht. Zijn gezicht betrok weer. Zou die slee dan nooit komen? En hij had toch zelfgehoord, dat Ma er met de meisjes over sprak!Wim was maar half met zijn hart bij de spelletjes, die ze nu allen met elkaar deden. Hij praatte en lachte wel mee, maar eigenlijk ging het alles buiten hem om.Tegen negen uur werd er weer gebeld.„Nog een verrassing!” riep Nette uit.„Nee, nee,” zei Ma gauw, met een medelijdenden blik naar Wim; „’k zou niet weten wat er nu nog moest komen!”’t Was niet eens noodig geweest, dat Ma dit zoo zei: Wim had nu toch alle hoop laten varen. Bijna negenuur. Nee, als de slee had moeten komen, was hij er nu al geweest!„De post, Mevrouw!”„De post, Mevrouw!”Jansje tikte. „De post, Mevrouw!”„Hé! van Nicht Saar,” zei Ma verrast en toen, even later met een vroolijken blik op Wim: „Luister eens, jongen, dit geldt jou ook.”„Vanmiddag laat van een driedaagsch uitstapje thuis gekomen, vond ik je brief met de inlichtingen—die ik trouwens zelf gevraagd had—van Willems wenschen. ’t Is wel niet mijn gewoonte cadeaux te geven op verjaardagen, maar met Willem wil ik een uitzondering maken. ’t Spijt me zeer, dat ik je brief niet eerder in handen heb gekregen—nu ben ik niet klaar met mijn cadeau. ’t Is nu te laat er nog voor te zorgen. Eerlijk gezegd, was ik ontevreden, omdat ik op mijn vraag maar geen antwoord kreeg. We hadden toch afgesproken, dat je zoudt informeeren of ik nog thuis was; zoo niet, dan zou de juffrouw je mijn adres geven. Het ontstemde mij, dat ik geen bericht van je kreeg en daarom kwam ik ook niet, zooals eerst mijn plan was,vóór Willems jaardag thuis. Enfin, ik heb den brief nu en ’t is zeker een misverstand geweest. ’t Is me nu te laat om zelf nog te komen, bovendien ben ik moe van de reis; maar ik wil den jongen zijn cadeau nu toch niet onthouden. Geef hem inliggenden brief met mijn gelukwenschen.”Vier, vijf, zes handen tegelijk werden naar het papiertje uitgestoken, dat Ma omhoog hield.Wim pakte het en met een kleur als vuur las hij hardop: „Goed voor een mooie ijzeren slede, uit te kiezen door Willem zelf.”„O, Ma!” was al wat Wim zeggen kon—de tranen sprongen hem in de oogen, en als hij zich niet geschaamd had voor de vrindjes, dan...Met een kleur als vuur las hij hardop.Met een kleur als vuur las hij hardop.Dat werd een heerlijk slot van den dag. Ma verzon het en allen vonden ’t dol. Verbeeld je, ze gingen met hun zessen en de vier vrindjes er bij, dat was tien, warm ingestopt er nog op uit, naar de Kerkstraat, om daar bij den smid een slee uit te kiezen. ’t Was Wim alsof hij droomde, nu hij daar op den laten avond in den winkelstond en zijn vurige wensch op ’t punt was vervuld te worden.Hij zocht een prachtslee uit. Zelfs Vic moest bekennen, dat de zijne er niet bij haalde.Of ze haar dadelijk mee mochten nemen? „Wel ja, hoor!” Nette in de slee—Wim, Otto, Vic en Piet aan ’t duwen—hei, wat vloog die er overheen! Zoo licht als een veer!Hij zocht een prachtslee uit.Hij zocht een prachtslee uit.Nu weer terug naar Ma en de anderen, en toen in vroolijken optocht allen met elkaar de vier vrinden één voor één thuis gebracht. Het laatste eind mocht Wim zelf in de slee.Ma liep er op een drafje bij met de meisjes en pret dat ze hadden. Wim vooral, hij was door alles heen.Maar thuis, toen de nieuwe slee veilig was opgeborgen en de drie jongsten ook nog even mochten opblijven om na te praten, werd Wim weer stil. Hij keek zoo ernstig.„Jongenlief, wat is er?” vroeg Ma, die zich al ongerust maakte.„Ma—ik—ik weet wel hoe ’t komt, dat Nicht uw brief zoo laat kreeg.” Ziezoo, nu was ’t begin gemaakt, nu was ’t hooge woord er uit: „’t Was mijn schuld, Ma”—en haperend en stotterend, maar toch al opgelucht, vertelde Wim de heele geschiedenis, ook dat van zijnluistervink spelen.Ma zei er maar niet veel meer van.Ma zei er maar niet veel meer van.Ma zei er maar niet veel meer van; de jongen hader al narigheid genoeg over gehad. Maar gelukkig, het eind van den dag was dan tochgoedgeweest, vond Ma, terwijl ze haar jongen afkuste en zijn hoofd weer ophief, dat hij erg beschaamd liet hangen.Nou, òf ’tgoedwas geweest! Dat vond Wim ook, toen hij in bed lag en den heelen dag nog eens naging. „Maar de halve waarheid spreken en voor luistervink spelen doe ’k van mijn leven niet meer,” dacht hij,—„wat een ellende heb ik me daarmee op den hals gehaald! En—’t scheelde niet veel of ik was er mijn slee nog door misgeloopen ook!”

„Wat zit jij zoo ijverig te schrijven, Wim?”

„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier, terwijl hij Nette met een donkeren blik aankeek.

„Hij maakt een verlanglijst voor zijn jaardag,” verteldeOtto, die aan den anderen kant van de tafel zijn Fransche woordjes in de dictionnaire opzocht.

„Daar hoef je toch niet zoo geheimzinnig mee te doen! Laat ’s kijken, Wim! Toe, wees niet zoo flauw! Hoe kan ik je nou wat geven, als ik niet eens mag zien wat er op staat?”

Wim schoof voorzichtig een vloeitje over ’t begin van zijn lijst en terwijl hij dit stevig vasthield, leunde hij wat achterover om Nette een kijkje op de rest te geven.

„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier.„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier.

„Och, niks!”—en Wim legde gauw zijn arm over ’t papier.

„Een zakmes, een doosje potlooden, een geschiedenisboek, een stempel,” las Nette halfluid.

„En een slee, een mooie ijzeren, zooals Vic Rijen er een heeft,” viel Otto in, terwijl hij gauw onder de tafel dook om de prop papier, die Wim hem naar ’t hoofd gooide, te ontwijken.

„Dat is gemeen! Hoe kom je daaraan? Hoe weet je dat?” voer Wim vuurrood van drift uit, terwijl Nette van de gelegenheid gebruik maakte om het vloeitje weg te trekken. Ja hoor, daar stond het met groote letters bovenaan de verlanglijst: „een ijzeren slee zooals Vic heeft.”

„Dat ’s gemeen,” bromde Wim nog eens. Otto kwam weer boven water en gooide een handvol snippers uit de prullenmand op de tafel.

„Och, mannetje, heb toch niet zoo’n praats! Je hebt zeker wel een half dozijn verlanglijsten op klad gemaakt en op iedere lijst stond ’t met letters als koeien; als ’t zoo’n geheim was, hadt je maar wat beter op de snippers moeten passen. Hier heb je ze! Kan ik ’t helpen, dat ik ’t zoo heb gelezen?”

„Nou ja,” mompelde Wim nog, maar verder hield hij zich stil. Hij wou maar liever niet verder over de slee praten; hij schaamde zich eigenlijk voor de anderen, dat hij met zoo’n grooten wensch voor den dag kwam. Gewoonlijk kregen ze op hun jaardagen van Ma een boek en verder een paar kleinigheden.—Maar een slee—dat was zoo iets groots,—Wim had ’t bijna niet durven opschrijven—en toch, en tòch—hij wilde er zoo dolgraag een hebben. De tijd voor sleden op den Bergweg kwam nu weer aan. Heerlijk, zoo met een lange rist achter elkaar van boven af te komen, en als de baan goed was en er niets in den weg kwam, hadt je zoo’n vaart, dat je heelemaal tot aan het Corversbosch, daar waar de weg ombuigt naar de Schuttershei, doorgleedt.—Heerlijk! Wim vond ’t nog prettiger dan schaatsenrijden!—Maar dit jaar zou hij niet kunnen meedoen, behalve misschien den enkelen keer, dat Otto hem zijn prikker wilde leenen, want de zijne had ’t verleden winter afgelegd, er was geen herstellen meer aan. Wim was er ál te woest mee omgegaan; daarvan hadhij nu spijt genoeg, maar dat was een schrale troost en ’t hielp hem niet aan een nieuwe slee!—Zijn eenige hoop was nu op zijn jaardag gevestigd. Zou Ma misschien?? In elk geval kon hij ’t probeeren, en zoo kwam het, dat op Wims verlanglijst met groote letters bovenaan stond:een ijzeren slee.

„Zou je er een krijgen van Ma?” vroeg Nette nieuwsgierig aan Wim, die de lijst in zijn zak had gestoken en nu met de handen onder ’t hoofd zoogenaamd in zijn aardrijkskundeboek verdiept zat.

Wim haalde zijn schouders op.

„Och.”

„Och, wel nee,” zei Otto; „dat kan je begrijpen, zoo’n ijzeren slee is veel te duur. Ik snap niet hoe Wim ’t durft vragen—als ’t nu nog een prikker was....”

„Als ik geen slee krijg, wil ik geen prikker ook,” mompelde Wim zonder op te zien. Hij werd boos, omdat Nette en Otto er maar niet over wilden uitscheiden, en daarom zei hij meer dan hij eigenlijk wel meende.

„Bijna alle jongens hebben een ijzeren slee. Zoo’n lompe prikker! Ze zouden er je nog om uitlachen!”

„Nou, dan leen ik jou van den winter den mijne ook niet! Dan wordt je tenminste niet uitgelachen!—’t Kan mij niet schelen! Ik sleed liever lekker, al lachen ze dan ook eens, dan dat ik er enkel maar naar kijken mag. Dat zeg ik je!”

In zijn hart was Wim het met Otto eens, maar hij was in een booze bui en hield nu maar vol, dat niet sleden verre te verkiezen was boven sleden met een prikker—en beide jongens raakten zoo in vuur, dat ’t weinigscheelde of het was op een kibbelpartij uitgeloopen.

En stond toen met kloppend hart te wachten.En stond toen met kloppend hart te wachten.

En stond toen met kloppend hart te wachten.

Zoo gauw Wim Ma een oogenblikje alleen vond, gaf hij zijn lijst en stond toen met kloppend hart te wachten, totdat Ma haar had ingezien. Hij verfrommelde den kwast van den grooten stoel tusschen zijn vingers en had hem er bijna afgepeuterd, toen Ma met lezen klaar was.

„Wim, jongen, Ma is bang, dat je dat bovenste zult moeten schrappen. Dat is wel een erggrootewensch, vindt je niet?—Je weet wel, dat Ma zulke groote cadeaux niet kan geven!”

Wim knikte. Dat had hij wel gevreesd. Eén poging waagde hij nog: „Maar in plaats van ’t boek, Ma?”

„Ma vindt ’t erg naar je te moeten teleurstellen, beste jongen, maar heusch, het gaat niet. Het is toch beter, dat je er nu dadelijk je zinnen maar afzet, dan dat je je vleit met een hoop, die ik toch niet kan verwezenlijken. We moeten heel zuinig wezen, Wim, dat weet je wel; en er is zooveel noodig voor jullie leeren en voor allerlei andere noodzakelijke dingen!”

Wim liet ’t hoofd hangen.—Ma gaf hem een kus en vervolgde op opgewekten toon:

„Kom Wim, Otto zal je van den winter bepaald zijn prikker wel eens leenen, en wie weet, als je nu eens flink je best doet op school en thuis wat minder wild bent, of je dan ’t volgend jaar niet zelf weer een prikker kunt hebben. Maar dan er voorzichtiger mee omgaan, hoor!” en Ma dreigde hem lachend met den vinger.

Wim gaf een flauw lachje terug. ’t Volgend jaar een prikker—och, en hij wou nù een ijzeren slee!

Verdrietig sloop Wim weg.

Lag er al een aardig laagje in den tuin.Lag er al een aardig laagje in den tuin.

Lag er al een aardig laagje in den tuin.

Tot overmaat van ramp begon het te sneeuwen; eerst kwamen er slechts enkele vlokjes, maar tegen den avond werden ze grooter en volgden elkaar sneller op, en toen de jongens voor het naar bed gaan nog eens uitkeken, lag er al een aardig laagje in den tuin.

„Dat gaat goed,” zei Otto tevreden, want hij dacht aan zijn prikker, dien hij vanmiddag van den zolder had gehaald. Wim antwoordde er niets op;hijdacht aan de ijzeren slee, waarvan hij nu zijn zinnen moest afzetten, en aan Otto’s prikker, dien hij nu niet kon leenen. Dit maakte hem knorrig en den volgenden morgen, toen alles in ’t rond dik onder de sneeuw lag,had hij eerst recht een bokkepruik op. Nu zouden de anderen natuurlijk gaan sleden om twaalf uur en om vier uur en hij zou mogen toekijken!

Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt: Ma, de groote zussen, Truus en Cato, en Wim, want Nette en Otto waren al weg; die hadden gauw voortgemaakt om naar den Bergweg te komen.

Wim haastte zich niet. Waarom zou hij ook? Stilletjes at hij zijn boterhammen en zijn gezicht stond o zoo donker.

Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt.Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt.

Ze zaten maar met hun vieren aan ’t ontbijt.

Op een wenk van Ma lieten de zussen, die anders wel eens bazig konden zijn, hem vanochtend met rust, en Ma deed zelf ook net alsof ze niets van zijn booze bui merkte.

„Wim, jongen,” zei ze, zoo opgewekt mogelijk, „Otto en Net zijn zoo gauw weggeloopen, wil jij nu straks nog even een boodschap voor me doen? Enkel maar een briefje bij Nicht Saar brengen!”

„Bij Nicht Saar!” herhaalde Wim langzaam. „Moet ik er naar binnen?” en zijn gezicht werd nog langer, want Nicht Saar, die pas in ’t dorp op kamers was komen wonen, was geen bizondere vriendin van de jongens. Zij was een ietwat zonderlinge oude dame, die volstrekt geen kinderdrukte gewend was en nogal gauw met haar op- en aanmerkingen klaar was, wanneer ze eens een enkelen keer kwam. Wim had een streepje bij haar voor, omdat hij de naamgenoot van haar overleden man was, maar toch kreeg hij even goed, zoo niet meer zijn deel van Nichts aanmerkingen, want ’t scheen dat Nicht ’t zich in het hoofd had gezet, dat Wim, omdat hijWillemheette, nu ook een volmaakte jongen moest wezen, en—dat was niet het geval!

Boterham in den mond stak.Boterham in den mond stak.

Boterham in den mond stak.

„Neen,” zei Ma, „je hoeft het alleen maar aan de deur af te geven. Denk er aan, ’tnietin de bus te stoppen! Ik ben er niet heel zeker van of Nicht wel thuis is, en mocht dit niet zoo zijn, dan moet je haar adres aan de juffrouw vragen.”

„Ja Ma,” zei Wim landerig, terwijl hij zijn laatste reepje boterham in den mond stak.

„Je mag wel wat voortmaken,” maande Truus aan, „anders kom je nog te laat.”

Wim stond op, stopte ’t briefje in zijn blouse en verdween met een halfluid: „Dag Ma, Truus, To,” in het aangrenzend kabinetje, waar de jongens ’s avondshun schoolwerk maakten. Dood op zijn gemak begon Wim zijn boeken in ’t zeiltje te pakken; haast had hij niet. Hij zag er tegenop door de sneeuw te moeten loopen en uit de verte het gejoel en gejuich der vroolijke bende op den Bergweg te moeten aanhooren, hijzonderslee!

En legde zijn oor tegen den kier van de deur.En legde zijn oor tegen den kier van de deur.

En legde zijn oor tegen den kier van de deur.

Het riempje zat vastgesjord en Wim was op ’t punt weg te gaan, toen Cato iets zei, dat zijn aandacht trok.

„Bedoelt u zoo’n mooie ijzeren slee met omgekrulde ijzers?” vroeg ze tamelijk luid.

„Sst,” zei Ma.

„O, maar Wim is al weg,” zei Truus nu.

Wim stond als een standbeeld met zijn boeken onder den arm en toen deed hij iets, dat hij op elk ander oogenblik schandelijk zou hebben gevonden: hij kwam voorzichtig een paar stapjes nader en legde zijn oor tegen den kier van de deur.

„De jongen heeft er zijn hart zoo op gezet,” hoorde hij Ma nog zeggen. Toen begonnen zij binnen over andere dingen te praten en Wim sloop, wel wat beschaamd over zijn luisteren, behoedzaam weg.

Onderweg moest hij gedurig denken aan wat hij had gehoord en hij was er zoo mee vervuld, dat hij ’t briefje aan Nicht Saar glad vergat. Zou Ma tòch nog...? Ofmisschien Ma en de meisjes samen? Zijn hoop leefde weer op—ja, nog voordat hij bij zijn school was, had hij al de vaste overtuiging, dat zijn groote wensch toch nog vervuld zou worden. Weg boos humeur, weg bokkepruik—geen vroolijker jongen nu dan Wim! Om twaalf uur liep hij zelfs mee met de anderen naar den Bergweg, en met een zeker medelijden keek hij naar broer Otto en zijn prikker, die hoogst vergenoegd naar beneden sulden.

Keek hij naar broer Otto en zijn prikker.Keek hij naar broer Otto en zijn prikker.

Keek hij naar broer Otto en zijn prikker.

Daar hadt je Vic met de mooie slee! Wacht maar, vriendje, kijk maar niet pedant—’t zal te bezien staan of jouw slee de mooisteblijftvan de heele baan!

Met een omweg ging Wim naar huis; in de Kerkstraat bij den smid stonden zulke mooie sleden; die moest hij nog even zien. En terwijl hij zich daar stond te verlustigen en al vast in gedachte een keus deed, schoot hem plotseling de boodschap aan Nicht te binnen.

Nicht woonde in de Langestraat—als hij hard liep, kon ’t nog net.

Als een pijl uit den boog vloog Wim door de Korenstraat en de kleine zij straatjes van de Heerenstraat,kwam buiten adem aan ’t huis, waar Nicht Saaren pensionwas, trok aan de bel alsof er brand was, en stopte ’t briefje gauw in de bus.

Trok aan de bel alsof er brand was.Trok aan de bel alsof er brand was.

Trok aan de bel alsof er brand was.

Pas toen hij thuis was en in de gang zijn cape afdeed, herinnerde hij zich, dat Ma nog zóó had gezegd ’t briefje niet in de bus te stoppen, maar af te geven. Och kom, zou dat er nu zooveel toe doen? Zoo’n dringende boodschap zou ’t toch wel niet zijn en mogelijk was Nicht niet eens uit. Wim besloot er maar niets van te zeggen en antwoordde volmondig „ja”, toen Ma hem aan de koffietafel vroeg, of hij zijn boodschap goed had gedaan. Verder praatte hij vroolijk mee met de anderen, en toen Otto en Nette over zijn jaardag begonnen en hem plaagden wat hij wel zou krijgen, ja, en òf hij wel wat zou krijgen, lachte Wim fijntjes en dacht: „Praat maar toe, ik weet wat ik weet.” Als hij aan zijn jaardag dacht, zag hij alleen maar de slee; alle andere wenschen vielen daarbij weg; hoe dichter ’t aan den gewichtigen dag toe kwam, des te mooier ensierlijker werd de slee en op den jaardag zelf was ’t al een pronkjuweel geworden, waarbij die van Vic maar een prul leek.

Wim was vroeg op en haastte zich naar beneden om zijn schat nu in werkelijkheid te kunnen zien. Maar hoe vroeg hij ook kwam, Ma was nog eerder geweest en kwam nog juist bijtijds om hem te beletten, de huiskamer binnen te gaan.

„Even nog wachten, vent,” zei Ma, nadat ze hem hartelijk gepakt en gefeliciteerd had; „ik ben nog niet heelemaal klaar,” en Ma verdween weer in de kamer.

Toen kwamen de groote zussen, geheimzinnig een pakje wegmoffelend onder haar schort—toen Otto, die hem in ’t voorbijgaan zijn cadeau vast gaf: een zakmes, waarvoor Wim werktuigelijk bedankte—en ’t laatst van allen Nette.

Nu deed Ma de deur op een kier en vroeg, of de jarige maar wilde komen.

Wims hart bonsde, toen hij over den drempel stapte.

„Lang zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de gloria, in de gloria, in de glo-ri-a-aa!” klonk ’t hem tegemoet.

Wat ongeduldig weerde hij de zussen af—dat gezoen was ’t vervelendste op een verjaardag! Nu voerden ze hem in triomf naar ’t tafeltje voor ’t raam, waar Ma de presentjes had neergelegd op gekleurd vloeipapier, zóó dat ze ’t meest voldeden. Een boek in prachtband, een stempel, potlooden, twee mesjes voor slöjdwerk, een passer en een stuk chocola;—en dan nog ’t zakmes van Otto, dat Wim er nu bij legde. Wim bekeek zijnpresenten en bedankte, maar hij was niet zoo blij, als Ma wel gehoopt had. Telkens dwaalde zijn blik van ’t tafeltje door de kamer. De slee—waar was de slee? Wim durfde er niet naar vragen. Eindelijk troostte hij zich met de gedachte, dat de slee zeker niet op tijd bezorgd was. Ja, dat zou ’t wezen. Toen werd hij wat opgewekter.

Naar ’t tafeltje voor ’t raam.Naar ’t tafeltje voor ’t raam.

Naar ’t tafeltje voor ’t raam.

Om twaalf uur was zijn eerste vraag aan Jansje, die hem opendeed: „Is er niets voor mij gekomen?”

En toen ’t antwoord „Neen” luidde, nam Wim ’t haar bepaald kwalijk, enzijkon ’t toch allerminst helpen.

Den heelen middag, ’t was Woensdag, bleef Wim thuis. De anderen gingen een fermen loop doen, maar hij was er niet toe te bewegen, mee te gaan.

Of hij zich dan niet wel voelde?

Och, jawel—en Wim zat lusteloos in den grootenstoel voor ’t raam wat te bladeren in zijn nieuwe boek, een stukje op te knabbelen van zijn chocola en eigenlijk.... te wachten op zijn slee, die.... niet verscheen.

En Wim zat lusteloos in den grooten stoel.En Wim zat lusteloos in den grooten stoel.

En Wim zat lusteloos in den grooten stoel.

„Als de jongens vanavond komen, zal hij wel wat opfleuren,” dacht Ma, die stilletjes om Wim te verrassen een paar vrindjes had gevraagd. „Zou ’t om de slee wezen? Maar ik heb ’t hem immers vooruit gezegd, dat hij zich dien wensch maar uit het hoofd moest zetten.”

Ma begreep er ’t rechte niet van—ze wist ook niets van Wims luistervink spelen. En dan was er nog iets, waarvan Ma ’t rechte niet begreep en dat hing samen met de boodschap, die Wim niet zóó gedaan had, als hem was opgedragen.

Wim keek dien middag telkens uit en Ma ook, en beiden verwonderden ze er zich over, dat hetgeen, waarop ieder voor zich wachtte, maar niet verscheen. ’t Was een saaie middag.

„Vreemd dat Nicht er heel niet geweest is,” zei Cato aan tafel.

„Zou ze dan weten, dat Wim jarig is?” vroeg Nette verbaasd.

„Ja zeker, ze heeft me laatst zelf den datum gevraagden ik heb gezien, dat ze hem opgeschreven heeft.”

„Den mijnen ook?” vroeg Otto.

„Welnee, alleen dien van Wim.”

„Natuurlijk, Wim heeft een streepje voor!”

„Daar heb ik ook wat aan,” bromde Wim, die, hoewel hij anders niet op Nicht Saar gesteld was, ’t nu toch wel aardig zou hebben gevonden, als Nicht gekomen was—met een pakje—nu ja, dat hoorde er natuurlijk bij. ’t Zou tenminste zoo’n klein beetje een vergoeding zijn geweest voor die teleurstelling over de slee.

„Zou Nicht ’t kwalijk hebben genomen, u weet wel?” vroeg Truus met een wenk aan Ma.

„’t Kan bijna niet, daar ’t alleen een antwoord was op haar vraag—maar toch, je kunt ’t nooit weten, Nicht is wat zonderling. Als ik niet zeker wist, dat Wim er ’t briefje zelf had afgegeven, zou ik denken, dat ’t misschien niet tot haar is gekomen.”

Wim schrikte op uit zijn gesoes. Wat zei Ma? Nog over ’t briefje? Wat was er met dat briefje? Zou hij het nu nog zeggen? Nee—’t was al zoo lang geleden. Misschien bedoelden ze dat niet eens. Hij had ’t ook maar half gehoord.

Om zeven uur een harde ruk aan de bel.

„Een verrassing voor jou!” riep Truus uit.

Wim spitste zijn ooren, keek Ma aan. Ma knikte. „Ik hoop tenminste, dat je ’t prettig zult vinden, jongen. Je bent vandaag niet zoo gauw voldaan.”

Wim kreeg een kleur. Ja, Mahadgelijk: hij was schandelijk ondankbaar geweest. Och, maar als nu de slee nog kwam, dan was ’t gauw vergeten, dan kwam allesnog goed en zou hij zoo vroolijk zijn, als Ma ’t zich maar wenschen kon.

Gepraat in de gang—stappen naar de deur, die Otto met een zwaai opendeed—daar keken vier vroolijke gezichten naar binnen: Bram, Nico, Piet en Vic.

Bram, Nico, Piet en Vic.Bram, Nico, Piet en Vic.

Bram, Nico, Piet en Vic.

Leuk van Ma ze stil te vragen,—maar, waar was—de slee? Wim wierp achter de jongens om een blik in de gang. Niets te zien; de voordeur was weer dicht. Zijn gezicht betrok weer. Zou die slee dan nooit komen? En hij had toch zelfgehoord, dat Ma er met de meisjes over sprak!

Wim was maar half met zijn hart bij de spelletjes, die ze nu allen met elkaar deden. Hij praatte en lachte wel mee, maar eigenlijk ging het alles buiten hem om.

Tegen negen uur werd er weer gebeld.

„Nog een verrassing!” riep Nette uit.

„Nee, nee,” zei Ma gauw, met een medelijdenden blik naar Wim; „’k zou niet weten wat er nu nog moest komen!”

’t Was niet eens noodig geweest, dat Ma dit zoo zei: Wim had nu toch alle hoop laten varen. Bijna negenuur. Nee, als de slee had moeten komen, was hij er nu al geweest!

„De post, Mevrouw!”„De post, Mevrouw!”

„De post, Mevrouw!”

Jansje tikte. „De post, Mevrouw!”

„Hé! van Nicht Saar,” zei Ma verrast en toen, even later met een vroolijken blik op Wim: „Luister eens, jongen, dit geldt jou ook.”

„Vanmiddag laat van een driedaagsch uitstapje thuis gekomen, vond ik je brief met de inlichtingen—die ik trouwens zelf gevraagd had—van Willems wenschen. ’t Is wel niet mijn gewoonte cadeaux te geven op verjaardagen, maar met Willem wil ik een uitzondering maken. ’t Spijt me zeer, dat ik je brief niet eerder in handen heb gekregen—nu ben ik niet klaar met mijn cadeau. ’t Is nu te laat er nog voor te zorgen. Eerlijk gezegd, was ik ontevreden, omdat ik op mijn vraag maar geen antwoord kreeg. We hadden toch afgesproken, dat je zoudt informeeren of ik nog thuis was; zoo niet, dan zou de juffrouw je mijn adres geven. Het ontstemde mij, dat ik geen bericht van je kreeg en daarom kwam ik ook niet, zooals eerst mijn plan was,vóór Willems jaardag thuis. Enfin, ik heb den brief nu en ’t is zeker een misverstand geweest. ’t Is me nu te laat om zelf nog te komen, bovendien ben ik moe van de reis; maar ik wil den jongen zijn cadeau nu toch niet onthouden. Geef hem inliggenden brief met mijn gelukwenschen.”

Vier, vijf, zes handen tegelijk werden naar het papiertje uitgestoken, dat Ma omhoog hield.

Wim pakte het en met een kleur als vuur las hij hardop: „Goed voor een mooie ijzeren slede, uit te kiezen door Willem zelf.”

„O, Ma!” was al wat Wim zeggen kon—de tranen sprongen hem in de oogen, en als hij zich niet geschaamd had voor de vrindjes, dan...

Met een kleur als vuur las hij hardop.Met een kleur als vuur las hij hardop.

Met een kleur als vuur las hij hardop.

Dat werd een heerlijk slot van den dag. Ma verzon het en allen vonden ’t dol. Verbeeld je, ze gingen met hun zessen en de vier vrindjes er bij, dat was tien, warm ingestopt er nog op uit, naar de Kerkstraat, om daar bij den smid een slee uit te kiezen. ’t Was Wim alsof hij droomde, nu hij daar op den laten avond in den winkelstond en zijn vurige wensch op ’t punt was vervuld te worden.

Hij zocht een prachtslee uit. Zelfs Vic moest bekennen, dat de zijne er niet bij haalde.

Of ze haar dadelijk mee mochten nemen? „Wel ja, hoor!” Nette in de slee—Wim, Otto, Vic en Piet aan ’t duwen—hei, wat vloog die er overheen! Zoo licht als een veer!

Hij zocht een prachtslee uit.Hij zocht een prachtslee uit.

Hij zocht een prachtslee uit.

Nu weer terug naar Ma en de anderen, en toen in vroolijken optocht allen met elkaar de vier vrinden één voor één thuis gebracht. Het laatste eind mocht Wim zelf in de slee.

Ma liep er op een drafje bij met de meisjes en pret dat ze hadden. Wim vooral, hij was door alles heen.

Maar thuis, toen de nieuwe slee veilig was opgeborgen en de drie jongsten ook nog even mochten opblijven om na te praten, werd Wim weer stil. Hij keek zoo ernstig.

„Jongenlief, wat is er?” vroeg Ma, die zich al ongerust maakte.

„Ma—ik—ik weet wel hoe ’t komt, dat Nicht uw brief zoo laat kreeg.” Ziezoo, nu was ’t begin gemaakt, nu was ’t hooge woord er uit: „’t Was mijn schuld, Ma”—en haperend en stotterend, maar toch al opgelucht, vertelde Wim de heele geschiedenis, ook dat van zijnluistervink spelen.

Ma zei er maar niet veel meer van.Ma zei er maar niet veel meer van.

Ma zei er maar niet veel meer van.

Ma zei er maar niet veel meer van; de jongen hader al narigheid genoeg over gehad. Maar gelukkig, het eind van den dag was dan tochgoedgeweest, vond Ma, terwijl ze haar jongen afkuste en zijn hoofd weer ophief, dat hij erg beschaamd liet hangen.

Nou, òf ’tgoedwas geweest! Dat vond Wim ook, toen hij in bed lag en den heelen dag nog eens naging. „Maar de halve waarheid spreken en voor luistervink spelen doe ’k van mijn leven niet meer,” dacht hij,—„wat een ellende heb ik me daarmee op den hals gehaald! En—’t scheelde niet veel of ik was er mijn slee nog door misgeloopen ook!”


Back to IndexNext