De Hollandsche Werkmeid.

De Hollandsche Werkmeid.Onder de zoodanige typen, welke men alleen op Hollandschen bodem ontmoet, en welke mitsdien in een galerij als deze niet kunnen gemist worden, komt voorzeker een eereplaats toe aan de HollandscheWerkmeid. Ook zij heeft recht om op te treden, als vertegenwoordigster van ons zedelijk volkskarakter, en biedt ons in haar bedrijf twee eigenschappen aan, welke van oudsher die van onze natie zijn geweest: werkzaamheid en zindelijkheid.Van de eerste dier eigenschappen behoeven wij niet te spreken, noch zelfs haar aanwezen bij de Werkmeid te betoogen, daar zij reeds in den naam zelven ligt opgesloten enluie Werkmeideen anomalie, eencontradictio in adiectozoude wezen. De dienstmaagd, waar wij van spreken, heetWerkmeid, omdat zij is aangenomen omwerkte doen, en dus niet verondersteld kan worden anders dan werkzaam te zijn. Is zij dit niet, dan valt zij zoomin onder onze beschouwing, als een knaap, die niet rijden kan, in een werk van Engelsche typen, onder de rubriek Jockey zoude kunnen bedoeld worden.Zij is duswerkzaam,—en het doel van haar werk is—aan al wat zij aanraakt een knap en helder voorkomen te geven. De zindelijkheid, waarvan zij de type is, moet dus minder beschouwd worden als een aangeboren hoedanigheid, als een deugd, welke haar versiert, dan wel als een gevolg van haar bestemming; men prijst in de Werkmeid niet zoozeer haar zindelijken aard, als het zindelijk werk, dat zij levert; en ten dezen opzichte vooral is zij een afschaduwing onzer Hollandsche natie.Immers, men moet zich van de Hollandsche zindelijkheid geen verkeerd denkbeeld voorstellen, noch er te luide op roemen, gelijk meermalen uit verkeerden trots gedaan wordt. Zindelijk was vanouds bij ons minder een deugd, dan een noodzakelijkheid, een voorwaarde van ons bestaan. In een vochtig klimaat als het onze zouden de planken spoedig wegrotten, de goten opgestopt raken, het water in de bakken bederven, de kelders vol paddestoelen, de zolders vol schimmel, de stoepen vol modder staan, indien men eens dorst afzien van dat aanhoudend schrobben en boenen en schuren en wrijven. Maar, heeft men die uiterlijke zindelijkheid van huis en huisraad dikwijls tot een belachelijk uiterste gedreven, men heeft van een anderen kant in ons land de zindelijkheid op zichzelvenmisschien te weinig toegepast: en niet geheel zonder grond beweren de Engelschen, ja zelfs de Franschen, dat zij van nature netter zijn dan wij. Wel zijn bij hen de huizen verveloos, de stoepen en gangen niet zoo blank geschuurd als bij ons, de trappen niet zoo zuiver van stof en smet, de koperen ketels niet zoo glanzend;—maar daarentegen zijn kapsel, baard, handen, nagels, ja het geheele lijf, meer dan bij ons, het voorwerp hunner bestendige zorg, en halen zij van verbazing de schouders op, wanneer zij vernemen, dat in de hoofdstad van Nederland slechts eene bad-inrichting kan bestaan, welke bij uitsluiting door reizigers, en door stedelingen niet als bij ordonnantie van den geneesheer, bezocht wordt.Maar, keeren wij tot onze Werkmeid terug. Zij is gehuurd om het huis met aanhoorigheden en meubelen schoon te houden, en deze bezigheid, welke zij in den aanvang louter als plicht beschouwt, gaat weldra bij haar tot liefhebberij, tot hartstocht over. Zie slechts, hoe zij, ondanks de barre winterkoude, reeds lang voor den dag het koesterende bed verlaat, om geknield voor den haard, die haar geen warmte geeft, de asch van den vorigen avond weg te ruimen en voorts, de kruimels, de pluisjes en todjes en al die andere naamlooze voorwerpjes, welke ook in het knapste huishouden zich over het vloerkleed verspreiden, op haar blik te vegen. Dit werk is volbracht: de stoffer wordt in haar half bevrozen handen door den wrijflap vervangen: en, nog altijd geknield, beijvert zij zich de plaat te schuren en aan het koper van kachel of vuurhaard den getaanden luister terug te geven. Eindelijk rijst zij op en verlaat het vertrek: nu worden de trap, de gang, de stoep, al de meest beloopen plaatsen, aangeveegd of gestoft. Zij treedt op de plaats, of bij gemis van die, op straat, met vloer- en gangmat: en de teenen klopper gaat klapperend op en neer. Nu moeten de kleeden er aan: een kameraad, of wel een gedienstige buurvrijster, door het geklop oplettend gemaakt, komt haar hulp bieden, en de kleeden worden uitgeslagen, onder een vrolijk gelach ten koste van den armen voorbijganger, die op zijn even te voren uitgeschuierde plunje een duim dik stof bekomt.Ziedaar, met het beddenopmaken en ruimen der slaapvertrekken, (voor zooverre dit ook tot de attributen der Werkmeid behoort) de bezigheid van het morgenuur: maar dit is slechts een voorspel van het eigenlijke werk, dat nu eerst beginnen zal. Elke kamer in het huis heeft haar beurt: ’t zij eens in de week, ’t zij om de veertien dagen: en naar die kamer begeeft zich thans de Werkmeid, als naar haar koninkrijk, waar zij oppermachtig heerscht, en, benevens haar, tocht en stof en theebladen en koude en ragebol en verwarring. Wee den onbezonnene, die het waagt er binnen te treden: met schrik zal hij terugdeinzen, bij het zien dier opeengestapelde stoelen, dier uit haar plaats verschoven tafels en kastjes, dier door elkander gehutselde boeken en papieren en sieraden ennondescripts: het is een chaos; maar, als de Werkmeid het vertrek weer verlaat, zal uit dien chaos alles schooner en heerlijker te voorschijn zijn gekomen.Maar wie de Werkmeid in haar volle kracht wil aanschouwen, wandele op een fraaien Zaterdag-morgen de Amsterdamsche hoofdgrachten langs. Dan staan alle voordeuren open, al wijst ook de thermometer 10 graden onder nul: dan stroomt het water bij emmers vol over stoep en gangen, al moest het zich terstond herscheppen in een vloer van ijs, waar het halve huisgezin op uitgleed en den hals brak: dan schijnt er aan het boenen en schrobben geen einde te zullen komen. En o! dan is zij heerlijk te aanschouwen, de Werkmeid, met haar blanke kornet, die echt nationale dracht, met haar geruit boezelaar, haar opgestroopte mouwen, haar witte kousen en hare holsblokken, welke juist de minst sierlijke deelen van haar lichaam aan het oog onttrekken: dan is elke beweging, welke zij aanneemt, geschikt om de vormen van haar kloeke gestalte voordeelig te doen uitkomen: ’t zij, dat zij den emmer in de eene hand dragende, de heup aan de tegenovergestelde zijde met zwier doet rijzen; ’t zij dat zij, voorover gebukt, de rokken tusschen de knieën geknepen houdt en tot model voor een studiebeeld verstrekt: ’t zij, dat de ronding van den arm bevallig uitkomt bij het hanteeren van den luiwagen: ’t zij eindelijk, dat zij den glazewasschersspuit, dat oorspronkelijk Hollandsch werktuig (hetwelk eens heel Bordeaux in opschudding bracht, toen een Hollandsche vrouw, welke zich aldaar had neergezet, het, benevens haar Werkmeid, met zich bracht), in handen neemt en het geheele lichaam zich (zooals Bilderdijk het ergens uitdrukt)Slingert en buigt en verwringt.Wat beklaagt men zich dan, dat er in onze voorname steden geene fonteinen zijn? ’s Zaterdags is elke burgwal, elke hoofdstraat een fontein, waar honderden stroomnajaden, niet van brons of marmer, maar vol kracht en leven, het water in sierlijke bogen naar boven persen, het met vrolijk geklater tegen de hooge glasruiten doen ruischen, en door de geheele buurt frischheid en koelte verspreiden.De Kruier van Amsterdam.Indien men zich buiten ’s lands het type van den echten Hollander voor den geest wilde brengen, dan stelde men zich de beeltenis voor van een wel doorvoeden burgerman, met een onbewegelijke tronie, driedubbele kin en vooruitpuilenden buik, het dikke hoofd met een pruik en punthoed bedekt, een korten broek, kuit- en schoengespen, en de onmisbare lange pijp in den mond, zittende aan een tafeltje, waarop een kwispeldoor, een glas jenever, een koopmansjournaal en eenige geldzakken, als passende zinnebeelden paradeeren.Wat mij betreft, ik wil tot type onzer natie een ander voorwerp kiezen, en haar voorstellen onder de gedaante van den eenigen man, die in onze verbasterde eeuw nog de hoedanigheden vereenigt en bewaart, welke aan onze voorouders eer, achting en rijkdommen hebben doen verwerven: in den Kruier van Amsterdam.Vlijt, bedaardheid, nauwkeurigheid, spaarzaamheid, zindelijkheid, matigheid, eerlijkheid vooral, ziedaar de deugden, welke onze natie van ouds gekenmerkt hebben: ziedaar de deugden, welke wij terugvinden in den man, wiens beschrijving wij ons hebben voorgesteld: de hoofdtrekken van zijn karakter, de voorwaarden van zijn bestaan. Men oordeele:De Kruier isvlijtig:—Men versta mij echter wel: hij loopt het werk niet na, noch dringt zijne diensten met onbescheidenheid op.—Neen! Ook hierin verloochent hij zijn landaard niet: men wachte zich ook, hem met den sjouwerman te verwarren; de man, dien wij bedoelen, is, in zijn stand, een deftig burger, die zijn fatsoen weet te bewaren: in zijn pothuis gezeten, wacht hij af, welke boodschappen zijne kalanten verkiezen hem op te dragen; maar ontvangt hij die,dan zijn zij ook dadelijk volbracht.De Kruier isbedaard: hij loopt, maar draaft niet; want hij weet, dat hij, na de boodschap, welke hij verricht, er nog vele andere zal te verrichten hebben: en hij wil zich niet buiten adem brengen of noodeloos vermoeien: is hij aan den mangel, aan de wasch, aan een verhuisboel werkzaam, hij volbrengt zijn plicht in stilte, en zonder noodelooze opschudding of beweging; hij stoeit en dartelt niet met de dienstmeisjes, waarmede zijn beroep hem in gedurige betrekking brengt, noch geeft aan de eene de voorkeur boven de andere; want hij weet, dat dit een bron is van nijd en van krakeel: en hij moet meesters en dienstboden beiden te vriend houden. Daarombehandelt hij de eersten met bescheiden eerbied, de laatsten met terughoudende minzaamheid, en het is veel, indien hij in het koffij- of etensuurtje zich een onschuldige boerterij veroorlooft.De Kruier isnauwkeurig: hij is een man van de klok, en op het bepaalde uur aanwezig, geen minuut vroeger of later. Geeft men hem een mondelinge boodschap, hij luistert met aandacht, en geen letter zal, bij het overbrengen, ontbreken. Heeft hij goederen te bezorgen, geen pakje, geen mandje, hoe klein ook, dat onder zijn waakzaam oog verloren gaat. Heeft hij zijn arbeid te verrichten in eene, te voren hem onbekende, woning, hij let op alles, slaat elke inrichting, elke gelegenheid gade, en kent, bij het uitgaan, het huis, de verdeeling der kamers, de plaats van elk meubelstuk zoo goed, als ware het zijn eigendom; want hij weet, dat hij er weer zal worden geroepen, en gebeurt dit, dan zal hij er thuis zijn, en zijn handen zullen niet verkeerd staan.De Kruier isspaarzaam: hij is het op zijn tijd; want ook hij weet, hoe kostbaar die is, en hoezeer het er op aankomt, daarmede te woekeren. Zijn hem vele, uiteenloopende boodschappen opgedragen, zijn geest heeft de woonplaatsen, de afstanden, dadelijk berekend: en alles wordt volbracht, zonder dat hij met terugloopen of heen en weer gaan een oogenblik verliest. Hij is spaarzaam op zijn woorden; want hij weet met Salomo, dat in de veelheid daarvan de overtreding niet ontbreekt. Daarom ook is hij een vijand van klappen en van uit het eene huis in het andere te praten, en het noodwendig vertrouwen, dat in hem gesteld wordt, te misbruiken. Maar ook met zijn verdiensten is de Kruier spaarzaam; want hij wil gaarne aan zijn kinderen een burger kapitaaltje nalaten: en dat moet hij met dubbeltjes bijeenkrijgen: hij doet dan ook geene noodelooze uitgaven; maar is zuinig op zijn dagelijksche en onveranderlijke plunje: alleen des Zondags, wanneer zijn bezigheden hem vergunnen, met de zijnen naar de kerk te gaan, toont hij zich, wel niet zwierig, maar toch netjes, ja deftig uitgedost.De Kruier iszindelijk: zijn linnen buis is altijd helder: zijn gelaat moge door de zon verschroeid zijn en zijn handen vereelt, maar geen van beide zijn immer zwart of onrein: en ook de teêrste pakketjes, de oprosepapier geschreven briefjes, kunnen veilig aan die handen worden toevertrouwd, zonder dat men vrees behoeft te voeden, dat eenige vlek of smet die zal bezoedelen.De Kruier ismatig: een dronken Kruier is iets onbekends. Moet hij niet eenmaal ’s jaars helpen verhuizen? Eenmaal ’s maands den mangel bestieren? Eenmaal ’s weeks mejuffrouws hondje dragen, als zij van haar salet komt? Viermaal ’s daags de kinderen naar en uit de school geleiden? En wie zoude zijn meubelen, zijn mangel, zijn hondje, zijn kinderen toevertrouwen aan iemand, die beticht kon worden, van zich slechts eenmaal aan sterken drank te buiten te zijn gegaan?—Neen de Kruier is als de vrouw van Cesar: op hem moet zelfs geen vermoeden rusten.Maar bij en boven dat alles, de Kruier iseerlijk. Waar treft men elders, ik zeg niet, in geheel Europa, maar in de geheele wereld,de stad aan, waar iemand, wie hij zij, burger of vreemdeling, aan een hem onbekenden man, dien hij te voren nooit gezien, van wien hij te voren nooit gehoord heeft, maar dien hij, op den hoek van de straat, uit zijn pothuis roept, een som gelds ter bezorging, een wissel ter ontvangst, een bankbriefje ter verwisseling kan toevertrouwen, zonder dat hij eenige vrees behoeft te koesteren voor schade of bedrog? En ziedaar, wat te Amsterdam dagelijks plaats heeft, zonder dat de ondervinding van achtereenvolgende eeuwen door een enkel voorbeeld heeft kunnen aanwijzen, dat er misbruik is gemaakt van het goede vertrouwen, in den Kruier gesteld.—Ook ten dezen opzichte heeft hij den roem volkomen gehandhaafd, door zijne natie verdiend.Eere den Hollandschen geest!Eere den Kruier!De Kweekeling voor de Zeevaart.Al had ook, na de roemrijke dagen van Willem den III, ons vaderland zich niet weten te handhaven in den rang, welken het onder de natiën van Europa bekleedde: al had het, bij zwakheid van bestuur, bij overvloed en weelde, de kracht, die naar buiten werkt, verloren: al voerden zijn legers in het veld, zijn gezanten aan de hoven, zijn vloten op den Oceaan niet meer dien toon van overwicht en gezag, waar vroeger koningen naar luisterden: toch toonde nog somtijds het door overdaad verslapte, door gebrek aan oefening versletene lichaam enkele oogenblikken, waarin de oude veerkracht scheen te herleven: flikkeringen, welke aan den glans van een schitterend verleden deden herdenken: phosphorische schokken, die nog voor een tijd lang de ontbinding tegengingen, schoon zij die niet wisten te voorkomen.Niet een echter van die verschijningen, welke getuigden, dat het levensbeginsel nog niet was uitgedoofd, deed, toen zij plaats vond, een treffender uitwerking dan de zeeslag bij de Doggersbank: een wapenfeit, door beide partijen met den, aan elk betwistbaren, naam van overwinning bestempeld, en dat, ofschoon het, als zoodanig, niet slechts geen beslissend voordeel, maar een materieel verlies met zich bracht, echter niet geheel zonder uitkomsten bleef. In de eerste plaats deed het zien, dat de naneven der Trompen en De Ruiters nog niet van hun voorgangers waren ontaard; en, dat, zoo onze zeemacht niet meer zoo geducht was als voorheen, de schuld daarvan althans niet bij het zeevolk moest gezocht worden. In de tweede plaats streelde het de eigenliefde der bevolking, welke in dit luisterrijk voorval den dageraad van een nieuw tijdperk, en niet het avondrood zag van een tijdperk dat eindigde: het wekte den nationalen trots uit zijn sluimering op, opende een blij verschiet voor velen, en deed aan de ouderen van dagen met meer gelatenheid het hoofd ter ruste leggen. Ten derde schonk het gelegenheid tot het aanrechten van prachtige maaltijden en blijde volksfeesten: tot het uitdeelen van eeredegens en medailles: tot het vervaardigen van fraaie vuurwerken en slechte verzen. Eindelijk, en dit was van al die resultaten het beste en duurzaamste: het gaf aanleiding tot het stichten van de Kweekschool voor de Zeevaart.In 1785 te Amsterdam opgericht uit het voordeelig saldo der tot aanmoediging van ’s Lands zeedienst bijeengebrachte gelden, weldraberoemd en bloeiend en aan haar doel voortreffelijk beantwoordend, zag, tijdens de Fransche overheersching, en nauwelijks drie maanden na de viering van haar vijf-en-twintig-jarig bestaan, de Kweekschool haar vernietiging te gemoet: ja slechts de vaderlandsche trouw en het verstandig dralen van hen, die door hun betrekkingen in deze gebeurtenis gemoeid werden, hadden de wegvoering van haar fondsen naar Frankrijk verhinderd, toen de omwenteling van 1813 haar in het aanzijn behield. Gewis, het was een schoone dag, en die na achten twintigjaren nog levendig als de dag van gisteren voor mijn geheugen staat, die dag van 28 Februari 1814, waarop dat feest van herstel werd gevierd; die dag, waarop de man, aan wien de Kweekschool bijna alles verschuldigd was, de groote, de beroemde, de beminnelijke Van Swinden voor een luisterrijke schaar het woord voerde: waarop de Nederlandsche vlag het scheepje op het binnenplein weder versierde: waarop één gevoel van herademing en vreugd en dankbaarheid allen vereenigde.Aan het uiteinde van den Buitenkant, met het uitzicht op de Landswerf en het Oosterdok, verheft zich de gevel van het gebouw, waarin voortdurend ruim honderdvijftig knapen tot de zeevaart worden opgeleid. Maar niet allen zijn tevens in het gesticht aanwezig: een derde heeft reeds de theorie met de praktijk verwisselt en oefent zich op de verre baren in die stuurmanskunst, welke hun eens een bestaanmiddel moet opleveren. Doch, hoe verwijderd ook, zij zijn de zorg, de aandacht van het Bestuur der inrichting niet ontgaan; want zij zijn slechts afgereisd om terug te keeren, om zich weder onder de schooltucht te begeven, om verdere opleiding te erlangen: en het is slechts na de tweede reis volbracht, of een achttienjarigen ouderdom bereikt te hebben, dat de onmiddellijke zorg, maar niet de voortdurende belangstelling van dat Bestuur hun ontgaat.De Kweekeling, wel gekleed, wel gevoed, in gezonde en nuttige lichaamsbewegingen geoefend, in al wat hem dienstig kan zijn onderwezen, niet geplaagd met onnoodig onderwijs, geniet een gelukkig lot: één voorrecht vooral heeft hij boven zijn tijdgenooten, en dit stelt hij zeer op prijs.Hunvooruitzicht, immers van de zoodanigen als een wetenschappelijke opleiding genieten, is onbestemd en onzeker:zijweten niet, of jaren van arbeid en geduld hen ooit aan den kost zullen helpen: of zij zich niet, na lang zwoegens, met een sobere hulppredikersplaats, een onderwijzerspostje aan een instituut, een praktijk, die geen brood geeft, of een mager ambtje, waarbij al het geleerde niets baat, zullen moeten vergenoegen. Niet zóó de Kweekeling: hij weet, dat, als hij zijn driejarigen cursus behoorlijk heeft doorloopen, hij dadelijk met nut voor zich zelven en voor anderen, zal kunnen werkzaam zijn. Wel paait de toekomst hem met geene hersenschimmen, welke de wezenlijkheid zoo treurig teleur stelt: wel acht hij (daar, sedert de instelling van het Instituut te Medemblik, de Kweekschool uitsluitend tot de koopvaardij opleidt) zich niet langer geroepen om een De Ruiter te worden: maar een stuurmans-, een schippersplaats, ’t zij aan boord van eenKoopvaarder, ’t zij in dienst der Koloniale Marine, ’t zij in die der Indische reederijen, een eerlijk bestaan in één woord, dat mag hij toch zonder te hooggespannen verbeelding als een bereikbaar doel beschouwen. Vrijwillig (want dit is een voorwaarde zijner plaatsing), de Zeevaart tot zijn bedrijf gekozen hebbende, is hij reeds zeeman op de school: hij draagt het zeemanspak, eet als zeeman aan den bak, slaapt als zeeman in de hangmat, klimt als zeeman in het want, leert als zeeman zeilen aanslaan en reven, het schip op- en onttakelen, het touwwerk kennen, behandelen, splitsen, knoopen, in één woord, hij mist van het zeeleven alleen de zee zelve en haar gevaren. En is hij eenmaal aan boord, dan zal hij die gevaren niet als onbekende schrikbeelden, maar als de noodwendige volmaking zijner opvoeding beschouwen.De slechte Maaltijd.Een ware gebeurtenis.Niemand is er, of hij kent de fabel van den Vos en den Ooievaar en de grappige wijze, waarop de langgebekte vogel den listigen Reijnaert het slechte onthaal betaald zette, dat hij bij dezen genoten had. Nimmer misschien werd deze fabel op een meer krachtige wijze verwezenlijkt, dan bij gelegenheid van het voorval, mij onlangs door een geachten vriend verhaald. Zijne waarheidsliefde staat mij borg voor de echtheid van het verhaalde ’t welk ik, tot in de kleinste bijzonderheden uit zijnen mond heb opgeschreven en merkwaardig genoeg acht om mede te deelen.Het was, zeide mijn vriend, in den nazomer van 1815, dat ik mij te Aken bevond, om aldaar, door het gebruik der baden, van een zware rheumatische ongesteldheid, welke mij het gebruik mijner beenen schier geheel ontnomen had, te herstellen. De beroemde Keizersstad was te dien tijde opgepropt van Pruisische, Russische en andere officieren der Gealliëerden, die er deels in garnizoen lagen, deels de vermoeienissen van den grooten krijgstocht tegen Napoleon in blijde ledigheid kwamen vergeten. Gelijk doorgaans geschiedt hokten de krijgslieden van denzelfden landaard en van hetzelfde korps bij elkander, en vandaar was elk hotel tot een soort van hoofdkwartier herschapen, waarin men de zeeghafte vertegenwoordigers van dezelfde natie dagelijks bij elkander aan detable d’ hôteontmoeten kon. Zoo verzamelden zich tegen het middaguur de Pruisische officieren bij uitsluiting in het hotel van Mad. D., waar ik mijn intrek genomen had, en dag aan dag, wanneer de etensbel luidde, hoorde ik hunne sabels tegen de trappen kletteren en zag ik hen een voor een, slank van leest, maar stijf als harken, met hunne prachtige uniformen, en hoog opgekrulde snorrebaarden, de groote zaal binnentreden en zich aan den langen disch scharen, waar zij als meesters regeerden. Ik zeg: als meesters; maar ik had moeten zeggen als dwingelanden; immers, onverdraaglijk was het despotismus, ’t welk zij aan de vroeger zoo gezellige en zooveel verscheidenheid aanbiedende tafel van Mad. D. uitoefenden. ’t Zij dat de roem, in de vlakte van Waterloo en in zoo menig anderen veldslag behaald ende daarop gevolgde zegevierende tocht naar Parijs hun krijgsmanstrots ten top had gevoerd, ’t zij, dat hunne militaire opvoeding en het gemis van vroegtijdig gemeenzamen omgang met menschen van andere natiën en standen (een onvermijdelijk gevolg van lange jaren van oorlog), min gunstig op hen gewerkt had, zij waren zoo geheel met hun krijgsmansstand en verworven glorie ingenomen, dat zij niemand dan die als zij, den militairen rok droeg, aan den disch, welken zij met hunne tegenwoordigheid vereerden, wilden dulden. ’t Is waar, zij gingen niet zooverre, dat zij hem, die in burgerkleeding aan de publieke tafel verscheen, met geweld verdreven, maar de wijze van uitsluiting was wellicht nog hatelijker. De arme dischgenoot, die het voorrecht niet bezat van een uniform te dragen, mocht zich vrij aan de etenstafel plaatsen, hij kon verzekerd zijn, even hongerig en dorstig weder op te staan, als hij bij zijne komst was geweest: de bedienden toch hadden in last, op straffe der hooge ongenade van de heeren Pruisen, hem niet éénen schotel aan te bieden, hem, zoo hij zelf iets op zijn bord nam, dat bord terstond te ontnemen, en op zijn vragen naar een flesch wijn geen acht te slaan. Toonde deze of gene min geduldige gast zich over deze behandeling ontevreden, of begon hij te reclameeren, niemand stoorde zich er aan: en beklaagde hij zich op eenigszins luidruchtige wijze, terstond waren er tien, twaalf zijner krijgshaftige buren gereed, twist met hem te zoeken, en hem door hunne gebaren te toonen, dat hij slechts de keuze had tusschen een spoedigen aftocht of een tweegevecht met het halve korps. Het spreekt van zelf, dat weldra niemand, die niet tot de geprivilegieerde kaste behoorde, zich meer aan de tafel van Mad. D. vertoonde, en dat de tegenwoordigheid van dames althans geheel buiten kwestie was. Zelfs zoodanige vreemdelingen en badgasten als in het hotel logeerden, wilden zich of de hunnen aan geene beleedigingen wagen, en gingen buiten af hun middagmaal zoeken. Vergeefs waren de vertoogen van Mad. D. bij de Pruisische officieren, wier systema van uitsluiting haar niet slechts van de voormaligehabitué’s, maar van lieverlede van alle vreemde gasten beroofd en daardoor een aanzienlijke winstderving veroorzaakt had. De heeren bleven hardnekkig hun beginsel volhouden.Ik was de eenige, wien hun banvloek niet getroffen had. De omstandigheden, dat ik reeds voor hun komst de tafel bezocht, en hen daar als ’t ware ontvangen had, maar vooral mijn hulpelooze toestand, had hun ten mijnen behoeve eene gunstige uitzondering doen maken. Ook was ik in den aanvang, en eer nog de maatregel zoo scherp werkte, met enkelen hunner in kennis geraakt en men beschouwde mij, om zoo te zeggen, als boven de wet. Intusschen, deze zelfde gunst mij betoond, moest een menschenleven kosten.Onder andere verdienstelijke vreemdelingen, die zich op dat tijdstip te Aken bevonden, had ik kennis gemaakt met zekeren Klein, Adjudant van den Generaal Wittgenstein, en Officier bij de Keizerlijk-Russische Garde. Ofschoon in den regel niet dan leden van adellijke familiën bij dat wapen werden aangenomen, en Klein eenvoudig de zoon was van een koopman uit Riga, was er ten zijnen opzichtevoor ’t eerst, zoo ik meen, eene vereerende uitzondering gemaakt, en zoude hij zich met recht hebben mogen verhoovaardigen op eene onderscheiding, welke hij niet aan geboorte of voorspraak, maar aan zijne zeldzame verdiensten te danken had. Intusschen, de voorspoed had hem niet ijdel of trotsch gemaakt: ja zelfs, terwijl de meeste andere officieren er prijs op stelden, om in hunne uniformen te pronken, droeg hij het krijgsmansgewaad niet dan wanneer de dienst zulks voorschreef, en vertoonde hij zich liefst in een eenvoudigen, maar keurig netten zwarten rok, met pantalon, zijden vest en kousen van dezelfde kleur; en, daar zijne tengere gestalte, een zacht blauw oog, en een blankheid, welke eene jonge juffer zoude benijd hebben, hem alles behalve een krijgshaftig uitzicht gaven, zoude men hem allicht voor een jongen geestelijke hebben kunnen aanzien, had niet zijn uitgeplooide jabot, zijn lange witte das, met een schitterende juweelen speld op het hemdslinnen vastgemaakt, en de keurig gewerkte gouden kuit- en schoengespen hem eerder het voorkomen van een gezantschaps-secretaris of auditeur gegeven. Aan hoogst beschaafden toon en manieren paarde Klein een grondige kennis, welke zich niet slechts tot het vak, waarin de omstandigheden hem gebracht hadden, bepaalde, maar wezenlijk algemeen mocht genoemd worden. Zijne conversatie was altijd aangenaam en meestal leerzaam tevens, want hoe jong hij nog wezen mocht (hij telde toen even vijf en twintig jaren), hij had veel gezien en bijgewoond, en het tijdperk, dat hij beleefd had, was meer dan eenig ander vruchtbaar in rijke en groote gebeurtenissen, en wel geschikt om aan menigen jongeling grootere ondervinding mede te deelen, dan in gewone dagen zelfs grijsaards kunnen verwerven. Maar in alle tijden zoude Klein, met zijn vlug verstand, veel omvattende kunde en beminnelijke hoedanigheden, zich de achting en vriendschap verworven hebben van al, wie zijn omgang mocht genieten. Wat mij betrof, die toen nog eenige jaren jonger was dan hij, ik stelde er hoog belang in, zijne kennis aan te kweeken, en was niet weinig trotsch op de welwillendheid, welke hij mij bewees. Meermalen toch, wanneer ik, na het gebruiken van het bad, op mijne gewone plaats in ’t zonnetje gezeten was en de meer gelukkigen dan ik, als bonte vlinders voor mij heen en weer zag wandelen, gebeurde het, dat hij zich van de uitgelezenste en aanzienlijkste gezelschappen afscheidde, om zich naast mij neder te vlijen, en een uurtje met mij, armen verlamde, te keuvelen.Eens had ons onderhoud zich zoo lang uitgestrekt, dat alleen de verschijning der draagstoel, welke mij naar mijn logement terug moest brengen, ons herinnerde, dat het tijd was te scheiden.—„Kom!” zeide hij met een minzamen lach, „ik heb u heden wat laat opgehouden, en ons onderwerp is nog lang niet uitgepraat. Wat dunkt u, indien wij het morgen aan tafel voortzetten?”„Ik verlang niets liever,” was mijn antwoord: „maar daar ik te weinig mobiel ben om mij naar uw kwartier te verplaatsen, zult gij mij het genoegen dienen te doen, van mijn gast te wezen.”„Met genoegen,” zeide hij; „waar eet gij?”„Aan mijn hotel, bij Mad. D., klokke één uur.”„Ik zal er zijn,” hernam hij, mij de hand tot afscheid gevende; „sans adieu, tot morgen.”„Maar ééne zaak moet ik u verzoeken,” zeide ik, mij de gewoonte mijner dischgenooten herinnerende; „vergeet niet, in monteering te komen.”„In monteering? en waarom dat?” vroeg Klein, met dezelfde woorden, welke Almaviva tegen Figaro bezigt.„Omdat mijn Pruisische tafelvrienden ongaarne iemand toelaten, die alsPekingekleed is, en gij u wellicht onaangenaamheden op den hals zoudt halen.”„Bah!” riep Klein, met een gullen glimlach, doch waarin iets ongeloovigs gemengd was; „gij weet,” vervolgde hij, na een oogenblik zwijgens, „dat ik niet van dien onnoodigen opschik houd.”„’t Is waar,” hernam ik: „maar zonder u eenige les te willen geven, ’t geen mij zeer slecht passen zou, wat hebt gij er aan, om.... om....”„Om ruzie te zoeken, meent gij,” viel Klein in, ziende dat ik eene uitdrukking poogde te vinden, welke hem niet kwetsen mocht, „wees gerust, ik heb nog nooit ruzie gezocht, maar evenmin zie ik reden om van mijn vrijheid afstand te doen en van toilet te veranderen ter voldoening aan de grillige luim uwer dischgenooten. Nogmaals, tot morgen.”Na dit afscheid kon er wel geen twijfel meer bij mij bestaan, dat Klein besloten had, zich aan de gedane waarschuwing niet te storen, het interdict, door de Pruisen tegen alle burgerkleeding uitgesproken, te trotseeren, en er de gevolgen van af te wachten. Evenmin twijfelde ik aan den moed van mijn Rigaschen vriend: ik was overtuigd dat hij zich niet straffeloos zoude laten beleedigen, en niet zonder bezorgdheid zag ik den uitslag van een hoogstwaarschijnlijk tweegevecht te gemoet; want hoe wakker, vlug en behendig Klein ook wezen mocht, hij scheen mij toch bij lang niet opgewassen tegen de ijzervreters, die zich aan detable d’ hôtevereenigden.Den volgenden dag verbeidde ik dan ook zijne komst met die koortsachtige nieuwsgierigheid, welke zich van ons meester maakt zoo dikwerf een belangrijke doch hachelijke gebeurtenis op handen is. Somtijds wenschte ik wel, dat ik de uitnoodiging niet gedaan had, of dat het een of ander toeval mijn vriend verhinderen mocht daarvan gebruik te maken; maar spoedig maakte die opwelling weder plaats voor het verlangen, om te weten op welke wijze hij zich zoude gedragen in de moeilijke positie, welke hem te wachten stond.Het etensuur naderde. Reeds had ik een geruimen tijd op mijne, door ancienniteit verworven, plaats aan het boveneinde der tafel gezeten: reeds begon zich de eene snorbaard na den anderen in de eetzaal te vertoonen, de pijpen werden al weggezet en de vluchtig in de hand genomen dagbladen op zijde geworpen: de eene stoel voor, de andere na, werd door zijn gewonen bezitter ingenomen; alleen die naast mij leunde nog voorover tegen de tafel, ten teeken dat zij besproken was, en ik begon reeds mij zelven af te vragen, of Klein ook bij nadere overdenking, beter geacht had niet te komen. Daar ging de etensbel! Ieder zette zich; de kelners rukten aan met de kokende soep—en ziet: onmiddellijk achter hen, trad mijn vriendde zaal in, zoo net alsof hij uit een doosje kwam, doch, gelijk ik trouwens verwachtte, in een kleeding, waaronder Lavater zelf geen krijgsman herkend zou hebben.Daar, gelijk ik reeds zeide, mijne plaats aan het hooger einde der vrij lange tafel was, moest Klein die geheel langs loopen om naast mij te komen, en kon zijn verschijning des te minder onopgemerkt blijven. Ik merkte dan ook dadelijk op, hoe menige wenkbrauw zich fronste, hoe menige zijdelingsche wenk door de officieren onderling gewisseld en menige glimlach over de aanstaande pret, welke men zich voorstelde, ter nauwernood werd onderdrukt. Klein was intusschen den afstand, die de deur van mijn plaats scheidde, met een bedaarden tred ten einde geloopen, de aanwezigen nu en dan met een bescheiden en minzame hoofdbuiging groetende. Alleen trof het mij, dat de uitdrukking der helderblauwe oogen, welke hij in ’t voorbijgaan op hen richtte, hoe beleefd ook, toch iets onderzoekends had, als wilde hij zich vergewissen met welk slag van menschen hij zou aanzitten.Recht tegenover mij was zekere ritmeester Voss gezeten, een krachtig gespierde forsche krijgsman, met een gelaat of het uit brons gegoten was, en knevels van eene buitengewone lengte en breedte: een man, die altijd en bij alle gelegenheden het hoogste woord voerde, die meer dan een zijner kameraden het stelsel van uitsluiting tegen allePekinshad doorgedreven, wien de uniform aan ’t lijf gegroeid scheen, zoodat het mij niet verwonderd zou hebben, indien mij verhaald ware geweest, dat hij er in sliep;—in ’t kort, een sprekend tegenbeeld van mijn vriend Klein. Aan de table d’hôte oefende hij de volkomenste heerschappij uit; want geen zijner medeofficieren was er op gesteld met hem in twist te raken: de bedienden sidderden voor hem en vlogen op zijn wenken; het was dan ook die man, van wien ik verwachtte, dat het sein zoude gegeven worden om mijn armen vriend de stoutheid in te peperen, waaraan hij zich had schuldig gemaakt.Ik bedroog mij niet. Nauwelijks had Klein mij de hand gedrukt en plaats genomen, of de ritmeester Voss zag den Oberkelner aan en wierp toen, schoon bijna onmerkbaar, een zijdelingschen blik op den nieuw aangekomen gast. Die wenk, hoe snel ook gegeven, was echter bemerkt en begrepen geworden, zoowel door hem, tot wien hij gericht was, als door hem, die er het slachtoffer van wezen moest. De soep werd gediend: ik bekwam het eerste bord: mijn buurman werd overgeslagen: ik bood hem mijne portie aan; doch nauwelijks had hij er zijn lepel in gedoopt, of, op een nieuwen wenk van Voss, nam hem een knecht het volle bord voor den neus weg. Gelijk met de soep, zoo ging het met het vleesch, met de groenten, met de pudding, in ’t kort, met alles; en slechts bij toeval, of wanneer deze of gene kelner wat onhandig was in ’t snel verruilen der borden, kon het Klein gelukken een mondvol van het een of ander behouden binnen te brengen. Gewis had Sancho op het eiland Barataria geen zoo slechten maaltijd gedaan als nu mijn vriend, die niet eens, als Sancho, den troost had, dat de genomen maatregel uit zorg voor zijn gezondheid plaats had.In weerwil dier teleurstelling, of wel misschien, omdat hij voorzien had, wat er gebeuren zoude, en het slechte maal, dat hij genoot, dus niet als teleurstelling beschouwde, bleef Klein bedaard en zelfs even opgeruimd als altijd, onderhield zich met mij over de nieuwtjes van den dag, en gedroeg zich, zoolang de maaltijd duurde, als bemerkte hij niets van de tegen hem in ’t werk gestelde uithongeringsmaatregelen. Met nieuwsgierigheid sloegen zijn overburen hem gade; maar de schijnbare onverschilligheid, welke hij voorwendde, strekte slechts om hen des te feller te maken in den oorlog, welken zij aan zijn maag hadden verklaard. Ik had een flesch Rudesheimer besteld; maar na lang toeven kwam de kelner, aan wien zeker de ritmeester Voss zijn les had voorgezegd, mij in ’t oor fluisteren, dat de dokter mij den wijn verboden had (’t geen ook waar was), „en aan dien heer ook,” voegde hij wat luider, met een half lachend, half benauwd gezicht er bij.—„Welnu! dan zullen wij water drinken,” zeide Klein met den goedhartigsten glimlach van de wereld: en zette terstond het gesprek weder voort over onverschillige dingen.Zoo duurde het tot het nagerecht op tafel was, en Klein als door tooverij de onder zijn bereik staande schaaltjes in een oogenblik door de vaardigheid zijner buren van peren, pruimen, abrikozen en wat er verder geschaft was, ontledigd zag. Toen eerst stond hij op, nam mij bij de hand en beet mij zachtjes toe: „ik heb van middag slecht gegeten, maar die man daarover (hier wees hij op den ritmeester Voss), zal morgen nog een slechteren maaltijd hebben, en op zijn nagerecht zal hij zich althans niet beroemen. Wees zoo goed en bewaar mij morgen deze zelfde plaats.”—Dit gezegd hebbende, vertrok hij, in ’t heengaan even kalm en vreedzaam rondziende en even bescheiden groetende, als hij bij ’t komen gedaan had.„Ik denk niet, dat wij spoedig de eer zullen hebben uw vriend weder hier te zien!” riep, zoodra Klein verdwenen was, de Pruisische ritmeester mij over tafel toe, terwijl hij zijn grootenMeerschaumstopte.„Integendeel, Ritmeester!” antwoordde ik; „ik wacht hem morgen weer terug.”„Verd....! dan heeft de man courage en is met weinig tevreden,” hernam Voss. „Wat mag de vent zijn? zeker een Commis-voyageur of een gouverneur bij eene adellijke familie?”„Ik heb u gezegd, dat hij morgen terugkomt, Ritmeester,” zeide ik droogjes weg, „dan kunt gij het hem zelf vragen.—Tot de eer van u weder te zien.”En meteen liet ik mij uit de zaal en naar mijn kamer rollen, met nog meerder ongeduld dan te voren den volgenden dag afwachtende.Wederom was de disch gespreid: wederom waren de gasten om de tafel vergaderd: wederom luidde de etensbel en wederom trad Klein de zaal binnen; maarquantum mutatus ab illo!Niet meer in de eenvoudige burgerkleeding van den vorigen dag verscheen hij thans, maar in de prachtige, met goud gestikte en geborduurde rusting van zijn rang, de hooggewelfde borst met ordeteekenen overladen, den zwaren pallas aan de zijde en den gordel met rijk gemonteerdepistolen voorzien. Achter hem volgden twee reusachtige, zwaargebaarde kozakken; met dezen onderhield hij zich een oogenblik, terwijl hij hen met den vinger op den ritmeester Voss wees, en stapte toen, de tafel langs, naar zijne zitplaats.„Wel!” zeide ik, „gij hebt het vandaag beter overlegd om goed bediend te worden.”„Stil!” zeide hij, een blik op onzen overbuurman werpende, „en let op het diner van den Ritmeester. Kelner! een bord soep en een flesch bourgonje.”Deze reis toonden zich de knechts even gedienstig als zij den vorigen dag onbeleefd waren geweest en zochten, door beleefde voorkomendheid jegens den Adjudant van generaal Wittgenstein, weder goed te maken wat zij tegen den onbekenden burgerman verkorven hadden. Maar minder lette ik hier op, dan op het kluchtige schouwspel, dat zich aan de overzijde vertoonde. Rechts en links achter den ritmeester Voss had zich een der kozakken geplaatst om den last uit te voeren, hun door Klein gegeven: een last, die in deze korte waarschuwing was vervat geweest: „Indien de ritmeester Voss een enkele bete of een enkele teug van wat het ook zij in den mond neemt, schiet ik u dood.”—Men kent de onbepaalde gehoorzaamheid, welke de Russen aan hunne superieuren bewijzen en bovendien, de kozakken zagen hun officier vlak tegenover zich, met twee geladen pistolen in den gordel, waarvan hij zich—ook dit wisten zij—bij de minste onachtzaamheid hunnerzijds, zonder complimenten bedienen zoude, om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen. Was het wonder, dat zij een streng toezicht hielden, en dat noch van de rechter-, noch van de linkerzijde een schotel onder het bereik des Ritmeesters kwam? Vergeefs zat deze zich te verbijten van woede: vergeefs riep hij de kelners een voor een bij name toe, om hem eten te bezorgen: de meesten hunner hadden te veel ontzag voor de norsche satellieten, die achter zijn zetel stonden, om zich in hunne nabijheid te wagen; en was er soms een, die, uit ouden eerbied voor den Ritmeester, aan de oproeping gehoorzaamde en hem een bord met spijs voorzette, dan was het altijd weggehaald eer hij, voor wien het bestemd was, had kunnen zien wat het bevatte.Opmerkenswaardig voor ’t overige was de diepe stilte, welke aan de geheele tafel, bij de anders zoo luidruchtige gasten heerschte. Voorzeker had het hun geen moeite gekost zich te vereenigen en gezamenlijk de kozakken ter deure uit te werpen; maar het was, of de plotselijke verschijning van Klein allen, ik zeg niet met schrik geslagen, want het waren moedige kerels, maar in beelden veranderd had: zoo onbeweeglijk zaten zij hem en den Ritmeester aan te gapen. Gewis gevoelden zij het billijke der zonderlinge weerwraak, door den Rus genomen, en daar zij bijna zeker konden nagaan wat daarvan het gevolg zoude zijn, begrepen zij waarschijnlijk, dat het hun niet paste tusschenbeide te komen, maar dat zij het aan Voss moesten overlaten, zich de noodige voldoening te verschaffen.Wat Klein betrof, deze haalde zijn schade in van den vorigen dag, at en dronk voor vier en onderhield zich met mij over onverschilligezaken, op even vroolijken en ongedwongen toon als anders, terwijl hij zich vergenoegde, nu en dan een blik op de kozakken te slaan, om zich te overtuigen, dat zij aan den hun opgedragen last voldeden. Eindelijk, toen het middagmaal was afgeloopen en het nagerecht stond te worden opgebracht, begreep hij dat het tijd werd om het koddige blijspel, tot nu toe gespeeld, te doen ophouden, en het treurspel te doen aanvangen. Hij rees overeind, en, Voss vlak in ’t aangezicht ziende: „heeft u de maaltijd wel gesmaakt?” vroeg hij hem overluid.„Schwernaut!” was alles wat de woedende Ritmeester kon uitbrengen, terwijl hij oprees, met de gebalde vuist op de tafel sloeg, en zijn gebronsd gelaat de kleur van rood koper aannam.„Ik ben thans bereid u het dessert toe te dienen,” hernam Klein, zich buigende en tevens een teeken aan de kozakken gevende, dat zij zich konden verwijderen.De Ritmeester antwoordde geen syllabe, maar greep naar zijn hoed en gaf een wenk, die zooveel wilde te kennen geven, als dat hij gereed was; waarna hij een der in zijne buurt zittende officieren op den schouder tikte. Deze begreep de zwijgende uitnoodiging, rees op en maakte zich gereed om mede te gaan.„Mijn getuige wacht ons reeds buiten,” zeide Klein: „derangeertu niet, mijne Heeren!” vervolgde hij tot de overige officieren, waarvan sommigen insgelijks onwillekeurig waren opgestaan. „Vaarwel! B.!” mij met een hoofdknik groetende, „ik ben terstond weder hier.”Met deze woorden vertrok hij, terwijl Voss en diens getuige hem onmiddellijk volgden. Ieder hernam zijn plaats en wachtte, terwijl men het nagerecht opbracht, met gespannen verwachting wat de uitslag wezen zoude van den kamp, die buiten plaats had.Geen tien minuten waren er verloopen, of Klein keerde, maar thans geheel alleen, terug. Aller oogen waren op hem gevestigd; maar zijn kalme en effene gelaatstrekken waren even ondoordringbaar als altijd. Intusschen, zijne terugkomst zelve zeide, na hetgeen voorgevallen was, reeds genoeg.Hij nam weder aan mijne zijde plaats, schonk zich in, at van de fruit, die hem werd aangeboden, en hervatte ons gesprek waar hij het had afgebroken, als ware er nooit een ritmeester Voss in de wereld geweest. Eerst des avonds, na zijn vertrek, vernam ik, ’t geen ik trouwens wel vermoedde, dat de Pruis, en wel op het eerste schot, levenloos gevallen was. Toen zijne makkers zich over het gebeurde bij den Veldoverste beklaagden, haalde deze de schouders op, zeide, dat Voss zijn verdiende loon ontvangen had en dat hij hoopte, dat het voorval ook hun tot les zoude verstrekken.Tweegevechten waren voor ’t overige te dien tijde zoozeer aan de orde van den dag, dat men spoedig de geheele gebeurtenis vergat, of er althans niet meer van gewaagde.Nog eenmaal, en wel op den volgenden dag, verscheen Klein aan detable d’hôtevan Mad. D.; doch deze reize wederom in burgerkleeding. Niemand kreeg in ’t hoofd hem in zijn maaltijd te storen.Maria van Bourgondië.Scheen er ooit een Vorstin door haar geboorte bestemd om een schitterende rol op het wereldtooneel te vervullen, dan was het gewis de dochter van Karel den Stoute. Andere rijken inEuropamochten het in uitgebreidheid van het zijne winnen: niet één was er, hetwelk zulk een keur van vruchtbare en door natuur of ligging bevoorrechte Vorstendommen, zulk een aantal groote, bevolkte en machtige steden, zulk eene menigte welgelegene havens, zooveel bronnen van welvaart, zooveel handel, nijverheid en landbouw vereenigde, als het gebied, dat hij door erfrecht verkregen, of door de wapenen aan zich onderworpen had. Tot dat gebied toch behoorden, behalveBourgondië, Fransch Comtéen de overige erflanden van het Bourgondische Huis, al de bezittingen, die vroeger, ’t zij aan de Hertogen vanBrabant, vanGelreen vanGulik, ’t zij aan de Bisschoppen vanLuiken vanUtrecht, ’t zij aan de Graven vanVlaanderen, vanHenegouwen, vanHolland, ’t zij aan de Heeren vanFriesland, vanMechelenen van zoovele andere landschappen of steden waren onderworpen geweest. En toch, toen de held, die geheelEuropamet den roem van zijn naam vervulde, toen de fiere en machtige Vorst, die reeds van een Koningskroon droomde, in den strijd voorNancygevallen was en zijn heerschappij aan zijn een en twintigjarige dochter overliet, kon men zeggen dat haar eenig erfdeel bestond in de bloote titels, die zij voerde. ImmersBourgondiëenFransch Comtéwaren reeds vermeesterd door de wapenen, maar vooral door het goud van den onverzoenlijken tegenstander haars vaders, den sluwen Lodewijk XI, die haar dringen wilde, zich te verloven aan den zevenjarigen Dauphin, terwijl, van de andere zijde, de Keizer vanDuitschland, Frederik III, reeds zijne legers samentrok om haar te noodzaken, aan haars vaders woord gestand te doen en zijn zoon Maximiliaan te huwen. En had zij nog maar alleen de geheime lagen of het geweld van buitenlandsche vijanden te vreezen gehad; maar gevaarlijker nog dan dezen voor haar gezag, waren haar eigen onderzaten. De dood van den gevreesden Karel was het sein tot hernieuwing dier tooneelen van oproer en tegenstand, welke zijn krachtige arm zoo vaak beteugeldhad. TerwijlHolland, den hulpeloozen toestand der arme Jonkvrouw misbruikende, haar dat beruchte Groot-Privilege afperste bij ’t welk haar, ’s Lands wettige Gravin, de vrijheid ontnomen werd van buiten toestemming van ’s Lands Staten te trouwen, van schattingen te eischen, van munt te slaan, van tollen te heffen, van recht uit te oefenen, van dagvaarten te beschrijven, in ’t kort, van eenige daad van souvereiniteit te verrichten, haasteden zich de altijd woelige Gentenaren de door Karel aangestelde overheidspersonen af te zetten, eenigen der aanzienlijkste Edelen door beulshanden te laten ombrengen, aan Maria de teruggave af te dwingen van hunne vroeger verbeurd verklaarde voorrechten en vrijheden, in één woord, geheel den meester over haar te spelen.Haar eenige hoop op uitkomst scheen gelegen in het aantal zelfs harer onderdrukkers en in hunne verschillende inzichten en belangen, die onvermijdelijk tot onderlingen twist moesten leiden. Weldra borst die twist dan ook geweldig uit. Lodewijk XI namelijk had een gezantschap naar Maria gezonden, zoo ’t heette, om haar van zijn deelneming in haar verlies te verzekeren, doch eigenlijk om het vuur des oproers levendig te houden. En dan nog welk een gezantschap? Aan een dochter van Karel vanBourgondië, aan een Vorstin uit den Huize vanFrankrijkzond hij, in stede van een zijner Staatsdienaren of Rijksgrooten, Olivier Le Daim, zijn barbier!—Dan onder al haar wederwaardigheden verloochende Maria haar rang en afkomst niet, weigerde Lodewijks boosaardigen vertrouweling te zien, en liet hun weten, dat zij vooreerst noch lating, noch Spaansche vlieg behoefde. Niet veel echter bekommerde zich de baardschraper over deze afwijzing; de bedoelingen, waarmede hij gekomen was, konden daarom evengoed bereikt worden; en, Maria’s Staten rondreizende, wist hij, zoo inVlaanderenals inHenegouwen, onderscheidene steden voor ’s Konings belang te winnen.De Gentenaren echter, die het hierin met hun Vorstin eens waren, dat zij van geene Fransche overheersching gediend bliefden, zonden van hunne zijde een Gezantschap aan Lodewijk, en verzochten hem, zijn vordering van Maria’s hand voor zijn zoon te laten varen en vooral geen oorlog tegen haar te voeren; daar niet Maria, maar de Staten des Lands de regeering op zich genomen hadden. Lodewijk toonde hun aan, dat hun voorgeven logenachtig was, en dat de Hertogin aan hare moeder Margaretha, aan de Heeren van Himbercourt en Hugonet en aan Adolf van Kleef, volmacht gegeven had tot het bestuur. Hierdoor werden de Gentenaren zeer verbitterd en beschouwden zich als bedrogen door hun Hertogin. Himbercourt en Hugonet werden door het gepeupel gegrepen, op de pijnbank gebracht en op het schavot onthoofd, ondanks de tranen van Maria, die in persoon de oproerlingen om het leven van haar staatsdienaars kwam bidden.Intusschen zagen de Vlamingen een oorlog tegenFrankrijkop handen en daarom ook naar een bekwaam krijgshoofd om, die hen ten strijd zou voeren. Nu bevond zich in den kerker vanKortrijkdie Adolf van Egmond, die vroeger zijn vader Aernout met geweldvanGelreszetel gestooten, in den kerker gesmeten en wiens Hertogdom Karel de Stoute zich toegeëigend had. Op dezen woesteling sloegen de Gentenaren ’t oog, haalden hem uit zijn gevangenis, stelden hem aan het hoofd van hun leger, ja zeiden hem zelfs, ter belooning voor de diensten, die zij van hem verwachtten, de hand toe hunner Hertogin.Met drift greep Adolf de gelegenheid aan om de verloren macht te herwinnen en, na jaren van diepe vernedering, met des te schitterender luister weder voor den dag te treden. Immers, de Gelderschen, die, nog steeds aan hem gehecht, in hem den ontaarden zoon voorbijzagen om alleen den wettigen Vorst uit het oude stamhuis in hem te eeren, hadden hem opnieuw tot hun Heer uitgeroepen, en, zoolang zijn afwezigheid duren moest, het bestuur der zaken aan zijne zuster Katharina opgedragen. Wat had niet Maria van den heerschzuchtigen onverlaat te vreezen, als deze, gelijk men verwachten kon, inVlaanderenoppermachtig werd en dan eerlang naar hare hand zou dingen. Gelukkig voor haar echter werden Adolfs heerschzuchtige droomen niet verwezenlijkt: reeds bij zijn eerste krijgsverrichting, een aanval op de stadDoornik, sneuvelde hij met de wapens in de hand en onder het uiten van zijn oorlogskreet: „Gelre! Gelre!” Een dood, meer roemrijk dan hij had mogen hopen of verdienen; doch die Maria’s hart, dat van zulk een echtgenoot gruwde, met blijdschap vervulde.Nu zond Keizer Frederik een statig Gezantschap, uit Bisschoppen en Rijksvorsten samengesteld, naarGent, om de hand der Hertogin plechtig af te vragen. Intusschen had zich een ander mededinger daarvoor opgedaan, namelijk de zoon van Hertog Jan van Kleef. Deze laatste, die zich binnen de stad ophield, stelde alle middelen in ’t werk om Maria te overreden, dat zij ’s Keizers voorstel in beraad zou houden. Maria echter had reeds haar besluit genomen, en, zoomin als haar vader of grootvader, was zij van wat zij eenmaal bepaald had af te brengen. Toen derhalve het Gezantschap, ter volle raadsvergadering toegelaten, haar den verlovingsbrief vertoonde, met den diamant, welken zij vroeger, op last haars vaders, aan Maximiliaan gezonden had, en haar vroeg of zij dien erkende, antwoordde zij ronduit, dat zij zulks van ganscher harte deed. Al de omstanders waren verbaasd, Hertog Jan en de Kleefschen niet weinig verslagen, en de Gezanten verrukt over deze rondborstige verklaring. Van dit tijdstip af ging alles als van zelf. De Raad van Regeering zoowel als de Staten bekrachtigden de toestemming der Vorstin, en deze werd met den Hertog van Beijeren, namens Maximiliaan, ondertrouwd. Weldra kwam de bruidegom zelf met een gevolg van twaalfhonderd Vorsten en Edelen. Hij zelf was op ’t schitterendst uitgedost in een zilveren harnas met goud ingelegd, en, gelijk zijn gevolg, met den Bourgondischen sluier omhangen. Den 18denAugustus werd het huwelijk voltrokken, en Maximiliaan in het volgende jaar plechtig als Momboir of Voogd van Vrouw Maria, in haar Staten erkend.De stap, door Maria zoo onverhoeds gedaan, met die vaste beradenheid,eigen aan het geslacht, waar zij uit sproot, was niet slechts gerechtvaardigd door de omstandigheden, waarin zij zich bevond, maar ook door de persoonlijke hoedanigheden van den man, aan wien zij haar toekomstig lot vertrouwde. Maximiliaan werd alom, wegens zijn zachtmoedig, bedaard en minzaam karakter, zoowel als wegens zijn goed verstand en oordeel geprezen. In den oorlog was hij dapper en ervaren, en door eene bijzondere tegenwoordigheid van geest onderscheiden. Aan het Duitsche hof, waar velen, ook onder de aanzienlijkste Edelen, aan brasserij en dronkenschap waren overgegeven, onderscheidde hij zich door matigheid in spijs en drank; kunsten en wetenschappen beschermde hij, en in de muziek was hij zeer bedreven. Zijn hoofdgebrek was een al te groote toegeeflijkheid, die somtijds in zwakheid en ongestadigheid ontaardde.Nu door deze echtverbintenis het bestier van lands- en krijgszaken weder onder één opperhoofd gebracht was, en alles een geregelder gang verkreeg, herstelde zich spoedig het krijgsgeluk, dat Maria den rug had toegekeerd. Lodewijk zag zich genoodzaakt een bestand te sluiten enBourgondiëte ontruimen. MetEngelandwerd een verbond van vrijen handel aangegaan, en de betrekkingen ook met de overige naburen op een vasten voet gebracht.In het jaar 1478, den 20stenJuni werd aan Maria een zoon geboren, die later bestemd was om onder den naam van Filips I, de kronen vanKastiliëenArragonte voeren.WasVlaanderennu tot rust gekeerd, en eerbiedigden de Zuidelijke gewesten Maria’s heerschappij, in het Noorden was deze nog zoo licht niet te vestigen. InHollandwerd de tegenstand voornamelijk gevoerd door de Hoekschen, daarin gesterkt door Maria’s Stedehouder zelven, Wolfert Van Borselen. Reeds onmiddellijk na Karels dood hadden zij, in de meeste steden, hunne tegenpartij uit de regeering weten te krijgen; thans had deze de overhand weder bekomen en op sommige plaatsen, als te Leiden en te Haarlem, de Hoekschen ter stad uitgedreven. Vergeefs was het, dat Borselen teRotterdameen dagvaart beschreef van Edelen en Steden: de Baljuw der stad, Jan Van Reimerswael, niet zonder reden beducht, dat de dagvaart zelve meer aanleiding tot tweespalt dan tot herstel der rust zou geven, liet de poorten bezetten, weigerde den intocht aan de Afgevaardigden der Hoeksche steden, en verzocht den Stadhouder zelven de stad te verlaten. Hieruit ontstond nieuwe verbittering: al de steden, vooral’s-Gravenhage, werden tooneelen van gestadige vechtpartijen. De valkeniers van den Stadhouder, die Hoeksgezind waren, schoten uit de ramen van hethofop de Kabeljauwschen, die, op hunne beurt, door de Haarlemmer, Leidsche, Delftsche en Amsterdamsche poorters ondersteund, het Hof overvielen en plunderden. Borselen hernam het, doch zag zich kort daarop genoodzaakt het aan zijn tegenpartij over te geven, en naarRotterdamte wijken, ’t welk hij intusschen bemachtigd had, en waar hij zijn hof vestigde. Ook daar kon hij het niet houden, en trok naar zijn stadVeere, Rotterdamter bewaring latende aan Joris, Bastaard van Brederode.InGelderlandwas het inmiddels even weinig rustig. Inweerwil hunner verslagenheid over den dood van Adolf, hadden de Staten van dat Hertogdom terstond het besluit genomen om zijne zuster Katharina met het voortdurend bestier en tevens met de voogdij over zijne onmondige kinderen te belasten. Te gelijk was door hen een gezantschap gezonden aan Lodewijk XI, die, daar beloften hem nooit iets kostten, hun zijne ondersteuning tegen Maximiliaan toezeide. Intusschen begeerde Willem Van Egmond, Hertog Aernouts broeder, de voogdij over zijn achterneven, en maakte zich meester vanArnhem, terwijl de Hertog vanKleef, die toch eenig deel begeerde van de erfenis van Karel den Stoute, nu de hand van Maria zijn zoon was ontgaan, dezen laatste tot Hertog vanGelrewilde doen aannemen. En, als had men nog geen Heeren genoeg, het GraafschapZutfenwerd door de Staten verpand aan Hendrik Van Schwartsenberg, Bisschop vanMunster, en deze kort daarop tot beschermer van het gansche Hertogdom aangenomen; terwijl de jonge Karel, Adolfs zoon, als Hertog erkend werd.Het was Maximiliaan, nog voortdurend metFrankrijkin krijg gewikkeld, langen tijd onmogelijk zijn tegenstanders binnen ’s lands te beteugelen: eindelijk echter liet hem de overwinning, bijGuinegateinArtoisop Lodewijk behaald, de handen vrij. NaarHollandovergekomen, en door de Kabeljauwschen wel ontvangen, ontsloeg hij Borselen van zijn Stadhouderschap, ’t welk hij opdroeg aan Joris Van Lalaing;—en de rust eenigszins hersteld ziende, maakte hij een verdrag met Katharina van Gelre, waarbij zij de rechten zijner Gemalin op het Hertogdom erkende en zich tevreden stelde met de stad en voogdij vanGelderlevenslang te behouden.Leidenwerd intusschen door de Hoekschen onder Broekhuizen, het HoeksgezindeDordrechtdaarentegen door de Kabeljauwschen onder Jan van Egmond bemachtigd, die kort daarna zich ook vanGouda, SchoonhovenenOudewatermeester maakte. Maximiliaan, weder inHollandgekeerd, bekrachtigde het door Egmond en de Kabeljauwsche partij verrichtte, liet de vierschaar spannen over de Hoekschen, verscheidenen uitbannen en sommigen onthoofden. Door deze gestrengheid werd de rust inHollandhersteld, ofschoon de burgerkrijg in hetStichtte heviger bleef woeden. Weldra onderwierpen zich de Geldersche Staten, van alle zijden bestookt, aan den Aartshertog, die nu met zijn Gemalin in de meeste steden plechtig werd gehuldigd. Wel bleefArnhemnog in handen van Jan van Kleef; maar het liet zich aanzien, dat die stad, zoowel als hetSticht, op den duur aan de zegevierende wapenen van Maximiliaan geen weerstand zoude kunnen bieden. Maria had haar gezag nagenoeg gevestigd gezien, en de tijd scheen voor haar gekomen, dat zij, na zooveel stormen en gevaren in rust en vrede het geluk zou kunnen smaken, dat haar als gade, als moeder en als vorstin tegenlachte, en dat zij zoowel verdiende. Dan helaas! zij mocht alleen den dageraad van die blijde toekomst beleven. BuitenBruggeuitgereden, stortte zij van ’t paard en bezeerde zich deerlijk aan het been. Nog zou de kunst wellicht middelen tot haar herstel hebben gevonden, had vrouwelijke kieschheidhaar niet weerhouden om de bekomen kwetsuur aan de beschouwing en het onderzoek der heelmeesters te onderwerpen. Dit had ten gevolge, dat de gewonde deelen, niet naar behooren verzorgd, spoedig door het koudvuur werden aangetast, en zij, weinige dagen na haren val, den 27stenMaart 1482, in nauwelijks zes en twintigjarigen ouderdom binnenBruggeoverleed, tot groote droefheid van haar echtgenoot, die haar teeder beminde en altijd met hartelijke genegenheid herdacht.

De Hollandsche Werkmeid.Onder de zoodanige typen, welke men alleen op Hollandschen bodem ontmoet, en welke mitsdien in een galerij als deze niet kunnen gemist worden, komt voorzeker een eereplaats toe aan de HollandscheWerkmeid. Ook zij heeft recht om op te treden, als vertegenwoordigster van ons zedelijk volkskarakter, en biedt ons in haar bedrijf twee eigenschappen aan, welke van oudsher die van onze natie zijn geweest: werkzaamheid en zindelijkheid.Van de eerste dier eigenschappen behoeven wij niet te spreken, noch zelfs haar aanwezen bij de Werkmeid te betoogen, daar zij reeds in den naam zelven ligt opgesloten enluie Werkmeideen anomalie, eencontradictio in adiectozoude wezen. De dienstmaagd, waar wij van spreken, heetWerkmeid, omdat zij is aangenomen omwerkte doen, en dus niet verondersteld kan worden anders dan werkzaam te zijn. Is zij dit niet, dan valt zij zoomin onder onze beschouwing, als een knaap, die niet rijden kan, in een werk van Engelsche typen, onder de rubriek Jockey zoude kunnen bedoeld worden.Zij is duswerkzaam,—en het doel van haar werk is—aan al wat zij aanraakt een knap en helder voorkomen te geven. De zindelijkheid, waarvan zij de type is, moet dus minder beschouwd worden als een aangeboren hoedanigheid, als een deugd, welke haar versiert, dan wel als een gevolg van haar bestemming; men prijst in de Werkmeid niet zoozeer haar zindelijken aard, als het zindelijk werk, dat zij levert; en ten dezen opzichte vooral is zij een afschaduwing onzer Hollandsche natie.Immers, men moet zich van de Hollandsche zindelijkheid geen verkeerd denkbeeld voorstellen, noch er te luide op roemen, gelijk meermalen uit verkeerden trots gedaan wordt. Zindelijk was vanouds bij ons minder een deugd, dan een noodzakelijkheid, een voorwaarde van ons bestaan. In een vochtig klimaat als het onze zouden de planken spoedig wegrotten, de goten opgestopt raken, het water in de bakken bederven, de kelders vol paddestoelen, de zolders vol schimmel, de stoepen vol modder staan, indien men eens dorst afzien van dat aanhoudend schrobben en boenen en schuren en wrijven. Maar, heeft men die uiterlijke zindelijkheid van huis en huisraad dikwijls tot een belachelijk uiterste gedreven, men heeft van een anderen kant in ons land de zindelijkheid op zichzelvenmisschien te weinig toegepast: en niet geheel zonder grond beweren de Engelschen, ja zelfs de Franschen, dat zij van nature netter zijn dan wij. Wel zijn bij hen de huizen verveloos, de stoepen en gangen niet zoo blank geschuurd als bij ons, de trappen niet zoo zuiver van stof en smet, de koperen ketels niet zoo glanzend;—maar daarentegen zijn kapsel, baard, handen, nagels, ja het geheele lijf, meer dan bij ons, het voorwerp hunner bestendige zorg, en halen zij van verbazing de schouders op, wanneer zij vernemen, dat in de hoofdstad van Nederland slechts eene bad-inrichting kan bestaan, welke bij uitsluiting door reizigers, en door stedelingen niet als bij ordonnantie van den geneesheer, bezocht wordt.Maar, keeren wij tot onze Werkmeid terug. Zij is gehuurd om het huis met aanhoorigheden en meubelen schoon te houden, en deze bezigheid, welke zij in den aanvang louter als plicht beschouwt, gaat weldra bij haar tot liefhebberij, tot hartstocht over. Zie slechts, hoe zij, ondanks de barre winterkoude, reeds lang voor den dag het koesterende bed verlaat, om geknield voor den haard, die haar geen warmte geeft, de asch van den vorigen avond weg te ruimen en voorts, de kruimels, de pluisjes en todjes en al die andere naamlooze voorwerpjes, welke ook in het knapste huishouden zich over het vloerkleed verspreiden, op haar blik te vegen. Dit werk is volbracht: de stoffer wordt in haar half bevrozen handen door den wrijflap vervangen: en, nog altijd geknield, beijvert zij zich de plaat te schuren en aan het koper van kachel of vuurhaard den getaanden luister terug te geven. Eindelijk rijst zij op en verlaat het vertrek: nu worden de trap, de gang, de stoep, al de meest beloopen plaatsen, aangeveegd of gestoft. Zij treedt op de plaats, of bij gemis van die, op straat, met vloer- en gangmat: en de teenen klopper gaat klapperend op en neer. Nu moeten de kleeden er aan: een kameraad, of wel een gedienstige buurvrijster, door het geklop oplettend gemaakt, komt haar hulp bieden, en de kleeden worden uitgeslagen, onder een vrolijk gelach ten koste van den armen voorbijganger, die op zijn even te voren uitgeschuierde plunje een duim dik stof bekomt.Ziedaar, met het beddenopmaken en ruimen der slaapvertrekken, (voor zooverre dit ook tot de attributen der Werkmeid behoort) de bezigheid van het morgenuur: maar dit is slechts een voorspel van het eigenlijke werk, dat nu eerst beginnen zal. Elke kamer in het huis heeft haar beurt: ’t zij eens in de week, ’t zij om de veertien dagen: en naar die kamer begeeft zich thans de Werkmeid, als naar haar koninkrijk, waar zij oppermachtig heerscht, en, benevens haar, tocht en stof en theebladen en koude en ragebol en verwarring. Wee den onbezonnene, die het waagt er binnen te treden: met schrik zal hij terugdeinzen, bij het zien dier opeengestapelde stoelen, dier uit haar plaats verschoven tafels en kastjes, dier door elkander gehutselde boeken en papieren en sieraden ennondescripts: het is een chaos; maar, als de Werkmeid het vertrek weer verlaat, zal uit dien chaos alles schooner en heerlijker te voorschijn zijn gekomen.Maar wie de Werkmeid in haar volle kracht wil aanschouwen, wandele op een fraaien Zaterdag-morgen de Amsterdamsche hoofdgrachten langs. Dan staan alle voordeuren open, al wijst ook de thermometer 10 graden onder nul: dan stroomt het water bij emmers vol over stoep en gangen, al moest het zich terstond herscheppen in een vloer van ijs, waar het halve huisgezin op uitgleed en den hals brak: dan schijnt er aan het boenen en schrobben geen einde te zullen komen. En o! dan is zij heerlijk te aanschouwen, de Werkmeid, met haar blanke kornet, die echt nationale dracht, met haar geruit boezelaar, haar opgestroopte mouwen, haar witte kousen en hare holsblokken, welke juist de minst sierlijke deelen van haar lichaam aan het oog onttrekken: dan is elke beweging, welke zij aanneemt, geschikt om de vormen van haar kloeke gestalte voordeelig te doen uitkomen: ’t zij, dat zij den emmer in de eene hand dragende, de heup aan de tegenovergestelde zijde met zwier doet rijzen; ’t zij dat zij, voorover gebukt, de rokken tusschen de knieën geknepen houdt en tot model voor een studiebeeld verstrekt: ’t zij, dat de ronding van den arm bevallig uitkomt bij het hanteeren van den luiwagen: ’t zij eindelijk, dat zij den glazewasschersspuit, dat oorspronkelijk Hollandsch werktuig (hetwelk eens heel Bordeaux in opschudding bracht, toen een Hollandsche vrouw, welke zich aldaar had neergezet, het, benevens haar Werkmeid, met zich bracht), in handen neemt en het geheele lichaam zich (zooals Bilderdijk het ergens uitdrukt)Slingert en buigt en verwringt.Wat beklaagt men zich dan, dat er in onze voorname steden geene fonteinen zijn? ’s Zaterdags is elke burgwal, elke hoofdstraat een fontein, waar honderden stroomnajaden, niet van brons of marmer, maar vol kracht en leven, het water in sierlijke bogen naar boven persen, het met vrolijk geklater tegen de hooge glasruiten doen ruischen, en door de geheele buurt frischheid en koelte verspreiden.

Onder de zoodanige typen, welke men alleen op Hollandschen bodem ontmoet, en welke mitsdien in een galerij als deze niet kunnen gemist worden, komt voorzeker een eereplaats toe aan de HollandscheWerkmeid. Ook zij heeft recht om op te treden, als vertegenwoordigster van ons zedelijk volkskarakter, en biedt ons in haar bedrijf twee eigenschappen aan, welke van oudsher die van onze natie zijn geweest: werkzaamheid en zindelijkheid.

Van de eerste dier eigenschappen behoeven wij niet te spreken, noch zelfs haar aanwezen bij de Werkmeid te betoogen, daar zij reeds in den naam zelven ligt opgesloten enluie Werkmeideen anomalie, eencontradictio in adiectozoude wezen. De dienstmaagd, waar wij van spreken, heetWerkmeid, omdat zij is aangenomen omwerkte doen, en dus niet verondersteld kan worden anders dan werkzaam te zijn. Is zij dit niet, dan valt zij zoomin onder onze beschouwing, als een knaap, die niet rijden kan, in een werk van Engelsche typen, onder de rubriek Jockey zoude kunnen bedoeld worden.

Zij is duswerkzaam,—en het doel van haar werk is—aan al wat zij aanraakt een knap en helder voorkomen te geven. De zindelijkheid, waarvan zij de type is, moet dus minder beschouwd worden als een aangeboren hoedanigheid, als een deugd, welke haar versiert, dan wel als een gevolg van haar bestemming; men prijst in de Werkmeid niet zoozeer haar zindelijken aard, als het zindelijk werk, dat zij levert; en ten dezen opzichte vooral is zij een afschaduwing onzer Hollandsche natie.

Immers, men moet zich van de Hollandsche zindelijkheid geen verkeerd denkbeeld voorstellen, noch er te luide op roemen, gelijk meermalen uit verkeerden trots gedaan wordt. Zindelijk was vanouds bij ons minder een deugd, dan een noodzakelijkheid, een voorwaarde van ons bestaan. In een vochtig klimaat als het onze zouden de planken spoedig wegrotten, de goten opgestopt raken, het water in de bakken bederven, de kelders vol paddestoelen, de zolders vol schimmel, de stoepen vol modder staan, indien men eens dorst afzien van dat aanhoudend schrobben en boenen en schuren en wrijven. Maar, heeft men die uiterlijke zindelijkheid van huis en huisraad dikwijls tot een belachelijk uiterste gedreven, men heeft van een anderen kant in ons land de zindelijkheid op zichzelvenmisschien te weinig toegepast: en niet geheel zonder grond beweren de Engelschen, ja zelfs de Franschen, dat zij van nature netter zijn dan wij. Wel zijn bij hen de huizen verveloos, de stoepen en gangen niet zoo blank geschuurd als bij ons, de trappen niet zoo zuiver van stof en smet, de koperen ketels niet zoo glanzend;—maar daarentegen zijn kapsel, baard, handen, nagels, ja het geheele lijf, meer dan bij ons, het voorwerp hunner bestendige zorg, en halen zij van verbazing de schouders op, wanneer zij vernemen, dat in de hoofdstad van Nederland slechts eene bad-inrichting kan bestaan, welke bij uitsluiting door reizigers, en door stedelingen niet als bij ordonnantie van den geneesheer, bezocht wordt.

Maar, keeren wij tot onze Werkmeid terug. Zij is gehuurd om het huis met aanhoorigheden en meubelen schoon te houden, en deze bezigheid, welke zij in den aanvang louter als plicht beschouwt, gaat weldra bij haar tot liefhebberij, tot hartstocht over. Zie slechts, hoe zij, ondanks de barre winterkoude, reeds lang voor den dag het koesterende bed verlaat, om geknield voor den haard, die haar geen warmte geeft, de asch van den vorigen avond weg te ruimen en voorts, de kruimels, de pluisjes en todjes en al die andere naamlooze voorwerpjes, welke ook in het knapste huishouden zich over het vloerkleed verspreiden, op haar blik te vegen. Dit werk is volbracht: de stoffer wordt in haar half bevrozen handen door den wrijflap vervangen: en, nog altijd geknield, beijvert zij zich de plaat te schuren en aan het koper van kachel of vuurhaard den getaanden luister terug te geven. Eindelijk rijst zij op en verlaat het vertrek: nu worden de trap, de gang, de stoep, al de meest beloopen plaatsen, aangeveegd of gestoft. Zij treedt op de plaats, of bij gemis van die, op straat, met vloer- en gangmat: en de teenen klopper gaat klapperend op en neer. Nu moeten de kleeden er aan: een kameraad, of wel een gedienstige buurvrijster, door het geklop oplettend gemaakt, komt haar hulp bieden, en de kleeden worden uitgeslagen, onder een vrolijk gelach ten koste van den armen voorbijganger, die op zijn even te voren uitgeschuierde plunje een duim dik stof bekomt.

Ziedaar, met het beddenopmaken en ruimen der slaapvertrekken, (voor zooverre dit ook tot de attributen der Werkmeid behoort) de bezigheid van het morgenuur: maar dit is slechts een voorspel van het eigenlijke werk, dat nu eerst beginnen zal. Elke kamer in het huis heeft haar beurt: ’t zij eens in de week, ’t zij om de veertien dagen: en naar die kamer begeeft zich thans de Werkmeid, als naar haar koninkrijk, waar zij oppermachtig heerscht, en, benevens haar, tocht en stof en theebladen en koude en ragebol en verwarring. Wee den onbezonnene, die het waagt er binnen te treden: met schrik zal hij terugdeinzen, bij het zien dier opeengestapelde stoelen, dier uit haar plaats verschoven tafels en kastjes, dier door elkander gehutselde boeken en papieren en sieraden ennondescripts: het is een chaos; maar, als de Werkmeid het vertrek weer verlaat, zal uit dien chaos alles schooner en heerlijker te voorschijn zijn gekomen.

Maar wie de Werkmeid in haar volle kracht wil aanschouwen, wandele op een fraaien Zaterdag-morgen de Amsterdamsche hoofdgrachten langs. Dan staan alle voordeuren open, al wijst ook de thermometer 10 graden onder nul: dan stroomt het water bij emmers vol over stoep en gangen, al moest het zich terstond herscheppen in een vloer van ijs, waar het halve huisgezin op uitgleed en den hals brak: dan schijnt er aan het boenen en schrobben geen einde te zullen komen. En o! dan is zij heerlijk te aanschouwen, de Werkmeid, met haar blanke kornet, die echt nationale dracht, met haar geruit boezelaar, haar opgestroopte mouwen, haar witte kousen en hare holsblokken, welke juist de minst sierlijke deelen van haar lichaam aan het oog onttrekken: dan is elke beweging, welke zij aanneemt, geschikt om de vormen van haar kloeke gestalte voordeelig te doen uitkomen: ’t zij, dat zij den emmer in de eene hand dragende, de heup aan de tegenovergestelde zijde met zwier doet rijzen; ’t zij dat zij, voorover gebukt, de rokken tusschen de knieën geknepen houdt en tot model voor een studiebeeld verstrekt: ’t zij, dat de ronding van den arm bevallig uitkomt bij het hanteeren van den luiwagen: ’t zij eindelijk, dat zij den glazewasschersspuit, dat oorspronkelijk Hollandsch werktuig (hetwelk eens heel Bordeaux in opschudding bracht, toen een Hollandsche vrouw, welke zich aldaar had neergezet, het, benevens haar Werkmeid, met zich bracht), in handen neemt en het geheele lichaam zich (zooals Bilderdijk het ergens uitdrukt)

Slingert en buigt en verwringt.

Slingert en buigt en verwringt.

Wat beklaagt men zich dan, dat er in onze voorname steden geene fonteinen zijn? ’s Zaterdags is elke burgwal, elke hoofdstraat een fontein, waar honderden stroomnajaden, niet van brons of marmer, maar vol kracht en leven, het water in sierlijke bogen naar boven persen, het met vrolijk geklater tegen de hooge glasruiten doen ruischen, en door de geheele buurt frischheid en koelte verspreiden.

De Kruier van Amsterdam.Indien men zich buiten ’s lands het type van den echten Hollander voor den geest wilde brengen, dan stelde men zich de beeltenis voor van een wel doorvoeden burgerman, met een onbewegelijke tronie, driedubbele kin en vooruitpuilenden buik, het dikke hoofd met een pruik en punthoed bedekt, een korten broek, kuit- en schoengespen, en de onmisbare lange pijp in den mond, zittende aan een tafeltje, waarop een kwispeldoor, een glas jenever, een koopmansjournaal en eenige geldzakken, als passende zinnebeelden paradeeren.Wat mij betreft, ik wil tot type onzer natie een ander voorwerp kiezen, en haar voorstellen onder de gedaante van den eenigen man, die in onze verbasterde eeuw nog de hoedanigheden vereenigt en bewaart, welke aan onze voorouders eer, achting en rijkdommen hebben doen verwerven: in den Kruier van Amsterdam.Vlijt, bedaardheid, nauwkeurigheid, spaarzaamheid, zindelijkheid, matigheid, eerlijkheid vooral, ziedaar de deugden, welke onze natie van ouds gekenmerkt hebben: ziedaar de deugden, welke wij terugvinden in den man, wiens beschrijving wij ons hebben voorgesteld: de hoofdtrekken van zijn karakter, de voorwaarden van zijn bestaan. Men oordeele:De Kruier isvlijtig:—Men versta mij echter wel: hij loopt het werk niet na, noch dringt zijne diensten met onbescheidenheid op.—Neen! Ook hierin verloochent hij zijn landaard niet: men wachte zich ook, hem met den sjouwerman te verwarren; de man, dien wij bedoelen, is, in zijn stand, een deftig burger, die zijn fatsoen weet te bewaren: in zijn pothuis gezeten, wacht hij af, welke boodschappen zijne kalanten verkiezen hem op te dragen; maar ontvangt hij die,dan zijn zij ook dadelijk volbracht.De Kruier isbedaard: hij loopt, maar draaft niet; want hij weet, dat hij, na de boodschap, welke hij verricht, er nog vele andere zal te verrichten hebben: en hij wil zich niet buiten adem brengen of noodeloos vermoeien: is hij aan den mangel, aan de wasch, aan een verhuisboel werkzaam, hij volbrengt zijn plicht in stilte, en zonder noodelooze opschudding of beweging; hij stoeit en dartelt niet met de dienstmeisjes, waarmede zijn beroep hem in gedurige betrekking brengt, noch geeft aan de eene de voorkeur boven de andere; want hij weet, dat dit een bron is van nijd en van krakeel: en hij moet meesters en dienstboden beiden te vriend houden. Daarombehandelt hij de eersten met bescheiden eerbied, de laatsten met terughoudende minzaamheid, en het is veel, indien hij in het koffij- of etensuurtje zich een onschuldige boerterij veroorlooft.De Kruier isnauwkeurig: hij is een man van de klok, en op het bepaalde uur aanwezig, geen minuut vroeger of later. Geeft men hem een mondelinge boodschap, hij luistert met aandacht, en geen letter zal, bij het overbrengen, ontbreken. Heeft hij goederen te bezorgen, geen pakje, geen mandje, hoe klein ook, dat onder zijn waakzaam oog verloren gaat. Heeft hij zijn arbeid te verrichten in eene, te voren hem onbekende, woning, hij let op alles, slaat elke inrichting, elke gelegenheid gade, en kent, bij het uitgaan, het huis, de verdeeling der kamers, de plaats van elk meubelstuk zoo goed, als ware het zijn eigendom; want hij weet, dat hij er weer zal worden geroepen, en gebeurt dit, dan zal hij er thuis zijn, en zijn handen zullen niet verkeerd staan.De Kruier isspaarzaam: hij is het op zijn tijd; want ook hij weet, hoe kostbaar die is, en hoezeer het er op aankomt, daarmede te woekeren. Zijn hem vele, uiteenloopende boodschappen opgedragen, zijn geest heeft de woonplaatsen, de afstanden, dadelijk berekend: en alles wordt volbracht, zonder dat hij met terugloopen of heen en weer gaan een oogenblik verliest. Hij is spaarzaam op zijn woorden; want hij weet met Salomo, dat in de veelheid daarvan de overtreding niet ontbreekt. Daarom ook is hij een vijand van klappen en van uit het eene huis in het andere te praten, en het noodwendig vertrouwen, dat in hem gesteld wordt, te misbruiken. Maar ook met zijn verdiensten is de Kruier spaarzaam; want hij wil gaarne aan zijn kinderen een burger kapitaaltje nalaten: en dat moet hij met dubbeltjes bijeenkrijgen: hij doet dan ook geene noodelooze uitgaven; maar is zuinig op zijn dagelijksche en onveranderlijke plunje: alleen des Zondags, wanneer zijn bezigheden hem vergunnen, met de zijnen naar de kerk te gaan, toont hij zich, wel niet zwierig, maar toch netjes, ja deftig uitgedost.De Kruier iszindelijk: zijn linnen buis is altijd helder: zijn gelaat moge door de zon verschroeid zijn en zijn handen vereelt, maar geen van beide zijn immer zwart of onrein: en ook de teêrste pakketjes, de oprosepapier geschreven briefjes, kunnen veilig aan die handen worden toevertrouwd, zonder dat men vrees behoeft te voeden, dat eenige vlek of smet die zal bezoedelen.De Kruier ismatig: een dronken Kruier is iets onbekends. Moet hij niet eenmaal ’s jaars helpen verhuizen? Eenmaal ’s maands den mangel bestieren? Eenmaal ’s weeks mejuffrouws hondje dragen, als zij van haar salet komt? Viermaal ’s daags de kinderen naar en uit de school geleiden? En wie zoude zijn meubelen, zijn mangel, zijn hondje, zijn kinderen toevertrouwen aan iemand, die beticht kon worden, van zich slechts eenmaal aan sterken drank te buiten te zijn gegaan?—Neen de Kruier is als de vrouw van Cesar: op hem moet zelfs geen vermoeden rusten.Maar bij en boven dat alles, de Kruier iseerlijk. Waar treft men elders, ik zeg niet, in geheel Europa, maar in de geheele wereld,de stad aan, waar iemand, wie hij zij, burger of vreemdeling, aan een hem onbekenden man, dien hij te voren nooit gezien, van wien hij te voren nooit gehoord heeft, maar dien hij, op den hoek van de straat, uit zijn pothuis roept, een som gelds ter bezorging, een wissel ter ontvangst, een bankbriefje ter verwisseling kan toevertrouwen, zonder dat hij eenige vrees behoeft te koesteren voor schade of bedrog? En ziedaar, wat te Amsterdam dagelijks plaats heeft, zonder dat de ondervinding van achtereenvolgende eeuwen door een enkel voorbeeld heeft kunnen aanwijzen, dat er misbruik is gemaakt van het goede vertrouwen, in den Kruier gesteld.—Ook ten dezen opzichte heeft hij den roem volkomen gehandhaafd, door zijne natie verdiend.Eere den Hollandschen geest!Eere den Kruier!

Indien men zich buiten ’s lands het type van den echten Hollander voor den geest wilde brengen, dan stelde men zich de beeltenis voor van een wel doorvoeden burgerman, met een onbewegelijke tronie, driedubbele kin en vooruitpuilenden buik, het dikke hoofd met een pruik en punthoed bedekt, een korten broek, kuit- en schoengespen, en de onmisbare lange pijp in den mond, zittende aan een tafeltje, waarop een kwispeldoor, een glas jenever, een koopmansjournaal en eenige geldzakken, als passende zinnebeelden paradeeren.

Wat mij betreft, ik wil tot type onzer natie een ander voorwerp kiezen, en haar voorstellen onder de gedaante van den eenigen man, die in onze verbasterde eeuw nog de hoedanigheden vereenigt en bewaart, welke aan onze voorouders eer, achting en rijkdommen hebben doen verwerven: in den Kruier van Amsterdam.

Vlijt, bedaardheid, nauwkeurigheid, spaarzaamheid, zindelijkheid, matigheid, eerlijkheid vooral, ziedaar de deugden, welke onze natie van ouds gekenmerkt hebben: ziedaar de deugden, welke wij terugvinden in den man, wiens beschrijving wij ons hebben voorgesteld: de hoofdtrekken van zijn karakter, de voorwaarden van zijn bestaan. Men oordeele:

De Kruier isvlijtig:—Men versta mij echter wel: hij loopt het werk niet na, noch dringt zijne diensten met onbescheidenheid op.—Neen! Ook hierin verloochent hij zijn landaard niet: men wachte zich ook, hem met den sjouwerman te verwarren; de man, dien wij bedoelen, is, in zijn stand, een deftig burger, die zijn fatsoen weet te bewaren: in zijn pothuis gezeten, wacht hij af, welke boodschappen zijne kalanten verkiezen hem op te dragen; maar ontvangt hij die,dan zijn zij ook dadelijk volbracht.

De Kruier isbedaard: hij loopt, maar draaft niet; want hij weet, dat hij, na de boodschap, welke hij verricht, er nog vele andere zal te verrichten hebben: en hij wil zich niet buiten adem brengen of noodeloos vermoeien: is hij aan den mangel, aan de wasch, aan een verhuisboel werkzaam, hij volbrengt zijn plicht in stilte, en zonder noodelooze opschudding of beweging; hij stoeit en dartelt niet met de dienstmeisjes, waarmede zijn beroep hem in gedurige betrekking brengt, noch geeft aan de eene de voorkeur boven de andere; want hij weet, dat dit een bron is van nijd en van krakeel: en hij moet meesters en dienstboden beiden te vriend houden. Daarombehandelt hij de eersten met bescheiden eerbied, de laatsten met terughoudende minzaamheid, en het is veel, indien hij in het koffij- of etensuurtje zich een onschuldige boerterij veroorlooft.

De Kruier isnauwkeurig: hij is een man van de klok, en op het bepaalde uur aanwezig, geen minuut vroeger of later. Geeft men hem een mondelinge boodschap, hij luistert met aandacht, en geen letter zal, bij het overbrengen, ontbreken. Heeft hij goederen te bezorgen, geen pakje, geen mandje, hoe klein ook, dat onder zijn waakzaam oog verloren gaat. Heeft hij zijn arbeid te verrichten in eene, te voren hem onbekende, woning, hij let op alles, slaat elke inrichting, elke gelegenheid gade, en kent, bij het uitgaan, het huis, de verdeeling der kamers, de plaats van elk meubelstuk zoo goed, als ware het zijn eigendom; want hij weet, dat hij er weer zal worden geroepen, en gebeurt dit, dan zal hij er thuis zijn, en zijn handen zullen niet verkeerd staan.

De Kruier isspaarzaam: hij is het op zijn tijd; want ook hij weet, hoe kostbaar die is, en hoezeer het er op aankomt, daarmede te woekeren. Zijn hem vele, uiteenloopende boodschappen opgedragen, zijn geest heeft de woonplaatsen, de afstanden, dadelijk berekend: en alles wordt volbracht, zonder dat hij met terugloopen of heen en weer gaan een oogenblik verliest. Hij is spaarzaam op zijn woorden; want hij weet met Salomo, dat in de veelheid daarvan de overtreding niet ontbreekt. Daarom ook is hij een vijand van klappen en van uit het eene huis in het andere te praten, en het noodwendig vertrouwen, dat in hem gesteld wordt, te misbruiken. Maar ook met zijn verdiensten is de Kruier spaarzaam; want hij wil gaarne aan zijn kinderen een burger kapitaaltje nalaten: en dat moet hij met dubbeltjes bijeenkrijgen: hij doet dan ook geene noodelooze uitgaven; maar is zuinig op zijn dagelijksche en onveranderlijke plunje: alleen des Zondags, wanneer zijn bezigheden hem vergunnen, met de zijnen naar de kerk te gaan, toont hij zich, wel niet zwierig, maar toch netjes, ja deftig uitgedost.

De Kruier iszindelijk: zijn linnen buis is altijd helder: zijn gelaat moge door de zon verschroeid zijn en zijn handen vereelt, maar geen van beide zijn immer zwart of onrein: en ook de teêrste pakketjes, de oprosepapier geschreven briefjes, kunnen veilig aan die handen worden toevertrouwd, zonder dat men vrees behoeft te voeden, dat eenige vlek of smet die zal bezoedelen.

De Kruier ismatig: een dronken Kruier is iets onbekends. Moet hij niet eenmaal ’s jaars helpen verhuizen? Eenmaal ’s maands den mangel bestieren? Eenmaal ’s weeks mejuffrouws hondje dragen, als zij van haar salet komt? Viermaal ’s daags de kinderen naar en uit de school geleiden? En wie zoude zijn meubelen, zijn mangel, zijn hondje, zijn kinderen toevertrouwen aan iemand, die beticht kon worden, van zich slechts eenmaal aan sterken drank te buiten te zijn gegaan?—Neen de Kruier is als de vrouw van Cesar: op hem moet zelfs geen vermoeden rusten.

Maar bij en boven dat alles, de Kruier iseerlijk. Waar treft men elders, ik zeg niet, in geheel Europa, maar in de geheele wereld,de stad aan, waar iemand, wie hij zij, burger of vreemdeling, aan een hem onbekenden man, dien hij te voren nooit gezien, van wien hij te voren nooit gehoord heeft, maar dien hij, op den hoek van de straat, uit zijn pothuis roept, een som gelds ter bezorging, een wissel ter ontvangst, een bankbriefje ter verwisseling kan toevertrouwen, zonder dat hij eenige vrees behoeft te koesteren voor schade of bedrog? En ziedaar, wat te Amsterdam dagelijks plaats heeft, zonder dat de ondervinding van achtereenvolgende eeuwen door een enkel voorbeeld heeft kunnen aanwijzen, dat er misbruik is gemaakt van het goede vertrouwen, in den Kruier gesteld.—Ook ten dezen opzichte heeft hij den roem volkomen gehandhaafd, door zijne natie verdiend.

Eere den Hollandschen geest!

Eere den Kruier!

De Kweekeling voor de Zeevaart.Al had ook, na de roemrijke dagen van Willem den III, ons vaderland zich niet weten te handhaven in den rang, welken het onder de natiën van Europa bekleedde: al had het, bij zwakheid van bestuur, bij overvloed en weelde, de kracht, die naar buiten werkt, verloren: al voerden zijn legers in het veld, zijn gezanten aan de hoven, zijn vloten op den Oceaan niet meer dien toon van overwicht en gezag, waar vroeger koningen naar luisterden: toch toonde nog somtijds het door overdaad verslapte, door gebrek aan oefening versletene lichaam enkele oogenblikken, waarin de oude veerkracht scheen te herleven: flikkeringen, welke aan den glans van een schitterend verleden deden herdenken: phosphorische schokken, die nog voor een tijd lang de ontbinding tegengingen, schoon zij die niet wisten te voorkomen.Niet een echter van die verschijningen, welke getuigden, dat het levensbeginsel nog niet was uitgedoofd, deed, toen zij plaats vond, een treffender uitwerking dan de zeeslag bij de Doggersbank: een wapenfeit, door beide partijen met den, aan elk betwistbaren, naam van overwinning bestempeld, en dat, ofschoon het, als zoodanig, niet slechts geen beslissend voordeel, maar een materieel verlies met zich bracht, echter niet geheel zonder uitkomsten bleef. In de eerste plaats deed het zien, dat de naneven der Trompen en De Ruiters nog niet van hun voorgangers waren ontaard; en, dat, zoo onze zeemacht niet meer zoo geducht was als voorheen, de schuld daarvan althans niet bij het zeevolk moest gezocht worden. In de tweede plaats streelde het de eigenliefde der bevolking, welke in dit luisterrijk voorval den dageraad van een nieuw tijdperk, en niet het avondrood zag van een tijdperk dat eindigde: het wekte den nationalen trots uit zijn sluimering op, opende een blij verschiet voor velen, en deed aan de ouderen van dagen met meer gelatenheid het hoofd ter ruste leggen. Ten derde schonk het gelegenheid tot het aanrechten van prachtige maaltijden en blijde volksfeesten: tot het uitdeelen van eeredegens en medailles: tot het vervaardigen van fraaie vuurwerken en slechte verzen. Eindelijk, en dit was van al die resultaten het beste en duurzaamste: het gaf aanleiding tot het stichten van de Kweekschool voor de Zeevaart.In 1785 te Amsterdam opgericht uit het voordeelig saldo der tot aanmoediging van ’s Lands zeedienst bijeengebrachte gelden, weldraberoemd en bloeiend en aan haar doel voortreffelijk beantwoordend, zag, tijdens de Fransche overheersching, en nauwelijks drie maanden na de viering van haar vijf-en-twintig-jarig bestaan, de Kweekschool haar vernietiging te gemoet: ja slechts de vaderlandsche trouw en het verstandig dralen van hen, die door hun betrekkingen in deze gebeurtenis gemoeid werden, hadden de wegvoering van haar fondsen naar Frankrijk verhinderd, toen de omwenteling van 1813 haar in het aanzijn behield. Gewis, het was een schoone dag, en die na achten twintigjaren nog levendig als de dag van gisteren voor mijn geheugen staat, die dag van 28 Februari 1814, waarop dat feest van herstel werd gevierd; die dag, waarop de man, aan wien de Kweekschool bijna alles verschuldigd was, de groote, de beroemde, de beminnelijke Van Swinden voor een luisterrijke schaar het woord voerde: waarop de Nederlandsche vlag het scheepje op het binnenplein weder versierde: waarop één gevoel van herademing en vreugd en dankbaarheid allen vereenigde.Aan het uiteinde van den Buitenkant, met het uitzicht op de Landswerf en het Oosterdok, verheft zich de gevel van het gebouw, waarin voortdurend ruim honderdvijftig knapen tot de zeevaart worden opgeleid. Maar niet allen zijn tevens in het gesticht aanwezig: een derde heeft reeds de theorie met de praktijk verwisselt en oefent zich op de verre baren in die stuurmanskunst, welke hun eens een bestaanmiddel moet opleveren. Doch, hoe verwijderd ook, zij zijn de zorg, de aandacht van het Bestuur der inrichting niet ontgaan; want zij zijn slechts afgereisd om terug te keeren, om zich weder onder de schooltucht te begeven, om verdere opleiding te erlangen: en het is slechts na de tweede reis volbracht, of een achttienjarigen ouderdom bereikt te hebben, dat de onmiddellijke zorg, maar niet de voortdurende belangstelling van dat Bestuur hun ontgaat.De Kweekeling, wel gekleed, wel gevoed, in gezonde en nuttige lichaamsbewegingen geoefend, in al wat hem dienstig kan zijn onderwezen, niet geplaagd met onnoodig onderwijs, geniet een gelukkig lot: één voorrecht vooral heeft hij boven zijn tijdgenooten, en dit stelt hij zeer op prijs.Hunvooruitzicht, immers van de zoodanigen als een wetenschappelijke opleiding genieten, is onbestemd en onzeker:zijweten niet, of jaren van arbeid en geduld hen ooit aan den kost zullen helpen: of zij zich niet, na lang zwoegens, met een sobere hulppredikersplaats, een onderwijzerspostje aan een instituut, een praktijk, die geen brood geeft, of een mager ambtje, waarbij al het geleerde niets baat, zullen moeten vergenoegen. Niet zóó de Kweekeling: hij weet, dat, als hij zijn driejarigen cursus behoorlijk heeft doorloopen, hij dadelijk met nut voor zich zelven en voor anderen, zal kunnen werkzaam zijn. Wel paait de toekomst hem met geene hersenschimmen, welke de wezenlijkheid zoo treurig teleur stelt: wel acht hij (daar, sedert de instelling van het Instituut te Medemblik, de Kweekschool uitsluitend tot de koopvaardij opleidt) zich niet langer geroepen om een De Ruiter te worden: maar een stuurmans-, een schippersplaats, ’t zij aan boord van eenKoopvaarder, ’t zij in dienst der Koloniale Marine, ’t zij in die der Indische reederijen, een eerlijk bestaan in één woord, dat mag hij toch zonder te hooggespannen verbeelding als een bereikbaar doel beschouwen. Vrijwillig (want dit is een voorwaarde zijner plaatsing), de Zeevaart tot zijn bedrijf gekozen hebbende, is hij reeds zeeman op de school: hij draagt het zeemanspak, eet als zeeman aan den bak, slaapt als zeeman in de hangmat, klimt als zeeman in het want, leert als zeeman zeilen aanslaan en reven, het schip op- en onttakelen, het touwwerk kennen, behandelen, splitsen, knoopen, in één woord, hij mist van het zeeleven alleen de zee zelve en haar gevaren. En is hij eenmaal aan boord, dan zal hij die gevaren niet als onbekende schrikbeelden, maar als de noodwendige volmaking zijner opvoeding beschouwen.

Al had ook, na de roemrijke dagen van Willem den III, ons vaderland zich niet weten te handhaven in den rang, welken het onder de natiën van Europa bekleedde: al had het, bij zwakheid van bestuur, bij overvloed en weelde, de kracht, die naar buiten werkt, verloren: al voerden zijn legers in het veld, zijn gezanten aan de hoven, zijn vloten op den Oceaan niet meer dien toon van overwicht en gezag, waar vroeger koningen naar luisterden: toch toonde nog somtijds het door overdaad verslapte, door gebrek aan oefening versletene lichaam enkele oogenblikken, waarin de oude veerkracht scheen te herleven: flikkeringen, welke aan den glans van een schitterend verleden deden herdenken: phosphorische schokken, die nog voor een tijd lang de ontbinding tegengingen, schoon zij die niet wisten te voorkomen.

Niet een echter van die verschijningen, welke getuigden, dat het levensbeginsel nog niet was uitgedoofd, deed, toen zij plaats vond, een treffender uitwerking dan de zeeslag bij de Doggersbank: een wapenfeit, door beide partijen met den, aan elk betwistbaren, naam van overwinning bestempeld, en dat, ofschoon het, als zoodanig, niet slechts geen beslissend voordeel, maar een materieel verlies met zich bracht, echter niet geheel zonder uitkomsten bleef. In de eerste plaats deed het zien, dat de naneven der Trompen en De Ruiters nog niet van hun voorgangers waren ontaard; en, dat, zoo onze zeemacht niet meer zoo geducht was als voorheen, de schuld daarvan althans niet bij het zeevolk moest gezocht worden. In de tweede plaats streelde het de eigenliefde der bevolking, welke in dit luisterrijk voorval den dageraad van een nieuw tijdperk, en niet het avondrood zag van een tijdperk dat eindigde: het wekte den nationalen trots uit zijn sluimering op, opende een blij verschiet voor velen, en deed aan de ouderen van dagen met meer gelatenheid het hoofd ter ruste leggen. Ten derde schonk het gelegenheid tot het aanrechten van prachtige maaltijden en blijde volksfeesten: tot het uitdeelen van eeredegens en medailles: tot het vervaardigen van fraaie vuurwerken en slechte verzen. Eindelijk, en dit was van al die resultaten het beste en duurzaamste: het gaf aanleiding tot het stichten van de Kweekschool voor de Zeevaart.

In 1785 te Amsterdam opgericht uit het voordeelig saldo der tot aanmoediging van ’s Lands zeedienst bijeengebrachte gelden, weldraberoemd en bloeiend en aan haar doel voortreffelijk beantwoordend, zag, tijdens de Fransche overheersching, en nauwelijks drie maanden na de viering van haar vijf-en-twintig-jarig bestaan, de Kweekschool haar vernietiging te gemoet: ja slechts de vaderlandsche trouw en het verstandig dralen van hen, die door hun betrekkingen in deze gebeurtenis gemoeid werden, hadden de wegvoering van haar fondsen naar Frankrijk verhinderd, toen de omwenteling van 1813 haar in het aanzijn behield. Gewis, het was een schoone dag, en die na achten twintigjaren nog levendig als de dag van gisteren voor mijn geheugen staat, die dag van 28 Februari 1814, waarop dat feest van herstel werd gevierd; die dag, waarop de man, aan wien de Kweekschool bijna alles verschuldigd was, de groote, de beroemde, de beminnelijke Van Swinden voor een luisterrijke schaar het woord voerde: waarop de Nederlandsche vlag het scheepje op het binnenplein weder versierde: waarop één gevoel van herademing en vreugd en dankbaarheid allen vereenigde.

Aan het uiteinde van den Buitenkant, met het uitzicht op de Landswerf en het Oosterdok, verheft zich de gevel van het gebouw, waarin voortdurend ruim honderdvijftig knapen tot de zeevaart worden opgeleid. Maar niet allen zijn tevens in het gesticht aanwezig: een derde heeft reeds de theorie met de praktijk verwisselt en oefent zich op de verre baren in die stuurmanskunst, welke hun eens een bestaanmiddel moet opleveren. Doch, hoe verwijderd ook, zij zijn de zorg, de aandacht van het Bestuur der inrichting niet ontgaan; want zij zijn slechts afgereisd om terug te keeren, om zich weder onder de schooltucht te begeven, om verdere opleiding te erlangen: en het is slechts na de tweede reis volbracht, of een achttienjarigen ouderdom bereikt te hebben, dat de onmiddellijke zorg, maar niet de voortdurende belangstelling van dat Bestuur hun ontgaat.

De Kweekeling, wel gekleed, wel gevoed, in gezonde en nuttige lichaamsbewegingen geoefend, in al wat hem dienstig kan zijn onderwezen, niet geplaagd met onnoodig onderwijs, geniet een gelukkig lot: één voorrecht vooral heeft hij boven zijn tijdgenooten, en dit stelt hij zeer op prijs.Hunvooruitzicht, immers van de zoodanigen als een wetenschappelijke opleiding genieten, is onbestemd en onzeker:zijweten niet, of jaren van arbeid en geduld hen ooit aan den kost zullen helpen: of zij zich niet, na lang zwoegens, met een sobere hulppredikersplaats, een onderwijzerspostje aan een instituut, een praktijk, die geen brood geeft, of een mager ambtje, waarbij al het geleerde niets baat, zullen moeten vergenoegen. Niet zóó de Kweekeling: hij weet, dat, als hij zijn driejarigen cursus behoorlijk heeft doorloopen, hij dadelijk met nut voor zich zelven en voor anderen, zal kunnen werkzaam zijn. Wel paait de toekomst hem met geene hersenschimmen, welke de wezenlijkheid zoo treurig teleur stelt: wel acht hij (daar, sedert de instelling van het Instituut te Medemblik, de Kweekschool uitsluitend tot de koopvaardij opleidt) zich niet langer geroepen om een De Ruiter te worden: maar een stuurmans-, een schippersplaats, ’t zij aan boord van eenKoopvaarder, ’t zij in dienst der Koloniale Marine, ’t zij in die der Indische reederijen, een eerlijk bestaan in één woord, dat mag hij toch zonder te hooggespannen verbeelding als een bereikbaar doel beschouwen. Vrijwillig (want dit is een voorwaarde zijner plaatsing), de Zeevaart tot zijn bedrijf gekozen hebbende, is hij reeds zeeman op de school: hij draagt het zeemanspak, eet als zeeman aan den bak, slaapt als zeeman in de hangmat, klimt als zeeman in het want, leert als zeeman zeilen aanslaan en reven, het schip op- en onttakelen, het touwwerk kennen, behandelen, splitsen, knoopen, in één woord, hij mist van het zeeleven alleen de zee zelve en haar gevaren. En is hij eenmaal aan boord, dan zal hij die gevaren niet als onbekende schrikbeelden, maar als de noodwendige volmaking zijner opvoeding beschouwen.

De slechte Maaltijd.Een ware gebeurtenis.Niemand is er, of hij kent de fabel van den Vos en den Ooievaar en de grappige wijze, waarop de langgebekte vogel den listigen Reijnaert het slechte onthaal betaald zette, dat hij bij dezen genoten had. Nimmer misschien werd deze fabel op een meer krachtige wijze verwezenlijkt, dan bij gelegenheid van het voorval, mij onlangs door een geachten vriend verhaald. Zijne waarheidsliefde staat mij borg voor de echtheid van het verhaalde ’t welk ik, tot in de kleinste bijzonderheden uit zijnen mond heb opgeschreven en merkwaardig genoeg acht om mede te deelen.Het was, zeide mijn vriend, in den nazomer van 1815, dat ik mij te Aken bevond, om aldaar, door het gebruik der baden, van een zware rheumatische ongesteldheid, welke mij het gebruik mijner beenen schier geheel ontnomen had, te herstellen. De beroemde Keizersstad was te dien tijde opgepropt van Pruisische, Russische en andere officieren der Gealliëerden, die er deels in garnizoen lagen, deels de vermoeienissen van den grooten krijgstocht tegen Napoleon in blijde ledigheid kwamen vergeten. Gelijk doorgaans geschiedt hokten de krijgslieden van denzelfden landaard en van hetzelfde korps bij elkander, en vandaar was elk hotel tot een soort van hoofdkwartier herschapen, waarin men de zeeghafte vertegenwoordigers van dezelfde natie dagelijks bij elkander aan detable d’ hôteontmoeten kon. Zoo verzamelden zich tegen het middaguur de Pruisische officieren bij uitsluiting in het hotel van Mad. D., waar ik mijn intrek genomen had, en dag aan dag, wanneer de etensbel luidde, hoorde ik hunne sabels tegen de trappen kletteren en zag ik hen een voor een, slank van leest, maar stijf als harken, met hunne prachtige uniformen, en hoog opgekrulde snorrebaarden, de groote zaal binnentreden en zich aan den langen disch scharen, waar zij als meesters regeerden. Ik zeg: als meesters; maar ik had moeten zeggen als dwingelanden; immers, onverdraaglijk was het despotismus, ’t welk zij aan de vroeger zoo gezellige en zooveel verscheidenheid aanbiedende tafel van Mad. D. uitoefenden. ’t Zij dat de roem, in de vlakte van Waterloo en in zoo menig anderen veldslag behaald ende daarop gevolgde zegevierende tocht naar Parijs hun krijgsmanstrots ten top had gevoerd, ’t zij, dat hunne militaire opvoeding en het gemis van vroegtijdig gemeenzamen omgang met menschen van andere natiën en standen (een onvermijdelijk gevolg van lange jaren van oorlog), min gunstig op hen gewerkt had, zij waren zoo geheel met hun krijgsmansstand en verworven glorie ingenomen, dat zij niemand dan die als zij, den militairen rok droeg, aan den disch, welken zij met hunne tegenwoordigheid vereerden, wilden dulden. ’t Is waar, zij gingen niet zooverre, dat zij hem, die in burgerkleeding aan de publieke tafel verscheen, met geweld verdreven, maar de wijze van uitsluiting was wellicht nog hatelijker. De arme dischgenoot, die het voorrecht niet bezat van een uniform te dragen, mocht zich vrij aan de etenstafel plaatsen, hij kon verzekerd zijn, even hongerig en dorstig weder op te staan, als hij bij zijne komst was geweest: de bedienden toch hadden in last, op straffe der hooge ongenade van de heeren Pruisen, hem niet éénen schotel aan te bieden, hem, zoo hij zelf iets op zijn bord nam, dat bord terstond te ontnemen, en op zijn vragen naar een flesch wijn geen acht te slaan. Toonde deze of gene min geduldige gast zich over deze behandeling ontevreden, of begon hij te reclameeren, niemand stoorde zich er aan: en beklaagde hij zich op eenigszins luidruchtige wijze, terstond waren er tien, twaalf zijner krijgshaftige buren gereed, twist met hem te zoeken, en hem door hunne gebaren te toonen, dat hij slechts de keuze had tusschen een spoedigen aftocht of een tweegevecht met het halve korps. Het spreekt van zelf, dat weldra niemand, die niet tot de geprivilegieerde kaste behoorde, zich meer aan de tafel van Mad. D. vertoonde, en dat de tegenwoordigheid van dames althans geheel buiten kwestie was. Zelfs zoodanige vreemdelingen en badgasten als in het hotel logeerden, wilden zich of de hunnen aan geene beleedigingen wagen, en gingen buiten af hun middagmaal zoeken. Vergeefs waren de vertoogen van Mad. D. bij de Pruisische officieren, wier systema van uitsluiting haar niet slechts van de voormaligehabitué’s, maar van lieverlede van alle vreemde gasten beroofd en daardoor een aanzienlijke winstderving veroorzaakt had. De heeren bleven hardnekkig hun beginsel volhouden.Ik was de eenige, wien hun banvloek niet getroffen had. De omstandigheden, dat ik reeds voor hun komst de tafel bezocht, en hen daar als ’t ware ontvangen had, maar vooral mijn hulpelooze toestand, had hun ten mijnen behoeve eene gunstige uitzondering doen maken. Ook was ik in den aanvang, en eer nog de maatregel zoo scherp werkte, met enkelen hunner in kennis geraakt en men beschouwde mij, om zoo te zeggen, als boven de wet. Intusschen, deze zelfde gunst mij betoond, moest een menschenleven kosten.Onder andere verdienstelijke vreemdelingen, die zich op dat tijdstip te Aken bevonden, had ik kennis gemaakt met zekeren Klein, Adjudant van den Generaal Wittgenstein, en Officier bij de Keizerlijk-Russische Garde. Ofschoon in den regel niet dan leden van adellijke familiën bij dat wapen werden aangenomen, en Klein eenvoudig de zoon was van een koopman uit Riga, was er ten zijnen opzichtevoor ’t eerst, zoo ik meen, eene vereerende uitzondering gemaakt, en zoude hij zich met recht hebben mogen verhoovaardigen op eene onderscheiding, welke hij niet aan geboorte of voorspraak, maar aan zijne zeldzame verdiensten te danken had. Intusschen, de voorspoed had hem niet ijdel of trotsch gemaakt: ja zelfs, terwijl de meeste andere officieren er prijs op stelden, om in hunne uniformen te pronken, droeg hij het krijgsmansgewaad niet dan wanneer de dienst zulks voorschreef, en vertoonde hij zich liefst in een eenvoudigen, maar keurig netten zwarten rok, met pantalon, zijden vest en kousen van dezelfde kleur; en, daar zijne tengere gestalte, een zacht blauw oog, en een blankheid, welke eene jonge juffer zoude benijd hebben, hem alles behalve een krijgshaftig uitzicht gaven, zoude men hem allicht voor een jongen geestelijke hebben kunnen aanzien, had niet zijn uitgeplooide jabot, zijn lange witte das, met een schitterende juweelen speld op het hemdslinnen vastgemaakt, en de keurig gewerkte gouden kuit- en schoengespen hem eerder het voorkomen van een gezantschaps-secretaris of auditeur gegeven. Aan hoogst beschaafden toon en manieren paarde Klein een grondige kennis, welke zich niet slechts tot het vak, waarin de omstandigheden hem gebracht hadden, bepaalde, maar wezenlijk algemeen mocht genoemd worden. Zijne conversatie was altijd aangenaam en meestal leerzaam tevens, want hoe jong hij nog wezen mocht (hij telde toen even vijf en twintig jaren), hij had veel gezien en bijgewoond, en het tijdperk, dat hij beleefd had, was meer dan eenig ander vruchtbaar in rijke en groote gebeurtenissen, en wel geschikt om aan menigen jongeling grootere ondervinding mede te deelen, dan in gewone dagen zelfs grijsaards kunnen verwerven. Maar in alle tijden zoude Klein, met zijn vlug verstand, veel omvattende kunde en beminnelijke hoedanigheden, zich de achting en vriendschap verworven hebben van al, wie zijn omgang mocht genieten. Wat mij betrof, die toen nog eenige jaren jonger was dan hij, ik stelde er hoog belang in, zijne kennis aan te kweeken, en was niet weinig trotsch op de welwillendheid, welke hij mij bewees. Meermalen toch, wanneer ik, na het gebruiken van het bad, op mijne gewone plaats in ’t zonnetje gezeten was en de meer gelukkigen dan ik, als bonte vlinders voor mij heen en weer zag wandelen, gebeurde het, dat hij zich van de uitgelezenste en aanzienlijkste gezelschappen afscheidde, om zich naast mij neder te vlijen, en een uurtje met mij, armen verlamde, te keuvelen.Eens had ons onderhoud zich zoo lang uitgestrekt, dat alleen de verschijning der draagstoel, welke mij naar mijn logement terug moest brengen, ons herinnerde, dat het tijd was te scheiden.—„Kom!” zeide hij met een minzamen lach, „ik heb u heden wat laat opgehouden, en ons onderwerp is nog lang niet uitgepraat. Wat dunkt u, indien wij het morgen aan tafel voortzetten?”„Ik verlang niets liever,” was mijn antwoord: „maar daar ik te weinig mobiel ben om mij naar uw kwartier te verplaatsen, zult gij mij het genoegen dienen te doen, van mijn gast te wezen.”„Met genoegen,” zeide hij; „waar eet gij?”„Aan mijn hotel, bij Mad. D., klokke één uur.”„Ik zal er zijn,” hernam hij, mij de hand tot afscheid gevende; „sans adieu, tot morgen.”„Maar ééne zaak moet ik u verzoeken,” zeide ik, mij de gewoonte mijner dischgenooten herinnerende; „vergeet niet, in monteering te komen.”„In monteering? en waarom dat?” vroeg Klein, met dezelfde woorden, welke Almaviva tegen Figaro bezigt.„Omdat mijn Pruisische tafelvrienden ongaarne iemand toelaten, die alsPekingekleed is, en gij u wellicht onaangenaamheden op den hals zoudt halen.”„Bah!” riep Klein, met een gullen glimlach, doch waarin iets ongeloovigs gemengd was; „gij weet,” vervolgde hij, na een oogenblik zwijgens, „dat ik niet van dien onnoodigen opschik houd.”„’t Is waar,” hernam ik: „maar zonder u eenige les te willen geven, ’t geen mij zeer slecht passen zou, wat hebt gij er aan, om.... om....”„Om ruzie te zoeken, meent gij,” viel Klein in, ziende dat ik eene uitdrukking poogde te vinden, welke hem niet kwetsen mocht, „wees gerust, ik heb nog nooit ruzie gezocht, maar evenmin zie ik reden om van mijn vrijheid afstand te doen en van toilet te veranderen ter voldoening aan de grillige luim uwer dischgenooten. Nogmaals, tot morgen.”Na dit afscheid kon er wel geen twijfel meer bij mij bestaan, dat Klein besloten had, zich aan de gedane waarschuwing niet te storen, het interdict, door de Pruisen tegen alle burgerkleeding uitgesproken, te trotseeren, en er de gevolgen van af te wachten. Evenmin twijfelde ik aan den moed van mijn Rigaschen vriend: ik was overtuigd dat hij zich niet straffeloos zoude laten beleedigen, en niet zonder bezorgdheid zag ik den uitslag van een hoogstwaarschijnlijk tweegevecht te gemoet; want hoe wakker, vlug en behendig Klein ook wezen mocht, hij scheen mij toch bij lang niet opgewassen tegen de ijzervreters, die zich aan detable d’ hôtevereenigden.Den volgenden dag verbeidde ik dan ook zijne komst met die koortsachtige nieuwsgierigheid, welke zich van ons meester maakt zoo dikwerf een belangrijke doch hachelijke gebeurtenis op handen is. Somtijds wenschte ik wel, dat ik de uitnoodiging niet gedaan had, of dat het een of ander toeval mijn vriend verhinderen mocht daarvan gebruik te maken; maar spoedig maakte die opwelling weder plaats voor het verlangen, om te weten op welke wijze hij zich zoude gedragen in de moeilijke positie, welke hem te wachten stond.Het etensuur naderde. Reeds had ik een geruimen tijd op mijne, door ancienniteit verworven, plaats aan het boveneinde der tafel gezeten: reeds begon zich de eene snorbaard na den anderen in de eetzaal te vertoonen, de pijpen werden al weggezet en de vluchtig in de hand genomen dagbladen op zijde geworpen: de eene stoel voor, de andere na, werd door zijn gewonen bezitter ingenomen; alleen die naast mij leunde nog voorover tegen de tafel, ten teeken dat zij besproken was, en ik begon reeds mij zelven af te vragen, of Klein ook bij nadere overdenking, beter geacht had niet te komen. Daar ging de etensbel! Ieder zette zich; de kelners rukten aan met de kokende soep—en ziet: onmiddellijk achter hen, trad mijn vriendde zaal in, zoo net alsof hij uit een doosje kwam, doch, gelijk ik trouwens verwachtte, in een kleeding, waaronder Lavater zelf geen krijgsman herkend zou hebben.Daar, gelijk ik reeds zeide, mijne plaats aan het hooger einde der vrij lange tafel was, moest Klein die geheel langs loopen om naast mij te komen, en kon zijn verschijning des te minder onopgemerkt blijven. Ik merkte dan ook dadelijk op, hoe menige wenkbrauw zich fronste, hoe menige zijdelingsche wenk door de officieren onderling gewisseld en menige glimlach over de aanstaande pret, welke men zich voorstelde, ter nauwernood werd onderdrukt. Klein was intusschen den afstand, die de deur van mijn plaats scheidde, met een bedaarden tred ten einde geloopen, de aanwezigen nu en dan met een bescheiden en minzame hoofdbuiging groetende. Alleen trof het mij, dat de uitdrukking der helderblauwe oogen, welke hij in ’t voorbijgaan op hen richtte, hoe beleefd ook, toch iets onderzoekends had, als wilde hij zich vergewissen met welk slag van menschen hij zou aanzitten.Recht tegenover mij was zekere ritmeester Voss gezeten, een krachtig gespierde forsche krijgsman, met een gelaat of het uit brons gegoten was, en knevels van eene buitengewone lengte en breedte: een man, die altijd en bij alle gelegenheden het hoogste woord voerde, die meer dan een zijner kameraden het stelsel van uitsluiting tegen allePekinshad doorgedreven, wien de uniform aan ’t lijf gegroeid scheen, zoodat het mij niet verwonderd zou hebben, indien mij verhaald ware geweest, dat hij er in sliep;—in ’t kort, een sprekend tegenbeeld van mijn vriend Klein. Aan de table d’hôte oefende hij de volkomenste heerschappij uit; want geen zijner medeofficieren was er op gesteld met hem in twist te raken: de bedienden sidderden voor hem en vlogen op zijn wenken; het was dan ook die man, van wien ik verwachtte, dat het sein zoude gegeven worden om mijn armen vriend de stoutheid in te peperen, waaraan hij zich had schuldig gemaakt.Ik bedroog mij niet. Nauwelijks had Klein mij de hand gedrukt en plaats genomen, of de ritmeester Voss zag den Oberkelner aan en wierp toen, schoon bijna onmerkbaar, een zijdelingschen blik op den nieuw aangekomen gast. Die wenk, hoe snel ook gegeven, was echter bemerkt en begrepen geworden, zoowel door hem, tot wien hij gericht was, als door hem, die er het slachtoffer van wezen moest. De soep werd gediend: ik bekwam het eerste bord: mijn buurman werd overgeslagen: ik bood hem mijne portie aan; doch nauwelijks had hij er zijn lepel in gedoopt, of, op een nieuwen wenk van Voss, nam hem een knecht het volle bord voor den neus weg. Gelijk met de soep, zoo ging het met het vleesch, met de groenten, met de pudding, in ’t kort, met alles; en slechts bij toeval, of wanneer deze of gene kelner wat onhandig was in ’t snel verruilen der borden, kon het Klein gelukken een mondvol van het een of ander behouden binnen te brengen. Gewis had Sancho op het eiland Barataria geen zoo slechten maaltijd gedaan als nu mijn vriend, die niet eens, als Sancho, den troost had, dat de genomen maatregel uit zorg voor zijn gezondheid plaats had.In weerwil dier teleurstelling, of wel misschien, omdat hij voorzien had, wat er gebeuren zoude, en het slechte maal, dat hij genoot, dus niet als teleurstelling beschouwde, bleef Klein bedaard en zelfs even opgeruimd als altijd, onderhield zich met mij over de nieuwtjes van den dag, en gedroeg zich, zoolang de maaltijd duurde, als bemerkte hij niets van de tegen hem in ’t werk gestelde uithongeringsmaatregelen. Met nieuwsgierigheid sloegen zijn overburen hem gade; maar de schijnbare onverschilligheid, welke hij voorwendde, strekte slechts om hen des te feller te maken in den oorlog, welken zij aan zijn maag hadden verklaard. Ik had een flesch Rudesheimer besteld; maar na lang toeven kwam de kelner, aan wien zeker de ritmeester Voss zijn les had voorgezegd, mij in ’t oor fluisteren, dat de dokter mij den wijn verboden had (’t geen ook waar was), „en aan dien heer ook,” voegde hij wat luider, met een half lachend, half benauwd gezicht er bij.—„Welnu! dan zullen wij water drinken,” zeide Klein met den goedhartigsten glimlach van de wereld: en zette terstond het gesprek weder voort over onverschillige dingen.Zoo duurde het tot het nagerecht op tafel was, en Klein als door tooverij de onder zijn bereik staande schaaltjes in een oogenblik door de vaardigheid zijner buren van peren, pruimen, abrikozen en wat er verder geschaft was, ontledigd zag. Toen eerst stond hij op, nam mij bij de hand en beet mij zachtjes toe: „ik heb van middag slecht gegeten, maar die man daarover (hier wees hij op den ritmeester Voss), zal morgen nog een slechteren maaltijd hebben, en op zijn nagerecht zal hij zich althans niet beroemen. Wees zoo goed en bewaar mij morgen deze zelfde plaats.”—Dit gezegd hebbende, vertrok hij, in ’t heengaan even kalm en vreedzaam rondziende en even bescheiden groetende, als hij bij ’t komen gedaan had.„Ik denk niet, dat wij spoedig de eer zullen hebben uw vriend weder hier te zien!” riep, zoodra Klein verdwenen was, de Pruisische ritmeester mij over tafel toe, terwijl hij zijn grootenMeerschaumstopte.„Integendeel, Ritmeester!” antwoordde ik; „ik wacht hem morgen weer terug.”„Verd....! dan heeft de man courage en is met weinig tevreden,” hernam Voss. „Wat mag de vent zijn? zeker een Commis-voyageur of een gouverneur bij eene adellijke familie?”„Ik heb u gezegd, dat hij morgen terugkomt, Ritmeester,” zeide ik droogjes weg, „dan kunt gij het hem zelf vragen.—Tot de eer van u weder te zien.”En meteen liet ik mij uit de zaal en naar mijn kamer rollen, met nog meerder ongeduld dan te voren den volgenden dag afwachtende.Wederom was de disch gespreid: wederom waren de gasten om de tafel vergaderd: wederom luidde de etensbel en wederom trad Klein de zaal binnen; maarquantum mutatus ab illo!Niet meer in de eenvoudige burgerkleeding van den vorigen dag verscheen hij thans, maar in de prachtige, met goud gestikte en geborduurde rusting van zijn rang, de hooggewelfde borst met ordeteekenen overladen, den zwaren pallas aan de zijde en den gordel met rijk gemonteerdepistolen voorzien. Achter hem volgden twee reusachtige, zwaargebaarde kozakken; met dezen onderhield hij zich een oogenblik, terwijl hij hen met den vinger op den ritmeester Voss wees, en stapte toen, de tafel langs, naar zijne zitplaats.„Wel!” zeide ik, „gij hebt het vandaag beter overlegd om goed bediend te worden.”„Stil!” zeide hij, een blik op onzen overbuurman werpende, „en let op het diner van den Ritmeester. Kelner! een bord soep en een flesch bourgonje.”Deze reis toonden zich de knechts even gedienstig als zij den vorigen dag onbeleefd waren geweest en zochten, door beleefde voorkomendheid jegens den Adjudant van generaal Wittgenstein, weder goed te maken wat zij tegen den onbekenden burgerman verkorven hadden. Maar minder lette ik hier op, dan op het kluchtige schouwspel, dat zich aan de overzijde vertoonde. Rechts en links achter den ritmeester Voss had zich een der kozakken geplaatst om den last uit te voeren, hun door Klein gegeven: een last, die in deze korte waarschuwing was vervat geweest: „Indien de ritmeester Voss een enkele bete of een enkele teug van wat het ook zij in den mond neemt, schiet ik u dood.”—Men kent de onbepaalde gehoorzaamheid, welke de Russen aan hunne superieuren bewijzen en bovendien, de kozakken zagen hun officier vlak tegenover zich, met twee geladen pistolen in den gordel, waarvan hij zich—ook dit wisten zij—bij de minste onachtzaamheid hunnerzijds, zonder complimenten bedienen zoude, om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen. Was het wonder, dat zij een streng toezicht hielden, en dat noch van de rechter-, noch van de linkerzijde een schotel onder het bereik des Ritmeesters kwam? Vergeefs zat deze zich te verbijten van woede: vergeefs riep hij de kelners een voor een bij name toe, om hem eten te bezorgen: de meesten hunner hadden te veel ontzag voor de norsche satellieten, die achter zijn zetel stonden, om zich in hunne nabijheid te wagen; en was er soms een, die, uit ouden eerbied voor den Ritmeester, aan de oproeping gehoorzaamde en hem een bord met spijs voorzette, dan was het altijd weggehaald eer hij, voor wien het bestemd was, had kunnen zien wat het bevatte.Opmerkenswaardig voor ’t overige was de diepe stilte, welke aan de geheele tafel, bij de anders zoo luidruchtige gasten heerschte. Voorzeker had het hun geen moeite gekost zich te vereenigen en gezamenlijk de kozakken ter deure uit te werpen; maar het was, of de plotselijke verschijning van Klein allen, ik zeg niet met schrik geslagen, want het waren moedige kerels, maar in beelden veranderd had: zoo onbeweeglijk zaten zij hem en den Ritmeester aan te gapen. Gewis gevoelden zij het billijke der zonderlinge weerwraak, door den Rus genomen, en daar zij bijna zeker konden nagaan wat daarvan het gevolg zoude zijn, begrepen zij waarschijnlijk, dat het hun niet paste tusschenbeide te komen, maar dat zij het aan Voss moesten overlaten, zich de noodige voldoening te verschaffen.Wat Klein betrof, deze haalde zijn schade in van den vorigen dag, at en dronk voor vier en onderhield zich met mij over onverschilligezaken, op even vroolijken en ongedwongen toon als anders, terwijl hij zich vergenoegde, nu en dan een blik op de kozakken te slaan, om zich te overtuigen, dat zij aan den hun opgedragen last voldeden. Eindelijk, toen het middagmaal was afgeloopen en het nagerecht stond te worden opgebracht, begreep hij dat het tijd werd om het koddige blijspel, tot nu toe gespeeld, te doen ophouden, en het treurspel te doen aanvangen. Hij rees overeind, en, Voss vlak in ’t aangezicht ziende: „heeft u de maaltijd wel gesmaakt?” vroeg hij hem overluid.„Schwernaut!” was alles wat de woedende Ritmeester kon uitbrengen, terwijl hij oprees, met de gebalde vuist op de tafel sloeg, en zijn gebronsd gelaat de kleur van rood koper aannam.„Ik ben thans bereid u het dessert toe te dienen,” hernam Klein, zich buigende en tevens een teeken aan de kozakken gevende, dat zij zich konden verwijderen.De Ritmeester antwoordde geen syllabe, maar greep naar zijn hoed en gaf een wenk, die zooveel wilde te kennen geven, als dat hij gereed was; waarna hij een der in zijne buurt zittende officieren op den schouder tikte. Deze begreep de zwijgende uitnoodiging, rees op en maakte zich gereed om mede te gaan.„Mijn getuige wacht ons reeds buiten,” zeide Klein: „derangeertu niet, mijne Heeren!” vervolgde hij tot de overige officieren, waarvan sommigen insgelijks onwillekeurig waren opgestaan. „Vaarwel! B.!” mij met een hoofdknik groetende, „ik ben terstond weder hier.”Met deze woorden vertrok hij, terwijl Voss en diens getuige hem onmiddellijk volgden. Ieder hernam zijn plaats en wachtte, terwijl men het nagerecht opbracht, met gespannen verwachting wat de uitslag wezen zoude van den kamp, die buiten plaats had.Geen tien minuten waren er verloopen, of Klein keerde, maar thans geheel alleen, terug. Aller oogen waren op hem gevestigd; maar zijn kalme en effene gelaatstrekken waren even ondoordringbaar als altijd. Intusschen, zijne terugkomst zelve zeide, na hetgeen voorgevallen was, reeds genoeg.Hij nam weder aan mijne zijde plaats, schonk zich in, at van de fruit, die hem werd aangeboden, en hervatte ons gesprek waar hij het had afgebroken, als ware er nooit een ritmeester Voss in de wereld geweest. Eerst des avonds, na zijn vertrek, vernam ik, ’t geen ik trouwens wel vermoedde, dat de Pruis, en wel op het eerste schot, levenloos gevallen was. Toen zijne makkers zich over het gebeurde bij den Veldoverste beklaagden, haalde deze de schouders op, zeide, dat Voss zijn verdiende loon ontvangen had en dat hij hoopte, dat het voorval ook hun tot les zoude verstrekken.Tweegevechten waren voor ’t overige te dien tijde zoozeer aan de orde van den dag, dat men spoedig de geheele gebeurtenis vergat, of er althans niet meer van gewaagde.Nog eenmaal, en wel op den volgenden dag, verscheen Klein aan detable d’hôtevan Mad. D.; doch deze reize wederom in burgerkleeding. Niemand kreeg in ’t hoofd hem in zijn maaltijd te storen.

Een ware gebeurtenis.

Een ware gebeurtenis.

Niemand is er, of hij kent de fabel van den Vos en den Ooievaar en de grappige wijze, waarop de langgebekte vogel den listigen Reijnaert het slechte onthaal betaald zette, dat hij bij dezen genoten had. Nimmer misschien werd deze fabel op een meer krachtige wijze verwezenlijkt, dan bij gelegenheid van het voorval, mij onlangs door een geachten vriend verhaald. Zijne waarheidsliefde staat mij borg voor de echtheid van het verhaalde ’t welk ik, tot in de kleinste bijzonderheden uit zijnen mond heb opgeschreven en merkwaardig genoeg acht om mede te deelen.

Het was, zeide mijn vriend, in den nazomer van 1815, dat ik mij te Aken bevond, om aldaar, door het gebruik der baden, van een zware rheumatische ongesteldheid, welke mij het gebruik mijner beenen schier geheel ontnomen had, te herstellen. De beroemde Keizersstad was te dien tijde opgepropt van Pruisische, Russische en andere officieren der Gealliëerden, die er deels in garnizoen lagen, deels de vermoeienissen van den grooten krijgstocht tegen Napoleon in blijde ledigheid kwamen vergeten. Gelijk doorgaans geschiedt hokten de krijgslieden van denzelfden landaard en van hetzelfde korps bij elkander, en vandaar was elk hotel tot een soort van hoofdkwartier herschapen, waarin men de zeeghafte vertegenwoordigers van dezelfde natie dagelijks bij elkander aan detable d’ hôteontmoeten kon. Zoo verzamelden zich tegen het middaguur de Pruisische officieren bij uitsluiting in het hotel van Mad. D., waar ik mijn intrek genomen had, en dag aan dag, wanneer de etensbel luidde, hoorde ik hunne sabels tegen de trappen kletteren en zag ik hen een voor een, slank van leest, maar stijf als harken, met hunne prachtige uniformen, en hoog opgekrulde snorrebaarden, de groote zaal binnentreden en zich aan den langen disch scharen, waar zij als meesters regeerden. Ik zeg: als meesters; maar ik had moeten zeggen als dwingelanden; immers, onverdraaglijk was het despotismus, ’t welk zij aan de vroeger zoo gezellige en zooveel verscheidenheid aanbiedende tafel van Mad. D. uitoefenden. ’t Zij dat de roem, in de vlakte van Waterloo en in zoo menig anderen veldslag behaald ende daarop gevolgde zegevierende tocht naar Parijs hun krijgsmanstrots ten top had gevoerd, ’t zij, dat hunne militaire opvoeding en het gemis van vroegtijdig gemeenzamen omgang met menschen van andere natiën en standen (een onvermijdelijk gevolg van lange jaren van oorlog), min gunstig op hen gewerkt had, zij waren zoo geheel met hun krijgsmansstand en verworven glorie ingenomen, dat zij niemand dan die als zij, den militairen rok droeg, aan den disch, welken zij met hunne tegenwoordigheid vereerden, wilden dulden. ’t Is waar, zij gingen niet zooverre, dat zij hem, die in burgerkleeding aan de publieke tafel verscheen, met geweld verdreven, maar de wijze van uitsluiting was wellicht nog hatelijker. De arme dischgenoot, die het voorrecht niet bezat van een uniform te dragen, mocht zich vrij aan de etenstafel plaatsen, hij kon verzekerd zijn, even hongerig en dorstig weder op te staan, als hij bij zijne komst was geweest: de bedienden toch hadden in last, op straffe der hooge ongenade van de heeren Pruisen, hem niet éénen schotel aan te bieden, hem, zoo hij zelf iets op zijn bord nam, dat bord terstond te ontnemen, en op zijn vragen naar een flesch wijn geen acht te slaan. Toonde deze of gene min geduldige gast zich over deze behandeling ontevreden, of begon hij te reclameeren, niemand stoorde zich er aan: en beklaagde hij zich op eenigszins luidruchtige wijze, terstond waren er tien, twaalf zijner krijgshaftige buren gereed, twist met hem te zoeken, en hem door hunne gebaren te toonen, dat hij slechts de keuze had tusschen een spoedigen aftocht of een tweegevecht met het halve korps. Het spreekt van zelf, dat weldra niemand, die niet tot de geprivilegieerde kaste behoorde, zich meer aan de tafel van Mad. D. vertoonde, en dat de tegenwoordigheid van dames althans geheel buiten kwestie was. Zelfs zoodanige vreemdelingen en badgasten als in het hotel logeerden, wilden zich of de hunnen aan geene beleedigingen wagen, en gingen buiten af hun middagmaal zoeken. Vergeefs waren de vertoogen van Mad. D. bij de Pruisische officieren, wier systema van uitsluiting haar niet slechts van de voormaligehabitué’s, maar van lieverlede van alle vreemde gasten beroofd en daardoor een aanzienlijke winstderving veroorzaakt had. De heeren bleven hardnekkig hun beginsel volhouden.

Ik was de eenige, wien hun banvloek niet getroffen had. De omstandigheden, dat ik reeds voor hun komst de tafel bezocht, en hen daar als ’t ware ontvangen had, maar vooral mijn hulpelooze toestand, had hun ten mijnen behoeve eene gunstige uitzondering doen maken. Ook was ik in den aanvang, en eer nog de maatregel zoo scherp werkte, met enkelen hunner in kennis geraakt en men beschouwde mij, om zoo te zeggen, als boven de wet. Intusschen, deze zelfde gunst mij betoond, moest een menschenleven kosten.

Onder andere verdienstelijke vreemdelingen, die zich op dat tijdstip te Aken bevonden, had ik kennis gemaakt met zekeren Klein, Adjudant van den Generaal Wittgenstein, en Officier bij de Keizerlijk-Russische Garde. Ofschoon in den regel niet dan leden van adellijke familiën bij dat wapen werden aangenomen, en Klein eenvoudig de zoon was van een koopman uit Riga, was er ten zijnen opzichtevoor ’t eerst, zoo ik meen, eene vereerende uitzondering gemaakt, en zoude hij zich met recht hebben mogen verhoovaardigen op eene onderscheiding, welke hij niet aan geboorte of voorspraak, maar aan zijne zeldzame verdiensten te danken had. Intusschen, de voorspoed had hem niet ijdel of trotsch gemaakt: ja zelfs, terwijl de meeste andere officieren er prijs op stelden, om in hunne uniformen te pronken, droeg hij het krijgsmansgewaad niet dan wanneer de dienst zulks voorschreef, en vertoonde hij zich liefst in een eenvoudigen, maar keurig netten zwarten rok, met pantalon, zijden vest en kousen van dezelfde kleur; en, daar zijne tengere gestalte, een zacht blauw oog, en een blankheid, welke eene jonge juffer zoude benijd hebben, hem alles behalve een krijgshaftig uitzicht gaven, zoude men hem allicht voor een jongen geestelijke hebben kunnen aanzien, had niet zijn uitgeplooide jabot, zijn lange witte das, met een schitterende juweelen speld op het hemdslinnen vastgemaakt, en de keurig gewerkte gouden kuit- en schoengespen hem eerder het voorkomen van een gezantschaps-secretaris of auditeur gegeven. Aan hoogst beschaafden toon en manieren paarde Klein een grondige kennis, welke zich niet slechts tot het vak, waarin de omstandigheden hem gebracht hadden, bepaalde, maar wezenlijk algemeen mocht genoemd worden. Zijne conversatie was altijd aangenaam en meestal leerzaam tevens, want hoe jong hij nog wezen mocht (hij telde toen even vijf en twintig jaren), hij had veel gezien en bijgewoond, en het tijdperk, dat hij beleefd had, was meer dan eenig ander vruchtbaar in rijke en groote gebeurtenissen, en wel geschikt om aan menigen jongeling grootere ondervinding mede te deelen, dan in gewone dagen zelfs grijsaards kunnen verwerven. Maar in alle tijden zoude Klein, met zijn vlug verstand, veel omvattende kunde en beminnelijke hoedanigheden, zich de achting en vriendschap verworven hebben van al, wie zijn omgang mocht genieten. Wat mij betrof, die toen nog eenige jaren jonger was dan hij, ik stelde er hoog belang in, zijne kennis aan te kweeken, en was niet weinig trotsch op de welwillendheid, welke hij mij bewees. Meermalen toch, wanneer ik, na het gebruiken van het bad, op mijne gewone plaats in ’t zonnetje gezeten was en de meer gelukkigen dan ik, als bonte vlinders voor mij heen en weer zag wandelen, gebeurde het, dat hij zich van de uitgelezenste en aanzienlijkste gezelschappen afscheidde, om zich naast mij neder te vlijen, en een uurtje met mij, armen verlamde, te keuvelen.

Eens had ons onderhoud zich zoo lang uitgestrekt, dat alleen de verschijning der draagstoel, welke mij naar mijn logement terug moest brengen, ons herinnerde, dat het tijd was te scheiden.—„Kom!” zeide hij met een minzamen lach, „ik heb u heden wat laat opgehouden, en ons onderwerp is nog lang niet uitgepraat. Wat dunkt u, indien wij het morgen aan tafel voortzetten?”

„Ik verlang niets liever,” was mijn antwoord: „maar daar ik te weinig mobiel ben om mij naar uw kwartier te verplaatsen, zult gij mij het genoegen dienen te doen, van mijn gast te wezen.”

„Met genoegen,” zeide hij; „waar eet gij?”

„Aan mijn hotel, bij Mad. D., klokke één uur.”

„Ik zal er zijn,” hernam hij, mij de hand tot afscheid gevende; „sans adieu, tot morgen.”

„Maar ééne zaak moet ik u verzoeken,” zeide ik, mij de gewoonte mijner dischgenooten herinnerende; „vergeet niet, in monteering te komen.”

„In monteering? en waarom dat?” vroeg Klein, met dezelfde woorden, welke Almaviva tegen Figaro bezigt.

„Omdat mijn Pruisische tafelvrienden ongaarne iemand toelaten, die alsPekingekleed is, en gij u wellicht onaangenaamheden op den hals zoudt halen.”

„Bah!” riep Klein, met een gullen glimlach, doch waarin iets ongeloovigs gemengd was; „gij weet,” vervolgde hij, na een oogenblik zwijgens, „dat ik niet van dien onnoodigen opschik houd.”

„’t Is waar,” hernam ik: „maar zonder u eenige les te willen geven, ’t geen mij zeer slecht passen zou, wat hebt gij er aan, om.... om....”

„Om ruzie te zoeken, meent gij,” viel Klein in, ziende dat ik eene uitdrukking poogde te vinden, welke hem niet kwetsen mocht, „wees gerust, ik heb nog nooit ruzie gezocht, maar evenmin zie ik reden om van mijn vrijheid afstand te doen en van toilet te veranderen ter voldoening aan de grillige luim uwer dischgenooten. Nogmaals, tot morgen.”

Na dit afscheid kon er wel geen twijfel meer bij mij bestaan, dat Klein besloten had, zich aan de gedane waarschuwing niet te storen, het interdict, door de Pruisen tegen alle burgerkleeding uitgesproken, te trotseeren, en er de gevolgen van af te wachten. Evenmin twijfelde ik aan den moed van mijn Rigaschen vriend: ik was overtuigd dat hij zich niet straffeloos zoude laten beleedigen, en niet zonder bezorgdheid zag ik den uitslag van een hoogstwaarschijnlijk tweegevecht te gemoet; want hoe wakker, vlug en behendig Klein ook wezen mocht, hij scheen mij toch bij lang niet opgewassen tegen de ijzervreters, die zich aan detable d’ hôtevereenigden.

Den volgenden dag verbeidde ik dan ook zijne komst met die koortsachtige nieuwsgierigheid, welke zich van ons meester maakt zoo dikwerf een belangrijke doch hachelijke gebeurtenis op handen is. Somtijds wenschte ik wel, dat ik de uitnoodiging niet gedaan had, of dat het een of ander toeval mijn vriend verhinderen mocht daarvan gebruik te maken; maar spoedig maakte die opwelling weder plaats voor het verlangen, om te weten op welke wijze hij zich zoude gedragen in de moeilijke positie, welke hem te wachten stond.

Het etensuur naderde. Reeds had ik een geruimen tijd op mijne, door ancienniteit verworven, plaats aan het boveneinde der tafel gezeten: reeds begon zich de eene snorbaard na den anderen in de eetzaal te vertoonen, de pijpen werden al weggezet en de vluchtig in de hand genomen dagbladen op zijde geworpen: de eene stoel voor, de andere na, werd door zijn gewonen bezitter ingenomen; alleen die naast mij leunde nog voorover tegen de tafel, ten teeken dat zij besproken was, en ik begon reeds mij zelven af te vragen, of Klein ook bij nadere overdenking, beter geacht had niet te komen. Daar ging de etensbel! Ieder zette zich; de kelners rukten aan met de kokende soep—en ziet: onmiddellijk achter hen, trad mijn vriendde zaal in, zoo net alsof hij uit een doosje kwam, doch, gelijk ik trouwens verwachtte, in een kleeding, waaronder Lavater zelf geen krijgsman herkend zou hebben.

Daar, gelijk ik reeds zeide, mijne plaats aan het hooger einde der vrij lange tafel was, moest Klein die geheel langs loopen om naast mij te komen, en kon zijn verschijning des te minder onopgemerkt blijven. Ik merkte dan ook dadelijk op, hoe menige wenkbrauw zich fronste, hoe menige zijdelingsche wenk door de officieren onderling gewisseld en menige glimlach over de aanstaande pret, welke men zich voorstelde, ter nauwernood werd onderdrukt. Klein was intusschen den afstand, die de deur van mijn plaats scheidde, met een bedaarden tred ten einde geloopen, de aanwezigen nu en dan met een bescheiden en minzame hoofdbuiging groetende. Alleen trof het mij, dat de uitdrukking der helderblauwe oogen, welke hij in ’t voorbijgaan op hen richtte, hoe beleefd ook, toch iets onderzoekends had, als wilde hij zich vergewissen met welk slag van menschen hij zou aanzitten.

Recht tegenover mij was zekere ritmeester Voss gezeten, een krachtig gespierde forsche krijgsman, met een gelaat of het uit brons gegoten was, en knevels van eene buitengewone lengte en breedte: een man, die altijd en bij alle gelegenheden het hoogste woord voerde, die meer dan een zijner kameraden het stelsel van uitsluiting tegen allePekinshad doorgedreven, wien de uniform aan ’t lijf gegroeid scheen, zoodat het mij niet verwonderd zou hebben, indien mij verhaald ware geweest, dat hij er in sliep;—in ’t kort, een sprekend tegenbeeld van mijn vriend Klein. Aan de table d’hôte oefende hij de volkomenste heerschappij uit; want geen zijner medeofficieren was er op gesteld met hem in twist te raken: de bedienden sidderden voor hem en vlogen op zijn wenken; het was dan ook die man, van wien ik verwachtte, dat het sein zoude gegeven worden om mijn armen vriend de stoutheid in te peperen, waaraan hij zich had schuldig gemaakt.

Ik bedroog mij niet. Nauwelijks had Klein mij de hand gedrukt en plaats genomen, of de ritmeester Voss zag den Oberkelner aan en wierp toen, schoon bijna onmerkbaar, een zijdelingschen blik op den nieuw aangekomen gast. Die wenk, hoe snel ook gegeven, was echter bemerkt en begrepen geworden, zoowel door hem, tot wien hij gericht was, als door hem, die er het slachtoffer van wezen moest. De soep werd gediend: ik bekwam het eerste bord: mijn buurman werd overgeslagen: ik bood hem mijne portie aan; doch nauwelijks had hij er zijn lepel in gedoopt, of, op een nieuwen wenk van Voss, nam hem een knecht het volle bord voor den neus weg. Gelijk met de soep, zoo ging het met het vleesch, met de groenten, met de pudding, in ’t kort, met alles; en slechts bij toeval, of wanneer deze of gene kelner wat onhandig was in ’t snel verruilen der borden, kon het Klein gelukken een mondvol van het een of ander behouden binnen te brengen. Gewis had Sancho op het eiland Barataria geen zoo slechten maaltijd gedaan als nu mijn vriend, die niet eens, als Sancho, den troost had, dat de genomen maatregel uit zorg voor zijn gezondheid plaats had.

In weerwil dier teleurstelling, of wel misschien, omdat hij voorzien had, wat er gebeuren zoude, en het slechte maal, dat hij genoot, dus niet als teleurstelling beschouwde, bleef Klein bedaard en zelfs even opgeruimd als altijd, onderhield zich met mij over de nieuwtjes van den dag, en gedroeg zich, zoolang de maaltijd duurde, als bemerkte hij niets van de tegen hem in ’t werk gestelde uithongeringsmaatregelen. Met nieuwsgierigheid sloegen zijn overburen hem gade; maar de schijnbare onverschilligheid, welke hij voorwendde, strekte slechts om hen des te feller te maken in den oorlog, welken zij aan zijn maag hadden verklaard. Ik had een flesch Rudesheimer besteld; maar na lang toeven kwam de kelner, aan wien zeker de ritmeester Voss zijn les had voorgezegd, mij in ’t oor fluisteren, dat de dokter mij den wijn verboden had (’t geen ook waar was), „en aan dien heer ook,” voegde hij wat luider, met een half lachend, half benauwd gezicht er bij.—„Welnu! dan zullen wij water drinken,” zeide Klein met den goedhartigsten glimlach van de wereld: en zette terstond het gesprek weder voort over onverschillige dingen.

Zoo duurde het tot het nagerecht op tafel was, en Klein als door tooverij de onder zijn bereik staande schaaltjes in een oogenblik door de vaardigheid zijner buren van peren, pruimen, abrikozen en wat er verder geschaft was, ontledigd zag. Toen eerst stond hij op, nam mij bij de hand en beet mij zachtjes toe: „ik heb van middag slecht gegeten, maar die man daarover (hier wees hij op den ritmeester Voss), zal morgen nog een slechteren maaltijd hebben, en op zijn nagerecht zal hij zich althans niet beroemen. Wees zoo goed en bewaar mij morgen deze zelfde plaats.”—Dit gezegd hebbende, vertrok hij, in ’t heengaan even kalm en vreedzaam rondziende en even bescheiden groetende, als hij bij ’t komen gedaan had.

„Ik denk niet, dat wij spoedig de eer zullen hebben uw vriend weder hier te zien!” riep, zoodra Klein verdwenen was, de Pruisische ritmeester mij over tafel toe, terwijl hij zijn grootenMeerschaumstopte.

„Integendeel, Ritmeester!” antwoordde ik; „ik wacht hem morgen weer terug.”

„Verd....! dan heeft de man courage en is met weinig tevreden,” hernam Voss. „Wat mag de vent zijn? zeker een Commis-voyageur of een gouverneur bij eene adellijke familie?”

„Ik heb u gezegd, dat hij morgen terugkomt, Ritmeester,” zeide ik droogjes weg, „dan kunt gij het hem zelf vragen.—Tot de eer van u weder te zien.”

En meteen liet ik mij uit de zaal en naar mijn kamer rollen, met nog meerder ongeduld dan te voren den volgenden dag afwachtende.

Wederom was de disch gespreid: wederom waren de gasten om de tafel vergaderd: wederom luidde de etensbel en wederom trad Klein de zaal binnen; maarquantum mutatus ab illo!Niet meer in de eenvoudige burgerkleeding van den vorigen dag verscheen hij thans, maar in de prachtige, met goud gestikte en geborduurde rusting van zijn rang, de hooggewelfde borst met ordeteekenen overladen, den zwaren pallas aan de zijde en den gordel met rijk gemonteerdepistolen voorzien. Achter hem volgden twee reusachtige, zwaargebaarde kozakken; met dezen onderhield hij zich een oogenblik, terwijl hij hen met den vinger op den ritmeester Voss wees, en stapte toen, de tafel langs, naar zijne zitplaats.

„Wel!” zeide ik, „gij hebt het vandaag beter overlegd om goed bediend te worden.”

„Stil!” zeide hij, een blik op onzen overbuurman werpende, „en let op het diner van den Ritmeester. Kelner! een bord soep en een flesch bourgonje.”

Deze reis toonden zich de knechts even gedienstig als zij den vorigen dag onbeleefd waren geweest en zochten, door beleefde voorkomendheid jegens den Adjudant van generaal Wittgenstein, weder goed te maken wat zij tegen den onbekenden burgerman verkorven hadden. Maar minder lette ik hier op, dan op het kluchtige schouwspel, dat zich aan de overzijde vertoonde. Rechts en links achter den ritmeester Voss had zich een der kozakken geplaatst om den last uit te voeren, hun door Klein gegeven: een last, die in deze korte waarschuwing was vervat geweest: „Indien de ritmeester Voss een enkele bete of een enkele teug van wat het ook zij in den mond neemt, schiet ik u dood.”—Men kent de onbepaalde gehoorzaamheid, welke de Russen aan hunne superieuren bewijzen en bovendien, de kozakken zagen hun officier vlak tegenover zich, met twee geladen pistolen in den gordel, waarvan hij zich—ook dit wisten zij—bij de minste onachtzaamheid hunnerzijds, zonder complimenten bedienen zoude, om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen. Was het wonder, dat zij een streng toezicht hielden, en dat noch van de rechter-, noch van de linkerzijde een schotel onder het bereik des Ritmeesters kwam? Vergeefs zat deze zich te verbijten van woede: vergeefs riep hij de kelners een voor een bij name toe, om hem eten te bezorgen: de meesten hunner hadden te veel ontzag voor de norsche satellieten, die achter zijn zetel stonden, om zich in hunne nabijheid te wagen; en was er soms een, die, uit ouden eerbied voor den Ritmeester, aan de oproeping gehoorzaamde en hem een bord met spijs voorzette, dan was het altijd weggehaald eer hij, voor wien het bestemd was, had kunnen zien wat het bevatte.

Opmerkenswaardig voor ’t overige was de diepe stilte, welke aan de geheele tafel, bij de anders zoo luidruchtige gasten heerschte. Voorzeker had het hun geen moeite gekost zich te vereenigen en gezamenlijk de kozakken ter deure uit te werpen; maar het was, of de plotselijke verschijning van Klein allen, ik zeg niet met schrik geslagen, want het waren moedige kerels, maar in beelden veranderd had: zoo onbeweeglijk zaten zij hem en den Ritmeester aan te gapen. Gewis gevoelden zij het billijke der zonderlinge weerwraak, door den Rus genomen, en daar zij bijna zeker konden nagaan wat daarvan het gevolg zoude zijn, begrepen zij waarschijnlijk, dat het hun niet paste tusschenbeide te komen, maar dat zij het aan Voss moesten overlaten, zich de noodige voldoening te verschaffen.

Wat Klein betrof, deze haalde zijn schade in van den vorigen dag, at en dronk voor vier en onderhield zich met mij over onverschilligezaken, op even vroolijken en ongedwongen toon als anders, terwijl hij zich vergenoegde, nu en dan een blik op de kozakken te slaan, om zich te overtuigen, dat zij aan den hun opgedragen last voldeden. Eindelijk, toen het middagmaal was afgeloopen en het nagerecht stond te worden opgebracht, begreep hij dat het tijd werd om het koddige blijspel, tot nu toe gespeeld, te doen ophouden, en het treurspel te doen aanvangen. Hij rees overeind, en, Voss vlak in ’t aangezicht ziende: „heeft u de maaltijd wel gesmaakt?” vroeg hij hem overluid.

„Schwernaut!” was alles wat de woedende Ritmeester kon uitbrengen, terwijl hij oprees, met de gebalde vuist op de tafel sloeg, en zijn gebronsd gelaat de kleur van rood koper aannam.

„Ik ben thans bereid u het dessert toe te dienen,” hernam Klein, zich buigende en tevens een teeken aan de kozakken gevende, dat zij zich konden verwijderen.

De Ritmeester antwoordde geen syllabe, maar greep naar zijn hoed en gaf een wenk, die zooveel wilde te kennen geven, als dat hij gereed was; waarna hij een der in zijne buurt zittende officieren op den schouder tikte. Deze begreep de zwijgende uitnoodiging, rees op en maakte zich gereed om mede te gaan.

„Mijn getuige wacht ons reeds buiten,” zeide Klein: „derangeertu niet, mijne Heeren!” vervolgde hij tot de overige officieren, waarvan sommigen insgelijks onwillekeurig waren opgestaan. „Vaarwel! B.!” mij met een hoofdknik groetende, „ik ben terstond weder hier.”

Met deze woorden vertrok hij, terwijl Voss en diens getuige hem onmiddellijk volgden. Ieder hernam zijn plaats en wachtte, terwijl men het nagerecht opbracht, met gespannen verwachting wat de uitslag wezen zoude van den kamp, die buiten plaats had.

Geen tien minuten waren er verloopen, of Klein keerde, maar thans geheel alleen, terug. Aller oogen waren op hem gevestigd; maar zijn kalme en effene gelaatstrekken waren even ondoordringbaar als altijd. Intusschen, zijne terugkomst zelve zeide, na hetgeen voorgevallen was, reeds genoeg.

Hij nam weder aan mijne zijde plaats, schonk zich in, at van de fruit, die hem werd aangeboden, en hervatte ons gesprek waar hij het had afgebroken, als ware er nooit een ritmeester Voss in de wereld geweest. Eerst des avonds, na zijn vertrek, vernam ik, ’t geen ik trouwens wel vermoedde, dat de Pruis, en wel op het eerste schot, levenloos gevallen was. Toen zijne makkers zich over het gebeurde bij den Veldoverste beklaagden, haalde deze de schouders op, zeide, dat Voss zijn verdiende loon ontvangen had en dat hij hoopte, dat het voorval ook hun tot les zoude verstrekken.

Tweegevechten waren voor ’t overige te dien tijde zoozeer aan de orde van den dag, dat men spoedig de geheele gebeurtenis vergat, of er althans niet meer van gewaagde.

Nog eenmaal, en wel op den volgenden dag, verscheen Klein aan detable d’hôtevan Mad. D.; doch deze reize wederom in burgerkleeding. Niemand kreeg in ’t hoofd hem in zijn maaltijd te storen.

Maria van Bourgondië.Scheen er ooit een Vorstin door haar geboorte bestemd om een schitterende rol op het wereldtooneel te vervullen, dan was het gewis de dochter van Karel den Stoute. Andere rijken inEuropamochten het in uitgebreidheid van het zijne winnen: niet één was er, hetwelk zulk een keur van vruchtbare en door natuur of ligging bevoorrechte Vorstendommen, zulk een aantal groote, bevolkte en machtige steden, zulk eene menigte welgelegene havens, zooveel bronnen van welvaart, zooveel handel, nijverheid en landbouw vereenigde, als het gebied, dat hij door erfrecht verkregen, of door de wapenen aan zich onderworpen had. Tot dat gebied toch behoorden, behalveBourgondië, Fransch Comtéen de overige erflanden van het Bourgondische Huis, al de bezittingen, die vroeger, ’t zij aan de Hertogen vanBrabant, vanGelreen vanGulik, ’t zij aan de Bisschoppen vanLuiken vanUtrecht, ’t zij aan de Graven vanVlaanderen, vanHenegouwen, vanHolland, ’t zij aan de Heeren vanFriesland, vanMechelenen van zoovele andere landschappen of steden waren onderworpen geweest. En toch, toen de held, die geheelEuropamet den roem van zijn naam vervulde, toen de fiere en machtige Vorst, die reeds van een Koningskroon droomde, in den strijd voorNancygevallen was en zijn heerschappij aan zijn een en twintigjarige dochter overliet, kon men zeggen dat haar eenig erfdeel bestond in de bloote titels, die zij voerde. ImmersBourgondiëenFransch Comtéwaren reeds vermeesterd door de wapenen, maar vooral door het goud van den onverzoenlijken tegenstander haars vaders, den sluwen Lodewijk XI, die haar dringen wilde, zich te verloven aan den zevenjarigen Dauphin, terwijl, van de andere zijde, de Keizer vanDuitschland, Frederik III, reeds zijne legers samentrok om haar te noodzaken, aan haars vaders woord gestand te doen en zijn zoon Maximiliaan te huwen. En had zij nog maar alleen de geheime lagen of het geweld van buitenlandsche vijanden te vreezen gehad; maar gevaarlijker nog dan dezen voor haar gezag, waren haar eigen onderzaten. De dood van den gevreesden Karel was het sein tot hernieuwing dier tooneelen van oproer en tegenstand, welke zijn krachtige arm zoo vaak beteugeldhad. TerwijlHolland, den hulpeloozen toestand der arme Jonkvrouw misbruikende, haar dat beruchte Groot-Privilege afperste bij ’t welk haar, ’s Lands wettige Gravin, de vrijheid ontnomen werd van buiten toestemming van ’s Lands Staten te trouwen, van schattingen te eischen, van munt te slaan, van tollen te heffen, van recht uit te oefenen, van dagvaarten te beschrijven, in ’t kort, van eenige daad van souvereiniteit te verrichten, haasteden zich de altijd woelige Gentenaren de door Karel aangestelde overheidspersonen af te zetten, eenigen der aanzienlijkste Edelen door beulshanden te laten ombrengen, aan Maria de teruggave af te dwingen van hunne vroeger verbeurd verklaarde voorrechten en vrijheden, in één woord, geheel den meester over haar te spelen.Haar eenige hoop op uitkomst scheen gelegen in het aantal zelfs harer onderdrukkers en in hunne verschillende inzichten en belangen, die onvermijdelijk tot onderlingen twist moesten leiden. Weldra borst die twist dan ook geweldig uit. Lodewijk XI namelijk had een gezantschap naar Maria gezonden, zoo ’t heette, om haar van zijn deelneming in haar verlies te verzekeren, doch eigenlijk om het vuur des oproers levendig te houden. En dan nog welk een gezantschap? Aan een dochter van Karel vanBourgondië, aan een Vorstin uit den Huize vanFrankrijkzond hij, in stede van een zijner Staatsdienaren of Rijksgrooten, Olivier Le Daim, zijn barbier!—Dan onder al haar wederwaardigheden verloochende Maria haar rang en afkomst niet, weigerde Lodewijks boosaardigen vertrouweling te zien, en liet hun weten, dat zij vooreerst noch lating, noch Spaansche vlieg behoefde. Niet veel echter bekommerde zich de baardschraper over deze afwijzing; de bedoelingen, waarmede hij gekomen was, konden daarom evengoed bereikt worden; en, Maria’s Staten rondreizende, wist hij, zoo inVlaanderenals inHenegouwen, onderscheidene steden voor ’s Konings belang te winnen.De Gentenaren echter, die het hierin met hun Vorstin eens waren, dat zij van geene Fransche overheersching gediend bliefden, zonden van hunne zijde een Gezantschap aan Lodewijk, en verzochten hem, zijn vordering van Maria’s hand voor zijn zoon te laten varen en vooral geen oorlog tegen haar te voeren; daar niet Maria, maar de Staten des Lands de regeering op zich genomen hadden. Lodewijk toonde hun aan, dat hun voorgeven logenachtig was, en dat de Hertogin aan hare moeder Margaretha, aan de Heeren van Himbercourt en Hugonet en aan Adolf van Kleef, volmacht gegeven had tot het bestuur. Hierdoor werden de Gentenaren zeer verbitterd en beschouwden zich als bedrogen door hun Hertogin. Himbercourt en Hugonet werden door het gepeupel gegrepen, op de pijnbank gebracht en op het schavot onthoofd, ondanks de tranen van Maria, die in persoon de oproerlingen om het leven van haar staatsdienaars kwam bidden.Intusschen zagen de Vlamingen een oorlog tegenFrankrijkop handen en daarom ook naar een bekwaam krijgshoofd om, die hen ten strijd zou voeren. Nu bevond zich in den kerker vanKortrijkdie Adolf van Egmond, die vroeger zijn vader Aernout met geweldvanGelreszetel gestooten, in den kerker gesmeten en wiens Hertogdom Karel de Stoute zich toegeëigend had. Op dezen woesteling sloegen de Gentenaren ’t oog, haalden hem uit zijn gevangenis, stelden hem aan het hoofd van hun leger, ja zeiden hem zelfs, ter belooning voor de diensten, die zij van hem verwachtten, de hand toe hunner Hertogin.Met drift greep Adolf de gelegenheid aan om de verloren macht te herwinnen en, na jaren van diepe vernedering, met des te schitterender luister weder voor den dag te treden. Immers, de Gelderschen, die, nog steeds aan hem gehecht, in hem den ontaarden zoon voorbijzagen om alleen den wettigen Vorst uit het oude stamhuis in hem te eeren, hadden hem opnieuw tot hun Heer uitgeroepen, en, zoolang zijn afwezigheid duren moest, het bestuur der zaken aan zijne zuster Katharina opgedragen. Wat had niet Maria van den heerschzuchtigen onverlaat te vreezen, als deze, gelijk men verwachten kon, inVlaanderenoppermachtig werd en dan eerlang naar hare hand zou dingen. Gelukkig voor haar echter werden Adolfs heerschzuchtige droomen niet verwezenlijkt: reeds bij zijn eerste krijgsverrichting, een aanval op de stadDoornik, sneuvelde hij met de wapens in de hand en onder het uiten van zijn oorlogskreet: „Gelre! Gelre!” Een dood, meer roemrijk dan hij had mogen hopen of verdienen; doch die Maria’s hart, dat van zulk een echtgenoot gruwde, met blijdschap vervulde.Nu zond Keizer Frederik een statig Gezantschap, uit Bisschoppen en Rijksvorsten samengesteld, naarGent, om de hand der Hertogin plechtig af te vragen. Intusschen had zich een ander mededinger daarvoor opgedaan, namelijk de zoon van Hertog Jan van Kleef. Deze laatste, die zich binnen de stad ophield, stelde alle middelen in ’t werk om Maria te overreden, dat zij ’s Keizers voorstel in beraad zou houden. Maria echter had reeds haar besluit genomen, en, zoomin als haar vader of grootvader, was zij van wat zij eenmaal bepaald had af te brengen. Toen derhalve het Gezantschap, ter volle raadsvergadering toegelaten, haar den verlovingsbrief vertoonde, met den diamant, welken zij vroeger, op last haars vaders, aan Maximiliaan gezonden had, en haar vroeg of zij dien erkende, antwoordde zij ronduit, dat zij zulks van ganscher harte deed. Al de omstanders waren verbaasd, Hertog Jan en de Kleefschen niet weinig verslagen, en de Gezanten verrukt over deze rondborstige verklaring. Van dit tijdstip af ging alles als van zelf. De Raad van Regeering zoowel als de Staten bekrachtigden de toestemming der Vorstin, en deze werd met den Hertog van Beijeren, namens Maximiliaan, ondertrouwd. Weldra kwam de bruidegom zelf met een gevolg van twaalfhonderd Vorsten en Edelen. Hij zelf was op ’t schitterendst uitgedost in een zilveren harnas met goud ingelegd, en, gelijk zijn gevolg, met den Bourgondischen sluier omhangen. Den 18denAugustus werd het huwelijk voltrokken, en Maximiliaan in het volgende jaar plechtig als Momboir of Voogd van Vrouw Maria, in haar Staten erkend.De stap, door Maria zoo onverhoeds gedaan, met die vaste beradenheid,eigen aan het geslacht, waar zij uit sproot, was niet slechts gerechtvaardigd door de omstandigheden, waarin zij zich bevond, maar ook door de persoonlijke hoedanigheden van den man, aan wien zij haar toekomstig lot vertrouwde. Maximiliaan werd alom, wegens zijn zachtmoedig, bedaard en minzaam karakter, zoowel als wegens zijn goed verstand en oordeel geprezen. In den oorlog was hij dapper en ervaren, en door eene bijzondere tegenwoordigheid van geest onderscheiden. Aan het Duitsche hof, waar velen, ook onder de aanzienlijkste Edelen, aan brasserij en dronkenschap waren overgegeven, onderscheidde hij zich door matigheid in spijs en drank; kunsten en wetenschappen beschermde hij, en in de muziek was hij zeer bedreven. Zijn hoofdgebrek was een al te groote toegeeflijkheid, die somtijds in zwakheid en ongestadigheid ontaardde.Nu door deze echtverbintenis het bestier van lands- en krijgszaken weder onder één opperhoofd gebracht was, en alles een geregelder gang verkreeg, herstelde zich spoedig het krijgsgeluk, dat Maria den rug had toegekeerd. Lodewijk zag zich genoodzaakt een bestand te sluiten enBourgondiëte ontruimen. MetEngelandwerd een verbond van vrijen handel aangegaan, en de betrekkingen ook met de overige naburen op een vasten voet gebracht.In het jaar 1478, den 20stenJuni werd aan Maria een zoon geboren, die later bestemd was om onder den naam van Filips I, de kronen vanKastiliëenArragonte voeren.WasVlaanderennu tot rust gekeerd, en eerbiedigden de Zuidelijke gewesten Maria’s heerschappij, in het Noorden was deze nog zoo licht niet te vestigen. InHollandwerd de tegenstand voornamelijk gevoerd door de Hoekschen, daarin gesterkt door Maria’s Stedehouder zelven, Wolfert Van Borselen. Reeds onmiddellijk na Karels dood hadden zij, in de meeste steden, hunne tegenpartij uit de regeering weten te krijgen; thans had deze de overhand weder bekomen en op sommige plaatsen, als te Leiden en te Haarlem, de Hoekschen ter stad uitgedreven. Vergeefs was het, dat Borselen teRotterdameen dagvaart beschreef van Edelen en Steden: de Baljuw der stad, Jan Van Reimerswael, niet zonder reden beducht, dat de dagvaart zelve meer aanleiding tot tweespalt dan tot herstel der rust zou geven, liet de poorten bezetten, weigerde den intocht aan de Afgevaardigden der Hoeksche steden, en verzocht den Stadhouder zelven de stad te verlaten. Hieruit ontstond nieuwe verbittering: al de steden, vooral’s-Gravenhage, werden tooneelen van gestadige vechtpartijen. De valkeniers van den Stadhouder, die Hoeksgezind waren, schoten uit de ramen van hethofop de Kabeljauwschen, die, op hunne beurt, door de Haarlemmer, Leidsche, Delftsche en Amsterdamsche poorters ondersteund, het Hof overvielen en plunderden. Borselen hernam het, doch zag zich kort daarop genoodzaakt het aan zijn tegenpartij over te geven, en naarRotterdamte wijken, ’t welk hij intusschen bemachtigd had, en waar hij zijn hof vestigde. Ook daar kon hij het niet houden, en trok naar zijn stadVeere, Rotterdamter bewaring latende aan Joris, Bastaard van Brederode.InGelderlandwas het inmiddels even weinig rustig. Inweerwil hunner verslagenheid over den dood van Adolf, hadden de Staten van dat Hertogdom terstond het besluit genomen om zijne zuster Katharina met het voortdurend bestier en tevens met de voogdij over zijne onmondige kinderen te belasten. Te gelijk was door hen een gezantschap gezonden aan Lodewijk XI, die, daar beloften hem nooit iets kostten, hun zijne ondersteuning tegen Maximiliaan toezeide. Intusschen begeerde Willem Van Egmond, Hertog Aernouts broeder, de voogdij over zijn achterneven, en maakte zich meester vanArnhem, terwijl de Hertog vanKleef, die toch eenig deel begeerde van de erfenis van Karel den Stoute, nu de hand van Maria zijn zoon was ontgaan, dezen laatste tot Hertog vanGelrewilde doen aannemen. En, als had men nog geen Heeren genoeg, het GraafschapZutfenwerd door de Staten verpand aan Hendrik Van Schwartsenberg, Bisschop vanMunster, en deze kort daarop tot beschermer van het gansche Hertogdom aangenomen; terwijl de jonge Karel, Adolfs zoon, als Hertog erkend werd.Het was Maximiliaan, nog voortdurend metFrankrijkin krijg gewikkeld, langen tijd onmogelijk zijn tegenstanders binnen ’s lands te beteugelen: eindelijk echter liet hem de overwinning, bijGuinegateinArtoisop Lodewijk behaald, de handen vrij. NaarHollandovergekomen, en door de Kabeljauwschen wel ontvangen, ontsloeg hij Borselen van zijn Stadhouderschap, ’t welk hij opdroeg aan Joris Van Lalaing;—en de rust eenigszins hersteld ziende, maakte hij een verdrag met Katharina van Gelre, waarbij zij de rechten zijner Gemalin op het Hertogdom erkende en zich tevreden stelde met de stad en voogdij vanGelderlevenslang te behouden.Leidenwerd intusschen door de Hoekschen onder Broekhuizen, het HoeksgezindeDordrechtdaarentegen door de Kabeljauwschen onder Jan van Egmond bemachtigd, die kort daarna zich ook vanGouda, SchoonhovenenOudewatermeester maakte. Maximiliaan, weder inHollandgekeerd, bekrachtigde het door Egmond en de Kabeljauwsche partij verrichtte, liet de vierschaar spannen over de Hoekschen, verscheidenen uitbannen en sommigen onthoofden. Door deze gestrengheid werd de rust inHollandhersteld, ofschoon de burgerkrijg in hetStichtte heviger bleef woeden. Weldra onderwierpen zich de Geldersche Staten, van alle zijden bestookt, aan den Aartshertog, die nu met zijn Gemalin in de meeste steden plechtig werd gehuldigd. Wel bleefArnhemnog in handen van Jan van Kleef; maar het liet zich aanzien, dat die stad, zoowel als hetSticht, op den duur aan de zegevierende wapenen van Maximiliaan geen weerstand zoude kunnen bieden. Maria had haar gezag nagenoeg gevestigd gezien, en de tijd scheen voor haar gekomen, dat zij, na zooveel stormen en gevaren in rust en vrede het geluk zou kunnen smaken, dat haar als gade, als moeder en als vorstin tegenlachte, en dat zij zoowel verdiende. Dan helaas! zij mocht alleen den dageraad van die blijde toekomst beleven. BuitenBruggeuitgereden, stortte zij van ’t paard en bezeerde zich deerlijk aan het been. Nog zou de kunst wellicht middelen tot haar herstel hebben gevonden, had vrouwelijke kieschheidhaar niet weerhouden om de bekomen kwetsuur aan de beschouwing en het onderzoek der heelmeesters te onderwerpen. Dit had ten gevolge, dat de gewonde deelen, niet naar behooren verzorgd, spoedig door het koudvuur werden aangetast, en zij, weinige dagen na haren val, den 27stenMaart 1482, in nauwelijks zes en twintigjarigen ouderdom binnenBruggeoverleed, tot groote droefheid van haar echtgenoot, die haar teeder beminde en altijd met hartelijke genegenheid herdacht.

Scheen er ooit een Vorstin door haar geboorte bestemd om een schitterende rol op het wereldtooneel te vervullen, dan was het gewis de dochter van Karel den Stoute. Andere rijken inEuropamochten het in uitgebreidheid van het zijne winnen: niet één was er, hetwelk zulk een keur van vruchtbare en door natuur of ligging bevoorrechte Vorstendommen, zulk een aantal groote, bevolkte en machtige steden, zulk eene menigte welgelegene havens, zooveel bronnen van welvaart, zooveel handel, nijverheid en landbouw vereenigde, als het gebied, dat hij door erfrecht verkregen, of door de wapenen aan zich onderworpen had. Tot dat gebied toch behoorden, behalveBourgondië, Fransch Comtéen de overige erflanden van het Bourgondische Huis, al de bezittingen, die vroeger, ’t zij aan de Hertogen vanBrabant, vanGelreen vanGulik, ’t zij aan de Bisschoppen vanLuiken vanUtrecht, ’t zij aan de Graven vanVlaanderen, vanHenegouwen, vanHolland, ’t zij aan de Heeren vanFriesland, vanMechelenen van zoovele andere landschappen of steden waren onderworpen geweest. En toch, toen de held, die geheelEuropamet den roem van zijn naam vervulde, toen de fiere en machtige Vorst, die reeds van een Koningskroon droomde, in den strijd voorNancygevallen was en zijn heerschappij aan zijn een en twintigjarige dochter overliet, kon men zeggen dat haar eenig erfdeel bestond in de bloote titels, die zij voerde. ImmersBourgondiëenFransch Comtéwaren reeds vermeesterd door de wapenen, maar vooral door het goud van den onverzoenlijken tegenstander haars vaders, den sluwen Lodewijk XI, die haar dringen wilde, zich te verloven aan den zevenjarigen Dauphin, terwijl, van de andere zijde, de Keizer vanDuitschland, Frederik III, reeds zijne legers samentrok om haar te noodzaken, aan haars vaders woord gestand te doen en zijn zoon Maximiliaan te huwen. En had zij nog maar alleen de geheime lagen of het geweld van buitenlandsche vijanden te vreezen gehad; maar gevaarlijker nog dan dezen voor haar gezag, waren haar eigen onderzaten. De dood van den gevreesden Karel was het sein tot hernieuwing dier tooneelen van oproer en tegenstand, welke zijn krachtige arm zoo vaak beteugeldhad. TerwijlHolland, den hulpeloozen toestand der arme Jonkvrouw misbruikende, haar dat beruchte Groot-Privilege afperste bij ’t welk haar, ’s Lands wettige Gravin, de vrijheid ontnomen werd van buiten toestemming van ’s Lands Staten te trouwen, van schattingen te eischen, van munt te slaan, van tollen te heffen, van recht uit te oefenen, van dagvaarten te beschrijven, in ’t kort, van eenige daad van souvereiniteit te verrichten, haasteden zich de altijd woelige Gentenaren de door Karel aangestelde overheidspersonen af te zetten, eenigen der aanzienlijkste Edelen door beulshanden te laten ombrengen, aan Maria de teruggave af te dwingen van hunne vroeger verbeurd verklaarde voorrechten en vrijheden, in één woord, geheel den meester over haar te spelen.

Haar eenige hoop op uitkomst scheen gelegen in het aantal zelfs harer onderdrukkers en in hunne verschillende inzichten en belangen, die onvermijdelijk tot onderlingen twist moesten leiden. Weldra borst die twist dan ook geweldig uit. Lodewijk XI namelijk had een gezantschap naar Maria gezonden, zoo ’t heette, om haar van zijn deelneming in haar verlies te verzekeren, doch eigenlijk om het vuur des oproers levendig te houden. En dan nog welk een gezantschap? Aan een dochter van Karel vanBourgondië, aan een Vorstin uit den Huize vanFrankrijkzond hij, in stede van een zijner Staatsdienaren of Rijksgrooten, Olivier Le Daim, zijn barbier!—Dan onder al haar wederwaardigheden verloochende Maria haar rang en afkomst niet, weigerde Lodewijks boosaardigen vertrouweling te zien, en liet hun weten, dat zij vooreerst noch lating, noch Spaansche vlieg behoefde. Niet veel echter bekommerde zich de baardschraper over deze afwijzing; de bedoelingen, waarmede hij gekomen was, konden daarom evengoed bereikt worden; en, Maria’s Staten rondreizende, wist hij, zoo inVlaanderenals inHenegouwen, onderscheidene steden voor ’s Konings belang te winnen.

De Gentenaren echter, die het hierin met hun Vorstin eens waren, dat zij van geene Fransche overheersching gediend bliefden, zonden van hunne zijde een Gezantschap aan Lodewijk, en verzochten hem, zijn vordering van Maria’s hand voor zijn zoon te laten varen en vooral geen oorlog tegen haar te voeren; daar niet Maria, maar de Staten des Lands de regeering op zich genomen hadden. Lodewijk toonde hun aan, dat hun voorgeven logenachtig was, en dat de Hertogin aan hare moeder Margaretha, aan de Heeren van Himbercourt en Hugonet en aan Adolf van Kleef, volmacht gegeven had tot het bestuur. Hierdoor werden de Gentenaren zeer verbitterd en beschouwden zich als bedrogen door hun Hertogin. Himbercourt en Hugonet werden door het gepeupel gegrepen, op de pijnbank gebracht en op het schavot onthoofd, ondanks de tranen van Maria, die in persoon de oproerlingen om het leven van haar staatsdienaars kwam bidden.

Intusschen zagen de Vlamingen een oorlog tegenFrankrijkop handen en daarom ook naar een bekwaam krijgshoofd om, die hen ten strijd zou voeren. Nu bevond zich in den kerker vanKortrijkdie Adolf van Egmond, die vroeger zijn vader Aernout met geweldvanGelreszetel gestooten, in den kerker gesmeten en wiens Hertogdom Karel de Stoute zich toegeëigend had. Op dezen woesteling sloegen de Gentenaren ’t oog, haalden hem uit zijn gevangenis, stelden hem aan het hoofd van hun leger, ja zeiden hem zelfs, ter belooning voor de diensten, die zij van hem verwachtten, de hand toe hunner Hertogin.

Met drift greep Adolf de gelegenheid aan om de verloren macht te herwinnen en, na jaren van diepe vernedering, met des te schitterender luister weder voor den dag te treden. Immers, de Gelderschen, die, nog steeds aan hem gehecht, in hem den ontaarden zoon voorbijzagen om alleen den wettigen Vorst uit het oude stamhuis in hem te eeren, hadden hem opnieuw tot hun Heer uitgeroepen, en, zoolang zijn afwezigheid duren moest, het bestuur der zaken aan zijne zuster Katharina opgedragen. Wat had niet Maria van den heerschzuchtigen onverlaat te vreezen, als deze, gelijk men verwachten kon, inVlaanderenoppermachtig werd en dan eerlang naar hare hand zou dingen. Gelukkig voor haar echter werden Adolfs heerschzuchtige droomen niet verwezenlijkt: reeds bij zijn eerste krijgsverrichting, een aanval op de stadDoornik, sneuvelde hij met de wapens in de hand en onder het uiten van zijn oorlogskreet: „Gelre! Gelre!” Een dood, meer roemrijk dan hij had mogen hopen of verdienen; doch die Maria’s hart, dat van zulk een echtgenoot gruwde, met blijdschap vervulde.

Nu zond Keizer Frederik een statig Gezantschap, uit Bisschoppen en Rijksvorsten samengesteld, naarGent, om de hand der Hertogin plechtig af te vragen. Intusschen had zich een ander mededinger daarvoor opgedaan, namelijk de zoon van Hertog Jan van Kleef. Deze laatste, die zich binnen de stad ophield, stelde alle middelen in ’t werk om Maria te overreden, dat zij ’s Keizers voorstel in beraad zou houden. Maria echter had reeds haar besluit genomen, en, zoomin als haar vader of grootvader, was zij van wat zij eenmaal bepaald had af te brengen. Toen derhalve het Gezantschap, ter volle raadsvergadering toegelaten, haar den verlovingsbrief vertoonde, met den diamant, welken zij vroeger, op last haars vaders, aan Maximiliaan gezonden had, en haar vroeg of zij dien erkende, antwoordde zij ronduit, dat zij zulks van ganscher harte deed. Al de omstanders waren verbaasd, Hertog Jan en de Kleefschen niet weinig verslagen, en de Gezanten verrukt over deze rondborstige verklaring. Van dit tijdstip af ging alles als van zelf. De Raad van Regeering zoowel als de Staten bekrachtigden de toestemming der Vorstin, en deze werd met den Hertog van Beijeren, namens Maximiliaan, ondertrouwd. Weldra kwam de bruidegom zelf met een gevolg van twaalfhonderd Vorsten en Edelen. Hij zelf was op ’t schitterendst uitgedost in een zilveren harnas met goud ingelegd, en, gelijk zijn gevolg, met den Bourgondischen sluier omhangen. Den 18denAugustus werd het huwelijk voltrokken, en Maximiliaan in het volgende jaar plechtig als Momboir of Voogd van Vrouw Maria, in haar Staten erkend.

De stap, door Maria zoo onverhoeds gedaan, met die vaste beradenheid,eigen aan het geslacht, waar zij uit sproot, was niet slechts gerechtvaardigd door de omstandigheden, waarin zij zich bevond, maar ook door de persoonlijke hoedanigheden van den man, aan wien zij haar toekomstig lot vertrouwde. Maximiliaan werd alom, wegens zijn zachtmoedig, bedaard en minzaam karakter, zoowel als wegens zijn goed verstand en oordeel geprezen. In den oorlog was hij dapper en ervaren, en door eene bijzondere tegenwoordigheid van geest onderscheiden. Aan het Duitsche hof, waar velen, ook onder de aanzienlijkste Edelen, aan brasserij en dronkenschap waren overgegeven, onderscheidde hij zich door matigheid in spijs en drank; kunsten en wetenschappen beschermde hij, en in de muziek was hij zeer bedreven. Zijn hoofdgebrek was een al te groote toegeeflijkheid, die somtijds in zwakheid en ongestadigheid ontaardde.

Nu door deze echtverbintenis het bestier van lands- en krijgszaken weder onder één opperhoofd gebracht was, en alles een geregelder gang verkreeg, herstelde zich spoedig het krijgsgeluk, dat Maria den rug had toegekeerd. Lodewijk zag zich genoodzaakt een bestand te sluiten enBourgondiëte ontruimen. MetEngelandwerd een verbond van vrijen handel aangegaan, en de betrekkingen ook met de overige naburen op een vasten voet gebracht.

In het jaar 1478, den 20stenJuni werd aan Maria een zoon geboren, die later bestemd was om onder den naam van Filips I, de kronen vanKastiliëenArragonte voeren.

WasVlaanderennu tot rust gekeerd, en eerbiedigden de Zuidelijke gewesten Maria’s heerschappij, in het Noorden was deze nog zoo licht niet te vestigen. InHollandwerd de tegenstand voornamelijk gevoerd door de Hoekschen, daarin gesterkt door Maria’s Stedehouder zelven, Wolfert Van Borselen. Reeds onmiddellijk na Karels dood hadden zij, in de meeste steden, hunne tegenpartij uit de regeering weten te krijgen; thans had deze de overhand weder bekomen en op sommige plaatsen, als te Leiden en te Haarlem, de Hoekschen ter stad uitgedreven. Vergeefs was het, dat Borselen teRotterdameen dagvaart beschreef van Edelen en Steden: de Baljuw der stad, Jan Van Reimerswael, niet zonder reden beducht, dat de dagvaart zelve meer aanleiding tot tweespalt dan tot herstel der rust zou geven, liet de poorten bezetten, weigerde den intocht aan de Afgevaardigden der Hoeksche steden, en verzocht den Stadhouder zelven de stad te verlaten. Hieruit ontstond nieuwe verbittering: al de steden, vooral’s-Gravenhage, werden tooneelen van gestadige vechtpartijen. De valkeniers van den Stadhouder, die Hoeksgezind waren, schoten uit de ramen van hethofop de Kabeljauwschen, die, op hunne beurt, door de Haarlemmer, Leidsche, Delftsche en Amsterdamsche poorters ondersteund, het Hof overvielen en plunderden. Borselen hernam het, doch zag zich kort daarop genoodzaakt het aan zijn tegenpartij over te geven, en naarRotterdamte wijken, ’t welk hij intusschen bemachtigd had, en waar hij zijn hof vestigde. Ook daar kon hij het niet houden, en trok naar zijn stadVeere, Rotterdamter bewaring latende aan Joris, Bastaard van Brederode.

InGelderlandwas het inmiddels even weinig rustig. Inweerwil hunner verslagenheid over den dood van Adolf, hadden de Staten van dat Hertogdom terstond het besluit genomen om zijne zuster Katharina met het voortdurend bestier en tevens met de voogdij over zijne onmondige kinderen te belasten. Te gelijk was door hen een gezantschap gezonden aan Lodewijk XI, die, daar beloften hem nooit iets kostten, hun zijne ondersteuning tegen Maximiliaan toezeide. Intusschen begeerde Willem Van Egmond, Hertog Aernouts broeder, de voogdij over zijn achterneven, en maakte zich meester vanArnhem, terwijl de Hertog vanKleef, die toch eenig deel begeerde van de erfenis van Karel den Stoute, nu de hand van Maria zijn zoon was ontgaan, dezen laatste tot Hertog vanGelrewilde doen aannemen. En, als had men nog geen Heeren genoeg, het GraafschapZutfenwerd door de Staten verpand aan Hendrik Van Schwartsenberg, Bisschop vanMunster, en deze kort daarop tot beschermer van het gansche Hertogdom aangenomen; terwijl de jonge Karel, Adolfs zoon, als Hertog erkend werd.

Het was Maximiliaan, nog voortdurend metFrankrijkin krijg gewikkeld, langen tijd onmogelijk zijn tegenstanders binnen ’s lands te beteugelen: eindelijk echter liet hem de overwinning, bijGuinegateinArtoisop Lodewijk behaald, de handen vrij. NaarHollandovergekomen, en door de Kabeljauwschen wel ontvangen, ontsloeg hij Borselen van zijn Stadhouderschap, ’t welk hij opdroeg aan Joris Van Lalaing;—en de rust eenigszins hersteld ziende, maakte hij een verdrag met Katharina van Gelre, waarbij zij de rechten zijner Gemalin op het Hertogdom erkende en zich tevreden stelde met de stad en voogdij vanGelderlevenslang te behouden.Leidenwerd intusschen door de Hoekschen onder Broekhuizen, het HoeksgezindeDordrechtdaarentegen door de Kabeljauwschen onder Jan van Egmond bemachtigd, die kort daarna zich ook vanGouda, SchoonhovenenOudewatermeester maakte. Maximiliaan, weder inHollandgekeerd, bekrachtigde het door Egmond en de Kabeljauwsche partij verrichtte, liet de vierschaar spannen over de Hoekschen, verscheidenen uitbannen en sommigen onthoofden. Door deze gestrengheid werd de rust inHollandhersteld, ofschoon de burgerkrijg in hetStichtte heviger bleef woeden. Weldra onderwierpen zich de Geldersche Staten, van alle zijden bestookt, aan den Aartshertog, die nu met zijn Gemalin in de meeste steden plechtig werd gehuldigd. Wel bleefArnhemnog in handen van Jan van Kleef; maar het liet zich aanzien, dat die stad, zoowel als hetSticht, op den duur aan de zegevierende wapenen van Maximiliaan geen weerstand zoude kunnen bieden. Maria had haar gezag nagenoeg gevestigd gezien, en de tijd scheen voor haar gekomen, dat zij, na zooveel stormen en gevaren in rust en vrede het geluk zou kunnen smaken, dat haar als gade, als moeder en als vorstin tegenlachte, en dat zij zoowel verdiende. Dan helaas! zij mocht alleen den dageraad van die blijde toekomst beleven. BuitenBruggeuitgereden, stortte zij van ’t paard en bezeerde zich deerlijk aan het been. Nog zou de kunst wellicht middelen tot haar herstel hebben gevonden, had vrouwelijke kieschheidhaar niet weerhouden om de bekomen kwetsuur aan de beschouwing en het onderzoek der heelmeesters te onderwerpen. Dit had ten gevolge, dat de gewonde deelen, niet naar behooren verzorgd, spoedig door het koudvuur werden aangetast, en zij, weinige dagen na haren val, den 27stenMaart 1482, in nauwelijks zes en twintigjarigen ouderdom binnenBruggeoverleed, tot groote droefheid van haar echtgenoot, die haar teeder beminde en altijd met hartelijke genegenheid herdacht.


Back to IndexNext