XL.

Een wolk van sprinkhanen. Blz. 220.Een wolk van sprinkhanen. Blz.220.Inderdaad ontrolde zich de koningin der woestijn, het geheimzinnige Tombuctou, dat even als Rome en Athene hare scholen van geleerden en leerstoelen van wijsbegeerte heeft gehad, voor de blikken der reizigers. Ferguson volgde de minste bijzonderheden op den platten grond, door Barth zelf geteekend en erkende de uiterste nauwkeurigheid daarvan. De stad vormt een grooten driehoek beschreven in eene onmetelijke vlakte van wit zand, de top richt zich naar het noorden en loopt een eind de woestijn in; in de omstreken vertoonen zich nauwlijks eenige grasplanten, kleine mimosa’s en heesters. Wat het gezicht van de stad betreft, dit heeft veel van een opeenhooping van ballen en dobbelsteenen; zoo ziet zij er uit als men haar uit een luchtballon overziet, de vrij nauwe straten zijn omzoomd met huizen, die slechts eene verdieping hoog, en gebouwd zijn van in de zon gebakken tichelsteenen, en hutten van stroo en riet, eenige kegelvormig, anderen vierkant; op de terrassen zijn eenige mannen in hun schitterenden mantel gehuld, achteloos uitgestrekt, met de lans of het musket in de hand; op dit uur van den dag ziet men geene vrouwen. “Maar men zegt dat zij schoon zijn,” voegde de doctor daarbij. “Gij ziet de drie torens der drie moskeën, die alleen van een groot aantal zijn overgebleven; de stad heeft zeer veel van haren ouden luister verloren. Aan den top des driehoeks verheft zich de moskee van Sankore met hare galerijen, die op vrij schoone bogen rusten; verder, bij de wijk Sane-Gungu, is de moskee van Sidi, Jahia en eenige huizen met twee verdiepingen; zoekt geene paleizen noch monumenten; de Scheik is een eenvoudig handelaar en zijne koninklijke woning een kantoor.”—“Ik meen half omvergeworpen wallen te zien,” zeide Kennedy.—Zij zijn in 1826 door de Foullanahs verwoest; toen was de stad een derde grooter; want Tombuctou, sedert de elfde eeuw het voorwerp der algemeene begeerlijkheid, heeft achtereenvolgens toebehoord aan de Touaregs, de Sonrayers, de Marokkanen, de Foullanahs.Endit groote middelpunt der beschaving, waar een geleerde als Ahmed-Baba in de zestiende eeuw eene bibliotheek van 1600 handschriften bezat, is nu slechts eene stapelplaats van den handel van Midden-Afrika.De stad scheen inderdaad zeer zorgeloos bewaakt te worden, zij kenmerkte de aanstekende achteloosheid van steden, die vervallen; onmetelijke puinhoopen waren in de voorsteden opeengestapeld en vormden met den heuvel van de markt de eenige oneffenheden van den grond. Toen de Victoria voorbijtrok, ontstond er wel eenige beweging, de trom werd geroerd, maar nauwlijks had de laatste geleerde dier plaats den tijd dit verschijnsel waar te nemen; de reizigers, door den wind der woestijn teruggedreven, hernamen den kronkelenden loop der rivier en weldra was Tombuctou niets meer dan eene der vluchtige herinneringen hunner reis.—“En nu geleide de hemel ons, waar het hem behage.”—“Als het maar naar hetwesten is,” antwoordde Kennedy.—“Bah!” zeide Joe, “al kwamen wij te Zanzibar langs denzelfden weg terug, of al moesten wij den Oceaan oversteken naar Amerika, dat zou mij niet bevreesd maken.”—“Men zou het eerst moeten kunnen, Joe.”—“En wat ontbreekt ons daarvoor?”—“Gas, mijn jongen; de stijgkracht van den ballon vermindert merkbaar, en wij zullen dus zeer zuinig daarmede moeten zijn, opdat hij ons naar de kust voere. Ik zal zelfs genoodzaakt zijn ballast uit te werpen. Wij zijn te zwaar.”—“Dat is het gevolg van het niets doen en van den geheelen dag als een luiaard in zijne hangmat te blijven liggen, meester, men wordt vet en zwaar. Onze reis is eene reis van luiaards en als wij terugkomen zal men ons afschuwelijk dik en vet vinden.”—“Ziedaar opmerkingen, die Joe waardig zijn,” antwoordde de doctor; “maar wacht op het einde; weet gij wat de hemel ons weglegt? Wij zijn nog ver van het einde onzer reis.”—“Waar gelooft gij de kust van Afrika te bereiken, Samuel?”—“Ik zou zeer in verlegenheid zijn om te antwoorden, Dick! wij zijn aan de genade van zeer veranderlijke winden overgegeven, maar ik zal mij gelukkig achten als ik tusschen Sierra-Leona en Portendick aankom; daar is eene streek waar wij vrienden zullen ontmoeten.”—“En het zal ons genoegen doen hun de hand te drukken; volgen wij nu de begeerde richting?”—“Niet volkomen, Dick; zie de magneetnaald; wij gaan naar het zuiden en gaan den Niger opwaarts naar zijne bronnen.”—“Eene fraaie gelegenheid om die te ontdekken,” zeide Joe, “als zij niet reeds bekend waren; zou men geene andere bronnen van hem kunnen vinden?”—“Neen, Joe, maar wees gerust, ik hoop dat wij zoo ver niet zullen gaan.”Toen de nacht viel, wierp de doctor de laatste zakken ballast uit; de ballon steeg; de gaspijp, hoewel met volle vlam werkende, kon hem nauwelijks op zijne hoogte houden; hij was toen zestig mijlen bezuiden Tombuctou, en des anderen daags ontwaakte men aan de oevers van den Niger, niet ver van het meer Debo.11559.24 Meter.XL.Ongerustheid van doctor Ferguson.—Standvastige richting naar hot zuiden.—Eene wolk sprinkhanen.—Gezicht van Jenné.—Gezicht van Ségo.—Verandering van wind.—Verdriet van Joe.De bedding der rivier was toen door groote eilanden in nauwe takken verdeeld, waar een snelle stroom ging. Op een daarvan zag men eenige herdershutten, maar het werd onmogelijk, nauwkeurig hoogte daarvan te nemen, want de snelheid van den Victoria nam steeds toe. Ongelukkig ging hij nog meer naar het zuiden en stakin eenige oogenblikken het meer Debo over. Ferguson zocht op verschillende hoogten andere luchtstroomen in den dampkring, maar te vergeefs. Hij liet deze manoeuvre spoedig varen, daar zij nog meer gas deed verliezen. Hij zeide niets maar werd zeer ongerust. Deze standvastige zuidewind verijdelde zijne berekeningen: hij wist niet meer waarop hij moest rekenen. Als hij de Engelsche of Fransche bezittingen niet bereikte, wat zou er dan van hen worden te midden der woeste volken, die de kusten van Guinea onveilig maakten? Hoe kon hij daar een schip wachten om naar Engeland terug te keeren? En de richting van den wind voerde hem naar het koninkrijk Dahomey; onder de meest woeste stammen, in handen van een koning, die bij openbare feesten duizenden menschenoffers slachtte! Daar zouden zij verloren zijn. Van een anderen kant voelde de doctor dat de ballon zijne kracht verloor. Echter hoopte hij dat het einde van den regen eene verandering in de stroomen van den dampkring zou ten gevolge hebben. Hij werd dus op eene onaangename wijze tot het juist begrip van den toestand teruggebracht door deze opmerking van Joe: “Goed?” zeide deze, “daar wordt de regen heviger en ditmaal zal het een zondvloed zijn, te oordeelen naar die wolk, die daar ginds nadert.”—“Nog eene wolk!” zeide Ferguson.—“En eene groote,” antwoordde Kennedy.—“Zoo als ik er nooit eene heb gezien,” zeide Joe, “met een zelfkant.”—“Ik heradem,” zeide de doctor, zijn verrekijker nederleggende, “dat is geene regenwolk.”—“Niet!” zeide Joe.—“Neen, het is eene wolk sprinkhanen.”—“Zijn dat sprinkhanen!”—“Millioenen sprinkhanen, die even als eene hoos over dit land zullen trekken, en wee! den bodem, want als zij er op neerstrijken, zal hij vernield worden.”—“Ik zou dat wel willen zien!”—“Wacht een weinig Joe, binnen tien minuten zal deze wolk ons hebben bereikt en gij zult er zelf over kunnen oordeelen.” Ferguson zeide de waarheid; die dikke, donkere wolk van eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen, kwam met een oorverdoovend geraas aan, op den grond hare ontzaglijke schaduw werpende; het was eene ontelbare menigte sprinkhanen; op honderd schreden van den Victoria sloegen zij op een groen land neder, een kwartier later hernamen zij hunne vlucht en de reizigers konden nog van verre de geheel kaal gegeten boomen en struiken en de als afgemaaide weiden zien. Men zou gezegd hebben dat een plotselinge winter het veld onvruchtbaar had gemaakt.—“Welnu, Joe?”—“Welnu, mijnheer! het is zeer merkwaardig, maar zeer natuurlijk; wat ééne sprinkhaan in het klein zou doen, doen millioenen in het groot.”—“Het is een verschrikkelijke regen,” zeide de jager, “die nog meer verwoestingen aanricht dan de zwaarste hagelbui.”—“En het is onmogelijk zich er voor in te bewaren,” antwoordde Ferguson; “somtijds zijn de inwoners op het denkbeeld gekomen bosschen, ja zelfs oogstvelden in brand te steken om de vluchtdezer insecten te stuiten, maar de eerste rijen zich in de vlammen werpende, dooven die uit door hunne massa, en de overigen gaan daar bedaard over heen. Gelukkig is er in deze streken eene schadeloosstellingvoor hunne verwoestingen; de inlanders verzamelen deze insecten in menigte en eten ze met graagte.”—“Het zijn de reegeiten der lucht,” zeide Joe, die, om zich te onderrichten, zeide spijt te hebben dat hij ze niet kon proeven.Joe wierp de tent naar beneden. Blz. 224.Joe wierp de tent naar beneden. Blz.224.Het land werd tegen den avond moerassiger; de wouden maakten plaats voor boschjes van opgaande boomen; op de oevers der rivier zag men eenige tabaksplantages. Op een groot eiland zag men toen de stad Jenné met de twee torens harer van aarde gebouwde moskee en den verpestenden reuk der millioenen zwaluwnesten op hare muren. Eenige kruinen van baobabs, mimosa’s en dadelboomen kwamen tusschen de huizen te voorschijn; zelfs des nachts scheen de werkzaamheid zeer groot. Jenné is inderdaad eene groote handelsplaats, het voorziet in alle behoeften van Tombuctou; zijne booten voeren op de rivier, zijne karavanen langs lommerrijke wegen de verschillende voortbrengselen zijner nijverheid daarheen.—“Als dit onze reis niet te veel verlengde,” zeide de doctor, “zou ik beproefd hebben in deze stad te dalen; er moet zich daar meer dan een Arabier bevinden, die in Frankrijk of Engeland heeft gereisd en aan wien onze wijze van reizen niet geheel onbekend kan zijn. Maar het zou niet voorzichtig zijn.”—“Dan zullen wij dit bezoek tot eene volgende reis uitstellen,” zeide Joe lachende. “Overigens, als ik mij niet bedrieg, mijne vrienden, schijnt de wind meer uit het oosten te komen, wij moeten deze gelegenheid niet voorbij laten gaan.”De doctor wierp eenige voorwerpen uit, die nutteloos waren geworden, ledige flesschen en eene kist voor vleesch, die niet meer werd gebruikt; het gelukte hem den Victoria op eene hoogte te houden, die gunstiger was voor zijne plannen. Ten vier uur des morgens verlichtten de eerste zonnestralen Sego, de hoofdstad van Bambarra, die volmaakt herkenbaar was aan de vier steden waaruit zij bestaat, aan hare moorsche moskeeën en aan het onophoudelijk heen en wedergaan der ponten, die de inwoners naar de verschillende wijken overbrengen. Maar de reizigers werden evenmin gezien als zij zelf iemand zagen; zij snelden voorbij en rechtstreeks naar het noordwesten, waardoor de ongerustheid des doctors langzamerhand bedaarde.—“Nog twee dagen in deze richting en met deze snelheid zullen wij de rivier Senegal bereiken.”—“En zullen wij dan in een bevriend land zijn, Samuel?”—“Nog niet geheel; maar als de Victoria ons in den steek liet, konden wij de Fransche etablissementen bereiken! Maar ik wensch dat hij het nog eenige honderd mijlen uithoudt, dan zullen wij zonder vermoeienis, zonder vrees of gevaren de westkust bereiken.”—“En dan is het uit,” zeide Joe. “Welnu! des te erger! Als het niet was om het vermaak van te vertellen, zou ik nooit weer een voet op de aarde zetten. Denkt gij dat men onze verhalen zal gelooven, meester?”—“Wie weet het, mijn beste Joe? Eene zaak zal ten minste onbetwistbaarzijn, duizend getuigen hebben ons van den eenen kant van Afrika zien vertrekken; duizend getuigen zullen ons aan den anderen kant zien aankomen.”—“In dat geval,” antwoordde Kennedy, “komt het mij moeielijk voor te zeggen dat wij er niet zijn doorgetrokken.”—“Ach! mijnheer Samuel,” hernam Joe met een diepen zucht, “ik zal meer dan eens mijn gouderts betreuren! Dat zou gewicht bijgezet hebben aan onze verhalen en de waarschijnlijkheid onzer reis. Voor een wichtje goud per toehoorder, zou ik eene menigte menschen bijeenbrengen om mij te hooren en te bewonderen.”XLI.Men nadert den Senegal.—De Victoria daalt meer en meer.—Men werpt steeds ballast uit.—De marabout El-Hadji.—De heeren Pascal, Vincent, Lambert.—Een mededinger van Mohammed.—De moeielijk te beklimmen bergen.—De wapenen van Kennedy.—Een manoeuvre van Joe.—Halt boven het woud.Den 27stenMei tegen negen uur des morgens kreeg het land een anderen aanblik, de zachte hellingen veranderden in heuvels, die het voorteeken waren van nabij zijnde bergen. Men zou den keten moeten overtrekken, die het dal van den Niger van dat van den Senegal scheidt en den loop der wateren bepaalt, hetzij naar de golf van Guinea, hetzij naar de baai van Kaap Verd. Tot aan den Senegal wordt dit gedeelte van Afrika als gevaarlijk beschouwd. Doctor Ferguson wist het door de verhalen zijner voorgangers: zij hadden duizend ontberingen geleden, duizend gevaren geloopen te midden dezer barbaarsche negers. Dit noodlottige klimaat deed het grootste deel der reisgezellen van Mungo Park omkomen. Ferguson had dus meer dan ooit besloten in deze ongastvrije landstreek geen voet op de aarde te zetten. Maar hij had geen oogenblik rust; de Victoria daalde merkbaar, hij moest nog eene menigte meer of minder onnutte voorwerpen wegwerpen, vooral wanneer hij een bergtop moest overtrekken. Dit duurde langs een weg van 120 mijlen; men werd vermoeid van het reizen en dalen; de ballon, die nieuwe rots van Sisyphus1, daalde onophoudelijk. De luchtballon, weinig gezwollen, werd langwerpiger en de wind maakte groote plooien in zijn omkleedsel. Kennedy merkte dit op en zeide: “Zou er een scheur in den ballon zijn?”—“Neen,” antwoordde de doctor, “maar de gutta-percha is blijkbaar zachter geworden of gesmolten door de hitte, en het waterstofgas dringt door de taf.”—“Hoe kunnen wij dit verhinderen?”—“Dat is onmogelijk. Wij moeten ons lichter maken, dat is het eenige middel; laat ons wegwerpen wat wij missen kunnen.”—“Maar wat?” zeide de jager, in het schuitje ziende, dat reeds voor een goed deel ledig is.—“Laten wij de tent wegwerpen, wier gewicht vrij aanzienlijk is.”—Joe, wien dit bevel gold, klom boven den cirkel, waaraan de koorden van het net bevestigd waren. Vandaar gelukte het hem gemakkelijk de dikke zeilen der tent te verwijderen en hij wierp ze naar beneden.—“Dat zal het geluk uitmaken van een geheelen negerstam;” zeide hij, “daar is genoeg om een duizendtal inlanders te kleeden, want zij hebben niet veel noodig.”—De ballon was een weinig gerezen, maar weldra werd het blijkbaar dat hij nog den grond naderde.—“Laat ons dalen,” zeide Kennedy, “en zien wat aan dit omkleedsel te doen is.”—“Ik herhaal het u, Dick, wij hebben geen middel om het te herstellen.”—“Wat zullen wij dan doen?”—“Wij zullen alles opofferen, wat ons niet onmisbaar is; ik wil tot elken prijs een oponthoud in deze streken vermijden; de wouden, wier kruin wij thans overtrekken, zijn niets minder dan veilig.”—“Hoe! leeuwen? hyena’s!” zeide Joe met verachting.—“Erger dan dat, mijn jongen, menschen en wel de wreedsten die in Afrika zijn.”—“Hoe weet men dat?”—“Door de reizigers, die ons zijn voorgegaan; vervolgens hebben de Franschen, die de kolonie van den Senegal bewonen, betrekkingen met de omringende volksstammen; onder het bestuur van den kolonel Faidherbe heeft men ver in het land onderzoekingen gedaan, officieren, zooals Pascal, Vincent, Lambert hebben kostbare aanteekeningen hunner expeditie medegebracht. Zij hebben de streken van den elleboog van den Senegal doorzocht, waar de oorlog en de plundering alles heeft verwoest.”—“Wat is daar dan gebeurd?”—“In 1854 hitste een marabout van het Senegalsche Fouta, met name Al-Hadji, die even als Mohammed eene roeping zeide ontvangen te hebben, alle stammen aan tot den oorlog tegen de ongeloovigen, dat is de Europeanen; hij verspreidde dood en verwoesting, tusschen den Senegal en zijn tak, den Falémé. Drie benden dweepers, door hem aangevoerd, doorkruisten het land, spaarden dorp noch hut, maar plunderden en vermoordden alles; hij naderde zelfs het dal van den Niger tot aan Sego, dat lang bedreigd werd. In 1857 ging hij meer noordwaarts en tastte het fort Medina aan, dat door de Franschen op de oevers der rivier was gebouwd; dit etablissement werd verdedigd door een held, Paul Holl, die gedurende verscheidene maanden bijna zonder voedsel en ammunitie, volhield tot de kolonel Faidherbe hem kwam ontzetten. Al-Hadji en zijne benden staken toen den Senegal weder over en kwamen in Kaärta terug, om hunne rooverijen en moorden te vervolgen; hier zijn de streken, waarin hij gevlucht is met zijn troep bandieten, en ik verzeker udat het niet goed zou zijn in zijne handen te vallen.”—“Wij zullen niet in zijne handen vallen,” zeide Joe, “al moesten wij onze schoenen en kousen opofferen om den Victoria te doen rijzen.”—“Wij zijn niet ver van de rivier,” zeide de doctor, “maar ik voorzie dat onze ballon ons tot daar niet zal kunnen brengen.”—“Laat ons maar eerst op den oever komen,” antwoordde de jager, “dat zal altijd iets gewonnen zijn.”—“Dat zullen wij beproeven,” zeide de doctor, “maar iets verontrust mij.”—“Wat dan?”—“Wij zullen bergen moeten oversteken en dat zal moeielijk zijn, daar ik de stijgkracht van den luchtballon niet kan vermeerderen, zelfs met de grootste hitte.”—“Laat ons wachten,” zeide Kennedy, “daarna zullen wij zien.”—“Arme Victoria!” zeide Joe, “ik ben er aan gehecht, even als een zeeman aan zijn schip, ik zal niet zonder verdriet van hem scheiden. Hij is niet meer wat hij bij zijn vertrek was, goed! maar wij moeten geen kwaad van hem spreken! Hij heeft ons groote diensten bewezen en het hart zal mij breken als ik hem verlaten moet.”—“Wees gerust, Joe, als wij hem verlaten, zal dit zeker ondanks ons zelven zijn, Hij zal ons tot het eind zijner krachten dienen. Ik vraag hem nog slechts 24 uren.”—“Hij put zich uit,” zeide Joe, hem beschouwende, “hij wordt dunner, zijn leven vliedt heen! arme ballon!”—“Als ik mij niet bedrieg,” zeide Kennedy, “zie ik aan den horizon de bergen, waarvan gij hebt gesproken, Samuel.”—“Zij zijn het,” zeide de doctor, na hen met zijn verrekijker te hebben onderzocht, “zij komen mij zeer hoog voor, het zal ons moeite kosten er over te trekken.”—“Kunnen wij ze niet mijden?”—“Ik geloof het niet, Dick, zie eens de groote ruimte die zij beslaan, bijna de helft van den horizon.”—“Zij schijnen zich zelfs om ons te vernauwen,” zeide Joe.—“Wij moeten er volstrekt over!”“Dat is niet moeielijk.” Blz. 227.“Dat is niet moeielijk.” Blz.227.Deze zoo gevaarlijke hinderpalen schenen zeer ras te naderen, of liever de sterke wind dreef den Victoria naar een der steilsten. Men moest tot elken prijs stijgen.—“Laat ons den waterbak ledigen,” zeide Ferguson, “en slechts zooveel behouden als voor een dag noodig is!”—“Ziedaar!” zeide Joe.—“Stijgt de ballon?” vroeg Kennedy.—“Een weinig, omtrent vijftig voet,” antwoordde de doctor, die den barometer niet uit het oog verloor. “Maar het is niet genoeg.”Inderdaad schenen de hooge toppen zich op de reizigers te willen storten. Dezen waren er bij lange na niet boven, er ontbraken nog 500 voet aan. De voorraad water van de gaspijp werd eveneens weggeworpen, men behield slechts eenige pinten, maar dit was nog onvoldoende.—“Wij moeten er echter over,” zeide de doctor.—“Laat ons de kisten wegwerpen, daar wij ze hebben geledigd,” zeide Kennedy.—“Werp ze weg!”—“Ziedaar!” zeide Joe. “Het is verdrietig dat dat alles zoo stuk voor stuk weg gaat.”—“Wat u betreft, hernieuw uwe opoffering niet. Wat er gebeure, zweer mij ons niet te verlaten.”—“Wees gerust, meester, wij zullen elkander niet verlaten.”De Victoria had weder eenige voeten in hoogte gewonnen, maar de top der bergen was nog altoos hooger; het was een rechtopgaandekant, die in een werkelijk steil opgaanden muur eindigde. Hij was nog 200 voet boven de reizigers.—“In tien minuten,” zeide de doctor tot zich zelven, “zal ons schuitje verbrijzeld zijn tegen deze rotsen, als het ons niet gelukt die over te trekken.”—“Welnu, mijnheer Samuel?” zeide Joe.—“Behoud slechts onzen voorraad pemmican en werp al het overige vleesch weg.”De ballon werd nog een vijftigtal ponden lichter en steeg merkbaar, maar dit hielp niets als zij niet over de bergen heen konden gaan. De toestand was verschrikkelijk, de Victoria ging zeer snel; men gevoelde dat hij zou verbrijzeld worden, de schok zou verschrikkelijk zijn. De doctor zag rondom zich in het schuitje, het was bijna ledig.—“Als het noodig is, Dick, zult gij u gereed houden uwe wapenen op te offeren.”—“Mijne wapenen!” antwoordde de jager ontroerd.—“Mijn vriend, als ik het u vraag is het noodig.”—“Samuel, Samuel!”—“Uwe wapenen, uw voorraad kruit en lood kunnen ons het leven kosten.”—“Wij naderen!” riep Joe uit, “wij naderen!”—Zestig voet was de berg nog hooger dan de Victoria. Joe nam de dekens en wierp die weg, zonder iets aan Kennedy te zeggen wierp hij ook verscheidene zakken kogels en lood weg. De ballon steeg boven den gevaarlijken top, maar het schuitje was nog een weinig beneden de rotsen, waartegen het onvermijdelijk moest breken. “Kennedy! Kennedy!” riep de doctor uit, “werp uwe wapenen weg, of wij zijn verloren.”—“Wacht, mijnheer Dick!” zeide Joe. En Kennedy zich omkeerende zag hem buiten het schuitje verdwijnen. “Joe! Joe!” riep hij uit.—“De ongelukkige!” zeide de doctor. De vlakte boven op den berg had op deze plaats ongeveer twintig voet uitgestrektheid en aan den anderen kant had hij eene geringere helling. Het schuitje kwam juist op de hoogte van die vlakte, het gleed over den grond bestaande uit scherpe keisteenen.—“Wij gaan er overheen,” riep eene stem, die het hart van Ferguson deed kloppen.—De onverschrokken Joe hield zich met de handen aan den ondersten rand van het schuitje vast, hij ging te voet over den bergtop, waardoor hij den ballon met de geheele zwaarte van zijn lichaam verlichtte; hij was zelfs verplicht het stevig vast te houden, want het ontsnapte hem bijna. Toen het aan den tegenovergestelden kant was gekomen, heischte Joe zich door eene krachtige greep zijner handen in de hoogte, en aan de touwen zich vasthoudende klom hij weder bij zijne metgezellen. “Dat is niet moeielijk,” zeide hij.—“Mijn brave Joe! mijn vriend!” zeide de doctor op hartelijken toon.—“Wat ik gedaan heb,” antwoordde hij, “was niet voor u, het was voor de karabijn van mijnheer Dick! ik was hem dit schuldig voor de zaak van den Arabier! Ik betaal gaarne mijne schulden en nu zijn wij quitte,” voegde hij er bij, den jager zijn geliefkoosd wapen aanbiedende. “Het zoude mij te veel verdriet doen, u daarvan te zien scheiden.” Kennedy drukte hem krachtig de hand zonder eenwoord te kunnen spreken. De Victoria behoefde nu slechts te dalen; dat was hem gemakkelijk; hij was weldra weder op tweehonderd voet hoogte van den grond en bevond zich toen in evenwicht. De grond had verschillende oneffenheden, die des nachts moeielijk waren te ontwijken met een ballon, die niet meer te besturen was. De avond daalde schielijk, en ondanks zijn tegenzin moest de doctor besluiten tot den anderen morgen stil te houden.—“Wij zullen eene gunstige plaats zoeken om stil te houden,” zeide hij.—“Ah,” antwoordde Kennedy, “gij neemt eindelijk een besluit?”—“Ja, ik heb lang nagedacht over een plan dat wij ten uitvoer zullen leggen. Het is pas zes uur ’s morgens, wij zullen den tijd hebben. Joe, werp de ankers uit.”—Joe gehoorzaamde en de beide ankers gingen buiten het schuitje.—“Ik bemerk groote wouden,” zeide de doctor, “wij zullen over hunne kruinen gaan en ons aan een of anderen boom vasthechten, voor niets ter wereld zou ik er in toestemmen den nacht op aarde door te brengen.”—“Zullen wij kunnen dalen?” vroeg Kennedy.—“Waartoe zou dat dienen? Ik herhaal het u, het zou gevaarlijk zijn te scheiden. Overigens verzoek ik uwe hulp voor een moeielijk werk.”—De Victoria, die strijkelings langs den top van onmetelijke bosschen ging, bleef weldra plotseling stil staan; zijne ankers hadden gevat; daar de wind ging liggen bleef hij bijna onbeweeglijk boven dit uitgestrekte groene veld, gevormd door de kruinen van een bosch wilde vijgeboomen.1Sisyphus werd om zijne misdaden veroordeeld om in de onderwereld een steen tegen eene rots op te wentelen. Als deze bijna den top had bereikt, viel hij weder naar beneden.XLII.Edelmoedige strijd.—Laatste opoffering.—De toestel tot uitzetting.—Behendigheid van Joe.—Middernacht.—De wacht van den doctor.—Hij slaapt in.—De brand.—Het gehuil.—Buiten bereik.Doctor Ferguson begon den stand op te nemen volgens de hoogte der sterren, hij bevond zich nauwelijks op 25 mijlen van den Senegal.—“Al wat wij kunnen doen, mijne vrienden,” zeide hij, na op zijne kaart te hebben gezien, “is de rivier over te steken; maar daar er geene schuit noch brug is, moeten wij haar tot elken prijs in den ballon oversteken, daarom moet deze nog meer verlicht worden.”—“Maar ik zie niet hoe wij dit zullen kunnen doen,” antwoordde de jager, die voor zijne wapens vreesde, “of een van ons moest besluiten zich op te offeren en achterblijven, en op mijne beurt verzoek ik die eer.”—“Wel nu nog mooier,” antwoordde Joe, “ben ik daaraan niet gewoon!”—“Er is geen sprake van omer uit te springen, mijn vriend, maar enkel om te voet de kust van Afrika te bereiken, ik ben een goed looper en goed jager.”—“Ik zal er nooit in toestemmen,” antwoordde Joe.—“Uw edelmoedige strijd is noodeloos, mijn brave vrienden,” zeide Ferguson; “ik hoop dat wij niet tot dit uiterste zullen komen, overigens, als het noodig was, zouden wij te zamen dit land doortrekken en niet scheiden.”—“Dit noem ik spreken,” zeide Joe, “eene kleine wandeling zal ons geen kwaad doen.”—“Maar vooraf,” zeide de doctor, “zullen wij een laatste middel beproeven om den Victoria te verlichten.”—“Welk?” zeide Kennedy, “ik ben nieuwsgierig het te vernemen.”—“Wij moeten ons van de kisten der gaspijp, van de Bunsensche batterij en de slang ontdoen; wij hebben daar meer dan 900 pond.”—“Maar, Samuel, hoe zult gij daarna het gas doen uitzetten?”—“Dat zullen wij niet meer doen!...”—“Maar...”—“Luistert, mijn vrienden, ik heb nauwkeurig berekend welke stijgkracht ons overblijft, zij is voldoende om ons drieën te vervoeren met de weinige voorwerpen, die ons overblijven. Wij wegen nauwlijks 500 pond, de twee ankers medegerekend, die ik gaarne wil behouden?”—“Mijn waarde Samuel,” antwoordde de jager, “gij weet het beste over onzen toestand te oordeelen, zeg ons wat wij moeten doen, wij zullen u gehoorzamen.”—“Tot uwe orders, meester.”—“Ik herhaal het u, mijne vrienden, hoe ernstig dit besluit ook zij, wij moeten onzen toestel opofferen.”—“Het zij zoo,” antwoordde Kennedy.—“Aan het werk!” zeide Joe.Het was geen geringe arbeid, men moest den toestel stuk voor stuk uit elkander nemen; eerst nam men de mengkist weg, vervolgens die der gaspijp en eindelijk de kist, waarin het water ontleed werd; er was niets minder dan de vereenigde kracht der drie reizigers noodig om den toestel, die vast aan den bodem van het schuitje was bevestigd, los te rukken. Eindelijk gelukte het hun en zij wierpen hem er uit.—“De negers zullen zeer verbaasd zijn,” zeide Joe, “dergelijke voorwerpen in het bosch te zien hangen, zij zijn in staat er afgodsbeelden van te maken.”—Vervolgens moest men zich bezig houden met de buizen, die in den ballon vast zaten en die aan den slang waren bevestigd. Het gelukte Joe eenige voeten boven het schuitje de geledingen van caoutchouc door te snijden, maar met de buizen ging dat moeielijker, want zij werden aan haar boveneinde vastgehouden en bevestigd door de draden van geel koper en den ring der klep. Toen toonde Joe eene groote behendigheid; blootvoets om het omkleedsel niet te beschadigen, klom hij met behulp van het net en ondanks de schommelingen, boven op den luchtballon en daar maakte hij, na tallooze moeielijkheden, zich met eene hand aan deze glibberige oppervlakte vasthoudende, de buitenste banden los, die de buizen vasthielden. Dezen gingen nu gemakkelijk los en werden door het onderste gedeelte van dentoestel weggetrokken die door een sterken band hermetisch werd gesloten. De Victoria van dit aanzienlijk gewicht bevrijd, steeg in de lucht en spande het ankertouw sterk. Te middernacht was al het werk gelukkig geëindigd ten koste van vele vermoeienissen, men nam in haast een maal van pemmican en kouden grog, want de doctor kon geene warmte ter beschikking van Joe stellen. Deze en Kennedy bezweken bijna van vermoeienis.—“Gaat slapen, mijne vrienden,” zeide Ferguson tot hen, “ik zal de eerste wacht nemen, ten twee uur zal ik Kennedy wekken; ten vier uur zal Kennedy Joe wekken; ten zes uur zullen wij vertrekken, en de hemel wake dan nog dezen laatsten dag over ons.”—Zonder zich langer te doen noodigen, strekten de beide reisgezellen des doctors zich op den bodem van het schuitje uit en vielen spoedig in een diepen slaap.De nacht was kalm, eenige wolken braken tegen het laatste kwartier der maan, wier onzekere stralen nauwelijks de duisternis eenigszins braken. Ferguson op den rand van het schuitje geleund, sloeg zijne blikken rondom zich; hij keek met oplettendheid naar het donkere gebladerte, dat zich onder hem ver uitstrekte; het minste gerucht scheen hem verdacht en hij zocht zich zelfs het minste geritsel der bladeren te verklaren.Hij bevond zich in dien geestestoestand, die door de eenzaamheid nog gevoeliger wordt gemaakt, en gedurende welken eene onbestemde vrees onze zinnen ontroert. Op het einde van eene dergelijke reis, na zoovele hinderpalen te boven te zijn gekomen, op het oogenblik van het doel te bereiken, is de vrees levendiger en de ontroering sterker, het punt van aankomst schijnt voor de oogen te vlieden. Overigens was hun tegenwoordige toestand alles behalve veilig te midden van een barbaarsch land en met een vervoermiddel dat, per slot van rekening, hen elk oogenblik kon in den steek laten. De doctor rekende niet volkomen meer op zijn ballon, de tijd was voorbij dat hij hem stoutmoedig bestuurde, omdat hij zeker van hem was. Onder deze indrukken meende de doctor soms eenig onbestemd gerucht te hooren in die groote wouden; hij meende zelfs een plotseling verdwijnend vuur tusschen die boomen te zien glinsteren; hij keek oplettend en richtte zijn nachtkijker naar dien kant, maar zag niets en er heerschte zelfs een diepe stilte. Hij had zonder twijfel verkeerd gezien; hij luisterde zonder het minste gerucht te vernemen; daar de tijd van zijne wacht toen was verstreken, wekte hij Kennedy, beval hem eene uiterste waakzaamheid en ging naast Joe liggen, die vast sliep. Kennedy stak bedaard zijne pijp aan, terwijl hij zich de oogen uitwreef, die hij moeite had om open te houden, ging in een hoek zitten en begon sterk te rooken om den slaap te verdrijven. De diepste stilte heerschte rondom hem; een zacht windje bewoog dekruinen der boomen en slingerden een weinig het schuitje, hetgeen hem nog meer slaap veroorzaakte; hij wilde weerstand daaraan bieden; opende herhaalde malen zijne oogen, en eindelijk door de vermoeienis bezwijkende viel hij in slaap.Hoelang duurde dit? Hij kon zich daarvan geene rekenschap geven bij zijn ontwaken, dat plotseling door een onverwacht geknetter werd veroorzaakt. Hij wreef zich de oogen uit en stond op, eene groote hitte deed zich voelen. Het woud stond in brand.—“Brand! brand!” riep hij, zonder het voorval te begrijpen.—Zijne twee reisgezellen stonden op.—“Wat is het dan?” vroeg Samuel.—“De brand,” zeide Joe..... “Wie kan.....” Op dit oogenblik brak onder het hel verlichte gebladerte een gehuil uit.—“O! de wilden,” riep Joe uit, “zij hebben het woud in brand gestoken om ons des te zekerder te verbranden.”—“De Talibas de marabouts van Al-Hadji zonder twijfel,” zeide de doctor.Op dit oogenblik brak onder het hel verlichte gebladerte een gehuil uit.Een kring omringde den Victoria, het gekraak van dood hout vermengde zich met het smeulen der groene takken; de klimplanten,de bladeren, al wat leven had in dit bosch was door het verwoestende element aangetast; de groote boomen teekenden zich donker af in dit fornuis, met hunne takken, die met gloeiende kolen waren bedekt; deze brandende massa weerkaatste in de wolken, en de reizigers meenden dat zij door een bal van vuur omringd waren.—“Laat ons vluchten!” riep Kennedy uit! “op de aarde is onze eenigste kans op behoud.”—Maar Ferguson hield hem met vaste hand terug en hij sneed het ankertouw met een bijlslag door. De vlammen, zich naar den ballon uitstrekkende, lekten reeds zijne verlichte zijden, maar de Victoria, ontdaan van zijne banden, steeg meer dan 1000 voet. Vreeslijke kreten weergalmden in het woud, met hevige losbrandingen; de ballon ging met behulp van een luchtstroom naar het westen. Het was vier uur des morgens.XLIII.De Talibas.—De vervolging.—Een verwoest land.—De Victoria daalt.—De laatste mondbehoeften.—De sprongen van den Victoria.—Verdediging met geweerschoten.—De wind wakkert aan.—De rivier Senegal.—De watervallen van Gouina.—De heete lucht.—Overtocht der rivier.“Als wij gisteren de voorzorg niet hadden genomen om den ballon lichter te maken zouden wij nu zonder genade verloren zijn geweest,” zeide Ferguson.—“Dat heet ik de zaken op zijn tijd doen,” zeide Joe, “men redt zich, en niets is natuurlijker.”—“Wij zijn niet buiten gevaar,” antwoordde Ferguson.—“Wat vreest gij dan?” vroeg Dick.—“De Victoria kan zonder uw verlof niet dalen, en als hij al daalde?”—“Als hij daalde!” zei Dick.Verdediging met geweervuur. Blz. 234.Verdediging met geweervuur. Blz.234.Den zoom van het bosch waren zij overgetrokken en de reizigers konden een dertigtal ruiters ontdekken, gekleed met een langen pantalon en golvende bornous; zij waren gewapend, de eenen met lansen, de anderen met lange musketten; zij volgden in een lichten galop op hunne vlugge paarden de richting van den Victoria, die met eene matige snelheid voortging. Op het gezicht der reizigers stootten zij woeste kreten uit, terwijl zij hunne wapens slingerden; de woede en de bedreigingen teekenden zich op hun bruin gezicht, dat nog woester werd door een kleinen maar puntigen baard; zij doortrokken zonder moeite die lage vlakten en die zachte hellingen, die tot aan den Senegal afdalen.—“Zij zijn het wel,” zeide dedoctor, “de wreede Talibas! de woeste marabouts van Al-Hadji! Ik zou liever in het midden van een woud, omringd door een troep wilde dieren willen wezen, dan in handen dezer bandieten te vallen.”—“Zij zien er niet zeer inschikkelijk uit,” zeide Kennedy, “en het zijn stevige knapen.”—“Gelukkig vliegen die beesten niet,” antwoordde Joe, “dat is altoos iets.”—“Ziet,” zeide Ferguson, “deze verwoeste dorpen en verbrande hutten, dat is hun werk, en daar waar zich groote bouwvelden uitstrekten, hebben zij de verwoesting gebracht.”—“Zij kunnen ons niet bereiken,” hernam Kennedy, “en als wij den stroom tusschen hen en ons kunnen brengen, zijn wij in veiligheid.”—“Zeer juist. Dick, maar wij moeten niet vallen,” antwoordde de doctor, de oogen op den barometer slaande.—“In alle gevallen, Joe,” hernam Kennedy, “zullen wij geen kwaad doen onze wapenen gereed te maken.”—“Dat kan niet schaden, mijnheer Dick, wij zullen er ons wel bij bevinden ze niet te hebben weggeworpen.”—“Mijne karabijn!” riep de jager uit, “ik hoop mij er nooit van te scheiden.”—En Kennedy laadde ze met de grootste zorg, er bleef hem ammunitie genoeg over.—“Op welke hoogte zijn wij?” vroeg hij aan Ferguson.—“Op ongeveer 750 voet, maar wij hebben geene macht meer om gunstige luchtstroomen te zoeken door te reizen of te dalen, wij hangen geheel van den ballon af.”—“Dat is verdrietig,” zeide Kennedy, “de wind is niet sterk, en als wij door een orkaan gelijk aan dien der vorige dagen waren overvallen, zouden die afschuwelijke bandieten reeds lang uit het gezicht zijn.”—“Deze schelmen volgen ons zonder zich te generen,” zeide Joe, “in kleinen galop.”—“Als wij op een kleinen afstand waren,” zeide de jager, “dan zou ik er schik in hebben hen achter elkander van het paard te doen tuimelen.”—“Ja zeker!” antwoordde Ferguson, “maar zij zouden ook ons onder schot hebben, en onze Victoria zou een te goed mikpunt zijn voor hunne kogels; als zij hem verscheurden, dan laat ik aan uw oordeel over welke onze toestand zou zijn.”—De vervolging der Talibas ging den geheelen morgen voort. Tegen elf uur waren de reizigers nauwelijks 15 mijlen naar het westen gevorderd. De doctor bespiedde de minste wolken aan den horizon; hij vreesde altijd eene verandering in den dampkring. Als hij naar den Niger werd teruggevoerd, wat zou er dan van hem worden? Hij bemerkte dat de ballon merkbaar daalde; sedert zijn vertrek had hij reeds meer dan 300 voet verloren en de Senegal moest nog een twaalftal mijlen verwijderd zijn; met hunne tegenwoordige snelheid, moesten zij nog op drie uren reis rekenen.Op dit oogenblik werd hunne oplettendheid opgewekt door nieuwe kreten; de Talibas zetten hunne paarden meer aan. De doctor raadpleegde den barometer en begreep de oorzaak van dit gehuil.—“Wij dalen,” zeide Kennedy.—“Ja,” antwoordde Ferguson.—“Duivels!” dacht Joe.—Na een kwartier was het schuitje geene 150 voet meer van den grond, maar de wind stak meer op.—De Talibas spoorden hunne paarden aan en weldra barstten er geweerschotenlos.—“Te ver, ezels,” riep Joe uit, “het komt mij goed voor die schurken op een afstand te houden.”—En op een der voorste ruiters mikkende, gaf hij vuur, de Taliba stortte ter aarde, zijne metgezellen bleven staan en de Victoria won weder op hen.—“Zij zijn voorzichtig,” zeide Kennedy.—“Omdat zij zich zeker wanen ons te bereiken,” antwoordde de doctor, “en zij zullen slagen, als wij nog meer dalen! Wij moeten volstrekt stijgen.”—“Wat zullen wij wegwerpen?” vroeg Joe.—“Alle pemmican die ons overblijft, dat bedraagt nog dertig pond.”—“Al klaar,” zeide Joe, de bevelen zijns meesters gehoorzamende. Het schuitje, dat bijna den grond raakte, steeg in de hoogte, te midden der kreten van de Talibas; maar een half uur later daalde de Victoria weder snel; het gas ontsnapte door de poriën van het omkleedsel. Weldra ging het schuitje rakelings langs den grond; de negers van Al-Hadji stortten er op los, maar, zoo als in dergelijke gevallen gebeurt, nauwelijks had het den grond aangeraakt of de Victoria steeg plotseling om eene mijl verder weder te dalen.—“Zullen wij hen dan niet ontkomen?” vroeg Kennedy woedend.—“Werp onzen brandewijn weg, Joe,” zeide de doctor, “onze instrumenten, alles wat eenige zwaarte heeft, en ons laatste anker, omdat het noodig is.” Joe rukte de barometers en thermometers los, maar dat beteekende weinig, en de ballon, die een oogenblik steeg, daalde weldra weder. De Talibas snelden hem na en waren slechts tweehonderd schreden van hem af.—“Werp de twee geweren weg,” beval de doctor. En vier achtereenvolgende schoten troffen vier Talibas, die vielen te midden van de razende kreten der bende.De Victoria steeg weder. Hij maakte groote sprongen even als een groote elastieke bal. Het was een vreemd schouwspel deze ongelukkigen te zien, die met reusachtige schreden poogden te vluchten en die, aan Anteus gelijk, eene nieuwe kracht schenen te bekomen, zoodra zij de aarde aanraakten. Maar aan dezen toestand moest een einde komen, het was bijna middag; de Victoria verloor zijn gas, zijn omkleedsel begon te fladderen, de plooien van het taf sloegen over elkander heen.—“De hemel verlaat ons,” zeide Kennedy, “wij zullen moeten vallen.”—Joe antwoordde niet, hij zag zijn meester aan. “Neen,” zeide deze, “wij kunnen nog meer dan 150 pond wegwerpen.”—“Wat dan?” vroeg Kennedy, die geloofde dat de doctor gek werd.—“Het schuitje,” antwoordde deze. “Laten wij ons aan het net vasthouden, de mazen kunnen ons wel houden totdat wij aan den stroom komen. Spoedig! Spoedig!”—En de stoutmoedige mannen aarzelden niet om een dergelijk middel tot behoud te beproeven; zij gingen aan de mazen van het net hangen, zoo als de doctor dit had aangewezen, en Joe, zich met eene hand vasthoudende, sneed de touwen van het schuitje door, het viel op het oogenblik dat de luchtballon weder ging dalen. “Hoezee! hoezee!”riep hij uit, terwijl de ballon tot op 300 voet steeg.—De Talibas hitsten hunne paarden aan; zij liepen ventre à terre, maar de Victoria, een sterkeren wind ontmoetende, snelde hen vooruit naar een heuvel in het westen. Dit was eene gunstige omstandigheid voor de reizigers, want zij konden hem overtrekken, terwijl de bende van Al-Hadji genoodzaakt was hem om te trekken. De drie vrienden hielden zich vast aan het net. Zij hadden het onder zich kunnen vast maken, het vormde als het ware een drijvenden zak. Plotseling riep de doctor, na den heuvel te zijn overgetrokken, uit: “De rivier! de rivier! de Senegal, mijne vrienden!”Twee mijlen voor hen was de rivier; de tegenover gelegen oever, laag en vruchtbaar, bood hun eene zekere schuilplaats aan. “Nog een kwartier,” zeide Ferguson, “en wij zijn gered.” Maar het moest niet zoo zijn; de ledige ballon viel langzamerhand op den grond, die bijna geheel beroofd was van plantengroei; het waren lange hellingen en rotsachtige vlakten; nauwelijks zag men eenige struiken, een zwaar en door de zonnestralen verdroogd gras. De Victoria raakte dikwijls den grond en verhief zich weder; zijne sprongen werden korter en lager; bij den laatsten bleef het bovenste gedeelte van het net aan de hooge takken van een baobab vast zitten.—“Het is gedaan,” zeide de jager.—“En op honderd schreden van de rivier.”—De drie ongelukkigen zetten voet op de aarde en de doctor sleepte zijne twee reisgezellen mede naar den Senegal. Op die plaats deed de rivier een sterk geloei hooren; aan de oevers gekomen herkende Ferguson den waterval van Gouina. Er was geene schuit op den oever, geen levend wezen. Op eene breedte van 2000 voet stortte de Senegal zich van eene hoogte van 150 voet, met een schelklinkend geraas; hij stroomde van het oosten naar het westen, en de rotsen, die zijn loop tegenhielden, strekten zich van het noorden naar het zuiden uit. In het midden van den waterval verhieven zich rotsen van eene vreemde gedaante, even als groote dieren uit de tijden vóór den zondvloed, die versteend zijn te midden der wateren. De onmogelijkheid om dien kolk over te steken was duidelijk. Kennedy kon een gebaar van wanhoop niet weerhouden. Maar de doctor riep met krachtige stem uit: “Alles is nog niet gedaan!”—“Ik wist het wel,” zeide Joe, met dat vertrouwen op zijn meester dat hem nooit verliet.

Een wolk van sprinkhanen. Blz. 220.Een wolk van sprinkhanen. Blz.220.

Een wolk van sprinkhanen. Blz. 220.

Een wolk van sprinkhanen. Blz.220.

Inderdaad ontrolde zich de koningin der woestijn, het geheimzinnige Tombuctou, dat even als Rome en Athene hare scholen van geleerden en leerstoelen van wijsbegeerte heeft gehad, voor de blikken der reizigers. Ferguson volgde de minste bijzonderheden op den platten grond, door Barth zelf geteekend en erkende de uiterste nauwkeurigheid daarvan. De stad vormt een grooten driehoek beschreven in eene onmetelijke vlakte van wit zand, de top richt zich naar het noorden en loopt een eind de woestijn in; in de omstreken vertoonen zich nauwlijks eenige grasplanten, kleine mimosa’s en heesters. Wat het gezicht van de stad betreft, dit heeft veel van een opeenhooping van ballen en dobbelsteenen; zoo ziet zij er uit als men haar uit een luchtballon overziet, de vrij nauwe straten zijn omzoomd met huizen, die slechts eene verdieping hoog, en gebouwd zijn van in de zon gebakken tichelsteenen, en hutten van stroo en riet, eenige kegelvormig, anderen vierkant; op de terrassen zijn eenige mannen in hun schitterenden mantel gehuld, achteloos uitgestrekt, met de lans of het musket in de hand; op dit uur van den dag ziet men geene vrouwen. “Maar men zegt dat zij schoon zijn,” voegde de doctor daarbij. “Gij ziet de drie torens der drie moskeën, die alleen van een groot aantal zijn overgebleven; de stad heeft zeer veel van haren ouden luister verloren. Aan den top des driehoeks verheft zich de moskee van Sankore met hare galerijen, die op vrij schoone bogen rusten; verder, bij de wijk Sane-Gungu, is de moskee van Sidi, Jahia en eenige huizen met twee verdiepingen; zoekt geene paleizen noch monumenten; de Scheik is een eenvoudig handelaar en zijne koninklijke woning een kantoor.”—“Ik meen half omvergeworpen wallen te zien,” zeide Kennedy.—Zij zijn in 1826 door de Foullanahs verwoest; toen was de stad een derde grooter; want Tombuctou, sedert de elfde eeuw het voorwerp der algemeene begeerlijkheid, heeft achtereenvolgens toebehoord aan de Touaregs, de Sonrayers, de Marokkanen, de Foullanahs.Endit groote middelpunt der beschaving, waar een geleerde als Ahmed-Baba in de zestiende eeuw eene bibliotheek van 1600 handschriften bezat, is nu slechts eene stapelplaats van den handel van Midden-Afrika.

De stad scheen inderdaad zeer zorgeloos bewaakt te worden, zij kenmerkte de aanstekende achteloosheid van steden, die vervallen; onmetelijke puinhoopen waren in de voorsteden opeengestapeld en vormden met den heuvel van de markt de eenige oneffenheden van den grond. Toen de Victoria voorbijtrok, ontstond er wel eenige beweging, de trom werd geroerd, maar nauwlijks had de laatste geleerde dier plaats den tijd dit verschijnsel waar te nemen; de reizigers, door den wind der woestijn teruggedreven, hernamen den kronkelenden loop der rivier en weldra was Tombuctou niets meer dan eene der vluchtige herinneringen hunner reis.—“En nu geleide de hemel ons, waar het hem behage.”—“Als het maar naar hetwesten is,” antwoordde Kennedy.—“Bah!” zeide Joe, “al kwamen wij te Zanzibar langs denzelfden weg terug, of al moesten wij den Oceaan oversteken naar Amerika, dat zou mij niet bevreesd maken.”—“Men zou het eerst moeten kunnen, Joe.”—“En wat ontbreekt ons daarvoor?”—“Gas, mijn jongen; de stijgkracht van den ballon vermindert merkbaar, en wij zullen dus zeer zuinig daarmede moeten zijn, opdat hij ons naar de kust voere. Ik zal zelfs genoodzaakt zijn ballast uit te werpen. Wij zijn te zwaar.”—“Dat is het gevolg van het niets doen en van den geheelen dag als een luiaard in zijne hangmat te blijven liggen, meester, men wordt vet en zwaar. Onze reis is eene reis van luiaards en als wij terugkomen zal men ons afschuwelijk dik en vet vinden.”—“Ziedaar opmerkingen, die Joe waardig zijn,” antwoordde de doctor; “maar wacht op het einde; weet gij wat de hemel ons weglegt? Wij zijn nog ver van het einde onzer reis.”—“Waar gelooft gij de kust van Afrika te bereiken, Samuel?”—“Ik zou zeer in verlegenheid zijn om te antwoorden, Dick! wij zijn aan de genade van zeer veranderlijke winden overgegeven, maar ik zal mij gelukkig achten als ik tusschen Sierra-Leona en Portendick aankom; daar is eene streek waar wij vrienden zullen ontmoeten.”—“En het zal ons genoegen doen hun de hand te drukken; volgen wij nu de begeerde richting?”—“Niet volkomen, Dick; zie de magneetnaald; wij gaan naar het zuiden en gaan den Niger opwaarts naar zijne bronnen.”—“Eene fraaie gelegenheid om die te ontdekken,” zeide Joe, “als zij niet reeds bekend waren; zou men geene andere bronnen van hem kunnen vinden?”—“Neen, Joe, maar wees gerust, ik hoop dat wij zoo ver niet zullen gaan.”

Toen de nacht viel, wierp de doctor de laatste zakken ballast uit; de ballon steeg; de gaspijp, hoewel met volle vlam werkende, kon hem nauwelijks op zijne hoogte houden; hij was toen zestig mijlen bezuiden Tombuctou, en des anderen daags ontwaakte men aan de oevers van den Niger, niet ver van het meer Debo.

11559.24 Meter.

11559.24 Meter.

Ongerustheid van doctor Ferguson.—Standvastige richting naar hot zuiden.—Eene wolk sprinkhanen.—Gezicht van Jenné.—Gezicht van Ségo.—Verandering van wind.—Verdriet van Joe.

Ongerustheid van doctor Ferguson.—Standvastige richting naar hot zuiden.—Eene wolk sprinkhanen.—Gezicht van Jenné.—Gezicht van Ségo.—Verandering van wind.—Verdriet van Joe.

De bedding der rivier was toen door groote eilanden in nauwe takken verdeeld, waar een snelle stroom ging. Op een daarvan zag men eenige herdershutten, maar het werd onmogelijk, nauwkeurig hoogte daarvan te nemen, want de snelheid van den Victoria nam steeds toe. Ongelukkig ging hij nog meer naar het zuiden en stakin eenige oogenblikken het meer Debo over. Ferguson zocht op verschillende hoogten andere luchtstroomen in den dampkring, maar te vergeefs. Hij liet deze manoeuvre spoedig varen, daar zij nog meer gas deed verliezen. Hij zeide niets maar werd zeer ongerust. Deze standvastige zuidewind verijdelde zijne berekeningen: hij wist niet meer waarop hij moest rekenen. Als hij de Engelsche of Fransche bezittingen niet bereikte, wat zou er dan van hen worden te midden der woeste volken, die de kusten van Guinea onveilig maakten? Hoe kon hij daar een schip wachten om naar Engeland terug te keeren? En de richting van den wind voerde hem naar het koninkrijk Dahomey; onder de meest woeste stammen, in handen van een koning, die bij openbare feesten duizenden menschenoffers slachtte! Daar zouden zij verloren zijn. Van een anderen kant voelde de doctor dat de ballon zijne kracht verloor. Echter hoopte hij dat het einde van den regen eene verandering in de stroomen van den dampkring zou ten gevolge hebben. Hij werd dus op eene onaangename wijze tot het juist begrip van den toestand teruggebracht door deze opmerking van Joe: “Goed?” zeide deze, “daar wordt de regen heviger en ditmaal zal het een zondvloed zijn, te oordeelen naar die wolk, die daar ginds nadert.”—“Nog eene wolk!” zeide Ferguson.—“En eene groote,” antwoordde Kennedy.—“Zoo als ik er nooit eene heb gezien,” zeide Joe, “met een zelfkant.”—“Ik heradem,” zeide de doctor, zijn verrekijker nederleggende, “dat is geene regenwolk.”—“Niet!” zeide Joe.—“Neen, het is eene wolk sprinkhanen.”—“Zijn dat sprinkhanen!”—“Millioenen sprinkhanen, die even als eene hoos over dit land zullen trekken, en wee! den bodem, want als zij er op neerstrijken, zal hij vernield worden.”—“Ik zou dat wel willen zien!”—“Wacht een weinig Joe, binnen tien minuten zal deze wolk ons hebben bereikt en gij zult er zelf over kunnen oordeelen.” Ferguson zeide de waarheid; die dikke, donkere wolk van eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen, kwam met een oorverdoovend geraas aan, op den grond hare ontzaglijke schaduw werpende; het was eene ontelbare menigte sprinkhanen; op honderd schreden van den Victoria sloegen zij op een groen land neder, een kwartier later hernamen zij hunne vlucht en de reizigers konden nog van verre de geheel kaal gegeten boomen en struiken en de als afgemaaide weiden zien. Men zou gezegd hebben dat een plotselinge winter het veld onvruchtbaar had gemaakt.—“Welnu, Joe?”—“Welnu, mijnheer! het is zeer merkwaardig, maar zeer natuurlijk; wat ééne sprinkhaan in het klein zou doen, doen millioenen in het groot.”—“Het is een verschrikkelijke regen,” zeide de jager, “die nog meer verwoestingen aanricht dan de zwaarste hagelbui.”—“En het is onmogelijk zich er voor in te bewaren,” antwoordde Ferguson; “somtijds zijn de inwoners op het denkbeeld gekomen bosschen, ja zelfs oogstvelden in brand te steken om de vluchtdezer insecten te stuiten, maar de eerste rijen zich in de vlammen werpende, dooven die uit door hunne massa, en de overigen gaan daar bedaard over heen. Gelukkig is er in deze streken eene schadeloosstellingvoor hunne verwoestingen; de inlanders verzamelen deze insecten in menigte en eten ze met graagte.”—“Het zijn de reegeiten der lucht,” zeide Joe, die, om zich te onderrichten, zeide spijt te hebben dat hij ze niet kon proeven.

Joe wierp de tent naar beneden. Blz. 224.Joe wierp de tent naar beneden. Blz.224.

Joe wierp de tent naar beneden. Blz. 224.

Joe wierp de tent naar beneden. Blz.224.

Het land werd tegen den avond moerassiger; de wouden maakten plaats voor boschjes van opgaande boomen; op de oevers der rivier zag men eenige tabaksplantages. Op een groot eiland zag men toen de stad Jenné met de twee torens harer van aarde gebouwde moskee en den verpestenden reuk der millioenen zwaluwnesten op hare muren. Eenige kruinen van baobabs, mimosa’s en dadelboomen kwamen tusschen de huizen te voorschijn; zelfs des nachts scheen de werkzaamheid zeer groot. Jenné is inderdaad eene groote handelsplaats, het voorziet in alle behoeften van Tombuctou; zijne booten voeren op de rivier, zijne karavanen langs lommerrijke wegen de verschillende voortbrengselen zijner nijverheid daarheen.—“Als dit onze reis niet te veel verlengde,” zeide de doctor, “zou ik beproefd hebben in deze stad te dalen; er moet zich daar meer dan een Arabier bevinden, die in Frankrijk of Engeland heeft gereisd en aan wien onze wijze van reizen niet geheel onbekend kan zijn. Maar het zou niet voorzichtig zijn.”—“Dan zullen wij dit bezoek tot eene volgende reis uitstellen,” zeide Joe lachende. “Overigens, als ik mij niet bedrieg, mijne vrienden, schijnt de wind meer uit het oosten te komen, wij moeten deze gelegenheid niet voorbij laten gaan.”

De doctor wierp eenige voorwerpen uit, die nutteloos waren geworden, ledige flesschen en eene kist voor vleesch, die niet meer werd gebruikt; het gelukte hem den Victoria op eene hoogte te houden, die gunstiger was voor zijne plannen. Ten vier uur des morgens verlichtten de eerste zonnestralen Sego, de hoofdstad van Bambarra, die volmaakt herkenbaar was aan de vier steden waaruit zij bestaat, aan hare moorsche moskeeën en aan het onophoudelijk heen en wedergaan der ponten, die de inwoners naar de verschillende wijken overbrengen. Maar de reizigers werden evenmin gezien als zij zelf iemand zagen; zij snelden voorbij en rechtstreeks naar het noordwesten, waardoor de ongerustheid des doctors langzamerhand bedaarde.—“Nog twee dagen in deze richting en met deze snelheid zullen wij de rivier Senegal bereiken.”—“En zullen wij dan in een bevriend land zijn, Samuel?”—“Nog niet geheel; maar als de Victoria ons in den steek liet, konden wij de Fransche etablissementen bereiken! Maar ik wensch dat hij het nog eenige honderd mijlen uithoudt, dan zullen wij zonder vermoeienis, zonder vrees of gevaren de westkust bereiken.”—“En dan is het uit,” zeide Joe. “Welnu! des te erger! Als het niet was om het vermaak van te vertellen, zou ik nooit weer een voet op de aarde zetten. Denkt gij dat men onze verhalen zal gelooven, meester?”—“Wie weet het, mijn beste Joe? Eene zaak zal ten minste onbetwistbaarzijn, duizend getuigen hebben ons van den eenen kant van Afrika zien vertrekken; duizend getuigen zullen ons aan den anderen kant zien aankomen.”—“In dat geval,” antwoordde Kennedy, “komt het mij moeielijk voor te zeggen dat wij er niet zijn doorgetrokken.”—“Ach! mijnheer Samuel,” hernam Joe met een diepen zucht, “ik zal meer dan eens mijn gouderts betreuren! Dat zou gewicht bijgezet hebben aan onze verhalen en de waarschijnlijkheid onzer reis. Voor een wichtje goud per toehoorder, zou ik eene menigte menschen bijeenbrengen om mij te hooren en te bewonderen.”

Men nadert den Senegal.—De Victoria daalt meer en meer.—Men werpt steeds ballast uit.—De marabout El-Hadji.—De heeren Pascal, Vincent, Lambert.—Een mededinger van Mohammed.—De moeielijk te beklimmen bergen.—De wapenen van Kennedy.—Een manoeuvre van Joe.—Halt boven het woud.

Men nadert den Senegal.—De Victoria daalt meer en meer.—Men werpt steeds ballast uit.—De marabout El-Hadji.—De heeren Pascal, Vincent, Lambert.—Een mededinger van Mohammed.—De moeielijk te beklimmen bergen.—De wapenen van Kennedy.—Een manoeuvre van Joe.—Halt boven het woud.

Den 27stenMei tegen negen uur des morgens kreeg het land een anderen aanblik, de zachte hellingen veranderden in heuvels, die het voorteeken waren van nabij zijnde bergen. Men zou den keten moeten overtrekken, die het dal van den Niger van dat van den Senegal scheidt en den loop der wateren bepaalt, hetzij naar de golf van Guinea, hetzij naar de baai van Kaap Verd. Tot aan den Senegal wordt dit gedeelte van Afrika als gevaarlijk beschouwd. Doctor Ferguson wist het door de verhalen zijner voorgangers: zij hadden duizend ontberingen geleden, duizend gevaren geloopen te midden dezer barbaarsche negers. Dit noodlottige klimaat deed het grootste deel der reisgezellen van Mungo Park omkomen. Ferguson had dus meer dan ooit besloten in deze ongastvrije landstreek geen voet op de aarde te zetten. Maar hij had geen oogenblik rust; de Victoria daalde merkbaar, hij moest nog eene menigte meer of minder onnutte voorwerpen wegwerpen, vooral wanneer hij een bergtop moest overtrekken. Dit duurde langs een weg van 120 mijlen; men werd vermoeid van het reizen en dalen; de ballon, die nieuwe rots van Sisyphus1, daalde onophoudelijk. De luchtballon, weinig gezwollen, werd langwerpiger en de wind maakte groote plooien in zijn omkleedsel. Kennedy merkte dit op en zeide: “Zou er een scheur in den ballon zijn?”—“Neen,” antwoordde de doctor, “maar de gutta-percha is blijkbaar zachter geworden of gesmolten door de hitte, en het waterstofgas dringt door de taf.”—“Hoe kunnen wij dit verhinderen?”—“Dat is onmogelijk. Wij moeten ons lichter maken, dat is het eenige middel; laat ons wegwerpen wat wij missen kunnen.”—“Maar wat?” zeide de jager, in het schuitje ziende, dat reeds voor een goed deel ledig is.—“Laten wij de tent wegwerpen, wier gewicht vrij aanzienlijk is.”—Joe, wien dit bevel gold, klom boven den cirkel, waaraan de koorden van het net bevestigd waren. Vandaar gelukte het hem gemakkelijk de dikke zeilen der tent te verwijderen en hij wierp ze naar beneden.—“Dat zal het geluk uitmaken van een geheelen negerstam;” zeide hij, “daar is genoeg om een duizendtal inlanders te kleeden, want zij hebben niet veel noodig.”—De ballon was een weinig gerezen, maar weldra werd het blijkbaar dat hij nog den grond naderde.—“Laat ons dalen,” zeide Kennedy, “en zien wat aan dit omkleedsel te doen is.”—“Ik herhaal het u, Dick, wij hebben geen middel om het te herstellen.”—“Wat zullen wij dan doen?”—“Wij zullen alles opofferen, wat ons niet onmisbaar is; ik wil tot elken prijs een oponthoud in deze streken vermijden; de wouden, wier kruin wij thans overtrekken, zijn niets minder dan veilig.”—“Hoe! leeuwen? hyena’s!” zeide Joe met verachting.—“Erger dan dat, mijn jongen, menschen en wel de wreedsten die in Afrika zijn.”—“Hoe weet men dat?”—“Door de reizigers, die ons zijn voorgegaan; vervolgens hebben de Franschen, die de kolonie van den Senegal bewonen, betrekkingen met de omringende volksstammen; onder het bestuur van den kolonel Faidherbe heeft men ver in het land onderzoekingen gedaan, officieren, zooals Pascal, Vincent, Lambert hebben kostbare aanteekeningen hunner expeditie medegebracht. Zij hebben de streken van den elleboog van den Senegal doorzocht, waar de oorlog en de plundering alles heeft verwoest.”—“Wat is daar dan gebeurd?”—“In 1854 hitste een marabout van het Senegalsche Fouta, met name Al-Hadji, die even als Mohammed eene roeping zeide ontvangen te hebben, alle stammen aan tot den oorlog tegen de ongeloovigen, dat is de Europeanen; hij verspreidde dood en verwoesting, tusschen den Senegal en zijn tak, den Falémé. Drie benden dweepers, door hem aangevoerd, doorkruisten het land, spaarden dorp noch hut, maar plunderden en vermoordden alles; hij naderde zelfs het dal van den Niger tot aan Sego, dat lang bedreigd werd. In 1857 ging hij meer noordwaarts en tastte het fort Medina aan, dat door de Franschen op de oevers der rivier was gebouwd; dit etablissement werd verdedigd door een held, Paul Holl, die gedurende verscheidene maanden bijna zonder voedsel en ammunitie, volhield tot de kolonel Faidherbe hem kwam ontzetten. Al-Hadji en zijne benden staken toen den Senegal weder over en kwamen in Kaärta terug, om hunne rooverijen en moorden te vervolgen; hier zijn de streken, waarin hij gevlucht is met zijn troep bandieten, en ik verzeker udat het niet goed zou zijn in zijne handen te vallen.”—“Wij zullen niet in zijne handen vallen,” zeide Joe, “al moesten wij onze schoenen en kousen opofferen om den Victoria te doen rijzen.”—“Wij zijn niet ver van de rivier,” zeide de doctor, “maar ik voorzie dat onze ballon ons tot daar niet zal kunnen brengen.”—“Laat ons maar eerst op den oever komen,” antwoordde de jager, “dat zal altijd iets gewonnen zijn.”—“Dat zullen wij beproeven,” zeide de doctor, “maar iets verontrust mij.”—“Wat dan?”—“Wij zullen bergen moeten oversteken en dat zal moeielijk zijn, daar ik de stijgkracht van den luchtballon niet kan vermeerderen, zelfs met de grootste hitte.”—“Laat ons wachten,” zeide Kennedy, “daarna zullen wij zien.”—“Arme Victoria!” zeide Joe, “ik ben er aan gehecht, even als een zeeman aan zijn schip, ik zal niet zonder verdriet van hem scheiden. Hij is niet meer wat hij bij zijn vertrek was, goed! maar wij moeten geen kwaad van hem spreken! Hij heeft ons groote diensten bewezen en het hart zal mij breken als ik hem verlaten moet.”—“Wees gerust, Joe, als wij hem verlaten, zal dit zeker ondanks ons zelven zijn, Hij zal ons tot het eind zijner krachten dienen. Ik vraag hem nog slechts 24 uren.”—“Hij put zich uit,” zeide Joe, hem beschouwende, “hij wordt dunner, zijn leven vliedt heen! arme ballon!”—“Als ik mij niet bedrieg,” zeide Kennedy, “zie ik aan den horizon de bergen, waarvan gij hebt gesproken, Samuel.”—“Zij zijn het,” zeide de doctor, na hen met zijn verrekijker te hebben onderzocht, “zij komen mij zeer hoog voor, het zal ons moeite kosten er over te trekken.”—“Kunnen wij ze niet mijden?”—“Ik geloof het niet, Dick, zie eens de groote ruimte die zij beslaan, bijna de helft van den horizon.”—“Zij schijnen zich zelfs om ons te vernauwen,” zeide Joe.—“Wij moeten er volstrekt over!”

“Dat is niet moeielijk.” Blz. 227.“Dat is niet moeielijk.” Blz.227.

“Dat is niet moeielijk.” Blz. 227.

“Dat is niet moeielijk.” Blz.227.

Deze zoo gevaarlijke hinderpalen schenen zeer ras te naderen, of liever de sterke wind dreef den Victoria naar een der steilsten. Men moest tot elken prijs stijgen.—“Laat ons den waterbak ledigen,” zeide Ferguson, “en slechts zooveel behouden als voor een dag noodig is!”—“Ziedaar!” zeide Joe.—“Stijgt de ballon?” vroeg Kennedy.—“Een weinig, omtrent vijftig voet,” antwoordde de doctor, die den barometer niet uit het oog verloor. “Maar het is niet genoeg.”

Inderdaad schenen de hooge toppen zich op de reizigers te willen storten. Dezen waren er bij lange na niet boven, er ontbraken nog 500 voet aan. De voorraad water van de gaspijp werd eveneens weggeworpen, men behield slechts eenige pinten, maar dit was nog onvoldoende.—“Wij moeten er echter over,” zeide de doctor.—“Laat ons de kisten wegwerpen, daar wij ze hebben geledigd,” zeide Kennedy.—“Werp ze weg!”—“Ziedaar!” zeide Joe. “Het is verdrietig dat dat alles zoo stuk voor stuk weg gaat.”—“Wat u betreft, hernieuw uwe opoffering niet. Wat er gebeure, zweer mij ons niet te verlaten.”—“Wees gerust, meester, wij zullen elkander niet verlaten.”

De Victoria had weder eenige voeten in hoogte gewonnen, maar de top der bergen was nog altoos hooger; het was een rechtopgaandekant, die in een werkelijk steil opgaanden muur eindigde. Hij was nog 200 voet boven de reizigers.—“In tien minuten,” zeide de doctor tot zich zelven, “zal ons schuitje verbrijzeld zijn tegen deze rotsen, als het ons niet gelukt die over te trekken.”—“Welnu, mijnheer Samuel?” zeide Joe.—“Behoud slechts onzen voorraad pemmican en werp al het overige vleesch weg.”

De ballon werd nog een vijftigtal ponden lichter en steeg merkbaar, maar dit hielp niets als zij niet over de bergen heen konden gaan. De toestand was verschrikkelijk, de Victoria ging zeer snel; men gevoelde dat hij zou verbrijzeld worden, de schok zou verschrikkelijk zijn. De doctor zag rondom zich in het schuitje, het was bijna ledig.—“Als het noodig is, Dick, zult gij u gereed houden uwe wapenen op te offeren.”—“Mijne wapenen!” antwoordde de jager ontroerd.—“Mijn vriend, als ik het u vraag is het noodig.”—“Samuel, Samuel!”—“Uwe wapenen, uw voorraad kruit en lood kunnen ons het leven kosten.”—“Wij naderen!” riep Joe uit, “wij naderen!”—Zestig voet was de berg nog hooger dan de Victoria. Joe nam de dekens en wierp die weg, zonder iets aan Kennedy te zeggen wierp hij ook verscheidene zakken kogels en lood weg. De ballon steeg boven den gevaarlijken top, maar het schuitje was nog een weinig beneden de rotsen, waartegen het onvermijdelijk moest breken. “Kennedy! Kennedy!” riep de doctor uit, “werp uwe wapenen weg, of wij zijn verloren.”—“Wacht, mijnheer Dick!” zeide Joe. En Kennedy zich omkeerende zag hem buiten het schuitje verdwijnen. “Joe! Joe!” riep hij uit.—“De ongelukkige!” zeide de doctor. De vlakte boven op den berg had op deze plaats ongeveer twintig voet uitgestrektheid en aan den anderen kant had hij eene geringere helling. Het schuitje kwam juist op de hoogte van die vlakte, het gleed over den grond bestaande uit scherpe keisteenen.—“Wij gaan er overheen,” riep eene stem, die het hart van Ferguson deed kloppen.—De onverschrokken Joe hield zich met de handen aan den ondersten rand van het schuitje vast, hij ging te voet over den bergtop, waardoor hij den ballon met de geheele zwaarte van zijn lichaam verlichtte; hij was zelfs verplicht het stevig vast te houden, want het ontsnapte hem bijna. Toen het aan den tegenovergestelden kant was gekomen, heischte Joe zich door eene krachtige greep zijner handen in de hoogte, en aan de touwen zich vasthoudende klom hij weder bij zijne metgezellen. “Dat is niet moeielijk,” zeide hij.—“Mijn brave Joe! mijn vriend!” zeide de doctor op hartelijken toon.—“Wat ik gedaan heb,” antwoordde hij, “was niet voor u, het was voor de karabijn van mijnheer Dick! ik was hem dit schuldig voor de zaak van den Arabier! Ik betaal gaarne mijne schulden en nu zijn wij quitte,” voegde hij er bij, den jager zijn geliefkoosd wapen aanbiedende. “Het zoude mij te veel verdriet doen, u daarvan te zien scheiden.” Kennedy drukte hem krachtig de hand zonder eenwoord te kunnen spreken. De Victoria behoefde nu slechts te dalen; dat was hem gemakkelijk; hij was weldra weder op tweehonderd voet hoogte van den grond en bevond zich toen in evenwicht. De grond had verschillende oneffenheden, die des nachts moeielijk waren te ontwijken met een ballon, die niet meer te besturen was. De avond daalde schielijk, en ondanks zijn tegenzin moest de doctor besluiten tot den anderen morgen stil te houden.—“Wij zullen eene gunstige plaats zoeken om stil te houden,” zeide hij.—“Ah,” antwoordde Kennedy, “gij neemt eindelijk een besluit?”—“Ja, ik heb lang nagedacht over een plan dat wij ten uitvoer zullen leggen. Het is pas zes uur ’s morgens, wij zullen den tijd hebben. Joe, werp de ankers uit.”—Joe gehoorzaamde en de beide ankers gingen buiten het schuitje.—“Ik bemerk groote wouden,” zeide de doctor, “wij zullen over hunne kruinen gaan en ons aan een of anderen boom vasthechten, voor niets ter wereld zou ik er in toestemmen den nacht op aarde door te brengen.”—“Zullen wij kunnen dalen?” vroeg Kennedy.—“Waartoe zou dat dienen? Ik herhaal het u, het zou gevaarlijk zijn te scheiden. Overigens verzoek ik uwe hulp voor een moeielijk werk.”—De Victoria, die strijkelings langs den top van onmetelijke bosschen ging, bleef weldra plotseling stil staan; zijne ankers hadden gevat; daar de wind ging liggen bleef hij bijna onbeweeglijk boven dit uitgestrekte groene veld, gevormd door de kruinen van een bosch wilde vijgeboomen.

1Sisyphus werd om zijne misdaden veroordeeld om in de onderwereld een steen tegen eene rots op te wentelen. Als deze bijna den top had bereikt, viel hij weder naar beneden.

1Sisyphus werd om zijne misdaden veroordeeld om in de onderwereld een steen tegen eene rots op te wentelen. Als deze bijna den top had bereikt, viel hij weder naar beneden.

Edelmoedige strijd.—Laatste opoffering.—De toestel tot uitzetting.—Behendigheid van Joe.—Middernacht.—De wacht van den doctor.—Hij slaapt in.—De brand.—Het gehuil.—Buiten bereik.

Edelmoedige strijd.—Laatste opoffering.—De toestel tot uitzetting.—Behendigheid van Joe.—Middernacht.—De wacht van den doctor.—Hij slaapt in.—De brand.—Het gehuil.—Buiten bereik.

Doctor Ferguson begon den stand op te nemen volgens de hoogte der sterren, hij bevond zich nauwelijks op 25 mijlen van den Senegal.—“Al wat wij kunnen doen, mijne vrienden,” zeide hij, na op zijne kaart te hebben gezien, “is de rivier over te steken; maar daar er geene schuit noch brug is, moeten wij haar tot elken prijs in den ballon oversteken, daarom moet deze nog meer verlicht worden.”—“Maar ik zie niet hoe wij dit zullen kunnen doen,” antwoordde de jager, die voor zijne wapens vreesde, “of een van ons moest besluiten zich op te offeren en achterblijven, en op mijne beurt verzoek ik die eer.”—“Wel nu nog mooier,” antwoordde Joe, “ben ik daaraan niet gewoon!”—“Er is geen sprake van omer uit te springen, mijn vriend, maar enkel om te voet de kust van Afrika te bereiken, ik ben een goed looper en goed jager.”—“Ik zal er nooit in toestemmen,” antwoordde Joe.—“Uw edelmoedige strijd is noodeloos, mijn brave vrienden,” zeide Ferguson; “ik hoop dat wij niet tot dit uiterste zullen komen, overigens, als het noodig was, zouden wij te zamen dit land doortrekken en niet scheiden.”—“Dit noem ik spreken,” zeide Joe, “eene kleine wandeling zal ons geen kwaad doen.”—“Maar vooraf,” zeide de doctor, “zullen wij een laatste middel beproeven om den Victoria te verlichten.”—“Welk?” zeide Kennedy, “ik ben nieuwsgierig het te vernemen.”—“Wij moeten ons van de kisten der gaspijp, van de Bunsensche batterij en de slang ontdoen; wij hebben daar meer dan 900 pond.”—“Maar, Samuel, hoe zult gij daarna het gas doen uitzetten?”—“Dat zullen wij niet meer doen!...”—“Maar...”—“Luistert, mijn vrienden, ik heb nauwkeurig berekend welke stijgkracht ons overblijft, zij is voldoende om ons drieën te vervoeren met de weinige voorwerpen, die ons overblijven. Wij wegen nauwlijks 500 pond, de twee ankers medegerekend, die ik gaarne wil behouden?”—“Mijn waarde Samuel,” antwoordde de jager, “gij weet het beste over onzen toestand te oordeelen, zeg ons wat wij moeten doen, wij zullen u gehoorzamen.”—“Tot uwe orders, meester.”—“Ik herhaal het u, mijne vrienden, hoe ernstig dit besluit ook zij, wij moeten onzen toestel opofferen.”—“Het zij zoo,” antwoordde Kennedy.—“Aan het werk!” zeide Joe.

Het was geen geringe arbeid, men moest den toestel stuk voor stuk uit elkander nemen; eerst nam men de mengkist weg, vervolgens die der gaspijp en eindelijk de kist, waarin het water ontleed werd; er was niets minder dan de vereenigde kracht der drie reizigers noodig om den toestel, die vast aan den bodem van het schuitje was bevestigd, los te rukken. Eindelijk gelukte het hun en zij wierpen hem er uit.—“De negers zullen zeer verbaasd zijn,” zeide Joe, “dergelijke voorwerpen in het bosch te zien hangen, zij zijn in staat er afgodsbeelden van te maken.”—Vervolgens moest men zich bezig houden met de buizen, die in den ballon vast zaten en die aan den slang waren bevestigd. Het gelukte Joe eenige voeten boven het schuitje de geledingen van caoutchouc door te snijden, maar met de buizen ging dat moeielijker, want zij werden aan haar boveneinde vastgehouden en bevestigd door de draden van geel koper en den ring der klep. Toen toonde Joe eene groote behendigheid; blootvoets om het omkleedsel niet te beschadigen, klom hij met behulp van het net en ondanks de schommelingen, boven op den luchtballon en daar maakte hij, na tallooze moeielijkheden, zich met eene hand aan deze glibberige oppervlakte vasthoudende, de buitenste banden los, die de buizen vasthielden. Dezen gingen nu gemakkelijk los en werden door het onderste gedeelte van dentoestel weggetrokken die door een sterken band hermetisch werd gesloten. De Victoria van dit aanzienlijk gewicht bevrijd, steeg in de lucht en spande het ankertouw sterk. Te middernacht was al het werk gelukkig geëindigd ten koste van vele vermoeienissen, men nam in haast een maal van pemmican en kouden grog, want de doctor kon geene warmte ter beschikking van Joe stellen. Deze en Kennedy bezweken bijna van vermoeienis.—“Gaat slapen, mijne vrienden,” zeide Ferguson tot hen, “ik zal de eerste wacht nemen, ten twee uur zal ik Kennedy wekken; ten vier uur zal Kennedy Joe wekken; ten zes uur zullen wij vertrekken, en de hemel wake dan nog dezen laatsten dag over ons.”—Zonder zich langer te doen noodigen, strekten de beide reisgezellen des doctors zich op den bodem van het schuitje uit en vielen spoedig in een diepen slaap.

De nacht was kalm, eenige wolken braken tegen het laatste kwartier der maan, wier onzekere stralen nauwelijks de duisternis eenigszins braken. Ferguson op den rand van het schuitje geleund, sloeg zijne blikken rondom zich; hij keek met oplettendheid naar het donkere gebladerte, dat zich onder hem ver uitstrekte; het minste gerucht scheen hem verdacht en hij zocht zich zelfs het minste geritsel der bladeren te verklaren.

Hij bevond zich in dien geestestoestand, die door de eenzaamheid nog gevoeliger wordt gemaakt, en gedurende welken eene onbestemde vrees onze zinnen ontroert. Op het einde van eene dergelijke reis, na zoovele hinderpalen te boven te zijn gekomen, op het oogenblik van het doel te bereiken, is de vrees levendiger en de ontroering sterker, het punt van aankomst schijnt voor de oogen te vlieden. Overigens was hun tegenwoordige toestand alles behalve veilig te midden van een barbaarsch land en met een vervoermiddel dat, per slot van rekening, hen elk oogenblik kon in den steek laten. De doctor rekende niet volkomen meer op zijn ballon, de tijd was voorbij dat hij hem stoutmoedig bestuurde, omdat hij zeker van hem was. Onder deze indrukken meende de doctor soms eenig onbestemd gerucht te hooren in die groote wouden; hij meende zelfs een plotseling verdwijnend vuur tusschen die boomen te zien glinsteren; hij keek oplettend en richtte zijn nachtkijker naar dien kant, maar zag niets en er heerschte zelfs een diepe stilte. Hij had zonder twijfel verkeerd gezien; hij luisterde zonder het minste gerucht te vernemen; daar de tijd van zijne wacht toen was verstreken, wekte hij Kennedy, beval hem eene uiterste waakzaamheid en ging naast Joe liggen, die vast sliep. Kennedy stak bedaard zijne pijp aan, terwijl hij zich de oogen uitwreef, die hij moeite had om open te houden, ging in een hoek zitten en begon sterk te rooken om den slaap te verdrijven. De diepste stilte heerschte rondom hem; een zacht windje bewoog dekruinen der boomen en slingerden een weinig het schuitje, hetgeen hem nog meer slaap veroorzaakte; hij wilde weerstand daaraan bieden; opende herhaalde malen zijne oogen, en eindelijk door de vermoeienis bezwijkende viel hij in slaap.

Hoelang duurde dit? Hij kon zich daarvan geene rekenschap geven bij zijn ontwaken, dat plotseling door een onverwacht geknetter werd veroorzaakt. Hij wreef zich de oogen uit en stond op, eene groote hitte deed zich voelen. Het woud stond in brand.—“Brand! brand!” riep hij, zonder het voorval te begrijpen.—Zijne twee reisgezellen stonden op.—“Wat is het dan?” vroeg Samuel.—“De brand,” zeide Joe..... “Wie kan.....” Op dit oogenblik brak onder het hel verlichte gebladerte een gehuil uit.—“O! de wilden,” riep Joe uit, “zij hebben het woud in brand gestoken om ons des te zekerder te verbranden.”—“De Talibas de marabouts van Al-Hadji zonder twijfel,” zeide de doctor.

Op dit oogenblik brak onder het hel verlichte gebladerte een gehuil uit.

Op dit oogenblik brak onder het hel verlichte gebladerte een gehuil uit.

Een kring omringde den Victoria, het gekraak van dood hout vermengde zich met het smeulen der groene takken; de klimplanten,de bladeren, al wat leven had in dit bosch was door het verwoestende element aangetast; de groote boomen teekenden zich donker af in dit fornuis, met hunne takken, die met gloeiende kolen waren bedekt; deze brandende massa weerkaatste in de wolken, en de reizigers meenden dat zij door een bal van vuur omringd waren.—“Laat ons vluchten!” riep Kennedy uit! “op de aarde is onze eenigste kans op behoud.”—Maar Ferguson hield hem met vaste hand terug en hij sneed het ankertouw met een bijlslag door. De vlammen, zich naar den ballon uitstrekkende, lekten reeds zijne verlichte zijden, maar de Victoria, ontdaan van zijne banden, steeg meer dan 1000 voet. Vreeslijke kreten weergalmden in het woud, met hevige losbrandingen; de ballon ging met behulp van een luchtstroom naar het westen. Het was vier uur des morgens.

De Talibas.—De vervolging.—Een verwoest land.—De Victoria daalt.—De laatste mondbehoeften.—De sprongen van den Victoria.—Verdediging met geweerschoten.—De wind wakkert aan.—De rivier Senegal.—De watervallen van Gouina.—De heete lucht.—Overtocht der rivier.

De Talibas.—De vervolging.—Een verwoest land.—De Victoria daalt.—De laatste mondbehoeften.—De sprongen van den Victoria.—Verdediging met geweerschoten.—De wind wakkert aan.—De rivier Senegal.—De watervallen van Gouina.—De heete lucht.—Overtocht der rivier.

“Als wij gisteren de voorzorg niet hadden genomen om den ballon lichter te maken zouden wij nu zonder genade verloren zijn geweest,” zeide Ferguson.—“Dat heet ik de zaken op zijn tijd doen,” zeide Joe, “men redt zich, en niets is natuurlijker.”—“Wij zijn niet buiten gevaar,” antwoordde Ferguson.—“Wat vreest gij dan?” vroeg Dick.—“De Victoria kan zonder uw verlof niet dalen, en als hij al daalde?”—“Als hij daalde!” zei Dick.

Verdediging met geweervuur. Blz. 234.Verdediging met geweervuur. Blz.234.

Verdediging met geweervuur. Blz. 234.

Verdediging met geweervuur. Blz.234.

Den zoom van het bosch waren zij overgetrokken en de reizigers konden een dertigtal ruiters ontdekken, gekleed met een langen pantalon en golvende bornous; zij waren gewapend, de eenen met lansen, de anderen met lange musketten; zij volgden in een lichten galop op hunne vlugge paarden de richting van den Victoria, die met eene matige snelheid voortging. Op het gezicht der reizigers stootten zij woeste kreten uit, terwijl zij hunne wapens slingerden; de woede en de bedreigingen teekenden zich op hun bruin gezicht, dat nog woester werd door een kleinen maar puntigen baard; zij doortrokken zonder moeite die lage vlakten en die zachte hellingen, die tot aan den Senegal afdalen.—“Zij zijn het wel,” zeide dedoctor, “de wreede Talibas! de woeste marabouts van Al-Hadji! Ik zou liever in het midden van een woud, omringd door een troep wilde dieren willen wezen, dan in handen dezer bandieten te vallen.”—“Zij zien er niet zeer inschikkelijk uit,” zeide Kennedy, “en het zijn stevige knapen.”—“Gelukkig vliegen die beesten niet,” antwoordde Joe, “dat is altoos iets.”—“Ziet,” zeide Ferguson, “deze verwoeste dorpen en verbrande hutten, dat is hun werk, en daar waar zich groote bouwvelden uitstrekten, hebben zij de verwoesting gebracht.”—“Zij kunnen ons niet bereiken,” hernam Kennedy, “en als wij den stroom tusschen hen en ons kunnen brengen, zijn wij in veiligheid.”—“Zeer juist. Dick, maar wij moeten niet vallen,” antwoordde de doctor, de oogen op den barometer slaande.—“In alle gevallen, Joe,” hernam Kennedy, “zullen wij geen kwaad doen onze wapenen gereed te maken.”—“Dat kan niet schaden, mijnheer Dick, wij zullen er ons wel bij bevinden ze niet te hebben weggeworpen.”—“Mijne karabijn!” riep de jager uit, “ik hoop mij er nooit van te scheiden.”—En Kennedy laadde ze met de grootste zorg, er bleef hem ammunitie genoeg over.—“Op welke hoogte zijn wij?” vroeg hij aan Ferguson.—“Op ongeveer 750 voet, maar wij hebben geene macht meer om gunstige luchtstroomen te zoeken door te reizen of te dalen, wij hangen geheel van den ballon af.”—“Dat is verdrietig,” zeide Kennedy, “de wind is niet sterk, en als wij door een orkaan gelijk aan dien der vorige dagen waren overvallen, zouden die afschuwelijke bandieten reeds lang uit het gezicht zijn.”—“Deze schelmen volgen ons zonder zich te generen,” zeide Joe, “in kleinen galop.”—“Als wij op een kleinen afstand waren,” zeide de jager, “dan zou ik er schik in hebben hen achter elkander van het paard te doen tuimelen.”—“Ja zeker!” antwoordde Ferguson, “maar zij zouden ook ons onder schot hebben, en onze Victoria zou een te goed mikpunt zijn voor hunne kogels; als zij hem verscheurden, dan laat ik aan uw oordeel over welke onze toestand zou zijn.”—De vervolging der Talibas ging den geheelen morgen voort. Tegen elf uur waren de reizigers nauwelijks 15 mijlen naar het westen gevorderd. De doctor bespiedde de minste wolken aan den horizon; hij vreesde altijd eene verandering in den dampkring. Als hij naar den Niger werd teruggevoerd, wat zou er dan van hem worden? Hij bemerkte dat de ballon merkbaar daalde; sedert zijn vertrek had hij reeds meer dan 300 voet verloren en de Senegal moest nog een twaalftal mijlen verwijderd zijn; met hunne tegenwoordige snelheid, moesten zij nog op drie uren reis rekenen.

Op dit oogenblik werd hunne oplettendheid opgewekt door nieuwe kreten; de Talibas zetten hunne paarden meer aan. De doctor raadpleegde den barometer en begreep de oorzaak van dit gehuil.—“Wij dalen,” zeide Kennedy.—“Ja,” antwoordde Ferguson.—“Duivels!” dacht Joe.—Na een kwartier was het schuitje geene 150 voet meer van den grond, maar de wind stak meer op.—De Talibas spoorden hunne paarden aan en weldra barstten er geweerschotenlos.—“Te ver, ezels,” riep Joe uit, “het komt mij goed voor die schurken op een afstand te houden.”—En op een der voorste ruiters mikkende, gaf hij vuur, de Taliba stortte ter aarde, zijne metgezellen bleven staan en de Victoria won weder op hen.—“Zij zijn voorzichtig,” zeide Kennedy.—“Omdat zij zich zeker wanen ons te bereiken,” antwoordde de doctor, “en zij zullen slagen, als wij nog meer dalen! Wij moeten volstrekt stijgen.”—“Wat zullen wij wegwerpen?” vroeg Joe.—“Alle pemmican die ons overblijft, dat bedraagt nog dertig pond.”—“Al klaar,” zeide Joe, de bevelen zijns meesters gehoorzamende. Het schuitje, dat bijna den grond raakte, steeg in de hoogte, te midden der kreten van de Talibas; maar een half uur later daalde de Victoria weder snel; het gas ontsnapte door de poriën van het omkleedsel. Weldra ging het schuitje rakelings langs den grond; de negers van Al-Hadji stortten er op los, maar, zoo als in dergelijke gevallen gebeurt, nauwelijks had het den grond aangeraakt of de Victoria steeg plotseling om eene mijl verder weder te dalen.—“Zullen wij hen dan niet ontkomen?” vroeg Kennedy woedend.—“Werp onzen brandewijn weg, Joe,” zeide de doctor, “onze instrumenten, alles wat eenige zwaarte heeft, en ons laatste anker, omdat het noodig is.” Joe rukte de barometers en thermometers los, maar dat beteekende weinig, en de ballon, die een oogenblik steeg, daalde weldra weder. De Talibas snelden hem na en waren slechts tweehonderd schreden van hem af.—“Werp de twee geweren weg,” beval de doctor. En vier achtereenvolgende schoten troffen vier Talibas, die vielen te midden van de razende kreten der bende.

De Victoria steeg weder. Hij maakte groote sprongen even als een groote elastieke bal. Het was een vreemd schouwspel deze ongelukkigen te zien, die met reusachtige schreden poogden te vluchten en die, aan Anteus gelijk, eene nieuwe kracht schenen te bekomen, zoodra zij de aarde aanraakten. Maar aan dezen toestand moest een einde komen, het was bijna middag; de Victoria verloor zijn gas, zijn omkleedsel begon te fladderen, de plooien van het taf sloegen over elkander heen.—“De hemel verlaat ons,” zeide Kennedy, “wij zullen moeten vallen.”—Joe antwoordde niet, hij zag zijn meester aan. “Neen,” zeide deze, “wij kunnen nog meer dan 150 pond wegwerpen.”—“Wat dan?” vroeg Kennedy, die geloofde dat de doctor gek werd.—“Het schuitje,” antwoordde deze. “Laten wij ons aan het net vasthouden, de mazen kunnen ons wel houden totdat wij aan den stroom komen. Spoedig! Spoedig!”—En de stoutmoedige mannen aarzelden niet om een dergelijk middel tot behoud te beproeven; zij gingen aan de mazen van het net hangen, zoo als de doctor dit had aangewezen, en Joe, zich met eene hand vasthoudende, sneed de touwen van het schuitje door, het viel op het oogenblik dat de luchtballon weder ging dalen. “Hoezee! hoezee!”riep hij uit, terwijl de ballon tot op 300 voet steeg.—De Talibas hitsten hunne paarden aan; zij liepen ventre à terre, maar de Victoria, een sterkeren wind ontmoetende, snelde hen vooruit naar een heuvel in het westen. Dit was eene gunstige omstandigheid voor de reizigers, want zij konden hem overtrekken, terwijl de bende van Al-Hadji genoodzaakt was hem om te trekken. De drie vrienden hielden zich vast aan het net. Zij hadden het onder zich kunnen vast maken, het vormde als het ware een drijvenden zak. Plotseling riep de doctor, na den heuvel te zijn overgetrokken, uit: “De rivier! de rivier! de Senegal, mijne vrienden!”

Twee mijlen voor hen was de rivier; de tegenover gelegen oever, laag en vruchtbaar, bood hun eene zekere schuilplaats aan. “Nog een kwartier,” zeide Ferguson, “en wij zijn gered.” Maar het moest niet zoo zijn; de ledige ballon viel langzamerhand op den grond, die bijna geheel beroofd was van plantengroei; het waren lange hellingen en rotsachtige vlakten; nauwelijks zag men eenige struiken, een zwaar en door de zonnestralen verdroogd gras. De Victoria raakte dikwijls den grond en verhief zich weder; zijne sprongen werden korter en lager; bij den laatsten bleef het bovenste gedeelte van het net aan de hooge takken van een baobab vast zitten.—“Het is gedaan,” zeide de jager.—“En op honderd schreden van de rivier.”—De drie ongelukkigen zetten voet op de aarde en de doctor sleepte zijne twee reisgezellen mede naar den Senegal. Op die plaats deed de rivier een sterk geloei hooren; aan de oevers gekomen herkende Ferguson den waterval van Gouina. Er was geene schuit op den oever, geen levend wezen. Op eene breedte van 2000 voet stortte de Senegal zich van eene hoogte van 150 voet, met een schelklinkend geraas; hij stroomde van het oosten naar het westen, en de rotsen, die zijn loop tegenhielden, strekten zich van het noorden naar het zuiden uit. In het midden van den waterval verhieven zich rotsen van eene vreemde gedaante, even als groote dieren uit de tijden vóór den zondvloed, die versteend zijn te midden der wateren. De onmogelijkheid om dien kolk over te steken was duidelijk. Kennedy kon een gebaar van wanhoop niet weerhouden. Maar de doctor riep met krachtige stem uit: “Alles is nog niet gedaan!”—“Ik wist het wel,” zeide Joe, met dat vertrouwen op zijn meester dat hem nooit verliet.


Back to IndexNext