[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.VERZAMELDETOONEELSPELENENOPSTELLEN-OVER-TOONEELDOORHERM. HEIJERMANS Jr.EERSTE DEEL.I. UITKOMST (1907).—II. VREEMDE JACHT (1907).AMSTERDAM—S. L. VAN LOOY—1909.Het recht van opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).[V][Inhoud]VOORWOORD.De noodig geworden herdrukken van verschillende Spelen, en de „voorraad” nieuwe, deed tot de uitgave in dezen vorm besluiten.Achtereenvolgens, niet in chronologische orde, zullen in deze Bundels tooneelstukken en vroeger gepubliceerde opstellen-over-tooneel verschijnen, de laatste voornamelijk om tegenover uitnemend-malle tijdsverschijnselen de meening van iemand te stellen, die er van af zijne eerste kleine daad voor het Hollandsch tooneel op wees, dat het gekakel der velerlei stuurlieden-aan-den-wal, die dagelijks, wekelijks, maandelijks, met gezwollen strotjes en zelfgenoegzame gebaren, de wegen beduiden, die tot „verheffing van het tooneel” moeten voeren—dat het gezwam dezer wijzen over „technische” tooneel-inrichting, over de noodzakelijkheid van een „intiem tooneel”, over een „keurtroep”, over stuitende „tendenz”, over.….… „nieuwe idealen”—en wat voorts het allegaartje van breede bepeinzing, mode en snobisme pleegt te baren—dat het waanwijs en potsierlijk betoog dezer scribenten, die in den grond oparbeidvan anderen parasiteeren, in diepste mate belachelijk is.Of men zich in het eigen land of daarbuiten bevindt: overal domineert de wet,dat kunst en kunstenaars afhankelijk zijn, dat eene op loondienst gebaseerde Gemeenschap in directe wisselwerking slechts dàt[VI]klasse-vermaak op den duur duldt, hetwelk zich aan haar in levensbeschouwing onderwerpt.Deze maatschappij met haar verwelkte idealen, haar gemis aan respect voor eigen verleden zelfs, kàn geen ander plankenland hebben dan zij bezit.Iedere poging, buiten maatschappelijke werking om, moge eenige jaren bijzonderen schijn wekken—zij is voor den ontleder van het verval een relletje.De waarachtige hervorming van het tooneel, waarlijk bijzaak naast zooveel gewichtiger aangelegenheden,heeft eene gezonde gelukkige, sterke Gemeenschap noodig.„Zullen?”, vroeg ’k in 1899 („Tooneel en Maatschappij”): „zullen dan al de gewichtigen, pedantjes en half-wetenden, die met kunst en nog eens met kunst sollen, nooit snappen, dat dezelfde fataliteitswet eene kommerciëele maatschappij en haar verschijnselen beheerscht?… Het verval van het tooneel is een camera-obscura-beeld van het verval der maatschappij …”Het verval in Holland—het zij, bij het in gang zetten dezer Serie en tot besluit van een Voorwoord, dat in na te komen Opstellen behoorlijk gedocumenteerden weerklank vindt, opgemerkt—is niet zoo deerlijk als het verval in het buitenland.Gewend als wij tam-nuchtere, betweterige Hollanders zijn, om alles wat we in de meerendeels duffe geledingen van ons openbaar leven opletten, met breeder geteem dan voor de beteekenis der zaak passend is, aan de voornaam-geestelijke spelingen onzer ik-jes te toetsen, willen we het dikwerf doen voorkomen, of wij in het zog van imponeerende buitenlandsche zeekasteelen loeven.Dit is lak.We behoeven ons zelven niet ontuchtiger voor te stellen, dan de grove ontucht der omstandigheden het bepaalt.In alle landen der nog tierig-ongecultiveerde wereld, zwiept de maatschappelijke verwording tot bruuter, afstootenderschouwburg-industrie, dan bij ons mógelijk is.Wie ruimer ziet en zijneheroïschetheater-inzichten, niet tot de paar goedige Hollandsche tooneelgezelschapjes besnoeit, weet dat nergens het gekristalliseerd klassevermaak zoo schel bovendrijft als in de groote kunst-centra van Europa.De heerschende klasse héérscht daar vet-lippig en met een gefatigeerden lach.De theaterkas-bijdragen van het „schellinkje” kunnen er gemist worden.[VII]De heele bouw van den schouwburg is eene verteedering tegenover duur-betalenden—’n lompe minachting tegenover het plebs, dat daar-boven nauwelijks zien kan en de kwalijke lucht van benee gul-weg geschonken krijgt.In klein-burgerlijk Holland kan de theater-ondernemer den engelenbak finantieel niet uitschakelen. Bij de lauwe schouwburgrecettes heeft ’t schellinkje een zwakke stem in het kapittel.Dat is een voorrecht.Tot de ziekelijke decadentie van theater-luxe-doosjes (spot en hoon van alle gemeenschapskunst) zullen wij nimmer geraken.Het intelligent, óók betalend schellinkje is in Hollandsche schouwburgen een „ballast”, dien het buitenland met zijn volslagen met-handen-en-voeten-overgeleverd zijn aanduurdereplaatsen niet kent.Mij dunkt dat deherwonnen voelingmet een deel van het publiek, tegen gindsche techniek en gindsche monteering ruimschoots opweegt.De toekomst met haar onafwendbare gebeurtenissen is aan de proletarische levensbeschouwing—aan het proletariaat.De eerste kunst-stappen dier toekomst lijken voor de kleine, afgezonderde, niet door de groot-industrie ook op dàt gebied dood-gemoorde landen weggelegd.Men kan zich in de onderstelling vergissen: het gezond verstand en de feiten stutten het vermoeden naar alle zijden.Noch in Denemarken, noch in Zweden, noch in Holland (om drie voorbeelden van politiek en economisch zwakke volkeren te geven) zal het vermaak zóó industrieel kunnen ontaarden als in steden met wereldrumoer.Daarenboven hebben wij eene literatuur, rijper, rijker van basis, dan menig ander land, eene literatuur die—op mannen met gemeenschapsbegrip wacht.Een volk naar zijn geestelijke zoekers schattend en niet naar zijn rampzalig geprots met oorlogsmateriaal en weelde, hebben wij in het begin dezer eeuw het verlof te glimlachen.En het geblaas over het verval der kunstenten onzent, het gekef der velen die van geen oorzaak en verband weten en hoera kermen bij het gedobber van een giorno-lampje in een donkeren stormnacht, mogen we als ondoordacht gedoe, gelijk iedere periode in onverschillig welken tijd, ’t te slikken kreeg, aanvaarden.De kunstzinnige hervorming van het tooneel kaneerst na[VIII]het herstel eener waarlijke maatschappelijke orde—door samenwerking der zusterkunsten, geschieden.Van de spelers is thans niet meer te eischen dan de dictator Theaterkas1veroorlooft.Deze hard-werkende lieden over het inzakken van hun vak te beschimpen, hen met hautaine woorden (op puur vermoeden van hoe u ’t achter uw inktpot zou willen hebben—u, hum!) de les te lezen, is ook daarom in verhouding tot het wurmend gerepeteer, het reizen, trekken en spelen dier menschen, zoo dom, laf en tergend-quasi, omdat er slechts een paar in Holland zijn, in staat een vakkundigen raad te geven.En die paar zwijgen.In tijden van infectie pijnigt en geeselt men liever geen geïnfecteerden—men tracht de infectie te verwijderen, infectie die op tooneelgebied in bijkomende mate in de schouwburgen zelf woekert.En de tooneelstukken?Wel, vrienden—we weten hoe laat het is.…Hoe sterk het verval zich ook hierin openbaart: het geblinddoekt ideaal, het ideaaltje dat in het verleden blijft scharrelen en het Komende niet zien wil—het ideaal dat met lodderende oogjens ’n fopspeen belurkt en zich als nieuw-verniste pagode bij het ongevaarlijk klasse-vermaak voegt—dat ideaal met ’n horrelvoet en ’n waterhoofd, vooral bang en pretentieus tegenover het eenig Ideaal-van-klassieke-vormen dat „in ’t Oosten daagt”—dat ideaal kan bezwaarlijk thàns nog in de tent der getuigenis worden toegelaten.[IX]Voor ons, socialisten en „materialisten”, zij het een genot in een worstelenden overgangstijd tot ontwaking van derden bij te dragen.Voor ons is deze periode van frissche ontroeringen—heeft éénige generatie zooveel meegemaakt?—eene in schoonheid groeiendewerkelijkheid, waarvan elk nieuw gerucht de wilskracht versterkt.Heeft de geestelijke arbeider meerder fossiel recht te „blijven leven” dan ontelbare andere arbeiders, die zich over de heele wereld voor nobele gemeenschapsbelangen offeren?Is het al niet eene vreugde een klein dienaar der samenleving te zijn—reiken we mekaar niet van geslacht op geslacht de hand?Is het geloof in de toekomst, waartoe men meê heeftgetracht, niet overvoldoende om blijmoedig voort te gaan?Al zou al je geschrevene tot verdorrend loof behooren—haha, wat deert het! Je hebt je tijd zoo kostelijk, zoo heerlijk-willend meegeleefd, zoo diep-hartstochtelijk, zoo met gebalde vuisten, zoo begaan, zoo in-afwachting, zoo met den teederen lach van genegenheid, dat je menschelijk-tevreden kan zijn.…HEIJERMANS.Berlijn, Augustus 1909.[1]1„Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n theaterbureau”.…„Aanteekeningen over Tooneel”,XXste Eeuw, Januari 1906.↑
[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.VERZAMELDETOONEELSPELENENOPSTELLEN-OVER-TOONEELDOORHERM. HEIJERMANS Jr.EERSTE DEEL.I. UITKOMST (1907).—II. VREEMDE JACHT (1907).AMSTERDAM—S. L. VAN LOOY—1909.Het recht van opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).[V][Inhoud]VOORWOORD.De noodig geworden herdrukken van verschillende Spelen, en de „voorraad” nieuwe, deed tot de uitgave in dezen vorm besluiten.Achtereenvolgens, niet in chronologische orde, zullen in deze Bundels tooneelstukken en vroeger gepubliceerde opstellen-over-tooneel verschijnen, de laatste voornamelijk om tegenover uitnemend-malle tijdsverschijnselen de meening van iemand te stellen, die er van af zijne eerste kleine daad voor het Hollandsch tooneel op wees, dat het gekakel der velerlei stuurlieden-aan-den-wal, die dagelijks, wekelijks, maandelijks, met gezwollen strotjes en zelfgenoegzame gebaren, de wegen beduiden, die tot „verheffing van het tooneel” moeten voeren—dat het gezwam dezer wijzen over „technische” tooneel-inrichting, over de noodzakelijkheid van een „intiem tooneel”, over een „keurtroep”, over stuitende „tendenz”, over.….… „nieuwe idealen”—en wat voorts het allegaartje van breede bepeinzing, mode en snobisme pleegt te baren—dat het waanwijs en potsierlijk betoog dezer scribenten, die in den grond oparbeidvan anderen parasiteeren, in diepste mate belachelijk is.Of men zich in het eigen land of daarbuiten bevindt: overal domineert de wet,dat kunst en kunstenaars afhankelijk zijn, dat eene op loondienst gebaseerde Gemeenschap in directe wisselwerking slechts dàt[VI]klasse-vermaak op den duur duldt, hetwelk zich aan haar in levensbeschouwing onderwerpt.Deze maatschappij met haar verwelkte idealen, haar gemis aan respect voor eigen verleden zelfs, kàn geen ander plankenland hebben dan zij bezit.Iedere poging, buiten maatschappelijke werking om, moge eenige jaren bijzonderen schijn wekken—zij is voor den ontleder van het verval een relletje.De waarachtige hervorming van het tooneel, waarlijk bijzaak naast zooveel gewichtiger aangelegenheden,heeft eene gezonde gelukkige, sterke Gemeenschap noodig.„Zullen?”, vroeg ’k in 1899 („Tooneel en Maatschappij”): „zullen dan al de gewichtigen, pedantjes en half-wetenden, die met kunst en nog eens met kunst sollen, nooit snappen, dat dezelfde fataliteitswet eene kommerciëele maatschappij en haar verschijnselen beheerscht?… Het verval van het tooneel is een camera-obscura-beeld van het verval der maatschappij …”Het verval in Holland—het zij, bij het in gang zetten dezer Serie en tot besluit van een Voorwoord, dat in na te komen Opstellen behoorlijk gedocumenteerden weerklank vindt, opgemerkt—is niet zoo deerlijk als het verval in het buitenland.Gewend als wij tam-nuchtere, betweterige Hollanders zijn, om alles wat we in de meerendeels duffe geledingen van ons openbaar leven opletten, met breeder geteem dan voor de beteekenis der zaak passend is, aan de voornaam-geestelijke spelingen onzer ik-jes te toetsen, willen we het dikwerf doen voorkomen, of wij in het zog van imponeerende buitenlandsche zeekasteelen loeven.Dit is lak.We behoeven ons zelven niet ontuchtiger voor te stellen, dan de grove ontucht der omstandigheden het bepaalt.In alle landen der nog tierig-ongecultiveerde wereld, zwiept de maatschappelijke verwording tot bruuter, afstootenderschouwburg-industrie, dan bij ons mógelijk is.Wie ruimer ziet en zijneheroïschetheater-inzichten, niet tot de paar goedige Hollandsche tooneelgezelschapjes besnoeit, weet dat nergens het gekristalliseerd klassevermaak zoo schel bovendrijft als in de groote kunst-centra van Europa.De heerschende klasse héérscht daar vet-lippig en met een gefatigeerden lach.De theaterkas-bijdragen van het „schellinkje” kunnen er gemist worden.[VII]De heele bouw van den schouwburg is eene verteedering tegenover duur-betalenden—’n lompe minachting tegenover het plebs, dat daar-boven nauwelijks zien kan en de kwalijke lucht van benee gul-weg geschonken krijgt.In klein-burgerlijk Holland kan de theater-ondernemer den engelenbak finantieel niet uitschakelen. Bij de lauwe schouwburgrecettes heeft ’t schellinkje een zwakke stem in het kapittel.Dat is een voorrecht.Tot de ziekelijke decadentie van theater-luxe-doosjes (spot en hoon van alle gemeenschapskunst) zullen wij nimmer geraken.Het intelligent, óók betalend schellinkje is in Hollandsche schouwburgen een „ballast”, dien het buitenland met zijn volslagen met-handen-en-voeten-overgeleverd zijn aanduurdereplaatsen niet kent.Mij dunkt dat deherwonnen voelingmet een deel van het publiek, tegen gindsche techniek en gindsche monteering ruimschoots opweegt.De toekomst met haar onafwendbare gebeurtenissen is aan de proletarische levensbeschouwing—aan het proletariaat.De eerste kunst-stappen dier toekomst lijken voor de kleine, afgezonderde, niet door de groot-industrie ook op dàt gebied dood-gemoorde landen weggelegd.Men kan zich in de onderstelling vergissen: het gezond verstand en de feiten stutten het vermoeden naar alle zijden.Noch in Denemarken, noch in Zweden, noch in Holland (om drie voorbeelden van politiek en economisch zwakke volkeren te geven) zal het vermaak zóó industrieel kunnen ontaarden als in steden met wereldrumoer.Daarenboven hebben wij eene literatuur, rijper, rijker van basis, dan menig ander land, eene literatuur die—op mannen met gemeenschapsbegrip wacht.Een volk naar zijn geestelijke zoekers schattend en niet naar zijn rampzalig geprots met oorlogsmateriaal en weelde, hebben wij in het begin dezer eeuw het verlof te glimlachen.En het geblaas over het verval der kunstenten onzent, het gekef der velen die van geen oorzaak en verband weten en hoera kermen bij het gedobber van een giorno-lampje in een donkeren stormnacht, mogen we als ondoordacht gedoe, gelijk iedere periode in onverschillig welken tijd, ’t te slikken kreeg, aanvaarden.De kunstzinnige hervorming van het tooneel kaneerst na[VIII]het herstel eener waarlijke maatschappelijke orde—door samenwerking der zusterkunsten, geschieden.Van de spelers is thans niet meer te eischen dan de dictator Theaterkas1veroorlooft.Deze hard-werkende lieden over het inzakken van hun vak te beschimpen, hen met hautaine woorden (op puur vermoeden van hoe u ’t achter uw inktpot zou willen hebben—u, hum!) de les te lezen, is ook daarom in verhouding tot het wurmend gerepeteer, het reizen, trekken en spelen dier menschen, zoo dom, laf en tergend-quasi, omdat er slechts een paar in Holland zijn, in staat een vakkundigen raad te geven.En die paar zwijgen.In tijden van infectie pijnigt en geeselt men liever geen geïnfecteerden—men tracht de infectie te verwijderen, infectie die op tooneelgebied in bijkomende mate in de schouwburgen zelf woekert.En de tooneelstukken?Wel, vrienden—we weten hoe laat het is.…Hoe sterk het verval zich ook hierin openbaart: het geblinddoekt ideaal, het ideaaltje dat in het verleden blijft scharrelen en het Komende niet zien wil—het ideaal dat met lodderende oogjens ’n fopspeen belurkt en zich als nieuw-verniste pagode bij het ongevaarlijk klasse-vermaak voegt—dat ideaal met ’n horrelvoet en ’n waterhoofd, vooral bang en pretentieus tegenover het eenig Ideaal-van-klassieke-vormen dat „in ’t Oosten daagt”—dat ideaal kan bezwaarlijk thàns nog in de tent der getuigenis worden toegelaten.[IX]Voor ons, socialisten en „materialisten”, zij het een genot in een worstelenden overgangstijd tot ontwaking van derden bij te dragen.Voor ons is deze periode van frissche ontroeringen—heeft éénige generatie zooveel meegemaakt?—eene in schoonheid groeiendewerkelijkheid, waarvan elk nieuw gerucht de wilskracht versterkt.Heeft de geestelijke arbeider meerder fossiel recht te „blijven leven” dan ontelbare andere arbeiders, die zich over de heele wereld voor nobele gemeenschapsbelangen offeren?Is het al niet eene vreugde een klein dienaar der samenleving te zijn—reiken we mekaar niet van geslacht op geslacht de hand?Is het geloof in de toekomst, waartoe men meê heeftgetracht, niet overvoldoende om blijmoedig voort te gaan?Al zou al je geschrevene tot verdorrend loof behooren—haha, wat deert het! Je hebt je tijd zoo kostelijk, zoo heerlijk-willend meegeleefd, zoo diep-hartstochtelijk, zoo met gebalde vuisten, zoo begaan, zoo in-afwachting, zoo met den teederen lach van genegenheid, dat je menschelijk-tevreden kan zijn.…HEIJERMANS.Berlijn, Augustus 1909.[1]1„Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n theaterbureau”.…„Aanteekeningen over Tooneel”,XXste Eeuw, Januari 1906.↑
[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.VERZAMELDETOONEELSPELENENOPSTELLEN-OVER-TOONEELDOORHERM. HEIJERMANS Jr.EERSTE DEEL.I. UITKOMST (1907).—II. VREEMDE JACHT (1907).AMSTERDAM—S. L. VAN LOOY—1909.Het recht van opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).[V][Inhoud]VOORWOORD.De noodig geworden herdrukken van verschillende Spelen, en de „voorraad” nieuwe, deed tot de uitgave in dezen vorm besluiten.Achtereenvolgens, niet in chronologische orde, zullen in deze Bundels tooneelstukken en vroeger gepubliceerde opstellen-over-tooneel verschijnen, de laatste voornamelijk om tegenover uitnemend-malle tijdsverschijnselen de meening van iemand te stellen, die er van af zijne eerste kleine daad voor het Hollandsch tooneel op wees, dat het gekakel der velerlei stuurlieden-aan-den-wal, die dagelijks, wekelijks, maandelijks, met gezwollen strotjes en zelfgenoegzame gebaren, de wegen beduiden, die tot „verheffing van het tooneel” moeten voeren—dat het gezwam dezer wijzen over „technische” tooneel-inrichting, over de noodzakelijkheid van een „intiem tooneel”, over een „keurtroep”, over stuitende „tendenz”, over.….… „nieuwe idealen”—en wat voorts het allegaartje van breede bepeinzing, mode en snobisme pleegt te baren—dat het waanwijs en potsierlijk betoog dezer scribenten, die in den grond oparbeidvan anderen parasiteeren, in diepste mate belachelijk is.Of men zich in het eigen land of daarbuiten bevindt: overal domineert de wet,dat kunst en kunstenaars afhankelijk zijn, dat eene op loondienst gebaseerde Gemeenschap in directe wisselwerking slechts dàt[VI]klasse-vermaak op den duur duldt, hetwelk zich aan haar in levensbeschouwing onderwerpt.Deze maatschappij met haar verwelkte idealen, haar gemis aan respect voor eigen verleden zelfs, kàn geen ander plankenland hebben dan zij bezit.Iedere poging, buiten maatschappelijke werking om, moge eenige jaren bijzonderen schijn wekken—zij is voor den ontleder van het verval een relletje.De waarachtige hervorming van het tooneel, waarlijk bijzaak naast zooveel gewichtiger aangelegenheden,heeft eene gezonde gelukkige, sterke Gemeenschap noodig.„Zullen?”, vroeg ’k in 1899 („Tooneel en Maatschappij”): „zullen dan al de gewichtigen, pedantjes en half-wetenden, die met kunst en nog eens met kunst sollen, nooit snappen, dat dezelfde fataliteitswet eene kommerciëele maatschappij en haar verschijnselen beheerscht?… Het verval van het tooneel is een camera-obscura-beeld van het verval der maatschappij …”Het verval in Holland—het zij, bij het in gang zetten dezer Serie en tot besluit van een Voorwoord, dat in na te komen Opstellen behoorlijk gedocumenteerden weerklank vindt, opgemerkt—is niet zoo deerlijk als het verval in het buitenland.Gewend als wij tam-nuchtere, betweterige Hollanders zijn, om alles wat we in de meerendeels duffe geledingen van ons openbaar leven opletten, met breeder geteem dan voor de beteekenis der zaak passend is, aan de voornaam-geestelijke spelingen onzer ik-jes te toetsen, willen we het dikwerf doen voorkomen, of wij in het zog van imponeerende buitenlandsche zeekasteelen loeven.Dit is lak.We behoeven ons zelven niet ontuchtiger voor te stellen, dan de grove ontucht der omstandigheden het bepaalt.In alle landen der nog tierig-ongecultiveerde wereld, zwiept de maatschappelijke verwording tot bruuter, afstootenderschouwburg-industrie, dan bij ons mógelijk is.Wie ruimer ziet en zijneheroïschetheater-inzichten, niet tot de paar goedige Hollandsche tooneelgezelschapjes besnoeit, weet dat nergens het gekristalliseerd klassevermaak zoo schel bovendrijft als in de groote kunst-centra van Europa.De heerschende klasse héérscht daar vet-lippig en met een gefatigeerden lach.De theaterkas-bijdragen van het „schellinkje” kunnen er gemist worden.[VII]De heele bouw van den schouwburg is eene verteedering tegenover duur-betalenden—’n lompe minachting tegenover het plebs, dat daar-boven nauwelijks zien kan en de kwalijke lucht van benee gul-weg geschonken krijgt.In klein-burgerlijk Holland kan de theater-ondernemer den engelenbak finantieel niet uitschakelen. Bij de lauwe schouwburgrecettes heeft ’t schellinkje een zwakke stem in het kapittel.Dat is een voorrecht.Tot de ziekelijke decadentie van theater-luxe-doosjes (spot en hoon van alle gemeenschapskunst) zullen wij nimmer geraken.Het intelligent, óók betalend schellinkje is in Hollandsche schouwburgen een „ballast”, dien het buitenland met zijn volslagen met-handen-en-voeten-overgeleverd zijn aanduurdereplaatsen niet kent.Mij dunkt dat deherwonnen voelingmet een deel van het publiek, tegen gindsche techniek en gindsche monteering ruimschoots opweegt.De toekomst met haar onafwendbare gebeurtenissen is aan de proletarische levensbeschouwing—aan het proletariaat.De eerste kunst-stappen dier toekomst lijken voor de kleine, afgezonderde, niet door de groot-industrie ook op dàt gebied dood-gemoorde landen weggelegd.Men kan zich in de onderstelling vergissen: het gezond verstand en de feiten stutten het vermoeden naar alle zijden.Noch in Denemarken, noch in Zweden, noch in Holland (om drie voorbeelden van politiek en economisch zwakke volkeren te geven) zal het vermaak zóó industrieel kunnen ontaarden als in steden met wereldrumoer.Daarenboven hebben wij eene literatuur, rijper, rijker van basis, dan menig ander land, eene literatuur die—op mannen met gemeenschapsbegrip wacht.Een volk naar zijn geestelijke zoekers schattend en niet naar zijn rampzalig geprots met oorlogsmateriaal en weelde, hebben wij in het begin dezer eeuw het verlof te glimlachen.En het geblaas over het verval der kunstenten onzent, het gekef der velen die van geen oorzaak en verband weten en hoera kermen bij het gedobber van een giorno-lampje in een donkeren stormnacht, mogen we als ondoordacht gedoe, gelijk iedere periode in onverschillig welken tijd, ’t te slikken kreeg, aanvaarden.De kunstzinnige hervorming van het tooneel kaneerst na[VIII]het herstel eener waarlijke maatschappelijke orde—door samenwerking der zusterkunsten, geschieden.Van de spelers is thans niet meer te eischen dan de dictator Theaterkas1veroorlooft.Deze hard-werkende lieden over het inzakken van hun vak te beschimpen, hen met hautaine woorden (op puur vermoeden van hoe u ’t achter uw inktpot zou willen hebben—u, hum!) de les te lezen, is ook daarom in verhouding tot het wurmend gerepeteer, het reizen, trekken en spelen dier menschen, zoo dom, laf en tergend-quasi, omdat er slechts een paar in Holland zijn, in staat een vakkundigen raad te geven.En die paar zwijgen.In tijden van infectie pijnigt en geeselt men liever geen geïnfecteerden—men tracht de infectie te verwijderen, infectie die op tooneelgebied in bijkomende mate in de schouwburgen zelf woekert.En de tooneelstukken?Wel, vrienden—we weten hoe laat het is.…Hoe sterk het verval zich ook hierin openbaart: het geblinddoekt ideaal, het ideaaltje dat in het verleden blijft scharrelen en het Komende niet zien wil—het ideaal dat met lodderende oogjens ’n fopspeen belurkt en zich als nieuw-verniste pagode bij het ongevaarlijk klasse-vermaak voegt—dat ideaal met ’n horrelvoet en ’n waterhoofd, vooral bang en pretentieus tegenover het eenig Ideaal-van-klassieke-vormen dat „in ’t Oosten daagt”—dat ideaal kan bezwaarlijk thàns nog in de tent der getuigenis worden toegelaten.[IX]Voor ons, socialisten en „materialisten”, zij het een genot in een worstelenden overgangstijd tot ontwaking van derden bij te dragen.Voor ons is deze periode van frissche ontroeringen—heeft éénige generatie zooveel meegemaakt?—eene in schoonheid groeiendewerkelijkheid, waarvan elk nieuw gerucht de wilskracht versterkt.Heeft de geestelijke arbeider meerder fossiel recht te „blijven leven” dan ontelbare andere arbeiders, die zich over de heele wereld voor nobele gemeenschapsbelangen offeren?Is het al niet eene vreugde een klein dienaar der samenleving te zijn—reiken we mekaar niet van geslacht op geslacht de hand?Is het geloof in de toekomst, waartoe men meê heeftgetracht, niet overvoldoende om blijmoedig voort te gaan?Al zou al je geschrevene tot verdorrend loof behooren—haha, wat deert het! Je hebt je tijd zoo kostelijk, zoo heerlijk-willend meegeleefd, zoo diep-hartstochtelijk, zoo met gebalde vuisten, zoo begaan, zoo in-afwachting, zoo met den teederen lach van genegenheid, dat je menschelijk-tevreden kan zijn.…HEIJERMANS.Berlijn, Augustus 1909.[1]1„Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n theaterbureau”.…„Aanteekeningen over Tooneel”,XXste Eeuw, Januari 1906.↑
[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.
Oorspronkelijke titelpagina.
Oorspronkelijke titelpagina.
VERZAMELDETOONEELSPELENENOPSTELLEN-OVER-TOONEELDOORHERM. HEIJERMANS Jr.EERSTE DEEL.I. UITKOMST (1907).—II. VREEMDE JACHT (1907).AMSTERDAM—S. L. VAN LOOY—1909.Het recht van opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).
VERZAMELDETOONEELSPELENENOPSTELLEN-OVER-TOONEEL
ENOPSTELLEN-OVER-TOONEEL
DOORHERM. HEIJERMANS Jr.
EERSTE DEEL.I. UITKOMST (1907).—II. VREEMDE JACHT (1907).
EERSTE DEEL.
I. UITKOMST (1907).—II. VREEMDE JACHT (1907).
AMSTERDAM—S. L. VAN LOOY—1909.Het recht van opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).
[V]
[Inhoud]VOORWOORD.De noodig geworden herdrukken van verschillende Spelen, en de „voorraad” nieuwe, deed tot de uitgave in dezen vorm besluiten.Achtereenvolgens, niet in chronologische orde, zullen in deze Bundels tooneelstukken en vroeger gepubliceerde opstellen-over-tooneel verschijnen, de laatste voornamelijk om tegenover uitnemend-malle tijdsverschijnselen de meening van iemand te stellen, die er van af zijne eerste kleine daad voor het Hollandsch tooneel op wees, dat het gekakel der velerlei stuurlieden-aan-den-wal, die dagelijks, wekelijks, maandelijks, met gezwollen strotjes en zelfgenoegzame gebaren, de wegen beduiden, die tot „verheffing van het tooneel” moeten voeren—dat het gezwam dezer wijzen over „technische” tooneel-inrichting, over de noodzakelijkheid van een „intiem tooneel”, over een „keurtroep”, over stuitende „tendenz”, over.….… „nieuwe idealen”—en wat voorts het allegaartje van breede bepeinzing, mode en snobisme pleegt te baren—dat het waanwijs en potsierlijk betoog dezer scribenten, die in den grond oparbeidvan anderen parasiteeren, in diepste mate belachelijk is.Of men zich in het eigen land of daarbuiten bevindt: overal domineert de wet,dat kunst en kunstenaars afhankelijk zijn, dat eene op loondienst gebaseerde Gemeenschap in directe wisselwerking slechts dàt[VI]klasse-vermaak op den duur duldt, hetwelk zich aan haar in levensbeschouwing onderwerpt.Deze maatschappij met haar verwelkte idealen, haar gemis aan respect voor eigen verleden zelfs, kàn geen ander plankenland hebben dan zij bezit.Iedere poging, buiten maatschappelijke werking om, moge eenige jaren bijzonderen schijn wekken—zij is voor den ontleder van het verval een relletje.De waarachtige hervorming van het tooneel, waarlijk bijzaak naast zooveel gewichtiger aangelegenheden,heeft eene gezonde gelukkige, sterke Gemeenschap noodig.„Zullen?”, vroeg ’k in 1899 („Tooneel en Maatschappij”): „zullen dan al de gewichtigen, pedantjes en half-wetenden, die met kunst en nog eens met kunst sollen, nooit snappen, dat dezelfde fataliteitswet eene kommerciëele maatschappij en haar verschijnselen beheerscht?… Het verval van het tooneel is een camera-obscura-beeld van het verval der maatschappij …”Het verval in Holland—het zij, bij het in gang zetten dezer Serie en tot besluit van een Voorwoord, dat in na te komen Opstellen behoorlijk gedocumenteerden weerklank vindt, opgemerkt—is niet zoo deerlijk als het verval in het buitenland.Gewend als wij tam-nuchtere, betweterige Hollanders zijn, om alles wat we in de meerendeels duffe geledingen van ons openbaar leven opletten, met breeder geteem dan voor de beteekenis der zaak passend is, aan de voornaam-geestelijke spelingen onzer ik-jes te toetsen, willen we het dikwerf doen voorkomen, of wij in het zog van imponeerende buitenlandsche zeekasteelen loeven.Dit is lak.We behoeven ons zelven niet ontuchtiger voor te stellen, dan de grove ontucht der omstandigheden het bepaalt.In alle landen der nog tierig-ongecultiveerde wereld, zwiept de maatschappelijke verwording tot bruuter, afstootenderschouwburg-industrie, dan bij ons mógelijk is.Wie ruimer ziet en zijneheroïschetheater-inzichten, niet tot de paar goedige Hollandsche tooneelgezelschapjes besnoeit, weet dat nergens het gekristalliseerd klassevermaak zoo schel bovendrijft als in de groote kunst-centra van Europa.De heerschende klasse héérscht daar vet-lippig en met een gefatigeerden lach.De theaterkas-bijdragen van het „schellinkje” kunnen er gemist worden.[VII]De heele bouw van den schouwburg is eene verteedering tegenover duur-betalenden—’n lompe minachting tegenover het plebs, dat daar-boven nauwelijks zien kan en de kwalijke lucht van benee gul-weg geschonken krijgt.In klein-burgerlijk Holland kan de theater-ondernemer den engelenbak finantieel niet uitschakelen. Bij de lauwe schouwburgrecettes heeft ’t schellinkje een zwakke stem in het kapittel.Dat is een voorrecht.Tot de ziekelijke decadentie van theater-luxe-doosjes (spot en hoon van alle gemeenschapskunst) zullen wij nimmer geraken.Het intelligent, óók betalend schellinkje is in Hollandsche schouwburgen een „ballast”, dien het buitenland met zijn volslagen met-handen-en-voeten-overgeleverd zijn aanduurdereplaatsen niet kent.Mij dunkt dat deherwonnen voelingmet een deel van het publiek, tegen gindsche techniek en gindsche monteering ruimschoots opweegt.De toekomst met haar onafwendbare gebeurtenissen is aan de proletarische levensbeschouwing—aan het proletariaat.De eerste kunst-stappen dier toekomst lijken voor de kleine, afgezonderde, niet door de groot-industrie ook op dàt gebied dood-gemoorde landen weggelegd.Men kan zich in de onderstelling vergissen: het gezond verstand en de feiten stutten het vermoeden naar alle zijden.Noch in Denemarken, noch in Zweden, noch in Holland (om drie voorbeelden van politiek en economisch zwakke volkeren te geven) zal het vermaak zóó industrieel kunnen ontaarden als in steden met wereldrumoer.Daarenboven hebben wij eene literatuur, rijper, rijker van basis, dan menig ander land, eene literatuur die—op mannen met gemeenschapsbegrip wacht.Een volk naar zijn geestelijke zoekers schattend en niet naar zijn rampzalig geprots met oorlogsmateriaal en weelde, hebben wij in het begin dezer eeuw het verlof te glimlachen.En het geblaas over het verval der kunstenten onzent, het gekef der velen die van geen oorzaak en verband weten en hoera kermen bij het gedobber van een giorno-lampje in een donkeren stormnacht, mogen we als ondoordacht gedoe, gelijk iedere periode in onverschillig welken tijd, ’t te slikken kreeg, aanvaarden.De kunstzinnige hervorming van het tooneel kaneerst na[VIII]het herstel eener waarlijke maatschappelijke orde—door samenwerking der zusterkunsten, geschieden.Van de spelers is thans niet meer te eischen dan de dictator Theaterkas1veroorlooft.Deze hard-werkende lieden over het inzakken van hun vak te beschimpen, hen met hautaine woorden (op puur vermoeden van hoe u ’t achter uw inktpot zou willen hebben—u, hum!) de les te lezen, is ook daarom in verhouding tot het wurmend gerepeteer, het reizen, trekken en spelen dier menschen, zoo dom, laf en tergend-quasi, omdat er slechts een paar in Holland zijn, in staat een vakkundigen raad te geven.En die paar zwijgen.In tijden van infectie pijnigt en geeselt men liever geen geïnfecteerden—men tracht de infectie te verwijderen, infectie die op tooneelgebied in bijkomende mate in de schouwburgen zelf woekert.En de tooneelstukken?Wel, vrienden—we weten hoe laat het is.…Hoe sterk het verval zich ook hierin openbaart: het geblinddoekt ideaal, het ideaaltje dat in het verleden blijft scharrelen en het Komende niet zien wil—het ideaal dat met lodderende oogjens ’n fopspeen belurkt en zich als nieuw-verniste pagode bij het ongevaarlijk klasse-vermaak voegt—dat ideaal met ’n horrelvoet en ’n waterhoofd, vooral bang en pretentieus tegenover het eenig Ideaal-van-klassieke-vormen dat „in ’t Oosten daagt”—dat ideaal kan bezwaarlijk thàns nog in de tent der getuigenis worden toegelaten.[IX]Voor ons, socialisten en „materialisten”, zij het een genot in een worstelenden overgangstijd tot ontwaking van derden bij te dragen.Voor ons is deze periode van frissche ontroeringen—heeft éénige generatie zooveel meegemaakt?—eene in schoonheid groeiendewerkelijkheid, waarvan elk nieuw gerucht de wilskracht versterkt.Heeft de geestelijke arbeider meerder fossiel recht te „blijven leven” dan ontelbare andere arbeiders, die zich over de heele wereld voor nobele gemeenschapsbelangen offeren?Is het al niet eene vreugde een klein dienaar der samenleving te zijn—reiken we mekaar niet van geslacht op geslacht de hand?Is het geloof in de toekomst, waartoe men meê heeftgetracht, niet overvoldoende om blijmoedig voort te gaan?Al zou al je geschrevene tot verdorrend loof behooren—haha, wat deert het! Je hebt je tijd zoo kostelijk, zoo heerlijk-willend meegeleefd, zoo diep-hartstochtelijk, zoo met gebalde vuisten, zoo begaan, zoo in-afwachting, zoo met den teederen lach van genegenheid, dat je menschelijk-tevreden kan zijn.…HEIJERMANS.Berlijn, Augustus 1909.[1]1„Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n theaterbureau”.…„Aanteekeningen over Tooneel”,XXste Eeuw, Januari 1906.↑
VOORWOORD.
De noodig geworden herdrukken van verschillende Spelen, en de „voorraad” nieuwe, deed tot de uitgave in dezen vorm besluiten.Achtereenvolgens, niet in chronologische orde, zullen in deze Bundels tooneelstukken en vroeger gepubliceerde opstellen-over-tooneel verschijnen, de laatste voornamelijk om tegenover uitnemend-malle tijdsverschijnselen de meening van iemand te stellen, die er van af zijne eerste kleine daad voor het Hollandsch tooneel op wees, dat het gekakel der velerlei stuurlieden-aan-den-wal, die dagelijks, wekelijks, maandelijks, met gezwollen strotjes en zelfgenoegzame gebaren, de wegen beduiden, die tot „verheffing van het tooneel” moeten voeren—dat het gezwam dezer wijzen over „technische” tooneel-inrichting, over de noodzakelijkheid van een „intiem tooneel”, over een „keurtroep”, over stuitende „tendenz”, over.….… „nieuwe idealen”—en wat voorts het allegaartje van breede bepeinzing, mode en snobisme pleegt te baren—dat het waanwijs en potsierlijk betoog dezer scribenten, die in den grond oparbeidvan anderen parasiteeren, in diepste mate belachelijk is.Of men zich in het eigen land of daarbuiten bevindt: overal domineert de wet,dat kunst en kunstenaars afhankelijk zijn, dat eene op loondienst gebaseerde Gemeenschap in directe wisselwerking slechts dàt[VI]klasse-vermaak op den duur duldt, hetwelk zich aan haar in levensbeschouwing onderwerpt.Deze maatschappij met haar verwelkte idealen, haar gemis aan respect voor eigen verleden zelfs, kàn geen ander plankenland hebben dan zij bezit.Iedere poging, buiten maatschappelijke werking om, moge eenige jaren bijzonderen schijn wekken—zij is voor den ontleder van het verval een relletje.De waarachtige hervorming van het tooneel, waarlijk bijzaak naast zooveel gewichtiger aangelegenheden,heeft eene gezonde gelukkige, sterke Gemeenschap noodig.„Zullen?”, vroeg ’k in 1899 („Tooneel en Maatschappij”): „zullen dan al de gewichtigen, pedantjes en half-wetenden, die met kunst en nog eens met kunst sollen, nooit snappen, dat dezelfde fataliteitswet eene kommerciëele maatschappij en haar verschijnselen beheerscht?… Het verval van het tooneel is een camera-obscura-beeld van het verval der maatschappij …”Het verval in Holland—het zij, bij het in gang zetten dezer Serie en tot besluit van een Voorwoord, dat in na te komen Opstellen behoorlijk gedocumenteerden weerklank vindt, opgemerkt—is niet zoo deerlijk als het verval in het buitenland.Gewend als wij tam-nuchtere, betweterige Hollanders zijn, om alles wat we in de meerendeels duffe geledingen van ons openbaar leven opletten, met breeder geteem dan voor de beteekenis der zaak passend is, aan de voornaam-geestelijke spelingen onzer ik-jes te toetsen, willen we het dikwerf doen voorkomen, of wij in het zog van imponeerende buitenlandsche zeekasteelen loeven.Dit is lak.We behoeven ons zelven niet ontuchtiger voor te stellen, dan de grove ontucht der omstandigheden het bepaalt.In alle landen der nog tierig-ongecultiveerde wereld, zwiept de maatschappelijke verwording tot bruuter, afstootenderschouwburg-industrie, dan bij ons mógelijk is.Wie ruimer ziet en zijneheroïschetheater-inzichten, niet tot de paar goedige Hollandsche tooneelgezelschapjes besnoeit, weet dat nergens het gekristalliseerd klassevermaak zoo schel bovendrijft als in de groote kunst-centra van Europa.De heerschende klasse héérscht daar vet-lippig en met een gefatigeerden lach.De theaterkas-bijdragen van het „schellinkje” kunnen er gemist worden.[VII]De heele bouw van den schouwburg is eene verteedering tegenover duur-betalenden—’n lompe minachting tegenover het plebs, dat daar-boven nauwelijks zien kan en de kwalijke lucht van benee gul-weg geschonken krijgt.In klein-burgerlijk Holland kan de theater-ondernemer den engelenbak finantieel niet uitschakelen. Bij de lauwe schouwburgrecettes heeft ’t schellinkje een zwakke stem in het kapittel.Dat is een voorrecht.Tot de ziekelijke decadentie van theater-luxe-doosjes (spot en hoon van alle gemeenschapskunst) zullen wij nimmer geraken.Het intelligent, óók betalend schellinkje is in Hollandsche schouwburgen een „ballast”, dien het buitenland met zijn volslagen met-handen-en-voeten-overgeleverd zijn aanduurdereplaatsen niet kent.Mij dunkt dat deherwonnen voelingmet een deel van het publiek, tegen gindsche techniek en gindsche monteering ruimschoots opweegt.De toekomst met haar onafwendbare gebeurtenissen is aan de proletarische levensbeschouwing—aan het proletariaat.De eerste kunst-stappen dier toekomst lijken voor de kleine, afgezonderde, niet door de groot-industrie ook op dàt gebied dood-gemoorde landen weggelegd.Men kan zich in de onderstelling vergissen: het gezond verstand en de feiten stutten het vermoeden naar alle zijden.Noch in Denemarken, noch in Zweden, noch in Holland (om drie voorbeelden van politiek en economisch zwakke volkeren te geven) zal het vermaak zóó industrieel kunnen ontaarden als in steden met wereldrumoer.Daarenboven hebben wij eene literatuur, rijper, rijker van basis, dan menig ander land, eene literatuur die—op mannen met gemeenschapsbegrip wacht.Een volk naar zijn geestelijke zoekers schattend en niet naar zijn rampzalig geprots met oorlogsmateriaal en weelde, hebben wij in het begin dezer eeuw het verlof te glimlachen.En het geblaas over het verval der kunstenten onzent, het gekef der velen die van geen oorzaak en verband weten en hoera kermen bij het gedobber van een giorno-lampje in een donkeren stormnacht, mogen we als ondoordacht gedoe, gelijk iedere periode in onverschillig welken tijd, ’t te slikken kreeg, aanvaarden.De kunstzinnige hervorming van het tooneel kaneerst na[VIII]het herstel eener waarlijke maatschappelijke orde—door samenwerking der zusterkunsten, geschieden.Van de spelers is thans niet meer te eischen dan de dictator Theaterkas1veroorlooft.Deze hard-werkende lieden over het inzakken van hun vak te beschimpen, hen met hautaine woorden (op puur vermoeden van hoe u ’t achter uw inktpot zou willen hebben—u, hum!) de les te lezen, is ook daarom in verhouding tot het wurmend gerepeteer, het reizen, trekken en spelen dier menschen, zoo dom, laf en tergend-quasi, omdat er slechts een paar in Holland zijn, in staat een vakkundigen raad te geven.En die paar zwijgen.In tijden van infectie pijnigt en geeselt men liever geen geïnfecteerden—men tracht de infectie te verwijderen, infectie die op tooneelgebied in bijkomende mate in de schouwburgen zelf woekert.En de tooneelstukken?Wel, vrienden—we weten hoe laat het is.…Hoe sterk het verval zich ook hierin openbaart: het geblinddoekt ideaal, het ideaaltje dat in het verleden blijft scharrelen en het Komende niet zien wil—het ideaal dat met lodderende oogjens ’n fopspeen belurkt en zich als nieuw-verniste pagode bij het ongevaarlijk klasse-vermaak voegt—dat ideaal met ’n horrelvoet en ’n waterhoofd, vooral bang en pretentieus tegenover het eenig Ideaal-van-klassieke-vormen dat „in ’t Oosten daagt”—dat ideaal kan bezwaarlijk thàns nog in de tent der getuigenis worden toegelaten.[IX]Voor ons, socialisten en „materialisten”, zij het een genot in een worstelenden overgangstijd tot ontwaking van derden bij te dragen.Voor ons is deze periode van frissche ontroeringen—heeft éénige generatie zooveel meegemaakt?—eene in schoonheid groeiendewerkelijkheid, waarvan elk nieuw gerucht de wilskracht versterkt.Heeft de geestelijke arbeider meerder fossiel recht te „blijven leven” dan ontelbare andere arbeiders, die zich over de heele wereld voor nobele gemeenschapsbelangen offeren?Is het al niet eene vreugde een klein dienaar der samenleving te zijn—reiken we mekaar niet van geslacht op geslacht de hand?Is het geloof in de toekomst, waartoe men meê heeftgetracht, niet overvoldoende om blijmoedig voort te gaan?Al zou al je geschrevene tot verdorrend loof behooren—haha, wat deert het! Je hebt je tijd zoo kostelijk, zoo heerlijk-willend meegeleefd, zoo diep-hartstochtelijk, zoo met gebalde vuisten, zoo begaan, zoo in-afwachting, zoo met den teederen lach van genegenheid, dat je menschelijk-tevreden kan zijn.…HEIJERMANS.Berlijn, Augustus 1909.[1]
De noodig geworden herdrukken van verschillende Spelen, en de „voorraad” nieuwe, deed tot de uitgave in dezen vorm besluiten.
Achtereenvolgens, niet in chronologische orde, zullen in deze Bundels tooneelstukken en vroeger gepubliceerde opstellen-over-tooneel verschijnen, de laatste voornamelijk om tegenover uitnemend-malle tijdsverschijnselen de meening van iemand te stellen, die er van af zijne eerste kleine daad voor het Hollandsch tooneel op wees, dat het gekakel der velerlei stuurlieden-aan-den-wal, die dagelijks, wekelijks, maandelijks, met gezwollen strotjes en zelfgenoegzame gebaren, de wegen beduiden, die tot „verheffing van het tooneel” moeten voeren—dat het gezwam dezer wijzen over „technische” tooneel-inrichting, over de noodzakelijkheid van een „intiem tooneel”, over een „keurtroep”, over stuitende „tendenz”, over.….… „nieuwe idealen”—en wat voorts het allegaartje van breede bepeinzing, mode en snobisme pleegt te baren—dat het waanwijs en potsierlijk betoog dezer scribenten, die in den grond oparbeidvan anderen parasiteeren, in diepste mate belachelijk is.
Of men zich in het eigen land of daarbuiten bevindt: overal domineert de wet,dat kunst en kunstenaars afhankelijk zijn, dat eene op loondienst gebaseerde Gemeenschap in directe wisselwerking slechts dàt[VI]klasse-vermaak op den duur duldt, hetwelk zich aan haar in levensbeschouwing onderwerpt.
Deze maatschappij met haar verwelkte idealen, haar gemis aan respect voor eigen verleden zelfs, kàn geen ander plankenland hebben dan zij bezit.
Iedere poging, buiten maatschappelijke werking om, moge eenige jaren bijzonderen schijn wekken—zij is voor den ontleder van het verval een relletje.
De waarachtige hervorming van het tooneel, waarlijk bijzaak naast zooveel gewichtiger aangelegenheden,heeft eene gezonde gelukkige, sterke Gemeenschap noodig.
„Zullen?”, vroeg ’k in 1899 („Tooneel en Maatschappij”): „zullen dan al de gewichtigen, pedantjes en half-wetenden, die met kunst en nog eens met kunst sollen, nooit snappen, dat dezelfde fataliteitswet eene kommerciëele maatschappij en haar verschijnselen beheerscht?… Het verval van het tooneel is een camera-obscura-beeld van het verval der maatschappij …”
Het verval in Holland—het zij, bij het in gang zetten dezer Serie en tot besluit van een Voorwoord, dat in na te komen Opstellen behoorlijk gedocumenteerden weerklank vindt, opgemerkt—is niet zoo deerlijk als het verval in het buitenland.
Gewend als wij tam-nuchtere, betweterige Hollanders zijn, om alles wat we in de meerendeels duffe geledingen van ons openbaar leven opletten, met breeder geteem dan voor de beteekenis der zaak passend is, aan de voornaam-geestelijke spelingen onzer ik-jes te toetsen, willen we het dikwerf doen voorkomen, of wij in het zog van imponeerende buitenlandsche zeekasteelen loeven.
Dit is lak.
We behoeven ons zelven niet ontuchtiger voor te stellen, dan de grove ontucht der omstandigheden het bepaalt.
In alle landen der nog tierig-ongecultiveerde wereld, zwiept de maatschappelijke verwording tot bruuter, afstootenderschouwburg-industrie, dan bij ons mógelijk is.
Wie ruimer ziet en zijneheroïschetheater-inzichten, niet tot de paar goedige Hollandsche tooneelgezelschapjes besnoeit, weet dat nergens het gekristalliseerd klassevermaak zoo schel bovendrijft als in de groote kunst-centra van Europa.
De heerschende klasse héérscht daar vet-lippig en met een gefatigeerden lach.
De theaterkas-bijdragen van het „schellinkje” kunnen er gemist worden.[VII]
De heele bouw van den schouwburg is eene verteedering tegenover duur-betalenden—’n lompe minachting tegenover het plebs, dat daar-boven nauwelijks zien kan en de kwalijke lucht van benee gul-weg geschonken krijgt.
In klein-burgerlijk Holland kan de theater-ondernemer den engelenbak finantieel niet uitschakelen. Bij de lauwe schouwburgrecettes heeft ’t schellinkje een zwakke stem in het kapittel.
Dat is een voorrecht.
Tot de ziekelijke decadentie van theater-luxe-doosjes (spot en hoon van alle gemeenschapskunst) zullen wij nimmer geraken.
Het intelligent, óók betalend schellinkje is in Hollandsche schouwburgen een „ballast”, dien het buitenland met zijn volslagen met-handen-en-voeten-overgeleverd zijn aanduurdereplaatsen niet kent.
Mij dunkt dat deherwonnen voelingmet een deel van het publiek, tegen gindsche techniek en gindsche monteering ruimschoots opweegt.
De toekomst met haar onafwendbare gebeurtenissen is aan de proletarische levensbeschouwing—aan het proletariaat.
De eerste kunst-stappen dier toekomst lijken voor de kleine, afgezonderde, niet door de groot-industrie ook op dàt gebied dood-gemoorde landen weggelegd.
Men kan zich in de onderstelling vergissen: het gezond verstand en de feiten stutten het vermoeden naar alle zijden.
Noch in Denemarken, noch in Zweden, noch in Holland (om drie voorbeelden van politiek en economisch zwakke volkeren te geven) zal het vermaak zóó industrieel kunnen ontaarden als in steden met wereldrumoer.
Daarenboven hebben wij eene literatuur, rijper, rijker van basis, dan menig ander land, eene literatuur die—op mannen met gemeenschapsbegrip wacht.
Een volk naar zijn geestelijke zoekers schattend en niet naar zijn rampzalig geprots met oorlogsmateriaal en weelde, hebben wij in het begin dezer eeuw het verlof te glimlachen.
En het geblaas over het verval der kunstenten onzent, het gekef der velen die van geen oorzaak en verband weten en hoera kermen bij het gedobber van een giorno-lampje in een donkeren stormnacht, mogen we als ondoordacht gedoe, gelijk iedere periode in onverschillig welken tijd, ’t te slikken kreeg, aanvaarden.
De kunstzinnige hervorming van het tooneel kaneerst na[VIII]het herstel eener waarlijke maatschappelijke orde—door samenwerking der zusterkunsten, geschieden.
Van de spelers is thans niet meer te eischen dan de dictator Theaterkas1veroorlooft.
Deze hard-werkende lieden over het inzakken van hun vak te beschimpen, hen met hautaine woorden (op puur vermoeden van hoe u ’t achter uw inktpot zou willen hebben—u, hum!) de les te lezen, is ook daarom in verhouding tot het wurmend gerepeteer, het reizen, trekken en spelen dier menschen, zoo dom, laf en tergend-quasi, omdat er slechts een paar in Holland zijn, in staat een vakkundigen raad te geven.
En die paar zwijgen.
In tijden van infectie pijnigt en geeselt men liever geen geïnfecteerden—men tracht de infectie te verwijderen, infectie die op tooneelgebied in bijkomende mate in de schouwburgen zelf woekert.
En de tooneelstukken?
Wel, vrienden—we weten hoe laat het is.…
Hoe sterk het verval zich ook hierin openbaart: het geblinddoekt ideaal, het ideaaltje dat in het verleden blijft scharrelen en het Komende niet zien wil—het ideaal dat met lodderende oogjens ’n fopspeen belurkt en zich als nieuw-verniste pagode bij het ongevaarlijk klasse-vermaak voegt—dat ideaal met ’n horrelvoet en ’n waterhoofd, vooral bang en pretentieus tegenover het eenig Ideaal-van-klassieke-vormen dat „in ’t Oosten daagt”—dat ideaal kan bezwaarlijk thàns nog in de tent der getuigenis worden toegelaten.[IX]
Voor ons, socialisten en „materialisten”, zij het een genot in een worstelenden overgangstijd tot ontwaking van derden bij te dragen.
Voor ons is deze periode van frissche ontroeringen—heeft éénige generatie zooveel meegemaakt?—eene in schoonheid groeiendewerkelijkheid, waarvan elk nieuw gerucht de wilskracht versterkt.
Heeft de geestelijke arbeider meerder fossiel recht te „blijven leven” dan ontelbare andere arbeiders, die zich over de heele wereld voor nobele gemeenschapsbelangen offeren?
Is het al niet eene vreugde een klein dienaar der samenleving te zijn—reiken we mekaar niet van geslacht op geslacht de hand?
Is het geloof in de toekomst, waartoe men meê heeftgetracht, niet overvoldoende om blijmoedig voort te gaan?
Al zou al je geschrevene tot verdorrend loof behooren—haha, wat deert het! Je hebt je tijd zoo kostelijk, zoo heerlijk-willend meegeleefd, zoo diep-hartstochtelijk, zoo met gebalde vuisten, zoo begaan, zoo in-afwachting, zoo met den teederen lach van genegenheid, dat je menschelijk-tevreden kan zijn.…
HEIJERMANS.
Berlijn, Augustus 1909.[1]
1„Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n theaterbureau”.…„Aanteekeningen over Tooneel”,XXste Eeuw, Januari 1906.↑
1„Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n theaterbureau”.…„Aanteekeningen over Tooneel”,XXste Eeuw, Januari 1906.↑
1„Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n theaterbureau”.…„Aanteekeningen over Tooneel”,XXste Eeuw, Januari 1906.↑
1„Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n theaterbureau”.…
„Aanteekeningen over Tooneel”,XXste Eeuw, Januari 1906.↑