DE KLEINE HOUTSNIJDER.Fani was een droomer, die altijd aan andere dingen dacht dan aan zijn werk, een treuzel, en—een bangerd. Wil je ’t wel gelooven, dat hij ’s avonds niet onder de dennen achter hun huisje durfde te loopen, omdat ’t dan zoo vreemd ruischte en zuchtte, hoog in de slanke toppen? Dat deed de wind natuurlijk en dit wist Fani ook wel en toch—was hij bang.Moeder zei, dat het van de sprookjes kwam. Je moet weten, dat zijn Vader eens een sprookjesboek voor hem uit de stad had meegebracht en sedert hij dat had gelezen droomde Fani meer dan ooit, ook op klaarlichten dag als hij goed wakker was.Hij dacht aan niets anders dan aan dwergjes, toovenaars en feeën en wat het malste was, hij was er vast van overtuigd, dat hij ze nog eens zou zien ook, in ’t bosch of in de bergen. Alles wat in de sprookjes stond, was echt waar voor hem.Toen hij dit eens aan Toni, den geitenhoeder, vertelde, lachte die hem hartelijk uit, en zei, dat hij van zijn leven nog geen dwergjes had gezien en als ze er waren, moesten ze toch zeker daarboven in de rotsen huizen, waar hij zoo vaak met zijn geiten was.Aan Toni, den geitenhoeder, vertelde.Aan Toni, den geitenhoeder, vertelde.Na dien tijd sprak Fani er maar nooit meer met hem over en met Moeder niet en met niemand, want hij wou niet uitgelachen worden, maar ’t sprookjesboek stopte hij weg op ’t zoldertje, waar hij sliep, in de kist onder zijn Zondagsche kleeren, en ’s morgens vroeg, voordat Peter en Franzli, zijn kleine broertjes, wakker waren, las hij er in.Al was Fani de oudste, toch had Moeder weinig aan hem bij haar werk, en ze kon toch zoo best wat hulp gebruiken als ze zoo dagen achtereen met de kinderen alleen was. Fani’s Vader was koopman; hij reisde met zijn marsje op den rug overal in den omtrek heen waar kermis was. De menschen kochten wat graag de aardige snuisterijtjes, die hij uit hout wist te snijden, vooral zijn dierfiguurtjes waren zoo mooi en natuurlijk alsof ze leefden. Houtsnijden, dat was anders wel iets, waarin Fani ook plezier had, maar Vader, die ’t hem zou leeren,was zoo ongeduldig geworden, omdat Fani eerst maar niet den slag beet had kunnen krijgen van de koeien, geiten en herten, die hij altijd maakte.Fani had zoo dolgraag eens een dwergje willen probeeren, maar toen de diertjes telkens mislukt waren en er van al zijn knutselen en knoeien toch niets was terechtgekomen, was Vader boos geworden en had gezegd, dat Fani, als hij geen diertjes kon leeren snijden, er dan maar liever heelemaal mee moest uitscheiden; zoo’n droomer zou het toch tot niets brengen! Later moest hij maar houthakker boven in de bosschen worden, dat was zwaar werk en daarbij zou hij dat droomen en treuzelen wel afleeren.Na schooltijd op ’t zoldertje.Na schooltijd op ’t zoldertje.Zoo had Vader gesproken en Moeder had met een zucht gezegd, dat Vader wel gelijk had. Toen kreeg Fani dus geen les in ’t houtsnijden meer, maar voor zichzelf bleef hij zich oefenen, ’s winters ieder vrij oogenblikje na schooltijd op ’t zoldertje of in ’t schuurtje, zoo lang het licht was, en ’s zomers buitenop een stil plekje bij ’t beekje. Hij probeerde niets anders te maken dan de dwergjes en toovenaars en feeën uit zijn sprookjesboek en knutselde op zijn eentje zonder dat iemand er iets van wist of zag, net zoo lang, totdat ’t hem beter gelukte en zijn dwergjes eindelijk net zoo goed uitvielen als de diertjes, die Vader maakte.—Maar hij durfde er thuis toch niet over te spreken of ze te laten zien, omdat Vader toen zoo boos was geweest, en stopte al wat hij maakte onder in de kist bij ’t sprookjesboek.Zoo kwam Juni in ’t land, de tijd van de kermissen en jaarmarkten, en daar Vader al een heele poos ziek was, moest Fani er met het marsje op uit.’t Eerst was het groote dorp, dat verder het dal in lag, aan de beurt. Dit was nu niet zoo ver weg of Fani kon ’s avonds weer thuiskomen. Alleen zoo’n eind door ’t bosch te loopen was niets voor hem, maar gelukkig, ’t beekje hield hem gezelschap. ’t Kabbelde zoo vroolijk alsof het met hem babbelde en toen Fani dorst kreeg, gaf het hem heerlijk frisch water te drinken.’t Was al middag, toen Fani in het dorp kwam. De kermis was er in vollen gang; ’t plein stond vol kramen en tenten; muzikanten toeterden en bliezen, kooplui schreeuwden om ’t hardst hun waren uit en kinderen sloegen de trom of bliezen op goedkoope mondharmonica’s uit de speelgoedkraam tegenover het logement. ’t Was een leven van belang.Hij stond het met groote oogen aan te kijken.Hij stond het met groote oogen aan te kijken.Fani, die uit het stille bosch kwam, werd er beduusd van. Hij stond het met groote oogen aan te kijken uit een verborgen hoek bij de speelgoedkraam, waar leegekisten waren opgestapeld, en vergat heelemaal, dat hij ook wat te koop had. Maar al had Fani er ook aan gedacht, hij zou toch nooit als die andere kooplui hebben durven doen.Nu lette niemand op hem, totdat een paar opgeschoten jongens, die dicht bij zijn hoekje aan ’t vechten waren, tegen hem aanbonsden en hem op den grond gooiden. Het marsje kiepte om en de mooie diertjes, die Vader met zooveel zorg had ingepakt, rolden naar alle kanten heen. Toen Fani weer op de been was en het zag, begon hij hard te schreien. Een vriendelijke vrouw hielp hem ze weer op te rapen en er kwamen nog meer menschen bij, die ook hielpen. Gelukkig waren er slechts een paar stukjes beschadigd en die kocht een heer uit ’t logement aan den overkant hem dadelijk af. ’t Kleine meisje, dat bij hem behoorde, had zoo’n medelijden met den schreienden jongen en hield niet op of Fani moest bij Papa en haar onder de waranda komen zitten om een glas melk voor den schrik te drinken.Fani wist niet wat hem overkwam, toen hij daar wat deftig aan een tafeltje zat te kijken naar het bont gewoel op het plein, waar hij zoo straks nog midden in had gestaan.Margo’tje, zoo heette zijn nieuw vriendinnetje, beduidde hem, dat hij maar flink moest toetasten van de broodjes met vleesch, die haar Papa ook nog voor hem had laten komen.Beduidde?Ja, want Margo’tje was een Hollandsch meisje, dat wel al met haar Papa alleen op reis was, maar toch nog niets dan Hollandsch sprak, en Fani kon natuurlijk geen Hollandsch verstaan,evenmin als zij Fani’s taal kon begrijpen. Met elkaar praten ging dus niet. Maar gelukkig kon Margo’tjes Papa wel met Fani spreken.’t Was vreemd, Fani, die altijd zoo verlegen was, durfde nu best zijn woord te doen tegen den vreemden heer; of ’t kwam doordat deze hem zoo vriendelijk aankeek en niet ongeduldig werd over zijn langzame manier van praten?Fani vertelde van Vader, die ziek was, en de beestjes gemaakt had, vertelde ook hoe naar hij ’t op de kermis met al die drukte vond. Onderwijl bekeek Margo’tje de koeien, geiten en herten, en sommige, die ze heel mooi vond, zette ze uit ’t marsje op de tafel.Fani had er geen erg in, zoo was hij aan ’t vertellen.Op eens gaf Margo een gilletje.„O, Pa, kijk eens wat leuke dwergjes! Kijk toch eens!”—Ze hield een van Fani’s knutselwerkjes omhoog, die hij met ’t sprookjesboek heel onder in ’t marsje had gestopt, omdat hij bang was dat Peter of Franzli ze in zijn kist zouden vinden, terwijl hij weg was.„Kijk toch eens, hoe aardig!—En o, hier is een toovenaar, die kinderen laat dansen!”Fani werd eerst vuurrood van schrik en toen wit. „Nee, die hooren er niet bij, die zijn van mij!” riep hij haastig en wou ze haar afnemen, maar Margo’tjes Papa had nu de figuurtjes al in zijn hand.Fani had wel van schaamte in den grond willen kruipen. Wat mocht die vriendelijke mijnheer wel van hem denken, dat hij zulk knoeiwerk tusschen Vader’s mooie diertjes in had gestopt!Maar Mijnheer zei niets, hij keek er naar en zag toen Fani lang aan, die hoe langer hoe meer verlegen, stotterend uitlegde hoe ze in het marsje waren verzeild.„Kijk toch eens, hoe aardig!”—„Kijk toch eens, hoe aardig!”—Toen Margo’tjes Papa de figuurtjes weer op ’t tafeltje zette, wou Fani ze maar gauw in ’t marsje pakken, heel onderin, dan zag niemand die prullen meer, maar neen, dat mocht niet. Mijnheer vroeg hem of hij ze wou verkoopen enverbeeldje, toen Fani half ongeloovig van „ja” knikte, kreeg hij er evenveel voor als voor Vader’s mooiste beestjes!—’t Gezicht van denjongen straalde van blijdschap.Hij kon ’t maar niet begrijpen; nu zou hij haast zelf denken, dat hij droomde, of dat die mijnheer een toovenaar was en misschien straks ’t geld weer zou wegtooveren, maar neen, hoor, ’t was geen droomgeld, ’t was echt en ’t bleef stil in zijn hand liggen ook!Laat in den middag ging er een heel andere Fani de kermis af dan de Fani, die er op was gekomen. Deze deed niet verlegen of schuw, neen, hij hield zijn hoofd flink rechtop en hij keek zoo blij, zoo blij!—Nu hielp hij Vader en Moeder toch, nu was hij geen droomer meer, die niets kon! De vriendelijke, vreemde mijnheer had beloofd over een dag of wat bij Vader en Moeder te zullen komen om over Fani te spreken en als ’t mocht van thuis,—nu, dàt zou wel—dan zou die mijnheer er voor zorgen, dat Fani op een school kwam om echt mooi houtsnijden te leeren.Daar zou hij bepaald ook wel dwergjes mogen maken en alles, alles uit het sprookjesboek. En als hij ’t danheelgoed kon, dan, ja, ’t was nog een geheim, eengrootgeheim, maar Fani kon ’t toch niet laten het vast aan ’t beekje te vertellen,—dàn zou hij een extra mooie groep dwergjes maken en die aan ’t kleine, Hollandsche meisje sturen, want als zij niet zoo vriendelijk voor hem was geweest, zou ’t allemaal bepaald niet zoo zijn geloopen!
DE KLEINE HOUTSNIJDER.Fani was een droomer, die altijd aan andere dingen dacht dan aan zijn werk, een treuzel, en—een bangerd. Wil je ’t wel gelooven, dat hij ’s avonds niet onder de dennen achter hun huisje durfde te loopen, omdat ’t dan zoo vreemd ruischte en zuchtte, hoog in de slanke toppen? Dat deed de wind natuurlijk en dit wist Fani ook wel en toch—was hij bang.Moeder zei, dat het van de sprookjes kwam. Je moet weten, dat zijn Vader eens een sprookjesboek voor hem uit de stad had meegebracht en sedert hij dat had gelezen droomde Fani meer dan ooit, ook op klaarlichten dag als hij goed wakker was.Hij dacht aan niets anders dan aan dwergjes, toovenaars en feeën en wat het malste was, hij was er vast van overtuigd, dat hij ze nog eens zou zien ook, in ’t bosch of in de bergen. Alles wat in de sprookjes stond, was echt waar voor hem.Toen hij dit eens aan Toni, den geitenhoeder, vertelde, lachte die hem hartelijk uit, en zei, dat hij van zijn leven nog geen dwergjes had gezien en als ze er waren, moesten ze toch zeker daarboven in de rotsen huizen, waar hij zoo vaak met zijn geiten was.Aan Toni, den geitenhoeder, vertelde.Aan Toni, den geitenhoeder, vertelde.Na dien tijd sprak Fani er maar nooit meer met hem over en met Moeder niet en met niemand, want hij wou niet uitgelachen worden, maar ’t sprookjesboek stopte hij weg op ’t zoldertje, waar hij sliep, in de kist onder zijn Zondagsche kleeren, en ’s morgens vroeg, voordat Peter en Franzli, zijn kleine broertjes, wakker waren, las hij er in.Al was Fani de oudste, toch had Moeder weinig aan hem bij haar werk, en ze kon toch zoo best wat hulp gebruiken als ze zoo dagen achtereen met de kinderen alleen was. Fani’s Vader was koopman; hij reisde met zijn marsje op den rug overal in den omtrek heen waar kermis was. De menschen kochten wat graag de aardige snuisterijtjes, die hij uit hout wist te snijden, vooral zijn dierfiguurtjes waren zoo mooi en natuurlijk alsof ze leefden. Houtsnijden, dat was anders wel iets, waarin Fani ook plezier had, maar Vader, die ’t hem zou leeren,was zoo ongeduldig geworden, omdat Fani eerst maar niet den slag beet had kunnen krijgen van de koeien, geiten en herten, die hij altijd maakte.Fani had zoo dolgraag eens een dwergje willen probeeren, maar toen de diertjes telkens mislukt waren en er van al zijn knutselen en knoeien toch niets was terechtgekomen, was Vader boos geworden en had gezegd, dat Fani, als hij geen diertjes kon leeren snijden, er dan maar liever heelemaal mee moest uitscheiden; zoo’n droomer zou het toch tot niets brengen! Later moest hij maar houthakker boven in de bosschen worden, dat was zwaar werk en daarbij zou hij dat droomen en treuzelen wel afleeren.Na schooltijd op ’t zoldertje.Na schooltijd op ’t zoldertje.Zoo had Vader gesproken en Moeder had met een zucht gezegd, dat Vader wel gelijk had. Toen kreeg Fani dus geen les in ’t houtsnijden meer, maar voor zichzelf bleef hij zich oefenen, ’s winters ieder vrij oogenblikje na schooltijd op ’t zoldertje of in ’t schuurtje, zoo lang het licht was, en ’s zomers buitenop een stil plekje bij ’t beekje. Hij probeerde niets anders te maken dan de dwergjes en toovenaars en feeën uit zijn sprookjesboek en knutselde op zijn eentje zonder dat iemand er iets van wist of zag, net zoo lang, totdat ’t hem beter gelukte en zijn dwergjes eindelijk net zoo goed uitvielen als de diertjes, die Vader maakte.—Maar hij durfde er thuis toch niet over te spreken of ze te laten zien, omdat Vader toen zoo boos was geweest, en stopte al wat hij maakte onder in de kist bij ’t sprookjesboek.Zoo kwam Juni in ’t land, de tijd van de kermissen en jaarmarkten, en daar Vader al een heele poos ziek was, moest Fani er met het marsje op uit.’t Eerst was het groote dorp, dat verder het dal in lag, aan de beurt. Dit was nu niet zoo ver weg of Fani kon ’s avonds weer thuiskomen. Alleen zoo’n eind door ’t bosch te loopen was niets voor hem, maar gelukkig, ’t beekje hield hem gezelschap. ’t Kabbelde zoo vroolijk alsof het met hem babbelde en toen Fani dorst kreeg, gaf het hem heerlijk frisch water te drinken.’t Was al middag, toen Fani in het dorp kwam. De kermis was er in vollen gang; ’t plein stond vol kramen en tenten; muzikanten toeterden en bliezen, kooplui schreeuwden om ’t hardst hun waren uit en kinderen sloegen de trom of bliezen op goedkoope mondharmonica’s uit de speelgoedkraam tegenover het logement. ’t Was een leven van belang.Hij stond het met groote oogen aan te kijken.Hij stond het met groote oogen aan te kijken.Fani, die uit het stille bosch kwam, werd er beduusd van. Hij stond het met groote oogen aan te kijken uit een verborgen hoek bij de speelgoedkraam, waar leegekisten waren opgestapeld, en vergat heelemaal, dat hij ook wat te koop had. Maar al had Fani er ook aan gedacht, hij zou toch nooit als die andere kooplui hebben durven doen.Nu lette niemand op hem, totdat een paar opgeschoten jongens, die dicht bij zijn hoekje aan ’t vechten waren, tegen hem aanbonsden en hem op den grond gooiden. Het marsje kiepte om en de mooie diertjes, die Vader met zooveel zorg had ingepakt, rolden naar alle kanten heen. Toen Fani weer op de been was en het zag, begon hij hard te schreien. Een vriendelijke vrouw hielp hem ze weer op te rapen en er kwamen nog meer menschen bij, die ook hielpen. Gelukkig waren er slechts een paar stukjes beschadigd en die kocht een heer uit ’t logement aan den overkant hem dadelijk af. ’t Kleine meisje, dat bij hem behoorde, had zoo’n medelijden met den schreienden jongen en hield niet op of Fani moest bij Papa en haar onder de waranda komen zitten om een glas melk voor den schrik te drinken.Fani wist niet wat hem overkwam, toen hij daar wat deftig aan een tafeltje zat te kijken naar het bont gewoel op het plein, waar hij zoo straks nog midden in had gestaan.Margo’tje, zoo heette zijn nieuw vriendinnetje, beduidde hem, dat hij maar flink moest toetasten van de broodjes met vleesch, die haar Papa ook nog voor hem had laten komen.Beduidde?Ja, want Margo’tje was een Hollandsch meisje, dat wel al met haar Papa alleen op reis was, maar toch nog niets dan Hollandsch sprak, en Fani kon natuurlijk geen Hollandsch verstaan,evenmin als zij Fani’s taal kon begrijpen. Met elkaar praten ging dus niet. Maar gelukkig kon Margo’tjes Papa wel met Fani spreken.’t Was vreemd, Fani, die altijd zoo verlegen was, durfde nu best zijn woord te doen tegen den vreemden heer; of ’t kwam doordat deze hem zoo vriendelijk aankeek en niet ongeduldig werd over zijn langzame manier van praten?Fani vertelde van Vader, die ziek was, en de beestjes gemaakt had, vertelde ook hoe naar hij ’t op de kermis met al die drukte vond. Onderwijl bekeek Margo’tje de koeien, geiten en herten, en sommige, die ze heel mooi vond, zette ze uit ’t marsje op de tafel.Fani had er geen erg in, zoo was hij aan ’t vertellen.Op eens gaf Margo een gilletje.„O, Pa, kijk eens wat leuke dwergjes! Kijk toch eens!”—Ze hield een van Fani’s knutselwerkjes omhoog, die hij met ’t sprookjesboek heel onder in ’t marsje had gestopt, omdat hij bang was dat Peter of Franzli ze in zijn kist zouden vinden, terwijl hij weg was.„Kijk toch eens, hoe aardig!—En o, hier is een toovenaar, die kinderen laat dansen!”Fani werd eerst vuurrood van schrik en toen wit. „Nee, die hooren er niet bij, die zijn van mij!” riep hij haastig en wou ze haar afnemen, maar Margo’tjes Papa had nu de figuurtjes al in zijn hand.Fani had wel van schaamte in den grond willen kruipen. Wat mocht die vriendelijke mijnheer wel van hem denken, dat hij zulk knoeiwerk tusschen Vader’s mooie diertjes in had gestopt!Maar Mijnheer zei niets, hij keek er naar en zag toen Fani lang aan, die hoe langer hoe meer verlegen, stotterend uitlegde hoe ze in het marsje waren verzeild.„Kijk toch eens, hoe aardig!”—„Kijk toch eens, hoe aardig!”—Toen Margo’tjes Papa de figuurtjes weer op ’t tafeltje zette, wou Fani ze maar gauw in ’t marsje pakken, heel onderin, dan zag niemand die prullen meer, maar neen, dat mocht niet. Mijnheer vroeg hem of hij ze wou verkoopen enverbeeldje, toen Fani half ongeloovig van „ja” knikte, kreeg hij er evenveel voor als voor Vader’s mooiste beestjes!—’t Gezicht van denjongen straalde van blijdschap.Hij kon ’t maar niet begrijpen; nu zou hij haast zelf denken, dat hij droomde, of dat die mijnheer een toovenaar was en misschien straks ’t geld weer zou wegtooveren, maar neen, hoor, ’t was geen droomgeld, ’t was echt en ’t bleef stil in zijn hand liggen ook!Laat in den middag ging er een heel andere Fani de kermis af dan de Fani, die er op was gekomen. Deze deed niet verlegen of schuw, neen, hij hield zijn hoofd flink rechtop en hij keek zoo blij, zoo blij!—Nu hielp hij Vader en Moeder toch, nu was hij geen droomer meer, die niets kon! De vriendelijke, vreemde mijnheer had beloofd over een dag of wat bij Vader en Moeder te zullen komen om over Fani te spreken en als ’t mocht van thuis,—nu, dàt zou wel—dan zou die mijnheer er voor zorgen, dat Fani op een school kwam om echt mooi houtsnijden te leeren.Daar zou hij bepaald ook wel dwergjes mogen maken en alles, alles uit het sprookjesboek. En als hij ’t danheelgoed kon, dan, ja, ’t was nog een geheim, eengrootgeheim, maar Fani kon ’t toch niet laten het vast aan ’t beekje te vertellen,—dàn zou hij een extra mooie groep dwergjes maken en die aan ’t kleine, Hollandsche meisje sturen, want als zij niet zoo vriendelijk voor hem was geweest, zou ’t allemaal bepaald niet zoo zijn geloopen!
DE KLEINE HOUTSNIJDER.
Fani was een droomer, die altijd aan andere dingen dacht dan aan zijn werk, een treuzel, en—een bangerd. Wil je ’t wel gelooven, dat hij ’s avonds niet onder de dennen achter hun huisje durfde te loopen, omdat ’t dan zoo vreemd ruischte en zuchtte, hoog in de slanke toppen? Dat deed de wind natuurlijk en dit wist Fani ook wel en toch—was hij bang.Moeder zei, dat het van de sprookjes kwam. Je moet weten, dat zijn Vader eens een sprookjesboek voor hem uit de stad had meegebracht en sedert hij dat had gelezen droomde Fani meer dan ooit, ook op klaarlichten dag als hij goed wakker was.Hij dacht aan niets anders dan aan dwergjes, toovenaars en feeën en wat het malste was, hij was er vast van overtuigd, dat hij ze nog eens zou zien ook, in ’t bosch of in de bergen. Alles wat in de sprookjes stond, was echt waar voor hem.Toen hij dit eens aan Toni, den geitenhoeder, vertelde, lachte die hem hartelijk uit, en zei, dat hij van zijn leven nog geen dwergjes had gezien en als ze er waren, moesten ze toch zeker daarboven in de rotsen huizen, waar hij zoo vaak met zijn geiten was.Aan Toni, den geitenhoeder, vertelde.Aan Toni, den geitenhoeder, vertelde.Na dien tijd sprak Fani er maar nooit meer met hem over en met Moeder niet en met niemand, want hij wou niet uitgelachen worden, maar ’t sprookjesboek stopte hij weg op ’t zoldertje, waar hij sliep, in de kist onder zijn Zondagsche kleeren, en ’s morgens vroeg, voordat Peter en Franzli, zijn kleine broertjes, wakker waren, las hij er in.Al was Fani de oudste, toch had Moeder weinig aan hem bij haar werk, en ze kon toch zoo best wat hulp gebruiken als ze zoo dagen achtereen met de kinderen alleen was. Fani’s Vader was koopman; hij reisde met zijn marsje op den rug overal in den omtrek heen waar kermis was. De menschen kochten wat graag de aardige snuisterijtjes, die hij uit hout wist te snijden, vooral zijn dierfiguurtjes waren zoo mooi en natuurlijk alsof ze leefden. Houtsnijden, dat was anders wel iets, waarin Fani ook plezier had, maar Vader, die ’t hem zou leeren,was zoo ongeduldig geworden, omdat Fani eerst maar niet den slag beet had kunnen krijgen van de koeien, geiten en herten, die hij altijd maakte.Fani had zoo dolgraag eens een dwergje willen probeeren, maar toen de diertjes telkens mislukt waren en er van al zijn knutselen en knoeien toch niets was terechtgekomen, was Vader boos geworden en had gezegd, dat Fani, als hij geen diertjes kon leeren snijden, er dan maar liever heelemaal mee moest uitscheiden; zoo’n droomer zou het toch tot niets brengen! Later moest hij maar houthakker boven in de bosschen worden, dat was zwaar werk en daarbij zou hij dat droomen en treuzelen wel afleeren.Na schooltijd op ’t zoldertje.Na schooltijd op ’t zoldertje.Zoo had Vader gesproken en Moeder had met een zucht gezegd, dat Vader wel gelijk had. Toen kreeg Fani dus geen les in ’t houtsnijden meer, maar voor zichzelf bleef hij zich oefenen, ’s winters ieder vrij oogenblikje na schooltijd op ’t zoldertje of in ’t schuurtje, zoo lang het licht was, en ’s zomers buitenop een stil plekje bij ’t beekje. Hij probeerde niets anders te maken dan de dwergjes en toovenaars en feeën uit zijn sprookjesboek en knutselde op zijn eentje zonder dat iemand er iets van wist of zag, net zoo lang, totdat ’t hem beter gelukte en zijn dwergjes eindelijk net zoo goed uitvielen als de diertjes, die Vader maakte.—Maar hij durfde er thuis toch niet over te spreken of ze te laten zien, omdat Vader toen zoo boos was geweest, en stopte al wat hij maakte onder in de kist bij ’t sprookjesboek.Zoo kwam Juni in ’t land, de tijd van de kermissen en jaarmarkten, en daar Vader al een heele poos ziek was, moest Fani er met het marsje op uit.’t Eerst was het groote dorp, dat verder het dal in lag, aan de beurt. Dit was nu niet zoo ver weg of Fani kon ’s avonds weer thuiskomen. Alleen zoo’n eind door ’t bosch te loopen was niets voor hem, maar gelukkig, ’t beekje hield hem gezelschap. ’t Kabbelde zoo vroolijk alsof het met hem babbelde en toen Fani dorst kreeg, gaf het hem heerlijk frisch water te drinken.’t Was al middag, toen Fani in het dorp kwam. De kermis was er in vollen gang; ’t plein stond vol kramen en tenten; muzikanten toeterden en bliezen, kooplui schreeuwden om ’t hardst hun waren uit en kinderen sloegen de trom of bliezen op goedkoope mondharmonica’s uit de speelgoedkraam tegenover het logement. ’t Was een leven van belang.Hij stond het met groote oogen aan te kijken.Hij stond het met groote oogen aan te kijken.Fani, die uit het stille bosch kwam, werd er beduusd van. Hij stond het met groote oogen aan te kijken uit een verborgen hoek bij de speelgoedkraam, waar leegekisten waren opgestapeld, en vergat heelemaal, dat hij ook wat te koop had. Maar al had Fani er ook aan gedacht, hij zou toch nooit als die andere kooplui hebben durven doen.Nu lette niemand op hem, totdat een paar opgeschoten jongens, die dicht bij zijn hoekje aan ’t vechten waren, tegen hem aanbonsden en hem op den grond gooiden. Het marsje kiepte om en de mooie diertjes, die Vader met zooveel zorg had ingepakt, rolden naar alle kanten heen. Toen Fani weer op de been was en het zag, begon hij hard te schreien. Een vriendelijke vrouw hielp hem ze weer op te rapen en er kwamen nog meer menschen bij, die ook hielpen. Gelukkig waren er slechts een paar stukjes beschadigd en die kocht een heer uit ’t logement aan den overkant hem dadelijk af. ’t Kleine meisje, dat bij hem behoorde, had zoo’n medelijden met den schreienden jongen en hield niet op of Fani moest bij Papa en haar onder de waranda komen zitten om een glas melk voor den schrik te drinken.Fani wist niet wat hem overkwam, toen hij daar wat deftig aan een tafeltje zat te kijken naar het bont gewoel op het plein, waar hij zoo straks nog midden in had gestaan.Margo’tje, zoo heette zijn nieuw vriendinnetje, beduidde hem, dat hij maar flink moest toetasten van de broodjes met vleesch, die haar Papa ook nog voor hem had laten komen.Beduidde?Ja, want Margo’tje was een Hollandsch meisje, dat wel al met haar Papa alleen op reis was, maar toch nog niets dan Hollandsch sprak, en Fani kon natuurlijk geen Hollandsch verstaan,evenmin als zij Fani’s taal kon begrijpen. Met elkaar praten ging dus niet. Maar gelukkig kon Margo’tjes Papa wel met Fani spreken.’t Was vreemd, Fani, die altijd zoo verlegen was, durfde nu best zijn woord te doen tegen den vreemden heer; of ’t kwam doordat deze hem zoo vriendelijk aankeek en niet ongeduldig werd over zijn langzame manier van praten?Fani vertelde van Vader, die ziek was, en de beestjes gemaakt had, vertelde ook hoe naar hij ’t op de kermis met al die drukte vond. Onderwijl bekeek Margo’tje de koeien, geiten en herten, en sommige, die ze heel mooi vond, zette ze uit ’t marsje op de tafel.Fani had er geen erg in, zoo was hij aan ’t vertellen.Op eens gaf Margo een gilletje.„O, Pa, kijk eens wat leuke dwergjes! Kijk toch eens!”—Ze hield een van Fani’s knutselwerkjes omhoog, die hij met ’t sprookjesboek heel onder in ’t marsje had gestopt, omdat hij bang was dat Peter of Franzli ze in zijn kist zouden vinden, terwijl hij weg was.„Kijk toch eens, hoe aardig!—En o, hier is een toovenaar, die kinderen laat dansen!”Fani werd eerst vuurrood van schrik en toen wit. „Nee, die hooren er niet bij, die zijn van mij!” riep hij haastig en wou ze haar afnemen, maar Margo’tjes Papa had nu de figuurtjes al in zijn hand.Fani had wel van schaamte in den grond willen kruipen. Wat mocht die vriendelijke mijnheer wel van hem denken, dat hij zulk knoeiwerk tusschen Vader’s mooie diertjes in had gestopt!Maar Mijnheer zei niets, hij keek er naar en zag toen Fani lang aan, die hoe langer hoe meer verlegen, stotterend uitlegde hoe ze in het marsje waren verzeild.„Kijk toch eens, hoe aardig!”—„Kijk toch eens, hoe aardig!”—Toen Margo’tjes Papa de figuurtjes weer op ’t tafeltje zette, wou Fani ze maar gauw in ’t marsje pakken, heel onderin, dan zag niemand die prullen meer, maar neen, dat mocht niet. Mijnheer vroeg hem of hij ze wou verkoopen enverbeeldje, toen Fani half ongeloovig van „ja” knikte, kreeg hij er evenveel voor als voor Vader’s mooiste beestjes!—’t Gezicht van denjongen straalde van blijdschap.Hij kon ’t maar niet begrijpen; nu zou hij haast zelf denken, dat hij droomde, of dat die mijnheer een toovenaar was en misschien straks ’t geld weer zou wegtooveren, maar neen, hoor, ’t was geen droomgeld, ’t was echt en ’t bleef stil in zijn hand liggen ook!Laat in den middag ging er een heel andere Fani de kermis af dan de Fani, die er op was gekomen. Deze deed niet verlegen of schuw, neen, hij hield zijn hoofd flink rechtop en hij keek zoo blij, zoo blij!—Nu hielp hij Vader en Moeder toch, nu was hij geen droomer meer, die niets kon! De vriendelijke, vreemde mijnheer had beloofd over een dag of wat bij Vader en Moeder te zullen komen om over Fani te spreken en als ’t mocht van thuis,—nu, dàt zou wel—dan zou die mijnheer er voor zorgen, dat Fani op een school kwam om echt mooi houtsnijden te leeren.Daar zou hij bepaald ook wel dwergjes mogen maken en alles, alles uit het sprookjesboek. En als hij ’t danheelgoed kon, dan, ja, ’t was nog een geheim, eengrootgeheim, maar Fani kon ’t toch niet laten het vast aan ’t beekje te vertellen,—dàn zou hij een extra mooie groep dwergjes maken en die aan ’t kleine, Hollandsche meisje sturen, want als zij niet zoo vriendelijk voor hem was geweest, zou ’t allemaal bepaald niet zoo zijn geloopen!
Fani was een droomer, die altijd aan andere dingen dacht dan aan zijn werk, een treuzel, en—een bangerd. Wil je ’t wel gelooven, dat hij ’s avonds niet onder de dennen achter hun huisje durfde te loopen, omdat ’t dan zoo vreemd ruischte en zuchtte, hoog in de slanke toppen? Dat deed de wind natuurlijk en dit wist Fani ook wel en toch—was hij bang.
Moeder zei, dat het van de sprookjes kwam. Je moet weten, dat zijn Vader eens een sprookjesboek voor hem uit de stad had meegebracht en sedert hij dat had gelezen droomde Fani meer dan ooit, ook op klaarlichten dag als hij goed wakker was.
Hij dacht aan niets anders dan aan dwergjes, toovenaars en feeën en wat het malste was, hij was er vast van overtuigd, dat hij ze nog eens zou zien ook, in ’t bosch of in de bergen. Alles wat in de sprookjes stond, was echt waar voor hem.
Toen hij dit eens aan Toni, den geitenhoeder, vertelde, lachte die hem hartelijk uit, en zei, dat hij van zijn leven nog geen dwergjes had gezien en als ze er waren, moesten ze toch zeker daarboven in de rotsen huizen, waar hij zoo vaak met zijn geiten was.
Aan Toni, den geitenhoeder, vertelde.Aan Toni, den geitenhoeder, vertelde.
Aan Toni, den geitenhoeder, vertelde.
Na dien tijd sprak Fani er maar nooit meer met hem over en met Moeder niet en met niemand, want hij wou niet uitgelachen worden, maar ’t sprookjesboek stopte hij weg op ’t zoldertje, waar hij sliep, in de kist onder zijn Zondagsche kleeren, en ’s morgens vroeg, voordat Peter en Franzli, zijn kleine broertjes, wakker waren, las hij er in.
Al was Fani de oudste, toch had Moeder weinig aan hem bij haar werk, en ze kon toch zoo best wat hulp gebruiken als ze zoo dagen achtereen met de kinderen alleen was. Fani’s Vader was koopman; hij reisde met zijn marsje op den rug overal in den omtrek heen waar kermis was. De menschen kochten wat graag de aardige snuisterijtjes, die hij uit hout wist te snijden, vooral zijn dierfiguurtjes waren zoo mooi en natuurlijk alsof ze leefden. Houtsnijden, dat was anders wel iets, waarin Fani ook plezier had, maar Vader, die ’t hem zou leeren,was zoo ongeduldig geworden, omdat Fani eerst maar niet den slag beet had kunnen krijgen van de koeien, geiten en herten, die hij altijd maakte.
Fani had zoo dolgraag eens een dwergje willen probeeren, maar toen de diertjes telkens mislukt waren en er van al zijn knutselen en knoeien toch niets was terechtgekomen, was Vader boos geworden en had gezegd, dat Fani, als hij geen diertjes kon leeren snijden, er dan maar liever heelemaal mee moest uitscheiden; zoo’n droomer zou het toch tot niets brengen! Later moest hij maar houthakker boven in de bosschen worden, dat was zwaar werk en daarbij zou hij dat droomen en treuzelen wel afleeren.
Na schooltijd op ’t zoldertje.Na schooltijd op ’t zoldertje.
Na schooltijd op ’t zoldertje.
Zoo had Vader gesproken en Moeder had met een zucht gezegd, dat Vader wel gelijk had. Toen kreeg Fani dus geen les in ’t houtsnijden meer, maar voor zichzelf bleef hij zich oefenen, ’s winters ieder vrij oogenblikje na schooltijd op ’t zoldertje of in ’t schuurtje, zoo lang het licht was, en ’s zomers buitenop een stil plekje bij ’t beekje. Hij probeerde niets anders te maken dan de dwergjes en toovenaars en feeën uit zijn sprookjesboek en knutselde op zijn eentje zonder dat iemand er iets van wist of zag, net zoo lang, totdat ’t hem beter gelukte en zijn dwergjes eindelijk net zoo goed uitvielen als de diertjes, die Vader maakte.—Maar hij durfde er thuis toch niet over te spreken of ze te laten zien, omdat Vader toen zoo boos was geweest, en stopte al wat hij maakte onder in de kist bij ’t sprookjesboek.
Zoo kwam Juni in ’t land, de tijd van de kermissen en jaarmarkten, en daar Vader al een heele poos ziek was, moest Fani er met het marsje op uit.
’t Eerst was het groote dorp, dat verder het dal in lag, aan de beurt. Dit was nu niet zoo ver weg of Fani kon ’s avonds weer thuiskomen. Alleen zoo’n eind door ’t bosch te loopen was niets voor hem, maar gelukkig, ’t beekje hield hem gezelschap. ’t Kabbelde zoo vroolijk alsof het met hem babbelde en toen Fani dorst kreeg, gaf het hem heerlijk frisch water te drinken.
’t Was al middag, toen Fani in het dorp kwam. De kermis was er in vollen gang; ’t plein stond vol kramen en tenten; muzikanten toeterden en bliezen, kooplui schreeuwden om ’t hardst hun waren uit en kinderen sloegen de trom of bliezen op goedkoope mondharmonica’s uit de speelgoedkraam tegenover het logement. ’t Was een leven van belang.
Hij stond het met groote oogen aan te kijken.Hij stond het met groote oogen aan te kijken.
Hij stond het met groote oogen aan te kijken.
Fani, die uit het stille bosch kwam, werd er beduusd van. Hij stond het met groote oogen aan te kijken uit een verborgen hoek bij de speelgoedkraam, waar leegekisten waren opgestapeld, en vergat heelemaal, dat hij ook wat te koop had. Maar al had Fani er ook aan gedacht, hij zou toch nooit als die andere kooplui hebben durven doen.
Nu lette niemand op hem, totdat een paar opgeschoten jongens, die dicht bij zijn hoekje aan ’t vechten waren, tegen hem aanbonsden en hem op den grond gooiden. Het marsje kiepte om en de mooie diertjes, die Vader met zooveel zorg had ingepakt, rolden naar alle kanten heen. Toen Fani weer op de been was en het zag, begon hij hard te schreien. Een vriendelijke vrouw hielp hem ze weer op te rapen en er kwamen nog meer menschen bij, die ook hielpen. Gelukkig waren er slechts een paar stukjes beschadigd en die kocht een heer uit ’t logement aan den overkant hem dadelijk af. ’t Kleine meisje, dat bij hem behoorde, had zoo’n medelijden met den schreienden jongen en hield niet op of Fani moest bij Papa en haar onder de waranda komen zitten om een glas melk voor den schrik te drinken.
Fani wist niet wat hem overkwam, toen hij daar wat deftig aan een tafeltje zat te kijken naar het bont gewoel op het plein, waar hij zoo straks nog midden in had gestaan.
Margo’tje, zoo heette zijn nieuw vriendinnetje, beduidde hem, dat hij maar flink moest toetasten van de broodjes met vleesch, die haar Papa ook nog voor hem had laten komen.Beduidde?Ja, want Margo’tje was een Hollandsch meisje, dat wel al met haar Papa alleen op reis was, maar toch nog niets dan Hollandsch sprak, en Fani kon natuurlijk geen Hollandsch verstaan,evenmin als zij Fani’s taal kon begrijpen. Met elkaar praten ging dus niet. Maar gelukkig kon Margo’tjes Papa wel met Fani spreken.
’t Was vreemd, Fani, die altijd zoo verlegen was, durfde nu best zijn woord te doen tegen den vreemden heer; of ’t kwam doordat deze hem zoo vriendelijk aankeek en niet ongeduldig werd over zijn langzame manier van praten?
Fani vertelde van Vader, die ziek was, en de beestjes gemaakt had, vertelde ook hoe naar hij ’t op de kermis met al die drukte vond. Onderwijl bekeek Margo’tje de koeien, geiten en herten, en sommige, die ze heel mooi vond, zette ze uit ’t marsje op de tafel.
Fani had er geen erg in, zoo was hij aan ’t vertellen.
Op eens gaf Margo een gilletje.
„O, Pa, kijk eens wat leuke dwergjes! Kijk toch eens!”—Ze hield een van Fani’s knutselwerkjes omhoog, die hij met ’t sprookjesboek heel onder in ’t marsje had gestopt, omdat hij bang was dat Peter of Franzli ze in zijn kist zouden vinden, terwijl hij weg was.
„Kijk toch eens, hoe aardig!—En o, hier is een toovenaar, die kinderen laat dansen!”
Fani werd eerst vuurrood van schrik en toen wit. „Nee, die hooren er niet bij, die zijn van mij!” riep hij haastig en wou ze haar afnemen, maar Margo’tjes Papa had nu de figuurtjes al in zijn hand.
Fani had wel van schaamte in den grond willen kruipen. Wat mocht die vriendelijke mijnheer wel van hem denken, dat hij zulk knoeiwerk tusschen Vader’s mooie diertjes in had gestopt!
Maar Mijnheer zei niets, hij keek er naar en zag toen Fani lang aan, die hoe langer hoe meer verlegen, stotterend uitlegde hoe ze in het marsje waren verzeild.
„Kijk toch eens, hoe aardig!”—„Kijk toch eens, hoe aardig!”—
„Kijk toch eens, hoe aardig!”—
Toen Margo’tjes Papa de figuurtjes weer op ’t tafeltje zette, wou Fani ze maar gauw in ’t marsje pakken, heel onderin, dan zag niemand die prullen meer, maar neen, dat mocht niet. Mijnheer vroeg hem of hij ze wou verkoopen enverbeeldje, toen Fani half ongeloovig van „ja” knikte, kreeg hij er evenveel voor als voor Vader’s mooiste beestjes!—’t Gezicht van denjongen straalde van blijdschap.
Hij kon ’t maar niet begrijpen; nu zou hij haast zelf denken, dat hij droomde, of dat die mijnheer een toovenaar was en misschien straks ’t geld weer zou wegtooveren, maar neen, hoor, ’t was geen droomgeld, ’t was echt en ’t bleef stil in zijn hand liggen ook!
Laat in den middag ging er een heel andere Fani de kermis af dan de Fani, die er op was gekomen. Deze deed niet verlegen of schuw, neen, hij hield zijn hoofd flink rechtop en hij keek zoo blij, zoo blij!—Nu hielp hij Vader en Moeder toch, nu was hij geen droomer meer, die niets kon! De vriendelijke, vreemde mijnheer had beloofd over een dag of wat bij Vader en Moeder te zullen komen om over Fani te spreken en als ’t mocht van thuis,—nu, dàt zou wel—dan zou die mijnheer er voor zorgen, dat Fani op een school kwam om echt mooi houtsnijden te leeren.
Daar zou hij bepaald ook wel dwergjes mogen maken en alles, alles uit het sprookjesboek. En als hij ’t danheelgoed kon, dan, ja, ’t was nog een geheim, eengrootgeheim, maar Fani kon ’t toch niet laten het vast aan ’t beekje te vertellen,—dàn zou hij een extra mooie groep dwergjes maken en die aan ’t kleine, Hollandsche meisje sturen, want als zij niet zoo vriendelijk voor hem was geweest, zou ’t allemaal bepaald niet zoo zijn geloopen!