Het Casino.

Het Casino.De tijd der genoegelijke wintervermaken is eindelijk verschenen: de huisgezinnen, welke de koude van December het langst getart hebben, zijn de stedelijke huis-goden vroeger of later komen terugvinden: de bezendingen der nieuwste modes zijn uit Parijs aangekomen, de modemaaksters doen hunne winkels met de uitgezochtste waren pronken: de koetsiers, in de bonte pelsen gestoken, hebben dag of nacht geen rust meer, doch rijden van huis naar den Amstel, van den Amstel naar de modemaakster, van de modemaakster naar huis, van huis naar dediners, van dediners naar komedies, soupers, soirée’s, concerten, ja naar de welsprekendheid, (bijaldien er iemand leest die bij de groote wereld bekend is). Kleedermakers en naaisters, schoenmakers en hoedenmakers kunnen ter nauwernood al hunne kalanten voldoen: alles is in de eerste kringen als ontwaakt uit den zomerschen slaap: alles is beweging, woeling, drukte, gepraat, geroep, gekakel, gebabbel, gelaster.Welk een heerlijk veld opent zich voor een opmerker? Geen jaargetijde als dit is zoo rijk voor de nieuwtjes, de tijdingjes, de praatjes, de intriges, de historietjes, de schandaaltjes. Overal hoort men gefluister en geklap; overal ziet men gegluur en gelonk: het hoofd wordt zoo opgevuld en gepropt met de menigte van logens en waarheden, die door een gekoeskoest zijn voorgedragen, dat het geene moeite meer is, de vertellingen te zoeken of na te sporen: maar wel om die uiteen te houden en in eene bekwame schikking voor te dragen, tot welk laatste wij echter niet gehouden willen zijn.Dan, wat ook in dit seizoen stof tot gepraat moge verschaffen, er is geen voorval dat de eerstecoterievanAmsterdamzoo lang, zoo tot walgens toe bezig houdt dan hetCasino. Reeds in de lente van het voorafgaande jaar, dadelijk na het sluiten der winterfeestvermaken, begint men elkander met angstige oogen aan te zien en half bevend toe te fluisteren, dat er in ’t vervolg geenCasinomeer zijn zal; dat de onkosten te groot zijn; dat de helft der Sociëteit zich wil afscheiden; dat de dansende heeren bedanken, en de etende het feest alleen niet in stand kunnen houden enz. Anderen, minder afgeschrikt door de gemaakte zwarigheden, houden staande dat alles op den vorigen voet blijven zal, en dat er voor de afvallende leden genoeg nieuwe zullen opkomen: anderen weder nemen een middelweg,en verhalen dat, ja, hetCasinozal instorten, doch als een Feniks veel schooner uit zijne assche herrijzen zal, gelouterd van al het onreine, dat zijn vroegeren luister is komen bezoedelen.—Deze woordenwisselingen duren tot aan het begin van November: dan begint de hoop op eenCasinoin aller hart veel schooner dan ooit te herleven: doch nu is de vraag welke commissarissen de zorg van een zoo belangrijk vermaak op zich zullen nemen: beurtelings worden alle rijke ingezetenen, alle hoofden van groote huizen gedoodverfd; de heeren, aan welke hun gewicht in de fatsoenlijke wereld aanspraak op dien post geeft, beginnen al de zwarigheden en onaangenaamheden, daaraan verknocht, op te tellen, om op zulk eene wijze dubbele eer en dank te behalen in geval zij de op hen gevallen keuze aannemen.—Nu worden de convocatiën gedaan. Zes of zeven heeren verschijnen daarop en representeeren de massa der leden; bedeesd en verschrikt zien zij elkander aan; en willen uit elkanders oogen lezen, wie de opengevallen commissaris-plaatsen vervullen moeten. Een hunner waagt het eindelijk, binnensmonds den naam van een der aanwezigen te mompelen; en als van de moeielijkste taak verlost, haast nu elk der aanwezigen, met dien naam het stembriefje in te vullen. De gekozene commissaris verbergt zijn genoegen onder een scheven lach, haalt de schouders op, murmelt eene verontschuldiging, die, als van zelf spreekt, niet aangenomen wordt, en laat zich de hem opgedragene lasten welgevallen.—Vergenoegd komen de mans en broeders terug; de minnaars, meisjes en Moeders zijn in de wolken; het vaderland is gered! hetCasinostaat meer onwankelbaar dan ooit. Eene tweede convocatie geschiedt; de voorgestelde nieuwe leden worden geballoteerd en bijna eenparig aangenomen; die, welke bedankt hebben voor hun lidmaatschap met verwondering rondgenoemd: de redenen dezer aftreding onderzocht: de daad bij allen afgekeurd. „Deze,” zegt men, „bedankt omdat hij niet danst: nu, maar men moet betalers ook hebben:—die, omdat hij een ongelukkigeinclinatieheeft, en dat het hem te hard valt, zijn meisje te ontmoeten en niet met haar te mogen dansen: goed, maar hij moest toch lid blijven om er zijne zusters te kunnen brengen, die nu geencavalierhebben: die weder is in den rouw: ja, maar hij kon die uitgaaf toch wel doen, toekomende jaar wordt hij weder lid:—die heeft het te druk; maar hij moest blijven om hetCasinoin stand te houden,” enz.Thans beginnen onder de Dames de vragen: „gaat gij naar het eerste Casino?—denkt gij dat het brillant wezen zal?—wat doet gij aan?—zou die en die er komen?—ik ben benieuwd of A en B. het weder zoo druk samen zullen hebben?” en de antwoorden: „neen, op het eersteCasinoga ik nooit, dat is nooit geanimeerd:—ik denk wel dat hij er wezen zal, doch hij zal zich wel stil houden, omdat Papa C. er ook komt,—neen, met A. en B. is het glad af.—Ik denk mijn japon van voorleden jaar aan te doen en mij nieten fraiste stellen,” enz.Dan, de dag van het feest, is eindelijk gekomen. Reeds van den vroegen morgen af snorrenFerminetenTeissierin hunnecabrioletsvan de eene schoone naar de andere; menige jonge vrouw, bij welke zij vast beloofd hadden te twee uren te komen, zit vruchteloos tot negen uren hen af te wachten; zij verwaarloozen de getrouwde dames,parce qu’elles ont toujours la ressource des toques. Hoe klopt het hart der jonge meisjes, die voor de eerste maal in de wereld verschijnen zullen, op het gezicht der fraaie tooisels, welke haar aangeboden worden, op het denkbeeld der op haar wachtende genoegens. Eindelijk zijn zij klaar; de kapper is niet gekomen, doch de moederlijke handen hebben haar werk gedaan; hoe juicht die verrukte moeder, nu zij hare telg, geheel naar haren zin, zoo lief en bevallig voor haar ziet staan; hoe oplettend gaat zij het ganschetoiletnog eenmaal na, om alles weg te ruimen wat misstaan mocht, om alles bij te brengen wat meer aanlokkelijkheid geeft. Eene slede houdt voor de deur stil: het is de oude grootmoeder, welke haar petekind, haar juweeltje, toch ook eens opgeschikt zien wil: het lieve meisje gaat voor haar staan, draait en wendt zich om en om, verhaalt van wie zij die kam ontving, hoe mama van hare eigene bloedkoralen een snoer voor hare dochter afgestaan heeft: waar zij de bloemen gekocht heeft, die het eenvoudig kleed garneeren, enz. Grootmoeder hoort dit gesnap, en ziet het onschuldige hartje aan met dat melancholieke genoegen, hetwelk den gevorderden leeftijd bevangt bij het aanschouwen van de jeugd in al hare kracht en verbeelding. Nu komen ook de jongste zusjes en broertjes om Marie te bewonderen: „hé wat is Mietje mooi! ga je naar ’tCasino, Mietje? Zal ik ook zoo mooi wezen mama, als ik groot ben en naar ’tCasinoga?” hoort men de kleintjes nu uitroepen.Het is acht uren geslagen: ik verlaat dit huiselijk tooneel, en snel naar den Garnalen Doelen, waar nog maar alleen de Commissarissen gereed staan om de dames in te leiden; en de recipiëerende vrouwen om eene dienaresse aan de Heeren te maken.Nog bibberen wij van koude in het tochtig en weinigcomfortablelokaal: doch dit is de schuld onzer voorouderen, welke meer gezorgd hebben voor groote kerken dan voor groote feestzalen, en aan welke men het verwijten moet, indien men zich met de lage, stoffige en koude kamers van den Doelen vergenoegen moet.Daar begint het geraas van koetsen, brommers en sleden; daar schaart zich het nieuwsgierig gemeen om de deur van het Hotel, ten einde de fraaie kleedingen te zien. Wie is die zwarte mantel, welke zich onder dien volkshoop bevindt? Helaas! het is die ongelukkige minnaar, die in hetCasinoniet verschijnen durft, en echter zijne onvergetelijke zielsgodin bij het verlaten van haar rijtuig, al is het maar voor een oogenblik, wil bewonderen.De entreezaal wordt voller en voller: de heeren en dames scheiden zich bij het inkomen van elkaar, en vormen twee afgezonderde groepen, Wie is die vrijpostige, die het waagt, zich reeds dadelijk tot de dames te wenden en om de gunst eener wals te vragen?—Dertig duizend gulden aan jaarlijksch inkomen geven hem die stoutheid. De meisjes zien hem steelswijze aan: arme schapen! hij is voor u verloren; met het voorjaar gaat hij naar Parijs; en de aanlokkelijkhedender groote stad zullen hem aldaar voor altijd kluisteren.Een ander volgt hem, nog stoutmoediger dan hij. Van zijn inkomen zal ik maar niet spreken; op zijn Stichtschen adel is hij hoovaardiger dan de eerste op zijne rijkdommen.... doch wij zullenLangendijkniet napraten.Ter zijde wat, mijne heeren! daar komt Mevrouw X.aan: al de jonge vrouwen regelen zich naar haar, wat kleeding, spreekwijze, kapsel en manieren betreft: de heeren vliegen om haar als de vlinders om de kaars: zij ontvangt hunne eerbewijzingen met een blik van protectie, glimlacht en meesmuilt bij beurten, beschouwt zich zelve dikwijls met welgevallen, en verbleekt op het gezicht van Mevrouw Y., die fraaier garnituur heeft dan zij.Bedeesd en beschroomd komt de jonge V. de dames ten dans vragen: de nufjes zien hem naderen en verschuilen zich achter de andere dames, of dringen zoo diep zij kunnen tusschen de menigte om zijn lastig aanzoek te ontwijken. Eéne echter wordt door hem aangeklampt; dan, ofschoon haar danskaartje nog bijna geheel openstaat, veinst zij zich voor alle dansen geëngageerd: de arme sukkel keert verslagen terug; hij ontdekt wel in het vervolg van den avond dat hij bedrogen is, doch heeft het hart niet wraak te nemen of zich te beklagen.Daar komt Mevrouw Z. binnen met hare dochters. Dezen hebben het vorige jaar, in stilte en van alle vermaken verstoken, tehuis doorgebracht: thans echter hebben zij hare belijdenis gedaan. God heeft het zijne gehad: nu komt de beurt aan de wereld; want dat beider dienst zich niet zoude laten vereenigen, is eene lang vergeten les; alles heeft zijn tijd: godsdienstige gedragingen komen in de kerk te pas, doch zijn allergevaarlijkst, verpestend, doodelijk voor den goeden smaak.... dan, ik begin waarlijk temoraliseeren.... och neen! ik praat maar na.Mevrouw Z. presenteert hare dochters aan de recipiëerende dames, en, naardien Mevrouw Z. eene vrouw is, welke veel menschen ziet en hare gasten uitmuntend ontvangt, spreekt het van zelf dat de meisjes een bij uitstek gunstig onthaal genieten:—Clara slaat bedeesd de blauwe oogen neder en durft ze niet naar Mevrouw V. te richten, hoe deze ook door voorkomende vriendelijkheid haar zoekt gerust te stellen: Corinna daarentegen snapt en keuvelt, totdat een blik van mama haar blozend doet ophouden.Daar laat de muziek zich hooren: daar beweegt zich de opeengepakte massa: decavaliershalen hunne dames af, desjaals, palatinesenfichusworden aan de zorg der moeders of niet dansende zusters toevertrouwd; de andere dames trachten eene goede zitplaats te verkrijgen, en de wals begint.„Met wie danst Henriëtte?” vraagt eene bezorgde moeder aan hare buurvrouw. „Met een der nieuwe leden, geloof ik; ik heb hem ten minste nooit meer gezien.”—„Zoo! dat kan ik niet gelooven: ik heb haar verboden met iemand te dansen, die mij niet gepresenteerd is.”—„Wat heeft Mejuffrouw S. een fraai garnituur topazen! Heeft haar vader eene erfenis gekregen?”—”’t Is schande dat men zijne dochters zoo zwierig opschikt als men zijne crediteuren niet betaald.”—„Wat ziet Sijlvia er zot uit.”—„Hebt ge die veeren wel gezien van Mevrouw P., die komen dan volstrekt niet met de rest van hare kleeding overeen.”—„Zie eens, hoe Annette zich aanstelt met dien Engelschman, en wat walst die heer bespottelijk.”—„Hebt gij mijn, Hansje al zien walsen? zij danst al zeer lief.”—„Zoo, waar heeft Mevrouw Q. dien nieuwenadorateuropgedaan?”—„Hé, dat is al een oude kennis; maar hij komt niet meer bij haar aan huis, want haar man.... (gefluister)”—„Het verwondert mij dat Keetje nog dansen durft, zij is immers al drie maanden ver.”—„Wat zeg je van de historie van.... (gefluister) o het is alles weder in der minne geschikt.”—„Ja, dat is tegenwoordig mode; ik ga ook toekomende jaar eens met een ander op het pad.”—„Het verwondert mij hoe Juffrouw N. zich nog durft vertoonen na wat in de familie gebeurd is.”Het wordt later; de speeltafeltjes worden opgezet en de bejaarde of nietdansendelieden gaan zich methombreenwhistvermaken.Wie zijn die twee jongelieden, welke in de quadrille al de passen bederven, al de figuren in de war maken? Die heer is anders een goed danser en de juffrouw eene der besteelèvesvanGuédonen naderhand vanNys. Ach! zij vergeten dequadrille, den dans, de menschen, hetcasino: zij hebben alleen oogen voor elkander. Deze dans is gedaan: Het meisje zoekt een eenzaam hoekje: de jongeling gaat een anderen kant op, doch alleen voor de leus: daar zitten zij naast elkander: zij praten, zij gloeien, hunne oogen schieten vlammen, hunne.... onvoorzichtigen! hoe afgelegen gij zit, morgen weet de geheele stad, hetgeen gij vruchteloos voor indiscrete verspieders zoekt te bedekken.Mijn goede mijnheer H., hoe loopt gij zoo de kamer op en neer? Is het uwe vrouw, die gij zoekt? och! de limonade, welke gij haar brengen wilt, komt te laat. Een ander is u reeds voorgekomen, en de conversatie van dezen is uwer beminde veel te aangenaam, dan dat zij u voor uwe vriendelijkheid dank zoude weten.Hoe ziet gij zoo droevig, arme F.? Is uwe aangebedene schoone niet gekomen? Mij dunkt, ik zie haar in gindschen hoek der zaal, luidkeels lachende met hare vriendinnen.—Of is zij hedenavond niet zoo vriendelijk jegens u als naar gewoonte?—Heeft zij haren arm voor het souper u geweigerd? Ha! ik raad het al, nu gij zulke straffe blikken op gindschen pronker werpt: gij hebt gedaan, arme F.! uw rijk is uit.Wie zijn toch die meisjes, welke er zoo lief en innemend uitzien, en welke niemand ten dans vraagt? Wacht daar gaat er toch een heer op af.—Neen, hij kiest de mottige freule X. Wat mag toch de reden van zulk eene dwaze handelwijs zijn? Die is zeer eenvoudig: de freule is naar de mode; en al wordt zij tachtig jaren, zoolang zij dansende blijft, zal zij uit routine gevraagd worden; die meisjes daarentegen zijn met al hare bevalligheden en verstand weinig bekend, en daardoor minder in trek.—O! zoo ik slechts jongere beenen had, hoe gaarne zou ik die onbillijkheid goedmaken!Hoe beminnelijk ziet Marianne er uit! Met al de verrukking der zuiverste onschuld geeft zij zich aan de vermaken toe, welke harejeugd zoo eigen zijn. Hoe gloeien de rozen op hare frissche wangen! hoe zwoegt haar wassende boezem! voor haar zijn op het gevaarlijk pad, hetwelk zij betreden gaat, nog geene doornen zichtbaar, schoon zij weet dat die zich aldaar bevinden; maar zij vreest die niet: te rein is hare ziel dan dat het denkbeeld zelf aan afwijking van hare plichtsbetrachting ooit bij haar op zoude komen. Eene brave moederlijke vriendin heeft de uitmuntende zaden in haar ontkiemend gemoed met overleg opgekweekt en tot heerlijken wasdom gebracht. Van die vriendin door den loop der omstandigheden gescheiden, zijn de gedachten van Marianne echter bij haar; en de vreugde, welke zij thans smaakt, is te grooter wanneer zij zich het genoegen voorstelt, die vreugde aan hare vriendin te zullen mededeelen.Hoe mal zit gindsche zot te kijken! met de beide handen in den zak, het hoofd op zijde, de beenen wijd uitgestrekt en vaneen gespreid, en het bovenlijf overdwars gebogen. Nu en dan gaapt hij met eene uitnemende gratie en fluit hardop, alsof hij in een paardenstal ware, de muziek na. Heeft de knaap geene opvoeding gehad; acht hij zich van de voorschriften der beleefdheid ontslagen? Of waant hij dat zijne buffelachtigheid voorgracieuxzal doorgaan? Zoo men hem aanmerkingen wegens zijn onbehoorlijk gedrag doet, antwoordt hij met een lompen jordaanschen vloek, dat hij daarvoor zijn geld betaald, en niet verkiest om zich voor iemand te geneeren. Heet dit tegenwoordig dansavoirvivrebonton?Waarlijk, dan zoude men depetits marquisuit den tijd van Molière bijna terugwenschen; want al is geveinsde beleefdheid slechts vleierij, zij is toch altijd beter dan geveinsde lompheid.De speeltafeltjes worden weggeruimd, of liever in eettafels herschapen; de jonge dames zoeken hare plunje wederom op en nemen de armen der aanwippende heertjes: zij, welke geencavaliervinden, klampen zich aan hare voorgangsters alsof zijhansje sjokkenspeelden, en niet zelden trekt een ridder zes à zeven dames als aan een touw de eetkamer in. Nu ziet men rond naar eene aangename plaats. Helaas! de beste zijn overal reeds genomen. Het spreekt van zelf dat de elegante Mina en de bevallige Julia, dat de trotsche Margaretha en de rijke Bertha (welke vier altijd samen partij maken,) de heeren vragen, in plaats van door dezen gevraagd te worden het spreekt van zelf, zeg ik, dat dezen de beste plaatsen voor zich en voor hare uitverkoornen genomen hebben. En waarom, vraagt men nu, hebben deze dames aanspraak op eene betere plaatsing dan anderen? Zijn hare mans Commissarissen? Neen.—Doen zij dehonneurs?Geenszins.—Wat dan? Wel, zij brengen er zich zelven, is dit niet genoeg? Zij verbeelden zich in goeden ernst, dat zonder haar hetCasinoonmogelijk zoude kunnen bestaan: verbeelden zich dit en niet zonder reden; want elke gekskap zegt het haar: intusschen zijn het vier ijdelheden, die men zonder den fraaien opschik, de paarlen, de juweelen de kanten enz. enz., waarmede zij behangen zijn, als volkomene nulliteiten zoude aanmerken.Men schuift door: men dringt, stoot, roept, hemt, duwt, kijft, geeft stoelen aan, zet tafels bij, langt borden aan, laat wijn komen, en begintte eten. De tafeltjes leveren wederom een groot verschil op: aan het eene praat men: aan een ander lacht men: hier vrijt men: daar gluurt men: hier werken de oogen: daar de handen: ginds de voeten: hier eet men: daar drinkt men: hier wordt gerammeld: daar gezwegen. Eene tafel, waaraan acht heeren zitten, is de stilste van alle: de verveling is op elks gelaat te lezen. Dan deze, waaraan zes jonge meisjes, doch welke reeds meerCasino’sbeleefd hebben, zich door eenige studenten tot het proeven vanChampagnelaten overhalen, en, angstig naar mama omziende, eens even de lippen aan het lekkere vocht zetten, deze is een weinig luidruchtiger.—Wat hijgen en draven die knechts, die heeren, die Commissarissen! Eén man slechts is impassibel: het is de groote Weimer, die als een waakzaam generaal, alleen de oogen overal laat weiden, en het oppertoezicht houdt.Hetsouper is afgeloopen, en wordt door den luchtigen wals vervangen. Zwaaiende en zuizende staat men op: luchthartig en gezwind snort en snelt alles dooreen: Er is geen band, geen hindernis, geen stijfheid, geen decorum meer. De vrijer, die vóór het souper het niet zoude hebben durven wagen, het hem geweigerde meisje aan te spreken, gaat nu brutaal weg met haar walsen, ja walst de ouders der schoone bijna omver. De lokken der dames worden achter de haren weggestreken, of hangen, als Meduza’s kapsel, in ’t rond: de jabots verliezen plooi en witheid: de bloemen zijn verflenst: de cabretten handschoenen laten, door scheur op scheur, de meerdere of mindere blankheid der handjes beschouwen: en aan hem, die thans eerst de zaal binnentrad, zoude het geheel, dat zij nu oplevert, geen bekoorlijk, neen, maar veeleer een aanstootelijk schouwspel vertoonen.De tijd verloopt: de bouillon wordt alom ingezwolgen: de meesten der aanwezigen vertrekken of nemen geen deel aan den dans meer: de cirkels der walsen, de omvang derquadrillenverwijden zich, alleen de onvermoeide springers huppelen nog op het maatgeluid en vermaken zich des te meer, naarmate zij meerdere ruimte hebben verkregen. Dan alle aardsche vreugde moet een einde nemen, en de schrikkelijke wenk van den dansmeester kondigt het besluit der laatsteSanteuseaan: nu worden mantels, sjaals, doeken, palatines, enz. door de bezorgde moeders en nog bezorgder minnaars opgezocht, de heeren steken zich in den ruigen schanslooper of pyjakker, of omhangen zich met den breeden, met fluweel gevoerden mantel, en halen de sigaar voor den dag, die hen naar huis moet verzellen. Overal buigt en neigt men: de sleepers rijzen uit hun slaap en uit hunne sleden op en staan aan de voordeur vergaderd: de benedenzaal van Weimer is te klein om al de menschen te bevatten, die tot nog toe vruchteloos op het voorkomen hunner rijtuigen wachten: dan eindelijk raakt de een vroeger, de ander later, in de voor hem bestemdeequipage: en Morpheus houdt zich gereed om den verkwikkenden slaap over de vermoeide leden van de hem verwachtende dansers uit te storten.Een Staats-Examen in 1851.De dag, waarop de examina een aanvang nemen, is aangebroken. Ten gevolge van het Besluit, waardoor aan allen, of zij wat weten of niet, de toegang tot de Academische lessen is verzekerd, hebben zich 7000 candidaten aangemeld. Onder hen bevinden zich:1000 Leerlingen van al de klassen der verschillende gymnasiën.1000 Leerlingen van onderscheiden inrichtingen van middelbaar onderwijs.500 Jongelieden, die vroeger privaat-onderwijs genoten hadden, doch sedert Juli 1850 zuinigheidshalve hun leermeester hebben afgeschaft.2000 Leerlingen van scholen van lager onderwijs.50 Knapen, die te Breda, Medemblik of Delft zijn afgewezen geworden.De overigen hebben nimmer eenig onderwijs genoten.De voorzitter der staats-commissie,tot de jongelieden, die tegenover zijne tafel staan:Jongelieden! dewijl uw getal zoo aanzienlijk is, dewijl het toch maar een examen is voor de leus, en dewijl wij geleerde lui wel wat anders en wat pleizierigers te doen hebben dan het ondervragen van botterikken, zoo zullen wij er maar met den Franschen slag doorheen slaan, u het Examen bij paren afnemen, en u in elk vak eenige korte vragen voorstellen, genoeg om te oordeelen, hoever gij het gebracht hebt. Laten er dus twee uwer voor de tafel komen. Gij, jongelief, hoe is uw naam?Jongeling.Jan Blokkert.De voorzitter.Goed! gij zult voor een tijd uw naam verliezen, evenals aan ’t bagno, en No. 1 heeten. Waar hebt gij onderwijs genoten?No. 1. Aan het Gymnasium te X.De v. Best. Hebt gij een ontslag of getuigschrift?No. 1reikt het papier over met eentriomfantelijkenblik.De v.Hm! hm!summa cum laude!.... Ja! daar geven wij niet om. Wij zien uit eigen oogen. (Tot een ander) En gij, hoe is uw naam?De andere jongeling.No. 2.De v.Hm! hm! Niet dom! Maar ik dien uw doop- en familienaam op te teekenen.No. 2. Pietje Vlug.De v.En bij wien hebt gij onderwijs genoten?No. 2. Bij niemand.De v.Niet!—nu, dat is ’t zelfde. Gij zijt dus eenautodidakt?No. 2. Neen, ik ben een biljartjongen.De v.Zoo! en gij hebt liefhebberij gekregen voor de studie?No. 2. Volstrekt niet voor de studie; maar wel om student te zijn, evenals de Heeren, die ik dagelijks in ’t koffiehuis zie.De v.Ei!—Nu, gij kunt uit hun gesprekken misschien wat hebben geprofiteerd.—Gaat nu met u beiden in de kamer hier naast: daar zullen de Heeren bij u komen.Onderzoeker. Jongelieden! Ik zal u het examen in ’t Latijn afnemen. Maar weet gij mij ook vooraf te zeggen, wat dat woordexamenbeteekent?No. 1. Dat beteekent eigenlijk een bijenzwerm.Ond.Aliquid decis!(Tegen No. 2) En wat weet gij er bij te voegen?No. 2. Dat het zooveel beteekent, als dat het dubbel en dwarsuitis.Ond.Dat hetuitis! Hoe verstaat gij dat?No. 2. Wel ja.Exis „uit:” enamenis ook „uit,” ten minste onze Pastoor zeit het altijd als wij naar huis kunnen gaan.Ond.Egregie!uitmuntend!—Daar had ik nooit op gedacht. (tegen No. 1) Weet gij wel wat eenPons asinorumis?No. 1. (Zit zich te bedenken).No. 2. Wel!Pons asinorumis klaar water.Ond.Hoe meent gij dat?No. 2. Hebt gijezelsooit andereponszien drinken als klaar water, Mijnheer?Ond.Inderdaad, gij hebt gelijk. Nu zullen wij eens zien, of gij iets van de Dichters begrijpt. Lees eens deze ode van Horatius.No. 1. (Leest)Persicos odi puer apparatus.Ond.Hoe vertaalt gij dat?No. 1. „O knaap! Ik haat den Perzischen toestel.”Ond.Niet kwaad, maar wat te letterlijk.No.2. Ik zou ’t anders vertalen.Ond.Hoe dan?No. 2. Wel, ’t is klaar, dat Horatius zich in een koffiehuis bevond, en dat hij tot den knecht zei: „dank je Jan! ik lust geen ingemaakte perziken.”Ond.Inderdaad! dat is eene remarkable interpretatie, die mij nog nooit was voorgekomen! Wij zullen eens tot eene andere ode overgaan. Hoe verklaart gij dezen regel:Tecum vivere amen, tecum obeam libens?No. 1. „Met u zoude ik willen leven, met u gewillig sterven.”Ond.Niet kwaad! (tegen No. 2) en gij?No. 2. Wel, Horatius zit weer in zijn koffiehuis en zeit: „met thee wil ik leven en sterven.”Ond.(Met een goedkeurenden hoofdknik). Zeer merkwaardig!—Daar had ik nooit aan gedacht! dat zou bewijzen, dat het theedrinken in die dagen al was uitgevonden. Wij willen nu Virgilius eens bij de hand nemen. Lees en vertaal dezen regel, No. 1!No. 1.(Leest)Formosum pastor Corydon ardebat Alexin, Delicias domini.„De herder Koridon beminde zeer den schoonen Alexis, de vreugde zijns meesters.”Ond.Dat is nu niet woordelijk genoeg.No. 2. Neen, dat zeg ik ook.Ond.Hoe zoudt gij ’t maken?No.2.Wel: „de Pastoor Jacob (of Koo) Rydon braadde een mooien haring, een delicieus hapje voor een heer.”Ond.Egregie!—Gij hebt zeker de overzetting van Bilderdijk gelezen;—doch de uwe isnognauwkeuriger. (tegen No. 1) Die Ecloga zal u waarschijnlijk te zwaar wezen: Lees en vertaal liever deze eens.No. 1.Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi,Silvestrem tenui musam meditaris avena.„Gij, Tityr! nederliggende onder het dak der schaduwrijke beuk, speelt op uw dunne schalmei eenlandelijklied.”Ond. Hm!Tenuiter!gedrongen en stijf! (tegen No. 2) Hoe vertaalt gij deze regels?No. 2. Wel, dat is dood gemakkelijk. „Gij, Titi! (wieTitiis weet ik uit denSarivari) liggende onder het beukenberceau, denkt, dat ik de dochter van den boschwachter in het hooi heb beetgehad.Ond.Egregie!eximie!Dat is om alle Commentatores van spijt te doen barsten. Gij zult een eerstecriticusworden, dat voorspel ik u. Ik ga u thans verlaten en plaats ruimen voor den examinator in het Grieksch.Wij zullen aan onze lezeressen het examen in ’t Grieksch sparen (’t is al wel, dat wij ze op Latijn trakteeren) en tot dat in de Wiskunde overgaan.Onderzoeker in de wiskunde. Waarom wordtwiskundealdus genoemd?No. 1. Omdat het eenewissekunde is.Ond.Tenuiter!(tegen No. 2) Hoe denkt gij er over?No. 2. Wel, ’t is vanwisschenenkunde.Ond.Vanwisschenenkunde?No. 2. Wel ja. Ik heb dat wel eens bijgewoond. De meester, of de jongen, staat voor ’t bord, met eene liniaal, een stuk krijt en eene spons: en de heele kunst bestaat daarin, om wat lijnen, letters of cijfers, daar geen drommel uit wijs kan worden, op te schrijven en gauw weer uit tewisschen.Ond.Egregie!Wel doordacht. Gij geeft ten minste reden van uw zeggen. (tegen No. 1) Voor wie is demeetkunstvooral nuttig?No. 1. Voor hen, die hun verstand willen scherpen.No. 2. Voor de snijers en schoenmakers.Ond.Egregie!Wat is een driehoek?No. 2. Een steek.Ond.Welke is de kortste weg tusschen twee gegeven punten?No. 1. De rechte lijn.No. 2. Mits er geen sloot tusschen ligt of geenbeerenop zijn.Ond.Daar is veel van aan:—Nu zal ik u eenige problemen ter oplossing geven: reken eens uit: Wanneer een heer en eene dame in een logement een kalfslever voor hun ontbijt ordonneeren, de heer 1/52 ons Nederl. eet, en de dame een half-vierendeel oud gewicht, hoeveel blijft er dan over?Terwijl No. 1 zich aan ’t cijferen zet, antwoordtNo. 2. Niemendal, als er maar een hond in de kamer is.Ond.Precies.—Een heer laat een huis bouwen van drie verdiepingen; doch als de tweede klaar is, bemerkt hij dat hem het geld ontbreekt voor de derde. Wat doet hij om zijn huis te voltooien?No. 1. Hij vraagt geld te leen.No. 2. Hij neemt de eerste verdieping weg, zet die op de tweede en krijgt op die manier zijn derde verdieping.Ond.Maar dan stort immers de tweede onmiddellijk in.No. 2. Daar geeft hij niet om: hij bewoont alleen de derde; de tweede verhuurt hij.Ond.Wel gevonden.—Nu het een en ander over cijferkunst: wat was de helft van twaalf bij de Romeinen?No. 1. Zes.No. 2. Neen, zeven ().Ond.Recte. Wat is optrekken?No. 2. Hetzelfde als opkuieren.Ond.Wat is boekhouden?No. 2. Een boek niet weerom geven.Ond. Wat verstaat gij door eendeficit?No. 2. Een heer zonder neus.Ond.Wat door eensurplus?No. 2. Iemand met een bochel.Ond.Wat is XXX in de algebra?No. 2. Het merk van oude Engelsche ale op ’t vat.Ond.Wat is speculatie?No. 2. Sinterklaas-gebak.Ond.Wat is eene breuk?No. 2. Iets daar men terstond den meester bij moet halen.Ond.Perfect! Wanneer een schip in volle zee, de wind Z. O., en de schipper 45 jaar oud is, hoe lang is dan de groote mast?No. 1. Dat kan niet uitgerekend worden, omdat de deelen der vergelijking niet tot elkander....No. 2. Gekheid: ik zal ’t wel zeggen: de mast is in dat geval zoolang als de afstand van den wimpel tot het dek.Ond.Eximie!(tegen No. 1) Maakteenevink een koppel?No. 1. Neen.No. 2. En ik zeg al!Ond.Hoe bewijst gij dat?No. 2. Wel, ik vraag aan No. 1: maken twee vinken een koppel?No. 1. Ja.No. 2. Dus maakteenvink (namelijk een vinkmeer) een koppel.Ond.Egregie!—Hoeveel staarten heeft eene kat?No. 1. Maar een.No. 2. En ik zeg: drie,Ond.Hoe bewijst gij dat?No. 2. Op de volgende wijs;Geen katheefttweestaarten.Een katheefteenstaart meer dangeen kat,dusheeft een katdriestaarten.Ond.Voortreffelijk! Nu eene vraag over delogica. Wat is eennon sequitur?No. 1 (bedenkt zich.)No. 2. Eene trekschuit, waarvan de lijn breekt.Ond.Eximie.Wij zullen tot de aardrijkskunde overgaan. Wat is de aarde?No. 1. Rond.Ond.(tegenNo. 2.) Duidt gij haar beter aan.No. 2. De aarde is iemand, die vijfzonenheeft, waarvan er tweebevrorenzijn.Ond.Hoeveel vossestaarten zijn er noodig om van de aarde tot de maan te reiken?No. 1. (verlegen). Dat weet ik niet.No. 2.Eene, als ze maar lang genoeg is.Ond.Hoevele mijlen ligt Amsterdam van Java?No. 1 (overijld). Eene, als ze maar lang genoeg is.Ond.Male.No. 2. Evenveel mijlen als Java van Amsterdam.Ond.Hoe diep is de zee?No. 1. Dat zal wel verschillend wezen, naarmate.... (hij stottert).No. 2. Overal een steenworp diep.Ond.In welk land wonen de meeste dronken lieden?No. 1. Dat weet ik niet.No. 2. InLapland.Ond.Welke bergen worden door de reizigers het meest bezocht?No. 1 (verlegen). De Mont-Blanc.... neen.... de Chimborasso.Ond.Gekheid! die worden maar zeer zelden bestegen. (tegenNo. 2) Weet gij het?No. 2. Deherbergen.Ond.In welkestedenkomt men gewoonlijk ’s nachts eerst aan?No.2. In debedsteden.Ond.Noem eene kaap, waar weinig dooven wonen.No. 2. Aan kaap Hooren.Ond.En eene gastvrije kaap.No. 2. KaapKom-maar-in(Comorin).Ond.Wat is eene rivier?No. 2. Eene rivier is iemand, die naar zee gaat.Ond.Welke plaatsen zijn bekend wegens den grooten invoer van wijn en van snuif?No. 2.TermondeenTerneuze.Ond.Wat houdt men algemeen voor het beste goud?No. 1 (aarzelende). Dat van Californië komt.No. 2 Dat men in zijn zak heeft.Ond.Egregie.Ik verlaat u thans en ruim mijn plaats in voor den examinator in de Geschiedenis.Onderzoeker in de geschiedenis.Ik zal u eenige vragen doen uit de algemeene geschiedenis. Waarom zeilden de Argonauten naar Kolchos?No. 1. Om het gulden vlies te halen.Ond.(tegenNo. 2). En hoe denkt gij er over?No. 2. Omdat zij geen kans zagen er over land te komen.Ond.Egregie.Weet gij, hoeveel koningen van Rome er geweest zijn?No. 1. Zeven.No. 2. Acht.No. 1. Wel neen:—Romulus,Numa Pompilius, Tullus Hostilius, Ancus Martius, Tarquinius Priscus, Servius Tullius en Tarquinius: dat is zeven!No. 2. En de zoon van Keizer Napoleon maakt acht.Ond.Mooi!eximie!daar had ik zelf nooit aan gedacht.—Zeg mij nu eens welk volk der oudheid het meest gedrukt heeft?No1. De Chineezen.Ond.Male!No. 2. DePersen.Ond.Egregie!—Welke soort van haar had Bucefalus, het paard van Alexander?No. 1. Bruin haar.Ond.Male.Gij slaat er maar een slag in. (tegenNo. 2) Weet gij het?No. 2. Paardenhaar.Ond.Egregie.En aan welke zijde het meeste?No. 1 (verward). Aan de rechterzij.Ond.Pessime!No. 2. Aan de buitenzij.Ond.Juist! Van paarden gesproken, welke zijn de makste?No. 1. Die ’t best onderwezen zijn.Ond.(haalt medelijdend de schouders op).No. 2. De paarden in de bedsteden.Ond.Voortreffelijk. En welke de koppigste?No. 2. De stokpaarden.Ond.En waarom mag een dood paard niet meer loopen?No. 2. Omdat men anders doode paarden voor levende verkoopen zou.Ond.Uitmuntend! Weet gij welke paus vóór de invoering van het Christendom geleefd heeft?No. 1. Toen kon er nog geen Paus zijn.No. 2. Wis en drie!—Paus-anias.Ond.Zeer goed! Hoe heette zijne vrouw?No. 1 (Ziet beteuterd voor zich).No. 2. Pausani-japon.Ond.En hoe heette hij toen hij klein was?No. 2. Pausani-buis.Ond.Eximie.En hoe heette Mozes, toen hij klein was?No. 1 (geheel van de wijs.) Mo-buis.Ond.Male!(tegen No. 2) zeg gij het eens.No. 2. Mozesje.Ond.En hoe heette de vader van Mozes?No. 2. Mo-vijf.Ond.Egregie.En waarom verdronken de Egyptenaren in de Roode Zee?No. 2. Omdat zij niet aan wal waren gebleven.Ond.Zeer goed. Nu nog een paar vragen uit de nieuwere geschiedenis en staatkunde. Waarom zal het Rusland nooit gelukken, de Poolsche nationaliteit geheel te vernietigen?No. 1. Omdat.... omdat....No. 2. Omdat er altijd tweepolenzullen overblijven.Ond.Perfect! noem mij eens een tijdgenoot van Corneille? (No. 1 is van zijn stuk en weet niet wat te zeggen.)No. 2. Zijn snijer.Ond. Wij hebben onlangs verkiezingen gehad. Wie hebben het meeste verstand van kiezen?No. 1. De beschaafde lieden.Ond.Male.Gij zijt een aristocraatje. (tegen No. 2) Wie hebben het meeste verstand van kiezen?No. 2. De tandmeesters.Ond.Egregie!—Welke Europeesche kronen hebben zich het best tegen den revolutie-geest gehandhaafd?No. 1 (stotterende). Rusland.... en....No. 2. De Amsterdamsche Drie Kronen.Ond.Mirifice!Mijn tijd is om: Ik groet u. Een der andere Heeren zal u over de Geschiedenis des Vaderlands en de Taalkunde ondervragen:Onderzoeker. Waarom, mijne jonge vrienden, kwam Alva naar de Nederlanden?No. 1. Om den opstand te dempen.No. 2. Omdat de Nederlanden niet naar Alva kwamen.Ond.Waarom werden Egmond en Hoorne onthalsd?No. 1. Omdat men hen van hoogverraad betichtte....No. 2. Omdat zij van adel waren, anders waren zij gehangen geworden.Ond.Recte!Van adel gesproken, waarom zond Lodewijk XIV aan De Ruyter de orde van St.-Michiel?No. 1.Omdat.... omdat....No. 2. Omdat De Ruyter die nog niet had.Ond.Egregie.Brandt schreef de geschiedenis van De Ruyter. Welke geschiedenissen zijn beter dan die van Brandt?No. 2. Die vanblusschen.Ond.Bene.Wat was het eerste, dat De Ruyter deed, als hij ’s morgens uit zijn bed stapte?No. 1. Bidden.Ond.Male!No. 1. Ontbijten.Ond.Pessime.No. 1. Zich wasschen.Ond. Ik verlang niet dat gij er naar raadt. Weet gij het of niet?No. 1. (huilende). Neen.Ond. (tegenNo. 2). En gij?No. 2. Wel zeker:—het eerste wat hij deed, als hij uit zijn bed stapte was: plaats maken.Ond.Rectissime!—En welke logeergast had De Ruyter op zijne kamer, die alle ochtenden vroeg uitging, zonder ’t huis te verlaten?No. 2. Zijne nachtkaars.Ond. Voortreffelijk. Nu nog eenige staat- en landhuishoudkundige vragen. Wat is hier te lande de hoogstepost?No. 1. Koning.Ond. Dat is geen post.No. 2. De duivepost.Ond.Optime!Wat zou, sinds de spoorwegen, nog de bestevaartin ons land zijn?No. 1. De vaart op de Oost.Ond. Is dieinons land? (No. 1kijkt bedrukt voor zich.)No. 2.Welvaart.Ond. Wat noemt men een landeigenaar?No. 2. Iemand, die ’tlandheeft.Ond. Welke boeren gaan meestal naar ’t leger?No. 2. Boeren die vaak krijgen.Ond. Wat is de beste kaas?No. 2. Presentkaas.Ond. Wat zijn de duurste inlandsche steenen?No. 2.Jan-Steenen.Ond. Welk bier pakt iemand terstond bij ’t hoofd?No. 2. Eenbarbier.Ond. Welk eenhaaslaat zich hier te lande gemakkelijkst vangen?No. 2. Eenossehaas.Ond. En welke zijn de goedkoopstehammen?No. 2. Deboterhammen.Ond. Gij wilt student worden. Is er ooit onder degroeneneen vermaard man geweest?No. 2. JanGras.Ond.Heeft hijkinderennagelaten?No. 2. Ja, eenbroer,Dorus-Gras.Ond.Wat is de meest geliefkoosde les van een student?No. 2. Eenkales.Ond.En zijn geliefkoosd nastuk.No. 2. Een stuk-in.Ond.Welke is thans deeersteleerstoel hier te lande?No. 2. De tafelstoel.Ond.Egregie!Wij zijn zoo van lieverlede op Onderwijs en Taal gekomen. Hoeveel soorten van letters zijn er?No. 1. Twee: klinkers en medeklinkers.Ond.(tegenNo. 2) En volgens u?No. 2. Vier: schrijfletters, drukletters, rooie letters en sinterklaasletters.Ond.Egregie.Welke letters zijnnat?No. 1. Die pas geschreven zijn....Ond.Male.No. 2. A en Y.Ond.Welke letter is eene vrouw?No. 2. K.Ond.Met welke kan men meten?No. 2. Met de L.Ond.Welke gebruikt men na den eten?No. 2. De T.Ond.Eximie!Wat is devocativusvankat?No. 1 (half wanhopend). O kat!Ond.Male.(tegenNo. 2) Wat is devocativusvankat?No. 2.Poes!Ond.Excellentissime.Het examen is afgeloopen.(De beide jongelieden worden binnengelaten om hunne bewijzen van toelating te ontvangen.No. 1heeft 3 punten, No. 2heeft er 25, en de Voorzitter schrijft een vertrouwelijken brief aan Prof. Y. te X., met aanbeveling om laatstgemelden jongelinghonoris causahet Doctoraat in de letteren te doen opdragen).

Het Casino.De tijd der genoegelijke wintervermaken is eindelijk verschenen: de huisgezinnen, welke de koude van December het langst getart hebben, zijn de stedelijke huis-goden vroeger of later komen terugvinden: de bezendingen der nieuwste modes zijn uit Parijs aangekomen, de modemaaksters doen hunne winkels met de uitgezochtste waren pronken: de koetsiers, in de bonte pelsen gestoken, hebben dag of nacht geen rust meer, doch rijden van huis naar den Amstel, van den Amstel naar de modemaakster, van de modemaakster naar huis, van huis naar dediners, van dediners naar komedies, soupers, soirée’s, concerten, ja naar de welsprekendheid, (bijaldien er iemand leest die bij de groote wereld bekend is). Kleedermakers en naaisters, schoenmakers en hoedenmakers kunnen ter nauwernood al hunne kalanten voldoen: alles is in de eerste kringen als ontwaakt uit den zomerschen slaap: alles is beweging, woeling, drukte, gepraat, geroep, gekakel, gebabbel, gelaster.Welk een heerlijk veld opent zich voor een opmerker? Geen jaargetijde als dit is zoo rijk voor de nieuwtjes, de tijdingjes, de praatjes, de intriges, de historietjes, de schandaaltjes. Overal hoort men gefluister en geklap; overal ziet men gegluur en gelonk: het hoofd wordt zoo opgevuld en gepropt met de menigte van logens en waarheden, die door een gekoeskoest zijn voorgedragen, dat het geene moeite meer is, de vertellingen te zoeken of na te sporen: maar wel om die uiteen te houden en in eene bekwame schikking voor te dragen, tot welk laatste wij echter niet gehouden willen zijn.Dan, wat ook in dit seizoen stof tot gepraat moge verschaffen, er is geen voorval dat de eerstecoterievanAmsterdamzoo lang, zoo tot walgens toe bezig houdt dan hetCasino. Reeds in de lente van het voorafgaande jaar, dadelijk na het sluiten der winterfeestvermaken, begint men elkander met angstige oogen aan te zien en half bevend toe te fluisteren, dat er in ’t vervolg geenCasinomeer zijn zal; dat de onkosten te groot zijn; dat de helft der Sociëteit zich wil afscheiden; dat de dansende heeren bedanken, en de etende het feest alleen niet in stand kunnen houden enz. Anderen, minder afgeschrikt door de gemaakte zwarigheden, houden staande dat alles op den vorigen voet blijven zal, en dat er voor de afvallende leden genoeg nieuwe zullen opkomen: anderen weder nemen een middelweg,en verhalen dat, ja, hetCasinozal instorten, doch als een Feniks veel schooner uit zijne assche herrijzen zal, gelouterd van al het onreine, dat zijn vroegeren luister is komen bezoedelen.—Deze woordenwisselingen duren tot aan het begin van November: dan begint de hoop op eenCasinoin aller hart veel schooner dan ooit te herleven: doch nu is de vraag welke commissarissen de zorg van een zoo belangrijk vermaak op zich zullen nemen: beurtelings worden alle rijke ingezetenen, alle hoofden van groote huizen gedoodverfd; de heeren, aan welke hun gewicht in de fatsoenlijke wereld aanspraak op dien post geeft, beginnen al de zwarigheden en onaangenaamheden, daaraan verknocht, op te tellen, om op zulk eene wijze dubbele eer en dank te behalen in geval zij de op hen gevallen keuze aannemen.—Nu worden de convocatiën gedaan. Zes of zeven heeren verschijnen daarop en representeeren de massa der leden; bedeesd en verschrikt zien zij elkander aan; en willen uit elkanders oogen lezen, wie de opengevallen commissaris-plaatsen vervullen moeten. Een hunner waagt het eindelijk, binnensmonds den naam van een der aanwezigen te mompelen; en als van de moeielijkste taak verlost, haast nu elk der aanwezigen, met dien naam het stembriefje in te vullen. De gekozene commissaris verbergt zijn genoegen onder een scheven lach, haalt de schouders op, murmelt eene verontschuldiging, die, als van zelf spreekt, niet aangenomen wordt, en laat zich de hem opgedragene lasten welgevallen.—Vergenoegd komen de mans en broeders terug; de minnaars, meisjes en Moeders zijn in de wolken; het vaderland is gered! hetCasinostaat meer onwankelbaar dan ooit. Eene tweede convocatie geschiedt; de voorgestelde nieuwe leden worden geballoteerd en bijna eenparig aangenomen; die, welke bedankt hebben voor hun lidmaatschap met verwondering rondgenoemd: de redenen dezer aftreding onderzocht: de daad bij allen afgekeurd. „Deze,” zegt men, „bedankt omdat hij niet danst: nu, maar men moet betalers ook hebben:—die, omdat hij een ongelukkigeinclinatieheeft, en dat het hem te hard valt, zijn meisje te ontmoeten en niet met haar te mogen dansen: goed, maar hij moest toch lid blijven om er zijne zusters te kunnen brengen, die nu geencavalierhebben: die weder is in den rouw: ja, maar hij kon die uitgaaf toch wel doen, toekomende jaar wordt hij weder lid:—die heeft het te druk; maar hij moest blijven om hetCasinoin stand te houden,” enz.Thans beginnen onder de Dames de vragen: „gaat gij naar het eerste Casino?—denkt gij dat het brillant wezen zal?—wat doet gij aan?—zou die en die er komen?—ik ben benieuwd of A en B. het weder zoo druk samen zullen hebben?” en de antwoorden: „neen, op het eersteCasinoga ik nooit, dat is nooit geanimeerd:—ik denk wel dat hij er wezen zal, doch hij zal zich wel stil houden, omdat Papa C. er ook komt,—neen, met A. en B. is het glad af.—Ik denk mijn japon van voorleden jaar aan te doen en mij nieten fraiste stellen,” enz.Dan, de dag van het feest, is eindelijk gekomen. Reeds van den vroegen morgen af snorrenFerminetenTeissierin hunnecabrioletsvan de eene schoone naar de andere; menige jonge vrouw, bij welke zij vast beloofd hadden te twee uren te komen, zit vruchteloos tot negen uren hen af te wachten; zij verwaarloozen de getrouwde dames,parce qu’elles ont toujours la ressource des toques. Hoe klopt het hart der jonge meisjes, die voor de eerste maal in de wereld verschijnen zullen, op het gezicht der fraaie tooisels, welke haar aangeboden worden, op het denkbeeld der op haar wachtende genoegens. Eindelijk zijn zij klaar; de kapper is niet gekomen, doch de moederlijke handen hebben haar werk gedaan; hoe juicht die verrukte moeder, nu zij hare telg, geheel naar haren zin, zoo lief en bevallig voor haar ziet staan; hoe oplettend gaat zij het ganschetoiletnog eenmaal na, om alles weg te ruimen wat misstaan mocht, om alles bij te brengen wat meer aanlokkelijkheid geeft. Eene slede houdt voor de deur stil: het is de oude grootmoeder, welke haar petekind, haar juweeltje, toch ook eens opgeschikt zien wil: het lieve meisje gaat voor haar staan, draait en wendt zich om en om, verhaalt van wie zij die kam ontving, hoe mama van hare eigene bloedkoralen een snoer voor hare dochter afgestaan heeft: waar zij de bloemen gekocht heeft, die het eenvoudig kleed garneeren, enz. Grootmoeder hoort dit gesnap, en ziet het onschuldige hartje aan met dat melancholieke genoegen, hetwelk den gevorderden leeftijd bevangt bij het aanschouwen van de jeugd in al hare kracht en verbeelding. Nu komen ook de jongste zusjes en broertjes om Marie te bewonderen: „hé wat is Mietje mooi! ga je naar ’tCasino, Mietje? Zal ik ook zoo mooi wezen mama, als ik groot ben en naar ’tCasinoga?” hoort men de kleintjes nu uitroepen.Het is acht uren geslagen: ik verlaat dit huiselijk tooneel, en snel naar den Garnalen Doelen, waar nog maar alleen de Commissarissen gereed staan om de dames in te leiden; en de recipiëerende vrouwen om eene dienaresse aan de Heeren te maken.Nog bibberen wij van koude in het tochtig en weinigcomfortablelokaal: doch dit is de schuld onzer voorouderen, welke meer gezorgd hebben voor groote kerken dan voor groote feestzalen, en aan welke men het verwijten moet, indien men zich met de lage, stoffige en koude kamers van den Doelen vergenoegen moet.Daar begint het geraas van koetsen, brommers en sleden; daar schaart zich het nieuwsgierig gemeen om de deur van het Hotel, ten einde de fraaie kleedingen te zien. Wie is die zwarte mantel, welke zich onder dien volkshoop bevindt? Helaas! het is die ongelukkige minnaar, die in hetCasinoniet verschijnen durft, en echter zijne onvergetelijke zielsgodin bij het verlaten van haar rijtuig, al is het maar voor een oogenblik, wil bewonderen.De entreezaal wordt voller en voller: de heeren en dames scheiden zich bij het inkomen van elkaar, en vormen twee afgezonderde groepen, Wie is die vrijpostige, die het waagt, zich reeds dadelijk tot de dames te wenden en om de gunst eener wals te vragen?—Dertig duizend gulden aan jaarlijksch inkomen geven hem die stoutheid. De meisjes zien hem steelswijze aan: arme schapen! hij is voor u verloren; met het voorjaar gaat hij naar Parijs; en de aanlokkelijkhedender groote stad zullen hem aldaar voor altijd kluisteren.Een ander volgt hem, nog stoutmoediger dan hij. Van zijn inkomen zal ik maar niet spreken; op zijn Stichtschen adel is hij hoovaardiger dan de eerste op zijne rijkdommen.... doch wij zullenLangendijkniet napraten.Ter zijde wat, mijne heeren! daar komt Mevrouw X.aan: al de jonge vrouwen regelen zich naar haar, wat kleeding, spreekwijze, kapsel en manieren betreft: de heeren vliegen om haar als de vlinders om de kaars: zij ontvangt hunne eerbewijzingen met een blik van protectie, glimlacht en meesmuilt bij beurten, beschouwt zich zelve dikwijls met welgevallen, en verbleekt op het gezicht van Mevrouw Y., die fraaier garnituur heeft dan zij.Bedeesd en beschroomd komt de jonge V. de dames ten dans vragen: de nufjes zien hem naderen en verschuilen zich achter de andere dames, of dringen zoo diep zij kunnen tusschen de menigte om zijn lastig aanzoek te ontwijken. Eéne echter wordt door hem aangeklampt; dan, ofschoon haar danskaartje nog bijna geheel openstaat, veinst zij zich voor alle dansen geëngageerd: de arme sukkel keert verslagen terug; hij ontdekt wel in het vervolg van den avond dat hij bedrogen is, doch heeft het hart niet wraak te nemen of zich te beklagen.Daar komt Mevrouw Z. binnen met hare dochters. Dezen hebben het vorige jaar, in stilte en van alle vermaken verstoken, tehuis doorgebracht: thans echter hebben zij hare belijdenis gedaan. God heeft het zijne gehad: nu komt de beurt aan de wereld; want dat beider dienst zich niet zoude laten vereenigen, is eene lang vergeten les; alles heeft zijn tijd: godsdienstige gedragingen komen in de kerk te pas, doch zijn allergevaarlijkst, verpestend, doodelijk voor den goeden smaak.... dan, ik begin waarlijk temoraliseeren.... och neen! ik praat maar na.Mevrouw Z. presenteert hare dochters aan de recipiëerende dames, en, naardien Mevrouw Z. eene vrouw is, welke veel menschen ziet en hare gasten uitmuntend ontvangt, spreekt het van zelf dat de meisjes een bij uitstek gunstig onthaal genieten:—Clara slaat bedeesd de blauwe oogen neder en durft ze niet naar Mevrouw V. te richten, hoe deze ook door voorkomende vriendelijkheid haar zoekt gerust te stellen: Corinna daarentegen snapt en keuvelt, totdat een blik van mama haar blozend doet ophouden.Daar laat de muziek zich hooren: daar beweegt zich de opeengepakte massa: decavaliershalen hunne dames af, desjaals, palatinesenfichusworden aan de zorg der moeders of niet dansende zusters toevertrouwd; de andere dames trachten eene goede zitplaats te verkrijgen, en de wals begint.„Met wie danst Henriëtte?” vraagt eene bezorgde moeder aan hare buurvrouw. „Met een der nieuwe leden, geloof ik; ik heb hem ten minste nooit meer gezien.”—„Zoo! dat kan ik niet gelooven: ik heb haar verboden met iemand te dansen, die mij niet gepresenteerd is.”—„Wat heeft Mejuffrouw S. een fraai garnituur topazen! Heeft haar vader eene erfenis gekregen?”—”’t Is schande dat men zijne dochters zoo zwierig opschikt als men zijne crediteuren niet betaald.”—„Wat ziet Sijlvia er zot uit.”—„Hebt ge die veeren wel gezien van Mevrouw P., die komen dan volstrekt niet met de rest van hare kleeding overeen.”—„Zie eens, hoe Annette zich aanstelt met dien Engelschman, en wat walst die heer bespottelijk.”—„Hebt gij mijn, Hansje al zien walsen? zij danst al zeer lief.”—„Zoo, waar heeft Mevrouw Q. dien nieuwenadorateuropgedaan?”—„Hé, dat is al een oude kennis; maar hij komt niet meer bij haar aan huis, want haar man.... (gefluister)”—„Het verwondert mij dat Keetje nog dansen durft, zij is immers al drie maanden ver.”—„Wat zeg je van de historie van.... (gefluister) o het is alles weder in der minne geschikt.”—„Ja, dat is tegenwoordig mode; ik ga ook toekomende jaar eens met een ander op het pad.”—„Het verwondert mij hoe Juffrouw N. zich nog durft vertoonen na wat in de familie gebeurd is.”Het wordt later; de speeltafeltjes worden opgezet en de bejaarde of nietdansendelieden gaan zich methombreenwhistvermaken.Wie zijn die twee jongelieden, welke in de quadrille al de passen bederven, al de figuren in de war maken? Die heer is anders een goed danser en de juffrouw eene der besteelèvesvanGuédonen naderhand vanNys. Ach! zij vergeten dequadrille, den dans, de menschen, hetcasino: zij hebben alleen oogen voor elkander. Deze dans is gedaan: Het meisje zoekt een eenzaam hoekje: de jongeling gaat een anderen kant op, doch alleen voor de leus: daar zitten zij naast elkander: zij praten, zij gloeien, hunne oogen schieten vlammen, hunne.... onvoorzichtigen! hoe afgelegen gij zit, morgen weet de geheele stad, hetgeen gij vruchteloos voor indiscrete verspieders zoekt te bedekken.Mijn goede mijnheer H., hoe loopt gij zoo de kamer op en neer? Is het uwe vrouw, die gij zoekt? och! de limonade, welke gij haar brengen wilt, komt te laat. Een ander is u reeds voorgekomen, en de conversatie van dezen is uwer beminde veel te aangenaam, dan dat zij u voor uwe vriendelijkheid dank zoude weten.Hoe ziet gij zoo droevig, arme F.? Is uwe aangebedene schoone niet gekomen? Mij dunkt, ik zie haar in gindschen hoek der zaal, luidkeels lachende met hare vriendinnen.—Of is zij hedenavond niet zoo vriendelijk jegens u als naar gewoonte?—Heeft zij haren arm voor het souper u geweigerd? Ha! ik raad het al, nu gij zulke straffe blikken op gindschen pronker werpt: gij hebt gedaan, arme F.! uw rijk is uit.Wie zijn toch die meisjes, welke er zoo lief en innemend uitzien, en welke niemand ten dans vraagt? Wacht daar gaat er toch een heer op af.—Neen, hij kiest de mottige freule X. Wat mag toch de reden van zulk eene dwaze handelwijs zijn? Die is zeer eenvoudig: de freule is naar de mode; en al wordt zij tachtig jaren, zoolang zij dansende blijft, zal zij uit routine gevraagd worden; die meisjes daarentegen zijn met al hare bevalligheden en verstand weinig bekend, en daardoor minder in trek.—O! zoo ik slechts jongere beenen had, hoe gaarne zou ik die onbillijkheid goedmaken!Hoe beminnelijk ziet Marianne er uit! Met al de verrukking der zuiverste onschuld geeft zij zich aan de vermaken toe, welke harejeugd zoo eigen zijn. Hoe gloeien de rozen op hare frissche wangen! hoe zwoegt haar wassende boezem! voor haar zijn op het gevaarlijk pad, hetwelk zij betreden gaat, nog geene doornen zichtbaar, schoon zij weet dat die zich aldaar bevinden; maar zij vreest die niet: te rein is hare ziel dan dat het denkbeeld zelf aan afwijking van hare plichtsbetrachting ooit bij haar op zoude komen. Eene brave moederlijke vriendin heeft de uitmuntende zaden in haar ontkiemend gemoed met overleg opgekweekt en tot heerlijken wasdom gebracht. Van die vriendin door den loop der omstandigheden gescheiden, zijn de gedachten van Marianne echter bij haar; en de vreugde, welke zij thans smaakt, is te grooter wanneer zij zich het genoegen voorstelt, die vreugde aan hare vriendin te zullen mededeelen.Hoe mal zit gindsche zot te kijken! met de beide handen in den zak, het hoofd op zijde, de beenen wijd uitgestrekt en vaneen gespreid, en het bovenlijf overdwars gebogen. Nu en dan gaapt hij met eene uitnemende gratie en fluit hardop, alsof hij in een paardenstal ware, de muziek na. Heeft de knaap geene opvoeding gehad; acht hij zich van de voorschriften der beleefdheid ontslagen? Of waant hij dat zijne buffelachtigheid voorgracieuxzal doorgaan? Zoo men hem aanmerkingen wegens zijn onbehoorlijk gedrag doet, antwoordt hij met een lompen jordaanschen vloek, dat hij daarvoor zijn geld betaald, en niet verkiest om zich voor iemand te geneeren. Heet dit tegenwoordig dansavoirvivrebonton?Waarlijk, dan zoude men depetits marquisuit den tijd van Molière bijna terugwenschen; want al is geveinsde beleefdheid slechts vleierij, zij is toch altijd beter dan geveinsde lompheid.De speeltafeltjes worden weggeruimd, of liever in eettafels herschapen; de jonge dames zoeken hare plunje wederom op en nemen de armen der aanwippende heertjes: zij, welke geencavaliervinden, klampen zich aan hare voorgangsters alsof zijhansje sjokkenspeelden, en niet zelden trekt een ridder zes à zeven dames als aan een touw de eetkamer in. Nu ziet men rond naar eene aangename plaats. Helaas! de beste zijn overal reeds genomen. Het spreekt van zelf dat de elegante Mina en de bevallige Julia, dat de trotsche Margaretha en de rijke Bertha (welke vier altijd samen partij maken,) de heeren vragen, in plaats van door dezen gevraagd te worden het spreekt van zelf, zeg ik, dat dezen de beste plaatsen voor zich en voor hare uitverkoornen genomen hebben. En waarom, vraagt men nu, hebben deze dames aanspraak op eene betere plaatsing dan anderen? Zijn hare mans Commissarissen? Neen.—Doen zij dehonneurs?Geenszins.—Wat dan? Wel, zij brengen er zich zelven, is dit niet genoeg? Zij verbeelden zich in goeden ernst, dat zonder haar hetCasinoonmogelijk zoude kunnen bestaan: verbeelden zich dit en niet zonder reden; want elke gekskap zegt het haar: intusschen zijn het vier ijdelheden, die men zonder den fraaien opschik, de paarlen, de juweelen de kanten enz. enz., waarmede zij behangen zijn, als volkomene nulliteiten zoude aanmerken.Men schuift door: men dringt, stoot, roept, hemt, duwt, kijft, geeft stoelen aan, zet tafels bij, langt borden aan, laat wijn komen, en begintte eten. De tafeltjes leveren wederom een groot verschil op: aan het eene praat men: aan een ander lacht men: hier vrijt men: daar gluurt men: hier werken de oogen: daar de handen: ginds de voeten: hier eet men: daar drinkt men: hier wordt gerammeld: daar gezwegen. Eene tafel, waaraan acht heeren zitten, is de stilste van alle: de verveling is op elks gelaat te lezen. Dan deze, waaraan zes jonge meisjes, doch welke reeds meerCasino’sbeleefd hebben, zich door eenige studenten tot het proeven vanChampagnelaten overhalen, en, angstig naar mama omziende, eens even de lippen aan het lekkere vocht zetten, deze is een weinig luidruchtiger.—Wat hijgen en draven die knechts, die heeren, die Commissarissen! Eén man slechts is impassibel: het is de groote Weimer, die als een waakzaam generaal, alleen de oogen overal laat weiden, en het oppertoezicht houdt.Hetsouper is afgeloopen, en wordt door den luchtigen wals vervangen. Zwaaiende en zuizende staat men op: luchthartig en gezwind snort en snelt alles dooreen: Er is geen band, geen hindernis, geen stijfheid, geen decorum meer. De vrijer, die vóór het souper het niet zoude hebben durven wagen, het hem geweigerde meisje aan te spreken, gaat nu brutaal weg met haar walsen, ja walst de ouders der schoone bijna omver. De lokken der dames worden achter de haren weggestreken, of hangen, als Meduza’s kapsel, in ’t rond: de jabots verliezen plooi en witheid: de bloemen zijn verflenst: de cabretten handschoenen laten, door scheur op scheur, de meerdere of mindere blankheid der handjes beschouwen: en aan hem, die thans eerst de zaal binnentrad, zoude het geheel, dat zij nu oplevert, geen bekoorlijk, neen, maar veeleer een aanstootelijk schouwspel vertoonen.De tijd verloopt: de bouillon wordt alom ingezwolgen: de meesten der aanwezigen vertrekken of nemen geen deel aan den dans meer: de cirkels der walsen, de omvang derquadrillenverwijden zich, alleen de onvermoeide springers huppelen nog op het maatgeluid en vermaken zich des te meer, naarmate zij meerdere ruimte hebben verkregen. Dan alle aardsche vreugde moet een einde nemen, en de schrikkelijke wenk van den dansmeester kondigt het besluit der laatsteSanteuseaan: nu worden mantels, sjaals, doeken, palatines, enz. door de bezorgde moeders en nog bezorgder minnaars opgezocht, de heeren steken zich in den ruigen schanslooper of pyjakker, of omhangen zich met den breeden, met fluweel gevoerden mantel, en halen de sigaar voor den dag, die hen naar huis moet verzellen. Overal buigt en neigt men: de sleepers rijzen uit hun slaap en uit hunne sleden op en staan aan de voordeur vergaderd: de benedenzaal van Weimer is te klein om al de menschen te bevatten, die tot nog toe vruchteloos op het voorkomen hunner rijtuigen wachten: dan eindelijk raakt de een vroeger, de ander later, in de voor hem bestemdeequipage: en Morpheus houdt zich gereed om den verkwikkenden slaap over de vermoeide leden van de hem verwachtende dansers uit te storten.

De tijd der genoegelijke wintervermaken is eindelijk verschenen: de huisgezinnen, welke de koude van December het langst getart hebben, zijn de stedelijke huis-goden vroeger of later komen terugvinden: de bezendingen der nieuwste modes zijn uit Parijs aangekomen, de modemaaksters doen hunne winkels met de uitgezochtste waren pronken: de koetsiers, in de bonte pelsen gestoken, hebben dag of nacht geen rust meer, doch rijden van huis naar den Amstel, van den Amstel naar de modemaakster, van de modemaakster naar huis, van huis naar dediners, van dediners naar komedies, soupers, soirée’s, concerten, ja naar de welsprekendheid, (bijaldien er iemand leest die bij de groote wereld bekend is). Kleedermakers en naaisters, schoenmakers en hoedenmakers kunnen ter nauwernood al hunne kalanten voldoen: alles is in de eerste kringen als ontwaakt uit den zomerschen slaap: alles is beweging, woeling, drukte, gepraat, geroep, gekakel, gebabbel, gelaster.

Welk een heerlijk veld opent zich voor een opmerker? Geen jaargetijde als dit is zoo rijk voor de nieuwtjes, de tijdingjes, de praatjes, de intriges, de historietjes, de schandaaltjes. Overal hoort men gefluister en geklap; overal ziet men gegluur en gelonk: het hoofd wordt zoo opgevuld en gepropt met de menigte van logens en waarheden, die door een gekoeskoest zijn voorgedragen, dat het geene moeite meer is, de vertellingen te zoeken of na te sporen: maar wel om die uiteen te houden en in eene bekwame schikking voor te dragen, tot welk laatste wij echter niet gehouden willen zijn.

Dan, wat ook in dit seizoen stof tot gepraat moge verschaffen, er is geen voorval dat de eerstecoterievanAmsterdamzoo lang, zoo tot walgens toe bezig houdt dan hetCasino. Reeds in de lente van het voorafgaande jaar, dadelijk na het sluiten der winterfeestvermaken, begint men elkander met angstige oogen aan te zien en half bevend toe te fluisteren, dat er in ’t vervolg geenCasinomeer zijn zal; dat de onkosten te groot zijn; dat de helft der Sociëteit zich wil afscheiden; dat de dansende heeren bedanken, en de etende het feest alleen niet in stand kunnen houden enz. Anderen, minder afgeschrikt door de gemaakte zwarigheden, houden staande dat alles op den vorigen voet blijven zal, en dat er voor de afvallende leden genoeg nieuwe zullen opkomen: anderen weder nemen een middelweg,en verhalen dat, ja, hetCasinozal instorten, doch als een Feniks veel schooner uit zijne assche herrijzen zal, gelouterd van al het onreine, dat zijn vroegeren luister is komen bezoedelen.—Deze woordenwisselingen duren tot aan het begin van November: dan begint de hoop op eenCasinoin aller hart veel schooner dan ooit te herleven: doch nu is de vraag welke commissarissen de zorg van een zoo belangrijk vermaak op zich zullen nemen: beurtelings worden alle rijke ingezetenen, alle hoofden van groote huizen gedoodverfd; de heeren, aan welke hun gewicht in de fatsoenlijke wereld aanspraak op dien post geeft, beginnen al de zwarigheden en onaangenaamheden, daaraan verknocht, op te tellen, om op zulk eene wijze dubbele eer en dank te behalen in geval zij de op hen gevallen keuze aannemen.—Nu worden de convocatiën gedaan. Zes of zeven heeren verschijnen daarop en representeeren de massa der leden; bedeesd en verschrikt zien zij elkander aan; en willen uit elkanders oogen lezen, wie de opengevallen commissaris-plaatsen vervullen moeten. Een hunner waagt het eindelijk, binnensmonds den naam van een der aanwezigen te mompelen; en als van de moeielijkste taak verlost, haast nu elk der aanwezigen, met dien naam het stembriefje in te vullen. De gekozene commissaris verbergt zijn genoegen onder een scheven lach, haalt de schouders op, murmelt eene verontschuldiging, die, als van zelf spreekt, niet aangenomen wordt, en laat zich de hem opgedragene lasten welgevallen.—Vergenoegd komen de mans en broeders terug; de minnaars, meisjes en Moeders zijn in de wolken; het vaderland is gered! hetCasinostaat meer onwankelbaar dan ooit. Eene tweede convocatie geschiedt; de voorgestelde nieuwe leden worden geballoteerd en bijna eenparig aangenomen; die, welke bedankt hebben voor hun lidmaatschap met verwondering rondgenoemd: de redenen dezer aftreding onderzocht: de daad bij allen afgekeurd. „Deze,” zegt men, „bedankt omdat hij niet danst: nu, maar men moet betalers ook hebben:—die, omdat hij een ongelukkigeinclinatieheeft, en dat het hem te hard valt, zijn meisje te ontmoeten en niet met haar te mogen dansen: goed, maar hij moest toch lid blijven om er zijne zusters te kunnen brengen, die nu geencavalierhebben: die weder is in den rouw: ja, maar hij kon die uitgaaf toch wel doen, toekomende jaar wordt hij weder lid:—die heeft het te druk; maar hij moest blijven om hetCasinoin stand te houden,” enz.

Thans beginnen onder de Dames de vragen: „gaat gij naar het eerste Casino?—denkt gij dat het brillant wezen zal?—wat doet gij aan?—zou die en die er komen?—ik ben benieuwd of A en B. het weder zoo druk samen zullen hebben?” en de antwoorden: „neen, op het eersteCasinoga ik nooit, dat is nooit geanimeerd:—ik denk wel dat hij er wezen zal, doch hij zal zich wel stil houden, omdat Papa C. er ook komt,—neen, met A. en B. is het glad af.—Ik denk mijn japon van voorleden jaar aan te doen en mij nieten fraiste stellen,” enz.

Dan, de dag van het feest, is eindelijk gekomen. Reeds van den vroegen morgen af snorrenFerminetenTeissierin hunnecabrioletsvan de eene schoone naar de andere; menige jonge vrouw, bij welke zij vast beloofd hadden te twee uren te komen, zit vruchteloos tot negen uren hen af te wachten; zij verwaarloozen de getrouwde dames,parce qu’elles ont toujours la ressource des toques. Hoe klopt het hart der jonge meisjes, die voor de eerste maal in de wereld verschijnen zullen, op het gezicht der fraaie tooisels, welke haar aangeboden worden, op het denkbeeld der op haar wachtende genoegens. Eindelijk zijn zij klaar; de kapper is niet gekomen, doch de moederlijke handen hebben haar werk gedaan; hoe juicht die verrukte moeder, nu zij hare telg, geheel naar haren zin, zoo lief en bevallig voor haar ziet staan; hoe oplettend gaat zij het ganschetoiletnog eenmaal na, om alles weg te ruimen wat misstaan mocht, om alles bij te brengen wat meer aanlokkelijkheid geeft. Eene slede houdt voor de deur stil: het is de oude grootmoeder, welke haar petekind, haar juweeltje, toch ook eens opgeschikt zien wil: het lieve meisje gaat voor haar staan, draait en wendt zich om en om, verhaalt van wie zij die kam ontving, hoe mama van hare eigene bloedkoralen een snoer voor hare dochter afgestaan heeft: waar zij de bloemen gekocht heeft, die het eenvoudig kleed garneeren, enz. Grootmoeder hoort dit gesnap, en ziet het onschuldige hartje aan met dat melancholieke genoegen, hetwelk den gevorderden leeftijd bevangt bij het aanschouwen van de jeugd in al hare kracht en verbeelding. Nu komen ook de jongste zusjes en broertjes om Marie te bewonderen: „hé wat is Mietje mooi! ga je naar ’tCasino, Mietje? Zal ik ook zoo mooi wezen mama, als ik groot ben en naar ’tCasinoga?” hoort men de kleintjes nu uitroepen.

Het is acht uren geslagen: ik verlaat dit huiselijk tooneel, en snel naar den Garnalen Doelen, waar nog maar alleen de Commissarissen gereed staan om de dames in te leiden; en de recipiëerende vrouwen om eene dienaresse aan de Heeren te maken.

Nog bibberen wij van koude in het tochtig en weinigcomfortablelokaal: doch dit is de schuld onzer voorouderen, welke meer gezorgd hebben voor groote kerken dan voor groote feestzalen, en aan welke men het verwijten moet, indien men zich met de lage, stoffige en koude kamers van den Doelen vergenoegen moet.

Daar begint het geraas van koetsen, brommers en sleden; daar schaart zich het nieuwsgierig gemeen om de deur van het Hotel, ten einde de fraaie kleedingen te zien. Wie is die zwarte mantel, welke zich onder dien volkshoop bevindt? Helaas! het is die ongelukkige minnaar, die in hetCasinoniet verschijnen durft, en echter zijne onvergetelijke zielsgodin bij het verlaten van haar rijtuig, al is het maar voor een oogenblik, wil bewonderen.

De entreezaal wordt voller en voller: de heeren en dames scheiden zich bij het inkomen van elkaar, en vormen twee afgezonderde groepen, Wie is die vrijpostige, die het waagt, zich reeds dadelijk tot de dames te wenden en om de gunst eener wals te vragen?—Dertig duizend gulden aan jaarlijksch inkomen geven hem die stoutheid. De meisjes zien hem steelswijze aan: arme schapen! hij is voor u verloren; met het voorjaar gaat hij naar Parijs; en de aanlokkelijkhedender groote stad zullen hem aldaar voor altijd kluisteren.

Een ander volgt hem, nog stoutmoediger dan hij. Van zijn inkomen zal ik maar niet spreken; op zijn Stichtschen adel is hij hoovaardiger dan de eerste op zijne rijkdommen.... doch wij zullenLangendijkniet napraten.

Ter zijde wat, mijne heeren! daar komt Mevrouw X.aan: al de jonge vrouwen regelen zich naar haar, wat kleeding, spreekwijze, kapsel en manieren betreft: de heeren vliegen om haar als de vlinders om de kaars: zij ontvangt hunne eerbewijzingen met een blik van protectie, glimlacht en meesmuilt bij beurten, beschouwt zich zelve dikwijls met welgevallen, en verbleekt op het gezicht van Mevrouw Y., die fraaier garnituur heeft dan zij.

Bedeesd en beschroomd komt de jonge V. de dames ten dans vragen: de nufjes zien hem naderen en verschuilen zich achter de andere dames, of dringen zoo diep zij kunnen tusschen de menigte om zijn lastig aanzoek te ontwijken. Eéne echter wordt door hem aangeklampt; dan, ofschoon haar danskaartje nog bijna geheel openstaat, veinst zij zich voor alle dansen geëngageerd: de arme sukkel keert verslagen terug; hij ontdekt wel in het vervolg van den avond dat hij bedrogen is, doch heeft het hart niet wraak te nemen of zich te beklagen.

Daar komt Mevrouw Z. binnen met hare dochters. Dezen hebben het vorige jaar, in stilte en van alle vermaken verstoken, tehuis doorgebracht: thans echter hebben zij hare belijdenis gedaan. God heeft het zijne gehad: nu komt de beurt aan de wereld; want dat beider dienst zich niet zoude laten vereenigen, is eene lang vergeten les; alles heeft zijn tijd: godsdienstige gedragingen komen in de kerk te pas, doch zijn allergevaarlijkst, verpestend, doodelijk voor den goeden smaak.... dan, ik begin waarlijk temoraliseeren.... och neen! ik praat maar na.

Mevrouw Z. presenteert hare dochters aan de recipiëerende dames, en, naardien Mevrouw Z. eene vrouw is, welke veel menschen ziet en hare gasten uitmuntend ontvangt, spreekt het van zelf dat de meisjes een bij uitstek gunstig onthaal genieten:—Clara slaat bedeesd de blauwe oogen neder en durft ze niet naar Mevrouw V. te richten, hoe deze ook door voorkomende vriendelijkheid haar zoekt gerust te stellen: Corinna daarentegen snapt en keuvelt, totdat een blik van mama haar blozend doet ophouden.

Daar laat de muziek zich hooren: daar beweegt zich de opeengepakte massa: decavaliershalen hunne dames af, desjaals, palatinesenfichusworden aan de zorg der moeders of niet dansende zusters toevertrouwd; de andere dames trachten eene goede zitplaats te verkrijgen, en de wals begint.

„Met wie danst Henriëtte?” vraagt eene bezorgde moeder aan hare buurvrouw. „Met een der nieuwe leden, geloof ik; ik heb hem ten minste nooit meer gezien.”—„Zoo! dat kan ik niet gelooven: ik heb haar verboden met iemand te dansen, die mij niet gepresenteerd is.”—„Wat heeft Mejuffrouw S. een fraai garnituur topazen! Heeft haar vader eene erfenis gekregen?”—”’t Is schande dat men zijne dochters zoo zwierig opschikt als men zijne crediteuren niet betaald.”—„Wat ziet Sijlvia er zot uit.”—„Hebt ge die veeren wel gezien van Mevrouw P., die komen dan volstrekt niet met de rest van hare kleeding overeen.”—„Zie eens, hoe Annette zich aanstelt met dien Engelschman, en wat walst die heer bespottelijk.”—„Hebt gij mijn, Hansje al zien walsen? zij danst al zeer lief.”—„Zoo, waar heeft Mevrouw Q. dien nieuwenadorateuropgedaan?”—„Hé, dat is al een oude kennis; maar hij komt niet meer bij haar aan huis, want haar man.... (gefluister)”—„Het verwondert mij dat Keetje nog dansen durft, zij is immers al drie maanden ver.”—„Wat zeg je van de historie van.... (gefluister) o het is alles weder in der minne geschikt.”—„Ja, dat is tegenwoordig mode; ik ga ook toekomende jaar eens met een ander op het pad.”—„Het verwondert mij hoe Juffrouw N. zich nog durft vertoonen na wat in de familie gebeurd is.”

Het wordt later; de speeltafeltjes worden opgezet en de bejaarde of nietdansendelieden gaan zich methombreenwhistvermaken.

Wie zijn die twee jongelieden, welke in de quadrille al de passen bederven, al de figuren in de war maken? Die heer is anders een goed danser en de juffrouw eene der besteelèvesvanGuédonen naderhand vanNys. Ach! zij vergeten dequadrille, den dans, de menschen, hetcasino: zij hebben alleen oogen voor elkander. Deze dans is gedaan: Het meisje zoekt een eenzaam hoekje: de jongeling gaat een anderen kant op, doch alleen voor de leus: daar zitten zij naast elkander: zij praten, zij gloeien, hunne oogen schieten vlammen, hunne.... onvoorzichtigen! hoe afgelegen gij zit, morgen weet de geheele stad, hetgeen gij vruchteloos voor indiscrete verspieders zoekt te bedekken.

Mijn goede mijnheer H., hoe loopt gij zoo de kamer op en neer? Is het uwe vrouw, die gij zoekt? och! de limonade, welke gij haar brengen wilt, komt te laat. Een ander is u reeds voorgekomen, en de conversatie van dezen is uwer beminde veel te aangenaam, dan dat zij u voor uwe vriendelijkheid dank zoude weten.

Hoe ziet gij zoo droevig, arme F.? Is uwe aangebedene schoone niet gekomen? Mij dunkt, ik zie haar in gindschen hoek der zaal, luidkeels lachende met hare vriendinnen.—Of is zij hedenavond niet zoo vriendelijk jegens u als naar gewoonte?—Heeft zij haren arm voor het souper u geweigerd? Ha! ik raad het al, nu gij zulke straffe blikken op gindschen pronker werpt: gij hebt gedaan, arme F.! uw rijk is uit.

Wie zijn toch die meisjes, welke er zoo lief en innemend uitzien, en welke niemand ten dans vraagt? Wacht daar gaat er toch een heer op af.—Neen, hij kiest de mottige freule X. Wat mag toch de reden van zulk eene dwaze handelwijs zijn? Die is zeer eenvoudig: de freule is naar de mode; en al wordt zij tachtig jaren, zoolang zij dansende blijft, zal zij uit routine gevraagd worden; die meisjes daarentegen zijn met al hare bevalligheden en verstand weinig bekend, en daardoor minder in trek.—O! zoo ik slechts jongere beenen had, hoe gaarne zou ik die onbillijkheid goedmaken!

Hoe beminnelijk ziet Marianne er uit! Met al de verrukking der zuiverste onschuld geeft zij zich aan de vermaken toe, welke harejeugd zoo eigen zijn. Hoe gloeien de rozen op hare frissche wangen! hoe zwoegt haar wassende boezem! voor haar zijn op het gevaarlijk pad, hetwelk zij betreden gaat, nog geene doornen zichtbaar, schoon zij weet dat die zich aldaar bevinden; maar zij vreest die niet: te rein is hare ziel dan dat het denkbeeld zelf aan afwijking van hare plichtsbetrachting ooit bij haar op zoude komen. Eene brave moederlijke vriendin heeft de uitmuntende zaden in haar ontkiemend gemoed met overleg opgekweekt en tot heerlijken wasdom gebracht. Van die vriendin door den loop der omstandigheden gescheiden, zijn de gedachten van Marianne echter bij haar; en de vreugde, welke zij thans smaakt, is te grooter wanneer zij zich het genoegen voorstelt, die vreugde aan hare vriendin te zullen mededeelen.

Hoe mal zit gindsche zot te kijken! met de beide handen in den zak, het hoofd op zijde, de beenen wijd uitgestrekt en vaneen gespreid, en het bovenlijf overdwars gebogen. Nu en dan gaapt hij met eene uitnemende gratie en fluit hardop, alsof hij in een paardenstal ware, de muziek na. Heeft de knaap geene opvoeding gehad; acht hij zich van de voorschriften der beleefdheid ontslagen? Of waant hij dat zijne buffelachtigheid voorgracieuxzal doorgaan? Zoo men hem aanmerkingen wegens zijn onbehoorlijk gedrag doet, antwoordt hij met een lompen jordaanschen vloek, dat hij daarvoor zijn geld betaald, en niet verkiest om zich voor iemand te geneeren. Heet dit tegenwoordig dansavoirvivrebonton?Waarlijk, dan zoude men depetits marquisuit den tijd van Molière bijna terugwenschen; want al is geveinsde beleefdheid slechts vleierij, zij is toch altijd beter dan geveinsde lompheid.

De speeltafeltjes worden weggeruimd, of liever in eettafels herschapen; de jonge dames zoeken hare plunje wederom op en nemen de armen der aanwippende heertjes: zij, welke geencavaliervinden, klampen zich aan hare voorgangsters alsof zijhansje sjokkenspeelden, en niet zelden trekt een ridder zes à zeven dames als aan een touw de eetkamer in. Nu ziet men rond naar eene aangename plaats. Helaas! de beste zijn overal reeds genomen. Het spreekt van zelf dat de elegante Mina en de bevallige Julia, dat de trotsche Margaretha en de rijke Bertha (welke vier altijd samen partij maken,) de heeren vragen, in plaats van door dezen gevraagd te worden het spreekt van zelf, zeg ik, dat dezen de beste plaatsen voor zich en voor hare uitverkoornen genomen hebben. En waarom, vraagt men nu, hebben deze dames aanspraak op eene betere plaatsing dan anderen? Zijn hare mans Commissarissen? Neen.—Doen zij dehonneurs?Geenszins.—Wat dan? Wel, zij brengen er zich zelven, is dit niet genoeg? Zij verbeelden zich in goeden ernst, dat zonder haar hetCasinoonmogelijk zoude kunnen bestaan: verbeelden zich dit en niet zonder reden; want elke gekskap zegt het haar: intusschen zijn het vier ijdelheden, die men zonder den fraaien opschik, de paarlen, de juweelen de kanten enz. enz., waarmede zij behangen zijn, als volkomene nulliteiten zoude aanmerken.

Men schuift door: men dringt, stoot, roept, hemt, duwt, kijft, geeft stoelen aan, zet tafels bij, langt borden aan, laat wijn komen, en begintte eten. De tafeltjes leveren wederom een groot verschil op: aan het eene praat men: aan een ander lacht men: hier vrijt men: daar gluurt men: hier werken de oogen: daar de handen: ginds de voeten: hier eet men: daar drinkt men: hier wordt gerammeld: daar gezwegen. Eene tafel, waaraan acht heeren zitten, is de stilste van alle: de verveling is op elks gelaat te lezen. Dan deze, waaraan zes jonge meisjes, doch welke reeds meerCasino’sbeleefd hebben, zich door eenige studenten tot het proeven vanChampagnelaten overhalen, en, angstig naar mama omziende, eens even de lippen aan het lekkere vocht zetten, deze is een weinig luidruchtiger.—Wat hijgen en draven die knechts, die heeren, die Commissarissen! Eén man slechts is impassibel: het is de groote Weimer, die als een waakzaam generaal, alleen de oogen overal laat weiden, en het oppertoezicht houdt.

Hetsouper is afgeloopen, en wordt door den luchtigen wals vervangen. Zwaaiende en zuizende staat men op: luchthartig en gezwind snort en snelt alles dooreen: Er is geen band, geen hindernis, geen stijfheid, geen decorum meer. De vrijer, die vóór het souper het niet zoude hebben durven wagen, het hem geweigerde meisje aan te spreken, gaat nu brutaal weg met haar walsen, ja walst de ouders der schoone bijna omver. De lokken der dames worden achter de haren weggestreken, of hangen, als Meduza’s kapsel, in ’t rond: de jabots verliezen plooi en witheid: de bloemen zijn verflenst: de cabretten handschoenen laten, door scheur op scheur, de meerdere of mindere blankheid der handjes beschouwen: en aan hem, die thans eerst de zaal binnentrad, zoude het geheel, dat zij nu oplevert, geen bekoorlijk, neen, maar veeleer een aanstootelijk schouwspel vertoonen.

De tijd verloopt: de bouillon wordt alom ingezwolgen: de meesten der aanwezigen vertrekken of nemen geen deel aan den dans meer: de cirkels der walsen, de omvang derquadrillenverwijden zich, alleen de onvermoeide springers huppelen nog op het maatgeluid en vermaken zich des te meer, naarmate zij meerdere ruimte hebben verkregen. Dan alle aardsche vreugde moet een einde nemen, en de schrikkelijke wenk van den dansmeester kondigt het besluit der laatsteSanteuseaan: nu worden mantels, sjaals, doeken, palatines, enz. door de bezorgde moeders en nog bezorgder minnaars opgezocht, de heeren steken zich in den ruigen schanslooper of pyjakker, of omhangen zich met den breeden, met fluweel gevoerden mantel, en halen de sigaar voor den dag, die hen naar huis moet verzellen. Overal buigt en neigt men: de sleepers rijzen uit hun slaap en uit hunne sleden op en staan aan de voordeur vergaderd: de benedenzaal van Weimer is te klein om al de menschen te bevatten, die tot nog toe vruchteloos op het voorkomen hunner rijtuigen wachten: dan eindelijk raakt de een vroeger, de ander later, in de voor hem bestemdeequipage: en Morpheus houdt zich gereed om den verkwikkenden slaap over de vermoeide leden van de hem verwachtende dansers uit te storten.

Een Staats-Examen in 1851.De dag, waarop de examina een aanvang nemen, is aangebroken. Ten gevolge van het Besluit, waardoor aan allen, of zij wat weten of niet, de toegang tot de Academische lessen is verzekerd, hebben zich 7000 candidaten aangemeld. Onder hen bevinden zich:1000 Leerlingen van al de klassen der verschillende gymnasiën.1000 Leerlingen van onderscheiden inrichtingen van middelbaar onderwijs.500 Jongelieden, die vroeger privaat-onderwijs genoten hadden, doch sedert Juli 1850 zuinigheidshalve hun leermeester hebben afgeschaft.2000 Leerlingen van scholen van lager onderwijs.50 Knapen, die te Breda, Medemblik of Delft zijn afgewezen geworden.De overigen hebben nimmer eenig onderwijs genoten.De voorzitter der staats-commissie,tot de jongelieden, die tegenover zijne tafel staan:Jongelieden! dewijl uw getal zoo aanzienlijk is, dewijl het toch maar een examen is voor de leus, en dewijl wij geleerde lui wel wat anders en wat pleizierigers te doen hebben dan het ondervragen van botterikken, zoo zullen wij er maar met den Franschen slag doorheen slaan, u het Examen bij paren afnemen, en u in elk vak eenige korte vragen voorstellen, genoeg om te oordeelen, hoever gij het gebracht hebt. Laten er dus twee uwer voor de tafel komen. Gij, jongelief, hoe is uw naam?Jongeling.Jan Blokkert.De voorzitter.Goed! gij zult voor een tijd uw naam verliezen, evenals aan ’t bagno, en No. 1 heeten. Waar hebt gij onderwijs genoten?No. 1. Aan het Gymnasium te X.De v. Best. Hebt gij een ontslag of getuigschrift?No. 1reikt het papier over met eentriomfantelijkenblik.De v.Hm! hm!summa cum laude!.... Ja! daar geven wij niet om. Wij zien uit eigen oogen. (Tot een ander) En gij, hoe is uw naam?De andere jongeling.No. 2.De v.Hm! hm! Niet dom! Maar ik dien uw doop- en familienaam op te teekenen.No. 2. Pietje Vlug.De v.En bij wien hebt gij onderwijs genoten?No. 2. Bij niemand.De v.Niet!—nu, dat is ’t zelfde. Gij zijt dus eenautodidakt?No. 2. Neen, ik ben een biljartjongen.De v.Zoo! en gij hebt liefhebberij gekregen voor de studie?No. 2. Volstrekt niet voor de studie; maar wel om student te zijn, evenals de Heeren, die ik dagelijks in ’t koffiehuis zie.De v.Ei!—Nu, gij kunt uit hun gesprekken misschien wat hebben geprofiteerd.—Gaat nu met u beiden in de kamer hier naast: daar zullen de Heeren bij u komen.Onderzoeker. Jongelieden! Ik zal u het examen in ’t Latijn afnemen. Maar weet gij mij ook vooraf te zeggen, wat dat woordexamenbeteekent?No. 1. Dat beteekent eigenlijk een bijenzwerm.Ond.Aliquid decis!(Tegen No. 2) En wat weet gij er bij te voegen?No. 2. Dat het zooveel beteekent, als dat het dubbel en dwarsuitis.Ond.Dat hetuitis! Hoe verstaat gij dat?No. 2. Wel ja.Exis „uit:” enamenis ook „uit,” ten minste onze Pastoor zeit het altijd als wij naar huis kunnen gaan.Ond.Egregie!uitmuntend!—Daar had ik nooit op gedacht. (tegen No. 1) Weet gij wel wat eenPons asinorumis?No. 1. (Zit zich te bedenken).No. 2. Wel!Pons asinorumis klaar water.Ond.Hoe meent gij dat?No. 2. Hebt gijezelsooit andereponszien drinken als klaar water, Mijnheer?Ond.Inderdaad, gij hebt gelijk. Nu zullen wij eens zien, of gij iets van de Dichters begrijpt. Lees eens deze ode van Horatius.No. 1. (Leest)Persicos odi puer apparatus.Ond.Hoe vertaalt gij dat?No. 1. „O knaap! Ik haat den Perzischen toestel.”Ond.Niet kwaad, maar wat te letterlijk.No.2. Ik zou ’t anders vertalen.Ond.Hoe dan?No. 2. Wel, ’t is klaar, dat Horatius zich in een koffiehuis bevond, en dat hij tot den knecht zei: „dank je Jan! ik lust geen ingemaakte perziken.”Ond.Inderdaad! dat is eene remarkable interpretatie, die mij nog nooit was voorgekomen! Wij zullen eens tot eene andere ode overgaan. Hoe verklaart gij dezen regel:Tecum vivere amen, tecum obeam libens?No. 1. „Met u zoude ik willen leven, met u gewillig sterven.”Ond.Niet kwaad! (tegen No. 2) en gij?No. 2. Wel, Horatius zit weer in zijn koffiehuis en zeit: „met thee wil ik leven en sterven.”Ond.(Met een goedkeurenden hoofdknik). Zeer merkwaardig!—Daar had ik nooit aan gedacht! dat zou bewijzen, dat het theedrinken in die dagen al was uitgevonden. Wij willen nu Virgilius eens bij de hand nemen. Lees en vertaal dezen regel, No. 1!No. 1.(Leest)Formosum pastor Corydon ardebat Alexin, Delicias domini.„De herder Koridon beminde zeer den schoonen Alexis, de vreugde zijns meesters.”Ond.Dat is nu niet woordelijk genoeg.No. 2. Neen, dat zeg ik ook.Ond.Hoe zoudt gij ’t maken?No.2.Wel: „de Pastoor Jacob (of Koo) Rydon braadde een mooien haring, een delicieus hapje voor een heer.”Ond.Egregie!—Gij hebt zeker de overzetting van Bilderdijk gelezen;—doch de uwe isnognauwkeuriger. (tegen No. 1) Die Ecloga zal u waarschijnlijk te zwaar wezen: Lees en vertaal liever deze eens.No. 1.Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi,Silvestrem tenui musam meditaris avena.„Gij, Tityr! nederliggende onder het dak der schaduwrijke beuk, speelt op uw dunne schalmei eenlandelijklied.”Ond. Hm!Tenuiter!gedrongen en stijf! (tegen No. 2) Hoe vertaalt gij deze regels?No. 2. Wel, dat is dood gemakkelijk. „Gij, Titi! (wieTitiis weet ik uit denSarivari) liggende onder het beukenberceau, denkt, dat ik de dochter van den boschwachter in het hooi heb beetgehad.Ond.Egregie!eximie!Dat is om alle Commentatores van spijt te doen barsten. Gij zult een eerstecriticusworden, dat voorspel ik u. Ik ga u thans verlaten en plaats ruimen voor den examinator in het Grieksch.Wij zullen aan onze lezeressen het examen in ’t Grieksch sparen (’t is al wel, dat wij ze op Latijn trakteeren) en tot dat in de Wiskunde overgaan.Onderzoeker in de wiskunde. Waarom wordtwiskundealdus genoemd?No. 1. Omdat het eenewissekunde is.Ond.Tenuiter!(tegen No. 2) Hoe denkt gij er over?No. 2. Wel, ’t is vanwisschenenkunde.Ond.Vanwisschenenkunde?No. 2. Wel ja. Ik heb dat wel eens bijgewoond. De meester, of de jongen, staat voor ’t bord, met eene liniaal, een stuk krijt en eene spons: en de heele kunst bestaat daarin, om wat lijnen, letters of cijfers, daar geen drommel uit wijs kan worden, op te schrijven en gauw weer uit tewisschen.Ond.Egregie!Wel doordacht. Gij geeft ten minste reden van uw zeggen. (tegen No. 1) Voor wie is demeetkunstvooral nuttig?No. 1. Voor hen, die hun verstand willen scherpen.No. 2. Voor de snijers en schoenmakers.Ond.Egregie!Wat is een driehoek?No. 2. Een steek.Ond.Welke is de kortste weg tusschen twee gegeven punten?No. 1. De rechte lijn.No. 2. Mits er geen sloot tusschen ligt of geenbeerenop zijn.Ond.Daar is veel van aan:—Nu zal ik u eenige problemen ter oplossing geven: reken eens uit: Wanneer een heer en eene dame in een logement een kalfslever voor hun ontbijt ordonneeren, de heer 1/52 ons Nederl. eet, en de dame een half-vierendeel oud gewicht, hoeveel blijft er dan over?Terwijl No. 1 zich aan ’t cijferen zet, antwoordtNo. 2. Niemendal, als er maar een hond in de kamer is.Ond.Precies.—Een heer laat een huis bouwen van drie verdiepingen; doch als de tweede klaar is, bemerkt hij dat hem het geld ontbreekt voor de derde. Wat doet hij om zijn huis te voltooien?No. 1. Hij vraagt geld te leen.No. 2. Hij neemt de eerste verdieping weg, zet die op de tweede en krijgt op die manier zijn derde verdieping.Ond.Maar dan stort immers de tweede onmiddellijk in.No. 2. Daar geeft hij niet om: hij bewoont alleen de derde; de tweede verhuurt hij.Ond.Wel gevonden.—Nu het een en ander over cijferkunst: wat was de helft van twaalf bij de Romeinen?No. 1. Zes.No. 2. Neen, zeven ().Ond.Recte. Wat is optrekken?No. 2. Hetzelfde als opkuieren.Ond.Wat is boekhouden?No. 2. Een boek niet weerom geven.Ond. Wat verstaat gij door eendeficit?No. 2. Een heer zonder neus.Ond.Wat door eensurplus?No. 2. Iemand met een bochel.Ond.Wat is XXX in de algebra?No. 2. Het merk van oude Engelsche ale op ’t vat.Ond.Wat is speculatie?No. 2. Sinterklaas-gebak.Ond.Wat is eene breuk?No. 2. Iets daar men terstond den meester bij moet halen.Ond.Perfect! Wanneer een schip in volle zee, de wind Z. O., en de schipper 45 jaar oud is, hoe lang is dan de groote mast?No. 1. Dat kan niet uitgerekend worden, omdat de deelen der vergelijking niet tot elkander....No. 2. Gekheid: ik zal ’t wel zeggen: de mast is in dat geval zoolang als de afstand van den wimpel tot het dek.Ond.Eximie!(tegen No. 1) Maakteenevink een koppel?No. 1. Neen.No. 2. En ik zeg al!Ond.Hoe bewijst gij dat?No. 2. Wel, ik vraag aan No. 1: maken twee vinken een koppel?No. 1. Ja.No. 2. Dus maakteenvink (namelijk een vinkmeer) een koppel.Ond.Egregie!—Hoeveel staarten heeft eene kat?No. 1. Maar een.No. 2. En ik zeg: drie,Ond.Hoe bewijst gij dat?No. 2. Op de volgende wijs;Geen katheefttweestaarten.Een katheefteenstaart meer dangeen kat,dusheeft een katdriestaarten.Ond.Voortreffelijk! Nu eene vraag over delogica. Wat is eennon sequitur?No. 1 (bedenkt zich.)No. 2. Eene trekschuit, waarvan de lijn breekt.Ond.Eximie.Wij zullen tot de aardrijkskunde overgaan. Wat is de aarde?No. 1. Rond.Ond.(tegenNo. 2.) Duidt gij haar beter aan.No. 2. De aarde is iemand, die vijfzonenheeft, waarvan er tweebevrorenzijn.Ond.Hoeveel vossestaarten zijn er noodig om van de aarde tot de maan te reiken?No. 1. (verlegen). Dat weet ik niet.No. 2.Eene, als ze maar lang genoeg is.Ond.Hoevele mijlen ligt Amsterdam van Java?No. 1 (overijld). Eene, als ze maar lang genoeg is.Ond.Male.No. 2. Evenveel mijlen als Java van Amsterdam.Ond.Hoe diep is de zee?No. 1. Dat zal wel verschillend wezen, naarmate.... (hij stottert).No. 2. Overal een steenworp diep.Ond.In welk land wonen de meeste dronken lieden?No. 1. Dat weet ik niet.No. 2. InLapland.Ond.Welke bergen worden door de reizigers het meest bezocht?No. 1 (verlegen). De Mont-Blanc.... neen.... de Chimborasso.Ond.Gekheid! die worden maar zeer zelden bestegen. (tegenNo. 2) Weet gij het?No. 2. Deherbergen.Ond.In welkestedenkomt men gewoonlijk ’s nachts eerst aan?No.2. In debedsteden.Ond.Noem eene kaap, waar weinig dooven wonen.No. 2. Aan kaap Hooren.Ond.En eene gastvrije kaap.No. 2. KaapKom-maar-in(Comorin).Ond.Wat is eene rivier?No. 2. Eene rivier is iemand, die naar zee gaat.Ond.Welke plaatsen zijn bekend wegens den grooten invoer van wijn en van snuif?No. 2.TermondeenTerneuze.Ond.Wat houdt men algemeen voor het beste goud?No. 1 (aarzelende). Dat van Californië komt.No. 2 Dat men in zijn zak heeft.Ond.Egregie.Ik verlaat u thans en ruim mijn plaats in voor den examinator in de Geschiedenis.Onderzoeker in de geschiedenis.Ik zal u eenige vragen doen uit de algemeene geschiedenis. Waarom zeilden de Argonauten naar Kolchos?No. 1. Om het gulden vlies te halen.Ond.(tegenNo. 2). En hoe denkt gij er over?No. 2. Omdat zij geen kans zagen er over land te komen.Ond.Egregie.Weet gij, hoeveel koningen van Rome er geweest zijn?No. 1. Zeven.No. 2. Acht.No. 1. Wel neen:—Romulus,Numa Pompilius, Tullus Hostilius, Ancus Martius, Tarquinius Priscus, Servius Tullius en Tarquinius: dat is zeven!No. 2. En de zoon van Keizer Napoleon maakt acht.Ond.Mooi!eximie!daar had ik zelf nooit aan gedacht.—Zeg mij nu eens welk volk der oudheid het meest gedrukt heeft?No1. De Chineezen.Ond.Male!No. 2. DePersen.Ond.Egregie!—Welke soort van haar had Bucefalus, het paard van Alexander?No. 1. Bruin haar.Ond.Male.Gij slaat er maar een slag in. (tegenNo. 2) Weet gij het?No. 2. Paardenhaar.Ond.Egregie.En aan welke zijde het meeste?No. 1 (verward). Aan de rechterzij.Ond.Pessime!No. 2. Aan de buitenzij.Ond.Juist! Van paarden gesproken, welke zijn de makste?No. 1. Die ’t best onderwezen zijn.Ond.(haalt medelijdend de schouders op).No. 2. De paarden in de bedsteden.Ond.Voortreffelijk. En welke de koppigste?No. 2. De stokpaarden.Ond.En waarom mag een dood paard niet meer loopen?No. 2. Omdat men anders doode paarden voor levende verkoopen zou.Ond.Uitmuntend! Weet gij welke paus vóór de invoering van het Christendom geleefd heeft?No. 1. Toen kon er nog geen Paus zijn.No. 2. Wis en drie!—Paus-anias.Ond.Zeer goed! Hoe heette zijne vrouw?No. 1 (Ziet beteuterd voor zich).No. 2. Pausani-japon.Ond.En hoe heette hij toen hij klein was?No. 2. Pausani-buis.Ond.Eximie.En hoe heette Mozes, toen hij klein was?No. 1 (geheel van de wijs.) Mo-buis.Ond.Male!(tegen No. 2) zeg gij het eens.No. 2. Mozesje.Ond.En hoe heette de vader van Mozes?No. 2. Mo-vijf.Ond.Egregie.En waarom verdronken de Egyptenaren in de Roode Zee?No. 2. Omdat zij niet aan wal waren gebleven.Ond.Zeer goed. Nu nog een paar vragen uit de nieuwere geschiedenis en staatkunde. Waarom zal het Rusland nooit gelukken, de Poolsche nationaliteit geheel te vernietigen?No. 1. Omdat.... omdat....No. 2. Omdat er altijd tweepolenzullen overblijven.Ond.Perfect! noem mij eens een tijdgenoot van Corneille? (No. 1 is van zijn stuk en weet niet wat te zeggen.)No. 2. Zijn snijer.Ond. Wij hebben onlangs verkiezingen gehad. Wie hebben het meeste verstand van kiezen?No. 1. De beschaafde lieden.Ond.Male.Gij zijt een aristocraatje. (tegen No. 2) Wie hebben het meeste verstand van kiezen?No. 2. De tandmeesters.Ond.Egregie!—Welke Europeesche kronen hebben zich het best tegen den revolutie-geest gehandhaafd?No. 1 (stotterende). Rusland.... en....No. 2. De Amsterdamsche Drie Kronen.Ond.Mirifice!Mijn tijd is om: Ik groet u. Een der andere Heeren zal u over de Geschiedenis des Vaderlands en de Taalkunde ondervragen:Onderzoeker. Waarom, mijne jonge vrienden, kwam Alva naar de Nederlanden?No. 1. Om den opstand te dempen.No. 2. Omdat de Nederlanden niet naar Alva kwamen.Ond.Waarom werden Egmond en Hoorne onthalsd?No. 1. Omdat men hen van hoogverraad betichtte....No. 2. Omdat zij van adel waren, anders waren zij gehangen geworden.Ond.Recte!Van adel gesproken, waarom zond Lodewijk XIV aan De Ruyter de orde van St.-Michiel?No. 1.Omdat.... omdat....No. 2. Omdat De Ruyter die nog niet had.Ond.Egregie.Brandt schreef de geschiedenis van De Ruyter. Welke geschiedenissen zijn beter dan die van Brandt?No. 2. Die vanblusschen.Ond.Bene.Wat was het eerste, dat De Ruyter deed, als hij ’s morgens uit zijn bed stapte?No. 1. Bidden.Ond.Male!No. 1. Ontbijten.Ond.Pessime.No. 1. Zich wasschen.Ond. Ik verlang niet dat gij er naar raadt. Weet gij het of niet?No. 1. (huilende). Neen.Ond. (tegenNo. 2). En gij?No. 2. Wel zeker:—het eerste wat hij deed, als hij uit zijn bed stapte was: plaats maken.Ond.Rectissime!—En welke logeergast had De Ruyter op zijne kamer, die alle ochtenden vroeg uitging, zonder ’t huis te verlaten?No. 2. Zijne nachtkaars.Ond. Voortreffelijk. Nu nog eenige staat- en landhuishoudkundige vragen. Wat is hier te lande de hoogstepost?No. 1. Koning.Ond. Dat is geen post.No. 2. De duivepost.Ond.Optime!Wat zou, sinds de spoorwegen, nog de bestevaartin ons land zijn?No. 1. De vaart op de Oost.Ond. Is dieinons land? (No. 1kijkt bedrukt voor zich.)No. 2.Welvaart.Ond. Wat noemt men een landeigenaar?No. 2. Iemand, die ’tlandheeft.Ond. Welke boeren gaan meestal naar ’t leger?No. 2. Boeren die vaak krijgen.Ond. Wat is de beste kaas?No. 2. Presentkaas.Ond. Wat zijn de duurste inlandsche steenen?No. 2.Jan-Steenen.Ond. Welk bier pakt iemand terstond bij ’t hoofd?No. 2. Eenbarbier.Ond. Welk eenhaaslaat zich hier te lande gemakkelijkst vangen?No. 2. Eenossehaas.Ond. En welke zijn de goedkoopstehammen?No. 2. Deboterhammen.Ond. Gij wilt student worden. Is er ooit onder degroeneneen vermaard man geweest?No. 2. JanGras.Ond.Heeft hijkinderennagelaten?No. 2. Ja, eenbroer,Dorus-Gras.Ond.Wat is de meest geliefkoosde les van een student?No. 2. Eenkales.Ond.En zijn geliefkoosd nastuk.No. 2. Een stuk-in.Ond.Welke is thans deeersteleerstoel hier te lande?No. 2. De tafelstoel.Ond.Egregie!Wij zijn zoo van lieverlede op Onderwijs en Taal gekomen. Hoeveel soorten van letters zijn er?No. 1. Twee: klinkers en medeklinkers.Ond.(tegenNo. 2) En volgens u?No. 2. Vier: schrijfletters, drukletters, rooie letters en sinterklaasletters.Ond.Egregie.Welke letters zijnnat?No. 1. Die pas geschreven zijn....Ond.Male.No. 2. A en Y.Ond.Welke letter is eene vrouw?No. 2. K.Ond.Met welke kan men meten?No. 2. Met de L.Ond.Welke gebruikt men na den eten?No. 2. De T.Ond.Eximie!Wat is devocativusvankat?No. 1 (half wanhopend). O kat!Ond.Male.(tegenNo. 2) Wat is devocativusvankat?No. 2.Poes!Ond.Excellentissime.Het examen is afgeloopen.(De beide jongelieden worden binnengelaten om hunne bewijzen van toelating te ontvangen.No. 1heeft 3 punten, No. 2heeft er 25, en de Voorzitter schrijft een vertrouwelijken brief aan Prof. Y. te X., met aanbeveling om laatstgemelden jongelinghonoris causahet Doctoraat in de letteren te doen opdragen).

De dag, waarop de examina een aanvang nemen, is aangebroken. Ten gevolge van het Besluit, waardoor aan allen, of zij wat weten of niet, de toegang tot de Academische lessen is verzekerd, hebben zich 7000 candidaten aangemeld. Onder hen bevinden zich:

1000 Leerlingen van al de klassen der verschillende gymnasiën.

1000 Leerlingen van onderscheiden inrichtingen van middelbaar onderwijs.

500 Jongelieden, die vroeger privaat-onderwijs genoten hadden, doch sedert Juli 1850 zuinigheidshalve hun leermeester hebben afgeschaft.

2000 Leerlingen van scholen van lager onderwijs.

50 Knapen, die te Breda, Medemblik of Delft zijn afgewezen geworden.

De overigen hebben nimmer eenig onderwijs genoten.

De voorzitter der staats-commissie,tot de jongelieden, die tegenover zijne tafel staan:Jongelieden! dewijl uw getal zoo aanzienlijk is, dewijl het toch maar een examen is voor de leus, en dewijl wij geleerde lui wel wat anders en wat pleizierigers te doen hebben dan het ondervragen van botterikken, zoo zullen wij er maar met den Franschen slag doorheen slaan, u het Examen bij paren afnemen, en u in elk vak eenige korte vragen voorstellen, genoeg om te oordeelen, hoever gij het gebracht hebt. Laten er dus twee uwer voor de tafel komen. Gij, jongelief, hoe is uw naam?

Jongeling.Jan Blokkert.

De voorzitter.Goed! gij zult voor een tijd uw naam verliezen, evenals aan ’t bagno, en No. 1 heeten. Waar hebt gij onderwijs genoten?

No. 1. Aan het Gymnasium te X.

De v. Best. Hebt gij een ontslag of getuigschrift?

No. 1reikt het papier over met eentriomfantelijkenblik.

De v.Hm! hm!summa cum laude!.... Ja! daar geven wij niet om. Wij zien uit eigen oogen. (Tot een ander) En gij, hoe is uw naam?

De andere jongeling.No. 2.

De v.Hm! hm! Niet dom! Maar ik dien uw doop- en familienaam op te teekenen.

No. 2. Pietje Vlug.

De v.En bij wien hebt gij onderwijs genoten?

No. 2. Bij niemand.

De v.Niet!—nu, dat is ’t zelfde. Gij zijt dus eenautodidakt?

No. 2. Neen, ik ben een biljartjongen.

De v.Zoo! en gij hebt liefhebberij gekregen voor de studie?

No. 2. Volstrekt niet voor de studie; maar wel om student te zijn, evenals de Heeren, die ik dagelijks in ’t koffiehuis zie.

De v.Ei!—Nu, gij kunt uit hun gesprekken misschien wat hebben geprofiteerd.—Gaat nu met u beiden in de kamer hier naast: daar zullen de Heeren bij u komen.

Onderzoeker. Jongelieden! Ik zal u het examen in ’t Latijn afnemen. Maar weet gij mij ook vooraf te zeggen, wat dat woordexamenbeteekent?

No. 1. Dat beteekent eigenlijk een bijenzwerm.

Ond.Aliquid decis!(Tegen No. 2) En wat weet gij er bij te voegen?

No. 2. Dat het zooveel beteekent, als dat het dubbel en dwarsuitis.

Ond.Dat hetuitis! Hoe verstaat gij dat?

No. 2. Wel ja.Exis „uit:” enamenis ook „uit,” ten minste onze Pastoor zeit het altijd als wij naar huis kunnen gaan.

Ond.Egregie!uitmuntend!—Daar had ik nooit op gedacht. (tegen No. 1) Weet gij wel wat eenPons asinorumis?

No. 1. (Zit zich te bedenken).

No. 2. Wel!Pons asinorumis klaar water.

Ond.Hoe meent gij dat?

No. 2. Hebt gijezelsooit andereponszien drinken als klaar water, Mijnheer?

Ond.Inderdaad, gij hebt gelijk. Nu zullen wij eens zien, of gij iets van de Dichters begrijpt. Lees eens deze ode van Horatius.

No. 1. (Leest)Persicos odi puer apparatus.

Ond.Hoe vertaalt gij dat?

No. 1. „O knaap! Ik haat den Perzischen toestel.”

Ond.Niet kwaad, maar wat te letterlijk.

No.2. Ik zou ’t anders vertalen.

Ond.Hoe dan?

No. 2. Wel, ’t is klaar, dat Horatius zich in een koffiehuis bevond, en dat hij tot den knecht zei: „dank je Jan! ik lust geen ingemaakte perziken.”

Ond.Inderdaad! dat is eene remarkable interpretatie, die mij nog nooit was voorgekomen! Wij zullen eens tot eene andere ode overgaan. Hoe verklaart gij dezen regel:

Tecum vivere amen, tecum obeam libens?

No. 1. „Met u zoude ik willen leven, met u gewillig sterven.”

Ond.Niet kwaad! (tegen No. 2) en gij?

No. 2. Wel, Horatius zit weer in zijn koffiehuis en zeit: „met thee wil ik leven en sterven.”

Ond.(Met een goedkeurenden hoofdknik). Zeer merkwaardig!—Daar had ik nooit aan gedacht! dat zou bewijzen, dat het theedrinken in die dagen al was uitgevonden. Wij willen nu Virgilius eens bij de hand nemen. Lees en vertaal dezen regel, No. 1!

No. 1.(Leest)Formosum pastor Corydon ardebat Alexin, Delicias domini.

„De herder Koridon beminde zeer den schoonen Alexis, de vreugde zijns meesters.”

Ond.Dat is nu niet woordelijk genoeg.

No. 2. Neen, dat zeg ik ook.

Ond.Hoe zoudt gij ’t maken?

No.2.Wel: „de Pastoor Jacob (of Koo) Rydon braadde een mooien haring, een delicieus hapje voor een heer.”

Ond.Egregie!—Gij hebt zeker de overzetting van Bilderdijk gelezen;—doch de uwe isnognauwkeuriger. (tegen No. 1) Die Ecloga zal u waarschijnlijk te zwaar wezen: Lees en vertaal liever deze eens.

No. 1.

Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi,Silvestrem tenui musam meditaris avena.

Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi,

Silvestrem tenui musam meditaris avena.

„Gij, Tityr! nederliggende onder het dak der schaduwrijke beuk, speelt op uw dunne schalmei eenlandelijklied.”

Ond. Hm!Tenuiter!gedrongen en stijf! (tegen No. 2) Hoe vertaalt gij deze regels?

No. 2. Wel, dat is dood gemakkelijk. „Gij, Titi! (wieTitiis weet ik uit denSarivari) liggende onder het beukenberceau, denkt, dat ik de dochter van den boschwachter in het hooi heb beetgehad.

Ond.Egregie!eximie!Dat is om alle Commentatores van spijt te doen barsten. Gij zult een eerstecriticusworden, dat voorspel ik u. Ik ga u thans verlaten en plaats ruimen voor den examinator in het Grieksch.

Wij zullen aan onze lezeressen het examen in ’t Grieksch sparen (’t is al wel, dat wij ze op Latijn trakteeren) en tot dat in de Wiskunde overgaan.

Onderzoeker in de wiskunde. Waarom wordtwiskundealdus genoemd?

No. 1. Omdat het eenewissekunde is.

Ond.Tenuiter!(tegen No. 2) Hoe denkt gij er over?

No. 2. Wel, ’t is vanwisschenenkunde.

Ond.Vanwisschenenkunde?

No. 2. Wel ja. Ik heb dat wel eens bijgewoond. De meester, of de jongen, staat voor ’t bord, met eene liniaal, een stuk krijt en eene spons: en de heele kunst bestaat daarin, om wat lijnen, letters of cijfers, daar geen drommel uit wijs kan worden, op te schrijven en gauw weer uit tewisschen.

Ond.Egregie!Wel doordacht. Gij geeft ten minste reden van uw zeggen. (tegen No. 1) Voor wie is demeetkunstvooral nuttig?

No. 1. Voor hen, die hun verstand willen scherpen.

No. 2. Voor de snijers en schoenmakers.

Ond.Egregie!Wat is een driehoek?

No. 2. Een steek.

Ond.Welke is de kortste weg tusschen twee gegeven punten?

No. 1. De rechte lijn.

No. 2. Mits er geen sloot tusschen ligt of geenbeerenop zijn.

Ond.Daar is veel van aan:—Nu zal ik u eenige problemen ter oplossing geven: reken eens uit: Wanneer een heer en eene dame in een logement een kalfslever voor hun ontbijt ordonneeren, de heer 1/52 ons Nederl. eet, en de dame een half-vierendeel oud gewicht, hoeveel blijft er dan over?

Terwijl No. 1 zich aan ’t cijferen zet, antwoordt

No. 2. Niemendal, als er maar een hond in de kamer is.

Ond.Precies.—Een heer laat een huis bouwen van drie verdiepingen; doch als de tweede klaar is, bemerkt hij dat hem het geld ontbreekt voor de derde. Wat doet hij om zijn huis te voltooien?

No. 1. Hij vraagt geld te leen.

No. 2. Hij neemt de eerste verdieping weg, zet die op de tweede en krijgt op die manier zijn derde verdieping.

Ond.Maar dan stort immers de tweede onmiddellijk in.

No. 2. Daar geeft hij niet om: hij bewoont alleen de derde; de tweede verhuurt hij.

Ond.Wel gevonden.—Nu het een en ander over cijferkunst: wat was de helft van twaalf bij de Romeinen?

No. 1. Zes.

No. 2. Neen, zeven ().

Ond.Recte. Wat is optrekken?

No. 2. Hetzelfde als opkuieren.

Ond.Wat is boekhouden?

No. 2. Een boek niet weerom geven.

Ond. Wat verstaat gij door eendeficit?

No. 2. Een heer zonder neus.

Ond.Wat door eensurplus?

No. 2. Iemand met een bochel.

Ond.Wat is XXX in de algebra?

No. 2. Het merk van oude Engelsche ale op ’t vat.

Ond.Wat is speculatie?

No. 2. Sinterklaas-gebak.

Ond.Wat is eene breuk?

No. 2. Iets daar men terstond den meester bij moet halen.

Ond.Perfect! Wanneer een schip in volle zee, de wind Z. O., en de schipper 45 jaar oud is, hoe lang is dan de groote mast?

No. 1. Dat kan niet uitgerekend worden, omdat de deelen der vergelijking niet tot elkander....

No. 2. Gekheid: ik zal ’t wel zeggen: de mast is in dat geval zoolang als de afstand van den wimpel tot het dek.

Ond.Eximie!(tegen No. 1) Maakteenevink een koppel?

No. 1. Neen.

No. 2. En ik zeg al!

Ond.Hoe bewijst gij dat?

No. 2. Wel, ik vraag aan No. 1: maken twee vinken een koppel?

No. 1. Ja.

No. 2. Dus maakteenvink (namelijk een vinkmeer) een koppel.

Ond.Egregie!—Hoeveel staarten heeft eene kat?

No. 1. Maar een.

No. 2. En ik zeg: drie,

Ond.Hoe bewijst gij dat?

No. 2. Op de volgende wijs;

Geen katheefttweestaarten.Een katheefteenstaart meer dangeen kat,dusheeft een katdriestaarten.

Geen katheefttweestaarten.Een katheefteenstaart meer dangeen kat,dusheeft een katdriestaarten.

Ond.Voortreffelijk! Nu eene vraag over delogica. Wat is eennon sequitur?

No. 1 (bedenkt zich.)

No. 2. Eene trekschuit, waarvan de lijn breekt.

Ond.Eximie.Wij zullen tot de aardrijkskunde overgaan. Wat is de aarde?

No. 1. Rond.

Ond.(tegenNo. 2.) Duidt gij haar beter aan.

No. 2. De aarde is iemand, die vijfzonenheeft, waarvan er tweebevrorenzijn.

Ond.Hoeveel vossestaarten zijn er noodig om van de aarde tot de maan te reiken?

No. 1. (verlegen). Dat weet ik niet.

No. 2.Eene, als ze maar lang genoeg is.

Ond.Hoevele mijlen ligt Amsterdam van Java?

No. 1 (overijld). Eene, als ze maar lang genoeg is.

Ond.Male.

No. 2. Evenveel mijlen als Java van Amsterdam.

Ond.Hoe diep is de zee?

No. 1. Dat zal wel verschillend wezen, naarmate.... (hij stottert).

No. 2. Overal een steenworp diep.

Ond.In welk land wonen de meeste dronken lieden?

No. 1. Dat weet ik niet.

No. 2. InLapland.

Ond.Welke bergen worden door de reizigers het meest bezocht?

No. 1 (verlegen). De Mont-Blanc.... neen.... de Chimborasso.

Ond.Gekheid! die worden maar zeer zelden bestegen. (tegenNo. 2) Weet gij het?

No. 2. Deherbergen.

Ond.In welkestedenkomt men gewoonlijk ’s nachts eerst aan?

No.2. In debedsteden.

Ond.Noem eene kaap, waar weinig dooven wonen.

No. 2. Aan kaap Hooren.

Ond.En eene gastvrije kaap.

No. 2. KaapKom-maar-in(Comorin).

Ond.Wat is eene rivier?

No. 2. Eene rivier is iemand, die naar zee gaat.

Ond.Welke plaatsen zijn bekend wegens den grooten invoer van wijn en van snuif?

No. 2.TermondeenTerneuze.

Ond.Wat houdt men algemeen voor het beste goud?

No. 1 (aarzelende). Dat van Californië komt.

No. 2 Dat men in zijn zak heeft.

Ond.Egregie.Ik verlaat u thans en ruim mijn plaats in voor den examinator in de Geschiedenis.

Onderzoeker in de geschiedenis.Ik zal u eenige vragen doen uit de algemeene geschiedenis. Waarom zeilden de Argonauten naar Kolchos?

No. 1. Om het gulden vlies te halen.

Ond.(tegenNo. 2). En hoe denkt gij er over?

No. 2. Omdat zij geen kans zagen er over land te komen.

Ond.Egregie.Weet gij, hoeveel koningen van Rome er geweest zijn?

No. 1. Zeven.

No. 2. Acht.

No. 1. Wel neen:—Romulus,Numa Pompilius, Tullus Hostilius, Ancus Martius, Tarquinius Priscus, Servius Tullius en Tarquinius: dat is zeven!

No. 2. En de zoon van Keizer Napoleon maakt acht.

Ond.Mooi!eximie!daar had ik zelf nooit aan gedacht.—Zeg mij nu eens welk volk der oudheid het meest gedrukt heeft?

No1. De Chineezen.

Ond.Male!

No. 2. DePersen.

Ond.Egregie!—Welke soort van haar had Bucefalus, het paard van Alexander?

No. 1. Bruin haar.

Ond.Male.Gij slaat er maar een slag in. (tegenNo. 2) Weet gij het?

No. 2. Paardenhaar.

Ond.Egregie.En aan welke zijde het meeste?

No. 1 (verward). Aan de rechterzij.

Ond.Pessime!

No. 2. Aan de buitenzij.

Ond.Juist! Van paarden gesproken, welke zijn de makste?

No. 1. Die ’t best onderwezen zijn.

Ond.(haalt medelijdend de schouders op).

No. 2. De paarden in de bedsteden.

Ond.Voortreffelijk. En welke de koppigste?

No. 2. De stokpaarden.

Ond.En waarom mag een dood paard niet meer loopen?

No. 2. Omdat men anders doode paarden voor levende verkoopen zou.

Ond.Uitmuntend! Weet gij welke paus vóór de invoering van het Christendom geleefd heeft?

No. 1. Toen kon er nog geen Paus zijn.

No. 2. Wis en drie!—Paus-anias.

Ond.Zeer goed! Hoe heette zijne vrouw?

No. 1 (Ziet beteuterd voor zich).

No. 2. Pausani-japon.

Ond.En hoe heette hij toen hij klein was?

No. 2. Pausani-buis.

Ond.Eximie.En hoe heette Mozes, toen hij klein was?

No. 1 (geheel van de wijs.) Mo-buis.

Ond.Male!(tegen No. 2) zeg gij het eens.

No. 2. Mozesje.

Ond.En hoe heette de vader van Mozes?

No. 2. Mo-vijf.

Ond.Egregie.En waarom verdronken de Egyptenaren in de Roode Zee?

No. 2. Omdat zij niet aan wal waren gebleven.

Ond.Zeer goed. Nu nog een paar vragen uit de nieuwere geschiedenis en staatkunde. Waarom zal het Rusland nooit gelukken, de Poolsche nationaliteit geheel te vernietigen?

No. 1. Omdat.... omdat....

No. 2. Omdat er altijd tweepolenzullen overblijven.

Ond.Perfect! noem mij eens een tijdgenoot van Corneille? (No. 1 is van zijn stuk en weet niet wat te zeggen.)

No. 2. Zijn snijer.

Ond. Wij hebben onlangs verkiezingen gehad. Wie hebben het meeste verstand van kiezen?

No. 1. De beschaafde lieden.

Ond.Male.Gij zijt een aristocraatje. (tegen No. 2) Wie hebben het meeste verstand van kiezen?

No. 2. De tandmeesters.

Ond.Egregie!—Welke Europeesche kronen hebben zich het best tegen den revolutie-geest gehandhaafd?

No. 1 (stotterende). Rusland.... en....

No. 2. De Amsterdamsche Drie Kronen.

Ond.Mirifice!Mijn tijd is om: Ik groet u. Een der andere Heeren zal u over de Geschiedenis des Vaderlands en de Taalkunde ondervragen:

Onderzoeker. Waarom, mijne jonge vrienden, kwam Alva naar de Nederlanden?

No. 1. Om den opstand te dempen.

No. 2. Omdat de Nederlanden niet naar Alva kwamen.

Ond.Waarom werden Egmond en Hoorne onthalsd?

No. 1. Omdat men hen van hoogverraad betichtte....

No. 2. Omdat zij van adel waren, anders waren zij gehangen geworden.

Ond.Recte!Van adel gesproken, waarom zond Lodewijk XIV aan De Ruyter de orde van St.-Michiel?

No. 1.Omdat.... omdat....

No. 2. Omdat De Ruyter die nog niet had.

Ond.Egregie.Brandt schreef de geschiedenis van De Ruyter. Welke geschiedenissen zijn beter dan die van Brandt?

No. 2. Die vanblusschen.

Ond.Bene.Wat was het eerste, dat De Ruyter deed, als hij ’s morgens uit zijn bed stapte?

No. 1. Bidden.

Ond.Male!

No. 1. Ontbijten.

Ond.Pessime.

No. 1. Zich wasschen.

Ond. Ik verlang niet dat gij er naar raadt. Weet gij het of niet?

No. 1. (huilende). Neen.

Ond. (tegenNo. 2). En gij?

No. 2. Wel zeker:—het eerste wat hij deed, als hij uit zijn bed stapte was: plaats maken.

Ond.Rectissime!—En welke logeergast had De Ruyter op zijne kamer, die alle ochtenden vroeg uitging, zonder ’t huis te verlaten?

No. 2. Zijne nachtkaars.

Ond. Voortreffelijk. Nu nog eenige staat- en landhuishoudkundige vragen. Wat is hier te lande de hoogstepost?

No. 1. Koning.

Ond. Dat is geen post.

No. 2. De duivepost.

Ond.Optime!Wat zou, sinds de spoorwegen, nog de bestevaartin ons land zijn?

No. 1. De vaart op de Oost.

Ond. Is dieinons land? (No. 1kijkt bedrukt voor zich.)

No. 2.Welvaart.

Ond. Wat noemt men een landeigenaar?

No. 2. Iemand, die ’tlandheeft.

Ond. Welke boeren gaan meestal naar ’t leger?

No. 2. Boeren die vaak krijgen.

Ond. Wat is de beste kaas?

No. 2. Presentkaas.

Ond. Wat zijn de duurste inlandsche steenen?

No. 2.Jan-Steenen.

Ond. Welk bier pakt iemand terstond bij ’t hoofd?

No. 2. Eenbarbier.

Ond. Welk eenhaaslaat zich hier te lande gemakkelijkst vangen?

No. 2. Eenossehaas.

Ond. En welke zijn de goedkoopstehammen?

No. 2. Deboterhammen.

Ond. Gij wilt student worden. Is er ooit onder degroeneneen vermaard man geweest?

No. 2. JanGras.

Ond.Heeft hijkinderennagelaten?

No. 2. Ja, eenbroer,Dorus-Gras.

Ond.Wat is de meest geliefkoosde les van een student?

No. 2. Eenkales.

Ond.En zijn geliefkoosd nastuk.

No. 2. Een stuk-in.

Ond.Welke is thans deeersteleerstoel hier te lande?

No. 2. De tafelstoel.

Ond.Egregie!Wij zijn zoo van lieverlede op Onderwijs en Taal gekomen. Hoeveel soorten van letters zijn er?

No. 1. Twee: klinkers en medeklinkers.

Ond.(tegenNo. 2) En volgens u?

No. 2. Vier: schrijfletters, drukletters, rooie letters en sinterklaasletters.

Ond.Egregie.Welke letters zijnnat?

No. 1. Die pas geschreven zijn....

Ond.Male.

No. 2. A en Y.

Ond.Welke letter is eene vrouw?

No. 2. K.

Ond.Met welke kan men meten?

No. 2. Met de L.

Ond.Welke gebruikt men na den eten?

No. 2. De T.

Ond.Eximie!Wat is devocativusvankat?

No. 1 (half wanhopend). O kat!

Ond.Male.(tegenNo. 2) Wat is devocativusvankat?

No. 2.Poes!

Ond.Excellentissime.Het examen is afgeloopen.

(De beide jongelieden worden binnengelaten om hunne bewijzen van toelating te ontvangen.No. 1heeft 3 punten, No. 2heeft er 25, en de Voorzitter schrijft een vertrouwelijken brief aan Prof. Y. te X., met aanbeveling om laatstgemelden jongelinghonoris causahet Doctoraat in de letteren te doen opdragen).


Back to IndexNext