DE VRIENDJES.Jupke van den molenaar was Hennemans beste vriend.Henneman woonde schuins over den molen. Als je het vondertje over ging en dan nog een laantje door, dan was je bij het meestershuis en dáár woonde Henneman.Alleen ’s winters, als de boomen kaal waren, kon Jupke het raam van Hennemans kamertje zien, maar Henneman kon altijd Jupke’s venster zien, óók midden in den zomer, als de boomen vol bladeren waren, want de molenkap stak hoog boven de boomen uit en daar bovenin was Jupke’s kamertje.Toen de jongens nog te klein waren om naar school te gaan, speelden ze al met elkaar. Ze waren ook al eens samen weggeloopen, toen ze zulke kleine dribbelswaren. Verbeeld je, weggeloopen, heel naar Hennemans Grootmoeder, aan ’t andere eind van het dorp! Dat kwam, doordat ze allebei zoo graag bij Grootmoeder waren.Hennemans Grootmoeder had vroeger, toen Grootvader nog leefde, op een boerderij gewoond. Nu ze alleen was overgebleven, had ze zoo’n boerderij, met alles wat er bij komt kijken, een veel te groot gedoe gevonden en was in een klein huisje getrokken, dat geheel met klimop begroeid was. Toch kon je nog wel zien, dat Hennemans Grootmoeder eigenlijk een boerin was, aan de muts, weet je. Ze droeg een muts met strookjes en daar kwam haar gezicht toch zoo aardig uitkijken. Hagelwit was die muts altijd en zoo precies in de plooi! Hoe Grootmoeder die toch zoo kreeg? Henneman vond zijn Grootmoeder erg knap.Ze droeg een muts met strookjes.Ze droeg een muts met strookjes.Als schooljongens—ze zaten nu al in de vierde klas—gingen Henneman en Jupke ook nog graag in ’t klimophuisje op visite. Grootmoeder kon zoo mooi vertellen en zulke lekkere koekjes bakken, vooral haar knijpkoekjes—die bakte ze met Nieuwjaar—waren beroemd. Grootmoeder vond ’t ook prettig, als de jongenshaarwat vertelden: van school, van thuis, van wat ze speelden.. Grootmoeder kon er altijd echt inkomen; zoo stilletjes zat zij onderwijl een steekje te breien in haar rustig hoekje. Bij Jupke in den molen was ’t zoo’n druk bedrijf en in ’t meestershuis waren zooveel kleintjes; daar was overdag nooit gelegenheid voor een rustig babbeltje.Prettige dingen vertelden ze aan Grootmoeder, maar.. de minder prettige ook. Dat ging niet altijd van harte. Als ze, bijvoorbeeld, ondeugend waren geweest en er straf voor hadden gehad, of wel als ze stilletjes iets verkeerds hadden uitgevoerd, kijk, dan wilden ze zoo iets wel liever voor Grootmoeder verzwijgen, maar dit gelukte toch nooit. Grootmoeder zag ’t dadelijk, als er wat aan haperde. Zij zei dan niet veel, maar ze kon de jongens aanzien, zoo ernstig-vriendelijk.... danmoestenze ’t wel zeggen en daarná waren ze toch zoo opgelucht!Zij zei dan niet veel.Zij zei dan niet veel.Behalve Jupke had Henneman nog een anderen vriend: Frans van Kampen! Frans woonde niet op ’t dorp, maar kwam op vrije middagen dikwijls mee, als zijn vader, die dokter in de naburige stad was, er iemand bezoeken moest. De vader van Frans en die van Henneman kenden elkaar nog van vroeger. Zoo stapte de dokter, ook zonder dat er daar iemand ziek was, wel eens in ’t meestershuis af en dan speelden Frans en Henneman met elkaar.„Je moet ook ’s bij mij komen,” had Frans op een keer gezegd.Nu, in ’t begin van de Kerstvacantie, was er een brief van Frans gekomen.„Beste vriend” stond er boven. Dit vond Henneman wàt gewichtig. En dan volgde er: „Moeder zegt, nu ’t vacantie is, mag ik je een paar dagen vragen; dat is nog leuker dan enkel een middag spelen. Vraag maar gauw aan je vader en je moeder, of je mag. Hoe langer je blijft, des te beter, zegt Moeder. Ik vind ’t erg leuk en jij? Groeten voor allemaal van Frans.”Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg.Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg.Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg. Jupke liep mee tot aan den trein. Hij vond ’t saai, dat kon je wel zien, maar Henneman zei, dat hij met Nieuwjaarterugkwam; dan zouden ze Grootmoeder samen helpen knijpkoekjes te bakken. En hij beloofde hem ook een prentbriefkaart uit de stad te zullen sturen.Toen keek Jupke vroolijker; hij riep Henneman op ’t laatst nog toe, dat hij er een moest sturen met den Dom er op.Nu was Henneman al een week bij Frans. Hij had een mooien Kerstboom gezien en cadeautjes gekregen en ook was hij nog met Frans en zijn zusje naar de Kerstfeestviering van hun Zondagschool geweest. Henneman vond ’t heerlijk bij Frans thuis; hij wou er nog wel een week blijven, zei hij.De vader en de moeder van Frans vonden dit best, de vader en moeder van Henneman ook.... maar Jupke vond hetnietbest, toen hij er van hoorde. Dan zou Henneman er immers met Nieuwjaar niet zijn, zooals hij hem toch beloofd had, om samen bij Grootmoeder van die lekkere Nieuwjaarskoekjes te bakken en op te eten. Neen, daar was Jupke heel over uit zijn humeur. Ook was hij een beetje boos, omdat Henneman vergat hem een prentbriefkaart te sturen en dat had hij hem toch óók beloofd! Grootmoeder en hij konden er samen wat goed over praten; Grootmoeder vond ’t ook niet mooi, dat Henneman zijn vrindje vergat.„Weet je wat,” zei Grootmoeder, „morgen is het marktdag—dan ga ik voor boodschappen even naar stad en stuur je een prentbriefkaart, hoor!”„Met den Dom er op?” vroeg Jupke.„Ja, met den Dom er op.”Maar toen Jupke weg zou gaan, riep Grootmoederhem terug; ze wist toch nog een beter plan. „Neen, ik stuur je geen prentbriefkaart; als je vader en je moeder ’t goedvinden, neem ik je mee om erzelfeen uit te zoeken; dan doen wij samen boodschappen en bekijken de mooie winkels.”Gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing.Gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing.Toen sprong Jupke hoog in de lucht en gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing, dat de keurige muts er scheef van kwam te zitten.„Gaan we dan ook naar Henneman en Frans?”„Nu, ’k denk, dat we daar wel geen tijd voor zullen hebben, maar weet je wat, we zullen een prentbriefkaart in de stad koopen voor Henneman en als we dan weer hier terug zijn, sturen we hem die. Wat zal hij dan opkijken!”„O ja, o ja,” juichte Jupke—„dan begrijpt hij er heelemaal niets van!”Henneman kende nu al de vriendjes van Frans. Hij werd druk mee uitgevraagd. ’t Leukst van alles vond hij het trammen door de stad, omdat dit een nieuwtje voor hem was. Dit koos hij dan ook, toen Frans en hij samen op Oudejaarsdag bij Karel op visite waren en Karels Moeder hem vroeg, wat hij ’s middags graag eens wou doen.Frans bleef liever op den zolder gymnastiek doen met Karels grooten broer en zijn zusje, maar Karel en zijn jonger broertje Wim gingen mee trammen.Oudejaar viel op Zaterdag, marktdag. Juist prettig vonden de jongens het, zoo door de drukte te komen.’t Was een mooie, nieuwe tram met klapbanken.Henneman moest dadelijk ’s probeeren, hoe dat ging met zoo’n bank. Karel en Wim wezen ’t hem; die wisten het natuurlijk al lang—zij woonden in de stad en kwamen dus vaak in de tram.’t Werd vol. Bij elke halte stonden o zooveel menschen en dan hadden de jongens den grootsten schik om te kijken, of die er wel allemaal in zouden kunnen. Ja warempel, ’t ging en nòg was er plaats over!—Wat zoo’n tram toch groot was!„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.Bij ’t Vreeburg gekomen, drukten ze hun neuzen plat tegen ’t glas.„Er staan er wel honderd!” riep Henneman opgetogenuit, maar meteen trok hij zijn hoofd gauw terug.„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.„Niks,” zei Henneman, die een erge kleur kreeg. Hij had Grootmoeder en Jupke onder de wachtenden aan de halte ontdekt: Jupke in zijn Zondagsche pakje, dat—Henneman had er vroeger nooit erg in gehad—hem toch zoo mal, ouwemannetjesachtig stond, en Grootmoeder daarbij met haar muts met strookjes...Die muts vond Henneman ook op eens zoo gek. Wie had er nu nog een muts op! Niemand van de menschen, die hij hier kende, droeg een muts!Een oude heer kwam naast hem zitten.Een oude heer kwam naast hem zitten.Hijhooptemaar, dat Grootmoeder en Jupke niet in de tram zouden stappen en zat met een hoogroode kleur strak voor zich uit te staren.Karel en Wim hipten op en neer van de bank. Hun moeder beduidde hun, dat ze rustig moesten zijn, de menschen niet mochten hinderen.—Henneman had geen vermaning noodig; hij was zoo stil als een muis—vanhemhadden de andere passagiers stellig geen last.Gedwee schikte hij wat op; een oude heer kwam naast hem zitten.Nog meer menschen stapten er in.Heel eventjes keek Henneman om; hij kòn ’t niet laten.... een muts zag hij, de muts met strookjes van Grootmoeder.—Een oogenblik herademde, Henneman; er was geen plaats meer binnenin, dus zouden Grootmoeder en Jupke op ’t balkon moeten blijven.... Maar nee, een jonge man, die dicht bij de deur zat, stond op en gaf Grootmoeder zijn plaats; men schikte ginds wat op en zoo kwam ook Jupke te zitten, tegenover Grootmoeder.Henneman maakte zich zoo klein mogelijk aan ’t andere eind der volle tram en vond het „gelukkig”, dat hij „zoover” van Grootmoeder af zat! Zoo’n rare Henneman toch! En thuis, als Grootmoeder ’s Zondags zou komen eten, kibbelde hij met zijn broertje om ’t plaatsje aan tafel naast Grootmoeder!Henneman bleef in elkaar gedoken zitten en zei niets meer tot aan de halte, dicht bij ’t huis, waar hij vandaag op visite was.Karels Moeder stond op, Karel en Wim ook.„Kom Henneman, we zijn er!”Gauw keek Henneman Grootmoeders kant op; Grootmoeder en Jupke bleven zitten—dus moest hij hen voorbij! Klein maken hielp niets; ze zouden hem stellig zien.Met neergeslagen oogen sloop Henneman als de laatste van de vier de tram door, tot aan den uitgang, telkens verwachtend zijn naam te zullen hooren.Bijna was hij bij de deur, de anderen waren al buiten—dáár hadt je het... „Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast, met een hooge jongensstem.Henneman struikelde haast over den drempel naar buiten—hij keek niet om, maar zag toch nog in ’t voorbijgaan Grootmoeders gezicht in een glimp: verwonderd, teleurgesteld, droevig.... Met één sprong was hij het balkon af; hij zuchtte diep van verlichting en drong gauw door de wachtende menschen heen.„Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast.„Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast.„Wat heb jij een haast!” riep Wim uit.Henneman had nu eigenlijk blij moeten wezen, dat hij er zoo goed was afgekomen, maar hijwasniet blij, neen hoor, hij had juist een allerakeligst gevoel over zich en dat maakte, dat hij den heelen verderen dag geen prettig oogenblik meer had....Toen er aan tafel gebeden zou worden, kreeg Henneman weer een vreeselijke kleur; hij schaamde zich erg voor God, Die alles wel gezien had, vanmiddag in de tram. Nu kon Henneman toch maar niet doen, of er niets gebeurd was en gewoon zijn gebedje opzeggen?Hij vouwde zijn handen wel net als de anderen, maar hield zijn oogen open. Karel keek even verwonderd naar hem en deed toen gauw zijn oogen dicht. Nu hadden ze allen de oogen gesloten: Karels Vader, zijn Moeder, Jan, Truus, Wim, Karel en Frans;diespraken nu met God en hij—hijdurfde’t niet.—Zoo ongelukkig als Henneman zich toèn toch voelde!....Henneman bleef de week niet uit, zooals ’t plan was geweest.Den volgenden morgen bracht de vader van Frans hem al naar huis, omdat hij zoo erg naar Grootmoeder verlangde en bij Grootmoeder Nieuwjaarskoekjes wou bakken met Jupke.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd, toen hij met Frans van Karel was teruggekomen.En onder het uitkleeden had hij nog meer gezegd, ja—hij had het niet kunnen uithouden, hij had hetmoetenvertellen aan de moeder van Frans, omdat hij nu zijn eigen moeder niet hier had, hoe ’n nare jongen hij geweest was, ’s middags in de tram.—O, hij had zich zoo geschaamd onder ’t vertellen, maar ’t had hem toch óók opgelucht.Toen had hij God om vergiffenis gevraagd en had daarna ook weer zijn gewone avondgebedje kunnen doen. Dit had Henneman zoo kalm en rustig gemaakt. Gauw was hij daarop in slaap gevallen.Jupke stond op ’t molenerf, toen dokter van Kampen er met Henneman in zijn Utrechtsch wagentje voorbijreed.Dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen.Dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen.Henneman dacht aan den vorigen middag en was niets op zijn gemak; Jupke keek ook verlegen. Dàt was een rare ontmoeting tusschen de twee vrindjes, maar de dokter wist raad. Hij hield stil en riep Jupke toe, dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen om zijn kameraadje Nieuwjaar te wenschen.Dáár zaten ze nu, Henneman en Jupke, lekker warm ingestopt onder één reisdeken, maar ze hadden elkaar eerst niets te vertellen.Eindelijk zei Jupke: „ik heb een prentbriefkaart van den Dom; kijk maar”,—en hij diepte de al een beetje gekreukte kaart uit zijn zak op.„Ik hebden Dom zelfgezien”, zei Henneman nu vol trots.„Ik óók,” riep Jupke, „gisteren, met Grootmoeder en—.” Toen hield hij zich in eens weer stil en keek Henneman van terzijde een beetje schuw aan. Jupke vond: ’t was net of Henneman sedert gisterenHennemanniet meer was, maar een vreemd jongetje, dat eigenlijk in de stad thuis behoorde. Henneman zei ook niets meer; onrustig draaide hij op de bank heen en weer.Voor Grootmoeders klimophuisje stonden ze stil. Met een zwaai zette dokter van Kampen Henneman op den grond.„Grootmoeder,” riep hij vroolijk naar binnen, „een gelukkig Nieuwjaar, hoor, en hier heb je je jongen weer; hij verlangde zóó!”Toen reed hij gauw weg met Jupke nog in ’t rijtuig.Ja, dáárhadGrootmoeder haar jongen weer! Dàt zag, dàt voelde ze dadelijk!Grootmoeder en Henneman praatten niet veel over gisteren; ’t was niet noodig; ze verstonden elkaar ook zóó wel.Grootmoeder nam Henneman op haar schoot, verbeeld je, zoo’n grooten jongen.... en Grootmoeders muts werd verkreukeld, maar ’t lieve, oude gezicht, dat uit die muts kwam kijken, stond zóó gelukkig en Henneman keek ook al zoo blij.Nù was ’t weer als vroeger.Nù was ’t weer als vroeger.Hand aan hand gingen zij toen later naar Hennemans huis en namen de knijpkoekjes, die Grootmoeder, omdat Nieuwjaar dezen keer op Zondag viel, den vorigen dag al gebakken had, in een overdekt mandje mee. Henneman kon Grootmoeder dus nu niet meer helpen bakken, maar dat was niets, hij zou ze helpen opeten e.... Jupke ook. Zij haalden hem onderweg af.Nù was ’t weer als vroeger: Grootmoeder met Henneman en Jupke samen! Zóó moest ’t nu ook maar blijven, dacht Henneman tevreden, en hij drukte zijn gezicht, even, liefkoozend tegen Grootmoeders arm aan.Grootmoeder glimlachte en zei, dat Henneman nu net als een poesje deed!Toen schoten de jongens allebei in den lach; ’t vreemde,dat ze zooeven nog hinderlijk tusschen hen beidjes gevoeld hadden, was nu ook meteen verdwenen.—Nu was ’t wel écht weer zooals vroeger!—Hoe gelukkig begon ’t Nieuwe jaar nu toch voor de beide vriendjes!
DE VRIENDJES.Jupke van den molenaar was Hennemans beste vriend.Henneman woonde schuins over den molen. Als je het vondertje over ging en dan nog een laantje door, dan was je bij het meestershuis en dáár woonde Henneman.Alleen ’s winters, als de boomen kaal waren, kon Jupke het raam van Hennemans kamertje zien, maar Henneman kon altijd Jupke’s venster zien, óók midden in den zomer, als de boomen vol bladeren waren, want de molenkap stak hoog boven de boomen uit en daar bovenin was Jupke’s kamertje.Toen de jongens nog te klein waren om naar school te gaan, speelden ze al met elkaar. Ze waren ook al eens samen weggeloopen, toen ze zulke kleine dribbelswaren. Verbeeld je, weggeloopen, heel naar Hennemans Grootmoeder, aan ’t andere eind van het dorp! Dat kwam, doordat ze allebei zoo graag bij Grootmoeder waren.Hennemans Grootmoeder had vroeger, toen Grootvader nog leefde, op een boerderij gewoond. Nu ze alleen was overgebleven, had ze zoo’n boerderij, met alles wat er bij komt kijken, een veel te groot gedoe gevonden en was in een klein huisje getrokken, dat geheel met klimop begroeid was. Toch kon je nog wel zien, dat Hennemans Grootmoeder eigenlijk een boerin was, aan de muts, weet je. Ze droeg een muts met strookjes en daar kwam haar gezicht toch zoo aardig uitkijken. Hagelwit was die muts altijd en zoo precies in de plooi! Hoe Grootmoeder die toch zoo kreeg? Henneman vond zijn Grootmoeder erg knap.Ze droeg een muts met strookjes.Ze droeg een muts met strookjes.Als schooljongens—ze zaten nu al in de vierde klas—gingen Henneman en Jupke ook nog graag in ’t klimophuisje op visite. Grootmoeder kon zoo mooi vertellen en zulke lekkere koekjes bakken, vooral haar knijpkoekjes—die bakte ze met Nieuwjaar—waren beroemd. Grootmoeder vond ’t ook prettig, als de jongenshaarwat vertelden: van school, van thuis, van wat ze speelden.. Grootmoeder kon er altijd echt inkomen; zoo stilletjes zat zij onderwijl een steekje te breien in haar rustig hoekje. Bij Jupke in den molen was ’t zoo’n druk bedrijf en in ’t meestershuis waren zooveel kleintjes; daar was overdag nooit gelegenheid voor een rustig babbeltje.Prettige dingen vertelden ze aan Grootmoeder, maar.. de minder prettige ook. Dat ging niet altijd van harte. Als ze, bijvoorbeeld, ondeugend waren geweest en er straf voor hadden gehad, of wel als ze stilletjes iets verkeerds hadden uitgevoerd, kijk, dan wilden ze zoo iets wel liever voor Grootmoeder verzwijgen, maar dit gelukte toch nooit. Grootmoeder zag ’t dadelijk, als er wat aan haperde. Zij zei dan niet veel, maar ze kon de jongens aanzien, zoo ernstig-vriendelijk.... danmoestenze ’t wel zeggen en daarná waren ze toch zoo opgelucht!Zij zei dan niet veel.Zij zei dan niet veel.Behalve Jupke had Henneman nog een anderen vriend: Frans van Kampen! Frans woonde niet op ’t dorp, maar kwam op vrije middagen dikwijls mee, als zijn vader, die dokter in de naburige stad was, er iemand bezoeken moest. De vader van Frans en die van Henneman kenden elkaar nog van vroeger. Zoo stapte de dokter, ook zonder dat er daar iemand ziek was, wel eens in ’t meestershuis af en dan speelden Frans en Henneman met elkaar.„Je moet ook ’s bij mij komen,” had Frans op een keer gezegd.Nu, in ’t begin van de Kerstvacantie, was er een brief van Frans gekomen.„Beste vriend” stond er boven. Dit vond Henneman wàt gewichtig. En dan volgde er: „Moeder zegt, nu ’t vacantie is, mag ik je een paar dagen vragen; dat is nog leuker dan enkel een middag spelen. Vraag maar gauw aan je vader en je moeder, of je mag. Hoe langer je blijft, des te beter, zegt Moeder. Ik vind ’t erg leuk en jij? Groeten voor allemaal van Frans.”Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg.Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg.Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg. Jupke liep mee tot aan den trein. Hij vond ’t saai, dat kon je wel zien, maar Henneman zei, dat hij met Nieuwjaarterugkwam; dan zouden ze Grootmoeder samen helpen knijpkoekjes te bakken. En hij beloofde hem ook een prentbriefkaart uit de stad te zullen sturen.Toen keek Jupke vroolijker; hij riep Henneman op ’t laatst nog toe, dat hij er een moest sturen met den Dom er op.Nu was Henneman al een week bij Frans. Hij had een mooien Kerstboom gezien en cadeautjes gekregen en ook was hij nog met Frans en zijn zusje naar de Kerstfeestviering van hun Zondagschool geweest. Henneman vond ’t heerlijk bij Frans thuis; hij wou er nog wel een week blijven, zei hij.De vader en de moeder van Frans vonden dit best, de vader en moeder van Henneman ook.... maar Jupke vond hetnietbest, toen hij er van hoorde. Dan zou Henneman er immers met Nieuwjaar niet zijn, zooals hij hem toch beloofd had, om samen bij Grootmoeder van die lekkere Nieuwjaarskoekjes te bakken en op te eten. Neen, daar was Jupke heel over uit zijn humeur. Ook was hij een beetje boos, omdat Henneman vergat hem een prentbriefkaart te sturen en dat had hij hem toch óók beloofd! Grootmoeder en hij konden er samen wat goed over praten; Grootmoeder vond ’t ook niet mooi, dat Henneman zijn vrindje vergat.„Weet je wat,” zei Grootmoeder, „morgen is het marktdag—dan ga ik voor boodschappen even naar stad en stuur je een prentbriefkaart, hoor!”„Met den Dom er op?” vroeg Jupke.„Ja, met den Dom er op.”Maar toen Jupke weg zou gaan, riep Grootmoederhem terug; ze wist toch nog een beter plan. „Neen, ik stuur je geen prentbriefkaart; als je vader en je moeder ’t goedvinden, neem ik je mee om erzelfeen uit te zoeken; dan doen wij samen boodschappen en bekijken de mooie winkels.”Gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing.Gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing.Toen sprong Jupke hoog in de lucht en gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing, dat de keurige muts er scheef van kwam te zitten.„Gaan we dan ook naar Henneman en Frans?”„Nu, ’k denk, dat we daar wel geen tijd voor zullen hebben, maar weet je wat, we zullen een prentbriefkaart in de stad koopen voor Henneman en als we dan weer hier terug zijn, sturen we hem die. Wat zal hij dan opkijken!”„O ja, o ja,” juichte Jupke—„dan begrijpt hij er heelemaal niets van!”Henneman kende nu al de vriendjes van Frans. Hij werd druk mee uitgevraagd. ’t Leukst van alles vond hij het trammen door de stad, omdat dit een nieuwtje voor hem was. Dit koos hij dan ook, toen Frans en hij samen op Oudejaarsdag bij Karel op visite waren en Karels Moeder hem vroeg, wat hij ’s middags graag eens wou doen.Frans bleef liever op den zolder gymnastiek doen met Karels grooten broer en zijn zusje, maar Karel en zijn jonger broertje Wim gingen mee trammen.Oudejaar viel op Zaterdag, marktdag. Juist prettig vonden de jongens het, zoo door de drukte te komen.’t Was een mooie, nieuwe tram met klapbanken.Henneman moest dadelijk ’s probeeren, hoe dat ging met zoo’n bank. Karel en Wim wezen ’t hem; die wisten het natuurlijk al lang—zij woonden in de stad en kwamen dus vaak in de tram.’t Werd vol. Bij elke halte stonden o zooveel menschen en dan hadden de jongens den grootsten schik om te kijken, of die er wel allemaal in zouden kunnen. Ja warempel, ’t ging en nòg was er plaats over!—Wat zoo’n tram toch groot was!„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.Bij ’t Vreeburg gekomen, drukten ze hun neuzen plat tegen ’t glas.„Er staan er wel honderd!” riep Henneman opgetogenuit, maar meteen trok hij zijn hoofd gauw terug.„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.„Niks,” zei Henneman, die een erge kleur kreeg. Hij had Grootmoeder en Jupke onder de wachtenden aan de halte ontdekt: Jupke in zijn Zondagsche pakje, dat—Henneman had er vroeger nooit erg in gehad—hem toch zoo mal, ouwemannetjesachtig stond, en Grootmoeder daarbij met haar muts met strookjes...Die muts vond Henneman ook op eens zoo gek. Wie had er nu nog een muts op! Niemand van de menschen, die hij hier kende, droeg een muts!Een oude heer kwam naast hem zitten.Een oude heer kwam naast hem zitten.Hijhooptemaar, dat Grootmoeder en Jupke niet in de tram zouden stappen en zat met een hoogroode kleur strak voor zich uit te staren.Karel en Wim hipten op en neer van de bank. Hun moeder beduidde hun, dat ze rustig moesten zijn, de menschen niet mochten hinderen.—Henneman had geen vermaning noodig; hij was zoo stil als een muis—vanhemhadden de andere passagiers stellig geen last.Gedwee schikte hij wat op; een oude heer kwam naast hem zitten.Nog meer menschen stapten er in.Heel eventjes keek Henneman om; hij kòn ’t niet laten.... een muts zag hij, de muts met strookjes van Grootmoeder.—Een oogenblik herademde, Henneman; er was geen plaats meer binnenin, dus zouden Grootmoeder en Jupke op ’t balkon moeten blijven.... Maar nee, een jonge man, die dicht bij de deur zat, stond op en gaf Grootmoeder zijn plaats; men schikte ginds wat op en zoo kwam ook Jupke te zitten, tegenover Grootmoeder.Henneman maakte zich zoo klein mogelijk aan ’t andere eind der volle tram en vond het „gelukkig”, dat hij „zoover” van Grootmoeder af zat! Zoo’n rare Henneman toch! En thuis, als Grootmoeder ’s Zondags zou komen eten, kibbelde hij met zijn broertje om ’t plaatsje aan tafel naast Grootmoeder!Henneman bleef in elkaar gedoken zitten en zei niets meer tot aan de halte, dicht bij ’t huis, waar hij vandaag op visite was.Karels Moeder stond op, Karel en Wim ook.„Kom Henneman, we zijn er!”Gauw keek Henneman Grootmoeders kant op; Grootmoeder en Jupke bleven zitten—dus moest hij hen voorbij! Klein maken hielp niets; ze zouden hem stellig zien.Met neergeslagen oogen sloop Henneman als de laatste van de vier de tram door, tot aan den uitgang, telkens verwachtend zijn naam te zullen hooren.Bijna was hij bij de deur, de anderen waren al buiten—dáár hadt je het... „Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast, met een hooge jongensstem.Henneman struikelde haast over den drempel naar buiten—hij keek niet om, maar zag toch nog in ’t voorbijgaan Grootmoeders gezicht in een glimp: verwonderd, teleurgesteld, droevig.... Met één sprong was hij het balkon af; hij zuchtte diep van verlichting en drong gauw door de wachtende menschen heen.„Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast.„Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast.„Wat heb jij een haast!” riep Wim uit.Henneman had nu eigenlijk blij moeten wezen, dat hij er zoo goed was afgekomen, maar hijwasniet blij, neen hoor, hij had juist een allerakeligst gevoel over zich en dat maakte, dat hij den heelen verderen dag geen prettig oogenblik meer had....Toen er aan tafel gebeden zou worden, kreeg Henneman weer een vreeselijke kleur; hij schaamde zich erg voor God, Die alles wel gezien had, vanmiddag in de tram. Nu kon Henneman toch maar niet doen, of er niets gebeurd was en gewoon zijn gebedje opzeggen?Hij vouwde zijn handen wel net als de anderen, maar hield zijn oogen open. Karel keek even verwonderd naar hem en deed toen gauw zijn oogen dicht. Nu hadden ze allen de oogen gesloten: Karels Vader, zijn Moeder, Jan, Truus, Wim, Karel en Frans;diespraken nu met God en hij—hijdurfde’t niet.—Zoo ongelukkig als Henneman zich toèn toch voelde!....Henneman bleef de week niet uit, zooals ’t plan was geweest.Den volgenden morgen bracht de vader van Frans hem al naar huis, omdat hij zoo erg naar Grootmoeder verlangde en bij Grootmoeder Nieuwjaarskoekjes wou bakken met Jupke.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd, toen hij met Frans van Karel was teruggekomen.En onder het uitkleeden had hij nog meer gezegd, ja—hij had het niet kunnen uithouden, hij had hetmoetenvertellen aan de moeder van Frans, omdat hij nu zijn eigen moeder niet hier had, hoe ’n nare jongen hij geweest was, ’s middags in de tram.—O, hij had zich zoo geschaamd onder ’t vertellen, maar ’t had hem toch óók opgelucht.Toen had hij God om vergiffenis gevraagd en had daarna ook weer zijn gewone avondgebedje kunnen doen. Dit had Henneman zoo kalm en rustig gemaakt. Gauw was hij daarop in slaap gevallen.Jupke stond op ’t molenerf, toen dokter van Kampen er met Henneman in zijn Utrechtsch wagentje voorbijreed.Dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen.Dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen.Henneman dacht aan den vorigen middag en was niets op zijn gemak; Jupke keek ook verlegen. Dàt was een rare ontmoeting tusschen de twee vrindjes, maar de dokter wist raad. Hij hield stil en riep Jupke toe, dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen om zijn kameraadje Nieuwjaar te wenschen.Dáár zaten ze nu, Henneman en Jupke, lekker warm ingestopt onder één reisdeken, maar ze hadden elkaar eerst niets te vertellen.Eindelijk zei Jupke: „ik heb een prentbriefkaart van den Dom; kijk maar”,—en hij diepte de al een beetje gekreukte kaart uit zijn zak op.„Ik hebden Dom zelfgezien”, zei Henneman nu vol trots.„Ik óók,” riep Jupke, „gisteren, met Grootmoeder en—.” Toen hield hij zich in eens weer stil en keek Henneman van terzijde een beetje schuw aan. Jupke vond: ’t was net of Henneman sedert gisterenHennemanniet meer was, maar een vreemd jongetje, dat eigenlijk in de stad thuis behoorde. Henneman zei ook niets meer; onrustig draaide hij op de bank heen en weer.Voor Grootmoeders klimophuisje stonden ze stil. Met een zwaai zette dokter van Kampen Henneman op den grond.„Grootmoeder,” riep hij vroolijk naar binnen, „een gelukkig Nieuwjaar, hoor, en hier heb je je jongen weer; hij verlangde zóó!”Toen reed hij gauw weg met Jupke nog in ’t rijtuig.Ja, dáárhadGrootmoeder haar jongen weer! Dàt zag, dàt voelde ze dadelijk!Grootmoeder en Henneman praatten niet veel over gisteren; ’t was niet noodig; ze verstonden elkaar ook zóó wel.Grootmoeder nam Henneman op haar schoot, verbeeld je, zoo’n grooten jongen.... en Grootmoeders muts werd verkreukeld, maar ’t lieve, oude gezicht, dat uit die muts kwam kijken, stond zóó gelukkig en Henneman keek ook al zoo blij.Nù was ’t weer als vroeger.Nù was ’t weer als vroeger.Hand aan hand gingen zij toen later naar Hennemans huis en namen de knijpkoekjes, die Grootmoeder, omdat Nieuwjaar dezen keer op Zondag viel, den vorigen dag al gebakken had, in een overdekt mandje mee. Henneman kon Grootmoeder dus nu niet meer helpen bakken, maar dat was niets, hij zou ze helpen opeten e.... Jupke ook. Zij haalden hem onderweg af.Nù was ’t weer als vroeger: Grootmoeder met Henneman en Jupke samen! Zóó moest ’t nu ook maar blijven, dacht Henneman tevreden, en hij drukte zijn gezicht, even, liefkoozend tegen Grootmoeders arm aan.Grootmoeder glimlachte en zei, dat Henneman nu net als een poesje deed!Toen schoten de jongens allebei in den lach; ’t vreemde,dat ze zooeven nog hinderlijk tusschen hen beidjes gevoeld hadden, was nu ook meteen verdwenen.—Nu was ’t wel écht weer zooals vroeger!—Hoe gelukkig begon ’t Nieuwe jaar nu toch voor de beide vriendjes!
DE VRIENDJES.
Jupke van den molenaar was Hennemans beste vriend.Henneman woonde schuins over den molen. Als je het vondertje over ging en dan nog een laantje door, dan was je bij het meestershuis en dáár woonde Henneman.Alleen ’s winters, als de boomen kaal waren, kon Jupke het raam van Hennemans kamertje zien, maar Henneman kon altijd Jupke’s venster zien, óók midden in den zomer, als de boomen vol bladeren waren, want de molenkap stak hoog boven de boomen uit en daar bovenin was Jupke’s kamertje.Toen de jongens nog te klein waren om naar school te gaan, speelden ze al met elkaar. Ze waren ook al eens samen weggeloopen, toen ze zulke kleine dribbelswaren. Verbeeld je, weggeloopen, heel naar Hennemans Grootmoeder, aan ’t andere eind van het dorp! Dat kwam, doordat ze allebei zoo graag bij Grootmoeder waren.Hennemans Grootmoeder had vroeger, toen Grootvader nog leefde, op een boerderij gewoond. Nu ze alleen was overgebleven, had ze zoo’n boerderij, met alles wat er bij komt kijken, een veel te groot gedoe gevonden en was in een klein huisje getrokken, dat geheel met klimop begroeid was. Toch kon je nog wel zien, dat Hennemans Grootmoeder eigenlijk een boerin was, aan de muts, weet je. Ze droeg een muts met strookjes en daar kwam haar gezicht toch zoo aardig uitkijken. Hagelwit was die muts altijd en zoo precies in de plooi! Hoe Grootmoeder die toch zoo kreeg? Henneman vond zijn Grootmoeder erg knap.Ze droeg een muts met strookjes.Ze droeg een muts met strookjes.Als schooljongens—ze zaten nu al in de vierde klas—gingen Henneman en Jupke ook nog graag in ’t klimophuisje op visite. Grootmoeder kon zoo mooi vertellen en zulke lekkere koekjes bakken, vooral haar knijpkoekjes—die bakte ze met Nieuwjaar—waren beroemd. Grootmoeder vond ’t ook prettig, als de jongenshaarwat vertelden: van school, van thuis, van wat ze speelden.. Grootmoeder kon er altijd echt inkomen; zoo stilletjes zat zij onderwijl een steekje te breien in haar rustig hoekje. Bij Jupke in den molen was ’t zoo’n druk bedrijf en in ’t meestershuis waren zooveel kleintjes; daar was overdag nooit gelegenheid voor een rustig babbeltje.Prettige dingen vertelden ze aan Grootmoeder, maar.. de minder prettige ook. Dat ging niet altijd van harte. Als ze, bijvoorbeeld, ondeugend waren geweest en er straf voor hadden gehad, of wel als ze stilletjes iets verkeerds hadden uitgevoerd, kijk, dan wilden ze zoo iets wel liever voor Grootmoeder verzwijgen, maar dit gelukte toch nooit. Grootmoeder zag ’t dadelijk, als er wat aan haperde. Zij zei dan niet veel, maar ze kon de jongens aanzien, zoo ernstig-vriendelijk.... danmoestenze ’t wel zeggen en daarná waren ze toch zoo opgelucht!Zij zei dan niet veel.Zij zei dan niet veel.Behalve Jupke had Henneman nog een anderen vriend: Frans van Kampen! Frans woonde niet op ’t dorp, maar kwam op vrije middagen dikwijls mee, als zijn vader, die dokter in de naburige stad was, er iemand bezoeken moest. De vader van Frans en die van Henneman kenden elkaar nog van vroeger. Zoo stapte de dokter, ook zonder dat er daar iemand ziek was, wel eens in ’t meestershuis af en dan speelden Frans en Henneman met elkaar.„Je moet ook ’s bij mij komen,” had Frans op een keer gezegd.Nu, in ’t begin van de Kerstvacantie, was er een brief van Frans gekomen.„Beste vriend” stond er boven. Dit vond Henneman wàt gewichtig. En dan volgde er: „Moeder zegt, nu ’t vacantie is, mag ik je een paar dagen vragen; dat is nog leuker dan enkel een middag spelen. Vraag maar gauw aan je vader en je moeder, of je mag. Hoe langer je blijft, des te beter, zegt Moeder. Ik vind ’t erg leuk en jij? Groeten voor allemaal van Frans.”Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg.Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg.Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg. Jupke liep mee tot aan den trein. Hij vond ’t saai, dat kon je wel zien, maar Henneman zei, dat hij met Nieuwjaarterugkwam; dan zouden ze Grootmoeder samen helpen knijpkoekjes te bakken. En hij beloofde hem ook een prentbriefkaart uit de stad te zullen sturen.Toen keek Jupke vroolijker; hij riep Henneman op ’t laatst nog toe, dat hij er een moest sturen met den Dom er op.Nu was Henneman al een week bij Frans. Hij had een mooien Kerstboom gezien en cadeautjes gekregen en ook was hij nog met Frans en zijn zusje naar de Kerstfeestviering van hun Zondagschool geweest. Henneman vond ’t heerlijk bij Frans thuis; hij wou er nog wel een week blijven, zei hij.De vader en de moeder van Frans vonden dit best, de vader en moeder van Henneman ook.... maar Jupke vond hetnietbest, toen hij er van hoorde. Dan zou Henneman er immers met Nieuwjaar niet zijn, zooals hij hem toch beloofd had, om samen bij Grootmoeder van die lekkere Nieuwjaarskoekjes te bakken en op te eten. Neen, daar was Jupke heel over uit zijn humeur. Ook was hij een beetje boos, omdat Henneman vergat hem een prentbriefkaart te sturen en dat had hij hem toch óók beloofd! Grootmoeder en hij konden er samen wat goed over praten; Grootmoeder vond ’t ook niet mooi, dat Henneman zijn vrindje vergat.„Weet je wat,” zei Grootmoeder, „morgen is het marktdag—dan ga ik voor boodschappen even naar stad en stuur je een prentbriefkaart, hoor!”„Met den Dom er op?” vroeg Jupke.„Ja, met den Dom er op.”Maar toen Jupke weg zou gaan, riep Grootmoederhem terug; ze wist toch nog een beter plan. „Neen, ik stuur je geen prentbriefkaart; als je vader en je moeder ’t goedvinden, neem ik je mee om erzelfeen uit te zoeken; dan doen wij samen boodschappen en bekijken de mooie winkels.”Gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing.Gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing.Toen sprong Jupke hoog in de lucht en gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing, dat de keurige muts er scheef van kwam te zitten.„Gaan we dan ook naar Henneman en Frans?”„Nu, ’k denk, dat we daar wel geen tijd voor zullen hebben, maar weet je wat, we zullen een prentbriefkaart in de stad koopen voor Henneman en als we dan weer hier terug zijn, sturen we hem die. Wat zal hij dan opkijken!”„O ja, o ja,” juichte Jupke—„dan begrijpt hij er heelemaal niets van!”Henneman kende nu al de vriendjes van Frans. Hij werd druk mee uitgevraagd. ’t Leukst van alles vond hij het trammen door de stad, omdat dit een nieuwtje voor hem was. Dit koos hij dan ook, toen Frans en hij samen op Oudejaarsdag bij Karel op visite waren en Karels Moeder hem vroeg, wat hij ’s middags graag eens wou doen.Frans bleef liever op den zolder gymnastiek doen met Karels grooten broer en zijn zusje, maar Karel en zijn jonger broertje Wim gingen mee trammen.Oudejaar viel op Zaterdag, marktdag. Juist prettig vonden de jongens het, zoo door de drukte te komen.’t Was een mooie, nieuwe tram met klapbanken.Henneman moest dadelijk ’s probeeren, hoe dat ging met zoo’n bank. Karel en Wim wezen ’t hem; die wisten het natuurlijk al lang—zij woonden in de stad en kwamen dus vaak in de tram.’t Werd vol. Bij elke halte stonden o zooveel menschen en dan hadden de jongens den grootsten schik om te kijken, of die er wel allemaal in zouden kunnen. Ja warempel, ’t ging en nòg was er plaats over!—Wat zoo’n tram toch groot was!„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.Bij ’t Vreeburg gekomen, drukten ze hun neuzen plat tegen ’t glas.„Er staan er wel honderd!” riep Henneman opgetogenuit, maar meteen trok hij zijn hoofd gauw terug.„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.„Niks,” zei Henneman, die een erge kleur kreeg. Hij had Grootmoeder en Jupke onder de wachtenden aan de halte ontdekt: Jupke in zijn Zondagsche pakje, dat—Henneman had er vroeger nooit erg in gehad—hem toch zoo mal, ouwemannetjesachtig stond, en Grootmoeder daarbij met haar muts met strookjes...Die muts vond Henneman ook op eens zoo gek. Wie had er nu nog een muts op! Niemand van de menschen, die hij hier kende, droeg een muts!Een oude heer kwam naast hem zitten.Een oude heer kwam naast hem zitten.Hijhooptemaar, dat Grootmoeder en Jupke niet in de tram zouden stappen en zat met een hoogroode kleur strak voor zich uit te staren.Karel en Wim hipten op en neer van de bank. Hun moeder beduidde hun, dat ze rustig moesten zijn, de menschen niet mochten hinderen.—Henneman had geen vermaning noodig; hij was zoo stil als een muis—vanhemhadden de andere passagiers stellig geen last.Gedwee schikte hij wat op; een oude heer kwam naast hem zitten.Nog meer menschen stapten er in.Heel eventjes keek Henneman om; hij kòn ’t niet laten.... een muts zag hij, de muts met strookjes van Grootmoeder.—Een oogenblik herademde, Henneman; er was geen plaats meer binnenin, dus zouden Grootmoeder en Jupke op ’t balkon moeten blijven.... Maar nee, een jonge man, die dicht bij de deur zat, stond op en gaf Grootmoeder zijn plaats; men schikte ginds wat op en zoo kwam ook Jupke te zitten, tegenover Grootmoeder.Henneman maakte zich zoo klein mogelijk aan ’t andere eind der volle tram en vond het „gelukkig”, dat hij „zoover” van Grootmoeder af zat! Zoo’n rare Henneman toch! En thuis, als Grootmoeder ’s Zondags zou komen eten, kibbelde hij met zijn broertje om ’t plaatsje aan tafel naast Grootmoeder!Henneman bleef in elkaar gedoken zitten en zei niets meer tot aan de halte, dicht bij ’t huis, waar hij vandaag op visite was.Karels Moeder stond op, Karel en Wim ook.„Kom Henneman, we zijn er!”Gauw keek Henneman Grootmoeders kant op; Grootmoeder en Jupke bleven zitten—dus moest hij hen voorbij! Klein maken hielp niets; ze zouden hem stellig zien.Met neergeslagen oogen sloop Henneman als de laatste van de vier de tram door, tot aan den uitgang, telkens verwachtend zijn naam te zullen hooren.Bijna was hij bij de deur, de anderen waren al buiten—dáár hadt je het... „Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast, met een hooge jongensstem.Henneman struikelde haast over den drempel naar buiten—hij keek niet om, maar zag toch nog in ’t voorbijgaan Grootmoeders gezicht in een glimp: verwonderd, teleurgesteld, droevig.... Met één sprong was hij het balkon af; hij zuchtte diep van verlichting en drong gauw door de wachtende menschen heen.„Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast.„Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast.„Wat heb jij een haast!” riep Wim uit.Henneman had nu eigenlijk blij moeten wezen, dat hij er zoo goed was afgekomen, maar hijwasniet blij, neen hoor, hij had juist een allerakeligst gevoel over zich en dat maakte, dat hij den heelen verderen dag geen prettig oogenblik meer had....Toen er aan tafel gebeden zou worden, kreeg Henneman weer een vreeselijke kleur; hij schaamde zich erg voor God, Die alles wel gezien had, vanmiddag in de tram. Nu kon Henneman toch maar niet doen, of er niets gebeurd was en gewoon zijn gebedje opzeggen?Hij vouwde zijn handen wel net als de anderen, maar hield zijn oogen open. Karel keek even verwonderd naar hem en deed toen gauw zijn oogen dicht. Nu hadden ze allen de oogen gesloten: Karels Vader, zijn Moeder, Jan, Truus, Wim, Karel en Frans;diespraken nu met God en hij—hijdurfde’t niet.—Zoo ongelukkig als Henneman zich toèn toch voelde!....Henneman bleef de week niet uit, zooals ’t plan was geweest.Den volgenden morgen bracht de vader van Frans hem al naar huis, omdat hij zoo erg naar Grootmoeder verlangde en bij Grootmoeder Nieuwjaarskoekjes wou bakken met Jupke.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd, toen hij met Frans van Karel was teruggekomen.En onder het uitkleeden had hij nog meer gezegd, ja—hij had het niet kunnen uithouden, hij had hetmoetenvertellen aan de moeder van Frans, omdat hij nu zijn eigen moeder niet hier had, hoe ’n nare jongen hij geweest was, ’s middags in de tram.—O, hij had zich zoo geschaamd onder ’t vertellen, maar ’t had hem toch óók opgelucht.Toen had hij God om vergiffenis gevraagd en had daarna ook weer zijn gewone avondgebedje kunnen doen. Dit had Henneman zoo kalm en rustig gemaakt. Gauw was hij daarop in slaap gevallen.Jupke stond op ’t molenerf, toen dokter van Kampen er met Henneman in zijn Utrechtsch wagentje voorbijreed.Dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen.Dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen.Henneman dacht aan den vorigen middag en was niets op zijn gemak; Jupke keek ook verlegen. Dàt was een rare ontmoeting tusschen de twee vrindjes, maar de dokter wist raad. Hij hield stil en riep Jupke toe, dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen om zijn kameraadje Nieuwjaar te wenschen.Dáár zaten ze nu, Henneman en Jupke, lekker warm ingestopt onder één reisdeken, maar ze hadden elkaar eerst niets te vertellen.Eindelijk zei Jupke: „ik heb een prentbriefkaart van den Dom; kijk maar”,—en hij diepte de al een beetje gekreukte kaart uit zijn zak op.„Ik hebden Dom zelfgezien”, zei Henneman nu vol trots.„Ik óók,” riep Jupke, „gisteren, met Grootmoeder en—.” Toen hield hij zich in eens weer stil en keek Henneman van terzijde een beetje schuw aan. Jupke vond: ’t was net of Henneman sedert gisterenHennemanniet meer was, maar een vreemd jongetje, dat eigenlijk in de stad thuis behoorde. Henneman zei ook niets meer; onrustig draaide hij op de bank heen en weer.Voor Grootmoeders klimophuisje stonden ze stil. Met een zwaai zette dokter van Kampen Henneman op den grond.„Grootmoeder,” riep hij vroolijk naar binnen, „een gelukkig Nieuwjaar, hoor, en hier heb je je jongen weer; hij verlangde zóó!”Toen reed hij gauw weg met Jupke nog in ’t rijtuig.Ja, dáárhadGrootmoeder haar jongen weer! Dàt zag, dàt voelde ze dadelijk!Grootmoeder en Henneman praatten niet veel over gisteren; ’t was niet noodig; ze verstonden elkaar ook zóó wel.Grootmoeder nam Henneman op haar schoot, verbeeld je, zoo’n grooten jongen.... en Grootmoeders muts werd verkreukeld, maar ’t lieve, oude gezicht, dat uit die muts kwam kijken, stond zóó gelukkig en Henneman keek ook al zoo blij.Nù was ’t weer als vroeger.Nù was ’t weer als vroeger.Hand aan hand gingen zij toen later naar Hennemans huis en namen de knijpkoekjes, die Grootmoeder, omdat Nieuwjaar dezen keer op Zondag viel, den vorigen dag al gebakken had, in een overdekt mandje mee. Henneman kon Grootmoeder dus nu niet meer helpen bakken, maar dat was niets, hij zou ze helpen opeten e.... Jupke ook. Zij haalden hem onderweg af.Nù was ’t weer als vroeger: Grootmoeder met Henneman en Jupke samen! Zóó moest ’t nu ook maar blijven, dacht Henneman tevreden, en hij drukte zijn gezicht, even, liefkoozend tegen Grootmoeders arm aan.Grootmoeder glimlachte en zei, dat Henneman nu net als een poesje deed!Toen schoten de jongens allebei in den lach; ’t vreemde,dat ze zooeven nog hinderlijk tusschen hen beidjes gevoeld hadden, was nu ook meteen verdwenen.—Nu was ’t wel écht weer zooals vroeger!—Hoe gelukkig begon ’t Nieuwe jaar nu toch voor de beide vriendjes!
Jupke van den molenaar was Hennemans beste vriend.
Henneman woonde schuins over den molen. Als je het vondertje over ging en dan nog een laantje door, dan was je bij het meestershuis en dáár woonde Henneman.
Alleen ’s winters, als de boomen kaal waren, kon Jupke het raam van Hennemans kamertje zien, maar Henneman kon altijd Jupke’s venster zien, óók midden in den zomer, als de boomen vol bladeren waren, want de molenkap stak hoog boven de boomen uit en daar bovenin was Jupke’s kamertje.
Toen de jongens nog te klein waren om naar school te gaan, speelden ze al met elkaar. Ze waren ook al eens samen weggeloopen, toen ze zulke kleine dribbelswaren. Verbeeld je, weggeloopen, heel naar Hennemans Grootmoeder, aan ’t andere eind van het dorp! Dat kwam, doordat ze allebei zoo graag bij Grootmoeder waren.
Hennemans Grootmoeder had vroeger, toen Grootvader nog leefde, op een boerderij gewoond. Nu ze alleen was overgebleven, had ze zoo’n boerderij, met alles wat er bij komt kijken, een veel te groot gedoe gevonden en was in een klein huisje getrokken, dat geheel met klimop begroeid was. Toch kon je nog wel zien, dat Hennemans Grootmoeder eigenlijk een boerin was, aan de muts, weet je. Ze droeg een muts met strookjes en daar kwam haar gezicht toch zoo aardig uitkijken. Hagelwit was die muts altijd en zoo precies in de plooi! Hoe Grootmoeder die toch zoo kreeg? Henneman vond zijn Grootmoeder erg knap.
Ze droeg een muts met strookjes.Ze droeg een muts met strookjes.
Ze droeg een muts met strookjes.
Als schooljongens—ze zaten nu al in de vierde klas—gingen Henneman en Jupke ook nog graag in ’t klimophuisje op visite. Grootmoeder kon zoo mooi vertellen en zulke lekkere koekjes bakken, vooral haar knijpkoekjes—die bakte ze met Nieuwjaar—waren beroemd. Grootmoeder vond ’t ook prettig, als de jongenshaarwat vertelden: van school, van thuis, van wat ze speelden.. Grootmoeder kon er altijd echt inkomen; zoo stilletjes zat zij onderwijl een steekje te breien in haar rustig hoekje. Bij Jupke in den molen was ’t zoo’n druk bedrijf en in ’t meestershuis waren zooveel kleintjes; daar was overdag nooit gelegenheid voor een rustig babbeltje.
Prettige dingen vertelden ze aan Grootmoeder, maar.. de minder prettige ook. Dat ging niet altijd van harte. Als ze, bijvoorbeeld, ondeugend waren geweest en er straf voor hadden gehad, of wel als ze stilletjes iets verkeerds hadden uitgevoerd, kijk, dan wilden ze zoo iets wel liever voor Grootmoeder verzwijgen, maar dit gelukte toch nooit. Grootmoeder zag ’t dadelijk, als er wat aan haperde. Zij zei dan niet veel, maar ze kon de jongens aanzien, zoo ernstig-vriendelijk.... danmoestenze ’t wel zeggen en daarná waren ze toch zoo opgelucht!
Zij zei dan niet veel.Zij zei dan niet veel.
Zij zei dan niet veel.
Behalve Jupke had Henneman nog een anderen vriend: Frans van Kampen! Frans woonde niet op ’t dorp, maar kwam op vrije middagen dikwijls mee, als zijn vader, die dokter in de naburige stad was, er iemand bezoeken moest. De vader van Frans en die van Henneman kenden elkaar nog van vroeger. Zoo stapte de dokter, ook zonder dat er daar iemand ziek was, wel eens in ’t meestershuis af en dan speelden Frans en Henneman met elkaar.
„Je moet ook ’s bij mij komen,” had Frans op een keer gezegd.
Nu, in ’t begin van de Kerstvacantie, was er een brief van Frans gekomen.
„Beste vriend” stond er boven. Dit vond Henneman wàt gewichtig. En dan volgde er: „Moeder zegt, nu ’t vacantie is, mag ik je een paar dagen vragen; dat is nog leuker dan enkel een middag spelen. Vraag maar gauw aan je vader en je moeder, of je mag. Hoe langer je blijft, des te beter, zegt Moeder. Ik vind ’t erg leuk en jij? Groeten voor allemaal van Frans.”
Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg.Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg.
Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg.
Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg. Jupke liep mee tot aan den trein. Hij vond ’t saai, dat kon je wel zien, maar Henneman zei, dat hij met Nieuwjaarterugkwam; dan zouden ze Grootmoeder samen helpen knijpkoekjes te bakken. En hij beloofde hem ook een prentbriefkaart uit de stad te zullen sturen.
Toen keek Jupke vroolijker; hij riep Henneman op ’t laatst nog toe, dat hij er een moest sturen met den Dom er op.
Nu was Henneman al een week bij Frans. Hij had een mooien Kerstboom gezien en cadeautjes gekregen en ook was hij nog met Frans en zijn zusje naar de Kerstfeestviering van hun Zondagschool geweest. Henneman vond ’t heerlijk bij Frans thuis; hij wou er nog wel een week blijven, zei hij.
De vader en de moeder van Frans vonden dit best, de vader en moeder van Henneman ook.... maar Jupke vond hetnietbest, toen hij er van hoorde. Dan zou Henneman er immers met Nieuwjaar niet zijn, zooals hij hem toch beloofd had, om samen bij Grootmoeder van die lekkere Nieuwjaarskoekjes te bakken en op te eten. Neen, daar was Jupke heel over uit zijn humeur. Ook was hij een beetje boos, omdat Henneman vergat hem een prentbriefkaart te sturen en dat had hij hem toch óók beloofd! Grootmoeder en hij konden er samen wat goed over praten; Grootmoeder vond ’t ook niet mooi, dat Henneman zijn vrindje vergat.
„Weet je wat,” zei Grootmoeder, „morgen is het marktdag—dan ga ik voor boodschappen even naar stad en stuur je een prentbriefkaart, hoor!”
„Met den Dom er op?” vroeg Jupke.
„Ja, met den Dom er op.”
Maar toen Jupke weg zou gaan, riep Grootmoederhem terug; ze wist toch nog een beter plan. „Neen, ik stuur je geen prentbriefkaart; als je vader en je moeder ’t goedvinden, neem ik je mee om erzelfeen uit te zoeken; dan doen wij samen boodschappen en bekijken de mooie winkels.”
Gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing.Gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing.
Gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing.
Toen sprong Jupke hoog in de lucht en gaf Grootmoeder zoo’n onstuimige omhelzing, dat de keurige muts er scheef van kwam te zitten.
„Gaan we dan ook naar Henneman en Frans?”
„Nu, ’k denk, dat we daar wel geen tijd voor zullen hebben, maar weet je wat, we zullen een prentbriefkaart in de stad koopen voor Henneman en als we dan weer hier terug zijn, sturen we hem die. Wat zal hij dan opkijken!”
„O ja, o ja,” juichte Jupke—„dan begrijpt hij er heelemaal niets van!”
Henneman kende nu al de vriendjes van Frans. Hij werd druk mee uitgevraagd. ’t Leukst van alles vond hij het trammen door de stad, omdat dit een nieuwtje voor hem was. Dit koos hij dan ook, toen Frans en hij samen op Oudejaarsdag bij Karel op visite waren en Karels Moeder hem vroeg, wat hij ’s middags graag eens wou doen.
Frans bleef liever op den zolder gymnastiek doen met Karels grooten broer en zijn zusje, maar Karel en zijn jonger broertje Wim gingen mee trammen.
Oudejaar viel op Zaterdag, marktdag. Juist prettig vonden de jongens het, zoo door de drukte te komen.
’t Was een mooie, nieuwe tram met klapbanken.
Henneman moest dadelijk ’s probeeren, hoe dat ging met zoo’n bank. Karel en Wim wezen ’t hem; die wisten het natuurlijk al lang—zij woonden in de stad en kwamen dus vaak in de tram.
’t Werd vol. Bij elke halte stonden o zooveel menschen en dan hadden de jongens den grootsten schik om te kijken, of die er wel allemaal in zouden kunnen. Ja warempel, ’t ging en nòg was er plaats over!—Wat zoo’n tram toch groot was!
„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.
„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.
Bij ’t Vreeburg gekomen, drukten ze hun neuzen plat tegen ’t glas.
„Er staan er wel honderd!” riep Henneman opgetogenuit, maar meteen trok hij zijn hoofd gauw terug.
„Wat is er, beste jongen?” vroeg Karels Moeder verbaasd.
„Niks,” zei Henneman, die een erge kleur kreeg. Hij had Grootmoeder en Jupke onder de wachtenden aan de halte ontdekt: Jupke in zijn Zondagsche pakje, dat—Henneman had er vroeger nooit erg in gehad—hem toch zoo mal, ouwemannetjesachtig stond, en Grootmoeder daarbij met haar muts met strookjes...
Die muts vond Henneman ook op eens zoo gek. Wie had er nu nog een muts op! Niemand van de menschen, die hij hier kende, droeg een muts!
Een oude heer kwam naast hem zitten.Een oude heer kwam naast hem zitten.
Een oude heer kwam naast hem zitten.
Hijhooptemaar, dat Grootmoeder en Jupke niet in de tram zouden stappen en zat met een hoogroode kleur strak voor zich uit te staren.
Karel en Wim hipten op en neer van de bank. Hun moeder beduidde hun, dat ze rustig moesten zijn, de menschen niet mochten hinderen.—Henneman had geen vermaning noodig; hij was zoo stil als een muis—vanhemhadden de andere passagiers stellig geen last.
Gedwee schikte hij wat op; een oude heer kwam naast hem zitten.
Nog meer menschen stapten er in.
Heel eventjes keek Henneman om; hij kòn ’t niet laten.... een muts zag hij, de muts met strookjes van Grootmoeder.—
Een oogenblik herademde, Henneman; er was geen plaats meer binnenin, dus zouden Grootmoeder en Jupke op ’t balkon moeten blijven.... Maar nee, een jonge man, die dicht bij de deur zat, stond op en gaf Grootmoeder zijn plaats; men schikte ginds wat op en zoo kwam ook Jupke te zitten, tegenover Grootmoeder.
Henneman maakte zich zoo klein mogelijk aan ’t andere eind der volle tram en vond het „gelukkig”, dat hij „zoover” van Grootmoeder af zat! Zoo’n rare Henneman toch! En thuis, als Grootmoeder ’s Zondags zou komen eten, kibbelde hij met zijn broertje om ’t plaatsje aan tafel naast Grootmoeder!
Henneman bleef in elkaar gedoken zitten en zei niets meer tot aan de halte, dicht bij ’t huis, waar hij vandaag op visite was.
Karels Moeder stond op, Karel en Wim ook.
„Kom Henneman, we zijn er!”
Gauw keek Henneman Grootmoeders kant op; Grootmoeder en Jupke bleven zitten—dus moest hij hen voorbij! Klein maken hielp niets; ze zouden hem stellig zien.
Met neergeslagen oogen sloop Henneman als de laatste van de vier de tram door, tot aan den uitgang, telkens verwachtend zijn naam te zullen hooren.
Bijna was hij bij de deur, de anderen waren al buiten—dáár hadt je het... „Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast, met een hooge jongensstem.
Henneman struikelde haast over den drempel naar buiten—hij keek niet om, maar zag toch nog in ’t voorbijgaan Grootmoeders gezicht in een glimp: verwonderd, teleurgesteld, droevig.... Met één sprong was hij het balkon af; hij zuchtte diep van verlichting en drong gauw door de wachtende menschen heen.
„Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast.„Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast.
„Dag Henneman!” klonk ’t blij verrast.
„Wat heb jij een haast!” riep Wim uit.
Henneman had nu eigenlijk blij moeten wezen, dat hij er zoo goed was afgekomen, maar hijwasniet blij, neen hoor, hij had juist een allerakeligst gevoel over zich en dat maakte, dat hij den heelen verderen dag geen prettig oogenblik meer had....
Toen er aan tafel gebeden zou worden, kreeg Henneman weer een vreeselijke kleur; hij schaamde zich erg voor God, Die alles wel gezien had, vanmiddag in de tram. Nu kon Henneman toch maar niet doen, of er niets gebeurd was en gewoon zijn gebedje opzeggen?
Hij vouwde zijn handen wel net als de anderen, maar hield zijn oogen open. Karel keek even verwonderd naar hem en deed toen gauw zijn oogen dicht. Nu hadden ze allen de oogen gesloten: Karels Vader, zijn Moeder, Jan, Truus, Wim, Karel en Frans;diespraken nu met God en hij—hijdurfde’t niet.—
Zoo ongelukkig als Henneman zich toèn toch voelde!....
Henneman bleef de week niet uit, zooals ’t plan was geweest.
Den volgenden morgen bracht de vader van Frans hem al naar huis, omdat hij zoo erg naar Grootmoeder verlangde en bij Grootmoeder Nieuwjaarskoekjes wou bakken met Jupke.
Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd.Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd.
Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd.
Onder tranen had hij dit ’s avonds gezegd, toen hij met Frans van Karel was teruggekomen.
En onder het uitkleeden had hij nog meer gezegd, ja—hij had het niet kunnen uithouden, hij had hetmoetenvertellen aan de moeder van Frans, omdat hij nu zijn eigen moeder niet hier had, hoe ’n nare jongen hij geweest was, ’s middags in de tram.—O, hij had zich zoo geschaamd onder ’t vertellen, maar ’t had hem toch óók opgelucht.
Toen had hij God om vergiffenis gevraagd en had daarna ook weer zijn gewone avondgebedje kunnen doen. Dit had Henneman zoo kalm en rustig gemaakt. Gauw was hij daarop in slaap gevallen.
Jupke stond op ’t molenerf, toen dokter van Kampen er met Henneman in zijn Utrechtsch wagentje voorbijreed.
Dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen.Dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen.
Dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen.
Henneman dacht aan den vorigen middag en was niets op zijn gemak; Jupke keek ook verlegen. Dàt was een rare ontmoeting tusschen de twee vrindjes, maar de dokter wist raad. Hij hield stil en riep Jupke toe, dat hij maar gauw in ’t rijtuig zou klimmen om zijn kameraadje Nieuwjaar te wenschen.
Dáár zaten ze nu, Henneman en Jupke, lekker warm ingestopt onder één reisdeken, maar ze hadden elkaar eerst niets te vertellen.
Eindelijk zei Jupke: „ik heb een prentbriefkaart van den Dom; kijk maar”,—en hij diepte de al een beetje gekreukte kaart uit zijn zak op.
„Ik hebden Dom zelfgezien”, zei Henneman nu vol trots.
„Ik óók,” riep Jupke, „gisteren, met Grootmoeder en—.” Toen hield hij zich in eens weer stil en keek Henneman van terzijde een beetje schuw aan. Jupke vond: ’t was net of Henneman sedert gisterenHennemanniet meer was, maar een vreemd jongetje, dat eigenlijk in de stad thuis behoorde. Henneman zei ook niets meer; onrustig draaide hij op de bank heen en weer.
Voor Grootmoeders klimophuisje stonden ze stil. Met een zwaai zette dokter van Kampen Henneman op den grond.
„Grootmoeder,” riep hij vroolijk naar binnen, „een gelukkig Nieuwjaar, hoor, en hier heb je je jongen weer; hij verlangde zóó!”
Toen reed hij gauw weg met Jupke nog in ’t rijtuig.
Ja, dáárhadGrootmoeder haar jongen weer! Dàt zag, dàt voelde ze dadelijk!
Grootmoeder en Henneman praatten niet veel over gisteren; ’t was niet noodig; ze verstonden elkaar ook zóó wel.
Grootmoeder nam Henneman op haar schoot, verbeeld je, zoo’n grooten jongen.... en Grootmoeders muts werd verkreukeld, maar ’t lieve, oude gezicht, dat uit die muts kwam kijken, stond zóó gelukkig en Henneman keek ook al zoo blij.
Nù was ’t weer als vroeger.Nù was ’t weer als vroeger.
Nù was ’t weer als vroeger.
Hand aan hand gingen zij toen later naar Hennemans huis en namen de knijpkoekjes, die Grootmoeder, omdat Nieuwjaar dezen keer op Zondag viel, den vorigen dag al gebakken had, in een overdekt mandje mee. Henneman kon Grootmoeder dus nu niet meer helpen bakken, maar dat was niets, hij zou ze helpen opeten e.... Jupke ook. Zij haalden hem onderweg af.
Nù was ’t weer als vroeger: Grootmoeder met Henneman en Jupke samen! Zóó moest ’t nu ook maar blijven, dacht Henneman tevreden, en hij drukte zijn gezicht, even, liefkoozend tegen Grootmoeders arm aan.
Grootmoeder glimlachte en zei, dat Henneman nu net als een poesje deed!
Toen schoten de jongens allebei in den lach; ’t vreemde,dat ze zooeven nog hinderlijk tusschen hen beidjes gevoeld hadden, was nu ook meteen verdwenen.—
Nu was ’t wel écht weer zooals vroeger!—Hoe gelukkig begon ’t Nieuwe jaar nu toch voor de beide vriendjes!