X.De Schellen.„Kent gij hetSchellen-Eiland?” zeide ik, op zekeren dag, tegen mijnen vriend, terwijl wij zamen door de stad wandelden.—„Neen! Of bedoelt gij, met opzigt tot de schellen, een eiland, even als hetEiland der Lantaarnen, waar de vrolijkePanurgezijn leven reddede.”—„Juist! HetSchellen-Eilandis een oud, afgesleten en reeds sedert lang vergeten zangspel, doch welks titelLondenmij herinnerd heeft; want de titel-alleen is alles, wat ik van dieOperaweet. Deze stad mag waarlijk wel deSchellen-Stadgenoemd worden; en de reden, dat men de schellen niet aan de deuren vindt, is buiten twijfel, wijl zij zich met eene wandeling door de stad vermaken.”—„Neen, het is, omdat de meeste Londensche uitventers, niet tevreden met u de ooren door hun vreesselijk geschreeuw te verdooven, er, ten overvloede, nog eene schel bijvoegen, ten einde des te beter de algemeene opmerking tot zich te trekken, en dus doendehunne koopmanschappen aan den man te brengen.—Dit kind, dat gij daar ziet met die groote toegedekte mand op het hoofd, waarvan het evenwigt door de toppen zijner linker vingeren wordt bewaard, terwijl hij met de regterhand eene groote schel doet klinken, en welks piepende stem en schelle toonen u het trommelvlies schijnen te zullen breken, verkoopt, bij voorbeeld, koekjes, om in de thee te doopen, welke de Engelschen na den maaltijd nuttigen. Gindsche vrouw, die met moeite dien grooten, met een oud vloerkleed bedekten, kruiwagen voortstuwt, waaraan eene soort van klok is vastgehecht, is eene appelenverkoopster. Deze man, die, niettegenstaande hij aan iederen arm eenen zwaren korf heeft hangen, nogtans zijne schel kan doen klinken, is een koopman in taartjes en pastijtjes.—Die andere, die op zijde van dat, met twee oude knollen bespannen, karretje, zijn klokje doet hooren, is de vuilnisman; want teLondensmijt men het vuilnis niet, zoo als teParijs, op de straat, maar men legt het hier of daar in huis in eenen hoek neder, en men ontdoet er zich van, als men door het zoo even vermelde klokkenspel de nadering van het voertuig ontwaart, dat met de wegruiming van hetzelve belast is. Letslechts eens op! ziedaar juist eene meid; die hem eenen korf vol overgeeft, welken hij in zijn karretje ledigt.”—„En wat zijn dat voor twee menschen, welker hoeden rondom met papieren behangen zijn, waarop, naar het mij voorkomt, groote geschrevene letters staan, en die beurtelings eenige onverstaanbare woorden brullen, en dan wederom op eenen koehoren blazen, welk geluid nog tienmaal erger is, dan al het geklank der schellen?”—„Het zijn liedjeszangers en uitventers van nieuwstijdingen. Met groote letters schrijven zij op de papieren, welke hunne hoeden bedekken, den korten inhoud van het nieuws, hetwelk hunne tijdingen bevatten, ten einde, langs dezen weg, hunne waar, naar hunne meening, des te beter te slijten. Zoodra de avond valt, hebben zij eene brandende toorts, om het opschrift op hun hoofd te verlichten. Ook liegen zij even zoo onbeschaamd als uwe uitventers van nieuwstijdingen teParijs, en verhalen zeer omstandig en op eenen verzekerenden toon gebeurtenissen en voorvallen, welke men zeer verwonderd is in het geheele blad niet te kunnen vinden, hetwelk zij den nieuwsgierigen nog wel voor eenen schelling (vier en twintig stuivers Fransch) in de hand stoppen,daar men het aan het expeditie-kantoor zelve voor zevenpences, of veertien stuivers, kan bekomen.”—„Nog al een schelletje! Wat is dat nu weder voor eene figuur met zijnen rooden rok, die in de eene hand, naar het schijnt, eenen ledigen zak heeft, en met de andere op de maat klinkt, en wel op eene geheel andere wijze dan zijne kameraden, de overige kooplieden?”—„Dat is geen koopman, maar een, die brieven aanneemt, om ze op den post te bestellen. Door dat geluid geeft hij zijne nabijheid te kennen, en tegen betaling van eenepencevoor iederen brief, belast hij zich voor den post met alle, welke men hem ter hand wil stellen.”—„Hij zal dus niet veel fortuin maken: er zijn hier immers eene menigte van brievekassen, aan welke men, daar het niets kost, buiten twijfel de voorkeur zal geven.”—„Dit is zoo; maar de brievekassen zijn niet langer open, dan tot des avonds te vijf ure, en van vijven tot zessen doen de bestellers hunne ronde. Indien gij zelfs na zessen nog eenen brief hebt, waar haast bij is, kunt gij hem tot zeven ure toe nog op het postkantoor kwijt worden, en tegen betaling vanzespencesvoor iederen brief, worden zij nog in het maal gesloten. O mijn vriend!Londenis eene heerlijke stad! Alles is daar berekend, om—”—„om geld te winnen!”
X.De Schellen.„Kent gij hetSchellen-Eiland?” zeide ik, op zekeren dag, tegen mijnen vriend, terwijl wij zamen door de stad wandelden.—„Neen! Of bedoelt gij, met opzigt tot de schellen, een eiland, even als hetEiland der Lantaarnen, waar de vrolijkePanurgezijn leven reddede.”—„Juist! HetSchellen-Eilandis een oud, afgesleten en reeds sedert lang vergeten zangspel, doch welks titelLondenmij herinnerd heeft; want de titel-alleen is alles, wat ik van dieOperaweet. Deze stad mag waarlijk wel deSchellen-Stadgenoemd worden; en de reden, dat men de schellen niet aan de deuren vindt, is buiten twijfel, wijl zij zich met eene wandeling door de stad vermaken.”—„Neen, het is, omdat de meeste Londensche uitventers, niet tevreden met u de ooren door hun vreesselijk geschreeuw te verdooven, er, ten overvloede, nog eene schel bijvoegen, ten einde des te beter de algemeene opmerking tot zich te trekken, en dus doendehunne koopmanschappen aan den man te brengen.—Dit kind, dat gij daar ziet met die groote toegedekte mand op het hoofd, waarvan het evenwigt door de toppen zijner linker vingeren wordt bewaard, terwijl hij met de regterhand eene groote schel doet klinken, en welks piepende stem en schelle toonen u het trommelvlies schijnen te zullen breken, verkoopt, bij voorbeeld, koekjes, om in de thee te doopen, welke de Engelschen na den maaltijd nuttigen. Gindsche vrouw, die met moeite dien grooten, met een oud vloerkleed bedekten, kruiwagen voortstuwt, waaraan eene soort van klok is vastgehecht, is eene appelenverkoopster. Deze man, die, niettegenstaande hij aan iederen arm eenen zwaren korf heeft hangen, nogtans zijne schel kan doen klinken, is een koopman in taartjes en pastijtjes.—Die andere, die op zijde van dat, met twee oude knollen bespannen, karretje, zijn klokje doet hooren, is de vuilnisman; want teLondensmijt men het vuilnis niet, zoo als teParijs, op de straat, maar men legt het hier of daar in huis in eenen hoek neder, en men ontdoet er zich van, als men door het zoo even vermelde klokkenspel de nadering van het voertuig ontwaart, dat met de wegruiming van hetzelve belast is. Letslechts eens op! ziedaar juist eene meid; die hem eenen korf vol overgeeft, welken hij in zijn karretje ledigt.”—„En wat zijn dat voor twee menschen, welker hoeden rondom met papieren behangen zijn, waarop, naar het mij voorkomt, groote geschrevene letters staan, en die beurtelings eenige onverstaanbare woorden brullen, en dan wederom op eenen koehoren blazen, welk geluid nog tienmaal erger is, dan al het geklank der schellen?”—„Het zijn liedjeszangers en uitventers van nieuwstijdingen. Met groote letters schrijven zij op de papieren, welke hunne hoeden bedekken, den korten inhoud van het nieuws, hetwelk hunne tijdingen bevatten, ten einde, langs dezen weg, hunne waar, naar hunne meening, des te beter te slijten. Zoodra de avond valt, hebben zij eene brandende toorts, om het opschrift op hun hoofd te verlichten. Ook liegen zij even zoo onbeschaamd als uwe uitventers van nieuwstijdingen teParijs, en verhalen zeer omstandig en op eenen verzekerenden toon gebeurtenissen en voorvallen, welke men zeer verwonderd is in het geheele blad niet te kunnen vinden, hetwelk zij den nieuwsgierigen nog wel voor eenen schelling (vier en twintig stuivers Fransch) in de hand stoppen,daar men het aan het expeditie-kantoor zelve voor zevenpences, of veertien stuivers, kan bekomen.”—„Nog al een schelletje! Wat is dat nu weder voor eene figuur met zijnen rooden rok, die in de eene hand, naar het schijnt, eenen ledigen zak heeft, en met de andere op de maat klinkt, en wel op eene geheel andere wijze dan zijne kameraden, de overige kooplieden?”—„Dat is geen koopman, maar een, die brieven aanneemt, om ze op den post te bestellen. Door dat geluid geeft hij zijne nabijheid te kennen, en tegen betaling van eenepencevoor iederen brief, belast hij zich voor den post met alle, welke men hem ter hand wil stellen.”—„Hij zal dus niet veel fortuin maken: er zijn hier immers eene menigte van brievekassen, aan welke men, daar het niets kost, buiten twijfel de voorkeur zal geven.”—„Dit is zoo; maar de brievekassen zijn niet langer open, dan tot des avonds te vijf ure, en van vijven tot zessen doen de bestellers hunne ronde. Indien gij zelfs na zessen nog eenen brief hebt, waar haast bij is, kunt gij hem tot zeven ure toe nog op het postkantoor kwijt worden, en tegen betaling vanzespencesvoor iederen brief, worden zij nog in het maal gesloten. O mijn vriend!Londenis eene heerlijke stad! Alles is daar berekend, om—”—„om geld te winnen!”
X.De Schellen.
„Kent gij hetSchellen-Eiland?” zeide ik, op zekeren dag, tegen mijnen vriend, terwijl wij zamen door de stad wandelden.—„Neen! Of bedoelt gij, met opzigt tot de schellen, een eiland, even als hetEiland der Lantaarnen, waar de vrolijkePanurgezijn leven reddede.”—„Juist! HetSchellen-Eilandis een oud, afgesleten en reeds sedert lang vergeten zangspel, doch welks titelLondenmij herinnerd heeft; want de titel-alleen is alles, wat ik van dieOperaweet. Deze stad mag waarlijk wel deSchellen-Stadgenoemd worden; en de reden, dat men de schellen niet aan de deuren vindt, is buiten twijfel, wijl zij zich met eene wandeling door de stad vermaken.”—„Neen, het is, omdat de meeste Londensche uitventers, niet tevreden met u de ooren door hun vreesselijk geschreeuw te verdooven, er, ten overvloede, nog eene schel bijvoegen, ten einde des te beter de algemeene opmerking tot zich te trekken, en dus doendehunne koopmanschappen aan den man te brengen.—Dit kind, dat gij daar ziet met die groote toegedekte mand op het hoofd, waarvan het evenwigt door de toppen zijner linker vingeren wordt bewaard, terwijl hij met de regterhand eene groote schel doet klinken, en welks piepende stem en schelle toonen u het trommelvlies schijnen te zullen breken, verkoopt, bij voorbeeld, koekjes, om in de thee te doopen, welke de Engelschen na den maaltijd nuttigen. Gindsche vrouw, die met moeite dien grooten, met een oud vloerkleed bedekten, kruiwagen voortstuwt, waaraan eene soort van klok is vastgehecht, is eene appelenverkoopster. Deze man, die, niettegenstaande hij aan iederen arm eenen zwaren korf heeft hangen, nogtans zijne schel kan doen klinken, is een koopman in taartjes en pastijtjes.—Die andere, die op zijde van dat, met twee oude knollen bespannen, karretje, zijn klokje doet hooren, is de vuilnisman; want teLondensmijt men het vuilnis niet, zoo als teParijs, op de straat, maar men legt het hier of daar in huis in eenen hoek neder, en men ontdoet er zich van, als men door het zoo even vermelde klokkenspel de nadering van het voertuig ontwaart, dat met de wegruiming van hetzelve belast is. Letslechts eens op! ziedaar juist eene meid; die hem eenen korf vol overgeeft, welken hij in zijn karretje ledigt.”—„En wat zijn dat voor twee menschen, welker hoeden rondom met papieren behangen zijn, waarop, naar het mij voorkomt, groote geschrevene letters staan, en die beurtelings eenige onverstaanbare woorden brullen, en dan wederom op eenen koehoren blazen, welk geluid nog tienmaal erger is, dan al het geklank der schellen?”—„Het zijn liedjeszangers en uitventers van nieuwstijdingen. Met groote letters schrijven zij op de papieren, welke hunne hoeden bedekken, den korten inhoud van het nieuws, hetwelk hunne tijdingen bevatten, ten einde, langs dezen weg, hunne waar, naar hunne meening, des te beter te slijten. Zoodra de avond valt, hebben zij eene brandende toorts, om het opschrift op hun hoofd te verlichten. Ook liegen zij even zoo onbeschaamd als uwe uitventers van nieuwstijdingen teParijs, en verhalen zeer omstandig en op eenen verzekerenden toon gebeurtenissen en voorvallen, welke men zeer verwonderd is in het geheele blad niet te kunnen vinden, hetwelk zij den nieuwsgierigen nog wel voor eenen schelling (vier en twintig stuivers Fransch) in de hand stoppen,daar men het aan het expeditie-kantoor zelve voor zevenpences, of veertien stuivers, kan bekomen.”—„Nog al een schelletje! Wat is dat nu weder voor eene figuur met zijnen rooden rok, die in de eene hand, naar het schijnt, eenen ledigen zak heeft, en met de andere op de maat klinkt, en wel op eene geheel andere wijze dan zijne kameraden, de overige kooplieden?”—„Dat is geen koopman, maar een, die brieven aanneemt, om ze op den post te bestellen. Door dat geluid geeft hij zijne nabijheid te kennen, en tegen betaling van eenepencevoor iederen brief, belast hij zich voor den post met alle, welke men hem ter hand wil stellen.”—„Hij zal dus niet veel fortuin maken: er zijn hier immers eene menigte van brievekassen, aan welke men, daar het niets kost, buiten twijfel de voorkeur zal geven.”—„Dit is zoo; maar de brievekassen zijn niet langer open, dan tot des avonds te vijf ure, en van vijven tot zessen doen de bestellers hunne ronde. Indien gij zelfs na zessen nog eenen brief hebt, waar haast bij is, kunt gij hem tot zeven ure toe nog op het postkantoor kwijt worden, en tegen betaling vanzespencesvoor iederen brief, worden zij nog in het maal gesloten. O mijn vriend!Londenis eene heerlijke stad! Alles is daar berekend, om—”—„om geld te winnen!”
„Kent gij hetSchellen-Eiland?” zeide ik, op zekeren dag, tegen mijnen vriend, terwijl wij zamen door de stad wandelden.
—„Neen! Of bedoelt gij, met opzigt tot de schellen, een eiland, even als hetEiland der Lantaarnen, waar de vrolijkePanurgezijn leven reddede.”
—„Juist! HetSchellen-Eilandis een oud, afgesleten en reeds sedert lang vergeten zangspel, doch welks titelLondenmij herinnerd heeft; want de titel-alleen is alles, wat ik van dieOperaweet. Deze stad mag waarlijk wel deSchellen-Stadgenoemd worden; en de reden, dat men de schellen niet aan de deuren vindt, is buiten twijfel, wijl zij zich met eene wandeling door de stad vermaken.”
—„Neen, het is, omdat de meeste Londensche uitventers, niet tevreden met u de ooren door hun vreesselijk geschreeuw te verdooven, er, ten overvloede, nog eene schel bijvoegen, ten einde des te beter de algemeene opmerking tot zich te trekken, en dus doendehunne koopmanschappen aan den man te brengen.—Dit kind, dat gij daar ziet met die groote toegedekte mand op het hoofd, waarvan het evenwigt door de toppen zijner linker vingeren wordt bewaard, terwijl hij met de regterhand eene groote schel doet klinken, en welks piepende stem en schelle toonen u het trommelvlies schijnen te zullen breken, verkoopt, bij voorbeeld, koekjes, om in de thee te doopen, welke de Engelschen na den maaltijd nuttigen. Gindsche vrouw, die met moeite dien grooten, met een oud vloerkleed bedekten, kruiwagen voortstuwt, waaraan eene soort van klok is vastgehecht, is eene appelenverkoopster. Deze man, die, niettegenstaande hij aan iederen arm eenen zwaren korf heeft hangen, nogtans zijne schel kan doen klinken, is een koopman in taartjes en pastijtjes.—Die andere, die op zijde van dat, met twee oude knollen bespannen, karretje, zijn klokje doet hooren, is de vuilnisman; want teLondensmijt men het vuilnis niet, zoo als teParijs, op de straat, maar men legt het hier of daar in huis in eenen hoek neder, en men ontdoet er zich van, als men door het zoo even vermelde klokkenspel de nadering van het voertuig ontwaart, dat met de wegruiming van hetzelve belast is. Letslechts eens op! ziedaar juist eene meid; die hem eenen korf vol overgeeft, welken hij in zijn karretje ledigt.”
—„En wat zijn dat voor twee menschen, welker hoeden rondom met papieren behangen zijn, waarop, naar het mij voorkomt, groote geschrevene letters staan, en die beurtelings eenige onverstaanbare woorden brullen, en dan wederom op eenen koehoren blazen, welk geluid nog tienmaal erger is, dan al het geklank der schellen?”
—„Het zijn liedjeszangers en uitventers van nieuwstijdingen. Met groote letters schrijven zij op de papieren, welke hunne hoeden bedekken, den korten inhoud van het nieuws, hetwelk hunne tijdingen bevatten, ten einde, langs dezen weg, hunne waar, naar hunne meening, des te beter te slijten. Zoodra de avond valt, hebben zij eene brandende toorts, om het opschrift op hun hoofd te verlichten. Ook liegen zij even zoo onbeschaamd als uwe uitventers van nieuwstijdingen teParijs, en verhalen zeer omstandig en op eenen verzekerenden toon gebeurtenissen en voorvallen, welke men zeer verwonderd is in het geheele blad niet te kunnen vinden, hetwelk zij den nieuwsgierigen nog wel voor eenen schelling (vier en twintig stuivers Fransch) in de hand stoppen,daar men het aan het expeditie-kantoor zelve voor zevenpences, of veertien stuivers, kan bekomen.”
—„Nog al een schelletje! Wat is dat nu weder voor eene figuur met zijnen rooden rok, die in de eene hand, naar het schijnt, eenen ledigen zak heeft, en met de andere op de maat klinkt, en wel op eene geheel andere wijze dan zijne kameraden, de overige kooplieden?”
—„Dat is geen koopman, maar een, die brieven aanneemt, om ze op den post te bestellen. Door dat geluid geeft hij zijne nabijheid te kennen, en tegen betaling van eenepencevoor iederen brief, belast hij zich voor den post met alle, welke men hem ter hand wil stellen.”
—„Hij zal dus niet veel fortuin maken: er zijn hier immers eene menigte van brievekassen, aan welke men, daar het niets kost, buiten twijfel de voorkeur zal geven.”
—„Dit is zoo; maar de brievekassen zijn niet langer open, dan tot des avonds te vijf ure, en van vijven tot zessen doen de bestellers hunne ronde. Indien gij zelfs na zessen nog eenen brief hebt, waar haast bij is, kunt gij hem tot zeven ure toe nog op het postkantoor kwijt worden, en tegen betaling vanzespencesvoor iederen brief, worden zij nog in het maal gesloten. O mijn vriend!Londenis eene heerlijke stad! Alles is daar berekend, om—”
—„om geld te winnen!”