GRAPPIGE APPELTJES.

GRAPPIGE APPELTJES.Bep hield veel van dieren. Ze had een hondje, een poes, konijntjes, duiven, en—nu kreeg ze er nog zeswitte muizen bij van Oom Kees. In een spanen doos met gaatjes in het deksel, had Oom, die in de stad woonde, ze met den bode meegegeven.Hadden de muizen veel bekijks.Hadden de muizen veel bekijks.Dat was een grappig pakje! Moeder keek eerst niet heel blij naar de nieuwe huisgenootjes; ze vond muizen naar en dacht, dat ze ’t overal erg vuil zouden maken, maar—er was nog geen week voorbij of Moeder had al evenveel schik als Vader en Bep aan de vlugge, witte diertjes, die zoo slim uit hun roode oogjes keken. De groote stopflesch, waarin ze woonden, mocht zelfs in de huiskamer blijven staan.In ’t begin hadden de muizen veel bekijks. Bep bracht telkens vriendinnetjes mee naar huis, die, net als Moeder, eerst maar niet wilden gelooven, dat witte muizen veel aardiger zijn dan gewone grijsjes, en op een mooien Woensdagmiddag kwam Oom Kees zelf met zijn jongens uit de stad, om ook eens naar zijn „cadeautje” te zien. Bep had juist les bij haar handwerkjuffrouw aan huis en zag Oom met Bram en Henk voorbij fietsen. Gelukkig, dat het uur al bijna om was; ze verlangde er zoo naar hem de muizen te laten kijken!Met den kruideniersjongen te praten.Met den kruideniersjongen te praten.Zou Oom wel kunnen zien, dat ze gegroeid waren? Bep dacht van wel; ze had haar muisjes altijd volop eten gegeven. Prettig, dat ze de flesch juist schoon hadgemaakt; frisch zaagsel, om er ’s nachts onder te kruipen, was er ook in. Oom zou wel schik hebben, omdat de muisjes ’t zoo best hadden!Toen de les uit was, bleef Bep niet, zooals anders, met de juffrouw babbelen; ze liep in één vaart naar huis.Mietje stond aan de deur met den kruideniersjongen te praten.„Raad eens wie er gekomen zijn, Bep?”„Dat weet ’k al lang! Oom en de jongens. Waar zijn ze, Mietje?”„In den tuin, bij de rozen.”Bep er ook heen. Ze nam den kortsten weg, door de keuken. „Dag Oom Kees! Dag Oom! Hebt u mijn muizen gezien? Vindt u ze niet groot? Waar zijn de jongens?—U blijft toch tot vanavond laat, hè Oom?”Oom Kees, die met Vader en Moeder in ’t rozenpriëel zat, begon te lachen. Zooveel vragen op eens.Dat uw muizekindertjes erg wit zien.Dat uw muizekindertjes erg wit zien.„Ja Beppie,” zei hij, „de muizen zijn flink gegroeid; je hebt er best op gepast. De jongens vinden ze ook zooaardig. Ze zijn net weer naar binnen geloopen, om ze nog eens te bekijken.”„Roep Henk en Bram maar hier,” zei Moeder, die limonade inschonk; „ze zullen ook wel dorst hebben.”„Henkie! Bra-am!” riep Bep zoo hard ze kon, onder ’t loopen.„Ja-a! Kom eens kijken!” klonk het terug.Henk stond voor de waranda en zwaaide met zijn armen. „Toe dan, Bep!”„Ja, wat is er? Hoe vindt je mijn muizen?”Bram kwam ook uit de kamer en trok een gewichtig gezicht zoo gauw Bep bij hen was.„Ik vind, dat uw muizekindertjes erg wit zien, Mevrouw. Ik ben de dokter, weet u en ’k zeg al tegen Meneer Henk, dat ze zeker niet genoeg in de lucht komen. Ze moeten elken dag noodzakelijk een wandelingetje doen.”„Ja,” zei „Meneer” Henk, proestend van ’t lachen; „ik heb maar dadelijk gedaan wat de dokter zei en de muizekindertjes vonden ’t erg prettig.”Bep keek angstig van den een naar den ander.„Wat hebben jullie met mijn muisjes gedaan? Waar is de flesch?”„O, Mevrouw, hun bedjes zijn netjes opgemaakt,” begon Bram, maar Bep duwde hem op zij en liep naar binnen, naar ’t tafeltje, waarop de stopflesch stond.De muizen waren niet te zien.Eerst dacht Bep nog, dat ze onder ’t zaagsel waren gekropen, maar neen, ze waren niet meer in de flesch.„Waar zijn mijn muisjes? ’t Is jullie schuld, dat zeweg zijn,” riep ze half schreiend uit. „Nare jongens!”„Hè, wat flauw om dadelijk te huilen,” zei Henk en trok Bep mee naar buiten. „De dokter wou immers, dat ze een wandelingetje gingen doen? Kijk, dáár kuieren ze.” Hij wees naar boven, naar de kruin van den ouden, knoestigen appelboom en ja, daar wandelden Beps muisjes over de takken.Wandelden Beps muisjes over de takken.Wandelden Beps muisjes over de takken.Nu moest Bep toch door haar tranen heen lachen; ’t was ook zoo’n grappig gezicht!„Wat zijn ze al hoog,” riep Bram, die er ook bij kwam. „Hoe krijgen we ze nu terug?”Beps gezichtje betrok al weer en zeker zou ze erg aan ’t schreien zijn gegaan als Vader, Moeder en Oom er niet aan waren gekomen. Drie groote menschen er bij, dacht Bep, nù zouden de muisjes wel gauw gepakt zijn!Daar stonden ze nu met hun vijven onder den boom. Bram klom er een eindje in en schudde aan de takken, maar de muizen waren vlugger dan hij.„Neen, jongen, zoo krijg je ze niet,” zei Oom; „wacht, ik weet iets!”Op een draf liep hij naar ’t schuurtje, waar het tuingereedschap werd geborgen en kwam weldra met een appelplukker terug. Nu moest Bram uit den boom komen; Oom ging er onder staan en toen heel, heel voorzichtig, ving hij de muisjes één voor één met den appelplukker.Was dàt niet mooi?—Maar ’t mooiste is nog, dat ’t heusch gebeurd is van dien appelplukker, die, in plaats van appels,muizenuit den boom moest halen——Bep heeft ’t me zelf verteld.Met een appelplukker terug.Met een appelplukker terug.

GRAPPIGE APPELTJES.Bep hield veel van dieren. Ze had een hondje, een poes, konijntjes, duiven, en—nu kreeg ze er nog zeswitte muizen bij van Oom Kees. In een spanen doos met gaatjes in het deksel, had Oom, die in de stad woonde, ze met den bode meegegeven.Hadden de muizen veel bekijks.Hadden de muizen veel bekijks.Dat was een grappig pakje! Moeder keek eerst niet heel blij naar de nieuwe huisgenootjes; ze vond muizen naar en dacht, dat ze ’t overal erg vuil zouden maken, maar—er was nog geen week voorbij of Moeder had al evenveel schik als Vader en Bep aan de vlugge, witte diertjes, die zoo slim uit hun roode oogjes keken. De groote stopflesch, waarin ze woonden, mocht zelfs in de huiskamer blijven staan.In ’t begin hadden de muizen veel bekijks. Bep bracht telkens vriendinnetjes mee naar huis, die, net als Moeder, eerst maar niet wilden gelooven, dat witte muizen veel aardiger zijn dan gewone grijsjes, en op een mooien Woensdagmiddag kwam Oom Kees zelf met zijn jongens uit de stad, om ook eens naar zijn „cadeautje” te zien. Bep had juist les bij haar handwerkjuffrouw aan huis en zag Oom met Bram en Henk voorbij fietsen. Gelukkig, dat het uur al bijna om was; ze verlangde er zoo naar hem de muizen te laten kijken!Met den kruideniersjongen te praten.Met den kruideniersjongen te praten.Zou Oom wel kunnen zien, dat ze gegroeid waren? Bep dacht van wel; ze had haar muisjes altijd volop eten gegeven. Prettig, dat ze de flesch juist schoon hadgemaakt; frisch zaagsel, om er ’s nachts onder te kruipen, was er ook in. Oom zou wel schik hebben, omdat de muisjes ’t zoo best hadden!Toen de les uit was, bleef Bep niet, zooals anders, met de juffrouw babbelen; ze liep in één vaart naar huis.Mietje stond aan de deur met den kruideniersjongen te praten.„Raad eens wie er gekomen zijn, Bep?”„Dat weet ’k al lang! Oom en de jongens. Waar zijn ze, Mietje?”„In den tuin, bij de rozen.”Bep er ook heen. Ze nam den kortsten weg, door de keuken. „Dag Oom Kees! Dag Oom! Hebt u mijn muizen gezien? Vindt u ze niet groot? Waar zijn de jongens?—U blijft toch tot vanavond laat, hè Oom?”Oom Kees, die met Vader en Moeder in ’t rozenpriëel zat, begon te lachen. Zooveel vragen op eens.Dat uw muizekindertjes erg wit zien.Dat uw muizekindertjes erg wit zien.„Ja Beppie,” zei hij, „de muizen zijn flink gegroeid; je hebt er best op gepast. De jongens vinden ze ook zooaardig. Ze zijn net weer naar binnen geloopen, om ze nog eens te bekijken.”„Roep Henk en Bram maar hier,” zei Moeder, die limonade inschonk; „ze zullen ook wel dorst hebben.”„Henkie! Bra-am!” riep Bep zoo hard ze kon, onder ’t loopen.„Ja-a! Kom eens kijken!” klonk het terug.Henk stond voor de waranda en zwaaide met zijn armen. „Toe dan, Bep!”„Ja, wat is er? Hoe vindt je mijn muizen?”Bram kwam ook uit de kamer en trok een gewichtig gezicht zoo gauw Bep bij hen was.„Ik vind, dat uw muizekindertjes erg wit zien, Mevrouw. Ik ben de dokter, weet u en ’k zeg al tegen Meneer Henk, dat ze zeker niet genoeg in de lucht komen. Ze moeten elken dag noodzakelijk een wandelingetje doen.”„Ja,” zei „Meneer” Henk, proestend van ’t lachen; „ik heb maar dadelijk gedaan wat de dokter zei en de muizekindertjes vonden ’t erg prettig.”Bep keek angstig van den een naar den ander.„Wat hebben jullie met mijn muisjes gedaan? Waar is de flesch?”„O, Mevrouw, hun bedjes zijn netjes opgemaakt,” begon Bram, maar Bep duwde hem op zij en liep naar binnen, naar ’t tafeltje, waarop de stopflesch stond.De muizen waren niet te zien.Eerst dacht Bep nog, dat ze onder ’t zaagsel waren gekropen, maar neen, ze waren niet meer in de flesch.„Waar zijn mijn muisjes? ’t Is jullie schuld, dat zeweg zijn,” riep ze half schreiend uit. „Nare jongens!”„Hè, wat flauw om dadelijk te huilen,” zei Henk en trok Bep mee naar buiten. „De dokter wou immers, dat ze een wandelingetje gingen doen? Kijk, dáár kuieren ze.” Hij wees naar boven, naar de kruin van den ouden, knoestigen appelboom en ja, daar wandelden Beps muisjes over de takken.Wandelden Beps muisjes over de takken.Wandelden Beps muisjes over de takken.Nu moest Bep toch door haar tranen heen lachen; ’t was ook zoo’n grappig gezicht!„Wat zijn ze al hoog,” riep Bram, die er ook bij kwam. „Hoe krijgen we ze nu terug?”Beps gezichtje betrok al weer en zeker zou ze erg aan ’t schreien zijn gegaan als Vader, Moeder en Oom er niet aan waren gekomen. Drie groote menschen er bij, dacht Bep, nù zouden de muisjes wel gauw gepakt zijn!Daar stonden ze nu met hun vijven onder den boom. Bram klom er een eindje in en schudde aan de takken, maar de muizen waren vlugger dan hij.„Neen, jongen, zoo krijg je ze niet,” zei Oom; „wacht, ik weet iets!”Op een draf liep hij naar ’t schuurtje, waar het tuingereedschap werd geborgen en kwam weldra met een appelplukker terug. Nu moest Bram uit den boom komen; Oom ging er onder staan en toen heel, heel voorzichtig, ving hij de muisjes één voor één met den appelplukker.Was dàt niet mooi?—Maar ’t mooiste is nog, dat ’t heusch gebeurd is van dien appelplukker, die, in plaats van appels,muizenuit den boom moest halen——Bep heeft ’t me zelf verteld.Met een appelplukker terug.Met een appelplukker terug.

GRAPPIGE APPELTJES.

Bep hield veel van dieren. Ze had een hondje, een poes, konijntjes, duiven, en—nu kreeg ze er nog zeswitte muizen bij van Oom Kees. In een spanen doos met gaatjes in het deksel, had Oom, die in de stad woonde, ze met den bode meegegeven.Hadden de muizen veel bekijks.Hadden de muizen veel bekijks.Dat was een grappig pakje! Moeder keek eerst niet heel blij naar de nieuwe huisgenootjes; ze vond muizen naar en dacht, dat ze ’t overal erg vuil zouden maken, maar—er was nog geen week voorbij of Moeder had al evenveel schik als Vader en Bep aan de vlugge, witte diertjes, die zoo slim uit hun roode oogjes keken. De groote stopflesch, waarin ze woonden, mocht zelfs in de huiskamer blijven staan.In ’t begin hadden de muizen veel bekijks. Bep bracht telkens vriendinnetjes mee naar huis, die, net als Moeder, eerst maar niet wilden gelooven, dat witte muizen veel aardiger zijn dan gewone grijsjes, en op een mooien Woensdagmiddag kwam Oom Kees zelf met zijn jongens uit de stad, om ook eens naar zijn „cadeautje” te zien. Bep had juist les bij haar handwerkjuffrouw aan huis en zag Oom met Bram en Henk voorbij fietsen. Gelukkig, dat het uur al bijna om was; ze verlangde er zoo naar hem de muizen te laten kijken!Met den kruideniersjongen te praten.Met den kruideniersjongen te praten.Zou Oom wel kunnen zien, dat ze gegroeid waren? Bep dacht van wel; ze had haar muisjes altijd volop eten gegeven. Prettig, dat ze de flesch juist schoon hadgemaakt; frisch zaagsel, om er ’s nachts onder te kruipen, was er ook in. Oom zou wel schik hebben, omdat de muisjes ’t zoo best hadden!Toen de les uit was, bleef Bep niet, zooals anders, met de juffrouw babbelen; ze liep in één vaart naar huis.Mietje stond aan de deur met den kruideniersjongen te praten.„Raad eens wie er gekomen zijn, Bep?”„Dat weet ’k al lang! Oom en de jongens. Waar zijn ze, Mietje?”„In den tuin, bij de rozen.”Bep er ook heen. Ze nam den kortsten weg, door de keuken. „Dag Oom Kees! Dag Oom! Hebt u mijn muizen gezien? Vindt u ze niet groot? Waar zijn de jongens?—U blijft toch tot vanavond laat, hè Oom?”Oom Kees, die met Vader en Moeder in ’t rozenpriëel zat, begon te lachen. Zooveel vragen op eens.Dat uw muizekindertjes erg wit zien.Dat uw muizekindertjes erg wit zien.„Ja Beppie,” zei hij, „de muizen zijn flink gegroeid; je hebt er best op gepast. De jongens vinden ze ook zooaardig. Ze zijn net weer naar binnen geloopen, om ze nog eens te bekijken.”„Roep Henk en Bram maar hier,” zei Moeder, die limonade inschonk; „ze zullen ook wel dorst hebben.”„Henkie! Bra-am!” riep Bep zoo hard ze kon, onder ’t loopen.„Ja-a! Kom eens kijken!” klonk het terug.Henk stond voor de waranda en zwaaide met zijn armen. „Toe dan, Bep!”„Ja, wat is er? Hoe vindt je mijn muizen?”Bram kwam ook uit de kamer en trok een gewichtig gezicht zoo gauw Bep bij hen was.„Ik vind, dat uw muizekindertjes erg wit zien, Mevrouw. Ik ben de dokter, weet u en ’k zeg al tegen Meneer Henk, dat ze zeker niet genoeg in de lucht komen. Ze moeten elken dag noodzakelijk een wandelingetje doen.”„Ja,” zei „Meneer” Henk, proestend van ’t lachen; „ik heb maar dadelijk gedaan wat de dokter zei en de muizekindertjes vonden ’t erg prettig.”Bep keek angstig van den een naar den ander.„Wat hebben jullie met mijn muisjes gedaan? Waar is de flesch?”„O, Mevrouw, hun bedjes zijn netjes opgemaakt,” begon Bram, maar Bep duwde hem op zij en liep naar binnen, naar ’t tafeltje, waarop de stopflesch stond.De muizen waren niet te zien.Eerst dacht Bep nog, dat ze onder ’t zaagsel waren gekropen, maar neen, ze waren niet meer in de flesch.„Waar zijn mijn muisjes? ’t Is jullie schuld, dat zeweg zijn,” riep ze half schreiend uit. „Nare jongens!”„Hè, wat flauw om dadelijk te huilen,” zei Henk en trok Bep mee naar buiten. „De dokter wou immers, dat ze een wandelingetje gingen doen? Kijk, dáár kuieren ze.” Hij wees naar boven, naar de kruin van den ouden, knoestigen appelboom en ja, daar wandelden Beps muisjes over de takken.Wandelden Beps muisjes over de takken.Wandelden Beps muisjes over de takken.Nu moest Bep toch door haar tranen heen lachen; ’t was ook zoo’n grappig gezicht!„Wat zijn ze al hoog,” riep Bram, die er ook bij kwam. „Hoe krijgen we ze nu terug?”Beps gezichtje betrok al weer en zeker zou ze erg aan ’t schreien zijn gegaan als Vader, Moeder en Oom er niet aan waren gekomen. Drie groote menschen er bij, dacht Bep, nù zouden de muisjes wel gauw gepakt zijn!Daar stonden ze nu met hun vijven onder den boom. Bram klom er een eindje in en schudde aan de takken, maar de muizen waren vlugger dan hij.„Neen, jongen, zoo krijg je ze niet,” zei Oom; „wacht, ik weet iets!”Op een draf liep hij naar ’t schuurtje, waar het tuingereedschap werd geborgen en kwam weldra met een appelplukker terug. Nu moest Bram uit den boom komen; Oom ging er onder staan en toen heel, heel voorzichtig, ving hij de muisjes één voor één met den appelplukker.Was dàt niet mooi?—Maar ’t mooiste is nog, dat ’t heusch gebeurd is van dien appelplukker, die, in plaats van appels,muizenuit den boom moest halen——Bep heeft ’t me zelf verteld.Met een appelplukker terug.Met een appelplukker terug.

Bep hield veel van dieren. Ze had een hondje, een poes, konijntjes, duiven, en—nu kreeg ze er nog zeswitte muizen bij van Oom Kees. In een spanen doos met gaatjes in het deksel, had Oom, die in de stad woonde, ze met den bode meegegeven.

Hadden de muizen veel bekijks.Hadden de muizen veel bekijks.

Hadden de muizen veel bekijks.

Dat was een grappig pakje! Moeder keek eerst niet heel blij naar de nieuwe huisgenootjes; ze vond muizen naar en dacht, dat ze ’t overal erg vuil zouden maken, maar—er was nog geen week voorbij of Moeder had al evenveel schik als Vader en Bep aan de vlugge, witte diertjes, die zoo slim uit hun roode oogjes keken. De groote stopflesch, waarin ze woonden, mocht zelfs in de huiskamer blijven staan.

In ’t begin hadden de muizen veel bekijks. Bep bracht telkens vriendinnetjes mee naar huis, die, net als Moeder, eerst maar niet wilden gelooven, dat witte muizen veel aardiger zijn dan gewone grijsjes, en op een mooien Woensdagmiddag kwam Oom Kees zelf met zijn jongens uit de stad, om ook eens naar zijn „cadeautje” te zien. Bep had juist les bij haar handwerkjuffrouw aan huis en zag Oom met Bram en Henk voorbij fietsen. Gelukkig, dat het uur al bijna om was; ze verlangde er zoo naar hem de muizen te laten kijken!

Met den kruideniersjongen te praten.Met den kruideniersjongen te praten.

Met den kruideniersjongen te praten.

Zou Oom wel kunnen zien, dat ze gegroeid waren? Bep dacht van wel; ze had haar muisjes altijd volop eten gegeven. Prettig, dat ze de flesch juist schoon hadgemaakt; frisch zaagsel, om er ’s nachts onder te kruipen, was er ook in. Oom zou wel schik hebben, omdat de muisjes ’t zoo best hadden!

Toen de les uit was, bleef Bep niet, zooals anders, met de juffrouw babbelen; ze liep in één vaart naar huis.

Mietje stond aan de deur met den kruideniersjongen te praten.

„Raad eens wie er gekomen zijn, Bep?”

„Dat weet ’k al lang! Oom en de jongens. Waar zijn ze, Mietje?”

„In den tuin, bij de rozen.”

Bep er ook heen. Ze nam den kortsten weg, door de keuken. „Dag Oom Kees! Dag Oom! Hebt u mijn muizen gezien? Vindt u ze niet groot? Waar zijn de jongens?—U blijft toch tot vanavond laat, hè Oom?”

Oom Kees, die met Vader en Moeder in ’t rozenpriëel zat, begon te lachen. Zooveel vragen op eens.

Dat uw muizekindertjes erg wit zien.Dat uw muizekindertjes erg wit zien.

Dat uw muizekindertjes erg wit zien.

„Ja Beppie,” zei hij, „de muizen zijn flink gegroeid; je hebt er best op gepast. De jongens vinden ze ook zooaardig. Ze zijn net weer naar binnen geloopen, om ze nog eens te bekijken.”

„Roep Henk en Bram maar hier,” zei Moeder, die limonade inschonk; „ze zullen ook wel dorst hebben.”

„Henkie! Bra-am!” riep Bep zoo hard ze kon, onder ’t loopen.

„Ja-a! Kom eens kijken!” klonk het terug.

Henk stond voor de waranda en zwaaide met zijn armen. „Toe dan, Bep!”

„Ja, wat is er? Hoe vindt je mijn muizen?”

Bram kwam ook uit de kamer en trok een gewichtig gezicht zoo gauw Bep bij hen was.

„Ik vind, dat uw muizekindertjes erg wit zien, Mevrouw. Ik ben de dokter, weet u en ’k zeg al tegen Meneer Henk, dat ze zeker niet genoeg in de lucht komen. Ze moeten elken dag noodzakelijk een wandelingetje doen.”

„Ja,” zei „Meneer” Henk, proestend van ’t lachen; „ik heb maar dadelijk gedaan wat de dokter zei en de muizekindertjes vonden ’t erg prettig.”

Bep keek angstig van den een naar den ander.

„Wat hebben jullie met mijn muisjes gedaan? Waar is de flesch?”

„O, Mevrouw, hun bedjes zijn netjes opgemaakt,” begon Bram, maar Bep duwde hem op zij en liep naar binnen, naar ’t tafeltje, waarop de stopflesch stond.

De muizen waren niet te zien.

Eerst dacht Bep nog, dat ze onder ’t zaagsel waren gekropen, maar neen, ze waren niet meer in de flesch.

„Waar zijn mijn muisjes? ’t Is jullie schuld, dat zeweg zijn,” riep ze half schreiend uit. „Nare jongens!”

„Hè, wat flauw om dadelijk te huilen,” zei Henk en trok Bep mee naar buiten. „De dokter wou immers, dat ze een wandelingetje gingen doen? Kijk, dáár kuieren ze.” Hij wees naar boven, naar de kruin van den ouden, knoestigen appelboom en ja, daar wandelden Beps muisjes over de takken.

Wandelden Beps muisjes over de takken.Wandelden Beps muisjes over de takken.

Wandelden Beps muisjes over de takken.

Nu moest Bep toch door haar tranen heen lachen; ’t was ook zoo’n grappig gezicht!

„Wat zijn ze al hoog,” riep Bram, die er ook bij kwam. „Hoe krijgen we ze nu terug?”

Beps gezichtje betrok al weer en zeker zou ze erg aan ’t schreien zijn gegaan als Vader, Moeder en Oom er niet aan waren gekomen. Drie groote menschen er bij, dacht Bep, nù zouden de muisjes wel gauw gepakt zijn!

Daar stonden ze nu met hun vijven onder den boom. Bram klom er een eindje in en schudde aan de takken, maar de muizen waren vlugger dan hij.

„Neen, jongen, zoo krijg je ze niet,” zei Oom; „wacht, ik weet iets!”

Op een draf liep hij naar ’t schuurtje, waar het tuingereedschap werd geborgen en kwam weldra met een appelplukker terug. Nu moest Bram uit den boom komen; Oom ging er onder staan en toen heel, heel voorzichtig, ving hij de muisjes één voor één met den appelplukker.

Was dàt niet mooi?—Maar ’t mooiste is nog, dat ’t heusch gebeurd is van dien appelplukker, die, in plaats van appels,muizenuit den boom moest halen——Bep heeft ’t me zelf verteld.

Met een appelplukker terug.Met een appelplukker terug.

Met een appelplukker terug.


Back to IndexNext