Esoterisch Christendom

Sommigen die niets weten van de Theosofische leeringen beschouwen de Theosofie als vijandig gezind jegens het Christendom. Zij denken dat iemand wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen te zijn. En wanneér zij vernemen dat de Theosofie zich in een land verspreidt, nemen zij als van zelf sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging tegen het Christendom is ontstaan, een beweging waarvoor geen Christen sympathie kan gevoeien. Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle godsdiensten de vijand was van eenigen godsdienst? Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te versterken door kennis, kan de Theosofie niet ten doel hebben het geloof te ondermijnen, of te trachten het godsdienstig gevoel der menschen te doen wankelen. Integendeel: waar zij komt tot de menschen, vraagt zij hun niet hunnen godsdienst te verlaten, maar zij vraagt hun te pogen dien godsdienst te doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke beteekenis. Zij komt tot den godsdienst om hem terug te geven wat hij in den loop der eeuwen heeft verloren, zij komt om de kennis terug te brengen, welkelangzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt om de zinnebeelden en riten van den godsdienst begrijpelijk te maken en aan hen wier geloof was geschokt door de aanvallen van het ongeloof een hechten en zekeren grondslag te schenken waarop hun geloof rusten kan, verheven boven de mogelijkheid van eenigen aanval, bekroond met goed gevolg.

Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit naam der Theosofie, spreek ik als iemand die het Christendom beschouwt als één van de groote godsdiensten der wereld, die gelooft dat het in zich alles bevat wat noodzakelijk is voor den groei der menschelijke ziel, maar die tevens meent dat het algemeen verspreide Christendom van tegenwoordig zeer veel verloren heeft van wat het oorspronkelijk Christendom bezat, als iemand die gelooft dat het mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker inzicht in den godsdienst terug te geven, dat in den tegenwoordigen tijd uit het weten der Christenen verdwenen is.

Reeds de naam van deze voordracht "esoterisch of innerlijk Christendom" zal waarschijnlijk door vele Christenen verworpen worden. Weinigen onder de hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een esoterisch Christendom bestaat, ja zelfs hoort men Christenen er zich dikwijls op beroemen dat hùn godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden en verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de Christelijke godsdienst is zóó eenvoudig dat zelfs een kind, dat de meest onontwikkelde hem kan begrijpen en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd werden over het denkbeeld, dat er inverband met hun geloof eenige kennis zou bestaan, welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke niet openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis zoo moeilijk te omvatten, dat de gewone menigte niet in staat zou zijn haar te begrijpen. En toch is het duidelijk dat als het waar is dat het Christendom niets anders te leeren heeft dan wat begrepen kan worden door het kind en door den onopgevoeden mensch, dit de erkenning in zich zou sluiten, dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het niet voldoende is voor den wijsgeer en den wijze. Want gij kunt het verstand van den wijsgeer niet tevreden stellen met dezelfde opvattingen welke voldoende zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan niet verwachten dat de man van de wetenschap, de hoogontwikkelde denker, tevreden zal blijven met de enge en ruwe opvattingen, welke voor den onwetende niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel meer geschikt zijn dan de verklaringen van den verheven wijsgeer. Neem bijvoorbeeld het begrip "God". Voor een kind moet gij van God een konkreet denkbeeld geven, anders kan het kind het niet bevatten. Indien gij tot hem spreekt in de taal der metafysika, indien gij tot hem spreekt over het absolute, het oneindige, indien gij hem vertelt van een oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en de tallooze zonnen welke zich in het heelal bewegen in wezen houdt, indien gij hem zulk een beschrijving van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts in verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke door hem kan worden bevat, zal zijn ongeoefend brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal hetkind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet de opvatting van het goddelijke tot hem komen in een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt hem leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend, want dit geeft hem een denkbeeld dat hem reeds bekend is door de liefde van zijn eigen vader. Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol liefde en mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld van een vriend, sterker en ouder dan hij zelf, die hem lief heeft en beschermt. Zóó kan het kind eenig denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke moet menschelijk worden gemaakt, het oneindige moet worden beperkt; slechts zóó kan het kinderhart worden bevredigd. Maar wanneer gij staat tegenover den wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren inziet welke er zijn tegen de beperking van het goddelijke binnen den menschelijken vorm, wanneer gij staat tegenover een man van de wetenschap die zich den God dien hij aanbidt denkt als een Leven dat de gansche ruimte doordringt, dat alle zonnen en planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van het heelal en het leven van het kleinste wezentje dat bestaat, voor wien de beperking in den menschelijken vorm godslastering wordt en bespotting—wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van het kind, zal de wijsgeer, de man van de wetenschap agnostisch worden of atheïst. De erkenning van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden aan de beperkingen van het menschelijk verstand, dat het denkbeeld dat de mensch van God heeft verschillend moet zijn naar gelang van de kracht van zijn verstand, naar den aard zijneraandoeningen, naar de diepte van zijn inzicht,— de erkenning van deze waarheid maakt het voor alle menschen mogelijk, God te aanbidden, want ieder mensch, hetzij onwetend of geleerd, ontvangt dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder mensch houdt als het ware het vat zijner eigene ziel tot God omhoog. Is de ziel klein en beperkt, dan kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten; indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan zij meer bevatten van het goddelijk leven. Klein waarlijk in vergelijking met dien machtigen oceaan is het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen, maar toch heeft dit verstand het recht een opvatting te eischen, die noch te hoog is noch te laag, en slechts door een esoterischen godsdienst kunnen de ontwikkelden en wijzen gehouden worden binnen de grenzen der kerk. Dit is in het verleden altijd bekend geweest. Geen godsdienst der oudheid gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm. Onder de Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de Egyptenaren, de Grieken, overal vindt gij verschil van leering voor de menigte der onontwikkelden, en de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus kwam als een boodschapper der waarheid en de stichter van een nieuwen vorm van godsdienst, trad hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde zijn leer in twee deelen, het eene voor de menigte, het andere voor de verlichten. Ik wensch u van deze bewering het bewijs te leveren door een aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelfkunt schatten. Ik zal u aantoonen, eerstens uit de woorden van Jezus zelf, dat hij die onderscheiding maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook zij die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen ze overdroegen aan het geslacht dat na hen kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling der leeringen in tweeën door de bisschoppen en kerkvaders werd gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen te doen in de vroegste geschiedenis der kerk. Wij moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner apostelen, die van degenen die door de apostelen als leeraars werden uitverkoren, en die van de bisschoppen en kerkvaders in de eerste vijf eeuwen der geschiedenis van het Christendom beschouwen. Over deze vijf honderd jaren strekken zich de verklaringen uit, die ik u zal aanhalen als bewijsgronden voor het feit dat er in die eeuwen een esoterisch Christendom bestond, evengoed als een exoterisch, dat er een bijzonder onderwijs was voor de ingewijden, evengoed als een openbare leering voor de menigte der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden, de geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren van anderen aard, en wel deze: dat zij die thans esoterische kennis bezitten, beter in staat zijn de Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze kennis niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen van de vele verklaringen in het Nieuwe Testament, welke de gewone kerkleeraars niet in staat zijn uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche kerk dikwijls heeft uitgelegd op een wijze, welke in strijd is met het geweten, zoodat die uitleggingen der kerk vele menschen uit het Christendom drijven, envan velen onder hen die slechts de exoterische verklaring ontvangen, het verstand beleedigen en het geweten in opstand brengen. Het gevolg hiervan is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden voor het Christendom, een groot verlies voor henzelf, daar zij hun geloof moeten opgeven, een groot verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed van het geloof op de menigte verzwakt.

Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden in volgorde aanvoeren en beginnen met de geschiedkundige, in de eerste plaats met de woorden van Jezus zelf.

Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem vroegen naar de gelijkenissen welke hij tot de menigte gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige antwoord: "Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het koninkrijk Gods, maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen." [Footnote: Marcus 4,11.] En verder: "Zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet." [Footnote: Marcus 4,34.] Wij vinden hier den toestand duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus slechts in gelijkenissen, in allegoriën, in verhalen in den vorm van een fabel, welke hun zedelijke leering gaf; maar zijnen discipelen gaf hij de uitlegging der gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van het koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding, door Jezus gemaakt, goed in het oog te houden, omdat wij haar straks door de kerkvaders aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de handelwijze der kerk in hun eigen tijd.

Jezus zeide eens tot de discipelen: "Geeft het heilige den honden niet." [Footnote: Mattheüs 7,6.] Het woord "hond" nu had bij de Joden een zeer bepaalde beteekenis. Het duidde iedereen aan, die geen Jood was en gij herinnert u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus kwam om hulp te vragen, hij ten antwoord gaf: "Het is niet betamelijk, het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." [Footnote: Mattheüs 15,26.] En zij nam zonder morren die benaming aan en zeide slechts: "Ja Heer, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die er vallen van de tafel hunner heeren." Dit woord van Jezus: "Geeft het heilige den honden niet" is niet anders dan een bevel, niet het innerlijke te geven aan hen die buiten de groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten alleen moest het heilige worden bewaard. De apostelen, die het evangelie van Jezus buiten de Joden verspreidden, erkenden evenzoo een aantal uitverkorenen, dat waren zij die in de kerk in de mysteriën waren ingewijd, terwijl zij die buiten de mysteriën stonden profanen werden genoemd. Het woord profaan werd in de oudheid gewoonlijk gebruikt om deze menschen aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede soort van geschriften, waarvan ik u gesproken heb, tot de geschriften der apostelen, vinden wij dat Paulus het onderscheid, door Jezus gemaakt, behield en het toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef hij aan de Corinthiërs, die als Christenen waren gedoopt, die hadden deelgenomen aan het Heilige Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wijzeggen zouden: "En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot jonge kinderen in Christus. Want gij zijt nog vleeschelijk." [Footnote: I Corinthiërs 3,1-3.] En elders zegt hij: "En wij spreken wijsheid onder de volmaakten." [Footnote: I Corinthiërs 2,6.] Paulus maakte dus hetzelfde onderscheid als de Meester: voor hen die vleeschelijk waren, voor de jonge kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke wijsheid; die wijsheid werd slechts gegeven aan de volmaakten, dat is, aan hen die ingewijd waren in de mysteriën der kerk. Want deze uitdrukking "de volmaakten" is het oude woord voor de ingewijden; zij moesten volmaakt zijn in het uiterlijke leven, voordat zij werden toegelaten tot de kennis der mysteriën van Jezus. Vervolgens vinden wij dat Paulus aan Timotheüs, dien hij wijdde tot bisschop der kerk, beval op zijn beurt uit de geloovigen diegenen te kiezen, die in staat zouden zijn meer te leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen, dat hij zelf had ontvangen voor vele getuigen. Hier hebben wij weer een uitdrukking die in de oudheid veel werd gebruikt: "het Woord," het Woord dat gegeven werd voor vele getuigen. Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timotheüs, in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij hem beval over te geven aan hen die het waardig zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele getuigen, is de geheime leering der mysteriën, welke nooit op schrift is gesteld, welke nooit werd gegeven in eenigen vorm, waarin zij kon worden verraden,maar altijd slechts gesproken werd van mond tot oor, van leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid van vele getuigen, die konden instaan voor de nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die konden getuigen dat de leeraar het Woord goed had overgebracht, dat hem gegeven was om aan anderen over te leveren. Het Woord, door Timotheüs van Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen, is het esoterisch Christendom, mondeling geleerd aan hen die waardig waren zelf leeraars te worden.

Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de mysteriën slechts leerde aan enkele leerlingen, en tot de menigte sprak in gelijkenissen, vervolgens hoe Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging en aan Timotheüs beval het Woord op zijne beurt verder te geven, zoodat wij thans in de derde plaats komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders, die verklaren dat zij de geheime leering hadden ontvangen en ze op hunne beurt hadden over te leveren aan hen die zich daartoe waardig toonden. Tot nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het Nieuwe Testament dat naar ik veronderstel ieder uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige schrijvers aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die u misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij toch ook zelf lezen kunt, hetzij in het Latijn of het Grieksch, zoo gij die talen verstaat, of anders in uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften der oude kerkvaders is noodig voor ieder die als prediker van het Christendom optreedt. Zonder die kennis is hij niet geschikt zich leeraar van het Christendom te noemen.

Een van die bisschoppen nu was Clemens van Alexandrie, een der meest geleerde en wijze mannen der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk heeft verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door de diepte zijner wijsheid. Terecht heeft de dankbare kerk hem in latere dagen als een heilige beschouwd. Groot is het aantal geschriften dat hij heeft nagelaten tot leering der Christenen. In een van deze geschriften spreekt hij over de kennis, die door de kerk was overgeleverd van den tijd van Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus gaf aan zijn apostelen, en dat na hem van geslacht op geslacht was overgegaan. Hij zegt: "Deze leering werd van den beginne af slechts gesproken tot hen die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene woorden, die door den Heiland aan de apostelen gegeven werd, is tot ons overgeleverd." [Footnote: Stromata 6,15.] Hier hebben wij de getuigenis van een der bisschoppen van de oude kerk, dat er een onderricht van Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven aan de apostelen, en door de kerk bewaard als een ongeschreven overlevering. Dezelfde getuigenis geeft Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus met zijne discipelen in het bijzonder sprak over het evangelie Gods, dat de woorden welke hij sprak niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen die leering, die waardig waren haar te ontvangen; hij zegt dat allen die deze leering zullen ontvangen, in bewondering zullen staan over hare wijsheid. Maar er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreektover de ongeschreven leering van Jezus, vertelt ons ook dat hij zelf in zijn openbare prediking slechts zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis ervan zouden begrijpen. Geslagen te zijn met den thyrsus nu beteekent te zijn ingewijd, want de thyrsus was een roede, die bij de inwijding gebruikt werd, bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in trance werd gebracht, om de ziel te bevrijden van het lichaam. Wanneer de kandidaat voor de inwijding voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst door mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds gesproken heb en daarna werd hij geslagen met de roede, welke als voertuig diende voor magnetische krachten, welke in den kandidaat de innerlijke krachten der ziel deden ontwaken, en de ziel in staat stelden zich vrij te maken van het lichaam en zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze uitdrukking nu: "Geslagen met de roede" beteekent ingewijd in de mysteriën. Clemens vertelt ons hiervan nog iets meer, licht een hoekje van den sluier op, en ontdekt ons een weinig van wat daarachter verborgen is. Hij deelt ons de voorwaarden mede waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen, en de eerste woorden welke door den leeraar bij het begin van de inwijdingsplechtigheid werden gesproken. Hij vertelt ons dat uit de lidmaten der kerk, uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige Avondmaal hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen werden gekozen: "velen zijn geroepen", zegt hij, de woorden van Jezus aanhalende, "maar weinigenuitverkoren." Hij zegt verder van die uitverkorenen: wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook van wat de menschen als geringere zonden beschouwen, slechts hij kan worden ingewijd in de mysteriën van Jezus, welke alleen door de heiligen en reinen worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden mede, welke bij de inwijding gesproken werden: Hij die als inwijder optreedt, overeenkomstig de voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein zijn van harte: "Hij wiens ziel zich gedurende langen tijd van geen kwaad bewust is, en in het bijzonder sinds hij zich overgaf aan de weldoende kracht van het Woord, laat de zoodanige hooren de leering, door Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige leerlingen." [Footnote: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de eerste zin, door den hierophant tot den kandidaat gericht. Het verdere kan Clemens niet aanhalen, want dan begint de leering welke slechts gegeven kon worden in de mysteriën. Deze eerste woorden echter stellen de voorwaarde van reinheid en roepen den kandidaat op om te luisteren naar de leering, door Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven.

Wat is er thans geworden van die leering? Wat heeft de kerk gedaan met deze heiligste nalatenschap van den Christus? Waar wordt nu het onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in het geheim gaf? Waar zijn nu de mysteriën van Jezus, en degenen die den kandidaat zouden kunnen inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen werd meegedeeld? Is de kerk trouweloos geweest in het bewaren van haren schat? Heeft zij de overlevering verloren, en ook degenen aan wie deze was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen wonder dan dat de ongeloovige instaat is het geloof der Christenen te doen wankelen, geen wonder dan dat honderden van de meest ontwikkelde menschen worden gevonden buiten de grenzen der Christelijke kerk.

Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen? Is het mogelijk deze leering weer te vinden, nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja, die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de kennis van de mysteriën is nooit geheel en al verdwenen. Zij is bewaard door Jezus zelf en door zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit geheel en al van de aarde verdwenen. Hier en daar werd er altijd nog een gevonden, die de duisternis om zich verlichtte, een heilige, stralend als een ster aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands kennis, de kennis van de oude mysteriën van Jezus. Nu en dan verscheen zulk een leerling in den schoot der Christelijke kerk, ingewijd en onderwezen gelijk voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat stelde als leeraar op te treden. En hiertoe zijn slechts zij in staat, die zelf de onmiddellijke leerlingen zijn van de Meesters. Sedert de overlevering van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt de geheime leering nog altijd overgedragen van den een op den ander, zoo vaak er iemand gevonden wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die leering gaat samen het vermogen om wat men verkeerdelijk "wonderen" noemt te verrichten, het gebruiken van natuurkrachten, welke de gewone menschen niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus gezegd heeft dat zekere teekenen hen zouden vergezellen, die geloofden; dat zij vergif zouden drinken zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging zieken zouden genezen; aan deze teekenen, zeide hij, zouden waarlijk geloovigen worden herkend.

Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen van het levend geloof? In welke mate zijn die krachten in het bezit der Christenleeraars van onze hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen vinden wij er nog sporen van, zooals de wonderen, verricht door Franciscus van Assisi en Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin van een schending der natuurwetten, want zulk een schending is onmogelijk, maar wonderen, mogelijk gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke op lagere gebieden niet kan worden ontdekt, door gebruik te maken van geestelijke krachten welker werking de groote menigte der menschen niet kent.

In den aanvang van deze voordracht sprak ik u nog van een ander soort van bewijs dat kon worden gegeven om het bestaan van de esoterische kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze kennis bezitten is het mogelijk de duistere en moeilijke plaatsen in de Schrift te begrijpen en te verklaren, plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest voor den Christen, maar toch voor een eenvoudige verklaring vatbaar zijn, wanneer men slechts den esoterischen kant der godsdienstige leering onderzocht heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaatsen nemen uit het Nieuwe Testament, welke moeilijk zijn te begrijpen en waarin de hedendaagsche Christenen niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den jongeling, die tot Jezus kwam en hem vroeg hoe hij het eeuwige leven beërven kon. Het eerste antwoord dat Jezus hem gaf was het exoterische. "Gij weet de geboden". Dit is juist wat thans de predikant zou zeggen tot iemand, die hem kwam vragen hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen. Zijn antwoord zou wezen: "leid een goed leven op aarde". Dit was ook het eerste antwoord dat Jezus gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden. Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord was, niet het diepere dat hij zocht. Het wees hem den weg niet dien hij wenschte te vinden. Daarom antwoordde hij: "Meester, deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af". Dit is het antwoord dat ieder moet kunnen geven, die naar de diepere wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden verkregen. Toen gaf Jezus een ander antwoord: "Eén ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij". Toen ging de jonge man treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus wendde zich tot zijne discipelen, die alles verlaten hadden om hem te volgen, en sprak: "Het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het koninkrijk Gods inga." [Footnote: Marcus 10, 17-26.]

Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste woorden weggeredeneerd. Hoe vele predikers hebben er over gepreekt en ze van hun beteekenis beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe jeugd aan uw leeraar gevraagd, gelijk ik het mijn leermeester vroeg: "wat beteekenen toch die woorden? Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het koninkrijk Gods binnengaan kan dan een kemel kan gaan door het oog eener naald?" Maar mijn leermeester redeneerde de moeilijkheid weg en zeide mij dat het beteekent dat een rijke even goed als een arme het eeuwige leven kan verwerven, dat het iets anders beteekent dan het zegt, dat het betrekking heeft op een poort in Jeruzalem waar een kameel slechts onbeladen door kon gaan; en dat het wilde zeggen dat een rijke vele moeilijkheden heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet dat hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan in het koninkrijk Gods. De groote menigte der Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal ziet gij de menschen hard werken om rijkdommen te verwerven, en als zij dachten dat zij daardoor het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel niet zoo hard werken om in de hel te komen; zoodat wij vrij zeker kunnen zijn dat zij in woorden van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven. Dit is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan der esoterische kennis. Wat is de beteekenis van deze uitdrukking: "het koninkrijk Gods?" Zij wordt altijd gebruikt voor "inwijding in de mysteriën". Zij die willen binnengaan in het koninkrijk Gods moetenvolmaakt worden, niet zooals de mensch van de wereld, die na den dood in den hemel komt, om na verloop van tijd terug te komen, meer te leeren en meer ondervinding op te doen,—het eeuwige leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging met de Godheid zelf. En die kennis van God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan. En het is altijd een vaste wet geweest dat ieder mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles moet afstaan wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom beschouwen moet, wat in de oogen der wereld het zijne is. De gelofte van armoede is altijd de gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar wijdste beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche goederen aangaat, maar aangaande alles wat hij bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom van hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en deelt ze met de wereld, hij beschouwt ze niet langer als de zijne. Indien geld in zijne handen komt, is het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt voor zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan het werk van zijn Meester. Hij bezit niets dat hij voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de wereld te onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts om ze te kunnen geven aan anderen; hij heeft geen rechten, hij kent slechts plichten jegens de menschheid. Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen aard. Hij staat alles af wat het zijne is. Entoen Jezus zeide dat hij die volmaakt wil worden alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen, zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den leerling die inwijding bereiken wil: "Gij moet alles afstaan wat gij bezit, gij moet u ontdoen van al wat gij hebt." Een harde voorwaarde, zeker: hard voor hem wiens hart nog hangt aan de wereld, hard voor hem die nog geeft om de schatten der aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven zoekt, die naar diepere wijsheid verlangt, die het lagere leven wil opofferen om het hoogere te vinden, die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God met Christus vereenigd kan zijn.

Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus nemen: "Wijd is de poort en breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve ingaan; want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden." [Footnote: Mattheüs 7,13.] Hoevele liefhebbende harten treuren over deze woorden, van hoevele vrome Christenen breekt het hart bij het denken aan deze woorden van Jezus. Weinigen die binnentreden, velen die ten verderve gaan, weinigen die redding vinden, velen die den breeden weg, weinigen die het smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van deze woorden? Zij zeggen hetzelfde wat Jezus bedoelde toen hij sprak tot den jongeling. De breede en gemakkelijke weg is de gewone weg van de menschen der wereld, die leidt van geboorte naar dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer terug naar den dood, door steeds herhaalden kringloop van dood en geboorte. Zulk een leven is dood, niet leven, in de oogen van den verlichte. De weg welke tot het leven leidt is de weg welke van wedergeboorte bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt tot dien tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat hij hem is binnengetreden. Weinigen inderdaad zijn er op het tegenwoordig standpunt van de ontwikkeling der wereld, die dezen weg betreden, weinigen worden er gevonden onder de millioenen der menschheid, die sterk genoeg zijn om de moeilijkheden van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop der eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden, en geen menschelijke ziel zal vervallen tot eeuwig verderf.

Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk is te begrijpen: "Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is." [Footnote: Mattheüs 5,48.] Dat is weer een bevel dat door de meeste menschen wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de vervulling onmogelijk is voor zondige menschen, voor mannen en vrouwen vol zwakheden en dwaasheden, alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun opvattingen, overgegeven aan de genoegens der wereld. Hoe zouden zij volmaakt kunnen worden gelijk God in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus dan zijn leerlingen op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf dat zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de waarheid Gods zelf was, een gebod geven dat niet kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, niet in één kort leven, niet in twintigof veertig of honderd jaar, niet in het ééne korte tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte en dood. Dit is slechts één stap naar een volmaking als die van God. Maar leven volgt op leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan dichter bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend leven zamelt den oogst van het voorgaande in. Met steeds vermeerderende kracht, met steeds toenemenden groei stijgen de menschen tot de volmaking, in de voetstappen van den Heiland. In de lange eeuwen die voor ons zich uitstrekken zal de goddelijke volmaking worden bereikt.

Laten wij van deze op zich zelf staande teksten afstappen en een leerstuk der Christelijke kerk beschouwen dat voor velen moeilijk te gelooven is, en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drieëenheid. God een eenheid en toch drievoudig, drie personen en toch één God. Velen hebben zich over dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de overtuiging gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen, dat blind geloof moet aannemen wat het verstand niet begrijpen kan. Maar in de esoterische leering der mysteriën werd de leer der drieëenheid begrijpelijk gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht. Deze geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt, maar een deel ervan kan hier worden besproken; en dit kan eenig licht werpen op ons onderwerp. In iederen godsdienst wordt de drieëenheid geleerd: de Vader, die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan voorstelt, en uit den Vader de Zoon en de Geest. De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is. God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, vanonbegrensd Vermogen in alle openbaringen voor als de Eeuwige Vader, het midden-leven van het heelal. Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van het aanzicht van liefde der Godheid, van liefde en gelukzaligheid tevens, de tweede persoon in de drieëenheid, de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen kant de openbaring van mededoogen, van alomvattende liefde, aan de andere zijde van eeuwige, oneindige gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is dat van wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard als de Geest, het goddelijk denkvermogen. Toen God zich openbaarde als scheppende kracht, als het algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos, de derde persoon in de drieëenheid. God is in wezen één, drievoudig in zijn openbaring, het ééne Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer wij spreken van de drie personen van de drieëenheid, zijn dit slechts drie aanzichten, waarin de godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en begrijpelijk voor den mensch.

De drieëenheid, die in de godheid is, weerkaatst zich in den mensch, ook de mensch is een drieëenheid, het beeld van God. In den mensch heeft de goddelijke drieëenheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt in den voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen aard van de godheid, en ontwikkelt in zijn inwezen de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft van God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het verstand, de weerkaatsing van den derden persoon der goddelijke drieëenheid, daarna wordt de Zoon in hem geboren, de geest van den Christus, vanalomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het kenmerk van den mensch in wien dit tweede aanzicht zich ontwikkelt, die van den derden trap tot den tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle menschen in zich omvat. Dit is de geest van den Christus, en naarmate de mensch dezen ontwikkelt wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor de laatste openbaring in den mensch. Niet alleen de ontwikkeling van het verstand, de weerkaatsing van den Geest, niet alleen de liefde, die wordt voorgesteld door het leven van den Zoon,—ook het leven van den Vader moet zich in den mensch openbaren. Hij moet gelijk worden aan de goddelijke Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging waarvan alle godsdiensten hebben geleerd, dat is het één-worden met den Vader, waarvan Christus tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal dien zij zouden bereiken. Het één-worden met den Vader is het einddoel der ontwikkeling van den mensch.

In het grootste deel der menschen op aarde ontwikkelt zich thans het derde aanzicht der drie-eenheid, het verstand. Slechts hier en daar treffen wij menschen aan, in wie het leven van den Christus zich begint te ontvouwen. Wanneer dit leven volmaakt zal zijn, zal de vereeniging komen met den Vader, waarvan Paulus zegt: "Daarna zal het einde zijn, wanneer hij het koninkrijk aan God en den zij alles in allen."[Footnote: 1 Corinthiërs 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het

doel, dat de kroon is der menschelijke ontwikkeling. Aldus is de leering van het esoterisch Christendom, dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt. Aldus leert het Goddelijk Weten, dat het uwe is door erfrecht, het uwe door de gave van den. Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst, het uwe door uw recht als leden eener Christelijke gemeenschap. En ik, die geleerd heb van die Meesters waarvan Jezus één is, ik, die door eigen ondervinding weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat duizendmaal meer kan worden geweten dan hier mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als bode, om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u om u te herinneren aan het bestaan van goederen die de uwe zijn. Dat is de boodschap die ieder leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich, slechts de herinnering aan wat oud is, maar nog steeds binnen menschelijk bereik. Aan u om dit pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven, aan u om de gelegenheid aan te nemen, die de leering der Theosofie u brengt, de leering die dezelfde is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten, gelijk gij dat wilt.

Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus beschouwen van het standpunt van den Occultist, Wanneer wij enkel als Theosofen spreken, trachten wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken in zijn geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons echter op het standpunt van den Occultist plaatsen kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien naar de archieven van het verleden en deze onderzoeken, wij kunnen terugzien tot het leven, zooals dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het stap voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren dat de inhoud dezer occulte archieven niet langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden. Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig jaren eenige oude handschriften zullen worden gevonden, welke dezen inhoud tot op zekere hoogte zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze handschriften nog niet door de oudheidkundigen ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn onderwerp niet van den kant der gewone geschiedenis maar van het standpunt van den Occultist te beschouwen, en naarmate ik verder ga zult gij zien dat deze wijze van beschouwing vele moeilijkheden in deevangeliën uit den weg ruimt, en dat zij u in staat stelt al wat in die evangeliën van waarde is te redden uit de aanvallen der geschiedkundige kritiek. Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op een leven, meer dan op een handschrift en alles te begrijpen wat van werkelijk belang is in het verhaal van den Christus, beschouwd als een mystiek verhaal en als een feit uit de geschiedenis.

Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen, welke wij in onze beschouwing zullen moeten scheiden. De ééne afdeeling behandelt den geschiedkundigen Jezus en omvat tevens de zonnemyten welke door zijne levensbeschrijving geweven zijn. In de tweede afdeeling spreken wij niet over den geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken Christus, en deze vertegenwoordigt in een opzicht den tweeden Logos, en in een ander de individuële ziel, welke goddelijkheid bereikt.

In de evangelie-verhalen en in het geloof der kerk zijn deze beide gedeelten niet scherp gescheiden. Wat tot het ééne behoort wordt dikwijls gerekend bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring aanleiding en biedt menig zwak punt voor de aanvallen van den ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze draden ontwarren zult gij beider waarde beter begrijpen en zult gij ook het groote belang inzien, dat het geheel voor de menschheid heeft.

Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen Jezus nemen, en de zonnemyten welke daarmede zijn tezamen geweven.

Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer honderd jaar vóór het tijdstip dat gewoonlijk wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder de Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven en diep godsdienstig gevoel. Zij waren ongehuwd, zij aten geen vleesch en dronken geen wijn, en waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend. Kinderen, die als weezen waren achtergebleven, namen zij tot zich om ze in hun midden op te voeden. Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen van goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd wegens de reinheid van hun leven en de wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde gaf als onderwijzers. Onder deze heilige menschen bracht Jezus zijn jeugd door. Hij muntte uit door zijn buitengewone reinheid en godsdienstige toewijding, welke zich op twee wijzen toonde: in zijne vurige aanbidding van God en zijn voortdurend streven om zijne medemenschen te helpen. Deze beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in hem ontwikkeld: de liefde tot God welke hem leidde tot lange uren van overpeinzing en de liefde tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed zijn om allen te helpen die smart leden. Deze toewijding ging zooals ik reeds zeide gepaard aan een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken leeftijd naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van de gemeenschap der Esseers in het Zuiden van Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den berg Sinaï en naderhand in Egypte. In dit land bestudeerde hij de oude wijsheid der Egyptenaren en hij werd ingewijd in hunne mysteriën. Op omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina terug, en begon zijnen verwanten en vrienden onderricht te geven in wat hij geleerd had.

Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe aandrang van geestelijkheid noodig geworden. De tijd voor het ontstaan der westersche volkeren brak aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke de kiem van toekomstige grootheid in zich droegen. De beschaving waartoe zij zich zouden ontwikkelen zou van geheel anderen aard zijn dan die van het Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou krachtig en werkzaam van aard zijn. De omstandigheden van hun klimaat zouden ijver en krachtsontwikkeling eischen. De godsdienst welke bij de vorming van deze beschaving daartoe dienstig zou zijn moest ethisch en praktisch zijn, eenvoudig van wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst werd geschonken door de groote Broederschap uit welke alle godsdiensten voortgekomen zijn, en Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig. Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn reinheid en toewijding. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was kwam voor hem de tijd zijn werk te beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke kracht kwam in hem en scheidde hem af van de overigen van zijn ras. Deze nederdaling maakte hem in zeer bijzonderen zin tot den vertegenwoordiger, tot den bode van God. Van deze nederdaling wordt gesproken als van zijn "doop" en gij zult u herinneren hoe in het verhaal van dien doop gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde. Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner prediking, kan men Jezus beschouwen als een vleeschwording van het goddelijk Leven. Het is belangrijk,in gedachte te houden dat dit een uitstorting van het goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en dat de "doop" het tijdstip was waarop die uitstorting plaats vond. Van toen af werd hij de prediker van een zuiverder geloof voor de westersche wereld. Hij werd door de Joden wegens godslastering gedood nadat hij ongeveer drie jaren onder hen had gewerkt.

Vele van de verhalen welke wij in de evangeliën vinden behooren niet tot het werkelijk leven van dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke zich rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in verband met andere leeraars aan de wereld bekend zijn geweest. Het is uit dit punt dat de aanvallen van ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht putten. Enkele menschen, zooals Strauss en anderen, hebben getracht het geschiedkundig karakter van Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een overdrijving van ongeloovige kritiek, welke niet kan worden gehandhaafd door kennis welke op goede grondslagen berust. Wat hun aanval kracht heeft gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds sedert duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal bijvoorbeeld van de geboorte van Jezus uit een maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden op den 25e December, is een van deze zonnemyten. In de oudste Christelijke handschriften wordt de geboorte van Christus aangegeven op verschillende tijden van het jaar. In het eene verhaal wordt hij geboren in Mei, in een ander in Juli, in een derde in September. Eerst in de zevende eeuw werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend, en dit is de datum welke reeds van de oudste tijdenher genoemd is als de datum van de geboorte van een vleeschgeworden godheid. Het is de datum waarop Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren, het is de dag waarop Osiris, de zonnegod der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten welke tegenwoordig op aarde bestaan. Dit feit berust hierop, dat de zon beschouwd wordt als de vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een zonnestelsel komt van den zon, gelijk alle licht en leven in het heelal komt van God. En in alle godsdiensten der oudheid werd de zon beschouwd als het symbool voor God, niet als Hemzelf, maar toch als een symbool waaraan de grootste eerbied verschuldigd was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt het kortst is, zeide men dat dan de geboorte van den zon plaats vond. De Christenkerk heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte van Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond om aan te toonen, dat Jezus niet anders is dan een zonnegod.

Wat de datum van zijn dood betreft: het is u bekend dat de dag van de kruisiging niet op een vasten datum gesteld wordt, maar op een datum welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de standen van zon en maan, zoodat deze dag niet een geschiedkundige, maar een sterrekundige datum is. Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op deze wijze niet worden vastgesteld en zij die het Christendom vijandig gezind zijn, gebruiken dit als een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is daarom van belang op te merken dat deze datumsinderdaad niet uitsluitend op het Christendom betrekking hebben, en dat de werkelijkheid van het leven en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige gegevens afhangen. Ook vele andere verhalen, aan het leven van Jezus verbonden, hebben reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was aan de eerste kerkvaders en bisschoppen zeer goed bekend. Zij beschouwden het echter nooit als een bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven van Jezus, en trachtten nooit den hoogeren ouderdom van die heidensche verhalen, zooals zij genoemd worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de verhalen aangaande het leven van Jezus is deze: dat hij een man was, vol goddelijken geest, gezonden om een nieuwen godsdienst te stichten; dat hij een leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid; dat hij de diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat hij werken van medelijden en liefde deed aan allen met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk wegens godslastering door de Joden gedood werd. Dit zijn de voornaamste feiten betreffende het leven van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn. En zooals ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort handschriften zullen worden ontdekt welke aan de wetenschap geschiedkundige gegevens zullen verschaffen. Maar de wonderbaarlijke geboorte in December en de kruisiging omtrent den tijd der lentenachtevening behooren tot de zonnemyten, niet tot de geschiedenis. In de oudste handschriften welke wij thans bezitten vinden wij deze datums niet vermeld en onder de vroegste Christenen werden deze punten niet van belang geacht. Eerst gedurende deontwikkeling der kerk hebben zij belang gekregen als dogmata, en een der redenen waarom het van belang was deze datums vast te stellen, was dat zij ook reeds heidensche feestdagen waren en behoorden tot de verschillende vormen van zonaanbidding welke in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis van Jezus, daar men toen de vrees nog niet kende voor den ongeloovigen kritikus der negentiende eeuw.

Het verhaal van den Christus is van geheel anderen aard. Het woord "Christus" is niet een naam die toebehoort aan éénen enkeling maar een titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert onheuglijke tijden gebruikt werd om een zekeren graad van inwijding aan te duiden. Ieder ingewijde die voorbij een zekeren graad van inwijding is, wordt een Christus genoemd, welk woord "de gezalfde" beteekent. De zalving is een deel van de plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding den mensch tot een "gezalfde" maakt. Ik zeide u reeds dat het verhaal van den Christus van tweeërlei standpunt kan worden beschouwd, en wel in de eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking hebbende op het heelal. In dit kosmisch verhaal stelt Christus den tweeden Logos voor, den tweeden persoon in de drieëenheid. Deze tweede persoon in de drieëenheid wordt in het Christendom erkend als de God-mensch en de geschiedkundige Jezus wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het kosmische verhaal is in het kort het volgende: De tweede Logos, de tweede persoon in de drieëenheid, daalde neder in de stof, om aan deze zijn leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel dat ontstond. Hij is het van wien Johannes schrijft: "Het Woord was bij God, en het Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is". [Footnote: Johannes 1, 1—3] In het oude verhaal van deze nederdaling in de stof wordt gezegd dat de tweede Logos in de stof gekruisigd is. Dit wil zeggen dat het leven van God is gegeven om het leven van alle levende wezens te zijn en dat God de banden der stof op zich nam, om dit leven mogelijk te maken.

Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in de geschiedenis van iedere menschelijke ziel, want wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal van den Christus toepassen op de menschelijke ziel, geven wij het in den vorm waarin het door de Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel des menschen wordt beschouwd als voortgekomen uit God. Door een lange reeks van aardlevens ontwikkelt zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen, denken, de weerkaatsing van den Heiligen Geest of den derden persoon in de drieëenheid. De geest van den mensch wordt, van dit standpunt gezien, beschouwd als het beeld van God. Hij is een drieëenheid in zijn wezen evenals God een drieëenheid is, en de ontwikkeling van het leven, van die drieëenheid in den mensch vervalt vanzelf in drie onderdeelen: de eerste stap is die, waardoor het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze stapis den Theosoof bekend als de ontwikkeling van Manas, het denkvermogen. Manas is in den mensch de vertegenwoordiger van Mahat in den Kosmos, of om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich ontwikkelende verstand is het derde aanzicht der menschelijke drieëenheid. Dit standpunt van ontwikkeling is het standpunt waarop de menschheid zich tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van Manas moet vrij ver gevorderd zijn voordat de tweede stap kan worden gedaan, welke bestaat in de ontwikkeling van het tweede aanzicht der drieëenheid in den mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of den Christus. Het kenmerkende van dit standpunt van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in de erkenning van alle mensch en als één, niet als een gevolgtrekking door denken, maar door de ontwikkeling van dit tweede aanzicht der drieëenheid, van wat wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den Theosoof wat Christus beteekent voor den Christen. Wanneer de mensch gereed is den Christus in zich te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste van de groote inwijdingen. Bij deze inwijding zegt men dat hij geestelijk geboren wordt; het is de tweede geboorte of de geboorte uit den geest waarvan Jezus sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte genoemd, omdat zij den tweeden persoon in de menschelijke drieëenheid in werking brengt. Door die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en begint zich te uiten, of in de Christelijke symboliek: bij die inwijding wordt Jezus geboren uit den schootder maagd. Deze geboorte werd steeds een onbevlekte genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat zij niet is een geboorte uit het vleesch, maar een geboorte uit den geest. Om deze reden ook zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest worden om het koninkrijk Gods binnen te gaan. In het geheele onderwijs van Jezus heeft de uitdrukking: "het koninkrijk Gods" de beteekenis van "inwijding" en de nieuw-ingewijde wordt een "kind" genoemd. Gij herinnert u ook dat Paulus van zijn bekeerlingen hoopte dat Christus een gestalte in hen mocht krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk, zij hadden deelgenomen aan het Avondmaal, en toch noemde hij het zijn hoogsten wensch, dat Christus in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat de geboorte van Christus in den mensch niet beteekent lidmaat te worden van de kerk, maar iets hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een van de redenen waarom de inwijding "de geboorte van den Christus" werd genoemd is dat de mensch die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt, voor de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch gebied ondervindt. Hij wordt door zijnen Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking van den Meester wordt hij voor de eerste maal bewust op dat gebied. Dan begrijpt hij wat eenheid beteekent: hij gevoelt dat hij één is met al wat bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden is, maar een deel van het groote geheel; hij begrijpt het niet door verstandelijke inspanning, maar ondervindt het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint in den ingewijde het leven van den Christus, enlangzamerhand neemt hij dien geest van liefde en mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de Christus in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij doormaken terwijl hij nog altijd als onvolwassen beschouwd wordt. Dan komt de tijd voor den mystieken doop, die overeenkomt met den doop van den mensch Jezus. Deze doop is de inwijding van den Arhat. Van dien tijd af is het bewustzijn van den ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied. Vóór deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd tot tijd daarheen overgebracht, maar wanneer zij heeft plaats gevonden, en de doop des geestes ontvangen is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone bewustzijn, en begint hij langzamerhand het nirvanisch bewustzijn te verwerven. Het bewustzijn op het buddhisch gebied wordt genoemd het leven van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen Vader, en toch op aarde wandelt onder de menschen als één van hen. Wanneer de mensch dezen trap heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid worden, want daar zijn bewustzijn één is met dat van alle menschen kan hij met hen deelen al wat hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn geheele verleden herinnert kan hij medevoelen met den slechtste. Alleen de Christus kan de vriend zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde niet meer in staat is kan hij met den zondaar in de nauwste aanraking zijn zonder gevaar voor zijn eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan gevoelen, wat die zondaar gevoelt, en door de vereeniging van zijn bewustzijn die hulp brengen, welke noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar staat kan hem niet werkelijk helpen. Slechts hij die zijn bewustzijn kan vereenigen met dat van den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom wordt zulk een mensch terecht een Heiland der wereld genoemd.

Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging. De Arhat offert zich geheel en al op voor het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit opdat het der menschheid ten goede moge komen. Hij verzaakt alle afgescheiden leven, opdat zijn leven het leven der menschen zijn moge. Hij neemt niets voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen, en deze laatste daad van opoffering wordt de "kruisiging" genoemd. Door dien dood van het lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven. Hij wordt één met den Vader, hij stijgt boven het leven der wereld. Om de Theosofische uitdrukking te gebruiken: Buddhi gaat op in Âtmâ; de Arhat wordt daardoor een Meester. In de Christelijke spreekwijze zegt men: de Zoon wordt één met den Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de rechterhand Gods. Dit "zitten aan de rechterhand Gods" is een zinnebeeldige uitdrukking, welke beteekent dat hij de goddelijke krachten bezit. Hij is in staat om een werktuig te zijn van de godheid voor de ontwikkeling der menschheid en iedere Zoon, die de eenheid met den Vader bereikt heeft wordt een van de krachten die de wereld vooruit helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele menschheid wordt bevorderd.

Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd als de geschiedenis van den geest in den mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in de vroegere kerk bekend waren onder den naam: "de mysteriën van Jezus." Aan de oningewijden werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis van den Christus. Dit verhaal van de inwijding der menschelijke ziel werd samengeweven met de geschiedenis van het leven van Jezus, en verloor zijn verheffende kracht omdat men het toepaste op het uitwendig leven van één mensch, in plaats van op het innerlijk leven van den geest. Maar bij de Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het terug in de overpeinzingen der heiligen, waar zij zich vereenigen met den Christus en zich één gevoelen met den Meester. Het gebed van Jezus dat zijn discipelen één mochten worden in hem en met hem één in den Vader, schijnt door de tegenwoordige Christenen vergeten te zijn.

Het is een deel van de zending der Theosofie, aan het Christendom de mystiek terug te brengen welke het verloren heeft. Voor millioenen menschen in Europa is de Christelijke symboliek degene welke zij het gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij tot hen spreken van Manas, Buddhi en Âtmâ, begrijpen zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen, dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis hebben, kunnen wij ons doel bereiken. Wanneer wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen, en dat Buddhi kan opgaan in Âtmâ, weten zij niet wat wij bedoelen. Maar wanneer wij hun leerendat de Christus in hen kan worden geboren, en dat zij één kunnen worden in den Vader, zien zij onze bedoeling. Wij moeten de Christenen helpen te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet betrekking heeft op één enkel mensch, maar dat het de geschiedenis der ziel is, die zich tot volmaking ontwikkelt, dat ieder mensch een Christus moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is. Dat is juist de kracht van de geschiedenis van Jezus, bedoeld als een voorbeeld voor allen, en een groot deel der waarde van zijn leven gaat verloren, wanneer zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het uiterlijk leven van eenen Heiland, in plaats van als een beeld van het geestelijk leven.

Nog één punt is er betreffende den geschiedkundigen Jezus, dat van groot belang is, namelijk dat hij nog leeft in een lichaam, als één van die groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie ons leert. Hij vindt zijn bijzondere taak in de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen nog heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij die er toe zijn gekomen de Meesters te kennen, weten dat Jezus één van hen is, en dat hij nog thans door Christenen kan worden bereikt. Maar de voorwaarden hiervoor zijn nog steeds dezelfde als immer te voren. Zij zijn neergelegd in de woorden van Jezus in de Christelijke evangeliën, woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en niet weggeredeneerd. Thans, gelijk oudtijds, moet de mensch die het leven van den Christus wil vinden het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen, moet hij alles opgeven, wat behoort tot het persoonlijk zelf. Nog heden, evenals vroeger, moet al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht en niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, zal Jezus, de Meester, zich aan den leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche begeerten, zoolang de mensch tracht twee meesters te dienen, in twee werelden te leven, zoolang zal hij Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven van den Christus niet bereiken.


Back to IndexNext