In Visschers Roemer.

In Visschers Roemer.Wij zetten onze wandeling voort, en, op den Eersten November van ’t jaar 1623 het Damrak ten einde gekomen zijnde, slaan wij rechtsom, de „Uiterste” of „Nieuwe Brug” over. De nieuwe huisjes, die hier de zware (voor vijf jaren weggebroken) Sint-Olofspoort vervangen, aan de rechterzijde latende, vervolgen wij onzen weg langs de kaai, die, onder den naam van „Houttuinen,” zich uitstrekt langs het IJ. Aan den „Schreiers-hoek” en „-toren” gekomen, houden wij altijd rechts en volgen de kaai,met groene boomen beplant, langs de gracht, die voorheen de „Uiterste” of „Stedegraft” geheeten werd. Zij heeft dien naam echter afgelegd, sedert het buitendijksch land aan de overzijde meer en meer betimmerd werd, en de kaai wordt nu, naar de vaartuigen, tot wier gewone ligplaats zij verstrekt, de „Geldersche Kaai” genoemd. De overzijde, vroeger de timmerwerf van de vloot, is gedurende de laatste vijf-en-twintig jaren dicht met huizen bezet en met straten en stegen doorsneden. Geen anderen toegang heeft zij vooralsnog met de eigenlijke stad, dan door de kleine Waterpoort, over de brug van dien zelfden naam, die wij voor ons zien. Maar zoover reikt onze wandeling niet. Wij staan stil voor eene woning, die, even voorbij Schreiershoek, zich door hoogte, breedte en bouworde voordeelig van de belendende huizen onderscheidt. De hooge voorgevel is van roode baksteenen opgebouwd, smaakvol afgewisseld met gele tufsteenen en, waren wij hier slechts eene maand vroeger gekomen, wij zouden dien geheel verscholen zien achter de groene en breede wingerdbladeren; slechts enkele en thans verdorde zijn er van overgebleven aan de ranken, die, oprijzende uit den houten koker, binnen welken de stam vervat en tegen schade beveiligd is, zich op de hoogte der eerste verdieping naar alle zijden uitbreiden, en, zich om en langs de vierkante kruisramen heenslingerende, in ’t najaar de bewoonsters der bovenkamers op het plukken van hare gouden trossen schijnen te noodigen11.Het onderhuis is geheel bekleed met een houten beschot: fraaie houten pilasters rijzen aan weerszijden van de deur en tusschen de vensters, en torsen eene kroonlijst met keurig beeld- en snij- enlofwerk voorzien. Niet minder sierlijk gesneden is het lijstwerk, dat de ramen omvat, en keurig van uitvoering is het beeldje, dat, boven de deur prijkende, eenvisschervertoont, doch blijkbaar niet een van de gewone soort; althans uit het schepnet, dat hij, omgekeerd, in de linkerhand houdt, stort hij geen visschen, maar muntspeciën in een open koffer uit, en zijn vischwant ligt, aan denzelfden kant, heengeworpen over balen, vaten en koopmansboeken; terwijl, rechts van hem, allerlei zinnebeelden van kunst en wetenschap op elkander zijn gestapeld en hij met de rechterhand eenroemeromhoog heft. Dit fraaie beeldhouwwerk, evenals het geheele onderhuis, door een groene luifel beschut, zinspeelt op den naam des laatsten bewoners, en kondigt ons aan, dat wij, wanneer wij langs de drie blauwe stoepsteenen de deur zijn binnengetreden, ons bevindenin ’t saligh Roemers huys,Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesletenVan Schilders, Kunstenaers, van Sangers en Poëten.Ik zeg het „saligh Roemers-huys;” want de man, die zijn naam aldus in den vorm van eenrebusboven zijne deur heeft laten beitelen, Roemer Visscher, is niet meer: voor drie jaren is hij, tot smart van allen, die hem kenden, overleden.Maar het is niet in het huis des rouws, dat ik u thans wil inleiden: integendeel, de rouw is geweken en alles kondigt vreugd en vroolijkheid aan. Voor de stoep prijkt eene eerepoort van sparretakken, hulst en nimmerdor, bestoken met oranje-appels en vlaggen van papier en klatergoud, en saamgebonden met veelkleurige linten: en van die eerepoort hangt in ’t midden eene sierlijke kroon af, waar, al moge het welriekende gebloemte der Junimaand er aan ontbreken, toch geen bontgekleurde bloemen falen, uit gaas, wit papier en andere stof op ’t kunstigst vervaardigd. Festoenen en vlaggedoek zijn om de deur geslingerd, die openstaat en ons het gangportaal doet zien, waar twee gouden naamcijfers, in een wit ovaal, ons tegenblinken. De straat, aan weerszijden is (nietzwartgelijk men in de 19eeeuw zal zeggen, als eene afschuwelijke mode de mannelijke sekse bijna uitsluitend in effen donkere kleederdracht zal gestoken hebben, maar)bontvan menschen: net gekleede buurkinderen, met blozende wangetjes, staan gereed, het Bruidspaar, als ’t van ’t kantoor van Huwelijkszaken terug zal keeren, met loovertjes, suikererwten enspeculatiete bestrooien; want de Bruid, die verwacht wordt, is de jongste dochter uit den huize, is Maria Tesselschade, Roemer Visschers dochter.Al behooren wij niet tot de genoodigden, en al is het nu een dag, waarop zelfs de gulheid van den „ronden Roemer,” die aan elken beschaafden bezoeker een welwillend onthaal waarborgde, geene anderen, dan die tot het feest behoorden, zou hebben kunnen toelaten, wij maken gebruik van den tooverstaf der verbeelding, die elken toegang voor ons opensluit en niet gedoogt, dat er iets voor ons verborgen blijve: wij treden de lange gang ten einde en eeneachterkamer binnen, waar reeds een aanzienlijk deel der gasten vergaderd is en de komst van het Bruidspaar verbeidt.Wij zullen met die gasten, althans met velen onder hen, nader kennis maken: maar vooraf willen wij een blik om ons heen slaan.Reeds in gewone dagen levert de kamer bijzonderheden genoeg op, om ons eenige uren met het beschouwen daarvan bezig te houden. Ik spreek niet alleen van de roode gordijnen van kostbaar kroonsaai, die voor de langwerpige boogvensters hangen, met kleine in lood gevatte, rijk beschilderde ruiten: van de fraai gebeeldhouwde kolommen, die de hooge schouw steunen, boven welke een keurig fruitstuk van Adriaan Van Utrecht prijkt: noch van de sakredaanhouten glazenkast met keurig porselein; meer nog dan een en ander verdient dit trezoor uwe opmerking, waarop fijne roemers prijken, door de kunstvaardige handen der dochters van den huize op ’t bevalligst gesneden en met opschriften versierd: en die beeldjes en vruchten, door haar uit was geboetseerd: en, aan den wand, dat borduurwerk inebbenhoutenlijsten, en die teekeningen of schoonschriften, waarmede zij vroeger haren vader op menigen geboortedag hadden verjaard. Ook het afbeeldsel van den vader prijkt er; dat rustig en krachtvol wezen, waar goedhartigheid en schalksch vernuft op zijn vermengd: en naast het zijne hangen de afbeeldsels van zijne vrienden, en herkent men het diep gegroefde gelaat van den geleerden vriend en medestrijder van Willem I, Dirk Volkertsz Coornhert, en de fijne aristocratische trekken van den classiek-gevormden koopman, Hendrik Laurenszoon Spieghel.—Maar voor dat alles en nog meer, dat de pronkzaal bevat, wij hebben er thans geen oog voor; want deze dag is, als wij reeds zeiden, een buitengewone: de zwart en wit geruite marmeren vloer is bestrooid met loovertjes en winterbloempjes, acht festoenen van groen en gebloemte zijn met het eene einde vastgemaakt aan krammen, in de bovenhoeken van het vertrek, en aan het midden van elke bovenlijst geslagen, terwijl de andere einden zich vereenigen aan een knop, op korten afstand van den wand in de zoldering bevestigd: en van dien knop hangt, vlak tegenover den schoorsteen en voor den grooten Venetiaanschen spiegel met kristallijnen rand, een zware kroon van goud en gebloemte, met zijden linten doorstrikt, boven eene kleine verhevenheid, waarop, in een prachtig getooiden armstoel, de Bruid „te pronk” zal zitten—gelijk de gewone uitdrukking luidt.—Nemen wij de gelegenheid waar, om, zoolang die „bruidstroon” nog ledig blijft, het oog te slaan op de aanwezige gasten, die de komst der nieuwgetrouwden verbeiden, en aan welke inmiddels, door net getooide Juffers, speelnooten der Bruid, hippocras en hylikmaker12wordt aangeboden.Bont en gemengd is doorgaans toch het gezelschap, wanneer, gelijk ten deze het geval is, Bruid en Bruidegom in verschillende plaatsen te huis behooren, en zonder dat de wederzijdsche familiënmet elkander in betrekking staan. Maar bont vooral en gemengd zou in elk geval het gezelschap op het feest van eene der dochters van Roemer geweest zijn, ten gevolge van de uiteenloopende soort harer kennissen. Het huis van Roemer toch was vanouds eene soort van vrij territoir, waar ieder, welke ook zijne politieke of godsdienstige denkwijze was, welkom werd geheeten, en alleen zij uitgesloten, die zichzelven en anderen tot last en verveling waren. Roemer Visscher toch en de zijnen waren aan de leer hunner vaderen getrouw gebleven, maar daarom had hij zich niet, na den omkeer van zaken, zooals velen onder zijne geloofsgenooten, teruggetrokken uit den omgang met hen, die anders dachten als hij. Hij was een veel te groot minnaar van de fraaie letteren zoowel als van het beoefenen en opbouwen der moedertaal, en bovendien van te gezelligen aard, om, waar het lieden betrof, wier wetenschappelijke richting met de zijne overeenstemde, of wier tegenwoordigheid zout en leven aan het onderhoud gaf, die, in één woord, gereed waren met hem (om de taal zijner eeuw te spreken) offers aan Apollo en de Muzen te brengen, af te vragen of zij tot de Oude Geuzen of tot de Pausgezinden behoorden. Daarom ontbraken thans ook genen zoomin als dezen, nu het er op aan kwam, debruidstranenzijner geliefde dochter te komen—drogen, had ik haast gezegd; ik meen—opdrinken. Zie maar dien krassen zes-en-zeventiger, met zijn doordringenden blik, zijn scherpgeteekenden neus en kortaf gebiedenden toon, die daar in gindschen hoek een roemer hippocras aanneemt, hem door een bekoorlijk blond maagdelijn aangeboden: dat is de eerste openlijke verdediger van het stelsel, waarvan het uitvoeren hem voor vijf jaren zijne plaats in de vroedschap en aan ’s Lands Advocaat het hoofd gekost heeft—Cornelis Pieterszoon Hooft, oud-geus, rederijker, maar vooral Amsterdammer in zijn hart: en de man met wien hij zich onderhoudt is—zijn gewaad, hoe deftig, ja stemmig, zou ’t ons niet verraden—een Roomsch-Katholiek Priester;—maar die Priester is Jan Albert Ban, tevens rechtsgeleerde, en bovendien—wat hem hier zoo welkom wezen doet—wijdberoemdmusicus; een man, die, als Vondel van hem zingt,In ’t barnen van den twistEn stryt van ongelijcke klanckenOns hooren laet den lieven paisDer Engelen in Godts pallais.Een ander Roomschgezinde, de Haagsche Advocaat Gysbert Corneliszoon Plemp, staat wat verder, in levendig gesprek gewikkeld met de schoone en lieftallige kasteleines van Muiden, Christina Van Erp: en zij herinnert hem, hoe hij ook hare bruiloft met den Drossaard bijgewoond en met een gedicht heeft opgeluisterd: jammer maar, denkt zij er bij, dat het in ’t Latijn was. Ook de Drossaard zelf bevindt zich in de nabijheid en ook hij drukt de hand aan een Katholiek, den Advocaat Vechters, zoo beroemd als taalvorscher en om zijne rijke boekverzameling. In dien anderen hoek wedijvertDr. Samuel Coster, de reeds bedaagde Academist, met den jongen en vroolijken Daniël Mostert—die in ’t vorige jaar tot Secretaris der stad is aangesteld, en wiens kittelend vernuft aan den naam beantwoordt dien hij draagt—wie ’t meest de Juffers, die om hem staan, door kwinkslagen en kluchtige gezegden een lachje afpersen, ja nu en dan een blos op de wangen zal jagen.Zeer verschillend, wat maatschappelijken toestand, rang en betrekking aangaat, zijn de twee personen, die daar in een levendig gesprek gewikkeld zijn: de een, met dat geestig en levendig oog, met die innemende gelaatstrekken en dien zwier in houding en gebaren, die den man der meest verfijnde beschaving kenmerkt, heeft op veertigjarigen leeftijd reeds eene schitterende loopbaan gehad, en reeds Oost-Indië als Gouverneur-Generaal bestuurd; de andere, iets jonger dan hij, met een thans eenigszins bleek en ziekelijk voorkomen, dat zijne fonkelende adelaarsoogen des te meer doet uitkomen, is eenvoudig een welgesteld winkelier in de Warmoesstraat;—maar toch zijn Laurens Reael en Joost Van den Vondel vrienden; ja broeders, vereenigd door gelijkheid van smaak en gemeenschappelijken taal- en letterarbeid. Hun beider reeds bejaarde vriend, de koopman en kunstmeceen Laurens Baeck, voegt zich bij hen: hij heeft zijne hofstede Schey-Beeck in de Beverwijk verlaten, om met zijne bekwame zoons Justus en Jacob en zijne bevallige dochters Katharina en Debora het trouwfeest der pupil van hun vriend Hooft te komen bijwonen.Nevens Jacob Baeck bemerkt gij diens boezemvriend, den drie-en-twintigjarigen Willem Van den Vondel, met wien hij redeneert over een voornemen, dat zij hebben opgevat, om te zamen het klassieke land der kunst, het schoone Italië te gaan bezoeken. Met zeldzame gaven des verstands en des harten toegerust, is Willem Van den Vondel steeds de lust en de vreugd geweest, eerst van zijns vaders huis en later van allen, die hem kenden, maar vooral is hij de lieveling van zijn ouderen broeder, die, zij het ook al te nederig, aan al wie ’t hooren wil verklaart, „dat Willem hem verre overtreft.” De zooveel belovende jongeling zal die reize naar ’t verre Schiereiland doen; maar helaas! om nimmer in zijn vaderland terug te keeren.Doch wie is die andere jongeling, slechts weinig ouder dan pas genoemden en die, meer dan zij, ja, meer dan vele mannen van jaren en gezag, hier de aandacht der aanwezigen en niet het minst die der jufferschap tot zich trekt? Zijne rijke en hoofsche kleedij is naar den allerlaatsten smaak, doch wordt met zooveel gemak gedragen, dat men terstond den man herkent, die zich zwierig kleedt, omdat zijn stand het medebrengt en niet, omdat hem zijn snijder aldus heeft opgeschikt. Zijn bruin gelaat kan wel niet schoon genoemd worden, doch het tintelt van geest en leven: en in stem, in spraak, in manieren spreidt hij dat bevallige, dat innemende, dat echt hoffelijke ten toon, ’t welk noch goud, noch hooge betrekkingen, noch al de moeite, die men aanwendt, kunnen verschaffen aan hem, wien het van natuur niet eigen is. Zie! daar spreekt hij metde juffers over Fransche modes, overmenuetten, pavanesensarabandes, terwijl Debora Baeck aan eene van hare kaartjes13ronduit verklaart, nooit een danser te hebben gehad, die netter passen maakte en beter in de maat bleef; of wel, hij redeneert over muziek, en meester Dirk Swelinck, de wijdberoemde organist, vertelt overluid, dat hij zelden bij een liefhebber meer kennis van het vak bij meer voortreffelijkheid van uitvoering gevonden heeft. Maar daar komt ’s Legers Opperwachtmeester Wijts, een der helden uit den vrijheidsoorlog en der bekwaamste krijgskundigen uit zijn tijd, onzen jongeling in ’t gemoet, drukt hem de hand en doet hem een paar vragen aangaande ’t beleg van Bergen-op-Zoom: en de ander antwoordt daarop, zonder zich te bedenken, met een zaakkennis, die, aan wie hem niet kennen, al licht zou doen gelooven, dat hij een krijgsman is van beroep. Intusschen acht de grijze Burgemeester De Vlaming van Oudshoorn het de moeite wel waard, van de gelegenheid gebruik te maken, die zich voordoet, om een woordje over staatkunde te wisselen. Hij treedt naar onzen jonkman toe, en, hem met meer eerbiedigheid aansprekende dan men in iemand van zijn stand en achtbaarheid tegenover een jongen spring-in-’t-veld verwachten zou, veroorlooft hij zich een paar „bescheiden vragen” aangaande het vermoedelijk doel der zending, die de Heer Gramaye vanwege Keizer Ferdinand bij de Heeren Staten volbrengen komt. Op zedigen toon, maar zonder aarzeling, geeft de jongeling de verlangde inlichtingen, ja treedt daarbij in bijzonderheden, die genoeg bewijzen, dat hij aan een goed geheugen een helder doorzicht paart en den sluier weet op te lichten, waaronder de diplomatie haar geheimen zoekt te verbergen;—nauwelijks heeft hij aan de weetgierigheid van den Burgemeester voldaan of Plemp klampt hem aan boord, om over een paar onlangs verschenen emendaties op Virgilius te spreken en Pieter Corneliszoon Hooft, zijn slag waarnemende, duwt hem een dichtgevouwen papier in de hand en bijt hem in ’t oor: „ziehier het sonnet, waar ik u over gesproken heb. Wees zoo goed het eens in te zien en te betuttelen14waar ’t noodig zijn mocht.”De jongeling, die evengoed in de dans-, muziek-, krijgs- en staatkunst te huis is als in de oude en nieuwe letteren, die in vlugheid van vernuft, schranderheid van oordeel, blijmoedigheid van geest en voortreffelijkheid van inborst voor geen der hier aanwezigen onderdoet, en die eenmaal als geheimschrijver van drie vorsten uit het huis van Oranje en niet minder als kernachtig dichter zich een beroemden naam zal weten te verschaffen, is de Hagenaar Constantijn Huyghens.Was het wonder, dat hij de hofstad verlaten had om het bruiloftsfeest van Tesselschade te komen vieren? Reeds voor een jaar of vijf had hij de kennis met Roemers dochter op ’t Huis te Muiden gemaakt en tusschen hen was eene vriendschap ontstaan, gelijkmen zelden tusschen lieden van verschillende kunne aantreft, en die hun geheele leven duren zou. Hiervan getuigde o. a. het gedichtje, dat hij aan de gezusters geschreven had, in dank voorsuikerpeen.Gesonde peen,Ik vatt’ de reênVan uw geschenck:’t Is met een wenckSmaecklijk bewezen;De wortel soet,De vrucht moet goetEn heilsaem wezen.Op eer en deughdStond d’ eerste vreughdVan ons vergaeren:Al wat der jaerenKnoop en gespannTot noch daer vanHeeft uytgegevenEn bij ons levenUytgeven moet,Sal goed en soetEn heylsaem wesen.Vriend’lick paar Weesen,Dit is ’t beduydVan mijn besluytUyt uwe gaven:Daer ick begravenEn ghy tot stoffSult wederkeeren,Sal deze lofOns graf vereeren,Hier light C. H.En TesselschaEn Anna, d’ eerste.Die elck om ’t seersteMet schrift en praet,Met wensch en daed,Haer vriendschap sloten:Vriendschap gesprotenUit grond en reênAls suycker-peen.Reeds vroeger, bij den dood van haren vader, had hij aan het „vriendelijk paar Weesen” een aandoenlijken troostbrief in verzen geschreven, haar bemoedigende met het denkbeeld, dat Hooft haar voortaan tot een voogd en tweeden vader verstrekken zou: en nu een jaar geleden schreef hij uit Londen, waar hij zich bevond als Gezantschaps-Secretaris, een anderen berijmden brief aan ’t waardige drietal, zijn vurig verlangen uitdrukkende om hen terug te zien.Hoe weinig het echter gefaald had, of hij zou door het slechte weer verhinderd zijn geweest de reis naar Amsterdam te ondernemen, blijkt uit de volgende dichtregelen, die Tesselschade weinige dagen geleden van hem ontvangen had:Tesselschade,Die uw gadeNiet te spade,Niet te vroeghHebt gevondenEn verbondenVan de wonden,Die hij droegh,Wees te vredenMet de reden,Die my hedenSeggen doet:Bruiloftslusten,Laet my rusten,Daar ick rust enRusten moet.Stuersche buyen,Die zich ruyenTegen ’t Zuyen,Tegen ’t West,Hoor ik schreeuwenDoor het sneeuwen:Zomer-spreeuwenHoudt uw nest............Had de Son enLucht begonnenWeer te gonnen’t Soet gelachVan de haegenEn te traegen’t Wintrigh jaeghenVan den dagh,’k Waer geschapenVreughd te rapenVan ’t begaepenVan uw feest,En het pronckenVan uw lonckenTot ontfonckenVan mijn geest.Maar ’t benijdenDeser tijdenMoet ik lijdenMet geduld;’t Zijn geen trekenOm te wrekenWoord te brekenSonder schuld.Oh! hoe vliegh ik,Hoe bedriegh ick,Hoe beliegh ick,Mijn gemoed!’k Wil der wesen,Alle vreesenSijn geresenUyt mijn bloed.Swackheit, lijden,Winter-tijden,Die ick mijdden,Staet van kant.Wech vervarenVoor het baeren15Van de baeren:’k Wil van land.Gae ick? Stae ick,16Neen ick? Ja ick:Emmers gae ik;Neen ick, noch.17Ja ick, meen ick.Weer versteen ick.18Gae ick? neen ick.Ja ick, toch.’t Bleef dusja, en het werd nog nader door een tweede brief bevestigd:Winter-dagen,Die de slagenVan de vlagenEn de machtVan de windenSchijnt te binden,Daar men in denHaeg op wacht.Sendt het raesenVan dit blaesenOver Maes enOver Schelt:Laat de VeerenVan de Meeren19t’ Mijner eerenOngequelt.Laat de schuerenOnser BuerenWat besuerenVan uw kouw,Laat se lipp’ enTanden klippenMet de slippenIn de schouw.20OnderwijlenSal ick ijlenAls de pijlenNa den Doel,21AfgezondenNa de grondenVan den Ponden-rijcken poel.22Zijn uw’ ooren23Niet te hoorenTot verhoorenVan mijn bee?Soud’ ick sollenTegen ’t rollen,Tegen ’t grollenVan de zee.’k Sal uw baerenEer ontvaeren,Danck het SparenEn het pad,Dat den wagenEn de slagenKan verdragenVan het rad.24Maar, nu wij de gasten, immers de voornaamste onder hen, in oogenschouw hebben genomen, wordt het tijd een blik te slaan op haar, die eigenlijk in de eerste plaats onze belangstelling, althans onzen groet verdiend had, op haar, die den last der bezorging van het feest op zich genomen heeft, en ons tot harent ontvangt, op Anna Roemers.Tien jaren ouder dan Tesselschade en dus reeds in haar veertigste jaar getreden, is Anna nog immer in de volle pracht eener schoonheid, die van geen verwelken schijnt te weten, nog immerDe roem van haren tijd, waar Roemer op mocht roemen.Vreemd moge het schijnen, dat eene zoo bevallige, zoo rijk begaafde vrouw tot heden ongehuwd gebleven is; maar, zoo zij nog geen plichten als echtgenoote te volbrengen heeft, het is alleen daaraan toe te schrijven, dat tot heden andere plichten op haar rustten: eerst de verpleging van haren vader en het bestier over diens huis: later, na zijn dood, de gehechtheid aan hare jongste zuster, bij wie zij eenmaal de rol eener moeder vervuld had en ook nu nog bleef vervullen, al was het kind voorlang opgegroeid tot maagd en nu reeds haar derde kruis nabij. Maar thans staat die zuster op het punt het ouderlijke huis voorgoed te verlaten en zich met haren gemaal elders neder te zetten: en thans heeft ook Anna begonnen te gevoelen, dat het niet goed is voor den mensch, alleen te zijn. Reeds is haar hart, weldra wordt ook hare hand weggeschonken aan den zoon uit een aanzienlijk Dordtsch geslacht, doch zelf in ’t Noorden van West-Friesland gevestigd; aan Dominicus Booth Van Wesel, wiens kennis zij te Alkmaar gemaakt had, toen zij aldaar met hare zuster het gezin van diens verloofde bezoekenging, en zij zal hem volgen om hem gelukkig te maken en, door geheel Nederland bij voortduring vereerd, nog als zestigjarige vrouw om hare zeldzame gaven en bevallig voorkomen en minzaamheid, den geleerden Puteanus te Leuven en diens gezin in verrukking te brengen en door hem als eene tiende Muze te worden afgeschilderd.Maar hoor!—een gedruisch ontstaat daar buiten: een geluid van vedels en fluiten klinkt van uit een zijvertrek, waar de muzikanten vereenigd zijn: al de gasten geraken in beweging, zien naar de deur en scharen zich rechts en links om den vrijen doortocht te laten aan het jeugdige paar, dat, vergezeld van zijne getuigen, teruggekeerd is van ’t Stadhuis en nu onder oorverdoovend gejuich der op straat verzamelde menigte,—een gejuich van uit de opperzaal straks beantwoord—de woning, en weldra ook de zaal is binnengetreden.„Ruim baan! ruim baan! Plaats voor de Bruid!” klinkt het van allerwegen: en Tesselschade begeeft zich naar den voor haar bereiden troon; maar haar oog zoekt en ziet onder die schare hare zuster Anna alleen, en de beide zusters vallen in elkanders armen, terwijl warme tranen uit beider oogen elkanders gelaat bevochtigen. Eene eerbiedige stilte vervangt het gedruisch en met aandoening staren de omstanders op de zoo innig verknochte—nu welhaast voor lang gescheiden—zusters. Nu vermant zich echter de Bruid en, na nog een hartelijken kus aan hare beminde Anna, laat zij zich door haren Bruigom verder leiden en neemt plaats op den voor haar bestemden zetel. En wel verdient die thans zijn naam van „troon;” want geen koningin kon dien waardiger bekleeden dan zij van wie wij ’t nauwelijks durven beproeven, eene beschrijving te geven.Een hoog opstaand kanten mutsje, boven hetwelk een gouden kroontje, met paarlen omzet, zich verheft, omvat het hoog gekapte „goutdradich hayr” van Tesselschade: haar hals is door een drie dubbel geplooiden, breed uitstaanden kraag van kostbaar kant omvat; een blauw satijnen kleed met bonten rand omsluit hare rijke gestalte en laat, van voren open, een borstlap zien, die schittert van gesteenten en een onderkleed van gele zijde, op ’t rijkst met bloemen gestikt, waarop, van den gordel af, een gouden snoer nederhangt, van afstand tot afstand met paarlen geschakeld en aan welks einde een reukbal vastzit, van gouddraad gevlochten en met vonkelende robijnen, turkooizen en andere puik-juweelen bezet. Maar hoe fraai dit alles zij, het kan de schoonheid alleen opluisteren, niet verhoogen, van haar, die wij als Bruid begroeten. Bevallig, rank en toch krachtvol is hare gestalte: en de gezondheidsblos op het lelieblank gelaat getuigt, dat wij hier niet te doen hebben met eene dier loome, smachtende, verwende juffers, die den halven morgen in ’t bed verslapen, een groot gedeelte van den dag aan de kaptafel doorbrengen, en zoowel den zonnegloed als het minste tochtje vreezen: en evenmin met eene diersavantes, die, aan studeervertrek ofsalongekluisterd, de kamerkleur verkrijgen als een onmisbaar gevolg van een zittend leven; maar wel met eene zoodanige, die noch lucht noch zonnestralen schuwt en zelfs voor geenlichaamsoefeningen terugdeinst. En inderdaad, niet alleen is Roemers jongste dochter ervaren in muziek en schilderkunst, niet alleen weet zij op ’t glas te snijden, in was te boetseeren en met de borduurnaald te tooveren, niet alleen weet zij Tasso’s „Verlost Jeruzalem” in Nederduitsche verzen te vertalen, maar ook heeft zij, toen nog haar vader in „de Kreeft” over den Stads Singel woonde, waar in den tuin een groote en diepe vijver was, met hare zusters het zwemmen geleerd. Wakkerheid en levenslust stralen dan ook af van haar gelaat en schitteren ons tegen uit die groote bruine oogen, die spiegels der reinste en edelste ziel: parelwitte tanden glinsteren tusschen het koraal van fijngevormde lippen: het breede voorhoofd duidt een kloek en veel omvattend verstand—de kleine, recht nedervallende Grieksche neus vastheid van karakter aan: de fraaie handen, aan de polsen met een zesdubbel parelsnoer omgeven, zijn blank en zacht als fluweel: maar zoo ’t u gebeuren mag, ze te drukken, zult gij voelen, dat in die poezele vingers kracht verborgen is en dat de vereelte toppen gewoon zijn, vedelsnaar en graveerstift te hanteeren.Ter rechter-en linkerzijde van de Bruid, op lagere zetels, doch mede op den „troon” wordt de plaats van de Bruid, die anders aan de wederzijdsche moeders zou toekomen, bij ontstentenis van dezen, rechts bekleed door ’s Bruigoms zuster, links door de tweede van Roemers dochters, Truitje, sedert eenige jaren de gade van Nikolaas Van Buyl. Misschien is het aan dat huwelijk te wijten—waardoor zij vroeg reeds haars vaders huis verliet, en, aan huiszorg gebonden, minder dan hare zusters den omgang bleef aanhouden met doorluchte en beroemde vernuften—dat Truitje Roemers, twee eeuwen lang, geheel vergeten zal blijven bij de geschiedschrijvers, die zoo luid van Anna en Tesselschade zullen gewagen. Maarwijvergeten haar niet, de derde in een trits bevalligheden: wij kennen ook haar een billijk deel toe van den roem, die hare zusters omstraalt.De gasten zijn achtereenvolgens de Bruid komen begroeten: daar nadert ook Huyghens, en, hield de etiquette Tesselschade niet aan haren troon gebonden, zij ware hem te gemoet gesneld, om hem de hand te drukken. Dit laatste veroorlooft zij zich echter, terwijl zij hem voor zijn heilwensch dank zegt, hem hare blijdschap te kennen geeft, dat hij toch de winterstormen getart heeft, en zij hem haren Bruigom voorstelt, die nevens haar staat. Ja! den Bruigom!—hebben wij dien vergeten, den held van ’t feest, dat wij van hem geen gewag maakten?—Neen gewis niet; maar juist, omdat hij de held van ’t feest is, kan hij het ons niet ten kwade duiden, zoo wij hem, evenals zulks met de theaterhelden doorgaans het geval is, na de mindere personages laten optreden.Wie is hij nu, de man, aan wien Tesselschade de voorkeur heeft geschonken boven zoovele kloeke vernuften als naar hare hand dongen? Zeker een geleerde, een toonkunstenaar, een dichter, een staatsman, of in allen gevalle iemand, die zich op deze of gene wijze heeft beroemd gemaakt?De Bruigom is niets van dat alles: hij is eenvoudig een zeeofficier, die, wanneer hij aan wal is, te Alkmaar woont en antwoord geeft op den (alles behalve dichterlijk klinkenden) naam van Allart Janszoon Crombalgh.Maar—dat mogen wij niet ontkennen—hij is een flinke, kloeke borst, wiens blauwe oogen helder blinken in dat echt mannelijk gelaat, door de zon der keerkringen gebronst; en is Tesselschade dichteres, zangster en geleerde, voor alles is zij vrouw, en ’t is als vrouw, dat zij de liefde van haren Allart of Adelaar, gelijk zij hem soms bij letterkeer noemt, gewonnen en hem de hare geschonken heeft.De liefde—Vondel zal het ons leeren in het bruiloftsdicht, dat hij bij zich heeft—is in de kerk begonnen:Een wijl hiernae geviel ’t, toen deser dochtren geestKerckpleghtigh besigh was te vieren ’t jaerlyx feestMet lofsangh en gebeên, gelijckse ’t noô versloffen,Dat d’ een van ’t kerckgewelf werd in de borst getroffen, enz.Allart had Tesseltje hooren zingen: eerst hare zuivere tot het hart dringende stem, vervolgens hare bekoorlijkheden, hadden hem verrukt, en wederkeerig had zij bij den eersten aanblik in hem den man gezien, die haar tot gade beschikt was. Weldra was de zaak beklonken en tusschen hen bepaald, dat het huwelijk zou voortgang hebben, zoodra hij zou terug zijn gekeerd van een zeetocht, dien hij nog te ondernemen had.Vóór zijn vertrek was hij op ’t Muiderslot genoodigd, waar zich de gezusters, aan welke Hooft, gelijk gezegd is, tot vader, of, beter, tot broeder verstrekte, zich veelal onthielden. Ook Vondel was er te gast, en het aanstaande vertrek van den verliefden zeeman gaf hem de navolgende regels in de pen, waarbij hij Hooft onder den naam van den zanglustigen veldgod Pan, den vrijer onder dien van Dafnis, diens liefste onder dien van eene Sirene, wier verleidend gezang allen tot zich lokt, en zichzelven als Tityr voorstelde. Het luidde aldus:De vleiende Sireen,Wiens zang en vedelsnaerVerlockten naar beneênDen fieren Adelaer,25Die met zijn wiecken hingh,Daer zangh zijn hart bekneepEn hy verslingert vinghHet keeltjen, dat hem greep.Dees op den oever stondt,Daer Glaukus,26heet van Min,Kust en herkust den montDer blancke stroomgodin,Die in zijn armen glijdtEn zijght van liever leêEn voegt haer bruytschat by ’tRijck hylixgoet der zee.Pan zanghziek, op dat pas,Had Dafnis laten noôn,En, om te luystren, wasHier Tityr mede ontboôn.Zij huckte neêr in ’t groenDaer van een hoogen walHet oogh moght ronde doenEn weien overal.Toen sloegh haer keel geluyt;Help Godt, wat zoeter zangh!Zwijgh Tityrs boerefluit.Wat was hier een gedranghVan ooren, om dit liedtTe vangen in de lucht.Toen tot haar neighde riet,Geboomte en vogelvlught.Ach Dafnis, zong zy, ach!Wat gaet u, Ridder, aen?Zoo dit uw moeder zagh,Het hair te bergh zou staen.Is ’t groen, daer ghy op staet,Dan ’t engh en veel te naeuw,Dat ghy ’t verwislen gaetVoor ’t wilde en woeste blaeuw?Versin eer ghy begint,En hou uw oude buurt,Denckt wat de zee verslindt,Als zij den afgrond schuurt,En gaept den Hemel toe,En grimt dat alle GoônOptrecken, zorgens moê,Hun aangevochten troon.Wat is hy overstout,Die leven, lijf en zielDen lichten wint betroutOp ’t drijven van een kiel.En stuyft ter weerelt uyt,Daer loot geen gronden peilt,Daer ’t schip aen starren stuytEn door de klippen zeilt.Noch hiel ick u te goe,Indien uw trotse moedtNiet reede een oorloogh toe,O gruwel! op den vloedt,Op grondeloosen plasTe vechten, lijf aen lijf:Die bodem is van glas,O Reuzen, treet niet stijf.Te lande is vlughtens troost,De wanhoop drijft in ’t schuym,Och! of ghy ’t land verkoost.Ghy schudt helmet en pluym,En slaet mijn beden af,Wel aen ick neem geduldt,Ghy kiest dan ’t levent grafEn ick blijf zonder schuldt.Ten minste denck aen my,Wanneer ghy, als Jupijn,Zult op uw vyants zyMet blixems woênde zijnEn Hollants zeebanierMet hoop van zege voênEn braken vlam en vierIn ’s Konings galioen.Dan denck eens, hoe ’t mij kruyst,Als ghy den Spanjaart tart,Met ’t slaghswaert in de vuyst,En duy ’t zorgvuldigh hartVan uw Sireen dien raedtAltijt ten beste na:Mits ick uw schipbreuk haet,Niet naar uw leven sta27.In de afwachting van den dag, waarop de vertrokken zeeman zou terugkomen, waren de zusters haars vaders huis blijven bewonen. Wij leeren dit o. a. uit het slot van een gedicht tot lof der zeevaart, ’t welk Vondel omtrent dien tijd zijn vriend Reael had toegezongen.Wy naecken Schreyers hoek, daar lieffelijck en blyEen waterlandsche Rey, de juffertjens van ’t Y,Met ongehuyfde pruyck en kletten28geestigh singen,En nae den toon van sangh en spel hun treden dwingen.Twee Diertjens29in dien hoop aenminnigh groeten ons,D’ een volght met soet musyck des anders violons.En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster.Laet vallen ’t ancker, stryck, hier is de vloed geruster.Hier gaet noch eb noch ty, hier hoort men geen geruys.Hier open ick mijn reis in ’t saligh Roemers huys.... enz.Na behouden reis en terugkeer der Bruid,toen de faem op Schreyers toren satEn bruyloft bruyloft blies, en noodighde al de stadOp ’t schaterend bancket, beluyt wet soete rijmen,Van ’t Noorden Krombalck quam, verzelschapt met God Hymen.Wij keeren, na deze uitweiding, tot onze beschouwing terug. Tesselschade stelt—als wij gezien hebben—haren Bruigom voor aan Huyghens, die hem nog niet heeft aangetroffen, en hem in heusche bewoordingen gelukwenscht. De zeeman beantwoordt met beleefdheid den handdruk en den groet des hovelings; maar toch vertoont zich in zijn wedergroet niet die ongedwongenheid, die hem anders zoo eigen is: ’t is of hij zich tegenover Huyghens minder dan tegenover elk ander op zijn gemak gevoelt. En geen wonder: hij weet, hoe hoogen prijs zijn liefste op het verkeer met Huyghens stelt: hij weet, welke innige gemeenzaamheid tusschen hen beiden bestaat, en, al heeft hij de overtuiging, dat het gevoel van Tesselschade voor den jongen hoveling niet dan zuivere, zusterlijke vriendschap is, en niets te kort doet aan hare liefde voor hem, Crombalgh, geen Bruigom bestaat er, die zich bijzonder voelt aangetrokken tot den man, die reeds vóór hem met zijne Bruid op een gemeenzamen voet verkeerde, die beweren kan ouder brieven te hebben dan hij, en die haar zijn „kameraadje” noemt—al is ’t dan maar om ’t rijm.Maar Huyghens let niet op die koelheid van Allart. Hij heeft het oog gewend naar de blonde, met lauweren gekapte speelnoot der Bruid, de bevallige Machteld Van Kampen, die op dit oogenblik tot hem genaderd is en hem op een zilveren schenkblad de bruidstranen aanbiedt—en zie! een hooge blos kleurt zijn gelaat, terwijl hij eender ingeschonken roemers tot zich neemt. Maar zijne tegenwoordigheid van geest verlaat hem niet. „Schoone juffer,” zegt hij, met eene hoffelijke buiging, „geboden mij plicht en genegenheid niet, dezen roemer aan Bruid en Bruigom te brengen, ik had hem reeds ter eere eener zoo bevallige Hébé geledigd.”—En nu is het de beurt der juffer te blozen en zich met eenige verlegenheid terug te trekken: verlegenheid, ja; want er bevindt zich onder de aanwezigen een jongeling, die haar met de oogen volgt, en wiens hart reeds in bitterheid ontstoken is tegen den Hagenaar, in wien hij een medeminnaar ziet.En nu, nu zou ik gaarne met u, waarde lezer! aan het Roemershuis verblijven om er de feestvermakelijkheden bij te wonen en mede aan te zitten aan het overvloedige banket en te luisteren naar de gesprekken der opgewekte dischgenooten, naar de muziek, achter tafel uitgevoerd, naar de liedjes, door de speelnoots gezongen, naar de bruiloftsdichten, door dichters en rijmers voorgedragen. Maar ik vrees, dat die gesprekken, hoezeer dan ook tusschen de uitstekendste vernuften gevoerd, veel van hun zout en aardigheid zouden missen voor u, die niet zijt ingewijd in de nieuwtjes van den dag, in al de bijzondere betrekkingen en omstandigheden van de sprekers, of zelfs in de taal van die eeuw. Ook om de geestige scherts kan alleen hij lachen, die haar verstaat, en ik vrees, dat het snarenspel, al streelt het de ooren der gasten als hemelval, in de uwe, die aan meer ingewikkelde muziek gewend zijt, te schraal zou klinken, ja dat zelfs de beurtzang van Francisca Duarte en Machteld Van Kampen u te eenvoudig zou voorkomen: maar vooral vrees ik, dat gij in slaap zoudt vallen bij de verzen, die men voor zal dragen; ’t moge der moeite waard zijn, Vondel te hooren: zijn feestdicht, hoe vol fraaie brokken en vernuftigen zwier, zou u te lang en te mythologisch voorkomen. Bovendien, wij zijn wandelaars en moeten weer verder voort: wij zullen dus het gezelschap vaarwel zeggen, terwijl ik u alleen, bij wijze van toegift, nog vertellen wil, wat het gevolg was van den indruk door de verschijning van de gelauwerde Machteld op Huyghens gemaakt. Hoezeer hij door hare bevalligheid, haar geestig onderhoud, haar zang en snarenspel getroffen werd, getuigt de brief, dien hij, kort na zijne terugkomst te ’s-Gravenhage, aan Tesselschade schreef:Aen joffrouwTesselschade Visschers.Nieuw-getrouwde.Teere leerlingh van de Trouw,Onlancks Maeghd, onlancks vrouw,30Tesselschade, die uw gadeHebt gevonden, niet te spade,Hebt verbonden, niet te vroegh,Van de wonden die hy droegh;Heeft u noch in ’t nieuwe levend’ Oude vriendschap niet begeven,Huyst gy noch in uw gedachtDie die huysingh, als gepacht,In uw vriend’lickheit besaten,Doe ghy, eenigh by de straten,Eenigh t’ huys, en om uw beddMet de eenigheit besett,Spotte met des jongens toortsen31Die u doch met sijner koortsenOnafbiddelijcken brandt’ Uwer beurten heeft vermant?Zijt ghy noch bedenckens machtigh,Hoe de Herten, heet en jachtig,Na de beeck te koelen gaen,Die de min ten doele staan?Leent my dry der toover-woorden,Die soo menigh oor bekoorden,Dry aen ’t schoone Lauren-Hooft32Dat het mijne van my rooft...Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder,Seght haer hoe een Haeghse Herder....Onbewogen voor de vonkVan soo menig’ minne-lonck....Endelick de fiere schichtenVan haer’ ongemeene lichtenHeeft onmogelick gesiend’ Overwonnen borst te bien....Na vervolgens aan Tesselschade al de dwaasheden te hebben geschetst, tot welke de liefde hem vervoerd had, roept hij hare hulp in; zij toch heeft hem met Machteld in kennis gebracht; zij is er de schuld van, dat hij verliefd is geworden en moet hem dus tot „soete voorspraak” zijn, en zoo de juffer weten wil, wie het is, die naar hare hand vraagt, tot haar zeggen: dat het iemand is, den meer bezadigden leeftijd genaderd;—terwijl hij haar verder dit afbeeldsel van zichzelven in den mond geeft:’t Welgevall van schoone ledenSchreef hem niemand toe met reden:Aen het bruynen van sijn huytKijkt de Haeghse Herder uyt;Maer hy dunckt sich selfs te blosenAls de morgenstondsche roosen,Zedert hy den wederslaghVan haer oogh in ’t sijne sagh.Soo verlicht der Sonnen-luysterAller wegen alle duyster,Soo is heel den Hemel schoonOm het bij-zijn van de Goôn.Overwicht van gulde schijvenDie ’t ter wereld al bedrijven,Meer als noodelycke MuntHeeft sijn ster hem niet vergunt;Weinigh maeyen, weinigh ploegen,Klein besitt in groot genoegen,En dat middelmaetigh veel,Zijn gevallen tot sijn deel.Maar sijn nieuwe Min-gedachten,Heele dagen, halve nachten,Zijn sijn schatten in ’t gemoed,Daer hy ryck af heeten moet.Voorraet van gegeten letterenOm geleerde t’ overschett’ren,Schuylt er weinigh in sijn hoofd,Waer het evenwel geklooft.’t Waer vol letteren te vinden,Letteren, die harten binden,Maer met hope van gena,Soete lettren M. V. K.Sterre-stocken aen te stellenOm de fackelen te tellen,Om de keerssen ga te slaen,Die het Hemel-holl begaenZijn gesifte wetenschappenDie sijn herssenen ontsnappen,En de geesten van sijn ooghWeygeren haer vier soo hoogh;Maer twee helderer PlanetenZijn de doelen van sijn wetenEn de sterren die hij schietHooger hemel kent hij niet.Stemme-streelingh, snaren-krabb’ling,Is een konstelicke brabb’lingh,Die sijn handen en sijn keelNiet en kennen als ten deel,Maer, al stinckt het eigen roemen,Laura33kan sijn keel niet noemen.Of sy staet er af en triltAls een Eicken rijs in ’t wild;Snaeren kan sijn hand niet raecken,Die wat Laura’s-achtig kraecken,Of sijn vingers gaender af,Als een viervoet naer een draf.Daer dan hand en keel vergaeren,Laura zeggen al de snaeren,Laura kort en Laura langhZijn de Noten van sijn sangh.Verr en versch geraepte Rijmen,Regeldicht aen een te lijmen,Hooger sweven als ’t geberghtIs sijn pen te veel geverght;Kruypen kan hy, gaan en springenEn gelijcks der aerde singen;’t Water dat de Rijmers maeckt,Heeft sijn lippen noyt genaeckt.Maer de wel gevoeghde giften,Die den Hemel door de siftenEn het keurlijck onderscheidVan een’ milde gierigheidOver haer beminde kuyvenNederwaarts heeft laten stuyven,Kittelen sijn aandacht nauw;’t Vliegen wordt hem wel soo gaeuwAls de best-gewieckte vliegers(Dat ’s Poëtelickste liegers)En sijn afgevlogen dichtRijst hem selven uyt ’t gesicht.Seght haer dan, hy heeft den segenVan de schoonheit niet gekregen,Noch de geestelicke gonstVan gesogen Letter-konst.Sterren kan hij niet beroemenVan de seven een te noemenOp de Noten is hy schorr,Op de Snaren vinger-dorr;Rijmens is hy onervaerenAls de Ploeger in de baeren,Als de Zeeman in de Terw,Als de blinden in de verw.Evenwel ’t bevalligh wesen’t Rijck, het ruym-gelettert wesen,’t Spelen dat by geen en lijckt,’t Singen dat maer ’t uwe wijckt,’t Rijmen dat hy self kan achtenHoudt hij all’ van uwe krachten,Kont ghy ’t schepsel van uw’ sinMin vereeren als uw Min?—Schijnt sy na de min te hoorenVatse vaster bij die ooren,Seght haer dan als Alard sei’,Doe sijn krachtiger gevleiPerste door de koele korstenVan uw overvrosen borstenEn uw Ys-lijck’ ongenaDede doijen in een Ja.Dese sijn de scherpste pijlenDie wy samen konnen vijlen;Soo haer dan de tegenstandVan een herder Hert vermant:Tesselscha, hoe sal ick ’t herden?Ghy, vergeefsche Tolck te werden,En, oh armen, ick! en ick,Proye van mijn eigen strick.Sullen niet mijn eigen schachtenMet de woeckerloon van krachtenKeeren op het brosse blootVan de schutter diese schoot?Oh! ick spel het langh te voren,Lieve Tolck! ick sal ’t besmooren,’k Heb geen’ Lauwer op de mutsTegen sulcken blixem-bluts.Wil ’s haer dan in bloed vermaecken?Ja sy;—’k sie de dood genaecken.Neen sy; ’t is geen Maeghden-deughd;Ja sy; ’t is onnoosel’ vreughd;Neen sy; ’t Mocht haer namaels rouwen;Ja sy; Droefheit kan verkouwen:Neen sy; ’k heb het niet verdient;Ja sy; om een liever’ vriend.Oey! daer waggelt mijn vermoeyen;Tesselscha, om tijd te spoeyen;Korte moeyt voor langh bediet,Vraeght haer of sy wil of niet.Tesselschade mag zich met dezen brief vermaakt hebben, zij vond waarschijnlijk zich in de wittebroodsweken minder opgewekt, diente beantwoorden, en wellicht begreep zij, dat haar Allart die briefwisseling met een jongen vrijer, al vrijdde die ook naar eene andere, minder noodig achten zou. Had zij geen geheimen voor haren man, zij had die evenmin voor Hooft: zij liet hem den brief lezen en droeg hem de taak op, dien uit haren naam te beantwoorden. Dat antwoord begon aldus:Koelte van AntwoordtOp Vuur en Vlamvan den HeerConstantyn Huigens,34vorderende van JoffrouwTesselscha Visschers, nieuwgehouwde met den HeerAlaard van Krombalgh34, voorspraek bij JoffrouwMachtelt van Kapnem35.Nuchtre montje, minnevastert36Hoe komt u vrouw Venus bastert37Dus geloopen in het hooftDat u teffens zijn ontrooftLoddertong en troeteltaalen,En ghy willigs in moet haalenOm voor u te houden ’t woordt.Woorden krachtig om bezweeren,Quaadt van buitene te leeren,Zijn noit opgezocht door myUit Armidaas boekeryNoit en heb ik neus gestekenIn de snoo bibliothekenVan Médé of Circe. TrekOm van vlees te maken spek38Had ik noit. En zoo mijn gorgel,Dien ghy prijst als waer ’t een orgel,Iet kolachtigs heeft geseit,’t Moest mij wesen aangeweidt39Vastaartje, beleefde baasje,Wil je nu juist op een aasjeWeegen, wat ik my mishad,Toen ik u te bruiloft hadAan des Ys en Aamstels zoomen?Zeg me, wie zoud’ darren40droomen,Wie zoud’ darren denken, datOogenvlam zoud’ konnen vatOp uw schootvrij borstjen vinden?Hebben niet als duistre kleurenMogen uwen huit gebeuren,Neemt daer inne geen verdrietKoop en zal dat breeken niet.Vaaken zagh ik ’t meisjen tastenNaa de karssen bruinst van basten.’t Heeft zoo wel verstandt daar ofAls de grootsten van het hof.Heb je niet te veel van duiten,Dat doet meenigh huwlijk stuiten.Maat in geldtkas luidt zoo welNiet, als maat in zangkappel.Wil je jaagen zulk een wiltje,Laat haar, door uw gulden briltje,Niet kleen zandt of ander gruisOf de schoonheit van een muis,Maar tot onder in den rijkenWelgespekten geldkist kijken:’k Wed u, dat dukaat en kroonStraalen als mijn bruiloftstroon.Laat van geene zeedigheidenU altoos zoo ver verleiden,Dat ghy minder zegt als ’t isDat waar ’t heele doelhuis mis.Maar wie plagh dus voor te stuivenAls ik doe: die zoek te schuivenVan my huwlijkmaakers lastEn ik hylikmaak al vast....Venus kint, de looze stookerBetren pijl in uwen kookerVinden kan, dan ik u zenAl en waar het maar uw pen,Vleidt ghy my om Alaards vleyen41’t Meeste zeid’ hy als hy zweegh.’t Vuur en moet hem zeer niet bijten,Die zoo luide brand kan krijten?42Door een keel, daar hette in haart43Wil geen stemme bovenwaart,Dacht ik, in ’t gelaat van dezenKunnen enkele oogen leezenWat in ’t hart geschreven staet.Alaards woordeloose praatjeMeest heeft uitgekipt het jaatje....Dat wat lager dan mijn kropLagh als in een yrendop.Evenwel ik kan niet zeggen,Dat gy ’t ook zoo aan moet leggen.Hachelijk waar zulk een raadt.Wat weet ik hoe zij ’t verstaat,Ieder eene moet men zoekenNaar haar aangezicht te doeken,Mislijk oft zy waar gesteltOp wat woorden voor haar geldt.Vastaartjen, hoe ’t zal gelukkenZoudt my konst zijn uit te drukken.Altijd is het vraagen vryEn het weigren staat er by.Zou ze zulk een storrem afslaan:Neen ze: ziet gh’ haar voor zoo straf aanJaa ze: zy gelooft te laauwNeen ze: Vastaart is te gaauw.Jaa ze: z’ heeft geen zin in zoenenNeen ze: Minnezon doet groenen.Jaa ze: z’ hangt haar moeder aan.Neen ze: dat kan overgaan.Jaa ze: z’ is te jong van jaaren.Jaa z’: hy heeft der daegen veel.Neen ze: ’t is het passe scheel.Zoetjes; toef wat, nog een woordtjenIk u bijten moet in ’t oortjen,Dat myn hoofjes rammelradSchoontjes schier vergeten had.Spreekje ’t meisjen blond van haarenPast vooral haar te verklaaren,Klaarder dan ghy ’t my bediedt,Vastaart, oft ghy ’t meent oft niet.De scherts, welke Hooft zich onder Tesselschades naam jegens Huyghens veroorloofd had, smaakte dezen laatste maar half; althans aan het slot van een ander gedichtje, ’t welk hij haar iets later zond, verzocht hij haar vriendelijk, er Hooft buiten te houden:TesselschaedjeKameraedje,Die dit praetjeUyt mijn hertEn van binnenUyt het spinnenVan mijn sinnenHebt ontwert,Hebt het, hout het,Sluyt, ontvouwt het,Siet, aenschouwt hetAls belooft,Maar, bewogenUyt medoogen,Sonder d’ oogenVan uw Hooft.Of hij nu bij de schoone Machtelt een blauwtje liep, dan of hij zich voorzichtig in tijds terugtrok, toen hij bemerkte, dat een ander in haar hart reeds de plaats had ingenomen, weet ik niet; zeker is het, dat hij, om van de zaak met eere af te komen, die later als eene grap behandelde, en boven zijn brief aan Tesselschade, eer die in ’t licht kwam, het woordJockplaatste.Wat de blonde Machtelt betreft, wel had ik gewenscht dit hoofdstuk te kunnen sluiten met de vermelding, hoe zij den man harer keuze huwde en eene gelukkige gade en moeder werd.—Maar helaas! het was anders beschikt: zij stierf toen de Mei in het land kwam, als verloofde: gelijk wij uit de navolgende aandoenlijke regels van Vondel leeren:De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk,O Maghtelt, toen zy u benyde ’t jeughdig blosen.Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck,Maar blancke lelie, och! in ’t midden van de roosen,Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen,Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop.Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen,’t Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.Aanteekening.Na het schrijven van dit hoofdstuk vond ik mijn vermoeden, dat als getuige bij Tesselschades huwelijk hare getrouwde zuster Truitje zou zijn opgetreden, bevestigd door het navolgende uittreksel uit het Puiboek, mij door mijnen geachten vriend, den Stads-archivaris Scheltema, medegedeeld:Puiboek No. 9.1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende, geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out 28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers, haar suster, op de Geldersche kai.(Get.) Allart Janszoon Crombalch.Tesselscha Roemers Visschers.Men kan uit dit voorbeeld wederom zien, hoe weinig men zich om de spelling der namen en om de rechte qualificatie bekommerde. Van Truitje wordt o. a. niet eens gemeld, dat zij getrouwd is, evenmin als dit plaats heeft in de volgende aanteekening uit hetzelfde Puiboek, betreffende Anna’s huwelijk.12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.(Get.) D. v. Wesell 1624.Anna Roemers.Opmerkelijk is het, dat in de eerste huwelijks-aanteekening alleen de leeftijd van de Bruid, en in de tweede alleen die van den Bruigom vermeld wordt.De lezer zij wijders verzocht op de eerste bladz. van dit hoofdstuk voor „deneerstenNovember” te lezen „dentwintigstenNovember.” 1 November had de aanteekening, 20 Nov. het huwlijk plaats, als het bruiloftsvers van Hooft ons leert.Ik zal ook nu wederom het verwijt niet ontgaan, mij, gelijk mij ter ooren is gewaaid, meer gedaan, dat ik gemakshalve mijne opstellen, in plaats van met eigen werk, met verzen van anderen opvulde. Ik geloof echter, dat wie eerlijk denkt en bovendien eenigen goeden smaak bezit, mijne handelwijze aan betere motieven toeschrijven en niet af zal keuren. Die gedichten, door mij geheel of ten deele opgenomen, zijn de bronnen, waaruit ik mijn tafereel geput heb: ’t zijn mijne justificatoire bescheiden; vergenoegde ik mij, met er naar te verwijzen, ik zou den lezer noodzaken, om, tot recht verstand van mijn geschrijf een half dozijn boeken bij de hand te hebben en gedurig op te slaan. Maar bovendien strekken die brokken uit Hooft, Vondel, Huyghens enz. minder nog tot toelichting van mijn opstel, dan wel omgekeerd.—Velen (ik zelf tot nog voor korten tijd) hebben die brokken nimmer met dat genot gelezen, hetwelk alleen dan gesmaakt kan worden, wanneer men ze onderling in verband gebracht en daardoor recht heeft leeren begrijpen. Nu wellicht zal menigeen, die ze tot nog toe of niet of maar vluchtig gelezen had, zich wellicht door de uittreksels, die ik geef, aangespoord gevoelen, om ze eens meer opzettelijk in ’t oorspronkelijke te gaan nalezen, en zoowel zijne kennis van de zeden, de toestanden en het onderling verkeer—als zijn smaak voor de echte, gezonde, krachtvolle letterkunde van die dagen—zal niet anders dan er bij kunnen winnen.—Dat is mijn wensch; wordt die vervuld, dan zie ik mijn doel bereikt.

In Visschers Roemer.Wij zetten onze wandeling voort, en, op den Eersten November van ’t jaar 1623 het Damrak ten einde gekomen zijnde, slaan wij rechtsom, de „Uiterste” of „Nieuwe Brug” over. De nieuwe huisjes, die hier de zware (voor vijf jaren weggebroken) Sint-Olofspoort vervangen, aan de rechterzijde latende, vervolgen wij onzen weg langs de kaai, die, onder den naam van „Houttuinen,” zich uitstrekt langs het IJ. Aan den „Schreiers-hoek” en „-toren” gekomen, houden wij altijd rechts en volgen de kaai,met groene boomen beplant, langs de gracht, die voorheen de „Uiterste” of „Stedegraft” geheeten werd. Zij heeft dien naam echter afgelegd, sedert het buitendijksch land aan de overzijde meer en meer betimmerd werd, en de kaai wordt nu, naar de vaartuigen, tot wier gewone ligplaats zij verstrekt, de „Geldersche Kaai” genoemd. De overzijde, vroeger de timmerwerf van de vloot, is gedurende de laatste vijf-en-twintig jaren dicht met huizen bezet en met straten en stegen doorsneden. Geen anderen toegang heeft zij vooralsnog met de eigenlijke stad, dan door de kleine Waterpoort, over de brug van dien zelfden naam, die wij voor ons zien. Maar zoover reikt onze wandeling niet. Wij staan stil voor eene woning, die, even voorbij Schreiershoek, zich door hoogte, breedte en bouworde voordeelig van de belendende huizen onderscheidt. De hooge voorgevel is van roode baksteenen opgebouwd, smaakvol afgewisseld met gele tufsteenen en, waren wij hier slechts eene maand vroeger gekomen, wij zouden dien geheel verscholen zien achter de groene en breede wingerdbladeren; slechts enkele en thans verdorde zijn er van overgebleven aan de ranken, die, oprijzende uit den houten koker, binnen welken de stam vervat en tegen schade beveiligd is, zich op de hoogte der eerste verdieping naar alle zijden uitbreiden, en, zich om en langs de vierkante kruisramen heenslingerende, in ’t najaar de bewoonsters der bovenkamers op het plukken van hare gouden trossen schijnen te noodigen11.Het onderhuis is geheel bekleed met een houten beschot: fraaie houten pilasters rijzen aan weerszijden van de deur en tusschen de vensters, en torsen eene kroonlijst met keurig beeld- en snij- enlofwerk voorzien. Niet minder sierlijk gesneden is het lijstwerk, dat de ramen omvat, en keurig van uitvoering is het beeldje, dat, boven de deur prijkende, eenvisschervertoont, doch blijkbaar niet een van de gewone soort; althans uit het schepnet, dat hij, omgekeerd, in de linkerhand houdt, stort hij geen visschen, maar muntspeciën in een open koffer uit, en zijn vischwant ligt, aan denzelfden kant, heengeworpen over balen, vaten en koopmansboeken; terwijl, rechts van hem, allerlei zinnebeelden van kunst en wetenschap op elkander zijn gestapeld en hij met de rechterhand eenroemeromhoog heft. Dit fraaie beeldhouwwerk, evenals het geheele onderhuis, door een groene luifel beschut, zinspeelt op den naam des laatsten bewoners, en kondigt ons aan, dat wij, wanneer wij langs de drie blauwe stoepsteenen de deur zijn binnengetreden, ons bevindenin ’t saligh Roemers huys,Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesletenVan Schilders, Kunstenaers, van Sangers en Poëten.Ik zeg het „saligh Roemers-huys;” want de man, die zijn naam aldus in den vorm van eenrebusboven zijne deur heeft laten beitelen, Roemer Visscher, is niet meer: voor drie jaren is hij, tot smart van allen, die hem kenden, overleden.Maar het is niet in het huis des rouws, dat ik u thans wil inleiden: integendeel, de rouw is geweken en alles kondigt vreugd en vroolijkheid aan. Voor de stoep prijkt eene eerepoort van sparretakken, hulst en nimmerdor, bestoken met oranje-appels en vlaggen van papier en klatergoud, en saamgebonden met veelkleurige linten: en van die eerepoort hangt in ’t midden eene sierlijke kroon af, waar, al moge het welriekende gebloemte der Junimaand er aan ontbreken, toch geen bontgekleurde bloemen falen, uit gaas, wit papier en andere stof op ’t kunstigst vervaardigd. Festoenen en vlaggedoek zijn om de deur geslingerd, die openstaat en ons het gangportaal doet zien, waar twee gouden naamcijfers, in een wit ovaal, ons tegenblinken. De straat, aan weerszijden is (nietzwartgelijk men in de 19eeeuw zal zeggen, als eene afschuwelijke mode de mannelijke sekse bijna uitsluitend in effen donkere kleederdracht zal gestoken hebben, maar)bontvan menschen: net gekleede buurkinderen, met blozende wangetjes, staan gereed, het Bruidspaar, als ’t van ’t kantoor van Huwelijkszaken terug zal keeren, met loovertjes, suikererwten enspeculatiete bestrooien; want de Bruid, die verwacht wordt, is de jongste dochter uit den huize, is Maria Tesselschade, Roemer Visschers dochter.Al behooren wij niet tot de genoodigden, en al is het nu een dag, waarop zelfs de gulheid van den „ronden Roemer,” die aan elken beschaafden bezoeker een welwillend onthaal waarborgde, geene anderen, dan die tot het feest behoorden, zou hebben kunnen toelaten, wij maken gebruik van den tooverstaf der verbeelding, die elken toegang voor ons opensluit en niet gedoogt, dat er iets voor ons verborgen blijve: wij treden de lange gang ten einde en eeneachterkamer binnen, waar reeds een aanzienlijk deel der gasten vergaderd is en de komst van het Bruidspaar verbeidt.Wij zullen met die gasten, althans met velen onder hen, nader kennis maken: maar vooraf willen wij een blik om ons heen slaan.Reeds in gewone dagen levert de kamer bijzonderheden genoeg op, om ons eenige uren met het beschouwen daarvan bezig te houden. Ik spreek niet alleen van de roode gordijnen van kostbaar kroonsaai, die voor de langwerpige boogvensters hangen, met kleine in lood gevatte, rijk beschilderde ruiten: van de fraai gebeeldhouwde kolommen, die de hooge schouw steunen, boven welke een keurig fruitstuk van Adriaan Van Utrecht prijkt: noch van de sakredaanhouten glazenkast met keurig porselein; meer nog dan een en ander verdient dit trezoor uwe opmerking, waarop fijne roemers prijken, door de kunstvaardige handen der dochters van den huize op ’t bevalligst gesneden en met opschriften versierd: en die beeldjes en vruchten, door haar uit was geboetseerd: en, aan den wand, dat borduurwerk inebbenhoutenlijsten, en die teekeningen of schoonschriften, waarmede zij vroeger haren vader op menigen geboortedag hadden verjaard. Ook het afbeeldsel van den vader prijkt er; dat rustig en krachtvol wezen, waar goedhartigheid en schalksch vernuft op zijn vermengd: en naast het zijne hangen de afbeeldsels van zijne vrienden, en herkent men het diep gegroefde gelaat van den geleerden vriend en medestrijder van Willem I, Dirk Volkertsz Coornhert, en de fijne aristocratische trekken van den classiek-gevormden koopman, Hendrik Laurenszoon Spieghel.—Maar voor dat alles en nog meer, dat de pronkzaal bevat, wij hebben er thans geen oog voor; want deze dag is, als wij reeds zeiden, een buitengewone: de zwart en wit geruite marmeren vloer is bestrooid met loovertjes en winterbloempjes, acht festoenen van groen en gebloemte zijn met het eene einde vastgemaakt aan krammen, in de bovenhoeken van het vertrek, en aan het midden van elke bovenlijst geslagen, terwijl de andere einden zich vereenigen aan een knop, op korten afstand van den wand in de zoldering bevestigd: en van dien knop hangt, vlak tegenover den schoorsteen en voor den grooten Venetiaanschen spiegel met kristallijnen rand, een zware kroon van goud en gebloemte, met zijden linten doorstrikt, boven eene kleine verhevenheid, waarop, in een prachtig getooiden armstoel, de Bruid „te pronk” zal zitten—gelijk de gewone uitdrukking luidt.—Nemen wij de gelegenheid waar, om, zoolang die „bruidstroon” nog ledig blijft, het oog te slaan op de aanwezige gasten, die de komst der nieuwgetrouwden verbeiden, en aan welke inmiddels, door net getooide Juffers, speelnooten der Bruid, hippocras en hylikmaker12wordt aangeboden.Bont en gemengd is doorgaans toch het gezelschap, wanneer, gelijk ten deze het geval is, Bruid en Bruidegom in verschillende plaatsen te huis behooren, en zonder dat de wederzijdsche familiënmet elkander in betrekking staan. Maar bont vooral en gemengd zou in elk geval het gezelschap op het feest van eene der dochters van Roemer geweest zijn, ten gevolge van de uiteenloopende soort harer kennissen. Het huis van Roemer toch was vanouds eene soort van vrij territoir, waar ieder, welke ook zijne politieke of godsdienstige denkwijze was, welkom werd geheeten, en alleen zij uitgesloten, die zichzelven en anderen tot last en verveling waren. Roemer Visscher toch en de zijnen waren aan de leer hunner vaderen getrouw gebleven, maar daarom had hij zich niet, na den omkeer van zaken, zooals velen onder zijne geloofsgenooten, teruggetrokken uit den omgang met hen, die anders dachten als hij. Hij was een veel te groot minnaar van de fraaie letteren zoowel als van het beoefenen en opbouwen der moedertaal, en bovendien van te gezelligen aard, om, waar het lieden betrof, wier wetenschappelijke richting met de zijne overeenstemde, of wier tegenwoordigheid zout en leven aan het onderhoud gaf, die, in één woord, gereed waren met hem (om de taal zijner eeuw te spreken) offers aan Apollo en de Muzen te brengen, af te vragen of zij tot de Oude Geuzen of tot de Pausgezinden behoorden. Daarom ontbraken thans ook genen zoomin als dezen, nu het er op aan kwam, debruidstranenzijner geliefde dochter te komen—drogen, had ik haast gezegd; ik meen—opdrinken. Zie maar dien krassen zes-en-zeventiger, met zijn doordringenden blik, zijn scherpgeteekenden neus en kortaf gebiedenden toon, die daar in gindschen hoek een roemer hippocras aanneemt, hem door een bekoorlijk blond maagdelijn aangeboden: dat is de eerste openlijke verdediger van het stelsel, waarvan het uitvoeren hem voor vijf jaren zijne plaats in de vroedschap en aan ’s Lands Advocaat het hoofd gekost heeft—Cornelis Pieterszoon Hooft, oud-geus, rederijker, maar vooral Amsterdammer in zijn hart: en de man met wien hij zich onderhoudt is—zijn gewaad, hoe deftig, ja stemmig, zou ’t ons niet verraden—een Roomsch-Katholiek Priester;—maar die Priester is Jan Albert Ban, tevens rechtsgeleerde, en bovendien—wat hem hier zoo welkom wezen doet—wijdberoemdmusicus; een man, die, als Vondel van hem zingt,In ’t barnen van den twistEn stryt van ongelijcke klanckenOns hooren laet den lieven paisDer Engelen in Godts pallais.Een ander Roomschgezinde, de Haagsche Advocaat Gysbert Corneliszoon Plemp, staat wat verder, in levendig gesprek gewikkeld met de schoone en lieftallige kasteleines van Muiden, Christina Van Erp: en zij herinnert hem, hoe hij ook hare bruiloft met den Drossaard bijgewoond en met een gedicht heeft opgeluisterd: jammer maar, denkt zij er bij, dat het in ’t Latijn was. Ook de Drossaard zelf bevindt zich in de nabijheid en ook hij drukt de hand aan een Katholiek, den Advocaat Vechters, zoo beroemd als taalvorscher en om zijne rijke boekverzameling. In dien anderen hoek wedijvertDr. Samuel Coster, de reeds bedaagde Academist, met den jongen en vroolijken Daniël Mostert—die in ’t vorige jaar tot Secretaris der stad is aangesteld, en wiens kittelend vernuft aan den naam beantwoordt dien hij draagt—wie ’t meest de Juffers, die om hem staan, door kwinkslagen en kluchtige gezegden een lachje afpersen, ja nu en dan een blos op de wangen zal jagen.Zeer verschillend, wat maatschappelijken toestand, rang en betrekking aangaat, zijn de twee personen, die daar in een levendig gesprek gewikkeld zijn: de een, met dat geestig en levendig oog, met die innemende gelaatstrekken en dien zwier in houding en gebaren, die den man der meest verfijnde beschaving kenmerkt, heeft op veertigjarigen leeftijd reeds eene schitterende loopbaan gehad, en reeds Oost-Indië als Gouverneur-Generaal bestuurd; de andere, iets jonger dan hij, met een thans eenigszins bleek en ziekelijk voorkomen, dat zijne fonkelende adelaarsoogen des te meer doet uitkomen, is eenvoudig een welgesteld winkelier in de Warmoesstraat;—maar toch zijn Laurens Reael en Joost Van den Vondel vrienden; ja broeders, vereenigd door gelijkheid van smaak en gemeenschappelijken taal- en letterarbeid. Hun beider reeds bejaarde vriend, de koopman en kunstmeceen Laurens Baeck, voegt zich bij hen: hij heeft zijne hofstede Schey-Beeck in de Beverwijk verlaten, om met zijne bekwame zoons Justus en Jacob en zijne bevallige dochters Katharina en Debora het trouwfeest der pupil van hun vriend Hooft te komen bijwonen.Nevens Jacob Baeck bemerkt gij diens boezemvriend, den drie-en-twintigjarigen Willem Van den Vondel, met wien hij redeneert over een voornemen, dat zij hebben opgevat, om te zamen het klassieke land der kunst, het schoone Italië te gaan bezoeken. Met zeldzame gaven des verstands en des harten toegerust, is Willem Van den Vondel steeds de lust en de vreugd geweest, eerst van zijns vaders huis en later van allen, die hem kenden, maar vooral is hij de lieveling van zijn ouderen broeder, die, zij het ook al te nederig, aan al wie ’t hooren wil verklaart, „dat Willem hem verre overtreft.” De zooveel belovende jongeling zal die reize naar ’t verre Schiereiland doen; maar helaas! om nimmer in zijn vaderland terug te keeren.Doch wie is die andere jongeling, slechts weinig ouder dan pas genoemden en die, meer dan zij, ja, meer dan vele mannen van jaren en gezag, hier de aandacht der aanwezigen en niet het minst die der jufferschap tot zich trekt? Zijne rijke en hoofsche kleedij is naar den allerlaatsten smaak, doch wordt met zooveel gemak gedragen, dat men terstond den man herkent, die zich zwierig kleedt, omdat zijn stand het medebrengt en niet, omdat hem zijn snijder aldus heeft opgeschikt. Zijn bruin gelaat kan wel niet schoon genoemd worden, doch het tintelt van geest en leven: en in stem, in spraak, in manieren spreidt hij dat bevallige, dat innemende, dat echt hoffelijke ten toon, ’t welk noch goud, noch hooge betrekkingen, noch al de moeite, die men aanwendt, kunnen verschaffen aan hem, wien het van natuur niet eigen is. Zie! daar spreekt hij metde juffers over Fransche modes, overmenuetten, pavanesensarabandes, terwijl Debora Baeck aan eene van hare kaartjes13ronduit verklaart, nooit een danser te hebben gehad, die netter passen maakte en beter in de maat bleef; of wel, hij redeneert over muziek, en meester Dirk Swelinck, de wijdberoemde organist, vertelt overluid, dat hij zelden bij een liefhebber meer kennis van het vak bij meer voortreffelijkheid van uitvoering gevonden heeft. Maar daar komt ’s Legers Opperwachtmeester Wijts, een der helden uit den vrijheidsoorlog en der bekwaamste krijgskundigen uit zijn tijd, onzen jongeling in ’t gemoet, drukt hem de hand en doet hem een paar vragen aangaande ’t beleg van Bergen-op-Zoom: en de ander antwoordt daarop, zonder zich te bedenken, met een zaakkennis, die, aan wie hem niet kennen, al licht zou doen gelooven, dat hij een krijgsman is van beroep. Intusschen acht de grijze Burgemeester De Vlaming van Oudshoorn het de moeite wel waard, van de gelegenheid gebruik te maken, die zich voordoet, om een woordje over staatkunde te wisselen. Hij treedt naar onzen jonkman toe, en, hem met meer eerbiedigheid aansprekende dan men in iemand van zijn stand en achtbaarheid tegenover een jongen spring-in-’t-veld verwachten zou, veroorlooft hij zich een paar „bescheiden vragen” aangaande het vermoedelijk doel der zending, die de Heer Gramaye vanwege Keizer Ferdinand bij de Heeren Staten volbrengen komt. Op zedigen toon, maar zonder aarzeling, geeft de jongeling de verlangde inlichtingen, ja treedt daarbij in bijzonderheden, die genoeg bewijzen, dat hij aan een goed geheugen een helder doorzicht paart en den sluier weet op te lichten, waaronder de diplomatie haar geheimen zoekt te verbergen;—nauwelijks heeft hij aan de weetgierigheid van den Burgemeester voldaan of Plemp klampt hem aan boord, om over een paar onlangs verschenen emendaties op Virgilius te spreken en Pieter Corneliszoon Hooft, zijn slag waarnemende, duwt hem een dichtgevouwen papier in de hand en bijt hem in ’t oor: „ziehier het sonnet, waar ik u over gesproken heb. Wees zoo goed het eens in te zien en te betuttelen14waar ’t noodig zijn mocht.”De jongeling, die evengoed in de dans-, muziek-, krijgs- en staatkunst te huis is als in de oude en nieuwe letteren, die in vlugheid van vernuft, schranderheid van oordeel, blijmoedigheid van geest en voortreffelijkheid van inborst voor geen der hier aanwezigen onderdoet, en die eenmaal als geheimschrijver van drie vorsten uit het huis van Oranje en niet minder als kernachtig dichter zich een beroemden naam zal weten te verschaffen, is de Hagenaar Constantijn Huyghens.Was het wonder, dat hij de hofstad verlaten had om het bruiloftsfeest van Tesselschade te komen vieren? Reeds voor een jaar of vijf had hij de kennis met Roemers dochter op ’t Huis te Muiden gemaakt en tusschen hen was eene vriendschap ontstaan, gelijkmen zelden tusschen lieden van verschillende kunne aantreft, en die hun geheele leven duren zou. Hiervan getuigde o. a. het gedichtje, dat hij aan de gezusters geschreven had, in dank voorsuikerpeen.Gesonde peen,Ik vatt’ de reênVan uw geschenck:’t Is met een wenckSmaecklijk bewezen;De wortel soet,De vrucht moet goetEn heilsaem wezen.Op eer en deughdStond d’ eerste vreughdVan ons vergaeren:Al wat der jaerenKnoop en gespannTot noch daer vanHeeft uytgegevenEn bij ons levenUytgeven moet,Sal goed en soetEn heylsaem wesen.Vriend’lick paar Weesen,Dit is ’t beduydVan mijn besluytUyt uwe gaven:Daer ick begravenEn ghy tot stoffSult wederkeeren,Sal deze lofOns graf vereeren,Hier light C. H.En TesselschaEn Anna, d’ eerste.Die elck om ’t seersteMet schrift en praet,Met wensch en daed,Haer vriendschap sloten:Vriendschap gesprotenUit grond en reênAls suycker-peen.Reeds vroeger, bij den dood van haren vader, had hij aan het „vriendelijk paar Weesen” een aandoenlijken troostbrief in verzen geschreven, haar bemoedigende met het denkbeeld, dat Hooft haar voortaan tot een voogd en tweeden vader verstrekken zou: en nu een jaar geleden schreef hij uit Londen, waar hij zich bevond als Gezantschaps-Secretaris, een anderen berijmden brief aan ’t waardige drietal, zijn vurig verlangen uitdrukkende om hen terug te zien.Hoe weinig het echter gefaald had, of hij zou door het slechte weer verhinderd zijn geweest de reis naar Amsterdam te ondernemen, blijkt uit de volgende dichtregelen, die Tesselschade weinige dagen geleden van hem ontvangen had:Tesselschade,Die uw gadeNiet te spade,Niet te vroeghHebt gevondenEn verbondenVan de wonden,Die hij droegh,Wees te vredenMet de reden,Die my hedenSeggen doet:Bruiloftslusten,Laet my rusten,Daar ick rust enRusten moet.Stuersche buyen,Die zich ruyenTegen ’t Zuyen,Tegen ’t West,Hoor ik schreeuwenDoor het sneeuwen:Zomer-spreeuwenHoudt uw nest............Had de Son enLucht begonnenWeer te gonnen’t Soet gelachVan de haegenEn te traegen’t Wintrigh jaeghenVan den dagh,’k Waer geschapenVreughd te rapenVan ’t begaepenVan uw feest,En het pronckenVan uw lonckenTot ontfonckenVan mijn geest.Maar ’t benijdenDeser tijdenMoet ik lijdenMet geduld;’t Zijn geen trekenOm te wrekenWoord te brekenSonder schuld.Oh! hoe vliegh ik,Hoe bedriegh ick,Hoe beliegh ick,Mijn gemoed!’k Wil der wesen,Alle vreesenSijn geresenUyt mijn bloed.Swackheit, lijden,Winter-tijden,Die ick mijdden,Staet van kant.Wech vervarenVoor het baeren15Van de baeren:’k Wil van land.Gae ick? Stae ick,16Neen ick? Ja ick:Emmers gae ik;Neen ick, noch.17Ja ick, meen ick.Weer versteen ick.18Gae ick? neen ick.Ja ick, toch.’t Bleef dusja, en het werd nog nader door een tweede brief bevestigd:Winter-dagen,Die de slagenVan de vlagenEn de machtVan de windenSchijnt te binden,Daar men in denHaeg op wacht.Sendt het raesenVan dit blaesenOver Maes enOver Schelt:Laat de VeerenVan de Meeren19t’ Mijner eerenOngequelt.Laat de schuerenOnser BuerenWat besuerenVan uw kouw,Laat se lipp’ enTanden klippenMet de slippenIn de schouw.20OnderwijlenSal ick ijlenAls de pijlenNa den Doel,21AfgezondenNa de grondenVan den Ponden-rijcken poel.22Zijn uw’ ooren23Niet te hoorenTot verhoorenVan mijn bee?Soud’ ick sollenTegen ’t rollen,Tegen ’t grollenVan de zee.’k Sal uw baerenEer ontvaeren,Danck het SparenEn het pad,Dat den wagenEn de slagenKan verdragenVan het rad.24Maar, nu wij de gasten, immers de voornaamste onder hen, in oogenschouw hebben genomen, wordt het tijd een blik te slaan op haar, die eigenlijk in de eerste plaats onze belangstelling, althans onzen groet verdiend had, op haar, die den last der bezorging van het feest op zich genomen heeft, en ons tot harent ontvangt, op Anna Roemers.Tien jaren ouder dan Tesselschade en dus reeds in haar veertigste jaar getreden, is Anna nog immer in de volle pracht eener schoonheid, die van geen verwelken schijnt te weten, nog immerDe roem van haren tijd, waar Roemer op mocht roemen.Vreemd moge het schijnen, dat eene zoo bevallige, zoo rijk begaafde vrouw tot heden ongehuwd gebleven is; maar, zoo zij nog geen plichten als echtgenoote te volbrengen heeft, het is alleen daaraan toe te schrijven, dat tot heden andere plichten op haar rustten: eerst de verpleging van haren vader en het bestier over diens huis: later, na zijn dood, de gehechtheid aan hare jongste zuster, bij wie zij eenmaal de rol eener moeder vervuld had en ook nu nog bleef vervullen, al was het kind voorlang opgegroeid tot maagd en nu reeds haar derde kruis nabij. Maar thans staat die zuster op het punt het ouderlijke huis voorgoed te verlaten en zich met haren gemaal elders neder te zetten: en thans heeft ook Anna begonnen te gevoelen, dat het niet goed is voor den mensch, alleen te zijn. Reeds is haar hart, weldra wordt ook hare hand weggeschonken aan den zoon uit een aanzienlijk Dordtsch geslacht, doch zelf in ’t Noorden van West-Friesland gevestigd; aan Dominicus Booth Van Wesel, wiens kennis zij te Alkmaar gemaakt had, toen zij aldaar met hare zuster het gezin van diens verloofde bezoekenging, en zij zal hem volgen om hem gelukkig te maken en, door geheel Nederland bij voortduring vereerd, nog als zestigjarige vrouw om hare zeldzame gaven en bevallig voorkomen en minzaamheid, den geleerden Puteanus te Leuven en diens gezin in verrukking te brengen en door hem als eene tiende Muze te worden afgeschilderd.Maar hoor!—een gedruisch ontstaat daar buiten: een geluid van vedels en fluiten klinkt van uit een zijvertrek, waar de muzikanten vereenigd zijn: al de gasten geraken in beweging, zien naar de deur en scharen zich rechts en links om den vrijen doortocht te laten aan het jeugdige paar, dat, vergezeld van zijne getuigen, teruggekeerd is van ’t Stadhuis en nu onder oorverdoovend gejuich der op straat verzamelde menigte,—een gejuich van uit de opperzaal straks beantwoord—de woning, en weldra ook de zaal is binnengetreden.„Ruim baan! ruim baan! Plaats voor de Bruid!” klinkt het van allerwegen: en Tesselschade begeeft zich naar den voor haar bereiden troon; maar haar oog zoekt en ziet onder die schare hare zuster Anna alleen, en de beide zusters vallen in elkanders armen, terwijl warme tranen uit beider oogen elkanders gelaat bevochtigen. Eene eerbiedige stilte vervangt het gedruisch en met aandoening staren de omstanders op de zoo innig verknochte—nu welhaast voor lang gescheiden—zusters. Nu vermant zich echter de Bruid en, na nog een hartelijken kus aan hare beminde Anna, laat zij zich door haren Bruigom verder leiden en neemt plaats op den voor haar bestemden zetel. En wel verdient die thans zijn naam van „troon;” want geen koningin kon dien waardiger bekleeden dan zij van wie wij ’t nauwelijks durven beproeven, eene beschrijving te geven.Een hoog opstaand kanten mutsje, boven hetwelk een gouden kroontje, met paarlen omzet, zich verheft, omvat het hoog gekapte „goutdradich hayr” van Tesselschade: haar hals is door een drie dubbel geplooiden, breed uitstaanden kraag van kostbaar kant omvat; een blauw satijnen kleed met bonten rand omsluit hare rijke gestalte en laat, van voren open, een borstlap zien, die schittert van gesteenten en een onderkleed van gele zijde, op ’t rijkst met bloemen gestikt, waarop, van den gordel af, een gouden snoer nederhangt, van afstand tot afstand met paarlen geschakeld en aan welks einde een reukbal vastzit, van gouddraad gevlochten en met vonkelende robijnen, turkooizen en andere puik-juweelen bezet. Maar hoe fraai dit alles zij, het kan de schoonheid alleen opluisteren, niet verhoogen, van haar, die wij als Bruid begroeten. Bevallig, rank en toch krachtvol is hare gestalte: en de gezondheidsblos op het lelieblank gelaat getuigt, dat wij hier niet te doen hebben met eene dier loome, smachtende, verwende juffers, die den halven morgen in ’t bed verslapen, een groot gedeelte van den dag aan de kaptafel doorbrengen, en zoowel den zonnegloed als het minste tochtje vreezen: en evenmin met eene diersavantes, die, aan studeervertrek ofsalongekluisterd, de kamerkleur verkrijgen als een onmisbaar gevolg van een zittend leven; maar wel met eene zoodanige, die noch lucht noch zonnestralen schuwt en zelfs voor geenlichaamsoefeningen terugdeinst. En inderdaad, niet alleen is Roemers jongste dochter ervaren in muziek en schilderkunst, niet alleen weet zij op ’t glas te snijden, in was te boetseeren en met de borduurnaald te tooveren, niet alleen weet zij Tasso’s „Verlost Jeruzalem” in Nederduitsche verzen te vertalen, maar ook heeft zij, toen nog haar vader in „de Kreeft” over den Stads Singel woonde, waar in den tuin een groote en diepe vijver was, met hare zusters het zwemmen geleerd. Wakkerheid en levenslust stralen dan ook af van haar gelaat en schitteren ons tegen uit die groote bruine oogen, die spiegels der reinste en edelste ziel: parelwitte tanden glinsteren tusschen het koraal van fijngevormde lippen: het breede voorhoofd duidt een kloek en veel omvattend verstand—de kleine, recht nedervallende Grieksche neus vastheid van karakter aan: de fraaie handen, aan de polsen met een zesdubbel parelsnoer omgeven, zijn blank en zacht als fluweel: maar zoo ’t u gebeuren mag, ze te drukken, zult gij voelen, dat in die poezele vingers kracht verborgen is en dat de vereelte toppen gewoon zijn, vedelsnaar en graveerstift te hanteeren.Ter rechter-en linkerzijde van de Bruid, op lagere zetels, doch mede op den „troon” wordt de plaats van de Bruid, die anders aan de wederzijdsche moeders zou toekomen, bij ontstentenis van dezen, rechts bekleed door ’s Bruigoms zuster, links door de tweede van Roemers dochters, Truitje, sedert eenige jaren de gade van Nikolaas Van Buyl. Misschien is het aan dat huwelijk te wijten—waardoor zij vroeg reeds haars vaders huis verliet, en, aan huiszorg gebonden, minder dan hare zusters den omgang bleef aanhouden met doorluchte en beroemde vernuften—dat Truitje Roemers, twee eeuwen lang, geheel vergeten zal blijven bij de geschiedschrijvers, die zoo luid van Anna en Tesselschade zullen gewagen. Maarwijvergeten haar niet, de derde in een trits bevalligheden: wij kennen ook haar een billijk deel toe van den roem, die hare zusters omstraalt.De gasten zijn achtereenvolgens de Bruid komen begroeten: daar nadert ook Huyghens, en, hield de etiquette Tesselschade niet aan haren troon gebonden, zij ware hem te gemoet gesneld, om hem de hand te drukken. Dit laatste veroorlooft zij zich echter, terwijl zij hem voor zijn heilwensch dank zegt, hem hare blijdschap te kennen geeft, dat hij toch de winterstormen getart heeft, en zij hem haren Bruigom voorstelt, die nevens haar staat. Ja! den Bruigom!—hebben wij dien vergeten, den held van ’t feest, dat wij van hem geen gewag maakten?—Neen gewis niet; maar juist, omdat hij de held van ’t feest is, kan hij het ons niet ten kwade duiden, zoo wij hem, evenals zulks met de theaterhelden doorgaans het geval is, na de mindere personages laten optreden.Wie is hij nu, de man, aan wien Tesselschade de voorkeur heeft geschonken boven zoovele kloeke vernuften als naar hare hand dongen? Zeker een geleerde, een toonkunstenaar, een dichter, een staatsman, of in allen gevalle iemand, die zich op deze of gene wijze heeft beroemd gemaakt?De Bruigom is niets van dat alles: hij is eenvoudig een zeeofficier, die, wanneer hij aan wal is, te Alkmaar woont en antwoord geeft op den (alles behalve dichterlijk klinkenden) naam van Allart Janszoon Crombalgh.Maar—dat mogen wij niet ontkennen—hij is een flinke, kloeke borst, wiens blauwe oogen helder blinken in dat echt mannelijk gelaat, door de zon der keerkringen gebronst; en is Tesselschade dichteres, zangster en geleerde, voor alles is zij vrouw, en ’t is als vrouw, dat zij de liefde van haren Allart of Adelaar, gelijk zij hem soms bij letterkeer noemt, gewonnen en hem de hare geschonken heeft.De liefde—Vondel zal het ons leeren in het bruiloftsdicht, dat hij bij zich heeft—is in de kerk begonnen:Een wijl hiernae geviel ’t, toen deser dochtren geestKerckpleghtigh besigh was te vieren ’t jaerlyx feestMet lofsangh en gebeên, gelijckse ’t noô versloffen,Dat d’ een van ’t kerckgewelf werd in de borst getroffen, enz.Allart had Tesseltje hooren zingen: eerst hare zuivere tot het hart dringende stem, vervolgens hare bekoorlijkheden, hadden hem verrukt, en wederkeerig had zij bij den eersten aanblik in hem den man gezien, die haar tot gade beschikt was. Weldra was de zaak beklonken en tusschen hen bepaald, dat het huwelijk zou voortgang hebben, zoodra hij zou terug zijn gekeerd van een zeetocht, dien hij nog te ondernemen had.Vóór zijn vertrek was hij op ’t Muiderslot genoodigd, waar zich de gezusters, aan welke Hooft, gelijk gezegd is, tot vader, of, beter, tot broeder verstrekte, zich veelal onthielden. Ook Vondel was er te gast, en het aanstaande vertrek van den verliefden zeeman gaf hem de navolgende regels in de pen, waarbij hij Hooft onder den naam van den zanglustigen veldgod Pan, den vrijer onder dien van Dafnis, diens liefste onder dien van eene Sirene, wier verleidend gezang allen tot zich lokt, en zichzelven als Tityr voorstelde. Het luidde aldus:De vleiende Sireen,Wiens zang en vedelsnaerVerlockten naar beneênDen fieren Adelaer,25Die met zijn wiecken hingh,Daer zangh zijn hart bekneepEn hy verslingert vinghHet keeltjen, dat hem greep.Dees op den oever stondt,Daer Glaukus,26heet van Min,Kust en herkust den montDer blancke stroomgodin,Die in zijn armen glijdtEn zijght van liever leêEn voegt haer bruytschat by ’tRijck hylixgoet der zee.Pan zanghziek, op dat pas,Had Dafnis laten noôn,En, om te luystren, wasHier Tityr mede ontboôn.Zij huckte neêr in ’t groenDaer van een hoogen walHet oogh moght ronde doenEn weien overal.Toen sloegh haer keel geluyt;Help Godt, wat zoeter zangh!Zwijgh Tityrs boerefluit.Wat was hier een gedranghVan ooren, om dit liedtTe vangen in de lucht.Toen tot haar neighde riet,Geboomte en vogelvlught.Ach Dafnis, zong zy, ach!Wat gaet u, Ridder, aen?Zoo dit uw moeder zagh,Het hair te bergh zou staen.Is ’t groen, daer ghy op staet,Dan ’t engh en veel te naeuw,Dat ghy ’t verwislen gaetVoor ’t wilde en woeste blaeuw?Versin eer ghy begint,En hou uw oude buurt,Denckt wat de zee verslindt,Als zij den afgrond schuurt,En gaept den Hemel toe,En grimt dat alle GoônOptrecken, zorgens moê,Hun aangevochten troon.Wat is hy overstout,Die leven, lijf en zielDen lichten wint betroutOp ’t drijven van een kiel.En stuyft ter weerelt uyt,Daer loot geen gronden peilt,Daer ’t schip aen starren stuytEn door de klippen zeilt.Noch hiel ick u te goe,Indien uw trotse moedtNiet reede een oorloogh toe,O gruwel! op den vloedt,Op grondeloosen plasTe vechten, lijf aen lijf:Die bodem is van glas,O Reuzen, treet niet stijf.Te lande is vlughtens troost,De wanhoop drijft in ’t schuym,Och! of ghy ’t land verkoost.Ghy schudt helmet en pluym,En slaet mijn beden af,Wel aen ick neem geduldt,Ghy kiest dan ’t levent grafEn ick blijf zonder schuldt.Ten minste denck aen my,Wanneer ghy, als Jupijn,Zult op uw vyants zyMet blixems woênde zijnEn Hollants zeebanierMet hoop van zege voênEn braken vlam en vierIn ’s Konings galioen.Dan denck eens, hoe ’t mij kruyst,Als ghy den Spanjaart tart,Met ’t slaghswaert in de vuyst,En duy ’t zorgvuldigh hartVan uw Sireen dien raedtAltijt ten beste na:Mits ick uw schipbreuk haet,Niet naar uw leven sta27.In de afwachting van den dag, waarop de vertrokken zeeman zou terugkomen, waren de zusters haars vaders huis blijven bewonen. Wij leeren dit o. a. uit het slot van een gedicht tot lof der zeevaart, ’t welk Vondel omtrent dien tijd zijn vriend Reael had toegezongen.Wy naecken Schreyers hoek, daar lieffelijck en blyEen waterlandsche Rey, de juffertjens van ’t Y,Met ongehuyfde pruyck en kletten28geestigh singen,En nae den toon van sangh en spel hun treden dwingen.Twee Diertjens29in dien hoop aenminnigh groeten ons,D’ een volght met soet musyck des anders violons.En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster.Laet vallen ’t ancker, stryck, hier is de vloed geruster.Hier gaet noch eb noch ty, hier hoort men geen geruys.Hier open ick mijn reis in ’t saligh Roemers huys.... enz.Na behouden reis en terugkeer der Bruid,toen de faem op Schreyers toren satEn bruyloft bruyloft blies, en noodighde al de stadOp ’t schaterend bancket, beluyt wet soete rijmen,Van ’t Noorden Krombalck quam, verzelschapt met God Hymen.Wij keeren, na deze uitweiding, tot onze beschouwing terug. Tesselschade stelt—als wij gezien hebben—haren Bruigom voor aan Huyghens, die hem nog niet heeft aangetroffen, en hem in heusche bewoordingen gelukwenscht. De zeeman beantwoordt met beleefdheid den handdruk en den groet des hovelings; maar toch vertoont zich in zijn wedergroet niet die ongedwongenheid, die hem anders zoo eigen is: ’t is of hij zich tegenover Huyghens minder dan tegenover elk ander op zijn gemak gevoelt. En geen wonder: hij weet, hoe hoogen prijs zijn liefste op het verkeer met Huyghens stelt: hij weet, welke innige gemeenzaamheid tusschen hen beiden bestaat, en, al heeft hij de overtuiging, dat het gevoel van Tesselschade voor den jongen hoveling niet dan zuivere, zusterlijke vriendschap is, en niets te kort doet aan hare liefde voor hem, Crombalgh, geen Bruigom bestaat er, die zich bijzonder voelt aangetrokken tot den man, die reeds vóór hem met zijne Bruid op een gemeenzamen voet verkeerde, die beweren kan ouder brieven te hebben dan hij, en die haar zijn „kameraadje” noemt—al is ’t dan maar om ’t rijm.Maar Huyghens let niet op die koelheid van Allart. Hij heeft het oog gewend naar de blonde, met lauweren gekapte speelnoot der Bruid, de bevallige Machteld Van Kampen, die op dit oogenblik tot hem genaderd is en hem op een zilveren schenkblad de bruidstranen aanbiedt—en zie! een hooge blos kleurt zijn gelaat, terwijl hij eender ingeschonken roemers tot zich neemt. Maar zijne tegenwoordigheid van geest verlaat hem niet. „Schoone juffer,” zegt hij, met eene hoffelijke buiging, „geboden mij plicht en genegenheid niet, dezen roemer aan Bruid en Bruigom te brengen, ik had hem reeds ter eere eener zoo bevallige Hébé geledigd.”—En nu is het de beurt der juffer te blozen en zich met eenige verlegenheid terug te trekken: verlegenheid, ja; want er bevindt zich onder de aanwezigen een jongeling, die haar met de oogen volgt, en wiens hart reeds in bitterheid ontstoken is tegen den Hagenaar, in wien hij een medeminnaar ziet.En nu, nu zou ik gaarne met u, waarde lezer! aan het Roemershuis verblijven om er de feestvermakelijkheden bij te wonen en mede aan te zitten aan het overvloedige banket en te luisteren naar de gesprekken der opgewekte dischgenooten, naar de muziek, achter tafel uitgevoerd, naar de liedjes, door de speelnoots gezongen, naar de bruiloftsdichten, door dichters en rijmers voorgedragen. Maar ik vrees, dat die gesprekken, hoezeer dan ook tusschen de uitstekendste vernuften gevoerd, veel van hun zout en aardigheid zouden missen voor u, die niet zijt ingewijd in de nieuwtjes van den dag, in al de bijzondere betrekkingen en omstandigheden van de sprekers, of zelfs in de taal van die eeuw. Ook om de geestige scherts kan alleen hij lachen, die haar verstaat, en ik vrees, dat het snarenspel, al streelt het de ooren der gasten als hemelval, in de uwe, die aan meer ingewikkelde muziek gewend zijt, te schraal zou klinken, ja dat zelfs de beurtzang van Francisca Duarte en Machteld Van Kampen u te eenvoudig zou voorkomen: maar vooral vrees ik, dat gij in slaap zoudt vallen bij de verzen, die men voor zal dragen; ’t moge der moeite waard zijn, Vondel te hooren: zijn feestdicht, hoe vol fraaie brokken en vernuftigen zwier, zou u te lang en te mythologisch voorkomen. Bovendien, wij zijn wandelaars en moeten weer verder voort: wij zullen dus het gezelschap vaarwel zeggen, terwijl ik u alleen, bij wijze van toegift, nog vertellen wil, wat het gevolg was van den indruk door de verschijning van de gelauwerde Machteld op Huyghens gemaakt. Hoezeer hij door hare bevalligheid, haar geestig onderhoud, haar zang en snarenspel getroffen werd, getuigt de brief, dien hij, kort na zijne terugkomst te ’s-Gravenhage, aan Tesselschade schreef:Aen joffrouwTesselschade Visschers.Nieuw-getrouwde.Teere leerlingh van de Trouw,Onlancks Maeghd, onlancks vrouw,30Tesselschade, die uw gadeHebt gevonden, niet te spade,Hebt verbonden, niet te vroegh,Van de wonden die hy droegh;Heeft u noch in ’t nieuwe levend’ Oude vriendschap niet begeven,Huyst gy noch in uw gedachtDie die huysingh, als gepacht,In uw vriend’lickheit besaten,Doe ghy, eenigh by de straten,Eenigh t’ huys, en om uw beddMet de eenigheit besett,Spotte met des jongens toortsen31Die u doch met sijner koortsenOnafbiddelijcken brandt’ Uwer beurten heeft vermant?Zijt ghy noch bedenckens machtigh,Hoe de Herten, heet en jachtig,Na de beeck te koelen gaen,Die de min ten doele staan?Leent my dry der toover-woorden,Die soo menigh oor bekoorden,Dry aen ’t schoone Lauren-Hooft32Dat het mijne van my rooft...Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder,Seght haer hoe een Haeghse Herder....Onbewogen voor de vonkVan soo menig’ minne-lonck....Endelick de fiere schichtenVan haer’ ongemeene lichtenHeeft onmogelick gesiend’ Overwonnen borst te bien....Na vervolgens aan Tesselschade al de dwaasheden te hebben geschetst, tot welke de liefde hem vervoerd had, roept hij hare hulp in; zij toch heeft hem met Machteld in kennis gebracht; zij is er de schuld van, dat hij verliefd is geworden en moet hem dus tot „soete voorspraak” zijn, en zoo de juffer weten wil, wie het is, die naar hare hand vraagt, tot haar zeggen: dat het iemand is, den meer bezadigden leeftijd genaderd;—terwijl hij haar verder dit afbeeldsel van zichzelven in den mond geeft:’t Welgevall van schoone ledenSchreef hem niemand toe met reden:Aen het bruynen van sijn huytKijkt de Haeghse Herder uyt;Maer hy dunckt sich selfs te blosenAls de morgenstondsche roosen,Zedert hy den wederslaghVan haer oogh in ’t sijne sagh.Soo verlicht der Sonnen-luysterAller wegen alle duyster,Soo is heel den Hemel schoonOm het bij-zijn van de Goôn.Overwicht van gulde schijvenDie ’t ter wereld al bedrijven,Meer als noodelycke MuntHeeft sijn ster hem niet vergunt;Weinigh maeyen, weinigh ploegen,Klein besitt in groot genoegen,En dat middelmaetigh veel,Zijn gevallen tot sijn deel.Maar sijn nieuwe Min-gedachten,Heele dagen, halve nachten,Zijn sijn schatten in ’t gemoed,Daer hy ryck af heeten moet.Voorraet van gegeten letterenOm geleerde t’ overschett’ren,Schuylt er weinigh in sijn hoofd,Waer het evenwel geklooft.’t Waer vol letteren te vinden,Letteren, die harten binden,Maer met hope van gena,Soete lettren M. V. K.Sterre-stocken aen te stellenOm de fackelen te tellen,Om de keerssen ga te slaen,Die het Hemel-holl begaenZijn gesifte wetenschappenDie sijn herssenen ontsnappen,En de geesten van sijn ooghWeygeren haer vier soo hoogh;Maer twee helderer PlanetenZijn de doelen van sijn wetenEn de sterren die hij schietHooger hemel kent hij niet.Stemme-streelingh, snaren-krabb’ling,Is een konstelicke brabb’lingh,Die sijn handen en sijn keelNiet en kennen als ten deel,Maer, al stinckt het eigen roemen,Laura33kan sijn keel niet noemen.Of sy staet er af en triltAls een Eicken rijs in ’t wild;Snaeren kan sijn hand niet raecken,Die wat Laura’s-achtig kraecken,Of sijn vingers gaender af,Als een viervoet naer een draf.Daer dan hand en keel vergaeren,Laura zeggen al de snaeren,Laura kort en Laura langhZijn de Noten van sijn sangh.Verr en versch geraepte Rijmen,Regeldicht aen een te lijmen,Hooger sweven als ’t geberghtIs sijn pen te veel geverght;Kruypen kan hy, gaan en springenEn gelijcks der aerde singen;’t Water dat de Rijmers maeckt,Heeft sijn lippen noyt genaeckt.Maer de wel gevoeghde giften,Die den Hemel door de siftenEn het keurlijck onderscheidVan een’ milde gierigheidOver haer beminde kuyvenNederwaarts heeft laten stuyven,Kittelen sijn aandacht nauw;’t Vliegen wordt hem wel soo gaeuwAls de best-gewieckte vliegers(Dat ’s Poëtelickste liegers)En sijn afgevlogen dichtRijst hem selven uyt ’t gesicht.Seght haer dan, hy heeft den segenVan de schoonheit niet gekregen,Noch de geestelicke gonstVan gesogen Letter-konst.Sterren kan hij niet beroemenVan de seven een te noemenOp de Noten is hy schorr,Op de Snaren vinger-dorr;Rijmens is hy onervaerenAls de Ploeger in de baeren,Als de Zeeman in de Terw,Als de blinden in de verw.Evenwel ’t bevalligh wesen’t Rijck, het ruym-gelettert wesen,’t Spelen dat by geen en lijckt,’t Singen dat maer ’t uwe wijckt,’t Rijmen dat hy self kan achtenHoudt hij all’ van uwe krachten,Kont ghy ’t schepsel van uw’ sinMin vereeren als uw Min?—Schijnt sy na de min te hoorenVatse vaster bij die ooren,Seght haer dan als Alard sei’,Doe sijn krachtiger gevleiPerste door de koele korstenVan uw overvrosen borstenEn uw Ys-lijck’ ongenaDede doijen in een Ja.Dese sijn de scherpste pijlenDie wy samen konnen vijlen;Soo haer dan de tegenstandVan een herder Hert vermant:Tesselscha, hoe sal ick ’t herden?Ghy, vergeefsche Tolck te werden,En, oh armen, ick! en ick,Proye van mijn eigen strick.Sullen niet mijn eigen schachtenMet de woeckerloon van krachtenKeeren op het brosse blootVan de schutter diese schoot?Oh! ick spel het langh te voren,Lieve Tolck! ick sal ’t besmooren,’k Heb geen’ Lauwer op de mutsTegen sulcken blixem-bluts.Wil ’s haer dan in bloed vermaecken?Ja sy;—’k sie de dood genaecken.Neen sy; ’t is geen Maeghden-deughd;Ja sy; ’t is onnoosel’ vreughd;Neen sy; ’t Mocht haer namaels rouwen;Ja sy; Droefheit kan verkouwen:Neen sy; ’k heb het niet verdient;Ja sy; om een liever’ vriend.Oey! daer waggelt mijn vermoeyen;Tesselscha, om tijd te spoeyen;Korte moeyt voor langh bediet,Vraeght haer of sy wil of niet.Tesselschade mag zich met dezen brief vermaakt hebben, zij vond waarschijnlijk zich in de wittebroodsweken minder opgewekt, diente beantwoorden, en wellicht begreep zij, dat haar Allart die briefwisseling met een jongen vrijer, al vrijdde die ook naar eene andere, minder noodig achten zou. Had zij geen geheimen voor haren man, zij had die evenmin voor Hooft: zij liet hem den brief lezen en droeg hem de taak op, dien uit haren naam te beantwoorden. Dat antwoord begon aldus:Koelte van AntwoordtOp Vuur en Vlamvan den HeerConstantyn Huigens,34vorderende van JoffrouwTesselscha Visschers, nieuwgehouwde met den HeerAlaard van Krombalgh34, voorspraek bij JoffrouwMachtelt van Kapnem35.Nuchtre montje, minnevastert36Hoe komt u vrouw Venus bastert37Dus geloopen in het hooftDat u teffens zijn ontrooftLoddertong en troeteltaalen,En ghy willigs in moet haalenOm voor u te houden ’t woordt.Woorden krachtig om bezweeren,Quaadt van buitene te leeren,Zijn noit opgezocht door myUit Armidaas boekeryNoit en heb ik neus gestekenIn de snoo bibliothekenVan Médé of Circe. TrekOm van vlees te maken spek38Had ik noit. En zoo mijn gorgel,Dien ghy prijst als waer ’t een orgel,Iet kolachtigs heeft geseit,’t Moest mij wesen aangeweidt39Vastaartje, beleefde baasje,Wil je nu juist op een aasjeWeegen, wat ik my mishad,Toen ik u te bruiloft hadAan des Ys en Aamstels zoomen?Zeg me, wie zoud’ darren40droomen,Wie zoud’ darren denken, datOogenvlam zoud’ konnen vatOp uw schootvrij borstjen vinden?Hebben niet als duistre kleurenMogen uwen huit gebeuren,Neemt daer inne geen verdrietKoop en zal dat breeken niet.Vaaken zagh ik ’t meisjen tastenNaa de karssen bruinst van basten.’t Heeft zoo wel verstandt daar ofAls de grootsten van het hof.Heb je niet te veel van duiten,Dat doet meenigh huwlijk stuiten.Maat in geldtkas luidt zoo welNiet, als maat in zangkappel.Wil je jaagen zulk een wiltje,Laat haar, door uw gulden briltje,Niet kleen zandt of ander gruisOf de schoonheit van een muis,Maar tot onder in den rijkenWelgespekten geldkist kijken:’k Wed u, dat dukaat en kroonStraalen als mijn bruiloftstroon.Laat van geene zeedigheidenU altoos zoo ver verleiden,Dat ghy minder zegt als ’t isDat waar ’t heele doelhuis mis.Maar wie plagh dus voor te stuivenAls ik doe: die zoek te schuivenVan my huwlijkmaakers lastEn ik hylikmaak al vast....Venus kint, de looze stookerBetren pijl in uwen kookerVinden kan, dan ik u zenAl en waar het maar uw pen,Vleidt ghy my om Alaards vleyen41’t Meeste zeid’ hy als hy zweegh.’t Vuur en moet hem zeer niet bijten,Die zoo luide brand kan krijten?42Door een keel, daar hette in haart43Wil geen stemme bovenwaart,Dacht ik, in ’t gelaat van dezenKunnen enkele oogen leezenWat in ’t hart geschreven staet.Alaards woordeloose praatjeMeest heeft uitgekipt het jaatje....Dat wat lager dan mijn kropLagh als in een yrendop.Evenwel ik kan niet zeggen,Dat gy ’t ook zoo aan moet leggen.Hachelijk waar zulk een raadt.Wat weet ik hoe zij ’t verstaat,Ieder eene moet men zoekenNaar haar aangezicht te doeken,Mislijk oft zy waar gesteltOp wat woorden voor haar geldt.Vastaartjen, hoe ’t zal gelukkenZoudt my konst zijn uit te drukken.Altijd is het vraagen vryEn het weigren staat er by.Zou ze zulk een storrem afslaan:Neen ze: ziet gh’ haar voor zoo straf aanJaa ze: zy gelooft te laauwNeen ze: Vastaart is te gaauw.Jaa ze: z’ heeft geen zin in zoenenNeen ze: Minnezon doet groenen.Jaa ze: z’ hangt haar moeder aan.Neen ze: dat kan overgaan.Jaa ze: z’ is te jong van jaaren.Jaa z’: hy heeft der daegen veel.Neen ze: ’t is het passe scheel.Zoetjes; toef wat, nog een woordtjenIk u bijten moet in ’t oortjen,Dat myn hoofjes rammelradSchoontjes schier vergeten had.Spreekje ’t meisjen blond van haarenPast vooral haar te verklaaren,Klaarder dan ghy ’t my bediedt,Vastaart, oft ghy ’t meent oft niet.De scherts, welke Hooft zich onder Tesselschades naam jegens Huyghens veroorloofd had, smaakte dezen laatste maar half; althans aan het slot van een ander gedichtje, ’t welk hij haar iets later zond, verzocht hij haar vriendelijk, er Hooft buiten te houden:TesselschaedjeKameraedje,Die dit praetjeUyt mijn hertEn van binnenUyt het spinnenVan mijn sinnenHebt ontwert,Hebt het, hout het,Sluyt, ontvouwt het,Siet, aenschouwt hetAls belooft,Maar, bewogenUyt medoogen,Sonder d’ oogenVan uw Hooft.Of hij nu bij de schoone Machtelt een blauwtje liep, dan of hij zich voorzichtig in tijds terugtrok, toen hij bemerkte, dat een ander in haar hart reeds de plaats had ingenomen, weet ik niet; zeker is het, dat hij, om van de zaak met eere af te komen, die later als eene grap behandelde, en boven zijn brief aan Tesselschade, eer die in ’t licht kwam, het woordJockplaatste.Wat de blonde Machtelt betreft, wel had ik gewenscht dit hoofdstuk te kunnen sluiten met de vermelding, hoe zij den man harer keuze huwde en eene gelukkige gade en moeder werd.—Maar helaas! het was anders beschikt: zij stierf toen de Mei in het land kwam, als verloofde: gelijk wij uit de navolgende aandoenlijke regels van Vondel leeren:De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk,O Maghtelt, toen zy u benyde ’t jeughdig blosen.Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck,Maar blancke lelie, och! in ’t midden van de roosen,Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen,Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop.Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen,’t Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.Aanteekening.Na het schrijven van dit hoofdstuk vond ik mijn vermoeden, dat als getuige bij Tesselschades huwelijk hare getrouwde zuster Truitje zou zijn opgetreden, bevestigd door het navolgende uittreksel uit het Puiboek, mij door mijnen geachten vriend, den Stads-archivaris Scheltema, medegedeeld:Puiboek No. 9.1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende, geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out 28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers, haar suster, op de Geldersche kai.(Get.) Allart Janszoon Crombalch.Tesselscha Roemers Visschers.Men kan uit dit voorbeeld wederom zien, hoe weinig men zich om de spelling der namen en om de rechte qualificatie bekommerde. Van Truitje wordt o. a. niet eens gemeld, dat zij getrouwd is, evenmin als dit plaats heeft in de volgende aanteekening uit hetzelfde Puiboek, betreffende Anna’s huwelijk.12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.(Get.) D. v. Wesell 1624.Anna Roemers.Opmerkelijk is het, dat in de eerste huwelijks-aanteekening alleen de leeftijd van de Bruid, en in de tweede alleen die van den Bruigom vermeld wordt.De lezer zij wijders verzocht op de eerste bladz. van dit hoofdstuk voor „deneerstenNovember” te lezen „dentwintigstenNovember.” 1 November had de aanteekening, 20 Nov. het huwlijk plaats, als het bruiloftsvers van Hooft ons leert.Ik zal ook nu wederom het verwijt niet ontgaan, mij, gelijk mij ter ooren is gewaaid, meer gedaan, dat ik gemakshalve mijne opstellen, in plaats van met eigen werk, met verzen van anderen opvulde. Ik geloof echter, dat wie eerlijk denkt en bovendien eenigen goeden smaak bezit, mijne handelwijze aan betere motieven toeschrijven en niet af zal keuren. Die gedichten, door mij geheel of ten deele opgenomen, zijn de bronnen, waaruit ik mijn tafereel geput heb: ’t zijn mijne justificatoire bescheiden; vergenoegde ik mij, met er naar te verwijzen, ik zou den lezer noodzaken, om, tot recht verstand van mijn geschrijf een half dozijn boeken bij de hand te hebben en gedurig op te slaan. Maar bovendien strekken die brokken uit Hooft, Vondel, Huyghens enz. minder nog tot toelichting van mijn opstel, dan wel omgekeerd.—Velen (ik zelf tot nog voor korten tijd) hebben die brokken nimmer met dat genot gelezen, hetwelk alleen dan gesmaakt kan worden, wanneer men ze onderling in verband gebracht en daardoor recht heeft leeren begrijpen. Nu wellicht zal menigeen, die ze tot nog toe of niet of maar vluchtig gelezen had, zich wellicht door de uittreksels, die ik geef, aangespoord gevoelen, om ze eens meer opzettelijk in ’t oorspronkelijke te gaan nalezen, en zoowel zijne kennis van de zeden, de toestanden en het onderling verkeer—als zijn smaak voor de echte, gezonde, krachtvolle letterkunde van die dagen—zal niet anders dan er bij kunnen winnen.—Dat is mijn wensch; wordt die vervuld, dan zie ik mijn doel bereikt.

In Visschers Roemer.Wij zetten onze wandeling voort, en, op den Eersten November van ’t jaar 1623 het Damrak ten einde gekomen zijnde, slaan wij rechtsom, de „Uiterste” of „Nieuwe Brug” over. De nieuwe huisjes, die hier de zware (voor vijf jaren weggebroken) Sint-Olofspoort vervangen, aan de rechterzijde latende, vervolgen wij onzen weg langs de kaai, die, onder den naam van „Houttuinen,” zich uitstrekt langs het IJ. Aan den „Schreiers-hoek” en „-toren” gekomen, houden wij altijd rechts en volgen de kaai,met groene boomen beplant, langs de gracht, die voorheen de „Uiterste” of „Stedegraft” geheeten werd. Zij heeft dien naam echter afgelegd, sedert het buitendijksch land aan de overzijde meer en meer betimmerd werd, en de kaai wordt nu, naar de vaartuigen, tot wier gewone ligplaats zij verstrekt, de „Geldersche Kaai” genoemd. De overzijde, vroeger de timmerwerf van de vloot, is gedurende de laatste vijf-en-twintig jaren dicht met huizen bezet en met straten en stegen doorsneden. Geen anderen toegang heeft zij vooralsnog met de eigenlijke stad, dan door de kleine Waterpoort, over de brug van dien zelfden naam, die wij voor ons zien. Maar zoover reikt onze wandeling niet. Wij staan stil voor eene woning, die, even voorbij Schreiershoek, zich door hoogte, breedte en bouworde voordeelig van de belendende huizen onderscheidt. De hooge voorgevel is van roode baksteenen opgebouwd, smaakvol afgewisseld met gele tufsteenen en, waren wij hier slechts eene maand vroeger gekomen, wij zouden dien geheel verscholen zien achter de groene en breede wingerdbladeren; slechts enkele en thans verdorde zijn er van overgebleven aan de ranken, die, oprijzende uit den houten koker, binnen welken de stam vervat en tegen schade beveiligd is, zich op de hoogte der eerste verdieping naar alle zijden uitbreiden, en, zich om en langs de vierkante kruisramen heenslingerende, in ’t najaar de bewoonsters der bovenkamers op het plukken van hare gouden trossen schijnen te noodigen11.Het onderhuis is geheel bekleed met een houten beschot: fraaie houten pilasters rijzen aan weerszijden van de deur en tusschen de vensters, en torsen eene kroonlijst met keurig beeld- en snij- enlofwerk voorzien. Niet minder sierlijk gesneden is het lijstwerk, dat de ramen omvat, en keurig van uitvoering is het beeldje, dat, boven de deur prijkende, eenvisschervertoont, doch blijkbaar niet een van de gewone soort; althans uit het schepnet, dat hij, omgekeerd, in de linkerhand houdt, stort hij geen visschen, maar muntspeciën in een open koffer uit, en zijn vischwant ligt, aan denzelfden kant, heengeworpen over balen, vaten en koopmansboeken; terwijl, rechts van hem, allerlei zinnebeelden van kunst en wetenschap op elkander zijn gestapeld en hij met de rechterhand eenroemeromhoog heft. Dit fraaie beeldhouwwerk, evenals het geheele onderhuis, door een groene luifel beschut, zinspeelt op den naam des laatsten bewoners, en kondigt ons aan, dat wij, wanneer wij langs de drie blauwe stoepsteenen de deur zijn binnengetreden, ons bevindenin ’t saligh Roemers huys,Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesletenVan Schilders, Kunstenaers, van Sangers en Poëten.Ik zeg het „saligh Roemers-huys;” want de man, die zijn naam aldus in den vorm van eenrebusboven zijne deur heeft laten beitelen, Roemer Visscher, is niet meer: voor drie jaren is hij, tot smart van allen, die hem kenden, overleden.Maar het is niet in het huis des rouws, dat ik u thans wil inleiden: integendeel, de rouw is geweken en alles kondigt vreugd en vroolijkheid aan. Voor de stoep prijkt eene eerepoort van sparretakken, hulst en nimmerdor, bestoken met oranje-appels en vlaggen van papier en klatergoud, en saamgebonden met veelkleurige linten: en van die eerepoort hangt in ’t midden eene sierlijke kroon af, waar, al moge het welriekende gebloemte der Junimaand er aan ontbreken, toch geen bontgekleurde bloemen falen, uit gaas, wit papier en andere stof op ’t kunstigst vervaardigd. Festoenen en vlaggedoek zijn om de deur geslingerd, die openstaat en ons het gangportaal doet zien, waar twee gouden naamcijfers, in een wit ovaal, ons tegenblinken. De straat, aan weerszijden is (nietzwartgelijk men in de 19eeeuw zal zeggen, als eene afschuwelijke mode de mannelijke sekse bijna uitsluitend in effen donkere kleederdracht zal gestoken hebben, maar)bontvan menschen: net gekleede buurkinderen, met blozende wangetjes, staan gereed, het Bruidspaar, als ’t van ’t kantoor van Huwelijkszaken terug zal keeren, met loovertjes, suikererwten enspeculatiete bestrooien; want de Bruid, die verwacht wordt, is de jongste dochter uit den huize, is Maria Tesselschade, Roemer Visschers dochter.Al behooren wij niet tot de genoodigden, en al is het nu een dag, waarop zelfs de gulheid van den „ronden Roemer,” die aan elken beschaafden bezoeker een welwillend onthaal waarborgde, geene anderen, dan die tot het feest behoorden, zou hebben kunnen toelaten, wij maken gebruik van den tooverstaf der verbeelding, die elken toegang voor ons opensluit en niet gedoogt, dat er iets voor ons verborgen blijve: wij treden de lange gang ten einde en eeneachterkamer binnen, waar reeds een aanzienlijk deel der gasten vergaderd is en de komst van het Bruidspaar verbeidt.Wij zullen met die gasten, althans met velen onder hen, nader kennis maken: maar vooraf willen wij een blik om ons heen slaan.Reeds in gewone dagen levert de kamer bijzonderheden genoeg op, om ons eenige uren met het beschouwen daarvan bezig te houden. Ik spreek niet alleen van de roode gordijnen van kostbaar kroonsaai, die voor de langwerpige boogvensters hangen, met kleine in lood gevatte, rijk beschilderde ruiten: van de fraai gebeeldhouwde kolommen, die de hooge schouw steunen, boven welke een keurig fruitstuk van Adriaan Van Utrecht prijkt: noch van de sakredaanhouten glazenkast met keurig porselein; meer nog dan een en ander verdient dit trezoor uwe opmerking, waarop fijne roemers prijken, door de kunstvaardige handen der dochters van den huize op ’t bevalligst gesneden en met opschriften versierd: en die beeldjes en vruchten, door haar uit was geboetseerd: en, aan den wand, dat borduurwerk inebbenhoutenlijsten, en die teekeningen of schoonschriften, waarmede zij vroeger haren vader op menigen geboortedag hadden verjaard. Ook het afbeeldsel van den vader prijkt er; dat rustig en krachtvol wezen, waar goedhartigheid en schalksch vernuft op zijn vermengd: en naast het zijne hangen de afbeeldsels van zijne vrienden, en herkent men het diep gegroefde gelaat van den geleerden vriend en medestrijder van Willem I, Dirk Volkertsz Coornhert, en de fijne aristocratische trekken van den classiek-gevormden koopman, Hendrik Laurenszoon Spieghel.—Maar voor dat alles en nog meer, dat de pronkzaal bevat, wij hebben er thans geen oog voor; want deze dag is, als wij reeds zeiden, een buitengewone: de zwart en wit geruite marmeren vloer is bestrooid met loovertjes en winterbloempjes, acht festoenen van groen en gebloemte zijn met het eene einde vastgemaakt aan krammen, in de bovenhoeken van het vertrek, en aan het midden van elke bovenlijst geslagen, terwijl de andere einden zich vereenigen aan een knop, op korten afstand van den wand in de zoldering bevestigd: en van dien knop hangt, vlak tegenover den schoorsteen en voor den grooten Venetiaanschen spiegel met kristallijnen rand, een zware kroon van goud en gebloemte, met zijden linten doorstrikt, boven eene kleine verhevenheid, waarop, in een prachtig getooiden armstoel, de Bruid „te pronk” zal zitten—gelijk de gewone uitdrukking luidt.—Nemen wij de gelegenheid waar, om, zoolang die „bruidstroon” nog ledig blijft, het oog te slaan op de aanwezige gasten, die de komst der nieuwgetrouwden verbeiden, en aan welke inmiddels, door net getooide Juffers, speelnooten der Bruid, hippocras en hylikmaker12wordt aangeboden.Bont en gemengd is doorgaans toch het gezelschap, wanneer, gelijk ten deze het geval is, Bruid en Bruidegom in verschillende plaatsen te huis behooren, en zonder dat de wederzijdsche familiënmet elkander in betrekking staan. Maar bont vooral en gemengd zou in elk geval het gezelschap op het feest van eene der dochters van Roemer geweest zijn, ten gevolge van de uiteenloopende soort harer kennissen. Het huis van Roemer toch was vanouds eene soort van vrij territoir, waar ieder, welke ook zijne politieke of godsdienstige denkwijze was, welkom werd geheeten, en alleen zij uitgesloten, die zichzelven en anderen tot last en verveling waren. Roemer Visscher toch en de zijnen waren aan de leer hunner vaderen getrouw gebleven, maar daarom had hij zich niet, na den omkeer van zaken, zooals velen onder zijne geloofsgenooten, teruggetrokken uit den omgang met hen, die anders dachten als hij. Hij was een veel te groot minnaar van de fraaie letteren zoowel als van het beoefenen en opbouwen der moedertaal, en bovendien van te gezelligen aard, om, waar het lieden betrof, wier wetenschappelijke richting met de zijne overeenstemde, of wier tegenwoordigheid zout en leven aan het onderhoud gaf, die, in één woord, gereed waren met hem (om de taal zijner eeuw te spreken) offers aan Apollo en de Muzen te brengen, af te vragen of zij tot de Oude Geuzen of tot de Pausgezinden behoorden. Daarom ontbraken thans ook genen zoomin als dezen, nu het er op aan kwam, debruidstranenzijner geliefde dochter te komen—drogen, had ik haast gezegd; ik meen—opdrinken. Zie maar dien krassen zes-en-zeventiger, met zijn doordringenden blik, zijn scherpgeteekenden neus en kortaf gebiedenden toon, die daar in gindschen hoek een roemer hippocras aanneemt, hem door een bekoorlijk blond maagdelijn aangeboden: dat is de eerste openlijke verdediger van het stelsel, waarvan het uitvoeren hem voor vijf jaren zijne plaats in de vroedschap en aan ’s Lands Advocaat het hoofd gekost heeft—Cornelis Pieterszoon Hooft, oud-geus, rederijker, maar vooral Amsterdammer in zijn hart: en de man met wien hij zich onderhoudt is—zijn gewaad, hoe deftig, ja stemmig, zou ’t ons niet verraden—een Roomsch-Katholiek Priester;—maar die Priester is Jan Albert Ban, tevens rechtsgeleerde, en bovendien—wat hem hier zoo welkom wezen doet—wijdberoemdmusicus; een man, die, als Vondel van hem zingt,In ’t barnen van den twistEn stryt van ongelijcke klanckenOns hooren laet den lieven paisDer Engelen in Godts pallais.Een ander Roomschgezinde, de Haagsche Advocaat Gysbert Corneliszoon Plemp, staat wat verder, in levendig gesprek gewikkeld met de schoone en lieftallige kasteleines van Muiden, Christina Van Erp: en zij herinnert hem, hoe hij ook hare bruiloft met den Drossaard bijgewoond en met een gedicht heeft opgeluisterd: jammer maar, denkt zij er bij, dat het in ’t Latijn was. Ook de Drossaard zelf bevindt zich in de nabijheid en ook hij drukt de hand aan een Katholiek, den Advocaat Vechters, zoo beroemd als taalvorscher en om zijne rijke boekverzameling. In dien anderen hoek wedijvertDr. Samuel Coster, de reeds bedaagde Academist, met den jongen en vroolijken Daniël Mostert—die in ’t vorige jaar tot Secretaris der stad is aangesteld, en wiens kittelend vernuft aan den naam beantwoordt dien hij draagt—wie ’t meest de Juffers, die om hem staan, door kwinkslagen en kluchtige gezegden een lachje afpersen, ja nu en dan een blos op de wangen zal jagen.Zeer verschillend, wat maatschappelijken toestand, rang en betrekking aangaat, zijn de twee personen, die daar in een levendig gesprek gewikkeld zijn: de een, met dat geestig en levendig oog, met die innemende gelaatstrekken en dien zwier in houding en gebaren, die den man der meest verfijnde beschaving kenmerkt, heeft op veertigjarigen leeftijd reeds eene schitterende loopbaan gehad, en reeds Oost-Indië als Gouverneur-Generaal bestuurd; de andere, iets jonger dan hij, met een thans eenigszins bleek en ziekelijk voorkomen, dat zijne fonkelende adelaarsoogen des te meer doet uitkomen, is eenvoudig een welgesteld winkelier in de Warmoesstraat;—maar toch zijn Laurens Reael en Joost Van den Vondel vrienden; ja broeders, vereenigd door gelijkheid van smaak en gemeenschappelijken taal- en letterarbeid. Hun beider reeds bejaarde vriend, de koopman en kunstmeceen Laurens Baeck, voegt zich bij hen: hij heeft zijne hofstede Schey-Beeck in de Beverwijk verlaten, om met zijne bekwame zoons Justus en Jacob en zijne bevallige dochters Katharina en Debora het trouwfeest der pupil van hun vriend Hooft te komen bijwonen.Nevens Jacob Baeck bemerkt gij diens boezemvriend, den drie-en-twintigjarigen Willem Van den Vondel, met wien hij redeneert over een voornemen, dat zij hebben opgevat, om te zamen het klassieke land der kunst, het schoone Italië te gaan bezoeken. Met zeldzame gaven des verstands en des harten toegerust, is Willem Van den Vondel steeds de lust en de vreugd geweest, eerst van zijns vaders huis en later van allen, die hem kenden, maar vooral is hij de lieveling van zijn ouderen broeder, die, zij het ook al te nederig, aan al wie ’t hooren wil verklaart, „dat Willem hem verre overtreft.” De zooveel belovende jongeling zal die reize naar ’t verre Schiereiland doen; maar helaas! om nimmer in zijn vaderland terug te keeren.Doch wie is die andere jongeling, slechts weinig ouder dan pas genoemden en die, meer dan zij, ja, meer dan vele mannen van jaren en gezag, hier de aandacht der aanwezigen en niet het minst die der jufferschap tot zich trekt? Zijne rijke en hoofsche kleedij is naar den allerlaatsten smaak, doch wordt met zooveel gemak gedragen, dat men terstond den man herkent, die zich zwierig kleedt, omdat zijn stand het medebrengt en niet, omdat hem zijn snijder aldus heeft opgeschikt. Zijn bruin gelaat kan wel niet schoon genoemd worden, doch het tintelt van geest en leven: en in stem, in spraak, in manieren spreidt hij dat bevallige, dat innemende, dat echt hoffelijke ten toon, ’t welk noch goud, noch hooge betrekkingen, noch al de moeite, die men aanwendt, kunnen verschaffen aan hem, wien het van natuur niet eigen is. Zie! daar spreekt hij metde juffers over Fransche modes, overmenuetten, pavanesensarabandes, terwijl Debora Baeck aan eene van hare kaartjes13ronduit verklaart, nooit een danser te hebben gehad, die netter passen maakte en beter in de maat bleef; of wel, hij redeneert over muziek, en meester Dirk Swelinck, de wijdberoemde organist, vertelt overluid, dat hij zelden bij een liefhebber meer kennis van het vak bij meer voortreffelijkheid van uitvoering gevonden heeft. Maar daar komt ’s Legers Opperwachtmeester Wijts, een der helden uit den vrijheidsoorlog en der bekwaamste krijgskundigen uit zijn tijd, onzen jongeling in ’t gemoet, drukt hem de hand en doet hem een paar vragen aangaande ’t beleg van Bergen-op-Zoom: en de ander antwoordt daarop, zonder zich te bedenken, met een zaakkennis, die, aan wie hem niet kennen, al licht zou doen gelooven, dat hij een krijgsman is van beroep. Intusschen acht de grijze Burgemeester De Vlaming van Oudshoorn het de moeite wel waard, van de gelegenheid gebruik te maken, die zich voordoet, om een woordje over staatkunde te wisselen. Hij treedt naar onzen jonkman toe, en, hem met meer eerbiedigheid aansprekende dan men in iemand van zijn stand en achtbaarheid tegenover een jongen spring-in-’t-veld verwachten zou, veroorlooft hij zich een paar „bescheiden vragen” aangaande het vermoedelijk doel der zending, die de Heer Gramaye vanwege Keizer Ferdinand bij de Heeren Staten volbrengen komt. Op zedigen toon, maar zonder aarzeling, geeft de jongeling de verlangde inlichtingen, ja treedt daarbij in bijzonderheden, die genoeg bewijzen, dat hij aan een goed geheugen een helder doorzicht paart en den sluier weet op te lichten, waaronder de diplomatie haar geheimen zoekt te verbergen;—nauwelijks heeft hij aan de weetgierigheid van den Burgemeester voldaan of Plemp klampt hem aan boord, om over een paar onlangs verschenen emendaties op Virgilius te spreken en Pieter Corneliszoon Hooft, zijn slag waarnemende, duwt hem een dichtgevouwen papier in de hand en bijt hem in ’t oor: „ziehier het sonnet, waar ik u over gesproken heb. Wees zoo goed het eens in te zien en te betuttelen14waar ’t noodig zijn mocht.”De jongeling, die evengoed in de dans-, muziek-, krijgs- en staatkunst te huis is als in de oude en nieuwe letteren, die in vlugheid van vernuft, schranderheid van oordeel, blijmoedigheid van geest en voortreffelijkheid van inborst voor geen der hier aanwezigen onderdoet, en die eenmaal als geheimschrijver van drie vorsten uit het huis van Oranje en niet minder als kernachtig dichter zich een beroemden naam zal weten te verschaffen, is de Hagenaar Constantijn Huyghens.Was het wonder, dat hij de hofstad verlaten had om het bruiloftsfeest van Tesselschade te komen vieren? Reeds voor een jaar of vijf had hij de kennis met Roemers dochter op ’t Huis te Muiden gemaakt en tusschen hen was eene vriendschap ontstaan, gelijkmen zelden tusschen lieden van verschillende kunne aantreft, en die hun geheele leven duren zou. Hiervan getuigde o. a. het gedichtje, dat hij aan de gezusters geschreven had, in dank voorsuikerpeen.Gesonde peen,Ik vatt’ de reênVan uw geschenck:’t Is met een wenckSmaecklijk bewezen;De wortel soet,De vrucht moet goetEn heilsaem wezen.Op eer en deughdStond d’ eerste vreughdVan ons vergaeren:Al wat der jaerenKnoop en gespannTot noch daer vanHeeft uytgegevenEn bij ons levenUytgeven moet,Sal goed en soetEn heylsaem wesen.Vriend’lick paar Weesen,Dit is ’t beduydVan mijn besluytUyt uwe gaven:Daer ick begravenEn ghy tot stoffSult wederkeeren,Sal deze lofOns graf vereeren,Hier light C. H.En TesselschaEn Anna, d’ eerste.Die elck om ’t seersteMet schrift en praet,Met wensch en daed,Haer vriendschap sloten:Vriendschap gesprotenUit grond en reênAls suycker-peen.Reeds vroeger, bij den dood van haren vader, had hij aan het „vriendelijk paar Weesen” een aandoenlijken troostbrief in verzen geschreven, haar bemoedigende met het denkbeeld, dat Hooft haar voortaan tot een voogd en tweeden vader verstrekken zou: en nu een jaar geleden schreef hij uit Londen, waar hij zich bevond als Gezantschaps-Secretaris, een anderen berijmden brief aan ’t waardige drietal, zijn vurig verlangen uitdrukkende om hen terug te zien.Hoe weinig het echter gefaald had, of hij zou door het slechte weer verhinderd zijn geweest de reis naar Amsterdam te ondernemen, blijkt uit de volgende dichtregelen, die Tesselschade weinige dagen geleden van hem ontvangen had:Tesselschade,Die uw gadeNiet te spade,Niet te vroeghHebt gevondenEn verbondenVan de wonden,Die hij droegh,Wees te vredenMet de reden,Die my hedenSeggen doet:Bruiloftslusten,Laet my rusten,Daar ick rust enRusten moet.Stuersche buyen,Die zich ruyenTegen ’t Zuyen,Tegen ’t West,Hoor ik schreeuwenDoor het sneeuwen:Zomer-spreeuwenHoudt uw nest............Had de Son enLucht begonnenWeer te gonnen’t Soet gelachVan de haegenEn te traegen’t Wintrigh jaeghenVan den dagh,’k Waer geschapenVreughd te rapenVan ’t begaepenVan uw feest,En het pronckenVan uw lonckenTot ontfonckenVan mijn geest.Maar ’t benijdenDeser tijdenMoet ik lijdenMet geduld;’t Zijn geen trekenOm te wrekenWoord te brekenSonder schuld.Oh! hoe vliegh ik,Hoe bedriegh ick,Hoe beliegh ick,Mijn gemoed!’k Wil der wesen,Alle vreesenSijn geresenUyt mijn bloed.Swackheit, lijden,Winter-tijden,Die ick mijdden,Staet van kant.Wech vervarenVoor het baeren15Van de baeren:’k Wil van land.Gae ick? Stae ick,16Neen ick? Ja ick:Emmers gae ik;Neen ick, noch.17Ja ick, meen ick.Weer versteen ick.18Gae ick? neen ick.Ja ick, toch.’t Bleef dusja, en het werd nog nader door een tweede brief bevestigd:Winter-dagen,Die de slagenVan de vlagenEn de machtVan de windenSchijnt te binden,Daar men in denHaeg op wacht.Sendt het raesenVan dit blaesenOver Maes enOver Schelt:Laat de VeerenVan de Meeren19t’ Mijner eerenOngequelt.Laat de schuerenOnser BuerenWat besuerenVan uw kouw,Laat se lipp’ enTanden klippenMet de slippenIn de schouw.20OnderwijlenSal ick ijlenAls de pijlenNa den Doel,21AfgezondenNa de grondenVan den Ponden-rijcken poel.22Zijn uw’ ooren23Niet te hoorenTot verhoorenVan mijn bee?Soud’ ick sollenTegen ’t rollen,Tegen ’t grollenVan de zee.’k Sal uw baerenEer ontvaeren,Danck het SparenEn het pad,Dat den wagenEn de slagenKan verdragenVan het rad.24Maar, nu wij de gasten, immers de voornaamste onder hen, in oogenschouw hebben genomen, wordt het tijd een blik te slaan op haar, die eigenlijk in de eerste plaats onze belangstelling, althans onzen groet verdiend had, op haar, die den last der bezorging van het feest op zich genomen heeft, en ons tot harent ontvangt, op Anna Roemers.Tien jaren ouder dan Tesselschade en dus reeds in haar veertigste jaar getreden, is Anna nog immer in de volle pracht eener schoonheid, die van geen verwelken schijnt te weten, nog immerDe roem van haren tijd, waar Roemer op mocht roemen.Vreemd moge het schijnen, dat eene zoo bevallige, zoo rijk begaafde vrouw tot heden ongehuwd gebleven is; maar, zoo zij nog geen plichten als echtgenoote te volbrengen heeft, het is alleen daaraan toe te schrijven, dat tot heden andere plichten op haar rustten: eerst de verpleging van haren vader en het bestier over diens huis: later, na zijn dood, de gehechtheid aan hare jongste zuster, bij wie zij eenmaal de rol eener moeder vervuld had en ook nu nog bleef vervullen, al was het kind voorlang opgegroeid tot maagd en nu reeds haar derde kruis nabij. Maar thans staat die zuster op het punt het ouderlijke huis voorgoed te verlaten en zich met haren gemaal elders neder te zetten: en thans heeft ook Anna begonnen te gevoelen, dat het niet goed is voor den mensch, alleen te zijn. Reeds is haar hart, weldra wordt ook hare hand weggeschonken aan den zoon uit een aanzienlijk Dordtsch geslacht, doch zelf in ’t Noorden van West-Friesland gevestigd; aan Dominicus Booth Van Wesel, wiens kennis zij te Alkmaar gemaakt had, toen zij aldaar met hare zuster het gezin van diens verloofde bezoekenging, en zij zal hem volgen om hem gelukkig te maken en, door geheel Nederland bij voortduring vereerd, nog als zestigjarige vrouw om hare zeldzame gaven en bevallig voorkomen en minzaamheid, den geleerden Puteanus te Leuven en diens gezin in verrukking te brengen en door hem als eene tiende Muze te worden afgeschilderd.Maar hoor!—een gedruisch ontstaat daar buiten: een geluid van vedels en fluiten klinkt van uit een zijvertrek, waar de muzikanten vereenigd zijn: al de gasten geraken in beweging, zien naar de deur en scharen zich rechts en links om den vrijen doortocht te laten aan het jeugdige paar, dat, vergezeld van zijne getuigen, teruggekeerd is van ’t Stadhuis en nu onder oorverdoovend gejuich der op straat verzamelde menigte,—een gejuich van uit de opperzaal straks beantwoord—de woning, en weldra ook de zaal is binnengetreden.„Ruim baan! ruim baan! Plaats voor de Bruid!” klinkt het van allerwegen: en Tesselschade begeeft zich naar den voor haar bereiden troon; maar haar oog zoekt en ziet onder die schare hare zuster Anna alleen, en de beide zusters vallen in elkanders armen, terwijl warme tranen uit beider oogen elkanders gelaat bevochtigen. Eene eerbiedige stilte vervangt het gedruisch en met aandoening staren de omstanders op de zoo innig verknochte—nu welhaast voor lang gescheiden—zusters. Nu vermant zich echter de Bruid en, na nog een hartelijken kus aan hare beminde Anna, laat zij zich door haren Bruigom verder leiden en neemt plaats op den voor haar bestemden zetel. En wel verdient die thans zijn naam van „troon;” want geen koningin kon dien waardiger bekleeden dan zij van wie wij ’t nauwelijks durven beproeven, eene beschrijving te geven.Een hoog opstaand kanten mutsje, boven hetwelk een gouden kroontje, met paarlen omzet, zich verheft, omvat het hoog gekapte „goutdradich hayr” van Tesselschade: haar hals is door een drie dubbel geplooiden, breed uitstaanden kraag van kostbaar kant omvat; een blauw satijnen kleed met bonten rand omsluit hare rijke gestalte en laat, van voren open, een borstlap zien, die schittert van gesteenten en een onderkleed van gele zijde, op ’t rijkst met bloemen gestikt, waarop, van den gordel af, een gouden snoer nederhangt, van afstand tot afstand met paarlen geschakeld en aan welks einde een reukbal vastzit, van gouddraad gevlochten en met vonkelende robijnen, turkooizen en andere puik-juweelen bezet. Maar hoe fraai dit alles zij, het kan de schoonheid alleen opluisteren, niet verhoogen, van haar, die wij als Bruid begroeten. Bevallig, rank en toch krachtvol is hare gestalte: en de gezondheidsblos op het lelieblank gelaat getuigt, dat wij hier niet te doen hebben met eene dier loome, smachtende, verwende juffers, die den halven morgen in ’t bed verslapen, een groot gedeelte van den dag aan de kaptafel doorbrengen, en zoowel den zonnegloed als het minste tochtje vreezen: en evenmin met eene diersavantes, die, aan studeervertrek ofsalongekluisterd, de kamerkleur verkrijgen als een onmisbaar gevolg van een zittend leven; maar wel met eene zoodanige, die noch lucht noch zonnestralen schuwt en zelfs voor geenlichaamsoefeningen terugdeinst. En inderdaad, niet alleen is Roemers jongste dochter ervaren in muziek en schilderkunst, niet alleen weet zij op ’t glas te snijden, in was te boetseeren en met de borduurnaald te tooveren, niet alleen weet zij Tasso’s „Verlost Jeruzalem” in Nederduitsche verzen te vertalen, maar ook heeft zij, toen nog haar vader in „de Kreeft” over den Stads Singel woonde, waar in den tuin een groote en diepe vijver was, met hare zusters het zwemmen geleerd. Wakkerheid en levenslust stralen dan ook af van haar gelaat en schitteren ons tegen uit die groote bruine oogen, die spiegels der reinste en edelste ziel: parelwitte tanden glinsteren tusschen het koraal van fijngevormde lippen: het breede voorhoofd duidt een kloek en veel omvattend verstand—de kleine, recht nedervallende Grieksche neus vastheid van karakter aan: de fraaie handen, aan de polsen met een zesdubbel parelsnoer omgeven, zijn blank en zacht als fluweel: maar zoo ’t u gebeuren mag, ze te drukken, zult gij voelen, dat in die poezele vingers kracht verborgen is en dat de vereelte toppen gewoon zijn, vedelsnaar en graveerstift te hanteeren.Ter rechter-en linkerzijde van de Bruid, op lagere zetels, doch mede op den „troon” wordt de plaats van de Bruid, die anders aan de wederzijdsche moeders zou toekomen, bij ontstentenis van dezen, rechts bekleed door ’s Bruigoms zuster, links door de tweede van Roemers dochters, Truitje, sedert eenige jaren de gade van Nikolaas Van Buyl. Misschien is het aan dat huwelijk te wijten—waardoor zij vroeg reeds haars vaders huis verliet, en, aan huiszorg gebonden, minder dan hare zusters den omgang bleef aanhouden met doorluchte en beroemde vernuften—dat Truitje Roemers, twee eeuwen lang, geheel vergeten zal blijven bij de geschiedschrijvers, die zoo luid van Anna en Tesselschade zullen gewagen. Maarwijvergeten haar niet, de derde in een trits bevalligheden: wij kennen ook haar een billijk deel toe van den roem, die hare zusters omstraalt.De gasten zijn achtereenvolgens de Bruid komen begroeten: daar nadert ook Huyghens, en, hield de etiquette Tesselschade niet aan haren troon gebonden, zij ware hem te gemoet gesneld, om hem de hand te drukken. Dit laatste veroorlooft zij zich echter, terwijl zij hem voor zijn heilwensch dank zegt, hem hare blijdschap te kennen geeft, dat hij toch de winterstormen getart heeft, en zij hem haren Bruigom voorstelt, die nevens haar staat. Ja! den Bruigom!—hebben wij dien vergeten, den held van ’t feest, dat wij van hem geen gewag maakten?—Neen gewis niet; maar juist, omdat hij de held van ’t feest is, kan hij het ons niet ten kwade duiden, zoo wij hem, evenals zulks met de theaterhelden doorgaans het geval is, na de mindere personages laten optreden.Wie is hij nu, de man, aan wien Tesselschade de voorkeur heeft geschonken boven zoovele kloeke vernuften als naar hare hand dongen? Zeker een geleerde, een toonkunstenaar, een dichter, een staatsman, of in allen gevalle iemand, die zich op deze of gene wijze heeft beroemd gemaakt?De Bruigom is niets van dat alles: hij is eenvoudig een zeeofficier, die, wanneer hij aan wal is, te Alkmaar woont en antwoord geeft op den (alles behalve dichterlijk klinkenden) naam van Allart Janszoon Crombalgh.Maar—dat mogen wij niet ontkennen—hij is een flinke, kloeke borst, wiens blauwe oogen helder blinken in dat echt mannelijk gelaat, door de zon der keerkringen gebronst; en is Tesselschade dichteres, zangster en geleerde, voor alles is zij vrouw, en ’t is als vrouw, dat zij de liefde van haren Allart of Adelaar, gelijk zij hem soms bij letterkeer noemt, gewonnen en hem de hare geschonken heeft.De liefde—Vondel zal het ons leeren in het bruiloftsdicht, dat hij bij zich heeft—is in de kerk begonnen:Een wijl hiernae geviel ’t, toen deser dochtren geestKerckpleghtigh besigh was te vieren ’t jaerlyx feestMet lofsangh en gebeên, gelijckse ’t noô versloffen,Dat d’ een van ’t kerckgewelf werd in de borst getroffen, enz.Allart had Tesseltje hooren zingen: eerst hare zuivere tot het hart dringende stem, vervolgens hare bekoorlijkheden, hadden hem verrukt, en wederkeerig had zij bij den eersten aanblik in hem den man gezien, die haar tot gade beschikt was. Weldra was de zaak beklonken en tusschen hen bepaald, dat het huwelijk zou voortgang hebben, zoodra hij zou terug zijn gekeerd van een zeetocht, dien hij nog te ondernemen had.Vóór zijn vertrek was hij op ’t Muiderslot genoodigd, waar zich de gezusters, aan welke Hooft, gelijk gezegd is, tot vader, of, beter, tot broeder verstrekte, zich veelal onthielden. Ook Vondel was er te gast, en het aanstaande vertrek van den verliefden zeeman gaf hem de navolgende regels in de pen, waarbij hij Hooft onder den naam van den zanglustigen veldgod Pan, den vrijer onder dien van Dafnis, diens liefste onder dien van eene Sirene, wier verleidend gezang allen tot zich lokt, en zichzelven als Tityr voorstelde. Het luidde aldus:De vleiende Sireen,Wiens zang en vedelsnaerVerlockten naar beneênDen fieren Adelaer,25Die met zijn wiecken hingh,Daer zangh zijn hart bekneepEn hy verslingert vinghHet keeltjen, dat hem greep.Dees op den oever stondt,Daer Glaukus,26heet van Min,Kust en herkust den montDer blancke stroomgodin,Die in zijn armen glijdtEn zijght van liever leêEn voegt haer bruytschat by ’tRijck hylixgoet der zee.Pan zanghziek, op dat pas,Had Dafnis laten noôn,En, om te luystren, wasHier Tityr mede ontboôn.Zij huckte neêr in ’t groenDaer van een hoogen walHet oogh moght ronde doenEn weien overal.Toen sloegh haer keel geluyt;Help Godt, wat zoeter zangh!Zwijgh Tityrs boerefluit.Wat was hier een gedranghVan ooren, om dit liedtTe vangen in de lucht.Toen tot haar neighde riet,Geboomte en vogelvlught.Ach Dafnis, zong zy, ach!Wat gaet u, Ridder, aen?Zoo dit uw moeder zagh,Het hair te bergh zou staen.Is ’t groen, daer ghy op staet,Dan ’t engh en veel te naeuw,Dat ghy ’t verwislen gaetVoor ’t wilde en woeste blaeuw?Versin eer ghy begint,En hou uw oude buurt,Denckt wat de zee verslindt,Als zij den afgrond schuurt,En gaept den Hemel toe,En grimt dat alle GoônOptrecken, zorgens moê,Hun aangevochten troon.Wat is hy overstout,Die leven, lijf en zielDen lichten wint betroutOp ’t drijven van een kiel.En stuyft ter weerelt uyt,Daer loot geen gronden peilt,Daer ’t schip aen starren stuytEn door de klippen zeilt.Noch hiel ick u te goe,Indien uw trotse moedtNiet reede een oorloogh toe,O gruwel! op den vloedt,Op grondeloosen plasTe vechten, lijf aen lijf:Die bodem is van glas,O Reuzen, treet niet stijf.Te lande is vlughtens troost,De wanhoop drijft in ’t schuym,Och! of ghy ’t land verkoost.Ghy schudt helmet en pluym,En slaet mijn beden af,Wel aen ick neem geduldt,Ghy kiest dan ’t levent grafEn ick blijf zonder schuldt.Ten minste denck aen my,Wanneer ghy, als Jupijn,Zult op uw vyants zyMet blixems woênde zijnEn Hollants zeebanierMet hoop van zege voênEn braken vlam en vierIn ’s Konings galioen.Dan denck eens, hoe ’t mij kruyst,Als ghy den Spanjaart tart,Met ’t slaghswaert in de vuyst,En duy ’t zorgvuldigh hartVan uw Sireen dien raedtAltijt ten beste na:Mits ick uw schipbreuk haet,Niet naar uw leven sta27.In de afwachting van den dag, waarop de vertrokken zeeman zou terugkomen, waren de zusters haars vaders huis blijven bewonen. Wij leeren dit o. a. uit het slot van een gedicht tot lof der zeevaart, ’t welk Vondel omtrent dien tijd zijn vriend Reael had toegezongen.Wy naecken Schreyers hoek, daar lieffelijck en blyEen waterlandsche Rey, de juffertjens van ’t Y,Met ongehuyfde pruyck en kletten28geestigh singen,En nae den toon van sangh en spel hun treden dwingen.Twee Diertjens29in dien hoop aenminnigh groeten ons,D’ een volght met soet musyck des anders violons.En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster.Laet vallen ’t ancker, stryck, hier is de vloed geruster.Hier gaet noch eb noch ty, hier hoort men geen geruys.Hier open ick mijn reis in ’t saligh Roemers huys.... enz.Na behouden reis en terugkeer der Bruid,toen de faem op Schreyers toren satEn bruyloft bruyloft blies, en noodighde al de stadOp ’t schaterend bancket, beluyt wet soete rijmen,Van ’t Noorden Krombalck quam, verzelschapt met God Hymen.Wij keeren, na deze uitweiding, tot onze beschouwing terug. Tesselschade stelt—als wij gezien hebben—haren Bruigom voor aan Huyghens, die hem nog niet heeft aangetroffen, en hem in heusche bewoordingen gelukwenscht. De zeeman beantwoordt met beleefdheid den handdruk en den groet des hovelings; maar toch vertoont zich in zijn wedergroet niet die ongedwongenheid, die hem anders zoo eigen is: ’t is of hij zich tegenover Huyghens minder dan tegenover elk ander op zijn gemak gevoelt. En geen wonder: hij weet, hoe hoogen prijs zijn liefste op het verkeer met Huyghens stelt: hij weet, welke innige gemeenzaamheid tusschen hen beiden bestaat, en, al heeft hij de overtuiging, dat het gevoel van Tesselschade voor den jongen hoveling niet dan zuivere, zusterlijke vriendschap is, en niets te kort doet aan hare liefde voor hem, Crombalgh, geen Bruigom bestaat er, die zich bijzonder voelt aangetrokken tot den man, die reeds vóór hem met zijne Bruid op een gemeenzamen voet verkeerde, die beweren kan ouder brieven te hebben dan hij, en die haar zijn „kameraadje” noemt—al is ’t dan maar om ’t rijm.Maar Huyghens let niet op die koelheid van Allart. Hij heeft het oog gewend naar de blonde, met lauweren gekapte speelnoot der Bruid, de bevallige Machteld Van Kampen, die op dit oogenblik tot hem genaderd is en hem op een zilveren schenkblad de bruidstranen aanbiedt—en zie! een hooge blos kleurt zijn gelaat, terwijl hij eender ingeschonken roemers tot zich neemt. Maar zijne tegenwoordigheid van geest verlaat hem niet. „Schoone juffer,” zegt hij, met eene hoffelijke buiging, „geboden mij plicht en genegenheid niet, dezen roemer aan Bruid en Bruigom te brengen, ik had hem reeds ter eere eener zoo bevallige Hébé geledigd.”—En nu is het de beurt der juffer te blozen en zich met eenige verlegenheid terug te trekken: verlegenheid, ja; want er bevindt zich onder de aanwezigen een jongeling, die haar met de oogen volgt, en wiens hart reeds in bitterheid ontstoken is tegen den Hagenaar, in wien hij een medeminnaar ziet.En nu, nu zou ik gaarne met u, waarde lezer! aan het Roemershuis verblijven om er de feestvermakelijkheden bij te wonen en mede aan te zitten aan het overvloedige banket en te luisteren naar de gesprekken der opgewekte dischgenooten, naar de muziek, achter tafel uitgevoerd, naar de liedjes, door de speelnoots gezongen, naar de bruiloftsdichten, door dichters en rijmers voorgedragen. Maar ik vrees, dat die gesprekken, hoezeer dan ook tusschen de uitstekendste vernuften gevoerd, veel van hun zout en aardigheid zouden missen voor u, die niet zijt ingewijd in de nieuwtjes van den dag, in al de bijzondere betrekkingen en omstandigheden van de sprekers, of zelfs in de taal van die eeuw. Ook om de geestige scherts kan alleen hij lachen, die haar verstaat, en ik vrees, dat het snarenspel, al streelt het de ooren der gasten als hemelval, in de uwe, die aan meer ingewikkelde muziek gewend zijt, te schraal zou klinken, ja dat zelfs de beurtzang van Francisca Duarte en Machteld Van Kampen u te eenvoudig zou voorkomen: maar vooral vrees ik, dat gij in slaap zoudt vallen bij de verzen, die men voor zal dragen; ’t moge der moeite waard zijn, Vondel te hooren: zijn feestdicht, hoe vol fraaie brokken en vernuftigen zwier, zou u te lang en te mythologisch voorkomen. Bovendien, wij zijn wandelaars en moeten weer verder voort: wij zullen dus het gezelschap vaarwel zeggen, terwijl ik u alleen, bij wijze van toegift, nog vertellen wil, wat het gevolg was van den indruk door de verschijning van de gelauwerde Machteld op Huyghens gemaakt. Hoezeer hij door hare bevalligheid, haar geestig onderhoud, haar zang en snarenspel getroffen werd, getuigt de brief, dien hij, kort na zijne terugkomst te ’s-Gravenhage, aan Tesselschade schreef:Aen joffrouwTesselschade Visschers.Nieuw-getrouwde.Teere leerlingh van de Trouw,Onlancks Maeghd, onlancks vrouw,30Tesselschade, die uw gadeHebt gevonden, niet te spade,Hebt verbonden, niet te vroegh,Van de wonden die hy droegh;Heeft u noch in ’t nieuwe levend’ Oude vriendschap niet begeven,Huyst gy noch in uw gedachtDie die huysingh, als gepacht,In uw vriend’lickheit besaten,Doe ghy, eenigh by de straten,Eenigh t’ huys, en om uw beddMet de eenigheit besett,Spotte met des jongens toortsen31Die u doch met sijner koortsenOnafbiddelijcken brandt’ Uwer beurten heeft vermant?Zijt ghy noch bedenckens machtigh,Hoe de Herten, heet en jachtig,Na de beeck te koelen gaen,Die de min ten doele staan?Leent my dry der toover-woorden,Die soo menigh oor bekoorden,Dry aen ’t schoone Lauren-Hooft32Dat het mijne van my rooft...Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder,Seght haer hoe een Haeghse Herder....Onbewogen voor de vonkVan soo menig’ minne-lonck....Endelick de fiere schichtenVan haer’ ongemeene lichtenHeeft onmogelick gesiend’ Overwonnen borst te bien....Na vervolgens aan Tesselschade al de dwaasheden te hebben geschetst, tot welke de liefde hem vervoerd had, roept hij hare hulp in; zij toch heeft hem met Machteld in kennis gebracht; zij is er de schuld van, dat hij verliefd is geworden en moet hem dus tot „soete voorspraak” zijn, en zoo de juffer weten wil, wie het is, die naar hare hand vraagt, tot haar zeggen: dat het iemand is, den meer bezadigden leeftijd genaderd;—terwijl hij haar verder dit afbeeldsel van zichzelven in den mond geeft:’t Welgevall van schoone ledenSchreef hem niemand toe met reden:Aen het bruynen van sijn huytKijkt de Haeghse Herder uyt;Maer hy dunckt sich selfs te blosenAls de morgenstondsche roosen,Zedert hy den wederslaghVan haer oogh in ’t sijne sagh.Soo verlicht der Sonnen-luysterAller wegen alle duyster,Soo is heel den Hemel schoonOm het bij-zijn van de Goôn.Overwicht van gulde schijvenDie ’t ter wereld al bedrijven,Meer als noodelycke MuntHeeft sijn ster hem niet vergunt;Weinigh maeyen, weinigh ploegen,Klein besitt in groot genoegen,En dat middelmaetigh veel,Zijn gevallen tot sijn deel.Maar sijn nieuwe Min-gedachten,Heele dagen, halve nachten,Zijn sijn schatten in ’t gemoed,Daer hy ryck af heeten moet.Voorraet van gegeten letterenOm geleerde t’ overschett’ren,Schuylt er weinigh in sijn hoofd,Waer het evenwel geklooft.’t Waer vol letteren te vinden,Letteren, die harten binden,Maer met hope van gena,Soete lettren M. V. K.Sterre-stocken aen te stellenOm de fackelen te tellen,Om de keerssen ga te slaen,Die het Hemel-holl begaenZijn gesifte wetenschappenDie sijn herssenen ontsnappen,En de geesten van sijn ooghWeygeren haer vier soo hoogh;Maer twee helderer PlanetenZijn de doelen van sijn wetenEn de sterren die hij schietHooger hemel kent hij niet.Stemme-streelingh, snaren-krabb’ling,Is een konstelicke brabb’lingh,Die sijn handen en sijn keelNiet en kennen als ten deel,Maer, al stinckt het eigen roemen,Laura33kan sijn keel niet noemen.Of sy staet er af en triltAls een Eicken rijs in ’t wild;Snaeren kan sijn hand niet raecken,Die wat Laura’s-achtig kraecken,Of sijn vingers gaender af,Als een viervoet naer een draf.Daer dan hand en keel vergaeren,Laura zeggen al de snaeren,Laura kort en Laura langhZijn de Noten van sijn sangh.Verr en versch geraepte Rijmen,Regeldicht aen een te lijmen,Hooger sweven als ’t geberghtIs sijn pen te veel geverght;Kruypen kan hy, gaan en springenEn gelijcks der aerde singen;’t Water dat de Rijmers maeckt,Heeft sijn lippen noyt genaeckt.Maer de wel gevoeghde giften,Die den Hemel door de siftenEn het keurlijck onderscheidVan een’ milde gierigheidOver haer beminde kuyvenNederwaarts heeft laten stuyven,Kittelen sijn aandacht nauw;’t Vliegen wordt hem wel soo gaeuwAls de best-gewieckte vliegers(Dat ’s Poëtelickste liegers)En sijn afgevlogen dichtRijst hem selven uyt ’t gesicht.Seght haer dan, hy heeft den segenVan de schoonheit niet gekregen,Noch de geestelicke gonstVan gesogen Letter-konst.Sterren kan hij niet beroemenVan de seven een te noemenOp de Noten is hy schorr,Op de Snaren vinger-dorr;Rijmens is hy onervaerenAls de Ploeger in de baeren,Als de Zeeman in de Terw,Als de blinden in de verw.Evenwel ’t bevalligh wesen’t Rijck, het ruym-gelettert wesen,’t Spelen dat by geen en lijckt,’t Singen dat maer ’t uwe wijckt,’t Rijmen dat hy self kan achtenHoudt hij all’ van uwe krachten,Kont ghy ’t schepsel van uw’ sinMin vereeren als uw Min?—Schijnt sy na de min te hoorenVatse vaster bij die ooren,Seght haer dan als Alard sei’,Doe sijn krachtiger gevleiPerste door de koele korstenVan uw overvrosen borstenEn uw Ys-lijck’ ongenaDede doijen in een Ja.Dese sijn de scherpste pijlenDie wy samen konnen vijlen;Soo haer dan de tegenstandVan een herder Hert vermant:Tesselscha, hoe sal ick ’t herden?Ghy, vergeefsche Tolck te werden,En, oh armen, ick! en ick,Proye van mijn eigen strick.Sullen niet mijn eigen schachtenMet de woeckerloon van krachtenKeeren op het brosse blootVan de schutter diese schoot?Oh! ick spel het langh te voren,Lieve Tolck! ick sal ’t besmooren,’k Heb geen’ Lauwer op de mutsTegen sulcken blixem-bluts.Wil ’s haer dan in bloed vermaecken?Ja sy;—’k sie de dood genaecken.Neen sy; ’t is geen Maeghden-deughd;Ja sy; ’t is onnoosel’ vreughd;Neen sy; ’t Mocht haer namaels rouwen;Ja sy; Droefheit kan verkouwen:Neen sy; ’k heb het niet verdient;Ja sy; om een liever’ vriend.Oey! daer waggelt mijn vermoeyen;Tesselscha, om tijd te spoeyen;Korte moeyt voor langh bediet,Vraeght haer of sy wil of niet.Tesselschade mag zich met dezen brief vermaakt hebben, zij vond waarschijnlijk zich in de wittebroodsweken minder opgewekt, diente beantwoorden, en wellicht begreep zij, dat haar Allart die briefwisseling met een jongen vrijer, al vrijdde die ook naar eene andere, minder noodig achten zou. Had zij geen geheimen voor haren man, zij had die evenmin voor Hooft: zij liet hem den brief lezen en droeg hem de taak op, dien uit haren naam te beantwoorden. Dat antwoord begon aldus:Koelte van AntwoordtOp Vuur en Vlamvan den HeerConstantyn Huigens,34vorderende van JoffrouwTesselscha Visschers, nieuwgehouwde met den HeerAlaard van Krombalgh34, voorspraek bij JoffrouwMachtelt van Kapnem35.Nuchtre montje, minnevastert36Hoe komt u vrouw Venus bastert37Dus geloopen in het hooftDat u teffens zijn ontrooftLoddertong en troeteltaalen,En ghy willigs in moet haalenOm voor u te houden ’t woordt.Woorden krachtig om bezweeren,Quaadt van buitene te leeren,Zijn noit opgezocht door myUit Armidaas boekeryNoit en heb ik neus gestekenIn de snoo bibliothekenVan Médé of Circe. TrekOm van vlees te maken spek38Had ik noit. En zoo mijn gorgel,Dien ghy prijst als waer ’t een orgel,Iet kolachtigs heeft geseit,’t Moest mij wesen aangeweidt39Vastaartje, beleefde baasje,Wil je nu juist op een aasjeWeegen, wat ik my mishad,Toen ik u te bruiloft hadAan des Ys en Aamstels zoomen?Zeg me, wie zoud’ darren40droomen,Wie zoud’ darren denken, datOogenvlam zoud’ konnen vatOp uw schootvrij borstjen vinden?Hebben niet als duistre kleurenMogen uwen huit gebeuren,Neemt daer inne geen verdrietKoop en zal dat breeken niet.Vaaken zagh ik ’t meisjen tastenNaa de karssen bruinst van basten.’t Heeft zoo wel verstandt daar ofAls de grootsten van het hof.Heb je niet te veel van duiten,Dat doet meenigh huwlijk stuiten.Maat in geldtkas luidt zoo welNiet, als maat in zangkappel.Wil je jaagen zulk een wiltje,Laat haar, door uw gulden briltje,Niet kleen zandt of ander gruisOf de schoonheit van een muis,Maar tot onder in den rijkenWelgespekten geldkist kijken:’k Wed u, dat dukaat en kroonStraalen als mijn bruiloftstroon.Laat van geene zeedigheidenU altoos zoo ver verleiden,Dat ghy minder zegt als ’t isDat waar ’t heele doelhuis mis.Maar wie plagh dus voor te stuivenAls ik doe: die zoek te schuivenVan my huwlijkmaakers lastEn ik hylikmaak al vast....Venus kint, de looze stookerBetren pijl in uwen kookerVinden kan, dan ik u zenAl en waar het maar uw pen,Vleidt ghy my om Alaards vleyen41’t Meeste zeid’ hy als hy zweegh.’t Vuur en moet hem zeer niet bijten,Die zoo luide brand kan krijten?42Door een keel, daar hette in haart43Wil geen stemme bovenwaart,Dacht ik, in ’t gelaat van dezenKunnen enkele oogen leezenWat in ’t hart geschreven staet.Alaards woordeloose praatjeMeest heeft uitgekipt het jaatje....Dat wat lager dan mijn kropLagh als in een yrendop.Evenwel ik kan niet zeggen,Dat gy ’t ook zoo aan moet leggen.Hachelijk waar zulk een raadt.Wat weet ik hoe zij ’t verstaat,Ieder eene moet men zoekenNaar haar aangezicht te doeken,Mislijk oft zy waar gesteltOp wat woorden voor haar geldt.Vastaartjen, hoe ’t zal gelukkenZoudt my konst zijn uit te drukken.Altijd is het vraagen vryEn het weigren staat er by.Zou ze zulk een storrem afslaan:Neen ze: ziet gh’ haar voor zoo straf aanJaa ze: zy gelooft te laauwNeen ze: Vastaart is te gaauw.Jaa ze: z’ heeft geen zin in zoenenNeen ze: Minnezon doet groenen.Jaa ze: z’ hangt haar moeder aan.Neen ze: dat kan overgaan.Jaa ze: z’ is te jong van jaaren.Jaa z’: hy heeft der daegen veel.Neen ze: ’t is het passe scheel.Zoetjes; toef wat, nog een woordtjenIk u bijten moet in ’t oortjen,Dat myn hoofjes rammelradSchoontjes schier vergeten had.Spreekje ’t meisjen blond van haarenPast vooral haar te verklaaren,Klaarder dan ghy ’t my bediedt,Vastaart, oft ghy ’t meent oft niet.De scherts, welke Hooft zich onder Tesselschades naam jegens Huyghens veroorloofd had, smaakte dezen laatste maar half; althans aan het slot van een ander gedichtje, ’t welk hij haar iets later zond, verzocht hij haar vriendelijk, er Hooft buiten te houden:TesselschaedjeKameraedje,Die dit praetjeUyt mijn hertEn van binnenUyt het spinnenVan mijn sinnenHebt ontwert,Hebt het, hout het,Sluyt, ontvouwt het,Siet, aenschouwt hetAls belooft,Maar, bewogenUyt medoogen,Sonder d’ oogenVan uw Hooft.Of hij nu bij de schoone Machtelt een blauwtje liep, dan of hij zich voorzichtig in tijds terugtrok, toen hij bemerkte, dat een ander in haar hart reeds de plaats had ingenomen, weet ik niet; zeker is het, dat hij, om van de zaak met eere af te komen, die later als eene grap behandelde, en boven zijn brief aan Tesselschade, eer die in ’t licht kwam, het woordJockplaatste.Wat de blonde Machtelt betreft, wel had ik gewenscht dit hoofdstuk te kunnen sluiten met de vermelding, hoe zij den man harer keuze huwde en eene gelukkige gade en moeder werd.—Maar helaas! het was anders beschikt: zij stierf toen de Mei in het land kwam, als verloofde: gelijk wij uit de navolgende aandoenlijke regels van Vondel leeren:De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk,O Maghtelt, toen zy u benyde ’t jeughdig blosen.Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck,Maar blancke lelie, och! in ’t midden van de roosen,Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen,Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop.Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen,’t Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.Aanteekening.Na het schrijven van dit hoofdstuk vond ik mijn vermoeden, dat als getuige bij Tesselschades huwelijk hare getrouwde zuster Truitje zou zijn opgetreden, bevestigd door het navolgende uittreksel uit het Puiboek, mij door mijnen geachten vriend, den Stads-archivaris Scheltema, medegedeeld:Puiboek No. 9.1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende, geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out 28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers, haar suster, op de Geldersche kai.(Get.) Allart Janszoon Crombalch.Tesselscha Roemers Visschers.Men kan uit dit voorbeeld wederom zien, hoe weinig men zich om de spelling der namen en om de rechte qualificatie bekommerde. Van Truitje wordt o. a. niet eens gemeld, dat zij getrouwd is, evenmin als dit plaats heeft in de volgende aanteekening uit hetzelfde Puiboek, betreffende Anna’s huwelijk.12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.(Get.) D. v. Wesell 1624.Anna Roemers.Opmerkelijk is het, dat in de eerste huwelijks-aanteekening alleen de leeftijd van de Bruid, en in de tweede alleen die van den Bruigom vermeld wordt.De lezer zij wijders verzocht op de eerste bladz. van dit hoofdstuk voor „deneerstenNovember” te lezen „dentwintigstenNovember.” 1 November had de aanteekening, 20 Nov. het huwlijk plaats, als het bruiloftsvers van Hooft ons leert.Ik zal ook nu wederom het verwijt niet ontgaan, mij, gelijk mij ter ooren is gewaaid, meer gedaan, dat ik gemakshalve mijne opstellen, in plaats van met eigen werk, met verzen van anderen opvulde. Ik geloof echter, dat wie eerlijk denkt en bovendien eenigen goeden smaak bezit, mijne handelwijze aan betere motieven toeschrijven en niet af zal keuren. Die gedichten, door mij geheel of ten deele opgenomen, zijn de bronnen, waaruit ik mijn tafereel geput heb: ’t zijn mijne justificatoire bescheiden; vergenoegde ik mij, met er naar te verwijzen, ik zou den lezer noodzaken, om, tot recht verstand van mijn geschrijf een half dozijn boeken bij de hand te hebben en gedurig op te slaan. Maar bovendien strekken die brokken uit Hooft, Vondel, Huyghens enz. minder nog tot toelichting van mijn opstel, dan wel omgekeerd.—Velen (ik zelf tot nog voor korten tijd) hebben die brokken nimmer met dat genot gelezen, hetwelk alleen dan gesmaakt kan worden, wanneer men ze onderling in verband gebracht en daardoor recht heeft leeren begrijpen. Nu wellicht zal menigeen, die ze tot nog toe of niet of maar vluchtig gelezen had, zich wellicht door de uittreksels, die ik geef, aangespoord gevoelen, om ze eens meer opzettelijk in ’t oorspronkelijke te gaan nalezen, en zoowel zijne kennis van de zeden, de toestanden en het onderling verkeer—als zijn smaak voor de echte, gezonde, krachtvolle letterkunde van die dagen—zal niet anders dan er bij kunnen winnen.—Dat is mijn wensch; wordt die vervuld, dan zie ik mijn doel bereikt.

Wij zetten onze wandeling voort, en, op den Eersten November van ’t jaar 1623 het Damrak ten einde gekomen zijnde, slaan wij rechtsom, de „Uiterste” of „Nieuwe Brug” over. De nieuwe huisjes, die hier de zware (voor vijf jaren weggebroken) Sint-Olofspoort vervangen, aan de rechterzijde latende, vervolgen wij onzen weg langs de kaai, die, onder den naam van „Houttuinen,” zich uitstrekt langs het IJ. Aan den „Schreiers-hoek” en „-toren” gekomen, houden wij altijd rechts en volgen de kaai,met groene boomen beplant, langs de gracht, die voorheen de „Uiterste” of „Stedegraft” geheeten werd. Zij heeft dien naam echter afgelegd, sedert het buitendijksch land aan de overzijde meer en meer betimmerd werd, en de kaai wordt nu, naar de vaartuigen, tot wier gewone ligplaats zij verstrekt, de „Geldersche Kaai” genoemd. De overzijde, vroeger de timmerwerf van de vloot, is gedurende de laatste vijf-en-twintig jaren dicht met huizen bezet en met straten en stegen doorsneden. Geen anderen toegang heeft zij vooralsnog met de eigenlijke stad, dan door de kleine Waterpoort, over de brug van dien zelfden naam, die wij voor ons zien. Maar zoover reikt onze wandeling niet. Wij staan stil voor eene woning, die, even voorbij Schreiershoek, zich door hoogte, breedte en bouworde voordeelig van de belendende huizen onderscheidt. De hooge voorgevel is van roode baksteenen opgebouwd, smaakvol afgewisseld met gele tufsteenen en, waren wij hier slechts eene maand vroeger gekomen, wij zouden dien geheel verscholen zien achter de groene en breede wingerdbladeren; slechts enkele en thans verdorde zijn er van overgebleven aan de ranken, die, oprijzende uit den houten koker, binnen welken de stam vervat en tegen schade beveiligd is, zich op de hoogte der eerste verdieping naar alle zijden uitbreiden, en, zich om en langs de vierkante kruisramen heenslingerende, in ’t najaar de bewoonsters der bovenkamers op het plukken van hare gouden trossen schijnen te noodigen11.

Het onderhuis is geheel bekleed met een houten beschot: fraaie houten pilasters rijzen aan weerszijden van de deur en tusschen de vensters, en torsen eene kroonlijst met keurig beeld- en snij- enlofwerk voorzien. Niet minder sierlijk gesneden is het lijstwerk, dat de ramen omvat, en keurig van uitvoering is het beeldje, dat, boven de deur prijkende, eenvisschervertoont, doch blijkbaar niet een van de gewone soort; althans uit het schepnet, dat hij, omgekeerd, in de linkerhand houdt, stort hij geen visschen, maar muntspeciën in een open koffer uit, en zijn vischwant ligt, aan denzelfden kant, heengeworpen over balen, vaten en koopmansboeken; terwijl, rechts van hem, allerlei zinnebeelden van kunst en wetenschap op elkander zijn gestapeld en hij met de rechterhand eenroemeromhoog heft. Dit fraaie beeldhouwwerk, evenals het geheele onderhuis, door een groene luifel beschut, zinspeelt op den naam des laatsten bewoners, en kondigt ons aan, dat wij, wanneer wij langs de drie blauwe stoepsteenen de deur zijn binnengetreden, ons bevinden

in ’t saligh Roemers huys,Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesletenVan Schilders, Kunstenaers, van Sangers en Poëten.

in ’t saligh Roemers huys,

Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesleten

Van Schilders, Kunstenaers, van Sangers en Poëten.

Ik zeg het „saligh Roemers-huys;” want de man, die zijn naam aldus in den vorm van eenrebusboven zijne deur heeft laten beitelen, Roemer Visscher, is niet meer: voor drie jaren is hij, tot smart van allen, die hem kenden, overleden.

Maar het is niet in het huis des rouws, dat ik u thans wil inleiden: integendeel, de rouw is geweken en alles kondigt vreugd en vroolijkheid aan. Voor de stoep prijkt eene eerepoort van sparretakken, hulst en nimmerdor, bestoken met oranje-appels en vlaggen van papier en klatergoud, en saamgebonden met veelkleurige linten: en van die eerepoort hangt in ’t midden eene sierlijke kroon af, waar, al moge het welriekende gebloemte der Junimaand er aan ontbreken, toch geen bontgekleurde bloemen falen, uit gaas, wit papier en andere stof op ’t kunstigst vervaardigd. Festoenen en vlaggedoek zijn om de deur geslingerd, die openstaat en ons het gangportaal doet zien, waar twee gouden naamcijfers, in een wit ovaal, ons tegenblinken. De straat, aan weerszijden is (nietzwartgelijk men in de 19eeeuw zal zeggen, als eene afschuwelijke mode de mannelijke sekse bijna uitsluitend in effen donkere kleederdracht zal gestoken hebben, maar)bontvan menschen: net gekleede buurkinderen, met blozende wangetjes, staan gereed, het Bruidspaar, als ’t van ’t kantoor van Huwelijkszaken terug zal keeren, met loovertjes, suikererwten enspeculatiete bestrooien; want de Bruid, die verwacht wordt, is de jongste dochter uit den huize, is Maria Tesselschade, Roemer Visschers dochter.

Al behooren wij niet tot de genoodigden, en al is het nu een dag, waarop zelfs de gulheid van den „ronden Roemer,” die aan elken beschaafden bezoeker een welwillend onthaal waarborgde, geene anderen, dan die tot het feest behoorden, zou hebben kunnen toelaten, wij maken gebruik van den tooverstaf der verbeelding, die elken toegang voor ons opensluit en niet gedoogt, dat er iets voor ons verborgen blijve: wij treden de lange gang ten einde en eeneachterkamer binnen, waar reeds een aanzienlijk deel der gasten vergaderd is en de komst van het Bruidspaar verbeidt.

Wij zullen met die gasten, althans met velen onder hen, nader kennis maken: maar vooraf willen wij een blik om ons heen slaan.

Reeds in gewone dagen levert de kamer bijzonderheden genoeg op, om ons eenige uren met het beschouwen daarvan bezig te houden. Ik spreek niet alleen van de roode gordijnen van kostbaar kroonsaai, die voor de langwerpige boogvensters hangen, met kleine in lood gevatte, rijk beschilderde ruiten: van de fraai gebeeldhouwde kolommen, die de hooge schouw steunen, boven welke een keurig fruitstuk van Adriaan Van Utrecht prijkt: noch van de sakredaanhouten glazenkast met keurig porselein; meer nog dan een en ander verdient dit trezoor uwe opmerking, waarop fijne roemers prijken, door de kunstvaardige handen der dochters van den huize op ’t bevalligst gesneden en met opschriften versierd: en die beeldjes en vruchten, door haar uit was geboetseerd: en, aan den wand, dat borduurwerk inebbenhoutenlijsten, en die teekeningen of schoonschriften, waarmede zij vroeger haren vader op menigen geboortedag hadden verjaard. Ook het afbeeldsel van den vader prijkt er; dat rustig en krachtvol wezen, waar goedhartigheid en schalksch vernuft op zijn vermengd: en naast het zijne hangen de afbeeldsels van zijne vrienden, en herkent men het diep gegroefde gelaat van den geleerden vriend en medestrijder van Willem I, Dirk Volkertsz Coornhert, en de fijne aristocratische trekken van den classiek-gevormden koopman, Hendrik Laurenszoon Spieghel.—Maar voor dat alles en nog meer, dat de pronkzaal bevat, wij hebben er thans geen oog voor; want deze dag is, als wij reeds zeiden, een buitengewone: de zwart en wit geruite marmeren vloer is bestrooid met loovertjes en winterbloempjes, acht festoenen van groen en gebloemte zijn met het eene einde vastgemaakt aan krammen, in de bovenhoeken van het vertrek, en aan het midden van elke bovenlijst geslagen, terwijl de andere einden zich vereenigen aan een knop, op korten afstand van den wand in de zoldering bevestigd: en van dien knop hangt, vlak tegenover den schoorsteen en voor den grooten Venetiaanschen spiegel met kristallijnen rand, een zware kroon van goud en gebloemte, met zijden linten doorstrikt, boven eene kleine verhevenheid, waarop, in een prachtig getooiden armstoel, de Bruid „te pronk” zal zitten—gelijk de gewone uitdrukking luidt.—Nemen wij de gelegenheid waar, om, zoolang die „bruidstroon” nog ledig blijft, het oog te slaan op de aanwezige gasten, die de komst der nieuwgetrouwden verbeiden, en aan welke inmiddels, door net getooide Juffers, speelnooten der Bruid, hippocras en hylikmaker12wordt aangeboden.

Bont en gemengd is doorgaans toch het gezelschap, wanneer, gelijk ten deze het geval is, Bruid en Bruidegom in verschillende plaatsen te huis behooren, en zonder dat de wederzijdsche familiënmet elkander in betrekking staan. Maar bont vooral en gemengd zou in elk geval het gezelschap op het feest van eene der dochters van Roemer geweest zijn, ten gevolge van de uiteenloopende soort harer kennissen. Het huis van Roemer toch was vanouds eene soort van vrij territoir, waar ieder, welke ook zijne politieke of godsdienstige denkwijze was, welkom werd geheeten, en alleen zij uitgesloten, die zichzelven en anderen tot last en verveling waren. Roemer Visscher toch en de zijnen waren aan de leer hunner vaderen getrouw gebleven, maar daarom had hij zich niet, na den omkeer van zaken, zooals velen onder zijne geloofsgenooten, teruggetrokken uit den omgang met hen, die anders dachten als hij. Hij was een veel te groot minnaar van de fraaie letteren zoowel als van het beoefenen en opbouwen der moedertaal, en bovendien van te gezelligen aard, om, waar het lieden betrof, wier wetenschappelijke richting met de zijne overeenstemde, of wier tegenwoordigheid zout en leven aan het onderhoud gaf, die, in één woord, gereed waren met hem (om de taal zijner eeuw te spreken) offers aan Apollo en de Muzen te brengen, af te vragen of zij tot de Oude Geuzen of tot de Pausgezinden behoorden. Daarom ontbraken thans ook genen zoomin als dezen, nu het er op aan kwam, debruidstranenzijner geliefde dochter te komen—drogen, had ik haast gezegd; ik meen—opdrinken. Zie maar dien krassen zes-en-zeventiger, met zijn doordringenden blik, zijn scherpgeteekenden neus en kortaf gebiedenden toon, die daar in gindschen hoek een roemer hippocras aanneemt, hem door een bekoorlijk blond maagdelijn aangeboden: dat is de eerste openlijke verdediger van het stelsel, waarvan het uitvoeren hem voor vijf jaren zijne plaats in de vroedschap en aan ’s Lands Advocaat het hoofd gekost heeft—Cornelis Pieterszoon Hooft, oud-geus, rederijker, maar vooral Amsterdammer in zijn hart: en de man met wien hij zich onderhoudt is—zijn gewaad, hoe deftig, ja stemmig, zou ’t ons niet verraden—een Roomsch-Katholiek Priester;—maar die Priester is Jan Albert Ban, tevens rechtsgeleerde, en bovendien—wat hem hier zoo welkom wezen doet—wijdberoemdmusicus; een man, die, als Vondel van hem zingt,

In ’t barnen van den twistEn stryt van ongelijcke klanckenOns hooren laet den lieven paisDer Engelen in Godts pallais.

In ’t barnen van den twist

En stryt van ongelijcke klancken

Ons hooren laet den lieven pais

Der Engelen in Godts pallais.

Een ander Roomschgezinde, de Haagsche Advocaat Gysbert Corneliszoon Plemp, staat wat verder, in levendig gesprek gewikkeld met de schoone en lieftallige kasteleines van Muiden, Christina Van Erp: en zij herinnert hem, hoe hij ook hare bruiloft met den Drossaard bijgewoond en met een gedicht heeft opgeluisterd: jammer maar, denkt zij er bij, dat het in ’t Latijn was. Ook de Drossaard zelf bevindt zich in de nabijheid en ook hij drukt de hand aan een Katholiek, den Advocaat Vechters, zoo beroemd als taalvorscher en om zijne rijke boekverzameling. In dien anderen hoek wedijvertDr. Samuel Coster, de reeds bedaagde Academist, met den jongen en vroolijken Daniël Mostert—die in ’t vorige jaar tot Secretaris der stad is aangesteld, en wiens kittelend vernuft aan den naam beantwoordt dien hij draagt—wie ’t meest de Juffers, die om hem staan, door kwinkslagen en kluchtige gezegden een lachje afpersen, ja nu en dan een blos op de wangen zal jagen.

Zeer verschillend, wat maatschappelijken toestand, rang en betrekking aangaat, zijn de twee personen, die daar in een levendig gesprek gewikkeld zijn: de een, met dat geestig en levendig oog, met die innemende gelaatstrekken en dien zwier in houding en gebaren, die den man der meest verfijnde beschaving kenmerkt, heeft op veertigjarigen leeftijd reeds eene schitterende loopbaan gehad, en reeds Oost-Indië als Gouverneur-Generaal bestuurd; de andere, iets jonger dan hij, met een thans eenigszins bleek en ziekelijk voorkomen, dat zijne fonkelende adelaarsoogen des te meer doet uitkomen, is eenvoudig een welgesteld winkelier in de Warmoesstraat;—maar toch zijn Laurens Reael en Joost Van den Vondel vrienden; ja broeders, vereenigd door gelijkheid van smaak en gemeenschappelijken taal- en letterarbeid. Hun beider reeds bejaarde vriend, de koopman en kunstmeceen Laurens Baeck, voegt zich bij hen: hij heeft zijne hofstede Schey-Beeck in de Beverwijk verlaten, om met zijne bekwame zoons Justus en Jacob en zijne bevallige dochters Katharina en Debora het trouwfeest der pupil van hun vriend Hooft te komen bijwonen.

Nevens Jacob Baeck bemerkt gij diens boezemvriend, den drie-en-twintigjarigen Willem Van den Vondel, met wien hij redeneert over een voornemen, dat zij hebben opgevat, om te zamen het klassieke land der kunst, het schoone Italië te gaan bezoeken. Met zeldzame gaven des verstands en des harten toegerust, is Willem Van den Vondel steeds de lust en de vreugd geweest, eerst van zijns vaders huis en later van allen, die hem kenden, maar vooral is hij de lieveling van zijn ouderen broeder, die, zij het ook al te nederig, aan al wie ’t hooren wil verklaart, „dat Willem hem verre overtreft.” De zooveel belovende jongeling zal die reize naar ’t verre Schiereiland doen; maar helaas! om nimmer in zijn vaderland terug te keeren.

Doch wie is die andere jongeling, slechts weinig ouder dan pas genoemden en die, meer dan zij, ja, meer dan vele mannen van jaren en gezag, hier de aandacht der aanwezigen en niet het minst die der jufferschap tot zich trekt? Zijne rijke en hoofsche kleedij is naar den allerlaatsten smaak, doch wordt met zooveel gemak gedragen, dat men terstond den man herkent, die zich zwierig kleedt, omdat zijn stand het medebrengt en niet, omdat hem zijn snijder aldus heeft opgeschikt. Zijn bruin gelaat kan wel niet schoon genoemd worden, doch het tintelt van geest en leven: en in stem, in spraak, in manieren spreidt hij dat bevallige, dat innemende, dat echt hoffelijke ten toon, ’t welk noch goud, noch hooge betrekkingen, noch al de moeite, die men aanwendt, kunnen verschaffen aan hem, wien het van natuur niet eigen is. Zie! daar spreekt hij metde juffers over Fransche modes, overmenuetten, pavanesensarabandes, terwijl Debora Baeck aan eene van hare kaartjes13ronduit verklaart, nooit een danser te hebben gehad, die netter passen maakte en beter in de maat bleef; of wel, hij redeneert over muziek, en meester Dirk Swelinck, de wijdberoemde organist, vertelt overluid, dat hij zelden bij een liefhebber meer kennis van het vak bij meer voortreffelijkheid van uitvoering gevonden heeft. Maar daar komt ’s Legers Opperwachtmeester Wijts, een der helden uit den vrijheidsoorlog en der bekwaamste krijgskundigen uit zijn tijd, onzen jongeling in ’t gemoet, drukt hem de hand en doet hem een paar vragen aangaande ’t beleg van Bergen-op-Zoom: en de ander antwoordt daarop, zonder zich te bedenken, met een zaakkennis, die, aan wie hem niet kennen, al licht zou doen gelooven, dat hij een krijgsman is van beroep. Intusschen acht de grijze Burgemeester De Vlaming van Oudshoorn het de moeite wel waard, van de gelegenheid gebruik te maken, die zich voordoet, om een woordje over staatkunde te wisselen. Hij treedt naar onzen jonkman toe, en, hem met meer eerbiedigheid aansprekende dan men in iemand van zijn stand en achtbaarheid tegenover een jongen spring-in-’t-veld verwachten zou, veroorlooft hij zich een paar „bescheiden vragen” aangaande het vermoedelijk doel der zending, die de Heer Gramaye vanwege Keizer Ferdinand bij de Heeren Staten volbrengen komt. Op zedigen toon, maar zonder aarzeling, geeft de jongeling de verlangde inlichtingen, ja treedt daarbij in bijzonderheden, die genoeg bewijzen, dat hij aan een goed geheugen een helder doorzicht paart en den sluier weet op te lichten, waaronder de diplomatie haar geheimen zoekt te verbergen;—nauwelijks heeft hij aan de weetgierigheid van den Burgemeester voldaan of Plemp klampt hem aan boord, om over een paar onlangs verschenen emendaties op Virgilius te spreken en Pieter Corneliszoon Hooft, zijn slag waarnemende, duwt hem een dichtgevouwen papier in de hand en bijt hem in ’t oor: „ziehier het sonnet, waar ik u over gesproken heb. Wees zoo goed het eens in te zien en te betuttelen14waar ’t noodig zijn mocht.”

De jongeling, die evengoed in de dans-, muziek-, krijgs- en staatkunst te huis is als in de oude en nieuwe letteren, die in vlugheid van vernuft, schranderheid van oordeel, blijmoedigheid van geest en voortreffelijkheid van inborst voor geen der hier aanwezigen onderdoet, en die eenmaal als geheimschrijver van drie vorsten uit het huis van Oranje en niet minder als kernachtig dichter zich een beroemden naam zal weten te verschaffen, is de Hagenaar Constantijn Huyghens.

Was het wonder, dat hij de hofstad verlaten had om het bruiloftsfeest van Tesselschade te komen vieren? Reeds voor een jaar of vijf had hij de kennis met Roemers dochter op ’t Huis te Muiden gemaakt en tusschen hen was eene vriendschap ontstaan, gelijkmen zelden tusschen lieden van verschillende kunne aantreft, en die hun geheele leven duren zou. Hiervan getuigde o. a. het gedichtje, dat hij aan de gezusters geschreven had, in dank voorsuikerpeen.

Gesonde peen,Ik vatt’ de reênVan uw geschenck:’t Is met een wenckSmaecklijk bewezen;De wortel soet,De vrucht moet goetEn heilsaem wezen.Op eer en deughdStond d’ eerste vreughdVan ons vergaeren:Al wat der jaerenKnoop en gespannTot noch daer vanHeeft uytgegevenEn bij ons levenUytgeven moet,Sal goed en soetEn heylsaem wesen.Vriend’lick paar Weesen,Dit is ’t beduydVan mijn besluytUyt uwe gaven:Daer ick begravenEn ghy tot stoffSult wederkeeren,Sal deze lofOns graf vereeren,Hier light C. H.En TesselschaEn Anna, d’ eerste.Die elck om ’t seersteMet schrift en praet,Met wensch en daed,Haer vriendschap sloten:Vriendschap gesprotenUit grond en reênAls suycker-peen.

Gesonde peen,Ik vatt’ de reênVan uw geschenck:’t Is met een wenckSmaecklijk bewezen;De wortel soet,De vrucht moet goetEn heilsaem wezen.Op eer en deughdStond d’ eerste vreughdVan ons vergaeren:Al wat der jaerenKnoop en gespannTot noch daer vanHeeft uytgegevenEn bij ons levenUytgeven moet,Sal goed en soetEn heylsaem wesen.Vriend’lick paar Weesen,Dit is ’t beduydVan mijn besluytUyt uwe gaven:Daer ick begravenEn ghy tot stoffSult wederkeeren,Sal deze lofOns graf vereeren,

Gesonde peen,

Ik vatt’ de reên

Van uw geschenck:

’t Is met een wenck

Smaecklijk bewezen;

De wortel soet,

De vrucht moet goet

En heilsaem wezen.

Op eer en deughd

Stond d’ eerste vreughd

Van ons vergaeren:

Al wat der jaeren

Knoop en gespann

Tot noch daer van

Heeft uytgegeven

En bij ons leven

Uytgeven moet,

Sal goed en soet

En heylsaem wesen.

Vriend’lick paar Weesen,

Dit is ’t beduyd

Van mijn besluyt

Uyt uwe gaven:

Daer ick begraven

En ghy tot stoff

Sult wederkeeren,

Sal deze lof

Ons graf vereeren,

Hier light C. H.En TesselschaEn Anna, d’ eerste.Die elck om ’t seersteMet schrift en praet,Met wensch en daed,Haer vriendschap sloten:Vriendschap gesprotenUit grond en reênAls suycker-peen.

Hier light C. H.

En Tesselscha

En Anna, d’ eerste.

Die elck om ’t seerste

Met schrift en praet,

Met wensch en daed,

Haer vriendschap sloten:

Vriendschap gesproten

Uit grond en reên

Als suycker-peen.

Reeds vroeger, bij den dood van haren vader, had hij aan het „vriendelijk paar Weesen” een aandoenlijken troostbrief in verzen geschreven, haar bemoedigende met het denkbeeld, dat Hooft haar voortaan tot een voogd en tweeden vader verstrekken zou: en nu een jaar geleden schreef hij uit Londen, waar hij zich bevond als Gezantschaps-Secretaris, een anderen berijmden brief aan ’t waardige drietal, zijn vurig verlangen uitdrukkende om hen terug te zien.

Hoe weinig het echter gefaald had, of hij zou door het slechte weer verhinderd zijn geweest de reis naar Amsterdam te ondernemen, blijkt uit de volgende dichtregelen, die Tesselschade weinige dagen geleden van hem ontvangen had:

Tesselschade,Die uw gadeNiet te spade,Niet te vroeghHebt gevondenEn verbondenVan de wonden,Die hij droegh,Wees te vredenMet de reden,Die my hedenSeggen doet:Bruiloftslusten,Laet my rusten,Daar ick rust enRusten moet.Stuersche buyen,Die zich ruyenTegen ’t Zuyen,Tegen ’t West,Hoor ik schreeuwenDoor het sneeuwen:Zomer-spreeuwenHoudt uw nest............Had de Son enLucht begonnenWeer te gonnen’t Soet gelachVan de haegenEn te traegen’t Wintrigh jaeghenVan den dagh,’k Waer geschapenVreughd te rapenVan ’t begaepenVan uw feest,En het pronckenVan uw lonckenTot ontfonckenVan mijn geest.Maar ’t benijdenDeser tijdenMoet ik lijdenMet geduld;’t Zijn geen trekenOm te wrekenWoord te brekenSonder schuld.Oh! hoe vliegh ik,Hoe bedriegh ick,Hoe beliegh ick,Mijn gemoed!’k Wil der wesen,Alle vreesenSijn geresenUyt mijn bloed.Swackheit, lijden,Winter-tijden,Die ick mijdden,Staet van kant.Wech vervarenVoor het baeren15Van de baeren:’k Wil van land.Gae ick? Stae ick,16Neen ick? Ja ick:Emmers gae ik;Neen ick, noch.17Ja ick, meen ick.Weer versteen ick.18Gae ick? neen ick.Ja ick, toch.

Tesselschade,Die uw gadeNiet te spade,Niet te vroeghHebt gevondenEn verbondenVan de wonden,Die hij droegh,

Tesselschade,

Die uw gade

Niet te spade,

Niet te vroegh

Hebt gevonden

En verbonden

Van de wonden,

Die hij droegh,

Wees te vredenMet de reden,Die my hedenSeggen doet:Bruiloftslusten,Laet my rusten,Daar ick rust enRusten moet.

Wees te vreden

Met de reden,

Die my heden

Seggen doet:

Bruiloftslusten,

Laet my rusten,

Daar ick rust en

Rusten moet.

Stuersche buyen,Die zich ruyenTegen ’t Zuyen,Tegen ’t West,Hoor ik schreeuwenDoor het sneeuwen:Zomer-spreeuwenHoudt uw nest.

Stuersche buyen,

Die zich ruyen

Tegen ’t Zuyen,

Tegen ’t West,

Hoor ik schreeuwen

Door het sneeuwen:

Zomer-spreeuwen

Houdt uw nest.

...........Had de Son enLucht begonnenWeer te gonnen’t Soet gelachVan de haegenEn te traegen’t Wintrigh jaeghenVan den dagh,

...........

Had de Son en

Lucht begonnen

Weer te gonnen

’t Soet gelach

Van de haegen

En te traegen

’t Wintrigh jaeghen

Van den dagh,

’k Waer geschapenVreughd te rapenVan ’t begaepenVan uw feest,En het pronckenVan uw lonckenTot ontfonckenVan mijn geest.

’k Waer geschapen

Vreughd te rapen

Van ’t begaepen

Van uw feest,

En het proncken

Van uw loncken

Tot ontfoncken

Van mijn geest.

Maar ’t benijdenDeser tijdenMoet ik lijdenMet geduld;’t Zijn geen trekenOm te wrekenWoord te brekenSonder schuld.

Maar ’t benijden

Deser tijden

Moet ik lijden

Met geduld;

’t Zijn geen treken

Om te wreken

Woord te breken

Sonder schuld.

Oh! hoe vliegh ik,Hoe bedriegh ick,Hoe beliegh ick,Mijn gemoed!’k Wil der wesen,Alle vreesenSijn geresenUyt mijn bloed.

Oh! hoe vliegh ik,

Hoe bedriegh ick,

Hoe beliegh ick,

Mijn gemoed!

’k Wil der wesen,

Alle vreesen

Sijn geresen

Uyt mijn bloed.

Swackheit, lijden,Winter-tijden,Die ick mijdden,Staet van kant.Wech vervarenVoor het baeren15Van de baeren:’k Wil van land.

Swackheit, lijden,

Winter-tijden,

Die ick mijdden,

Staet van kant.

Wech vervaren

Voor het baeren15

Van de baeren:

’k Wil van land.

Gae ick? Stae ick,16Neen ick? Ja ick:Emmers gae ik;Neen ick, noch.17Ja ick, meen ick.Weer versteen ick.18Gae ick? neen ick.Ja ick, toch.

Gae ick? Stae ick,16

Neen ick? Ja ick:

Emmers gae ik;

Neen ick, noch.17

Ja ick, meen ick.

Weer versteen ick.18

Gae ick? neen ick.

Ja ick, toch.

’t Bleef dusja, en het werd nog nader door een tweede brief bevestigd:

Winter-dagen,Die de slagenVan de vlagenEn de machtVan de windenSchijnt te binden,Daar men in denHaeg op wacht.Sendt het raesenVan dit blaesenOver Maes enOver Schelt:Laat de VeerenVan de Meeren19t’ Mijner eerenOngequelt.Laat de schuerenOnser BuerenWat besuerenVan uw kouw,Laat se lipp’ enTanden klippenMet de slippenIn de schouw.20OnderwijlenSal ick ijlenAls de pijlenNa den Doel,21AfgezondenNa de grondenVan den Ponden-rijcken poel.22Zijn uw’ ooren23Niet te hoorenTot verhoorenVan mijn bee?Soud’ ick sollenTegen ’t rollen,Tegen ’t grollenVan de zee.’k Sal uw baerenEer ontvaeren,Danck het SparenEn het pad,Dat den wagenEn de slagenKan verdragenVan het rad.24

Winter-dagen,Die de slagenVan de vlagenEn de machtVan de windenSchijnt te binden,Daar men in denHaeg op wacht.

Winter-dagen,

Die de slagen

Van de vlagen

En de macht

Van de winden

Schijnt te binden,

Daar men in den

Haeg op wacht.

Sendt het raesenVan dit blaesenOver Maes enOver Schelt:Laat de VeerenVan de Meeren19t’ Mijner eerenOngequelt.

Sendt het raesen

Van dit blaesen

Over Maes en

Over Schelt:

Laat de Veeren

Van de Meeren19

t’ Mijner eeren

Ongequelt.

Laat de schuerenOnser BuerenWat besuerenVan uw kouw,Laat se lipp’ enTanden klippenMet de slippenIn de schouw.20

Laat de schueren

Onser Bueren

Wat besueren

Van uw kouw,

Laat se lipp’ en

Tanden klippen

Met de slippen

In de schouw.20

OnderwijlenSal ick ijlenAls de pijlenNa den Doel,21AfgezondenNa de grondenVan den Ponden-rijcken poel.22

Onderwijlen

Sal ick ijlen

Als de pijlen

Na den Doel,21

Afgezonden

Na de gronden

Van den Ponden-

rijcken poel.22

Zijn uw’ ooren23Niet te hoorenTot verhoorenVan mijn bee?Soud’ ick sollenTegen ’t rollen,Tegen ’t grollenVan de zee.

Zijn uw’ ooren23

Niet te hooren

Tot verhooren

Van mijn bee?

Soud’ ick sollen

Tegen ’t rollen,

Tegen ’t grollen

Van de zee.

’k Sal uw baerenEer ontvaeren,Danck het SparenEn het pad,Dat den wagenEn de slagenKan verdragenVan het rad.24

’k Sal uw baeren

Eer ontvaeren,

Danck het Sparen

En het pad,

Dat den wagen

En de slagen

Kan verdragen

Van het rad.24

Maar, nu wij de gasten, immers de voornaamste onder hen, in oogenschouw hebben genomen, wordt het tijd een blik te slaan op haar, die eigenlijk in de eerste plaats onze belangstelling, althans onzen groet verdiend had, op haar, die den last der bezorging van het feest op zich genomen heeft, en ons tot harent ontvangt, op Anna Roemers.

Tien jaren ouder dan Tesselschade en dus reeds in haar veertigste jaar getreden, is Anna nog immer in de volle pracht eener schoonheid, die van geen verwelken schijnt te weten, nog immer

De roem van haren tijd, waar Roemer op mocht roemen.

De roem van haren tijd, waar Roemer op mocht roemen.

Vreemd moge het schijnen, dat eene zoo bevallige, zoo rijk begaafde vrouw tot heden ongehuwd gebleven is; maar, zoo zij nog geen plichten als echtgenoote te volbrengen heeft, het is alleen daaraan toe te schrijven, dat tot heden andere plichten op haar rustten: eerst de verpleging van haren vader en het bestier over diens huis: later, na zijn dood, de gehechtheid aan hare jongste zuster, bij wie zij eenmaal de rol eener moeder vervuld had en ook nu nog bleef vervullen, al was het kind voorlang opgegroeid tot maagd en nu reeds haar derde kruis nabij. Maar thans staat die zuster op het punt het ouderlijke huis voorgoed te verlaten en zich met haren gemaal elders neder te zetten: en thans heeft ook Anna begonnen te gevoelen, dat het niet goed is voor den mensch, alleen te zijn. Reeds is haar hart, weldra wordt ook hare hand weggeschonken aan den zoon uit een aanzienlijk Dordtsch geslacht, doch zelf in ’t Noorden van West-Friesland gevestigd; aan Dominicus Booth Van Wesel, wiens kennis zij te Alkmaar gemaakt had, toen zij aldaar met hare zuster het gezin van diens verloofde bezoekenging, en zij zal hem volgen om hem gelukkig te maken en, door geheel Nederland bij voortduring vereerd, nog als zestigjarige vrouw om hare zeldzame gaven en bevallig voorkomen en minzaamheid, den geleerden Puteanus te Leuven en diens gezin in verrukking te brengen en door hem als eene tiende Muze te worden afgeschilderd.

Maar hoor!—een gedruisch ontstaat daar buiten: een geluid van vedels en fluiten klinkt van uit een zijvertrek, waar de muzikanten vereenigd zijn: al de gasten geraken in beweging, zien naar de deur en scharen zich rechts en links om den vrijen doortocht te laten aan het jeugdige paar, dat, vergezeld van zijne getuigen, teruggekeerd is van ’t Stadhuis en nu onder oorverdoovend gejuich der op straat verzamelde menigte,—een gejuich van uit de opperzaal straks beantwoord—de woning, en weldra ook de zaal is binnengetreden.

„Ruim baan! ruim baan! Plaats voor de Bruid!” klinkt het van allerwegen: en Tesselschade begeeft zich naar den voor haar bereiden troon; maar haar oog zoekt en ziet onder die schare hare zuster Anna alleen, en de beide zusters vallen in elkanders armen, terwijl warme tranen uit beider oogen elkanders gelaat bevochtigen. Eene eerbiedige stilte vervangt het gedruisch en met aandoening staren de omstanders op de zoo innig verknochte—nu welhaast voor lang gescheiden—zusters. Nu vermant zich echter de Bruid en, na nog een hartelijken kus aan hare beminde Anna, laat zij zich door haren Bruigom verder leiden en neemt plaats op den voor haar bestemden zetel. En wel verdient die thans zijn naam van „troon;” want geen koningin kon dien waardiger bekleeden dan zij van wie wij ’t nauwelijks durven beproeven, eene beschrijving te geven.

Een hoog opstaand kanten mutsje, boven hetwelk een gouden kroontje, met paarlen omzet, zich verheft, omvat het hoog gekapte „goutdradich hayr” van Tesselschade: haar hals is door een drie dubbel geplooiden, breed uitstaanden kraag van kostbaar kant omvat; een blauw satijnen kleed met bonten rand omsluit hare rijke gestalte en laat, van voren open, een borstlap zien, die schittert van gesteenten en een onderkleed van gele zijde, op ’t rijkst met bloemen gestikt, waarop, van den gordel af, een gouden snoer nederhangt, van afstand tot afstand met paarlen geschakeld en aan welks einde een reukbal vastzit, van gouddraad gevlochten en met vonkelende robijnen, turkooizen en andere puik-juweelen bezet. Maar hoe fraai dit alles zij, het kan de schoonheid alleen opluisteren, niet verhoogen, van haar, die wij als Bruid begroeten. Bevallig, rank en toch krachtvol is hare gestalte: en de gezondheidsblos op het lelieblank gelaat getuigt, dat wij hier niet te doen hebben met eene dier loome, smachtende, verwende juffers, die den halven morgen in ’t bed verslapen, een groot gedeelte van den dag aan de kaptafel doorbrengen, en zoowel den zonnegloed als het minste tochtje vreezen: en evenmin met eene diersavantes, die, aan studeervertrek ofsalongekluisterd, de kamerkleur verkrijgen als een onmisbaar gevolg van een zittend leven; maar wel met eene zoodanige, die noch lucht noch zonnestralen schuwt en zelfs voor geenlichaamsoefeningen terugdeinst. En inderdaad, niet alleen is Roemers jongste dochter ervaren in muziek en schilderkunst, niet alleen weet zij op ’t glas te snijden, in was te boetseeren en met de borduurnaald te tooveren, niet alleen weet zij Tasso’s „Verlost Jeruzalem” in Nederduitsche verzen te vertalen, maar ook heeft zij, toen nog haar vader in „de Kreeft” over den Stads Singel woonde, waar in den tuin een groote en diepe vijver was, met hare zusters het zwemmen geleerd. Wakkerheid en levenslust stralen dan ook af van haar gelaat en schitteren ons tegen uit die groote bruine oogen, die spiegels der reinste en edelste ziel: parelwitte tanden glinsteren tusschen het koraal van fijngevormde lippen: het breede voorhoofd duidt een kloek en veel omvattend verstand—de kleine, recht nedervallende Grieksche neus vastheid van karakter aan: de fraaie handen, aan de polsen met een zesdubbel parelsnoer omgeven, zijn blank en zacht als fluweel: maar zoo ’t u gebeuren mag, ze te drukken, zult gij voelen, dat in die poezele vingers kracht verborgen is en dat de vereelte toppen gewoon zijn, vedelsnaar en graveerstift te hanteeren.

Ter rechter-en linkerzijde van de Bruid, op lagere zetels, doch mede op den „troon” wordt de plaats van de Bruid, die anders aan de wederzijdsche moeders zou toekomen, bij ontstentenis van dezen, rechts bekleed door ’s Bruigoms zuster, links door de tweede van Roemers dochters, Truitje, sedert eenige jaren de gade van Nikolaas Van Buyl. Misschien is het aan dat huwelijk te wijten—waardoor zij vroeg reeds haars vaders huis verliet, en, aan huiszorg gebonden, minder dan hare zusters den omgang bleef aanhouden met doorluchte en beroemde vernuften—dat Truitje Roemers, twee eeuwen lang, geheel vergeten zal blijven bij de geschiedschrijvers, die zoo luid van Anna en Tesselschade zullen gewagen. Maarwijvergeten haar niet, de derde in een trits bevalligheden: wij kennen ook haar een billijk deel toe van den roem, die hare zusters omstraalt.

De gasten zijn achtereenvolgens de Bruid komen begroeten: daar nadert ook Huyghens, en, hield de etiquette Tesselschade niet aan haren troon gebonden, zij ware hem te gemoet gesneld, om hem de hand te drukken. Dit laatste veroorlooft zij zich echter, terwijl zij hem voor zijn heilwensch dank zegt, hem hare blijdschap te kennen geeft, dat hij toch de winterstormen getart heeft, en zij hem haren Bruigom voorstelt, die nevens haar staat. Ja! den Bruigom!—hebben wij dien vergeten, den held van ’t feest, dat wij van hem geen gewag maakten?—Neen gewis niet; maar juist, omdat hij de held van ’t feest is, kan hij het ons niet ten kwade duiden, zoo wij hem, evenals zulks met de theaterhelden doorgaans het geval is, na de mindere personages laten optreden.

Wie is hij nu, de man, aan wien Tesselschade de voorkeur heeft geschonken boven zoovele kloeke vernuften als naar hare hand dongen? Zeker een geleerde, een toonkunstenaar, een dichter, een staatsman, of in allen gevalle iemand, die zich op deze of gene wijze heeft beroemd gemaakt?

De Bruigom is niets van dat alles: hij is eenvoudig een zeeofficier, die, wanneer hij aan wal is, te Alkmaar woont en antwoord geeft op den (alles behalve dichterlijk klinkenden) naam van Allart Janszoon Crombalgh.

Maar—dat mogen wij niet ontkennen—hij is een flinke, kloeke borst, wiens blauwe oogen helder blinken in dat echt mannelijk gelaat, door de zon der keerkringen gebronst; en is Tesselschade dichteres, zangster en geleerde, voor alles is zij vrouw, en ’t is als vrouw, dat zij de liefde van haren Allart of Adelaar, gelijk zij hem soms bij letterkeer noemt, gewonnen en hem de hare geschonken heeft.

De liefde—Vondel zal het ons leeren in het bruiloftsdicht, dat hij bij zich heeft—is in de kerk begonnen:

Een wijl hiernae geviel ’t, toen deser dochtren geestKerckpleghtigh besigh was te vieren ’t jaerlyx feestMet lofsangh en gebeên, gelijckse ’t noô versloffen,Dat d’ een van ’t kerckgewelf werd in de borst getroffen, enz.

Een wijl hiernae geviel ’t, toen deser dochtren geest

Kerckpleghtigh besigh was te vieren ’t jaerlyx feest

Met lofsangh en gebeên, gelijckse ’t noô versloffen,

Dat d’ een van ’t kerckgewelf werd in de borst getroffen, enz.

Allart had Tesseltje hooren zingen: eerst hare zuivere tot het hart dringende stem, vervolgens hare bekoorlijkheden, hadden hem verrukt, en wederkeerig had zij bij den eersten aanblik in hem den man gezien, die haar tot gade beschikt was. Weldra was de zaak beklonken en tusschen hen bepaald, dat het huwelijk zou voortgang hebben, zoodra hij zou terug zijn gekeerd van een zeetocht, dien hij nog te ondernemen had.

Vóór zijn vertrek was hij op ’t Muiderslot genoodigd, waar zich de gezusters, aan welke Hooft, gelijk gezegd is, tot vader, of, beter, tot broeder verstrekte, zich veelal onthielden. Ook Vondel was er te gast, en het aanstaande vertrek van den verliefden zeeman gaf hem de navolgende regels in de pen, waarbij hij Hooft onder den naam van den zanglustigen veldgod Pan, den vrijer onder dien van Dafnis, diens liefste onder dien van eene Sirene, wier verleidend gezang allen tot zich lokt, en zichzelven als Tityr voorstelde. Het luidde aldus:

De vleiende Sireen,Wiens zang en vedelsnaerVerlockten naar beneênDen fieren Adelaer,25Die met zijn wiecken hingh,Daer zangh zijn hart bekneepEn hy verslingert vinghHet keeltjen, dat hem greep.Dees op den oever stondt,Daer Glaukus,26heet van Min,Kust en herkust den montDer blancke stroomgodin,Die in zijn armen glijdtEn zijght van liever leêEn voegt haer bruytschat by ’tRijck hylixgoet der zee.Pan zanghziek, op dat pas,Had Dafnis laten noôn,En, om te luystren, wasHier Tityr mede ontboôn.Zij huckte neêr in ’t groenDaer van een hoogen walHet oogh moght ronde doenEn weien overal.Toen sloegh haer keel geluyt;Help Godt, wat zoeter zangh!Zwijgh Tityrs boerefluit.Wat was hier een gedranghVan ooren, om dit liedtTe vangen in de lucht.Toen tot haar neighde riet,Geboomte en vogelvlught.Ach Dafnis, zong zy, ach!Wat gaet u, Ridder, aen?Zoo dit uw moeder zagh,Het hair te bergh zou staen.Is ’t groen, daer ghy op staet,Dan ’t engh en veel te naeuw,Dat ghy ’t verwislen gaetVoor ’t wilde en woeste blaeuw?Versin eer ghy begint,En hou uw oude buurt,Denckt wat de zee verslindt,Als zij den afgrond schuurt,En gaept den Hemel toe,En grimt dat alle GoônOptrecken, zorgens moê,Hun aangevochten troon.Wat is hy overstout,Die leven, lijf en zielDen lichten wint betroutOp ’t drijven van een kiel.En stuyft ter weerelt uyt,Daer loot geen gronden peilt,Daer ’t schip aen starren stuytEn door de klippen zeilt.Noch hiel ick u te goe,Indien uw trotse moedtNiet reede een oorloogh toe,O gruwel! op den vloedt,Op grondeloosen plasTe vechten, lijf aen lijf:Die bodem is van glas,O Reuzen, treet niet stijf.Te lande is vlughtens troost,De wanhoop drijft in ’t schuym,Och! of ghy ’t land verkoost.Ghy schudt helmet en pluym,En slaet mijn beden af,Wel aen ick neem geduldt,Ghy kiest dan ’t levent grafEn ick blijf zonder schuldt.Ten minste denck aen my,Wanneer ghy, als Jupijn,Zult op uw vyants zyMet blixems woênde zijnEn Hollants zeebanierMet hoop van zege voênEn braken vlam en vierIn ’s Konings galioen.Dan denck eens, hoe ’t mij kruyst,Als ghy den Spanjaart tart,Met ’t slaghswaert in de vuyst,En duy ’t zorgvuldigh hartVan uw Sireen dien raedtAltijt ten beste na:Mits ick uw schipbreuk haet,Niet naar uw leven sta27.

De vleiende Sireen,Wiens zang en vedelsnaerVerlockten naar beneênDen fieren Adelaer,25Die met zijn wiecken hingh,Daer zangh zijn hart bekneepEn hy verslingert vinghHet keeltjen, dat hem greep.

De vleiende Sireen,

Wiens zang en vedelsnaer

Verlockten naar beneên

Den fieren Adelaer,25

Die met zijn wiecken hingh,

Daer zangh zijn hart bekneep

En hy verslingert vingh

Het keeltjen, dat hem greep.

Dees op den oever stondt,Daer Glaukus,26heet van Min,Kust en herkust den montDer blancke stroomgodin,Die in zijn armen glijdtEn zijght van liever leêEn voegt haer bruytschat by ’tRijck hylixgoet der zee.

Dees op den oever stondt,

Daer Glaukus,26heet van Min,

Kust en herkust den mont

Der blancke stroomgodin,

Die in zijn armen glijdt

En zijght van liever leê

En voegt haer bruytschat by ’t

Rijck hylixgoet der zee.

Pan zanghziek, op dat pas,Had Dafnis laten noôn,En, om te luystren, wasHier Tityr mede ontboôn.Zij huckte neêr in ’t groenDaer van een hoogen walHet oogh moght ronde doenEn weien overal.

Pan zanghziek, op dat pas,

Had Dafnis laten noôn,

En, om te luystren, was

Hier Tityr mede ontboôn.

Zij huckte neêr in ’t groen

Daer van een hoogen wal

Het oogh moght ronde doen

En weien overal.

Toen sloegh haer keel geluyt;Help Godt, wat zoeter zangh!Zwijgh Tityrs boerefluit.Wat was hier een gedranghVan ooren, om dit liedtTe vangen in de lucht.Toen tot haar neighde riet,Geboomte en vogelvlught.

Toen sloegh haer keel geluyt;

Help Godt, wat zoeter zangh!

Zwijgh Tityrs boerefluit.

Wat was hier een gedrangh

Van ooren, om dit liedt

Te vangen in de lucht.

Toen tot haar neighde riet,

Geboomte en vogelvlught.

Ach Dafnis, zong zy, ach!Wat gaet u, Ridder, aen?Zoo dit uw moeder zagh,Het hair te bergh zou staen.Is ’t groen, daer ghy op staet,Dan ’t engh en veel te naeuw,Dat ghy ’t verwislen gaetVoor ’t wilde en woeste blaeuw?

Ach Dafnis, zong zy, ach!

Wat gaet u, Ridder, aen?

Zoo dit uw moeder zagh,

Het hair te bergh zou staen.

Is ’t groen, daer ghy op staet,

Dan ’t engh en veel te naeuw,

Dat ghy ’t verwislen gaet

Voor ’t wilde en woeste blaeuw?

Versin eer ghy begint,En hou uw oude buurt,Denckt wat de zee verslindt,Als zij den afgrond schuurt,En gaept den Hemel toe,En grimt dat alle GoônOptrecken, zorgens moê,Hun aangevochten troon.

Versin eer ghy begint,

En hou uw oude buurt,

Denckt wat de zee verslindt,

Als zij den afgrond schuurt,

En gaept den Hemel toe,

En grimt dat alle Goôn

Optrecken, zorgens moê,

Hun aangevochten troon.

Wat is hy overstout,Die leven, lijf en zielDen lichten wint betroutOp ’t drijven van een kiel.En stuyft ter weerelt uyt,Daer loot geen gronden peilt,Daer ’t schip aen starren stuytEn door de klippen zeilt.

Wat is hy overstout,

Die leven, lijf en ziel

Den lichten wint betrout

Op ’t drijven van een kiel.

En stuyft ter weerelt uyt,

Daer loot geen gronden peilt,

Daer ’t schip aen starren stuyt

En door de klippen zeilt.

Noch hiel ick u te goe,Indien uw trotse moedtNiet reede een oorloogh toe,O gruwel! op den vloedt,Op grondeloosen plasTe vechten, lijf aen lijf:Die bodem is van glas,O Reuzen, treet niet stijf.

Noch hiel ick u te goe,

Indien uw trotse moedt

Niet reede een oorloogh toe,

O gruwel! op den vloedt,

Op grondeloosen plas

Te vechten, lijf aen lijf:

Die bodem is van glas,

O Reuzen, treet niet stijf.

Te lande is vlughtens troost,De wanhoop drijft in ’t schuym,Och! of ghy ’t land verkoost.Ghy schudt helmet en pluym,En slaet mijn beden af,Wel aen ick neem geduldt,Ghy kiest dan ’t levent grafEn ick blijf zonder schuldt.

Te lande is vlughtens troost,

De wanhoop drijft in ’t schuym,

Och! of ghy ’t land verkoost.

Ghy schudt helmet en pluym,

En slaet mijn beden af,

Wel aen ick neem geduldt,

Ghy kiest dan ’t levent graf

En ick blijf zonder schuldt.

Ten minste denck aen my,Wanneer ghy, als Jupijn,Zult op uw vyants zyMet blixems woênde zijnEn Hollants zeebanierMet hoop van zege voênEn braken vlam en vierIn ’s Konings galioen.

Ten minste denck aen my,

Wanneer ghy, als Jupijn,

Zult op uw vyants zy

Met blixems woênde zijn

En Hollants zeebanier

Met hoop van zege voên

En braken vlam en vier

In ’s Konings galioen.

Dan denck eens, hoe ’t mij kruyst,Als ghy den Spanjaart tart,Met ’t slaghswaert in de vuyst,En duy ’t zorgvuldigh hartVan uw Sireen dien raedtAltijt ten beste na:Mits ick uw schipbreuk haet,Niet naar uw leven sta27.

Dan denck eens, hoe ’t mij kruyst,

Als ghy den Spanjaart tart,

Met ’t slaghswaert in de vuyst,

En duy ’t zorgvuldigh hart

Van uw Sireen dien raedt

Altijt ten beste na:

Mits ick uw schipbreuk haet,

Niet naar uw leven sta27.

In de afwachting van den dag, waarop de vertrokken zeeman zou terugkomen, waren de zusters haars vaders huis blijven bewonen. Wij leeren dit o. a. uit het slot van een gedicht tot lof der zeevaart, ’t welk Vondel omtrent dien tijd zijn vriend Reael had toegezongen.

Wy naecken Schreyers hoek, daar lieffelijck en blyEen waterlandsche Rey, de juffertjens van ’t Y,Met ongehuyfde pruyck en kletten28geestigh singen,En nae den toon van sangh en spel hun treden dwingen.Twee Diertjens29in dien hoop aenminnigh groeten ons,D’ een volght met soet musyck des anders violons.En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster.Laet vallen ’t ancker, stryck, hier is de vloed geruster.Hier gaet noch eb noch ty, hier hoort men geen geruys.Hier open ick mijn reis in ’t saligh Roemers huys.... enz.

Wy naecken Schreyers hoek, daar lieffelijck en bly

Een waterlandsche Rey, de juffertjens van ’t Y,

Met ongehuyfde pruyck en kletten28geestigh singen,

En nae den toon van sangh en spel hun treden dwingen.

Twee Diertjens29in dien hoop aenminnigh groeten ons,

D’ een volght met soet musyck des anders violons.

En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster.

Laet vallen ’t ancker, stryck, hier is de vloed geruster.

Hier gaet noch eb noch ty, hier hoort men geen geruys.

Hier open ick mijn reis in ’t saligh Roemers huys.... enz.

Na behouden reis en terugkeer der Bruid,

toen de faem op Schreyers toren satEn bruyloft bruyloft blies, en noodighde al de stadOp ’t schaterend bancket, beluyt wet soete rijmen,Van ’t Noorden Krombalck quam, verzelschapt met God Hymen.

toen de faem op Schreyers toren sat

En bruyloft bruyloft blies, en noodighde al de stad

Op ’t schaterend bancket, beluyt wet soete rijmen,

Van ’t Noorden Krombalck quam, verzelschapt met God Hymen.

Wij keeren, na deze uitweiding, tot onze beschouwing terug. Tesselschade stelt—als wij gezien hebben—haren Bruigom voor aan Huyghens, die hem nog niet heeft aangetroffen, en hem in heusche bewoordingen gelukwenscht. De zeeman beantwoordt met beleefdheid den handdruk en den groet des hovelings; maar toch vertoont zich in zijn wedergroet niet die ongedwongenheid, die hem anders zoo eigen is: ’t is of hij zich tegenover Huyghens minder dan tegenover elk ander op zijn gemak gevoelt. En geen wonder: hij weet, hoe hoogen prijs zijn liefste op het verkeer met Huyghens stelt: hij weet, welke innige gemeenzaamheid tusschen hen beiden bestaat, en, al heeft hij de overtuiging, dat het gevoel van Tesselschade voor den jongen hoveling niet dan zuivere, zusterlijke vriendschap is, en niets te kort doet aan hare liefde voor hem, Crombalgh, geen Bruigom bestaat er, die zich bijzonder voelt aangetrokken tot den man, die reeds vóór hem met zijne Bruid op een gemeenzamen voet verkeerde, die beweren kan ouder brieven te hebben dan hij, en die haar zijn „kameraadje” noemt—al is ’t dan maar om ’t rijm.

Maar Huyghens let niet op die koelheid van Allart. Hij heeft het oog gewend naar de blonde, met lauweren gekapte speelnoot der Bruid, de bevallige Machteld Van Kampen, die op dit oogenblik tot hem genaderd is en hem op een zilveren schenkblad de bruidstranen aanbiedt—en zie! een hooge blos kleurt zijn gelaat, terwijl hij eender ingeschonken roemers tot zich neemt. Maar zijne tegenwoordigheid van geest verlaat hem niet. „Schoone juffer,” zegt hij, met eene hoffelijke buiging, „geboden mij plicht en genegenheid niet, dezen roemer aan Bruid en Bruigom te brengen, ik had hem reeds ter eere eener zoo bevallige Hébé geledigd.”—En nu is het de beurt der juffer te blozen en zich met eenige verlegenheid terug te trekken: verlegenheid, ja; want er bevindt zich onder de aanwezigen een jongeling, die haar met de oogen volgt, en wiens hart reeds in bitterheid ontstoken is tegen den Hagenaar, in wien hij een medeminnaar ziet.

En nu, nu zou ik gaarne met u, waarde lezer! aan het Roemershuis verblijven om er de feestvermakelijkheden bij te wonen en mede aan te zitten aan het overvloedige banket en te luisteren naar de gesprekken der opgewekte dischgenooten, naar de muziek, achter tafel uitgevoerd, naar de liedjes, door de speelnoots gezongen, naar de bruiloftsdichten, door dichters en rijmers voorgedragen. Maar ik vrees, dat die gesprekken, hoezeer dan ook tusschen de uitstekendste vernuften gevoerd, veel van hun zout en aardigheid zouden missen voor u, die niet zijt ingewijd in de nieuwtjes van den dag, in al de bijzondere betrekkingen en omstandigheden van de sprekers, of zelfs in de taal van die eeuw. Ook om de geestige scherts kan alleen hij lachen, die haar verstaat, en ik vrees, dat het snarenspel, al streelt het de ooren der gasten als hemelval, in de uwe, die aan meer ingewikkelde muziek gewend zijt, te schraal zou klinken, ja dat zelfs de beurtzang van Francisca Duarte en Machteld Van Kampen u te eenvoudig zou voorkomen: maar vooral vrees ik, dat gij in slaap zoudt vallen bij de verzen, die men voor zal dragen; ’t moge der moeite waard zijn, Vondel te hooren: zijn feestdicht, hoe vol fraaie brokken en vernuftigen zwier, zou u te lang en te mythologisch voorkomen. Bovendien, wij zijn wandelaars en moeten weer verder voort: wij zullen dus het gezelschap vaarwel zeggen, terwijl ik u alleen, bij wijze van toegift, nog vertellen wil, wat het gevolg was van den indruk door de verschijning van de gelauwerde Machteld op Huyghens gemaakt. Hoezeer hij door hare bevalligheid, haar geestig onderhoud, haar zang en snarenspel getroffen werd, getuigt de brief, dien hij, kort na zijne terugkomst te ’s-Gravenhage, aan Tesselschade schreef:

Aen joffrouwTesselschade Visschers.Nieuw-getrouwde.Teere leerlingh van de Trouw,Onlancks Maeghd, onlancks vrouw,30Tesselschade, die uw gadeHebt gevonden, niet te spade,Hebt verbonden, niet te vroegh,Van de wonden die hy droegh;Heeft u noch in ’t nieuwe levend’ Oude vriendschap niet begeven,Huyst gy noch in uw gedachtDie die huysingh, als gepacht,In uw vriend’lickheit besaten,Doe ghy, eenigh by de straten,Eenigh t’ huys, en om uw beddMet de eenigheit besett,Spotte met des jongens toortsen31Die u doch met sijner koortsenOnafbiddelijcken brandt’ Uwer beurten heeft vermant?Zijt ghy noch bedenckens machtigh,Hoe de Herten, heet en jachtig,Na de beeck te koelen gaen,Die de min ten doele staan?Leent my dry der toover-woorden,Die soo menigh oor bekoorden,Dry aen ’t schoone Lauren-Hooft32Dat het mijne van my rooft...Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder,Seght haer hoe een Haeghse Herder....Onbewogen voor de vonkVan soo menig’ minne-lonck....Endelick de fiere schichtenVan haer’ ongemeene lichtenHeeft onmogelick gesiend’ Overwonnen borst te bien....

Teere leerlingh van de Trouw,Onlancks Maeghd, onlancks vrouw,30Tesselschade, die uw gadeHebt gevonden, niet te spade,Hebt verbonden, niet te vroegh,Van de wonden die hy droegh;Heeft u noch in ’t nieuwe levend’ Oude vriendschap niet begeven,Huyst gy noch in uw gedachtDie die huysingh, als gepacht,In uw vriend’lickheit besaten,Doe ghy, eenigh by de straten,Eenigh t’ huys, en om uw beddMet de eenigheit besett,Spotte met des jongens toortsen31Die u doch met sijner koortsenOnafbiddelijcken brandt’ Uwer beurten heeft vermant?Zijt ghy noch bedenckens machtigh,Hoe de Herten, heet en jachtig,Na de beeck te koelen gaen,Die de min ten doele staan?Leent my dry der toover-woorden,Die soo menigh oor bekoorden,Dry aen ’t schoone Lauren-Hooft32Dat het mijne van my rooft...

Teere leerlingh van de Trouw,

Onlancks Maeghd, onlancks vrouw,30

Tesselschade, die uw gade

Hebt gevonden, niet te spade,

Hebt verbonden, niet te vroegh,

Van de wonden die hy droegh;

Heeft u noch in ’t nieuwe leven

d’ Oude vriendschap niet begeven,

Huyst gy noch in uw gedacht

Die die huysingh, als gepacht,

In uw vriend’lickheit besaten,

Doe ghy, eenigh by de straten,

Eenigh t’ huys, en om uw bedd

Met de eenigheit besett,

Spotte met des jongens toortsen31

Die u doch met sijner koortsen

Onafbiddelijcken brand

t’ Uwer beurten heeft vermant?

Zijt ghy noch bedenckens machtigh,

Hoe de Herten, heet en jachtig,

Na de beeck te koelen gaen,

Die de min ten doele staan?

Leent my dry der toover-woorden,

Die soo menigh oor bekoorden,

Dry aen ’t schoone Lauren-Hooft32

Dat het mijne van my rooft...

Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder,Seght haer hoe een Haeghse Herder....Onbewogen voor de vonkVan soo menig’ minne-lonck....Endelick de fiere schichtenVan haer’ ongemeene lichtenHeeft onmogelick gesiend’ Overwonnen borst te bien....

Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder,

Seght haer hoe een Haeghse Herder....

Onbewogen voor de vonk

Van soo menig’ minne-lonck....

Endelick de fiere schichten

Van haer’ ongemeene lichten

Heeft onmogelick gesien

d’ Overwonnen borst te bien....

Na vervolgens aan Tesselschade al de dwaasheden te hebben geschetst, tot welke de liefde hem vervoerd had, roept hij hare hulp in; zij toch heeft hem met Machteld in kennis gebracht; zij is er de schuld van, dat hij verliefd is geworden en moet hem dus tot „soete voorspraak” zijn, en zoo de juffer weten wil, wie het is, die naar hare hand vraagt, tot haar zeggen: dat het iemand is, den meer bezadigden leeftijd genaderd;—terwijl hij haar verder dit afbeeldsel van zichzelven in den mond geeft:

’t Welgevall van schoone ledenSchreef hem niemand toe met reden:Aen het bruynen van sijn huytKijkt de Haeghse Herder uyt;Maer hy dunckt sich selfs te blosenAls de morgenstondsche roosen,Zedert hy den wederslaghVan haer oogh in ’t sijne sagh.Soo verlicht der Sonnen-luysterAller wegen alle duyster,Soo is heel den Hemel schoonOm het bij-zijn van de Goôn.Overwicht van gulde schijvenDie ’t ter wereld al bedrijven,Meer als noodelycke MuntHeeft sijn ster hem niet vergunt;Weinigh maeyen, weinigh ploegen,Klein besitt in groot genoegen,En dat middelmaetigh veel,Zijn gevallen tot sijn deel.Maar sijn nieuwe Min-gedachten,Heele dagen, halve nachten,Zijn sijn schatten in ’t gemoed,Daer hy ryck af heeten moet.Voorraet van gegeten letterenOm geleerde t’ overschett’ren,Schuylt er weinigh in sijn hoofd,Waer het evenwel geklooft.’t Waer vol letteren te vinden,Letteren, die harten binden,Maer met hope van gena,Soete lettren M. V. K.Sterre-stocken aen te stellenOm de fackelen te tellen,Om de keerssen ga te slaen,Die het Hemel-holl begaenZijn gesifte wetenschappenDie sijn herssenen ontsnappen,En de geesten van sijn ooghWeygeren haer vier soo hoogh;Maer twee helderer PlanetenZijn de doelen van sijn wetenEn de sterren die hij schietHooger hemel kent hij niet.Stemme-streelingh, snaren-krabb’ling,Is een konstelicke brabb’lingh,Die sijn handen en sijn keelNiet en kennen als ten deel,Maer, al stinckt het eigen roemen,Laura33kan sijn keel niet noemen.Of sy staet er af en triltAls een Eicken rijs in ’t wild;Snaeren kan sijn hand niet raecken,Die wat Laura’s-achtig kraecken,Of sijn vingers gaender af,Als een viervoet naer een draf.Daer dan hand en keel vergaeren,Laura zeggen al de snaeren,Laura kort en Laura langhZijn de Noten van sijn sangh.Verr en versch geraepte Rijmen,Regeldicht aen een te lijmen,Hooger sweven als ’t geberghtIs sijn pen te veel geverght;Kruypen kan hy, gaan en springenEn gelijcks der aerde singen;’t Water dat de Rijmers maeckt,Heeft sijn lippen noyt genaeckt.Maer de wel gevoeghde giften,Die den Hemel door de siftenEn het keurlijck onderscheidVan een’ milde gierigheidOver haer beminde kuyvenNederwaarts heeft laten stuyven,Kittelen sijn aandacht nauw;’t Vliegen wordt hem wel soo gaeuwAls de best-gewieckte vliegers(Dat ’s Poëtelickste liegers)En sijn afgevlogen dichtRijst hem selven uyt ’t gesicht.Seght haer dan, hy heeft den segenVan de schoonheit niet gekregen,Noch de geestelicke gonstVan gesogen Letter-konst.Sterren kan hij niet beroemenVan de seven een te noemenOp de Noten is hy schorr,Op de Snaren vinger-dorr;Rijmens is hy onervaerenAls de Ploeger in de baeren,Als de Zeeman in de Terw,Als de blinden in de verw.Evenwel ’t bevalligh wesen’t Rijck, het ruym-gelettert wesen,’t Spelen dat by geen en lijckt,’t Singen dat maer ’t uwe wijckt,’t Rijmen dat hy self kan achtenHoudt hij all’ van uwe krachten,Kont ghy ’t schepsel van uw’ sinMin vereeren als uw Min?—Schijnt sy na de min te hoorenVatse vaster bij die ooren,Seght haer dan als Alard sei’,Doe sijn krachtiger gevleiPerste door de koele korstenVan uw overvrosen borstenEn uw Ys-lijck’ ongenaDede doijen in een Ja.Dese sijn de scherpste pijlenDie wy samen konnen vijlen;Soo haer dan de tegenstandVan een herder Hert vermant:Tesselscha, hoe sal ick ’t herden?Ghy, vergeefsche Tolck te werden,En, oh armen, ick! en ick,Proye van mijn eigen strick.Sullen niet mijn eigen schachtenMet de woeckerloon van krachtenKeeren op het brosse blootVan de schutter diese schoot?Oh! ick spel het langh te voren,Lieve Tolck! ick sal ’t besmooren,’k Heb geen’ Lauwer op de mutsTegen sulcken blixem-bluts.Wil ’s haer dan in bloed vermaecken?Ja sy;—’k sie de dood genaecken.Neen sy; ’t is geen Maeghden-deughd;Ja sy; ’t is onnoosel’ vreughd;Neen sy; ’t Mocht haer namaels rouwen;Ja sy; Droefheit kan verkouwen:Neen sy; ’k heb het niet verdient;Ja sy; om een liever’ vriend.Oey! daer waggelt mijn vermoeyen;Tesselscha, om tijd te spoeyen;Korte moeyt voor langh bediet,Vraeght haer of sy wil of niet.

’t Welgevall van schoone ledenSchreef hem niemand toe met reden:Aen het bruynen van sijn huytKijkt de Haeghse Herder uyt;

’t Welgevall van schoone leden

Schreef hem niemand toe met reden:

Aen het bruynen van sijn huyt

Kijkt de Haeghse Herder uyt;

Maer hy dunckt sich selfs te blosenAls de morgenstondsche roosen,Zedert hy den wederslaghVan haer oogh in ’t sijne sagh.Soo verlicht der Sonnen-luysterAller wegen alle duyster,Soo is heel den Hemel schoonOm het bij-zijn van de Goôn.

Maer hy dunckt sich selfs te blosen

Als de morgenstondsche roosen,

Zedert hy den wederslagh

Van haer oogh in ’t sijne sagh.

Soo verlicht der Sonnen-luyster

Aller wegen alle duyster,

Soo is heel den Hemel schoon

Om het bij-zijn van de Goôn.

Overwicht van gulde schijvenDie ’t ter wereld al bedrijven,Meer als noodelycke MuntHeeft sijn ster hem niet vergunt;Weinigh maeyen, weinigh ploegen,Klein besitt in groot genoegen,En dat middelmaetigh veel,Zijn gevallen tot sijn deel.Maar sijn nieuwe Min-gedachten,Heele dagen, halve nachten,Zijn sijn schatten in ’t gemoed,Daer hy ryck af heeten moet.

Overwicht van gulde schijven

Die ’t ter wereld al bedrijven,

Meer als noodelycke Munt

Heeft sijn ster hem niet vergunt;

Weinigh maeyen, weinigh ploegen,

Klein besitt in groot genoegen,

En dat middelmaetigh veel,

Zijn gevallen tot sijn deel.

Maar sijn nieuwe Min-gedachten,

Heele dagen, halve nachten,

Zijn sijn schatten in ’t gemoed,

Daer hy ryck af heeten moet.

Voorraet van gegeten letterenOm geleerde t’ overschett’ren,Schuylt er weinigh in sijn hoofd,Waer het evenwel geklooft.’t Waer vol letteren te vinden,Letteren, die harten binden,Maer met hope van gena,Soete lettren M. V. K.

Voorraet van gegeten letteren

Om geleerde t’ overschett’ren,

Schuylt er weinigh in sijn hoofd,

Waer het evenwel geklooft.

’t Waer vol letteren te vinden,

Letteren, die harten binden,

Maer met hope van gena,

Soete lettren M. V. K.

Sterre-stocken aen te stellenOm de fackelen te tellen,Om de keerssen ga te slaen,Die het Hemel-holl begaenZijn gesifte wetenschappenDie sijn herssenen ontsnappen,En de geesten van sijn ooghWeygeren haer vier soo hoogh;Maer twee helderer PlanetenZijn de doelen van sijn wetenEn de sterren die hij schietHooger hemel kent hij niet.

Sterre-stocken aen te stellen

Om de fackelen te tellen,

Om de keerssen ga te slaen,

Die het Hemel-holl begaen

Zijn gesifte wetenschappen

Die sijn herssenen ontsnappen,

En de geesten van sijn oogh

Weygeren haer vier soo hoogh;

Maer twee helderer Planeten

Zijn de doelen van sijn weten

En de sterren die hij schiet

Hooger hemel kent hij niet.

Stemme-streelingh, snaren-krabb’ling,Is een konstelicke brabb’lingh,Die sijn handen en sijn keelNiet en kennen als ten deel,Maer, al stinckt het eigen roemen,Laura33kan sijn keel niet noemen.Of sy staet er af en triltAls een Eicken rijs in ’t wild;Snaeren kan sijn hand niet raecken,Die wat Laura’s-achtig kraecken,Of sijn vingers gaender af,Als een viervoet naer een draf.Daer dan hand en keel vergaeren,Laura zeggen al de snaeren,Laura kort en Laura langhZijn de Noten van sijn sangh.

Stemme-streelingh, snaren-krabb’ling,

Is een konstelicke brabb’lingh,

Die sijn handen en sijn keel

Niet en kennen als ten deel,

Maer, al stinckt het eigen roemen,

Laura33kan sijn keel niet noemen.

Of sy staet er af en trilt

Als een Eicken rijs in ’t wild;

Snaeren kan sijn hand niet raecken,

Die wat Laura’s-achtig kraecken,

Of sijn vingers gaender af,

Als een viervoet naer een draf.

Daer dan hand en keel vergaeren,

Laura zeggen al de snaeren,

Laura kort en Laura langh

Zijn de Noten van sijn sangh.

Verr en versch geraepte Rijmen,Regeldicht aen een te lijmen,Hooger sweven als ’t geberghtIs sijn pen te veel geverght;Kruypen kan hy, gaan en springenEn gelijcks der aerde singen;’t Water dat de Rijmers maeckt,Heeft sijn lippen noyt genaeckt.Maer de wel gevoeghde giften,Die den Hemel door de siftenEn het keurlijck onderscheidVan een’ milde gierigheidOver haer beminde kuyvenNederwaarts heeft laten stuyven,Kittelen sijn aandacht nauw;’t Vliegen wordt hem wel soo gaeuwAls de best-gewieckte vliegers(Dat ’s Poëtelickste liegers)En sijn afgevlogen dichtRijst hem selven uyt ’t gesicht.

Verr en versch geraepte Rijmen,

Regeldicht aen een te lijmen,

Hooger sweven als ’t geberght

Is sijn pen te veel geverght;

Kruypen kan hy, gaan en springen

En gelijcks der aerde singen;

’t Water dat de Rijmers maeckt,

Heeft sijn lippen noyt genaeckt.

Maer de wel gevoeghde giften,

Die den Hemel door de siften

En het keurlijck onderscheid

Van een’ milde gierigheid

Over haer beminde kuyven

Nederwaarts heeft laten stuyven,

Kittelen sijn aandacht nauw;

’t Vliegen wordt hem wel soo gaeuw

Als de best-gewieckte vliegers

(Dat ’s Poëtelickste liegers)

En sijn afgevlogen dicht

Rijst hem selven uyt ’t gesicht.

Seght haer dan, hy heeft den segenVan de schoonheit niet gekregen,Noch de geestelicke gonstVan gesogen Letter-konst.Sterren kan hij niet beroemenVan de seven een te noemenOp de Noten is hy schorr,Op de Snaren vinger-dorr;Rijmens is hy onervaerenAls de Ploeger in de baeren,Als de Zeeman in de Terw,Als de blinden in de verw.Evenwel ’t bevalligh wesen’t Rijck, het ruym-gelettert wesen,’t Spelen dat by geen en lijckt,’t Singen dat maer ’t uwe wijckt,’t Rijmen dat hy self kan achtenHoudt hij all’ van uwe krachten,Kont ghy ’t schepsel van uw’ sinMin vereeren als uw Min?—Schijnt sy na de min te hoorenVatse vaster bij die ooren,Seght haer dan als Alard sei’,Doe sijn krachtiger gevleiPerste door de koele korstenVan uw overvrosen borstenEn uw Ys-lijck’ ongenaDede doijen in een Ja.

Seght haer dan, hy heeft den segen

Van de schoonheit niet gekregen,

Noch de geestelicke gonst

Van gesogen Letter-konst.

Sterren kan hij niet beroemen

Van de seven een te noemen

Op de Noten is hy schorr,

Op de Snaren vinger-dorr;

Rijmens is hy onervaeren

Als de Ploeger in de baeren,

Als de Zeeman in de Terw,

Als de blinden in de verw.

Evenwel ’t bevalligh wesen

’t Rijck, het ruym-gelettert wesen,

’t Spelen dat by geen en lijckt,

’t Singen dat maer ’t uwe wijckt,

’t Rijmen dat hy self kan achten

Houdt hij all’ van uwe krachten,

Kont ghy ’t schepsel van uw’ sin

Min vereeren als uw Min?—

Schijnt sy na de min te hooren

Vatse vaster bij die ooren,

Seght haer dan als Alard sei’,

Doe sijn krachtiger gevlei

Perste door de koele korsten

Van uw overvrosen borsten

En uw Ys-lijck’ ongena

Dede doijen in een Ja.

Dese sijn de scherpste pijlenDie wy samen konnen vijlen;Soo haer dan de tegenstandVan een herder Hert vermant:Tesselscha, hoe sal ick ’t herden?Ghy, vergeefsche Tolck te werden,En, oh armen, ick! en ick,Proye van mijn eigen strick.Sullen niet mijn eigen schachtenMet de woeckerloon van krachtenKeeren op het brosse blootVan de schutter diese schoot?Oh! ick spel het langh te voren,Lieve Tolck! ick sal ’t besmooren,’k Heb geen’ Lauwer op de mutsTegen sulcken blixem-bluts.Wil ’s haer dan in bloed vermaecken?Ja sy;—’k sie de dood genaecken.Neen sy; ’t is geen Maeghden-deughd;Ja sy; ’t is onnoosel’ vreughd;Neen sy; ’t Mocht haer namaels rouwen;Ja sy; Droefheit kan verkouwen:Neen sy; ’k heb het niet verdient;Ja sy; om een liever’ vriend.

Dese sijn de scherpste pijlen

Die wy samen konnen vijlen;

Soo haer dan de tegenstand

Van een herder Hert vermant:

Tesselscha, hoe sal ick ’t herden?

Ghy, vergeefsche Tolck te werden,

En, oh armen, ick! en ick,

Proye van mijn eigen strick.

Sullen niet mijn eigen schachten

Met de woeckerloon van krachten

Keeren op het brosse bloot

Van de schutter diese schoot?

Oh! ick spel het langh te voren,

Lieve Tolck! ick sal ’t besmooren,

’k Heb geen’ Lauwer op de muts

Tegen sulcken blixem-bluts.

Wil ’s haer dan in bloed vermaecken?

Ja sy;—’k sie de dood genaecken.

Neen sy; ’t is geen Maeghden-deughd;

Ja sy; ’t is onnoosel’ vreughd;

Neen sy; ’t Mocht haer namaels rouwen;

Ja sy; Droefheit kan verkouwen:

Neen sy; ’k heb het niet verdient;

Ja sy; om een liever’ vriend.

Oey! daer waggelt mijn vermoeyen;Tesselscha, om tijd te spoeyen;Korte moeyt voor langh bediet,Vraeght haer of sy wil of niet.

Oey! daer waggelt mijn vermoeyen;

Tesselscha, om tijd te spoeyen;

Korte moeyt voor langh bediet,

Vraeght haer of sy wil of niet.

Tesselschade mag zich met dezen brief vermaakt hebben, zij vond waarschijnlijk zich in de wittebroodsweken minder opgewekt, diente beantwoorden, en wellicht begreep zij, dat haar Allart die briefwisseling met een jongen vrijer, al vrijdde die ook naar eene andere, minder noodig achten zou. Had zij geen geheimen voor haren man, zij had die evenmin voor Hooft: zij liet hem den brief lezen en droeg hem de taak op, dien uit haren naam te beantwoorden. Dat antwoord begon aldus:

Koelte van AntwoordtOp Vuur en Vlamvan den HeerConstantyn Huigens,34

vorderende van JoffrouwTesselscha Visschers, nieuwgehouwde met den HeerAlaard van Krombalgh34, voorspraek bij JoffrouwMachtelt van Kapnem35.

Nuchtre montje, minnevastert36Hoe komt u vrouw Venus bastert37Dus geloopen in het hooftDat u teffens zijn ontrooftLoddertong en troeteltaalen,En ghy willigs in moet haalenOm voor u te houden ’t woordt.Woorden krachtig om bezweeren,Quaadt van buitene te leeren,Zijn noit opgezocht door myUit Armidaas boekeryNoit en heb ik neus gestekenIn de snoo bibliothekenVan Médé of Circe. TrekOm van vlees te maken spek38Had ik noit. En zoo mijn gorgel,Dien ghy prijst als waer ’t een orgel,Iet kolachtigs heeft geseit,’t Moest mij wesen aangeweidt39Vastaartje, beleefde baasje,Wil je nu juist op een aasjeWeegen, wat ik my mishad,Toen ik u te bruiloft hadAan des Ys en Aamstels zoomen?Zeg me, wie zoud’ darren40droomen,Wie zoud’ darren denken, datOogenvlam zoud’ konnen vatOp uw schootvrij borstjen vinden?Hebben niet als duistre kleurenMogen uwen huit gebeuren,Neemt daer inne geen verdrietKoop en zal dat breeken niet.Vaaken zagh ik ’t meisjen tastenNaa de karssen bruinst van basten.’t Heeft zoo wel verstandt daar ofAls de grootsten van het hof.Heb je niet te veel van duiten,Dat doet meenigh huwlijk stuiten.Maat in geldtkas luidt zoo welNiet, als maat in zangkappel.Wil je jaagen zulk een wiltje,Laat haar, door uw gulden briltje,Niet kleen zandt of ander gruisOf de schoonheit van een muis,Maar tot onder in den rijkenWelgespekten geldkist kijken:’k Wed u, dat dukaat en kroonStraalen als mijn bruiloftstroon.Laat van geene zeedigheidenU altoos zoo ver verleiden,Dat ghy minder zegt als ’t isDat waar ’t heele doelhuis mis.Maar wie plagh dus voor te stuivenAls ik doe: die zoek te schuivenVan my huwlijkmaakers lastEn ik hylikmaak al vast....Venus kint, de looze stookerBetren pijl in uwen kookerVinden kan, dan ik u zenAl en waar het maar uw pen,Vleidt ghy my om Alaards vleyen41’t Meeste zeid’ hy als hy zweegh.’t Vuur en moet hem zeer niet bijten,Die zoo luide brand kan krijten?42Door een keel, daar hette in haart43Wil geen stemme bovenwaart,Dacht ik, in ’t gelaat van dezenKunnen enkele oogen leezenWat in ’t hart geschreven staet.Alaards woordeloose praatjeMeest heeft uitgekipt het jaatje....Dat wat lager dan mijn kropLagh als in een yrendop.Evenwel ik kan niet zeggen,Dat gy ’t ook zoo aan moet leggen.Hachelijk waar zulk een raadt.Wat weet ik hoe zij ’t verstaat,Ieder eene moet men zoekenNaar haar aangezicht te doeken,Mislijk oft zy waar gesteltOp wat woorden voor haar geldt.Vastaartjen, hoe ’t zal gelukkenZoudt my konst zijn uit te drukken.Altijd is het vraagen vryEn het weigren staat er by.Zou ze zulk een storrem afslaan:Neen ze: ziet gh’ haar voor zoo straf aanJaa ze: zy gelooft te laauwNeen ze: Vastaart is te gaauw.Jaa ze: z’ heeft geen zin in zoenenNeen ze: Minnezon doet groenen.Jaa ze: z’ hangt haar moeder aan.Neen ze: dat kan overgaan.Jaa ze: z’ is te jong van jaaren.Jaa z’: hy heeft der daegen veel.Neen ze: ’t is het passe scheel.Zoetjes; toef wat, nog een woordtjenIk u bijten moet in ’t oortjen,Dat myn hoofjes rammelradSchoontjes schier vergeten had.Spreekje ’t meisjen blond van haarenPast vooral haar te verklaaren,Klaarder dan ghy ’t my bediedt,Vastaart, oft ghy ’t meent oft niet.

Nuchtre montje, minnevastert36Hoe komt u vrouw Venus bastert37Dus geloopen in het hooftDat u teffens zijn ontrooftLoddertong en troeteltaalen,En ghy willigs in moet haalenOm voor u te houden ’t woordt.

Nuchtre montje, minnevastert36

Hoe komt u vrouw Venus bastert37

Dus geloopen in het hooft

Dat u teffens zijn ontrooft

Loddertong en troeteltaalen,

En ghy willigs in moet haalen

Om voor u te houden ’t woordt.

Woorden krachtig om bezweeren,Quaadt van buitene te leeren,Zijn noit opgezocht door myUit Armidaas boekeryNoit en heb ik neus gestekenIn de snoo bibliothekenVan Médé of Circe. TrekOm van vlees te maken spek38Had ik noit. En zoo mijn gorgel,Dien ghy prijst als waer ’t een orgel,Iet kolachtigs heeft geseit,’t Moest mij wesen aangeweidt39

Woorden krachtig om bezweeren,

Quaadt van buitene te leeren,

Zijn noit opgezocht door my

Uit Armidaas boekery

Noit en heb ik neus gesteken

In de snoo bibliotheken

Van Médé of Circe. Trek

Om van vlees te maken spek38

Had ik noit. En zoo mijn gorgel,

Dien ghy prijst als waer ’t een orgel,

Iet kolachtigs heeft geseit,

’t Moest mij wesen aangeweidt39

Vastaartje, beleefde baasje,Wil je nu juist op een aasjeWeegen, wat ik my mishad,Toen ik u te bruiloft hadAan des Ys en Aamstels zoomen?Zeg me, wie zoud’ darren40droomen,Wie zoud’ darren denken, datOogenvlam zoud’ konnen vatOp uw schootvrij borstjen vinden?

Vastaartje, beleefde baasje,

Wil je nu juist op een aasje

Weegen, wat ik my mishad,

Toen ik u te bruiloft had

Aan des Ys en Aamstels zoomen?

Zeg me, wie zoud’ darren40droomen,

Wie zoud’ darren denken, dat

Oogenvlam zoud’ konnen vat

Op uw schootvrij borstjen vinden?

Hebben niet als duistre kleurenMogen uwen huit gebeuren,Neemt daer inne geen verdrietKoop en zal dat breeken niet.Vaaken zagh ik ’t meisjen tastenNaa de karssen bruinst van basten.’t Heeft zoo wel verstandt daar ofAls de grootsten van het hof.

Hebben niet als duistre kleuren

Mogen uwen huit gebeuren,

Neemt daer inne geen verdriet

Koop en zal dat breeken niet.

Vaaken zagh ik ’t meisjen tasten

Naa de karssen bruinst van basten.

’t Heeft zoo wel verstandt daar of

Als de grootsten van het hof.

Heb je niet te veel van duiten,Dat doet meenigh huwlijk stuiten.Maat in geldtkas luidt zoo welNiet, als maat in zangkappel.

Heb je niet te veel van duiten,

Dat doet meenigh huwlijk stuiten.

Maat in geldtkas luidt zoo wel

Niet, als maat in zangkappel.

Wil je jaagen zulk een wiltje,Laat haar, door uw gulden briltje,Niet kleen zandt of ander gruisOf de schoonheit van een muis,Maar tot onder in den rijkenWelgespekten geldkist kijken:’k Wed u, dat dukaat en kroonStraalen als mijn bruiloftstroon.

Wil je jaagen zulk een wiltje,

Laat haar, door uw gulden briltje,

Niet kleen zandt of ander gruis

Of de schoonheit van een muis,

Maar tot onder in den rijken

Welgespekten geldkist kijken:

’k Wed u, dat dukaat en kroon

Straalen als mijn bruiloftstroon.

Laat van geene zeedigheidenU altoos zoo ver verleiden,Dat ghy minder zegt als ’t isDat waar ’t heele doelhuis mis.

Laat van geene zeedigheiden

U altoos zoo ver verleiden,

Dat ghy minder zegt als ’t is

Dat waar ’t heele doelhuis mis.

Maar wie plagh dus voor te stuivenAls ik doe: die zoek te schuivenVan my huwlijkmaakers lastEn ik hylikmaak al vast....Venus kint, de looze stookerBetren pijl in uwen kookerVinden kan, dan ik u zenAl en waar het maar uw pen,Vleidt ghy my om Alaards vleyen41’t Meeste zeid’ hy als hy zweegh.’t Vuur en moet hem zeer niet bijten,Die zoo luide brand kan krijten?42Door een keel, daar hette in haart43Wil geen stemme bovenwaart,Dacht ik, in ’t gelaat van dezenKunnen enkele oogen leezenWat in ’t hart geschreven staet.

Maar wie plagh dus voor te stuiven

Als ik doe: die zoek te schuiven

Van my huwlijkmaakers last

En ik hylikmaak al vast....

Venus kint, de looze stooker

Betren pijl in uwen kooker

Vinden kan, dan ik u zen

Al en waar het maar uw pen,

Vleidt ghy my om Alaards vleyen41

’t Meeste zeid’ hy als hy zweegh.

’t Vuur en moet hem zeer niet bijten,

Die zoo luide brand kan krijten?42

Door een keel, daar hette in haart43

Wil geen stemme bovenwaart,

Dacht ik, in ’t gelaat van dezen

Kunnen enkele oogen leezen

Wat in ’t hart geschreven staet.

Alaards woordeloose praatjeMeest heeft uitgekipt het jaatje....Dat wat lager dan mijn kropLagh als in een yrendop.Evenwel ik kan niet zeggen,Dat gy ’t ook zoo aan moet leggen.Hachelijk waar zulk een raadt.Wat weet ik hoe zij ’t verstaat,Ieder eene moet men zoekenNaar haar aangezicht te doeken,Mislijk oft zy waar gesteltOp wat woorden voor haar geldt.

Alaards woordeloose praatje

Meest heeft uitgekipt het jaatje....

Dat wat lager dan mijn krop

Lagh als in een yrendop.

Evenwel ik kan niet zeggen,

Dat gy ’t ook zoo aan moet leggen.

Hachelijk waar zulk een raadt.

Wat weet ik hoe zij ’t verstaat,

Ieder eene moet men zoeken

Naar haar aangezicht te doeken,

Mislijk oft zy waar gestelt

Op wat woorden voor haar geldt.

Vastaartjen, hoe ’t zal gelukkenZoudt my konst zijn uit te drukken.Altijd is het vraagen vryEn het weigren staat er by.

Vastaartjen, hoe ’t zal gelukken

Zoudt my konst zijn uit te drukken.

Altijd is het vraagen vry

En het weigren staat er by.

Zou ze zulk een storrem afslaan:Neen ze: ziet gh’ haar voor zoo straf aanJaa ze: zy gelooft te laauwNeen ze: Vastaart is te gaauw.Jaa ze: z’ heeft geen zin in zoenenNeen ze: Minnezon doet groenen.Jaa ze: z’ hangt haar moeder aan.Neen ze: dat kan overgaan.Jaa ze: z’ is te jong van jaaren.Jaa z’: hy heeft der daegen veel.Neen ze: ’t is het passe scheel.Zoetjes; toef wat, nog een woordtjenIk u bijten moet in ’t oortjen,Dat myn hoofjes rammelradSchoontjes schier vergeten had.

Zou ze zulk een storrem afslaan:

Neen ze: ziet gh’ haar voor zoo straf aan

Jaa ze: zy gelooft te laauw

Neen ze: Vastaart is te gaauw.

Jaa ze: z’ heeft geen zin in zoenen

Neen ze: Minnezon doet groenen.

Jaa ze: z’ hangt haar moeder aan.

Neen ze: dat kan overgaan.

Jaa ze: z’ is te jong van jaaren.

Jaa z’: hy heeft der daegen veel.

Neen ze: ’t is het passe scheel.

Zoetjes; toef wat, nog een woordtjen

Ik u bijten moet in ’t oortjen,

Dat myn hoofjes rammelrad

Schoontjes schier vergeten had.

Spreekje ’t meisjen blond van haarenPast vooral haar te verklaaren,Klaarder dan ghy ’t my bediedt,Vastaart, oft ghy ’t meent oft niet.

Spreekje ’t meisjen blond van haaren

Past vooral haar te verklaaren,

Klaarder dan ghy ’t my bediedt,

Vastaart, oft ghy ’t meent oft niet.

De scherts, welke Hooft zich onder Tesselschades naam jegens Huyghens veroorloofd had, smaakte dezen laatste maar half; althans aan het slot van een ander gedichtje, ’t welk hij haar iets later zond, verzocht hij haar vriendelijk, er Hooft buiten te houden:

TesselschaedjeKameraedje,Die dit praetjeUyt mijn hertEn van binnenUyt het spinnenVan mijn sinnenHebt ontwert,Hebt het, hout het,Sluyt, ontvouwt het,Siet, aenschouwt hetAls belooft,Maar, bewogenUyt medoogen,Sonder d’ oogenVan uw Hooft.

Tesselschaedje

Kameraedje,

Die dit praetje

Uyt mijn hert

En van binnen

Uyt het spinnen

Van mijn sinnen

Hebt ontwert,

Hebt het, hout het,

Sluyt, ontvouwt het,

Siet, aenschouwt het

Als belooft,

Maar, bewogen

Uyt medoogen,

Sonder d’ oogen

Van uw Hooft.

Of hij nu bij de schoone Machtelt een blauwtje liep, dan of hij zich voorzichtig in tijds terugtrok, toen hij bemerkte, dat een ander in haar hart reeds de plaats had ingenomen, weet ik niet; zeker is het, dat hij, om van de zaak met eere af te komen, die later als eene grap behandelde, en boven zijn brief aan Tesselschade, eer die in ’t licht kwam, het woordJockplaatste.

Wat de blonde Machtelt betreft, wel had ik gewenscht dit hoofdstuk te kunnen sluiten met de vermelding, hoe zij den man harer keuze huwde en eene gelukkige gade en moeder werd.—Maar helaas! het was anders beschikt: zij stierf toen de Mei in het land kwam, als verloofde: gelijk wij uit de navolgende aandoenlijke regels van Vondel leeren:

De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk,O Maghtelt, toen zy u benyde ’t jeughdig blosen.Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck,Maar blancke lelie, och! in ’t midden van de roosen,Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen,Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop.Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen,’t Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.

De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk,O Maghtelt, toen zy u benyde ’t jeughdig blosen.Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck,Maar blancke lelie, och! in ’t midden van de roosen,

De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk,

O Maghtelt, toen zy u benyde ’t jeughdig blosen.

Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck,

Maar blancke lelie, och! in ’t midden van de roosen,

Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen,Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop.Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen,’t Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.

Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen,

Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop.

Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen,

’t Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.

Aanteekening.Na het schrijven van dit hoofdstuk vond ik mijn vermoeden, dat als getuige bij Tesselschades huwelijk hare getrouwde zuster Truitje zou zijn opgetreden, bevestigd door het navolgende uittreksel uit het Puiboek, mij door mijnen geachten vriend, den Stads-archivaris Scheltema, medegedeeld:Puiboek No. 9.1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende, geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out 28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers, haar suster, op de Geldersche kai.(Get.) Allart Janszoon Crombalch.Tesselscha Roemers Visschers.Men kan uit dit voorbeeld wederom zien, hoe weinig men zich om de spelling der namen en om de rechte qualificatie bekommerde. Van Truitje wordt o. a. niet eens gemeld, dat zij getrouwd is, evenmin als dit plaats heeft in de volgende aanteekening uit hetzelfde Puiboek, betreffende Anna’s huwelijk.12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.(Get.) D. v. Wesell 1624.Anna Roemers.Opmerkelijk is het, dat in de eerste huwelijks-aanteekening alleen de leeftijd van de Bruid, en in de tweede alleen die van den Bruigom vermeld wordt.De lezer zij wijders verzocht op de eerste bladz. van dit hoofdstuk voor „deneerstenNovember” te lezen „dentwintigstenNovember.” 1 November had de aanteekening, 20 Nov. het huwlijk plaats, als het bruiloftsvers van Hooft ons leert.Ik zal ook nu wederom het verwijt niet ontgaan, mij, gelijk mij ter ooren is gewaaid, meer gedaan, dat ik gemakshalve mijne opstellen, in plaats van met eigen werk, met verzen van anderen opvulde. Ik geloof echter, dat wie eerlijk denkt en bovendien eenigen goeden smaak bezit, mijne handelwijze aan betere motieven toeschrijven en niet af zal keuren. Die gedichten, door mij geheel of ten deele opgenomen, zijn de bronnen, waaruit ik mijn tafereel geput heb: ’t zijn mijne justificatoire bescheiden; vergenoegde ik mij, met er naar te verwijzen, ik zou den lezer noodzaken, om, tot recht verstand van mijn geschrijf een half dozijn boeken bij de hand te hebben en gedurig op te slaan. Maar bovendien strekken die brokken uit Hooft, Vondel, Huyghens enz. minder nog tot toelichting van mijn opstel, dan wel omgekeerd.—Velen (ik zelf tot nog voor korten tijd) hebben die brokken nimmer met dat genot gelezen, hetwelk alleen dan gesmaakt kan worden, wanneer men ze onderling in verband gebracht en daardoor recht heeft leeren begrijpen. Nu wellicht zal menigeen, die ze tot nog toe of niet of maar vluchtig gelezen had, zich wellicht door de uittreksels, die ik geef, aangespoord gevoelen, om ze eens meer opzettelijk in ’t oorspronkelijke te gaan nalezen, en zoowel zijne kennis van de zeden, de toestanden en het onderling verkeer—als zijn smaak voor de echte, gezonde, krachtvolle letterkunde van die dagen—zal niet anders dan er bij kunnen winnen.—Dat is mijn wensch; wordt die vervuld, dan zie ik mijn doel bereikt.

Na het schrijven van dit hoofdstuk vond ik mijn vermoeden, dat als getuige bij Tesselschades huwelijk hare getrouwde zuster Truitje zou zijn opgetreden, bevestigd door het navolgende uittreksel uit het Puiboek, mij door mijnen geachten vriend, den Stads-archivaris Scheltema, medegedeeld:

Puiboek No. 9.1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende, geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out 28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers, haar suster, op de Geldersche kai.(Get.) Allart Janszoon Crombalch.Tesselscha Roemers Visschers.

Puiboek No. 9.

1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende, geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out 28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers, haar suster, op de Geldersche kai.

(Get.) Allart Janszoon Crombalch.Tesselscha Roemers Visschers.

Men kan uit dit voorbeeld wederom zien, hoe weinig men zich om de spelling der namen en om de rechte qualificatie bekommerde. Van Truitje wordt o. a. niet eens gemeld, dat zij getrouwd is, evenmin als dit plaats heeft in de volgende aanteekening uit hetzelfde Puiboek, betreffende Anna’s huwelijk.

12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.(Get.) D. v. Wesell 1624.Anna Roemers.

12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.

(Get.) D. v. Wesell 1624.Anna Roemers.

Opmerkelijk is het, dat in de eerste huwelijks-aanteekening alleen de leeftijd van de Bruid, en in de tweede alleen die van den Bruigom vermeld wordt.

De lezer zij wijders verzocht op de eerste bladz. van dit hoofdstuk voor „deneerstenNovember” te lezen „dentwintigstenNovember.” 1 November had de aanteekening, 20 Nov. het huwlijk plaats, als het bruiloftsvers van Hooft ons leert.

Ik zal ook nu wederom het verwijt niet ontgaan, mij, gelijk mij ter ooren is gewaaid, meer gedaan, dat ik gemakshalve mijne opstellen, in plaats van met eigen werk, met verzen van anderen opvulde. Ik geloof echter, dat wie eerlijk denkt en bovendien eenigen goeden smaak bezit, mijne handelwijze aan betere motieven toeschrijven en niet af zal keuren. Die gedichten, door mij geheel of ten deele opgenomen, zijn de bronnen, waaruit ik mijn tafereel geput heb: ’t zijn mijne justificatoire bescheiden; vergenoegde ik mij, met er naar te verwijzen, ik zou den lezer noodzaken, om, tot recht verstand van mijn geschrijf een half dozijn boeken bij de hand te hebben en gedurig op te slaan. Maar bovendien strekken die brokken uit Hooft, Vondel, Huyghens enz. minder nog tot toelichting van mijn opstel, dan wel omgekeerd.—Velen (ik zelf tot nog voor korten tijd) hebben die brokken nimmer met dat genot gelezen, hetwelk alleen dan gesmaakt kan worden, wanneer men ze onderling in verband gebracht en daardoor recht heeft leeren begrijpen. Nu wellicht zal menigeen, die ze tot nog toe of niet of maar vluchtig gelezen had, zich wellicht door de uittreksels, die ik geef, aangespoord gevoelen, om ze eens meer opzettelijk in ’t oorspronkelijke te gaan nalezen, en zoowel zijne kennis van de zeden, de toestanden en het onderling verkeer—als zijn smaak voor de echte, gezonde, krachtvolle letterkunde van die dagen—zal niet anders dan er bij kunnen winnen.—Dat is mijn wensch; wordt die vervuld, dan zie ik mijn doel bereikt.


Back to IndexNext