In en over Amsterdam.

In en over Amsterdam.Over den naam van „hoofdstad”, aan Amsterdam gegeven.Misschien schrikt u het opschrift van dit hoofdstuk af, lieve Lezeres! en verkeert gij in den waan, dat ik u hier een dor, althans een politiek vertoog, ga opdisschen. Is zulks bij u het geval, dan miskent gij mijne bedoelingen. Neen, Mevrouw, of Mejuffrouw, wie gij zijn moogt! ik heb te veel eerbied voor uw gezond verstand om niet te weten, dat gij u met geen politiek bemoeit, en ik heb er u te liever om.—Maar al hadt gij ook onverhoopt eene geheime neiging tot de staatswetenschap, dan heb ik tevens te veel krediet voor het gezond oordeel van den smaakvollen vriend, die u den „Holland” als een St.-Nicolaasgeschenk aanbiedt, om niet te beseffen, dat hij zich wel zou wachten, die bestemming aan mijn boekje te geven, zoo hij kon gissen, dat het strekken kon om die neiging bij u te voeden.—Ik haast mij dus, om uwent- of om zijnentwille, u de verzekering te geven, dat zoo het opschrift, zoo ook de inhoud van dit eerste hoofdstuk weinig vermakelijks beloven voor het vervolg, ik gaandeweg een anderen toon zal aanslaan, om voor alles mijn best te doen, u zoomin mogelijk te vervelen. Uwe eigene ondervinding—ik ben er overtuigd van—heeft u gewis sedert lang geleerd, dat de fraaiste zijden stoffen, de fijnste kanten en de sierlijkste bijouterieën, gekocht worden in zoodanige winkels, waar uiterlijk niets aanduidt, dat zich daarbinnen zulk een rijke voorraad bevindt; terwijl daarentegen, waar veel moois voor de glazen prijkt, het magazijn zelf meermalen niets bevat, dat uwe aandacht waardig is.—Na deze—zoo ik hoop geruststellende—inleiding, vang ik aan.Ik heb mij meermalen afgevraagd, welken zin de Regeering, wanneer zij in onderscheidene officiëele stukken, Amsterdam de „hoofdstad” noemt, wel aan dit laatste woord zoude hechten. Volgens den aard onzer taal en naar het algemeen gebruik verbindt zich aan dien titel de gedachte aan ettelijke voorrechten, door de stad, die hem voert, boven hare medesteden genoten.—Maar hoe meer moeite ik deed, om, van dat beginsel uitgaande, eenig voorrecht te noemen, ’t welk Amsterdam boven de overige steden des Rijks zou bezitten, hoe verder ik van de wijs dwaalde. Gaan wij eens na, welke eigenschappen men gewoon is aan eene hoofdstad toe te schrijven, en zien wij dan, in hoeverre men die op Amsterdam kan toepassen.Het is in ’t algemeen binnen de hoofdstad van het rijk, dat zich de zetel bevindt der Hooge Regeering. Dat is zoo in Frankrijk gelijk in Zweden, in Engeland gelijk in Japan, in Spanje gelijk op Otaheiti. En wat is nu het geval in het Koninkrijk der Nederlanden? Het kabinet des Konings zoowel als de ministeriën zijn in Den Haag gevestigd: de Staten-Generaal komen in Den Haag bijeen: de Hooge Raad heeft zijn zetel in Den Haag: en Amsterdam, verre van zich te beschouwen als het middelpunt van het Rijk—is niet eens dat van het Provinciaal Bestuur, en had, voor de scheiding van Noord- en Zuid-Holland, zelfs geen gerechtshof binnen zijne muren.Dit eerste kenmerk eener hoofdstad ontbreekt dus geheel. Maar heeft wellicht Amsterdam het voorrecht dat het door ’s Lands Regeering meer bijzonder begunstigd, dat het behandeld wordt als de parel, waarop geheel Nederland trotsch is, als een pronkstuk, tot welks onderhoud en vorming heel Nederland bijdraagt? De begrootingen van Frankrijk, van België, van Pruisen, wijzen telken jare aanzienlijke sommen aan, bestemd om den luister der hoofdstad te bevorderen, en haar op die wijze meer en meer tot het brandpunt te bestemmen, van waar de verlichting, de beschaving, de kunsten en wetenschappen hare stralen spreiden naar de overige deelen des Rijks. Op deze vraag, waar ’t Amsterdam geldt, kan alleen worden geantwoord, dat Amsterdam tot nog toe voor ’s Lands rekening niet veel anders naar buiten verspreidt dan.... brieven.Is er dan misschien, ten gevolge der inrichting van onzen Staat, aan Amsterdam eenig politiek voorrecht geschonken?—Zulk eene vraag kan alleen door een vreemdeling worden gedaan. Wij Nederlanders, en vooral wij Amsterdammers, weten, dat de hoofdstad door dezelfde gemeentewet beheerscht en op gelijke wijze bestuurd wordt als Urk en Buiksloot.Een voorrecht echter is aan Amsterdam, en dat nog wel bij de Grondwet, toegekend. Deze bepaalt namelijk in Art. 51, dat de Koning binnen die stad wordt ingehuldigd. Ongelukkig is dat een der voorrechten, waarvan elk rechtgeaard Amsterdammer moet wenschen, dat de stad zoo spaarzaam mogelijk gebruik behoeve te maken.—Doch bij het vermelden van dat voorrecht mag ik niet nalaten, de aandacht te vestigen op de omstandigheid, dat Amsterdam niet de hoofdstad is, omdat de Koning er gehuldigd wordt; maar omgekeerd, dat de inhuldiging plaats heeft te Amsterdam, omdat Amsterdam als de hoofdstad wordt aangemerkt.—Het moet dien titel dus aan vroegere, aan andere oorzaken te danken hebben, en deze zijn het juist, welke ik zou wenschen te kennen, en waarover ik gaarne een prijsvraag zou zien uitschrijven. Wat mij betreft, ik ben bereid hem, die ze maar eenigszins voldoend weet te beantwoorden, een stel „Hollanden” present te doen. Ik voor mij ken geen enkel punt van overeenkomst tusschen Amsterdam en andere hoofdsteden, dan dat het—gelijk in den regel met deze laatsten het geval is—meer uitgebreidheid bezit en meer inwoners telt dan de overige steden in het Rijk. Maar aangezien de omtrek en de bevolking niet anders dan bloote feiten, en bovendien aan wisseling onderhevigzijn, zoo kunnen zij, bij het gemis van alle overige vereischten, den toegekenden titel op zichzelven niet rechtvaardigen.Al deze beschouwingen hebben mij tot de navolgende gissingen geleid:De titel van hoofdstad zal aan Amsterdam geschonken zijn, evenals men dien van Generaal verleent aan een afgedankten en voor den dienst niet meer bruikbaren kolonel—een en ander buiten bezwaar van ’s Rijks schatkist.En dan krijgt de nieuwe Generaal er doorgaans het verlof bij, om de uniform te dragen, aan zijne nieuwe waardigheid verknocht.—Men behoeft geen vijf minuten in Amsterdam te hebben doorgebracht, om zich te overtuigen, dat dit verlof aan de hoofdstad niet is geschonken;—of dat zij er althans geen gebruik van maakt.Dit ware intusschen wel te wenschen; want de oude uniform, die zij droeg, toen zij nog geene hoofdstad, maar eenvoudig de vijfde in rang onder de stemhebbende Steden was, is bitter gescheurd en versleten.Jammer genoeg; want zij was wel der moeite waardig, gezien te worden. Gij hebt er misschien zelfs geen flauw denkbeeld van, lieve Lezeres! hoe mooi die was. Gij verbeeldt u wellicht, dat, vermits wij toen nog de nieuwe Beurs aan den Dam en de Willemspoort, Artis en de Variétés, de Volksvlijt en het bruggetje tegenover ’t Sint-Antonie’s Kerkhof, het monument van ’t metalen kruis en ’t magazijn van Sinkel, het entrepôt en de omnibussen, het beeld van Rembrandt en de spoorwegstations, Frascati en ’t Huis van arrest, niet bezaten, de stad voor den bezoeker niet veel bijzonders moet hebben opgeleverd.Ik zal u antwoorden, dat, welken prijs ik ook stelle op de hier genoemde fraaie zaken en instellingen, op sommige waarvan ik misschien later met een woord terugkom, ik echter, bij ’t geen ik van Amsterdam zeide, meer ’t oog had op het uiterlijke voorkomen der stad in ’t algemeen, dan op eenige bijzondere nuttige of aangename gewrochten eener nieuwere beschaving. Een paar nieuwe epauletten en nestels—om terug te keeren tot het gebezigde beeld—mogen de aandacht trekken, zij hebben de macht niet, den verschoten glans terug te geven aan een rok, die vol vlekken, lappen en gaten is en waaraan alles van de bittere armoe des dragers getuigt.Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.Gemeen verwonderingh betaemt mijn wond’ren niet.De vreemdelingh behoort te swijmen, die my siet,zeide Huygens, omstreeks de helft der zeventiende eeuw, Amsterdam sprekend invoerende: en inderdaad, in zijnen tijd en nog eene eeuwlater was er wellicht geene stad in geheel Europa, meer dan zij geschikt, om bij den vreemdeling, die haar bezocht, een indruk te verwekken van verbazing en opgetogenheid. Stellen wij ons hem voor, uit zee komende en dus de stad van den IJkant naderende. Nauwelijks kan de jol, die hem aan wal brengt, haren weg vinden tusschen die oneindige en ontelbare massa van schepen en lichters en schuiten, hier bij en nevens elkander liggende of elkander in alle richtingen doorkruisende. De Teems bijisle of dogskan er thans nog—hoewel maar in de verte—eenig denkbeeld van geven. Overal woeling, overal drukte, gegons en getier. Hier worden de geurige specerijen van ’t Oosten gelost, ginds het ruwe ijzer van Zweden, elders het koren uit Riga: dáár de kostbare zijde uit de Levant, en het fraaist geaderde marmer, dat tot ballast heeft verstrekt en nu de gangen en portalen en plinten ook der nederigste woningen versieren zal. Wat verder ontscheept men Segoviesche wol, terwijl kort daarbij de voortbrengselen worden ingeladen der lakenfabrieken, waarin zoodanige wol bewerkt is geworden. Overal ziet men dezelfde voorwerpen, ’t zij ruw, ’t zij gewerkt, hier lossen, ginds inschepen: overal het bewijs, dat Amsterdam niet voor zichzelf al het aangevoerde behoeft, maar het alleen verzamelt met het hoofddoel, om het weder uit te voeren: in ’t kort, dat het de stapelplaats, de markt, de monsterbazaar is der wereld.Onzen vreemdeling is het eindelijk gelukt, door alle belemmeringen heen, behouden aan den Buitenkant te landen, en eene nieuwe verwondering maakt zich van hem meester, naarmate hij de oude stad doorkruist en zich, schier bij elke schrede, een nieuw en verrassend schouwspel ziet bereid. „Hoe?” vraagt hij met verbazing aan zijn leidsman: „is dit deoudestad? en alles fonkelt mij tegen als blinkend en nieuw!”—En inderdaad, nergens ontmoet zijn oog eenige van die zware, breede, vierkante gebouwen, gelijk men ze elders in oude steden aantreft, van die berookte vervelooze huizen, wier sombere kleur, wier ramen, met uitspringend traliewerk voorzien, aan het geheel het voorkomen eener oude gevangenis geven: neen, elke woning is of schijnt ten minste nieuw, zoo zorgvol zijn de steenen beschilderd, de voegen opgewit, de plinten, kozijnen en luiken geverfd, de dakpannen bestreken: en doet zich hier en daar een toren, een muur, een bolwerk of ander gebouw uit lang verloopen eeuwen voor, ook dit getuigt niet van verval, ook dit is met netheid onderhouden, ook dit heeft een lachend, een vroolijk, een verjeugdigd aanzien. En hoe schilderachtig is de vertooning, welke het geheel oplevert. Nergens de stijve, rechte lijn, die aan alles eentonigheid bijzet en verveling wekt; overal bochtige, kronkelende, hoekige grachten en straten; terwijl de vooruitspringende groene luifels, waaronder de winkelwaren uitgestald worden, de ijzeren leuningen langs de stoepen, de banken en pothuizen, die van elke stoep eene kleine vesting maken, de openstaande luiken, de slingerende uithangborden van glanzend koper, de gebeeldhouwde of gebeitelde zinnebeelden in den gevel of op de daken, de grillige versierselen aan de piramidaalvormige puien aangebracht, de vanenen windwijzers, de schoorsteenen vooral, met hunne houten kappen, in alle vormen en kleuren, hier als een toren, daar in de gedaante eener Y, ginds in die van eene theebos, achter en nevens en boven elkander uitschietende, overal die verscheidenheid van lijnen teweegbrengen, die zoo aangenaam is voor ’t oog. En wat in den zomer het bevallige van het tooneel verhoogt, zijn die groene boomen, hier langs den wal, ginds ook voor de woningen, uit net geschilderde kokers oprijzende, en waar de schaduw van hun loover zich over straat of gevel heenspreidt, fantastische effecten vormende van licht en bruin.Maar onze wandelaar is door de woelige straten verder gegaan; daar komt hij op den Middeldam, en een gevoel van eerbied vervult hem bij den aanblik van dat reusachtig gevaarte, ’t welk met zijn eenvoudigen koepel voor hem oprijst, van dat stadhuis, in tijden van oorlog en woeling opgericht als een achtste wereldwonder,—en van die trotsche, nog onvoltooide kerk, nog maar kort geleden door den brand vernield, om grootscher weder op te rijzen en tot grafplaats aan Neêrlands meest beroemden zeeheld, gelijk aan zijn meest beroemden dichter, te verstrekken. Hij blikt rond over dat onregelmatige plein, dat het hart van Amsterdam mag genoemd worden en waar al de hoofdaderen van het groote lichaam mede verbonden zijn: overal drukte, overal gedraaf en gewoel, overal een zoo talrijke toeloop van menschen, dat hij in ’t eerst in den waan verkeert, dat eene buitengewone plechtigheid die duizenden doet te zamen komen. Maar neen: de Dam heeft zijn gewoon alledaagsch voorkomen, de zaken gaan haar geregelden gang, en het schouwspel, dat de Dam u heden aanbiedt, zal hij u morgen weder vertoonen. Een gedeelte van hen, die het plein doorkruisen, daagt op uit een der bogen van het stadhuis of begeeft zich binnen dat gebouw, ’t welk, als een groote bijenkorf, den geheelen dag afwisselend bezocht en verlaten wordt door hen, die hunne zaken of hunne nieuwsgierigheid er heenvoeren. Onze vreemdeling behoort tot hen, die de laatste drijfveer naar binnen doet treden. Hij gaat de breede trappen op en bevindt zich aldra in die honderd voet hooge gaanderij, schier een plein op zichzelve, en altijd vol bezoekers. Hij zoekt te raden, wat de beroepen zijn, die zij uitoefenen, of de oorzaken, die hen hier brengen. Weldra herkent hij de advocaten, die met mantel en bef op en neder wandelen, de procureurs, door hunne klerken gevolgd, die zakken met processtukken dragen, de beambten, die zich naar hunne kantoren begeven: hij ziet hoe het in de nevengalerijen woelt en grimmelt van menschen: deze moet naar de thesaurie, gene naar de wisselbank: anderen naar de weeskamer, de desolate boedelkamer, naar schepensbank, naar de secretarie, naar een dier tallooze stadskantoren, welke het gebouw bevat; daar in dien hoek spelen en dartelen knapen, niet anders alsof zij zich op een opene markt bevonden, of zoeken het kleinste sterretje aan de hemelglobe, die op het marmeren plaveisel is afgebeeld.—Doch daar opent zich rechts en links de volksmenigte; een roedragende bode gaat vooruit; gewis, de man, die daar volgt en voor wien zichalle hoofden als door een tooverslag ontdekken, is een der Burgervaderen. Ook onze vreemdeling neemt den hoed af en staart met diep ontzag, ja, niet zonder eenige vrees, den man aan, die wellicht hier of daar in Europa, een vrede tusschen twistende Mogendheden heeft helpen bewerken, of een krijg ontstoken, of een zeetocht heeft bijgewoond, en die in allen gevalle binnen zijne stad een gezag uitoefent, waarbij dat van een Autocraat der Russen of een Koning der Franschen nauwelijks despotiek te noemen is.En toch, die honderden, die uithoofde van hunne bezigheden of uit tijdverdrijf het stadhuis bezoeken, en daarom den Dam oversteken, wat zijn zij, in vergelijking van die duizenden, die om andere redenen zich op het marktplein bevinden? Hier ziet men den stroom, die onafgebroken door de beide ingangen der Waag op- en afvloeit: boeren en boerinnen uit Waterland, uit Sloten, uit Amstelveen, uit Weesperkarspel, uit Diemen, uit het Gooi en het Sticht, met hunne bonte en rijke kleederdracht, met de keur van gouden en zilveren oorijzers en bloedkoralen snoeren, die voortbrengselen van hun landbouw ter markt komen brengen:—koopers, die hun gading komen zoeken. Wat verder ligt de vischmarkt: hier vindt men visschers uit Huizen, uit Marken, uit de zeedorpen langs het IJ, met hunne breede schouders en wijde broeken: op eenigen afstand van daar ontmoet men tuiniers en fruitverkoopers, warmoeziers uit de vette kleigronden en uitgemalen polders om de stad, en het gastvrij hier opgenomen kroost van Israël, hunne waren achter kruiwagens en stalletjes ventende. Daar dringt zich eene schaar bijeen om te hooren, wat tijding of bericht of keur er van de pui van ’t Raadhuis wordt afgelezen; of om met vroolijk gejuich dat bruidspaar te begroeten, hetwelk onder ’t loover strooien de kerk verlaten heeft en met een stoet van magen en feestgenooten huiswaarts trekt:—doch wat vooral drukte en vertier geeft, is die wemelende drom, die zijn bestaan in den handel vindt: geen hoek der wereld, die hier niet vertegenwoordigd wordt. Gij vindt er den blonden Engelschman naast den taankleurigen Italiaan: den blauwoogigen zoon van ’t Noorden naast den zwartgebaarden Armeniër: den Spanjaard, in zijn mantel gewikkeld, naast den Persiaan in zijn kaftan: den winderigen Franschman nevens den listigen Moskoviet:—en daartusschen, sjouwers, waagdragers, kruiers, boodschaploopers, kantoorbedienden, makelaars, aansprekers, ambachtslieden, schippers, zielverkoopers, wervers, steenslijpers en straatjongens, alles evenzeer vol drukte en beweging, en woelig door elkander dringende.Doch wat behoef ik eene beschrijving van den Dam, zooals die vroeger was, in proza te geven, als ieder die lezen kan in Vondels heerlijke verzen, gelijk zij voorkomt in zijne inwijding van ’t Stadhuis. Ik schrijf die hier niet over, eensdeels uit luiheid: ten andere, omdat ik de critiek niet tergen wil, die mij dat aanhalen van verzen uit Vondel reeds verweten heeft: ten derde, en wel voornamelijk, om uwe nieuwsgierigheid te prikkelen, opdat gij die zelve bij den dichter opzoekt en naleest.Wij volgen onzen vreemdeling, nu hij, na zijne oogen verzadigdte hebben met het schouwspel, dat de Dam hem aanbood, de Kalverstraat inslaat, om, deze volgende, den nieuwen uitleg der stad te gaan bezoeken. Hij loopt, ’t is waar, gevaar, in de volte een duw of trap van dezen of genen driftigen voorbijganger te krijgen; doch hij is ten minste vrij zeker, niet overreden te zullen worden; want behalve eene enkele dokterskoets, of een handwagen, of eene kar, ontmoet hij geen rijtuig: veilig en onverlet geraakt hij in de Nieuwe Stad, op die trotsch gebouwde Heeren- en Keizersgrachten, waar de vermogende Patriciërs een deel hunner overwinsten besteed hadden aan ’t stichten van prachtige paleizen. Ook hier heeft wederom de individueele smaak van iederen eigenaar of bouwheer gezorgd, dat de eentonigheid werd vermeden. Geene gelijkvormige huizen, zooals andere moderne steden ons aanbieden, waarbij elke woning zoozeer op de overige gelijkt, dat men ze alleen door de huisnummers onderscheiden kan, en gedwongen is, met den naam van den vriend, bekende of leverancier, wien men bezoeken wil, tevens diens huisnummer in het geheugen te bewaren. De huizen zijn nog ongenummerd; maar zij zijn kenbaar aan de zinnebeelden, die in gehouwen of gebeitelden steen den gevel versieren, aan de spreuk of het jaartal, in gulden letteren op het frontispies uitgedrukt, aan het kunstig loofwerk of anderen pronk, aan dak en kroonlijst aangebracht; aan de verscheidenheid van vorm en bouwtrant. Hier ziet men hardsteenen gevels: daar is aan Benthemer of Bremer, meest aan gebakken steen, de voorkeur gegeven: hier zijn het Tritons of Nereïden, daar Dolfijnen en zeepaarden, leeuwen, beren, adelaars en griffioenen, elders hoornen des overvloeds, overal snij- of krulwerk, dat dien gevel bekroont. Langs statige dubbele stoepen, voorzien metpracht van leunen,Die hun adel ondersteunen,stijgen de trotsche bewoners naar hunne huizingen op. De dubbele voordeur opent zich en doet een portaal aanschouwen, met marmeren vloer en marmeren plinten aan de zijwanden: marmeren platen dekken de trap, die naar boven voert, en ’t hooge trapportaal: van eikenhout, kostbaar gebruineerd, zijn de plinten en kruiskozijnen der voorvertrekken: tapijten uit Smyrna of Perzië dekken de vloeren, in gouden lijsten omvat damast de wanden: keurig schilderwerk van de beroemdste meesters, beeldwerk van Quellijn, versieren den schoorsteen en de vakken van de deuren; en uit onschatbare ebbenhouten pronkkasten blinken allerwegen het fijnste Chineesche porselein, het keurigste lakwerk van Japan, het kostbaarste Venetiaansche kristal, het kunstigst bewerktefil de grain, bekers en beelden van hoorn, van ivoor, van parelmoer, gouden trouw-, lijk- of geboortepenningen, en een niet te noemen schat van zeldzaamheden u tegen.Maar ik vergeet, dat wij onzen vreemdeling ter zijde blijven en niet het binnenste der woningen, maar het uiterlijk voorkomen der stad beschouwen, en nog geen woord gesproken hebben van hetgeen het sieraad uitmaakt van Amsterdam, en de stad een tweede—neen, een ander Venetië doet zijn, t. w. van de omstandigheid, dat al het heerlijke, ’t welk zich aan uwe oogen vertoont, zich spiegelt in ’t helder kristal der tallooze wateren, die de stad in elke richting doorsnijden. En nog levendiger, zoo mogelijk, dan op de straten en de kaaien, is het op den Amstel en op de breede zijarmen, waarin zijn stroom zich verdeelt. Overal schuiten en schepen, die elkander ontmoeten, met balen, met kisten, met vaten, met koopwaren van allerlei aard, met turf, met groenten, met levensmiddelen of benoodigdheden:—daartusschen groen geverfde speeljachten, boeiers, tentschuiten, wier gouden lijsten en gouden krulwerk flikkert in het licht der zon—en eindelijk hier en ginds blanke zwanen, die zich in het bont gewoel vermaken.Zoodanig was het schouwspel, dat Amsterdam aanbood, nog eene eeuw nadat Huygens de regels dichtte, hierboven aangehaald. Wat dunkt u, was er stof voor onzen vreemdeling, om verbaasd en opgetogen te zijn?En wat heeft men sedert van Amsterdam gemaakt?Het Amsterdam van thans vluchtig bekeken.Wij beginnen deze reis onze wandeling van den Dam.—Wat is er geworden van het wonderstuk van Stalpaert en van Van Kampen? van dat Raadhuis, versierd door de kunst van Flink, van Bol, van Koning, van Stokkade, van Fidias-Quellijn, waar binnen elk schilderstuk, elk festoen, elk beeld, elk basrelief tot een zinnebeeld strekte in harmonie met de bestemming van de zaal, de galerij, het vertrek, waartoe het behoorde?—dat Raadhuis, van waar de achtbare burgervaderen van Gijsbrechts stad,Gezeten op zijn schilt met kruyssen overladen,hun bevelen gavenUrbi et Orbi? nog altijd staat het op zijne oude plaats, maar.... ledig 357 dagen van ’t jaar.De acht overige dagen wordt het bevolkt en speelt het de rol van een koud, tochtig en onbewoonbaar paleis.De groote hal, de verzamelplaats voorheen der menigte, nu door vier looze wanden van beschilderd behangselpapier afgescheiden van de zijgalerijen, is in eene zaal herschapen, waar verschoten gordijnen hangen, en de marmeren vloer, met zijne aard- en hemelsferen, is met een kleed bedekt en sedert vijftig jaar onzichtbaar voor de bezoekers.En, nu men eens dit gebouw aan zijne oorspronkelijke bestemming had onttrokken, begreep men, op dien fraaien weg te moeten voortgaan, en had er eene reeks van herscheppingen plaats, aanzienlijk genoeg om een dubbeltal aan die, welke Ovidius bezongen heeft, toe te voegen. De zetel van de stadsregeering en der vierschaar was vroeger een, omdat beide lichamen tot eene en dezelfdemacht behoorden: daarom werden zij dan ook, toen zij den Dam verlieten, in een zelfde lokaal overgebracht, en wel op ’t Prinsenhof, waar voorheen de Admiraliteit bijeenkwam. De rechterlijke macht trok later elders heen; en zoo werd het Prinsenhof van een half Raad- tot een geheel Stad-, later tot een Gemeentehuis ingericht,—een Gemeentehuis, zoo gelukkig gelegen, dat men het, men kome van wat zijde men wil, niet genaken kan dan door stegen, of door eene straat, die nauwelijks dien naam verdient.Het Oude-mannenhuis werd half aan ’t Gasthuis getrokken, half in eene Academie voor beeldende kunsten omgeschapen.De Vleeschhal is gehalveerd en eene stadsdrukkerij, eene vergaderplaats voor het Geneeskundig Toevoorzicht, een Commissariaat van Politie; de hemel weet wat al meer, geweest.Het Staalhof is insgelijks gehalveerd, tot collegekamer en tot Commissariaat van Politie ingericht.De St.-Antonies Waag werd een uitdragerswinkel.De Regulierswaag een cachot.De Waag op den Dam werd eenvoudig weggebroken, evenals de Jan-Rooden-Poorts- en Haringpakkers-toren.Het Nieuwe-Zijds-Heeren-Logement werd een weeshuis.Het Oost-Indisch Huis werd voor de helft aan het Bestuur der Rijks-Belastingen afgestaan, en voor de andere dient het tot een Werfhuis.De Beurs werd weggebroken: om het gemis te vergoeden, bouwde men op de vischmarkt een Ionisch voorportaal en daarachter een Dorisch tempeltje.Op de plaats, waar Costers Academie gestaan had, werd, nadat deze verbrand was, een huis gezet, dat tot Armenkantoor dient;—en in afwachting, dat men een nieuwen schouwburg zou stichten, plaatste men aan een uithoek der stad een houten loods, die daar weldra honderd vijftig jaar zal gestaan hebben.... altijd provisioneel.Het Sint-Jorishof gaf logies aan ’t Syndicaat; het Spinhuis aan de Politie.Het geestig beeldwerk boven de poort van ’t Tuchthuis werd onder een houten kast verstopt, en deze met een lauwerkrans versierd.Maar het zonderlingst werd er gehaspeld met het Aalmoezeniers-Weeshuis: 2/3 er van werden ingericht tot Paleis van Justitie, en zulks met zooveel overleg, dat men altijd, om van ’t eene gedeelte naar ’t andere te komen, twee pleinen over moet—wat bij sneeuw of regen zeer vermakelijk is. Van 1/6 maakte men eene Stads-Bibliotheek; en van het laatste 1/6.... een Cholera-Hospitaal.Voor de Beambten ter Griffie van het Hof, of voor hen, die aldaar iets te verrichten hebben, is het zeker eene ongemeene verstrooiing, de lijders in de ziekenzaal te hooren kermen en te zien zieltogen.In ’t kort, wie Amsterdam thans doorwandelt, zal moeite hebben om—op zeer enkele uitzonderingen na—de bestemming te raden van eene der publieke gebouwen, welke hij voorbijwandelt.En dit is nog het minst; want over ’t geheel is de uiterlijkegedaante dier gebouwen eenigszins bewaard gebleven; maar erger is het gesteld met die van de bijzondere woningen, wier eigenaardig karakter òf reeds verdwenen is, òf van lieverlede geheel te niet gaat.De schilderachtige luifels, waaronder het huisgezin in de zomeravonden vergaderde, om een luchtje te scheppen en de kinderen speelden, bestaan niet meer dan in de herinnering: en evenzoo de uithangborden. Ook de stoepen zien wij langzamerhand wegbreken: de stoepen, op wier bank de huisvader zijne pijp placht te rooken, terwijl zijn gezin voor ’t open raam zat. En, ware dit het ergste nog;—maar, wat ten hemel schreit, bij elke vertimmering wordt met den meesten ijver gezorgd, dat al wat aan het huis eenige originaliteit schonk, voor altijd daaraan ontnomen worde. Onze woningen waren, als ik reeds heb herinnerd, met snij-, beeld- en loofwerk op kwistige wijze overladen. De gevel liep piramidaalvormig met trappen op of in grillige festoenen, die, met een plat of driekant dekstuk bekroond, zich slingerden ter wederzijden van de zolderraampjes en van den hijschbalk, zoodat het bovendeel der woning ons niet zelden het borstbeeld van een onzer grootvaders met zijne deftige gekrulde pruik of van zijne gade met haar huiskapje herinnerde.Aan deze wel phantastische, maar toch oorspronkelijke en pikante bouworde hebben onze nieuwerwetsche.... timmerlieden een verdelgingsoorlog verklaard.Simplex sigillum veri—„het eenvoudige is het zegel van het ware”, is de spreuk, welke zij gekozen hebben, en die hen inderdaad ontslaat van de moeite om eenigen kunstzin ten toon te spreiden of om iets te vervaardigen, waaraan een bouwkunstig denkbeeld te herkennen is. En daarom vertoont de voorgevel van het gemoderniseerd (?) gebouw eenvoudig een naakten muur, met eene vierkante deur, en voorts, naar gelang der breedte, twee, drie, vier of meer ramen nevens elkander op de eerste verdieping: even zooveel op de tweede, op de derde enz. tot op de bovenste toe:—en boven dat alles een geel geschilderde kroonlijst, aan beide zijden rechthoekig afgezaagd, opdat men toch niet de illusie zou hebben, dat zij om ’t huis heenliep, maar wel goed bemerken, dat zij alleen dient, om het daarachter loopend dak te bemantelen.Ik voeg er bij, om de schildering te voltooien, dat, terwijl onze voorouders naar hunne woningenopgingen, wij thans soms naar de onzeafgaan, daar de drempel niet meer boven, maar dikwijls onder den beganen grond wordt aangebracht. Zou dit dalen tegenover het vroegere rijzen, eene zinnebeeldige beteekenis hebben, en in verband staan met de historie van de welvaart der stad?Dat alles is zeker heel vernuftig; doch het zal Amsterdam al zeer spoedig zijn ouden roem als eene der schilderachtigste steden van Europa doen verliezen niet alleen, maar al wie het voortaan bezoekt, doen vragen of de huisjes uit de kinderspeeldoozen het model tot den herbouw geleverd hebben.Tot zooverre de huizen: nu wat de straten betreft:Terwijl men vroeger, als gezegd is, daarover heen en weerspanseerde zonder gevaar van armen of beenen, misschien zijn leven, onder een rijtuig te verliezen, weet men thans, vooral op de hoeken van nauwe stegen, nauwelijks hoe zich te keeren of te wenden. De oude keuren, die niet dan met bijzondere vergunning het gebruik van eenig gewield voertuig gedoogden, zijn vervallen, als niet in verband met den geest der eeuw, die vooruitgang, liefst hollenden vooruitgang, eischt—wat echter voor den voetganger minder aangenaam is. Ongelukkig heeft men niet willen begrijpen, dat onze stad, evenmin als Venetië, gebouwd is voor hen, die per fors rijden willen. De waterwegen, waarvan men zich oudtijds bij voorkeur bediende, zijn in onbruik geraakt, zooverre het den vervoer van personen geldt, en in de plaats der jachten en tentschuiten, die vroeger zonder gerucht over het water gleden, snorren thans koetsen, glazenkasten en omnibussen over de straten. De draagkoets bestaat sedert lang niet meer; doch ook de toeslede, zoo veilig en zeker, wordt meer en meer vervangen door hossende vigilantes, bij welker afrijden van eene sluis het onzeker is, wie in den grootsten angst verkeeren moet, hij, die er in zit, of de voorbijganger. Ja zelfs de kruiwagens verminderen in getal, sedert de schuiteveeren vervallen, en maken plaats voor die vierkante bakbeesten, die men goederenwagens noemt, en wier bloot gezicht reeds een mensch den schrik op ’t lijf jaagt.In de meeste steden van het buitenland heeft men afzonderlijketrottoirsvoor den voetganger:trottoirs, hooger dan de straat en waar men dus veilig is voor de rijtuigen: hier is geen keur machtig, deze laatsten te beletten, den voetganger van de kleine steenen te dringen en hem in nauwe straten te klemmen tegen het hekwerk voor een winkel of tegen de stijlen van een hoekhuis.—Van kleinere onaangenaamheden, als het slijk en zand, dat u om de ooren of over de kleeren spat, wil ik niet eens gewagen.Wat elders ook voor den voetganger een toevluchtsoord aanbiedt, zijn de talrijke zoogenaamdepassages, waar men veilig kan wandelen, koopen en flaneeren.—In alle groote steden bouwt men er nieuwe,—in Amsterdam is de eenige, die er bestond, de doortocht door ’t Oude-mannenhuis,—in verval en de winkels sedert lang gesloten.En toch ware er van de Kalverstraat eenepassagete maken, die voor niet eene in de wereld zou behoeven onder te doen.Ik sprak zooeven van het verval der waterwegen ten gevolge van het in onbruik raken der keuren tegen de rijtuigen; doch er is nog eene andere reden, waarom die wegen sedert lang verlaten zijn.—Ook nu nog is het gezegde van Huyghens, dat devreemdelingh behoort te swijmen, volkomen van toepassing, ja in sterkere mate zelfs dan voorheen. Maar er is een onderscheid: indien hij nuswijmt, ’t is niet ten gevolge van ’t geen hijziet, maar van ’t geen hijruikt. De zwanen zijn dan ook voor altijd weggereisd of gestorven, en dat wel zonder zwanenzang op Amsterdams vervallen liefelijkheid.Aan het bezigen van den waterweg eigenden zich met recht desierlijke kaaien, van steen of wel van net getimmerd hout vervaardigd, en door den bewoner van het daar tegenoverliggend erf bestendig in goede orde onderhouden. Zeker zou in vroegere dagen niemand gedroomd hebben, dat onderhoud te willen schuiven op de Gemeente: en de Overheid zou het hem, die zoo iets beweerd had, wel anders geleerd hebben. Ook zouden de bewoners van zijstraten en stegen met reden gevraagd hebben, hoe men hen in billijkheid kon noodzaken op te brengen voor kaaien, waarvan zij geen gebruik hadden.—Dan, gelijk ik zeide, die gedachte om zich van het onderhoud te ontslaan, was bij niemand opgekomen: immers tegenover het bezwaar stond het genot. Aan de kaai over zijne deur had ieder bewoner zijne ijzeren ringen, waar zijn jacht, zijne tent- of pakschuit, zijn turf- of houtschip aan vastgemeerd werd, en waar geen vreemd vaartuig het waagde, zonder zijne toestemming, aan te leggen. Dat alles is thans over. Eene uitspraak van den Hoogen Raad—van welke uitspraak men zeker niet kan zeggen, dat zijkantnochwalraakt—heeft de eigenaars der woningen, langs de grachten gelegen, ontheven van een servituut, vroeger door hen als een privilege aangemerkt. De arme gemeentekas is bezwaard geworden met het onderhoud der wallen: en de ingezetenen, uit wier beurzen de kosten toch per slot moeten komen, hebben er nu, behalve het equivalent, alleen dit bij gewonnen, dat de nieuwe schoeiingen—want geen anderen naam verdienen zij—in volkomen harmonie zijn met de stinkslooten, die daartusschen hare pestwalmen doen opstijgen.Ik zou wel eens willen weten, wat de beroemde mannen onder onze voormalige stadgenooten, die Amsterdam in zijn vollen luister gekend hebben, wel zouden zeggen, als zij weder eens in levenden lijve over onze straten konden wandelen, mannen b. v. als Cornelis De Graef, Nikolaas Tulp, Bartholomeus Van der Helst, Joost Van den Vondel, Michiel Adriaensz. De Ruyter en Jan Claeszen.Een hoofdstuk, dat tot een aangenamen overgang verstrekken moet, om het volgende hoofdstuk voor te bereiden.De schrandere lezer, die ongetwijfeld door en door bekend is met de geschiedenis des vaderlands, zal hier gewis reeds hebben opgemerkt, dat ik mij ten opzichte van de volgorde, waarin ik bovenvermelde groote mannen geschetst heb, van een figuur heb bediend, welke men in de Rhetorica gewoon is eenclimaxte noemen, en daarbij den graad hunner betrekkelijke vermaardheid heb in acht genomen. Ik ben toch niet volkomen zeker of gij u wel precies herinnert, dat Cornelis De Graef leefde in den tijd, toen de Raad zich met het bouwen van het Stadhuis bezighield en niet met het zoeken naar een equivalent, dat een zijner zonen den eersten steen van dat gebouw leide en hij zelf bij de inwijding als Burgemeestervoorzat, dat hij talrijke diensten aan zijn Vaderland bewees, tweemalen een burgeroorlog voorkwam en den jongen Prins Willem III tot mede-voogd verstrekte.—Ik heb evenmin de overtuiging, dat gij Tulp anders kent, dan uit de schilderij van Rembrandt, en dat gij weet, hoe hij niet alleen door zijne verdiensten als geneesheer, maar ook door zijne wakkerheid als Regent, de hulde van tijdgenoot en nageslacht verdiende. Maar wat Van der Helst betreft, gij hebt ongetwijfeld zijn Schuttersmaaltijd gezien—naar welken onze Kaiser onlangs zulk eene voortreffelijke plaat heeft geleverd—hoewel gij misschien niet gelezen hebt, dat hij veel geld voor zijne portretten maakte en in zijn tijd meer in trek was dan Rembrandt.—Joost Van den Vondel kent gij evenzeer als den schrijver van Gijsbrecht, welk stuk alle jaren vertoond wordt. In ’t voorbijgaan gezegd, hij wasnietde schrijver van Kloris en Roosje,—uit welk kluchtspel men sedert eenige jaren al de oorspronkelijke liedjes, die geestig en naïef waren, heeft gebannen, om ze in watermelkdeuntjes te veranderen:—en dat zonder iemand te waarschuwen.Wat De Ruyter betreft, gij hebt zijn graf in de Nieuwe Kerk en zijne levensbeschrijving in het boekje van ’t Nut zeker wel onder de oogen gehad en hij zweeft u alzoo voor den geest als een zeeheld, die thuis gelijk een burgerman leefde en zich met geen politiek ophield.Maar beter dan al de overigen kent gij Jan Claeszen, ’t zij dat gij hem op uwe kinderpartijtjes in de vermaarde ronzebons vanLa Hayezijne kunsten hebt zien vertoonen, ’t zij dat hij voor ’t huis uwer ouders voor een zesthalf—neen, in uwen tijd, lieve lezeres! die nog jong en schoon zijt, voor een kwartje—eene representatie gaf, waarbij gij met uwe broertjes en zusjes of neefjes en nichtjes op de vensterbank geknield laagt, met de neuzen plat gedrukt tegen de ruiten, terwijl een troep groote of kleine kinderen van de straat het spektakel gratis aanschouwde, ’t zij eindelijk, dat gij zelf—dit geldt u lezer!—op een der stadspleinen de vertooning stond aan te gapen en daarbij een eerbiedigen afstand bewaardet, niet zoozeer uit vrees dat „de vrouw” ook bij u met haar bakje komen zou, om uw duit op te halen, als wel uit zorg voor „uw fatsoen”.—Gij allen kent dus Jan Claeszen, en hebt u er nooit over bekommerd, hoe die dubbel gebochelde, roodgeneusde, phantastische held, die oorspronkelijk Pucinello heette, doch wien de Italianen, Franschen, Engelschen en Duitschers, elk naar hun lievelingsgerecht, Macaroni, Jean Potage, Jack Pudding (later Punch) en Hansworst doopten—aan dien naam gekomen is, dien hij bij ons verkregen heeft. Zijt gij verlangend, hieromtrent iets te vernemen, dan wil ik gaarne uw weetgierigheid voldoen. Gij hebt wel gehoord—en kunt het anders bij Wagenaar lezen—hoe, na den dood van Prins Willem III, de aristocraten hier te lande in hunne wijsheid begrepen, dat zij ’t evengoed zonder stadhouder konden doen. Zij vonden ’t niet onaardig alle macht in den Staat tot zich te trekken, en zich ook die privilegiën en prerogatieven toe te eigenen, welke de Prins tot dien tijd bezeten had. Zoo werd, ondermeer, door hen besloten, de voormalige Garde van den Prins te herscheppen in eene lijfwacht der Staten van Holland. Dit had echter geen plaats zonder dat men te dier gelegenheid verwijderde al wie onder dat korps van Prinsgezindheid werd verdacht gehouden; en onder hen, die men uit dezen hoofde afdankte, bevond zich ook een trompetter, Jan Claeszen geheeten. Deze, nu buiten dienst gesteld en verplicht eene andere broodwinning te aanvaarden, wijdde zich der kunsten toe, zette zich te Amsterdam neder en vertoonde aldaar eene ronzebons op straten en pleinen. Niet tevreden echter van zijne drama’s op te voeren, zooals zij oorspronkelijk geschreven waren, doormengde hij die met grappige zetten en kwinkslagen, en lei zijnesujetten, vooral zijne hoofdpersonen, menigen zet in den mond tegen de toenmalige landsregeering. Ik durf niet verzekeren, dat zijne aardigheden even kiesch en vernuftig waren, als van een modern oppositieblad, doch zij waren wellicht te meer geëigend, om aan zijn publiek te behagen, en hemzelven tot de lieveling der Prinsgezinde burgerij te maken. En zoo werd langzamerhand hij zelf vereenzelvigd met zijn hoofdpersoon; de naam van Hansworst, dien de echtgenoot van Katrijn tot dien tijd gedragen had, werd door den zijnen verdrongen en in voortdurenden roem leeft bij ons de onsterfelijke Jan Claeszen.Doch wat zeg ik?—Helaas! groot is mijne vrees, dat het met die onsterfelijkheid ook al mis is, en dat, evenals andere groote mannen, ook zelfs Jan Claeszen bij ons in ’t vergeetboek dreigt te geraken. Hij, het echte type van den wijsgeer, de man, die geene zorgen kent en met den dag voortleeft, die zich over niets bekommert, mits hij den tijd doorbrenge met eten, drinken en deuntjes zingen; die met ieder in vrede is, maar ook niet uit zijne gelijkmoedige rust gestoord wil worden, noch door eene kijvende vrouw, noch door kinderen, die om brood janken, noch door een huisheer, die hem manen komt, noch door een werf-officier, die voor het verstrekte handgeld zijne diensten opvordert, noch door den barren Droes, die hem met zich mee wil pakken, en die tegen al die lastige kwelgeesten maar twee argumenten heeft, zijn holsblok en zijn stok—hij, dat echte toonbeeld van ware levenswijsheid, begint bij de directeurs van wandelende theaters reeds een deel van zijne originaliteit te verliezen, ja reeds houdt hij hier en daar op de hoofdpersoon te zijn. De oude ronzebons zelve, verbreed en vergroot, wordt verbasterd tot eene marionettenkast, met beweegbare figuren, tot een zouteloosthéatre de métamorphoses. Nog onlangs stond ik bij avond op het Koningsplein te Amsterdam gedurende tien minuten naar eene zoodanige vertooning te kijken: in die tien minuten zag ik letterlijk niets anders dan een bordpapieren ruiter, wiens paard nu eens op de voor- dan weder op de achterpooten ettelijke kapriolen en evoluties maakte.—„Ik packte my van daer”, zooals Gijsbrecht zegt, innig bedroefd over den verloop der tijden en tevens het geduld bewonderende der toekijkers, die van zulke flauwheden niet wegliepen. Ik bewonderde ook een klein weinig mijn eigen geduld, dat ik het nog tien minuten had uitgehouden.Ik heb straks gezegd, dat Jan Claeszen (de trompetter namelijk) vreemd zou opkijken, als hij Amsterdam nu terugzag. Ik vrees, dat de tijd zal aanbreken en niet verre meer af is, waarin hij er niet alleen de jachten, de luifels, de zwanen, den Jan-Rodenpoortstoren, de toesleden, de haringpakkerij, de houten schoorsteenen, het Doolhof, de aansprekers, maar waarin hij er zichzelven niet meer zal terugvinden.Maar dan zal ook Amsterdam wel voorgoed ten val zijn geraakt.Over drie groote en miskende stadgenooten.Ik heb in het vorige hoofdstuk, hoezeer dan maar in ’t voorbijgaan, den naam van La Haye genoemd, en bij het herdenken aan al wat Amsterdam verloren heeft, zonder het weder vergoed te zien, is het mij eene behoefte, ook bij dezen beroemden man eene wijle stil te staan en zijne gedachtenis te verbinden aan die van twee andere illustratiën, wier taak en wier lust het evenzeer was, werkzaam te zijn tot nut en vermaak hunner jeugdige stadgenooten, en wier namen ik mij niet voor den geest kan brengen, zonder dat bij mij een zoet en aandoenlijk gevoel van dankbaarheid oprijst voor de genoegelijke uren, die zij mij verschaft hebben, uren, hoedanige geen latere leeftijd mij heeft teruggegeven:—Beekman en Laurens. Met La Haye vormen zij het schoonst en liefelijkst klaverblad, dat wellicht eens gebloeid heeft: een driemanschap, meer waardig bezongen te worden, dan dat andere driemanschap, eens te Rome door heerschzuchtige tirannen gevormd. Het was door moord, door plundering, door brandstichting, door al de gruwelen van den burgerkrijg, dat zich dit laatste berucht maakte: het waren dans en feestvreugde en gejubel, waar onze Amsterdamsche Driemannen hunnen naam door vestigden. Het Romeinsche Driemanschap omschanste zich met krijgsvolk en bundelbijlen: het onze voerde de Muzen, de Lachjes en Gratiën in zijn stoet. Klaroengeschal en wapenklank kondigden Octavius, M. Antonius en Lepidus aan: viool en lier vermeldden de verschijning van La Haye, Beekman en Laurens.—Toen ik hen kende, ging ik ter Fransche schole en wanneer ik ’s avonds werd gehaald en naar den sterrenhemel zag, vestigde ik doorgaans mijne bijzondere aandacht op den Orion, vooral op de drie hoofdsterren van zijn gordel: en dan kwam het mij meermalen in den zin, dat, evenals de beroemde helden der oudheid, na hun dood een bepaald gesternte ter woon en onder hunne bescherming verkregen, de doorluchte Drie, die mijnen kameraden en mij zooveel genoegen verschaften, in dien gordel een hunner waardige plaats zouden kunnen bekleeden.Of zij naar dien gordel verhuisd zijn, weet ik niet: wel, dat zij eene plaats verdienen in de galerij van beroemde Nederlanders, door den Boekhandelaar Coster geopend, en thans overgenomen en vervolgddoor mijn geachten vriend, den Boekhandelaar Van Kampen. En, ten gerieve van hun toekomstigen levensbeschrijver, laat ik hier eenige bijzonderheden, hen aangaande, volgen, waaruit overvloedig zal kunnen blijken, dat de lof, hun door mij gegeven, in geenendeele overdreven is.Wat, in de eerste plaats, La Haye betreft, ik ken zijne geboorteplaats niet en ik geloof evenmin, dat, gelijk dit plaats had ten opzichte van Homerus, zeven steden om dien eeretitel zullen kampen. Niet, dat hij dien wedstrijd onwaardig zou zijn; maar ik twijfel er aan of hij het eerste licht in eene stad aanschouwd heeft. Ik durf de gissing wagen, dat hij een regimentskind was, en dat hem zijne moeder in ’t veld, achter eenehaagter wereld bracht, op welke bijzonderheid hij bij het kiezen van een naam zal gezinspeeld hebben. Wat zijn uiterlijk betrof, hij was kort en mager, had gekruld zwart haar, eene kale plek op de kruin en levendige grijze oogen. Zijn gezicht was kleurig—wat lasteraars aan het gebruik van brandewijn toeschreven; ofschoon mij uit geloofwaardige berichten gebleken is, dat hij de voorkeur gaf aan Schiedammer vocht,—en een weinig pokdalig. Zijne kleeding was thuis een belapt buis, en op partijen eene grijs blauwe frak met hoogen kraag en tinnen knoopen, eene hooge witte das, breed als een tafellaken, en voorzien met een monsterstrik, een rood vest met blauwe bloemen en gele strepen, eene nankingsche korte broek, grijs- en witgestreepte kousen en schoenen met linten—als overeenkomstig met de mode uit den tijd van hetDirectoire.—Natuurlijk trok hij zijn rok uit, als hij zich binnen zijn theater bevond.Wat zijne sujetten betrof, hoezeer hunne voornaamste bezigheid bestond in elkander af te ranselen, zoo moet ik hun ter eere zeggen, dat zij, buiten het tooneel zijnde, hun Directeur nimmer eenigen last veroorzaakten: zij keven niet onderling, noch toonden eenigen nijd of jaloezie, maar slingerden naast elkander in de beste harmonie; gingen zich verder niet te buiten aan sterken drank en dreigden nimmer zich, indien men hun appointement niet verhoogde, aan een ander theater te engageeren. In één woord, zij vormden een volkomen tegenbeeld van alle mogelijke andere verledene en toekomstige tooneelgezelschappen. Van de tegenwoordige wil ik, om goede redenen, niet spreken.Hetrépertoirevan La Haye bood weinig verscheidenheid aan. Behalve de gewone huislijke oneenigheden tusschen Jan Claeszen en zijne wederhelft, daaruit voornamelijk ontstaande, dat hij, volgens haar beweren, naar anisette, en zij naar klare jenevermet suikerrook, en de minnarijen van den schoonen Lujander met de bekoorlijke wederhelft van den Ouden Heer, een lief schepseltje van „zeuventien d’half jaren en zeuven maanden”, hadden wij altijd de vermakelijke vertooning van Jan Claeszen, die in zijn slaap gestoord wordt door de kapelletjes, die zich op zijn neus zetten, en welke hij, wakker geworden zijnde, onder ’t geroep van „witje, witje! hoog, hoog! witje, witje! laag, laag!” vervolgde, zonder ze ooit te kunnen krijgen. Doch descène, die ons de meeste pret verschafte,was die, waarin Jan Claeszen, in de bakkerij geslopen, den oven bestal, en zijn roof—onder zijne handen in ulevelletjes en chocolaadjes herschapen—met volle armen over ons uitstrooide. Dan kwam de bakker, met zijne gebloemde japon en de slaapmuts op ’t hoofd, vond zijn oven ledig, en zocht den dief, die altijd achter het linksche gordijntje wegschool, wanneer de bakker achter het rechtsche keek en omgekeerd. Dan riepen wij den bakker toe, waar hij zoeken moest; doch de man kwam gedurig te laat; totdat Jan Claeszen, meer en meer vermetel, zich verstoutte hem op allerlei wijze te foppen, door hem achterna te volgen, bij de muts, bij het staartje in zijn nek te trekken, dit laatste in brand te steken, enz. en zich dan spoedig weer weg te maken. Eindelijk kreeg de bakker hem: zij raakten handgemeen en het slot was, dat, tot ons groot vermaak, de bestolene in zijn oven verbrand word. Ik weet niet, hoe ’t mijnen speelmakkers gegaan is, noch of zij later, bij het zien van een honderdtal melodrama’s, waarin altijd de deugd triomfeerde en de misdaad gestraft werd, bij de ontknooping even koel zijn gebleven als ik doorgaans was; maar dit weet ik, dat, bij die van het drama in de ronzebons, wij allen de zegepraal der misdaad, die dansende en zingende wegtrok, met schaterend gejuich en handgeklap aanschouwden.—’t Is waar; de ulevellen en chocolaadjes hadden ons tot medeplichtigen gemaakt.De eenige afwisseling, welke ik mij herinner, dat de voorstellingen van La Haye opleverden, was deze, dat hij als tusschenspel—intermède choregraphiquezou men het thans noemen—twee mooren, nu eens met bekkens, en eene andere reis met waskaarsen, liet dansen. Tot schande voor mijn goeden smaak moet ik zeggen, dat mij die dans altijd verveelde. Reeds toen—en het is mij later bijgebleven—moest ik de menschelijke stem hooren of eene dramatische actie zien; maar al wat bloot vertooning was en wat lang duurde, heeft mij nimmer kunnen behagen: en ik herinner mij, bij den dans van Taglioni gegaapt te hebben en in den dut te zijn gevallen bij het fraaiste carrouselrijden in ’t paardenspel; terwijl ik, wat balletten betreft, nog altijd het meeste vermaak schep in eene Harlekinade.Verder geloove men niet, dat een uit het publiek, ’t welk de vertooningen van La Haye bijwoonde, naar de opvoering van iets nieuws verlangde. Neen, met hetzelfde genot, waarmede thans een dilettant voor de honderdste maal de Norma, de Barbier of de Freischutz ziet opvoeren, naarmate hij een voorstander is van Bellini, Rossini of Weber, zagen wij telkenreize het tooneel, waarin Jan Claeszen zich doof houdt tegenover den huisheer, en Katrijn dezen met stokslagen betaalt; en dat andere, waarin de acteurs een voor een in de kist worden gestopt, met hernieuwd vermaak terug: ja wij waren geheel niet tevreden, indien er in het gewoon programma eenige verandering plaats had.Over de verdiensten van La Haye als directeur van den dans, zal ik kort zijn: zij waren ongetwijfeld vele; doch ik was toen nog te weinig ingewijd in de geheimenissen der Choregraphie om zenaar waarde te schatten: dit alleen geloof ik te kunnen aannemen, dat zij niet gelijk stonden met zijne verdiensten als theater-directeur. Nu—het is niet iedereen gegeven in alle vakken uit te blinken, en hoezeerle devin de villageeene lieve operette zij, was Rousseau ongetwijfeld grooter als prozaschrijver dan als componist.Nu een woord over Beekman. Deze was een Amsterdammerpur sangen sprak, dacht, liep en zag er ook uit als een Amsterdammer. Zijne donkerbruine kleeding, eenvoudig en net, en zijn hoofd, met eene bruine, rechthoekigenaturelversierd, alles duidde in hem den man aan zonder pretentie. Als violist en dansdirecteur stond hij wellicht op dezelfde hoogte als La Haye; doch gelijk deze door zijn ronzebons, was gene groot door zijne Chineesche schimmen, welke hij, met behulp van zijn zoon, een bleeken jongeling, met een grijs en blauw gestreept vest, vertoonde. De tooneelstukken, welke hij te voorschijn bracht, waren talrijk en classiek: althans vertrouw ik dat gij, mijn waarde lezer! voor zooverre gij in de literatuur van hetthéâtre des Séraphinsgeen vreemdeling zijt, ze alle kent. Hij gaf ons de voorstelling van het woud met de wilde dieren, den jager, die ze vervolgt, den struikroover, die den armen reiziger om hals brengt en berooft, maar later zelf door den levenden Nikker wordt weggevoerd: die van den buitensingel, met den visscher, die in zijn totebel talrijke stroombewoners vangt: die van de straat, in welke de wandelaars met parapluies uitgaan, waar de wind in vat, zoodat zij met hunne eigenaars de lucht ingaan: die van het hol, waar de toovenaar allerlei veelsoortige verschijningen oproept: die van het huis met de duiventil, waar twee stoute kinderen, ondanks alle verbod, zich op wagen, en die onder hunne zwaarte wegbreekt en met hen instort: die van de gebroken brug met de eendjes, enz. enz. Maar de drama’s, die ons ’t meest plachten te behagen, waren de twee volgende: het eene, dat, waarin twee huisbrekers bij nacht een huis leeg stelen en het vervolgens in brand steken; terwijl de oude podagrist met zijne huishoudster, die het bewonen, niet dan met moeite ontkomen;—het andere, dat van de kat, die den schapebout steelt; terwijl Mietje, die er op passen moest, met haar buurknaap is loopen spelen; hetgeen haar dan ook eene welverdiende kastijding van hare moeder bezorgt.Habent sua fata libelli, zegt de Latijnsche dichter; wat zooveel zeggen wil: „’t loopt al raar met de reputatie van een werk”:—de waarheid dezer spreuk vinden wij opnieuw bevestigd door de merkwaardige omstandigheid, dat treffelijke tooneelstukken als de hierboven genoemde, reeds sedert een paar eeuwen in alle hoofdsteden niet alleen, maar zelfs in kleine dorpen, waar het slechts kermis was, eene welverdiende vermaardheid hebben bekomen, zonder dat iemand in staat zij den naam des genialen schrijvers te noemen, aan wien wij ze te danken hebben.—’t Is waar, dat, van een anderen kant er vele beroemde schrijvers gevonden worden, wier namen overal bekend zijn, doch wier voortbrengselen niemand leest.De Chineesche schimmen werden bestendig achtervolgd door eenChineesch vuurwerk, dat zeer fraai was; doch dat mij, om eene hierboven reeds aangehaalde reden, veel minder vermaakte dan de vertooningen.Groot waren La Haye en Beekman!—doch ze stonden in evenredigheid tot Laurens gelijk Le Brun en Cambaceres tot hun medeconsul Buonaparte. Zoo ik van de beide eerstgenoemde theaterdirecteurs de voornamen niet heb kunnen opsporen, ten opzichte van Laurens is het mij niet gelukt met zijn geslachtsnaam bekend te worden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij er ook geen bezeten en zal hij alleen bij dien zijns vaders zijn bekend geweest, gelijk Mozes, Cyrus, Socrates. Alexander de Groote, en—met wien ik hem in de eerste plaats had moeten vergelijken—Orpheus.—Met dezen toch had hij nog andere punten van overeenkomst. Orpheus bespeelde een antieke, Laurens eene moderne lier: Orpheus trok alle menschen en dieren, Laurens alle kinderen tot zich. Orpheus was het grootst, toen hij in het rijk der schimmen zulk een beweging maakte; Laurens behaalde ook daarmede zijn voornaamsten roem: ja zelfs overtrof hij Orpheus in dit opzicht; want de schimmen, welke hij in beweging bracht, had hij zelf doen ontstaan.Evenmin als Vondel had Laurens te Amsterdam het eerste levenslicht aanschouwd; evenals gene was hij in een Bisdom geboren, Vondel in dat van Keulen, Laurens in dat van Luik. Evenals Vondel bracht Laurens zijne mannelijke levensjaren door te Amsterdam en verwierf er zijn roem. Eindelijk besteedde Laurens, evenals Vondel, den tijd, dien hij niet aan de schoone kunsten wijdde, met de uitoefening van een beroep: en had Vondel een kousenwinkel in de Warmoesstraat, Laurens had een parapluiewinkel in de Wijde Heisteeg—die, in ’t voorbijgaan gezegd, zoo nauw is, dat men haar maar van ééne zijde mag inrijden.Nimmer is de verschijning van een Romeinschen veldheer, als hij zijne zegepraal te Rome vieren zou, nimmer die van een geliefd vorst in eene zijner goede steden, nimmer die van een lang verwachten keizerlijken erfgenaam in dit tranendal, nimmer die van een gemaskerde studentenstoet op een academiefeest met meer ongeduld te gemoet gezien en met hartelijker gejuich verwelkomd, dan die van Laurens op eene kinderpartij. „Daar is Laurens! daar is Laurens! goeden avond, Laurens!” riep dan uit éénen mond de jubelende schaar, die al huppelende om hem heendrong, tegen hem opsprong, en hem in de overmaat der vreugd schier belette verder voort te treden en zich te ontdoen van zijne dubbele vracht.Ik zeg, zijne dubbele vracht; want, zonden La Haye en Beekman hun theater vooruit, Laurens—en hier blijkt wederom hoe ware grootheid steeds met nederigheid gepaard gaat—droeg het zijne op den rug; terwijl hij nog bovendien van voren met zijn lierekast was bezwaard.Eindelijk was het niet, zonder moeite den grooten man gelukt de kist, waarin zijn tooverlantaren en de daarbij behoorende glazen besloten waren, neder te zetten en zich een weg te banen tot aan devrouw des huizes. Bevallig en deftig tevens was daarbij zijne houding, en in overeenstemming met zijn kostuum. Had La Haye in zijn voorkomen iets, dat aan den voormaligen Carmagnool herinnerde, was Beekman de type van den Amsterdamschen burgerman, zij, die Laurens zagen, en niet wisten, dat hij een Luikerwaal was, wilden er op zweren, dat hij tot deémigrésbehoorde. Zijne kleeding toch was, tot in de kleinste bijzonderheden,ancien régime. Het haar, met een weinig poeder bestrooid, wasen aîles de pigeongekapt en van achteren tot een staartje of zoogenaamd „schorseneeltje” vereenigd, dat, vastgebonden met een blauw zijden lint, in eeuwigdurende beweging was. Hij droeg hethabit français, lichtbruin, met breede opslagen en knoopen als drieguldens: tusschen een donkerkleurig vest met breede panden vertoonde zich het hagelwitte linnen, van een geplooiden jabot en manchetten voorzien: op de korte zwarte broek hing een breede stalen horlogeketting: en de bruine floretten kousen staken in lage schoenen met breede spinsbekken gespen. Dat hij bij dit alles, wanneer hij over straat ging, een grooten punthoed droeg en een stok met een zwaren knop, behoef ik nauwelijks te vermelden.Maar dan zijn gelaat! Zeker had de uitdrukking daarvan iets, dat aan allen vertrouwen, en aan de kinderen bovendien hartelijke genegenheid inboezemde, met eerbied gepaard: tot bewijs van dit laatste behoef ik slechts aan te voeren, dat ik ook den ondeugendste onder hen zich nimmer heb zien verstouten in zijne tegenwoordigheid eenige onbetamelijkheid te bedrijven. ’t Is waar—mij is verteld dat eens een kleine bengel de ongehoorde vermetelheid zou hebben gehad, hem aan zijn staartje te trekken. Ik kan het feit niet gelooven;—doch zoo ’t werkelijk heeft plaats gehad, dan moet ik het er voor houden, dat de knaap, die ’t bedreef, zich vooraf was te buiten gegaan aan eenig glas wijn of punch, dat voor de groote menschen bestemd was:—of, indien zoodanige jeugdige booswicht zich werkelijk aan het feit heeft schuldig gemaakt, zonder iets anders gebruikt te hebben dan slappe thee of orgeade, dan verkondigt zulks bij den schuldige op zijnen leeftijd òf eene vroege verdorvenheid, òf een vroegen overmoed, en is hij op mannelijken leeftijd òf aan de galg òf aan een ministerie geraakt.Dan ik wil mij in geene gissingen omtrent zulke droevige uitkomsten verdiepen, waardoor ik het genoegen zou bederven, ’t welk gij, lieve lezeres! ongetwijfeld smaken zult in het lezen, gelijk ik in het opstellen der beschrijving van een dier aangename avonden, zooals Laurens ze ons wist te schenken. Zie! de pret gaat beginnen. Laurens draait aan zijne lier:rijing, rijing, rijingerijingerijing, vat aan iedere hand een klein ventje of meisje, en een groote rondedans vangt aan. Na den eersten toer volbracht te hebben, staat hij stil, en allen met hem.„Een been,” roept hij, steekt het zijne vooruit, en allen volgen zijn voorbeeld.Na de tweede roept hij: „Een been, ander been!” en beide worden achtereenvolgens door hem en door de dansers uitgestoken. Nade derde ronde luidt het: „Een been, ander been, één knie!” en de geheele troep ligt als hij geknield. De „andere knie” komt er na den vierden toer bij: vervolgens op gelijke wijze „een hand—andere hand,” en eindelijk, bij de laatste ronde: „allemaal om,” bij welken uitroep allen, nu op vier voeten voorover liggende, het hoofd buigen en met den neus op het tapijt liggen, niet anders dan of zij ter audientie waren bij den Keizer van Japan.Na die ronde, een „patertje”, de liefste dans, die ooit is uitgevonden—zeker de oudste en meest nationale bij ons: een dans, die de zoetste herinneringen achterlaat.—Ik ken jongelieden, die in polka en mazurka schitteren, en die toch verre van afkeerig zijn van een patertje, wanneer het eens—zoo geheel onder ons—wordt voorgesteld. Ik ken evenzeer jonge dames, die een afschuw hebben van den Baal-Peors-dienst en daarom ook van geenbalwillen weten—welk laatste woord in hare meening van het eerstgenoemde afstamt;—maar die toch zich altijd met genoegen laten vinden om—altijd zoo geheel onder ons—een patertje mee te doen.Na het patertje, een marsch:—een plechtige, statige marsch, Laurens voorop, al de kinderen achter hem, elkander bij de slippen der jurk of bij de punt van het buisje vasthoudende: de grooten voorop, de kleinsten achteraan. O! die zoo gelukkig was, den grooten Laurens zelven bij de rokspanden te mogen vasthouden. Haal u voor den geest den persoon, die u ’t meest benijdenswaardig voorkomt: den gast, die eene eereplaats bekomt aan ’s Konings disch, den danser, die uitgenoodigd wordt om met eene Prinses van den bloede den cotillon te dansen: de min, die een Keizerlijk kind mag zogen, den adjudant, die de geboorte van het gezegde kind gaat boodschappen, de prima donna, die hare mededingster hoort uitfluiten—o! het gevoel van eigenwaarde en zelfvoldoening, dat die allen bezielt, kan niet opwegen tegen dat, ’t welk de borst doorstroomde van den gelukkige, wien ’t onschatbaar voorrecht ten deel viel de rokspanden van Laurens te mogen vasthouden bij ’t „hansje sjokken” spelen.En als dan de deftige marsch lang genoeg geduurd had, gaf doorgaans Laurens het sein tot het eindigen met deze woorden, op Mefistofelistischen toon uitgesproken:„Nou motte ikke al de meisie soene.”Dan was het een gegil en een gelach en een gegiegauw en geginnegap van al die vijf- tot zevenjarige Dafnees en Atalantes, die de vlucht namen—en de rij was verbroken.Natuurlijk was deze bedreiging van den eerzamen Laurens niets dan scherts, en dit wisten de nufjes ook zeer goed; want bijna allen hadden die bij vorige gelegenheden meer gehoord: doch zij wisten tevens, dat het tot hare rol behoorde, bij die gelegenheid op de vlucht te gaan, alsof zij wonderwat te vreezen hadden.Dan stil: het tafellaken wordt tegen den wand gespeld: de tooverlantaarndaar recht tegenover op een tafel gezet en het publiek zet zich neder:—de grooteren op stoelen aan weerszijden in een halven kring: de kleintjes daartusschen in, op stoven: hier en daar eene gouvernante of kindermeisje nevens het voorwerp harer zorg.Laurens steekt het licht aan in zijne tooverlantaarn: geen gas, geen lamp, geen waskaars zelfs, waarde lezer!—eene loutere vetkaars;—maar ook de vetkaars heeft hare rol in de vertooning.En nu worden de overige kaarsen uitgesnoten of weggezet (lampen waren toen nog niet in gebruik) en wij zitten in ’t stikdonker, de enkele stralen niet medegerekend, die uit de reten en gaatjes der lantaarn ontsnappen.En nu vangt, op de wijze der antieken, Laurens met een prologus of voorafspraak aan:„Eeren en Daam! wat wit is is niet swart;—en wat swart is is niet wit. Sie je nix, ik ook nix, hé, hé, hé, Juffrouw! Nou sel je kommen te sien die mooi tooferlantaar, fraai kurieus o so mooi! en as ik spreek mot jylui swyk en as ik sink mot jylui mee sink...” En werkelijk, zoolang hij sprak, was er—op twee of drie uitzonderingen na, waarvan nader—eene stilte, dat men eene speld kon hooren vallen.—Sommigen hebben dit verschijnsel psychologisch willen verklaren en die stilte toegeschreven aan de duisternis, welke in ’t vertrek heerschte. De zoodanigen meenen zich tot staving van hunne meening te kunnen beroepen op ’t geen plaats heeft, wanneer men met den spoortrein plotseling in eene tunnel komt, en het levendigste gesprek terstond gestaakt wordt. Ik heb zelf dit laatste meermalen ondervonden; doch altijd iets geschoven op de omstandigheid, dat het gedruisch van den trein in eene tunnel vertienvoudigd wordt en alzoo belet, dat de een den ander versta. Wat daarvan zij, zeker is het, dat wij bij de vertooning van Laurens zwegen, niet omdat het duister was, maar uit eerbied voor den man: en ik behoef hier geen ander bewijs voor, dan het feit, dat wij allen trouw meezongen, zoodra hij zijne stem verhief.De inleidende aanspraak is geëindigd. Laurens draait het dekstuk van den lichtkoker af en daar tegenover verschijnt op het witte linnen de ronde, verlichte schijf, die het tooneel is, waarop zijne gekleurde schimmen zich zullen bewegen.En nu volgen de vertooningen, door hem telkenreize beschreven in de hierna volgende bewoordingen, waar ik jota noch tittel af of bijdoe:„Ter ebje nou Mijneer de Son, met zijn kleine neus, zijn kleine mond,sa beauté, sa magnificence. Sieje niet oe ’y zijn ook beweek.—En ier ebje Mefrou de Maan, met aar kleine neus, aar kleine mond.—Ier ebje Adam en Efa in ’t Paradijs, naakt en bloot, met zijn b.... bloot.—Ier ebje de slank, die keef de appel aan Efa. Daar neem Efa die appel van de slank: daar keef zij die appel aan Adam. Adam, Adam! pas op, datje strak niet op je bloote b.... krijk—Daar hebje den engel, die jaak Adam en Efa et Paradijs uit. Heruit, je motter uit, je selt er uit, je motter uit. Rtt! se sijn er uit, en Louwtje is er ook uit.”Men bemerkt uit deze laatste woorden, dat Laurens zuiver in de leer was.„Ier selje nau kom te sien die alkemeene sontvloet. Daar ebje die arke Noë: Daar ebje die beeste, die kaan in de ark twee an twee. Daar ebje twee kanse, twee an twee, daar ebje twee eend: daar ebje ram en skaap: daar ebje twee farke, twee an twee: daar ebje os en koei: mijn kroote kameraten, twee olikante—ik verspreke mij—twee olifante.”—N.B. deze verspreking, waarop wij altijd voorbereid waren, veroorzaakte telkenreize dezelfde vroolijkheid.—„Daar ebje Noë en sijn famielje, die drijven die beeste na die ark. Daar ebje die alkemeen sontvloet! daar ebje moeder met kindj’—en kindj’ met moeder!—Kijk die kwaai jonk, die leit niet sijn bloote b.... in ’t water.—Herr-Rtt! weer op een andere kane bier! Hê, hê, hê, Juffrouw!”„Ier ebje nou die kroote Turk, die sal een klas wijn drink op die kesontheid van die eer en die daam.Messieurs et Mesdames, j’ai l’honneur de boire à votre santé.Nok eens!—nok eens!—nok eens!—ier ebje die oude frou, die die appele verkoop.—Ok froutje lief! een appeltjeassebies.”Hier had regelmatig eene interruptie plaats en riepen wij: „Asje blieftmoet je zeggen.” Doch Laurens stoorde zich aan onze terechtwijzing zoo weinig als een Minister van 1855 aan een discours van de „kleine partij” in de Kamer, en bleef’ al doorpraten:„Ok froutje lief’ een appeltjeassebies!—Ier ebje die dans van die erder en erderin:El e lou maîreE que me marida!Quand sera grandeQuand te fera dansaTiri la.El e lou maîreQuand te fera dansa, etc.”Dit lied nu zongen wijnietmede, omdat wij geen Luikerwaalsch verstonden.„Ier ebje de geskiedenis van die ferlore soon. Ier ebje die ferlore soon. Ier ebje de ferlore soon, die sijn keld fraak en op reis kaat. Adjés liefe Papa!—adjés liefe soon! pas tok’ op datje niet bij de mooie meisie kom.—Ik ben er een kroot liefhebber van, papa!—Tjk, tjk, tjk! daar rijdt ie wek.—Rt! daar issie bij de mooie meisie.—Daar ebje de een, die skenk um een glas wijn in; terwijl karesseer die ander sijn beurs met kelt wek—daar jaak zij um de deur uit, naak en bloot: herruit, je selt er uit, je mot er uit!—daar sit ’y bij de fark, soo bedroef, ja nok slimmer dan Pietje Bedroef, en denk: ak! was ik maar bij mijn koeie ouwe fader kebleef; daar ad ik alle daak vol op.—Daar komt ’y bij sijn fader en fal op sijn knie. Ak liefe papaatj’ ik sel ’t nooit weêr doen.—Ja soo sek die kwaai jonk, als sy kwaad kedaan eb.—Daar kom die koeie ouwe fader en fal om sijn ’als: Pw, pw, pw! (dit drukt het geluid van kussen uit).—Daar ebje die snijer die bestel is om een nieuw rok te maken: daar ebje die slakter, die ’t vette kalf slak om eene koeie maaltijd te maak.... Hrtt! weêr op een andere kanebier.”„En nou sel je sien, ’oe Loutje sijn kaars snuit.”Bij deze woorden nam Laurens den lichtblaker uit de lantaarn, snoot zijne kaars en draaide zijne lichtbuis, die verschoven was, weder goed; bij welke gelegenheid hij, om zijn handen vrij te hebben, den blaker op zijn hoofd zette:—een tusschenspel, ’t welk ons altijd ongemeen vermaakte.En nu volgden, als de kaars weder op hare plaats was, de vertooningen van Jan Claeszen met zijne kindertjes, van de militaire evolutiën der soldaten, van den herder „met sijn soete liefe fogel, en de herderin met aar allerliefste liefe kouw,” van de gebroken brug met de eendjes, die in ’t water zwemmen, van Mijnheer Augustijn met zijn luchtballon, van Laurens zelf, die zijn tooverlantaarn vertoont, en misschien nog een paar, welke ik alle hier niet vermelden kan, doch die, wanneer eenmaal de biographie, waar de beroemde man recht op heeft, in ’t licht zal komen, niet zullen mogen ontbreken. Voor alsnu stelle men zich tevreden met de beschrijving der laatste voorstellingen:„Ier ebje die istori van Malbroek,—ier ebje Malbroek, die afscheid neem van sijn frou.—Adjés liefe frou! adjés liefe Malbroek, tjk, tjk, tjk! daar rije Malbroek wek.”Algemeen Koor.Malbrouck s’n va-t-en guerre,Mironton ton ton mirontaine,Malbrouck s’en va-t-en guerre.En guerre il est allé(ter).Il reviendra s-à Pàgues,Miron ton ton mirontaine.Il reviendra-s-à PàquesOu à la Trinité(ter).La Trinité se passe,Miron ton ton mirontaine.La Trinité se passe,Malbrouck ne revient pas(ter).Madame à sa tour monte,Miron ton ton mirontaine.Madame à sa tour monte,Si haut qu’el’ peut monter(ter).„Ier ebje Mefrouw Malbroek op ’aar toor.”Elle aperçoit son page,Miron ton ton mirontaine.Elle aperçoit son pageTout de noir-s-habillé.O page, mon beau page.Miron ton ton mirontaine.O page, mon beau page,,Quel nouvels’s-apportez?(ter).„Mefrou! Malbroek is dood—met zijn kleine schorseneeltje.”Dit „kleine schorseneeltje” had betrekking op den Page, die een staartje in den nek droeg, niet ongelijk aan dat van Laurens zelf.Je l’ai vu porter-s-en terre,Mironton ton ton mirontaine.Je l’ai vu porter-s-en terrePar quatre-s-officiers(ter).„De eerste draak sijn rok, de tweede sijn broek, de derde sijn waap’, de vierde draak niemendal, ’y was te lui om wat te draak.—En ier ebje nou Malbroek sijn kraf. Zie nou of jij lees kan, wat daarop keskreef staat.”En hier begonnen wij allen, zelfs zij, die lezen konden, hardop het grafschrift te spellen:H. i. e. r. hier l. i. g. t. ligt M. a. l. mal b. r. o. e. k. broek, Malbroek.Hier ligt Malbroek.„Ier ebje nou Loutjes moeder. Loutjes moeder ’ad soo een eele mooie neus; maar Eeren en Daam, sij was bank als sij uitga, dat aar neus nat word. Daar eb sij bij haar selve bedak, dat Laurens ook paraplui verkoop; want Eeren en Daam, Laurens vertoon niet alleen tooverlantaar, Laurens verkoop ook parapluie, maak nieuwe paraplui, raccomodeer paraplui, verruil ouwe paraplui, verzoek wel vriendelijk om de kunst en recommandatie.... daarom eef zij Laurens verzok van als sij uitga te gaan zitten op haar neus met sijn paraplui, dat aar neus niet nat wor.—Ier ebje nou Loutje op moeders neus.”Op deze aanbeveling, met zooveel kieschheid en dus ongezocht te pas gebracht, volgde de voorstelling van een oom van Laurens, die een schoorsteen in zijn neus had en van een anderen heer, uit wiens neus kleine neusjes voortkwamen.„Mijn grootvader ad een eele mooie buik. Maar nou ’ad ie sooveel aardappele met spek kekeet, dattie sijn buik niet kon draak over Straat.—Soo ’et ie in drie nakte geprakkiseerd, ie sou late maak een kruiwaak en daarop sijn buik foortkrui. Ier ebje nou mijn krootfader, die sijn buik foortkruit over straat.„Ier ebje de bakker, die de bolle blaas, toe, toe, toe, daar ’aalde bakker de warme bol uit de oof,—daar kom de broodweker en ’t brood week onkelukkik een beetje te likt: daar kom de diender en pak de bakker mee—daar kom de dufel en wil ’m ook meê pak.—Mijn mottie wees, neen mijn mottie wees.—Jij sel ’m niet eb.—Ik sal ’m eb.—Daar ’eet de dufel ’m in sijn mand kepak en loop met ’m wek: en ’eef een zak kulde ook meê kenoom—daar loop ’m de pakkerin achterna en pak de dufel bij de staart.—Ier leelijke moriaan, ik moet mijn man weêrom ’eb.—Ok pakkerin laat los:—neen ik laat je niet los foor ik mijn man weêrom eb.—Ok liefe papekaaisneus laat los, je sel je man weerom eb.—Neen, leelijke swartsmoel, ik mot mijn kelt weêrom eb ook.—Ok pakkerin laat los, je selt je kelt weêrom eb.—Daar ruk hij zich los en laat de pakkerin staan met sijn staart in ’aar ’and.—En as nou die Eeren en Daam te freede sijn, versoeke wel friendelijk de kunst en recommandatie.”Met dit aandoenlijke en leerzame drama werd altijd de vertooning besloten.Ruim vijftig jaren zijn verloopen, sedert ik die ’t laatst bijwoonde, en nog staat zij mij niet alleen even levendig voor den geest als toen; maar gaarne zou ik er eene representatie van Rachel of een concert van Jenny Lindt voor verzuimen, om die nogmaals te zien—mits door Laurens zelven gegeven.En vrij wat meer gaf ik, indien ik die zien kon in dezelfde kinderlijke gemoedsstemming van die dagen.Ik heb sedert meermalen kinderpartijen bijgewoond. Ik heb de opvolgers van La Haye, Beekman en Laurens hunne pogingen zien aanwenden, om de kinderen te vermaken en tevens „zoet te houden.” Geen hunner slaagde; geen hunner had er trant van. Een staaltje ten bewijze. Ik hoorde een vertooner van marionetten, na zich met aangenomen deftigheid midden in de kamer gesteld te hebben, tegen eenige baldadige knapen zeggen:„Jonge Heeren! bedenkt, wie gij zijt, en waar gij zijt!”„Niet op school,” riepen de jongens, en werden woeliger tegen de vermaning in.In zekeren opzichte hadden zij gelijk. Zij waren niet op school, zij waren uit voor hun plezier, en in dat geval zijn kinderen van oordeel, dat bestraffingen niet tot het programma behooren.—Maar de kunst is, te zorgen, dat zij niet in de gelegenheid komen eene bestraffing te verdienen; de kunst bestaat alleen daarin, dat men met hen spele en hen voortdurend bezig houde: en die kunst verstond Laurens vooral in hooge mate.’t Is echter mogelijk, dat de „lieve jeugd” ook veranderd is sedert mijn tijd, en dat zij, wat ons eenkinderlijkvermaak schonk, thanskinderachtigvinden zou.’t Is mogelijk, herhaal ik,—ofschoon ik het niet geloof. De „lieve jeugd” is, wat men van haar maakt: en indien onze ouders, toen wij klein waren, de ronzebons, de Chineesche schimmen en de tooverlantaarnlafhadden genoemd, dan hadden wij er waarschijnlijk ook onze neusjes voor opgetrokken.Gelukkig waren onze ouders daar nog niet verlicht genoeg toe en konden zij nog met den goeden La Fontaine zeggen:Si peau d’âne m’étoit conté,J’y prendrois un plaisir extrême.

In en over Amsterdam.Over den naam van „hoofdstad”, aan Amsterdam gegeven.Misschien schrikt u het opschrift van dit hoofdstuk af, lieve Lezeres! en verkeert gij in den waan, dat ik u hier een dor, althans een politiek vertoog, ga opdisschen. Is zulks bij u het geval, dan miskent gij mijne bedoelingen. Neen, Mevrouw, of Mejuffrouw, wie gij zijn moogt! ik heb te veel eerbied voor uw gezond verstand om niet te weten, dat gij u met geen politiek bemoeit, en ik heb er u te liever om.—Maar al hadt gij ook onverhoopt eene geheime neiging tot de staatswetenschap, dan heb ik tevens te veel krediet voor het gezond oordeel van den smaakvollen vriend, die u den „Holland” als een St.-Nicolaasgeschenk aanbiedt, om niet te beseffen, dat hij zich wel zou wachten, die bestemming aan mijn boekje te geven, zoo hij kon gissen, dat het strekken kon om die neiging bij u te voeden.—Ik haast mij dus, om uwent- of om zijnentwille, u de verzekering te geven, dat zoo het opschrift, zoo ook de inhoud van dit eerste hoofdstuk weinig vermakelijks beloven voor het vervolg, ik gaandeweg een anderen toon zal aanslaan, om voor alles mijn best te doen, u zoomin mogelijk te vervelen. Uwe eigene ondervinding—ik ben er overtuigd van—heeft u gewis sedert lang geleerd, dat de fraaiste zijden stoffen, de fijnste kanten en de sierlijkste bijouterieën, gekocht worden in zoodanige winkels, waar uiterlijk niets aanduidt, dat zich daarbinnen zulk een rijke voorraad bevindt; terwijl daarentegen, waar veel moois voor de glazen prijkt, het magazijn zelf meermalen niets bevat, dat uwe aandacht waardig is.—Na deze—zoo ik hoop geruststellende—inleiding, vang ik aan.Ik heb mij meermalen afgevraagd, welken zin de Regeering, wanneer zij in onderscheidene officiëele stukken, Amsterdam de „hoofdstad” noemt, wel aan dit laatste woord zoude hechten. Volgens den aard onzer taal en naar het algemeen gebruik verbindt zich aan dien titel de gedachte aan ettelijke voorrechten, door de stad, die hem voert, boven hare medesteden genoten.—Maar hoe meer moeite ik deed, om, van dat beginsel uitgaande, eenig voorrecht te noemen, ’t welk Amsterdam boven de overige steden des Rijks zou bezitten, hoe verder ik van de wijs dwaalde. Gaan wij eens na, welke eigenschappen men gewoon is aan eene hoofdstad toe te schrijven, en zien wij dan, in hoeverre men die op Amsterdam kan toepassen.Het is in ’t algemeen binnen de hoofdstad van het rijk, dat zich de zetel bevindt der Hooge Regeering. Dat is zoo in Frankrijk gelijk in Zweden, in Engeland gelijk in Japan, in Spanje gelijk op Otaheiti. En wat is nu het geval in het Koninkrijk der Nederlanden? Het kabinet des Konings zoowel als de ministeriën zijn in Den Haag gevestigd: de Staten-Generaal komen in Den Haag bijeen: de Hooge Raad heeft zijn zetel in Den Haag: en Amsterdam, verre van zich te beschouwen als het middelpunt van het Rijk—is niet eens dat van het Provinciaal Bestuur, en had, voor de scheiding van Noord- en Zuid-Holland, zelfs geen gerechtshof binnen zijne muren.Dit eerste kenmerk eener hoofdstad ontbreekt dus geheel. Maar heeft wellicht Amsterdam het voorrecht dat het door ’s Lands Regeering meer bijzonder begunstigd, dat het behandeld wordt als de parel, waarop geheel Nederland trotsch is, als een pronkstuk, tot welks onderhoud en vorming heel Nederland bijdraagt? De begrootingen van Frankrijk, van België, van Pruisen, wijzen telken jare aanzienlijke sommen aan, bestemd om den luister der hoofdstad te bevorderen, en haar op die wijze meer en meer tot het brandpunt te bestemmen, van waar de verlichting, de beschaving, de kunsten en wetenschappen hare stralen spreiden naar de overige deelen des Rijks. Op deze vraag, waar ’t Amsterdam geldt, kan alleen worden geantwoord, dat Amsterdam tot nog toe voor ’s Lands rekening niet veel anders naar buiten verspreidt dan.... brieven.Is er dan misschien, ten gevolge der inrichting van onzen Staat, aan Amsterdam eenig politiek voorrecht geschonken?—Zulk eene vraag kan alleen door een vreemdeling worden gedaan. Wij Nederlanders, en vooral wij Amsterdammers, weten, dat de hoofdstad door dezelfde gemeentewet beheerscht en op gelijke wijze bestuurd wordt als Urk en Buiksloot.Een voorrecht echter is aan Amsterdam, en dat nog wel bij de Grondwet, toegekend. Deze bepaalt namelijk in Art. 51, dat de Koning binnen die stad wordt ingehuldigd. Ongelukkig is dat een der voorrechten, waarvan elk rechtgeaard Amsterdammer moet wenschen, dat de stad zoo spaarzaam mogelijk gebruik behoeve te maken.—Doch bij het vermelden van dat voorrecht mag ik niet nalaten, de aandacht te vestigen op de omstandigheid, dat Amsterdam niet de hoofdstad is, omdat de Koning er gehuldigd wordt; maar omgekeerd, dat de inhuldiging plaats heeft te Amsterdam, omdat Amsterdam als de hoofdstad wordt aangemerkt.—Het moet dien titel dus aan vroegere, aan andere oorzaken te danken hebben, en deze zijn het juist, welke ik zou wenschen te kennen, en waarover ik gaarne een prijsvraag zou zien uitschrijven. Wat mij betreft, ik ben bereid hem, die ze maar eenigszins voldoend weet te beantwoorden, een stel „Hollanden” present te doen. Ik voor mij ken geen enkel punt van overeenkomst tusschen Amsterdam en andere hoofdsteden, dan dat het—gelijk in den regel met deze laatsten het geval is—meer uitgebreidheid bezit en meer inwoners telt dan de overige steden in het Rijk. Maar aangezien de omtrek en de bevolking niet anders dan bloote feiten, en bovendien aan wisseling onderhevigzijn, zoo kunnen zij, bij het gemis van alle overige vereischten, den toegekenden titel op zichzelven niet rechtvaardigen.Al deze beschouwingen hebben mij tot de navolgende gissingen geleid:De titel van hoofdstad zal aan Amsterdam geschonken zijn, evenals men dien van Generaal verleent aan een afgedankten en voor den dienst niet meer bruikbaren kolonel—een en ander buiten bezwaar van ’s Rijks schatkist.En dan krijgt de nieuwe Generaal er doorgaans het verlof bij, om de uniform te dragen, aan zijne nieuwe waardigheid verknocht.—Men behoeft geen vijf minuten in Amsterdam te hebben doorgebracht, om zich te overtuigen, dat dit verlof aan de hoofdstad niet is geschonken;—of dat zij er althans geen gebruik van maakt.Dit ware intusschen wel te wenschen; want de oude uniform, die zij droeg, toen zij nog geene hoofdstad, maar eenvoudig de vijfde in rang onder de stemhebbende Steden was, is bitter gescheurd en versleten.Jammer genoeg; want zij was wel der moeite waardig, gezien te worden. Gij hebt er misschien zelfs geen flauw denkbeeld van, lieve Lezeres! hoe mooi die was. Gij verbeeldt u wellicht, dat, vermits wij toen nog de nieuwe Beurs aan den Dam en de Willemspoort, Artis en de Variétés, de Volksvlijt en het bruggetje tegenover ’t Sint-Antonie’s Kerkhof, het monument van ’t metalen kruis en ’t magazijn van Sinkel, het entrepôt en de omnibussen, het beeld van Rembrandt en de spoorwegstations, Frascati en ’t Huis van arrest, niet bezaten, de stad voor den bezoeker niet veel bijzonders moet hebben opgeleverd.Ik zal u antwoorden, dat, welken prijs ik ook stelle op de hier genoemde fraaie zaken en instellingen, op sommige waarvan ik misschien later met een woord terugkom, ik echter, bij ’t geen ik van Amsterdam zeide, meer ’t oog had op het uiterlijke voorkomen der stad in ’t algemeen, dan op eenige bijzondere nuttige of aangename gewrochten eener nieuwere beschaving. Een paar nieuwe epauletten en nestels—om terug te keeren tot het gebezigde beeld—mogen de aandacht trekken, zij hebben de macht niet, den verschoten glans terug te geven aan een rok, die vol vlekken, lappen en gaten is en waaraan alles van de bittere armoe des dragers getuigt.Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.Gemeen verwonderingh betaemt mijn wond’ren niet.De vreemdelingh behoort te swijmen, die my siet,zeide Huygens, omstreeks de helft der zeventiende eeuw, Amsterdam sprekend invoerende: en inderdaad, in zijnen tijd en nog eene eeuwlater was er wellicht geene stad in geheel Europa, meer dan zij geschikt, om bij den vreemdeling, die haar bezocht, een indruk te verwekken van verbazing en opgetogenheid. Stellen wij ons hem voor, uit zee komende en dus de stad van den IJkant naderende. Nauwelijks kan de jol, die hem aan wal brengt, haren weg vinden tusschen die oneindige en ontelbare massa van schepen en lichters en schuiten, hier bij en nevens elkander liggende of elkander in alle richtingen doorkruisende. De Teems bijisle of dogskan er thans nog—hoewel maar in de verte—eenig denkbeeld van geven. Overal woeling, overal drukte, gegons en getier. Hier worden de geurige specerijen van ’t Oosten gelost, ginds het ruwe ijzer van Zweden, elders het koren uit Riga: dáár de kostbare zijde uit de Levant, en het fraaist geaderde marmer, dat tot ballast heeft verstrekt en nu de gangen en portalen en plinten ook der nederigste woningen versieren zal. Wat verder ontscheept men Segoviesche wol, terwijl kort daarbij de voortbrengselen worden ingeladen der lakenfabrieken, waarin zoodanige wol bewerkt is geworden. Overal ziet men dezelfde voorwerpen, ’t zij ruw, ’t zij gewerkt, hier lossen, ginds inschepen: overal het bewijs, dat Amsterdam niet voor zichzelf al het aangevoerde behoeft, maar het alleen verzamelt met het hoofddoel, om het weder uit te voeren: in ’t kort, dat het de stapelplaats, de markt, de monsterbazaar is der wereld.Onzen vreemdeling is het eindelijk gelukt, door alle belemmeringen heen, behouden aan den Buitenkant te landen, en eene nieuwe verwondering maakt zich van hem meester, naarmate hij de oude stad doorkruist en zich, schier bij elke schrede, een nieuw en verrassend schouwspel ziet bereid. „Hoe?” vraagt hij met verbazing aan zijn leidsman: „is dit deoudestad? en alles fonkelt mij tegen als blinkend en nieuw!”—En inderdaad, nergens ontmoet zijn oog eenige van die zware, breede, vierkante gebouwen, gelijk men ze elders in oude steden aantreft, van die berookte vervelooze huizen, wier sombere kleur, wier ramen, met uitspringend traliewerk voorzien, aan het geheel het voorkomen eener oude gevangenis geven: neen, elke woning is of schijnt ten minste nieuw, zoo zorgvol zijn de steenen beschilderd, de voegen opgewit, de plinten, kozijnen en luiken geverfd, de dakpannen bestreken: en doet zich hier en daar een toren, een muur, een bolwerk of ander gebouw uit lang verloopen eeuwen voor, ook dit getuigt niet van verval, ook dit is met netheid onderhouden, ook dit heeft een lachend, een vroolijk, een verjeugdigd aanzien. En hoe schilderachtig is de vertooning, welke het geheel oplevert. Nergens de stijve, rechte lijn, die aan alles eentonigheid bijzet en verveling wekt; overal bochtige, kronkelende, hoekige grachten en straten; terwijl de vooruitspringende groene luifels, waaronder de winkelwaren uitgestald worden, de ijzeren leuningen langs de stoepen, de banken en pothuizen, die van elke stoep eene kleine vesting maken, de openstaande luiken, de slingerende uithangborden van glanzend koper, de gebeeldhouwde of gebeitelde zinnebeelden in den gevel of op de daken, de grillige versierselen aan de piramidaalvormige puien aangebracht, de vanenen windwijzers, de schoorsteenen vooral, met hunne houten kappen, in alle vormen en kleuren, hier als een toren, daar in de gedaante eener Y, ginds in die van eene theebos, achter en nevens en boven elkander uitschietende, overal die verscheidenheid van lijnen teweegbrengen, die zoo aangenaam is voor ’t oog. En wat in den zomer het bevallige van het tooneel verhoogt, zijn die groene boomen, hier langs den wal, ginds ook voor de woningen, uit net geschilderde kokers oprijzende, en waar de schaduw van hun loover zich over straat of gevel heenspreidt, fantastische effecten vormende van licht en bruin.Maar onze wandelaar is door de woelige straten verder gegaan; daar komt hij op den Middeldam, en een gevoel van eerbied vervult hem bij den aanblik van dat reusachtig gevaarte, ’t welk met zijn eenvoudigen koepel voor hem oprijst, van dat stadhuis, in tijden van oorlog en woeling opgericht als een achtste wereldwonder,—en van die trotsche, nog onvoltooide kerk, nog maar kort geleden door den brand vernield, om grootscher weder op te rijzen en tot grafplaats aan Neêrlands meest beroemden zeeheld, gelijk aan zijn meest beroemden dichter, te verstrekken. Hij blikt rond over dat onregelmatige plein, dat het hart van Amsterdam mag genoemd worden en waar al de hoofdaderen van het groote lichaam mede verbonden zijn: overal drukte, overal gedraaf en gewoel, overal een zoo talrijke toeloop van menschen, dat hij in ’t eerst in den waan verkeert, dat eene buitengewone plechtigheid die duizenden doet te zamen komen. Maar neen: de Dam heeft zijn gewoon alledaagsch voorkomen, de zaken gaan haar geregelden gang, en het schouwspel, dat de Dam u heden aanbiedt, zal hij u morgen weder vertoonen. Een gedeelte van hen, die het plein doorkruisen, daagt op uit een der bogen van het stadhuis of begeeft zich binnen dat gebouw, ’t welk, als een groote bijenkorf, den geheelen dag afwisselend bezocht en verlaten wordt door hen, die hunne zaken of hunne nieuwsgierigheid er heenvoeren. Onze vreemdeling behoort tot hen, die de laatste drijfveer naar binnen doet treden. Hij gaat de breede trappen op en bevindt zich aldra in die honderd voet hooge gaanderij, schier een plein op zichzelve, en altijd vol bezoekers. Hij zoekt te raden, wat de beroepen zijn, die zij uitoefenen, of de oorzaken, die hen hier brengen. Weldra herkent hij de advocaten, die met mantel en bef op en neder wandelen, de procureurs, door hunne klerken gevolgd, die zakken met processtukken dragen, de beambten, die zich naar hunne kantoren begeven: hij ziet hoe het in de nevengalerijen woelt en grimmelt van menschen: deze moet naar de thesaurie, gene naar de wisselbank: anderen naar de weeskamer, de desolate boedelkamer, naar schepensbank, naar de secretarie, naar een dier tallooze stadskantoren, welke het gebouw bevat; daar in dien hoek spelen en dartelen knapen, niet anders alsof zij zich op een opene markt bevonden, of zoeken het kleinste sterretje aan de hemelglobe, die op het marmeren plaveisel is afgebeeld.—Doch daar opent zich rechts en links de volksmenigte; een roedragende bode gaat vooruit; gewis, de man, die daar volgt en voor wien zichalle hoofden als door een tooverslag ontdekken, is een der Burgervaderen. Ook onze vreemdeling neemt den hoed af en staart met diep ontzag, ja, niet zonder eenige vrees, den man aan, die wellicht hier of daar in Europa, een vrede tusschen twistende Mogendheden heeft helpen bewerken, of een krijg ontstoken, of een zeetocht heeft bijgewoond, en die in allen gevalle binnen zijne stad een gezag uitoefent, waarbij dat van een Autocraat der Russen of een Koning der Franschen nauwelijks despotiek te noemen is.En toch, die honderden, die uithoofde van hunne bezigheden of uit tijdverdrijf het stadhuis bezoeken, en daarom den Dam oversteken, wat zijn zij, in vergelijking van die duizenden, die om andere redenen zich op het marktplein bevinden? Hier ziet men den stroom, die onafgebroken door de beide ingangen der Waag op- en afvloeit: boeren en boerinnen uit Waterland, uit Sloten, uit Amstelveen, uit Weesperkarspel, uit Diemen, uit het Gooi en het Sticht, met hunne bonte en rijke kleederdracht, met de keur van gouden en zilveren oorijzers en bloedkoralen snoeren, die voortbrengselen van hun landbouw ter markt komen brengen:—koopers, die hun gading komen zoeken. Wat verder ligt de vischmarkt: hier vindt men visschers uit Huizen, uit Marken, uit de zeedorpen langs het IJ, met hunne breede schouders en wijde broeken: op eenigen afstand van daar ontmoet men tuiniers en fruitverkoopers, warmoeziers uit de vette kleigronden en uitgemalen polders om de stad, en het gastvrij hier opgenomen kroost van Israël, hunne waren achter kruiwagens en stalletjes ventende. Daar dringt zich eene schaar bijeen om te hooren, wat tijding of bericht of keur er van de pui van ’t Raadhuis wordt afgelezen; of om met vroolijk gejuich dat bruidspaar te begroeten, hetwelk onder ’t loover strooien de kerk verlaten heeft en met een stoet van magen en feestgenooten huiswaarts trekt:—doch wat vooral drukte en vertier geeft, is die wemelende drom, die zijn bestaan in den handel vindt: geen hoek der wereld, die hier niet vertegenwoordigd wordt. Gij vindt er den blonden Engelschman naast den taankleurigen Italiaan: den blauwoogigen zoon van ’t Noorden naast den zwartgebaarden Armeniër: den Spanjaard, in zijn mantel gewikkeld, naast den Persiaan in zijn kaftan: den winderigen Franschman nevens den listigen Moskoviet:—en daartusschen, sjouwers, waagdragers, kruiers, boodschaploopers, kantoorbedienden, makelaars, aansprekers, ambachtslieden, schippers, zielverkoopers, wervers, steenslijpers en straatjongens, alles evenzeer vol drukte en beweging, en woelig door elkander dringende.Doch wat behoef ik eene beschrijving van den Dam, zooals die vroeger was, in proza te geven, als ieder die lezen kan in Vondels heerlijke verzen, gelijk zij voorkomt in zijne inwijding van ’t Stadhuis. Ik schrijf die hier niet over, eensdeels uit luiheid: ten andere, omdat ik de critiek niet tergen wil, die mij dat aanhalen van verzen uit Vondel reeds verweten heeft: ten derde, en wel voornamelijk, om uwe nieuwsgierigheid te prikkelen, opdat gij die zelve bij den dichter opzoekt en naleest.Wij volgen onzen vreemdeling, nu hij, na zijne oogen verzadigdte hebben met het schouwspel, dat de Dam hem aanbood, de Kalverstraat inslaat, om, deze volgende, den nieuwen uitleg der stad te gaan bezoeken. Hij loopt, ’t is waar, gevaar, in de volte een duw of trap van dezen of genen driftigen voorbijganger te krijgen; doch hij is ten minste vrij zeker, niet overreden te zullen worden; want behalve eene enkele dokterskoets, of een handwagen, of eene kar, ontmoet hij geen rijtuig: veilig en onverlet geraakt hij in de Nieuwe Stad, op die trotsch gebouwde Heeren- en Keizersgrachten, waar de vermogende Patriciërs een deel hunner overwinsten besteed hadden aan ’t stichten van prachtige paleizen. Ook hier heeft wederom de individueele smaak van iederen eigenaar of bouwheer gezorgd, dat de eentonigheid werd vermeden. Geene gelijkvormige huizen, zooals andere moderne steden ons aanbieden, waarbij elke woning zoozeer op de overige gelijkt, dat men ze alleen door de huisnummers onderscheiden kan, en gedwongen is, met den naam van den vriend, bekende of leverancier, wien men bezoeken wil, tevens diens huisnummer in het geheugen te bewaren. De huizen zijn nog ongenummerd; maar zij zijn kenbaar aan de zinnebeelden, die in gehouwen of gebeitelden steen den gevel versieren, aan de spreuk of het jaartal, in gulden letteren op het frontispies uitgedrukt, aan het kunstig loofwerk of anderen pronk, aan dak en kroonlijst aangebracht; aan de verscheidenheid van vorm en bouwtrant. Hier ziet men hardsteenen gevels: daar is aan Benthemer of Bremer, meest aan gebakken steen, de voorkeur gegeven: hier zijn het Tritons of Nereïden, daar Dolfijnen en zeepaarden, leeuwen, beren, adelaars en griffioenen, elders hoornen des overvloeds, overal snij- of krulwerk, dat dien gevel bekroont. Langs statige dubbele stoepen, voorzien metpracht van leunen,Die hun adel ondersteunen,stijgen de trotsche bewoners naar hunne huizingen op. De dubbele voordeur opent zich en doet een portaal aanschouwen, met marmeren vloer en marmeren plinten aan de zijwanden: marmeren platen dekken de trap, die naar boven voert, en ’t hooge trapportaal: van eikenhout, kostbaar gebruineerd, zijn de plinten en kruiskozijnen der voorvertrekken: tapijten uit Smyrna of Perzië dekken de vloeren, in gouden lijsten omvat damast de wanden: keurig schilderwerk van de beroemdste meesters, beeldwerk van Quellijn, versieren den schoorsteen en de vakken van de deuren; en uit onschatbare ebbenhouten pronkkasten blinken allerwegen het fijnste Chineesche porselein, het keurigste lakwerk van Japan, het kostbaarste Venetiaansche kristal, het kunstigst bewerktefil de grain, bekers en beelden van hoorn, van ivoor, van parelmoer, gouden trouw-, lijk- of geboortepenningen, en een niet te noemen schat van zeldzaamheden u tegen.Maar ik vergeet, dat wij onzen vreemdeling ter zijde blijven en niet het binnenste der woningen, maar het uiterlijk voorkomen der stad beschouwen, en nog geen woord gesproken hebben van hetgeen het sieraad uitmaakt van Amsterdam, en de stad een tweede—neen, een ander Venetië doet zijn, t. w. van de omstandigheid, dat al het heerlijke, ’t welk zich aan uwe oogen vertoont, zich spiegelt in ’t helder kristal der tallooze wateren, die de stad in elke richting doorsnijden. En nog levendiger, zoo mogelijk, dan op de straten en de kaaien, is het op den Amstel en op de breede zijarmen, waarin zijn stroom zich verdeelt. Overal schuiten en schepen, die elkander ontmoeten, met balen, met kisten, met vaten, met koopwaren van allerlei aard, met turf, met groenten, met levensmiddelen of benoodigdheden:—daartusschen groen geverfde speeljachten, boeiers, tentschuiten, wier gouden lijsten en gouden krulwerk flikkert in het licht der zon—en eindelijk hier en ginds blanke zwanen, die zich in het bont gewoel vermaken.Zoodanig was het schouwspel, dat Amsterdam aanbood, nog eene eeuw nadat Huygens de regels dichtte, hierboven aangehaald. Wat dunkt u, was er stof voor onzen vreemdeling, om verbaasd en opgetogen te zijn?En wat heeft men sedert van Amsterdam gemaakt?Het Amsterdam van thans vluchtig bekeken.Wij beginnen deze reis onze wandeling van den Dam.—Wat is er geworden van het wonderstuk van Stalpaert en van Van Kampen? van dat Raadhuis, versierd door de kunst van Flink, van Bol, van Koning, van Stokkade, van Fidias-Quellijn, waar binnen elk schilderstuk, elk festoen, elk beeld, elk basrelief tot een zinnebeeld strekte in harmonie met de bestemming van de zaal, de galerij, het vertrek, waartoe het behoorde?—dat Raadhuis, van waar de achtbare burgervaderen van Gijsbrechts stad,Gezeten op zijn schilt met kruyssen overladen,hun bevelen gavenUrbi et Orbi? nog altijd staat het op zijne oude plaats, maar.... ledig 357 dagen van ’t jaar.De acht overige dagen wordt het bevolkt en speelt het de rol van een koud, tochtig en onbewoonbaar paleis.De groote hal, de verzamelplaats voorheen der menigte, nu door vier looze wanden van beschilderd behangselpapier afgescheiden van de zijgalerijen, is in eene zaal herschapen, waar verschoten gordijnen hangen, en de marmeren vloer, met zijne aard- en hemelsferen, is met een kleed bedekt en sedert vijftig jaar onzichtbaar voor de bezoekers.En, nu men eens dit gebouw aan zijne oorspronkelijke bestemming had onttrokken, begreep men, op dien fraaien weg te moeten voortgaan, en had er eene reeks van herscheppingen plaats, aanzienlijk genoeg om een dubbeltal aan die, welke Ovidius bezongen heeft, toe te voegen. De zetel van de stadsregeering en der vierschaar was vroeger een, omdat beide lichamen tot eene en dezelfdemacht behoorden: daarom werden zij dan ook, toen zij den Dam verlieten, in een zelfde lokaal overgebracht, en wel op ’t Prinsenhof, waar voorheen de Admiraliteit bijeenkwam. De rechterlijke macht trok later elders heen; en zoo werd het Prinsenhof van een half Raad- tot een geheel Stad-, later tot een Gemeentehuis ingericht,—een Gemeentehuis, zoo gelukkig gelegen, dat men het, men kome van wat zijde men wil, niet genaken kan dan door stegen, of door eene straat, die nauwelijks dien naam verdient.Het Oude-mannenhuis werd half aan ’t Gasthuis getrokken, half in eene Academie voor beeldende kunsten omgeschapen.De Vleeschhal is gehalveerd en eene stadsdrukkerij, eene vergaderplaats voor het Geneeskundig Toevoorzicht, een Commissariaat van Politie; de hemel weet wat al meer, geweest.Het Staalhof is insgelijks gehalveerd, tot collegekamer en tot Commissariaat van Politie ingericht.De St.-Antonies Waag werd een uitdragerswinkel.De Regulierswaag een cachot.De Waag op den Dam werd eenvoudig weggebroken, evenals de Jan-Rooden-Poorts- en Haringpakkers-toren.Het Nieuwe-Zijds-Heeren-Logement werd een weeshuis.Het Oost-Indisch Huis werd voor de helft aan het Bestuur der Rijks-Belastingen afgestaan, en voor de andere dient het tot een Werfhuis.De Beurs werd weggebroken: om het gemis te vergoeden, bouwde men op de vischmarkt een Ionisch voorportaal en daarachter een Dorisch tempeltje.Op de plaats, waar Costers Academie gestaan had, werd, nadat deze verbrand was, een huis gezet, dat tot Armenkantoor dient;—en in afwachting, dat men een nieuwen schouwburg zou stichten, plaatste men aan een uithoek der stad een houten loods, die daar weldra honderd vijftig jaar zal gestaan hebben.... altijd provisioneel.Het Sint-Jorishof gaf logies aan ’t Syndicaat; het Spinhuis aan de Politie.Het geestig beeldwerk boven de poort van ’t Tuchthuis werd onder een houten kast verstopt, en deze met een lauwerkrans versierd.Maar het zonderlingst werd er gehaspeld met het Aalmoezeniers-Weeshuis: 2/3 er van werden ingericht tot Paleis van Justitie, en zulks met zooveel overleg, dat men altijd, om van ’t eene gedeelte naar ’t andere te komen, twee pleinen over moet—wat bij sneeuw of regen zeer vermakelijk is. Van 1/6 maakte men eene Stads-Bibliotheek; en van het laatste 1/6.... een Cholera-Hospitaal.Voor de Beambten ter Griffie van het Hof, of voor hen, die aldaar iets te verrichten hebben, is het zeker eene ongemeene verstrooiing, de lijders in de ziekenzaal te hooren kermen en te zien zieltogen.In ’t kort, wie Amsterdam thans doorwandelt, zal moeite hebben om—op zeer enkele uitzonderingen na—de bestemming te raden van eene der publieke gebouwen, welke hij voorbijwandelt.En dit is nog het minst; want over ’t geheel is de uiterlijkegedaante dier gebouwen eenigszins bewaard gebleven; maar erger is het gesteld met die van de bijzondere woningen, wier eigenaardig karakter òf reeds verdwenen is, òf van lieverlede geheel te niet gaat.De schilderachtige luifels, waaronder het huisgezin in de zomeravonden vergaderde, om een luchtje te scheppen en de kinderen speelden, bestaan niet meer dan in de herinnering: en evenzoo de uithangborden. Ook de stoepen zien wij langzamerhand wegbreken: de stoepen, op wier bank de huisvader zijne pijp placht te rooken, terwijl zijn gezin voor ’t open raam zat. En, ware dit het ergste nog;—maar, wat ten hemel schreit, bij elke vertimmering wordt met den meesten ijver gezorgd, dat al wat aan het huis eenige originaliteit schonk, voor altijd daaraan ontnomen worde. Onze woningen waren, als ik reeds heb herinnerd, met snij-, beeld- en loofwerk op kwistige wijze overladen. De gevel liep piramidaalvormig met trappen op of in grillige festoenen, die, met een plat of driekant dekstuk bekroond, zich slingerden ter wederzijden van de zolderraampjes en van den hijschbalk, zoodat het bovendeel der woning ons niet zelden het borstbeeld van een onzer grootvaders met zijne deftige gekrulde pruik of van zijne gade met haar huiskapje herinnerde.Aan deze wel phantastische, maar toch oorspronkelijke en pikante bouworde hebben onze nieuwerwetsche.... timmerlieden een verdelgingsoorlog verklaard.Simplex sigillum veri—„het eenvoudige is het zegel van het ware”, is de spreuk, welke zij gekozen hebben, en die hen inderdaad ontslaat van de moeite om eenigen kunstzin ten toon te spreiden of om iets te vervaardigen, waaraan een bouwkunstig denkbeeld te herkennen is. En daarom vertoont de voorgevel van het gemoderniseerd (?) gebouw eenvoudig een naakten muur, met eene vierkante deur, en voorts, naar gelang der breedte, twee, drie, vier of meer ramen nevens elkander op de eerste verdieping: even zooveel op de tweede, op de derde enz. tot op de bovenste toe:—en boven dat alles een geel geschilderde kroonlijst, aan beide zijden rechthoekig afgezaagd, opdat men toch niet de illusie zou hebben, dat zij om ’t huis heenliep, maar wel goed bemerken, dat zij alleen dient, om het daarachter loopend dak te bemantelen.Ik voeg er bij, om de schildering te voltooien, dat, terwijl onze voorouders naar hunne woningenopgingen, wij thans soms naar de onzeafgaan, daar de drempel niet meer boven, maar dikwijls onder den beganen grond wordt aangebracht. Zou dit dalen tegenover het vroegere rijzen, eene zinnebeeldige beteekenis hebben, en in verband staan met de historie van de welvaart der stad?Dat alles is zeker heel vernuftig; doch het zal Amsterdam al zeer spoedig zijn ouden roem als eene der schilderachtigste steden van Europa doen verliezen niet alleen, maar al wie het voortaan bezoekt, doen vragen of de huisjes uit de kinderspeeldoozen het model tot den herbouw geleverd hebben.Tot zooverre de huizen: nu wat de straten betreft:Terwijl men vroeger, als gezegd is, daarover heen en weerspanseerde zonder gevaar van armen of beenen, misschien zijn leven, onder een rijtuig te verliezen, weet men thans, vooral op de hoeken van nauwe stegen, nauwelijks hoe zich te keeren of te wenden. De oude keuren, die niet dan met bijzondere vergunning het gebruik van eenig gewield voertuig gedoogden, zijn vervallen, als niet in verband met den geest der eeuw, die vooruitgang, liefst hollenden vooruitgang, eischt—wat echter voor den voetganger minder aangenaam is. Ongelukkig heeft men niet willen begrijpen, dat onze stad, evenmin als Venetië, gebouwd is voor hen, die per fors rijden willen. De waterwegen, waarvan men zich oudtijds bij voorkeur bediende, zijn in onbruik geraakt, zooverre het den vervoer van personen geldt, en in de plaats der jachten en tentschuiten, die vroeger zonder gerucht over het water gleden, snorren thans koetsen, glazenkasten en omnibussen over de straten. De draagkoets bestaat sedert lang niet meer; doch ook de toeslede, zoo veilig en zeker, wordt meer en meer vervangen door hossende vigilantes, bij welker afrijden van eene sluis het onzeker is, wie in den grootsten angst verkeeren moet, hij, die er in zit, of de voorbijganger. Ja zelfs de kruiwagens verminderen in getal, sedert de schuiteveeren vervallen, en maken plaats voor die vierkante bakbeesten, die men goederenwagens noemt, en wier bloot gezicht reeds een mensch den schrik op ’t lijf jaagt.In de meeste steden van het buitenland heeft men afzonderlijketrottoirsvoor den voetganger:trottoirs, hooger dan de straat en waar men dus veilig is voor de rijtuigen: hier is geen keur machtig, deze laatsten te beletten, den voetganger van de kleine steenen te dringen en hem in nauwe straten te klemmen tegen het hekwerk voor een winkel of tegen de stijlen van een hoekhuis.—Van kleinere onaangenaamheden, als het slijk en zand, dat u om de ooren of over de kleeren spat, wil ik niet eens gewagen.Wat elders ook voor den voetganger een toevluchtsoord aanbiedt, zijn de talrijke zoogenaamdepassages, waar men veilig kan wandelen, koopen en flaneeren.—In alle groote steden bouwt men er nieuwe,—in Amsterdam is de eenige, die er bestond, de doortocht door ’t Oude-mannenhuis,—in verval en de winkels sedert lang gesloten.En toch ware er van de Kalverstraat eenepassagete maken, die voor niet eene in de wereld zou behoeven onder te doen.Ik sprak zooeven van het verval der waterwegen ten gevolge van het in onbruik raken der keuren tegen de rijtuigen; doch er is nog eene andere reden, waarom die wegen sedert lang verlaten zijn.—Ook nu nog is het gezegde van Huyghens, dat devreemdelingh behoort te swijmen, volkomen van toepassing, ja in sterkere mate zelfs dan voorheen. Maar er is een onderscheid: indien hij nuswijmt, ’t is niet ten gevolge van ’t geen hijziet, maar van ’t geen hijruikt. De zwanen zijn dan ook voor altijd weggereisd of gestorven, en dat wel zonder zwanenzang op Amsterdams vervallen liefelijkheid.Aan het bezigen van den waterweg eigenden zich met recht desierlijke kaaien, van steen of wel van net getimmerd hout vervaardigd, en door den bewoner van het daar tegenoverliggend erf bestendig in goede orde onderhouden. Zeker zou in vroegere dagen niemand gedroomd hebben, dat onderhoud te willen schuiven op de Gemeente: en de Overheid zou het hem, die zoo iets beweerd had, wel anders geleerd hebben. Ook zouden de bewoners van zijstraten en stegen met reden gevraagd hebben, hoe men hen in billijkheid kon noodzaken op te brengen voor kaaien, waarvan zij geen gebruik hadden.—Dan, gelijk ik zeide, die gedachte om zich van het onderhoud te ontslaan, was bij niemand opgekomen: immers tegenover het bezwaar stond het genot. Aan de kaai over zijne deur had ieder bewoner zijne ijzeren ringen, waar zijn jacht, zijne tent- of pakschuit, zijn turf- of houtschip aan vastgemeerd werd, en waar geen vreemd vaartuig het waagde, zonder zijne toestemming, aan te leggen. Dat alles is thans over. Eene uitspraak van den Hoogen Raad—van welke uitspraak men zeker niet kan zeggen, dat zijkantnochwalraakt—heeft de eigenaars der woningen, langs de grachten gelegen, ontheven van een servituut, vroeger door hen als een privilege aangemerkt. De arme gemeentekas is bezwaard geworden met het onderhoud der wallen: en de ingezetenen, uit wier beurzen de kosten toch per slot moeten komen, hebben er nu, behalve het equivalent, alleen dit bij gewonnen, dat de nieuwe schoeiingen—want geen anderen naam verdienen zij—in volkomen harmonie zijn met de stinkslooten, die daartusschen hare pestwalmen doen opstijgen.Ik zou wel eens willen weten, wat de beroemde mannen onder onze voormalige stadgenooten, die Amsterdam in zijn vollen luister gekend hebben, wel zouden zeggen, als zij weder eens in levenden lijve over onze straten konden wandelen, mannen b. v. als Cornelis De Graef, Nikolaas Tulp, Bartholomeus Van der Helst, Joost Van den Vondel, Michiel Adriaensz. De Ruyter en Jan Claeszen.Een hoofdstuk, dat tot een aangenamen overgang verstrekken moet, om het volgende hoofdstuk voor te bereiden.De schrandere lezer, die ongetwijfeld door en door bekend is met de geschiedenis des vaderlands, zal hier gewis reeds hebben opgemerkt, dat ik mij ten opzichte van de volgorde, waarin ik bovenvermelde groote mannen geschetst heb, van een figuur heb bediend, welke men in de Rhetorica gewoon is eenclimaxte noemen, en daarbij den graad hunner betrekkelijke vermaardheid heb in acht genomen. Ik ben toch niet volkomen zeker of gij u wel precies herinnert, dat Cornelis De Graef leefde in den tijd, toen de Raad zich met het bouwen van het Stadhuis bezighield en niet met het zoeken naar een equivalent, dat een zijner zonen den eersten steen van dat gebouw leide en hij zelf bij de inwijding als Burgemeestervoorzat, dat hij talrijke diensten aan zijn Vaderland bewees, tweemalen een burgeroorlog voorkwam en den jongen Prins Willem III tot mede-voogd verstrekte.—Ik heb evenmin de overtuiging, dat gij Tulp anders kent, dan uit de schilderij van Rembrandt, en dat gij weet, hoe hij niet alleen door zijne verdiensten als geneesheer, maar ook door zijne wakkerheid als Regent, de hulde van tijdgenoot en nageslacht verdiende. Maar wat Van der Helst betreft, gij hebt ongetwijfeld zijn Schuttersmaaltijd gezien—naar welken onze Kaiser onlangs zulk eene voortreffelijke plaat heeft geleverd—hoewel gij misschien niet gelezen hebt, dat hij veel geld voor zijne portretten maakte en in zijn tijd meer in trek was dan Rembrandt.—Joost Van den Vondel kent gij evenzeer als den schrijver van Gijsbrecht, welk stuk alle jaren vertoond wordt. In ’t voorbijgaan gezegd, hij wasnietde schrijver van Kloris en Roosje,—uit welk kluchtspel men sedert eenige jaren al de oorspronkelijke liedjes, die geestig en naïef waren, heeft gebannen, om ze in watermelkdeuntjes te veranderen:—en dat zonder iemand te waarschuwen.Wat De Ruyter betreft, gij hebt zijn graf in de Nieuwe Kerk en zijne levensbeschrijving in het boekje van ’t Nut zeker wel onder de oogen gehad en hij zweeft u alzoo voor den geest als een zeeheld, die thuis gelijk een burgerman leefde en zich met geen politiek ophield.Maar beter dan al de overigen kent gij Jan Claeszen, ’t zij dat gij hem op uwe kinderpartijtjes in de vermaarde ronzebons vanLa Hayezijne kunsten hebt zien vertoonen, ’t zij dat hij voor ’t huis uwer ouders voor een zesthalf—neen, in uwen tijd, lieve lezeres! die nog jong en schoon zijt, voor een kwartje—eene representatie gaf, waarbij gij met uwe broertjes en zusjes of neefjes en nichtjes op de vensterbank geknield laagt, met de neuzen plat gedrukt tegen de ruiten, terwijl een troep groote of kleine kinderen van de straat het spektakel gratis aanschouwde, ’t zij eindelijk, dat gij zelf—dit geldt u lezer!—op een der stadspleinen de vertooning stond aan te gapen en daarbij een eerbiedigen afstand bewaardet, niet zoozeer uit vrees dat „de vrouw” ook bij u met haar bakje komen zou, om uw duit op te halen, als wel uit zorg voor „uw fatsoen”.—Gij allen kent dus Jan Claeszen, en hebt u er nooit over bekommerd, hoe die dubbel gebochelde, roodgeneusde, phantastische held, die oorspronkelijk Pucinello heette, doch wien de Italianen, Franschen, Engelschen en Duitschers, elk naar hun lievelingsgerecht, Macaroni, Jean Potage, Jack Pudding (later Punch) en Hansworst doopten—aan dien naam gekomen is, dien hij bij ons verkregen heeft. Zijt gij verlangend, hieromtrent iets te vernemen, dan wil ik gaarne uw weetgierigheid voldoen. Gij hebt wel gehoord—en kunt het anders bij Wagenaar lezen—hoe, na den dood van Prins Willem III, de aristocraten hier te lande in hunne wijsheid begrepen, dat zij ’t evengoed zonder stadhouder konden doen. Zij vonden ’t niet onaardig alle macht in den Staat tot zich te trekken, en zich ook die privilegiën en prerogatieven toe te eigenen, welke de Prins tot dien tijd bezeten had. Zoo werd, ondermeer, door hen besloten, de voormalige Garde van den Prins te herscheppen in eene lijfwacht der Staten van Holland. Dit had echter geen plaats zonder dat men te dier gelegenheid verwijderde al wie onder dat korps van Prinsgezindheid werd verdacht gehouden; en onder hen, die men uit dezen hoofde afdankte, bevond zich ook een trompetter, Jan Claeszen geheeten. Deze, nu buiten dienst gesteld en verplicht eene andere broodwinning te aanvaarden, wijdde zich der kunsten toe, zette zich te Amsterdam neder en vertoonde aldaar eene ronzebons op straten en pleinen. Niet tevreden echter van zijne drama’s op te voeren, zooals zij oorspronkelijk geschreven waren, doormengde hij die met grappige zetten en kwinkslagen, en lei zijnesujetten, vooral zijne hoofdpersonen, menigen zet in den mond tegen de toenmalige landsregeering. Ik durf niet verzekeren, dat zijne aardigheden even kiesch en vernuftig waren, als van een modern oppositieblad, doch zij waren wellicht te meer geëigend, om aan zijn publiek te behagen, en hemzelven tot de lieveling der Prinsgezinde burgerij te maken. En zoo werd langzamerhand hij zelf vereenzelvigd met zijn hoofdpersoon; de naam van Hansworst, dien de echtgenoot van Katrijn tot dien tijd gedragen had, werd door den zijnen verdrongen en in voortdurenden roem leeft bij ons de onsterfelijke Jan Claeszen.Doch wat zeg ik?—Helaas! groot is mijne vrees, dat het met die onsterfelijkheid ook al mis is, en dat, evenals andere groote mannen, ook zelfs Jan Claeszen bij ons in ’t vergeetboek dreigt te geraken. Hij, het echte type van den wijsgeer, de man, die geene zorgen kent en met den dag voortleeft, die zich over niets bekommert, mits hij den tijd doorbrenge met eten, drinken en deuntjes zingen; die met ieder in vrede is, maar ook niet uit zijne gelijkmoedige rust gestoord wil worden, noch door eene kijvende vrouw, noch door kinderen, die om brood janken, noch door een huisheer, die hem manen komt, noch door een werf-officier, die voor het verstrekte handgeld zijne diensten opvordert, noch door den barren Droes, die hem met zich mee wil pakken, en die tegen al die lastige kwelgeesten maar twee argumenten heeft, zijn holsblok en zijn stok—hij, dat echte toonbeeld van ware levenswijsheid, begint bij de directeurs van wandelende theaters reeds een deel van zijne originaliteit te verliezen, ja reeds houdt hij hier en daar op de hoofdpersoon te zijn. De oude ronzebons zelve, verbreed en vergroot, wordt verbasterd tot eene marionettenkast, met beweegbare figuren, tot een zouteloosthéatre de métamorphoses. Nog onlangs stond ik bij avond op het Koningsplein te Amsterdam gedurende tien minuten naar eene zoodanige vertooning te kijken: in die tien minuten zag ik letterlijk niets anders dan een bordpapieren ruiter, wiens paard nu eens op de voor- dan weder op de achterpooten ettelijke kapriolen en evoluties maakte.—„Ik packte my van daer”, zooals Gijsbrecht zegt, innig bedroefd over den verloop der tijden en tevens het geduld bewonderende der toekijkers, die van zulke flauwheden niet wegliepen. Ik bewonderde ook een klein weinig mijn eigen geduld, dat ik het nog tien minuten had uitgehouden.Ik heb straks gezegd, dat Jan Claeszen (de trompetter namelijk) vreemd zou opkijken, als hij Amsterdam nu terugzag. Ik vrees, dat de tijd zal aanbreken en niet verre meer af is, waarin hij er niet alleen de jachten, de luifels, de zwanen, den Jan-Rodenpoortstoren, de toesleden, de haringpakkerij, de houten schoorsteenen, het Doolhof, de aansprekers, maar waarin hij er zichzelven niet meer zal terugvinden.Maar dan zal ook Amsterdam wel voorgoed ten val zijn geraakt.Over drie groote en miskende stadgenooten.Ik heb in het vorige hoofdstuk, hoezeer dan maar in ’t voorbijgaan, den naam van La Haye genoemd, en bij het herdenken aan al wat Amsterdam verloren heeft, zonder het weder vergoed te zien, is het mij eene behoefte, ook bij dezen beroemden man eene wijle stil te staan en zijne gedachtenis te verbinden aan die van twee andere illustratiën, wier taak en wier lust het evenzeer was, werkzaam te zijn tot nut en vermaak hunner jeugdige stadgenooten, en wier namen ik mij niet voor den geest kan brengen, zonder dat bij mij een zoet en aandoenlijk gevoel van dankbaarheid oprijst voor de genoegelijke uren, die zij mij verschaft hebben, uren, hoedanige geen latere leeftijd mij heeft teruggegeven:—Beekman en Laurens. Met La Haye vormen zij het schoonst en liefelijkst klaverblad, dat wellicht eens gebloeid heeft: een driemanschap, meer waardig bezongen te worden, dan dat andere driemanschap, eens te Rome door heerschzuchtige tirannen gevormd. Het was door moord, door plundering, door brandstichting, door al de gruwelen van den burgerkrijg, dat zich dit laatste berucht maakte: het waren dans en feestvreugde en gejubel, waar onze Amsterdamsche Driemannen hunnen naam door vestigden. Het Romeinsche Driemanschap omschanste zich met krijgsvolk en bundelbijlen: het onze voerde de Muzen, de Lachjes en Gratiën in zijn stoet. Klaroengeschal en wapenklank kondigden Octavius, M. Antonius en Lepidus aan: viool en lier vermeldden de verschijning van La Haye, Beekman en Laurens.—Toen ik hen kende, ging ik ter Fransche schole en wanneer ik ’s avonds werd gehaald en naar den sterrenhemel zag, vestigde ik doorgaans mijne bijzondere aandacht op den Orion, vooral op de drie hoofdsterren van zijn gordel: en dan kwam het mij meermalen in den zin, dat, evenals de beroemde helden der oudheid, na hun dood een bepaald gesternte ter woon en onder hunne bescherming verkregen, de doorluchte Drie, die mijnen kameraden en mij zooveel genoegen verschaften, in dien gordel een hunner waardige plaats zouden kunnen bekleeden.Of zij naar dien gordel verhuisd zijn, weet ik niet: wel, dat zij eene plaats verdienen in de galerij van beroemde Nederlanders, door den Boekhandelaar Coster geopend, en thans overgenomen en vervolgddoor mijn geachten vriend, den Boekhandelaar Van Kampen. En, ten gerieve van hun toekomstigen levensbeschrijver, laat ik hier eenige bijzonderheden, hen aangaande, volgen, waaruit overvloedig zal kunnen blijken, dat de lof, hun door mij gegeven, in geenendeele overdreven is.Wat, in de eerste plaats, La Haye betreft, ik ken zijne geboorteplaats niet en ik geloof evenmin, dat, gelijk dit plaats had ten opzichte van Homerus, zeven steden om dien eeretitel zullen kampen. Niet, dat hij dien wedstrijd onwaardig zou zijn; maar ik twijfel er aan of hij het eerste licht in eene stad aanschouwd heeft. Ik durf de gissing wagen, dat hij een regimentskind was, en dat hem zijne moeder in ’t veld, achter eenehaagter wereld bracht, op welke bijzonderheid hij bij het kiezen van een naam zal gezinspeeld hebben. Wat zijn uiterlijk betrof, hij was kort en mager, had gekruld zwart haar, eene kale plek op de kruin en levendige grijze oogen. Zijn gezicht was kleurig—wat lasteraars aan het gebruik van brandewijn toeschreven; ofschoon mij uit geloofwaardige berichten gebleken is, dat hij de voorkeur gaf aan Schiedammer vocht,—en een weinig pokdalig. Zijne kleeding was thuis een belapt buis, en op partijen eene grijs blauwe frak met hoogen kraag en tinnen knoopen, eene hooge witte das, breed als een tafellaken, en voorzien met een monsterstrik, een rood vest met blauwe bloemen en gele strepen, eene nankingsche korte broek, grijs- en witgestreepte kousen en schoenen met linten—als overeenkomstig met de mode uit den tijd van hetDirectoire.—Natuurlijk trok hij zijn rok uit, als hij zich binnen zijn theater bevond.Wat zijne sujetten betrof, hoezeer hunne voornaamste bezigheid bestond in elkander af te ranselen, zoo moet ik hun ter eere zeggen, dat zij, buiten het tooneel zijnde, hun Directeur nimmer eenigen last veroorzaakten: zij keven niet onderling, noch toonden eenigen nijd of jaloezie, maar slingerden naast elkander in de beste harmonie; gingen zich verder niet te buiten aan sterken drank en dreigden nimmer zich, indien men hun appointement niet verhoogde, aan een ander theater te engageeren. In één woord, zij vormden een volkomen tegenbeeld van alle mogelijke andere verledene en toekomstige tooneelgezelschappen. Van de tegenwoordige wil ik, om goede redenen, niet spreken.Hetrépertoirevan La Haye bood weinig verscheidenheid aan. Behalve de gewone huislijke oneenigheden tusschen Jan Claeszen en zijne wederhelft, daaruit voornamelijk ontstaande, dat hij, volgens haar beweren, naar anisette, en zij naar klare jenevermet suikerrook, en de minnarijen van den schoonen Lujander met de bekoorlijke wederhelft van den Ouden Heer, een lief schepseltje van „zeuventien d’half jaren en zeuven maanden”, hadden wij altijd de vermakelijke vertooning van Jan Claeszen, die in zijn slaap gestoord wordt door de kapelletjes, die zich op zijn neus zetten, en welke hij, wakker geworden zijnde, onder ’t geroep van „witje, witje! hoog, hoog! witje, witje! laag, laag!” vervolgde, zonder ze ooit te kunnen krijgen. Doch descène, die ons de meeste pret verschafte,was die, waarin Jan Claeszen, in de bakkerij geslopen, den oven bestal, en zijn roof—onder zijne handen in ulevelletjes en chocolaadjes herschapen—met volle armen over ons uitstrooide. Dan kwam de bakker, met zijne gebloemde japon en de slaapmuts op ’t hoofd, vond zijn oven ledig, en zocht den dief, die altijd achter het linksche gordijntje wegschool, wanneer de bakker achter het rechtsche keek en omgekeerd. Dan riepen wij den bakker toe, waar hij zoeken moest; doch de man kwam gedurig te laat; totdat Jan Claeszen, meer en meer vermetel, zich verstoutte hem op allerlei wijze te foppen, door hem achterna te volgen, bij de muts, bij het staartje in zijn nek te trekken, dit laatste in brand te steken, enz. en zich dan spoedig weer weg te maken. Eindelijk kreeg de bakker hem: zij raakten handgemeen en het slot was, dat, tot ons groot vermaak, de bestolene in zijn oven verbrand word. Ik weet niet, hoe ’t mijnen speelmakkers gegaan is, noch of zij later, bij het zien van een honderdtal melodrama’s, waarin altijd de deugd triomfeerde en de misdaad gestraft werd, bij de ontknooping even koel zijn gebleven als ik doorgaans was; maar dit weet ik, dat, bij die van het drama in de ronzebons, wij allen de zegepraal der misdaad, die dansende en zingende wegtrok, met schaterend gejuich en handgeklap aanschouwden.—’t Is waar; de ulevellen en chocolaadjes hadden ons tot medeplichtigen gemaakt.De eenige afwisseling, welke ik mij herinner, dat de voorstellingen van La Haye opleverden, was deze, dat hij als tusschenspel—intermède choregraphiquezou men het thans noemen—twee mooren, nu eens met bekkens, en eene andere reis met waskaarsen, liet dansen. Tot schande voor mijn goeden smaak moet ik zeggen, dat mij die dans altijd verveelde. Reeds toen—en het is mij later bijgebleven—moest ik de menschelijke stem hooren of eene dramatische actie zien; maar al wat bloot vertooning was en wat lang duurde, heeft mij nimmer kunnen behagen: en ik herinner mij, bij den dans van Taglioni gegaapt te hebben en in den dut te zijn gevallen bij het fraaiste carrouselrijden in ’t paardenspel; terwijl ik, wat balletten betreft, nog altijd het meeste vermaak schep in eene Harlekinade.Verder geloove men niet, dat een uit het publiek, ’t welk de vertooningen van La Haye bijwoonde, naar de opvoering van iets nieuws verlangde. Neen, met hetzelfde genot, waarmede thans een dilettant voor de honderdste maal de Norma, de Barbier of de Freischutz ziet opvoeren, naarmate hij een voorstander is van Bellini, Rossini of Weber, zagen wij telkenreize het tooneel, waarin Jan Claeszen zich doof houdt tegenover den huisheer, en Katrijn dezen met stokslagen betaalt; en dat andere, waarin de acteurs een voor een in de kist worden gestopt, met hernieuwd vermaak terug: ja wij waren geheel niet tevreden, indien er in het gewoon programma eenige verandering plaats had.Over de verdiensten van La Haye als directeur van den dans, zal ik kort zijn: zij waren ongetwijfeld vele; doch ik was toen nog te weinig ingewijd in de geheimenissen der Choregraphie om zenaar waarde te schatten: dit alleen geloof ik te kunnen aannemen, dat zij niet gelijk stonden met zijne verdiensten als theater-directeur. Nu—het is niet iedereen gegeven in alle vakken uit te blinken, en hoezeerle devin de villageeene lieve operette zij, was Rousseau ongetwijfeld grooter als prozaschrijver dan als componist.Nu een woord over Beekman. Deze was een Amsterdammerpur sangen sprak, dacht, liep en zag er ook uit als een Amsterdammer. Zijne donkerbruine kleeding, eenvoudig en net, en zijn hoofd, met eene bruine, rechthoekigenaturelversierd, alles duidde in hem den man aan zonder pretentie. Als violist en dansdirecteur stond hij wellicht op dezelfde hoogte als La Haye; doch gelijk deze door zijn ronzebons, was gene groot door zijne Chineesche schimmen, welke hij, met behulp van zijn zoon, een bleeken jongeling, met een grijs en blauw gestreept vest, vertoonde. De tooneelstukken, welke hij te voorschijn bracht, waren talrijk en classiek: althans vertrouw ik dat gij, mijn waarde lezer! voor zooverre gij in de literatuur van hetthéâtre des Séraphinsgeen vreemdeling zijt, ze alle kent. Hij gaf ons de voorstelling van het woud met de wilde dieren, den jager, die ze vervolgt, den struikroover, die den armen reiziger om hals brengt en berooft, maar later zelf door den levenden Nikker wordt weggevoerd: die van den buitensingel, met den visscher, die in zijn totebel talrijke stroombewoners vangt: die van de straat, in welke de wandelaars met parapluies uitgaan, waar de wind in vat, zoodat zij met hunne eigenaars de lucht ingaan: die van het hol, waar de toovenaar allerlei veelsoortige verschijningen oproept: die van het huis met de duiventil, waar twee stoute kinderen, ondanks alle verbod, zich op wagen, en die onder hunne zwaarte wegbreekt en met hen instort: die van de gebroken brug met de eendjes, enz. enz. Maar de drama’s, die ons ’t meest plachten te behagen, waren de twee volgende: het eene, dat, waarin twee huisbrekers bij nacht een huis leeg stelen en het vervolgens in brand steken; terwijl de oude podagrist met zijne huishoudster, die het bewonen, niet dan met moeite ontkomen;—het andere, dat van de kat, die den schapebout steelt; terwijl Mietje, die er op passen moest, met haar buurknaap is loopen spelen; hetgeen haar dan ook eene welverdiende kastijding van hare moeder bezorgt.Habent sua fata libelli, zegt de Latijnsche dichter; wat zooveel zeggen wil: „’t loopt al raar met de reputatie van een werk”:—de waarheid dezer spreuk vinden wij opnieuw bevestigd door de merkwaardige omstandigheid, dat treffelijke tooneelstukken als de hierboven genoemde, reeds sedert een paar eeuwen in alle hoofdsteden niet alleen, maar zelfs in kleine dorpen, waar het slechts kermis was, eene welverdiende vermaardheid hebben bekomen, zonder dat iemand in staat zij den naam des genialen schrijvers te noemen, aan wien wij ze te danken hebben.—’t Is waar, dat, van een anderen kant er vele beroemde schrijvers gevonden worden, wier namen overal bekend zijn, doch wier voortbrengselen niemand leest.De Chineesche schimmen werden bestendig achtervolgd door eenChineesch vuurwerk, dat zeer fraai was; doch dat mij, om eene hierboven reeds aangehaalde reden, veel minder vermaakte dan de vertooningen.Groot waren La Haye en Beekman!—doch ze stonden in evenredigheid tot Laurens gelijk Le Brun en Cambaceres tot hun medeconsul Buonaparte. Zoo ik van de beide eerstgenoemde theaterdirecteurs de voornamen niet heb kunnen opsporen, ten opzichte van Laurens is het mij niet gelukt met zijn geslachtsnaam bekend te worden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij er ook geen bezeten en zal hij alleen bij dien zijns vaders zijn bekend geweest, gelijk Mozes, Cyrus, Socrates. Alexander de Groote, en—met wien ik hem in de eerste plaats had moeten vergelijken—Orpheus.—Met dezen toch had hij nog andere punten van overeenkomst. Orpheus bespeelde een antieke, Laurens eene moderne lier: Orpheus trok alle menschen en dieren, Laurens alle kinderen tot zich. Orpheus was het grootst, toen hij in het rijk der schimmen zulk een beweging maakte; Laurens behaalde ook daarmede zijn voornaamsten roem: ja zelfs overtrof hij Orpheus in dit opzicht; want de schimmen, welke hij in beweging bracht, had hij zelf doen ontstaan.Evenmin als Vondel had Laurens te Amsterdam het eerste levenslicht aanschouwd; evenals gene was hij in een Bisdom geboren, Vondel in dat van Keulen, Laurens in dat van Luik. Evenals Vondel bracht Laurens zijne mannelijke levensjaren door te Amsterdam en verwierf er zijn roem. Eindelijk besteedde Laurens, evenals Vondel, den tijd, dien hij niet aan de schoone kunsten wijdde, met de uitoefening van een beroep: en had Vondel een kousenwinkel in de Warmoesstraat, Laurens had een parapluiewinkel in de Wijde Heisteeg—die, in ’t voorbijgaan gezegd, zoo nauw is, dat men haar maar van ééne zijde mag inrijden.Nimmer is de verschijning van een Romeinschen veldheer, als hij zijne zegepraal te Rome vieren zou, nimmer die van een geliefd vorst in eene zijner goede steden, nimmer die van een lang verwachten keizerlijken erfgenaam in dit tranendal, nimmer die van een gemaskerde studentenstoet op een academiefeest met meer ongeduld te gemoet gezien en met hartelijker gejuich verwelkomd, dan die van Laurens op eene kinderpartij. „Daar is Laurens! daar is Laurens! goeden avond, Laurens!” riep dan uit éénen mond de jubelende schaar, die al huppelende om hem heendrong, tegen hem opsprong, en hem in de overmaat der vreugd schier belette verder voort te treden en zich te ontdoen van zijne dubbele vracht.Ik zeg, zijne dubbele vracht; want, zonden La Haye en Beekman hun theater vooruit, Laurens—en hier blijkt wederom hoe ware grootheid steeds met nederigheid gepaard gaat—droeg het zijne op den rug; terwijl hij nog bovendien van voren met zijn lierekast was bezwaard.Eindelijk was het niet, zonder moeite den grooten man gelukt de kist, waarin zijn tooverlantaren en de daarbij behoorende glazen besloten waren, neder te zetten en zich een weg te banen tot aan devrouw des huizes. Bevallig en deftig tevens was daarbij zijne houding, en in overeenstemming met zijn kostuum. Had La Haye in zijn voorkomen iets, dat aan den voormaligen Carmagnool herinnerde, was Beekman de type van den Amsterdamschen burgerman, zij, die Laurens zagen, en niet wisten, dat hij een Luikerwaal was, wilden er op zweren, dat hij tot deémigrésbehoorde. Zijne kleeding toch was, tot in de kleinste bijzonderheden,ancien régime. Het haar, met een weinig poeder bestrooid, wasen aîles de pigeongekapt en van achteren tot een staartje of zoogenaamd „schorseneeltje” vereenigd, dat, vastgebonden met een blauw zijden lint, in eeuwigdurende beweging was. Hij droeg hethabit français, lichtbruin, met breede opslagen en knoopen als drieguldens: tusschen een donkerkleurig vest met breede panden vertoonde zich het hagelwitte linnen, van een geplooiden jabot en manchetten voorzien: op de korte zwarte broek hing een breede stalen horlogeketting: en de bruine floretten kousen staken in lage schoenen met breede spinsbekken gespen. Dat hij bij dit alles, wanneer hij over straat ging, een grooten punthoed droeg en een stok met een zwaren knop, behoef ik nauwelijks te vermelden.Maar dan zijn gelaat! Zeker had de uitdrukking daarvan iets, dat aan allen vertrouwen, en aan de kinderen bovendien hartelijke genegenheid inboezemde, met eerbied gepaard: tot bewijs van dit laatste behoef ik slechts aan te voeren, dat ik ook den ondeugendste onder hen zich nimmer heb zien verstouten in zijne tegenwoordigheid eenige onbetamelijkheid te bedrijven. ’t Is waar—mij is verteld dat eens een kleine bengel de ongehoorde vermetelheid zou hebben gehad, hem aan zijn staartje te trekken. Ik kan het feit niet gelooven;—doch zoo ’t werkelijk heeft plaats gehad, dan moet ik het er voor houden, dat de knaap, die ’t bedreef, zich vooraf was te buiten gegaan aan eenig glas wijn of punch, dat voor de groote menschen bestemd was:—of, indien zoodanige jeugdige booswicht zich werkelijk aan het feit heeft schuldig gemaakt, zonder iets anders gebruikt te hebben dan slappe thee of orgeade, dan verkondigt zulks bij den schuldige op zijnen leeftijd òf eene vroege verdorvenheid, òf een vroegen overmoed, en is hij op mannelijken leeftijd òf aan de galg òf aan een ministerie geraakt.Dan ik wil mij in geene gissingen omtrent zulke droevige uitkomsten verdiepen, waardoor ik het genoegen zou bederven, ’t welk gij, lieve lezeres! ongetwijfeld smaken zult in het lezen, gelijk ik in het opstellen der beschrijving van een dier aangename avonden, zooals Laurens ze ons wist te schenken. Zie! de pret gaat beginnen. Laurens draait aan zijne lier:rijing, rijing, rijingerijingerijing, vat aan iedere hand een klein ventje of meisje, en een groote rondedans vangt aan. Na den eersten toer volbracht te hebben, staat hij stil, en allen met hem.„Een been,” roept hij, steekt het zijne vooruit, en allen volgen zijn voorbeeld.Na de tweede roept hij: „Een been, ander been!” en beide worden achtereenvolgens door hem en door de dansers uitgestoken. Nade derde ronde luidt het: „Een been, ander been, één knie!” en de geheele troep ligt als hij geknield. De „andere knie” komt er na den vierden toer bij: vervolgens op gelijke wijze „een hand—andere hand,” en eindelijk, bij de laatste ronde: „allemaal om,” bij welken uitroep allen, nu op vier voeten voorover liggende, het hoofd buigen en met den neus op het tapijt liggen, niet anders dan of zij ter audientie waren bij den Keizer van Japan.Na die ronde, een „patertje”, de liefste dans, die ooit is uitgevonden—zeker de oudste en meest nationale bij ons: een dans, die de zoetste herinneringen achterlaat.—Ik ken jongelieden, die in polka en mazurka schitteren, en die toch verre van afkeerig zijn van een patertje, wanneer het eens—zoo geheel onder ons—wordt voorgesteld. Ik ken evenzeer jonge dames, die een afschuw hebben van den Baal-Peors-dienst en daarom ook van geenbalwillen weten—welk laatste woord in hare meening van het eerstgenoemde afstamt;—maar die toch zich altijd met genoegen laten vinden om—altijd zoo geheel onder ons—een patertje mee te doen.Na het patertje, een marsch:—een plechtige, statige marsch, Laurens voorop, al de kinderen achter hem, elkander bij de slippen der jurk of bij de punt van het buisje vasthoudende: de grooten voorop, de kleinsten achteraan. O! die zoo gelukkig was, den grooten Laurens zelven bij de rokspanden te mogen vasthouden. Haal u voor den geest den persoon, die u ’t meest benijdenswaardig voorkomt: den gast, die eene eereplaats bekomt aan ’s Konings disch, den danser, die uitgenoodigd wordt om met eene Prinses van den bloede den cotillon te dansen: de min, die een Keizerlijk kind mag zogen, den adjudant, die de geboorte van het gezegde kind gaat boodschappen, de prima donna, die hare mededingster hoort uitfluiten—o! het gevoel van eigenwaarde en zelfvoldoening, dat die allen bezielt, kan niet opwegen tegen dat, ’t welk de borst doorstroomde van den gelukkige, wien ’t onschatbaar voorrecht ten deel viel de rokspanden van Laurens te mogen vasthouden bij ’t „hansje sjokken” spelen.En als dan de deftige marsch lang genoeg geduurd had, gaf doorgaans Laurens het sein tot het eindigen met deze woorden, op Mefistofelistischen toon uitgesproken:„Nou motte ikke al de meisie soene.”Dan was het een gegil en een gelach en een gegiegauw en geginnegap van al die vijf- tot zevenjarige Dafnees en Atalantes, die de vlucht namen—en de rij was verbroken.Natuurlijk was deze bedreiging van den eerzamen Laurens niets dan scherts, en dit wisten de nufjes ook zeer goed; want bijna allen hadden die bij vorige gelegenheden meer gehoord: doch zij wisten tevens, dat het tot hare rol behoorde, bij die gelegenheid op de vlucht te gaan, alsof zij wonderwat te vreezen hadden.Dan stil: het tafellaken wordt tegen den wand gespeld: de tooverlantaarndaar recht tegenover op een tafel gezet en het publiek zet zich neder:—de grooteren op stoelen aan weerszijden in een halven kring: de kleintjes daartusschen in, op stoven: hier en daar eene gouvernante of kindermeisje nevens het voorwerp harer zorg.Laurens steekt het licht aan in zijne tooverlantaarn: geen gas, geen lamp, geen waskaars zelfs, waarde lezer!—eene loutere vetkaars;—maar ook de vetkaars heeft hare rol in de vertooning.En nu worden de overige kaarsen uitgesnoten of weggezet (lampen waren toen nog niet in gebruik) en wij zitten in ’t stikdonker, de enkele stralen niet medegerekend, die uit de reten en gaatjes der lantaarn ontsnappen.En nu vangt, op de wijze der antieken, Laurens met een prologus of voorafspraak aan:„Eeren en Daam! wat wit is is niet swart;—en wat swart is is niet wit. Sie je nix, ik ook nix, hé, hé, hé, Juffrouw! Nou sel je kommen te sien die mooi tooferlantaar, fraai kurieus o so mooi! en as ik spreek mot jylui swyk en as ik sink mot jylui mee sink...” En werkelijk, zoolang hij sprak, was er—op twee of drie uitzonderingen na, waarvan nader—eene stilte, dat men eene speld kon hooren vallen.—Sommigen hebben dit verschijnsel psychologisch willen verklaren en die stilte toegeschreven aan de duisternis, welke in ’t vertrek heerschte. De zoodanigen meenen zich tot staving van hunne meening te kunnen beroepen op ’t geen plaats heeft, wanneer men met den spoortrein plotseling in eene tunnel komt, en het levendigste gesprek terstond gestaakt wordt. Ik heb zelf dit laatste meermalen ondervonden; doch altijd iets geschoven op de omstandigheid, dat het gedruisch van den trein in eene tunnel vertienvoudigd wordt en alzoo belet, dat de een den ander versta. Wat daarvan zij, zeker is het, dat wij bij de vertooning van Laurens zwegen, niet omdat het duister was, maar uit eerbied voor den man: en ik behoef hier geen ander bewijs voor, dan het feit, dat wij allen trouw meezongen, zoodra hij zijne stem verhief.De inleidende aanspraak is geëindigd. Laurens draait het dekstuk van den lichtkoker af en daar tegenover verschijnt op het witte linnen de ronde, verlichte schijf, die het tooneel is, waarop zijne gekleurde schimmen zich zullen bewegen.En nu volgen de vertooningen, door hem telkenreize beschreven in de hierna volgende bewoordingen, waar ik jota noch tittel af of bijdoe:„Ter ebje nou Mijneer de Son, met zijn kleine neus, zijn kleine mond,sa beauté, sa magnificence. Sieje niet oe ’y zijn ook beweek.—En ier ebje Mefrou de Maan, met aar kleine neus, aar kleine mond.—Ier ebje Adam en Efa in ’t Paradijs, naakt en bloot, met zijn b.... bloot.—Ier ebje de slank, die keef de appel aan Efa. Daar neem Efa die appel van de slank: daar keef zij die appel aan Adam. Adam, Adam! pas op, datje strak niet op je bloote b.... krijk—Daar hebje den engel, die jaak Adam en Efa et Paradijs uit. Heruit, je motter uit, je selt er uit, je motter uit. Rtt! se sijn er uit, en Louwtje is er ook uit.”Men bemerkt uit deze laatste woorden, dat Laurens zuiver in de leer was.„Ier selje nau kom te sien die alkemeene sontvloet. Daar ebje die arke Noë: Daar ebje die beeste, die kaan in de ark twee an twee. Daar ebje twee kanse, twee an twee, daar ebje twee eend: daar ebje ram en skaap: daar ebje twee farke, twee an twee: daar ebje os en koei: mijn kroote kameraten, twee olikante—ik verspreke mij—twee olifante.”—N.B. deze verspreking, waarop wij altijd voorbereid waren, veroorzaakte telkenreize dezelfde vroolijkheid.—„Daar ebje Noë en sijn famielje, die drijven die beeste na die ark. Daar ebje die alkemeen sontvloet! daar ebje moeder met kindj’—en kindj’ met moeder!—Kijk die kwaai jonk, die leit niet sijn bloote b.... in ’t water.—Herr-Rtt! weer op een andere kane bier! Hê, hê, hê, Juffrouw!”„Ier ebje nou die kroote Turk, die sal een klas wijn drink op die kesontheid van die eer en die daam.Messieurs et Mesdames, j’ai l’honneur de boire à votre santé.Nok eens!—nok eens!—nok eens!—ier ebje die oude frou, die die appele verkoop.—Ok froutje lief! een appeltjeassebies.”Hier had regelmatig eene interruptie plaats en riepen wij: „Asje blieftmoet je zeggen.” Doch Laurens stoorde zich aan onze terechtwijzing zoo weinig als een Minister van 1855 aan een discours van de „kleine partij” in de Kamer, en bleef’ al doorpraten:„Ok froutje lief’ een appeltjeassebies!—Ier ebje die dans van die erder en erderin:El e lou maîreE que me marida!Quand sera grandeQuand te fera dansaTiri la.El e lou maîreQuand te fera dansa, etc.”Dit lied nu zongen wijnietmede, omdat wij geen Luikerwaalsch verstonden.„Ier ebje de geskiedenis van die ferlore soon. Ier ebje die ferlore soon. Ier ebje de ferlore soon, die sijn keld fraak en op reis kaat. Adjés liefe Papa!—adjés liefe soon! pas tok’ op datje niet bij de mooie meisie kom.—Ik ben er een kroot liefhebber van, papa!—Tjk, tjk, tjk! daar rijdt ie wek.—Rt! daar issie bij de mooie meisie.—Daar ebje de een, die skenk um een glas wijn in; terwijl karesseer die ander sijn beurs met kelt wek—daar jaak zij um de deur uit, naak en bloot: herruit, je selt er uit, je mot er uit!—daar sit ’y bij de fark, soo bedroef, ja nok slimmer dan Pietje Bedroef, en denk: ak! was ik maar bij mijn koeie ouwe fader kebleef; daar ad ik alle daak vol op.—Daar komt ’y bij sijn fader en fal op sijn knie. Ak liefe papaatj’ ik sel ’t nooit weêr doen.—Ja soo sek die kwaai jonk, als sy kwaad kedaan eb.—Daar kom die koeie ouwe fader en fal om sijn ’als: Pw, pw, pw! (dit drukt het geluid van kussen uit).—Daar ebje die snijer die bestel is om een nieuw rok te maken: daar ebje die slakter, die ’t vette kalf slak om eene koeie maaltijd te maak.... Hrtt! weêr op een andere kanebier.”„En nou sel je sien, ’oe Loutje sijn kaars snuit.”Bij deze woorden nam Laurens den lichtblaker uit de lantaarn, snoot zijne kaars en draaide zijne lichtbuis, die verschoven was, weder goed; bij welke gelegenheid hij, om zijn handen vrij te hebben, den blaker op zijn hoofd zette:—een tusschenspel, ’t welk ons altijd ongemeen vermaakte.En nu volgden, als de kaars weder op hare plaats was, de vertooningen van Jan Claeszen met zijne kindertjes, van de militaire evolutiën der soldaten, van den herder „met sijn soete liefe fogel, en de herderin met aar allerliefste liefe kouw,” van de gebroken brug met de eendjes, die in ’t water zwemmen, van Mijnheer Augustijn met zijn luchtballon, van Laurens zelf, die zijn tooverlantaarn vertoont, en misschien nog een paar, welke ik alle hier niet vermelden kan, doch die, wanneer eenmaal de biographie, waar de beroemde man recht op heeft, in ’t licht zal komen, niet zullen mogen ontbreken. Voor alsnu stelle men zich tevreden met de beschrijving der laatste voorstellingen:„Ier ebje die istori van Malbroek,—ier ebje Malbroek, die afscheid neem van sijn frou.—Adjés liefe frou! adjés liefe Malbroek, tjk, tjk, tjk! daar rije Malbroek wek.”Algemeen Koor.Malbrouck s’n va-t-en guerre,Mironton ton ton mirontaine,Malbrouck s’en va-t-en guerre.En guerre il est allé(ter).Il reviendra s-à Pàgues,Miron ton ton mirontaine.Il reviendra-s-à PàquesOu à la Trinité(ter).La Trinité se passe,Miron ton ton mirontaine.La Trinité se passe,Malbrouck ne revient pas(ter).Madame à sa tour monte,Miron ton ton mirontaine.Madame à sa tour monte,Si haut qu’el’ peut monter(ter).„Ier ebje Mefrouw Malbroek op ’aar toor.”Elle aperçoit son page,Miron ton ton mirontaine.Elle aperçoit son pageTout de noir-s-habillé.O page, mon beau page.Miron ton ton mirontaine.O page, mon beau page,,Quel nouvels’s-apportez?(ter).„Mefrou! Malbroek is dood—met zijn kleine schorseneeltje.”Dit „kleine schorseneeltje” had betrekking op den Page, die een staartje in den nek droeg, niet ongelijk aan dat van Laurens zelf.Je l’ai vu porter-s-en terre,Mironton ton ton mirontaine.Je l’ai vu porter-s-en terrePar quatre-s-officiers(ter).„De eerste draak sijn rok, de tweede sijn broek, de derde sijn waap’, de vierde draak niemendal, ’y was te lui om wat te draak.—En ier ebje nou Malbroek sijn kraf. Zie nou of jij lees kan, wat daarop keskreef staat.”En hier begonnen wij allen, zelfs zij, die lezen konden, hardop het grafschrift te spellen:H. i. e. r. hier l. i. g. t. ligt M. a. l. mal b. r. o. e. k. broek, Malbroek.Hier ligt Malbroek.„Ier ebje nou Loutjes moeder. Loutjes moeder ’ad soo een eele mooie neus; maar Eeren en Daam, sij was bank als sij uitga, dat aar neus nat word. Daar eb sij bij haar selve bedak, dat Laurens ook paraplui verkoop; want Eeren en Daam, Laurens vertoon niet alleen tooverlantaar, Laurens verkoop ook parapluie, maak nieuwe paraplui, raccomodeer paraplui, verruil ouwe paraplui, verzoek wel vriendelijk om de kunst en recommandatie.... daarom eef zij Laurens verzok van als sij uitga te gaan zitten op haar neus met sijn paraplui, dat aar neus niet nat wor.—Ier ebje nou Loutje op moeders neus.”Op deze aanbeveling, met zooveel kieschheid en dus ongezocht te pas gebracht, volgde de voorstelling van een oom van Laurens, die een schoorsteen in zijn neus had en van een anderen heer, uit wiens neus kleine neusjes voortkwamen.„Mijn grootvader ad een eele mooie buik. Maar nou ’ad ie sooveel aardappele met spek kekeet, dattie sijn buik niet kon draak over Straat.—Soo ’et ie in drie nakte geprakkiseerd, ie sou late maak een kruiwaak en daarop sijn buik foortkrui. Ier ebje nou mijn krootfader, die sijn buik foortkruit over straat.„Ier ebje de bakker, die de bolle blaas, toe, toe, toe, daar ’aalde bakker de warme bol uit de oof,—daar kom de broodweker en ’t brood week onkelukkik een beetje te likt: daar kom de diender en pak de bakker mee—daar kom de dufel en wil ’m ook meê pak.—Mijn mottie wees, neen mijn mottie wees.—Jij sel ’m niet eb.—Ik sal ’m eb.—Daar ’eet de dufel ’m in sijn mand kepak en loop met ’m wek: en ’eef een zak kulde ook meê kenoom—daar loop ’m de pakkerin achterna en pak de dufel bij de staart.—Ier leelijke moriaan, ik moet mijn man weêrom ’eb.—Ok pakkerin laat los:—neen ik laat je niet los foor ik mijn man weêrom eb.—Ok liefe papekaaisneus laat los, je sel je man weerom eb.—Neen, leelijke swartsmoel, ik mot mijn kelt weêrom eb ook.—Ok pakkerin laat los, je selt je kelt weêrom eb.—Daar ruk hij zich los en laat de pakkerin staan met sijn staart in ’aar ’and.—En as nou die Eeren en Daam te freede sijn, versoeke wel friendelijk de kunst en recommandatie.”Met dit aandoenlijke en leerzame drama werd altijd de vertooning besloten.Ruim vijftig jaren zijn verloopen, sedert ik die ’t laatst bijwoonde, en nog staat zij mij niet alleen even levendig voor den geest als toen; maar gaarne zou ik er eene representatie van Rachel of een concert van Jenny Lindt voor verzuimen, om die nogmaals te zien—mits door Laurens zelven gegeven.En vrij wat meer gaf ik, indien ik die zien kon in dezelfde kinderlijke gemoedsstemming van die dagen.Ik heb sedert meermalen kinderpartijen bijgewoond. Ik heb de opvolgers van La Haye, Beekman en Laurens hunne pogingen zien aanwenden, om de kinderen te vermaken en tevens „zoet te houden.” Geen hunner slaagde; geen hunner had er trant van. Een staaltje ten bewijze. Ik hoorde een vertooner van marionetten, na zich met aangenomen deftigheid midden in de kamer gesteld te hebben, tegen eenige baldadige knapen zeggen:„Jonge Heeren! bedenkt, wie gij zijt, en waar gij zijt!”„Niet op school,” riepen de jongens, en werden woeliger tegen de vermaning in.In zekeren opzichte hadden zij gelijk. Zij waren niet op school, zij waren uit voor hun plezier, en in dat geval zijn kinderen van oordeel, dat bestraffingen niet tot het programma behooren.—Maar de kunst is, te zorgen, dat zij niet in de gelegenheid komen eene bestraffing te verdienen; de kunst bestaat alleen daarin, dat men met hen spele en hen voortdurend bezig houde: en die kunst verstond Laurens vooral in hooge mate.’t Is echter mogelijk, dat de „lieve jeugd” ook veranderd is sedert mijn tijd, en dat zij, wat ons eenkinderlijkvermaak schonk, thanskinderachtigvinden zou.’t Is mogelijk, herhaal ik,—ofschoon ik het niet geloof. De „lieve jeugd” is, wat men van haar maakt: en indien onze ouders, toen wij klein waren, de ronzebons, de Chineesche schimmen en de tooverlantaarnlafhadden genoemd, dan hadden wij er waarschijnlijk ook onze neusjes voor opgetrokken.Gelukkig waren onze ouders daar nog niet verlicht genoeg toe en konden zij nog met den goeden La Fontaine zeggen:Si peau d’âne m’étoit conté,J’y prendrois un plaisir extrême.

Over den naam van „hoofdstad”, aan Amsterdam gegeven.Misschien schrikt u het opschrift van dit hoofdstuk af, lieve Lezeres! en verkeert gij in den waan, dat ik u hier een dor, althans een politiek vertoog, ga opdisschen. Is zulks bij u het geval, dan miskent gij mijne bedoelingen. Neen, Mevrouw, of Mejuffrouw, wie gij zijn moogt! ik heb te veel eerbied voor uw gezond verstand om niet te weten, dat gij u met geen politiek bemoeit, en ik heb er u te liever om.—Maar al hadt gij ook onverhoopt eene geheime neiging tot de staatswetenschap, dan heb ik tevens te veel krediet voor het gezond oordeel van den smaakvollen vriend, die u den „Holland” als een St.-Nicolaasgeschenk aanbiedt, om niet te beseffen, dat hij zich wel zou wachten, die bestemming aan mijn boekje te geven, zoo hij kon gissen, dat het strekken kon om die neiging bij u te voeden.—Ik haast mij dus, om uwent- of om zijnentwille, u de verzekering te geven, dat zoo het opschrift, zoo ook de inhoud van dit eerste hoofdstuk weinig vermakelijks beloven voor het vervolg, ik gaandeweg een anderen toon zal aanslaan, om voor alles mijn best te doen, u zoomin mogelijk te vervelen. Uwe eigene ondervinding—ik ben er overtuigd van—heeft u gewis sedert lang geleerd, dat de fraaiste zijden stoffen, de fijnste kanten en de sierlijkste bijouterieën, gekocht worden in zoodanige winkels, waar uiterlijk niets aanduidt, dat zich daarbinnen zulk een rijke voorraad bevindt; terwijl daarentegen, waar veel moois voor de glazen prijkt, het magazijn zelf meermalen niets bevat, dat uwe aandacht waardig is.—Na deze—zoo ik hoop geruststellende—inleiding, vang ik aan.Ik heb mij meermalen afgevraagd, welken zin de Regeering, wanneer zij in onderscheidene officiëele stukken, Amsterdam de „hoofdstad” noemt, wel aan dit laatste woord zoude hechten. Volgens den aard onzer taal en naar het algemeen gebruik verbindt zich aan dien titel de gedachte aan ettelijke voorrechten, door de stad, die hem voert, boven hare medesteden genoten.—Maar hoe meer moeite ik deed, om, van dat beginsel uitgaande, eenig voorrecht te noemen, ’t welk Amsterdam boven de overige steden des Rijks zou bezitten, hoe verder ik van de wijs dwaalde. Gaan wij eens na, welke eigenschappen men gewoon is aan eene hoofdstad toe te schrijven, en zien wij dan, in hoeverre men die op Amsterdam kan toepassen.Het is in ’t algemeen binnen de hoofdstad van het rijk, dat zich de zetel bevindt der Hooge Regeering. Dat is zoo in Frankrijk gelijk in Zweden, in Engeland gelijk in Japan, in Spanje gelijk op Otaheiti. En wat is nu het geval in het Koninkrijk der Nederlanden? Het kabinet des Konings zoowel als de ministeriën zijn in Den Haag gevestigd: de Staten-Generaal komen in Den Haag bijeen: de Hooge Raad heeft zijn zetel in Den Haag: en Amsterdam, verre van zich te beschouwen als het middelpunt van het Rijk—is niet eens dat van het Provinciaal Bestuur, en had, voor de scheiding van Noord- en Zuid-Holland, zelfs geen gerechtshof binnen zijne muren.Dit eerste kenmerk eener hoofdstad ontbreekt dus geheel. Maar heeft wellicht Amsterdam het voorrecht dat het door ’s Lands Regeering meer bijzonder begunstigd, dat het behandeld wordt als de parel, waarop geheel Nederland trotsch is, als een pronkstuk, tot welks onderhoud en vorming heel Nederland bijdraagt? De begrootingen van Frankrijk, van België, van Pruisen, wijzen telken jare aanzienlijke sommen aan, bestemd om den luister der hoofdstad te bevorderen, en haar op die wijze meer en meer tot het brandpunt te bestemmen, van waar de verlichting, de beschaving, de kunsten en wetenschappen hare stralen spreiden naar de overige deelen des Rijks. Op deze vraag, waar ’t Amsterdam geldt, kan alleen worden geantwoord, dat Amsterdam tot nog toe voor ’s Lands rekening niet veel anders naar buiten verspreidt dan.... brieven.Is er dan misschien, ten gevolge der inrichting van onzen Staat, aan Amsterdam eenig politiek voorrecht geschonken?—Zulk eene vraag kan alleen door een vreemdeling worden gedaan. Wij Nederlanders, en vooral wij Amsterdammers, weten, dat de hoofdstad door dezelfde gemeentewet beheerscht en op gelijke wijze bestuurd wordt als Urk en Buiksloot.Een voorrecht echter is aan Amsterdam, en dat nog wel bij de Grondwet, toegekend. Deze bepaalt namelijk in Art. 51, dat de Koning binnen die stad wordt ingehuldigd. Ongelukkig is dat een der voorrechten, waarvan elk rechtgeaard Amsterdammer moet wenschen, dat de stad zoo spaarzaam mogelijk gebruik behoeve te maken.—Doch bij het vermelden van dat voorrecht mag ik niet nalaten, de aandacht te vestigen op de omstandigheid, dat Amsterdam niet de hoofdstad is, omdat de Koning er gehuldigd wordt; maar omgekeerd, dat de inhuldiging plaats heeft te Amsterdam, omdat Amsterdam als de hoofdstad wordt aangemerkt.—Het moet dien titel dus aan vroegere, aan andere oorzaken te danken hebben, en deze zijn het juist, welke ik zou wenschen te kennen, en waarover ik gaarne een prijsvraag zou zien uitschrijven. Wat mij betreft, ik ben bereid hem, die ze maar eenigszins voldoend weet te beantwoorden, een stel „Hollanden” present te doen. Ik voor mij ken geen enkel punt van overeenkomst tusschen Amsterdam en andere hoofdsteden, dan dat het—gelijk in den regel met deze laatsten het geval is—meer uitgebreidheid bezit en meer inwoners telt dan de overige steden in het Rijk. Maar aangezien de omtrek en de bevolking niet anders dan bloote feiten, en bovendien aan wisseling onderhevigzijn, zoo kunnen zij, bij het gemis van alle overige vereischten, den toegekenden titel op zichzelven niet rechtvaardigen.Al deze beschouwingen hebben mij tot de navolgende gissingen geleid:De titel van hoofdstad zal aan Amsterdam geschonken zijn, evenals men dien van Generaal verleent aan een afgedankten en voor den dienst niet meer bruikbaren kolonel—een en ander buiten bezwaar van ’s Rijks schatkist.En dan krijgt de nieuwe Generaal er doorgaans het verlof bij, om de uniform te dragen, aan zijne nieuwe waardigheid verknocht.—Men behoeft geen vijf minuten in Amsterdam te hebben doorgebracht, om zich te overtuigen, dat dit verlof aan de hoofdstad niet is geschonken;—of dat zij er althans geen gebruik van maakt.Dit ware intusschen wel te wenschen; want de oude uniform, die zij droeg, toen zij nog geene hoofdstad, maar eenvoudig de vijfde in rang onder de stemhebbende Steden was, is bitter gescheurd en versleten.Jammer genoeg; want zij was wel der moeite waardig, gezien te worden. Gij hebt er misschien zelfs geen flauw denkbeeld van, lieve Lezeres! hoe mooi die was. Gij verbeeldt u wellicht, dat, vermits wij toen nog de nieuwe Beurs aan den Dam en de Willemspoort, Artis en de Variétés, de Volksvlijt en het bruggetje tegenover ’t Sint-Antonie’s Kerkhof, het monument van ’t metalen kruis en ’t magazijn van Sinkel, het entrepôt en de omnibussen, het beeld van Rembrandt en de spoorwegstations, Frascati en ’t Huis van arrest, niet bezaten, de stad voor den bezoeker niet veel bijzonders moet hebben opgeleverd.Ik zal u antwoorden, dat, welken prijs ik ook stelle op de hier genoemde fraaie zaken en instellingen, op sommige waarvan ik misschien later met een woord terugkom, ik echter, bij ’t geen ik van Amsterdam zeide, meer ’t oog had op het uiterlijke voorkomen der stad in ’t algemeen, dan op eenige bijzondere nuttige of aangename gewrochten eener nieuwere beschaving. Een paar nieuwe epauletten en nestels—om terug te keeren tot het gebezigde beeld—mogen de aandacht trekken, zij hebben de macht niet, den verschoten glans terug te geven aan een rok, die vol vlekken, lappen en gaten is en waaraan alles van de bittere armoe des dragers getuigt.

Misschien schrikt u het opschrift van dit hoofdstuk af, lieve Lezeres! en verkeert gij in den waan, dat ik u hier een dor, althans een politiek vertoog, ga opdisschen. Is zulks bij u het geval, dan miskent gij mijne bedoelingen. Neen, Mevrouw, of Mejuffrouw, wie gij zijn moogt! ik heb te veel eerbied voor uw gezond verstand om niet te weten, dat gij u met geen politiek bemoeit, en ik heb er u te liever om.—Maar al hadt gij ook onverhoopt eene geheime neiging tot de staatswetenschap, dan heb ik tevens te veel krediet voor het gezond oordeel van den smaakvollen vriend, die u den „Holland” als een St.-Nicolaasgeschenk aanbiedt, om niet te beseffen, dat hij zich wel zou wachten, die bestemming aan mijn boekje te geven, zoo hij kon gissen, dat het strekken kon om die neiging bij u te voeden.—Ik haast mij dus, om uwent- of om zijnentwille, u de verzekering te geven, dat zoo het opschrift, zoo ook de inhoud van dit eerste hoofdstuk weinig vermakelijks beloven voor het vervolg, ik gaandeweg een anderen toon zal aanslaan, om voor alles mijn best te doen, u zoomin mogelijk te vervelen. Uwe eigene ondervinding—ik ben er overtuigd van—heeft u gewis sedert lang geleerd, dat de fraaiste zijden stoffen, de fijnste kanten en de sierlijkste bijouterieën, gekocht worden in zoodanige winkels, waar uiterlijk niets aanduidt, dat zich daarbinnen zulk een rijke voorraad bevindt; terwijl daarentegen, waar veel moois voor de glazen prijkt, het magazijn zelf meermalen niets bevat, dat uwe aandacht waardig is.—Na deze—zoo ik hoop geruststellende—inleiding, vang ik aan.

Ik heb mij meermalen afgevraagd, welken zin de Regeering, wanneer zij in onderscheidene officiëele stukken, Amsterdam de „hoofdstad” noemt, wel aan dit laatste woord zoude hechten. Volgens den aard onzer taal en naar het algemeen gebruik verbindt zich aan dien titel de gedachte aan ettelijke voorrechten, door de stad, die hem voert, boven hare medesteden genoten.—Maar hoe meer moeite ik deed, om, van dat beginsel uitgaande, eenig voorrecht te noemen, ’t welk Amsterdam boven de overige steden des Rijks zou bezitten, hoe verder ik van de wijs dwaalde. Gaan wij eens na, welke eigenschappen men gewoon is aan eene hoofdstad toe te schrijven, en zien wij dan, in hoeverre men die op Amsterdam kan toepassen.

Het is in ’t algemeen binnen de hoofdstad van het rijk, dat zich de zetel bevindt der Hooge Regeering. Dat is zoo in Frankrijk gelijk in Zweden, in Engeland gelijk in Japan, in Spanje gelijk op Otaheiti. En wat is nu het geval in het Koninkrijk der Nederlanden? Het kabinet des Konings zoowel als de ministeriën zijn in Den Haag gevestigd: de Staten-Generaal komen in Den Haag bijeen: de Hooge Raad heeft zijn zetel in Den Haag: en Amsterdam, verre van zich te beschouwen als het middelpunt van het Rijk—is niet eens dat van het Provinciaal Bestuur, en had, voor de scheiding van Noord- en Zuid-Holland, zelfs geen gerechtshof binnen zijne muren.

Dit eerste kenmerk eener hoofdstad ontbreekt dus geheel. Maar heeft wellicht Amsterdam het voorrecht dat het door ’s Lands Regeering meer bijzonder begunstigd, dat het behandeld wordt als de parel, waarop geheel Nederland trotsch is, als een pronkstuk, tot welks onderhoud en vorming heel Nederland bijdraagt? De begrootingen van Frankrijk, van België, van Pruisen, wijzen telken jare aanzienlijke sommen aan, bestemd om den luister der hoofdstad te bevorderen, en haar op die wijze meer en meer tot het brandpunt te bestemmen, van waar de verlichting, de beschaving, de kunsten en wetenschappen hare stralen spreiden naar de overige deelen des Rijks. Op deze vraag, waar ’t Amsterdam geldt, kan alleen worden geantwoord, dat Amsterdam tot nog toe voor ’s Lands rekening niet veel anders naar buiten verspreidt dan.... brieven.

Is er dan misschien, ten gevolge der inrichting van onzen Staat, aan Amsterdam eenig politiek voorrecht geschonken?—Zulk eene vraag kan alleen door een vreemdeling worden gedaan. Wij Nederlanders, en vooral wij Amsterdammers, weten, dat de hoofdstad door dezelfde gemeentewet beheerscht en op gelijke wijze bestuurd wordt als Urk en Buiksloot.

Een voorrecht echter is aan Amsterdam, en dat nog wel bij de Grondwet, toegekend. Deze bepaalt namelijk in Art. 51, dat de Koning binnen die stad wordt ingehuldigd. Ongelukkig is dat een der voorrechten, waarvan elk rechtgeaard Amsterdammer moet wenschen, dat de stad zoo spaarzaam mogelijk gebruik behoeve te maken.—Doch bij het vermelden van dat voorrecht mag ik niet nalaten, de aandacht te vestigen op de omstandigheid, dat Amsterdam niet de hoofdstad is, omdat de Koning er gehuldigd wordt; maar omgekeerd, dat de inhuldiging plaats heeft te Amsterdam, omdat Amsterdam als de hoofdstad wordt aangemerkt.—Het moet dien titel dus aan vroegere, aan andere oorzaken te danken hebben, en deze zijn het juist, welke ik zou wenschen te kennen, en waarover ik gaarne een prijsvraag zou zien uitschrijven. Wat mij betreft, ik ben bereid hem, die ze maar eenigszins voldoend weet te beantwoorden, een stel „Hollanden” present te doen. Ik voor mij ken geen enkel punt van overeenkomst tusschen Amsterdam en andere hoofdsteden, dan dat het—gelijk in den regel met deze laatsten het geval is—meer uitgebreidheid bezit en meer inwoners telt dan de overige steden in het Rijk. Maar aangezien de omtrek en de bevolking niet anders dan bloote feiten, en bovendien aan wisseling onderhevigzijn, zoo kunnen zij, bij het gemis van alle overige vereischten, den toegekenden titel op zichzelven niet rechtvaardigen.

Al deze beschouwingen hebben mij tot de navolgende gissingen geleid:

De titel van hoofdstad zal aan Amsterdam geschonken zijn, evenals men dien van Generaal verleent aan een afgedankten en voor den dienst niet meer bruikbaren kolonel—een en ander buiten bezwaar van ’s Rijks schatkist.

En dan krijgt de nieuwe Generaal er doorgaans het verlof bij, om de uniform te dragen, aan zijne nieuwe waardigheid verknocht.—Men behoeft geen vijf minuten in Amsterdam te hebben doorgebracht, om zich te overtuigen, dat dit verlof aan de hoofdstad niet is geschonken;—of dat zij er althans geen gebruik van maakt.

Dit ware intusschen wel te wenschen; want de oude uniform, die zij droeg, toen zij nog geene hoofdstad, maar eenvoudig de vijfde in rang onder de stemhebbende Steden was, is bitter gescheurd en versleten.

Jammer genoeg; want zij was wel der moeite waardig, gezien te worden. Gij hebt er misschien zelfs geen flauw denkbeeld van, lieve Lezeres! hoe mooi die was. Gij verbeeldt u wellicht, dat, vermits wij toen nog de nieuwe Beurs aan den Dam en de Willemspoort, Artis en de Variétés, de Volksvlijt en het bruggetje tegenover ’t Sint-Antonie’s Kerkhof, het monument van ’t metalen kruis en ’t magazijn van Sinkel, het entrepôt en de omnibussen, het beeld van Rembrandt en de spoorwegstations, Frascati en ’t Huis van arrest, niet bezaten, de stad voor den bezoeker niet veel bijzonders moet hebben opgeleverd.

Ik zal u antwoorden, dat, welken prijs ik ook stelle op de hier genoemde fraaie zaken en instellingen, op sommige waarvan ik misschien later met een woord terugkom, ik echter, bij ’t geen ik van Amsterdam zeide, meer ’t oog had op het uiterlijke voorkomen der stad in ’t algemeen, dan op eenige bijzondere nuttige of aangename gewrochten eener nieuwere beschaving. Een paar nieuwe epauletten en nestels—om terug te keeren tot het gebezigde beeld—mogen de aandacht trekken, zij hebben de macht niet, den verschoten glans terug te geven aan een rok, die vol vlekken, lappen en gaten is en waaraan alles van de bittere armoe des dragers getuigt.

Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.Gemeen verwonderingh betaemt mijn wond’ren niet.De vreemdelingh behoort te swijmen, die my siet,zeide Huygens, omstreeks de helft der zeventiende eeuw, Amsterdam sprekend invoerende: en inderdaad, in zijnen tijd en nog eene eeuwlater was er wellicht geene stad in geheel Europa, meer dan zij geschikt, om bij den vreemdeling, die haar bezocht, een indruk te verwekken van verbazing en opgetogenheid. Stellen wij ons hem voor, uit zee komende en dus de stad van den IJkant naderende. Nauwelijks kan de jol, die hem aan wal brengt, haren weg vinden tusschen die oneindige en ontelbare massa van schepen en lichters en schuiten, hier bij en nevens elkander liggende of elkander in alle richtingen doorkruisende. De Teems bijisle of dogskan er thans nog—hoewel maar in de verte—eenig denkbeeld van geven. Overal woeling, overal drukte, gegons en getier. Hier worden de geurige specerijen van ’t Oosten gelost, ginds het ruwe ijzer van Zweden, elders het koren uit Riga: dáár de kostbare zijde uit de Levant, en het fraaist geaderde marmer, dat tot ballast heeft verstrekt en nu de gangen en portalen en plinten ook der nederigste woningen versieren zal. Wat verder ontscheept men Segoviesche wol, terwijl kort daarbij de voortbrengselen worden ingeladen der lakenfabrieken, waarin zoodanige wol bewerkt is geworden. Overal ziet men dezelfde voorwerpen, ’t zij ruw, ’t zij gewerkt, hier lossen, ginds inschepen: overal het bewijs, dat Amsterdam niet voor zichzelf al het aangevoerde behoeft, maar het alleen verzamelt met het hoofddoel, om het weder uit te voeren: in ’t kort, dat het de stapelplaats, de markt, de monsterbazaar is der wereld.Onzen vreemdeling is het eindelijk gelukt, door alle belemmeringen heen, behouden aan den Buitenkant te landen, en eene nieuwe verwondering maakt zich van hem meester, naarmate hij de oude stad doorkruist en zich, schier bij elke schrede, een nieuw en verrassend schouwspel ziet bereid. „Hoe?” vraagt hij met verbazing aan zijn leidsman: „is dit deoudestad? en alles fonkelt mij tegen als blinkend en nieuw!”—En inderdaad, nergens ontmoet zijn oog eenige van die zware, breede, vierkante gebouwen, gelijk men ze elders in oude steden aantreft, van die berookte vervelooze huizen, wier sombere kleur, wier ramen, met uitspringend traliewerk voorzien, aan het geheel het voorkomen eener oude gevangenis geven: neen, elke woning is of schijnt ten minste nieuw, zoo zorgvol zijn de steenen beschilderd, de voegen opgewit, de plinten, kozijnen en luiken geverfd, de dakpannen bestreken: en doet zich hier en daar een toren, een muur, een bolwerk of ander gebouw uit lang verloopen eeuwen voor, ook dit getuigt niet van verval, ook dit is met netheid onderhouden, ook dit heeft een lachend, een vroolijk, een verjeugdigd aanzien. En hoe schilderachtig is de vertooning, welke het geheel oplevert. Nergens de stijve, rechte lijn, die aan alles eentonigheid bijzet en verveling wekt; overal bochtige, kronkelende, hoekige grachten en straten; terwijl de vooruitspringende groene luifels, waaronder de winkelwaren uitgestald worden, de ijzeren leuningen langs de stoepen, de banken en pothuizen, die van elke stoep eene kleine vesting maken, de openstaande luiken, de slingerende uithangborden van glanzend koper, de gebeeldhouwde of gebeitelde zinnebeelden in den gevel of op de daken, de grillige versierselen aan de piramidaalvormige puien aangebracht, de vanenen windwijzers, de schoorsteenen vooral, met hunne houten kappen, in alle vormen en kleuren, hier als een toren, daar in de gedaante eener Y, ginds in die van eene theebos, achter en nevens en boven elkander uitschietende, overal die verscheidenheid van lijnen teweegbrengen, die zoo aangenaam is voor ’t oog. En wat in den zomer het bevallige van het tooneel verhoogt, zijn die groene boomen, hier langs den wal, ginds ook voor de woningen, uit net geschilderde kokers oprijzende, en waar de schaduw van hun loover zich over straat of gevel heenspreidt, fantastische effecten vormende van licht en bruin.Maar onze wandelaar is door de woelige straten verder gegaan; daar komt hij op den Middeldam, en een gevoel van eerbied vervult hem bij den aanblik van dat reusachtig gevaarte, ’t welk met zijn eenvoudigen koepel voor hem oprijst, van dat stadhuis, in tijden van oorlog en woeling opgericht als een achtste wereldwonder,—en van die trotsche, nog onvoltooide kerk, nog maar kort geleden door den brand vernield, om grootscher weder op te rijzen en tot grafplaats aan Neêrlands meest beroemden zeeheld, gelijk aan zijn meest beroemden dichter, te verstrekken. Hij blikt rond over dat onregelmatige plein, dat het hart van Amsterdam mag genoemd worden en waar al de hoofdaderen van het groote lichaam mede verbonden zijn: overal drukte, overal gedraaf en gewoel, overal een zoo talrijke toeloop van menschen, dat hij in ’t eerst in den waan verkeert, dat eene buitengewone plechtigheid die duizenden doet te zamen komen. Maar neen: de Dam heeft zijn gewoon alledaagsch voorkomen, de zaken gaan haar geregelden gang, en het schouwspel, dat de Dam u heden aanbiedt, zal hij u morgen weder vertoonen. Een gedeelte van hen, die het plein doorkruisen, daagt op uit een der bogen van het stadhuis of begeeft zich binnen dat gebouw, ’t welk, als een groote bijenkorf, den geheelen dag afwisselend bezocht en verlaten wordt door hen, die hunne zaken of hunne nieuwsgierigheid er heenvoeren. Onze vreemdeling behoort tot hen, die de laatste drijfveer naar binnen doet treden. Hij gaat de breede trappen op en bevindt zich aldra in die honderd voet hooge gaanderij, schier een plein op zichzelve, en altijd vol bezoekers. Hij zoekt te raden, wat de beroepen zijn, die zij uitoefenen, of de oorzaken, die hen hier brengen. Weldra herkent hij de advocaten, die met mantel en bef op en neder wandelen, de procureurs, door hunne klerken gevolgd, die zakken met processtukken dragen, de beambten, die zich naar hunne kantoren begeven: hij ziet hoe het in de nevengalerijen woelt en grimmelt van menschen: deze moet naar de thesaurie, gene naar de wisselbank: anderen naar de weeskamer, de desolate boedelkamer, naar schepensbank, naar de secretarie, naar een dier tallooze stadskantoren, welke het gebouw bevat; daar in dien hoek spelen en dartelen knapen, niet anders alsof zij zich op een opene markt bevonden, of zoeken het kleinste sterretje aan de hemelglobe, die op het marmeren plaveisel is afgebeeld.—Doch daar opent zich rechts en links de volksmenigte; een roedragende bode gaat vooruit; gewis, de man, die daar volgt en voor wien zichalle hoofden als door een tooverslag ontdekken, is een der Burgervaderen. Ook onze vreemdeling neemt den hoed af en staart met diep ontzag, ja, niet zonder eenige vrees, den man aan, die wellicht hier of daar in Europa, een vrede tusschen twistende Mogendheden heeft helpen bewerken, of een krijg ontstoken, of een zeetocht heeft bijgewoond, en die in allen gevalle binnen zijne stad een gezag uitoefent, waarbij dat van een Autocraat der Russen of een Koning der Franschen nauwelijks despotiek te noemen is.En toch, die honderden, die uithoofde van hunne bezigheden of uit tijdverdrijf het stadhuis bezoeken, en daarom den Dam oversteken, wat zijn zij, in vergelijking van die duizenden, die om andere redenen zich op het marktplein bevinden? Hier ziet men den stroom, die onafgebroken door de beide ingangen der Waag op- en afvloeit: boeren en boerinnen uit Waterland, uit Sloten, uit Amstelveen, uit Weesperkarspel, uit Diemen, uit het Gooi en het Sticht, met hunne bonte en rijke kleederdracht, met de keur van gouden en zilveren oorijzers en bloedkoralen snoeren, die voortbrengselen van hun landbouw ter markt komen brengen:—koopers, die hun gading komen zoeken. Wat verder ligt de vischmarkt: hier vindt men visschers uit Huizen, uit Marken, uit de zeedorpen langs het IJ, met hunne breede schouders en wijde broeken: op eenigen afstand van daar ontmoet men tuiniers en fruitverkoopers, warmoeziers uit de vette kleigronden en uitgemalen polders om de stad, en het gastvrij hier opgenomen kroost van Israël, hunne waren achter kruiwagens en stalletjes ventende. Daar dringt zich eene schaar bijeen om te hooren, wat tijding of bericht of keur er van de pui van ’t Raadhuis wordt afgelezen; of om met vroolijk gejuich dat bruidspaar te begroeten, hetwelk onder ’t loover strooien de kerk verlaten heeft en met een stoet van magen en feestgenooten huiswaarts trekt:—doch wat vooral drukte en vertier geeft, is die wemelende drom, die zijn bestaan in den handel vindt: geen hoek der wereld, die hier niet vertegenwoordigd wordt. Gij vindt er den blonden Engelschman naast den taankleurigen Italiaan: den blauwoogigen zoon van ’t Noorden naast den zwartgebaarden Armeniër: den Spanjaard, in zijn mantel gewikkeld, naast den Persiaan in zijn kaftan: den winderigen Franschman nevens den listigen Moskoviet:—en daartusschen, sjouwers, waagdragers, kruiers, boodschaploopers, kantoorbedienden, makelaars, aansprekers, ambachtslieden, schippers, zielverkoopers, wervers, steenslijpers en straatjongens, alles evenzeer vol drukte en beweging, en woelig door elkander dringende.Doch wat behoef ik eene beschrijving van den Dam, zooals die vroeger was, in proza te geven, als ieder die lezen kan in Vondels heerlijke verzen, gelijk zij voorkomt in zijne inwijding van ’t Stadhuis. Ik schrijf die hier niet over, eensdeels uit luiheid: ten andere, omdat ik de critiek niet tergen wil, die mij dat aanhalen van verzen uit Vondel reeds verweten heeft: ten derde, en wel voornamelijk, om uwe nieuwsgierigheid te prikkelen, opdat gij die zelve bij den dichter opzoekt en naleest.Wij volgen onzen vreemdeling, nu hij, na zijne oogen verzadigdte hebben met het schouwspel, dat de Dam hem aanbood, de Kalverstraat inslaat, om, deze volgende, den nieuwen uitleg der stad te gaan bezoeken. Hij loopt, ’t is waar, gevaar, in de volte een duw of trap van dezen of genen driftigen voorbijganger te krijgen; doch hij is ten minste vrij zeker, niet overreden te zullen worden; want behalve eene enkele dokterskoets, of een handwagen, of eene kar, ontmoet hij geen rijtuig: veilig en onverlet geraakt hij in de Nieuwe Stad, op die trotsch gebouwde Heeren- en Keizersgrachten, waar de vermogende Patriciërs een deel hunner overwinsten besteed hadden aan ’t stichten van prachtige paleizen. Ook hier heeft wederom de individueele smaak van iederen eigenaar of bouwheer gezorgd, dat de eentonigheid werd vermeden. Geene gelijkvormige huizen, zooals andere moderne steden ons aanbieden, waarbij elke woning zoozeer op de overige gelijkt, dat men ze alleen door de huisnummers onderscheiden kan, en gedwongen is, met den naam van den vriend, bekende of leverancier, wien men bezoeken wil, tevens diens huisnummer in het geheugen te bewaren. De huizen zijn nog ongenummerd; maar zij zijn kenbaar aan de zinnebeelden, die in gehouwen of gebeitelden steen den gevel versieren, aan de spreuk of het jaartal, in gulden letteren op het frontispies uitgedrukt, aan het kunstig loofwerk of anderen pronk, aan dak en kroonlijst aangebracht; aan de verscheidenheid van vorm en bouwtrant. Hier ziet men hardsteenen gevels: daar is aan Benthemer of Bremer, meest aan gebakken steen, de voorkeur gegeven: hier zijn het Tritons of Nereïden, daar Dolfijnen en zeepaarden, leeuwen, beren, adelaars en griffioenen, elders hoornen des overvloeds, overal snij- of krulwerk, dat dien gevel bekroont. Langs statige dubbele stoepen, voorzien metpracht van leunen,Die hun adel ondersteunen,stijgen de trotsche bewoners naar hunne huizingen op. De dubbele voordeur opent zich en doet een portaal aanschouwen, met marmeren vloer en marmeren plinten aan de zijwanden: marmeren platen dekken de trap, die naar boven voert, en ’t hooge trapportaal: van eikenhout, kostbaar gebruineerd, zijn de plinten en kruiskozijnen der voorvertrekken: tapijten uit Smyrna of Perzië dekken de vloeren, in gouden lijsten omvat damast de wanden: keurig schilderwerk van de beroemdste meesters, beeldwerk van Quellijn, versieren den schoorsteen en de vakken van de deuren; en uit onschatbare ebbenhouten pronkkasten blinken allerwegen het fijnste Chineesche porselein, het keurigste lakwerk van Japan, het kostbaarste Venetiaansche kristal, het kunstigst bewerktefil de grain, bekers en beelden van hoorn, van ivoor, van parelmoer, gouden trouw-, lijk- of geboortepenningen, en een niet te noemen schat van zeldzaamheden u tegen.Maar ik vergeet, dat wij onzen vreemdeling ter zijde blijven en niet het binnenste der woningen, maar het uiterlijk voorkomen der stad beschouwen, en nog geen woord gesproken hebben van hetgeen het sieraad uitmaakt van Amsterdam, en de stad een tweede—neen, een ander Venetië doet zijn, t. w. van de omstandigheid, dat al het heerlijke, ’t welk zich aan uwe oogen vertoont, zich spiegelt in ’t helder kristal der tallooze wateren, die de stad in elke richting doorsnijden. En nog levendiger, zoo mogelijk, dan op de straten en de kaaien, is het op den Amstel en op de breede zijarmen, waarin zijn stroom zich verdeelt. Overal schuiten en schepen, die elkander ontmoeten, met balen, met kisten, met vaten, met koopwaren van allerlei aard, met turf, met groenten, met levensmiddelen of benoodigdheden:—daartusschen groen geverfde speeljachten, boeiers, tentschuiten, wier gouden lijsten en gouden krulwerk flikkert in het licht der zon—en eindelijk hier en ginds blanke zwanen, die zich in het bont gewoel vermaken.Zoodanig was het schouwspel, dat Amsterdam aanbood, nog eene eeuw nadat Huygens de regels dichtte, hierboven aangehaald. Wat dunkt u, was er stof voor onzen vreemdeling, om verbaasd en opgetogen te zijn?En wat heeft men sedert van Amsterdam gemaakt?

Gemeen verwonderingh betaemt mijn wond’ren niet.De vreemdelingh behoort te swijmen, die my siet,

Gemeen verwonderingh betaemt mijn wond’ren niet.

De vreemdelingh behoort te swijmen, die my siet,

zeide Huygens, omstreeks de helft der zeventiende eeuw, Amsterdam sprekend invoerende: en inderdaad, in zijnen tijd en nog eene eeuwlater was er wellicht geene stad in geheel Europa, meer dan zij geschikt, om bij den vreemdeling, die haar bezocht, een indruk te verwekken van verbazing en opgetogenheid. Stellen wij ons hem voor, uit zee komende en dus de stad van den IJkant naderende. Nauwelijks kan de jol, die hem aan wal brengt, haren weg vinden tusschen die oneindige en ontelbare massa van schepen en lichters en schuiten, hier bij en nevens elkander liggende of elkander in alle richtingen doorkruisende. De Teems bijisle of dogskan er thans nog—hoewel maar in de verte—eenig denkbeeld van geven. Overal woeling, overal drukte, gegons en getier. Hier worden de geurige specerijen van ’t Oosten gelost, ginds het ruwe ijzer van Zweden, elders het koren uit Riga: dáár de kostbare zijde uit de Levant, en het fraaist geaderde marmer, dat tot ballast heeft verstrekt en nu de gangen en portalen en plinten ook der nederigste woningen versieren zal. Wat verder ontscheept men Segoviesche wol, terwijl kort daarbij de voortbrengselen worden ingeladen der lakenfabrieken, waarin zoodanige wol bewerkt is geworden. Overal ziet men dezelfde voorwerpen, ’t zij ruw, ’t zij gewerkt, hier lossen, ginds inschepen: overal het bewijs, dat Amsterdam niet voor zichzelf al het aangevoerde behoeft, maar het alleen verzamelt met het hoofddoel, om het weder uit te voeren: in ’t kort, dat het de stapelplaats, de markt, de monsterbazaar is der wereld.

Onzen vreemdeling is het eindelijk gelukt, door alle belemmeringen heen, behouden aan den Buitenkant te landen, en eene nieuwe verwondering maakt zich van hem meester, naarmate hij de oude stad doorkruist en zich, schier bij elke schrede, een nieuw en verrassend schouwspel ziet bereid. „Hoe?” vraagt hij met verbazing aan zijn leidsman: „is dit deoudestad? en alles fonkelt mij tegen als blinkend en nieuw!”—En inderdaad, nergens ontmoet zijn oog eenige van die zware, breede, vierkante gebouwen, gelijk men ze elders in oude steden aantreft, van die berookte vervelooze huizen, wier sombere kleur, wier ramen, met uitspringend traliewerk voorzien, aan het geheel het voorkomen eener oude gevangenis geven: neen, elke woning is of schijnt ten minste nieuw, zoo zorgvol zijn de steenen beschilderd, de voegen opgewit, de plinten, kozijnen en luiken geverfd, de dakpannen bestreken: en doet zich hier en daar een toren, een muur, een bolwerk of ander gebouw uit lang verloopen eeuwen voor, ook dit getuigt niet van verval, ook dit is met netheid onderhouden, ook dit heeft een lachend, een vroolijk, een verjeugdigd aanzien. En hoe schilderachtig is de vertooning, welke het geheel oplevert. Nergens de stijve, rechte lijn, die aan alles eentonigheid bijzet en verveling wekt; overal bochtige, kronkelende, hoekige grachten en straten; terwijl de vooruitspringende groene luifels, waaronder de winkelwaren uitgestald worden, de ijzeren leuningen langs de stoepen, de banken en pothuizen, die van elke stoep eene kleine vesting maken, de openstaande luiken, de slingerende uithangborden van glanzend koper, de gebeeldhouwde of gebeitelde zinnebeelden in den gevel of op de daken, de grillige versierselen aan de piramidaalvormige puien aangebracht, de vanenen windwijzers, de schoorsteenen vooral, met hunne houten kappen, in alle vormen en kleuren, hier als een toren, daar in de gedaante eener Y, ginds in die van eene theebos, achter en nevens en boven elkander uitschietende, overal die verscheidenheid van lijnen teweegbrengen, die zoo aangenaam is voor ’t oog. En wat in den zomer het bevallige van het tooneel verhoogt, zijn die groene boomen, hier langs den wal, ginds ook voor de woningen, uit net geschilderde kokers oprijzende, en waar de schaduw van hun loover zich over straat of gevel heenspreidt, fantastische effecten vormende van licht en bruin.

Maar onze wandelaar is door de woelige straten verder gegaan; daar komt hij op den Middeldam, en een gevoel van eerbied vervult hem bij den aanblik van dat reusachtig gevaarte, ’t welk met zijn eenvoudigen koepel voor hem oprijst, van dat stadhuis, in tijden van oorlog en woeling opgericht als een achtste wereldwonder,—en van die trotsche, nog onvoltooide kerk, nog maar kort geleden door den brand vernield, om grootscher weder op te rijzen en tot grafplaats aan Neêrlands meest beroemden zeeheld, gelijk aan zijn meest beroemden dichter, te verstrekken. Hij blikt rond over dat onregelmatige plein, dat het hart van Amsterdam mag genoemd worden en waar al de hoofdaderen van het groote lichaam mede verbonden zijn: overal drukte, overal gedraaf en gewoel, overal een zoo talrijke toeloop van menschen, dat hij in ’t eerst in den waan verkeert, dat eene buitengewone plechtigheid die duizenden doet te zamen komen. Maar neen: de Dam heeft zijn gewoon alledaagsch voorkomen, de zaken gaan haar geregelden gang, en het schouwspel, dat de Dam u heden aanbiedt, zal hij u morgen weder vertoonen. Een gedeelte van hen, die het plein doorkruisen, daagt op uit een der bogen van het stadhuis of begeeft zich binnen dat gebouw, ’t welk, als een groote bijenkorf, den geheelen dag afwisselend bezocht en verlaten wordt door hen, die hunne zaken of hunne nieuwsgierigheid er heenvoeren. Onze vreemdeling behoort tot hen, die de laatste drijfveer naar binnen doet treden. Hij gaat de breede trappen op en bevindt zich aldra in die honderd voet hooge gaanderij, schier een plein op zichzelve, en altijd vol bezoekers. Hij zoekt te raden, wat de beroepen zijn, die zij uitoefenen, of de oorzaken, die hen hier brengen. Weldra herkent hij de advocaten, die met mantel en bef op en neder wandelen, de procureurs, door hunne klerken gevolgd, die zakken met processtukken dragen, de beambten, die zich naar hunne kantoren begeven: hij ziet hoe het in de nevengalerijen woelt en grimmelt van menschen: deze moet naar de thesaurie, gene naar de wisselbank: anderen naar de weeskamer, de desolate boedelkamer, naar schepensbank, naar de secretarie, naar een dier tallooze stadskantoren, welke het gebouw bevat; daar in dien hoek spelen en dartelen knapen, niet anders alsof zij zich op een opene markt bevonden, of zoeken het kleinste sterretje aan de hemelglobe, die op het marmeren plaveisel is afgebeeld.—Doch daar opent zich rechts en links de volksmenigte; een roedragende bode gaat vooruit; gewis, de man, die daar volgt en voor wien zichalle hoofden als door een tooverslag ontdekken, is een der Burgervaderen. Ook onze vreemdeling neemt den hoed af en staart met diep ontzag, ja, niet zonder eenige vrees, den man aan, die wellicht hier of daar in Europa, een vrede tusschen twistende Mogendheden heeft helpen bewerken, of een krijg ontstoken, of een zeetocht heeft bijgewoond, en die in allen gevalle binnen zijne stad een gezag uitoefent, waarbij dat van een Autocraat der Russen of een Koning der Franschen nauwelijks despotiek te noemen is.

En toch, die honderden, die uithoofde van hunne bezigheden of uit tijdverdrijf het stadhuis bezoeken, en daarom den Dam oversteken, wat zijn zij, in vergelijking van die duizenden, die om andere redenen zich op het marktplein bevinden? Hier ziet men den stroom, die onafgebroken door de beide ingangen der Waag op- en afvloeit: boeren en boerinnen uit Waterland, uit Sloten, uit Amstelveen, uit Weesperkarspel, uit Diemen, uit het Gooi en het Sticht, met hunne bonte en rijke kleederdracht, met de keur van gouden en zilveren oorijzers en bloedkoralen snoeren, die voortbrengselen van hun landbouw ter markt komen brengen:—koopers, die hun gading komen zoeken. Wat verder ligt de vischmarkt: hier vindt men visschers uit Huizen, uit Marken, uit de zeedorpen langs het IJ, met hunne breede schouders en wijde broeken: op eenigen afstand van daar ontmoet men tuiniers en fruitverkoopers, warmoeziers uit de vette kleigronden en uitgemalen polders om de stad, en het gastvrij hier opgenomen kroost van Israël, hunne waren achter kruiwagens en stalletjes ventende. Daar dringt zich eene schaar bijeen om te hooren, wat tijding of bericht of keur er van de pui van ’t Raadhuis wordt afgelezen; of om met vroolijk gejuich dat bruidspaar te begroeten, hetwelk onder ’t loover strooien de kerk verlaten heeft en met een stoet van magen en feestgenooten huiswaarts trekt:—doch wat vooral drukte en vertier geeft, is die wemelende drom, die zijn bestaan in den handel vindt: geen hoek der wereld, die hier niet vertegenwoordigd wordt. Gij vindt er den blonden Engelschman naast den taankleurigen Italiaan: den blauwoogigen zoon van ’t Noorden naast den zwartgebaarden Armeniër: den Spanjaard, in zijn mantel gewikkeld, naast den Persiaan in zijn kaftan: den winderigen Franschman nevens den listigen Moskoviet:—en daartusschen, sjouwers, waagdragers, kruiers, boodschaploopers, kantoorbedienden, makelaars, aansprekers, ambachtslieden, schippers, zielverkoopers, wervers, steenslijpers en straatjongens, alles evenzeer vol drukte en beweging, en woelig door elkander dringende.

Doch wat behoef ik eene beschrijving van den Dam, zooals die vroeger was, in proza te geven, als ieder die lezen kan in Vondels heerlijke verzen, gelijk zij voorkomt in zijne inwijding van ’t Stadhuis. Ik schrijf die hier niet over, eensdeels uit luiheid: ten andere, omdat ik de critiek niet tergen wil, die mij dat aanhalen van verzen uit Vondel reeds verweten heeft: ten derde, en wel voornamelijk, om uwe nieuwsgierigheid te prikkelen, opdat gij die zelve bij den dichter opzoekt en naleest.

Wij volgen onzen vreemdeling, nu hij, na zijne oogen verzadigdte hebben met het schouwspel, dat de Dam hem aanbood, de Kalverstraat inslaat, om, deze volgende, den nieuwen uitleg der stad te gaan bezoeken. Hij loopt, ’t is waar, gevaar, in de volte een duw of trap van dezen of genen driftigen voorbijganger te krijgen; doch hij is ten minste vrij zeker, niet overreden te zullen worden; want behalve eene enkele dokterskoets, of een handwagen, of eene kar, ontmoet hij geen rijtuig: veilig en onverlet geraakt hij in de Nieuwe Stad, op die trotsch gebouwde Heeren- en Keizersgrachten, waar de vermogende Patriciërs een deel hunner overwinsten besteed hadden aan ’t stichten van prachtige paleizen. Ook hier heeft wederom de individueele smaak van iederen eigenaar of bouwheer gezorgd, dat de eentonigheid werd vermeden. Geene gelijkvormige huizen, zooals andere moderne steden ons aanbieden, waarbij elke woning zoozeer op de overige gelijkt, dat men ze alleen door de huisnummers onderscheiden kan, en gedwongen is, met den naam van den vriend, bekende of leverancier, wien men bezoeken wil, tevens diens huisnummer in het geheugen te bewaren. De huizen zijn nog ongenummerd; maar zij zijn kenbaar aan de zinnebeelden, die in gehouwen of gebeitelden steen den gevel versieren, aan de spreuk of het jaartal, in gulden letteren op het frontispies uitgedrukt, aan het kunstig loofwerk of anderen pronk, aan dak en kroonlijst aangebracht; aan de verscheidenheid van vorm en bouwtrant. Hier ziet men hardsteenen gevels: daar is aan Benthemer of Bremer, meest aan gebakken steen, de voorkeur gegeven: hier zijn het Tritons of Nereïden, daar Dolfijnen en zeepaarden, leeuwen, beren, adelaars en griffioenen, elders hoornen des overvloeds, overal snij- of krulwerk, dat dien gevel bekroont. Langs statige dubbele stoepen, voorzien met

pracht van leunen,Die hun adel ondersteunen,

pracht van leunen,

Die hun adel ondersteunen,

stijgen de trotsche bewoners naar hunne huizingen op. De dubbele voordeur opent zich en doet een portaal aanschouwen, met marmeren vloer en marmeren plinten aan de zijwanden: marmeren platen dekken de trap, die naar boven voert, en ’t hooge trapportaal: van eikenhout, kostbaar gebruineerd, zijn de plinten en kruiskozijnen der voorvertrekken: tapijten uit Smyrna of Perzië dekken de vloeren, in gouden lijsten omvat damast de wanden: keurig schilderwerk van de beroemdste meesters, beeldwerk van Quellijn, versieren den schoorsteen en de vakken van de deuren; en uit onschatbare ebbenhouten pronkkasten blinken allerwegen het fijnste Chineesche porselein, het keurigste lakwerk van Japan, het kostbaarste Venetiaansche kristal, het kunstigst bewerktefil de grain, bekers en beelden van hoorn, van ivoor, van parelmoer, gouden trouw-, lijk- of geboortepenningen, en een niet te noemen schat van zeldzaamheden u tegen.

Maar ik vergeet, dat wij onzen vreemdeling ter zijde blijven en niet het binnenste der woningen, maar het uiterlijk voorkomen der stad beschouwen, en nog geen woord gesproken hebben van hetgeen het sieraad uitmaakt van Amsterdam, en de stad een tweede—neen, een ander Venetië doet zijn, t. w. van de omstandigheid, dat al het heerlijke, ’t welk zich aan uwe oogen vertoont, zich spiegelt in ’t helder kristal der tallooze wateren, die de stad in elke richting doorsnijden. En nog levendiger, zoo mogelijk, dan op de straten en de kaaien, is het op den Amstel en op de breede zijarmen, waarin zijn stroom zich verdeelt. Overal schuiten en schepen, die elkander ontmoeten, met balen, met kisten, met vaten, met koopwaren van allerlei aard, met turf, met groenten, met levensmiddelen of benoodigdheden:—daartusschen groen geverfde speeljachten, boeiers, tentschuiten, wier gouden lijsten en gouden krulwerk flikkert in het licht der zon—en eindelijk hier en ginds blanke zwanen, die zich in het bont gewoel vermaken.

Zoodanig was het schouwspel, dat Amsterdam aanbood, nog eene eeuw nadat Huygens de regels dichtte, hierboven aangehaald. Wat dunkt u, was er stof voor onzen vreemdeling, om verbaasd en opgetogen te zijn?

En wat heeft men sedert van Amsterdam gemaakt?

Het Amsterdam van thans vluchtig bekeken.Wij beginnen deze reis onze wandeling van den Dam.—Wat is er geworden van het wonderstuk van Stalpaert en van Van Kampen? van dat Raadhuis, versierd door de kunst van Flink, van Bol, van Koning, van Stokkade, van Fidias-Quellijn, waar binnen elk schilderstuk, elk festoen, elk beeld, elk basrelief tot een zinnebeeld strekte in harmonie met de bestemming van de zaal, de galerij, het vertrek, waartoe het behoorde?—dat Raadhuis, van waar de achtbare burgervaderen van Gijsbrechts stad,Gezeten op zijn schilt met kruyssen overladen,hun bevelen gavenUrbi et Orbi? nog altijd staat het op zijne oude plaats, maar.... ledig 357 dagen van ’t jaar.De acht overige dagen wordt het bevolkt en speelt het de rol van een koud, tochtig en onbewoonbaar paleis.De groote hal, de verzamelplaats voorheen der menigte, nu door vier looze wanden van beschilderd behangselpapier afgescheiden van de zijgalerijen, is in eene zaal herschapen, waar verschoten gordijnen hangen, en de marmeren vloer, met zijne aard- en hemelsferen, is met een kleed bedekt en sedert vijftig jaar onzichtbaar voor de bezoekers.En, nu men eens dit gebouw aan zijne oorspronkelijke bestemming had onttrokken, begreep men, op dien fraaien weg te moeten voortgaan, en had er eene reeks van herscheppingen plaats, aanzienlijk genoeg om een dubbeltal aan die, welke Ovidius bezongen heeft, toe te voegen. De zetel van de stadsregeering en der vierschaar was vroeger een, omdat beide lichamen tot eene en dezelfdemacht behoorden: daarom werden zij dan ook, toen zij den Dam verlieten, in een zelfde lokaal overgebracht, en wel op ’t Prinsenhof, waar voorheen de Admiraliteit bijeenkwam. De rechterlijke macht trok later elders heen; en zoo werd het Prinsenhof van een half Raad- tot een geheel Stad-, later tot een Gemeentehuis ingericht,—een Gemeentehuis, zoo gelukkig gelegen, dat men het, men kome van wat zijde men wil, niet genaken kan dan door stegen, of door eene straat, die nauwelijks dien naam verdient.Het Oude-mannenhuis werd half aan ’t Gasthuis getrokken, half in eene Academie voor beeldende kunsten omgeschapen.De Vleeschhal is gehalveerd en eene stadsdrukkerij, eene vergaderplaats voor het Geneeskundig Toevoorzicht, een Commissariaat van Politie; de hemel weet wat al meer, geweest.Het Staalhof is insgelijks gehalveerd, tot collegekamer en tot Commissariaat van Politie ingericht.De St.-Antonies Waag werd een uitdragerswinkel.De Regulierswaag een cachot.De Waag op den Dam werd eenvoudig weggebroken, evenals de Jan-Rooden-Poorts- en Haringpakkers-toren.Het Nieuwe-Zijds-Heeren-Logement werd een weeshuis.Het Oost-Indisch Huis werd voor de helft aan het Bestuur der Rijks-Belastingen afgestaan, en voor de andere dient het tot een Werfhuis.De Beurs werd weggebroken: om het gemis te vergoeden, bouwde men op de vischmarkt een Ionisch voorportaal en daarachter een Dorisch tempeltje.Op de plaats, waar Costers Academie gestaan had, werd, nadat deze verbrand was, een huis gezet, dat tot Armenkantoor dient;—en in afwachting, dat men een nieuwen schouwburg zou stichten, plaatste men aan een uithoek der stad een houten loods, die daar weldra honderd vijftig jaar zal gestaan hebben.... altijd provisioneel.Het Sint-Jorishof gaf logies aan ’t Syndicaat; het Spinhuis aan de Politie.Het geestig beeldwerk boven de poort van ’t Tuchthuis werd onder een houten kast verstopt, en deze met een lauwerkrans versierd.Maar het zonderlingst werd er gehaspeld met het Aalmoezeniers-Weeshuis: 2/3 er van werden ingericht tot Paleis van Justitie, en zulks met zooveel overleg, dat men altijd, om van ’t eene gedeelte naar ’t andere te komen, twee pleinen over moet—wat bij sneeuw of regen zeer vermakelijk is. Van 1/6 maakte men eene Stads-Bibliotheek; en van het laatste 1/6.... een Cholera-Hospitaal.Voor de Beambten ter Griffie van het Hof, of voor hen, die aldaar iets te verrichten hebben, is het zeker eene ongemeene verstrooiing, de lijders in de ziekenzaal te hooren kermen en te zien zieltogen.In ’t kort, wie Amsterdam thans doorwandelt, zal moeite hebben om—op zeer enkele uitzonderingen na—de bestemming te raden van eene der publieke gebouwen, welke hij voorbijwandelt.En dit is nog het minst; want over ’t geheel is de uiterlijkegedaante dier gebouwen eenigszins bewaard gebleven; maar erger is het gesteld met die van de bijzondere woningen, wier eigenaardig karakter òf reeds verdwenen is, òf van lieverlede geheel te niet gaat.De schilderachtige luifels, waaronder het huisgezin in de zomeravonden vergaderde, om een luchtje te scheppen en de kinderen speelden, bestaan niet meer dan in de herinnering: en evenzoo de uithangborden. Ook de stoepen zien wij langzamerhand wegbreken: de stoepen, op wier bank de huisvader zijne pijp placht te rooken, terwijl zijn gezin voor ’t open raam zat. En, ware dit het ergste nog;—maar, wat ten hemel schreit, bij elke vertimmering wordt met den meesten ijver gezorgd, dat al wat aan het huis eenige originaliteit schonk, voor altijd daaraan ontnomen worde. Onze woningen waren, als ik reeds heb herinnerd, met snij-, beeld- en loofwerk op kwistige wijze overladen. De gevel liep piramidaalvormig met trappen op of in grillige festoenen, die, met een plat of driekant dekstuk bekroond, zich slingerden ter wederzijden van de zolderraampjes en van den hijschbalk, zoodat het bovendeel der woning ons niet zelden het borstbeeld van een onzer grootvaders met zijne deftige gekrulde pruik of van zijne gade met haar huiskapje herinnerde.Aan deze wel phantastische, maar toch oorspronkelijke en pikante bouworde hebben onze nieuwerwetsche.... timmerlieden een verdelgingsoorlog verklaard.Simplex sigillum veri—„het eenvoudige is het zegel van het ware”, is de spreuk, welke zij gekozen hebben, en die hen inderdaad ontslaat van de moeite om eenigen kunstzin ten toon te spreiden of om iets te vervaardigen, waaraan een bouwkunstig denkbeeld te herkennen is. En daarom vertoont de voorgevel van het gemoderniseerd (?) gebouw eenvoudig een naakten muur, met eene vierkante deur, en voorts, naar gelang der breedte, twee, drie, vier of meer ramen nevens elkander op de eerste verdieping: even zooveel op de tweede, op de derde enz. tot op de bovenste toe:—en boven dat alles een geel geschilderde kroonlijst, aan beide zijden rechthoekig afgezaagd, opdat men toch niet de illusie zou hebben, dat zij om ’t huis heenliep, maar wel goed bemerken, dat zij alleen dient, om het daarachter loopend dak te bemantelen.Ik voeg er bij, om de schildering te voltooien, dat, terwijl onze voorouders naar hunne woningenopgingen, wij thans soms naar de onzeafgaan, daar de drempel niet meer boven, maar dikwijls onder den beganen grond wordt aangebracht. Zou dit dalen tegenover het vroegere rijzen, eene zinnebeeldige beteekenis hebben, en in verband staan met de historie van de welvaart der stad?Dat alles is zeker heel vernuftig; doch het zal Amsterdam al zeer spoedig zijn ouden roem als eene der schilderachtigste steden van Europa doen verliezen niet alleen, maar al wie het voortaan bezoekt, doen vragen of de huisjes uit de kinderspeeldoozen het model tot den herbouw geleverd hebben.Tot zooverre de huizen: nu wat de straten betreft:Terwijl men vroeger, als gezegd is, daarover heen en weerspanseerde zonder gevaar van armen of beenen, misschien zijn leven, onder een rijtuig te verliezen, weet men thans, vooral op de hoeken van nauwe stegen, nauwelijks hoe zich te keeren of te wenden. De oude keuren, die niet dan met bijzondere vergunning het gebruik van eenig gewield voertuig gedoogden, zijn vervallen, als niet in verband met den geest der eeuw, die vooruitgang, liefst hollenden vooruitgang, eischt—wat echter voor den voetganger minder aangenaam is. Ongelukkig heeft men niet willen begrijpen, dat onze stad, evenmin als Venetië, gebouwd is voor hen, die per fors rijden willen. De waterwegen, waarvan men zich oudtijds bij voorkeur bediende, zijn in onbruik geraakt, zooverre het den vervoer van personen geldt, en in de plaats der jachten en tentschuiten, die vroeger zonder gerucht over het water gleden, snorren thans koetsen, glazenkasten en omnibussen over de straten. De draagkoets bestaat sedert lang niet meer; doch ook de toeslede, zoo veilig en zeker, wordt meer en meer vervangen door hossende vigilantes, bij welker afrijden van eene sluis het onzeker is, wie in den grootsten angst verkeeren moet, hij, die er in zit, of de voorbijganger. Ja zelfs de kruiwagens verminderen in getal, sedert de schuiteveeren vervallen, en maken plaats voor die vierkante bakbeesten, die men goederenwagens noemt, en wier bloot gezicht reeds een mensch den schrik op ’t lijf jaagt.In de meeste steden van het buitenland heeft men afzonderlijketrottoirsvoor den voetganger:trottoirs, hooger dan de straat en waar men dus veilig is voor de rijtuigen: hier is geen keur machtig, deze laatsten te beletten, den voetganger van de kleine steenen te dringen en hem in nauwe straten te klemmen tegen het hekwerk voor een winkel of tegen de stijlen van een hoekhuis.—Van kleinere onaangenaamheden, als het slijk en zand, dat u om de ooren of over de kleeren spat, wil ik niet eens gewagen.Wat elders ook voor den voetganger een toevluchtsoord aanbiedt, zijn de talrijke zoogenaamdepassages, waar men veilig kan wandelen, koopen en flaneeren.—In alle groote steden bouwt men er nieuwe,—in Amsterdam is de eenige, die er bestond, de doortocht door ’t Oude-mannenhuis,—in verval en de winkels sedert lang gesloten.En toch ware er van de Kalverstraat eenepassagete maken, die voor niet eene in de wereld zou behoeven onder te doen.Ik sprak zooeven van het verval der waterwegen ten gevolge van het in onbruik raken der keuren tegen de rijtuigen; doch er is nog eene andere reden, waarom die wegen sedert lang verlaten zijn.—Ook nu nog is het gezegde van Huyghens, dat devreemdelingh behoort te swijmen, volkomen van toepassing, ja in sterkere mate zelfs dan voorheen. Maar er is een onderscheid: indien hij nuswijmt, ’t is niet ten gevolge van ’t geen hijziet, maar van ’t geen hijruikt. De zwanen zijn dan ook voor altijd weggereisd of gestorven, en dat wel zonder zwanenzang op Amsterdams vervallen liefelijkheid.Aan het bezigen van den waterweg eigenden zich met recht desierlijke kaaien, van steen of wel van net getimmerd hout vervaardigd, en door den bewoner van het daar tegenoverliggend erf bestendig in goede orde onderhouden. Zeker zou in vroegere dagen niemand gedroomd hebben, dat onderhoud te willen schuiven op de Gemeente: en de Overheid zou het hem, die zoo iets beweerd had, wel anders geleerd hebben. Ook zouden de bewoners van zijstraten en stegen met reden gevraagd hebben, hoe men hen in billijkheid kon noodzaken op te brengen voor kaaien, waarvan zij geen gebruik hadden.—Dan, gelijk ik zeide, die gedachte om zich van het onderhoud te ontslaan, was bij niemand opgekomen: immers tegenover het bezwaar stond het genot. Aan de kaai over zijne deur had ieder bewoner zijne ijzeren ringen, waar zijn jacht, zijne tent- of pakschuit, zijn turf- of houtschip aan vastgemeerd werd, en waar geen vreemd vaartuig het waagde, zonder zijne toestemming, aan te leggen. Dat alles is thans over. Eene uitspraak van den Hoogen Raad—van welke uitspraak men zeker niet kan zeggen, dat zijkantnochwalraakt—heeft de eigenaars der woningen, langs de grachten gelegen, ontheven van een servituut, vroeger door hen als een privilege aangemerkt. De arme gemeentekas is bezwaard geworden met het onderhoud der wallen: en de ingezetenen, uit wier beurzen de kosten toch per slot moeten komen, hebben er nu, behalve het equivalent, alleen dit bij gewonnen, dat de nieuwe schoeiingen—want geen anderen naam verdienen zij—in volkomen harmonie zijn met de stinkslooten, die daartusschen hare pestwalmen doen opstijgen.Ik zou wel eens willen weten, wat de beroemde mannen onder onze voormalige stadgenooten, die Amsterdam in zijn vollen luister gekend hebben, wel zouden zeggen, als zij weder eens in levenden lijve over onze straten konden wandelen, mannen b. v. als Cornelis De Graef, Nikolaas Tulp, Bartholomeus Van der Helst, Joost Van den Vondel, Michiel Adriaensz. De Ruyter en Jan Claeszen.

Wij beginnen deze reis onze wandeling van den Dam.—Wat is er geworden van het wonderstuk van Stalpaert en van Van Kampen? van dat Raadhuis, versierd door de kunst van Flink, van Bol, van Koning, van Stokkade, van Fidias-Quellijn, waar binnen elk schilderstuk, elk festoen, elk beeld, elk basrelief tot een zinnebeeld strekte in harmonie met de bestemming van de zaal, de galerij, het vertrek, waartoe het behoorde?—dat Raadhuis, van waar de achtbare burgervaderen van Gijsbrechts stad,

Gezeten op zijn schilt met kruyssen overladen,

Gezeten op zijn schilt met kruyssen overladen,

hun bevelen gavenUrbi et Orbi? nog altijd staat het op zijne oude plaats, maar.... ledig 357 dagen van ’t jaar.

De acht overige dagen wordt het bevolkt en speelt het de rol van een koud, tochtig en onbewoonbaar paleis.

De groote hal, de verzamelplaats voorheen der menigte, nu door vier looze wanden van beschilderd behangselpapier afgescheiden van de zijgalerijen, is in eene zaal herschapen, waar verschoten gordijnen hangen, en de marmeren vloer, met zijne aard- en hemelsferen, is met een kleed bedekt en sedert vijftig jaar onzichtbaar voor de bezoekers.

En, nu men eens dit gebouw aan zijne oorspronkelijke bestemming had onttrokken, begreep men, op dien fraaien weg te moeten voortgaan, en had er eene reeks van herscheppingen plaats, aanzienlijk genoeg om een dubbeltal aan die, welke Ovidius bezongen heeft, toe te voegen. De zetel van de stadsregeering en der vierschaar was vroeger een, omdat beide lichamen tot eene en dezelfdemacht behoorden: daarom werden zij dan ook, toen zij den Dam verlieten, in een zelfde lokaal overgebracht, en wel op ’t Prinsenhof, waar voorheen de Admiraliteit bijeenkwam. De rechterlijke macht trok later elders heen; en zoo werd het Prinsenhof van een half Raad- tot een geheel Stad-, later tot een Gemeentehuis ingericht,—een Gemeentehuis, zoo gelukkig gelegen, dat men het, men kome van wat zijde men wil, niet genaken kan dan door stegen, of door eene straat, die nauwelijks dien naam verdient.

Het Oude-mannenhuis werd half aan ’t Gasthuis getrokken, half in eene Academie voor beeldende kunsten omgeschapen.

De Vleeschhal is gehalveerd en eene stadsdrukkerij, eene vergaderplaats voor het Geneeskundig Toevoorzicht, een Commissariaat van Politie; de hemel weet wat al meer, geweest.

Het Staalhof is insgelijks gehalveerd, tot collegekamer en tot Commissariaat van Politie ingericht.

De St.-Antonies Waag werd een uitdragerswinkel.

De Regulierswaag een cachot.

De Waag op den Dam werd eenvoudig weggebroken, evenals de Jan-Rooden-Poorts- en Haringpakkers-toren.

Het Nieuwe-Zijds-Heeren-Logement werd een weeshuis.

Het Oost-Indisch Huis werd voor de helft aan het Bestuur der Rijks-Belastingen afgestaan, en voor de andere dient het tot een Werfhuis.

De Beurs werd weggebroken: om het gemis te vergoeden, bouwde men op de vischmarkt een Ionisch voorportaal en daarachter een Dorisch tempeltje.

Op de plaats, waar Costers Academie gestaan had, werd, nadat deze verbrand was, een huis gezet, dat tot Armenkantoor dient;—en in afwachting, dat men een nieuwen schouwburg zou stichten, plaatste men aan een uithoek der stad een houten loods, die daar weldra honderd vijftig jaar zal gestaan hebben.... altijd provisioneel.

Het Sint-Jorishof gaf logies aan ’t Syndicaat; het Spinhuis aan de Politie.

Het geestig beeldwerk boven de poort van ’t Tuchthuis werd onder een houten kast verstopt, en deze met een lauwerkrans versierd.

Maar het zonderlingst werd er gehaspeld met het Aalmoezeniers-Weeshuis: 2/3 er van werden ingericht tot Paleis van Justitie, en zulks met zooveel overleg, dat men altijd, om van ’t eene gedeelte naar ’t andere te komen, twee pleinen over moet—wat bij sneeuw of regen zeer vermakelijk is. Van 1/6 maakte men eene Stads-Bibliotheek; en van het laatste 1/6.... een Cholera-Hospitaal.

Voor de Beambten ter Griffie van het Hof, of voor hen, die aldaar iets te verrichten hebben, is het zeker eene ongemeene verstrooiing, de lijders in de ziekenzaal te hooren kermen en te zien zieltogen.

In ’t kort, wie Amsterdam thans doorwandelt, zal moeite hebben om—op zeer enkele uitzonderingen na—de bestemming te raden van eene der publieke gebouwen, welke hij voorbijwandelt.

En dit is nog het minst; want over ’t geheel is de uiterlijkegedaante dier gebouwen eenigszins bewaard gebleven; maar erger is het gesteld met die van de bijzondere woningen, wier eigenaardig karakter òf reeds verdwenen is, òf van lieverlede geheel te niet gaat.

De schilderachtige luifels, waaronder het huisgezin in de zomeravonden vergaderde, om een luchtje te scheppen en de kinderen speelden, bestaan niet meer dan in de herinnering: en evenzoo de uithangborden. Ook de stoepen zien wij langzamerhand wegbreken: de stoepen, op wier bank de huisvader zijne pijp placht te rooken, terwijl zijn gezin voor ’t open raam zat. En, ware dit het ergste nog;—maar, wat ten hemel schreit, bij elke vertimmering wordt met den meesten ijver gezorgd, dat al wat aan het huis eenige originaliteit schonk, voor altijd daaraan ontnomen worde. Onze woningen waren, als ik reeds heb herinnerd, met snij-, beeld- en loofwerk op kwistige wijze overladen. De gevel liep piramidaalvormig met trappen op of in grillige festoenen, die, met een plat of driekant dekstuk bekroond, zich slingerden ter wederzijden van de zolderraampjes en van den hijschbalk, zoodat het bovendeel der woning ons niet zelden het borstbeeld van een onzer grootvaders met zijne deftige gekrulde pruik of van zijne gade met haar huiskapje herinnerde.

Aan deze wel phantastische, maar toch oorspronkelijke en pikante bouworde hebben onze nieuwerwetsche.... timmerlieden een verdelgingsoorlog verklaard.Simplex sigillum veri—„het eenvoudige is het zegel van het ware”, is de spreuk, welke zij gekozen hebben, en die hen inderdaad ontslaat van de moeite om eenigen kunstzin ten toon te spreiden of om iets te vervaardigen, waaraan een bouwkunstig denkbeeld te herkennen is. En daarom vertoont de voorgevel van het gemoderniseerd (?) gebouw eenvoudig een naakten muur, met eene vierkante deur, en voorts, naar gelang der breedte, twee, drie, vier of meer ramen nevens elkander op de eerste verdieping: even zooveel op de tweede, op de derde enz. tot op de bovenste toe:—en boven dat alles een geel geschilderde kroonlijst, aan beide zijden rechthoekig afgezaagd, opdat men toch niet de illusie zou hebben, dat zij om ’t huis heenliep, maar wel goed bemerken, dat zij alleen dient, om het daarachter loopend dak te bemantelen.

Ik voeg er bij, om de schildering te voltooien, dat, terwijl onze voorouders naar hunne woningenopgingen, wij thans soms naar de onzeafgaan, daar de drempel niet meer boven, maar dikwijls onder den beganen grond wordt aangebracht. Zou dit dalen tegenover het vroegere rijzen, eene zinnebeeldige beteekenis hebben, en in verband staan met de historie van de welvaart der stad?

Dat alles is zeker heel vernuftig; doch het zal Amsterdam al zeer spoedig zijn ouden roem als eene der schilderachtigste steden van Europa doen verliezen niet alleen, maar al wie het voortaan bezoekt, doen vragen of de huisjes uit de kinderspeeldoozen het model tot den herbouw geleverd hebben.

Tot zooverre de huizen: nu wat de straten betreft:

Terwijl men vroeger, als gezegd is, daarover heen en weerspanseerde zonder gevaar van armen of beenen, misschien zijn leven, onder een rijtuig te verliezen, weet men thans, vooral op de hoeken van nauwe stegen, nauwelijks hoe zich te keeren of te wenden. De oude keuren, die niet dan met bijzondere vergunning het gebruik van eenig gewield voertuig gedoogden, zijn vervallen, als niet in verband met den geest der eeuw, die vooruitgang, liefst hollenden vooruitgang, eischt—wat echter voor den voetganger minder aangenaam is. Ongelukkig heeft men niet willen begrijpen, dat onze stad, evenmin als Venetië, gebouwd is voor hen, die per fors rijden willen. De waterwegen, waarvan men zich oudtijds bij voorkeur bediende, zijn in onbruik geraakt, zooverre het den vervoer van personen geldt, en in de plaats der jachten en tentschuiten, die vroeger zonder gerucht over het water gleden, snorren thans koetsen, glazenkasten en omnibussen over de straten. De draagkoets bestaat sedert lang niet meer; doch ook de toeslede, zoo veilig en zeker, wordt meer en meer vervangen door hossende vigilantes, bij welker afrijden van eene sluis het onzeker is, wie in den grootsten angst verkeeren moet, hij, die er in zit, of de voorbijganger. Ja zelfs de kruiwagens verminderen in getal, sedert de schuiteveeren vervallen, en maken plaats voor die vierkante bakbeesten, die men goederenwagens noemt, en wier bloot gezicht reeds een mensch den schrik op ’t lijf jaagt.

In de meeste steden van het buitenland heeft men afzonderlijketrottoirsvoor den voetganger:trottoirs, hooger dan de straat en waar men dus veilig is voor de rijtuigen: hier is geen keur machtig, deze laatsten te beletten, den voetganger van de kleine steenen te dringen en hem in nauwe straten te klemmen tegen het hekwerk voor een winkel of tegen de stijlen van een hoekhuis.—Van kleinere onaangenaamheden, als het slijk en zand, dat u om de ooren of over de kleeren spat, wil ik niet eens gewagen.

Wat elders ook voor den voetganger een toevluchtsoord aanbiedt, zijn de talrijke zoogenaamdepassages, waar men veilig kan wandelen, koopen en flaneeren.—In alle groote steden bouwt men er nieuwe,—in Amsterdam is de eenige, die er bestond, de doortocht door ’t Oude-mannenhuis,—in verval en de winkels sedert lang gesloten.

En toch ware er van de Kalverstraat eenepassagete maken, die voor niet eene in de wereld zou behoeven onder te doen.

Ik sprak zooeven van het verval der waterwegen ten gevolge van het in onbruik raken der keuren tegen de rijtuigen; doch er is nog eene andere reden, waarom die wegen sedert lang verlaten zijn.—Ook nu nog is het gezegde van Huyghens, dat devreemdelingh behoort te swijmen, volkomen van toepassing, ja in sterkere mate zelfs dan voorheen. Maar er is een onderscheid: indien hij nuswijmt, ’t is niet ten gevolge van ’t geen hijziet, maar van ’t geen hijruikt. De zwanen zijn dan ook voor altijd weggereisd of gestorven, en dat wel zonder zwanenzang op Amsterdams vervallen liefelijkheid.

Aan het bezigen van den waterweg eigenden zich met recht desierlijke kaaien, van steen of wel van net getimmerd hout vervaardigd, en door den bewoner van het daar tegenoverliggend erf bestendig in goede orde onderhouden. Zeker zou in vroegere dagen niemand gedroomd hebben, dat onderhoud te willen schuiven op de Gemeente: en de Overheid zou het hem, die zoo iets beweerd had, wel anders geleerd hebben. Ook zouden de bewoners van zijstraten en stegen met reden gevraagd hebben, hoe men hen in billijkheid kon noodzaken op te brengen voor kaaien, waarvan zij geen gebruik hadden.—Dan, gelijk ik zeide, die gedachte om zich van het onderhoud te ontslaan, was bij niemand opgekomen: immers tegenover het bezwaar stond het genot. Aan de kaai over zijne deur had ieder bewoner zijne ijzeren ringen, waar zijn jacht, zijne tent- of pakschuit, zijn turf- of houtschip aan vastgemeerd werd, en waar geen vreemd vaartuig het waagde, zonder zijne toestemming, aan te leggen. Dat alles is thans over. Eene uitspraak van den Hoogen Raad—van welke uitspraak men zeker niet kan zeggen, dat zijkantnochwalraakt—heeft de eigenaars der woningen, langs de grachten gelegen, ontheven van een servituut, vroeger door hen als een privilege aangemerkt. De arme gemeentekas is bezwaard geworden met het onderhoud der wallen: en de ingezetenen, uit wier beurzen de kosten toch per slot moeten komen, hebben er nu, behalve het equivalent, alleen dit bij gewonnen, dat de nieuwe schoeiingen—want geen anderen naam verdienen zij—in volkomen harmonie zijn met de stinkslooten, die daartusschen hare pestwalmen doen opstijgen.

Ik zou wel eens willen weten, wat de beroemde mannen onder onze voormalige stadgenooten, die Amsterdam in zijn vollen luister gekend hebben, wel zouden zeggen, als zij weder eens in levenden lijve over onze straten konden wandelen, mannen b. v. als Cornelis De Graef, Nikolaas Tulp, Bartholomeus Van der Helst, Joost Van den Vondel, Michiel Adriaensz. De Ruyter en Jan Claeszen.

Een hoofdstuk, dat tot een aangenamen overgang verstrekken moet, om het volgende hoofdstuk voor te bereiden.De schrandere lezer, die ongetwijfeld door en door bekend is met de geschiedenis des vaderlands, zal hier gewis reeds hebben opgemerkt, dat ik mij ten opzichte van de volgorde, waarin ik bovenvermelde groote mannen geschetst heb, van een figuur heb bediend, welke men in de Rhetorica gewoon is eenclimaxte noemen, en daarbij den graad hunner betrekkelijke vermaardheid heb in acht genomen. Ik ben toch niet volkomen zeker of gij u wel precies herinnert, dat Cornelis De Graef leefde in den tijd, toen de Raad zich met het bouwen van het Stadhuis bezighield en niet met het zoeken naar een equivalent, dat een zijner zonen den eersten steen van dat gebouw leide en hij zelf bij de inwijding als Burgemeestervoorzat, dat hij talrijke diensten aan zijn Vaderland bewees, tweemalen een burgeroorlog voorkwam en den jongen Prins Willem III tot mede-voogd verstrekte.—Ik heb evenmin de overtuiging, dat gij Tulp anders kent, dan uit de schilderij van Rembrandt, en dat gij weet, hoe hij niet alleen door zijne verdiensten als geneesheer, maar ook door zijne wakkerheid als Regent, de hulde van tijdgenoot en nageslacht verdiende. Maar wat Van der Helst betreft, gij hebt ongetwijfeld zijn Schuttersmaaltijd gezien—naar welken onze Kaiser onlangs zulk eene voortreffelijke plaat heeft geleverd—hoewel gij misschien niet gelezen hebt, dat hij veel geld voor zijne portretten maakte en in zijn tijd meer in trek was dan Rembrandt.—Joost Van den Vondel kent gij evenzeer als den schrijver van Gijsbrecht, welk stuk alle jaren vertoond wordt. In ’t voorbijgaan gezegd, hij wasnietde schrijver van Kloris en Roosje,—uit welk kluchtspel men sedert eenige jaren al de oorspronkelijke liedjes, die geestig en naïef waren, heeft gebannen, om ze in watermelkdeuntjes te veranderen:—en dat zonder iemand te waarschuwen.Wat De Ruyter betreft, gij hebt zijn graf in de Nieuwe Kerk en zijne levensbeschrijving in het boekje van ’t Nut zeker wel onder de oogen gehad en hij zweeft u alzoo voor den geest als een zeeheld, die thuis gelijk een burgerman leefde en zich met geen politiek ophield.Maar beter dan al de overigen kent gij Jan Claeszen, ’t zij dat gij hem op uwe kinderpartijtjes in de vermaarde ronzebons vanLa Hayezijne kunsten hebt zien vertoonen, ’t zij dat hij voor ’t huis uwer ouders voor een zesthalf—neen, in uwen tijd, lieve lezeres! die nog jong en schoon zijt, voor een kwartje—eene representatie gaf, waarbij gij met uwe broertjes en zusjes of neefjes en nichtjes op de vensterbank geknield laagt, met de neuzen plat gedrukt tegen de ruiten, terwijl een troep groote of kleine kinderen van de straat het spektakel gratis aanschouwde, ’t zij eindelijk, dat gij zelf—dit geldt u lezer!—op een der stadspleinen de vertooning stond aan te gapen en daarbij een eerbiedigen afstand bewaardet, niet zoozeer uit vrees dat „de vrouw” ook bij u met haar bakje komen zou, om uw duit op te halen, als wel uit zorg voor „uw fatsoen”.—Gij allen kent dus Jan Claeszen, en hebt u er nooit over bekommerd, hoe die dubbel gebochelde, roodgeneusde, phantastische held, die oorspronkelijk Pucinello heette, doch wien de Italianen, Franschen, Engelschen en Duitschers, elk naar hun lievelingsgerecht, Macaroni, Jean Potage, Jack Pudding (later Punch) en Hansworst doopten—aan dien naam gekomen is, dien hij bij ons verkregen heeft. Zijt gij verlangend, hieromtrent iets te vernemen, dan wil ik gaarne uw weetgierigheid voldoen. Gij hebt wel gehoord—en kunt het anders bij Wagenaar lezen—hoe, na den dood van Prins Willem III, de aristocraten hier te lande in hunne wijsheid begrepen, dat zij ’t evengoed zonder stadhouder konden doen. Zij vonden ’t niet onaardig alle macht in den Staat tot zich te trekken, en zich ook die privilegiën en prerogatieven toe te eigenen, welke de Prins tot dien tijd bezeten had. Zoo werd, ondermeer, door hen besloten, de voormalige Garde van den Prins te herscheppen in eene lijfwacht der Staten van Holland. Dit had echter geen plaats zonder dat men te dier gelegenheid verwijderde al wie onder dat korps van Prinsgezindheid werd verdacht gehouden; en onder hen, die men uit dezen hoofde afdankte, bevond zich ook een trompetter, Jan Claeszen geheeten. Deze, nu buiten dienst gesteld en verplicht eene andere broodwinning te aanvaarden, wijdde zich der kunsten toe, zette zich te Amsterdam neder en vertoonde aldaar eene ronzebons op straten en pleinen. Niet tevreden echter van zijne drama’s op te voeren, zooals zij oorspronkelijk geschreven waren, doormengde hij die met grappige zetten en kwinkslagen, en lei zijnesujetten, vooral zijne hoofdpersonen, menigen zet in den mond tegen de toenmalige landsregeering. Ik durf niet verzekeren, dat zijne aardigheden even kiesch en vernuftig waren, als van een modern oppositieblad, doch zij waren wellicht te meer geëigend, om aan zijn publiek te behagen, en hemzelven tot de lieveling der Prinsgezinde burgerij te maken. En zoo werd langzamerhand hij zelf vereenzelvigd met zijn hoofdpersoon; de naam van Hansworst, dien de echtgenoot van Katrijn tot dien tijd gedragen had, werd door den zijnen verdrongen en in voortdurenden roem leeft bij ons de onsterfelijke Jan Claeszen.Doch wat zeg ik?—Helaas! groot is mijne vrees, dat het met die onsterfelijkheid ook al mis is, en dat, evenals andere groote mannen, ook zelfs Jan Claeszen bij ons in ’t vergeetboek dreigt te geraken. Hij, het echte type van den wijsgeer, de man, die geene zorgen kent en met den dag voortleeft, die zich over niets bekommert, mits hij den tijd doorbrenge met eten, drinken en deuntjes zingen; die met ieder in vrede is, maar ook niet uit zijne gelijkmoedige rust gestoord wil worden, noch door eene kijvende vrouw, noch door kinderen, die om brood janken, noch door een huisheer, die hem manen komt, noch door een werf-officier, die voor het verstrekte handgeld zijne diensten opvordert, noch door den barren Droes, die hem met zich mee wil pakken, en die tegen al die lastige kwelgeesten maar twee argumenten heeft, zijn holsblok en zijn stok—hij, dat echte toonbeeld van ware levenswijsheid, begint bij de directeurs van wandelende theaters reeds een deel van zijne originaliteit te verliezen, ja reeds houdt hij hier en daar op de hoofdpersoon te zijn. De oude ronzebons zelve, verbreed en vergroot, wordt verbasterd tot eene marionettenkast, met beweegbare figuren, tot een zouteloosthéatre de métamorphoses. Nog onlangs stond ik bij avond op het Koningsplein te Amsterdam gedurende tien minuten naar eene zoodanige vertooning te kijken: in die tien minuten zag ik letterlijk niets anders dan een bordpapieren ruiter, wiens paard nu eens op de voor- dan weder op de achterpooten ettelijke kapriolen en evoluties maakte.—„Ik packte my van daer”, zooals Gijsbrecht zegt, innig bedroefd over den verloop der tijden en tevens het geduld bewonderende der toekijkers, die van zulke flauwheden niet wegliepen. Ik bewonderde ook een klein weinig mijn eigen geduld, dat ik het nog tien minuten had uitgehouden.Ik heb straks gezegd, dat Jan Claeszen (de trompetter namelijk) vreemd zou opkijken, als hij Amsterdam nu terugzag. Ik vrees, dat de tijd zal aanbreken en niet verre meer af is, waarin hij er niet alleen de jachten, de luifels, de zwanen, den Jan-Rodenpoortstoren, de toesleden, de haringpakkerij, de houten schoorsteenen, het Doolhof, de aansprekers, maar waarin hij er zichzelven niet meer zal terugvinden.Maar dan zal ook Amsterdam wel voorgoed ten val zijn geraakt.

De schrandere lezer, die ongetwijfeld door en door bekend is met de geschiedenis des vaderlands, zal hier gewis reeds hebben opgemerkt, dat ik mij ten opzichte van de volgorde, waarin ik bovenvermelde groote mannen geschetst heb, van een figuur heb bediend, welke men in de Rhetorica gewoon is eenclimaxte noemen, en daarbij den graad hunner betrekkelijke vermaardheid heb in acht genomen. Ik ben toch niet volkomen zeker of gij u wel precies herinnert, dat Cornelis De Graef leefde in den tijd, toen de Raad zich met het bouwen van het Stadhuis bezighield en niet met het zoeken naar een equivalent, dat een zijner zonen den eersten steen van dat gebouw leide en hij zelf bij de inwijding als Burgemeestervoorzat, dat hij talrijke diensten aan zijn Vaderland bewees, tweemalen een burgeroorlog voorkwam en den jongen Prins Willem III tot mede-voogd verstrekte.—Ik heb evenmin de overtuiging, dat gij Tulp anders kent, dan uit de schilderij van Rembrandt, en dat gij weet, hoe hij niet alleen door zijne verdiensten als geneesheer, maar ook door zijne wakkerheid als Regent, de hulde van tijdgenoot en nageslacht verdiende. Maar wat Van der Helst betreft, gij hebt ongetwijfeld zijn Schuttersmaaltijd gezien—naar welken onze Kaiser onlangs zulk eene voortreffelijke plaat heeft geleverd—hoewel gij misschien niet gelezen hebt, dat hij veel geld voor zijne portretten maakte en in zijn tijd meer in trek was dan Rembrandt.—Joost Van den Vondel kent gij evenzeer als den schrijver van Gijsbrecht, welk stuk alle jaren vertoond wordt. In ’t voorbijgaan gezegd, hij wasnietde schrijver van Kloris en Roosje,—uit welk kluchtspel men sedert eenige jaren al de oorspronkelijke liedjes, die geestig en naïef waren, heeft gebannen, om ze in watermelkdeuntjes te veranderen:—en dat zonder iemand te waarschuwen.

Wat De Ruyter betreft, gij hebt zijn graf in de Nieuwe Kerk en zijne levensbeschrijving in het boekje van ’t Nut zeker wel onder de oogen gehad en hij zweeft u alzoo voor den geest als een zeeheld, die thuis gelijk een burgerman leefde en zich met geen politiek ophield.

Maar beter dan al de overigen kent gij Jan Claeszen, ’t zij dat gij hem op uwe kinderpartijtjes in de vermaarde ronzebons vanLa Hayezijne kunsten hebt zien vertoonen, ’t zij dat hij voor ’t huis uwer ouders voor een zesthalf—neen, in uwen tijd, lieve lezeres! die nog jong en schoon zijt, voor een kwartje—eene representatie gaf, waarbij gij met uwe broertjes en zusjes of neefjes en nichtjes op de vensterbank geknield laagt, met de neuzen plat gedrukt tegen de ruiten, terwijl een troep groote of kleine kinderen van de straat het spektakel gratis aanschouwde, ’t zij eindelijk, dat gij zelf—dit geldt u lezer!—op een der stadspleinen de vertooning stond aan te gapen en daarbij een eerbiedigen afstand bewaardet, niet zoozeer uit vrees dat „de vrouw” ook bij u met haar bakje komen zou, om uw duit op te halen, als wel uit zorg voor „uw fatsoen”.—Gij allen kent dus Jan Claeszen, en hebt u er nooit over bekommerd, hoe die dubbel gebochelde, roodgeneusde, phantastische held, die oorspronkelijk Pucinello heette, doch wien de Italianen, Franschen, Engelschen en Duitschers, elk naar hun lievelingsgerecht, Macaroni, Jean Potage, Jack Pudding (later Punch) en Hansworst doopten—aan dien naam gekomen is, dien hij bij ons verkregen heeft. Zijt gij verlangend, hieromtrent iets te vernemen, dan wil ik gaarne uw weetgierigheid voldoen. Gij hebt wel gehoord—en kunt het anders bij Wagenaar lezen—hoe, na den dood van Prins Willem III, de aristocraten hier te lande in hunne wijsheid begrepen, dat zij ’t evengoed zonder stadhouder konden doen. Zij vonden ’t niet onaardig alle macht in den Staat tot zich te trekken, en zich ook die privilegiën en prerogatieven toe te eigenen, welke de Prins tot dien tijd bezeten had. Zoo werd, ondermeer, door hen besloten, de voormalige Garde van den Prins te herscheppen in eene lijfwacht der Staten van Holland. Dit had echter geen plaats zonder dat men te dier gelegenheid verwijderde al wie onder dat korps van Prinsgezindheid werd verdacht gehouden; en onder hen, die men uit dezen hoofde afdankte, bevond zich ook een trompetter, Jan Claeszen geheeten. Deze, nu buiten dienst gesteld en verplicht eene andere broodwinning te aanvaarden, wijdde zich der kunsten toe, zette zich te Amsterdam neder en vertoonde aldaar eene ronzebons op straten en pleinen. Niet tevreden echter van zijne drama’s op te voeren, zooals zij oorspronkelijk geschreven waren, doormengde hij die met grappige zetten en kwinkslagen, en lei zijnesujetten, vooral zijne hoofdpersonen, menigen zet in den mond tegen de toenmalige landsregeering. Ik durf niet verzekeren, dat zijne aardigheden even kiesch en vernuftig waren, als van een modern oppositieblad, doch zij waren wellicht te meer geëigend, om aan zijn publiek te behagen, en hemzelven tot de lieveling der Prinsgezinde burgerij te maken. En zoo werd langzamerhand hij zelf vereenzelvigd met zijn hoofdpersoon; de naam van Hansworst, dien de echtgenoot van Katrijn tot dien tijd gedragen had, werd door den zijnen verdrongen en in voortdurenden roem leeft bij ons de onsterfelijke Jan Claeszen.

Doch wat zeg ik?—Helaas! groot is mijne vrees, dat het met die onsterfelijkheid ook al mis is, en dat, evenals andere groote mannen, ook zelfs Jan Claeszen bij ons in ’t vergeetboek dreigt te geraken. Hij, het echte type van den wijsgeer, de man, die geene zorgen kent en met den dag voortleeft, die zich over niets bekommert, mits hij den tijd doorbrenge met eten, drinken en deuntjes zingen; die met ieder in vrede is, maar ook niet uit zijne gelijkmoedige rust gestoord wil worden, noch door eene kijvende vrouw, noch door kinderen, die om brood janken, noch door een huisheer, die hem manen komt, noch door een werf-officier, die voor het verstrekte handgeld zijne diensten opvordert, noch door den barren Droes, die hem met zich mee wil pakken, en die tegen al die lastige kwelgeesten maar twee argumenten heeft, zijn holsblok en zijn stok—hij, dat echte toonbeeld van ware levenswijsheid, begint bij de directeurs van wandelende theaters reeds een deel van zijne originaliteit te verliezen, ja reeds houdt hij hier en daar op de hoofdpersoon te zijn. De oude ronzebons zelve, verbreed en vergroot, wordt verbasterd tot eene marionettenkast, met beweegbare figuren, tot een zouteloosthéatre de métamorphoses. Nog onlangs stond ik bij avond op het Koningsplein te Amsterdam gedurende tien minuten naar eene zoodanige vertooning te kijken: in die tien minuten zag ik letterlijk niets anders dan een bordpapieren ruiter, wiens paard nu eens op de voor- dan weder op de achterpooten ettelijke kapriolen en evoluties maakte.—„Ik packte my van daer”, zooals Gijsbrecht zegt, innig bedroefd over den verloop der tijden en tevens het geduld bewonderende der toekijkers, die van zulke flauwheden niet wegliepen. Ik bewonderde ook een klein weinig mijn eigen geduld, dat ik het nog tien minuten had uitgehouden.

Ik heb straks gezegd, dat Jan Claeszen (de trompetter namelijk) vreemd zou opkijken, als hij Amsterdam nu terugzag. Ik vrees, dat de tijd zal aanbreken en niet verre meer af is, waarin hij er niet alleen de jachten, de luifels, de zwanen, den Jan-Rodenpoortstoren, de toesleden, de haringpakkerij, de houten schoorsteenen, het Doolhof, de aansprekers, maar waarin hij er zichzelven niet meer zal terugvinden.

Maar dan zal ook Amsterdam wel voorgoed ten val zijn geraakt.

Over drie groote en miskende stadgenooten.Ik heb in het vorige hoofdstuk, hoezeer dan maar in ’t voorbijgaan, den naam van La Haye genoemd, en bij het herdenken aan al wat Amsterdam verloren heeft, zonder het weder vergoed te zien, is het mij eene behoefte, ook bij dezen beroemden man eene wijle stil te staan en zijne gedachtenis te verbinden aan die van twee andere illustratiën, wier taak en wier lust het evenzeer was, werkzaam te zijn tot nut en vermaak hunner jeugdige stadgenooten, en wier namen ik mij niet voor den geest kan brengen, zonder dat bij mij een zoet en aandoenlijk gevoel van dankbaarheid oprijst voor de genoegelijke uren, die zij mij verschaft hebben, uren, hoedanige geen latere leeftijd mij heeft teruggegeven:—Beekman en Laurens. Met La Haye vormen zij het schoonst en liefelijkst klaverblad, dat wellicht eens gebloeid heeft: een driemanschap, meer waardig bezongen te worden, dan dat andere driemanschap, eens te Rome door heerschzuchtige tirannen gevormd. Het was door moord, door plundering, door brandstichting, door al de gruwelen van den burgerkrijg, dat zich dit laatste berucht maakte: het waren dans en feestvreugde en gejubel, waar onze Amsterdamsche Driemannen hunnen naam door vestigden. Het Romeinsche Driemanschap omschanste zich met krijgsvolk en bundelbijlen: het onze voerde de Muzen, de Lachjes en Gratiën in zijn stoet. Klaroengeschal en wapenklank kondigden Octavius, M. Antonius en Lepidus aan: viool en lier vermeldden de verschijning van La Haye, Beekman en Laurens.—Toen ik hen kende, ging ik ter Fransche schole en wanneer ik ’s avonds werd gehaald en naar den sterrenhemel zag, vestigde ik doorgaans mijne bijzondere aandacht op den Orion, vooral op de drie hoofdsterren van zijn gordel: en dan kwam het mij meermalen in den zin, dat, evenals de beroemde helden der oudheid, na hun dood een bepaald gesternte ter woon en onder hunne bescherming verkregen, de doorluchte Drie, die mijnen kameraden en mij zooveel genoegen verschaften, in dien gordel een hunner waardige plaats zouden kunnen bekleeden.Of zij naar dien gordel verhuisd zijn, weet ik niet: wel, dat zij eene plaats verdienen in de galerij van beroemde Nederlanders, door den Boekhandelaar Coster geopend, en thans overgenomen en vervolgddoor mijn geachten vriend, den Boekhandelaar Van Kampen. En, ten gerieve van hun toekomstigen levensbeschrijver, laat ik hier eenige bijzonderheden, hen aangaande, volgen, waaruit overvloedig zal kunnen blijken, dat de lof, hun door mij gegeven, in geenendeele overdreven is.Wat, in de eerste plaats, La Haye betreft, ik ken zijne geboorteplaats niet en ik geloof evenmin, dat, gelijk dit plaats had ten opzichte van Homerus, zeven steden om dien eeretitel zullen kampen. Niet, dat hij dien wedstrijd onwaardig zou zijn; maar ik twijfel er aan of hij het eerste licht in eene stad aanschouwd heeft. Ik durf de gissing wagen, dat hij een regimentskind was, en dat hem zijne moeder in ’t veld, achter eenehaagter wereld bracht, op welke bijzonderheid hij bij het kiezen van een naam zal gezinspeeld hebben. Wat zijn uiterlijk betrof, hij was kort en mager, had gekruld zwart haar, eene kale plek op de kruin en levendige grijze oogen. Zijn gezicht was kleurig—wat lasteraars aan het gebruik van brandewijn toeschreven; ofschoon mij uit geloofwaardige berichten gebleken is, dat hij de voorkeur gaf aan Schiedammer vocht,—en een weinig pokdalig. Zijne kleeding was thuis een belapt buis, en op partijen eene grijs blauwe frak met hoogen kraag en tinnen knoopen, eene hooge witte das, breed als een tafellaken, en voorzien met een monsterstrik, een rood vest met blauwe bloemen en gele strepen, eene nankingsche korte broek, grijs- en witgestreepte kousen en schoenen met linten—als overeenkomstig met de mode uit den tijd van hetDirectoire.—Natuurlijk trok hij zijn rok uit, als hij zich binnen zijn theater bevond.Wat zijne sujetten betrof, hoezeer hunne voornaamste bezigheid bestond in elkander af te ranselen, zoo moet ik hun ter eere zeggen, dat zij, buiten het tooneel zijnde, hun Directeur nimmer eenigen last veroorzaakten: zij keven niet onderling, noch toonden eenigen nijd of jaloezie, maar slingerden naast elkander in de beste harmonie; gingen zich verder niet te buiten aan sterken drank en dreigden nimmer zich, indien men hun appointement niet verhoogde, aan een ander theater te engageeren. In één woord, zij vormden een volkomen tegenbeeld van alle mogelijke andere verledene en toekomstige tooneelgezelschappen. Van de tegenwoordige wil ik, om goede redenen, niet spreken.Hetrépertoirevan La Haye bood weinig verscheidenheid aan. Behalve de gewone huislijke oneenigheden tusschen Jan Claeszen en zijne wederhelft, daaruit voornamelijk ontstaande, dat hij, volgens haar beweren, naar anisette, en zij naar klare jenevermet suikerrook, en de minnarijen van den schoonen Lujander met de bekoorlijke wederhelft van den Ouden Heer, een lief schepseltje van „zeuventien d’half jaren en zeuven maanden”, hadden wij altijd de vermakelijke vertooning van Jan Claeszen, die in zijn slaap gestoord wordt door de kapelletjes, die zich op zijn neus zetten, en welke hij, wakker geworden zijnde, onder ’t geroep van „witje, witje! hoog, hoog! witje, witje! laag, laag!” vervolgde, zonder ze ooit te kunnen krijgen. Doch descène, die ons de meeste pret verschafte,was die, waarin Jan Claeszen, in de bakkerij geslopen, den oven bestal, en zijn roof—onder zijne handen in ulevelletjes en chocolaadjes herschapen—met volle armen over ons uitstrooide. Dan kwam de bakker, met zijne gebloemde japon en de slaapmuts op ’t hoofd, vond zijn oven ledig, en zocht den dief, die altijd achter het linksche gordijntje wegschool, wanneer de bakker achter het rechtsche keek en omgekeerd. Dan riepen wij den bakker toe, waar hij zoeken moest; doch de man kwam gedurig te laat; totdat Jan Claeszen, meer en meer vermetel, zich verstoutte hem op allerlei wijze te foppen, door hem achterna te volgen, bij de muts, bij het staartje in zijn nek te trekken, dit laatste in brand te steken, enz. en zich dan spoedig weer weg te maken. Eindelijk kreeg de bakker hem: zij raakten handgemeen en het slot was, dat, tot ons groot vermaak, de bestolene in zijn oven verbrand word. Ik weet niet, hoe ’t mijnen speelmakkers gegaan is, noch of zij later, bij het zien van een honderdtal melodrama’s, waarin altijd de deugd triomfeerde en de misdaad gestraft werd, bij de ontknooping even koel zijn gebleven als ik doorgaans was; maar dit weet ik, dat, bij die van het drama in de ronzebons, wij allen de zegepraal der misdaad, die dansende en zingende wegtrok, met schaterend gejuich en handgeklap aanschouwden.—’t Is waar; de ulevellen en chocolaadjes hadden ons tot medeplichtigen gemaakt.De eenige afwisseling, welke ik mij herinner, dat de voorstellingen van La Haye opleverden, was deze, dat hij als tusschenspel—intermède choregraphiquezou men het thans noemen—twee mooren, nu eens met bekkens, en eene andere reis met waskaarsen, liet dansen. Tot schande voor mijn goeden smaak moet ik zeggen, dat mij die dans altijd verveelde. Reeds toen—en het is mij later bijgebleven—moest ik de menschelijke stem hooren of eene dramatische actie zien; maar al wat bloot vertooning was en wat lang duurde, heeft mij nimmer kunnen behagen: en ik herinner mij, bij den dans van Taglioni gegaapt te hebben en in den dut te zijn gevallen bij het fraaiste carrouselrijden in ’t paardenspel; terwijl ik, wat balletten betreft, nog altijd het meeste vermaak schep in eene Harlekinade.Verder geloove men niet, dat een uit het publiek, ’t welk de vertooningen van La Haye bijwoonde, naar de opvoering van iets nieuws verlangde. Neen, met hetzelfde genot, waarmede thans een dilettant voor de honderdste maal de Norma, de Barbier of de Freischutz ziet opvoeren, naarmate hij een voorstander is van Bellini, Rossini of Weber, zagen wij telkenreize het tooneel, waarin Jan Claeszen zich doof houdt tegenover den huisheer, en Katrijn dezen met stokslagen betaalt; en dat andere, waarin de acteurs een voor een in de kist worden gestopt, met hernieuwd vermaak terug: ja wij waren geheel niet tevreden, indien er in het gewoon programma eenige verandering plaats had.Over de verdiensten van La Haye als directeur van den dans, zal ik kort zijn: zij waren ongetwijfeld vele; doch ik was toen nog te weinig ingewijd in de geheimenissen der Choregraphie om zenaar waarde te schatten: dit alleen geloof ik te kunnen aannemen, dat zij niet gelijk stonden met zijne verdiensten als theater-directeur. Nu—het is niet iedereen gegeven in alle vakken uit te blinken, en hoezeerle devin de villageeene lieve operette zij, was Rousseau ongetwijfeld grooter als prozaschrijver dan als componist.Nu een woord over Beekman. Deze was een Amsterdammerpur sangen sprak, dacht, liep en zag er ook uit als een Amsterdammer. Zijne donkerbruine kleeding, eenvoudig en net, en zijn hoofd, met eene bruine, rechthoekigenaturelversierd, alles duidde in hem den man aan zonder pretentie. Als violist en dansdirecteur stond hij wellicht op dezelfde hoogte als La Haye; doch gelijk deze door zijn ronzebons, was gene groot door zijne Chineesche schimmen, welke hij, met behulp van zijn zoon, een bleeken jongeling, met een grijs en blauw gestreept vest, vertoonde. De tooneelstukken, welke hij te voorschijn bracht, waren talrijk en classiek: althans vertrouw ik dat gij, mijn waarde lezer! voor zooverre gij in de literatuur van hetthéâtre des Séraphinsgeen vreemdeling zijt, ze alle kent. Hij gaf ons de voorstelling van het woud met de wilde dieren, den jager, die ze vervolgt, den struikroover, die den armen reiziger om hals brengt en berooft, maar later zelf door den levenden Nikker wordt weggevoerd: die van den buitensingel, met den visscher, die in zijn totebel talrijke stroombewoners vangt: die van de straat, in welke de wandelaars met parapluies uitgaan, waar de wind in vat, zoodat zij met hunne eigenaars de lucht ingaan: die van het hol, waar de toovenaar allerlei veelsoortige verschijningen oproept: die van het huis met de duiventil, waar twee stoute kinderen, ondanks alle verbod, zich op wagen, en die onder hunne zwaarte wegbreekt en met hen instort: die van de gebroken brug met de eendjes, enz. enz. Maar de drama’s, die ons ’t meest plachten te behagen, waren de twee volgende: het eene, dat, waarin twee huisbrekers bij nacht een huis leeg stelen en het vervolgens in brand steken; terwijl de oude podagrist met zijne huishoudster, die het bewonen, niet dan met moeite ontkomen;—het andere, dat van de kat, die den schapebout steelt; terwijl Mietje, die er op passen moest, met haar buurknaap is loopen spelen; hetgeen haar dan ook eene welverdiende kastijding van hare moeder bezorgt.Habent sua fata libelli, zegt de Latijnsche dichter; wat zooveel zeggen wil: „’t loopt al raar met de reputatie van een werk”:—de waarheid dezer spreuk vinden wij opnieuw bevestigd door de merkwaardige omstandigheid, dat treffelijke tooneelstukken als de hierboven genoemde, reeds sedert een paar eeuwen in alle hoofdsteden niet alleen, maar zelfs in kleine dorpen, waar het slechts kermis was, eene welverdiende vermaardheid hebben bekomen, zonder dat iemand in staat zij den naam des genialen schrijvers te noemen, aan wien wij ze te danken hebben.—’t Is waar, dat, van een anderen kant er vele beroemde schrijvers gevonden worden, wier namen overal bekend zijn, doch wier voortbrengselen niemand leest.De Chineesche schimmen werden bestendig achtervolgd door eenChineesch vuurwerk, dat zeer fraai was; doch dat mij, om eene hierboven reeds aangehaalde reden, veel minder vermaakte dan de vertooningen.Groot waren La Haye en Beekman!—doch ze stonden in evenredigheid tot Laurens gelijk Le Brun en Cambaceres tot hun medeconsul Buonaparte. Zoo ik van de beide eerstgenoemde theaterdirecteurs de voornamen niet heb kunnen opsporen, ten opzichte van Laurens is het mij niet gelukt met zijn geslachtsnaam bekend te worden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij er ook geen bezeten en zal hij alleen bij dien zijns vaders zijn bekend geweest, gelijk Mozes, Cyrus, Socrates. Alexander de Groote, en—met wien ik hem in de eerste plaats had moeten vergelijken—Orpheus.—Met dezen toch had hij nog andere punten van overeenkomst. Orpheus bespeelde een antieke, Laurens eene moderne lier: Orpheus trok alle menschen en dieren, Laurens alle kinderen tot zich. Orpheus was het grootst, toen hij in het rijk der schimmen zulk een beweging maakte; Laurens behaalde ook daarmede zijn voornaamsten roem: ja zelfs overtrof hij Orpheus in dit opzicht; want de schimmen, welke hij in beweging bracht, had hij zelf doen ontstaan.Evenmin als Vondel had Laurens te Amsterdam het eerste levenslicht aanschouwd; evenals gene was hij in een Bisdom geboren, Vondel in dat van Keulen, Laurens in dat van Luik. Evenals Vondel bracht Laurens zijne mannelijke levensjaren door te Amsterdam en verwierf er zijn roem. Eindelijk besteedde Laurens, evenals Vondel, den tijd, dien hij niet aan de schoone kunsten wijdde, met de uitoefening van een beroep: en had Vondel een kousenwinkel in de Warmoesstraat, Laurens had een parapluiewinkel in de Wijde Heisteeg—die, in ’t voorbijgaan gezegd, zoo nauw is, dat men haar maar van ééne zijde mag inrijden.Nimmer is de verschijning van een Romeinschen veldheer, als hij zijne zegepraal te Rome vieren zou, nimmer die van een geliefd vorst in eene zijner goede steden, nimmer die van een lang verwachten keizerlijken erfgenaam in dit tranendal, nimmer die van een gemaskerde studentenstoet op een academiefeest met meer ongeduld te gemoet gezien en met hartelijker gejuich verwelkomd, dan die van Laurens op eene kinderpartij. „Daar is Laurens! daar is Laurens! goeden avond, Laurens!” riep dan uit éénen mond de jubelende schaar, die al huppelende om hem heendrong, tegen hem opsprong, en hem in de overmaat der vreugd schier belette verder voort te treden en zich te ontdoen van zijne dubbele vracht.Ik zeg, zijne dubbele vracht; want, zonden La Haye en Beekman hun theater vooruit, Laurens—en hier blijkt wederom hoe ware grootheid steeds met nederigheid gepaard gaat—droeg het zijne op den rug; terwijl hij nog bovendien van voren met zijn lierekast was bezwaard.Eindelijk was het niet, zonder moeite den grooten man gelukt de kist, waarin zijn tooverlantaren en de daarbij behoorende glazen besloten waren, neder te zetten en zich een weg te banen tot aan devrouw des huizes. Bevallig en deftig tevens was daarbij zijne houding, en in overeenstemming met zijn kostuum. Had La Haye in zijn voorkomen iets, dat aan den voormaligen Carmagnool herinnerde, was Beekman de type van den Amsterdamschen burgerman, zij, die Laurens zagen, en niet wisten, dat hij een Luikerwaal was, wilden er op zweren, dat hij tot deémigrésbehoorde. Zijne kleeding toch was, tot in de kleinste bijzonderheden,ancien régime. Het haar, met een weinig poeder bestrooid, wasen aîles de pigeongekapt en van achteren tot een staartje of zoogenaamd „schorseneeltje” vereenigd, dat, vastgebonden met een blauw zijden lint, in eeuwigdurende beweging was. Hij droeg hethabit français, lichtbruin, met breede opslagen en knoopen als drieguldens: tusschen een donkerkleurig vest met breede panden vertoonde zich het hagelwitte linnen, van een geplooiden jabot en manchetten voorzien: op de korte zwarte broek hing een breede stalen horlogeketting: en de bruine floretten kousen staken in lage schoenen met breede spinsbekken gespen. Dat hij bij dit alles, wanneer hij over straat ging, een grooten punthoed droeg en een stok met een zwaren knop, behoef ik nauwelijks te vermelden.Maar dan zijn gelaat! Zeker had de uitdrukking daarvan iets, dat aan allen vertrouwen, en aan de kinderen bovendien hartelijke genegenheid inboezemde, met eerbied gepaard: tot bewijs van dit laatste behoef ik slechts aan te voeren, dat ik ook den ondeugendste onder hen zich nimmer heb zien verstouten in zijne tegenwoordigheid eenige onbetamelijkheid te bedrijven. ’t Is waar—mij is verteld dat eens een kleine bengel de ongehoorde vermetelheid zou hebben gehad, hem aan zijn staartje te trekken. Ik kan het feit niet gelooven;—doch zoo ’t werkelijk heeft plaats gehad, dan moet ik het er voor houden, dat de knaap, die ’t bedreef, zich vooraf was te buiten gegaan aan eenig glas wijn of punch, dat voor de groote menschen bestemd was:—of, indien zoodanige jeugdige booswicht zich werkelijk aan het feit heeft schuldig gemaakt, zonder iets anders gebruikt te hebben dan slappe thee of orgeade, dan verkondigt zulks bij den schuldige op zijnen leeftijd òf eene vroege verdorvenheid, òf een vroegen overmoed, en is hij op mannelijken leeftijd òf aan de galg òf aan een ministerie geraakt.Dan ik wil mij in geene gissingen omtrent zulke droevige uitkomsten verdiepen, waardoor ik het genoegen zou bederven, ’t welk gij, lieve lezeres! ongetwijfeld smaken zult in het lezen, gelijk ik in het opstellen der beschrijving van een dier aangename avonden, zooals Laurens ze ons wist te schenken. Zie! de pret gaat beginnen. Laurens draait aan zijne lier:rijing, rijing, rijingerijingerijing, vat aan iedere hand een klein ventje of meisje, en een groote rondedans vangt aan. Na den eersten toer volbracht te hebben, staat hij stil, en allen met hem.„Een been,” roept hij, steekt het zijne vooruit, en allen volgen zijn voorbeeld.Na de tweede roept hij: „Een been, ander been!” en beide worden achtereenvolgens door hem en door de dansers uitgestoken. Nade derde ronde luidt het: „Een been, ander been, één knie!” en de geheele troep ligt als hij geknield. De „andere knie” komt er na den vierden toer bij: vervolgens op gelijke wijze „een hand—andere hand,” en eindelijk, bij de laatste ronde: „allemaal om,” bij welken uitroep allen, nu op vier voeten voorover liggende, het hoofd buigen en met den neus op het tapijt liggen, niet anders dan of zij ter audientie waren bij den Keizer van Japan.Na die ronde, een „patertje”, de liefste dans, die ooit is uitgevonden—zeker de oudste en meest nationale bij ons: een dans, die de zoetste herinneringen achterlaat.—Ik ken jongelieden, die in polka en mazurka schitteren, en die toch verre van afkeerig zijn van een patertje, wanneer het eens—zoo geheel onder ons—wordt voorgesteld. Ik ken evenzeer jonge dames, die een afschuw hebben van den Baal-Peors-dienst en daarom ook van geenbalwillen weten—welk laatste woord in hare meening van het eerstgenoemde afstamt;—maar die toch zich altijd met genoegen laten vinden om—altijd zoo geheel onder ons—een patertje mee te doen.Na het patertje, een marsch:—een plechtige, statige marsch, Laurens voorop, al de kinderen achter hem, elkander bij de slippen der jurk of bij de punt van het buisje vasthoudende: de grooten voorop, de kleinsten achteraan. O! die zoo gelukkig was, den grooten Laurens zelven bij de rokspanden te mogen vasthouden. Haal u voor den geest den persoon, die u ’t meest benijdenswaardig voorkomt: den gast, die eene eereplaats bekomt aan ’s Konings disch, den danser, die uitgenoodigd wordt om met eene Prinses van den bloede den cotillon te dansen: de min, die een Keizerlijk kind mag zogen, den adjudant, die de geboorte van het gezegde kind gaat boodschappen, de prima donna, die hare mededingster hoort uitfluiten—o! het gevoel van eigenwaarde en zelfvoldoening, dat die allen bezielt, kan niet opwegen tegen dat, ’t welk de borst doorstroomde van den gelukkige, wien ’t onschatbaar voorrecht ten deel viel de rokspanden van Laurens te mogen vasthouden bij ’t „hansje sjokken” spelen.En als dan de deftige marsch lang genoeg geduurd had, gaf doorgaans Laurens het sein tot het eindigen met deze woorden, op Mefistofelistischen toon uitgesproken:„Nou motte ikke al de meisie soene.”Dan was het een gegil en een gelach en een gegiegauw en geginnegap van al die vijf- tot zevenjarige Dafnees en Atalantes, die de vlucht namen—en de rij was verbroken.Natuurlijk was deze bedreiging van den eerzamen Laurens niets dan scherts, en dit wisten de nufjes ook zeer goed; want bijna allen hadden die bij vorige gelegenheden meer gehoord: doch zij wisten tevens, dat het tot hare rol behoorde, bij die gelegenheid op de vlucht te gaan, alsof zij wonderwat te vreezen hadden.Dan stil: het tafellaken wordt tegen den wand gespeld: de tooverlantaarndaar recht tegenover op een tafel gezet en het publiek zet zich neder:—de grooteren op stoelen aan weerszijden in een halven kring: de kleintjes daartusschen in, op stoven: hier en daar eene gouvernante of kindermeisje nevens het voorwerp harer zorg.Laurens steekt het licht aan in zijne tooverlantaarn: geen gas, geen lamp, geen waskaars zelfs, waarde lezer!—eene loutere vetkaars;—maar ook de vetkaars heeft hare rol in de vertooning.En nu worden de overige kaarsen uitgesnoten of weggezet (lampen waren toen nog niet in gebruik) en wij zitten in ’t stikdonker, de enkele stralen niet medegerekend, die uit de reten en gaatjes der lantaarn ontsnappen.En nu vangt, op de wijze der antieken, Laurens met een prologus of voorafspraak aan:„Eeren en Daam! wat wit is is niet swart;—en wat swart is is niet wit. Sie je nix, ik ook nix, hé, hé, hé, Juffrouw! Nou sel je kommen te sien die mooi tooferlantaar, fraai kurieus o so mooi! en as ik spreek mot jylui swyk en as ik sink mot jylui mee sink...” En werkelijk, zoolang hij sprak, was er—op twee of drie uitzonderingen na, waarvan nader—eene stilte, dat men eene speld kon hooren vallen.—Sommigen hebben dit verschijnsel psychologisch willen verklaren en die stilte toegeschreven aan de duisternis, welke in ’t vertrek heerschte. De zoodanigen meenen zich tot staving van hunne meening te kunnen beroepen op ’t geen plaats heeft, wanneer men met den spoortrein plotseling in eene tunnel komt, en het levendigste gesprek terstond gestaakt wordt. Ik heb zelf dit laatste meermalen ondervonden; doch altijd iets geschoven op de omstandigheid, dat het gedruisch van den trein in eene tunnel vertienvoudigd wordt en alzoo belet, dat de een den ander versta. Wat daarvan zij, zeker is het, dat wij bij de vertooning van Laurens zwegen, niet omdat het duister was, maar uit eerbied voor den man: en ik behoef hier geen ander bewijs voor, dan het feit, dat wij allen trouw meezongen, zoodra hij zijne stem verhief.De inleidende aanspraak is geëindigd. Laurens draait het dekstuk van den lichtkoker af en daar tegenover verschijnt op het witte linnen de ronde, verlichte schijf, die het tooneel is, waarop zijne gekleurde schimmen zich zullen bewegen.En nu volgen de vertooningen, door hem telkenreize beschreven in de hierna volgende bewoordingen, waar ik jota noch tittel af of bijdoe:„Ter ebje nou Mijneer de Son, met zijn kleine neus, zijn kleine mond,sa beauté, sa magnificence. Sieje niet oe ’y zijn ook beweek.—En ier ebje Mefrou de Maan, met aar kleine neus, aar kleine mond.—Ier ebje Adam en Efa in ’t Paradijs, naakt en bloot, met zijn b.... bloot.—Ier ebje de slank, die keef de appel aan Efa. Daar neem Efa die appel van de slank: daar keef zij die appel aan Adam. Adam, Adam! pas op, datje strak niet op je bloote b.... krijk—Daar hebje den engel, die jaak Adam en Efa et Paradijs uit. Heruit, je motter uit, je selt er uit, je motter uit. Rtt! se sijn er uit, en Louwtje is er ook uit.”Men bemerkt uit deze laatste woorden, dat Laurens zuiver in de leer was.„Ier selje nau kom te sien die alkemeene sontvloet. Daar ebje die arke Noë: Daar ebje die beeste, die kaan in de ark twee an twee. Daar ebje twee kanse, twee an twee, daar ebje twee eend: daar ebje ram en skaap: daar ebje twee farke, twee an twee: daar ebje os en koei: mijn kroote kameraten, twee olikante—ik verspreke mij—twee olifante.”—N.B. deze verspreking, waarop wij altijd voorbereid waren, veroorzaakte telkenreize dezelfde vroolijkheid.—„Daar ebje Noë en sijn famielje, die drijven die beeste na die ark. Daar ebje die alkemeen sontvloet! daar ebje moeder met kindj’—en kindj’ met moeder!—Kijk die kwaai jonk, die leit niet sijn bloote b.... in ’t water.—Herr-Rtt! weer op een andere kane bier! Hê, hê, hê, Juffrouw!”„Ier ebje nou die kroote Turk, die sal een klas wijn drink op die kesontheid van die eer en die daam.Messieurs et Mesdames, j’ai l’honneur de boire à votre santé.Nok eens!—nok eens!—nok eens!—ier ebje die oude frou, die die appele verkoop.—Ok froutje lief! een appeltjeassebies.”Hier had regelmatig eene interruptie plaats en riepen wij: „Asje blieftmoet je zeggen.” Doch Laurens stoorde zich aan onze terechtwijzing zoo weinig als een Minister van 1855 aan een discours van de „kleine partij” in de Kamer, en bleef’ al doorpraten:„Ok froutje lief’ een appeltjeassebies!—Ier ebje die dans van die erder en erderin:El e lou maîreE que me marida!Quand sera grandeQuand te fera dansaTiri la.El e lou maîreQuand te fera dansa, etc.”Dit lied nu zongen wijnietmede, omdat wij geen Luikerwaalsch verstonden.„Ier ebje de geskiedenis van die ferlore soon. Ier ebje die ferlore soon. Ier ebje de ferlore soon, die sijn keld fraak en op reis kaat. Adjés liefe Papa!—adjés liefe soon! pas tok’ op datje niet bij de mooie meisie kom.—Ik ben er een kroot liefhebber van, papa!—Tjk, tjk, tjk! daar rijdt ie wek.—Rt! daar issie bij de mooie meisie.—Daar ebje de een, die skenk um een glas wijn in; terwijl karesseer die ander sijn beurs met kelt wek—daar jaak zij um de deur uit, naak en bloot: herruit, je selt er uit, je mot er uit!—daar sit ’y bij de fark, soo bedroef, ja nok slimmer dan Pietje Bedroef, en denk: ak! was ik maar bij mijn koeie ouwe fader kebleef; daar ad ik alle daak vol op.—Daar komt ’y bij sijn fader en fal op sijn knie. Ak liefe papaatj’ ik sel ’t nooit weêr doen.—Ja soo sek die kwaai jonk, als sy kwaad kedaan eb.—Daar kom die koeie ouwe fader en fal om sijn ’als: Pw, pw, pw! (dit drukt het geluid van kussen uit).—Daar ebje die snijer die bestel is om een nieuw rok te maken: daar ebje die slakter, die ’t vette kalf slak om eene koeie maaltijd te maak.... Hrtt! weêr op een andere kanebier.”„En nou sel je sien, ’oe Loutje sijn kaars snuit.”Bij deze woorden nam Laurens den lichtblaker uit de lantaarn, snoot zijne kaars en draaide zijne lichtbuis, die verschoven was, weder goed; bij welke gelegenheid hij, om zijn handen vrij te hebben, den blaker op zijn hoofd zette:—een tusschenspel, ’t welk ons altijd ongemeen vermaakte.En nu volgden, als de kaars weder op hare plaats was, de vertooningen van Jan Claeszen met zijne kindertjes, van de militaire evolutiën der soldaten, van den herder „met sijn soete liefe fogel, en de herderin met aar allerliefste liefe kouw,” van de gebroken brug met de eendjes, die in ’t water zwemmen, van Mijnheer Augustijn met zijn luchtballon, van Laurens zelf, die zijn tooverlantaarn vertoont, en misschien nog een paar, welke ik alle hier niet vermelden kan, doch die, wanneer eenmaal de biographie, waar de beroemde man recht op heeft, in ’t licht zal komen, niet zullen mogen ontbreken. Voor alsnu stelle men zich tevreden met de beschrijving der laatste voorstellingen:„Ier ebje die istori van Malbroek,—ier ebje Malbroek, die afscheid neem van sijn frou.—Adjés liefe frou! adjés liefe Malbroek, tjk, tjk, tjk! daar rije Malbroek wek.”Algemeen Koor.Malbrouck s’n va-t-en guerre,Mironton ton ton mirontaine,Malbrouck s’en va-t-en guerre.En guerre il est allé(ter).Il reviendra s-à Pàgues,Miron ton ton mirontaine.Il reviendra-s-à PàquesOu à la Trinité(ter).La Trinité se passe,Miron ton ton mirontaine.La Trinité se passe,Malbrouck ne revient pas(ter).Madame à sa tour monte,Miron ton ton mirontaine.Madame à sa tour monte,Si haut qu’el’ peut monter(ter).„Ier ebje Mefrouw Malbroek op ’aar toor.”Elle aperçoit son page,Miron ton ton mirontaine.Elle aperçoit son pageTout de noir-s-habillé.O page, mon beau page.Miron ton ton mirontaine.O page, mon beau page,,Quel nouvels’s-apportez?(ter).„Mefrou! Malbroek is dood—met zijn kleine schorseneeltje.”Dit „kleine schorseneeltje” had betrekking op den Page, die een staartje in den nek droeg, niet ongelijk aan dat van Laurens zelf.Je l’ai vu porter-s-en terre,Mironton ton ton mirontaine.Je l’ai vu porter-s-en terrePar quatre-s-officiers(ter).„De eerste draak sijn rok, de tweede sijn broek, de derde sijn waap’, de vierde draak niemendal, ’y was te lui om wat te draak.—En ier ebje nou Malbroek sijn kraf. Zie nou of jij lees kan, wat daarop keskreef staat.”En hier begonnen wij allen, zelfs zij, die lezen konden, hardop het grafschrift te spellen:H. i. e. r. hier l. i. g. t. ligt M. a. l. mal b. r. o. e. k. broek, Malbroek.Hier ligt Malbroek.„Ier ebje nou Loutjes moeder. Loutjes moeder ’ad soo een eele mooie neus; maar Eeren en Daam, sij was bank als sij uitga, dat aar neus nat word. Daar eb sij bij haar selve bedak, dat Laurens ook paraplui verkoop; want Eeren en Daam, Laurens vertoon niet alleen tooverlantaar, Laurens verkoop ook parapluie, maak nieuwe paraplui, raccomodeer paraplui, verruil ouwe paraplui, verzoek wel vriendelijk om de kunst en recommandatie.... daarom eef zij Laurens verzok van als sij uitga te gaan zitten op haar neus met sijn paraplui, dat aar neus niet nat wor.—Ier ebje nou Loutje op moeders neus.”Op deze aanbeveling, met zooveel kieschheid en dus ongezocht te pas gebracht, volgde de voorstelling van een oom van Laurens, die een schoorsteen in zijn neus had en van een anderen heer, uit wiens neus kleine neusjes voortkwamen.„Mijn grootvader ad een eele mooie buik. Maar nou ’ad ie sooveel aardappele met spek kekeet, dattie sijn buik niet kon draak over Straat.—Soo ’et ie in drie nakte geprakkiseerd, ie sou late maak een kruiwaak en daarop sijn buik foortkrui. Ier ebje nou mijn krootfader, die sijn buik foortkruit over straat.„Ier ebje de bakker, die de bolle blaas, toe, toe, toe, daar ’aalde bakker de warme bol uit de oof,—daar kom de broodweker en ’t brood week onkelukkik een beetje te likt: daar kom de diender en pak de bakker mee—daar kom de dufel en wil ’m ook meê pak.—Mijn mottie wees, neen mijn mottie wees.—Jij sel ’m niet eb.—Ik sal ’m eb.—Daar ’eet de dufel ’m in sijn mand kepak en loop met ’m wek: en ’eef een zak kulde ook meê kenoom—daar loop ’m de pakkerin achterna en pak de dufel bij de staart.—Ier leelijke moriaan, ik moet mijn man weêrom ’eb.—Ok pakkerin laat los:—neen ik laat je niet los foor ik mijn man weêrom eb.—Ok liefe papekaaisneus laat los, je sel je man weerom eb.—Neen, leelijke swartsmoel, ik mot mijn kelt weêrom eb ook.—Ok pakkerin laat los, je selt je kelt weêrom eb.—Daar ruk hij zich los en laat de pakkerin staan met sijn staart in ’aar ’and.—En as nou die Eeren en Daam te freede sijn, versoeke wel friendelijk de kunst en recommandatie.”Met dit aandoenlijke en leerzame drama werd altijd de vertooning besloten.Ruim vijftig jaren zijn verloopen, sedert ik die ’t laatst bijwoonde, en nog staat zij mij niet alleen even levendig voor den geest als toen; maar gaarne zou ik er eene representatie van Rachel of een concert van Jenny Lindt voor verzuimen, om die nogmaals te zien—mits door Laurens zelven gegeven.En vrij wat meer gaf ik, indien ik die zien kon in dezelfde kinderlijke gemoedsstemming van die dagen.Ik heb sedert meermalen kinderpartijen bijgewoond. Ik heb de opvolgers van La Haye, Beekman en Laurens hunne pogingen zien aanwenden, om de kinderen te vermaken en tevens „zoet te houden.” Geen hunner slaagde; geen hunner had er trant van. Een staaltje ten bewijze. Ik hoorde een vertooner van marionetten, na zich met aangenomen deftigheid midden in de kamer gesteld te hebben, tegen eenige baldadige knapen zeggen:„Jonge Heeren! bedenkt, wie gij zijt, en waar gij zijt!”„Niet op school,” riepen de jongens, en werden woeliger tegen de vermaning in.In zekeren opzichte hadden zij gelijk. Zij waren niet op school, zij waren uit voor hun plezier, en in dat geval zijn kinderen van oordeel, dat bestraffingen niet tot het programma behooren.—Maar de kunst is, te zorgen, dat zij niet in de gelegenheid komen eene bestraffing te verdienen; de kunst bestaat alleen daarin, dat men met hen spele en hen voortdurend bezig houde: en die kunst verstond Laurens vooral in hooge mate.’t Is echter mogelijk, dat de „lieve jeugd” ook veranderd is sedert mijn tijd, en dat zij, wat ons eenkinderlijkvermaak schonk, thanskinderachtigvinden zou.’t Is mogelijk, herhaal ik,—ofschoon ik het niet geloof. De „lieve jeugd” is, wat men van haar maakt: en indien onze ouders, toen wij klein waren, de ronzebons, de Chineesche schimmen en de tooverlantaarnlafhadden genoemd, dan hadden wij er waarschijnlijk ook onze neusjes voor opgetrokken.Gelukkig waren onze ouders daar nog niet verlicht genoeg toe en konden zij nog met den goeden La Fontaine zeggen:Si peau d’âne m’étoit conté,J’y prendrois un plaisir extrême.

Ik heb in het vorige hoofdstuk, hoezeer dan maar in ’t voorbijgaan, den naam van La Haye genoemd, en bij het herdenken aan al wat Amsterdam verloren heeft, zonder het weder vergoed te zien, is het mij eene behoefte, ook bij dezen beroemden man eene wijle stil te staan en zijne gedachtenis te verbinden aan die van twee andere illustratiën, wier taak en wier lust het evenzeer was, werkzaam te zijn tot nut en vermaak hunner jeugdige stadgenooten, en wier namen ik mij niet voor den geest kan brengen, zonder dat bij mij een zoet en aandoenlijk gevoel van dankbaarheid oprijst voor de genoegelijke uren, die zij mij verschaft hebben, uren, hoedanige geen latere leeftijd mij heeft teruggegeven:—Beekman en Laurens. Met La Haye vormen zij het schoonst en liefelijkst klaverblad, dat wellicht eens gebloeid heeft: een driemanschap, meer waardig bezongen te worden, dan dat andere driemanschap, eens te Rome door heerschzuchtige tirannen gevormd. Het was door moord, door plundering, door brandstichting, door al de gruwelen van den burgerkrijg, dat zich dit laatste berucht maakte: het waren dans en feestvreugde en gejubel, waar onze Amsterdamsche Driemannen hunnen naam door vestigden. Het Romeinsche Driemanschap omschanste zich met krijgsvolk en bundelbijlen: het onze voerde de Muzen, de Lachjes en Gratiën in zijn stoet. Klaroengeschal en wapenklank kondigden Octavius, M. Antonius en Lepidus aan: viool en lier vermeldden de verschijning van La Haye, Beekman en Laurens.—Toen ik hen kende, ging ik ter Fransche schole en wanneer ik ’s avonds werd gehaald en naar den sterrenhemel zag, vestigde ik doorgaans mijne bijzondere aandacht op den Orion, vooral op de drie hoofdsterren van zijn gordel: en dan kwam het mij meermalen in den zin, dat, evenals de beroemde helden der oudheid, na hun dood een bepaald gesternte ter woon en onder hunne bescherming verkregen, de doorluchte Drie, die mijnen kameraden en mij zooveel genoegen verschaften, in dien gordel een hunner waardige plaats zouden kunnen bekleeden.

Of zij naar dien gordel verhuisd zijn, weet ik niet: wel, dat zij eene plaats verdienen in de galerij van beroemde Nederlanders, door den Boekhandelaar Coster geopend, en thans overgenomen en vervolgddoor mijn geachten vriend, den Boekhandelaar Van Kampen. En, ten gerieve van hun toekomstigen levensbeschrijver, laat ik hier eenige bijzonderheden, hen aangaande, volgen, waaruit overvloedig zal kunnen blijken, dat de lof, hun door mij gegeven, in geenendeele overdreven is.

Wat, in de eerste plaats, La Haye betreft, ik ken zijne geboorteplaats niet en ik geloof evenmin, dat, gelijk dit plaats had ten opzichte van Homerus, zeven steden om dien eeretitel zullen kampen. Niet, dat hij dien wedstrijd onwaardig zou zijn; maar ik twijfel er aan of hij het eerste licht in eene stad aanschouwd heeft. Ik durf de gissing wagen, dat hij een regimentskind was, en dat hem zijne moeder in ’t veld, achter eenehaagter wereld bracht, op welke bijzonderheid hij bij het kiezen van een naam zal gezinspeeld hebben. Wat zijn uiterlijk betrof, hij was kort en mager, had gekruld zwart haar, eene kale plek op de kruin en levendige grijze oogen. Zijn gezicht was kleurig—wat lasteraars aan het gebruik van brandewijn toeschreven; ofschoon mij uit geloofwaardige berichten gebleken is, dat hij de voorkeur gaf aan Schiedammer vocht,—en een weinig pokdalig. Zijne kleeding was thuis een belapt buis, en op partijen eene grijs blauwe frak met hoogen kraag en tinnen knoopen, eene hooge witte das, breed als een tafellaken, en voorzien met een monsterstrik, een rood vest met blauwe bloemen en gele strepen, eene nankingsche korte broek, grijs- en witgestreepte kousen en schoenen met linten—als overeenkomstig met de mode uit den tijd van hetDirectoire.—Natuurlijk trok hij zijn rok uit, als hij zich binnen zijn theater bevond.

Wat zijne sujetten betrof, hoezeer hunne voornaamste bezigheid bestond in elkander af te ranselen, zoo moet ik hun ter eere zeggen, dat zij, buiten het tooneel zijnde, hun Directeur nimmer eenigen last veroorzaakten: zij keven niet onderling, noch toonden eenigen nijd of jaloezie, maar slingerden naast elkander in de beste harmonie; gingen zich verder niet te buiten aan sterken drank en dreigden nimmer zich, indien men hun appointement niet verhoogde, aan een ander theater te engageeren. In één woord, zij vormden een volkomen tegenbeeld van alle mogelijke andere verledene en toekomstige tooneelgezelschappen. Van de tegenwoordige wil ik, om goede redenen, niet spreken.

Hetrépertoirevan La Haye bood weinig verscheidenheid aan. Behalve de gewone huislijke oneenigheden tusschen Jan Claeszen en zijne wederhelft, daaruit voornamelijk ontstaande, dat hij, volgens haar beweren, naar anisette, en zij naar klare jenevermet suikerrook, en de minnarijen van den schoonen Lujander met de bekoorlijke wederhelft van den Ouden Heer, een lief schepseltje van „zeuventien d’half jaren en zeuven maanden”, hadden wij altijd de vermakelijke vertooning van Jan Claeszen, die in zijn slaap gestoord wordt door de kapelletjes, die zich op zijn neus zetten, en welke hij, wakker geworden zijnde, onder ’t geroep van „witje, witje! hoog, hoog! witje, witje! laag, laag!” vervolgde, zonder ze ooit te kunnen krijgen. Doch descène, die ons de meeste pret verschafte,was die, waarin Jan Claeszen, in de bakkerij geslopen, den oven bestal, en zijn roof—onder zijne handen in ulevelletjes en chocolaadjes herschapen—met volle armen over ons uitstrooide. Dan kwam de bakker, met zijne gebloemde japon en de slaapmuts op ’t hoofd, vond zijn oven ledig, en zocht den dief, die altijd achter het linksche gordijntje wegschool, wanneer de bakker achter het rechtsche keek en omgekeerd. Dan riepen wij den bakker toe, waar hij zoeken moest; doch de man kwam gedurig te laat; totdat Jan Claeszen, meer en meer vermetel, zich verstoutte hem op allerlei wijze te foppen, door hem achterna te volgen, bij de muts, bij het staartje in zijn nek te trekken, dit laatste in brand te steken, enz. en zich dan spoedig weer weg te maken. Eindelijk kreeg de bakker hem: zij raakten handgemeen en het slot was, dat, tot ons groot vermaak, de bestolene in zijn oven verbrand word. Ik weet niet, hoe ’t mijnen speelmakkers gegaan is, noch of zij later, bij het zien van een honderdtal melodrama’s, waarin altijd de deugd triomfeerde en de misdaad gestraft werd, bij de ontknooping even koel zijn gebleven als ik doorgaans was; maar dit weet ik, dat, bij die van het drama in de ronzebons, wij allen de zegepraal der misdaad, die dansende en zingende wegtrok, met schaterend gejuich en handgeklap aanschouwden.—’t Is waar; de ulevellen en chocolaadjes hadden ons tot medeplichtigen gemaakt.

De eenige afwisseling, welke ik mij herinner, dat de voorstellingen van La Haye opleverden, was deze, dat hij als tusschenspel—intermède choregraphiquezou men het thans noemen—twee mooren, nu eens met bekkens, en eene andere reis met waskaarsen, liet dansen. Tot schande voor mijn goeden smaak moet ik zeggen, dat mij die dans altijd verveelde. Reeds toen—en het is mij later bijgebleven—moest ik de menschelijke stem hooren of eene dramatische actie zien; maar al wat bloot vertooning was en wat lang duurde, heeft mij nimmer kunnen behagen: en ik herinner mij, bij den dans van Taglioni gegaapt te hebben en in den dut te zijn gevallen bij het fraaiste carrouselrijden in ’t paardenspel; terwijl ik, wat balletten betreft, nog altijd het meeste vermaak schep in eene Harlekinade.

Verder geloove men niet, dat een uit het publiek, ’t welk de vertooningen van La Haye bijwoonde, naar de opvoering van iets nieuws verlangde. Neen, met hetzelfde genot, waarmede thans een dilettant voor de honderdste maal de Norma, de Barbier of de Freischutz ziet opvoeren, naarmate hij een voorstander is van Bellini, Rossini of Weber, zagen wij telkenreize het tooneel, waarin Jan Claeszen zich doof houdt tegenover den huisheer, en Katrijn dezen met stokslagen betaalt; en dat andere, waarin de acteurs een voor een in de kist worden gestopt, met hernieuwd vermaak terug: ja wij waren geheel niet tevreden, indien er in het gewoon programma eenige verandering plaats had.

Over de verdiensten van La Haye als directeur van den dans, zal ik kort zijn: zij waren ongetwijfeld vele; doch ik was toen nog te weinig ingewijd in de geheimenissen der Choregraphie om zenaar waarde te schatten: dit alleen geloof ik te kunnen aannemen, dat zij niet gelijk stonden met zijne verdiensten als theater-directeur. Nu—het is niet iedereen gegeven in alle vakken uit te blinken, en hoezeerle devin de villageeene lieve operette zij, was Rousseau ongetwijfeld grooter als prozaschrijver dan als componist.

Nu een woord over Beekman. Deze was een Amsterdammerpur sangen sprak, dacht, liep en zag er ook uit als een Amsterdammer. Zijne donkerbruine kleeding, eenvoudig en net, en zijn hoofd, met eene bruine, rechthoekigenaturelversierd, alles duidde in hem den man aan zonder pretentie. Als violist en dansdirecteur stond hij wellicht op dezelfde hoogte als La Haye; doch gelijk deze door zijn ronzebons, was gene groot door zijne Chineesche schimmen, welke hij, met behulp van zijn zoon, een bleeken jongeling, met een grijs en blauw gestreept vest, vertoonde. De tooneelstukken, welke hij te voorschijn bracht, waren talrijk en classiek: althans vertrouw ik dat gij, mijn waarde lezer! voor zooverre gij in de literatuur van hetthéâtre des Séraphinsgeen vreemdeling zijt, ze alle kent. Hij gaf ons de voorstelling van het woud met de wilde dieren, den jager, die ze vervolgt, den struikroover, die den armen reiziger om hals brengt en berooft, maar later zelf door den levenden Nikker wordt weggevoerd: die van den buitensingel, met den visscher, die in zijn totebel talrijke stroombewoners vangt: die van de straat, in welke de wandelaars met parapluies uitgaan, waar de wind in vat, zoodat zij met hunne eigenaars de lucht ingaan: die van het hol, waar de toovenaar allerlei veelsoortige verschijningen oproept: die van het huis met de duiventil, waar twee stoute kinderen, ondanks alle verbod, zich op wagen, en die onder hunne zwaarte wegbreekt en met hen instort: die van de gebroken brug met de eendjes, enz. enz. Maar de drama’s, die ons ’t meest plachten te behagen, waren de twee volgende: het eene, dat, waarin twee huisbrekers bij nacht een huis leeg stelen en het vervolgens in brand steken; terwijl de oude podagrist met zijne huishoudster, die het bewonen, niet dan met moeite ontkomen;—het andere, dat van de kat, die den schapebout steelt; terwijl Mietje, die er op passen moest, met haar buurknaap is loopen spelen; hetgeen haar dan ook eene welverdiende kastijding van hare moeder bezorgt.

Habent sua fata libelli, zegt de Latijnsche dichter; wat zooveel zeggen wil: „’t loopt al raar met de reputatie van een werk”:—de waarheid dezer spreuk vinden wij opnieuw bevestigd door de merkwaardige omstandigheid, dat treffelijke tooneelstukken als de hierboven genoemde, reeds sedert een paar eeuwen in alle hoofdsteden niet alleen, maar zelfs in kleine dorpen, waar het slechts kermis was, eene welverdiende vermaardheid hebben bekomen, zonder dat iemand in staat zij den naam des genialen schrijvers te noemen, aan wien wij ze te danken hebben.—’t Is waar, dat, van een anderen kant er vele beroemde schrijvers gevonden worden, wier namen overal bekend zijn, doch wier voortbrengselen niemand leest.

De Chineesche schimmen werden bestendig achtervolgd door eenChineesch vuurwerk, dat zeer fraai was; doch dat mij, om eene hierboven reeds aangehaalde reden, veel minder vermaakte dan de vertooningen.

Groot waren La Haye en Beekman!—doch ze stonden in evenredigheid tot Laurens gelijk Le Brun en Cambaceres tot hun medeconsul Buonaparte. Zoo ik van de beide eerstgenoemde theaterdirecteurs de voornamen niet heb kunnen opsporen, ten opzichte van Laurens is het mij niet gelukt met zijn geslachtsnaam bekend te worden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij er ook geen bezeten en zal hij alleen bij dien zijns vaders zijn bekend geweest, gelijk Mozes, Cyrus, Socrates. Alexander de Groote, en—met wien ik hem in de eerste plaats had moeten vergelijken—Orpheus.—Met dezen toch had hij nog andere punten van overeenkomst. Orpheus bespeelde een antieke, Laurens eene moderne lier: Orpheus trok alle menschen en dieren, Laurens alle kinderen tot zich. Orpheus was het grootst, toen hij in het rijk der schimmen zulk een beweging maakte; Laurens behaalde ook daarmede zijn voornaamsten roem: ja zelfs overtrof hij Orpheus in dit opzicht; want de schimmen, welke hij in beweging bracht, had hij zelf doen ontstaan.

Evenmin als Vondel had Laurens te Amsterdam het eerste levenslicht aanschouwd; evenals gene was hij in een Bisdom geboren, Vondel in dat van Keulen, Laurens in dat van Luik. Evenals Vondel bracht Laurens zijne mannelijke levensjaren door te Amsterdam en verwierf er zijn roem. Eindelijk besteedde Laurens, evenals Vondel, den tijd, dien hij niet aan de schoone kunsten wijdde, met de uitoefening van een beroep: en had Vondel een kousenwinkel in de Warmoesstraat, Laurens had een parapluiewinkel in de Wijde Heisteeg—die, in ’t voorbijgaan gezegd, zoo nauw is, dat men haar maar van ééne zijde mag inrijden.

Nimmer is de verschijning van een Romeinschen veldheer, als hij zijne zegepraal te Rome vieren zou, nimmer die van een geliefd vorst in eene zijner goede steden, nimmer die van een lang verwachten keizerlijken erfgenaam in dit tranendal, nimmer die van een gemaskerde studentenstoet op een academiefeest met meer ongeduld te gemoet gezien en met hartelijker gejuich verwelkomd, dan die van Laurens op eene kinderpartij. „Daar is Laurens! daar is Laurens! goeden avond, Laurens!” riep dan uit éénen mond de jubelende schaar, die al huppelende om hem heendrong, tegen hem opsprong, en hem in de overmaat der vreugd schier belette verder voort te treden en zich te ontdoen van zijne dubbele vracht.

Ik zeg, zijne dubbele vracht; want, zonden La Haye en Beekman hun theater vooruit, Laurens—en hier blijkt wederom hoe ware grootheid steeds met nederigheid gepaard gaat—droeg het zijne op den rug; terwijl hij nog bovendien van voren met zijn lierekast was bezwaard.

Eindelijk was het niet, zonder moeite den grooten man gelukt de kist, waarin zijn tooverlantaren en de daarbij behoorende glazen besloten waren, neder te zetten en zich een weg te banen tot aan devrouw des huizes. Bevallig en deftig tevens was daarbij zijne houding, en in overeenstemming met zijn kostuum. Had La Haye in zijn voorkomen iets, dat aan den voormaligen Carmagnool herinnerde, was Beekman de type van den Amsterdamschen burgerman, zij, die Laurens zagen, en niet wisten, dat hij een Luikerwaal was, wilden er op zweren, dat hij tot deémigrésbehoorde. Zijne kleeding toch was, tot in de kleinste bijzonderheden,ancien régime. Het haar, met een weinig poeder bestrooid, wasen aîles de pigeongekapt en van achteren tot een staartje of zoogenaamd „schorseneeltje” vereenigd, dat, vastgebonden met een blauw zijden lint, in eeuwigdurende beweging was. Hij droeg hethabit français, lichtbruin, met breede opslagen en knoopen als drieguldens: tusschen een donkerkleurig vest met breede panden vertoonde zich het hagelwitte linnen, van een geplooiden jabot en manchetten voorzien: op de korte zwarte broek hing een breede stalen horlogeketting: en de bruine floretten kousen staken in lage schoenen met breede spinsbekken gespen. Dat hij bij dit alles, wanneer hij over straat ging, een grooten punthoed droeg en een stok met een zwaren knop, behoef ik nauwelijks te vermelden.

Maar dan zijn gelaat! Zeker had de uitdrukking daarvan iets, dat aan allen vertrouwen, en aan de kinderen bovendien hartelijke genegenheid inboezemde, met eerbied gepaard: tot bewijs van dit laatste behoef ik slechts aan te voeren, dat ik ook den ondeugendste onder hen zich nimmer heb zien verstouten in zijne tegenwoordigheid eenige onbetamelijkheid te bedrijven. ’t Is waar—mij is verteld dat eens een kleine bengel de ongehoorde vermetelheid zou hebben gehad, hem aan zijn staartje te trekken. Ik kan het feit niet gelooven;—doch zoo ’t werkelijk heeft plaats gehad, dan moet ik het er voor houden, dat de knaap, die ’t bedreef, zich vooraf was te buiten gegaan aan eenig glas wijn of punch, dat voor de groote menschen bestemd was:—of, indien zoodanige jeugdige booswicht zich werkelijk aan het feit heeft schuldig gemaakt, zonder iets anders gebruikt te hebben dan slappe thee of orgeade, dan verkondigt zulks bij den schuldige op zijnen leeftijd òf eene vroege verdorvenheid, òf een vroegen overmoed, en is hij op mannelijken leeftijd òf aan de galg òf aan een ministerie geraakt.

Dan ik wil mij in geene gissingen omtrent zulke droevige uitkomsten verdiepen, waardoor ik het genoegen zou bederven, ’t welk gij, lieve lezeres! ongetwijfeld smaken zult in het lezen, gelijk ik in het opstellen der beschrijving van een dier aangename avonden, zooals Laurens ze ons wist te schenken. Zie! de pret gaat beginnen. Laurens draait aan zijne lier:rijing, rijing, rijingerijingerijing, vat aan iedere hand een klein ventje of meisje, en een groote rondedans vangt aan. Na den eersten toer volbracht te hebben, staat hij stil, en allen met hem.

„Een been,” roept hij, steekt het zijne vooruit, en allen volgen zijn voorbeeld.

Na de tweede roept hij: „Een been, ander been!” en beide worden achtereenvolgens door hem en door de dansers uitgestoken. Nade derde ronde luidt het: „Een been, ander been, één knie!” en de geheele troep ligt als hij geknield. De „andere knie” komt er na den vierden toer bij: vervolgens op gelijke wijze „een hand—andere hand,” en eindelijk, bij de laatste ronde: „allemaal om,” bij welken uitroep allen, nu op vier voeten voorover liggende, het hoofd buigen en met den neus op het tapijt liggen, niet anders dan of zij ter audientie waren bij den Keizer van Japan.

Na die ronde, een „patertje”, de liefste dans, die ooit is uitgevonden—zeker de oudste en meest nationale bij ons: een dans, die de zoetste herinneringen achterlaat.—Ik ken jongelieden, die in polka en mazurka schitteren, en die toch verre van afkeerig zijn van een patertje, wanneer het eens—zoo geheel onder ons—wordt voorgesteld. Ik ken evenzeer jonge dames, die een afschuw hebben van den Baal-Peors-dienst en daarom ook van geenbalwillen weten—welk laatste woord in hare meening van het eerstgenoemde afstamt;—maar die toch zich altijd met genoegen laten vinden om—altijd zoo geheel onder ons—een patertje mee te doen.

Na het patertje, een marsch:—een plechtige, statige marsch, Laurens voorop, al de kinderen achter hem, elkander bij de slippen der jurk of bij de punt van het buisje vasthoudende: de grooten voorop, de kleinsten achteraan. O! die zoo gelukkig was, den grooten Laurens zelven bij de rokspanden te mogen vasthouden. Haal u voor den geest den persoon, die u ’t meest benijdenswaardig voorkomt: den gast, die eene eereplaats bekomt aan ’s Konings disch, den danser, die uitgenoodigd wordt om met eene Prinses van den bloede den cotillon te dansen: de min, die een Keizerlijk kind mag zogen, den adjudant, die de geboorte van het gezegde kind gaat boodschappen, de prima donna, die hare mededingster hoort uitfluiten—o! het gevoel van eigenwaarde en zelfvoldoening, dat die allen bezielt, kan niet opwegen tegen dat, ’t welk de borst doorstroomde van den gelukkige, wien ’t onschatbaar voorrecht ten deel viel de rokspanden van Laurens te mogen vasthouden bij ’t „hansje sjokken” spelen.

En als dan de deftige marsch lang genoeg geduurd had, gaf doorgaans Laurens het sein tot het eindigen met deze woorden, op Mefistofelistischen toon uitgesproken:

„Nou motte ikke al de meisie soene.”

„Nou motte ikke al de meisie soene.”

Dan was het een gegil en een gelach en een gegiegauw en geginnegap van al die vijf- tot zevenjarige Dafnees en Atalantes, die de vlucht namen—en de rij was verbroken.

Natuurlijk was deze bedreiging van den eerzamen Laurens niets dan scherts, en dit wisten de nufjes ook zeer goed; want bijna allen hadden die bij vorige gelegenheden meer gehoord: doch zij wisten tevens, dat het tot hare rol behoorde, bij die gelegenheid op de vlucht te gaan, alsof zij wonderwat te vreezen hadden.

Dan stil: het tafellaken wordt tegen den wand gespeld: de tooverlantaarndaar recht tegenover op een tafel gezet en het publiek zet zich neder:—de grooteren op stoelen aan weerszijden in een halven kring: de kleintjes daartusschen in, op stoven: hier en daar eene gouvernante of kindermeisje nevens het voorwerp harer zorg.

Laurens steekt het licht aan in zijne tooverlantaarn: geen gas, geen lamp, geen waskaars zelfs, waarde lezer!—eene loutere vetkaars;—maar ook de vetkaars heeft hare rol in de vertooning.

En nu worden de overige kaarsen uitgesnoten of weggezet (lampen waren toen nog niet in gebruik) en wij zitten in ’t stikdonker, de enkele stralen niet medegerekend, die uit de reten en gaatjes der lantaarn ontsnappen.

En nu vangt, op de wijze der antieken, Laurens met een prologus of voorafspraak aan:

„Eeren en Daam! wat wit is is niet swart;—en wat swart is is niet wit. Sie je nix, ik ook nix, hé, hé, hé, Juffrouw! Nou sel je kommen te sien die mooi tooferlantaar, fraai kurieus o so mooi! en as ik spreek mot jylui swyk en as ik sink mot jylui mee sink...” En werkelijk, zoolang hij sprak, was er—op twee of drie uitzonderingen na, waarvan nader—eene stilte, dat men eene speld kon hooren vallen.—Sommigen hebben dit verschijnsel psychologisch willen verklaren en die stilte toegeschreven aan de duisternis, welke in ’t vertrek heerschte. De zoodanigen meenen zich tot staving van hunne meening te kunnen beroepen op ’t geen plaats heeft, wanneer men met den spoortrein plotseling in eene tunnel komt, en het levendigste gesprek terstond gestaakt wordt. Ik heb zelf dit laatste meermalen ondervonden; doch altijd iets geschoven op de omstandigheid, dat het gedruisch van den trein in eene tunnel vertienvoudigd wordt en alzoo belet, dat de een den ander versta. Wat daarvan zij, zeker is het, dat wij bij de vertooning van Laurens zwegen, niet omdat het duister was, maar uit eerbied voor den man: en ik behoef hier geen ander bewijs voor, dan het feit, dat wij allen trouw meezongen, zoodra hij zijne stem verhief.

De inleidende aanspraak is geëindigd. Laurens draait het dekstuk van den lichtkoker af en daar tegenover verschijnt op het witte linnen de ronde, verlichte schijf, die het tooneel is, waarop zijne gekleurde schimmen zich zullen bewegen.

En nu volgen de vertooningen, door hem telkenreize beschreven in de hierna volgende bewoordingen, waar ik jota noch tittel af of bijdoe:

„Ter ebje nou Mijneer de Son, met zijn kleine neus, zijn kleine mond,sa beauté, sa magnificence. Sieje niet oe ’y zijn ook beweek.—En ier ebje Mefrou de Maan, met aar kleine neus, aar kleine mond.—Ier ebje Adam en Efa in ’t Paradijs, naakt en bloot, met zijn b.... bloot.—Ier ebje de slank, die keef de appel aan Efa. Daar neem Efa die appel van de slank: daar keef zij die appel aan Adam. Adam, Adam! pas op, datje strak niet op je bloote b.... krijk—Daar hebje den engel, die jaak Adam en Efa et Paradijs uit. Heruit, je motter uit, je selt er uit, je motter uit. Rtt! se sijn er uit, en Louwtje is er ook uit.”

Men bemerkt uit deze laatste woorden, dat Laurens zuiver in de leer was.

„Ier selje nau kom te sien die alkemeene sontvloet. Daar ebje die arke Noë: Daar ebje die beeste, die kaan in de ark twee an twee. Daar ebje twee kanse, twee an twee, daar ebje twee eend: daar ebje ram en skaap: daar ebje twee farke, twee an twee: daar ebje os en koei: mijn kroote kameraten, twee olikante—ik verspreke mij—twee olifante.”—N.B. deze verspreking, waarop wij altijd voorbereid waren, veroorzaakte telkenreize dezelfde vroolijkheid.—„Daar ebje Noë en sijn famielje, die drijven die beeste na die ark. Daar ebje die alkemeen sontvloet! daar ebje moeder met kindj’—en kindj’ met moeder!—Kijk die kwaai jonk, die leit niet sijn bloote b.... in ’t water.—Herr-Rtt! weer op een andere kane bier! Hê, hê, hê, Juffrouw!”

„Ier ebje nou die kroote Turk, die sal een klas wijn drink op die kesontheid van die eer en die daam.Messieurs et Mesdames, j’ai l’honneur de boire à votre santé.Nok eens!—nok eens!—nok eens!—ier ebje die oude frou, die die appele verkoop.—Ok froutje lief! een appeltjeassebies.”

Hier had regelmatig eene interruptie plaats en riepen wij: „Asje blieftmoet je zeggen.” Doch Laurens stoorde zich aan onze terechtwijzing zoo weinig als een Minister van 1855 aan een discours van de „kleine partij” in de Kamer, en bleef’ al doorpraten:

„Ok froutje lief’ een appeltjeassebies!—Ier ebje die dans van die erder en erderin:

El e lou maîreE que me marida!Quand sera grandeQuand te fera dansaTiri la.El e lou maîreQuand te fera dansa, etc.”

El e lou maîre

E que me marida!

Quand sera grande

Quand te fera dansa

Tiri la.

El e lou maîre

Quand te fera dansa, etc.”

Dit lied nu zongen wijnietmede, omdat wij geen Luikerwaalsch verstonden.

„Ier ebje de geskiedenis van die ferlore soon. Ier ebje die ferlore soon. Ier ebje de ferlore soon, die sijn keld fraak en op reis kaat. Adjés liefe Papa!—adjés liefe soon! pas tok’ op datje niet bij de mooie meisie kom.—Ik ben er een kroot liefhebber van, papa!—Tjk, tjk, tjk! daar rijdt ie wek.—Rt! daar issie bij de mooie meisie.—Daar ebje de een, die skenk um een glas wijn in; terwijl karesseer die ander sijn beurs met kelt wek—daar jaak zij um de deur uit, naak en bloot: herruit, je selt er uit, je mot er uit!—daar sit ’y bij de fark, soo bedroef, ja nok slimmer dan Pietje Bedroef, en denk: ak! was ik maar bij mijn koeie ouwe fader kebleef; daar ad ik alle daak vol op.—Daar komt ’y bij sijn fader en fal op sijn knie. Ak liefe papaatj’ ik sel ’t nooit weêr doen.—Ja soo sek die kwaai jonk, als sy kwaad kedaan eb.—Daar kom die koeie ouwe fader en fal om sijn ’als: Pw, pw, pw! (dit drukt het geluid van kussen uit).—Daar ebje die snijer die bestel is om een nieuw rok te maken: daar ebje die slakter, die ’t vette kalf slak om eene koeie maaltijd te maak.... Hrtt! weêr op een andere kanebier.”

„En nou sel je sien, ’oe Loutje sijn kaars snuit.”

Bij deze woorden nam Laurens den lichtblaker uit de lantaarn, snoot zijne kaars en draaide zijne lichtbuis, die verschoven was, weder goed; bij welke gelegenheid hij, om zijn handen vrij te hebben, den blaker op zijn hoofd zette:—een tusschenspel, ’t welk ons altijd ongemeen vermaakte.

En nu volgden, als de kaars weder op hare plaats was, de vertooningen van Jan Claeszen met zijne kindertjes, van de militaire evolutiën der soldaten, van den herder „met sijn soete liefe fogel, en de herderin met aar allerliefste liefe kouw,” van de gebroken brug met de eendjes, die in ’t water zwemmen, van Mijnheer Augustijn met zijn luchtballon, van Laurens zelf, die zijn tooverlantaarn vertoont, en misschien nog een paar, welke ik alle hier niet vermelden kan, doch die, wanneer eenmaal de biographie, waar de beroemde man recht op heeft, in ’t licht zal komen, niet zullen mogen ontbreken. Voor alsnu stelle men zich tevreden met de beschrijving der laatste voorstellingen:

„Ier ebje die istori van Malbroek,—ier ebje Malbroek, die afscheid neem van sijn frou.—Adjés liefe frou! adjés liefe Malbroek, tjk, tjk, tjk! daar rije Malbroek wek.”

Algemeen Koor.Malbrouck s’n va-t-en guerre,Mironton ton ton mirontaine,Malbrouck s’en va-t-en guerre.En guerre il est allé(ter).Il reviendra s-à Pàgues,Miron ton ton mirontaine.Il reviendra-s-à PàquesOu à la Trinité(ter).La Trinité se passe,Miron ton ton mirontaine.La Trinité se passe,Malbrouck ne revient pas(ter).Madame à sa tour monte,Miron ton ton mirontaine.Madame à sa tour monte,Si haut qu’el’ peut monter(ter).

Malbrouck s’n va-t-en guerre,Mironton ton ton mirontaine,Malbrouck s’en va-t-en guerre.En guerre il est allé(ter).

Malbrouck s’n va-t-en guerre,

Mironton ton ton mirontaine,

Malbrouck s’en va-t-en guerre.

En guerre il est allé(ter).

Il reviendra s-à Pàgues,Miron ton ton mirontaine.Il reviendra-s-à PàquesOu à la Trinité(ter).

Il reviendra s-à Pàgues,

Miron ton ton mirontaine.

Il reviendra-s-à Pàques

Ou à la Trinité(ter).

La Trinité se passe,Miron ton ton mirontaine.La Trinité se passe,Malbrouck ne revient pas(ter).

La Trinité se passe,

Miron ton ton mirontaine.

La Trinité se passe,

Malbrouck ne revient pas(ter).

Madame à sa tour monte,Miron ton ton mirontaine.Madame à sa tour monte,Si haut qu’el’ peut monter(ter).

Madame à sa tour monte,

Miron ton ton mirontaine.

Madame à sa tour monte,

Si haut qu’el’ peut monter(ter).

„Ier ebje Mefrouw Malbroek op ’aar toor.”

Elle aperçoit son page,Miron ton ton mirontaine.Elle aperçoit son pageTout de noir-s-habillé.O page, mon beau page.Miron ton ton mirontaine.O page, mon beau page,,Quel nouvels’s-apportez?(ter).

Elle aperçoit son page,Miron ton ton mirontaine.Elle aperçoit son pageTout de noir-s-habillé.

Elle aperçoit son page,

Miron ton ton mirontaine.

Elle aperçoit son page

Tout de noir-s-habillé.

O page, mon beau page.Miron ton ton mirontaine.O page, mon beau page,,Quel nouvels’s-apportez?(ter).

O page, mon beau page.

Miron ton ton mirontaine.

O page, mon beau page,,

Quel nouvels’s-apportez?(ter).

„Mefrou! Malbroek is dood—met zijn kleine schorseneeltje.”

Dit „kleine schorseneeltje” had betrekking op den Page, die een staartje in den nek droeg, niet ongelijk aan dat van Laurens zelf.

Je l’ai vu porter-s-en terre,Mironton ton ton mirontaine.Je l’ai vu porter-s-en terrePar quatre-s-officiers(ter).

Je l’ai vu porter-s-en terre,

Mironton ton ton mirontaine.

Je l’ai vu porter-s-en terre

Par quatre-s-officiers(ter).

„De eerste draak sijn rok, de tweede sijn broek, de derde sijn waap’, de vierde draak niemendal, ’y was te lui om wat te draak.—En ier ebje nou Malbroek sijn kraf. Zie nou of jij lees kan, wat daarop keskreef staat.”

En hier begonnen wij allen, zelfs zij, die lezen konden, hardop het grafschrift te spellen:

H. i. e. r. hier l. i. g. t. ligt M. a. l. mal b. r. o. e. k. broek, Malbroek.Hier ligt Malbroek.

„Ier ebje nou Loutjes moeder. Loutjes moeder ’ad soo een eele mooie neus; maar Eeren en Daam, sij was bank als sij uitga, dat aar neus nat word. Daar eb sij bij haar selve bedak, dat Laurens ook paraplui verkoop; want Eeren en Daam, Laurens vertoon niet alleen tooverlantaar, Laurens verkoop ook parapluie, maak nieuwe paraplui, raccomodeer paraplui, verruil ouwe paraplui, verzoek wel vriendelijk om de kunst en recommandatie.... daarom eef zij Laurens verzok van als sij uitga te gaan zitten op haar neus met sijn paraplui, dat aar neus niet nat wor.—Ier ebje nou Loutje op moeders neus.”

Op deze aanbeveling, met zooveel kieschheid en dus ongezocht te pas gebracht, volgde de voorstelling van een oom van Laurens, die een schoorsteen in zijn neus had en van een anderen heer, uit wiens neus kleine neusjes voortkwamen.

„Mijn grootvader ad een eele mooie buik. Maar nou ’ad ie sooveel aardappele met spek kekeet, dattie sijn buik niet kon draak over Straat.—Soo ’et ie in drie nakte geprakkiseerd, ie sou late maak een kruiwaak en daarop sijn buik foortkrui. Ier ebje nou mijn krootfader, die sijn buik foortkruit over straat.

„Ier ebje de bakker, die de bolle blaas, toe, toe, toe, daar ’aalde bakker de warme bol uit de oof,—daar kom de broodweker en ’t brood week onkelukkik een beetje te likt: daar kom de diender en pak de bakker mee—daar kom de dufel en wil ’m ook meê pak.—Mijn mottie wees, neen mijn mottie wees.—Jij sel ’m niet eb.—Ik sal ’m eb.—Daar ’eet de dufel ’m in sijn mand kepak en loop met ’m wek: en ’eef een zak kulde ook meê kenoom—daar loop ’m de pakkerin achterna en pak de dufel bij de staart.—Ier leelijke moriaan, ik moet mijn man weêrom ’eb.—Ok pakkerin laat los:—neen ik laat je niet los foor ik mijn man weêrom eb.—Ok liefe papekaaisneus laat los, je sel je man weerom eb.—Neen, leelijke swartsmoel, ik mot mijn kelt weêrom eb ook.—Ok pakkerin laat los, je selt je kelt weêrom eb.—Daar ruk hij zich los en laat de pakkerin staan met sijn staart in ’aar ’and.—En as nou die Eeren en Daam te freede sijn, versoeke wel friendelijk de kunst en recommandatie.”

Met dit aandoenlijke en leerzame drama werd altijd de vertooning besloten.

Ruim vijftig jaren zijn verloopen, sedert ik die ’t laatst bijwoonde, en nog staat zij mij niet alleen even levendig voor den geest als toen; maar gaarne zou ik er eene representatie van Rachel of een concert van Jenny Lindt voor verzuimen, om die nogmaals te zien—mits door Laurens zelven gegeven.

En vrij wat meer gaf ik, indien ik die zien kon in dezelfde kinderlijke gemoedsstemming van die dagen.

Ik heb sedert meermalen kinderpartijen bijgewoond. Ik heb de opvolgers van La Haye, Beekman en Laurens hunne pogingen zien aanwenden, om de kinderen te vermaken en tevens „zoet te houden.” Geen hunner slaagde; geen hunner had er trant van. Een staaltje ten bewijze. Ik hoorde een vertooner van marionetten, na zich met aangenomen deftigheid midden in de kamer gesteld te hebben, tegen eenige baldadige knapen zeggen:

„Jonge Heeren! bedenkt, wie gij zijt, en waar gij zijt!”

„Niet op school,” riepen de jongens, en werden woeliger tegen de vermaning in.

In zekeren opzichte hadden zij gelijk. Zij waren niet op school, zij waren uit voor hun plezier, en in dat geval zijn kinderen van oordeel, dat bestraffingen niet tot het programma behooren.—Maar de kunst is, te zorgen, dat zij niet in de gelegenheid komen eene bestraffing te verdienen; de kunst bestaat alleen daarin, dat men met hen spele en hen voortdurend bezig houde: en die kunst verstond Laurens vooral in hooge mate.

’t Is echter mogelijk, dat de „lieve jeugd” ook veranderd is sedert mijn tijd, en dat zij, wat ons eenkinderlijkvermaak schonk, thanskinderachtigvinden zou.

’t Is mogelijk, herhaal ik,—ofschoon ik het niet geloof. De „lieve jeugd” is, wat men van haar maakt: en indien onze ouders, toen wij klein waren, de ronzebons, de Chineesche schimmen en de tooverlantaarnlafhadden genoemd, dan hadden wij er waarschijnlijk ook onze neusjes voor opgetrokken.

Gelukkig waren onze ouders daar nog niet verlicht genoeg toe en konden zij nog met den goeden La Fontaine zeggen:

Si peau d’âne m’étoit conté,J’y prendrois un plaisir extrême.

Si peau d’âne m’étoit conté,

J’y prendrois un plaisir extrême.


Back to IndexNext