In de Klok.

In de Klok.Bij onze laatste wandeling bevonden wij ons in het begin der 18deeeuw en stonden wij aan of liever op een vaartuig in de Keizersgracht bij de Reguliersgracht. Wij springen weer een zeventigtal jaren terug en.... waar zijn de sierlijke huizen, die wij aan weerskanten zagen prijken? Waar de volkrijke straat, die wij voorbij, waar de bruggen, onder welke wij door zijn gevaren? Wij vinden ze niet meer,—om ons juister uit te drukken—wij vinden ze nog niet;—maar toch de merkpalen zijn al aanwezig, die aanwijzen waar ze komen moeten, en uit al wat wij om ons heen zien blijkt, dat hier spoedig de weilanden, tuinen en molenwerven, die ons omringen, zullen plaats maken voor deftige kaaien en volkrijke straten. Immers in den jare 1657 is door de Vroedschap besloten, Amsterdam voor de vierde reize, en wel aan de Zuidzij, te vergrooten: in 1657 is een aanvang gemaakt met het graven van nieuwe grachten en het bouwen van veertien nieuwe, met steen bemuurde, door hooge gordijnen aan elkander verbonden bolwerken: en in 1663 is door ’s Lands Staten aan Amsterdam octrooi verleend tot onteigening van alle landen, tuinen, erven en gronden, die met de voorgenomen uitlegging binnen de stad getrokken worden.Alles is hier nu drukte en gewoel, honderden van arbeiders zijn hier, zijn ginds aan ’t werk in die weeke pap, die noch aarde, noch zand, noch klei, noch veen, noch water is, maar een mengsel van dat alles te zamen, aan ’t heien van palen, aan ’t baggeren, aan ’t kruien, aan ’t uitdiepen en ophoogen: landmeters, bazen en opzichters beschouwen of besturen den arbeid: karren, wagens en schuiten voeren de benoodigde bouwstoffen aan of keeren terug om nieuwen voorraad te halen: en een tal van nieuwsgierigen waart om de planken schuttingen, die het veld omgrenzen, in de hoop van, ’t zij over ’t beschot, waar dat laag genoeg is, ’t zij door een openstaande deur, ’t zij door een reet of opening in of tusschen de planken, te kunnen begluren wat daar binnen geschiedt.Wij willen ons daarmede niet bezighouden; wij zoeken weer het bewoonde gedeelte der stad op en wel bepaald dat gedeelte, waar de nieuwe Keizersgracht zich bij de reeds bestaande zal aansluiten.Die aansluiting zal plaats hebben aan den ouden stadswal, die vlak tegenover de Beulingstraat loopt, en waar Heeren-, Keizers- en Prinsengracht tegen stuiten; maar aan wier buitenzijde men bezig is de vaart te graven, die den naam van Leidschegracht zal voeren:en het is nu aan de binnenzijde van dien wal, op den hoek der Keizersgracht, dat wij de woning vinden, waar wij thans voornemens zijn een bezoek af te leggen, en die eene gebeeldhouwde klok in den gevel voert.Het huis is klein en onaanzienlijk: het schijnt dat van een gewoon ambachtsman; maar toch is de bewoner meer dan dat: hij is een kunstenaar van de hoogste bekwaamheid in zijn vak, en zijn naam is wijd en zijd door Amsterdam en vandaar geheel de wereld door verbreid. Wanneer wij dan ook den kunstig bewerkten hamer, die op de voordeur hangt, oplichten, bij den bewoner aankloppen en aan de dienstmaagd, die ons opendoet, vragen, of wij Monsieur Hemoni kunnen te spreken krijgen, doen wij, schoon onbekenden, niets, dat hare bevreemding wekken kan, want zij is het sedert lang gewend, dat lieden van elken rang en stand en landaard, op dezelfde wijze, zich aanmelden en zich verlangend toonen om den arbeid van haren meester gade te slaan en de kunstgewrochten, door hem vervaardigd, van nabij te leeren kennen.—Op onze vraag wordt dan ook dadelijk met een bevestigenden hoofdknik geantwoord, waarop de bemoedigende toespraak volgt: „als de heerschappen maar over de plaats willen gaan,Mesjeuis op den winkel.”Er zoude nog anderhalve eeuw verloopen, eer men het woordateliergebruikte.Wij volgen de aanwijzing, gaan de korte huisgang door, het kleine, met klinkers belegde plaatsje over, stooten daar eene deur van ruwe planken open, en verschaffen ons zoo den doortocht tot de opene ruimte, binnen welke zich de werkplaats van Hemoni bevindt.En luister, pas zijn wij aldaar gekomen, of op eens, als ware het ter onzer verwelkoming, daar vangt, zwaar en luid, ja oorverdoovend, maar toch zuiver en vol harmonie, de muziek aan van een tal van klokken van metaal, en doet ons voor een poos stilstaan, zoo omdat het onverwachte geluid ons verrast, als omdat wij vreezen, in de nabijheid daarvan, noch ons zelven noch anderen te zullen verstaan.—Maar ook al hadden wij willen voortgaan, wij zouden ’t niet hebben durven doen; want uit de werkplaats tegenover ons is plotseling iemand, die ons bespeurd had, voor den dag gesprongen, en hij legt den vinger op den mond en maakt terugwijzende gebaren, een en ander kennelijk om ons te doen begrijpen, dat wij noch naderen, noch geluid geven, noch ons zelfs verroeren mogen. Gehoorzaam aan dien wenk blijven wij dan ook staan, en wachten af tot het verbod moge zijn opgeheven. Doch niet zoo spoedig wordt aan dit verlangen voldaan: het bekende deuntje:Wel mag ik u Laura vragen,is afgespeeld en nog blijft van verre de terugwijzende hand opgeheven: wij arme bezoekers zien elkander verlegen en besluiteloos aan en onze oogen schijnen te vragen of wij ook het erf weer verlaten zullen en ons bezoek op een geschikter tijd hervatten; maartoch, een vriendelijk knikje van den man daar tegenover ons geeft ons weer moed; want wij maken er uit op, dat het oponthoud, ’t welk wij ons getroosten, maar tijdelijk zijn zal: en inderdaad, na nog eenige minuten verwijls gaat de deur der werkplaats weder open, en een nieuw personage treedt te voorschijn, wenkt den wachter, die buiten stond, weder binnen, en komt naar ons toe.„Ah bonjourmijn ’eer,” zegt hij onder ’t naderen: „ikke pardon vraak voor u te ebbe late wakkete, ikke bezik was an te probeer die klokkespel en dan ikke onkaarne kestoor,vous comprenez?”En wij treden bemoedigd voorwaarts en lichten den hoed af; want wij beseffen, dat de kloeke grijsaard, die tot ons spreekt, niemand is dan de beroemde klokkegieter, monsieur Hemoni zelf.„Indien wij ongelegen komen...,” zoo luidt de afgebroken volzin, dien wij ’t beleefdheidshalve noodig achten hem toe te voegen, al ware ’t maar om hem welwillend jegens ons te stemmen.„Oh! pas du tout,kom binne!” klinkt het, en, zijne uitnoodiging gevolg gevende, bevinden wij ons weldra binnen de ruime loods, die des eigenaars gieterij, werkplaats en magazijn bevat.Het is ’t magazijn, of, zooals men gewoonlijk zegt, de winkel, die ’t eerst ons ontvangt: de winkel, hoog en omvangrijk, als vereischt wordt uit aanmerking van het getal en de grootte der voorwerpen, die er in bewaard worden. Het eerste, dat dan ook onze oogen trekt, zijn zes kolossale beelden van metaal: vier daarvan stellen even zoovele deugden voor, als: Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Matigheid en Wakkerheid; het vijfde den Vrede, het zesde een zwaar gebouwden, grofgespierden man, in de houding als torste hij een last, die echter onzichtbaar is.„Ja,” zegt Hemoni, in antwoord op onzen vragenden blik, „dat zijne de beeld, die motte kom te staan op de nieuwe stattuis, boven defrontispice, foor en akketer, datte de werk van monsieur Artus Quellin.”„Ja gewis,” merken wij aan, „die beelden zijn voortreffelijk en gemakkelijk te erkennen voor wat zij moeten voorstellen;—maar die man?.... wien moet hij verbeelden?”„Die man?” herhaalt Hemoni, „dat isse den Atlas, die de emelbolle traak; maar de emelbolle is er nok niet op: ij zal nok lank kenoek ebbe deplaisirvan die te foel op sijne nekke; die emelbolle lekke in de werkplaasse: sij nok niet keëel klare. Soo aanstons wij sullen sien datte,comprenez-vous.—Maintenant,” gaat hij voort, terwijl hij wijst naar eene der talrijke klokken, die aan ’t gewelf hangen: „ier isse de klok voor de poorte, die sel koom te staan an de ende van de nieuwe strate, ofer de Eilike-Wek, nok eene eele end ferder dan de Eilike-Weks-poorte, en die sel iet de Leise poorte: en dan komme er nok twee poort, waarfoor ik bestel eb kekreek de klokken, namelik de Utrekkese poorte en de Weesseper poorte, allebei kroote mooie poorte,comprenez-vous?”„Volkomen;—maar voor welk gebouw moet die klok dienen, met die keurig bewerkte beeldjes om den bovenrand?”„Aha! die klok, en al die andere klok, die er bij staan, isse deklokkespel foor die kroote kerke à Rotterdamme,comprenez-vous?Sij eersstaak sal worde afke’aalt. Is eene eele werk kewees, te make alle die beeldjesen relief;—maar essegénéralementseer kepreese. Monsieur Artus Quellin, ij mij seide: „friente Emoni,” seide hij, „al adde ik selleve die beeldjes kemaak, ikke sou mij daar niet over skaam,” en de Bourguemestre van Rotterdamme, als ij ware ier, ij ook daarmee ware bijzonder kontent.”„Wel! hij zou wel ongemakkelijk zijn, of weinig gevoel voor de kunst hebben, zoo ’t anders ware,” zeggen wij, terwijl wij in opgetogenheid het fraaie beeldwerk beschouwen, op die klokken aangebracht, en waar ’t slechts jammer van is, dat ze op eene plaats zullen komen te hangen, waar weinigen ze zoo op hun gemak kunnen zien, als wij nu doen.„Gij hebt vele dergelijke klokken gemaakt, monsieur Hemoni?” vragen wij verder.„Meer dan er ier sou kunnen ’ang, al wasse de winkel sesmale soo kroot,” is het antwoord, en nu verhaalt hij ons, hoe hij de kerken te Hoorn, Enkhuizen, Delft, Utrecht, Amersfoort, Leiden, Arnhem, Kampen, Groningen, Middelstum, Purmerend, Medemblik, den Briel, enz. van klokken heeft voorzien, en er hem nu nog voor de Groote Kerk te Hoorn en voor andere gebouwen meer besteld zijn.„En wat was uw proefstuk hier te lande?” vragen wij: „gij zijt een Lotharinger, niet waar?”„Van Levecourt kebore, ja welle! Mijn eerste werke wasse in ’t jaar 46, te Zutfen, waar ik met mijn broeder Pieter eb kekoot, die ses-en-twintik klok voor de Wijnuistoor, en in 47 die vijf-en-twintik klok voor die kerke van Saint Levin te Deventre. Maar toen eb ikke kedok, Amsterdamme is de rekte plaasse foor een artist, en ikke pen kekoom ier, waar mij deMagistratep afgestaan deze erf om daar te bouw mijne kieterij, en daar eb ik ook al mijn klok kekoot, en voor de Oude kerke dat speelewerk, van vijf-en-dertik klok, en daarvoor eb zij mij betaal ƒ 28,716: en nu sijn mij bestel die klok voor de nieuwe stattuis te kiet binnen ses maand; daar sullen aan kespendeer worden 27000 pond metaal. En as die sinjeurs nu eens wille koom in mijne werkplaas, sij sullen nok ander keurige dink sien.”Wij geven gaarne aan de uitnoodiging gehoor en verlaten de loods, waar wij ons bevinden, voor eene tweede, die tot het bewerken en beproeven der gegoten voorwerpen dient, en vanwaar ons reeds een voor ’t gehoor min aangenaam krassend geluid van ijzer, dat geveild of afgeschraapt wordt, is te gemoet gekomen. Was het in den winkel eenzaam en stil, hier in de werkplaats heerscht bedrijvigheid en gewoel. Eene uit een aantal klokken, die van den zolder afhangen en de muziek hebben doen hooren, waarop wij straks vergast werden, is door de werklieden met kabels afgelaten en, met behulp van een kunstig uitgedacht werktuig, omgekeerd in een soort van ijzeren rasterwerk opgevangen en vastgezet. Iemand, die over den rand dier klok is heengebogen, en wiens bovenlijf ergeheel in verdwijnt, is bezig, daar die knarsende geluiden voort te brengen, die wij hoorden; terwijl een ander bij de tafel daarnevens staande, met een blad in de hand, vol aanteekeningen en figuren, die blijkbaar pas geschreven zijn—want de inkt is nog nat—den arbeid gadeslaat.„Ah! monsieur Verbeek!” zegt Hemoni tot dezen laatste: „iere sijn sinjeurs, die mijne winkel en kieterij koom bekijk. Sij koom net van passe, om te zien oe wij probeer die klok.”Wij groeten monsieur Verbeek, wiens naam als kunstenaar ons reeds bekend is uit de navolgende rijmen van den eerzamen Melchior Fokkens:De kunst in d’ avond-stondt der werelt, nu gebooren,Doet met verwonderingh ’t Muzyck der klokken hooren,Ons ooren zijn verbaest, den ouden tijd verdwijnt,Vermits een grooter licht in ’t nieuwe ons verschijnt.Wie zou dit zoet geluydt der nieuw ghegoten klockenVan over hondert myl niet herwaerts konnen locken?Noyt was ons Amsterdam met sulck vermaeck geciert;Dit zoet gespeel door Straet en Boom en Burghwal zwiert.Laet varen Griecken Landt met zijn verzierde droomen,Parnassus groen geberght en noyt gevonde stroomen,Hier is een and’ren klanck, dat noyt de wijze Grieck’,Noch het beroemde Atheen, dat staegh om wijsheidt ziek,Zijn krachten leydt te kost, en mochten oyt gebeurenGheen volck, hoe woest het is, die dit niet goet zou keurenWanneer ons hier Verbeeck, door ’t klocken zoet gespeelEn ’t klinckende Muzyck ons hert en ooren streel:Wat ’s van Apollos harp, Orfeur kunstigh zinghen,’t Heeft uyt met dit gelaet en oud vermufte dingen:Wanneer men dit gheklanck in Amsterdam begluurt,Ons levenstijdt is kort, de kunst gestadigd duurt.Die regels zijn zeker niet fraai: zij laten, wat stijl, taal en maat betreft, vrij wat te wenschen over; maar zij kunnen als een staaltje dienen van de ingenomenheid, die de Amsterdammers hebben met hun klokkenspel, en met den bekwamen kunstenaar, die ze zoo tot aller voldoening weet te bespelen. Inderdaad ontlokt Verbeek, niet enkel geleid door zijn juist gehoor, maar ook door onmiskenbaar kunstgevoel gedreven, aan het klokkenspel nog schooner akkoorden dan zelfs den vervaardiger mogelijk was toegeschenen. Gaarne neemt dan ook Hemoni zijn raad in bij den arbeid, en gaarne staat hij Hemoni met dien raad ter zijde.De meester voert ons thans de werkplaats rond, waar t’ elker zijde zijne handlangers en leerlingen zich kwijten, ieder van zijne verschillende taak. Hier ziet men er aan ’t schoonmaken, schuren, polijsten, vernissen van klokken en andere gegoten voorwerpen; daar is men bezig aan ’t uitbeitelen van letters, cijfers, beeld- ofloofwerk of andere sieraden, die er op moeten prijken: wat verder is de een bezig met ingewikkelde berekeningen, en de ander met het uitwerken op grooter schaal van geteekende schetsen van verschillenden aard, door Hemoni ontworpen. Wij zien en verwonderen ons over al het fraaie, dat ons getoond wordt, maar wat in bijzondere mate onze opgetogenheid wekt, is eene sfeer van koper, waarop eene bedreven hand de geheele oppervlakte des aardbols met de graveernaald schetst, naar het voorbeeld van eene houten sfeer, uit den winkel van den grooten aardrijkskundige Blaeu. Het is de bol, waar Hemoni zoo straks van gewaagde, die op de schouders van het Atlasbeeld, dat wij in den winkel zagen, zal komen te rusten.Maar terwijl wij nog staren op dit meesterstuk, daar houdt eindelijk het gekras binnen de omgekeerde klok op en duikt daaruit de bekwame werkman op, die het had voortgebracht. Aan zijne jaren en aan de onderlinge gelijkenis herkennen wij Pieter Hemoni, den broeder van François. Hij legt den beitel neder, waarmede hij een werk verricht heeft, dat aan geene onervaren handen mocht worden toevertrouwd: de klok wordt weder met de opening naar beneden gewenteld, en opgehaald, doch slechts op twee derden eener manshoogte van den grond, zoodat de beide broeders en Verbeek er hunne hoofden in kunnen steken, om het verrichte in oogenschouw te nemen. Monsieur François is tevreden, althans hij geeft een goedkeurenden knik; maar Verbeek wil nog nadere overtuiging: hij tilt een zwaren hamer op en slaat daarmede tegen de klok, die terstond een zilveren klank laat hooren.„Ik geloof dat wij het nu meester zijn,” zegt hij, „en dat niets het volmaakt akkoord meer storen zal. Haal nu maar op; dan kunnen wij ’t nog eens beproeven.”„Silence!”roept Hemoni, terwijl de klok naar boven gaat; en plotseling zwijgt elk geluid in de werkplaats: al de aanwezigen—ook wij—houden den adem in: Hemoni en Verbeek staan in gespannen aandacht, met een blad papier in de eene en eene pen in de andere hand, gereed, elke valsche noot, elk min juist akkoord, elk gebrek aan overeenstemming op te teekenen; en het klokkenspel begint opnieuw. Maar thans ruischen de melodieën zuiver als kristal, en alleen aan de nabijheid, waarin wij geplaatst zijn, is het te wijten, zoo zij op ons niet die aangename uitwerking doen, welke zij eens uit de hoogere verblijfplaats, voor welke het klokkenspel bestemd is, in de ooren van marktbezoeker en wandelaar weerklinken zullen.„Bravo! bravo!” roepen wij, zoodra de muziek ophoudt: „hoe kan ’t zijn, dat zulke zware instrumenten zulk eene liefelijke samenstemming van tonen kunnen teweegbrengen!”„Ja,” zegt Verbeek, terwijl zijn gelaat van welgevallen schittert bij ’t ophalen der verdiensten zijns vriends: „dat had niemand kunnen denken, voordat onze meester hier de kunst uitvond. Tot op zijn tijd hing het treffen van den juisten toon van een tal berekeningen af, die, wanneer zij ongelukkig faalden, het geheele werkdeden mislukken. Dan moest er weer opnieuw gevormd, en opnieuw gegoten worden, totdat men eindelijk een gunstiger uitkomst verkregen had; maar dan mocht het eer toeval heeten dan kunst: en de meeste klokkenspelen lieten nog veel te wenschen over. Maar onze meester François kwam het eerst op het wijze denkbeeld om de zwaarte van het gietwerk iets ruimer te nemen, en ook den toon wat hooger dan te voren, en dan de klokken met stalen beitelwerk uit te draaien, tot zij op den juisten toon waren gebracht en alle volstrekt samenstemden. Dat stemmen nu wordt, zooals de heerschappen gezien hebben, altijd zoo nauwlettend verricht, dat niemand bij ’t geluid mag spreken en wij onze aanmerkingen schriftelijk opteekenen, om ze elkander eerst mede te deelen als het spel heeft opgehouden. Ja hij heeft het zoover gebracht, dat het gewone klokkeluiden, dat elders spoedig verveelt, hier te Amsterdam iets welluidends heeft. Immers er zijn vier groote klokken van hem, waar men mee luidt, van welke de kleinste en de grootste, of de hoogste en de laagste, net een octaaf verschillen en de twee middelsten op een quint of tertie tusschen beide gaan, zoodat, ’t zij men ze alle vier, of er maar twee of drie van luidt, zij altijd een geluid geven dat muzikaal accordeert.”„Ja,” zegt Pieter Hemoni, met een vroolijken glimlach: „sij lank soek’, eer sij tekenwoordik op de wereld eene stad vind’, soo voorzien van kunstikke klok’ als Amsterredamme.”„Bah!” zegt François: „watte isse er, dat bij Amsterredamme is te verkelijk? Waar finde men erkens eene smid, asse meester Wouter Geurtsgen, die soo excelleer in ’t smeeden van ijzeren traliën met loofewerke en krullen, soo net met den ’amere kemaak, dat men niet zou kunnen et soo keurig maak in de kieterij? Nu, ij dan ook lever sijn werk aan den konink van Sweden en andere uit’eemsche prinsen. En waar vinde men kastemakere, die zoo kunstik inlekwerk weten te maak, dat door de eele wereld kezok wor? En waar mozaïsten als meester Dirk Van Rijssewijk? ’t Mot alles van ier koom, waar de foorname liede te Londre of Paris unne saal en pronkkamer mee versier, en anders is ’t niet koet.”En nu brengen wij, op ’s mans voorstel, een bezoek aan de gieterij. Wij zullen er niet anders van zeggen, dan dat, had Schiller anderhalve eeuw vroeger geleefd, men zou hebben kunnen denken, dat hij hier de inspiratiën geput had, die hem zijn heerlijk „Lied van de klok” deden schrijven, en dat wij versteld staan, wij, die ’t gebruik der stoomwerktuigen kennen, hoe, zonder hun hulp, en met de middelen, die hem ten dienste stonden, Hemoni, in betrekkelijk korten tijd, zoo ontelbaar vele meesterstukken uit zijne gieterij heeft kunnen afleveren.Bij het keeren van daar, en voordat wij afscheid nemen van onze heusche kunstenaars, wijst Pieter Hemoni ons nog, in een hoek van de werkplaats, die tot kantoor gebezigd wordt, boven den schrijflessenaar een vers, in plano gedrukt en in een koperen lijst gevat, en van den volgenden inhoud:Op hetKlokmusykt’ Amsterdam.Nec mortate sonans.Laet al d’ oude Grieken zwijgen,Stoffende, zoo trots en fier,Van Amfions goude lier,Op wiens klank de vesten stijgen,Bacchus zijn geboortestadt52Van den hemel zagh bescheenen,Daer zoo veel vertrooide steenenZich verhieven uit het plat,Op de maat van snaer en zanger,Wij verwondren ons niet langer.Droom en kluchten gaven stofAen de lichtgelovende ouden,Die gedroomde steden bouden,Dat versieren ging te grof.Grieken, dartel in zijn vonden,Zoekt uit duisternisse licht,Diende zich van ydel dicht,Aan geen schijn van reên gebonden,Toen het geestigh logens goot,En zijn verf niet eens verschoot.Wij, verlicht door ryper klaerheit,Mogen spreecken, rijck van roem,Zonder dat men ’t werck verbloem’,In der daedt, en in der waarheit:Gysbrechts stad wordt rontom heen,Op muzyk van torenklokkenMet een steenen muur omtrokken,Wordt gekloncken hecht aan een,WijlVerbeekmet voet en vingerenKlancken weet daaraan te slingren.Hij verdooft met klokgeluitD’ allereêlste kerkkooraelen,Speelt met klokken, als cymbaelen,’s Hemels kooren kycken uit,Op de heele en halleve uuren,En de vierendeelen mee,Steeckt de Koningin der zee’t Hooft nu trotser uit haer muuren,Gort haer vruchtbren schepetuinMet een gordel van arduin.Ik verhef mijn toon in ’t zingenAen den Aemstel en het Y,Op den geest vanHemony.D’ eeuwige eer van Loteringen,Die ’t gehoor verlekkren konOp zijn klokspijs, en zijn nooten,Ons zoo kunstrijk toegegoten.’t Lust ons op de klokketoon,Ons doorluchte torentranssen,Eenen klokkedans te danssen.Cybelé behaelt geen prijsDoor geschal van keteltrommen,Nu de torentransen brommenMet een liefelijker wijs,Dan haer dolle Korijbanten.Geen of een alleen vermaghOm te voeren nacht en daghEenen rey van musikanten.Voert dien klokhelt op ’t altaer,Eens gezien in duizent jaer.MDCLXI.J. v. d. Vondel.In de paarlemoeren Schelp.Wij hebben de woning van Hemoni verlaten en, onzen weg langs de Keizersgracht vervolgende, zien wij uit de Wolvestraat drie heeren komen, wier deftig voorkomen en sierlijke kleedij ons doen vermoeden, dat zij tot den aanzienlijksten stand behooren. Zij spreken een uitheemsche taal, maar toch meenen wij, aan de wijze waarop zulks door twee hunner geschiedt, zoowel als aan hunne gelaatskleur, houding en manieren, stadgenooten te herkennen. Alleen de derde, die, op de eereplaats, in ’t midden gaat, is blijkbaar een vreemdeling. De kwistige overvloed van bonte pluimen, die rondom den bol van zijn hoed golven, de zwier, waarmede de oranjekleurige, met goud gestikte mantel van den linkerschouder afhangt, de gouden ketens, die zich kruisen onder en over de slippen van eene das, uit het fijnste kantwerk vervaardigd, de omgekeerde piramide van veelkleurige linten, die ’t onderlijf bedekt, debreede kanten, die over de omgeslagen randen neervallen der laarzen, met gouden sporen voorzien, die weelderige opschik in één woord, en daarbij die gele, doorschijnende tint van het gelaat, die blinkende raafzwarte vlechten, die in natuurlijke krullen tot ver over de schouders heen dartelen, die levendige, als sterren vonkelende oogen, en die welluidende uitspraak van de liefelijkste aller talen, stellen het buiten allen twijfel dat wij hier een Italiaan voor ons uit zien gaan, en wel, dat wij delingua romana in bocca toscanahooren spreken.En zoo is het ook. Die vreemdeling, die op de plaats van eere gaat, is niet slechts een Toskaner, maar een Florentijner, en niet slechts een Florentijner, maar een zoon uit het doorluchte Huis van Medicis, die de groote wereldstad bezoeken en kennis komt maken met de rijkdommen en merkwaardigheden, waardoor zij zich op dit tijdstip—wij tellen nu 1667—boven alle andere van Europa onderscheidt. De Medicis, dien wij daar voor ons zien, is Kosmo III, zoon van den Groothertog Fernando, en de heeren, die aan weerszijden van hem wandelen, zijn—de Burgemeester Andries De Graeff, die van de reizen, welke hij, op ’t voorbeeld der meeste jongelieden van goeden huize, in de dagen zijner jeugd naar Frankrijk en Italië deed, zooveel van de taal van Petrarca onthouden heeft, dat hij zich nog verstaanbaar daarin kan uitdrukken—en de Heer Albertus Benzi, de voorname Amsterdamsche koopman, die, Italiaan van afkomst, groote zaken doet met zijne stamgenooten, de belangen van de Medicissen en andere doorluchte Florentijnsche geslachten te Amsterdam waarneemt, en thans den Prins tot gids en tolk verstrekt. Wij bemerken nu, dat de vijf of zes andere heeren, die de reeds genoemde op korten afstand volgen, tot hun gezelschap behooren. Twee daarvan zijn edellieden van ’s Prinsen gevolg, de overige zijn jeugdige leden van Amsterdamsche Regeeringsfamiliën, den doorluchtigen bezoeker als eene soort van eerewacht toegevoegd.Wij zijn toch nieuwsgierig te weten, wat de Prins en zijne geleiders elkander alzoo te vertellen hebben, en, gebruik makende van ons voorrecht, om alles te hooren en te zien, zonder zelven opgemerkt te worden, voegen wij ons bij hen.„Ik betuig uwe Edelheid,” zegt Kosmo, terwijl hij even stilstaat, om het vergezicht gade te slaan, dat hem van de brug af, waar hij zich op bevindt, rechts en links wordt aangeboden, en zich te verlustigen in het bont gewoel der talrijke schaatsenrijders, die hier op en af langs de baan zwieren, „bij al de wonderen, waarvan ik reeds ooggetuige geweest ben in deze uwe stad, niet te begrijpen, hoe er nog iets zou kunnen zijn, dat mij verwondering baarde.”„Uwe Doorluchtigheid is te welwillend,” zegt De Graeff: „wat is Amsterdam toch, in vergelijking met Florence, Venetië, Genua, en het eenige Rome? Wij zijn er hier al grootsch op, als wij eenig marmer binnen onze nederige woningen hebben, terwijl ten uwent geheele paleizen uit marmer rijzen.”„En ziedaar juist wat mij met verbazing slaat,” hervat Kosmo:„dat gij, een land bewonende, dat noch marmer, noch steen, noch timmerhout oplevert, toch eene stad als deze op palen hebt weten te stichten, en op die palen huizen gezet, in een bouwtrant, die, van den onzen verschillende, minder statig en grootsch, maar tevens minder eentonig, en oneindig vroolijker, bevalliger en netter is, en die huizen van binnen hebt weten te stoffeeren, niet enkel met het kostelijkste marmer, maar ook met pracht van tapijten, gordijnen, behangsels en meubelen, zoo kunstig en prachtvol als waarvan men bij ons in de verste verte geen denkbeeld heeft. Gij moet dan gruwzaam rijk zijn, gij Heeren Amsterdammers.”„Ik weet niet,” verstout Benzi zich op te merken, „of uwe Doorluchtigheid hier wel te recht den tegenwoordigen tijd van ’t werkwoord bracht. Die laatste Engelsche oorlog heeft ons vrij wat achteruitgezet.”„Men kan ’t niet merken,” zegt de Prins, lachende: „en dan,” vervolgt hij: „wat al kunstenaren in alle vakken! Gij hebt schilders, wier manier van de Italiaansche verschilt, doch die op hunne wijze met het penseel weten te tooveren en begoochelingen teweegbrengen, waardoor men de natuur zelve waant te aanschouwen: gij hebt bouwmeesters en beeldhouwers, zoogoed als zij ergens te vinden zijn: uw orgelspel overtreft al wat ik ooit gehoord heb; uwe schrijnwerkers, juweliers, goudsmeden en andere kunstenaars van dien stempel zijn de voortreffelijksten, die men vinden kan: uwe drukkerijen zijn de beste van Europa; in elk ambacht levert gij de meest gezochte stukken werks:—ja ik zou niet weten in welk vak eenige stad u den prijs kon afwinnen.”„Indien het mij geoorloofd is, dit te zeggen,” merkt ’s Prinsen Hofmeester, Signor Filippo de Neri, aan, die, met de overige heeren de brug opgekomen zijnde, de uitboezeming van den Prins gehoord heeft: „dan zou ik willen doen opmerken, dat Amsterdam geene mozaïsten bezit, gelijk Florence die bij menigte telt.”„Om in ’t mozaïek te werken,” zegt Kosmo, de schouders ophalende, „moet men de onderscheidene soorten van marmer en gesteenten, die men behoeft, maar voor ’t grabbelen om zich heen vinden, en hoe zou een kunstenaar daar te Amsterdam aan geraken?”„’t Is zooals Z. Doorluchtigheid te recht aanmerkt,” zegt meesmuilende Benzi: „de materialen ontbreken hier:—intusschen, Signor Filippo heeft nog nietallesgezien, wat er in Amsterdam te zien valt.”„Neen, waarschijnlijk niet,” zegt Kosmo: „doch waar gaan wij nu eigenlijk heen?”„Naar een winkel in de straat hier recht tegenover ons, zoo ’t Uwe Doorluchtigheid goeddunkt,” zegt De Graeff.„Ik volg blindelings het geleide van Uwe Edelheid,” antwoordt Kosmo: „als wel wetende dat ik dan onmisbaar goed te recht kom.”En wederom zet zich het gezelschap in beweging. ’t Werd ook tijd; want de voorbijgangers, nieuwsgierig als de Amsterdammers van oudsher geweest zijn, en wel steeds zullen blijven, hebben zich langzamerhand om het gezelschap heenverzameld en staan den„vreemden Prins” reeds op eene vrij onbescheiden wijze aan te gapen. Doch de wandeling, die men te doen heeft, is niet groot, en men is spoedig van ’t lastige bekijk verlost; halverwegen de Beerestraat vertoont zich een gewoon burgerhuis, dat zich in niets van de overige onderscheidt, dan door de kolossale gekleurde schelp, die, bij wijze van uithangbord, boven de luifel uitsteekt. Het is deze woning, welke de Burgemeester zijn voornamen gast verzoekt binnen te treden, en, gevolgd van het geheele gezelschap, begeven zij zich, door de openstaande voordeur en het donkere voorhuis, naar eene ruime, goed verlichte achterkamer, die tot werkplaats dient, en waar zich, op dat tijdstip, drie personen bevinden. Van die drie is er een, die blijkbaar de bewoner van het huis is, achter eene tafel gezeten, op welke het blad eener andere tafel gelegen is. De man is reeds van gevorderden leeftijd: hij draagt eene kalot op het hoofd, en een knijpbril op den neus, en is bezig, uit platgemaakte schelpen, waarmede verschillende houten bakken naast hem gevuld zijn, de zoodanige te kiezen als hem dienstig zijn voor zijnen arbeid. Wat de knaap, die zich achter hem bevindt, uitvoert, is moeielijk te zeggen; want, reeds op het eerste gerucht van aankomende bezoekers, heeft hij een kleed geworpen over de tafel, bij welke hij aan ’t werk is. De derde persoon, die zich in de werkplaats bevindt, is een bejaard man in eenvoudige burgerkleeding, die bij het binnentreden des Burgemeesters terstond is opgerezen van de houten schabel, waarop hij gezeten was, en zich bescheiden in een donkeren hoek van de kamer terugtrekt. Ook de heer des huizes is, zoodra hij, van zijn arbeid opkijkende, de qualiteit der bezoekers heeft bespeurd, opgestaan, om hen te begroeten en hunne bevelen af te wachten.„Gij houdt het mij ten goede, meester Dirck,” zegt De Graeff, „dat ik u hier den Prins van Toskane breng, die wel zien mag, dat men ook elders dan in Florence tafels weet in te leggen naar de wijze der mozaïsten.”„’t Zal mij veel eer zijn,” antwoordt meester Dirck, „en,” voegt hij er met eene niet ongepaste zelfverheffing bij, „hij zal de eerste groote sinjeur niet geweest zijn, die zich overtuigd heeft, dat de Amsterdammers ook nog wat kunnen uitvoeren.”Kosmo heeft van deze woordenwisseling natuurlijk niets verstaan; doch hij heeft er ook geene moeite toe gedaan; zijne aandacht is, reeds van ’t eerste oogenblik, aangetrokken geweest door het kunstwerk, dat hij voor zich ziet en geheel verdiept in de beschouwing van dat ronde blad van toetssteen, waarop, binnen een half voltooid randwerk van loofwerk, bloemen en vruchten, eene vaas is afgebeeld, mede gevuld met gebloemte van alle soort, rondom hetwelk bontkleurige kapellen, juffers, bijen, gouden torren en andere gevleugelde insecten vliegen, en dat alles, in plaats van met verven, met paarlemoer afgebeeld, zoo kunstig en natuurlijk, dat gij elk diertje, elk blad, elke bloem of vrucht als in leven waant voor u te zien.De Prins heeft een tijdlang in zwijgende verbazing de oogen opdat blad gevestigd gehouden; maar nu richt hij ze op naar den kunstenaar, en, terwijl zijn gelaat de minzaamste uitdrukking aanneemt, geeft hij hem door blik en gebaren de opgetogenheid te kennen, die het aanschouwen van dit meesterstuk bij hem heeft verwekt.„Het is gelukkig,” zegt hij vervolgens, zich tot Filippo de Neri wendende, „dat gij met den Heer Benzi geene weddenschap hebt aangegaan over het al of niet bestaan van mozaïsten te Amsterdam: gij ziet nu, dat ook in dezen opzichte, Amsterdam niets aan Florence te benijden heeft.”„’t Is er mede als met de schilderijen, Uw Doorluchtigheid,” zegt de Neri, die zich niet als verwonnen wil beschouwen: „de manier van werken tusschen onze en de Hollandsche meesters is verschillend; maar elke heeft hare eigene verdiensten.”„En is dit alles uit louter paarlemoer vervaardigd?” vraagt Kosmo.De kunstenaar, aan wien De Graeff de vraag heeft overgebracht, vergenoegt zich, tot antwoord, aan den Prins de bakken voor te houden, waar de materialen zich in bevinden, die hij tot zijn arbeid gebruikt. Die bakken bevatten een aantal dunne, platte schijfjes en schilfers, elk van eene verschillende kleurschakeering, van donkerbruin tot zilverwit.„En hoe weet gij nu die deelen, waar de ruwe, holle schelp uit is samengesteld, dus van elkander te scheiden en plat te slaan, zoodat zij tot het gebruik kunnen dienen, waarvoor gij ze bestemt?” vraagt Kosmo.„Indien ik hem dat vertelde,” zegt Meester Dirck, op het vernemen der vraag, en terwijl hij met een ondeugenden glimlach naar de overdekte werktafel achter hem omziet, „dan zouden zij het te Florence ook spoedig weten.”„Onze brave kunstenaar heeft geene te hooge gedachten van mijne bescheidenheid,” zegt lachende Kosmo, nadat hem het antwoord van meester Dirck is overgebracht: „en toch, ik kan hem geen ongelijk geven.—Met dat al, ’t is niet het werktuiglijke van zijne kunst, dat hier ’t meest in aanmerking komt: ’t is het scheppend genie, dat bij den arbeid heeft voorgezeten, dat die bloemen en dat loofwerk van den rand zoo los en bevallig dooreen heeft weten te slingeren, dat bij het samenstellen van den ruiker in die vaas eene zoo verwonderlijke schikking heeft weten in acht te nemen, waardoor elke bloem en bloemstengel evenzeer uitkomt, en er toch niets is, dat rammelt of aan de werking van het geheel schade doet. Voorwaar, die man is, als teekenaar, als schilder, grooter nog dan als kunstwerker, en wel waardig dat de dichters zijn lof bezingen.”„En dat hebben zij ook gedaan,” zegt Benzi: „ginder,” vervolgt hij, op den man wijzende, die bij de komst van ’t gezelschap zich in een hoek der werkplaats begeven had, en daar in eerbiedige houding is blijven staan: „ginder staat onze puikdichter, die reeds meer dan een halve eeuw alles bezongen heeft wat Amsterdam goeds en grootsch opleverde en ook meester Dirck Van Rijswijk niet heeft vergeten.”Kosmo wendt den blik naar den persoon, die hem wordt aangewezen, en beschouwt met aandacht die flinke gestalte, dat wakker en open gelaat, dat breede voorhoofd, en dat oog, waaraan het wicht van tachtig, vaak kommervolle jaren, niets van zijn gloed ontnomen heeft.„Men kan het dien man aanzien, dat hij een dichter is,” zegt hij tegen De Graeff.„Hij wordt voor den besten gehouden, dien wij hebben,” zegt de Burgemeester: „jammer maar, dat zijne financiën in geen beteren staat zijn: de poëzie moge eene schoone zaak zijn, zij geeft geen brood.”Vondel had in vroegere dagen ook een weinig aan ’t Italiaansch gedaan: hij heeft er genoeg van onthouden, om de woorden te verstaan, door De Graeff gesproken, en een smartelijke glimlach zweeft om zijn mond. Kosmo heeft dien opgemerkt, en hij wil een pleister op de wond leggen, die hij gevoelt dat den dichter geslagen is.„De poëzie geeft meer,” zegt hij: „zij geeft de onsterfelijkheid niet alleen aan den zanger, maar ook aan hen, die hij tot stof zijner zangen kiest.”„Verstaat gij, sinjeur Vondel! wat zijne Doorluchtigheid zegt?” vraagt De Graeff, op een half spottenden toon, aan den dichter: „hij zegt, dat gij mij onsterfelijk gemaakt hebt; want ik behoor tot dezulken, op wie gij rijmen gemaakt hebt.”„Ik heb het verstaan,” antwoordt de grijsaard, terwijl hij met een vriendelijken blik en eene nederige hoofdbuiging den Prins voor zijne heuschheid dankt: „intusschen,” vervolgt hij, zich weer naar De Graeff richtende, „heeft Uwe Edelachtbaarheid wel gezorgd, dat haar naam vereeuwigd blijft, zonder dat ik daar iets aan kan toe of afdoen.”„Gij verstaat dan ook Italiaansch?” vraagt Kosmo, met jeugdige drift, om de tafel heen, naar Vondel toeloopende.Vondel maakt eene diepe buiging; terwijl hij bij zich zelven zich beklaagt, niet machtig te zijn in dezelfde taal, waarin hij wordt toegesproken, behoorlijk te antwoorden; doch zijne tegenwoordigheid van geest redt hem uit de verlegenheid en, het Latijn te baat nemende, betuigt hij aan den Prins zijn leedwezen, dat onkunde en ongewoonte hem verhinderen, zich van den schoonen tongval te bedienen, waarin Petrarca en Guarini hadden gedicht.„Maar gij kent hen toch,” zegt Kosmo, zich mede van de Latijnsche taal bedienende: „en Tasso, hebt gij hem gelezen?”„Eene mijner dierbaarste vriendinnen53, nu helaas! mij sedert lang ontvallen, heeft,” antwoordt Vondel, „zijn meesterstuk in ons Neerduitsch overgebracht: zij placht mij haar vertrouwen te schenken en zoo nam zij mijn raad daarbij in: en de uren, door mij besteed, om haren arbeid na te zien en met het oorspronkelijke te vergelijken, reken ik onder de zoetste van mijn leven.”„De vriendin, waar ge van spreekt,” zegt Kosmo, „bewees eene vrouw van smaak en oordeel te zijn: van smaak, dat zij het „verlost Jeruzalem” op prijs stelde, van oordeel, dat zij den raad innam van een zoo voortreffelijk dichter, als waarvoor gij, naar ik hoor, bekend staat. Uw naam is....”„Justus Vondelius, Uwe Doorluchtigheid.”„Het spijt mij nu dubbel, uwe taal niet te verstaan; want daardoor is mij het genot ontzegd, uwe schoone zangen te lezen. Gij hebt, hoor ik, ook de wondere gewrochten van gindschen kunstenaar bezongen.”„Ik heb twee van zijne tafels bezongen,” antwoordt Vondel, „de eene, niet ongelijk aan degene, waar meester Dirck thans aan bezig is, en die tot een geschenk moest strekken aan wijlen den Directeur-Generaal Hulft; de andere van meer omvang, en het feestmaal der Goden voorstellende.”„Die tienduizend gulden heeft gegolden,” voegt Benzi er bij.„Tienduizend gulden!” herhaalt de Prins: „maar dat is een rantsoen voor een Vorst; en ik zal mijne kas wel aandachtig mogen raadplegen, eer ik mij veroorloof, hier eene bestelling te doen.—Nu, Signor Justus, gij zult mij verplichten, indien gij mij die beide gedichten wilt doen toekomen: ik zal ze hier ter stede door een bekwamen tolk in ’t Italiaansch laten overbrengen en ze als een gedachtenis medenemen.”En met eene minzame hoofdbuiging afscheid nemende van den dichter, begeeft hij zich weder naar de tafel en laat aan Meester Dirck vragen, of hij ook werkstukken heeft, die voltooid en te koop zijn. Rijswijck geeft hierop een wenk aan zijn dienaar, en deze, eene kast openende, haalt daar eenige schenkbladen en andere voorwerpen uit, van minderen omvang dan het kunststuk, dat nu onder handen is, doch, wat de bewerking aangaat, niet minder keurig en uitvoerig. Immers ook van deze kan men, met Vondel, zeggen:....Hier blinckt de schoone regenboogVan bloemen loofwerck en festoen,Uit root en blaeu en geel en groenEn gout gemengelt, in ons oogh........Hier geeft genoffel,54leli, roosGemengt uit onderscheiden kleur,Trots Indisch velt, een lucht en geur,Hier praelt robijn, saffier, turkoos.Hier blinckt de gout- en zilvermijn.Hier rijst de witte morgenstar.Zy voert den dagh af op haer karEn boodschapt ons den zonneschijn........Hier legt de schilder zijn paletEn rijck penceel uit zijne hant.De juwelier acht diamantNoch dier gesteente, in gout gezet.Dees kunst schept, uit een ruwe schulp,Gesteente, en tulpen, knoppen, blaênGestarnte, en licht, en zon, en maen.Zy neemt vernis noch verf te hulp.De schilderkunst verschiet haer verf,Gelijck de maaght haer frissche jeught,De tulpen zien haer waerde en vreughtVerwelckt of schrikken voor bederf.De rijp, de nevel en de mistVerstickt de tulp: een felle stormVerslijt haar leven, eer men ’t gist:De paerlemoerbloem, op haar steel,Volght d’ eeuwigheit in duurzaemheitEn blijft tot dat de werelt scheit,Waer bloeide ooit eêler bloempriëel!....of ook, op eene andere maat;....Hier weit het oogh in allerhande bloemen,De kunst verdooft de stof.....Stoft d’ Indiaan op d’ endeloze renteVan ’t vrolijck ooftsaizoen.Dat eeuwigh duert: het is hier eeuwigh lente.Geen kou verbijt dit groen.....Dees veltzwarm ziet den dischbeemt nooit verdorren.Het leeft er overalVan krekel, vliegh, wywouter, goude torren,En joffren zonder gal,De maenebloem, de starrebloemen lockenDie vlugge zielen uit.De morgenstar, de korenbloem, de kloekenOntluiken op ’t geluit.De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen,Die, als ’t kameleon,Met menigh slagh van verwen zijn behulpen,Bekooren zelf de zon,Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt,Gezegent met een luchtVan nagelpoêr55, in zoo veel kleurs gesprengelt,Het hart verquickt, als ’t zucht........Wat quist men tijt om ’t eeuwige bewegenTe heffen op het hooft!Dat uurwerck speelt en draait u eeuwigh tegenEn flikkert onverdooft.Dees zonnebloem volght met haar drijvende oogenDe zon, haar bruidegom.Zy lonckt haar aan, van zuivre min bewogenEn zoeckt zijn gunst alom.Wanneer haar lief zijn hooft en gouden luisterDes avondts onderhaelt,Dus leentze noch den zonneglans by duister,Hoe diep hy nederdaelt....„Welnu!” zegt eindelijk Kosmo, nadat hij eene der tentoongestelde voorwerpen heeft uitgekozen: „gij zult dit aan mijn logement doen bezorgen, Signor Van Rijswijck, en hier,” op Filippo de Neri wijzende, „is mijn schatmeester, die er den brenger de honderd dukaten voor uitbetalen zal, die gij er voor vraagt. Ik stel er mij een feest van voor, dit kunstwerk aan de mozaïsten in mijn vaderstad te wijzen: en hou u maar goed, Signor! als deze of gene onder hen hier komt en u de kunst poogt af te zien.”Het bezoek is afgeloopen en het hooge gezelschap heeft de werkplaats van Meester Dirck Van Rijswijck verlaten.„Een nobel Heer, die Prins van Medicis,” zegt Vondel, na hun vertrek, tegen zijn vriend den kunstenaar: „zie, onze groote Heeren hier zijn brave, eerbiedwaardige mannen, en toonen zich bij wijlen ook wakkere Mecenaten; maar toch ontbreekt hun iets, dat deze vreemdeling bezit.”„Wat dan?” vraagt meester Dirck, verwonderd.„Wat?—het echte kunstgevoel,” antwoordt Vondel, spijtig voor zich ziende.„Ei wat,” herneemt Rijswijck: „zij hebben toch mijn feestmaal der Goden met tienduizend gulden betaald.”„Ja, dat hebben zij,” zegt Vondel, peinzende, en het gevoel onderdrukkende, dat bij hem ontstaat op de vraag, die in weerwil van hem zelven bij hem oprijst, waarom of zijne verzen, die toch ook een kunstig gevlochten, en de eeuwigheid verdurenden krans vormen van bloemen, loofwerk en vruchten, of niet, of met eene aalmoes betaald worden: „dat hebben zij: maar zij hebben uw werk, zij hebben de schilderijen van Van der Helst of Stockade, en de beelden van Quellijn betaald, zooals zij ’t een kostelijk meubel, een pronkstuk in hun vertrek of voorportaal doen:—en zij achten in den grond noch uw kunstwerk, noch die schilderijen of beelden meer dan een nieuwmodisch behangsel of vloertapijt, dat veel geld kost: en zij kunnen er den hoogeren geest niet in herkennen, die u en die andere groote kunstenaars bezield heeft. Maar die Italiaan is in eene andere lucht gewonnen en gevoed: op dien bodem, die voorheen Maro’s en Flaccussen gekweekt heeft, waar de liefde tot de kunst eeuw in eeuw uit van de vaderen op hunne nazaten is overgegaan, en waar, nog heden, zoowel de Heilige Vader op ’t Vaticaan, als de nederigste landbouwer op ’t veld, de verzen van Virgilius en die van Tasso of Petrarca in den mond heeft en zich buigt voor de kunstgewrochten van Titiaan en Rafaël en Michel Angelo. Zie!—daar had ik moeten geboren zijn.”„Gij, vader Vondel!” zegt Rijswijck: „’t mocht wat: al zijt gijvan Keulen hierheen gedwaald, gij zijt en blijft toch een Amsterdammer in uw hart.”„Nu ja, dat is waar,” herneemt de grijsaard, wederom als tot zich zelven sprekende: „want het is te Amsterdam, dat ik geleefd en geleden, en schier al wat mij dierbaar is begraven heb.”„Wat mij betreft,” hervat Rijswijck, na een langdurig stilzwijgen van weerszijden: „ik verheug mij, dat ikhierwoon; want ik twijfel of ergens, behalve hier, mijne tafels zoo goeden aftrek zouden vinden tot den prijs, waar ik ze op gezet heb.”Den volgenden dag ontving Kosmo van Medicis het bestelde schenkblad; gelijk mede de verlangde gedichten; doch bij deze laatsten was de navolgende tweespraak gevoegd, die Vondel ter eere van ’s Prinsen verblijf te Amsterdam had vervaardigd:Amsterdam.Wat glori komt mijn hooft beschijnen,In ’t hartje van den wintertijt!Italiaen.De morgenstar der Florentijnen,Een eeuwige eer, uw kroon benijt.Amsterdam.Wat telgh is ’t? Uit wiens stam gesproten?Spreekt duitlijck Duitsch. Hoe luit die naem?Italiaen.De jonge Kosmo van den grooten,De waerelt kenbaer door zijn faem.Amsterdam.Een godtheit daelt, als uit de wolckenOm laegh in ’t vrye Nederlant.Italiaen.Onthaelt van zeven vrye volcken,Daar gy alleen de zeekroon spant.Amsterdam.Zoo zagh voorheen de groote moederDer koningen56mijn groote stadt.Italiaen.De moeder van den Franschen hoeder,Geheilight door het lelibladt.Amsterdam.Zy gaf Gaston, zijn broeder57, ’t leven,Nu schoonvaêr der Toskaensche spruit.Italiaen.En eert u noch in hare neven.Gy zeilt hun havens in en uit.Amsterdam.Fernandus zagh mijn bloedvlagh paelen,Toen ’t Britsch kasteel ten hemel voer;Italiaen.Dat uwen waterleeuw van GalenDen doot in ’s Hertoghs haven zwoer.Amsterdam.De zoon kan hier het graf aanschouwen,’t Welck ’s helts gebeent en naem bewaert;Italiaen.En daeden, op de zerk gehouwen.Zoo blijft de deught alom vermaert.Amsterdam.Dees prins ziet hier mijn schiltkroon proncken,Ten prijs van zijn voorvaders58stam.Italiaen.En keizers gifte uw trouw geschoncken,Zoo blinckt Florence te Amsterdam.Amsterdam.Mijn kapitool, bij zijn gebouwenGeleken, zal te pover staan.Italiaen.Ik zweer, ’t gezicht wil hem noit rouwen,Hat wijckt Sint Mark, noch Vatikaen.Amsterdam.Maer d’ Arno schenckt gezonder luchtenEn ooft, dan d’ Aemstel hem kan biên.Italiaen.Uw mastbosch draeght ook goude vruchten,Een bosch, van Princen waert bezien,Amsterdam.Prins Kosmo dreight den Griekschen rooverTe ketenen op Tunis strant.Italiaen.Scheept Putten59met uw krijghsvloot over,Zoo wordt die zeepest uitgebrant.Amsterdam.Dan keerenze met Kriste-slaven,En Smyrna ziet den handel vry.Italiaen.En d’ Aemstelheer onthaelt zijn bravenMet zeekortouwen langs het Y.Amsterdam.Dan brult de zeeleeuw van Venedigh,En Kandië schept verschen moedt.Italiaen.Hy wet zijn klaauwen eens zoo snedighEn Villa dempt al ’t helsch gebroet.Amsterdam.Dan krijgt Europe een nieuw gestalte,En ’t kruis braveert de Turksche maen.Italiaen.Gansch Barbarye schrikt voor Malte.Dat Asië en haar maght houdt staen.Amsterdam.Geene afgunst groey noch rijze tusschenDen Hertogh en ’s lants vrijen staet.Italiaen.De Batavier omhels HetrusschenZoo lang de zon te water gaet.

In de Klok.Bij onze laatste wandeling bevonden wij ons in het begin der 18deeeuw en stonden wij aan of liever op een vaartuig in de Keizersgracht bij de Reguliersgracht. Wij springen weer een zeventigtal jaren terug en.... waar zijn de sierlijke huizen, die wij aan weerskanten zagen prijken? Waar de volkrijke straat, die wij voorbij, waar de bruggen, onder welke wij door zijn gevaren? Wij vinden ze niet meer,—om ons juister uit te drukken—wij vinden ze nog niet;—maar toch de merkpalen zijn al aanwezig, die aanwijzen waar ze komen moeten, en uit al wat wij om ons heen zien blijkt, dat hier spoedig de weilanden, tuinen en molenwerven, die ons omringen, zullen plaats maken voor deftige kaaien en volkrijke straten. Immers in den jare 1657 is door de Vroedschap besloten, Amsterdam voor de vierde reize, en wel aan de Zuidzij, te vergrooten: in 1657 is een aanvang gemaakt met het graven van nieuwe grachten en het bouwen van veertien nieuwe, met steen bemuurde, door hooge gordijnen aan elkander verbonden bolwerken: en in 1663 is door ’s Lands Staten aan Amsterdam octrooi verleend tot onteigening van alle landen, tuinen, erven en gronden, die met de voorgenomen uitlegging binnen de stad getrokken worden.Alles is hier nu drukte en gewoel, honderden van arbeiders zijn hier, zijn ginds aan ’t werk in die weeke pap, die noch aarde, noch zand, noch klei, noch veen, noch water is, maar een mengsel van dat alles te zamen, aan ’t heien van palen, aan ’t baggeren, aan ’t kruien, aan ’t uitdiepen en ophoogen: landmeters, bazen en opzichters beschouwen of besturen den arbeid: karren, wagens en schuiten voeren de benoodigde bouwstoffen aan of keeren terug om nieuwen voorraad te halen: en een tal van nieuwsgierigen waart om de planken schuttingen, die het veld omgrenzen, in de hoop van, ’t zij over ’t beschot, waar dat laag genoeg is, ’t zij door een openstaande deur, ’t zij door een reet of opening in of tusschen de planken, te kunnen begluren wat daar binnen geschiedt.Wij willen ons daarmede niet bezighouden; wij zoeken weer het bewoonde gedeelte der stad op en wel bepaald dat gedeelte, waar de nieuwe Keizersgracht zich bij de reeds bestaande zal aansluiten.Die aansluiting zal plaats hebben aan den ouden stadswal, die vlak tegenover de Beulingstraat loopt, en waar Heeren-, Keizers- en Prinsengracht tegen stuiten; maar aan wier buitenzijde men bezig is de vaart te graven, die den naam van Leidschegracht zal voeren:en het is nu aan de binnenzijde van dien wal, op den hoek der Keizersgracht, dat wij de woning vinden, waar wij thans voornemens zijn een bezoek af te leggen, en die eene gebeeldhouwde klok in den gevel voert.Het huis is klein en onaanzienlijk: het schijnt dat van een gewoon ambachtsman; maar toch is de bewoner meer dan dat: hij is een kunstenaar van de hoogste bekwaamheid in zijn vak, en zijn naam is wijd en zijd door Amsterdam en vandaar geheel de wereld door verbreid. Wanneer wij dan ook den kunstig bewerkten hamer, die op de voordeur hangt, oplichten, bij den bewoner aankloppen en aan de dienstmaagd, die ons opendoet, vragen, of wij Monsieur Hemoni kunnen te spreken krijgen, doen wij, schoon onbekenden, niets, dat hare bevreemding wekken kan, want zij is het sedert lang gewend, dat lieden van elken rang en stand en landaard, op dezelfde wijze, zich aanmelden en zich verlangend toonen om den arbeid van haren meester gade te slaan en de kunstgewrochten, door hem vervaardigd, van nabij te leeren kennen.—Op onze vraag wordt dan ook dadelijk met een bevestigenden hoofdknik geantwoord, waarop de bemoedigende toespraak volgt: „als de heerschappen maar over de plaats willen gaan,Mesjeuis op den winkel.”Er zoude nog anderhalve eeuw verloopen, eer men het woordateliergebruikte.Wij volgen de aanwijzing, gaan de korte huisgang door, het kleine, met klinkers belegde plaatsje over, stooten daar eene deur van ruwe planken open, en verschaffen ons zoo den doortocht tot de opene ruimte, binnen welke zich de werkplaats van Hemoni bevindt.En luister, pas zijn wij aldaar gekomen, of op eens, als ware het ter onzer verwelkoming, daar vangt, zwaar en luid, ja oorverdoovend, maar toch zuiver en vol harmonie, de muziek aan van een tal van klokken van metaal, en doet ons voor een poos stilstaan, zoo omdat het onverwachte geluid ons verrast, als omdat wij vreezen, in de nabijheid daarvan, noch ons zelven noch anderen te zullen verstaan.—Maar ook al hadden wij willen voortgaan, wij zouden ’t niet hebben durven doen; want uit de werkplaats tegenover ons is plotseling iemand, die ons bespeurd had, voor den dag gesprongen, en hij legt den vinger op den mond en maakt terugwijzende gebaren, een en ander kennelijk om ons te doen begrijpen, dat wij noch naderen, noch geluid geven, noch ons zelfs verroeren mogen. Gehoorzaam aan dien wenk blijven wij dan ook staan, en wachten af tot het verbod moge zijn opgeheven. Doch niet zoo spoedig wordt aan dit verlangen voldaan: het bekende deuntje:Wel mag ik u Laura vragen,is afgespeeld en nog blijft van verre de terugwijzende hand opgeheven: wij arme bezoekers zien elkander verlegen en besluiteloos aan en onze oogen schijnen te vragen of wij ook het erf weer verlaten zullen en ons bezoek op een geschikter tijd hervatten; maartoch, een vriendelijk knikje van den man daar tegenover ons geeft ons weer moed; want wij maken er uit op, dat het oponthoud, ’t welk wij ons getroosten, maar tijdelijk zijn zal: en inderdaad, na nog eenige minuten verwijls gaat de deur der werkplaats weder open, en een nieuw personage treedt te voorschijn, wenkt den wachter, die buiten stond, weder binnen, en komt naar ons toe.„Ah bonjourmijn ’eer,” zegt hij onder ’t naderen: „ikke pardon vraak voor u te ebbe late wakkete, ikke bezik was an te probeer die klokkespel en dan ikke onkaarne kestoor,vous comprenez?”En wij treden bemoedigd voorwaarts en lichten den hoed af; want wij beseffen, dat de kloeke grijsaard, die tot ons spreekt, niemand is dan de beroemde klokkegieter, monsieur Hemoni zelf.„Indien wij ongelegen komen...,” zoo luidt de afgebroken volzin, dien wij ’t beleefdheidshalve noodig achten hem toe te voegen, al ware ’t maar om hem welwillend jegens ons te stemmen.„Oh! pas du tout,kom binne!” klinkt het, en, zijne uitnoodiging gevolg gevende, bevinden wij ons weldra binnen de ruime loods, die des eigenaars gieterij, werkplaats en magazijn bevat.Het is ’t magazijn, of, zooals men gewoonlijk zegt, de winkel, die ’t eerst ons ontvangt: de winkel, hoog en omvangrijk, als vereischt wordt uit aanmerking van het getal en de grootte der voorwerpen, die er in bewaard worden. Het eerste, dat dan ook onze oogen trekt, zijn zes kolossale beelden van metaal: vier daarvan stellen even zoovele deugden voor, als: Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Matigheid en Wakkerheid; het vijfde den Vrede, het zesde een zwaar gebouwden, grofgespierden man, in de houding als torste hij een last, die echter onzichtbaar is.„Ja,” zegt Hemoni, in antwoord op onzen vragenden blik, „dat zijne de beeld, die motte kom te staan op de nieuwe stattuis, boven defrontispice, foor en akketer, datte de werk van monsieur Artus Quellin.”„Ja gewis,” merken wij aan, „die beelden zijn voortreffelijk en gemakkelijk te erkennen voor wat zij moeten voorstellen;—maar die man?.... wien moet hij verbeelden?”„Die man?” herhaalt Hemoni, „dat isse den Atlas, die de emelbolle traak; maar de emelbolle is er nok niet op: ij zal nok lank kenoek ebbe deplaisirvan die te foel op sijne nekke; die emelbolle lekke in de werkplaasse: sij nok niet keëel klare. Soo aanstons wij sullen sien datte,comprenez-vous.—Maintenant,” gaat hij voort, terwijl hij wijst naar eene der talrijke klokken, die aan ’t gewelf hangen: „ier isse de klok voor de poorte, die sel koom te staan an de ende van de nieuwe strate, ofer de Eilike-Wek, nok eene eele end ferder dan de Eilike-Weks-poorte, en die sel iet de Leise poorte: en dan komme er nok twee poort, waarfoor ik bestel eb kekreek de klokken, namelik de Utrekkese poorte en de Weesseper poorte, allebei kroote mooie poorte,comprenez-vous?”„Volkomen;—maar voor welk gebouw moet die klok dienen, met die keurig bewerkte beeldjes om den bovenrand?”„Aha! die klok, en al die andere klok, die er bij staan, isse deklokkespel foor die kroote kerke à Rotterdamme,comprenez-vous?Sij eersstaak sal worde afke’aalt. Is eene eele werk kewees, te make alle die beeldjesen relief;—maar essegénéralementseer kepreese. Monsieur Artus Quellin, ij mij seide: „friente Emoni,” seide hij, „al adde ik selleve die beeldjes kemaak, ikke sou mij daar niet over skaam,” en de Bourguemestre van Rotterdamme, als ij ware ier, ij ook daarmee ware bijzonder kontent.”„Wel! hij zou wel ongemakkelijk zijn, of weinig gevoel voor de kunst hebben, zoo ’t anders ware,” zeggen wij, terwijl wij in opgetogenheid het fraaie beeldwerk beschouwen, op die klokken aangebracht, en waar ’t slechts jammer van is, dat ze op eene plaats zullen komen te hangen, waar weinigen ze zoo op hun gemak kunnen zien, als wij nu doen.„Gij hebt vele dergelijke klokken gemaakt, monsieur Hemoni?” vragen wij verder.„Meer dan er ier sou kunnen ’ang, al wasse de winkel sesmale soo kroot,” is het antwoord, en nu verhaalt hij ons, hoe hij de kerken te Hoorn, Enkhuizen, Delft, Utrecht, Amersfoort, Leiden, Arnhem, Kampen, Groningen, Middelstum, Purmerend, Medemblik, den Briel, enz. van klokken heeft voorzien, en er hem nu nog voor de Groote Kerk te Hoorn en voor andere gebouwen meer besteld zijn.„En wat was uw proefstuk hier te lande?” vragen wij: „gij zijt een Lotharinger, niet waar?”„Van Levecourt kebore, ja welle! Mijn eerste werke wasse in ’t jaar 46, te Zutfen, waar ik met mijn broeder Pieter eb kekoot, die ses-en-twintik klok voor de Wijnuistoor, en in 47 die vijf-en-twintik klok voor die kerke van Saint Levin te Deventre. Maar toen eb ikke kedok, Amsterdamme is de rekte plaasse foor een artist, en ikke pen kekoom ier, waar mij deMagistratep afgestaan deze erf om daar te bouw mijne kieterij, en daar eb ik ook al mijn klok kekoot, en voor de Oude kerke dat speelewerk, van vijf-en-dertik klok, en daarvoor eb zij mij betaal ƒ 28,716: en nu sijn mij bestel die klok voor de nieuwe stattuis te kiet binnen ses maand; daar sullen aan kespendeer worden 27000 pond metaal. En as die sinjeurs nu eens wille koom in mijne werkplaas, sij sullen nok ander keurige dink sien.”Wij geven gaarne aan de uitnoodiging gehoor en verlaten de loods, waar wij ons bevinden, voor eene tweede, die tot het bewerken en beproeven der gegoten voorwerpen dient, en vanwaar ons reeds een voor ’t gehoor min aangenaam krassend geluid van ijzer, dat geveild of afgeschraapt wordt, is te gemoet gekomen. Was het in den winkel eenzaam en stil, hier in de werkplaats heerscht bedrijvigheid en gewoel. Eene uit een aantal klokken, die van den zolder afhangen en de muziek hebben doen hooren, waarop wij straks vergast werden, is door de werklieden met kabels afgelaten en, met behulp van een kunstig uitgedacht werktuig, omgekeerd in een soort van ijzeren rasterwerk opgevangen en vastgezet. Iemand, die over den rand dier klok is heengebogen, en wiens bovenlijf ergeheel in verdwijnt, is bezig, daar die knarsende geluiden voort te brengen, die wij hoorden; terwijl een ander bij de tafel daarnevens staande, met een blad in de hand, vol aanteekeningen en figuren, die blijkbaar pas geschreven zijn—want de inkt is nog nat—den arbeid gadeslaat.„Ah! monsieur Verbeek!” zegt Hemoni tot dezen laatste: „iere sijn sinjeurs, die mijne winkel en kieterij koom bekijk. Sij koom net van passe, om te zien oe wij probeer die klok.”Wij groeten monsieur Verbeek, wiens naam als kunstenaar ons reeds bekend is uit de navolgende rijmen van den eerzamen Melchior Fokkens:De kunst in d’ avond-stondt der werelt, nu gebooren,Doet met verwonderingh ’t Muzyck der klokken hooren,Ons ooren zijn verbaest, den ouden tijd verdwijnt,Vermits een grooter licht in ’t nieuwe ons verschijnt.Wie zou dit zoet geluydt der nieuw ghegoten klockenVan over hondert myl niet herwaerts konnen locken?Noyt was ons Amsterdam met sulck vermaeck geciert;Dit zoet gespeel door Straet en Boom en Burghwal zwiert.Laet varen Griecken Landt met zijn verzierde droomen,Parnassus groen geberght en noyt gevonde stroomen,Hier is een and’ren klanck, dat noyt de wijze Grieck’,Noch het beroemde Atheen, dat staegh om wijsheidt ziek,Zijn krachten leydt te kost, en mochten oyt gebeurenGheen volck, hoe woest het is, die dit niet goet zou keurenWanneer ons hier Verbeeck, door ’t klocken zoet gespeelEn ’t klinckende Muzyck ons hert en ooren streel:Wat ’s van Apollos harp, Orfeur kunstigh zinghen,’t Heeft uyt met dit gelaet en oud vermufte dingen:Wanneer men dit gheklanck in Amsterdam begluurt,Ons levenstijdt is kort, de kunst gestadigd duurt.Die regels zijn zeker niet fraai: zij laten, wat stijl, taal en maat betreft, vrij wat te wenschen over; maar zij kunnen als een staaltje dienen van de ingenomenheid, die de Amsterdammers hebben met hun klokkenspel, en met den bekwamen kunstenaar, die ze zoo tot aller voldoening weet te bespelen. Inderdaad ontlokt Verbeek, niet enkel geleid door zijn juist gehoor, maar ook door onmiskenbaar kunstgevoel gedreven, aan het klokkenspel nog schooner akkoorden dan zelfs den vervaardiger mogelijk was toegeschenen. Gaarne neemt dan ook Hemoni zijn raad in bij den arbeid, en gaarne staat hij Hemoni met dien raad ter zijde.De meester voert ons thans de werkplaats rond, waar t’ elker zijde zijne handlangers en leerlingen zich kwijten, ieder van zijne verschillende taak. Hier ziet men er aan ’t schoonmaken, schuren, polijsten, vernissen van klokken en andere gegoten voorwerpen; daar is men bezig aan ’t uitbeitelen van letters, cijfers, beeld- ofloofwerk of andere sieraden, die er op moeten prijken: wat verder is de een bezig met ingewikkelde berekeningen, en de ander met het uitwerken op grooter schaal van geteekende schetsen van verschillenden aard, door Hemoni ontworpen. Wij zien en verwonderen ons over al het fraaie, dat ons getoond wordt, maar wat in bijzondere mate onze opgetogenheid wekt, is eene sfeer van koper, waarop eene bedreven hand de geheele oppervlakte des aardbols met de graveernaald schetst, naar het voorbeeld van eene houten sfeer, uit den winkel van den grooten aardrijkskundige Blaeu. Het is de bol, waar Hemoni zoo straks van gewaagde, die op de schouders van het Atlasbeeld, dat wij in den winkel zagen, zal komen te rusten.Maar terwijl wij nog staren op dit meesterstuk, daar houdt eindelijk het gekras binnen de omgekeerde klok op en duikt daaruit de bekwame werkman op, die het had voortgebracht. Aan zijne jaren en aan de onderlinge gelijkenis herkennen wij Pieter Hemoni, den broeder van François. Hij legt den beitel neder, waarmede hij een werk verricht heeft, dat aan geene onervaren handen mocht worden toevertrouwd: de klok wordt weder met de opening naar beneden gewenteld, en opgehaald, doch slechts op twee derden eener manshoogte van den grond, zoodat de beide broeders en Verbeek er hunne hoofden in kunnen steken, om het verrichte in oogenschouw te nemen. Monsieur François is tevreden, althans hij geeft een goedkeurenden knik; maar Verbeek wil nog nadere overtuiging: hij tilt een zwaren hamer op en slaat daarmede tegen de klok, die terstond een zilveren klank laat hooren.„Ik geloof dat wij het nu meester zijn,” zegt hij, „en dat niets het volmaakt akkoord meer storen zal. Haal nu maar op; dan kunnen wij ’t nog eens beproeven.”„Silence!”roept Hemoni, terwijl de klok naar boven gaat; en plotseling zwijgt elk geluid in de werkplaats: al de aanwezigen—ook wij—houden den adem in: Hemoni en Verbeek staan in gespannen aandacht, met een blad papier in de eene en eene pen in de andere hand, gereed, elke valsche noot, elk min juist akkoord, elk gebrek aan overeenstemming op te teekenen; en het klokkenspel begint opnieuw. Maar thans ruischen de melodieën zuiver als kristal, en alleen aan de nabijheid, waarin wij geplaatst zijn, is het te wijten, zoo zij op ons niet die aangename uitwerking doen, welke zij eens uit de hoogere verblijfplaats, voor welke het klokkenspel bestemd is, in de ooren van marktbezoeker en wandelaar weerklinken zullen.„Bravo! bravo!” roepen wij, zoodra de muziek ophoudt: „hoe kan ’t zijn, dat zulke zware instrumenten zulk eene liefelijke samenstemming van tonen kunnen teweegbrengen!”„Ja,” zegt Verbeek, terwijl zijn gelaat van welgevallen schittert bij ’t ophalen der verdiensten zijns vriends: „dat had niemand kunnen denken, voordat onze meester hier de kunst uitvond. Tot op zijn tijd hing het treffen van den juisten toon van een tal berekeningen af, die, wanneer zij ongelukkig faalden, het geheele werkdeden mislukken. Dan moest er weer opnieuw gevormd, en opnieuw gegoten worden, totdat men eindelijk een gunstiger uitkomst verkregen had; maar dan mocht het eer toeval heeten dan kunst: en de meeste klokkenspelen lieten nog veel te wenschen over. Maar onze meester François kwam het eerst op het wijze denkbeeld om de zwaarte van het gietwerk iets ruimer te nemen, en ook den toon wat hooger dan te voren, en dan de klokken met stalen beitelwerk uit te draaien, tot zij op den juisten toon waren gebracht en alle volstrekt samenstemden. Dat stemmen nu wordt, zooals de heerschappen gezien hebben, altijd zoo nauwlettend verricht, dat niemand bij ’t geluid mag spreken en wij onze aanmerkingen schriftelijk opteekenen, om ze elkander eerst mede te deelen als het spel heeft opgehouden. Ja hij heeft het zoover gebracht, dat het gewone klokkeluiden, dat elders spoedig verveelt, hier te Amsterdam iets welluidends heeft. Immers er zijn vier groote klokken van hem, waar men mee luidt, van welke de kleinste en de grootste, of de hoogste en de laagste, net een octaaf verschillen en de twee middelsten op een quint of tertie tusschen beide gaan, zoodat, ’t zij men ze alle vier, of er maar twee of drie van luidt, zij altijd een geluid geven dat muzikaal accordeert.”„Ja,” zegt Pieter Hemoni, met een vroolijken glimlach: „sij lank soek’, eer sij tekenwoordik op de wereld eene stad vind’, soo voorzien van kunstikke klok’ als Amsterredamme.”„Bah!” zegt François: „watte isse er, dat bij Amsterredamme is te verkelijk? Waar finde men erkens eene smid, asse meester Wouter Geurtsgen, die soo excelleer in ’t smeeden van ijzeren traliën met loofewerke en krullen, soo net met den ’amere kemaak, dat men niet zou kunnen et soo keurig maak in de kieterij? Nu, ij dan ook lever sijn werk aan den konink van Sweden en andere uit’eemsche prinsen. En waar vinde men kastemakere, die zoo kunstik inlekwerk weten te maak, dat door de eele wereld kezok wor? En waar mozaïsten als meester Dirk Van Rijssewijk? ’t Mot alles van ier koom, waar de foorname liede te Londre of Paris unne saal en pronkkamer mee versier, en anders is ’t niet koet.”En nu brengen wij, op ’s mans voorstel, een bezoek aan de gieterij. Wij zullen er niet anders van zeggen, dan dat, had Schiller anderhalve eeuw vroeger geleefd, men zou hebben kunnen denken, dat hij hier de inspiratiën geput had, die hem zijn heerlijk „Lied van de klok” deden schrijven, en dat wij versteld staan, wij, die ’t gebruik der stoomwerktuigen kennen, hoe, zonder hun hulp, en met de middelen, die hem ten dienste stonden, Hemoni, in betrekkelijk korten tijd, zoo ontelbaar vele meesterstukken uit zijne gieterij heeft kunnen afleveren.Bij het keeren van daar, en voordat wij afscheid nemen van onze heusche kunstenaars, wijst Pieter Hemoni ons nog, in een hoek van de werkplaats, die tot kantoor gebezigd wordt, boven den schrijflessenaar een vers, in plano gedrukt en in een koperen lijst gevat, en van den volgenden inhoud:Op hetKlokmusykt’ Amsterdam.Nec mortate sonans.Laet al d’ oude Grieken zwijgen,Stoffende, zoo trots en fier,Van Amfions goude lier,Op wiens klank de vesten stijgen,Bacchus zijn geboortestadt52Van den hemel zagh bescheenen,Daer zoo veel vertrooide steenenZich verhieven uit het plat,Op de maat van snaer en zanger,Wij verwondren ons niet langer.Droom en kluchten gaven stofAen de lichtgelovende ouden,Die gedroomde steden bouden,Dat versieren ging te grof.Grieken, dartel in zijn vonden,Zoekt uit duisternisse licht,Diende zich van ydel dicht,Aan geen schijn van reên gebonden,Toen het geestigh logens goot,En zijn verf niet eens verschoot.Wij, verlicht door ryper klaerheit,Mogen spreecken, rijck van roem,Zonder dat men ’t werck verbloem’,In der daedt, en in der waarheit:Gysbrechts stad wordt rontom heen,Op muzyk van torenklokkenMet een steenen muur omtrokken,Wordt gekloncken hecht aan een,WijlVerbeekmet voet en vingerenKlancken weet daaraan te slingren.Hij verdooft met klokgeluitD’ allereêlste kerkkooraelen,Speelt met klokken, als cymbaelen,’s Hemels kooren kycken uit,Op de heele en halleve uuren,En de vierendeelen mee,Steeckt de Koningin der zee’t Hooft nu trotser uit haer muuren,Gort haer vruchtbren schepetuinMet een gordel van arduin.Ik verhef mijn toon in ’t zingenAen den Aemstel en het Y,Op den geest vanHemony.D’ eeuwige eer van Loteringen,Die ’t gehoor verlekkren konOp zijn klokspijs, en zijn nooten,Ons zoo kunstrijk toegegoten.’t Lust ons op de klokketoon,Ons doorluchte torentranssen,Eenen klokkedans te danssen.Cybelé behaelt geen prijsDoor geschal van keteltrommen,Nu de torentransen brommenMet een liefelijker wijs,Dan haer dolle Korijbanten.Geen of een alleen vermaghOm te voeren nacht en daghEenen rey van musikanten.Voert dien klokhelt op ’t altaer,Eens gezien in duizent jaer.MDCLXI.J. v. d. Vondel.In de paarlemoeren Schelp.Wij hebben de woning van Hemoni verlaten en, onzen weg langs de Keizersgracht vervolgende, zien wij uit de Wolvestraat drie heeren komen, wier deftig voorkomen en sierlijke kleedij ons doen vermoeden, dat zij tot den aanzienlijksten stand behooren. Zij spreken een uitheemsche taal, maar toch meenen wij, aan de wijze waarop zulks door twee hunner geschiedt, zoowel als aan hunne gelaatskleur, houding en manieren, stadgenooten te herkennen. Alleen de derde, die, op de eereplaats, in ’t midden gaat, is blijkbaar een vreemdeling. De kwistige overvloed van bonte pluimen, die rondom den bol van zijn hoed golven, de zwier, waarmede de oranjekleurige, met goud gestikte mantel van den linkerschouder afhangt, de gouden ketens, die zich kruisen onder en over de slippen van eene das, uit het fijnste kantwerk vervaardigd, de omgekeerde piramide van veelkleurige linten, die ’t onderlijf bedekt, debreede kanten, die over de omgeslagen randen neervallen der laarzen, met gouden sporen voorzien, die weelderige opschik in één woord, en daarbij die gele, doorschijnende tint van het gelaat, die blinkende raafzwarte vlechten, die in natuurlijke krullen tot ver over de schouders heen dartelen, die levendige, als sterren vonkelende oogen, en die welluidende uitspraak van de liefelijkste aller talen, stellen het buiten allen twijfel dat wij hier een Italiaan voor ons uit zien gaan, en wel, dat wij delingua romana in bocca toscanahooren spreken.En zoo is het ook. Die vreemdeling, die op de plaats van eere gaat, is niet slechts een Toskaner, maar een Florentijner, en niet slechts een Florentijner, maar een zoon uit het doorluchte Huis van Medicis, die de groote wereldstad bezoeken en kennis komt maken met de rijkdommen en merkwaardigheden, waardoor zij zich op dit tijdstip—wij tellen nu 1667—boven alle andere van Europa onderscheidt. De Medicis, dien wij daar voor ons zien, is Kosmo III, zoon van den Groothertog Fernando, en de heeren, die aan weerszijden van hem wandelen, zijn—de Burgemeester Andries De Graeff, die van de reizen, welke hij, op ’t voorbeeld der meeste jongelieden van goeden huize, in de dagen zijner jeugd naar Frankrijk en Italië deed, zooveel van de taal van Petrarca onthouden heeft, dat hij zich nog verstaanbaar daarin kan uitdrukken—en de Heer Albertus Benzi, de voorname Amsterdamsche koopman, die, Italiaan van afkomst, groote zaken doet met zijne stamgenooten, de belangen van de Medicissen en andere doorluchte Florentijnsche geslachten te Amsterdam waarneemt, en thans den Prins tot gids en tolk verstrekt. Wij bemerken nu, dat de vijf of zes andere heeren, die de reeds genoemde op korten afstand volgen, tot hun gezelschap behooren. Twee daarvan zijn edellieden van ’s Prinsen gevolg, de overige zijn jeugdige leden van Amsterdamsche Regeeringsfamiliën, den doorluchtigen bezoeker als eene soort van eerewacht toegevoegd.Wij zijn toch nieuwsgierig te weten, wat de Prins en zijne geleiders elkander alzoo te vertellen hebben, en, gebruik makende van ons voorrecht, om alles te hooren en te zien, zonder zelven opgemerkt te worden, voegen wij ons bij hen.„Ik betuig uwe Edelheid,” zegt Kosmo, terwijl hij even stilstaat, om het vergezicht gade te slaan, dat hem van de brug af, waar hij zich op bevindt, rechts en links wordt aangeboden, en zich te verlustigen in het bont gewoel der talrijke schaatsenrijders, die hier op en af langs de baan zwieren, „bij al de wonderen, waarvan ik reeds ooggetuige geweest ben in deze uwe stad, niet te begrijpen, hoe er nog iets zou kunnen zijn, dat mij verwondering baarde.”„Uwe Doorluchtigheid is te welwillend,” zegt De Graeff: „wat is Amsterdam toch, in vergelijking met Florence, Venetië, Genua, en het eenige Rome? Wij zijn er hier al grootsch op, als wij eenig marmer binnen onze nederige woningen hebben, terwijl ten uwent geheele paleizen uit marmer rijzen.”„En ziedaar juist wat mij met verbazing slaat,” hervat Kosmo:„dat gij, een land bewonende, dat noch marmer, noch steen, noch timmerhout oplevert, toch eene stad als deze op palen hebt weten te stichten, en op die palen huizen gezet, in een bouwtrant, die, van den onzen verschillende, minder statig en grootsch, maar tevens minder eentonig, en oneindig vroolijker, bevalliger en netter is, en die huizen van binnen hebt weten te stoffeeren, niet enkel met het kostelijkste marmer, maar ook met pracht van tapijten, gordijnen, behangsels en meubelen, zoo kunstig en prachtvol als waarvan men bij ons in de verste verte geen denkbeeld heeft. Gij moet dan gruwzaam rijk zijn, gij Heeren Amsterdammers.”„Ik weet niet,” verstout Benzi zich op te merken, „of uwe Doorluchtigheid hier wel te recht den tegenwoordigen tijd van ’t werkwoord bracht. Die laatste Engelsche oorlog heeft ons vrij wat achteruitgezet.”„Men kan ’t niet merken,” zegt de Prins, lachende: „en dan,” vervolgt hij: „wat al kunstenaren in alle vakken! Gij hebt schilders, wier manier van de Italiaansche verschilt, doch die op hunne wijze met het penseel weten te tooveren en begoochelingen teweegbrengen, waardoor men de natuur zelve waant te aanschouwen: gij hebt bouwmeesters en beeldhouwers, zoogoed als zij ergens te vinden zijn: uw orgelspel overtreft al wat ik ooit gehoord heb; uwe schrijnwerkers, juweliers, goudsmeden en andere kunstenaars van dien stempel zijn de voortreffelijksten, die men vinden kan: uwe drukkerijen zijn de beste van Europa; in elk ambacht levert gij de meest gezochte stukken werks:—ja ik zou niet weten in welk vak eenige stad u den prijs kon afwinnen.”„Indien het mij geoorloofd is, dit te zeggen,” merkt ’s Prinsen Hofmeester, Signor Filippo de Neri, aan, die, met de overige heeren de brug opgekomen zijnde, de uitboezeming van den Prins gehoord heeft: „dan zou ik willen doen opmerken, dat Amsterdam geene mozaïsten bezit, gelijk Florence die bij menigte telt.”„Om in ’t mozaïek te werken,” zegt Kosmo, de schouders ophalende, „moet men de onderscheidene soorten van marmer en gesteenten, die men behoeft, maar voor ’t grabbelen om zich heen vinden, en hoe zou een kunstenaar daar te Amsterdam aan geraken?”„’t Is zooals Z. Doorluchtigheid te recht aanmerkt,” zegt meesmuilende Benzi: „de materialen ontbreken hier:—intusschen, Signor Filippo heeft nog nietallesgezien, wat er in Amsterdam te zien valt.”„Neen, waarschijnlijk niet,” zegt Kosmo: „doch waar gaan wij nu eigenlijk heen?”„Naar een winkel in de straat hier recht tegenover ons, zoo ’t Uwe Doorluchtigheid goeddunkt,” zegt De Graeff.„Ik volg blindelings het geleide van Uwe Edelheid,” antwoordt Kosmo: „als wel wetende dat ik dan onmisbaar goed te recht kom.”En wederom zet zich het gezelschap in beweging. ’t Werd ook tijd; want de voorbijgangers, nieuwsgierig als de Amsterdammers van oudsher geweest zijn, en wel steeds zullen blijven, hebben zich langzamerhand om het gezelschap heenverzameld en staan den„vreemden Prins” reeds op eene vrij onbescheiden wijze aan te gapen. Doch de wandeling, die men te doen heeft, is niet groot, en men is spoedig van ’t lastige bekijk verlost; halverwegen de Beerestraat vertoont zich een gewoon burgerhuis, dat zich in niets van de overige onderscheidt, dan door de kolossale gekleurde schelp, die, bij wijze van uithangbord, boven de luifel uitsteekt. Het is deze woning, welke de Burgemeester zijn voornamen gast verzoekt binnen te treden, en, gevolgd van het geheele gezelschap, begeven zij zich, door de openstaande voordeur en het donkere voorhuis, naar eene ruime, goed verlichte achterkamer, die tot werkplaats dient, en waar zich, op dat tijdstip, drie personen bevinden. Van die drie is er een, die blijkbaar de bewoner van het huis is, achter eene tafel gezeten, op welke het blad eener andere tafel gelegen is. De man is reeds van gevorderden leeftijd: hij draagt eene kalot op het hoofd, en een knijpbril op den neus, en is bezig, uit platgemaakte schelpen, waarmede verschillende houten bakken naast hem gevuld zijn, de zoodanige te kiezen als hem dienstig zijn voor zijnen arbeid. Wat de knaap, die zich achter hem bevindt, uitvoert, is moeielijk te zeggen; want, reeds op het eerste gerucht van aankomende bezoekers, heeft hij een kleed geworpen over de tafel, bij welke hij aan ’t werk is. De derde persoon, die zich in de werkplaats bevindt, is een bejaard man in eenvoudige burgerkleeding, die bij het binnentreden des Burgemeesters terstond is opgerezen van de houten schabel, waarop hij gezeten was, en zich bescheiden in een donkeren hoek van de kamer terugtrekt. Ook de heer des huizes is, zoodra hij, van zijn arbeid opkijkende, de qualiteit der bezoekers heeft bespeurd, opgestaan, om hen te begroeten en hunne bevelen af te wachten.„Gij houdt het mij ten goede, meester Dirck,” zegt De Graeff, „dat ik u hier den Prins van Toskane breng, die wel zien mag, dat men ook elders dan in Florence tafels weet in te leggen naar de wijze der mozaïsten.”„’t Zal mij veel eer zijn,” antwoordt meester Dirck, „en,” voegt hij er met eene niet ongepaste zelfverheffing bij, „hij zal de eerste groote sinjeur niet geweest zijn, die zich overtuigd heeft, dat de Amsterdammers ook nog wat kunnen uitvoeren.”Kosmo heeft van deze woordenwisseling natuurlijk niets verstaan; doch hij heeft er ook geene moeite toe gedaan; zijne aandacht is, reeds van ’t eerste oogenblik, aangetrokken geweest door het kunstwerk, dat hij voor zich ziet en geheel verdiept in de beschouwing van dat ronde blad van toetssteen, waarop, binnen een half voltooid randwerk van loofwerk, bloemen en vruchten, eene vaas is afgebeeld, mede gevuld met gebloemte van alle soort, rondom hetwelk bontkleurige kapellen, juffers, bijen, gouden torren en andere gevleugelde insecten vliegen, en dat alles, in plaats van met verven, met paarlemoer afgebeeld, zoo kunstig en natuurlijk, dat gij elk diertje, elk blad, elke bloem of vrucht als in leven waant voor u te zien.De Prins heeft een tijdlang in zwijgende verbazing de oogen opdat blad gevestigd gehouden; maar nu richt hij ze op naar den kunstenaar, en, terwijl zijn gelaat de minzaamste uitdrukking aanneemt, geeft hij hem door blik en gebaren de opgetogenheid te kennen, die het aanschouwen van dit meesterstuk bij hem heeft verwekt.„Het is gelukkig,” zegt hij vervolgens, zich tot Filippo de Neri wendende, „dat gij met den Heer Benzi geene weddenschap hebt aangegaan over het al of niet bestaan van mozaïsten te Amsterdam: gij ziet nu, dat ook in dezen opzichte, Amsterdam niets aan Florence te benijden heeft.”„’t Is er mede als met de schilderijen, Uw Doorluchtigheid,” zegt de Neri, die zich niet als verwonnen wil beschouwen: „de manier van werken tusschen onze en de Hollandsche meesters is verschillend; maar elke heeft hare eigene verdiensten.”„En is dit alles uit louter paarlemoer vervaardigd?” vraagt Kosmo.De kunstenaar, aan wien De Graeff de vraag heeft overgebracht, vergenoegt zich, tot antwoord, aan den Prins de bakken voor te houden, waar de materialen zich in bevinden, die hij tot zijn arbeid gebruikt. Die bakken bevatten een aantal dunne, platte schijfjes en schilfers, elk van eene verschillende kleurschakeering, van donkerbruin tot zilverwit.„En hoe weet gij nu die deelen, waar de ruwe, holle schelp uit is samengesteld, dus van elkander te scheiden en plat te slaan, zoodat zij tot het gebruik kunnen dienen, waarvoor gij ze bestemt?” vraagt Kosmo.„Indien ik hem dat vertelde,” zegt Meester Dirck, op het vernemen der vraag, en terwijl hij met een ondeugenden glimlach naar de overdekte werktafel achter hem omziet, „dan zouden zij het te Florence ook spoedig weten.”„Onze brave kunstenaar heeft geene te hooge gedachten van mijne bescheidenheid,” zegt lachende Kosmo, nadat hem het antwoord van meester Dirck is overgebracht: „en toch, ik kan hem geen ongelijk geven.—Met dat al, ’t is niet het werktuiglijke van zijne kunst, dat hier ’t meest in aanmerking komt: ’t is het scheppend genie, dat bij den arbeid heeft voorgezeten, dat die bloemen en dat loofwerk van den rand zoo los en bevallig dooreen heeft weten te slingeren, dat bij het samenstellen van den ruiker in die vaas eene zoo verwonderlijke schikking heeft weten in acht te nemen, waardoor elke bloem en bloemstengel evenzeer uitkomt, en er toch niets is, dat rammelt of aan de werking van het geheel schade doet. Voorwaar, die man is, als teekenaar, als schilder, grooter nog dan als kunstwerker, en wel waardig dat de dichters zijn lof bezingen.”„En dat hebben zij ook gedaan,” zegt Benzi: „ginder,” vervolgt hij, op den man wijzende, die bij de komst van ’t gezelschap zich in een hoek der werkplaats begeven had, en daar in eerbiedige houding is blijven staan: „ginder staat onze puikdichter, die reeds meer dan een halve eeuw alles bezongen heeft wat Amsterdam goeds en grootsch opleverde en ook meester Dirck Van Rijswijk niet heeft vergeten.”Kosmo wendt den blik naar den persoon, die hem wordt aangewezen, en beschouwt met aandacht die flinke gestalte, dat wakker en open gelaat, dat breede voorhoofd, en dat oog, waaraan het wicht van tachtig, vaak kommervolle jaren, niets van zijn gloed ontnomen heeft.„Men kan het dien man aanzien, dat hij een dichter is,” zegt hij tegen De Graeff.„Hij wordt voor den besten gehouden, dien wij hebben,” zegt de Burgemeester: „jammer maar, dat zijne financiën in geen beteren staat zijn: de poëzie moge eene schoone zaak zijn, zij geeft geen brood.”Vondel had in vroegere dagen ook een weinig aan ’t Italiaansch gedaan: hij heeft er genoeg van onthouden, om de woorden te verstaan, door De Graeff gesproken, en een smartelijke glimlach zweeft om zijn mond. Kosmo heeft dien opgemerkt, en hij wil een pleister op de wond leggen, die hij gevoelt dat den dichter geslagen is.„De poëzie geeft meer,” zegt hij: „zij geeft de onsterfelijkheid niet alleen aan den zanger, maar ook aan hen, die hij tot stof zijner zangen kiest.”„Verstaat gij, sinjeur Vondel! wat zijne Doorluchtigheid zegt?” vraagt De Graeff, op een half spottenden toon, aan den dichter: „hij zegt, dat gij mij onsterfelijk gemaakt hebt; want ik behoor tot dezulken, op wie gij rijmen gemaakt hebt.”„Ik heb het verstaan,” antwoordt de grijsaard, terwijl hij met een vriendelijken blik en eene nederige hoofdbuiging den Prins voor zijne heuschheid dankt: „intusschen,” vervolgt hij, zich weer naar De Graeff richtende, „heeft Uwe Edelachtbaarheid wel gezorgd, dat haar naam vereeuwigd blijft, zonder dat ik daar iets aan kan toe of afdoen.”„Gij verstaat dan ook Italiaansch?” vraagt Kosmo, met jeugdige drift, om de tafel heen, naar Vondel toeloopende.Vondel maakt eene diepe buiging; terwijl hij bij zich zelven zich beklaagt, niet machtig te zijn in dezelfde taal, waarin hij wordt toegesproken, behoorlijk te antwoorden; doch zijne tegenwoordigheid van geest redt hem uit de verlegenheid en, het Latijn te baat nemende, betuigt hij aan den Prins zijn leedwezen, dat onkunde en ongewoonte hem verhinderen, zich van den schoonen tongval te bedienen, waarin Petrarca en Guarini hadden gedicht.„Maar gij kent hen toch,” zegt Kosmo, zich mede van de Latijnsche taal bedienende: „en Tasso, hebt gij hem gelezen?”„Eene mijner dierbaarste vriendinnen53, nu helaas! mij sedert lang ontvallen, heeft,” antwoordt Vondel, „zijn meesterstuk in ons Neerduitsch overgebracht: zij placht mij haar vertrouwen te schenken en zoo nam zij mijn raad daarbij in: en de uren, door mij besteed, om haren arbeid na te zien en met het oorspronkelijke te vergelijken, reken ik onder de zoetste van mijn leven.”„De vriendin, waar ge van spreekt,” zegt Kosmo, „bewees eene vrouw van smaak en oordeel te zijn: van smaak, dat zij het „verlost Jeruzalem” op prijs stelde, van oordeel, dat zij den raad innam van een zoo voortreffelijk dichter, als waarvoor gij, naar ik hoor, bekend staat. Uw naam is....”„Justus Vondelius, Uwe Doorluchtigheid.”„Het spijt mij nu dubbel, uwe taal niet te verstaan; want daardoor is mij het genot ontzegd, uwe schoone zangen te lezen. Gij hebt, hoor ik, ook de wondere gewrochten van gindschen kunstenaar bezongen.”„Ik heb twee van zijne tafels bezongen,” antwoordt Vondel, „de eene, niet ongelijk aan degene, waar meester Dirck thans aan bezig is, en die tot een geschenk moest strekken aan wijlen den Directeur-Generaal Hulft; de andere van meer omvang, en het feestmaal der Goden voorstellende.”„Die tienduizend gulden heeft gegolden,” voegt Benzi er bij.„Tienduizend gulden!” herhaalt de Prins: „maar dat is een rantsoen voor een Vorst; en ik zal mijne kas wel aandachtig mogen raadplegen, eer ik mij veroorloof, hier eene bestelling te doen.—Nu, Signor Justus, gij zult mij verplichten, indien gij mij die beide gedichten wilt doen toekomen: ik zal ze hier ter stede door een bekwamen tolk in ’t Italiaansch laten overbrengen en ze als een gedachtenis medenemen.”En met eene minzame hoofdbuiging afscheid nemende van den dichter, begeeft hij zich weder naar de tafel en laat aan Meester Dirck vragen, of hij ook werkstukken heeft, die voltooid en te koop zijn. Rijswijck geeft hierop een wenk aan zijn dienaar, en deze, eene kast openende, haalt daar eenige schenkbladen en andere voorwerpen uit, van minderen omvang dan het kunststuk, dat nu onder handen is, doch, wat de bewerking aangaat, niet minder keurig en uitvoerig. Immers ook van deze kan men, met Vondel, zeggen:....Hier blinckt de schoone regenboogVan bloemen loofwerck en festoen,Uit root en blaeu en geel en groenEn gout gemengelt, in ons oogh........Hier geeft genoffel,54leli, roosGemengt uit onderscheiden kleur,Trots Indisch velt, een lucht en geur,Hier praelt robijn, saffier, turkoos.Hier blinckt de gout- en zilvermijn.Hier rijst de witte morgenstar.Zy voert den dagh af op haer karEn boodschapt ons den zonneschijn........Hier legt de schilder zijn paletEn rijck penceel uit zijne hant.De juwelier acht diamantNoch dier gesteente, in gout gezet.Dees kunst schept, uit een ruwe schulp,Gesteente, en tulpen, knoppen, blaênGestarnte, en licht, en zon, en maen.Zy neemt vernis noch verf te hulp.De schilderkunst verschiet haer verf,Gelijck de maaght haer frissche jeught,De tulpen zien haer waerde en vreughtVerwelckt of schrikken voor bederf.De rijp, de nevel en de mistVerstickt de tulp: een felle stormVerslijt haar leven, eer men ’t gist:De paerlemoerbloem, op haar steel,Volght d’ eeuwigheit in duurzaemheitEn blijft tot dat de werelt scheit,Waer bloeide ooit eêler bloempriëel!....of ook, op eene andere maat;....Hier weit het oogh in allerhande bloemen,De kunst verdooft de stof.....Stoft d’ Indiaan op d’ endeloze renteVan ’t vrolijck ooftsaizoen.Dat eeuwigh duert: het is hier eeuwigh lente.Geen kou verbijt dit groen.....Dees veltzwarm ziet den dischbeemt nooit verdorren.Het leeft er overalVan krekel, vliegh, wywouter, goude torren,En joffren zonder gal,De maenebloem, de starrebloemen lockenDie vlugge zielen uit.De morgenstar, de korenbloem, de kloekenOntluiken op ’t geluit.De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen,Die, als ’t kameleon,Met menigh slagh van verwen zijn behulpen,Bekooren zelf de zon,Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt,Gezegent met een luchtVan nagelpoêr55, in zoo veel kleurs gesprengelt,Het hart verquickt, als ’t zucht........Wat quist men tijt om ’t eeuwige bewegenTe heffen op het hooft!Dat uurwerck speelt en draait u eeuwigh tegenEn flikkert onverdooft.Dees zonnebloem volght met haar drijvende oogenDe zon, haar bruidegom.Zy lonckt haar aan, van zuivre min bewogenEn zoeckt zijn gunst alom.Wanneer haar lief zijn hooft en gouden luisterDes avondts onderhaelt,Dus leentze noch den zonneglans by duister,Hoe diep hy nederdaelt....„Welnu!” zegt eindelijk Kosmo, nadat hij eene der tentoongestelde voorwerpen heeft uitgekozen: „gij zult dit aan mijn logement doen bezorgen, Signor Van Rijswijck, en hier,” op Filippo de Neri wijzende, „is mijn schatmeester, die er den brenger de honderd dukaten voor uitbetalen zal, die gij er voor vraagt. Ik stel er mij een feest van voor, dit kunstwerk aan de mozaïsten in mijn vaderstad te wijzen: en hou u maar goed, Signor! als deze of gene onder hen hier komt en u de kunst poogt af te zien.”Het bezoek is afgeloopen en het hooge gezelschap heeft de werkplaats van Meester Dirck Van Rijswijck verlaten.„Een nobel Heer, die Prins van Medicis,” zegt Vondel, na hun vertrek, tegen zijn vriend den kunstenaar: „zie, onze groote Heeren hier zijn brave, eerbiedwaardige mannen, en toonen zich bij wijlen ook wakkere Mecenaten; maar toch ontbreekt hun iets, dat deze vreemdeling bezit.”„Wat dan?” vraagt meester Dirck, verwonderd.„Wat?—het echte kunstgevoel,” antwoordt Vondel, spijtig voor zich ziende.„Ei wat,” herneemt Rijswijck: „zij hebben toch mijn feestmaal der Goden met tienduizend gulden betaald.”„Ja, dat hebben zij,” zegt Vondel, peinzende, en het gevoel onderdrukkende, dat bij hem ontstaat op de vraag, die in weerwil van hem zelven bij hem oprijst, waarom of zijne verzen, die toch ook een kunstig gevlochten, en de eeuwigheid verdurenden krans vormen van bloemen, loofwerk en vruchten, of niet, of met eene aalmoes betaald worden: „dat hebben zij: maar zij hebben uw werk, zij hebben de schilderijen van Van der Helst of Stockade, en de beelden van Quellijn betaald, zooals zij ’t een kostelijk meubel, een pronkstuk in hun vertrek of voorportaal doen:—en zij achten in den grond noch uw kunstwerk, noch die schilderijen of beelden meer dan een nieuwmodisch behangsel of vloertapijt, dat veel geld kost: en zij kunnen er den hoogeren geest niet in herkennen, die u en die andere groote kunstenaars bezield heeft. Maar die Italiaan is in eene andere lucht gewonnen en gevoed: op dien bodem, die voorheen Maro’s en Flaccussen gekweekt heeft, waar de liefde tot de kunst eeuw in eeuw uit van de vaderen op hunne nazaten is overgegaan, en waar, nog heden, zoowel de Heilige Vader op ’t Vaticaan, als de nederigste landbouwer op ’t veld, de verzen van Virgilius en die van Tasso of Petrarca in den mond heeft en zich buigt voor de kunstgewrochten van Titiaan en Rafaël en Michel Angelo. Zie!—daar had ik moeten geboren zijn.”„Gij, vader Vondel!” zegt Rijswijck: „’t mocht wat: al zijt gijvan Keulen hierheen gedwaald, gij zijt en blijft toch een Amsterdammer in uw hart.”„Nu ja, dat is waar,” herneemt de grijsaard, wederom als tot zich zelven sprekende: „want het is te Amsterdam, dat ik geleefd en geleden, en schier al wat mij dierbaar is begraven heb.”„Wat mij betreft,” hervat Rijswijck, na een langdurig stilzwijgen van weerszijden: „ik verheug mij, dat ikhierwoon; want ik twijfel of ergens, behalve hier, mijne tafels zoo goeden aftrek zouden vinden tot den prijs, waar ik ze op gezet heb.”Den volgenden dag ontving Kosmo van Medicis het bestelde schenkblad; gelijk mede de verlangde gedichten; doch bij deze laatsten was de navolgende tweespraak gevoegd, die Vondel ter eere van ’s Prinsen verblijf te Amsterdam had vervaardigd:Amsterdam.Wat glori komt mijn hooft beschijnen,In ’t hartje van den wintertijt!Italiaen.De morgenstar der Florentijnen,Een eeuwige eer, uw kroon benijt.Amsterdam.Wat telgh is ’t? Uit wiens stam gesproten?Spreekt duitlijck Duitsch. Hoe luit die naem?Italiaen.De jonge Kosmo van den grooten,De waerelt kenbaer door zijn faem.Amsterdam.Een godtheit daelt, als uit de wolckenOm laegh in ’t vrye Nederlant.Italiaen.Onthaelt van zeven vrye volcken,Daar gy alleen de zeekroon spant.Amsterdam.Zoo zagh voorheen de groote moederDer koningen56mijn groote stadt.Italiaen.De moeder van den Franschen hoeder,Geheilight door het lelibladt.Amsterdam.Zy gaf Gaston, zijn broeder57, ’t leven,Nu schoonvaêr der Toskaensche spruit.Italiaen.En eert u noch in hare neven.Gy zeilt hun havens in en uit.Amsterdam.Fernandus zagh mijn bloedvlagh paelen,Toen ’t Britsch kasteel ten hemel voer;Italiaen.Dat uwen waterleeuw van GalenDen doot in ’s Hertoghs haven zwoer.Amsterdam.De zoon kan hier het graf aanschouwen,’t Welck ’s helts gebeent en naem bewaert;Italiaen.En daeden, op de zerk gehouwen.Zoo blijft de deught alom vermaert.Amsterdam.Dees prins ziet hier mijn schiltkroon proncken,Ten prijs van zijn voorvaders58stam.Italiaen.En keizers gifte uw trouw geschoncken,Zoo blinckt Florence te Amsterdam.Amsterdam.Mijn kapitool, bij zijn gebouwenGeleken, zal te pover staan.Italiaen.Ik zweer, ’t gezicht wil hem noit rouwen,Hat wijckt Sint Mark, noch Vatikaen.Amsterdam.Maer d’ Arno schenckt gezonder luchtenEn ooft, dan d’ Aemstel hem kan biên.Italiaen.Uw mastbosch draeght ook goude vruchten,Een bosch, van Princen waert bezien,Amsterdam.Prins Kosmo dreight den Griekschen rooverTe ketenen op Tunis strant.Italiaen.Scheept Putten59met uw krijghsvloot over,Zoo wordt die zeepest uitgebrant.Amsterdam.Dan keerenze met Kriste-slaven,En Smyrna ziet den handel vry.Italiaen.En d’ Aemstelheer onthaelt zijn bravenMet zeekortouwen langs het Y.Amsterdam.Dan brult de zeeleeuw van Venedigh,En Kandië schept verschen moedt.Italiaen.Hy wet zijn klaauwen eens zoo snedighEn Villa dempt al ’t helsch gebroet.Amsterdam.Dan krijgt Europe een nieuw gestalte,En ’t kruis braveert de Turksche maen.Italiaen.Gansch Barbarye schrikt voor Malte.Dat Asië en haar maght houdt staen.Amsterdam.Geene afgunst groey noch rijze tusschenDen Hertogh en ’s lants vrijen staet.Italiaen.De Batavier omhels HetrusschenZoo lang de zon te water gaet.

In de Klok.Bij onze laatste wandeling bevonden wij ons in het begin der 18deeeuw en stonden wij aan of liever op een vaartuig in de Keizersgracht bij de Reguliersgracht. Wij springen weer een zeventigtal jaren terug en.... waar zijn de sierlijke huizen, die wij aan weerskanten zagen prijken? Waar de volkrijke straat, die wij voorbij, waar de bruggen, onder welke wij door zijn gevaren? Wij vinden ze niet meer,—om ons juister uit te drukken—wij vinden ze nog niet;—maar toch de merkpalen zijn al aanwezig, die aanwijzen waar ze komen moeten, en uit al wat wij om ons heen zien blijkt, dat hier spoedig de weilanden, tuinen en molenwerven, die ons omringen, zullen plaats maken voor deftige kaaien en volkrijke straten. Immers in den jare 1657 is door de Vroedschap besloten, Amsterdam voor de vierde reize, en wel aan de Zuidzij, te vergrooten: in 1657 is een aanvang gemaakt met het graven van nieuwe grachten en het bouwen van veertien nieuwe, met steen bemuurde, door hooge gordijnen aan elkander verbonden bolwerken: en in 1663 is door ’s Lands Staten aan Amsterdam octrooi verleend tot onteigening van alle landen, tuinen, erven en gronden, die met de voorgenomen uitlegging binnen de stad getrokken worden.Alles is hier nu drukte en gewoel, honderden van arbeiders zijn hier, zijn ginds aan ’t werk in die weeke pap, die noch aarde, noch zand, noch klei, noch veen, noch water is, maar een mengsel van dat alles te zamen, aan ’t heien van palen, aan ’t baggeren, aan ’t kruien, aan ’t uitdiepen en ophoogen: landmeters, bazen en opzichters beschouwen of besturen den arbeid: karren, wagens en schuiten voeren de benoodigde bouwstoffen aan of keeren terug om nieuwen voorraad te halen: en een tal van nieuwsgierigen waart om de planken schuttingen, die het veld omgrenzen, in de hoop van, ’t zij over ’t beschot, waar dat laag genoeg is, ’t zij door een openstaande deur, ’t zij door een reet of opening in of tusschen de planken, te kunnen begluren wat daar binnen geschiedt.Wij willen ons daarmede niet bezighouden; wij zoeken weer het bewoonde gedeelte der stad op en wel bepaald dat gedeelte, waar de nieuwe Keizersgracht zich bij de reeds bestaande zal aansluiten.Die aansluiting zal plaats hebben aan den ouden stadswal, die vlak tegenover de Beulingstraat loopt, en waar Heeren-, Keizers- en Prinsengracht tegen stuiten; maar aan wier buitenzijde men bezig is de vaart te graven, die den naam van Leidschegracht zal voeren:en het is nu aan de binnenzijde van dien wal, op den hoek der Keizersgracht, dat wij de woning vinden, waar wij thans voornemens zijn een bezoek af te leggen, en die eene gebeeldhouwde klok in den gevel voert.Het huis is klein en onaanzienlijk: het schijnt dat van een gewoon ambachtsman; maar toch is de bewoner meer dan dat: hij is een kunstenaar van de hoogste bekwaamheid in zijn vak, en zijn naam is wijd en zijd door Amsterdam en vandaar geheel de wereld door verbreid. Wanneer wij dan ook den kunstig bewerkten hamer, die op de voordeur hangt, oplichten, bij den bewoner aankloppen en aan de dienstmaagd, die ons opendoet, vragen, of wij Monsieur Hemoni kunnen te spreken krijgen, doen wij, schoon onbekenden, niets, dat hare bevreemding wekken kan, want zij is het sedert lang gewend, dat lieden van elken rang en stand en landaard, op dezelfde wijze, zich aanmelden en zich verlangend toonen om den arbeid van haren meester gade te slaan en de kunstgewrochten, door hem vervaardigd, van nabij te leeren kennen.—Op onze vraag wordt dan ook dadelijk met een bevestigenden hoofdknik geantwoord, waarop de bemoedigende toespraak volgt: „als de heerschappen maar over de plaats willen gaan,Mesjeuis op den winkel.”Er zoude nog anderhalve eeuw verloopen, eer men het woordateliergebruikte.Wij volgen de aanwijzing, gaan de korte huisgang door, het kleine, met klinkers belegde plaatsje over, stooten daar eene deur van ruwe planken open, en verschaffen ons zoo den doortocht tot de opene ruimte, binnen welke zich de werkplaats van Hemoni bevindt.En luister, pas zijn wij aldaar gekomen, of op eens, als ware het ter onzer verwelkoming, daar vangt, zwaar en luid, ja oorverdoovend, maar toch zuiver en vol harmonie, de muziek aan van een tal van klokken van metaal, en doet ons voor een poos stilstaan, zoo omdat het onverwachte geluid ons verrast, als omdat wij vreezen, in de nabijheid daarvan, noch ons zelven noch anderen te zullen verstaan.—Maar ook al hadden wij willen voortgaan, wij zouden ’t niet hebben durven doen; want uit de werkplaats tegenover ons is plotseling iemand, die ons bespeurd had, voor den dag gesprongen, en hij legt den vinger op den mond en maakt terugwijzende gebaren, een en ander kennelijk om ons te doen begrijpen, dat wij noch naderen, noch geluid geven, noch ons zelfs verroeren mogen. Gehoorzaam aan dien wenk blijven wij dan ook staan, en wachten af tot het verbod moge zijn opgeheven. Doch niet zoo spoedig wordt aan dit verlangen voldaan: het bekende deuntje:Wel mag ik u Laura vragen,is afgespeeld en nog blijft van verre de terugwijzende hand opgeheven: wij arme bezoekers zien elkander verlegen en besluiteloos aan en onze oogen schijnen te vragen of wij ook het erf weer verlaten zullen en ons bezoek op een geschikter tijd hervatten; maartoch, een vriendelijk knikje van den man daar tegenover ons geeft ons weer moed; want wij maken er uit op, dat het oponthoud, ’t welk wij ons getroosten, maar tijdelijk zijn zal: en inderdaad, na nog eenige minuten verwijls gaat de deur der werkplaats weder open, en een nieuw personage treedt te voorschijn, wenkt den wachter, die buiten stond, weder binnen, en komt naar ons toe.„Ah bonjourmijn ’eer,” zegt hij onder ’t naderen: „ikke pardon vraak voor u te ebbe late wakkete, ikke bezik was an te probeer die klokkespel en dan ikke onkaarne kestoor,vous comprenez?”En wij treden bemoedigd voorwaarts en lichten den hoed af; want wij beseffen, dat de kloeke grijsaard, die tot ons spreekt, niemand is dan de beroemde klokkegieter, monsieur Hemoni zelf.„Indien wij ongelegen komen...,” zoo luidt de afgebroken volzin, dien wij ’t beleefdheidshalve noodig achten hem toe te voegen, al ware ’t maar om hem welwillend jegens ons te stemmen.„Oh! pas du tout,kom binne!” klinkt het, en, zijne uitnoodiging gevolg gevende, bevinden wij ons weldra binnen de ruime loods, die des eigenaars gieterij, werkplaats en magazijn bevat.Het is ’t magazijn, of, zooals men gewoonlijk zegt, de winkel, die ’t eerst ons ontvangt: de winkel, hoog en omvangrijk, als vereischt wordt uit aanmerking van het getal en de grootte der voorwerpen, die er in bewaard worden. Het eerste, dat dan ook onze oogen trekt, zijn zes kolossale beelden van metaal: vier daarvan stellen even zoovele deugden voor, als: Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Matigheid en Wakkerheid; het vijfde den Vrede, het zesde een zwaar gebouwden, grofgespierden man, in de houding als torste hij een last, die echter onzichtbaar is.„Ja,” zegt Hemoni, in antwoord op onzen vragenden blik, „dat zijne de beeld, die motte kom te staan op de nieuwe stattuis, boven defrontispice, foor en akketer, datte de werk van monsieur Artus Quellin.”„Ja gewis,” merken wij aan, „die beelden zijn voortreffelijk en gemakkelijk te erkennen voor wat zij moeten voorstellen;—maar die man?.... wien moet hij verbeelden?”„Die man?” herhaalt Hemoni, „dat isse den Atlas, die de emelbolle traak; maar de emelbolle is er nok niet op: ij zal nok lank kenoek ebbe deplaisirvan die te foel op sijne nekke; die emelbolle lekke in de werkplaasse: sij nok niet keëel klare. Soo aanstons wij sullen sien datte,comprenez-vous.—Maintenant,” gaat hij voort, terwijl hij wijst naar eene der talrijke klokken, die aan ’t gewelf hangen: „ier isse de klok voor de poorte, die sel koom te staan an de ende van de nieuwe strate, ofer de Eilike-Wek, nok eene eele end ferder dan de Eilike-Weks-poorte, en die sel iet de Leise poorte: en dan komme er nok twee poort, waarfoor ik bestel eb kekreek de klokken, namelik de Utrekkese poorte en de Weesseper poorte, allebei kroote mooie poorte,comprenez-vous?”„Volkomen;—maar voor welk gebouw moet die klok dienen, met die keurig bewerkte beeldjes om den bovenrand?”„Aha! die klok, en al die andere klok, die er bij staan, isse deklokkespel foor die kroote kerke à Rotterdamme,comprenez-vous?Sij eersstaak sal worde afke’aalt. Is eene eele werk kewees, te make alle die beeldjesen relief;—maar essegénéralementseer kepreese. Monsieur Artus Quellin, ij mij seide: „friente Emoni,” seide hij, „al adde ik selleve die beeldjes kemaak, ikke sou mij daar niet over skaam,” en de Bourguemestre van Rotterdamme, als ij ware ier, ij ook daarmee ware bijzonder kontent.”„Wel! hij zou wel ongemakkelijk zijn, of weinig gevoel voor de kunst hebben, zoo ’t anders ware,” zeggen wij, terwijl wij in opgetogenheid het fraaie beeldwerk beschouwen, op die klokken aangebracht, en waar ’t slechts jammer van is, dat ze op eene plaats zullen komen te hangen, waar weinigen ze zoo op hun gemak kunnen zien, als wij nu doen.„Gij hebt vele dergelijke klokken gemaakt, monsieur Hemoni?” vragen wij verder.„Meer dan er ier sou kunnen ’ang, al wasse de winkel sesmale soo kroot,” is het antwoord, en nu verhaalt hij ons, hoe hij de kerken te Hoorn, Enkhuizen, Delft, Utrecht, Amersfoort, Leiden, Arnhem, Kampen, Groningen, Middelstum, Purmerend, Medemblik, den Briel, enz. van klokken heeft voorzien, en er hem nu nog voor de Groote Kerk te Hoorn en voor andere gebouwen meer besteld zijn.„En wat was uw proefstuk hier te lande?” vragen wij: „gij zijt een Lotharinger, niet waar?”„Van Levecourt kebore, ja welle! Mijn eerste werke wasse in ’t jaar 46, te Zutfen, waar ik met mijn broeder Pieter eb kekoot, die ses-en-twintik klok voor de Wijnuistoor, en in 47 die vijf-en-twintik klok voor die kerke van Saint Levin te Deventre. Maar toen eb ikke kedok, Amsterdamme is de rekte plaasse foor een artist, en ikke pen kekoom ier, waar mij deMagistratep afgestaan deze erf om daar te bouw mijne kieterij, en daar eb ik ook al mijn klok kekoot, en voor de Oude kerke dat speelewerk, van vijf-en-dertik klok, en daarvoor eb zij mij betaal ƒ 28,716: en nu sijn mij bestel die klok voor de nieuwe stattuis te kiet binnen ses maand; daar sullen aan kespendeer worden 27000 pond metaal. En as die sinjeurs nu eens wille koom in mijne werkplaas, sij sullen nok ander keurige dink sien.”Wij geven gaarne aan de uitnoodiging gehoor en verlaten de loods, waar wij ons bevinden, voor eene tweede, die tot het bewerken en beproeven der gegoten voorwerpen dient, en vanwaar ons reeds een voor ’t gehoor min aangenaam krassend geluid van ijzer, dat geveild of afgeschraapt wordt, is te gemoet gekomen. Was het in den winkel eenzaam en stil, hier in de werkplaats heerscht bedrijvigheid en gewoel. Eene uit een aantal klokken, die van den zolder afhangen en de muziek hebben doen hooren, waarop wij straks vergast werden, is door de werklieden met kabels afgelaten en, met behulp van een kunstig uitgedacht werktuig, omgekeerd in een soort van ijzeren rasterwerk opgevangen en vastgezet. Iemand, die over den rand dier klok is heengebogen, en wiens bovenlijf ergeheel in verdwijnt, is bezig, daar die knarsende geluiden voort te brengen, die wij hoorden; terwijl een ander bij de tafel daarnevens staande, met een blad in de hand, vol aanteekeningen en figuren, die blijkbaar pas geschreven zijn—want de inkt is nog nat—den arbeid gadeslaat.„Ah! monsieur Verbeek!” zegt Hemoni tot dezen laatste: „iere sijn sinjeurs, die mijne winkel en kieterij koom bekijk. Sij koom net van passe, om te zien oe wij probeer die klok.”Wij groeten monsieur Verbeek, wiens naam als kunstenaar ons reeds bekend is uit de navolgende rijmen van den eerzamen Melchior Fokkens:De kunst in d’ avond-stondt der werelt, nu gebooren,Doet met verwonderingh ’t Muzyck der klokken hooren,Ons ooren zijn verbaest, den ouden tijd verdwijnt,Vermits een grooter licht in ’t nieuwe ons verschijnt.Wie zou dit zoet geluydt der nieuw ghegoten klockenVan over hondert myl niet herwaerts konnen locken?Noyt was ons Amsterdam met sulck vermaeck geciert;Dit zoet gespeel door Straet en Boom en Burghwal zwiert.Laet varen Griecken Landt met zijn verzierde droomen,Parnassus groen geberght en noyt gevonde stroomen,Hier is een and’ren klanck, dat noyt de wijze Grieck’,Noch het beroemde Atheen, dat staegh om wijsheidt ziek,Zijn krachten leydt te kost, en mochten oyt gebeurenGheen volck, hoe woest het is, die dit niet goet zou keurenWanneer ons hier Verbeeck, door ’t klocken zoet gespeelEn ’t klinckende Muzyck ons hert en ooren streel:Wat ’s van Apollos harp, Orfeur kunstigh zinghen,’t Heeft uyt met dit gelaet en oud vermufte dingen:Wanneer men dit gheklanck in Amsterdam begluurt,Ons levenstijdt is kort, de kunst gestadigd duurt.Die regels zijn zeker niet fraai: zij laten, wat stijl, taal en maat betreft, vrij wat te wenschen over; maar zij kunnen als een staaltje dienen van de ingenomenheid, die de Amsterdammers hebben met hun klokkenspel, en met den bekwamen kunstenaar, die ze zoo tot aller voldoening weet te bespelen. Inderdaad ontlokt Verbeek, niet enkel geleid door zijn juist gehoor, maar ook door onmiskenbaar kunstgevoel gedreven, aan het klokkenspel nog schooner akkoorden dan zelfs den vervaardiger mogelijk was toegeschenen. Gaarne neemt dan ook Hemoni zijn raad in bij den arbeid, en gaarne staat hij Hemoni met dien raad ter zijde.De meester voert ons thans de werkplaats rond, waar t’ elker zijde zijne handlangers en leerlingen zich kwijten, ieder van zijne verschillende taak. Hier ziet men er aan ’t schoonmaken, schuren, polijsten, vernissen van klokken en andere gegoten voorwerpen; daar is men bezig aan ’t uitbeitelen van letters, cijfers, beeld- ofloofwerk of andere sieraden, die er op moeten prijken: wat verder is de een bezig met ingewikkelde berekeningen, en de ander met het uitwerken op grooter schaal van geteekende schetsen van verschillenden aard, door Hemoni ontworpen. Wij zien en verwonderen ons over al het fraaie, dat ons getoond wordt, maar wat in bijzondere mate onze opgetogenheid wekt, is eene sfeer van koper, waarop eene bedreven hand de geheele oppervlakte des aardbols met de graveernaald schetst, naar het voorbeeld van eene houten sfeer, uit den winkel van den grooten aardrijkskundige Blaeu. Het is de bol, waar Hemoni zoo straks van gewaagde, die op de schouders van het Atlasbeeld, dat wij in den winkel zagen, zal komen te rusten.Maar terwijl wij nog staren op dit meesterstuk, daar houdt eindelijk het gekras binnen de omgekeerde klok op en duikt daaruit de bekwame werkman op, die het had voortgebracht. Aan zijne jaren en aan de onderlinge gelijkenis herkennen wij Pieter Hemoni, den broeder van François. Hij legt den beitel neder, waarmede hij een werk verricht heeft, dat aan geene onervaren handen mocht worden toevertrouwd: de klok wordt weder met de opening naar beneden gewenteld, en opgehaald, doch slechts op twee derden eener manshoogte van den grond, zoodat de beide broeders en Verbeek er hunne hoofden in kunnen steken, om het verrichte in oogenschouw te nemen. Monsieur François is tevreden, althans hij geeft een goedkeurenden knik; maar Verbeek wil nog nadere overtuiging: hij tilt een zwaren hamer op en slaat daarmede tegen de klok, die terstond een zilveren klank laat hooren.„Ik geloof dat wij het nu meester zijn,” zegt hij, „en dat niets het volmaakt akkoord meer storen zal. Haal nu maar op; dan kunnen wij ’t nog eens beproeven.”„Silence!”roept Hemoni, terwijl de klok naar boven gaat; en plotseling zwijgt elk geluid in de werkplaats: al de aanwezigen—ook wij—houden den adem in: Hemoni en Verbeek staan in gespannen aandacht, met een blad papier in de eene en eene pen in de andere hand, gereed, elke valsche noot, elk min juist akkoord, elk gebrek aan overeenstemming op te teekenen; en het klokkenspel begint opnieuw. Maar thans ruischen de melodieën zuiver als kristal, en alleen aan de nabijheid, waarin wij geplaatst zijn, is het te wijten, zoo zij op ons niet die aangename uitwerking doen, welke zij eens uit de hoogere verblijfplaats, voor welke het klokkenspel bestemd is, in de ooren van marktbezoeker en wandelaar weerklinken zullen.„Bravo! bravo!” roepen wij, zoodra de muziek ophoudt: „hoe kan ’t zijn, dat zulke zware instrumenten zulk eene liefelijke samenstemming van tonen kunnen teweegbrengen!”„Ja,” zegt Verbeek, terwijl zijn gelaat van welgevallen schittert bij ’t ophalen der verdiensten zijns vriends: „dat had niemand kunnen denken, voordat onze meester hier de kunst uitvond. Tot op zijn tijd hing het treffen van den juisten toon van een tal berekeningen af, die, wanneer zij ongelukkig faalden, het geheele werkdeden mislukken. Dan moest er weer opnieuw gevormd, en opnieuw gegoten worden, totdat men eindelijk een gunstiger uitkomst verkregen had; maar dan mocht het eer toeval heeten dan kunst: en de meeste klokkenspelen lieten nog veel te wenschen over. Maar onze meester François kwam het eerst op het wijze denkbeeld om de zwaarte van het gietwerk iets ruimer te nemen, en ook den toon wat hooger dan te voren, en dan de klokken met stalen beitelwerk uit te draaien, tot zij op den juisten toon waren gebracht en alle volstrekt samenstemden. Dat stemmen nu wordt, zooals de heerschappen gezien hebben, altijd zoo nauwlettend verricht, dat niemand bij ’t geluid mag spreken en wij onze aanmerkingen schriftelijk opteekenen, om ze elkander eerst mede te deelen als het spel heeft opgehouden. Ja hij heeft het zoover gebracht, dat het gewone klokkeluiden, dat elders spoedig verveelt, hier te Amsterdam iets welluidends heeft. Immers er zijn vier groote klokken van hem, waar men mee luidt, van welke de kleinste en de grootste, of de hoogste en de laagste, net een octaaf verschillen en de twee middelsten op een quint of tertie tusschen beide gaan, zoodat, ’t zij men ze alle vier, of er maar twee of drie van luidt, zij altijd een geluid geven dat muzikaal accordeert.”„Ja,” zegt Pieter Hemoni, met een vroolijken glimlach: „sij lank soek’, eer sij tekenwoordik op de wereld eene stad vind’, soo voorzien van kunstikke klok’ als Amsterredamme.”„Bah!” zegt François: „watte isse er, dat bij Amsterredamme is te verkelijk? Waar finde men erkens eene smid, asse meester Wouter Geurtsgen, die soo excelleer in ’t smeeden van ijzeren traliën met loofewerke en krullen, soo net met den ’amere kemaak, dat men niet zou kunnen et soo keurig maak in de kieterij? Nu, ij dan ook lever sijn werk aan den konink van Sweden en andere uit’eemsche prinsen. En waar vinde men kastemakere, die zoo kunstik inlekwerk weten te maak, dat door de eele wereld kezok wor? En waar mozaïsten als meester Dirk Van Rijssewijk? ’t Mot alles van ier koom, waar de foorname liede te Londre of Paris unne saal en pronkkamer mee versier, en anders is ’t niet koet.”En nu brengen wij, op ’s mans voorstel, een bezoek aan de gieterij. Wij zullen er niet anders van zeggen, dan dat, had Schiller anderhalve eeuw vroeger geleefd, men zou hebben kunnen denken, dat hij hier de inspiratiën geput had, die hem zijn heerlijk „Lied van de klok” deden schrijven, en dat wij versteld staan, wij, die ’t gebruik der stoomwerktuigen kennen, hoe, zonder hun hulp, en met de middelen, die hem ten dienste stonden, Hemoni, in betrekkelijk korten tijd, zoo ontelbaar vele meesterstukken uit zijne gieterij heeft kunnen afleveren.Bij het keeren van daar, en voordat wij afscheid nemen van onze heusche kunstenaars, wijst Pieter Hemoni ons nog, in een hoek van de werkplaats, die tot kantoor gebezigd wordt, boven den schrijflessenaar een vers, in plano gedrukt en in een koperen lijst gevat, en van den volgenden inhoud:Op hetKlokmusykt’ Amsterdam.Nec mortate sonans.Laet al d’ oude Grieken zwijgen,Stoffende, zoo trots en fier,Van Amfions goude lier,Op wiens klank de vesten stijgen,Bacchus zijn geboortestadt52Van den hemel zagh bescheenen,Daer zoo veel vertrooide steenenZich verhieven uit het plat,Op de maat van snaer en zanger,Wij verwondren ons niet langer.Droom en kluchten gaven stofAen de lichtgelovende ouden,Die gedroomde steden bouden,Dat versieren ging te grof.Grieken, dartel in zijn vonden,Zoekt uit duisternisse licht,Diende zich van ydel dicht,Aan geen schijn van reên gebonden,Toen het geestigh logens goot,En zijn verf niet eens verschoot.Wij, verlicht door ryper klaerheit,Mogen spreecken, rijck van roem,Zonder dat men ’t werck verbloem’,In der daedt, en in der waarheit:Gysbrechts stad wordt rontom heen,Op muzyk van torenklokkenMet een steenen muur omtrokken,Wordt gekloncken hecht aan een,WijlVerbeekmet voet en vingerenKlancken weet daaraan te slingren.Hij verdooft met klokgeluitD’ allereêlste kerkkooraelen,Speelt met klokken, als cymbaelen,’s Hemels kooren kycken uit,Op de heele en halleve uuren,En de vierendeelen mee,Steeckt de Koningin der zee’t Hooft nu trotser uit haer muuren,Gort haer vruchtbren schepetuinMet een gordel van arduin.Ik verhef mijn toon in ’t zingenAen den Aemstel en het Y,Op den geest vanHemony.D’ eeuwige eer van Loteringen,Die ’t gehoor verlekkren konOp zijn klokspijs, en zijn nooten,Ons zoo kunstrijk toegegoten.’t Lust ons op de klokketoon,Ons doorluchte torentranssen,Eenen klokkedans te danssen.Cybelé behaelt geen prijsDoor geschal van keteltrommen,Nu de torentransen brommenMet een liefelijker wijs,Dan haer dolle Korijbanten.Geen of een alleen vermaghOm te voeren nacht en daghEenen rey van musikanten.Voert dien klokhelt op ’t altaer,Eens gezien in duizent jaer.MDCLXI.J. v. d. Vondel.

Bij onze laatste wandeling bevonden wij ons in het begin der 18deeeuw en stonden wij aan of liever op een vaartuig in de Keizersgracht bij de Reguliersgracht. Wij springen weer een zeventigtal jaren terug en.... waar zijn de sierlijke huizen, die wij aan weerskanten zagen prijken? Waar de volkrijke straat, die wij voorbij, waar de bruggen, onder welke wij door zijn gevaren? Wij vinden ze niet meer,—om ons juister uit te drukken—wij vinden ze nog niet;—maar toch de merkpalen zijn al aanwezig, die aanwijzen waar ze komen moeten, en uit al wat wij om ons heen zien blijkt, dat hier spoedig de weilanden, tuinen en molenwerven, die ons omringen, zullen plaats maken voor deftige kaaien en volkrijke straten. Immers in den jare 1657 is door de Vroedschap besloten, Amsterdam voor de vierde reize, en wel aan de Zuidzij, te vergrooten: in 1657 is een aanvang gemaakt met het graven van nieuwe grachten en het bouwen van veertien nieuwe, met steen bemuurde, door hooge gordijnen aan elkander verbonden bolwerken: en in 1663 is door ’s Lands Staten aan Amsterdam octrooi verleend tot onteigening van alle landen, tuinen, erven en gronden, die met de voorgenomen uitlegging binnen de stad getrokken worden.

Alles is hier nu drukte en gewoel, honderden van arbeiders zijn hier, zijn ginds aan ’t werk in die weeke pap, die noch aarde, noch zand, noch klei, noch veen, noch water is, maar een mengsel van dat alles te zamen, aan ’t heien van palen, aan ’t baggeren, aan ’t kruien, aan ’t uitdiepen en ophoogen: landmeters, bazen en opzichters beschouwen of besturen den arbeid: karren, wagens en schuiten voeren de benoodigde bouwstoffen aan of keeren terug om nieuwen voorraad te halen: en een tal van nieuwsgierigen waart om de planken schuttingen, die het veld omgrenzen, in de hoop van, ’t zij over ’t beschot, waar dat laag genoeg is, ’t zij door een openstaande deur, ’t zij door een reet of opening in of tusschen de planken, te kunnen begluren wat daar binnen geschiedt.

Wij willen ons daarmede niet bezighouden; wij zoeken weer het bewoonde gedeelte der stad op en wel bepaald dat gedeelte, waar de nieuwe Keizersgracht zich bij de reeds bestaande zal aansluiten.

Die aansluiting zal plaats hebben aan den ouden stadswal, die vlak tegenover de Beulingstraat loopt, en waar Heeren-, Keizers- en Prinsengracht tegen stuiten; maar aan wier buitenzijde men bezig is de vaart te graven, die den naam van Leidschegracht zal voeren:en het is nu aan de binnenzijde van dien wal, op den hoek der Keizersgracht, dat wij de woning vinden, waar wij thans voornemens zijn een bezoek af te leggen, en die eene gebeeldhouwde klok in den gevel voert.

Het huis is klein en onaanzienlijk: het schijnt dat van een gewoon ambachtsman; maar toch is de bewoner meer dan dat: hij is een kunstenaar van de hoogste bekwaamheid in zijn vak, en zijn naam is wijd en zijd door Amsterdam en vandaar geheel de wereld door verbreid. Wanneer wij dan ook den kunstig bewerkten hamer, die op de voordeur hangt, oplichten, bij den bewoner aankloppen en aan de dienstmaagd, die ons opendoet, vragen, of wij Monsieur Hemoni kunnen te spreken krijgen, doen wij, schoon onbekenden, niets, dat hare bevreemding wekken kan, want zij is het sedert lang gewend, dat lieden van elken rang en stand en landaard, op dezelfde wijze, zich aanmelden en zich verlangend toonen om den arbeid van haren meester gade te slaan en de kunstgewrochten, door hem vervaardigd, van nabij te leeren kennen.—Op onze vraag wordt dan ook dadelijk met een bevestigenden hoofdknik geantwoord, waarop de bemoedigende toespraak volgt: „als de heerschappen maar over de plaats willen gaan,Mesjeuis op den winkel.”

Er zoude nog anderhalve eeuw verloopen, eer men het woordateliergebruikte.

Wij volgen de aanwijzing, gaan de korte huisgang door, het kleine, met klinkers belegde plaatsje over, stooten daar eene deur van ruwe planken open, en verschaffen ons zoo den doortocht tot de opene ruimte, binnen welke zich de werkplaats van Hemoni bevindt.

En luister, pas zijn wij aldaar gekomen, of op eens, als ware het ter onzer verwelkoming, daar vangt, zwaar en luid, ja oorverdoovend, maar toch zuiver en vol harmonie, de muziek aan van een tal van klokken van metaal, en doet ons voor een poos stilstaan, zoo omdat het onverwachte geluid ons verrast, als omdat wij vreezen, in de nabijheid daarvan, noch ons zelven noch anderen te zullen verstaan.—Maar ook al hadden wij willen voortgaan, wij zouden ’t niet hebben durven doen; want uit de werkplaats tegenover ons is plotseling iemand, die ons bespeurd had, voor den dag gesprongen, en hij legt den vinger op den mond en maakt terugwijzende gebaren, een en ander kennelijk om ons te doen begrijpen, dat wij noch naderen, noch geluid geven, noch ons zelfs verroeren mogen. Gehoorzaam aan dien wenk blijven wij dan ook staan, en wachten af tot het verbod moge zijn opgeheven. Doch niet zoo spoedig wordt aan dit verlangen voldaan: het bekende deuntje:

Wel mag ik u Laura vragen,

Wel mag ik u Laura vragen,

is afgespeeld en nog blijft van verre de terugwijzende hand opgeheven: wij arme bezoekers zien elkander verlegen en besluiteloos aan en onze oogen schijnen te vragen of wij ook het erf weer verlaten zullen en ons bezoek op een geschikter tijd hervatten; maartoch, een vriendelijk knikje van den man daar tegenover ons geeft ons weer moed; want wij maken er uit op, dat het oponthoud, ’t welk wij ons getroosten, maar tijdelijk zijn zal: en inderdaad, na nog eenige minuten verwijls gaat de deur der werkplaats weder open, en een nieuw personage treedt te voorschijn, wenkt den wachter, die buiten stond, weder binnen, en komt naar ons toe.

„Ah bonjourmijn ’eer,” zegt hij onder ’t naderen: „ikke pardon vraak voor u te ebbe late wakkete, ikke bezik was an te probeer die klokkespel en dan ikke onkaarne kestoor,vous comprenez?”

En wij treden bemoedigd voorwaarts en lichten den hoed af; want wij beseffen, dat de kloeke grijsaard, die tot ons spreekt, niemand is dan de beroemde klokkegieter, monsieur Hemoni zelf.

„Indien wij ongelegen komen...,” zoo luidt de afgebroken volzin, dien wij ’t beleefdheidshalve noodig achten hem toe te voegen, al ware ’t maar om hem welwillend jegens ons te stemmen.

„Oh! pas du tout,kom binne!” klinkt het, en, zijne uitnoodiging gevolg gevende, bevinden wij ons weldra binnen de ruime loods, die des eigenaars gieterij, werkplaats en magazijn bevat.

Het is ’t magazijn, of, zooals men gewoonlijk zegt, de winkel, die ’t eerst ons ontvangt: de winkel, hoog en omvangrijk, als vereischt wordt uit aanmerking van het getal en de grootte der voorwerpen, die er in bewaard worden. Het eerste, dat dan ook onze oogen trekt, zijn zes kolossale beelden van metaal: vier daarvan stellen even zoovele deugden voor, als: Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Matigheid en Wakkerheid; het vijfde den Vrede, het zesde een zwaar gebouwden, grofgespierden man, in de houding als torste hij een last, die echter onzichtbaar is.

„Ja,” zegt Hemoni, in antwoord op onzen vragenden blik, „dat zijne de beeld, die motte kom te staan op de nieuwe stattuis, boven defrontispice, foor en akketer, datte de werk van monsieur Artus Quellin.”

„Ja gewis,” merken wij aan, „die beelden zijn voortreffelijk en gemakkelijk te erkennen voor wat zij moeten voorstellen;—maar die man?.... wien moet hij verbeelden?”

„Die man?” herhaalt Hemoni, „dat isse den Atlas, die de emelbolle traak; maar de emelbolle is er nok niet op: ij zal nok lank kenoek ebbe deplaisirvan die te foel op sijne nekke; die emelbolle lekke in de werkplaasse: sij nok niet keëel klare. Soo aanstons wij sullen sien datte,comprenez-vous.—Maintenant,” gaat hij voort, terwijl hij wijst naar eene der talrijke klokken, die aan ’t gewelf hangen: „ier isse de klok voor de poorte, die sel koom te staan an de ende van de nieuwe strate, ofer de Eilike-Wek, nok eene eele end ferder dan de Eilike-Weks-poorte, en die sel iet de Leise poorte: en dan komme er nok twee poort, waarfoor ik bestel eb kekreek de klokken, namelik de Utrekkese poorte en de Weesseper poorte, allebei kroote mooie poorte,comprenez-vous?”

„Volkomen;—maar voor welk gebouw moet die klok dienen, met die keurig bewerkte beeldjes om den bovenrand?”

„Aha! die klok, en al die andere klok, die er bij staan, isse deklokkespel foor die kroote kerke à Rotterdamme,comprenez-vous?Sij eersstaak sal worde afke’aalt. Is eene eele werk kewees, te make alle die beeldjesen relief;—maar essegénéralementseer kepreese. Monsieur Artus Quellin, ij mij seide: „friente Emoni,” seide hij, „al adde ik selleve die beeldjes kemaak, ikke sou mij daar niet over skaam,” en de Bourguemestre van Rotterdamme, als ij ware ier, ij ook daarmee ware bijzonder kontent.”

„Wel! hij zou wel ongemakkelijk zijn, of weinig gevoel voor de kunst hebben, zoo ’t anders ware,” zeggen wij, terwijl wij in opgetogenheid het fraaie beeldwerk beschouwen, op die klokken aangebracht, en waar ’t slechts jammer van is, dat ze op eene plaats zullen komen te hangen, waar weinigen ze zoo op hun gemak kunnen zien, als wij nu doen.

„Gij hebt vele dergelijke klokken gemaakt, monsieur Hemoni?” vragen wij verder.

„Meer dan er ier sou kunnen ’ang, al wasse de winkel sesmale soo kroot,” is het antwoord, en nu verhaalt hij ons, hoe hij de kerken te Hoorn, Enkhuizen, Delft, Utrecht, Amersfoort, Leiden, Arnhem, Kampen, Groningen, Middelstum, Purmerend, Medemblik, den Briel, enz. van klokken heeft voorzien, en er hem nu nog voor de Groote Kerk te Hoorn en voor andere gebouwen meer besteld zijn.

„En wat was uw proefstuk hier te lande?” vragen wij: „gij zijt een Lotharinger, niet waar?”

„Van Levecourt kebore, ja welle! Mijn eerste werke wasse in ’t jaar 46, te Zutfen, waar ik met mijn broeder Pieter eb kekoot, die ses-en-twintik klok voor de Wijnuistoor, en in 47 die vijf-en-twintik klok voor die kerke van Saint Levin te Deventre. Maar toen eb ikke kedok, Amsterdamme is de rekte plaasse foor een artist, en ikke pen kekoom ier, waar mij deMagistratep afgestaan deze erf om daar te bouw mijne kieterij, en daar eb ik ook al mijn klok kekoot, en voor de Oude kerke dat speelewerk, van vijf-en-dertik klok, en daarvoor eb zij mij betaal ƒ 28,716: en nu sijn mij bestel die klok voor de nieuwe stattuis te kiet binnen ses maand; daar sullen aan kespendeer worden 27000 pond metaal. En as die sinjeurs nu eens wille koom in mijne werkplaas, sij sullen nok ander keurige dink sien.”

Wij geven gaarne aan de uitnoodiging gehoor en verlaten de loods, waar wij ons bevinden, voor eene tweede, die tot het bewerken en beproeven der gegoten voorwerpen dient, en vanwaar ons reeds een voor ’t gehoor min aangenaam krassend geluid van ijzer, dat geveild of afgeschraapt wordt, is te gemoet gekomen. Was het in den winkel eenzaam en stil, hier in de werkplaats heerscht bedrijvigheid en gewoel. Eene uit een aantal klokken, die van den zolder afhangen en de muziek hebben doen hooren, waarop wij straks vergast werden, is door de werklieden met kabels afgelaten en, met behulp van een kunstig uitgedacht werktuig, omgekeerd in een soort van ijzeren rasterwerk opgevangen en vastgezet. Iemand, die over den rand dier klok is heengebogen, en wiens bovenlijf ergeheel in verdwijnt, is bezig, daar die knarsende geluiden voort te brengen, die wij hoorden; terwijl een ander bij de tafel daarnevens staande, met een blad in de hand, vol aanteekeningen en figuren, die blijkbaar pas geschreven zijn—want de inkt is nog nat—den arbeid gadeslaat.

„Ah! monsieur Verbeek!” zegt Hemoni tot dezen laatste: „iere sijn sinjeurs, die mijne winkel en kieterij koom bekijk. Sij koom net van passe, om te zien oe wij probeer die klok.”

Wij groeten monsieur Verbeek, wiens naam als kunstenaar ons reeds bekend is uit de navolgende rijmen van den eerzamen Melchior Fokkens:

De kunst in d’ avond-stondt der werelt, nu gebooren,Doet met verwonderingh ’t Muzyck der klokken hooren,Ons ooren zijn verbaest, den ouden tijd verdwijnt,Vermits een grooter licht in ’t nieuwe ons verschijnt.Wie zou dit zoet geluydt der nieuw ghegoten klockenVan over hondert myl niet herwaerts konnen locken?Noyt was ons Amsterdam met sulck vermaeck geciert;Dit zoet gespeel door Straet en Boom en Burghwal zwiert.Laet varen Griecken Landt met zijn verzierde droomen,Parnassus groen geberght en noyt gevonde stroomen,Hier is een and’ren klanck, dat noyt de wijze Grieck’,Noch het beroemde Atheen, dat staegh om wijsheidt ziek,Zijn krachten leydt te kost, en mochten oyt gebeurenGheen volck, hoe woest het is, die dit niet goet zou keurenWanneer ons hier Verbeeck, door ’t klocken zoet gespeelEn ’t klinckende Muzyck ons hert en ooren streel:Wat ’s van Apollos harp, Orfeur kunstigh zinghen,’t Heeft uyt met dit gelaet en oud vermufte dingen:Wanneer men dit gheklanck in Amsterdam begluurt,Ons levenstijdt is kort, de kunst gestadigd duurt.

De kunst in d’ avond-stondt der werelt, nu gebooren,

Doet met verwonderingh ’t Muzyck der klokken hooren,

Ons ooren zijn verbaest, den ouden tijd verdwijnt,

Vermits een grooter licht in ’t nieuwe ons verschijnt.

Wie zou dit zoet geluydt der nieuw ghegoten klocken

Van over hondert myl niet herwaerts konnen locken?

Noyt was ons Amsterdam met sulck vermaeck geciert;

Dit zoet gespeel door Straet en Boom en Burghwal zwiert.

Laet varen Griecken Landt met zijn verzierde droomen,

Parnassus groen geberght en noyt gevonde stroomen,

Hier is een and’ren klanck, dat noyt de wijze Grieck’,

Noch het beroemde Atheen, dat staegh om wijsheidt ziek,

Zijn krachten leydt te kost, en mochten oyt gebeuren

Gheen volck, hoe woest het is, die dit niet goet zou keuren

Wanneer ons hier Verbeeck, door ’t klocken zoet gespeel

En ’t klinckende Muzyck ons hert en ooren streel:

Wat ’s van Apollos harp, Orfeur kunstigh zinghen,

’t Heeft uyt met dit gelaet en oud vermufte dingen:

Wanneer men dit gheklanck in Amsterdam begluurt,

Ons levenstijdt is kort, de kunst gestadigd duurt.

Die regels zijn zeker niet fraai: zij laten, wat stijl, taal en maat betreft, vrij wat te wenschen over; maar zij kunnen als een staaltje dienen van de ingenomenheid, die de Amsterdammers hebben met hun klokkenspel, en met den bekwamen kunstenaar, die ze zoo tot aller voldoening weet te bespelen. Inderdaad ontlokt Verbeek, niet enkel geleid door zijn juist gehoor, maar ook door onmiskenbaar kunstgevoel gedreven, aan het klokkenspel nog schooner akkoorden dan zelfs den vervaardiger mogelijk was toegeschenen. Gaarne neemt dan ook Hemoni zijn raad in bij den arbeid, en gaarne staat hij Hemoni met dien raad ter zijde.

De meester voert ons thans de werkplaats rond, waar t’ elker zijde zijne handlangers en leerlingen zich kwijten, ieder van zijne verschillende taak. Hier ziet men er aan ’t schoonmaken, schuren, polijsten, vernissen van klokken en andere gegoten voorwerpen; daar is men bezig aan ’t uitbeitelen van letters, cijfers, beeld- ofloofwerk of andere sieraden, die er op moeten prijken: wat verder is de een bezig met ingewikkelde berekeningen, en de ander met het uitwerken op grooter schaal van geteekende schetsen van verschillenden aard, door Hemoni ontworpen. Wij zien en verwonderen ons over al het fraaie, dat ons getoond wordt, maar wat in bijzondere mate onze opgetogenheid wekt, is eene sfeer van koper, waarop eene bedreven hand de geheele oppervlakte des aardbols met de graveernaald schetst, naar het voorbeeld van eene houten sfeer, uit den winkel van den grooten aardrijkskundige Blaeu. Het is de bol, waar Hemoni zoo straks van gewaagde, die op de schouders van het Atlasbeeld, dat wij in den winkel zagen, zal komen te rusten.

Maar terwijl wij nog staren op dit meesterstuk, daar houdt eindelijk het gekras binnen de omgekeerde klok op en duikt daaruit de bekwame werkman op, die het had voortgebracht. Aan zijne jaren en aan de onderlinge gelijkenis herkennen wij Pieter Hemoni, den broeder van François. Hij legt den beitel neder, waarmede hij een werk verricht heeft, dat aan geene onervaren handen mocht worden toevertrouwd: de klok wordt weder met de opening naar beneden gewenteld, en opgehaald, doch slechts op twee derden eener manshoogte van den grond, zoodat de beide broeders en Verbeek er hunne hoofden in kunnen steken, om het verrichte in oogenschouw te nemen. Monsieur François is tevreden, althans hij geeft een goedkeurenden knik; maar Verbeek wil nog nadere overtuiging: hij tilt een zwaren hamer op en slaat daarmede tegen de klok, die terstond een zilveren klank laat hooren.

„Ik geloof dat wij het nu meester zijn,” zegt hij, „en dat niets het volmaakt akkoord meer storen zal. Haal nu maar op; dan kunnen wij ’t nog eens beproeven.”

„Silence!”roept Hemoni, terwijl de klok naar boven gaat; en plotseling zwijgt elk geluid in de werkplaats: al de aanwezigen—ook wij—houden den adem in: Hemoni en Verbeek staan in gespannen aandacht, met een blad papier in de eene en eene pen in de andere hand, gereed, elke valsche noot, elk min juist akkoord, elk gebrek aan overeenstemming op te teekenen; en het klokkenspel begint opnieuw. Maar thans ruischen de melodieën zuiver als kristal, en alleen aan de nabijheid, waarin wij geplaatst zijn, is het te wijten, zoo zij op ons niet die aangename uitwerking doen, welke zij eens uit de hoogere verblijfplaats, voor welke het klokkenspel bestemd is, in de ooren van marktbezoeker en wandelaar weerklinken zullen.

„Bravo! bravo!” roepen wij, zoodra de muziek ophoudt: „hoe kan ’t zijn, dat zulke zware instrumenten zulk eene liefelijke samenstemming van tonen kunnen teweegbrengen!”

„Ja,” zegt Verbeek, terwijl zijn gelaat van welgevallen schittert bij ’t ophalen der verdiensten zijns vriends: „dat had niemand kunnen denken, voordat onze meester hier de kunst uitvond. Tot op zijn tijd hing het treffen van den juisten toon van een tal berekeningen af, die, wanneer zij ongelukkig faalden, het geheele werkdeden mislukken. Dan moest er weer opnieuw gevormd, en opnieuw gegoten worden, totdat men eindelijk een gunstiger uitkomst verkregen had; maar dan mocht het eer toeval heeten dan kunst: en de meeste klokkenspelen lieten nog veel te wenschen over. Maar onze meester François kwam het eerst op het wijze denkbeeld om de zwaarte van het gietwerk iets ruimer te nemen, en ook den toon wat hooger dan te voren, en dan de klokken met stalen beitelwerk uit te draaien, tot zij op den juisten toon waren gebracht en alle volstrekt samenstemden. Dat stemmen nu wordt, zooals de heerschappen gezien hebben, altijd zoo nauwlettend verricht, dat niemand bij ’t geluid mag spreken en wij onze aanmerkingen schriftelijk opteekenen, om ze elkander eerst mede te deelen als het spel heeft opgehouden. Ja hij heeft het zoover gebracht, dat het gewone klokkeluiden, dat elders spoedig verveelt, hier te Amsterdam iets welluidends heeft. Immers er zijn vier groote klokken van hem, waar men mee luidt, van welke de kleinste en de grootste, of de hoogste en de laagste, net een octaaf verschillen en de twee middelsten op een quint of tertie tusschen beide gaan, zoodat, ’t zij men ze alle vier, of er maar twee of drie van luidt, zij altijd een geluid geven dat muzikaal accordeert.”

„Ja,” zegt Pieter Hemoni, met een vroolijken glimlach: „sij lank soek’, eer sij tekenwoordik op de wereld eene stad vind’, soo voorzien van kunstikke klok’ als Amsterredamme.”

„Bah!” zegt François: „watte isse er, dat bij Amsterredamme is te verkelijk? Waar finde men erkens eene smid, asse meester Wouter Geurtsgen, die soo excelleer in ’t smeeden van ijzeren traliën met loofewerke en krullen, soo net met den ’amere kemaak, dat men niet zou kunnen et soo keurig maak in de kieterij? Nu, ij dan ook lever sijn werk aan den konink van Sweden en andere uit’eemsche prinsen. En waar vinde men kastemakere, die zoo kunstik inlekwerk weten te maak, dat door de eele wereld kezok wor? En waar mozaïsten als meester Dirk Van Rijssewijk? ’t Mot alles van ier koom, waar de foorname liede te Londre of Paris unne saal en pronkkamer mee versier, en anders is ’t niet koet.”

En nu brengen wij, op ’s mans voorstel, een bezoek aan de gieterij. Wij zullen er niet anders van zeggen, dan dat, had Schiller anderhalve eeuw vroeger geleefd, men zou hebben kunnen denken, dat hij hier de inspiratiën geput had, die hem zijn heerlijk „Lied van de klok” deden schrijven, en dat wij versteld staan, wij, die ’t gebruik der stoomwerktuigen kennen, hoe, zonder hun hulp, en met de middelen, die hem ten dienste stonden, Hemoni, in betrekkelijk korten tijd, zoo ontelbaar vele meesterstukken uit zijne gieterij heeft kunnen afleveren.

Bij het keeren van daar, en voordat wij afscheid nemen van onze heusche kunstenaars, wijst Pieter Hemoni ons nog, in een hoek van de werkplaats, die tot kantoor gebezigd wordt, boven den schrijflessenaar een vers, in plano gedrukt en in een koperen lijst gevat, en van den volgenden inhoud:

Op hetKlokmusykt’ Amsterdam.Nec mortate sonans.Laet al d’ oude Grieken zwijgen,Stoffende, zoo trots en fier,Van Amfions goude lier,Op wiens klank de vesten stijgen,Bacchus zijn geboortestadt52Van den hemel zagh bescheenen,Daer zoo veel vertrooide steenenZich verhieven uit het plat,Op de maat van snaer en zanger,Wij verwondren ons niet langer.Droom en kluchten gaven stofAen de lichtgelovende ouden,Die gedroomde steden bouden,Dat versieren ging te grof.Grieken, dartel in zijn vonden,Zoekt uit duisternisse licht,Diende zich van ydel dicht,Aan geen schijn van reên gebonden,Toen het geestigh logens goot,En zijn verf niet eens verschoot.Wij, verlicht door ryper klaerheit,Mogen spreecken, rijck van roem,Zonder dat men ’t werck verbloem’,In der daedt, en in der waarheit:Gysbrechts stad wordt rontom heen,Op muzyk van torenklokkenMet een steenen muur omtrokken,Wordt gekloncken hecht aan een,WijlVerbeekmet voet en vingerenKlancken weet daaraan te slingren.Hij verdooft met klokgeluitD’ allereêlste kerkkooraelen,Speelt met klokken, als cymbaelen,’s Hemels kooren kycken uit,Op de heele en halleve uuren,En de vierendeelen mee,Steeckt de Koningin der zee’t Hooft nu trotser uit haer muuren,Gort haer vruchtbren schepetuinMet een gordel van arduin.Ik verhef mijn toon in ’t zingenAen den Aemstel en het Y,Op den geest vanHemony.D’ eeuwige eer van Loteringen,Die ’t gehoor verlekkren konOp zijn klokspijs, en zijn nooten,Ons zoo kunstrijk toegegoten.’t Lust ons op de klokketoon,Ons doorluchte torentranssen,Eenen klokkedans te danssen.Cybelé behaelt geen prijsDoor geschal van keteltrommen,Nu de torentransen brommenMet een liefelijker wijs,Dan haer dolle Korijbanten.Geen of een alleen vermaghOm te voeren nacht en daghEenen rey van musikanten.Voert dien klokhelt op ’t altaer,Eens gezien in duizent jaer.MDCLXI.J. v. d. Vondel.

Laet al d’ oude Grieken zwijgen,Stoffende, zoo trots en fier,Van Amfions goude lier,Op wiens klank de vesten stijgen,Bacchus zijn geboortestadt52Van den hemel zagh bescheenen,Daer zoo veel vertrooide steenenZich verhieven uit het plat,Op de maat van snaer en zanger,Wij verwondren ons niet langer.

Laet al d’ oude Grieken zwijgen,

Stoffende, zoo trots en fier,

Van Amfions goude lier,

Op wiens klank de vesten stijgen,

Bacchus zijn geboortestadt52

Van den hemel zagh bescheenen,

Daer zoo veel vertrooide steenen

Zich verhieven uit het plat,

Op de maat van snaer en zanger,

Wij verwondren ons niet langer.

Droom en kluchten gaven stofAen de lichtgelovende ouden,Die gedroomde steden bouden,Dat versieren ging te grof.Grieken, dartel in zijn vonden,Zoekt uit duisternisse licht,Diende zich van ydel dicht,Aan geen schijn van reên gebonden,Toen het geestigh logens goot,En zijn verf niet eens verschoot.

Droom en kluchten gaven stof

Aen de lichtgelovende ouden,

Die gedroomde steden bouden,

Dat versieren ging te grof.

Grieken, dartel in zijn vonden,

Zoekt uit duisternisse licht,

Diende zich van ydel dicht,

Aan geen schijn van reên gebonden,

Toen het geestigh logens goot,

En zijn verf niet eens verschoot.

Wij, verlicht door ryper klaerheit,Mogen spreecken, rijck van roem,Zonder dat men ’t werck verbloem’,In der daedt, en in der waarheit:Gysbrechts stad wordt rontom heen,Op muzyk van torenklokkenMet een steenen muur omtrokken,Wordt gekloncken hecht aan een,WijlVerbeekmet voet en vingerenKlancken weet daaraan te slingren.

Wij, verlicht door ryper klaerheit,

Mogen spreecken, rijck van roem,

Zonder dat men ’t werck verbloem’,

In der daedt, en in der waarheit:

Gysbrechts stad wordt rontom heen,

Op muzyk van torenklokken

Met een steenen muur omtrokken,

Wordt gekloncken hecht aan een,

WijlVerbeekmet voet en vingeren

Klancken weet daaraan te slingren.

Hij verdooft met klokgeluitD’ allereêlste kerkkooraelen,Speelt met klokken, als cymbaelen,’s Hemels kooren kycken uit,Op de heele en halleve uuren,En de vierendeelen mee,Steeckt de Koningin der zee’t Hooft nu trotser uit haer muuren,Gort haer vruchtbren schepetuinMet een gordel van arduin.

Hij verdooft met klokgeluit

D’ allereêlste kerkkooraelen,

Speelt met klokken, als cymbaelen,

’s Hemels kooren kycken uit,

Op de heele en halleve uuren,

En de vierendeelen mee,

Steeckt de Koningin der zee

’t Hooft nu trotser uit haer muuren,

Gort haer vruchtbren schepetuin

Met een gordel van arduin.

Ik verhef mijn toon in ’t zingenAen den Aemstel en het Y,Op den geest vanHemony.D’ eeuwige eer van Loteringen,Die ’t gehoor verlekkren konOp zijn klokspijs, en zijn nooten,Ons zoo kunstrijk toegegoten.’t Lust ons op de klokketoon,Ons doorluchte torentranssen,Eenen klokkedans te danssen.

Ik verhef mijn toon in ’t zingen

Aen den Aemstel en het Y,

Op den geest vanHemony.

D’ eeuwige eer van Loteringen,

Die ’t gehoor verlekkren kon

Op zijn klokspijs, en zijn nooten,

Ons zoo kunstrijk toegegoten.

’t Lust ons op de klokketoon,

Ons doorluchte torentranssen,

Eenen klokkedans te danssen.

Cybelé behaelt geen prijsDoor geschal van keteltrommen,Nu de torentransen brommenMet een liefelijker wijs,Dan haer dolle Korijbanten.Geen of een alleen vermaghOm te voeren nacht en daghEenen rey van musikanten.Voert dien klokhelt op ’t altaer,Eens gezien in duizent jaer.

Cybelé behaelt geen prijs

Door geschal van keteltrommen,

Nu de torentransen brommen

Met een liefelijker wijs,

Dan haer dolle Korijbanten.

Geen of een alleen vermagh

Om te voeren nacht en dagh

Eenen rey van musikanten.

Voert dien klokhelt op ’t altaer,

Eens gezien in duizent jaer.

MDCLXI.J. v. d. Vondel.

MDCLXI.

J. v. d. Vondel.

In de paarlemoeren Schelp.Wij hebben de woning van Hemoni verlaten en, onzen weg langs de Keizersgracht vervolgende, zien wij uit de Wolvestraat drie heeren komen, wier deftig voorkomen en sierlijke kleedij ons doen vermoeden, dat zij tot den aanzienlijksten stand behooren. Zij spreken een uitheemsche taal, maar toch meenen wij, aan de wijze waarop zulks door twee hunner geschiedt, zoowel als aan hunne gelaatskleur, houding en manieren, stadgenooten te herkennen. Alleen de derde, die, op de eereplaats, in ’t midden gaat, is blijkbaar een vreemdeling. De kwistige overvloed van bonte pluimen, die rondom den bol van zijn hoed golven, de zwier, waarmede de oranjekleurige, met goud gestikte mantel van den linkerschouder afhangt, de gouden ketens, die zich kruisen onder en over de slippen van eene das, uit het fijnste kantwerk vervaardigd, de omgekeerde piramide van veelkleurige linten, die ’t onderlijf bedekt, debreede kanten, die over de omgeslagen randen neervallen der laarzen, met gouden sporen voorzien, die weelderige opschik in één woord, en daarbij die gele, doorschijnende tint van het gelaat, die blinkende raafzwarte vlechten, die in natuurlijke krullen tot ver over de schouders heen dartelen, die levendige, als sterren vonkelende oogen, en die welluidende uitspraak van de liefelijkste aller talen, stellen het buiten allen twijfel dat wij hier een Italiaan voor ons uit zien gaan, en wel, dat wij delingua romana in bocca toscanahooren spreken.En zoo is het ook. Die vreemdeling, die op de plaats van eere gaat, is niet slechts een Toskaner, maar een Florentijner, en niet slechts een Florentijner, maar een zoon uit het doorluchte Huis van Medicis, die de groote wereldstad bezoeken en kennis komt maken met de rijkdommen en merkwaardigheden, waardoor zij zich op dit tijdstip—wij tellen nu 1667—boven alle andere van Europa onderscheidt. De Medicis, dien wij daar voor ons zien, is Kosmo III, zoon van den Groothertog Fernando, en de heeren, die aan weerszijden van hem wandelen, zijn—de Burgemeester Andries De Graeff, die van de reizen, welke hij, op ’t voorbeeld der meeste jongelieden van goeden huize, in de dagen zijner jeugd naar Frankrijk en Italië deed, zooveel van de taal van Petrarca onthouden heeft, dat hij zich nog verstaanbaar daarin kan uitdrukken—en de Heer Albertus Benzi, de voorname Amsterdamsche koopman, die, Italiaan van afkomst, groote zaken doet met zijne stamgenooten, de belangen van de Medicissen en andere doorluchte Florentijnsche geslachten te Amsterdam waarneemt, en thans den Prins tot gids en tolk verstrekt. Wij bemerken nu, dat de vijf of zes andere heeren, die de reeds genoemde op korten afstand volgen, tot hun gezelschap behooren. Twee daarvan zijn edellieden van ’s Prinsen gevolg, de overige zijn jeugdige leden van Amsterdamsche Regeeringsfamiliën, den doorluchtigen bezoeker als eene soort van eerewacht toegevoegd.Wij zijn toch nieuwsgierig te weten, wat de Prins en zijne geleiders elkander alzoo te vertellen hebben, en, gebruik makende van ons voorrecht, om alles te hooren en te zien, zonder zelven opgemerkt te worden, voegen wij ons bij hen.„Ik betuig uwe Edelheid,” zegt Kosmo, terwijl hij even stilstaat, om het vergezicht gade te slaan, dat hem van de brug af, waar hij zich op bevindt, rechts en links wordt aangeboden, en zich te verlustigen in het bont gewoel der talrijke schaatsenrijders, die hier op en af langs de baan zwieren, „bij al de wonderen, waarvan ik reeds ooggetuige geweest ben in deze uwe stad, niet te begrijpen, hoe er nog iets zou kunnen zijn, dat mij verwondering baarde.”„Uwe Doorluchtigheid is te welwillend,” zegt De Graeff: „wat is Amsterdam toch, in vergelijking met Florence, Venetië, Genua, en het eenige Rome? Wij zijn er hier al grootsch op, als wij eenig marmer binnen onze nederige woningen hebben, terwijl ten uwent geheele paleizen uit marmer rijzen.”„En ziedaar juist wat mij met verbazing slaat,” hervat Kosmo:„dat gij, een land bewonende, dat noch marmer, noch steen, noch timmerhout oplevert, toch eene stad als deze op palen hebt weten te stichten, en op die palen huizen gezet, in een bouwtrant, die, van den onzen verschillende, minder statig en grootsch, maar tevens minder eentonig, en oneindig vroolijker, bevalliger en netter is, en die huizen van binnen hebt weten te stoffeeren, niet enkel met het kostelijkste marmer, maar ook met pracht van tapijten, gordijnen, behangsels en meubelen, zoo kunstig en prachtvol als waarvan men bij ons in de verste verte geen denkbeeld heeft. Gij moet dan gruwzaam rijk zijn, gij Heeren Amsterdammers.”„Ik weet niet,” verstout Benzi zich op te merken, „of uwe Doorluchtigheid hier wel te recht den tegenwoordigen tijd van ’t werkwoord bracht. Die laatste Engelsche oorlog heeft ons vrij wat achteruitgezet.”„Men kan ’t niet merken,” zegt de Prins, lachende: „en dan,” vervolgt hij: „wat al kunstenaren in alle vakken! Gij hebt schilders, wier manier van de Italiaansche verschilt, doch die op hunne wijze met het penseel weten te tooveren en begoochelingen teweegbrengen, waardoor men de natuur zelve waant te aanschouwen: gij hebt bouwmeesters en beeldhouwers, zoogoed als zij ergens te vinden zijn: uw orgelspel overtreft al wat ik ooit gehoord heb; uwe schrijnwerkers, juweliers, goudsmeden en andere kunstenaars van dien stempel zijn de voortreffelijksten, die men vinden kan: uwe drukkerijen zijn de beste van Europa; in elk ambacht levert gij de meest gezochte stukken werks:—ja ik zou niet weten in welk vak eenige stad u den prijs kon afwinnen.”„Indien het mij geoorloofd is, dit te zeggen,” merkt ’s Prinsen Hofmeester, Signor Filippo de Neri, aan, die, met de overige heeren de brug opgekomen zijnde, de uitboezeming van den Prins gehoord heeft: „dan zou ik willen doen opmerken, dat Amsterdam geene mozaïsten bezit, gelijk Florence die bij menigte telt.”„Om in ’t mozaïek te werken,” zegt Kosmo, de schouders ophalende, „moet men de onderscheidene soorten van marmer en gesteenten, die men behoeft, maar voor ’t grabbelen om zich heen vinden, en hoe zou een kunstenaar daar te Amsterdam aan geraken?”„’t Is zooals Z. Doorluchtigheid te recht aanmerkt,” zegt meesmuilende Benzi: „de materialen ontbreken hier:—intusschen, Signor Filippo heeft nog nietallesgezien, wat er in Amsterdam te zien valt.”„Neen, waarschijnlijk niet,” zegt Kosmo: „doch waar gaan wij nu eigenlijk heen?”„Naar een winkel in de straat hier recht tegenover ons, zoo ’t Uwe Doorluchtigheid goeddunkt,” zegt De Graeff.„Ik volg blindelings het geleide van Uwe Edelheid,” antwoordt Kosmo: „als wel wetende dat ik dan onmisbaar goed te recht kom.”En wederom zet zich het gezelschap in beweging. ’t Werd ook tijd; want de voorbijgangers, nieuwsgierig als de Amsterdammers van oudsher geweest zijn, en wel steeds zullen blijven, hebben zich langzamerhand om het gezelschap heenverzameld en staan den„vreemden Prins” reeds op eene vrij onbescheiden wijze aan te gapen. Doch de wandeling, die men te doen heeft, is niet groot, en men is spoedig van ’t lastige bekijk verlost; halverwegen de Beerestraat vertoont zich een gewoon burgerhuis, dat zich in niets van de overige onderscheidt, dan door de kolossale gekleurde schelp, die, bij wijze van uithangbord, boven de luifel uitsteekt. Het is deze woning, welke de Burgemeester zijn voornamen gast verzoekt binnen te treden, en, gevolgd van het geheele gezelschap, begeven zij zich, door de openstaande voordeur en het donkere voorhuis, naar eene ruime, goed verlichte achterkamer, die tot werkplaats dient, en waar zich, op dat tijdstip, drie personen bevinden. Van die drie is er een, die blijkbaar de bewoner van het huis is, achter eene tafel gezeten, op welke het blad eener andere tafel gelegen is. De man is reeds van gevorderden leeftijd: hij draagt eene kalot op het hoofd, en een knijpbril op den neus, en is bezig, uit platgemaakte schelpen, waarmede verschillende houten bakken naast hem gevuld zijn, de zoodanige te kiezen als hem dienstig zijn voor zijnen arbeid. Wat de knaap, die zich achter hem bevindt, uitvoert, is moeielijk te zeggen; want, reeds op het eerste gerucht van aankomende bezoekers, heeft hij een kleed geworpen over de tafel, bij welke hij aan ’t werk is. De derde persoon, die zich in de werkplaats bevindt, is een bejaard man in eenvoudige burgerkleeding, die bij het binnentreden des Burgemeesters terstond is opgerezen van de houten schabel, waarop hij gezeten was, en zich bescheiden in een donkeren hoek van de kamer terugtrekt. Ook de heer des huizes is, zoodra hij, van zijn arbeid opkijkende, de qualiteit der bezoekers heeft bespeurd, opgestaan, om hen te begroeten en hunne bevelen af te wachten.„Gij houdt het mij ten goede, meester Dirck,” zegt De Graeff, „dat ik u hier den Prins van Toskane breng, die wel zien mag, dat men ook elders dan in Florence tafels weet in te leggen naar de wijze der mozaïsten.”„’t Zal mij veel eer zijn,” antwoordt meester Dirck, „en,” voegt hij er met eene niet ongepaste zelfverheffing bij, „hij zal de eerste groote sinjeur niet geweest zijn, die zich overtuigd heeft, dat de Amsterdammers ook nog wat kunnen uitvoeren.”Kosmo heeft van deze woordenwisseling natuurlijk niets verstaan; doch hij heeft er ook geene moeite toe gedaan; zijne aandacht is, reeds van ’t eerste oogenblik, aangetrokken geweest door het kunstwerk, dat hij voor zich ziet en geheel verdiept in de beschouwing van dat ronde blad van toetssteen, waarop, binnen een half voltooid randwerk van loofwerk, bloemen en vruchten, eene vaas is afgebeeld, mede gevuld met gebloemte van alle soort, rondom hetwelk bontkleurige kapellen, juffers, bijen, gouden torren en andere gevleugelde insecten vliegen, en dat alles, in plaats van met verven, met paarlemoer afgebeeld, zoo kunstig en natuurlijk, dat gij elk diertje, elk blad, elke bloem of vrucht als in leven waant voor u te zien.De Prins heeft een tijdlang in zwijgende verbazing de oogen opdat blad gevestigd gehouden; maar nu richt hij ze op naar den kunstenaar, en, terwijl zijn gelaat de minzaamste uitdrukking aanneemt, geeft hij hem door blik en gebaren de opgetogenheid te kennen, die het aanschouwen van dit meesterstuk bij hem heeft verwekt.„Het is gelukkig,” zegt hij vervolgens, zich tot Filippo de Neri wendende, „dat gij met den Heer Benzi geene weddenschap hebt aangegaan over het al of niet bestaan van mozaïsten te Amsterdam: gij ziet nu, dat ook in dezen opzichte, Amsterdam niets aan Florence te benijden heeft.”„’t Is er mede als met de schilderijen, Uw Doorluchtigheid,” zegt de Neri, die zich niet als verwonnen wil beschouwen: „de manier van werken tusschen onze en de Hollandsche meesters is verschillend; maar elke heeft hare eigene verdiensten.”„En is dit alles uit louter paarlemoer vervaardigd?” vraagt Kosmo.De kunstenaar, aan wien De Graeff de vraag heeft overgebracht, vergenoegt zich, tot antwoord, aan den Prins de bakken voor te houden, waar de materialen zich in bevinden, die hij tot zijn arbeid gebruikt. Die bakken bevatten een aantal dunne, platte schijfjes en schilfers, elk van eene verschillende kleurschakeering, van donkerbruin tot zilverwit.„En hoe weet gij nu die deelen, waar de ruwe, holle schelp uit is samengesteld, dus van elkander te scheiden en plat te slaan, zoodat zij tot het gebruik kunnen dienen, waarvoor gij ze bestemt?” vraagt Kosmo.„Indien ik hem dat vertelde,” zegt Meester Dirck, op het vernemen der vraag, en terwijl hij met een ondeugenden glimlach naar de overdekte werktafel achter hem omziet, „dan zouden zij het te Florence ook spoedig weten.”„Onze brave kunstenaar heeft geene te hooge gedachten van mijne bescheidenheid,” zegt lachende Kosmo, nadat hem het antwoord van meester Dirck is overgebracht: „en toch, ik kan hem geen ongelijk geven.—Met dat al, ’t is niet het werktuiglijke van zijne kunst, dat hier ’t meest in aanmerking komt: ’t is het scheppend genie, dat bij den arbeid heeft voorgezeten, dat die bloemen en dat loofwerk van den rand zoo los en bevallig dooreen heeft weten te slingeren, dat bij het samenstellen van den ruiker in die vaas eene zoo verwonderlijke schikking heeft weten in acht te nemen, waardoor elke bloem en bloemstengel evenzeer uitkomt, en er toch niets is, dat rammelt of aan de werking van het geheel schade doet. Voorwaar, die man is, als teekenaar, als schilder, grooter nog dan als kunstwerker, en wel waardig dat de dichters zijn lof bezingen.”„En dat hebben zij ook gedaan,” zegt Benzi: „ginder,” vervolgt hij, op den man wijzende, die bij de komst van ’t gezelschap zich in een hoek der werkplaats begeven had, en daar in eerbiedige houding is blijven staan: „ginder staat onze puikdichter, die reeds meer dan een halve eeuw alles bezongen heeft wat Amsterdam goeds en grootsch opleverde en ook meester Dirck Van Rijswijk niet heeft vergeten.”Kosmo wendt den blik naar den persoon, die hem wordt aangewezen, en beschouwt met aandacht die flinke gestalte, dat wakker en open gelaat, dat breede voorhoofd, en dat oog, waaraan het wicht van tachtig, vaak kommervolle jaren, niets van zijn gloed ontnomen heeft.„Men kan het dien man aanzien, dat hij een dichter is,” zegt hij tegen De Graeff.„Hij wordt voor den besten gehouden, dien wij hebben,” zegt de Burgemeester: „jammer maar, dat zijne financiën in geen beteren staat zijn: de poëzie moge eene schoone zaak zijn, zij geeft geen brood.”Vondel had in vroegere dagen ook een weinig aan ’t Italiaansch gedaan: hij heeft er genoeg van onthouden, om de woorden te verstaan, door De Graeff gesproken, en een smartelijke glimlach zweeft om zijn mond. Kosmo heeft dien opgemerkt, en hij wil een pleister op de wond leggen, die hij gevoelt dat den dichter geslagen is.„De poëzie geeft meer,” zegt hij: „zij geeft de onsterfelijkheid niet alleen aan den zanger, maar ook aan hen, die hij tot stof zijner zangen kiest.”„Verstaat gij, sinjeur Vondel! wat zijne Doorluchtigheid zegt?” vraagt De Graeff, op een half spottenden toon, aan den dichter: „hij zegt, dat gij mij onsterfelijk gemaakt hebt; want ik behoor tot dezulken, op wie gij rijmen gemaakt hebt.”„Ik heb het verstaan,” antwoordt de grijsaard, terwijl hij met een vriendelijken blik en eene nederige hoofdbuiging den Prins voor zijne heuschheid dankt: „intusschen,” vervolgt hij, zich weer naar De Graeff richtende, „heeft Uwe Edelachtbaarheid wel gezorgd, dat haar naam vereeuwigd blijft, zonder dat ik daar iets aan kan toe of afdoen.”„Gij verstaat dan ook Italiaansch?” vraagt Kosmo, met jeugdige drift, om de tafel heen, naar Vondel toeloopende.Vondel maakt eene diepe buiging; terwijl hij bij zich zelven zich beklaagt, niet machtig te zijn in dezelfde taal, waarin hij wordt toegesproken, behoorlijk te antwoorden; doch zijne tegenwoordigheid van geest redt hem uit de verlegenheid en, het Latijn te baat nemende, betuigt hij aan den Prins zijn leedwezen, dat onkunde en ongewoonte hem verhinderen, zich van den schoonen tongval te bedienen, waarin Petrarca en Guarini hadden gedicht.„Maar gij kent hen toch,” zegt Kosmo, zich mede van de Latijnsche taal bedienende: „en Tasso, hebt gij hem gelezen?”„Eene mijner dierbaarste vriendinnen53, nu helaas! mij sedert lang ontvallen, heeft,” antwoordt Vondel, „zijn meesterstuk in ons Neerduitsch overgebracht: zij placht mij haar vertrouwen te schenken en zoo nam zij mijn raad daarbij in: en de uren, door mij besteed, om haren arbeid na te zien en met het oorspronkelijke te vergelijken, reken ik onder de zoetste van mijn leven.”„De vriendin, waar ge van spreekt,” zegt Kosmo, „bewees eene vrouw van smaak en oordeel te zijn: van smaak, dat zij het „verlost Jeruzalem” op prijs stelde, van oordeel, dat zij den raad innam van een zoo voortreffelijk dichter, als waarvoor gij, naar ik hoor, bekend staat. Uw naam is....”„Justus Vondelius, Uwe Doorluchtigheid.”„Het spijt mij nu dubbel, uwe taal niet te verstaan; want daardoor is mij het genot ontzegd, uwe schoone zangen te lezen. Gij hebt, hoor ik, ook de wondere gewrochten van gindschen kunstenaar bezongen.”„Ik heb twee van zijne tafels bezongen,” antwoordt Vondel, „de eene, niet ongelijk aan degene, waar meester Dirck thans aan bezig is, en die tot een geschenk moest strekken aan wijlen den Directeur-Generaal Hulft; de andere van meer omvang, en het feestmaal der Goden voorstellende.”„Die tienduizend gulden heeft gegolden,” voegt Benzi er bij.„Tienduizend gulden!” herhaalt de Prins: „maar dat is een rantsoen voor een Vorst; en ik zal mijne kas wel aandachtig mogen raadplegen, eer ik mij veroorloof, hier eene bestelling te doen.—Nu, Signor Justus, gij zult mij verplichten, indien gij mij die beide gedichten wilt doen toekomen: ik zal ze hier ter stede door een bekwamen tolk in ’t Italiaansch laten overbrengen en ze als een gedachtenis medenemen.”En met eene minzame hoofdbuiging afscheid nemende van den dichter, begeeft hij zich weder naar de tafel en laat aan Meester Dirck vragen, of hij ook werkstukken heeft, die voltooid en te koop zijn. Rijswijck geeft hierop een wenk aan zijn dienaar, en deze, eene kast openende, haalt daar eenige schenkbladen en andere voorwerpen uit, van minderen omvang dan het kunststuk, dat nu onder handen is, doch, wat de bewerking aangaat, niet minder keurig en uitvoerig. Immers ook van deze kan men, met Vondel, zeggen:....Hier blinckt de schoone regenboogVan bloemen loofwerck en festoen,Uit root en blaeu en geel en groenEn gout gemengelt, in ons oogh........Hier geeft genoffel,54leli, roosGemengt uit onderscheiden kleur,Trots Indisch velt, een lucht en geur,Hier praelt robijn, saffier, turkoos.Hier blinckt de gout- en zilvermijn.Hier rijst de witte morgenstar.Zy voert den dagh af op haer karEn boodschapt ons den zonneschijn........Hier legt de schilder zijn paletEn rijck penceel uit zijne hant.De juwelier acht diamantNoch dier gesteente, in gout gezet.Dees kunst schept, uit een ruwe schulp,Gesteente, en tulpen, knoppen, blaênGestarnte, en licht, en zon, en maen.Zy neemt vernis noch verf te hulp.De schilderkunst verschiet haer verf,Gelijck de maaght haer frissche jeught,De tulpen zien haer waerde en vreughtVerwelckt of schrikken voor bederf.De rijp, de nevel en de mistVerstickt de tulp: een felle stormVerslijt haar leven, eer men ’t gist:De paerlemoerbloem, op haar steel,Volght d’ eeuwigheit in duurzaemheitEn blijft tot dat de werelt scheit,Waer bloeide ooit eêler bloempriëel!....of ook, op eene andere maat;....Hier weit het oogh in allerhande bloemen,De kunst verdooft de stof.....Stoft d’ Indiaan op d’ endeloze renteVan ’t vrolijck ooftsaizoen.Dat eeuwigh duert: het is hier eeuwigh lente.Geen kou verbijt dit groen.....Dees veltzwarm ziet den dischbeemt nooit verdorren.Het leeft er overalVan krekel, vliegh, wywouter, goude torren,En joffren zonder gal,De maenebloem, de starrebloemen lockenDie vlugge zielen uit.De morgenstar, de korenbloem, de kloekenOntluiken op ’t geluit.De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen,Die, als ’t kameleon,Met menigh slagh van verwen zijn behulpen,Bekooren zelf de zon,Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt,Gezegent met een luchtVan nagelpoêr55, in zoo veel kleurs gesprengelt,Het hart verquickt, als ’t zucht........Wat quist men tijt om ’t eeuwige bewegenTe heffen op het hooft!Dat uurwerck speelt en draait u eeuwigh tegenEn flikkert onverdooft.Dees zonnebloem volght met haar drijvende oogenDe zon, haar bruidegom.Zy lonckt haar aan, van zuivre min bewogenEn zoeckt zijn gunst alom.Wanneer haar lief zijn hooft en gouden luisterDes avondts onderhaelt,Dus leentze noch den zonneglans by duister,Hoe diep hy nederdaelt....„Welnu!” zegt eindelijk Kosmo, nadat hij eene der tentoongestelde voorwerpen heeft uitgekozen: „gij zult dit aan mijn logement doen bezorgen, Signor Van Rijswijck, en hier,” op Filippo de Neri wijzende, „is mijn schatmeester, die er den brenger de honderd dukaten voor uitbetalen zal, die gij er voor vraagt. Ik stel er mij een feest van voor, dit kunstwerk aan de mozaïsten in mijn vaderstad te wijzen: en hou u maar goed, Signor! als deze of gene onder hen hier komt en u de kunst poogt af te zien.”Het bezoek is afgeloopen en het hooge gezelschap heeft de werkplaats van Meester Dirck Van Rijswijck verlaten.„Een nobel Heer, die Prins van Medicis,” zegt Vondel, na hun vertrek, tegen zijn vriend den kunstenaar: „zie, onze groote Heeren hier zijn brave, eerbiedwaardige mannen, en toonen zich bij wijlen ook wakkere Mecenaten; maar toch ontbreekt hun iets, dat deze vreemdeling bezit.”„Wat dan?” vraagt meester Dirck, verwonderd.„Wat?—het echte kunstgevoel,” antwoordt Vondel, spijtig voor zich ziende.„Ei wat,” herneemt Rijswijck: „zij hebben toch mijn feestmaal der Goden met tienduizend gulden betaald.”„Ja, dat hebben zij,” zegt Vondel, peinzende, en het gevoel onderdrukkende, dat bij hem ontstaat op de vraag, die in weerwil van hem zelven bij hem oprijst, waarom of zijne verzen, die toch ook een kunstig gevlochten, en de eeuwigheid verdurenden krans vormen van bloemen, loofwerk en vruchten, of niet, of met eene aalmoes betaald worden: „dat hebben zij: maar zij hebben uw werk, zij hebben de schilderijen van Van der Helst of Stockade, en de beelden van Quellijn betaald, zooals zij ’t een kostelijk meubel, een pronkstuk in hun vertrek of voorportaal doen:—en zij achten in den grond noch uw kunstwerk, noch die schilderijen of beelden meer dan een nieuwmodisch behangsel of vloertapijt, dat veel geld kost: en zij kunnen er den hoogeren geest niet in herkennen, die u en die andere groote kunstenaars bezield heeft. Maar die Italiaan is in eene andere lucht gewonnen en gevoed: op dien bodem, die voorheen Maro’s en Flaccussen gekweekt heeft, waar de liefde tot de kunst eeuw in eeuw uit van de vaderen op hunne nazaten is overgegaan, en waar, nog heden, zoowel de Heilige Vader op ’t Vaticaan, als de nederigste landbouwer op ’t veld, de verzen van Virgilius en die van Tasso of Petrarca in den mond heeft en zich buigt voor de kunstgewrochten van Titiaan en Rafaël en Michel Angelo. Zie!—daar had ik moeten geboren zijn.”„Gij, vader Vondel!” zegt Rijswijck: „’t mocht wat: al zijt gijvan Keulen hierheen gedwaald, gij zijt en blijft toch een Amsterdammer in uw hart.”„Nu ja, dat is waar,” herneemt de grijsaard, wederom als tot zich zelven sprekende: „want het is te Amsterdam, dat ik geleefd en geleden, en schier al wat mij dierbaar is begraven heb.”„Wat mij betreft,” hervat Rijswijck, na een langdurig stilzwijgen van weerszijden: „ik verheug mij, dat ikhierwoon; want ik twijfel of ergens, behalve hier, mijne tafels zoo goeden aftrek zouden vinden tot den prijs, waar ik ze op gezet heb.”Den volgenden dag ontving Kosmo van Medicis het bestelde schenkblad; gelijk mede de verlangde gedichten; doch bij deze laatsten was de navolgende tweespraak gevoegd, die Vondel ter eere van ’s Prinsen verblijf te Amsterdam had vervaardigd:Amsterdam.Wat glori komt mijn hooft beschijnen,In ’t hartje van den wintertijt!Italiaen.De morgenstar der Florentijnen,Een eeuwige eer, uw kroon benijt.Amsterdam.Wat telgh is ’t? Uit wiens stam gesproten?Spreekt duitlijck Duitsch. Hoe luit die naem?Italiaen.De jonge Kosmo van den grooten,De waerelt kenbaer door zijn faem.Amsterdam.Een godtheit daelt, als uit de wolckenOm laegh in ’t vrye Nederlant.Italiaen.Onthaelt van zeven vrye volcken,Daar gy alleen de zeekroon spant.Amsterdam.Zoo zagh voorheen de groote moederDer koningen56mijn groote stadt.Italiaen.De moeder van den Franschen hoeder,Geheilight door het lelibladt.Amsterdam.Zy gaf Gaston, zijn broeder57, ’t leven,Nu schoonvaêr der Toskaensche spruit.Italiaen.En eert u noch in hare neven.Gy zeilt hun havens in en uit.Amsterdam.Fernandus zagh mijn bloedvlagh paelen,Toen ’t Britsch kasteel ten hemel voer;Italiaen.Dat uwen waterleeuw van GalenDen doot in ’s Hertoghs haven zwoer.Amsterdam.De zoon kan hier het graf aanschouwen,’t Welck ’s helts gebeent en naem bewaert;Italiaen.En daeden, op de zerk gehouwen.Zoo blijft de deught alom vermaert.Amsterdam.Dees prins ziet hier mijn schiltkroon proncken,Ten prijs van zijn voorvaders58stam.Italiaen.En keizers gifte uw trouw geschoncken,Zoo blinckt Florence te Amsterdam.Amsterdam.Mijn kapitool, bij zijn gebouwenGeleken, zal te pover staan.Italiaen.Ik zweer, ’t gezicht wil hem noit rouwen,Hat wijckt Sint Mark, noch Vatikaen.Amsterdam.Maer d’ Arno schenckt gezonder luchtenEn ooft, dan d’ Aemstel hem kan biên.Italiaen.Uw mastbosch draeght ook goude vruchten,Een bosch, van Princen waert bezien,Amsterdam.Prins Kosmo dreight den Griekschen rooverTe ketenen op Tunis strant.Italiaen.Scheept Putten59met uw krijghsvloot over,Zoo wordt die zeepest uitgebrant.Amsterdam.Dan keerenze met Kriste-slaven,En Smyrna ziet den handel vry.Italiaen.En d’ Aemstelheer onthaelt zijn bravenMet zeekortouwen langs het Y.Amsterdam.Dan brult de zeeleeuw van Venedigh,En Kandië schept verschen moedt.Italiaen.Hy wet zijn klaauwen eens zoo snedighEn Villa dempt al ’t helsch gebroet.Amsterdam.Dan krijgt Europe een nieuw gestalte,En ’t kruis braveert de Turksche maen.Italiaen.Gansch Barbarye schrikt voor Malte.Dat Asië en haar maght houdt staen.Amsterdam.Geene afgunst groey noch rijze tusschenDen Hertogh en ’s lants vrijen staet.Italiaen.De Batavier omhels HetrusschenZoo lang de zon te water gaet.

Wij hebben de woning van Hemoni verlaten en, onzen weg langs de Keizersgracht vervolgende, zien wij uit de Wolvestraat drie heeren komen, wier deftig voorkomen en sierlijke kleedij ons doen vermoeden, dat zij tot den aanzienlijksten stand behooren. Zij spreken een uitheemsche taal, maar toch meenen wij, aan de wijze waarop zulks door twee hunner geschiedt, zoowel als aan hunne gelaatskleur, houding en manieren, stadgenooten te herkennen. Alleen de derde, die, op de eereplaats, in ’t midden gaat, is blijkbaar een vreemdeling. De kwistige overvloed van bonte pluimen, die rondom den bol van zijn hoed golven, de zwier, waarmede de oranjekleurige, met goud gestikte mantel van den linkerschouder afhangt, de gouden ketens, die zich kruisen onder en over de slippen van eene das, uit het fijnste kantwerk vervaardigd, de omgekeerde piramide van veelkleurige linten, die ’t onderlijf bedekt, debreede kanten, die over de omgeslagen randen neervallen der laarzen, met gouden sporen voorzien, die weelderige opschik in één woord, en daarbij die gele, doorschijnende tint van het gelaat, die blinkende raafzwarte vlechten, die in natuurlijke krullen tot ver over de schouders heen dartelen, die levendige, als sterren vonkelende oogen, en die welluidende uitspraak van de liefelijkste aller talen, stellen het buiten allen twijfel dat wij hier een Italiaan voor ons uit zien gaan, en wel, dat wij delingua romana in bocca toscanahooren spreken.

En zoo is het ook. Die vreemdeling, die op de plaats van eere gaat, is niet slechts een Toskaner, maar een Florentijner, en niet slechts een Florentijner, maar een zoon uit het doorluchte Huis van Medicis, die de groote wereldstad bezoeken en kennis komt maken met de rijkdommen en merkwaardigheden, waardoor zij zich op dit tijdstip—wij tellen nu 1667—boven alle andere van Europa onderscheidt. De Medicis, dien wij daar voor ons zien, is Kosmo III, zoon van den Groothertog Fernando, en de heeren, die aan weerszijden van hem wandelen, zijn—de Burgemeester Andries De Graeff, die van de reizen, welke hij, op ’t voorbeeld der meeste jongelieden van goeden huize, in de dagen zijner jeugd naar Frankrijk en Italië deed, zooveel van de taal van Petrarca onthouden heeft, dat hij zich nog verstaanbaar daarin kan uitdrukken—en de Heer Albertus Benzi, de voorname Amsterdamsche koopman, die, Italiaan van afkomst, groote zaken doet met zijne stamgenooten, de belangen van de Medicissen en andere doorluchte Florentijnsche geslachten te Amsterdam waarneemt, en thans den Prins tot gids en tolk verstrekt. Wij bemerken nu, dat de vijf of zes andere heeren, die de reeds genoemde op korten afstand volgen, tot hun gezelschap behooren. Twee daarvan zijn edellieden van ’s Prinsen gevolg, de overige zijn jeugdige leden van Amsterdamsche Regeeringsfamiliën, den doorluchtigen bezoeker als eene soort van eerewacht toegevoegd.

Wij zijn toch nieuwsgierig te weten, wat de Prins en zijne geleiders elkander alzoo te vertellen hebben, en, gebruik makende van ons voorrecht, om alles te hooren en te zien, zonder zelven opgemerkt te worden, voegen wij ons bij hen.

„Ik betuig uwe Edelheid,” zegt Kosmo, terwijl hij even stilstaat, om het vergezicht gade te slaan, dat hem van de brug af, waar hij zich op bevindt, rechts en links wordt aangeboden, en zich te verlustigen in het bont gewoel der talrijke schaatsenrijders, die hier op en af langs de baan zwieren, „bij al de wonderen, waarvan ik reeds ooggetuige geweest ben in deze uwe stad, niet te begrijpen, hoe er nog iets zou kunnen zijn, dat mij verwondering baarde.”

„Uwe Doorluchtigheid is te welwillend,” zegt De Graeff: „wat is Amsterdam toch, in vergelijking met Florence, Venetië, Genua, en het eenige Rome? Wij zijn er hier al grootsch op, als wij eenig marmer binnen onze nederige woningen hebben, terwijl ten uwent geheele paleizen uit marmer rijzen.”

„En ziedaar juist wat mij met verbazing slaat,” hervat Kosmo:„dat gij, een land bewonende, dat noch marmer, noch steen, noch timmerhout oplevert, toch eene stad als deze op palen hebt weten te stichten, en op die palen huizen gezet, in een bouwtrant, die, van den onzen verschillende, minder statig en grootsch, maar tevens minder eentonig, en oneindig vroolijker, bevalliger en netter is, en die huizen van binnen hebt weten te stoffeeren, niet enkel met het kostelijkste marmer, maar ook met pracht van tapijten, gordijnen, behangsels en meubelen, zoo kunstig en prachtvol als waarvan men bij ons in de verste verte geen denkbeeld heeft. Gij moet dan gruwzaam rijk zijn, gij Heeren Amsterdammers.”

„Ik weet niet,” verstout Benzi zich op te merken, „of uwe Doorluchtigheid hier wel te recht den tegenwoordigen tijd van ’t werkwoord bracht. Die laatste Engelsche oorlog heeft ons vrij wat achteruitgezet.”

„Men kan ’t niet merken,” zegt de Prins, lachende: „en dan,” vervolgt hij: „wat al kunstenaren in alle vakken! Gij hebt schilders, wier manier van de Italiaansche verschilt, doch die op hunne wijze met het penseel weten te tooveren en begoochelingen teweegbrengen, waardoor men de natuur zelve waant te aanschouwen: gij hebt bouwmeesters en beeldhouwers, zoogoed als zij ergens te vinden zijn: uw orgelspel overtreft al wat ik ooit gehoord heb; uwe schrijnwerkers, juweliers, goudsmeden en andere kunstenaars van dien stempel zijn de voortreffelijksten, die men vinden kan: uwe drukkerijen zijn de beste van Europa; in elk ambacht levert gij de meest gezochte stukken werks:—ja ik zou niet weten in welk vak eenige stad u den prijs kon afwinnen.”

„Indien het mij geoorloofd is, dit te zeggen,” merkt ’s Prinsen Hofmeester, Signor Filippo de Neri, aan, die, met de overige heeren de brug opgekomen zijnde, de uitboezeming van den Prins gehoord heeft: „dan zou ik willen doen opmerken, dat Amsterdam geene mozaïsten bezit, gelijk Florence die bij menigte telt.”

„Om in ’t mozaïek te werken,” zegt Kosmo, de schouders ophalende, „moet men de onderscheidene soorten van marmer en gesteenten, die men behoeft, maar voor ’t grabbelen om zich heen vinden, en hoe zou een kunstenaar daar te Amsterdam aan geraken?”

„’t Is zooals Z. Doorluchtigheid te recht aanmerkt,” zegt meesmuilende Benzi: „de materialen ontbreken hier:—intusschen, Signor Filippo heeft nog nietallesgezien, wat er in Amsterdam te zien valt.”

„Neen, waarschijnlijk niet,” zegt Kosmo: „doch waar gaan wij nu eigenlijk heen?”

„Naar een winkel in de straat hier recht tegenover ons, zoo ’t Uwe Doorluchtigheid goeddunkt,” zegt De Graeff.

„Ik volg blindelings het geleide van Uwe Edelheid,” antwoordt Kosmo: „als wel wetende dat ik dan onmisbaar goed te recht kom.”

En wederom zet zich het gezelschap in beweging. ’t Werd ook tijd; want de voorbijgangers, nieuwsgierig als de Amsterdammers van oudsher geweest zijn, en wel steeds zullen blijven, hebben zich langzamerhand om het gezelschap heenverzameld en staan den„vreemden Prins” reeds op eene vrij onbescheiden wijze aan te gapen. Doch de wandeling, die men te doen heeft, is niet groot, en men is spoedig van ’t lastige bekijk verlost; halverwegen de Beerestraat vertoont zich een gewoon burgerhuis, dat zich in niets van de overige onderscheidt, dan door de kolossale gekleurde schelp, die, bij wijze van uithangbord, boven de luifel uitsteekt. Het is deze woning, welke de Burgemeester zijn voornamen gast verzoekt binnen te treden, en, gevolgd van het geheele gezelschap, begeven zij zich, door de openstaande voordeur en het donkere voorhuis, naar eene ruime, goed verlichte achterkamer, die tot werkplaats dient, en waar zich, op dat tijdstip, drie personen bevinden. Van die drie is er een, die blijkbaar de bewoner van het huis is, achter eene tafel gezeten, op welke het blad eener andere tafel gelegen is. De man is reeds van gevorderden leeftijd: hij draagt eene kalot op het hoofd, en een knijpbril op den neus, en is bezig, uit platgemaakte schelpen, waarmede verschillende houten bakken naast hem gevuld zijn, de zoodanige te kiezen als hem dienstig zijn voor zijnen arbeid. Wat de knaap, die zich achter hem bevindt, uitvoert, is moeielijk te zeggen; want, reeds op het eerste gerucht van aankomende bezoekers, heeft hij een kleed geworpen over de tafel, bij welke hij aan ’t werk is. De derde persoon, die zich in de werkplaats bevindt, is een bejaard man in eenvoudige burgerkleeding, die bij het binnentreden des Burgemeesters terstond is opgerezen van de houten schabel, waarop hij gezeten was, en zich bescheiden in een donkeren hoek van de kamer terugtrekt. Ook de heer des huizes is, zoodra hij, van zijn arbeid opkijkende, de qualiteit der bezoekers heeft bespeurd, opgestaan, om hen te begroeten en hunne bevelen af te wachten.

„Gij houdt het mij ten goede, meester Dirck,” zegt De Graeff, „dat ik u hier den Prins van Toskane breng, die wel zien mag, dat men ook elders dan in Florence tafels weet in te leggen naar de wijze der mozaïsten.”

„’t Zal mij veel eer zijn,” antwoordt meester Dirck, „en,” voegt hij er met eene niet ongepaste zelfverheffing bij, „hij zal de eerste groote sinjeur niet geweest zijn, die zich overtuigd heeft, dat de Amsterdammers ook nog wat kunnen uitvoeren.”

Kosmo heeft van deze woordenwisseling natuurlijk niets verstaan; doch hij heeft er ook geene moeite toe gedaan; zijne aandacht is, reeds van ’t eerste oogenblik, aangetrokken geweest door het kunstwerk, dat hij voor zich ziet en geheel verdiept in de beschouwing van dat ronde blad van toetssteen, waarop, binnen een half voltooid randwerk van loofwerk, bloemen en vruchten, eene vaas is afgebeeld, mede gevuld met gebloemte van alle soort, rondom hetwelk bontkleurige kapellen, juffers, bijen, gouden torren en andere gevleugelde insecten vliegen, en dat alles, in plaats van met verven, met paarlemoer afgebeeld, zoo kunstig en natuurlijk, dat gij elk diertje, elk blad, elke bloem of vrucht als in leven waant voor u te zien.

De Prins heeft een tijdlang in zwijgende verbazing de oogen opdat blad gevestigd gehouden; maar nu richt hij ze op naar den kunstenaar, en, terwijl zijn gelaat de minzaamste uitdrukking aanneemt, geeft hij hem door blik en gebaren de opgetogenheid te kennen, die het aanschouwen van dit meesterstuk bij hem heeft verwekt.

„Het is gelukkig,” zegt hij vervolgens, zich tot Filippo de Neri wendende, „dat gij met den Heer Benzi geene weddenschap hebt aangegaan over het al of niet bestaan van mozaïsten te Amsterdam: gij ziet nu, dat ook in dezen opzichte, Amsterdam niets aan Florence te benijden heeft.”

„’t Is er mede als met de schilderijen, Uw Doorluchtigheid,” zegt de Neri, die zich niet als verwonnen wil beschouwen: „de manier van werken tusschen onze en de Hollandsche meesters is verschillend; maar elke heeft hare eigene verdiensten.”

„En is dit alles uit louter paarlemoer vervaardigd?” vraagt Kosmo.

De kunstenaar, aan wien De Graeff de vraag heeft overgebracht, vergenoegt zich, tot antwoord, aan den Prins de bakken voor te houden, waar de materialen zich in bevinden, die hij tot zijn arbeid gebruikt. Die bakken bevatten een aantal dunne, platte schijfjes en schilfers, elk van eene verschillende kleurschakeering, van donkerbruin tot zilverwit.

„En hoe weet gij nu die deelen, waar de ruwe, holle schelp uit is samengesteld, dus van elkander te scheiden en plat te slaan, zoodat zij tot het gebruik kunnen dienen, waarvoor gij ze bestemt?” vraagt Kosmo.

„Indien ik hem dat vertelde,” zegt Meester Dirck, op het vernemen der vraag, en terwijl hij met een ondeugenden glimlach naar de overdekte werktafel achter hem omziet, „dan zouden zij het te Florence ook spoedig weten.”

„Onze brave kunstenaar heeft geene te hooge gedachten van mijne bescheidenheid,” zegt lachende Kosmo, nadat hem het antwoord van meester Dirck is overgebracht: „en toch, ik kan hem geen ongelijk geven.—Met dat al, ’t is niet het werktuiglijke van zijne kunst, dat hier ’t meest in aanmerking komt: ’t is het scheppend genie, dat bij den arbeid heeft voorgezeten, dat die bloemen en dat loofwerk van den rand zoo los en bevallig dooreen heeft weten te slingeren, dat bij het samenstellen van den ruiker in die vaas eene zoo verwonderlijke schikking heeft weten in acht te nemen, waardoor elke bloem en bloemstengel evenzeer uitkomt, en er toch niets is, dat rammelt of aan de werking van het geheel schade doet. Voorwaar, die man is, als teekenaar, als schilder, grooter nog dan als kunstwerker, en wel waardig dat de dichters zijn lof bezingen.”

„En dat hebben zij ook gedaan,” zegt Benzi: „ginder,” vervolgt hij, op den man wijzende, die bij de komst van ’t gezelschap zich in een hoek der werkplaats begeven had, en daar in eerbiedige houding is blijven staan: „ginder staat onze puikdichter, die reeds meer dan een halve eeuw alles bezongen heeft wat Amsterdam goeds en grootsch opleverde en ook meester Dirck Van Rijswijk niet heeft vergeten.”

Kosmo wendt den blik naar den persoon, die hem wordt aangewezen, en beschouwt met aandacht die flinke gestalte, dat wakker en open gelaat, dat breede voorhoofd, en dat oog, waaraan het wicht van tachtig, vaak kommervolle jaren, niets van zijn gloed ontnomen heeft.

„Men kan het dien man aanzien, dat hij een dichter is,” zegt hij tegen De Graeff.

„Hij wordt voor den besten gehouden, dien wij hebben,” zegt de Burgemeester: „jammer maar, dat zijne financiën in geen beteren staat zijn: de poëzie moge eene schoone zaak zijn, zij geeft geen brood.”

Vondel had in vroegere dagen ook een weinig aan ’t Italiaansch gedaan: hij heeft er genoeg van onthouden, om de woorden te verstaan, door De Graeff gesproken, en een smartelijke glimlach zweeft om zijn mond. Kosmo heeft dien opgemerkt, en hij wil een pleister op de wond leggen, die hij gevoelt dat den dichter geslagen is.

„De poëzie geeft meer,” zegt hij: „zij geeft de onsterfelijkheid niet alleen aan den zanger, maar ook aan hen, die hij tot stof zijner zangen kiest.”

„Verstaat gij, sinjeur Vondel! wat zijne Doorluchtigheid zegt?” vraagt De Graeff, op een half spottenden toon, aan den dichter: „hij zegt, dat gij mij onsterfelijk gemaakt hebt; want ik behoor tot dezulken, op wie gij rijmen gemaakt hebt.”

„Ik heb het verstaan,” antwoordt de grijsaard, terwijl hij met een vriendelijken blik en eene nederige hoofdbuiging den Prins voor zijne heuschheid dankt: „intusschen,” vervolgt hij, zich weer naar De Graeff richtende, „heeft Uwe Edelachtbaarheid wel gezorgd, dat haar naam vereeuwigd blijft, zonder dat ik daar iets aan kan toe of afdoen.”

„Gij verstaat dan ook Italiaansch?” vraagt Kosmo, met jeugdige drift, om de tafel heen, naar Vondel toeloopende.

Vondel maakt eene diepe buiging; terwijl hij bij zich zelven zich beklaagt, niet machtig te zijn in dezelfde taal, waarin hij wordt toegesproken, behoorlijk te antwoorden; doch zijne tegenwoordigheid van geest redt hem uit de verlegenheid en, het Latijn te baat nemende, betuigt hij aan den Prins zijn leedwezen, dat onkunde en ongewoonte hem verhinderen, zich van den schoonen tongval te bedienen, waarin Petrarca en Guarini hadden gedicht.

„Maar gij kent hen toch,” zegt Kosmo, zich mede van de Latijnsche taal bedienende: „en Tasso, hebt gij hem gelezen?”

„Eene mijner dierbaarste vriendinnen53, nu helaas! mij sedert lang ontvallen, heeft,” antwoordt Vondel, „zijn meesterstuk in ons Neerduitsch overgebracht: zij placht mij haar vertrouwen te schenken en zoo nam zij mijn raad daarbij in: en de uren, door mij besteed, om haren arbeid na te zien en met het oorspronkelijke te vergelijken, reken ik onder de zoetste van mijn leven.”

„De vriendin, waar ge van spreekt,” zegt Kosmo, „bewees eene vrouw van smaak en oordeel te zijn: van smaak, dat zij het „verlost Jeruzalem” op prijs stelde, van oordeel, dat zij den raad innam van een zoo voortreffelijk dichter, als waarvoor gij, naar ik hoor, bekend staat. Uw naam is....”

„Justus Vondelius, Uwe Doorluchtigheid.”

„Het spijt mij nu dubbel, uwe taal niet te verstaan; want daardoor is mij het genot ontzegd, uwe schoone zangen te lezen. Gij hebt, hoor ik, ook de wondere gewrochten van gindschen kunstenaar bezongen.”

„Ik heb twee van zijne tafels bezongen,” antwoordt Vondel, „de eene, niet ongelijk aan degene, waar meester Dirck thans aan bezig is, en die tot een geschenk moest strekken aan wijlen den Directeur-Generaal Hulft; de andere van meer omvang, en het feestmaal der Goden voorstellende.”

„Die tienduizend gulden heeft gegolden,” voegt Benzi er bij.

„Tienduizend gulden!” herhaalt de Prins: „maar dat is een rantsoen voor een Vorst; en ik zal mijne kas wel aandachtig mogen raadplegen, eer ik mij veroorloof, hier eene bestelling te doen.—Nu, Signor Justus, gij zult mij verplichten, indien gij mij die beide gedichten wilt doen toekomen: ik zal ze hier ter stede door een bekwamen tolk in ’t Italiaansch laten overbrengen en ze als een gedachtenis medenemen.”

En met eene minzame hoofdbuiging afscheid nemende van den dichter, begeeft hij zich weder naar de tafel en laat aan Meester Dirck vragen, of hij ook werkstukken heeft, die voltooid en te koop zijn. Rijswijck geeft hierop een wenk aan zijn dienaar, en deze, eene kast openende, haalt daar eenige schenkbladen en andere voorwerpen uit, van minderen omvang dan het kunststuk, dat nu onder handen is, doch, wat de bewerking aangaat, niet minder keurig en uitvoerig. Immers ook van deze kan men, met Vondel, zeggen:

....Hier blinckt de schoone regenboogVan bloemen loofwerck en festoen,Uit root en blaeu en geel en groenEn gout gemengelt, in ons oogh........Hier geeft genoffel,54leli, roosGemengt uit onderscheiden kleur,Trots Indisch velt, een lucht en geur,Hier praelt robijn, saffier, turkoos.Hier blinckt de gout- en zilvermijn.Hier rijst de witte morgenstar.Zy voert den dagh af op haer karEn boodschapt ons den zonneschijn........Hier legt de schilder zijn paletEn rijck penceel uit zijne hant.De juwelier acht diamantNoch dier gesteente, in gout gezet.Dees kunst schept, uit een ruwe schulp,Gesteente, en tulpen, knoppen, blaênGestarnte, en licht, en zon, en maen.Zy neemt vernis noch verf te hulp.De schilderkunst verschiet haer verf,Gelijck de maaght haer frissche jeught,De tulpen zien haer waerde en vreughtVerwelckt of schrikken voor bederf.De rijp, de nevel en de mistVerstickt de tulp: een felle stormVerslijt haar leven, eer men ’t gist:De paerlemoerbloem, op haar steel,Volght d’ eeuwigheit in duurzaemheitEn blijft tot dat de werelt scheit,Waer bloeide ooit eêler bloempriëel!....

....Hier blinckt de schoone regenboog

Van bloemen loofwerck en festoen,

Uit root en blaeu en geel en groen

En gout gemengelt, in ons oogh....

....Hier geeft genoffel,54leli, roos

Gemengt uit onderscheiden kleur,

Trots Indisch velt, een lucht en geur,

Hier praelt robijn, saffier, turkoos.

Hier blinckt de gout- en zilvermijn.

Hier rijst de witte morgenstar.

Zy voert den dagh af op haer kar

En boodschapt ons den zonneschijn....

....Hier legt de schilder zijn palet

En rijck penceel uit zijne hant.

De juwelier acht diamant

Noch dier gesteente, in gout gezet.

Dees kunst schept, uit een ruwe schulp,

Gesteente, en tulpen, knoppen, blaên

Gestarnte, en licht, en zon, en maen.

Zy neemt vernis noch verf te hulp.

De schilderkunst verschiet haer verf,

Gelijck de maaght haer frissche jeught,

De tulpen zien haer waerde en vreught

Verwelckt of schrikken voor bederf.

De rijp, de nevel en de mist

Verstickt de tulp: een felle storm

Verslijt haar leven, eer men ’t gist:

De paerlemoerbloem, op haar steel,

Volght d’ eeuwigheit in duurzaemheit

En blijft tot dat de werelt scheit,

Waer bloeide ooit eêler bloempriëel!....

of ook, op eene andere maat;

....Hier weit het oogh in allerhande bloemen,De kunst verdooft de stof.....Stoft d’ Indiaan op d’ endeloze renteVan ’t vrolijck ooftsaizoen.Dat eeuwigh duert: het is hier eeuwigh lente.Geen kou verbijt dit groen.....Dees veltzwarm ziet den dischbeemt nooit verdorren.Het leeft er overalVan krekel, vliegh, wywouter, goude torren,En joffren zonder gal,De maenebloem, de starrebloemen lockenDie vlugge zielen uit.De morgenstar, de korenbloem, de kloekenOntluiken op ’t geluit.De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen,Die, als ’t kameleon,Met menigh slagh van verwen zijn behulpen,Bekooren zelf de zon,Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt,Gezegent met een luchtVan nagelpoêr55, in zoo veel kleurs gesprengelt,Het hart verquickt, als ’t zucht........Wat quist men tijt om ’t eeuwige bewegenTe heffen op het hooft!Dat uurwerck speelt en draait u eeuwigh tegenEn flikkert onverdooft.Dees zonnebloem volght met haar drijvende oogenDe zon, haar bruidegom.Zy lonckt haar aan, van zuivre min bewogenEn zoeckt zijn gunst alom.Wanneer haar lief zijn hooft en gouden luisterDes avondts onderhaelt,Dus leentze noch den zonneglans by duister,Hoe diep hy nederdaelt....

....Hier weit het oogh in allerhande bloemen,

De kunst verdooft de stof.

....Stoft d’ Indiaan op d’ endeloze rente

Van ’t vrolijck ooftsaizoen.

Dat eeuwigh duert: het is hier eeuwigh lente.

Geen kou verbijt dit groen.

....Dees veltzwarm ziet den dischbeemt nooit verdorren.

Het leeft er overal

Van krekel, vliegh, wywouter, goude torren,

En joffren zonder gal,

De maenebloem, de starrebloemen locken

Die vlugge zielen uit.

De morgenstar, de korenbloem, de kloeken

Ontluiken op ’t geluit.

De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen,

Die, als ’t kameleon,

Met menigh slagh van verwen zijn behulpen,

Bekooren zelf de zon,

Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt,

Gezegent met een lucht

Van nagelpoêr55, in zoo veel kleurs gesprengelt,

Het hart verquickt, als ’t zucht....

....Wat quist men tijt om ’t eeuwige bewegen

Te heffen op het hooft!

Dat uurwerck speelt en draait u eeuwigh tegen

En flikkert onverdooft.

Dees zonnebloem volght met haar drijvende oogen

De zon, haar bruidegom.

Zy lonckt haar aan, van zuivre min bewogen

En zoeckt zijn gunst alom.

Wanneer haar lief zijn hooft en gouden luister

Des avondts onderhaelt,

Dus leentze noch den zonneglans by duister,

Hoe diep hy nederdaelt....

„Welnu!” zegt eindelijk Kosmo, nadat hij eene der tentoongestelde voorwerpen heeft uitgekozen: „gij zult dit aan mijn logement doen bezorgen, Signor Van Rijswijck, en hier,” op Filippo de Neri wijzende, „is mijn schatmeester, die er den brenger de honderd dukaten voor uitbetalen zal, die gij er voor vraagt. Ik stel er mij een feest van voor, dit kunstwerk aan de mozaïsten in mijn vaderstad te wijzen: en hou u maar goed, Signor! als deze of gene onder hen hier komt en u de kunst poogt af te zien.”

Het bezoek is afgeloopen en het hooge gezelschap heeft de werkplaats van Meester Dirck Van Rijswijck verlaten.

„Een nobel Heer, die Prins van Medicis,” zegt Vondel, na hun vertrek, tegen zijn vriend den kunstenaar: „zie, onze groote Heeren hier zijn brave, eerbiedwaardige mannen, en toonen zich bij wijlen ook wakkere Mecenaten; maar toch ontbreekt hun iets, dat deze vreemdeling bezit.”

„Wat dan?” vraagt meester Dirck, verwonderd.

„Wat?—het echte kunstgevoel,” antwoordt Vondel, spijtig voor zich ziende.

„Ei wat,” herneemt Rijswijck: „zij hebben toch mijn feestmaal der Goden met tienduizend gulden betaald.”

„Ja, dat hebben zij,” zegt Vondel, peinzende, en het gevoel onderdrukkende, dat bij hem ontstaat op de vraag, die in weerwil van hem zelven bij hem oprijst, waarom of zijne verzen, die toch ook een kunstig gevlochten, en de eeuwigheid verdurenden krans vormen van bloemen, loofwerk en vruchten, of niet, of met eene aalmoes betaald worden: „dat hebben zij: maar zij hebben uw werk, zij hebben de schilderijen van Van der Helst of Stockade, en de beelden van Quellijn betaald, zooals zij ’t een kostelijk meubel, een pronkstuk in hun vertrek of voorportaal doen:—en zij achten in den grond noch uw kunstwerk, noch die schilderijen of beelden meer dan een nieuwmodisch behangsel of vloertapijt, dat veel geld kost: en zij kunnen er den hoogeren geest niet in herkennen, die u en die andere groote kunstenaars bezield heeft. Maar die Italiaan is in eene andere lucht gewonnen en gevoed: op dien bodem, die voorheen Maro’s en Flaccussen gekweekt heeft, waar de liefde tot de kunst eeuw in eeuw uit van de vaderen op hunne nazaten is overgegaan, en waar, nog heden, zoowel de Heilige Vader op ’t Vaticaan, als de nederigste landbouwer op ’t veld, de verzen van Virgilius en die van Tasso of Petrarca in den mond heeft en zich buigt voor de kunstgewrochten van Titiaan en Rafaël en Michel Angelo. Zie!—daar had ik moeten geboren zijn.”

„Gij, vader Vondel!” zegt Rijswijck: „’t mocht wat: al zijt gijvan Keulen hierheen gedwaald, gij zijt en blijft toch een Amsterdammer in uw hart.”

„Nu ja, dat is waar,” herneemt de grijsaard, wederom als tot zich zelven sprekende: „want het is te Amsterdam, dat ik geleefd en geleden, en schier al wat mij dierbaar is begraven heb.”

„Wat mij betreft,” hervat Rijswijck, na een langdurig stilzwijgen van weerszijden: „ik verheug mij, dat ikhierwoon; want ik twijfel of ergens, behalve hier, mijne tafels zoo goeden aftrek zouden vinden tot den prijs, waar ik ze op gezet heb.”

Den volgenden dag ontving Kosmo van Medicis het bestelde schenkblad; gelijk mede de verlangde gedichten; doch bij deze laatsten was de navolgende tweespraak gevoegd, die Vondel ter eere van ’s Prinsen verblijf te Amsterdam had vervaardigd:

Amsterdam.Wat glori komt mijn hooft beschijnen,In ’t hartje van den wintertijt!

Amsterdam.

Wat glori komt mijn hooft beschijnen,

In ’t hartje van den wintertijt!

Italiaen.De morgenstar der Florentijnen,Een eeuwige eer, uw kroon benijt.

Italiaen.

De morgenstar der Florentijnen,

Een eeuwige eer, uw kroon benijt.

Amsterdam.Wat telgh is ’t? Uit wiens stam gesproten?Spreekt duitlijck Duitsch. Hoe luit die naem?

Amsterdam.

Wat telgh is ’t? Uit wiens stam gesproten?

Spreekt duitlijck Duitsch. Hoe luit die naem?

Italiaen.De jonge Kosmo van den grooten,De waerelt kenbaer door zijn faem.

Italiaen.

De jonge Kosmo van den grooten,

De waerelt kenbaer door zijn faem.

Amsterdam.Een godtheit daelt, als uit de wolckenOm laegh in ’t vrye Nederlant.

Amsterdam.

Een godtheit daelt, als uit de wolcken

Om laegh in ’t vrye Nederlant.

Italiaen.Onthaelt van zeven vrye volcken,Daar gy alleen de zeekroon spant.

Italiaen.

Onthaelt van zeven vrye volcken,

Daar gy alleen de zeekroon spant.

Amsterdam.Zoo zagh voorheen de groote moederDer koningen56mijn groote stadt.

Amsterdam.

Zoo zagh voorheen de groote moeder

Der koningen56mijn groote stadt.

Italiaen.De moeder van den Franschen hoeder,Geheilight door het lelibladt.

Italiaen.

De moeder van den Franschen hoeder,

Geheilight door het lelibladt.

Amsterdam.Zy gaf Gaston, zijn broeder57, ’t leven,Nu schoonvaêr der Toskaensche spruit.

Amsterdam.

Zy gaf Gaston, zijn broeder57, ’t leven,

Nu schoonvaêr der Toskaensche spruit.

Italiaen.En eert u noch in hare neven.Gy zeilt hun havens in en uit.

Italiaen.

En eert u noch in hare neven.

Gy zeilt hun havens in en uit.

Amsterdam.Fernandus zagh mijn bloedvlagh paelen,Toen ’t Britsch kasteel ten hemel voer;

Amsterdam.

Fernandus zagh mijn bloedvlagh paelen,

Toen ’t Britsch kasteel ten hemel voer;

Italiaen.Dat uwen waterleeuw van GalenDen doot in ’s Hertoghs haven zwoer.

Italiaen.

Dat uwen waterleeuw van Galen

Den doot in ’s Hertoghs haven zwoer.

Amsterdam.De zoon kan hier het graf aanschouwen,’t Welck ’s helts gebeent en naem bewaert;

Amsterdam.

De zoon kan hier het graf aanschouwen,

’t Welck ’s helts gebeent en naem bewaert;

Italiaen.En daeden, op de zerk gehouwen.Zoo blijft de deught alom vermaert.

Italiaen.

En daeden, op de zerk gehouwen.

Zoo blijft de deught alom vermaert.

Amsterdam.Dees prins ziet hier mijn schiltkroon proncken,Ten prijs van zijn voorvaders58stam.

Amsterdam.

Dees prins ziet hier mijn schiltkroon proncken,

Ten prijs van zijn voorvaders58stam.

Italiaen.En keizers gifte uw trouw geschoncken,Zoo blinckt Florence te Amsterdam.

Italiaen.

En keizers gifte uw trouw geschoncken,

Zoo blinckt Florence te Amsterdam.

Amsterdam.Mijn kapitool, bij zijn gebouwenGeleken, zal te pover staan.

Amsterdam.

Mijn kapitool, bij zijn gebouwen

Geleken, zal te pover staan.

Italiaen.Ik zweer, ’t gezicht wil hem noit rouwen,Hat wijckt Sint Mark, noch Vatikaen.

Italiaen.

Ik zweer, ’t gezicht wil hem noit rouwen,

Hat wijckt Sint Mark, noch Vatikaen.

Amsterdam.Maer d’ Arno schenckt gezonder luchtenEn ooft, dan d’ Aemstel hem kan biên.

Amsterdam.

Maer d’ Arno schenckt gezonder luchten

En ooft, dan d’ Aemstel hem kan biên.

Italiaen.Uw mastbosch draeght ook goude vruchten,Een bosch, van Princen waert bezien,

Italiaen.

Uw mastbosch draeght ook goude vruchten,

Een bosch, van Princen waert bezien,

Amsterdam.Prins Kosmo dreight den Griekschen rooverTe ketenen op Tunis strant.

Amsterdam.

Prins Kosmo dreight den Griekschen roover

Te ketenen op Tunis strant.

Italiaen.Scheept Putten59met uw krijghsvloot over,Zoo wordt die zeepest uitgebrant.

Italiaen.

Scheept Putten59met uw krijghsvloot over,

Zoo wordt die zeepest uitgebrant.

Amsterdam.Dan keerenze met Kriste-slaven,En Smyrna ziet den handel vry.

Amsterdam.

Dan keerenze met Kriste-slaven,

En Smyrna ziet den handel vry.

Italiaen.En d’ Aemstelheer onthaelt zijn bravenMet zeekortouwen langs het Y.

Italiaen.

En d’ Aemstelheer onthaelt zijn braven

Met zeekortouwen langs het Y.

Amsterdam.Dan brult de zeeleeuw van Venedigh,En Kandië schept verschen moedt.

Amsterdam.

Dan brult de zeeleeuw van Venedigh,

En Kandië schept verschen moedt.

Italiaen.Hy wet zijn klaauwen eens zoo snedighEn Villa dempt al ’t helsch gebroet.

Italiaen.

Hy wet zijn klaauwen eens zoo snedigh

En Villa dempt al ’t helsch gebroet.

Amsterdam.Dan krijgt Europe een nieuw gestalte,En ’t kruis braveert de Turksche maen.

Amsterdam.

Dan krijgt Europe een nieuw gestalte,

En ’t kruis braveert de Turksche maen.

Italiaen.Gansch Barbarye schrikt voor Malte.Dat Asië en haar maght houdt staen.

Italiaen.

Gansch Barbarye schrikt voor Malte.

Dat Asië en haar maght houdt staen.

Amsterdam.Geene afgunst groey noch rijze tusschenDen Hertogh en ’s lants vrijen staet.

Amsterdam.

Geene afgunst groey noch rijze tusschen

Den Hertogh en ’s lants vrijen staet.

Italiaen.De Batavier omhels HetrusschenZoo lang de zon te water gaet.

Italiaen.

De Batavier omhels Hetrusschen

Zoo lang de zon te water gaet.


Back to IndexNext