VAN TWEE PAAR PANTOFFELTJES EN NOG WAT.

VAN TWEE PAAR PANTOFFELTJES EN NOG WAT.Er was eens een klein meisje, dat in een groot huis woonde.Natuurlijk woonde zij daar niet alleen; kleine meisjes wonen nooit alleen ingrootehuizen! Wèl soms in gezelligekleinehuisjes, die ze zelf maken van een paar stoelen en stoven en een gordijn uit Moeders rommelkist en waarin ze met hun poppen huishouden, net precies zooals ze dat zelf willen.In groote huizen, waar ook nog groote menschen wonen, gaat hetnietaltijd precies zóó als de kleine meisjes het zelf willen.Dat is erg vervelend.Emma, zoo heette dit kleine meisje, wou bijvoorbeeld op St. Nicolaasavond volstrekt zoo lang opblijven als de groote menschen. Zij had gehoord, dat St. Nicolaas ’s avonds zou komen, als zij al lang in bed zou liggen, om wat in haar pantoffeltjes te brengen. Maar zijwoudan niet in bed liggen en al lang slapen, ze wouopzijnom den goeden Sint te zien; dat dit niet mocht, maakte haar erg verdrietig, ja, en stout óók, zóó zelfs, dat zij in haar drift haar pantoffeltjes omkeerde, zoodat ’t brood en ’t hooi, dat er voor ’t paard van St. Nicolaas in was gedaan, op den grond viel.Emma kon er nooit goed tegen, zie je, dat de dingen niet precies zóó gingen als zij het graag wou!’t Hielp niets; ze werd toch op ’t gewone uurtje in bed gestopt.——Maar Emma was een stijfkopje. Als zij dan niet òp mocht blijven, wou zij tenminste wàkker blijven, net zoolang tot St. Nicolaas kwam!Met dikke tranen nog in haar oogen, knipperde ze tegen het nachtlichtje en zag er allemaal mooie, gekleurde figuren in. Door dit aardige spelletje trok haar booze bui af en werd ze weer een tevreden, vroolijk, klein meisje.Gelukkig maar, anders zou ’t geen je nu zult hooren, niet gebeurd zijn.—’t Was zeker al heel, heel laat toen hij kwam, want ondanks haar plan om wakker te blijven, had Emma al geslapen en was de olie van het nachtpitje bijna opgebrand; ’t scheen als een gloeiende spijker in de duisternis en sputterde alsof ’t zóó uit zou gaan.Emma was niets verwonderd, toen ze St. Nicolaas bij den haard zag staan;—van bang zijn was natuurlijk geen sprake, welk kind zou er nu bang voor St. Nicolaas zijn!Nieuwsgierig keek ze wat hij deed: hij bukte zich over de omgekeerde pantoffeltjes en schudde het hoofd,want die pantoffeltjes vertelden hem wat van een klein meisje en een booze bui!Emma schaamde zich.St. Nicolaas bij den haard zag staan.St. Nicolaas bij den haard zag staan.„Ik zal er gauw ’t brood en ’t hooi weer in doen,” riep ze en stond meteen in haar lang, wit nachtjaponnetje voor St. Nicolaas.Deze keek haar vriendelijk aan.„Dat is braaf,” zei hij met zachte, diepe stem. „En kleed je dan maar eens warmpjes aan; je mag een uurtje met mij mee.”Emma trok vlug haar kleertjes aan.In gewone tijden kon ze dit niet alleen, maar nu ging het zoo vlot,—’t scheen wel of de knoopen vanzelf in de knoopsgaten, de haakjes vanzelf in de oogjes vlogen en de bandjes zichzelf strikten. Ze vroeg geen enkel keertje: „waar gaan we dan heen?” of „hoe kan dat?” en anders was ze toch zoo’n kleine vraagal! Zeker kwam het door ’t ongewone van ’t geval!Ja, ongewoon was het stellig wèl, dat daar een klein, klein meisje met St. Nicolaas voortreed door de stille,stille stad, waarop de zilveren sterren vriendelijk neerzagen.„Nu zal ik je mijn pakhuis eens laten kijken,” sprak St. Nicolaas en meteen hielden zij stil voor een groot gebouw aan ’t havenhoofd, niet ver van den steiger, waaraan „de stoomboot uit Spanje” vastgemeerd lag. Emma keek tersluiks naar de groote, witte boot. Ze was er dolgraag eens even op geweest, maar toen ze eenmaal in het pakhuis was, vergat ze dien wensch geheel en al. Er waren groote zalen, zoo vol van het prachtigste speelgoed, dat je wel zoo klein en behendig als Emma moest wezen om er gemakkelijk je weg tusschendoor te kunnen vinden. Het was er uitgestald op breede planken, die langs de wanden waren aangebracht, op lange, ruw houten tafels op schragen, die haast braken onder ’t gewicht van al deze schatten, ja en ook op den grond stonden zoo maar de prachtigste dingen. ’t Kon een wonder heeten, dat er nog niets gebroken of beschadigd was van de fijne eetserviesjes, tooverlantaarns, miniatuur-automobielen, poppenmeubels en al wat er maar meer voor breekbaars was.St. Nicolaas stond het glimlachend op den drempel aan te zien, hoe Emma vol verrukking rondhuppelde.„Als je kiezen mocht, wat zou je dan nemen?” vroeg hij.„Dit serviesje,” zei Emma, maar in ’t volgende oogenblik wees ze naar een groote pop, die een koffer beeldige kleertjes bij zich had. „O neen, veel liever deze mooie pop, alstublieft!”„Goed,” sprak St. Nicolaas; „maar nu moet je er ook bij blijven.”Van het speelgoed ging het naar de boekenbergplaats.Hier kwam Emma oogen te kort om al de prachtige prentenboeken te bekijken; om de boeken met enkel verhalen gaf ze niet veel, daar ze nog niet zóó vlot lezen kon.—Er waren er veel meer dan in den grooten boekwinkel, waar ze laatst met moeder was geweest. „Wel honderdduizend maal zooveel,” beweerde Emma opgetogen.„O neen, nog veel meer,” sprak St. Nicolaas. „Aan honderdduizend boekwinkels zou ik lang niet genoeg hebben. Je mag twee boeken uitzoeken, die je het mooist vindt.”Dit was een moeilijk geval. Emma zag wel boeken, waarvan ze wist dat haar broertje ze ’t allermooist zou vinden, maar voor zichzelf—en daar ging het nu toch om—was ze zoo gauw niet besloten. Ze liep van den eenen stapel naar den anderen en telkens meende ze nog een mooier boek te zien.Eindelijk had zij de allerprachtigste uitgezocht; ze handelden allebei over poppen.St. Nicolaas wachtte geduldig. ’t Scheen dat hij even, haast onmerkbaar, met ’t hoofd schudde. Mogelijk verbeeldde Emma ’t zich alleen maar.Toen ze de deur uit gingen, werd zij er als ’t ware toe gedrongen naar de jongensboeken te kijken, waarvan zij wist dat haar broertje ze zoo mooi zou vinden. Ze kon dat grootste nog wel nemen in ruil voor een van haar poppenboeken; St. Nicolaas zou ’t zeker goed vinden.Even draalde Emma—toen keerde ze zich om enliep weg, St. Nicolaas achterna; ze wou toch lieverhaarboek houden.Nu was er een reeks zalen aan de beurt, waar het wel Luilekkerland geleek, want al ’t lekkers, dat in den St. Nicolaasnacht „gereden” wordt, was hier opgestapeld. Bij zoo’n kolossale hoeveelheid was van uitstallen geen sprake meer geweest.Eindelijk had zij uitgezocht.Eindelijk had zij uitgezocht.Hoog opgestapeld lagen daar banketletters, torens vormend, die tot aan de zoldering reikten; ginds was een borstplaatberg en in ’t midden van de zalen kon je heelemaal niet loopen, want daar lagen hoopen en hoopen speculaaspoppen en taai-taai-figuren. ’t Kleine strooisuikergoed, de dieren van suiker en de chocoladeletters waren in reuzenkisten geborgen. St. Nicolaastilde Emma op om haar er in te laten kijken en toen mocht ze er allebei haar handen in steken; wat ze greep was van haar.Toen ze weer op den beganen grond stond, had ze in haar eene hand een konijntje en een poes van suiker en in haar andere hand een grooteDvan chocolade.1„Dat ismijnletter niet,” zei Emma, want eenbeetjelezen kon ze wel: „mijnletter is eenE!”St. Nicolaas glimlachte. „Ja, je hebt er dieDzelf uitgenomen; daar kan ik niets aan doen!”„EenDsmaakt ook wel lekker,” zei Emma toen vroolijk en ze zeurde heel niet om de letter nog te mogen ruilen, zooals ze op gewone tijden allicht bij Moeder zou hebben gedaan.Van Luilekkerland gingen zij naar de pakkamers, waar de zwarte knechts bezig waren duizenden manden in te pakken. Dit gebeurde in vliegende haast. Emma werd duizelig van ’t kijken alleen.Ze was blij, dat St. Nicolaas er bij was; de zwarte knechts trokken wel vriendelijke grimassen tegen haar, maar ze vond het toch wat griezelig hen zoo van dichtbij te zien.„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht,” sprak St. Nicolaas. „Daarom ga je nu weer naar huis; ik heb het erg druk.”De pop en de prentenboeken werden netjes ingepakt om bij Emma thuis bezorgd te worden—het lekkers wou ze liever in de hand houden—en voordat Emma’t wist, reed ze alweer met St. Nicolaas door de stille stad.„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht.”„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht.”„Hier in de buurt woont nòg een klein meisje, dat wel graag op had willen blijven om mij te zien, maarzijis er niet driftig om geworden, dat ’t niet kon,” sprak St. Nicolaas, toen ze bij een nauw steegje kwamen. „Ik weet, dat zij ook wakker is gebleven om op mij te wachten. We zullen er even binnengaan.”Hoe ’t gebeurd was, kon Emma later niet navertellen, maar opeens bevond ze zich met St. Nicolaas onder den schoorsteen van een armelijk vertrekje. St. Nicolaas maakte licht, want ’t was er donker.’t Allereerste wat Emma zag, was een paar pantoffeltjes met roggebrood er in. Ze stonden heel precies naast elkaar; stellig waren ze nog nooit in drift ondersteboven gegooid.Nieuwsgierig keek Emma er rond. ’t Kleine meisje, dat op St. Nicolaas wou wachten, lag zeker in ’t ledikantje, dat in een hoek van ’t kamertje stond.„Gaat zij nu óók al het moois zien?” fluisterde Emma een beetje verlegen, terwijl ze naar de toegeschoven gordijntjes wees, die zachtjes bewogen.„Dat kan niet; Doortje is ziek. Maar zij hoort er graag van vertellen en daarom heb ik je hier gebracht,” sprak St. Nicolaas.Een mager handje schoof nu de gordijntjes open en Doortje keek er uit.2O, zoo’n tevreden, gelukkige glimlach vloog over haar bleek gezichtje, toen ze St. Nicolaas zag!„Moeder zei: ’t gaf toch niets of ik al wakker bleef, want St. Nicolaas kwam toch niet, maar ik wist wel beter,” fluisterde zij.Onderwijl had St. Nicolaas het papier opgenomen, dat bij de pantoffeltjes lag. „Een schort voor Moeder; een pakje tabak voor Vader; een pet voor Jan en een dasje voor Trui,” las hij hardop.„En wat voor wensch heb je voor jezelf, mijn kind?” vroeg hij toen vriendelijk.„Ik ben al zoo blij dat ik u heb gezien,” stamelde Doortje, „ik hoef niets meer.”„O, maar als je mee hadt kunnen gaan en alles gezien hadt, zou je wèl wat weten te bedenken,” riep Emma nu uit, en haar verlegenheid vergetend, kwam ze dichterbij en begon opgetogen haar wederwaardigheden te vertellen.Doortje luisterde met stille verrukking.„Waren er ook naaidoosjes?” vroeg ze bedeesd, toen Emma even ophield om adem te scheppen; „een naaidoosje zou ik toch nog wel graag willen hebben als ’t niet te veel was! Dan kon ik Moeder helpen met haar naaiwerk.”Naaidoosjes? Ja, dat wist Emma niet. Zij had alleen maar naar dingen gekeken, waarzijplezier in had.Om zich uit de verlegenheid te redden, liet ze Doortje haar lekkers zien.„Kijk, een poes en een konijn van suiker en een D van chocolade, een groote! Wil je die hebben? Toe maar, ’t is allemaal voor jou! Wat treft het mooi, dat jouw naam juist met een D begint!”Emma was opgetogen over deze ontdekking; ze keek om en wou dit St. Nicolaas ook vertellen, maar.... ze zag St. Nicolaas niet meer.Wel zag ze bij den schoorsteen de pantoffeltjes met alles er in en er bij wat Doortje had gevraagd—óók zelfs een mooi naaidoosje. Emma wou het Doortje wijzen, maar ze kon niet—ze werd zoo vreemd moe en slaperig.„Ik moet ook naar huis,” zei ze nog en ’t geluid van haar stem klonk van heel ver af—ze knikkebolde, haar hoofdje gleed op zij—ze wist van niets meer.In den vroegen morgen was er een dik pak sneeuw gevallen. De witte, wollige, donzige massa schitterde op de daken en lag opgehoopt in de hoeken der vensterbanken tot groot vermaak van de kinderen, die toch al zoo uitgelaten waren op dezen morgen van den zesden December—zoekertjesdag!In de meeste huizen was de pret al lang in vollen gang, toen Emma—je weet wel, ’t kleine meisje, dat in ’t groote huis woonde en er niet tegen kon als de dingen niet precies zoo gingen als zij ’t graag wou—zich pas in haar warm bedje uitrekte, geeuwde en heel, heel langzaam wakker werd. Ze had niets geen haast om haar oogen open te doen. Als zij ze dicht hield, zag zij nog alles wat zij op haar tocht met St. Nicolaas gezien had. O, ze wist het nog zoo best! Alleen van wat er gebeurd was, nadat ze voor Doortje’s ledikantje in slaap was gevallen, kon zij zich niets herinneren. Maar nù lag zij toch weer in haar eigen bedje; dit wist zij wel, ook zonder dat zij haar oogen open deed.„’t Was toch zoo heerlijk,” zei ze halfluid, „en wat goed was het, dat ik er bij ongeluk een D uithaalde in plaats van een E!”„Langslaapstertje! Droomstertje!” klonk het lachend en toen werd Emma heelemaal wakker.„Droomstertje,” zei Moeder nog eens, „waar heb je het toch over? Doe je oogen maar gauw open en kijk dan eens wat St. Nicolaas je gebracht heeft!”In een wip was Emma nu overeind en wreef ze haar oogen uit.’t Brood en hooi was uit de pantoffeltjes verdwenen. Ze stonden op de tafel en er naast zat een mooie, groote pop met een open koffer vol beeldige kleertjes bij zich; twee prachtige prentenboeken lagen er bij.„Ik had ook nog lekkers,” zei Emma, „maar dat heb ik aan Doortje gegeven, omdat ze niets voor zichzelf vroeg; o ja, een naaidoosje, maar dat was om haar Moeder te helpen—ik bedoel: nietsprettigs.”„Kindje, ik geloof dat je nog droomt,” lachte Moeder weer, „hoe zou St. Nicolaas je nu geen lekkers gebracht hebben! Zie je dat bord niet staan?” Ze gaf Emma haar pantoffeltjes om aan te doen als ze uit bed stapte.„Ga nu je pop maar eens gauw bekijken! St. Nicolaas heeft het maar wat goed geraden, hé?”„Ik heb haar zelf uitgezocht,” zei Emma, terwijl ze haar op den arm nam, „maar eerst had ik een serviesje....” En toen vertelde ze Moeder alles van haar tocht.„Ik heb alleen maar dingen voor mezelf gekozen,” zei ze, toen ze aan ’t bezoek bij Doortje toe was, enkeek wat bedrukt. „Misschien was er wel een mooi naaidoosje geweest voor u en ik weet zeker, dat er een boek bij was, dat Broer graag zou gehad hebben;bijnahad ik het genomen in plaats van dat ééne poppenboek.—Ik ben bang, dat St. Nicolaas ’t niet heel aardig van me heeft gevonden!”„Moeder, dat heeft St. Nikolaas er nog neergezet!”„Moeder, dat heeft St. Nikolaas er nog neergezet!”—Maar toen kreeg ze haar bord lekkers in ’t oog, waar bovenop een groote E van chocolade lag.„Moeder, dat heeft St. Nicolaas er nog exprès neergezet, omdat ik ’t mijne heb weggegeven, denkt u ook niet?” riep ze opgetogen uit.„Ja, dàt heeft St. Nicolaas stellig gedaan, omdat hij daaruit gezien heeft, dat je toch ook nog wel graag om een ander denkt,” zei Moeder en gaf haar een kus.Emma bedacht zich even. „Moeder, weet u wat,” zei ze toen met een stralend gezichtje, „als St. Nicolaasweer komt, maak ik óók een verlanglijst, net als Doortje, en dan zet ik Broer’s pantoffels hier ook en die van Vader en van u.... maar niemand mag lezen wat ik er op schrijf.”„St. Nicolaas óók niet?” vroeg Moeder plagend.„Ja, St. Nicolaas juist wèl,” antwoordde Emma lachend en toen liet ze zich gauw helpen, want ze verlangde er naar klaar te zijn om ook Vader en Broer alles te vertellen.1Zietitelplaat.↑2Zieplaatje omslag.↑

VAN TWEE PAAR PANTOFFELTJES EN NOG WAT.Er was eens een klein meisje, dat in een groot huis woonde.Natuurlijk woonde zij daar niet alleen; kleine meisjes wonen nooit alleen ingrootehuizen! Wèl soms in gezelligekleinehuisjes, die ze zelf maken van een paar stoelen en stoven en een gordijn uit Moeders rommelkist en waarin ze met hun poppen huishouden, net precies zooals ze dat zelf willen.In groote huizen, waar ook nog groote menschen wonen, gaat hetnietaltijd precies zóó als de kleine meisjes het zelf willen.Dat is erg vervelend.Emma, zoo heette dit kleine meisje, wou bijvoorbeeld op St. Nicolaasavond volstrekt zoo lang opblijven als de groote menschen. Zij had gehoord, dat St. Nicolaas ’s avonds zou komen, als zij al lang in bed zou liggen, om wat in haar pantoffeltjes te brengen. Maar zijwoudan niet in bed liggen en al lang slapen, ze wouopzijnom den goeden Sint te zien; dat dit niet mocht, maakte haar erg verdrietig, ja, en stout óók, zóó zelfs, dat zij in haar drift haar pantoffeltjes omkeerde, zoodat ’t brood en ’t hooi, dat er voor ’t paard van St. Nicolaas in was gedaan, op den grond viel.Emma kon er nooit goed tegen, zie je, dat de dingen niet precies zóó gingen als zij het graag wou!’t Hielp niets; ze werd toch op ’t gewone uurtje in bed gestopt.——Maar Emma was een stijfkopje. Als zij dan niet òp mocht blijven, wou zij tenminste wàkker blijven, net zoolang tot St. Nicolaas kwam!Met dikke tranen nog in haar oogen, knipperde ze tegen het nachtlichtje en zag er allemaal mooie, gekleurde figuren in. Door dit aardige spelletje trok haar booze bui af en werd ze weer een tevreden, vroolijk, klein meisje.Gelukkig maar, anders zou ’t geen je nu zult hooren, niet gebeurd zijn.—’t Was zeker al heel, heel laat toen hij kwam, want ondanks haar plan om wakker te blijven, had Emma al geslapen en was de olie van het nachtpitje bijna opgebrand; ’t scheen als een gloeiende spijker in de duisternis en sputterde alsof ’t zóó uit zou gaan.Emma was niets verwonderd, toen ze St. Nicolaas bij den haard zag staan;—van bang zijn was natuurlijk geen sprake, welk kind zou er nu bang voor St. Nicolaas zijn!Nieuwsgierig keek ze wat hij deed: hij bukte zich over de omgekeerde pantoffeltjes en schudde het hoofd,want die pantoffeltjes vertelden hem wat van een klein meisje en een booze bui!Emma schaamde zich.St. Nicolaas bij den haard zag staan.St. Nicolaas bij den haard zag staan.„Ik zal er gauw ’t brood en ’t hooi weer in doen,” riep ze en stond meteen in haar lang, wit nachtjaponnetje voor St. Nicolaas.Deze keek haar vriendelijk aan.„Dat is braaf,” zei hij met zachte, diepe stem. „En kleed je dan maar eens warmpjes aan; je mag een uurtje met mij mee.”Emma trok vlug haar kleertjes aan.In gewone tijden kon ze dit niet alleen, maar nu ging het zoo vlot,—’t scheen wel of de knoopen vanzelf in de knoopsgaten, de haakjes vanzelf in de oogjes vlogen en de bandjes zichzelf strikten. Ze vroeg geen enkel keertje: „waar gaan we dan heen?” of „hoe kan dat?” en anders was ze toch zoo’n kleine vraagal! Zeker kwam het door ’t ongewone van ’t geval!Ja, ongewoon was het stellig wèl, dat daar een klein, klein meisje met St. Nicolaas voortreed door de stille,stille stad, waarop de zilveren sterren vriendelijk neerzagen.„Nu zal ik je mijn pakhuis eens laten kijken,” sprak St. Nicolaas en meteen hielden zij stil voor een groot gebouw aan ’t havenhoofd, niet ver van den steiger, waaraan „de stoomboot uit Spanje” vastgemeerd lag. Emma keek tersluiks naar de groote, witte boot. Ze was er dolgraag eens even op geweest, maar toen ze eenmaal in het pakhuis was, vergat ze dien wensch geheel en al. Er waren groote zalen, zoo vol van het prachtigste speelgoed, dat je wel zoo klein en behendig als Emma moest wezen om er gemakkelijk je weg tusschendoor te kunnen vinden. Het was er uitgestald op breede planken, die langs de wanden waren aangebracht, op lange, ruw houten tafels op schragen, die haast braken onder ’t gewicht van al deze schatten, ja en ook op den grond stonden zoo maar de prachtigste dingen. ’t Kon een wonder heeten, dat er nog niets gebroken of beschadigd was van de fijne eetserviesjes, tooverlantaarns, miniatuur-automobielen, poppenmeubels en al wat er maar meer voor breekbaars was.St. Nicolaas stond het glimlachend op den drempel aan te zien, hoe Emma vol verrukking rondhuppelde.„Als je kiezen mocht, wat zou je dan nemen?” vroeg hij.„Dit serviesje,” zei Emma, maar in ’t volgende oogenblik wees ze naar een groote pop, die een koffer beeldige kleertjes bij zich had. „O neen, veel liever deze mooie pop, alstublieft!”„Goed,” sprak St. Nicolaas; „maar nu moet je er ook bij blijven.”Van het speelgoed ging het naar de boekenbergplaats.Hier kwam Emma oogen te kort om al de prachtige prentenboeken te bekijken; om de boeken met enkel verhalen gaf ze niet veel, daar ze nog niet zóó vlot lezen kon.—Er waren er veel meer dan in den grooten boekwinkel, waar ze laatst met moeder was geweest. „Wel honderdduizend maal zooveel,” beweerde Emma opgetogen.„O neen, nog veel meer,” sprak St. Nicolaas. „Aan honderdduizend boekwinkels zou ik lang niet genoeg hebben. Je mag twee boeken uitzoeken, die je het mooist vindt.”Dit was een moeilijk geval. Emma zag wel boeken, waarvan ze wist dat haar broertje ze ’t allermooist zou vinden, maar voor zichzelf—en daar ging het nu toch om—was ze zoo gauw niet besloten. Ze liep van den eenen stapel naar den anderen en telkens meende ze nog een mooier boek te zien.Eindelijk had zij de allerprachtigste uitgezocht; ze handelden allebei over poppen.St. Nicolaas wachtte geduldig. ’t Scheen dat hij even, haast onmerkbaar, met ’t hoofd schudde. Mogelijk verbeeldde Emma ’t zich alleen maar.Toen ze de deur uit gingen, werd zij er als ’t ware toe gedrongen naar de jongensboeken te kijken, waarvan zij wist dat haar broertje ze zoo mooi zou vinden. Ze kon dat grootste nog wel nemen in ruil voor een van haar poppenboeken; St. Nicolaas zou ’t zeker goed vinden.Even draalde Emma—toen keerde ze zich om enliep weg, St. Nicolaas achterna; ze wou toch lieverhaarboek houden.Nu was er een reeks zalen aan de beurt, waar het wel Luilekkerland geleek, want al ’t lekkers, dat in den St. Nicolaasnacht „gereden” wordt, was hier opgestapeld. Bij zoo’n kolossale hoeveelheid was van uitstallen geen sprake meer geweest.Eindelijk had zij uitgezocht.Eindelijk had zij uitgezocht.Hoog opgestapeld lagen daar banketletters, torens vormend, die tot aan de zoldering reikten; ginds was een borstplaatberg en in ’t midden van de zalen kon je heelemaal niet loopen, want daar lagen hoopen en hoopen speculaaspoppen en taai-taai-figuren. ’t Kleine strooisuikergoed, de dieren van suiker en de chocoladeletters waren in reuzenkisten geborgen. St. Nicolaastilde Emma op om haar er in te laten kijken en toen mocht ze er allebei haar handen in steken; wat ze greep was van haar.Toen ze weer op den beganen grond stond, had ze in haar eene hand een konijntje en een poes van suiker en in haar andere hand een grooteDvan chocolade.1„Dat ismijnletter niet,” zei Emma, want eenbeetjelezen kon ze wel: „mijnletter is eenE!”St. Nicolaas glimlachte. „Ja, je hebt er dieDzelf uitgenomen; daar kan ik niets aan doen!”„EenDsmaakt ook wel lekker,” zei Emma toen vroolijk en ze zeurde heel niet om de letter nog te mogen ruilen, zooals ze op gewone tijden allicht bij Moeder zou hebben gedaan.Van Luilekkerland gingen zij naar de pakkamers, waar de zwarte knechts bezig waren duizenden manden in te pakken. Dit gebeurde in vliegende haast. Emma werd duizelig van ’t kijken alleen.Ze was blij, dat St. Nicolaas er bij was; de zwarte knechts trokken wel vriendelijke grimassen tegen haar, maar ze vond het toch wat griezelig hen zoo van dichtbij te zien.„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht,” sprak St. Nicolaas. „Daarom ga je nu weer naar huis; ik heb het erg druk.”De pop en de prentenboeken werden netjes ingepakt om bij Emma thuis bezorgd te worden—het lekkers wou ze liever in de hand houden—en voordat Emma’t wist, reed ze alweer met St. Nicolaas door de stille stad.„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht.”„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht.”„Hier in de buurt woont nòg een klein meisje, dat wel graag op had willen blijven om mij te zien, maarzijis er niet driftig om geworden, dat ’t niet kon,” sprak St. Nicolaas, toen ze bij een nauw steegje kwamen. „Ik weet, dat zij ook wakker is gebleven om op mij te wachten. We zullen er even binnengaan.”Hoe ’t gebeurd was, kon Emma later niet navertellen, maar opeens bevond ze zich met St. Nicolaas onder den schoorsteen van een armelijk vertrekje. St. Nicolaas maakte licht, want ’t was er donker.’t Allereerste wat Emma zag, was een paar pantoffeltjes met roggebrood er in. Ze stonden heel precies naast elkaar; stellig waren ze nog nooit in drift ondersteboven gegooid.Nieuwsgierig keek Emma er rond. ’t Kleine meisje, dat op St. Nicolaas wou wachten, lag zeker in ’t ledikantje, dat in een hoek van ’t kamertje stond.„Gaat zij nu óók al het moois zien?” fluisterde Emma een beetje verlegen, terwijl ze naar de toegeschoven gordijntjes wees, die zachtjes bewogen.„Dat kan niet; Doortje is ziek. Maar zij hoort er graag van vertellen en daarom heb ik je hier gebracht,” sprak St. Nicolaas.Een mager handje schoof nu de gordijntjes open en Doortje keek er uit.2O, zoo’n tevreden, gelukkige glimlach vloog over haar bleek gezichtje, toen ze St. Nicolaas zag!„Moeder zei: ’t gaf toch niets of ik al wakker bleef, want St. Nicolaas kwam toch niet, maar ik wist wel beter,” fluisterde zij.Onderwijl had St. Nicolaas het papier opgenomen, dat bij de pantoffeltjes lag. „Een schort voor Moeder; een pakje tabak voor Vader; een pet voor Jan en een dasje voor Trui,” las hij hardop.„En wat voor wensch heb je voor jezelf, mijn kind?” vroeg hij toen vriendelijk.„Ik ben al zoo blij dat ik u heb gezien,” stamelde Doortje, „ik hoef niets meer.”„O, maar als je mee hadt kunnen gaan en alles gezien hadt, zou je wèl wat weten te bedenken,” riep Emma nu uit, en haar verlegenheid vergetend, kwam ze dichterbij en begon opgetogen haar wederwaardigheden te vertellen.Doortje luisterde met stille verrukking.„Waren er ook naaidoosjes?” vroeg ze bedeesd, toen Emma even ophield om adem te scheppen; „een naaidoosje zou ik toch nog wel graag willen hebben als ’t niet te veel was! Dan kon ik Moeder helpen met haar naaiwerk.”Naaidoosjes? Ja, dat wist Emma niet. Zij had alleen maar naar dingen gekeken, waarzijplezier in had.Om zich uit de verlegenheid te redden, liet ze Doortje haar lekkers zien.„Kijk, een poes en een konijn van suiker en een D van chocolade, een groote! Wil je die hebben? Toe maar, ’t is allemaal voor jou! Wat treft het mooi, dat jouw naam juist met een D begint!”Emma was opgetogen over deze ontdekking; ze keek om en wou dit St. Nicolaas ook vertellen, maar.... ze zag St. Nicolaas niet meer.Wel zag ze bij den schoorsteen de pantoffeltjes met alles er in en er bij wat Doortje had gevraagd—óók zelfs een mooi naaidoosje. Emma wou het Doortje wijzen, maar ze kon niet—ze werd zoo vreemd moe en slaperig.„Ik moet ook naar huis,” zei ze nog en ’t geluid van haar stem klonk van heel ver af—ze knikkebolde, haar hoofdje gleed op zij—ze wist van niets meer.In den vroegen morgen was er een dik pak sneeuw gevallen. De witte, wollige, donzige massa schitterde op de daken en lag opgehoopt in de hoeken der vensterbanken tot groot vermaak van de kinderen, die toch al zoo uitgelaten waren op dezen morgen van den zesden December—zoekertjesdag!In de meeste huizen was de pret al lang in vollen gang, toen Emma—je weet wel, ’t kleine meisje, dat in ’t groote huis woonde en er niet tegen kon als de dingen niet precies zoo gingen als zij ’t graag wou—zich pas in haar warm bedje uitrekte, geeuwde en heel, heel langzaam wakker werd. Ze had niets geen haast om haar oogen open te doen. Als zij ze dicht hield, zag zij nog alles wat zij op haar tocht met St. Nicolaas gezien had. O, ze wist het nog zoo best! Alleen van wat er gebeurd was, nadat ze voor Doortje’s ledikantje in slaap was gevallen, kon zij zich niets herinneren. Maar nù lag zij toch weer in haar eigen bedje; dit wist zij wel, ook zonder dat zij haar oogen open deed.„’t Was toch zoo heerlijk,” zei ze halfluid, „en wat goed was het, dat ik er bij ongeluk een D uithaalde in plaats van een E!”„Langslaapstertje! Droomstertje!” klonk het lachend en toen werd Emma heelemaal wakker.„Droomstertje,” zei Moeder nog eens, „waar heb je het toch over? Doe je oogen maar gauw open en kijk dan eens wat St. Nicolaas je gebracht heeft!”In een wip was Emma nu overeind en wreef ze haar oogen uit.’t Brood en hooi was uit de pantoffeltjes verdwenen. Ze stonden op de tafel en er naast zat een mooie, groote pop met een open koffer vol beeldige kleertjes bij zich; twee prachtige prentenboeken lagen er bij.„Ik had ook nog lekkers,” zei Emma, „maar dat heb ik aan Doortje gegeven, omdat ze niets voor zichzelf vroeg; o ja, een naaidoosje, maar dat was om haar Moeder te helpen—ik bedoel: nietsprettigs.”„Kindje, ik geloof dat je nog droomt,” lachte Moeder weer, „hoe zou St. Nicolaas je nu geen lekkers gebracht hebben! Zie je dat bord niet staan?” Ze gaf Emma haar pantoffeltjes om aan te doen als ze uit bed stapte.„Ga nu je pop maar eens gauw bekijken! St. Nicolaas heeft het maar wat goed geraden, hé?”„Ik heb haar zelf uitgezocht,” zei Emma, terwijl ze haar op den arm nam, „maar eerst had ik een serviesje....” En toen vertelde ze Moeder alles van haar tocht.„Ik heb alleen maar dingen voor mezelf gekozen,” zei ze, toen ze aan ’t bezoek bij Doortje toe was, enkeek wat bedrukt. „Misschien was er wel een mooi naaidoosje geweest voor u en ik weet zeker, dat er een boek bij was, dat Broer graag zou gehad hebben;bijnahad ik het genomen in plaats van dat ééne poppenboek.—Ik ben bang, dat St. Nicolaas ’t niet heel aardig van me heeft gevonden!”„Moeder, dat heeft St. Nikolaas er nog neergezet!”„Moeder, dat heeft St. Nikolaas er nog neergezet!”—Maar toen kreeg ze haar bord lekkers in ’t oog, waar bovenop een groote E van chocolade lag.„Moeder, dat heeft St. Nicolaas er nog exprès neergezet, omdat ik ’t mijne heb weggegeven, denkt u ook niet?” riep ze opgetogen uit.„Ja, dàt heeft St. Nicolaas stellig gedaan, omdat hij daaruit gezien heeft, dat je toch ook nog wel graag om een ander denkt,” zei Moeder en gaf haar een kus.Emma bedacht zich even. „Moeder, weet u wat,” zei ze toen met een stralend gezichtje, „als St. Nicolaasweer komt, maak ik óók een verlanglijst, net als Doortje, en dan zet ik Broer’s pantoffels hier ook en die van Vader en van u.... maar niemand mag lezen wat ik er op schrijf.”„St. Nicolaas óók niet?” vroeg Moeder plagend.„Ja, St. Nicolaas juist wèl,” antwoordde Emma lachend en toen liet ze zich gauw helpen, want ze verlangde er naar klaar te zijn om ook Vader en Broer alles te vertellen.1Zietitelplaat.↑2Zieplaatje omslag.↑

VAN TWEE PAAR PANTOFFELTJES EN NOG WAT.

Er was eens een klein meisje, dat in een groot huis woonde.Natuurlijk woonde zij daar niet alleen; kleine meisjes wonen nooit alleen ingrootehuizen! Wèl soms in gezelligekleinehuisjes, die ze zelf maken van een paar stoelen en stoven en een gordijn uit Moeders rommelkist en waarin ze met hun poppen huishouden, net precies zooals ze dat zelf willen.In groote huizen, waar ook nog groote menschen wonen, gaat hetnietaltijd precies zóó als de kleine meisjes het zelf willen.Dat is erg vervelend.Emma, zoo heette dit kleine meisje, wou bijvoorbeeld op St. Nicolaasavond volstrekt zoo lang opblijven als de groote menschen. Zij had gehoord, dat St. Nicolaas ’s avonds zou komen, als zij al lang in bed zou liggen, om wat in haar pantoffeltjes te brengen. Maar zijwoudan niet in bed liggen en al lang slapen, ze wouopzijnom den goeden Sint te zien; dat dit niet mocht, maakte haar erg verdrietig, ja, en stout óók, zóó zelfs, dat zij in haar drift haar pantoffeltjes omkeerde, zoodat ’t brood en ’t hooi, dat er voor ’t paard van St. Nicolaas in was gedaan, op den grond viel.Emma kon er nooit goed tegen, zie je, dat de dingen niet precies zóó gingen als zij het graag wou!’t Hielp niets; ze werd toch op ’t gewone uurtje in bed gestopt.——Maar Emma was een stijfkopje. Als zij dan niet òp mocht blijven, wou zij tenminste wàkker blijven, net zoolang tot St. Nicolaas kwam!Met dikke tranen nog in haar oogen, knipperde ze tegen het nachtlichtje en zag er allemaal mooie, gekleurde figuren in. Door dit aardige spelletje trok haar booze bui af en werd ze weer een tevreden, vroolijk, klein meisje.Gelukkig maar, anders zou ’t geen je nu zult hooren, niet gebeurd zijn.—’t Was zeker al heel, heel laat toen hij kwam, want ondanks haar plan om wakker te blijven, had Emma al geslapen en was de olie van het nachtpitje bijna opgebrand; ’t scheen als een gloeiende spijker in de duisternis en sputterde alsof ’t zóó uit zou gaan.Emma was niets verwonderd, toen ze St. Nicolaas bij den haard zag staan;—van bang zijn was natuurlijk geen sprake, welk kind zou er nu bang voor St. Nicolaas zijn!Nieuwsgierig keek ze wat hij deed: hij bukte zich over de omgekeerde pantoffeltjes en schudde het hoofd,want die pantoffeltjes vertelden hem wat van een klein meisje en een booze bui!Emma schaamde zich.St. Nicolaas bij den haard zag staan.St. Nicolaas bij den haard zag staan.„Ik zal er gauw ’t brood en ’t hooi weer in doen,” riep ze en stond meteen in haar lang, wit nachtjaponnetje voor St. Nicolaas.Deze keek haar vriendelijk aan.„Dat is braaf,” zei hij met zachte, diepe stem. „En kleed je dan maar eens warmpjes aan; je mag een uurtje met mij mee.”Emma trok vlug haar kleertjes aan.In gewone tijden kon ze dit niet alleen, maar nu ging het zoo vlot,—’t scheen wel of de knoopen vanzelf in de knoopsgaten, de haakjes vanzelf in de oogjes vlogen en de bandjes zichzelf strikten. Ze vroeg geen enkel keertje: „waar gaan we dan heen?” of „hoe kan dat?” en anders was ze toch zoo’n kleine vraagal! Zeker kwam het door ’t ongewone van ’t geval!Ja, ongewoon was het stellig wèl, dat daar een klein, klein meisje met St. Nicolaas voortreed door de stille,stille stad, waarop de zilveren sterren vriendelijk neerzagen.„Nu zal ik je mijn pakhuis eens laten kijken,” sprak St. Nicolaas en meteen hielden zij stil voor een groot gebouw aan ’t havenhoofd, niet ver van den steiger, waaraan „de stoomboot uit Spanje” vastgemeerd lag. Emma keek tersluiks naar de groote, witte boot. Ze was er dolgraag eens even op geweest, maar toen ze eenmaal in het pakhuis was, vergat ze dien wensch geheel en al. Er waren groote zalen, zoo vol van het prachtigste speelgoed, dat je wel zoo klein en behendig als Emma moest wezen om er gemakkelijk je weg tusschendoor te kunnen vinden. Het was er uitgestald op breede planken, die langs de wanden waren aangebracht, op lange, ruw houten tafels op schragen, die haast braken onder ’t gewicht van al deze schatten, ja en ook op den grond stonden zoo maar de prachtigste dingen. ’t Kon een wonder heeten, dat er nog niets gebroken of beschadigd was van de fijne eetserviesjes, tooverlantaarns, miniatuur-automobielen, poppenmeubels en al wat er maar meer voor breekbaars was.St. Nicolaas stond het glimlachend op den drempel aan te zien, hoe Emma vol verrukking rondhuppelde.„Als je kiezen mocht, wat zou je dan nemen?” vroeg hij.„Dit serviesje,” zei Emma, maar in ’t volgende oogenblik wees ze naar een groote pop, die een koffer beeldige kleertjes bij zich had. „O neen, veel liever deze mooie pop, alstublieft!”„Goed,” sprak St. Nicolaas; „maar nu moet je er ook bij blijven.”Van het speelgoed ging het naar de boekenbergplaats.Hier kwam Emma oogen te kort om al de prachtige prentenboeken te bekijken; om de boeken met enkel verhalen gaf ze niet veel, daar ze nog niet zóó vlot lezen kon.—Er waren er veel meer dan in den grooten boekwinkel, waar ze laatst met moeder was geweest. „Wel honderdduizend maal zooveel,” beweerde Emma opgetogen.„O neen, nog veel meer,” sprak St. Nicolaas. „Aan honderdduizend boekwinkels zou ik lang niet genoeg hebben. Je mag twee boeken uitzoeken, die je het mooist vindt.”Dit was een moeilijk geval. Emma zag wel boeken, waarvan ze wist dat haar broertje ze ’t allermooist zou vinden, maar voor zichzelf—en daar ging het nu toch om—was ze zoo gauw niet besloten. Ze liep van den eenen stapel naar den anderen en telkens meende ze nog een mooier boek te zien.Eindelijk had zij de allerprachtigste uitgezocht; ze handelden allebei over poppen.St. Nicolaas wachtte geduldig. ’t Scheen dat hij even, haast onmerkbaar, met ’t hoofd schudde. Mogelijk verbeeldde Emma ’t zich alleen maar.Toen ze de deur uit gingen, werd zij er als ’t ware toe gedrongen naar de jongensboeken te kijken, waarvan zij wist dat haar broertje ze zoo mooi zou vinden. Ze kon dat grootste nog wel nemen in ruil voor een van haar poppenboeken; St. Nicolaas zou ’t zeker goed vinden.Even draalde Emma—toen keerde ze zich om enliep weg, St. Nicolaas achterna; ze wou toch lieverhaarboek houden.Nu was er een reeks zalen aan de beurt, waar het wel Luilekkerland geleek, want al ’t lekkers, dat in den St. Nicolaasnacht „gereden” wordt, was hier opgestapeld. Bij zoo’n kolossale hoeveelheid was van uitstallen geen sprake meer geweest.Eindelijk had zij uitgezocht.Eindelijk had zij uitgezocht.Hoog opgestapeld lagen daar banketletters, torens vormend, die tot aan de zoldering reikten; ginds was een borstplaatberg en in ’t midden van de zalen kon je heelemaal niet loopen, want daar lagen hoopen en hoopen speculaaspoppen en taai-taai-figuren. ’t Kleine strooisuikergoed, de dieren van suiker en de chocoladeletters waren in reuzenkisten geborgen. St. Nicolaastilde Emma op om haar er in te laten kijken en toen mocht ze er allebei haar handen in steken; wat ze greep was van haar.Toen ze weer op den beganen grond stond, had ze in haar eene hand een konijntje en een poes van suiker en in haar andere hand een grooteDvan chocolade.1„Dat ismijnletter niet,” zei Emma, want eenbeetjelezen kon ze wel: „mijnletter is eenE!”St. Nicolaas glimlachte. „Ja, je hebt er dieDzelf uitgenomen; daar kan ik niets aan doen!”„EenDsmaakt ook wel lekker,” zei Emma toen vroolijk en ze zeurde heel niet om de letter nog te mogen ruilen, zooals ze op gewone tijden allicht bij Moeder zou hebben gedaan.Van Luilekkerland gingen zij naar de pakkamers, waar de zwarte knechts bezig waren duizenden manden in te pakken. Dit gebeurde in vliegende haast. Emma werd duizelig van ’t kijken alleen.Ze was blij, dat St. Nicolaas er bij was; de zwarte knechts trokken wel vriendelijke grimassen tegen haar, maar ze vond het toch wat griezelig hen zoo van dichtbij te zien.„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht,” sprak St. Nicolaas. „Daarom ga je nu weer naar huis; ik heb het erg druk.”De pop en de prentenboeken werden netjes ingepakt om bij Emma thuis bezorgd te worden—het lekkers wou ze liever in de hand houden—en voordat Emma’t wist, reed ze alweer met St. Nicolaas door de stille stad.„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht.”„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht.”„Hier in de buurt woont nòg een klein meisje, dat wel graag op had willen blijven om mij te zien, maarzijis er niet driftig om geworden, dat ’t niet kon,” sprak St. Nicolaas, toen ze bij een nauw steegje kwamen. „Ik weet, dat zij ook wakker is gebleven om op mij te wachten. We zullen er even binnengaan.”Hoe ’t gebeurd was, kon Emma later niet navertellen, maar opeens bevond ze zich met St. Nicolaas onder den schoorsteen van een armelijk vertrekje. St. Nicolaas maakte licht, want ’t was er donker.’t Allereerste wat Emma zag, was een paar pantoffeltjes met roggebrood er in. Ze stonden heel precies naast elkaar; stellig waren ze nog nooit in drift ondersteboven gegooid.Nieuwsgierig keek Emma er rond. ’t Kleine meisje, dat op St. Nicolaas wou wachten, lag zeker in ’t ledikantje, dat in een hoek van ’t kamertje stond.„Gaat zij nu óók al het moois zien?” fluisterde Emma een beetje verlegen, terwijl ze naar de toegeschoven gordijntjes wees, die zachtjes bewogen.„Dat kan niet; Doortje is ziek. Maar zij hoort er graag van vertellen en daarom heb ik je hier gebracht,” sprak St. Nicolaas.Een mager handje schoof nu de gordijntjes open en Doortje keek er uit.2O, zoo’n tevreden, gelukkige glimlach vloog over haar bleek gezichtje, toen ze St. Nicolaas zag!„Moeder zei: ’t gaf toch niets of ik al wakker bleef, want St. Nicolaas kwam toch niet, maar ik wist wel beter,” fluisterde zij.Onderwijl had St. Nicolaas het papier opgenomen, dat bij de pantoffeltjes lag. „Een schort voor Moeder; een pakje tabak voor Vader; een pet voor Jan en een dasje voor Trui,” las hij hardop.„En wat voor wensch heb je voor jezelf, mijn kind?” vroeg hij toen vriendelijk.„Ik ben al zoo blij dat ik u heb gezien,” stamelde Doortje, „ik hoef niets meer.”„O, maar als je mee hadt kunnen gaan en alles gezien hadt, zou je wèl wat weten te bedenken,” riep Emma nu uit, en haar verlegenheid vergetend, kwam ze dichterbij en begon opgetogen haar wederwaardigheden te vertellen.Doortje luisterde met stille verrukking.„Waren er ook naaidoosjes?” vroeg ze bedeesd, toen Emma even ophield om adem te scheppen; „een naaidoosje zou ik toch nog wel graag willen hebben als ’t niet te veel was! Dan kon ik Moeder helpen met haar naaiwerk.”Naaidoosjes? Ja, dat wist Emma niet. Zij had alleen maar naar dingen gekeken, waarzijplezier in had.Om zich uit de verlegenheid te redden, liet ze Doortje haar lekkers zien.„Kijk, een poes en een konijn van suiker en een D van chocolade, een groote! Wil je die hebben? Toe maar, ’t is allemaal voor jou! Wat treft het mooi, dat jouw naam juist met een D begint!”Emma was opgetogen over deze ontdekking; ze keek om en wou dit St. Nicolaas ook vertellen, maar.... ze zag St. Nicolaas niet meer.Wel zag ze bij den schoorsteen de pantoffeltjes met alles er in en er bij wat Doortje had gevraagd—óók zelfs een mooi naaidoosje. Emma wou het Doortje wijzen, maar ze kon niet—ze werd zoo vreemd moe en slaperig.„Ik moet ook naar huis,” zei ze nog en ’t geluid van haar stem klonk van heel ver af—ze knikkebolde, haar hoofdje gleed op zij—ze wist van niets meer.In den vroegen morgen was er een dik pak sneeuw gevallen. De witte, wollige, donzige massa schitterde op de daken en lag opgehoopt in de hoeken der vensterbanken tot groot vermaak van de kinderen, die toch al zoo uitgelaten waren op dezen morgen van den zesden December—zoekertjesdag!In de meeste huizen was de pret al lang in vollen gang, toen Emma—je weet wel, ’t kleine meisje, dat in ’t groote huis woonde en er niet tegen kon als de dingen niet precies zoo gingen als zij ’t graag wou—zich pas in haar warm bedje uitrekte, geeuwde en heel, heel langzaam wakker werd. Ze had niets geen haast om haar oogen open te doen. Als zij ze dicht hield, zag zij nog alles wat zij op haar tocht met St. Nicolaas gezien had. O, ze wist het nog zoo best! Alleen van wat er gebeurd was, nadat ze voor Doortje’s ledikantje in slaap was gevallen, kon zij zich niets herinneren. Maar nù lag zij toch weer in haar eigen bedje; dit wist zij wel, ook zonder dat zij haar oogen open deed.„’t Was toch zoo heerlijk,” zei ze halfluid, „en wat goed was het, dat ik er bij ongeluk een D uithaalde in plaats van een E!”„Langslaapstertje! Droomstertje!” klonk het lachend en toen werd Emma heelemaal wakker.„Droomstertje,” zei Moeder nog eens, „waar heb je het toch over? Doe je oogen maar gauw open en kijk dan eens wat St. Nicolaas je gebracht heeft!”In een wip was Emma nu overeind en wreef ze haar oogen uit.’t Brood en hooi was uit de pantoffeltjes verdwenen. Ze stonden op de tafel en er naast zat een mooie, groote pop met een open koffer vol beeldige kleertjes bij zich; twee prachtige prentenboeken lagen er bij.„Ik had ook nog lekkers,” zei Emma, „maar dat heb ik aan Doortje gegeven, omdat ze niets voor zichzelf vroeg; o ja, een naaidoosje, maar dat was om haar Moeder te helpen—ik bedoel: nietsprettigs.”„Kindje, ik geloof dat je nog droomt,” lachte Moeder weer, „hoe zou St. Nicolaas je nu geen lekkers gebracht hebben! Zie je dat bord niet staan?” Ze gaf Emma haar pantoffeltjes om aan te doen als ze uit bed stapte.„Ga nu je pop maar eens gauw bekijken! St. Nicolaas heeft het maar wat goed geraden, hé?”„Ik heb haar zelf uitgezocht,” zei Emma, terwijl ze haar op den arm nam, „maar eerst had ik een serviesje....” En toen vertelde ze Moeder alles van haar tocht.„Ik heb alleen maar dingen voor mezelf gekozen,” zei ze, toen ze aan ’t bezoek bij Doortje toe was, enkeek wat bedrukt. „Misschien was er wel een mooi naaidoosje geweest voor u en ik weet zeker, dat er een boek bij was, dat Broer graag zou gehad hebben;bijnahad ik het genomen in plaats van dat ééne poppenboek.—Ik ben bang, dat St. Nicolaas ’t niet heel aardig van me heeft gevonden!”„Moeder, dat heeft St. Nikolaas er nog neergezet!”„Moeder, dat heeft St. Nikolaas er nog neergezet!”—Maar toen kreeg ze haar bord lekkers in ’t oog, waar bovenop een groote E van chocolade lag.„Moeder, dat heeft St. Nicolaas er nog exprès neergezet, omdat ik ’t mijne heb weggegeven, denkt u ook niet?” riep ze opgetogen uit.„Ja, dàt heeft St. Nicolaas stellig gedaan, omdat hij daaruit gezien heeft, dat je toch ook nog wel graag om een ander denkt,” zei Moeder en gaf haar een kus.Emma bedacht zich even. „Moeder, weet u wat,” zei ze toen met een stralend gezichtje, „als St. Nicolaasweer komt, maak ik óók een verlanglijst, net als Doortje, en dan zet ik Broer’s pantoffels hier ook en die van Vader en van u.... maar niemand mag lezen wat ik er op schrijf.”„St. Nicolaas óók niet?” vroeg Moeder plagend.„Ja, St. Nicolaas juist wèl,” antwoordde Emma lachend en toen liet ze zich gauw helpen, want ze verlangde er naar klaar te zijn om ook Vader en Broer alles te vertellen.

Er was eens een klein meisje, dat in een groot huis woonde.

Natuurlijk woonde zij daar niet alleen; kleine meisjes wonen nooit alleen ingrootehuizen! Wèl soms in gezelligekleinehuisjes, die ze zelf maken van een paar stoelen en stoven en een gordijn uit Moeders rommelkist en waarin ze met hun poppen huishouden, net precies zooals ze dat zelf willen.

In groote huizen, waar ook nog groote menschen wonen, gaat hetnietaltijd precies zóó als de kleine meisjes het zelf willen.

Dat is erg vervelend.

Emma, zoo heette dit kleine meisje, wou bijvoorbeeld op St. Nicolaasavond volstrekt zoo lang opblijven als de groote menschen. Zij had gehoord, dat St. Nicolaas ’s avonds zou komen, als zij al lang in bed zou liggen, om wat in haar pantoffeltjes te brengen. Maar zijwoudan niet in bed liggen en al lang slapen, ze wouopzijnom den goeden Sint te zien; dat dit niet mocht, maakte haar erg verdrietig, ja, en stout óók, zóó zelfs, dat zij in haar drift haar pantoffeltjes omkeerde, zoodat ’t brood en ’t hooi, dat er voor ’t paard van St. Nicolaas in was gedaan, op den grond viel.

Emma kon er nooit goed tegen, zie je, dat de dingen niet precies zóó gingen als zij het graag wou!

’t Hielp niets; ze werd toch op ’t gewone uurtje in bed gestopt.—

—Maar Emma was een stijfkopje. Als zij dan niet òp mocht blijven, wou zij tenminste wàkker blijven, net zoolang tot St. Nicolaas kwam!

Met dikke tranen nog in haar oogen, knipperde ze tegen het nachtlichtje en zag er allemaal mooie, gekleurde figuren in. Door dit aardige spelletje trok haar booze bui af en werd ze weer een tevreden, vroolijk, klein meisje.

Gelukkig maar, anders zou ’t geen je nu zult hooren, niet gebeurd zijn.

—’t Was zeker al heel, heel laat toen hij kwam, want ondanks haar plan om wakker te blijven, had Emma al geslapen en was de olie van het nachtpitje bijna opgebrand; ’t scheen als een gloeiende spijker in de duisternis en sputterde alsof ’t zóó uit zou gaan.

Emma was niets verwonderd, toen ze St. Nicolaas bij den haard zag staan;—van bang zijn was natuurlijk geen sprake, welk kind zou er nu bang voor St. Nicolaas zijn!

Nieuwsgierig keek ze wat hij deed: hij bukte zich over de omgekeerde pantoffeltjes en schudde het hoofd,want die pantoffeltjes vertelden hem wat van een klein meisje en een booze bui!

Emma schaamde zich.

St. Nicolaas bij den haard zag staan.St. Nicolaas bij den haard zag staan.

St. Nicolaas bij den haard zag staan.

„Ik zal er gauw ’t brood en ’t hooi weer in doen,” riep ze en stond meteen in haar lang, wit nachtjaponnetje voor St. Nicolaas.

Deze keek haar vriendelijk aan.

„Dat is braaf,” zei hij met zachte, diepe stem. „En kleed je dan maar eens warmpjes aan; je mag een uurtje met mij mee.”

Emma trok vlug haar kleertjes aan.

In gewone tijden kon ze dit niet alleen, maar nu ging het zoo vlot,—’t scheen wel of de knoopen vanzelf in de knoopsgaten, de haakjes vanzelf in de oogjes vlogen en de bandjes zichzelf strikten. Ze vroeg geen enkel keertje: „waar gaan we dan heen?” of „hoe kan dat?” en anders was ze toch zoo’n kleine vraagal! Zeker kwam het door ’t ongewone van ’t geval!

Ja, ongewoon was het stellig wèl, dat daar een klein, klein meisje met St. Nicolaas voortreed door de stille,stille stad, waarop de zilveren sterren vriendelijk neerzagen.

„Nu zal ik je mijn pakhuis eens laten kijken,” sprak St. Nicolaas en meteen hielden zij stil voor een groot gebouw aan ’t havenhoofd, niet ver van den steiger, waaraan „de stoomboot uit Spanje” vastgemeerd lag. Emma keek tersluiks naar de groote, witte boot. Ze was er dolgraag eens even op geweest, maar toen ze eenmaal in het pakhuis was, vergat ze dien wensch geheel en al. Er waren groote zalen, zoo vol van het prachtigste speelgoed, dat je wel zoo klein en behendig als Emma moest wezen om er gemakkelijk je weg tusschendoor te kunnen vinden. Het was er uitgestald op breede planken, die langs de wanden waren aangebracht, op lange, ruw houten tafels op schragen, die haast braken onder ’t gewicht van al deze schatten, ja en ook op den grond stonden zoo maar de prachtigste dingen. ’t Kon een wonder heeten, dat er nog niets gebroken of beschadigd was van de fijne eetserviesjes, tooverlantaarns, miniatuur-automobielen, poppenmeubels en al wat er maar meer voor breekbaars was.

St. Nicolaas stond het glimlachend op den drempel aan te zien, hoe Emma vol verrukking rondhuppelde.

„Als je kiezen mocht, wat zou je dan nemen?” vroeg hij.

„Dit serviesje,” zei Emma, maar in ’t volgende oogenblik wees ze naar een groote pop, die een koffer beeldige kleertjes bij zich had. „O neen, veel liever deze mooie pop, alstublieft!”

„Goed,” sprak St. Nicolaas; „maar nu moet je er ook bij blijven.”

Van het speelgoed ging het naar de boekenbergplaats.

Hier kwam Emma oogen te kort om al de prachtige prentenboeken te bekijken; om de boeken met enkel verhalen gaf ze niet veel, daar ze nog niet zóó vlot lezen kon.—Er waren er veel meer dan in den grooten boekwinkel, waar ze laatst met moeder was geweest. „Wel honderdduizend maal zooveel,” beweerde Emma opgetogen.

„O neen, nog veel meer,” sprak St. Nicolaas. „Aan honderdduizend boekwinkels zou ik lang niet genoeg hebben. Je mag twee boeken uitzoeken, die je het mooist vindt.”

Dit was een moeilijk geval. Emma zag wel boeken, waarvan ze wist dat haar broertje ze ’t allermooist zou vinden, maar voor zichzelf—en daar ging het nu toch om—was ze zoo gauw niet besloten. Ze liep van den eenen stapel naar den anderen en telkens meende ze nog een mooier boek te zien.

Eindelijk had zij de allerprachtigste uitgezocht; ze handelden allebei over poppen.

St. Nicolaas wachtte geduldig. ’t Scheen dat hij even, haast onmerkbaar, met ’t hoofd schudde. Mogelijk verbeeldde Emma ’t zich alleen maar.

Toen ze de deur uit gingen, werd zij er als ’t ware toe gedrongen naar de jongensboeken te kijken, waarvan zij wist dat haar broertje ze zoo mooi zou vinden. Ze kon dat grootste nog wel nemen in ruil voor een van haar poppenboeken; St. Nicolaas zou ’t zeker goed vinden.

Even draalde Emma—toen keerde ze zich om enliep weg, St. Nicolaas achterna; ze wou toch lieverhaarboek houden.

Nu was er een reeks zalen aan de beurt, waar het wel Luilekkerland geleek, want al ’t lekkers, dat in den St. Nicolaasnacht „gereden” wordt, was hier opgestapeld. Bij zoo’n kolossale hoeveelheid was van uitstallen geen sprake meer geweest.

Eindelijk had zij uitgezocht.Eindelijk had zij uitgezocht.

Eindelijk had zij uitgezocht.

Hoog opgestapeld lagen daar banketletters, torens vormend, die tot aan de zoldering reikten; ginds was een borstplaatberg en in ’t midden van de zalen kon je heelemaal niet loopen, want daar lagen hoopen en hoopen speculaaspoppen en taai-taai-figuren. ’t Kleine strooisuikergoed, de dieren van suiker en de chocoladeletters waren in reuzenkisten geborgen. St. Nicolaastilde Emma op om haar er in te laten kijken en toen mocht ze er allebei haar handen in steken; wat ze greep was van haar.

Toen ze weer op den beganen grond stond, had ze in haar eene hand een konijntje en een poes van suiker en in haar andere hand een grooteDvan chocolade.1

„Dat ismijnletter niet,” zei Emma, want eenbeetjelezen kon ze wel: „mijnletter is eenE!”

St. Nicolaas glimlachte. „Ja, je hebt er dieDzelf uitgenomen; daar kan ik niets aan doen!”

„EenDsmaakt ook wel lekker,” zei Emma toen vroolijk en ze zeurde heel niet om de letter nog te mogen ruilen, zooals ze op gewone tijden allicht bij Moeder zou hebben gedaan.

Van Luilekkerland gingen zij naar de pakkamers, waar de zwarte knechts bezig waren duizenden manden in te pakken. Dit gebeurde in vliegende haast. Emma werd duizelig van ’t kijken alleen.

Ze was blij, dat St. Nicolaas er bij was; de zwarte knechts trokken wel vriendelijke grimassen tegen haar, maar ze vond het toch wat griezelig hen zoo van dichtbij te zien.

„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht,” sprak St. Nicolaas. „Daarom ga je nu weer naar huis; ik heb het erg druk.”

De pop en de prentenboeken werden netjes ingepakt om bij Emma thuis bezorgd te worden—het lekkers wou ze liever in de hand houden—en voordat Emma’t wist, reed ze alweer met St. Nicolaas door de stille stad.

„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht.”„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht.”

„Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht.”

„Hier in de buurt woont nòg een klein meisje, dat wel graag op had willen blijven om mij te zien, maarzijis er niet driftig om geworden, dat ’t niet kon,” sprak St. Nicolaas, toen ze bij een nauw steegje kwamen. „Ik weet, dat zij ook wakker is gebleven om op mij te wachten. We zullen er even binnengaan.”

Hoe ’t gebeurd was, kon Emma later niet navertellen, maar opeens bevond ze zich met St. Nicolaas onder den schoorsteen van een armelijk vertrekje. St. Nicolaas maakte licht, want ’t was er donker.

’t Allereerste wat Emma zag, was een paar pantoffeltjes met roggebrood er in. Ze stonden heel precies naast elkaar; stellig waren ze nog nooit in drift ondersteboven gegooid.

Nieuwsgierig keek Emma er rond. ’t Kleine meisje, dat op St. Nicolaas wou wachten, lag zeker in ’t ledikantje, dat in een hoek van ’t kamertje stond.

„Gaat zij nu óók al het moois zien?” fluisterde Emma een beetje verlegen, terwijl ze naar de toegeschoven gordijntjes wees, die zachtjes bewogen.

„Dat kan niet; Doortje is ziek. Maar zij hoort er graag van vertellen en daarom heb ik je hier gebracht,” sprak St. Nicolaas.

Een mager handje schoof nu de gordijntjes open en Doortje keek er uit.2O, zoo’n tevreden, gelukkige glimlach vloog over haar bleek gezichtje, toen ze St. Nicolaas zag!

„Moeder zei: ’t gaf toch niets of ik al wakker bleef, want St. Nicolaas kwam toch niet, maar ik wist wel beter,” fluisterde zij.

Onderwijl had St. Nicolaas het papier opgenomen, dat bij de pantoffeltjes lag. „Een schort voor Moeder; een pakje tabak voor Vader; een pet voor Jan en een dasje voor Trui,” las hij hardop.

„En wat voor wensch heb je voor jezelf, mijn kind?” vroeg hij toen vriendelijk.

„Ik ben al zoo blij dat ik u heb gezien,” stamelde Doortje, „ik hoef niets meer.”

„O, maar als je mee hadt kunnen gaan en alles gezien hadt, zou je wèl wat weten te bedenken,” riep Emma nu uit, en haar verlegenheid vergetend, kwam ze dichterbij en begon opgetogen haar wederwaardigheden te vertellen.

Doortje luisterde met stille verrukking.

„Waren er ook naaidoosjes?” vroeg ze bedeesd, toen Emma even ophield om adem te scheppen; „een naaidoosje zou ik toch nog wel graag willen hebben als ’t niet te veel was! Dan kon ik Moeder helpen met haar naaiwerk.”

Naaidoosjes? Ja, dat wist Emma niet. Zij had alleen maar naar dingen gekeken, waarzijplezier in had.

Om zich uit de verlegenheid te redden, liet ze Doortje haar lekkers zien.

„Kijk, een poes en een konijn van suiker en een D van chocolade, een groote! Wil je die hebben? Toe maar, ’t is allemaal voor jou! Wat treft het mooi, dat jouw naam juist met een D begint!”

Emma was opgetogen over deze ontdekking; ze keek om en wou dit St. Nicolaas ook vertellen, maar.... ze zag St. Nicolaas niet meer.

Wel zag ze bij den schoorsteen de pantoffeltjes met alles er in en er bij wat Doortje had gevraagd—óók zelfs een mooi naaidoosje. Emma wou het Doortje wijzen, maar ze kon niet—ze werd zoo vreemd moe en slaperig.

„Ik moet ook naar huis,” zei ze nog en ’t geluid van haar stem klonk van heel ver af—ze knikkebolde, haar hoofdje gleed op zij—ze wist van niets meer.

In den vroegen morgen was er een dik pak sneeuw gevallen. De witte, wollige, donzige massa schitterde op de daken en lag opgehoopt in de hoeken der vensterbanken tot groot vermaak van de kinderen, die toch al zoo uitgelaten waren op dezen morgen van den zesden December—zoekertjesdag!

In de meeste huizen was de pret al lang in vollen gang, toen Emma—je weet wel, ’t kleine meisje, dat in ’t groote huis woonde en er niet tegen kon als de dingen niet precies zoo gingen als zij ’t graag wou—zich pas in haar warm bedje uitrekte, geeuwde en heel, heel langzaam wakker werd. Ze had niets geen haast om haar oogen open te doen. Als zij ze dicht hield, zag zij nog alles wat zij op haar tocht met St. Nicolaas gezien had. O, ze wist het nog zoo best! Alleen van wat er gebeurd was, nadat ze voor Doortje’s ledikantje in slaap was gevallen, kon zij zich niets herinneren. Maar nù lag zij toch weer in haar eigen bedje; dit wist zij wel, ook zonder dat zij haar oogen open deed.

„’t Was toch zoo heerlijk,” zei ze halfluid, „en wat goed was het, dat ik er bij ongeluk een D uithaalde in plaats van een E!”

„Langslaapstertje! Droomstertje!” klonk het lachend en toen werd Emma heelemaal wakker.

„Droomstertje,” zei Moeder nog eens, „waar heb je het toch over? Doe je oogen maar gauw open en kijk dan eens wat St. Nicolaas je gebracht heeft!”

In een wip was Emma nu overeind en wreef ze haar oogen uit.

’t Brood en hooi was uit de pantoffeltjes verdwenen. Ze stonden op de tafel en er naast zat een mooie, groote pop met een open koffer vol beeldige kleertjes bij zich; twee prachtige prentenboeken lagen er bij.

„Ik had ook nog lekkers,” zei Emma, „maar dat heb ik aan Doortje gegeven, omdat ze niets voor zichzelf vroeg; o ja, een naaidoosje, maar dat was om haar Moeder te helpen—ik bedoel: nietsprettigs.”

„Kindje, ik geloof dat je nog droomt,” lachte Moeder weer, „hoe zou St. Nicolaas je nu geen lekkers gebracht hebben! Zie je dat bord niet staan?” Ze gaf Emma haar pantoffeltjes om aan te doen als ze uit bed stapte.

„Ga nu je pop maar eens gauw bekijken! St. Nicolaas heeft het maar wat goed geraden, hé?”

„Ik heb haar zelf uitgezocht,” zei Emma, terwijl ze haar op den arm nam, „maar eerst had ik een serviesje....” En toen vertelde ze Moeder alles van haar tocht.

„Ik heb alleen maar dingen voor mezelf gekozen,” zei ze, toen ze aan ’t bezoek bij Doortje toe was, enkeek wat bedrukt. „Misschien was er wel een mooi naaidoosje geweest voor u en ik weet zeker, dat er een boek bij was, dat Broer graag zou gehad hebben;bijnahad ik het genomen in plaats van dat ééne poppenboek.—Ik ben bang, dat St. Nicolaas ’t niet heel aardig van me heeft gevonden!”

„Moeder, dat heeft St. Nikolaas er nog neergezet!”„Moeder, dat heeft St. Nikolaas er nog neergezet!”

„Moeder, dat heeft St. Nikolaas er nog neergezet!”

—Maar toen kreeg ze haar bord lekkers in ’t oog, waar bovenop een groote E van chocolade lag.

„Moeder, dat heeft St. Nicolaas er nog exprès neergezet, omdat ik ’t mijne heb weggegeven, denkt u ook niet?” riep ze opgetogen uit.

„Ja, dàt heeft St. Nicolaas stellig gedaan, omdat hij daaruit gezien heeft, dat je toch ook nog wel graag om een ander denkt,” zei Moeder en gaf haar een kus.

Emma bedacht zich even. „Moeder, weet u wat,” zei ze toen met een stralend gezichtje, „als St. Nicolaasweer komt, maak ik óók een verlanglijst, net als Doortje, en dan zet ik Broer’s pantoffels hier ook en die van Vader en van u.... maar niemand mag lezen wat ik er op schrijf.”

„St. Nicolaas óók niet?” vroeg Moeder plagend.

„Ja, St. Nicolaas juist wèl,” antwoordde Emma lachend en toen liet ze zich gauw helpen, want ze verlangde er naar klaar te zijn om ook Vader en Broer alles te vertellen.

1Zietitelplaat.↑2Zieplaatje omslag.↑

1Zietitelplaat.↑

2Zieplaatje omslag.↑


Back to IndexNext