DE OUDE NOTEBOOM.

DE OUDE NOTEBOOM.Ze waren met een troepje van zes op de zonnige speelplaats der school aan het touwtje springen, dicht bij ’t hooge hek van latwerk, waar je den noteboom door kon zien. Hij stond op een verwaarloosd plekje grond naast de speelplaats. Daar tierden brandnetels en distels welig tusschen de meidoorn- en vlierstruiken, waarvan de takken hoog waren opgeschoten, terwijl de taaie stengels van de klimmende, wilde boekweit er zich omheen hadden geslingerd. ’t Was er een warbosch van door en in elkaar groeiende struiken en planten, maar de noteboom, de oude noteboom, stak er met zijn eerwaardige kruin machtig boven uit als een koning, die zijn gebied overziet.Die noteboom was een groote vrind van de kinderen. Hoeveel neusjes zich in ’t speeluur wel tegen ’t latwerk drukten om naar hem te kijken! Als hij niet zoo’n oude, verstandige noteboom was geweest, zou hij er bepaald trotsch op zijn geworden, maar nu wist hij wel beter en begreep hij best, waar ’t hun eigenlijk om te doen was—om zijnnoten! De meesten rolden helaas tusschen de brandnetels, maar toch, een enkele kwam dicht bij ’t latwerk te land, zoodat lenige vingertjes, met takjesen stokjes geduldig peuterend, ze wel naar zich toe konden halen, en dan die pret om er den groenen bolster af te doen en de noot te kraken op de steenen, onder den voet, of tusschen sterke, witte tandjes!—„Hè nee, ’k schei er uit,” zei Mies; „’k word zoo warm van ’t springen!”„’t Gaat ook niks leuk meer.”„’t Gaat ook niks leuk meer.”„Ik ook. ’t Gaat ook niks leuk meer! Die Jo draait zoo vervelend,” riep Lina, die er genoeg van kreeg, omdat ze telkens „af” was. „Gaan jullie mee, kijken of er noten zijn?”„Zeg, daar heb je dat kind van Rietspaan! Net doen of we haar niet zien.”—En Bertha nam Truus en Gonne bij den arm en draaide zich opzettelijk zóó, dat „’t kind van Rietspaan” gelegenheid kreeg de breede haarstrikken van ’t drietal te bewonderen.„Mag ik meedoen? Wat spelen jullie?” klonk ’t op den ietwat zangerigen toon van een Oostersch kind.„Niks,” antwoordde Lina snibbig.„Hè, flauw! Je bent toch aan ’t touwtje springen!Zieik toch, ja?”„Als je ’t ziet, waarom vraag je ’t dan nog?”„Nou ja! Zal ik voor jullie draaien?”„Nee; we scheien er uit.”„Wat gaan jullie dan nou doen?”Jo haalde haar schouders op. „Och!”Ze duwden zoo’n beetje tegen elkaar aan, de zes; ze giegelden en smuusperden met elkaar en Doortje Rietspaan stond er naar te kijken met haar groote, donkere oogen, die nu nog grooter en donkerder geleken.„Als ’k jarig ben, mag ik van mijn Tante meisjes vragen,” zei ze op eens; „maar als jullie zoo vervelend doen, vraag ik je lekker niet.”„We zouden toch niet gekomen zijn, nietwaar Lien?” giegelde Gonne, terwijl de anderen het uitproestten.„Verbeeld je, op een partijtje bij dat kind!”„Nee, geen partij,” verbeterde Doortje eerlijk; „spelletjes doen en raadseltjes opgeven en zoo—”„Raadseltjes opgeven en zoo,” bauwde Truus haar na.„Dank je, hoor! Da’s goed voor bewaarschoolkindertjes.—”De tranen sprongen Doortje in de oogen. Overmorgen zou ze jarig zijn en nu had Tante vandaag gezegd, dat ze een paar kennisjes op visite mocht hebben.Met een blij hartje was ze naar school gehuppeld. Als ze met zóó’n invitatie kwam, zouden ze haar toch wel meetellen, dacht ze, en ze had ’t speeluur haast niet kunnen afwachten. Wie ze vragen zou? Ze was nog maar zoo kort hier op school!„Wel,” had Tante gezegd, „de meisjes, die ’t aardigst voor je zijn.”zij stond hier zoo zielig alleen.zij stond hier zoo zielig alleen.Och, Tante wist ’t niet, dat de meisjes geen van allen aardig voor haar waren. Doortje had ’t nooit thuis verteld, omdat ze het zoo naar vond en zich er ook over schaamde. Maar ze had bij zichzelf gekozen: Mies, omdat die er zoo vroolijk uitzag en Jo, omdat ze vriendin met Mies was, en Truus, omdat alle meisjes haar zoo aanhaalden en Bertha, omdat ze naast haar zat. En nu,—nu deden ze zoo!Doortje keek met een brandend gevoel in haar oogen naar de meisjes, die geen acht meer op haar sloegen en gehurkt op den grond voor ’t hek zaten.Waarom sloten ze er haar toch altijd buiten? Ze bedacht toch van alles om vriendelijk tegen ze te zijn met een griffel te leenen of een potlood of door soms voor te zeggen. Als ze maar eens wat heel groots kon doen, dan zouden ze misschien ook wel een klein beetje van haar gaan houden!Doortje keek verlangend naar ’t vroolijke gedoe van haar zes klasgenootjes. Ginds waren andere groepjes gezellig aan ’t spelen en zij—zij stond hier zoo zielig alleen.De wind ruischte door de takken van den ouden noteboom. Rrt—rrt—rrt—rrt.—Daar vielen weer een paar noten. Met een harden plof kwamen ze op den grond terecht.„Hè—jammer,” zei Jo. „Weer allemaaltusschen de brandnetels! Geen een naar dezen kant.”„Laat ’s kijken, daar ligt er een. O nee, ’t is een omgekruld blad; wat vervelend!”Gonne had opgekeken. „O, zie dat malle kind van Rietspaan eens!” riep ze.Alle zes kwamen ze overeind.Alle zes kwamen ze overeind.„O, als de Juffrouw dat bemerkt!”Alle zes kwamen ze overeind; ze staarden met open mond en oogen naar Doortje, die vlug over ’t hooge hek klauterde en nu met een behendig sprongetje midden tusschen de brandnetels en distels terecht kwam.„Die durft, zeg!” klonk het bewonderend van Jo. „Verbeeld je, dat de Juffrouw er nu eens aankwam!”„Kom hier staan, Bertha; zoo, en jij ook, Truus; anders ziet ze haar nog,” riep Mies, net alsof Doortje een van hun clubje was, die ze moesten beschermen en niet maar „dat kind.”Zes neusjes tegen ’t latwerk gedrukt, zes paar oogen glurend door de tusschenruimten, vol aandacht turendnaar ’t kleine, donkere figuurtje, dat daar, of ’t zoo maar niets was, dapper op verboden terrein rondscharrelde tusschen de hooge brandnetels, die haar in ’t gezicht sloegen telkens als ze bukte, en de scherpe dorens, die haar jurk al hadden gescheurd en bloedige schrammen op haar handen achterlieten.„Er moeten er wel een boel liggen! Maar zeg, zou jij ’t durven?” vroeg Bertha.„Nee hoor, al waren ’t er honderd,” antwoordde Jo.„Ze is er zeker dol op!”„Nou, ze vindt er ook nooit eens een!”„Nee, omdat zij niet hier op ons plaatsje mag zoeken; nogal glad!” riep Mies. „Jullie jagen haar altijd weg.”„En jij dan? Net of jij ’t niet doet!”„O, kijk toch eens wat een schort vol. Ze komt alweer terug.”„Als de Juffrouw nu nog maar even weg blijft.”Geen een zei: „wat zou dat—’t is immers „’t kind van Rietspaan” maar!”Er waren ook meisjes uit andere klassen bij gekomen; allen stonden er nu in de grootste spanning naar te kijken, hoe Doortje, zoo vlug alsof ’t een dagelijksche toer voor haar was, weer over het hek klauterde.Een beetje bedremmeld om ’t aangegroeide publiek, liep Doortje op de zes met ’t springtouw toe. Wat zag ze er uit met de blaren in haar gezichtje, de beschramde handen en de leelijke scheur in haar jurk!„Daar,” zei ze en ze liet de punten van haar boezelaar los, zoodat al de noten over den grond rolden. „Voor jullie!”De meisjes keken, alsof ze Latijn had gesproken.„Toe dan, raapt ze op,” zei Doortje, terwijl ze de te veel naar ’t hek gerolde noten terugschopte. En toen, snibbig tegen een kind uit de laagste klas, dat wou bukken: „Blijf d’r af, jij—is niet voor jou!”„En—en—jij hebt ze gehaald,” stotterde Mies nu. Jo, Truus en Lina waren al aan ’t oprapen.„O, wat een hoop! Kijk toch eens, Mies!”Nu lagen ze alle zes op den grond. Zakken en blouses werden volgestopt en juist perste Gonne de laatste in haar zak toen de bel luidde.„Hier,” zei Mies haastig en ze wou Doortje een handvol toestoppen. „Waarom heb je zelf niet meegegrabbeld?”Maar Doortje hield haar handen op den rug. Ze schudde van neen en keek bepaald heel donker, toen Mies ze haar wou opdringen.Op ’t zelfde oogenblik kwam één der groote meisjes Doortje zeggen, dat ze bij de Directrice moest komen.„Nu krijgt ze zeker een standje,” zei Mies halfluid, terwijl ze Doortje nakeek, die zoo blij wegliep, alsof haar in plaats van een standje een cadeautje wachtte. „Toch vreeselijk goedig van haar, ons al die noten te geven!”„Ja; heb je ooit zoo’n mal schaap gezien?” vroeg Gonne lachend, waarna ze op haar luidruchtige manier ’t gebeurde aan meisjes, die er niet bij waren geweest, ging vertellen.De andere drie kwamen er ook bij loopen, maar Jo voegde zich bij Mies.„Zeg, ’k vind het vreeselijk sneu, dat ze haar toch heeft gezien. Zou ze erg boos wezen?”Mies haalde haar schouders op.„Weet je, Jo, ’k heb er erg ’t land over, dat we Doortje altijd zoo hebben geplaagd; ze is toch eigenlijk wel een aardig kind en—”Jo gaf haar een duwtje. „Stil, de Juffrouw!”De lessen begonnen, maar Mies kon er niet met haar gedachten bij blijven. Telkens keek ze om. Kwam Doortje nog niet? Dan was ’t zeker wel vreeselijk erg.De noten lagen haar als lood in den zak.Eindelijk, daar ging de deur open. De Directrice bracht Doortje zelf binnen. Ze zag er heelemaal niet boos uit, maar Doortje had een behuild gezichtje. Nu fluisterde de Directrice een heelen tijd met de Juffrouw, die toen ook heel vriendelijk tegen Doortje was.In de eerste oogenblikken zaten ze allen heen en weer te draaien en haar aan te staren.Toen de les werd voortgezet, ging ’t al wat beter en toen de Juffrouw begon te vertellen, zooals ze ’t laatste uur ’s Donderdagsochtends altijd deed, werden ze weer geheel rustig.’t Was dan ook zoo’n mooi verhaal over een jongetje, dat in huis kwam bij een groot gezin, waar de kinderen niets lief voor hem waren en hem nooit meetelden, maar die hij toch langzamerhand door allerlei kleine vriendelijkheden voor zich wist te winnen.En stopte haar opeens de noten in de tasch.En stopte haar opeens de noten in de tasch.Mies kon ’t niet helpen, dat ze gedurig aan Doortje moest denken. Er waren er wel meer, die aan Doortje dachten. Dat kon je wel zien aan het tot over de oorenkleuren van sommigen en het niet durven opkijken van anderen. Maar Mies liet ’t niet bij denken alleen. Om twaalf uur wachtte ze Doortje op en stopte haar op eens de noten in de tasch; diekonze nu gewoon niet houden!—Doortje keek er nu niet donker om. Neen, ze lachte Mies, die haar gezellig een arm gaf, toe, door haar tranen heen, en fluisterde, een beetje verlegen nog, maar toch overgelukkig: „Die eet iknooitop—ik bewaar ze onder in mijn kastje en ik zal mijn Pa en Ma in Indië schrijven, dat jij zoo lief voor mij bent, ja?”Even later vertelde zij met een stralend gezichtje aan Tante, dat haar beste vriendinnetje op haar jaardag zou komen; aan die had ze genoeg; en of ze dan mocht blijven eten ook.En op ’t verwaarloosde plekje grond liet de noteboom, de oude vriend van de kinderen, voor en na al zijn noten tusschen de distels en brandnetels rollen. Slechts enkele kwamen er nog terecht bij de speelplaats, vlak bij ’t hek, waar Doortje toen dien ochtend over was geklommen.

DE OUDE NOTEBOOM.Ze waren met een troepje van zes op de zonnige speelplaats der school aan het touwtje springen, dicht bij ’t hooge hek van latwerk, waar je den noteboom door kon zien. Hij stond op een verwaarloosd plekje grond naast de speelplaats. Daar tierden brandnetels en distels welig tusschen de meidoorn- en vlierstruiken, waarvan de takken hoog waren opgeschoten, terwijl de taaie stengels van de klimmende, wilde boekweit er zich omheen hadden geslingerd. ’t Was er een warbosch van door en in elkaar groeiende struiken en planten, maar de noteboom, de oude noteboom, stak er met zijn eerwaardige kruin machtig boven uit als een koning, die zijn gebied overziet.Die noteboom was een groote vrind van de kinderen. Hoeveel neusjes zich in ’t speeluur wel tegen ’t latwerk drukten om naar hem te kijken! Als hij niet zoo’n oude, verstandige noteboom was geweest, zou hij er bepaald trotsch op zijn geworden, maar nu wist hij wel beter en begreep hij best, waar ’t hun eigenlijk om te doen was—om zijnnoten! De meesten rolden helaas tusschen de brandnetels, maar toch, een enkele kwam dicht bij ’t latwerk te land, zoodat lenige vingertjes, met takjesen stokjes geduldig peuterend, ze wel naar zich toe konden halen, en dan die pret om er den groenen bolster af te doen en de noot te kraken op de steenen, onder den voet, of tusschen sterke, witte tandjes!—„Hè nee, ’k schei er uit,” zei Mies; „’k word zoo warm van ’t springen!”„’t Gaat ook niks leuk meer.”„’t Gaat ook niks leuk meer.”„Ik ook. ’t Gaat ook niks leuk meer! Die Jo draait zoo vervelend,” riep Lina, die er genoeg van kreeg, omdat ze telkens „af” was. „Gaan jullie mee, kijken of er noten zijn?”„Zeg, daar heb je dat kind van Rietspaan! Net doen of we haar niet zien.”—En Bertha nam Truus en Gonne bij den arm en draaide zich opzettelijk zóó, dat „’t kind van Rietspaan” gelegenheid kreeg de breede haarstrikken van ’t drietal te bewonderen.„Mag ik meedoen? Wat spelen jullie?” klonk ’t op den ietwat zangerigen toon van een Oostersch kind.„Niks,” antwoordde Lina snibbig.„Hè, flauw! Je bent toch aan ’t touwtje springen!Zieik toch, ja?”„Als je ’t ziet, waarom vraag je ’t dan nog?”„Nou ja! Zal ik voor jullie draaien?”„Nee; we scheien er uit.”„Wat gaan jullie dan nou doen?”Jo haalde haar schouders op. „Och!”Ze duwden zoo’n beetje tegen elkaar aan, de zes; ze giegelden en smuusperden met elkaar en Doortje Rietspaan stond er naar te kijken met haar groote, donkere oogen, die nu nog grooter en donkerder geleken.„Als ’k jarig ben, mag ik van mijn Tante meisjes vragen,” zei ze op eens; „maar als jullie zoo vervelend doen, vraag ik je lekker niet.”„We zouden toch niet gekomen zijn, nietwaar Lien?” giegelde Gonne, terwijl de anderen het uitproestten.„Verbeeld je, op een partijtje bij dat kind!”„Nee, geen partij,” verbeterde Doortje eerlijk; „spelletjes doen en raadseltjes opgeven en zoo—”„Raadseltjes opgeven en zoo,” bauwde Truus haar na.„Dank je, hoor! Da’s goed voor bewaarschoolkindertjes.—”De tranen sprongen Doortje in de oogen. Overmorgen zou ze jarig zijn en nu had Tante vandaag gezegd, dat ze een paar kennisjes op visite mocht hebben.Met een blij hartje was ze naar school gehuppeld. Als ze met zóó’n invitatie kwam, zouden ze haar toch wel meetellen, dacht ze, en ze had ’t speeluur haast niet kunnen afwachten. Wie ze vragen zou? Ze was nog maar zoo kort hier op school!„Wel,” had Tante gezegd, „de meisjes, die ’t aardigst voor je zijn.”zij stond hier zoo zielig alleen.zij stond hier zoo zielig alleen.Och, Tante wist ’t niet, dat de meisjes geen van allen aardig voor haar waren. Doortje had ’t nooit thuis verteld, omdat ze het zoo naar vond en zich er ook over schaamde. Maar ze had bij zichzelf gekozen: Mies, omdat die er zoo vroolijk uitzag en Jo, omdat ze vriendin met Mies was, en Truus, omdat alle meisjes haar zoo aanhaalden en Bertha, omdat ze naast haar zat. En nu,—nu deden ze zoo!Doortje keek met een brandend gevoel in haar oogen naar de meisjes, die geen acht meer op haar sloegen en gehurkt op den grond voor ’t hek zaten.Waarom sloten ze er haar toch altijd buiten? Ze bedacht toch van alles om vriendelijk tegen ze te zijn met een griffel te leenen of een potlood of door soms voor te zeggen. Als ze maar eens wat heel groots kon doen, dan zouden ze misschien ook wel een klein beetje van haar gaan houden!Doortje keek verlangend naar ’t vroolijke gedoe van haar zes klasgenootjes. Ginds waren andere groepjes gezellig aan ’t spelen en zij—zij stond hier zoo zielig alleen.De wind ruischte door de takken van den ouden noteboom. Rrt—rrt—rrt—rrt.—Daar vielen weer een paar noten. Met een harden plof kwamen ze op den grond terecht.„Hè—jammer,” zei Jo. „Weer allemaaltusschen de brandnetels! Geen een naar dezen kant.”„Laat ’s kijken, daar ligt er een. O nee, ’t is een omgekruld blad; wat vervelend!”Gonne had opgekeken. „O, zie dat malle kind van Rietspaan eens!” riep ze.Alle zes kwamen ze overeind.Alle zes kwamen ze overeind.„O, als de Juffrouw dat bemerkt!”Alle zes kwamen ze overeind; ze staarden met open mond en oogen naar Doortje, die vlug over ’t hooge hek klauterde en nu met een behendig sprongetje midden tusschen de brandnetels en distels terecht kwam.„Die durft, zeg!” klonk het bewonderend van Jo. „Verbeeld je, dat de Juffrouw er nu eens aankwam!”„Kom hier staan, Bertha; zoo, en jij ook, Truus; anders ziet ze haar nog,” riep Mies, net alsof Doortje een van hun clubje was, die ze moesten beschermen en niet maar „dat kind.”Zes neusjes tegen ’t latwerk gedrukt, zes paar oogen glurend door de tusschenruimten, vol aandacht turendnaar ’t kleine, donkere figuurtje, dat daar, of ’t zoo maar niets was, dapper op verboden terrein rondscharrelde tusschen de hooge brandnetels, die haar in ’t gezicht sloegen telkens als ze bukte, en de scherpe dorens, die haar jurk al hadden gescheurd en bloedige schrammen op haar handen achterlieten.„Er moeten er wel een boel liggen! Maar zeg, zou jij ’t durven?” vroeg Bertha.„Nee hoor, al waren ’t er honderd,” antwoordde Jo.„Ze is er zeker dol op!”„Nou, ze vindt er ook nooit eens een!”„Nee, omdat zij niet hier op ons plaatsje mag zoeken; nogal glad!” riep Mies. „Jullie jagen haar altijd weg.”„En jij dan? Net of jij ’t niet doet!”„O, kijk toch eens wat een schort vol. Ze komt alweer terug.”„Als de Juffrouw nu nog maar even weg blijft.”Geen een zei: „wat zou dat—’t is immers „’t kind van Rietspaan” maar!”Er waren ook meisjes uit andere klassen bij gekomen; allen stonden er nu in de grootste spanning naar te kijken, hoe Doortje, zoo vlug alsof ’t een dagelijksche toer voor haar was, weer over het hek klauterde.Een beetje bedremmeld om ’t aangegroeide publiek, liep Doortje op de zes met ’t springtouw toe. Wat zag ze er uit met de blaren in haar gezichtje, de beschramde handen en de leelijke scheur in haar jurk!„Daar,” zei ze en ze liet de punten van haar boezelaar los, zoodat al de noten over den grond rolden. „Voor jullie!”De meisjes keken, alsof ze Latijn had gesproken.„Toe dan, raapt ze op,” zei Doortje, terwijl ze de te veel naar ’t hek gerolde noten terugschopte. En toen, snibbig tegen een kind uit de laagste klas, dat wou bukken: „Blijf d’r af, jij—is niet voor jou!”„En—en—jij hebt ze gehaald,” stotterde Mies nu. Jo, Truus en Lina waren al aan ’t oprapen.„O, wat een hoop! Kijk toch eens, Mies!”Nu lagen ze alle zes op den grond. Zakken en blouses werden volgestopt en juist perste Gonne de laatste in haar zak toen de bel luidde.„Hier,” zei Mies haastig en ze wou Doortje een handvol toestoppen. „Waarom heb je zelf niet meegegrabbeld?”Maar Doortje hield haar handen op den rug. Ze schudde van neen en keek bepaald heel donker, toen Mies ze haar wou opdringen.Op ’t zelfde oogenblik kwam één der groote meisjes Doortje zeggen, dat ze bij de Directrice moest komen.„Nu krijgt ze zeker een standje,” zei Mies halfluid, terwijl ze Doortje nakeek, die zoo blij wegliep, alsof haar in plaats van een standje een cadeautje wachtte. „Toch vreeselijk goedig van haar, ons al die noten te geven!”„Ja; heb je ooit zoo’n mal schaap gezien?” vroeg Gonne lachend, waarna ze op haar luidruchtige manier ’t gebeurde aan meisjes, die er niet bij waren geweest, ging vertellen.De andere drie kwamen er ook bij loopen, maar Jo voegde zich bij Mies.„Zeg, ’k vind het vreeselijk sneu, dat ze haar toch heeft gezien. Zou ze erg boos wezen?”Mies haalde haar schouders op.„Weet je, Jo, ’k heb er erg ’t land over, dat we Doortje altijd zoo hebben geplaagd; ze is toch eigenlijk wel een aardig kind en—”Jo gaf haar een duwtje. „Stil, de Juffrouw!”De lessen begonnen, maar Mies kon er niet met haar gedachten bij blijven. Telkens keek ze om. Kwam Doortje nog niet? Dan was ’t zeker wel vreeselijk erg.De noten lagen haar als lood in den zak.Eindelijk, daar ging de deur open. De Directrice bracht Doortje zelf binnen. Ze zag er heelemaal niet boos uit, maar Doortje had een behuild gezichtje. Nu fluisterde de Directrice een heelen tijd met de Juffrouw, die toen ook heel vriendelijk tegen Doortje was.In de eerste oogenblikken zaten ze allen heen en weer te draaien en haar aan te staren.Toen de les werd voortgezet, ging ’t al wat beter en toen de Juffrouw begon te vertellen, zooals ze ’t laatste uur ’s Donderdagsochtends altijd deed, werden ze weer geheel rustig.’t Was dan ook zoo’n mooi verhaal over een jongetje, dat in huis kwam bij een groot gezin, waar de kinderen niets lief voor hem waren en hem nooit meetelden, maar die hij toch langzamerhand door allerlei kleine vriendelijkheden voor zich wist te winnen.En stopte haar opeens de noten in de tasch.En stopte haar opeens de noten in de tasch.Mies kon ’t niet helpen, dat ze gedurig aan Doortje moest denken. Er waren er wel meer, die aan Doortje dachten. Dat kon je wel zien aan het tot over de oorenkleuren van sommigen en het niet durven opkijken van anderen. Maar Mies liet ’t niet bij denken alleen. Om twaalf uur wachtte ze Doortje op en stopte haar op eens de noten in de tasch; diekonze nu gewoon niet houden!—Doortje keek er nu niet donker om. Neen, ze lachte Mies, die haar gezellig een arm gaf, toe, door haar tranen heen, en fluisterde, een beetje verlegen nog, maar toch overgelukkig: „Die eet iknooitop—ik bewaar ze onder in mijn kastje en ik zal mijn Pa en Ma in Indië schrijven, dat jij zoo lief voor mij bent, ja?”Even later vertelde zij met een stralend gezichtje aan Tante, dat haar beste vriendinnetje op haar jaardag zou komen; aan die had ze genoeg; en of ze dan mocht blijven eten ook.En op ’t verwaarloosde plekje grond liet de noteboom, de oude vriend van de kinderen, voor en na al zijn noten tusschen de distels en brandnetels rollen. Slechts enkele kwamen er nog terecht bij de speelplaats, vlak bij ’t hek, waar Doortje toen dien ochtend over was geklommen.

DE OUDE NOTEBOOM.

Ze waren met een troepje van zes op de zonnige speelplaats der school aan het touwtje springen, dicht bij ’t hooge hek van latwerk, waar je den noteboom door kon zien. Hij stond op een verwaarloosd plekje grond naast de speelplaats. Daar tierden brandnetels en distels welig tusschen de meidoorn- en vlierstruiken, waarvan de takken hoog waren opgeschoten, terwijl de taaie stengels van de klimmende, wilde boekweit er zich omheen hadden geslingerd. ’t Was er een warbosch van door en in elkaar groeiende struiken en planten, maar de noteboom, de oude noteboom, stak er met zijn eerwaardige kruin machtig boven uit als een koning, die zijn gebied overziet.Die noteboom was een groote vrind van de kinderen. Hoeveel neusjes zich in ’t speeluur wel tegen ’t latwerk drukten om naar hem te kijken! Als hij niet zoo’n oude, verstandige noteboom was geweest, zou hij er bepaald trotsch op zijn geworden, maar nu wist hij wel beter en begreep hij best, waar ’t hun eigenlijk om te doen was—om zijnnoten! De meesten rolden helaas tusschen de brandnetels, maar toch, een enkele kwam dicht bij ’t latwerk te land, zoodat lenige vingertjes, met takjesen stokjes geduldig peuterend, ze wel naar zich toe konden halen, en dan die pret om er den groenen bolster af te doen en de noot te kraken op de steenen, onder den voet, of tusschen sterke, witte tandjes!—„Hè nee, ’k schei er uit,” zei Mies; „’k word zoo warm van ’t springen!”„’t Gaat ook niks leuk meer.”„’t Gaat ook niks leuk meer.”„Ik ook. ’t Gaat ook niks leuk meer! Die Jo draait zoo vervelend,” riep Lina, die er genoeg van kreeg, omdat ze telkens „af” was. „Gaan jullie mee, kijken of er noten zijn?”„Zeg, daar heb je dat kind van Rietspaan! Net doen of we haar niet zien.”—En Bertha nam Truus en Gonne bij den arm en draaide zich opzettelijk zóó, dat „’t kind van Rietspaan” gelegenheid kreeg de breede haarstrikken van ’t drietal te bewonderen.„Mag ik meedoen? Wat spelen jullie?” klonk ’t op den ietwat zangerigen toon van een Oostersch kind.„Niks,” antwoordde Lina snibbig.„Hè, flauw! Je bent toch aan ’t touwtje springen!Zieik toch, ja?”„Als je ’t ziet, waarom vraag je ’t dan nog?”„Nou ja! Zal ik voor jullie draaien?”„Nee; we scheien er uit.”„Wat gaan jullie dan nou doen?”Jo haalde haar schouders op. „Och!”Ze duwden zoo’n beetje tegen elkaar aan, de zes; ze giegelden en smuusperden met elkaar en Doortje Rietspaan stond er naar te kijken met haar groote, donkere oogen, die nu nog grooter en donkerder geleken.„Als ’k jarig ben, mag ik van mijn Tante meisjes vragen,” zei ze op eens; „maar als jullie zoo vervelend doen, vraag ik je lekker niet.”„We zouden toch niet gekomen zijn, nietwaar Lien?” giegelde Gonne, terwijl de anderen het uitproestten.„Verbeeld je, op een partijtje bij dat kind!”„Nee, geen partij,” verbeterde Doortje eerlijk; „spelletjes doen en raadseltjes opgeven en zoo—”„Raadseltjes opgeven en zoo,” bauwde Truus haar na.„Dank je, hoor! Da’s goed voor bewaarschoolkindertjes.—”De tranen sprongen Doortje in de oogen. Overmorgen zou ze jarig zijn en nu had Tante vandaag gezegd, dat ze een paar kennisjes op visite mocht hebben.Met een blij hartje was ze naar school gehuppeld. Als ze met zóó’n invitatie kwam, zouden ze haar toch wel meetellen, dacht ze, en ze had ’t speeluur haast niet kunnen afwachten. Wie ze vragen zou? Ze was nog maar zoo kort hier op school!„Wel,” had Tante gezegd, „de meisjes, die ’t aardigst voor je zijn.”zij stond hier zoo zielig alleen.zij stond hier zoo zielig alleen.Och, Tante wist ’t niet, dat de meisjes geen van allen aardig voor haar waren. Doortje had ’t nooit thuis verteld, omdat ze het zoo naar vond en zich er ook over schaamde. Maar ze had bij zichzelf gekozen: Mies, omdat die er zoo vroolijk uitzag en Jo, omdat ze vriendin met Mies was, en Truus, omdat alle meisjes haar zoo aanhaalden en Bertha, omdat ze naast haar zat. En nu,—nu deden ze zoo!Doortje keek met een brandend gevoel in haar oogen naar de meisjes, die geen acht meer op haar sloegen en gehurkt op den grond voor ’t hek zaten.Waarom sloten ze er haar toch altijd buiten? Ze bedacht toch van alles om vriendelijk tegen ze te zijn met een griffel te leenen of een potlood of door soms voor te zeggen. Als ze maar eens wat heel groots kon doen, dan zouden ze misschien ook wel een klein beetje van haar gaan houden!Doortje keek verlangend naar ’t vroolijke gedoe van haar zes klasgenootjes. Ginds waren andere groepjes gezellig aan ’t spelen en zij—zij stond hier zoo zielig alleen.De wind ruischte door de takken van den ouden noteboom. Rrt—rrt—rrt—rrt.—Daar vielen weer een paar noten. Met een harden plof kwamen ze op den grond terecht.„Hè—jammer,” zei Jo. „Weer allemaaltusschen de brandnetels! Geen een naar dezen kant.”„Laat ’s kijken, daar ligt er een. O nee, ’t is een omgekruld blad; wat vervelend!”Gonne had opgekeken. „O, zie dat malle kind van Rietspaan eens!” riep ze.Alle zes kwamen ze overeind.Alle zes kwamen ze overeind.„O, als de Juffrouw dat bemerkt!”Alle zes kwamen ze overeind; ze staarden met open mond en oogen naar Doortje, die vlug over ’t hooge hek klauterde en nu met een behendig sprongetje midden tusschen de brandnetels en distels terecht kwam.„Die durft, zeg!” klonk het bewonderend van Jo. „Verbeeld je, dat de Juffrouw er nu eens aankwam!”„Kom hier staan, Bertha; zoo, en jij ook, Truus; anders ziet ze haar nog,” riep Mies, net alsof Doortje een van hun clubje was, die ze moesten beschermen en niet maar „dat kind.”Zes neusjes tegen ’t latwerk gedrukt, zes paar oogen glurend door de tusschenruimten, vol aandacht turendnaar ’t kleine, donkere figuurtje, dat daar, of ’t zoo maar niets was, dapper op verboden terrein rondscharrelde tusschen de hooge brandnetels, die haar in ’t gezicht sloegen telkens als ze bukte, en de scherpe dorens, die haar jurk al hadden gescheurd en bloedige schrammen op haar handen achterlieten.„Er moeten er wel een boel liggen! Maar zeg, zou jij ’t durven?” vroeg Bertha.„Nee hoor, al waren ’t er honderd,” antwoordde Jo.„Ze is er zeker dol op!”„Nou, ze vindt er ook nooit eens een!”„Nee, omdat zij niet hier op ons plaatsje mag zoeken; nogal glad!” riep Mies. „Jullie jagen haar altijd weg.”„En jij dan? Net of jij ’t niet doet!”„O, kijk toch eens wat een schort vol. Ze komt alweer terug.”„Als de Juffrouw nu nog maar even weg blijft.”Geen een zei: „wat zou dat—’t is immers „’t kind van Rietspaan” maar!”Er waren ook meisjes uit andere klassen bij gekomen; allen stonden er nu in de grootste spanning naar te kijken, hoe Doortje, zoo vlug alsof ’t een dagelijksche toer voor haar was, weer over het hek klauterde.Een beetje bedremmeld om ’t aangegroeide publiek, liep Doortje op de zes met ’t springtouw toe. Wat zag ze er uit met de blaren in haar gezichtje, de beschramde handen en de leelijke scheur in haar jurk!„Daar,” zei ze en ze liet de punten van haar boezelaar los, zoodat al de noten over den grond rolden. „Voor jullie!”De meisjes keken, alsof ze Latijn had gesproken.„Toe dan, raapt ze op,” zei Doortje, terwijl ze de te veel naar ’t hek gerolde noten terugschopte. En toen, snibbig tegen een kind uit de laagste klas, dat wou bukken: „Blijf d’r af, jij—is niet voor jou!”„En—en—jij hebt ze gehaald,” stotterde Mies nu. Jo, Truus en Lina waren al aan ’t oprapen.„O, wat een hoop! Kijk toch eens, Mies!”Nu lagen ze alle zes op den grond. Zakken en blouses werden volgestopt en juist perste Gonne de laatste in haar zak toen de bel luidde.„Hier,” zei Mies haastig en ze wou Doortje een handvol toestoppen. „Waarom heb je zelf niet meegegrabbeld?”Maar Doortje hield haar handen op den rug. Ze schudde van neen en keek bepaald heel donker, toen Mies ze haar wou opdringen.Op ’t zelfde oogenblik kwam één der groote meisjes Doortje zeggen, dat ze bij de Directrice moest komen.„Nu krijgt ze zeker een standje,” zei Mies halfluid, terwijl ze Doortje nakeek, die zoo blij wegliep, alsof haar in plaats van een standje een cadeautje wachtte. „Toch vreeselijk goedig van haar, ons al die noten te geven!”„Ja; heb je ooit zoo’n mal schaap gezien?” vroeg Gonne lachend, waarna ze op haar luidruchtige manier ’t gebeurde aan meisjes, die er niet bij waren geweest, ging vertellen.De andere drie kwamen er ook bij loopen, maar Jo voegde zich bij Mies.„Zeg, ’k vind het vreeselijk sneu, dat ze haar toch heeft gezien. Zou ze erg boos wezen?”Mies haalde haar schouders op.„Weet je, Jo, ’k heb er erg ’t land over, dat we Doortje altijd zoo hebben geplaagd; ze is toch eigenlijk wel een aardig kind en—”Jo gaf haar een duwtje. „Stil, de Juffrouw!”De lessen begonnen, maar Mies kon er niet met haar gedachten bij blijven. Telkens keek ze om. Kwam Doortje nog niet? Dan was ’t zeker wel vreeselijk erg.De noten lagen haar als lood in den zak.Eindelijk, daar ging de deur open. De Directrice bracht Doortje zelf binnen. Ze zag er heelemaal niet boos uit, maar Doortje had een behuild gezichtje. Nu fluisterde de Directrice een heelen tijd met de Juffrouw, die toen ook heel vriendelijk tegen Doortje was.In de eerste oogenblikken zaten ze allen heen en weer te draaien en haar aan te staren.Toen de les werd voortgezet, ging ’t al wat beter en toen de Juffrouw begon te vertellen, zooals ze ’t laatste uur ’s Donderdagsochtends altijd deed, werden ze weer geheel rustig.’t Was dan ook zoo’n mooi verhaal over een jongetje, dat in huis kwam bij een groot gezin, waar de kinderen niets lief voor hem waren en hem nooit meetelden, maar die hij toch langzamerhand door allerlei kleine vriendelijkheden voor zich wist te winnen.En stopte haar opeens de noten in de tasch.En stopte haar opeens de noten in de tasch.Mies kon ’t niet helpen, dat ze gedurig aan Doortje moest denken. Er waren er wel meer, die aan Doortje dachten. Dat kon je wel zien aan het tot over de oorenkleuren van sommigen en het niet durven opkijken van anderen. Maar Mies liet ’t niet bij denken alleen. Om twaalf uur wachtte ze Doortje op en stopte haar op eens de noten in de tasch; diekonze nu gewoon niet houden!—Doortje keek er nu niet donker om. Neen, ze lachte Mies, die haar gezellig een arm gaf, toe, door haar tranen heen, en fluisterde, een beetje verlegen nog, maar toch overgelukkig: „Die eet iknooitop—ik bewaar ze onder in mijn kastje en ik zal mijn Pa en Ma in Indië schrijven, dat jij zoo lief voor mij bent, ja?”Even later vertelde zij met een stralend gezichtje aan Tante, dat haar beste vriendinnetje op haar jaardag zou komen; aan die had ze genoeg; en of ze dan mocht blijven eten ook.En op ’t verwaarloosde plekje grond liet de noteboom, de oude vriend van de kinderen, voor en na al zijn noten tusschen de distels en brandnetels rollen. Slechts enkele kwamen er nog terecht bij de speelplaats, vlak bij ’t hek, waar Doortje toen dien ochtend over was geklommen.

Ze waren met een troepje van zes op de zonnige speelplaats der school aan het touwtje springen, dicht bij ’t hooge hek van latwerk, waar je den noteboom door kon zien. Hij stond op een verwaarloosd plekje grond naast de speelplaats. Daar tierden brandnetels en distels welig tusschen de meidoorn- en vlierstruiken, waarvan de takken hoog waren opgeschoten, terwijl de taaie stengels van de klimmende, wilde boekweit er zich omheen hadden geslingerd. ’t Was er een warbosch van door en in elkaar groeiende struiken en planten, maar de noteboom, de oude noteboom, stak er met zijn eerwaardige kruin machtig boven uit als een koning, die zijn gebied overziet.

Die noteboom was een groote vrind van de kinderen. Hoeveel neusjes zich in ’t speeluur wel tegen ’t latwerk drukten om naar hem te kijken! Als hij niet zoo’n oude, verstandige noteboom was geweest, zou hij er bepaald trotsch op zijn geworden, maar nu wist hij wel beter en begreep hij best, waar ’t hun eigenlijk om te doen was—om zijnnoten! De meesten rolden helaas tusschen de brandnetels, maar toch, een enkele kwam dicht bij ’t latwerk te land, zoodat lenige vingertjes, met takjesen stokjes geduldig peuterend, ze wel naar zich toe konden halen, en dan die pret om er den groenen bolster af te doen en de noot te kraken op de steenen, onder den voet, of tusschen sterke, witte tandjes!—

„Hè nee, ’k schei er uit,” zei Mies; „’k word zoo warm van ’t springen!”

„’t Gaat ook niks leuk meer.”„’t Gaat ook niks leuk meer.”

„’t Gaat ook niks leuk meer.”

„Ik ook. ’t Gaat ook niks leuk meer! Die Jo draait zoo vervelend,” riep Lina, die er genoeg van kreeg, omdat ze telkens „af” was. „Gaan jullie mee, kijken of er noten zijn?”

„Zeg, daar heb je dat kind van Rietspaan! Net doen of we haar niet zien.”—En Bertha nam Truus en Gonne bij den arm en draaide zich opzettelijk zóó, dat „’t kind van Rietspaan” gelegenheid kreeg de breede haarstrikken van ’t drietal te bewonderen.

„Mag ik meedoen? Wat spelen jullie?” klonk ’t op den ietwat zangerigen toon van een Oostersch kind.

„Niks,” antwoordde Lina snibbig.

„Hè, flauw! Je bent toch aan ’t touwtje springen!Zieik toch, ja?”

„Als je ’t ziet, waarom vraag je ’t dan nog?”

„Nou ja! Zal ik voor jullie draaien?”

„Nee; we scheien er uit.”

„Wat gaan jullie dan nou doen?”

Jo haalde haar schouders op. „Och!”

Ze duwden zoo’n beetje tegen elkaar aan, de zes; ze giegelden en smuusperden met elkaar en Doortje Rietspaan stond er naar te kijken met haar groote, donkere oogen, die nu nog grooter en donkerder geleken.

„Als ’k jarig ben, mag ik van mijn Tante meisjes vragen,” zei ze op eens; „maar als jullie zoo vervelend doen, vraag ik je lekker niet.”

„We zouden toch niet gekomen zijn, nietwaar Lien?” giegelde Gonne, terwijl de anderen het uitproestten.

„Verbeeld je, op een partijtje bij dat kind!”

„Nee, geen partij,” verbeterde Doortje eerlijk; „spelletjes doen en raadseltjes opgeven en zoo—”

„Raadseltjes opgeven en zoo,” bauwde Truus haar na.

„Dank je, hoor! Da’s goed voor bewaarschoolkindertjes.—”

De tranen sprongen Doortje in de oogen. Overmorgen zou ze jarig zijn en nu had Tante vandaag gezegd, dat ze een paar kennisjes op visite mocht hebben.

Met een blij hartje was ze naar school gehuppeld. Als ze met zóó’n invitatie kwam, zouden ze haar toch wel meetellen, dacht ze, en ze had ’t speeluur haast niet kunnen afwachten. Wie ze vragen zou? Ze was nog maar zoo kort hier op school!

„Wel,” had Tante gezegd, „de meisjes, die ’t aardigst voor je zijn.”

zij stond hier zoo zielig alleen.zij stond hier zoo zielig alleen.

zij stond hier zoo zielig alleen.

Och, Tante wist ’t niet, dat de meisjes geen van allen aardig voor haar waren. Doortje had ’t nooit thuis verteld, omdat ze het zoo naar vond en zich er ook over schaamde. Maar ze had bij zichzelf gekozen: Mies, omdat die er zoo vroolijk uitzag en Jo, omdat ze vriendin met Mies was, en Truus, omdat alle meisjes haar zoo aanhaalden en Bertha, omdat ze naast haar zat. En nu,—nu deden ze zoo!

Doortje keek met een brandend gevoel in haar oogen naar de meisjes, die geen acht meer op haar sloegen en gehurkt op den grond voor ’t hek zaten.

Waarom sloten ze er haar toch altijd buiten? Ze bedacht toch van alles om vriendelijk tegen ze te zijn met een griffel te leenen of een potlood of door soms voor te zeggen. Als ze maar eens wat heel groots kon doen, dan zouden ze misschien ook wel een klein beetje van haar gaan houden!

Doortje keek verlangend naar ’t vroolijke gedoe van haar zes klasgenootjes. Ginds waren andere groepjes gezellig aan ’t spelen en zij—zij stond hier zoo zielig alleen.

De wind ruischte door de takken van den ouden noteboom. Rrt—rrt—rrt—rrt.—Daar vielen weer een paar noten. Met een harden plof kwamen ze op den grond terecht.

„Hè—jammer,” zei Jo. „Weer allemaaltusschen de brandnetels! Geen een naar dezen kant.”

„Laat ’s kijken, daar ligt er een. O nee, ’t is een omgekruld blad; wat vervelend!”

Gonne had opgekeken. „O, zie dat malle kind van Rietspaan eens!” riep ze.

Alle zes kwamen ze overeind.Alle zes kwamen ze overeind.

Alle zes kwamen ze overeind.

„O, als de Juffrouw dat bemerkt!”

Alle zes kwamen ze overeind; ze staarden met open mond en oogen naar Doortje, die vlug over ’t hooge hek klauterde en nu met een behendig sprongetje midden tusschen de brandnetels en distels terecht kwam.

„Die durft, zeg!” klonk het bewonderend van Jo. „Verbeeld je, dat de Juffrouw er nu eens aankwam!”

„Kom hier staan, Bertha; zoo, en jij ook, Truus; anders ziet ze haar nog,” riep Mies, net alsof Doortje een van hun clubje was, die ze moesten beschermen en niet maar „dat kind.”

Zes neusjes tegen ’t latwerk gedrukt, zes paar oogen glurend door de tusschenruimten, vol aandacht turendnaar ’t kleine, donkere figuurtje, dat daar, of ’t zoo maar niets was, dapper op verboden terrein rondscharrelde tusschen de hooge brandnetels, die haar in ’t gezicht sloegen telkens als ze bukte, en de scherpe dorens, die haar jurk al hadden gescheurd en bloedige schrammen op haar handen achterlieten.

„Er moeten er wel een boel liggen! Maar zeg, zou jij ’t durven?” vroeg Bertha.

„Nee hoor, al waren ’t er honderd,” antwoordde Jo.

„Ze is er zeker dol op!”

„Nou, ze vindt er ook nooit eens een!”

„Nee, omdat zij niet hier op ons plaatsje mag zoeken; nogal glad!” riep Mies. „Jullie jagen haar altijd weg.”

„En jij dan? Net of jij ’t niet doet!”

„O, kijk toch eens wat een schort vol. Ze komt alweer terug.”

„Als de Juffrouw nu nog maar even weg blijft.”

Geen een zei: „wat zou dat—’t is immers „’t kind van Rietspaan” maar!”

Er waren ook meisjes uit andere klassen bij gekomen; allen stonden er nu in de grootste spanning naar te kijken, hoe Doortje, zoo vlug alsof ’t een dagelijksche toer voor haar was, weer over het hek klauterde.

Een beetje bedremmeld om ’t aangegroeide publiek, liep Doortje op de zes met ’t springtouw toe. Wat zag ze er uit met de blaren in haar gezichtje, de beschramde handen en de leelijke scheur in haar jurk!

„Daar,” zei ze en ze liet de punten van haar boezelaar los, zoodat al de noten over den grond rolden. „Voor jullie!”

De meisjes keken, alsof ze Latijn had gesproken.

„Toe dan, raapt ze op,” zei Doortje, terwijl ze de te veel naar ’t hek gerolde noten terugschopte. En toen, snibbig tegen een kind uit de laagste klas, dat wou bukken: „Blijf d’r af, jij—is niet voor jou!”

„En—en—jij hebt ze gehaald,” stotterde Mies nu. Jo, Truus en Lina waren al aan ’t oprapen.

„O, wat een hoop! Kijk toch eens, Mies!”

Nu lagen ze alle zes op den grond. Zakken en blouses werden volgestopt en juist perste Gonne de laatste in haar zak toen de bel luidde.

„Hier,” zei Mies haastig en ze wou Doortje een handvol toestoppen. „Waarom heb je zelf niet meegegrabbeld?”

Maar Doortje hield haar handen op den rug. Ze schudde van neen en keek bepaald heel donker, toen Mies ze haar wou opdringen.

Op ’t zelfde oogenblik kwam één der groote meisjes Doortje zeggen, dat ze bij de Directrice moest komen.

„Nu krijgt ze zeker een standje,” zei Mies halfluid, terwijl ze Doortje nakeek, die zoo blij wegliep, alsof haar in plaats van een standje een cadeautje wachtte. „Toch vreeselijk goedig van haar, ons al die noten te geven!”

„Ja; heb je ooit zoo’n mal schaap gezien?” vroeg Gonne lachend, waarna ze op haar luidruchtige manier ’t gebeurde aan meisjes, die er niet bij waren geweest, ging vertellen.

De andere drie kwamen er ook bij loopen, maar Jo voegde zich bij Mies.

„Zeg, ’k vind het vreeselijk sneu, dat ze haar toch heeft gezien. Zou ze erg boos wezen?”

Mies haalde haar schouders op.

„Weet je, Jo, ’k heb er erg ’t land over, dat we Doortje altijd zoo hebben geplaagd; ze is toch eigenlijk wel een aardig kind en—”

Jo gaf haar een duwtje. „Stil, de Juffrouw!”

De lessen begonnen, maar Mies kon er niet met haar gedachten bij blijven. Telkens keek ze om. Kwam Doortje nog niet? Dan was ’t zeker wel vreeselijk erg.

De noten lagen haar als lood in den zak.

Eindelijk, daar ging de deur open. De Directrice bracht Doortje zelf binnen. Ze zag er heelemaal niet boos uit, maar Doortje had een behuild gezichtje. Nu fluisterde de Directrice een heelen tijd met de Juffrouw, die toen ook heel vriendelijk tegen Doortje was.

In de eerste oogenblikken zaten ze allen heen en weer te draaien en haar aan te staren.

Toen de les werd voortgezet, ging ’t al wat beter en toen de Juffrouw begon te vertellen, zooals ze ’t laatste uur ’s Donderdagsochtends altijd deed, werden ze weer geheel rustig.

’t Was dan ook zoo’n mooi verhaal over een jongetje, dat in huis kwam bij een groot gezin, waar de kinderen niets lief voor hem waren en hem nooit meetelden, maar die hij toch langzamerhand door allerlei kleine vriendelijkheden voor zich wist te winnen.

En stopte haar opeens de noten in de tasch.En stopte haar opeens de noten in de tasch.

En stopte haar opeens de noten in de tasch.

Mies kon ’t niet helpen, dat ze gedurig aan Doortje moest denken. Er waren er wel meer, die aan Doortje dachten. Dat kon je wel zien aan het tot over de oorenkleuren van sommigen en het niet durven opkijken van anderen. Maar Mies liet ’t niet bij denken alleen. Om twaalf uur wachtte ze Doortje op en stopte haar op eens de noten in de tasch; diekonze nu gewoon niet houden!—

Doortje keek er nu niet donker om. Neen, ze lachte Mies, die haar gezellig een arm gaf, toe, door haar tranen heen, en fluisterde, een beetje verlegen nog, maar toch overgelukkig: „Die eet iknooitop—ik bewaar ze onder in mijn kastje en ik zal mijn Pa en Ma in Indië schrijven, dat jij zoo lief voor mij bent, ja?”

Even later vertelde zij met een stralend gezichtje aan Tante, dat haar beste vriendinnetje op haar jaardag zou komen; aan die had ze genoeg; en of ze dan mocht blijven eten ook.

En op ’t verwaarloosde plekje grond liet de noteboom, de oude vriend van de kinderen, voor en na al zijn noten tusschen de distels en brandnetels rollen. Slechts enkele kwamen er nog terecht bij de speelplaats, vlak bij ’t hek, waar Doortje toen dien ochtend over was geklommen.


Back to IndexNext