VIII.

VIII.De Londensche Zondag.„Wat is er toch dezen nacht inLondengebeurd?” zeide ik den volgenden morgen tegen mijnen vriendC..., met wien ik afgesproken had, hem ten zijnent te komen afhalen.—„Wat er gebeurd is? Wel hetgeen er alle nachten gebeurt, denk ik.—Dewatchmen, (nachtwachts) die de eenige Politie teLondenis, hebben zeer naauwkeurig, om het half uur, de ronde gedaan en zich doen hooren.—Zij zullen een twintig stuks dronkaards voor dood van de straat hebben opgeraapt en te huis gebragt: eenige jonge losbollen zullen door de meisjes van pleizier of door zakkenrolders zich de beurs of het horologie hebben laten ligten: de een of ander zal zich veelligt in het bed den hals afgesneden, zich op zolder verhangen, of zich in deTheemsverdronken hebben: de aangekomene reizigers zullen, even als gij, hunne welkomst teLondenin een onzer voornaamste logementen betaald hebben, en eindelijk....”—„En eindelijk, en eindelijk—naar dit alles vraag ik u niet.Londenheeft dezen morgen het voorkomen van eene verlatene of uitgestorvene stad; men ziet niemand op de straat, en deuren en vensters zijn gesloten: het schijnt mij toe, als of ik mij in het paleis vanMorpheus, den god des slaaps, bevind; en indien ik de bierdragers en melkboeren niet, volgens gewoonte, huis aan huis had zien gaan, zou ik zeker in den waan zijn, dat de geheele bevolking vanLondendezen nacht verhuisd was.”—„Gij weet dan niet, dat het hedenZondagis?”—„Ik heb er waarlijk niet aan gedacht, doch thans verwonder ik mij nog veel meer over deze sombere en doodsche stilte. Is deze dag dan niet, even als bij ons, een feestdag voor het volk, en bijzonder voor de werkzame klasse of ambachtslieden, om van den arbeid en vermoeijenissen der afgeloopene week uit te rusten en zich door gepaste vermaken te verpoozen?”—„Maar ontdoe u toch in ’s hemels naam van uwe Fransche begrippen, en denk, dat gij inEngelandzijt. Meent gij, dat men hier juist denzondagafwacht, om het vermaak te hebben van zich in het een of anderkroegje buiten de stad te gaan bedrinken? Men geniet hier bijna dagelijks dit genoegen, zonder door gezelschap of eene vrolijke luim daartoe verleid te worden. De ambachtsman, die geld op zak heeft, drinkt zich hier geheel alleen, deftig en op zijn gemak, onder een pijpje, eenen duchtigen roes, en hij behoeft niets van het vrolijke der Franschen in hunne bijeenkomsten, wanneer zij zich des zondags buiten op het land met dans en spel vermaken. Eenige pinten biers, eenige glazenginzijn hem meer waardig dan alle vreugden, dieFrankrijkkan opleveren.”—„Maar eindelijk, wat doet men toch zondags teLonden?”—„Men gaat ter kerke, men leest in huis den bijbel, en bij goed weer wandelt men.—Willen wij eens in eene kerk gaan? Gij kunt dan zien, hoe vol het daar is.”—„Zeer gaarne.”—„Maar ik waarschouw u vooraf, dat wij tot het einde toe moeten blijven; want gingen wij vroeger heen, dan zouden wij der geheele vergadering eene groote ergernis geven. Daarenboven zult gij eenige onzer predikanten hooren, en over hunne gaven kunnen oordelen.”—„Zeer bezwaarlijk zal ik over hen kunnenbeslissen; want ik ben niet eigen genoeg met de Engelsche taal, om te durven hopen, de geheele preek te kunnen verstaan: doch hoe het ook zij, ik ben tot uwen dienst.”Nu kwamen wij aan twee kerken te vergeefs; want wij konden er niet binnen komen. Zij waren namelijk dermate opgepropt, dat het volk op de trappen, ja zelfs op de straat stond. Eindelijk konden wij in eene derde, alhoewel niet zonder eenige moeite, een plaatsje vinden. Ik beken, dat ik verwonderd, ja zelfs met eene soort van heiligen eerbied doordrongen was, toen ik de orde, de plegtige stilte en de verhevene aandacht, die onder deze menigte heerschten, met oplettendheid beschouwde. De dienst was reeds begonnen, toen wij in de kerk kwamen, en wij veroorzaakten, door ons te plaatsen, eene kleine beweging. Niemand echter scheen ons op te merken, en noch de harten noch de oogen der hoorderen verlieten hunne bezigheid, om zich met ons te bemoeijen. Men zag daar geenszins, als in sommige andere landen, jonge lieden door de kerk wandelen, om hunne kennissen op te sporen, noch vrouwen, welker oogen hare tong vervingen, en die, door lonken, met hare vrienden eene zeer verstaanbare taal spraken; veel minder nog dat slag van lieden, die met elkander inde kerk de pleizierpartijtjes beramen, welke zij, bij het uitgaan, denken te nemen. De aandacht, aan den godsdienst verschuldigd, werd hier niet ieder oogenblik afgebroken, dan eens door eene stoelenzetster, die om betaling vraagt, dan weder door twee of driecollectanten, die met hunne zakjes voor de armen, en bijzonder voor het onderhoud van kerk en predikant, door de kerk ronddwalen, en allerminst door eenen of anderen kerkdienaar, die gewijd brood ronddeelt, hetwelk de kinderen elkander met geweld trachten te ontnemen, en dus der algemeene aandacht storenis toebrengen. Geen voorwerp, hoe genaamd, hindert u, en ieder schijnt zich geheel alleen met den dienst van dien God bezig te houden, in wiens tempel hij zich bevindt. Het scheen nogtans, dat de getrouwe, in deze heilige plaats vergaderde, geloovigengepredestineerdwaren, om dezen dag eene onwillekeurige verstrooijing te ondergaan.Een lompe Engelschman, zoo lang als hij breed was, met eene ronde ongepoeijerde krulpruik en eenen vervaarlijk grooten driekanten hoed, trad, vergezeld van twee vrouwen, te gelijk met ons in de kerk. Volgens het gebruik nam hij, bij het inkomen, den hoed af; doch het zij de pruik te wijd voor zijn hoofd, of dehoed te naauw voor de pruik was, ten minste de pruik wilde hardnekkig den hoed blijven vergezellen, en mijn goede Engelschman liet door de gevolgen der volgzucht van de noodlottige pruik een ronden kop te voorschijn komen, op welks platten grond ook het meest vergrootende glas niet in staat zou geweest zijn, een enkel haartje te ontdekken. Weinige personen echter bemerkten dit ongeval; wijl de lijder met eene vaardigheid, waartoe ik hem, van wege zijn lomp uiterlijk voorkomen, nimmer bekwaam zou geacht hebben, de pruik weder had opgeraapt en zijne vorige stelling doen hernemen. Doch deze knaphandigheid was oorzaak van eene nog grootere ramp. In zijne overhaasting had hij de ongelukkige pruik het achterste voren opgezet, en zich in dezen opschik in eene bank, naast de onze, geplaatst hebbende, leverde hij het koddigste figuur op, dat men zich immer kan verbeelden. Ik voor mij ten minste had de grootste moeite, om mijne lachspieren te bedwingen, en oordeelde de spreuk hier zeer toepasselijk:risum teneatis amici!Natuurlijk moest deze nootlottige, in eene verkeerde rigting geplaatste pruik de aandacht van de geheele vergadering tot zich trekken. De oude matronen rimpelden hare wenkbraauwenop, de jonge kleuters beten zich op de lippen, de bejaarde mannen glimlachten, en de jonge lieden fluisterden elkander in het oor; in een woord, aller oogen waren op hem gevestigd, en de predikant zelf scheen, daar de ongelukkige pruikdrager vlak over den preekstoel zat, en dus juist onder zijn gezigt viel, in twijfel, of hij het pas aangevangen sermoen zou vervolgen of afbreken. Eindelijk waarschouwde hem eene der vrouwen, die hem vergezelde, zeer liefderijk wegens zijne misvatting, en toen nam hij, zonder zich eenigzins te ontstellen, met eene deftige houding nogmaals de ergerniswekkende pruik van het hoofd, hield dezelve op zijnen linker vuist, beschouwde haar zeer bedaard, om niet weder in den vorigen misslag te vervallen; en nadat hij dezelve vervolgens in de juiste rigting, welke eener fatsoenlijke pruik betaamt, op den, van haar ontblooten, levenden kapstok geplaatst had, nam de geheele ergernis en opschudding een einde, en de predikant vervolgde zijne begonnen taak. De predikatie duurde bijna een uur, maar kwam mij veel langer voor, dewijl ik slechts hier en daar eenige zinsneden kon verstaan. De redenaar had de uitgeschrevene preek in zijne hand, en scheen veel meer te lezen, dan te preken, hetgeen mij voorkwamminder indruk op de toehoorders te maken, dewijl het bloote lezen nimmer der gemoederen die gewaarwording kan inboezemen, welke eene, met kracht gehoudene, redevoering kan te weeg brengen.„Om op éénen dag mijn oordeel over de Engelsche welsprekendheid en wijze van opzeggen te kunnen vellen;”zeide ik tegen mijnen vriend bij het uitgaan van de kerk;„wil ik dezen avond nog naar den schouwburg gaan.”—„Naar den schouwburg? Zondags wordt er nooit gespeeld. Ik heb het u immers reeds gezegd; de geheele Londensche zondag bestaat in deze twee woorden:kerk en bijbel! uitgezonderd echter de aangename verstrooijing, welke eenige in eenzaamheid genotene pinten biers den gretigen drinker kunnen verschaffen.—De kinderen zelve mogen van daag niet spelen, en gij zult er heden geen een op straat zien knikkeren of tollen, of buiten eenen vlieger oplaten.”—„Dan zal ik mijnen avond besteden met aan mevrouw B * * * een bezoek te geven. Ik heb haar eenen brief te overhandigen van haren zoon, die zich teParijsbevindt.”—„Zoo als gij wilt; maar dit is immers regt op zijn Fransch!”—„Hoe, wat meent gij?”—„In het algemeen legt men hier nimmer des avonds bezoeken af, ten minste, zoo men niet verzocht is, of verwacht wordt; of het moest al bij zeer goede vrienden zijn. Maar op eenen zondagavond—dit zou nog tienmaal erger wezen. Ieder blijft ten zijnent, in den schoot van zijn gezin en in die bekoorlijke werkeloosheid—in datdolce far niente, hetwelk het grootste geluk aan eenen anderen nabuur van het Fransche rijk oplevert. Slechts in eenige huizen, welke meer op goeden smaak, dan op orde en geregeldheid mogen roemen, waagt men het, op zondagavond gezelschap te ontvangen, en dan nog bepaalt zich het geheele vermaak van dien avond in een weinig muzijk. Eindelijk, om u te bewijzen, met welk eene gestrengheid men hier den zondag eert, zal ik u eenvoudig zeggen, dat zelfs de bakkers hunne werkzaamheden moeten staken. Indien gij derhalve een liefhebber van versch brood zijt, zult gij u van daag met geduld tot het vasten dienen voor te bereiden.”—„Laat ons gaan, mijne partij is gekozen, ik zal mij in huis opsluiten, en, om dezen avond stichtelijk te vieren, hem doorbrengen met eenige brieven naarParijste schrijven.”—„Wilt gij heden avond het Vondelingshuismet mij gaan bezoeken? Gij zult daar eenen uitstekenden predikant aantreffen.”—„Hartelijk dank! De beste zaken der wereld verliezen hare waarde, als men er te veel gebruik van maakt.”

VIII.De Londensche Zondag.„Wat is er toch dezen nacht inLondengebeurd?” zeide ik den volgenden morgen tegen mijnen vriendC..., met wien ik afgesproken had, hem ten zijnent te komen afhalen.—„Wat er gebeurd is? Wel hetgeen er alle nachten gebeurt, denk ik.—Dewatchmen, (nachtwachts) die de eenige Politie teLondenis, hebben zeer naauwkeurig, om het half uur, de ronde gedaan en zich doen hooren.—Zij zullen een twintig stuks dronkaards voor dood van de straat hebben opgeraapt en te huis gebragt: eenige jonge losbollen zullen door de meisjes van pleizier of door zakkenrolders zich de beurs of het horologie hebben laten ligten: de een of ander zal zich veelligt in het bed den hals afgesneden, zich op zolder verhangen, of zich in deTheemsverdronken hebben: de aangekomene reizigers zullen, even als gij, hunne welkomst teLondenin een onzer voornaamste logementen betaald hebben, en eindelijk....”—„En eindelijk, en eindelijk—naar dit alles vraag ik u niet.Londenheeft dezen morgen het voorkomen van eene verlatene of uitgestorvene stad; men ziet niemand op de straat, en deuren en vensters zijn gesloten: het schijnt mij toe, als of ik mij in het paleis vanMorpheus, den god des slaaps, bevind; en indien ik de bierdragers en melkboeren niet, volgens gewoonte, huis aan huis had zien gaan, zou ik zeker in den waan zijn, dat de geheele bevolking vanLondendezen nacht verhuisd was.”—„Gij weet dan niet, dat het hedenZondagis?”—„Ik heb er waarlijk niet aan gedacht, doch thans verwonder ik mij nog veel meer over deze sombere en doodsche stilte. Is deze dag dan niet, even als bij ons, een feestdag voor het volk, en bijzonder voor de werkzame klasse of ambachtslieden, om van den arbeid en vermoeijenissen der afgeloopene week uit te rusten en zich door gepaste vermaken te verpoozen?”—„Maar ontdoe u toch in ’s hemels naam van uwe Fransche begrippen, en denk, dat gij inEngelandzijt. Meent gij, dat men hier juist denzondagafwacht, om het vermaak te hebben van zich in het een of anderkroegje buiten de stad te gaan bedrinken? Men geniet hier bijna dagelijks dit genoegen, zonder door gezelschap of eene vrolijke luim daartoe verleid te worden. De ambachtsman, die geld op zak heeft, drinkt zich hier geheel alleen, deftig en op zijn gemak, onder een pijpje, eenen duchtigen roes, en hij behoeft niets van het vrolijke der Franschen in hunne bijeenkomsten, wanneer zij zich des zondags buiten op het land met dans en spel vermaken. Eenige pinten biers, eenige glazenginzijn hem meer waardig dan alle vreugden, dieFrankrijkkan opleveren.”—„Maar eindelijk, wat doet men toch zondags teLonden?”—„Men gaat ter kerke, men leest in huis den bijbel, en bij goed weer wandelt men.—Willen wij eens in eene kerk gaan? Gij kunt dan zien, hoe vol het daar is.”—„Zeer gaarne.”—„Maar ik waarschouw u vooraf, dat wij tot het einde toe moeten blijven; want gingen wij vroeger heen, dan zouden wij der geheele vergadering eene groote ergernis geven. Daarenboven zult gij eenige onzer predikanten hooren, en over hunne gaven kunnen oordelen.”—„Zeer bezwaarlijk zal ik over hen kunnenbeslissen; want ik ben niet eigen genoeg met de Engelsche taal, om te durven hopen, de geheele preek te kunnen verstaan: doch hoe het ook zij, ik ben tot uwen dienst.”Nu kwamen wij aan twee kerken te vergeefs; want wij konden er niet binnen komen. Zij waren namelijk dermate opgepropt, dat het volk op de trappen, ja zelfs op de straat stond. Eindelijk konden wij in eene derde, alhoewel niet zonder eenige moeite, een plaatsje vinden. Ik beken, dat ik verwonderd, ja zelfs met eene soort van heiligen eerbied doordrongen was, toen ik de orde, de plegtige stilte en de verhevene aandacht, die onder deze menigte heerschten, met oplettendheid beschouwde. De dienst was reeds begonnen, toen wij in de kerk kwamen, en wij veroorzaakten, door ons te plaatsen, eene kleine beweging. Niemand echter scheen ons op te merken, en noch de harten noch de oogen der hoorderen verlieten hunne bezigheid, om zich met ons te bemoeijen. Men zag daar geenszins, als in sommige andere landen, jonge lieden door de kerk wandelen, om hunne kennissen op te sporen, noch vrouwen, welker oogen hare tong vervingen, en die, door lonken, met hare vrienden eene zeer verstaanbare taal spraken; veel minder nog dat slag van lieden, die met elkander inde kerk de pleizierpartijtjes beramen, welke zij, bij het uitgaan, denken te nemen. De aandacht, aan den godsdienst verschuldigd, werd hier niet ieder oogenblik afgebroken, dan eens door eene stoelenzetster, die om betaling vraagt, dan weder door twee of driecollectanten, die met hunne zakjes voor de armen, en bijzonder voor het onderhoud van kerk en predikant, door de kerk ronddwalen, en allerminst door eenen of anderen kerkdienaar, die gewijd brood ronddeelt, hetwelk de kinderen elkander met geweld trachten te ontnemen, en dus der algemeene aandacht storenis toebrengen. Geen voorwerp, hoe genaamd, hindert u, en ieder schijnt zich geheel alleen met den dienst van dien God bezig te houden, in wiens tempel hij zich bevindt. Het scheen nogtans, dat de getrouwe, in deze heilige plaats vergaderde, geloovigengepredestineerdwaren, om dezen dag eene onwillekeurige verstrooijing te ondergaan.Een lompe Engelschman, zoo lang als hij breed was, met eene ronde ongepoeijerde krulpruik en eenen vervaarlijk grooten driekanten hoed, trad, vergezeld van twee vrouwen, te gelijk met ons in de kerk. Volgens het gebruik nam hij, bij het inkomen, den hoed af; doch het zij de pruik te wijd voor zijn hoofd, of dehoed te naauw voor de pruik was, ten minste de pruik wilde hardnekkig den hoed blijven vergezellen, en mijn goede Engelschman liet door de gevolgen der volgzucht van de noodlottige pruik een ronden kop te voorschijn komen, op welks platten grond ook het meest vergrootende glas niet in staat zou geweest zijn, een enkel haartje te ontdekken. Weinige personen echter bemerkten dit ongeval; wijl de lijder met eene vaardigheid, waartoe ik hem, van wege zijn lomp uiterlijk voorkomen, nimmer bekwaam zou geacht hebben, de pruik weder had opgeraapt en zijne vorige stelling doen hernemen. Doch deze knaphandigheid was oorzaak van eene nog grootere ramp. In zijne overhaasting had hij de ongelukkige pruik het achterste voren opgezet, en zich in dezen opschik in eene bank, naast de onze, geplaatst hebbende, leverde hij het koddigste figuur op, dat men zich immer kan verbeelden. Ik voor mij ten minste had de grootste moeite, om mijne lachspieren te bedwingen, en oordeelde de spreuk hier zeer toepasselijk:risum teneatis amici!Natuurlijk moest deze nootlottige, in eene verkeerde rigting geplaatste pruik de aandacht van de geheele vergadering tot zich trekken. De oude matronen rimpelden hare wenkbraauwenop, de jonge kleuters beten zich op de lippen, de bejaarde mannen glimlachten, en de jonge lieden fluisterden elkander in het oor; in een woord, aller oogen waren op hem gevestigd, en de predikant zelf scheen, daar de ongelukkige pruikdrager vlak over den preekstoel zat, en dus juist onder zijn gezigt viel, in twijfel, of hij het pas aangevangen sermoen zou vervolgen of afbreken. Eindelijk waarschouwde hem eene der vrouwen, die hem vergezelde, zeer liefderijk wegens zijne misvatting, en toen nam hij, zonder zich eenigzins te ontstellen, met eene deftige houding nogmaals de ergerniswekkende pruik van het hoofd, hield dezelve op zijnen linker vuist, beschouwde haar zeer bedaard, om niet weder in den vorigen misslag te vervallen; en nadat hij dezelve vervolgens in de juiste rigting, welke eener fatsoenlijke pruik betaamt, op den, van haar ontblooten, levenden kapstok geplaatst had, nam de geheele ergernis en opschudding een einde, en de predikant vervolgde zijne begonnen taak. De predikatie duurde bijna een uur, maar kwam mij veel langer voor, dewijl ik slechts hier en daar eenige zinsneden kon verstaan. De redenaar had de uitgeschrevene preek in zijne hand, en scheen veel meer te lezen, dan te preken, hetgeen mij voorkwamminder indruk op de toehoorders te maken, dewijl het bloote lezen nimmer der gemoederen die gewaarwording kan inboezemen, welke eene, met kracht gehoudene, redevoering kan te weeg brengen.„Om op éénen dag mijn oordeel over de Engelsche welsprekendheid en wijze van opzeggen te kunnen vellen;”zeide ik tegen mijnen vriend bij het uitgaan van de kerk;„wil ik dezen avond nog naar den schouwburg gaan.”—„Naar den schouwburg? Zondags wordt er nooit gespeeld. Ik heb het u immers reeds gezegd; de geheele Londensche zondag bestaat in deze twee woorden:kerk en bijbel! uitgezonderd echter de aangename verstrooijing, welke eenige in eenzaamheid genotene pinten biers den gretigen drinker kunnen verschaffen.—De kinderen zelve mogen van daag niet spelen, en gij zult er heden geen een op straat zien knikkeren of tollen, of buiten eenen vlieger oplaten.”—„Dan zal ik mijnen avond besteden met aan mevrouw B * * * een bezoek te geven. Ik heb haar eenen brief te overhandigen van haren zoon, die zich teParijsbevindt.”—„Zoo als gij wilt; maar dit is immers regt op zijn Fransch!”—„Hoe, wat meent gij?”—„In het algemeen legt men hier nimmer des avonds bezoeken af, ten minste, zoo men niet verzocht is, of verwacht wordt; of het moest al bij zeer goede vrienden zijn. Maar op eenen zondagavond—dit zou nog tienmaal erger wezen. Ieder blijft ten zijnent, in den schoot van zijn gezin en in die bekoorlijke werkeloosheid—in datdolce far niente, hetwelk het grootste geluk aan eenen anderen nabuur van het Fransche rijk oplevert. Slechts in eenige huizen, welke meer op goeden smaak, dan op orde en geregeldheid mogen roemen, waagt men het, op zondagavond gezelschap te ontvangen, en dan nog bepaalt zich het geheele vermaak van dien avond in een weinig muzijk. Eindelijk, om u te bewijzen, met welk eene gestrengheid men hier den zondag eert, zal ik u eenvoudig zeggen, dat zelfs de bakkers hunne werkzaamheden moeten staken. Indien gij derhalve een liefhebber van versch brood zijt, zult gij u van daag met geduld tot het vasten dienen voor te bereiden.”—„Laat ons gaan, mijne partij is gekozen, ik zal mij in huis opsluiten, en, om dezen avond stichtelijk te vieren, hem doorbrengen met eenige brieven naarParijste schrijven.”—„Wilt gij heden avond het Vondelingshuismet mij gaan bezoeken? Gij zult daar eenen uitstekenden predikant aantreffen.”—„Hartelijk dank! De beste zaken der wereld verliezen hare waarde, als men er te veel gebruik van maakt.”

VIII.De Londensche Zondag.

„Wat is er toch dezen nacht inLondengebeurd?” zeide ik den volgenden morgen tegen mijnen vriendC..., met wien ik afgesproken had, hem ten zijnent te komen afhalen.—„Wat er gebeurd is? Wel hetgeen er alle nachten gebeurt, denk ik.—Dewatchmen, (nachtwachts) die de eenige Politie teLondenis, hebben zeer naauwkeurig, om het half uur, de ronde gedaan en zich doen hooren.—Zij zullen een twintig stuks dronkaards voor dood van de straat hebben opgeraapt en te huis gebragt: eenige jonge losbollen zullen door de meisjes van pleizier of door zakkenrolders zich de beurs of het horologie hebben laten ligten: de een of ander zal zich veelligt in het bed den hals afgesneden, zich op zolder verhangen, of zich in deTheemsverdronken hebben: de aangekomene reizigers zullen, even als gij, hunne welkomst teLondenin een onzer voornaamste logementen betaald hebben, en eindelijk....”—„En eindelijk, en eindelijk—naar dit alles vraag ik u niet.Londenheeft dezen morgen het voorkomen van eene verlatene of uitgestorvene stad; men ziet niemand op de straat, en deuren en vensters zijn gesloten: het schijnt mij toe, als of ik mij in het paleis vanMorpheus, den god des slaaps, bevind; en indien ik de bierdragers en melkboeren niet, volgens gewoonte, huis aan huis had zien gaan, zou ik zeker in den waan zijn, dat de geheele bevolking vanLondendezen nacht verhuisd was.”—„Gij weet dan niet, dat het hedenZondagis?”—„Ik heb er waarlijk niet aan gedacht, doch thans verwonder ik mij nog veel meer over deze sombere en doodsche stilte. Is deze dag dan niet, even als bij ons, een feestdag voor het volk, en bijzonder voor de werkzame klasse of ambachtslieden, om van den arbeid en vermoeijenissen der afgeloopene week uit te rusten en zich door gepaste vermaken te verpoozen?”—„Maar ontdoe u toch in ’s hemels naam van uwe Fransche begrippen, en denk, dat gij inEngelandzijt. Meent gij, dat men hier juist denzondagafwacht, om het vermaak te hebben van zich in het een of anderkroegje buiten de stad te gaan bedrinken? Men geniet hier bijna dagelijks dit genoegen, zonder door gezelschap of eene vrolijke luim daartoe verleid te worden. De ambachtsman, die geld op zak heeft, drinkt zich hier geheel alleen, deftig en op zijn gemak, onder een pijpje, eenen duchtigen roes, en hij behoeft niets van het vrolijke der Franschen in hunne bijeenkomsten, wanneer zij zich des zondags buiten op het land met dans en spel vermaken. Eenige pinten biers, eenige glazenginzijn hem meer waardig dan alle vreugden, dieFrankrijkkan opleveren.”—„Maar eindelijk, wat doet men toch zondags teLonden?”—„Men gaat ter kerke, men leest in huis den bijbel, en bij goed weer wandelt men.—Willen wij eens in eene kerk gaan? Gij kunt dan zien, hoe vol het daar is.”—„Zeer gaarne.”—„Maar ik waarschouw u vooraf, dat wij tot het einde toe moeten blijven; want gingen wij vroeger heen, dan zouden wij der geheele vergadering eene groote ergernis geven. Daarenboven zult gij eenige onzer predikanten hooren, en over hunne gaven kunnen oordelen.”—„Zeer bezwaarlijk zal ik over hen kunnenbeslissen; want ik ben niet eigen genoeg met de Engelsche taal, om te durven hopen, de geheele preek te kunnen verstaan: doch hoe het ook zij, ik ben tot uwen dienst.”Nu kwamen wij aan twee kerken te vergeefs; want wij konden er niet binnen komen. Zij waren namelijk dermate opgepropt, dat het volk op de trappen, ja zelfs op de straat stond. Eindelijk konden wij in eene derde, alhoewel niet zonder eenige moeite, een plaatsje vinden. Ik beken, dat ik verwonderd, ja zelfs met eene soort van heiligen eerbied doordrongen was, toen ik de orde, de plegtige stilte en de verhevene aandacht, die onder deze menigte heerschten, met oplettendheid beschouwde. De dienst was reeds begonnen, toen wij in de kerk kwamen, en wij veroorzaakten, door ons te plaatsen, eene kleine beweging. Niemand echter scheen ons op te merken, en noch de harten noch de oogen der hoorderen verlieten hunne bezigheid, om zich met ons te bemoeijen. Men zag daar geenszins, als in sommige andere landen, jonge lieden door de kerk wandelen, om hunne kennissen op te sporen, noch vrouwen, welker oogen hare tong vervingen, en die, door lonken, met hare vrienden eene zeer verstaanbare taal spraken; veel minder nog dat slag van lieden, die met elkander inde kerk de pleizierpartijtjes beramen, welke zij, bij het uitgaan, denken te nemen. De aandacht, aan den godsdienst verschuldigd, werd hier niet ieder oogenblik afgebroken, dan eens door eene stoelenzetster, die om betaling vraagt, dan weder door twee of driecollectanten, die met hunne zakjes voor de armen, en bijzonder voor het onderhoud van kerk en predikant, door de kerk ronddwalen, en allerminst door eenen of anderen kerkdienaar, die gewijd brood ronddeelt, hetwelk de kinderen elkander met geweld trachten te ontnemen, en dus der algemeene aandacht storenis toebrengen. Geen voorwerp, hoe genaamd, hindert u, en ieder schijnt zich geheel alleen met den dienst van dien God bezig te houden, in wiens tempel hij zich bevindt. Het scheen nogtans, dat de getrouwe, in deze heilige plaats vergaderde, geloovigengepredestineerdwaren, om dezen dag eene onwillekeurige verstrooijing te ondergaan.Een lompe Engelschman, zoo lang als hij breed was, met eene ronde ongepoeijerde krulpruik en eenen vervaarlijk grooten driekanten hoed, trad, vergezeld van twee vrouwen, te gelijk met ons in de kerk. Volgens het gebruik nam hij, bij het inkomen, den hoed af; doch het zij de pruik te wijd voor zijn hoofd, of dehoed te naauw voor de pruik was, ten minste de pruik wilde hardnekkig den hoed blijven vergezellen, en mijn goede Engelschman liet door de gevolgen der volgzucht van de noodlottige pruik een ronden kop te voorschijn komen, op welks platten grond ook het meest vergrootende glas niet in staat zou geweest zijn, een enkel haartje te ontdekken. Weinige personen echter bemerkten dit ongeval; wijl de lijder met eene vaardigheid, waartoe ik hem, van wege zijn lomp uiterlijk voorkomen, nimmer bekwaam zou geacht hebben, de pruik weder had opgeraapt en zijne vorige stelling doen hernemen. Doch deze knaphandigheid was oorzaak van eene nog grootere ramp. In zijne overhaasting had hij de ongelukkige pruik het achterste voren opgezet, en zich in dezen opschik in eene bank, naast de onze, geplaatst hebbende, leverde hij het koddigste figuur op, dat men zich immer kan verbeelden. Ik voor mij ten minste had de grootste moeite, om mijne lachspieren te bedwingen, en oordeelde de spreuk hier zeer toepasselijk:risum teneatis amici!Natuurlijk moest deze nootlottige, in eene verkeerde rigting geplaatste pruik de aandacht van de geheele vergadering tot zich trekken. De oude matronen rimpelden hare wenkbraauwenop, de jonge kleuters beten zich op de lippen, de bejaarde mannen glimlachten, en de jonge lieden fluisterden elkander in het oor; in een woord, aller oogen waren op hem gevestigd, en de predikant zelf scheen, daar de ongelukkige pruikdrager vlak over den preekstoel zat, en dus juist onder zijn gezigt viel, in twijfel, of hij het pas aangevangen sermoen zou vervolgen of afbreken. Eindelijk waarschouwde hem eene der vrouwen, die hem vergezelde, zeer liefderijk wegens zijne misvatting, en toen nam hij, zonder zich eenigzins te ontstellen, met eene deftige houding nogmaals de ergerniswekkende pruik van het hoofd, hield dezelve op zijnen linker vuist, beschouwde haar zeer bedaard, om niet weder in den vorigen misslag te vervallen; en nadat hij dezelve vervolgens in de juiste rigting, welke eener fatsoenlijke pruik betaamt, op den, van haar ontblooten, levenden kapstok geplaatst had, nam de geheele ergernis en opschudding een einde, en de predikant vervolgde zijne begonnen taak. De predikatie duurde bijna een uur, maar kwam mij veel langer voor, dewijl ik slechts hier en daar eenige zinsneden kon verstaan. De redenaar had de uitgeschrevene preek in zijne hand, en scheen veel meer te lezen, dan te preken, hetgeen mij voorkwamminder indruk op de toehoorders te maken, dewijl het bloote lezen nimmer der gemoederen die gewaarwording kan inboezemen, welke eene, met kracht gehoudene, redevoering kan te weeg brengen.„Om op éénen dag mijn oordeel over de Engelsche welsprekendheid en wijze van opzeggen te kunnen vellen;”zeide ik tegen mijnen vriend bij het uitgaan van de kerk;„wil ik dezen avond nog naar den schouwburg gaan.”—„Naar den schouwburg? Zondags wordt er nooit gespeeld. Ik heb het u immers reeds gezegd; de geheele Londensche zondag bestaat in deze twee woorden:kerk en bijbel! uitgezonderd echter de aangename verstrooijing, welke eenige in eenzaamheid genotene pinten biers den gretigen drinker kunnen verschaffen.—De kinderen zelve mogen van daag niet spelen, en gij zult er heden geen een op straat zien knikkeren of tollen, of buiten eenen vlieger oplaten.”—„Dan zal ik mijnen avond besteden met aan mevrouw B * * * een bezoek te geven. Ik heb haar eenen brief te overhandigen van haren zoon, die zich teParijsbevindt.”—„Zoo als gij wilt; maar dit is immers regt op zijn Fransch!”—„Hoe, wat meent gij?”—„In het algemeen legt men hier nimmer des avonds bezoeken af, ten minste, zoo men niet verzocht is, of verwacht wordt; of het moest al bij zeer goede vrienden zijn. Maar op eenen zondagavond—dit zou nog tienmaal erger wezen. Ieder blijft ten zijnent, in den schoot van zijn gezin en in die bekoorlijke werkeloosheid—in datdolce far niente, hetwelk het grootste geluk aan eenen anderen nabuur van het Fransche rijk oplevert. Slechts in eenige huizen, welke meer op goeden smaak, dan op orde en geregeldheid mogen roemen, waagt men het, op zondagavond gezelschap te ontvangen, en dan nog bepaalt zich het geheele vermaak van dien avond in een weinig muzijk. Eindelijk, om u te bewijzen, met welk eene gestrengheid men hier den zondag eert, zal ik u eenvoudig zeggen, dat zelfs de bakkers hunne werkzaamheden moeten staken. Indien gij derhalve een liefhebber van versch brood zijt, zult gij u van daag met geduld tot het vasten dienen voor te bereiden.”—„Laat ons gaan, mijne partij is gekozen, ik zal mij in huis opsluiten, en, om dezen avond stichtelijk te vieren, hem doorbrengen met eenige brieven naarParijste schrijven.”—„Wilt gij heden avond het Vondelingshuismet mij gaan bezoeken? Gij zult daar eenen uitstekenden predikant aantreffen.”—„Hartelijk dank! De beste zaken der wereld verliezen hare waarde, als men er te veel gebruik van maakt.”

„Wat is er toch dezen nacht inLondengebeurd?” zeide ik den volgenden morgen tegen mijnen vriendC..., met wien ik afgesproken had, hem ten zijnent te komen afhalen.

—„Wat er gebeurd is? Wel hetgeen er alle nachten gebeurt, denk ik.—Dewatchmen, (nachtwachts) die de eenige Politie teLondenis, hebben zeer naauwkeurig, om het half uur, de ronde gedaan en zich doen hooren.—Zij zullen een twintig stuks dronkaards voor dood van de straat hebben opgeraapt en te huis gebragt: eenige jonge losbollen zullen door de meisjes van pleizier of door zakkenrolders zich de beurs of het horologie hebben laten ligten: de een of ander zal zich veelligt in het bed den hals afgesneden, zich op zolder verhangen, of zich in deTheemsverdronken hebben: de aangekomene reizigers zullen, even als gij, hunne welkomst teLondenin een onzer voornaamste logementen betaald hebben, en eindelijk....”

—„En eindelijk, en eindelijk—naar dit alles vraag ik u niet.Londenheeft dezen morgen het voorkomen van eene verlatene of uitgestorvene stad; men ziet niemand op de straat, en deuren en vensters zijn gesloten: het schijnt mij toe, als of ik mij in het paleis vanMorpheus, den god des slaaps, bevind; en indien ik de bierdragers en melkboeren niet, volgens gewoonte, huis aan huis had zien gaan, zou ik zeker in den waan zijn, dat de geheele bevolking vanLondendezen nacht verhuisd was.”

—„Gij weet dan niet, dat het hedenZondagis?”

—„Ik heb er waarlijk niet aan gedacht, doch thans verwonder ik mij nog veel meer over deze sombere en doodsche stilte. Is deze dag dan niet, even als bij ons, een feestdag voor het volk, en bijzonder voor de werkzame klasse of ambachtslieden, om van den arbeid en vermoeijenissen der afgeloopene week uit te rusten en zich door gepaste vermaken te verpoozen?”

—„Maar ontdoe u toch in ’s hemels naam van uwe Fransche begrippen, en denk, dat gij inEngelandzijt. Meent gij, dat men hier juist denzondagafwacht, om het vermaak te hebben van zich in het een of anderkroegje buiten de stad te gaan bedrinken? Men geniet hier bijna dagelijks dit genoegen, zonder door gezelschap of eene vrolijke luim daartoe verleid te worden. De ambachtsman, die geld op zak heeft, drinkt zich hier geheel alleen, deftig en op zijn gemak, onder een pijpje, eenen duchtigen roes, en hij behoeft niets van het vrolijke der Franschen in hunne bijeenkomsten, wanneer zij zich des zondags buiten op het land met dans en spel vermaken. Eenige pinten biers, eenige glazenginzijn hem meer waardig dan alle vreugden, dieFrankrijkkan opleveren.”

—„Maar eindelijk, wat doet men toch zondags teLonden?”

—„Men gaat ter kerke, men leest in huis den bijbel, en bij goed weer wandelt men.—Willen wij eens in eene kerk gaan? Gij kunt dan zien, hoe vol het daar is.”

—„Zeer gaarne.”

—„Maar ik waarschouw u vooraf, dat wij tot het einde toe moeten blijven; want gingen wij vroeger heen, dan zouden wij der geheele vergadering eene groote ergernis geven. Daarenboven zult gij eenige onzer predikanten hooren, en over hunne gaven kunnen oordelen.”

—„Zeer bezwaarlijk zal ik over hen kunnenbeslissen; want ik ben niet eigen genoeg met de Engelsche taal, om te durven hopen, de geheele preek te kunnen verstaan: doch hoe het ook zij, ik ben tot uwen dienst.”

Nu kwamen wij aan twee kerken te vergeefs; want wij konden er niet binnen komen. Zij waren namelijk dermate opgepropt, dat het volk op de trappen, ja zelfs op de straat stond. Eindelijk konden wij in eene derde, alhoewel niet zonder eenige moeite, een plaatsje vinden. Ik beken, dat ik verwonderd, ja zelfs met eene soort van heiligen eerbied doordrongen was, toen ik de orde, de plegtige stilte en de verhevene aandacht, die onder deze menigte heerschten, met oplettendheid beschouwde. De dienst was reeds begonnen, toen wij in de kerk kwamen, en wij veroorzaakten, door ons te plaatsen, eene kleine beweging. Niemand echter scheen ons op te merken, en noch de harten noch de oogen der hoorderen verlieten hunne bezigheid, om zich met ons te bemoeijen. Men zag daar geenszins, als in sommige andere landen, jonge lieden door de kerk wandelen, om hunne kennissen op te sporen, noch vrouwen, welker oogen hare tong vervingen, en die, door lonken, met hare vrienden eene zeer verstaanbare taal spraken; veel minder nog dat slag van lieden, die met elkander inde kerk de pleizierpartijtjes beramen, welke zij, bij het uitgaan, denken te nemen. De aandacht, aan den godsdienst verschuldigd, werd hier niet ieder oogenblik afgebroken, dan eens door eene stoelenzetster, die om betaling vraagt, dan weder door twee of driecollectanten, die met hunne zakjes voor de armen, en bijzonder voor het onderhoud van kerk en predikant, door de kerk ronddwalen, en allerminst door eenen of anderen kerkdienaar, die gewijd brood ronddeelt, hetwelk de kinderen elkander met geweld trachten te ontnemen, en dus der algemeene aandacht storenis toebrengen. Geen voorwerp, hoe genaamd, hindert u, en ieder schijnt zich geheel alleen met den dienst van dien God bezig te houden, in wiens tempel hij zich bevindt. Het scheen nogtans, dat de getrouwe, in deze heilige plaats vergaderde, geloovigengepredestineerdwaren, om dezen dag eene onwillekeurige verstrooijing te ondergaan.

Een lompe Engelschman, zoo lang als hij breed was, met eene ronde ongepoeijerde krulpruik en eenen vervaarlijk grooten driekanten hoed, trad, vergezeld van twee vrouwen, te gelijk met ons in de kerk. Volgens het gebruik nam hij, bij het inkomen, den hoed af; doch het zij de pruik te wijd voor zijn hoofd, of dehoed te naauw voor de pruik was, ten minste de pruik wilde hardnekkig den hoed blijven vergezellen, en mijn goede Engelschman liet door de gevolgen der volgzucht van de noodlottige pruik een ronden kop te voorschijn komen, op welks platten grond ook het meest vergrootende glas niet in staat zou geweest zijn, een enkel haartje te ontdekken. Weinige personen echter bemerkten dit ongeval; wijl de lijder met eene vaardigheid, waartoe ik hem, van wege zijn lomp uiterlijk voorkomen, nimmer bekwaam zou geacht hebben, de pruik weder had opgeraapt en zijne vorige stelling doen hernemen. Doch deze knaphandigheid was oorzaak van eene nog grootere ramp. In zijne overhaasting had hij de ongelukkige pruik het achterste voren opgezet, en zich in dezen opschik in eene bank, naast de onze, geplaatst hebbende, leverde hij het koddigste figuur op, dat men zich immer kan verbeelden. Ik voor mij ten minste had de grootste moeite, om mijne lachspieren te bedwingen, en oordeelde de spreuk hier zeer toepasselijk:risum teneatis amici!

Natuurlijk moest deze nootlottige, in eene verkeerde rigting geplaatste pruik de aandacht van de geheele vergadering tot zich trekken. De oude matronen rimpelden hare wenkbraauwenop, de jonge kleuters beten zich op de lippen, de bejaarde mannen glimlachten, en de jonge lieden fluisterden elkander in het oor; in een woord, aller oogen waren op hem gevestigd, en de predikant zelf scheen, daar de ongelukkige pruikdrager vlak over den preekstoel zat, en dus juist onder zijn gezigt viel, in twijfel, of hij het pas aangevangen sermoen zou vervolgen of afbreken. Eindelijk waarschouwde hem eene der vrouwen, die hem vergezelde, zeer liefderijk wegens zijne misvatting, en toen nam hij, zonder zich eenigzins te ontstellen, met eene deftige houding nogmaals de ergerniswekkende pruik van het hoofd, hield dezelve op zijnen linker vuist, beschouwde haar zeer bedaard, om niet weder in den vorigen misslag te vervallen; en nadat hij dezelve vervolgens in de juiste rigting, welke eener fatsoenlijke pruik betaamt, op den, van haar ontblooten, levenden kapstok geplaatst had, nam de geheele ergernis en opschudding een einde, en de predikant vervolgde zijne begonnen taak. De predikatie duurde bijna een uur, maar kwam mij veel langer voor, dewijl ik slechts hier en daar eenige zinsneden kon verstaan. De redenaar had de uitgeschrevene preek in zijne hand, en scheen veel meer te lezen, dan te preken, hetgeen mij voorkwamminder indruk op de toehoorders te maken, dewijl het bloote lezen nimmer der gemoederen die gewaarwording kan inboezemen, welke eene, met kracht gehoudene, redevoering kan te weeg brengen.

„Om op éénen dag mijn oordeel over de Engelsche welsprekendheid en wijze van opzeggen te kunnen vellen;”zeide ik tegen mijnen vriend bij het uitgaan van de kerk;„wil ik dezen avond nog naar den schouwburg gaan.”

—„Naar den schouwburg? Zondags wordt er nooit gespeeld. Ik heb het u immers reeds gezegd; de geheele Londensche zondag bestaat in deze twee woorden:kerk en bijbel! uitgezonderd echter de aangename verstrooijing, welke eenige in eenzaamheid genotene pinten biers den gretigen drinker kunnen verschaffen.—De kinderen zelve mogen van daag niet spelen, en gij zult er heden geen een op straat zien knikkeren of tollen, of buiten eenen vlieger oplaten.”

—„Dan zal ik mijnen avond besteden met aan mevrouw B * * * een bezoek te geven. Ik heb haar eenen brief te overhandigen van haren zoon, die zich teParijsbevindt.”

—„Zoo als gij wilt; maar dit is immers regt op zijn Fransch!”

—„Hoe, wat meent gij?”

—„In het algemeen legt men hier nimmer des avonds bezoeken af, ten minste, zoo men niet verzocht is, of verwacht wordt; of het moest al bij zeer goede vrienden zijn. Maar op eenen zondagavond—dit zou nog tienmaal erger wezen. Ieder blijft ten zijnent, in den schoot van zijn gezin en in die bekoorlijke werkeloosheid—in datdolce far niente, hetwelk het grootste geluk aan eenen anderen nabuur van het Fransche rijk oplevert. Slechts in eenige huizen, welke meer op goeden smaak, dan op orde en geregeldheid mogen roemen, waagt men het, op zondagavond gezelschap te ontvangen, en dan nog bepaalt zich het geheele vermaak van dien avond in een weinig muzijk. Eindelijk, om u te bewijzen, met welk eene gestrengheid men hier den zondag eert, zal ik u eenvoudig zeggen, dat zelfs de bakkers hunne werkzaamheden moeten staken. Indien gij derhalve een liefhebber van versch brood zijt, zult gij u van daag met geduld tot het vasten dienen voor te bereiden.”

—„Laat ons gaan, mijne partij is gekozen, ik zal mij in huis opsluiten, en, om dezen avond stichtelijk te vieren, hem doorbrengen met eenige brieven naarParijste schrijven.”

—„Wilt gij heden avond het Vondelingshuismet mij gaan bezoeken? Gij zult daar eenen uitstekenden predikant aantreffen.”

—„Hartelijk dank! De beste zaken der wereld verliezen hare waarde, als men er te veel gebruik van maakt.”


Back to IndexNext