XIII.* * * * * *„En waarom geeft gij dit hoofdstuk geenen titel?”—„Waarom, mijn waarde lezer? wel, omdat de titelfabrijk boven alle verbeelding moeijelijk aan den gang te houden is. Menig schrijver heeft minder moeite, om zijn werk te vervaardigen, dan om den behoorlijken titel er voor te vinden. Vooreerst moet de titel het onderwerp, dat men behandeld heeft, wel doen kennen, ten tweede moet hij de nieuwsgierigheid opwekken, en ten derde moet hij het bekoorlijke der nieuwheid niet ontberen, drie eigenschappen, welke niet ligt met elkander te vereenigen zijn. Intusschen had ik, na eenige ernstige uren overwegens, er reeds drie gevonden, die mij voorkwamen al deze vereischten te bezitten, en nu vond ik mij met niets meer verlegen, dan met de keuze: terwijl ik tevens bij mij zelven de opmerking maakte, dat somtijds eenige jonge lieden van eene vurige verbeeldingskracht, en beminnaarsvan eene te levendige schilderij, op het zien alleen van een’ dezer titels, zich zouden kunnen vleijen, in deze afdeeling iets te vinden, hetgeen ik nooit voornemens was geweest er in te plaatsen, en dus, bij het einde, ontevreden zouden geweest zijn, dat zij hunnen smaak niet voldaan gezien hadden; of wel, dat een of ander beminnelijk wijsneusje of bedilstertje, deze mijneVijftien Dagenin een gezelschap voorlezende, zoude meenen, deze geheele afdeeling te moeten overslaan, uit vreeze van er dingen in aan te treffen, welke zij liefst alleen voor zich wilde weten. Ik besloot dus, den titel geheel en al weg te laten, en terstond tot den inhoud zelven over te gaan.”Op zekeren avond had men mij in deLeaden-Hall-street, omtrent anderhalf mijl ver van mijne woning gelegen, op de thee gevraagd; want de geëerde lezer moet weten, dat men hier op de thee, even als bij ons op eenen maaltijd, verzocht wordt. Nu had ik echter volstrekt geene vrees, van aan het dwalen te zullen geraken, terwijl ik, om naar mijn huis terug te keeren, eenen hoek uitgezonderd, slechts regt toe regt aan had te loopen. Omstreeks half elf nam ik mijn afscheid, en keerde geheel vreedzaam en nuchter, wijl de theedampen mijne hersens geenszins beneveld hadden,naar mijnent terug, toen mij eensklaps in de straatCheapsidedrie lieve jonge meisjes den weg afsneden. Eene dezer nachtmadeliefjes voerde het woord, en zeide, dat het haar toescheen, dat ik zeer koud was, en stelde mij derhalve zeer beleefdelijk voor, tot harent te komen, waar ik een goed, lekker, vuurtje zou vinden, om mij te warmen. Ik antwoordde haar, dat ik geenen tijd had, om van hare vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. Intusschen hadden de twee andere Nimfen zich reeds van beide mijne armen meester gemaakt, inmiddels de spreekster, die er het snoepigst uitzag, altijd voor mij bleef staan en ten sterkste op haar vriendelijk verzoek aandrong.—„Maar mijn hemel! lieve kindertjes, gij weet denkelijk niet, dat ik reeds vijf en veertig jaren oud ben? Wat wilt gij toch?”—„Kom, mijn schatje!”zeide eene der twee anderen,“laat ons in dit koffijhuis gaan: wij kunnen er eene vrije kamer nemen, en zullen, onder een kommetjepunch, wat lagchen en praten.”—„Lagchen? Ach! lieve meid, gij brengt mij daar in eene groote verzoeking; want ik heb nog niet gelagchen, zoo lang ik inEngelandben; maar—”Wel nu, lezer! wat zou ik hier doen? en wat zoudet gij gedaan hebben? drie tegen een!—O ja, ik begrijp u; maar—ja wel is het koud! Kunt gij u dan geen paar groote zwarte oogen verbeelden, die, even als ik, uw antwoord radende, zich zedig naar den grond rigten? Zij onttrekken zich derhalve aan uwe nieuwsgierigheid—maar wacht slechts, ik zal u het vermaak bezorgen van dezelve te bevredigen. Reeds had men mij het middel aan de hand gedaan, om zich aan de opdringende beleefdheden van dit slag van juffertjes teLondente kunnen onttrekken. Ik tastte dus in mijnen zak en liet haar, bij het flaauwe lantaarnlicht, een drieschellingsstuk in de oogen blinken, met verzoek, het geringe niet te versmaden, maar daarvoor op mijne en hare gezondheid te drinken; en, zonder mijne verdere verschooning af te wachten, dat ik onmogelijk van de partij kon zijn, waren zij in een oogenblik uit mijne oogen verdwenen.De geheeleCheapsideenHolborn-streetlangs ontmoette ik nog een aantal soortgelijke lievertjes, die alle willens schenen te zijn, mij dezelfde aanbiedingen te doen; doch ik schermde zoodanig met de voeten, en sloeg mijne armen, voor de koude, gedurig dermate inelkander, dat geen van haar mij durfde staande te houden.In deBroad-Saint-Bloomsburijkomende, had ik wederom eene nieuwe vertooning. Het getal der vrouwlieden van denzelfden stempel was wel niet minder, maar ik trof hier een geheel ander slag aan: zij waren lang na zoo goed niet gekleed als de vorige, en hare vuurroode gezigten en verwilderde oogen, alsmede hare schorre stemmen verkondigden genoegzaam den trap van dronkenschap, waarop zij zich bevonden. Een beschonken man is een onaangenaam voorwerp; hij maakt echter geenszins dien hatelijken, afkeerigen indruk op ons, welken eene beschonkene vrouw veroorzaakt; maar het afschuwelijkste beeld, dat de dronkenschap immer kan voorstellen, is, wanneer zij zich vertoont in jonge meisjes van vijftien tot twintig jaren.Eindelijk bereikte ik deOxford-street, en nu stapte ik gerust en bedaard voort; want ik kende het regtsgebied, waarop ik mij bevond. Echter ontmoet men in deze straat, even als in anderen teLonden, zoodra de lantaarnen zijn opgestoken, een aantal meisjes, geheel alleen, of twee en twee wandelende, en altijd zeer haastig gaande, als of zij gewigtige zaken te verrigten hadden. In het voorbijgaan gevenzij een lonkje, een stootje met den elleboog, vragen, hoe laat het is, of vernemen naar den weg; doch nooit zullen zij zich aan iemand opdringen, zoo als dit mij inCheapside-streetgebeurde.Het getal dezer gedienstige schepselen is inLondenoneindig grooter dan inParijs; ja men zou bijna moeten gelooven, dat zij een vierde gedeelte der vrouwelijke bevolking van de geheele stad uitmaken. Maar ongelukkig, driewerf ongelukkig de vreemdeling, die, door de koude bevangen, toestaat, dat zij hem verwarmen! Het gevaar daarvan is nog aanmerkelijk grooter, dan teParijs, en hij mag wel tevreden zijn, zoo hij, bij zijn vertrek, niets anders dan zijne beurs of zijn horologie verloren heeft.Zij, die eenigzins fortuin gemaakt hebben, en vermogend genoeg zijn, om zich behoorlijk te kunnen kleeden, gaan hare bekoorlijkheden in de schouwburgen ten toon spreiden. Het getal dezer gelukzoeksters is niet gering: zij bezetten gewoonlijk, en bijna zonder uitsluiting, de achterste bank van al de rangen derloges, hetgeen den jongen meisjes van geboorte en fatsoen, die aan de zijde harer moeders op de eerste of tweede bank zitten, gelegenheid verschaft, om, door even om te zien, haren ganschen handel te beöogen, en hare gesprekken metde niet zelden halfdronkene lichtmissen van woord tot woord te verstaan, zoo dat zij, op deze wijze, al ligt eenen gevaarlijken indruk van zedebedervende en verpestende grondbeginselen ontvangen.De meeste dezer ligte troepen verschijnen echter eerst tusschen het voor- en nastuk, dewijl men in de Londensche schouwburgen dan slechts half geld behoeft te betalen.
XIII.* * * * * *„En waarom geeft gij dit hoofdstuk geenen titel?”—„Waarom, mijn waarde lezer? wel, omdat de titelfabrijk boven alle verbeelding moeijelijk aan den gang te houden is. Menig schrijver heeft minder moeite, om zijn werk te vervaardigen, dan om den behoorlijken titel er voor te vinden. Vooreerst moet de titel het onderwerp, dat men behandeld heeft, wel doen kennen, ten tweede moet hij de nieuwsgierigheid opwekken, en ten derde moet hij het bekoorlijke der nieuwheid niet ontberen, drie eigenschappen, welke niet ligt met elkander te vereenigen zijn. Intusschen had ik, na eenige ernstige uren overwegens, er reeds drie gevonden, die mij voorkwamen al deze vereischten te bezitten, en nu vond ik mij met niets meer verlegen, dan met de keuze: terwijl ik tevens bij mij zelven de opmerking maakte, dat somtijds eenige jonge lieden van eene vurige verbeeldingskracht, en beminnaarsvan eene te levendige schilderij, op het zien alleen van een’ dezer titels, zich zouden kunnen vleijen, in deze afdeeling iets te vinden, hetgeen ik nooit voornemens was geweest er in te plaatsen, en dus, bij het einde, ontevreden zouden geweest zijn, dat zij hunnen smaak niet voldaan gezien hadden; of wel, dat een of ander beminnelijk wijsneusje of bedilstertje, deze mijneVijftien Dagenin een gezelschap voorlezende, zoude meenen, deze geheele afdeeling te moeten overslaan, uit vreeze van er dingen in aan te treffen, welke zij liefst alleen voor zich wilde weten. Ik besloot dus, den titel geheel en al weg te laten, en terstond tot den inhoud zelven over te gaan.”Op zekeren avond had men mij in deLeaden-Hall-street, omtrent anderhalf mijl ver van mijne woning gelegen, op de thee gevraagd; want de geëerde lezer moet weten, dat men hier op de thee, even als bij ons op eenen maaltijd, verzocht wordt. Nu had ik echter volstrekt geene vrees, van aan het dwalen te zullen geraken, terwijl ik, om naar mijn huis terug te keeren, eenen hoek uitgezonderd, slechts regt toe regt aan had te loopen. Omstreeks half elf nam ik mijn afscheid, en keerde geheel vreedzaam en nuchter, wijl de theedampen mijne hersens geenszins beneveld hadden,naar mijnent terug, toen mij eensklaps in de straatCheapsidedrie lieve jonge meisjes den weg afsneden. Eene dezer nachtmadeliefjes voerde het woord, en zeide, dat het haar toescheen, dat ik zeer koud was, en stelde mij derhalve zeer beleefdelijk voor, tot harent te komen, waar ik een goed, lekker, vuurtje zou vinden, om mij te warmen. Ik antwoordde haar, dat ik geenen tijd had, om van hare vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. Intusschen hadden de twee andere Nimfen zich reeds van beide mijne armen meester gemaakt, inmiddels de spreekster, die er het snoepigst uitzag, altijd voor mij bleef staan en ten sterkste op haar vriendelijk verzoek aandrong.—„Maar mijn hemel! lieve kindertjes, gij weet denkelijk niet, dat ik reeds vijf en veertig jaren oud ben? Wat wilt gij toch?”—„Kom, mijn schatje!”zeide eene der twee anderen,“laat ons in dit koffijhuis gaan: wij kunnen er eene vrije kamer nemen, en zullen, onder een kommetjepunch, wat lagchen en praten.”—„Lagchen? Ach! lieve meid, gij brengt mij daar in eene groote verzoeking; want ik heb nog niet gelagchen, zoo lang ik inEngelandben; maar—”Wel nu, lezer! wat zou ik hier doen? en wat zoudet gij gedaan hebben? drie tegen een!—O ja, ik begrijp u; maar—ja wel is het koud! Kunt gij u dan geen paar groote zwarte oogen verbeelden, die, even als ik, uw antwoord radende, zich zedig naar den grond rigten? Zij onttrekken zich derhalve aan uwe nieuwsgierigheid—maar wacht slechts, ik zal u het vermaak bezorgen van dezelve te bevredigen. Reeds had men mij het middel aan de hand gedaan, om zich aan de opdringende beleefdheden van dit slag van juffertjes teLondente kunnen onttrekken. Ik tastte dus in mijnen zak en liet haar, bij het flaauwe lantaarnlicht, een drieschellingsstuk in de oogen blinken, met verzoek, het geringe niet te versmaden, maar daarvoor op mijne en hare gezondheid te drinken; en, zonder mijne verdere verschooning af te wachten, dat ik onmogelijk van de partij kon zijn, waren zij in een oogenblik uit mijne oogen verdwenen.De geheeleCheapsideenHolborn-streetlangs ontmoette ik nog een aantal soortgelijke lievertjes, die alle willens schenen te zijn, mij dezelfde aanbiedingen te doen; doch ik schermde zoodanig met de voeten, en sloeg mijne armen, voor de koude, gedurig dermate inelkander, dat geen van haar mij durfde staande te houden.In deBroad-Saint-Bloomsburijkomende, had ik wederom eene nieuwe vertooning. Het getal der vrouwlieden van denzelfden stempel was wel niet minder, maar ik trof hier een geheel ander slag aan: zij waren lang na zoo goed niet gekleed als de vorige, en hare vuurroode gezigten en verwilderde oogen, alsmede hare schorre stemmen verkondigden genoegzaam den trap van dronkenschap, waarop zij zich bevonden. Een beschonken man is een onaangenaam voorwerp; hij maakt echter geenszins dien hatelijken, afkeerigen indruk op ons, welken eene beschonkene vrouw veroorzaakt; maar het afschuwelijkste beeld, dat de dronkenschap immer kan voorstellen, is, wanneer zij zich vertoont in jonge meisjes van vijftien tot twintig jaren.Eindelijk bereikte ik deOxford-street, en nu stapte ik gerust en bedaard voort; want ik kende het regtsgebied, waarop ik mij bevond. Echter ontmoet men in deze straat, even als in anderen teLonden, zoodra de lantaarnen zijn opgestoken, een aantal meisjes, geheel alleen, of twee en twee wandelende, en altijd zeer haastig gaande, als of zij gewigtige zaken te verrigten hadden. In het voorbijgaan gevenzij een lonkje, een stootje met den elleboog, vragen, hoe laat het is, of vernemen naar den weg; doch nooit zullen zij zich aan iemand opdringen, zoo als dit mij inCheapside-streetgebeurde.Het getal dezer gedienstige schepselen is inLondenoneindig grooter dan inParijs; ja men zou bijna moeten gelooven, dat zij een vierde gedeelte der vrouwelijke bevolking van de geheele stad uitmaken. Maar ongelukkig, driewerf ongelukkig de vreemdeling, die, door de koude bevangen, toestaat, dat zij hem verwarmen! Het gevaar daarvan is nog aanmerkelijk grooter, dan teParijs, en hij mag wel tevreden zijn, zoo hij, bij zijn vertrek, niets anders dan zijne beurs of zijn horologie verloren heeft.Zij, die eenigzins fortuin gemaakt hebben, en vermogend genoeg zijn, om zich behoorlijk te kunnen kleeden, gaan hare bekoorlijkheden in de schouwburgen ten toon spreiden. Het getal dezer gelukzoeksters is niet gering: zij bezetten gewoonlijk, en bijna zonder uitsluiting, de achterste bank van al de rangen derloges, hetgeen den jongen meisjes van geboorte en fatsoen, die aan de zijde harer moeders op de eerste of tweede bank zitten, gelegenheid verschaft, om, door even om te zien, haren ganschen handel te beöogen, en hare gesprekken metde niet zelden halfdronkene lichtmissen van woord tot woord te verstaan, zoo dat zij, op deze wijze, al ligt eenen gevaarlijken indruk van zedebedervende en verpestende grondbeginselen ontvangen.De meeste dezer ligte troepen verschijnen echter eerst tusschen het voor- en nastuk, dewijl men in de Londensche schouwburgen dan slechts half geld behoeft te betalen.
XIII.* * * * * *
„En waarom geeft gij dit hoofdstuk geenen titel?”—„Waarom, mijn waarde lezer? wel, omdat de titelfabrijk boven alle verbeelding moeijelijk aan den gang te houden is. Menig schrijver heeft minder moeite, om zijn werk te vervaardigen, dan om den behoorlijken titel er voor te vinden. Vooreerst moet de titel het onderwerp, dat men behandeld heeft, wel doen kennen, ten tweede moet hij de nieuwsgierigheid opwekken, en ten derde moet hij het bekoorlijke der nieuwheid niet ontberen, drie eigenschappen, welke niet ligt met elkander te vereenigen zijn. Intusschen had ik, na eenige ernstige uren overwegens, er reeds drie gevonden, die mij voorkwamen al deze vereischten te bezitten, en nu vond ik mij met niets meer verlegen, dan met de keuze: terwijl ik tevens bij mij zelven de opmerking maakte, dat somtijds eenige jonge lieden van eene vurige verbeeldingskracht, en beminnaarsvan eene te levendige schilderij, op het zien alleen van een’ dezer titels, zich zouden kunnen vleijen, in deze afdeeling iets te vinden, hetgeen ik nooit voornemens was geweest er in te plaatsen, en dus, bij het einde, ontevreden zouden geweest zijn, dat zij hunnen smaak niet voldaan gezien hadden; of wel, dat een of ander beminnelijk wijsneusje of bedilstertje, deze mijneVijftien Dagenin een gezelschap voorlezende, zoude meenen, deze geheele afdeeling te moeten overslaan, uit vreeze van er dingen in aan te treffen, welke zij liefst alleen voor zich wilde weten. Ik besloot dus, den titel geheel en al weg te laten, en terstond tot den inhoud zelven over te gaan.”Op zekeren avond had men mij in deLeaden-Hall-street, omtrent anderhalf mijl ver van mijne woning gelegen, op de thee gevraagd; want de geëerde lezer moet weten, dat men hier op de thee, even als bij ons op eenen maaltijd, verzocht wordt. Nu had ik echter volstrekt geene vrees, van aan het dwalen te zullen geraken, terwijl ik, om naar mijn huis terug te keeren, eenen hoek uitgezonderd, slechts regt toe regt aan had te loopen. Omstreeks half elf nam ik mijn afscheid, en keerde geheel vreedzaam en nuchter, wijl de theedampen mijne hersens geenszins beneveld hadden,naar mijnent terug, toen mij eensklaps in de straatCheapsidedrie lieve jonge meisjes den weg afsneden. Eene dezer nachtmadeliefjes voerde het woord, en zeide, dat het haar toescheen, dat ik zeer koud was, en stelde mij derhalve zeer beleefdelijk voor, tot harent te komen, waar ik een goed, lekker, vuurtje zou vinden, om mij te warmen. Ik antwoordde haar, dat ik geenen tijd had, om van hare vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. Intusschen hadden de twee andere Nimfen zich reeds van beide mijne armen meester gemaakt, inmiddels de spreekster, die er het snoepigst uitzag, altijd voor mij bleef staan en ten sterkste op haar vriendelijk verzoek aandrong.—„Maar mijn hemel! lieve kindertjes, gij weet denkelijk niet, dat ik reeds vijf en veertig jaren oud ben? Wat wilt gij toch?”—„Kom, mijn schatje!”zeide eene der twee anderen,“laat ons in dit koffijhuis gaan: wij kunnen er eene vrije kamer nemen, en zullen, onder een kommetjepunch, wat lagchen en praten.”—„Lagchen? Ach! lieve meid, gij brengt mij daar in eene groote verzoeking; want ik heb nog niet gelagchen, zoo lang ik inEngelandben; maar—”Wel nu, lezer! wat zou ik hier doen? en wat zoudet gij gedaan hebben? drie tegen een!—O ja, ik begrijp u; maar—ja wel is het koud! Kunt gij u dan geen paar groote zwarte oogen verbeelden, die, even als ik, uw antwoord radende, zich zedig naar den grond rigten? Zij onttrekken zich derhalve aan uwe nieuwsgierigheid—maar wacht slechts, ik zal u het vermaak bezorgen van dezelve te bevredigen. Reeds had men mij het middel aan de hand gedaan, om zich aan de opdringende beleefdheden van dit slag van juffertjes teLondente kunnen onttrekken. Ik tastte dus in mijnen zak en liet haar, bij het flaauwe lantaarnlicht, een drieschellingsstuk in de oogen blinken, met verzoek, het geringe niet te versmaden, maar daarvoor op mijne en hare gezondheid te drinken; en, zonder mijne verdere verschooning af te wachten, dat ik onmogelijk van de partij kon zijn, waren zij in een oogenblik uit mijne oogen verdwenen.De geheeleCheapsideenHolborn-streetlangs ontmoette ik nog een aantal soortgelijke lievertjes, die alle willens schenen te zijn, mij dezelfde aanbiedingen te doen; doch ik schermde zoodanig met de voeten, en sloeg mijne armen, voor de koude, gedurig dermate inelkander, dat geen van haar mij durfde staande te houden.In deBroad-Saint-Bloomsburijkomende, had ik wederom eene nieuwe vertooning. Het getal der vrouwlieden van denzelfden stempel was wel niet minder, maar ik trof hier een geheel ander slag aan: zij waren lang na zoo goed niet gekleed als de vorige, en hare vuurroode gezigten en verwilderde oogen, alsmede hare schorre stemmen verkondigden genoegzaam den trap van dronkenschap, waarop zij zich bevonden. Een beschonken man is een onaangenaam voorwerp; hij maakt echter geenszins dien hatelijken, afkeerigen indruk op ons, welken eene beschonkene vrouw veroorzaakt; maar het afschuwelijkste beeld, dat de dronkenschap immer kan voorstellen, is, wanneer zij zich vertoont in jonge meisjes van vijftien tot twintig jaren.Eindelijk bereikte ik deOxford-street, en nu stapte ik gerust en bedaard voort; want ik kende het regtsgebied, waarop ik mij bevond. Echter ontmoet men in deze straat, even als in anderen teLonden, zoodra de lantaarnen zijn opgestoken, een aantal meisjes, geheel alleen, of twee en twee wandelende, en altijd zeer haastig gaande, als of zij gewigtige zaken te verrigten hadden. In het voorbijgaan gevenzij een lonkje, een stootje met den elleboog, vragen, hoe laat het is, of vernemen naar den weg; doch nooit zullen zij zich aan iemand opdringen, zoo als dit mij inCheapside-streetgebeurde.Het getal dezer gedienstige schepselen is inLondenoneindig grooter dan inParijs; ja men zou bijna moeten gelooven, dat zij een vierde gedeelte der vrouwelijke bevolking van de geheele stad uitmaken. Maar ongelukkig, driewerf ongelukkig de vreemdeling, die, door de koude bevangen, toestaat, dat zij hem verwarmen! Het gevaar daarvan is nog aanmerkelijk grooter, dan teParijs, en hij mag wel tevreden zijn, zoo hij, bij zijn vertrek, niets anders dan zijne beurs of zijn horologie verloren heeft.Zij, die eenigzins fortuin gemaakt hebben, en vermogend genoeg zijn, om zich behoorlijk te kunnen kleeden, gaan hare bekoorlijkheden in de schouwburgen ten toon spreiden. Het getal dezer gelukzoeksters is niet gering: zij bezetten gewoonlijk, en bijna zonder uitsluiting, de achterste bank van al de rangen derloges, hetgeen den jongen meisjes van geboorte en fatsoen, die aan de zijde harer moeders op de eerste of tweede bank zitten, gelegenheid verschaft, om, door even om te zien, haren ganschen handel te beöogen, en hare gesprekken metde niet zelden halfdronkene lichtmissen van woord tot woord te verstaan, zoo dat zij, op deze wijze, al ligt eenen gevaarlijken indruk van zedebedervende en verpestende grondbeginselen ontvangen.De meeste dezer ligte troepen verschijnen echter eerst tusschen het voor- en nastuk, dewijl men in de Londensche schouwburgen dan slechts half geld behoeft te betalen.
„En waarom geeft gij dit hoofdstuk geenen titel?”
—„Waarom, mijn waarde lezer? wel, omdat de titelfabrijk boven alle verbeelding moeijelijk aan den gang te houden is. Menig schrijver heeft minder moeite, om zijn werk te vervaardigen, dan om den behoorlijken titel er voor te vinden. Vooreerst moet de titel het onderwerp, dat men behandeld heeft, wel doen kennen, ten tweede moet hij de nieuwsgierigheid opwekken, en ten derde moet hij het bekoorlijke der nieuwheid niet ontberen, drie eigenschappen, welke niet ligt met elkander te vereenigen zijn. Intusschen had ik, na eenige ernstige uren overwegens, er reeds drie gevonden, die mij voorkwamen al deze vereischten te bezitten, en nu vond ik mij met niets meer verlegen, dan met de keuze: terwijl ik tevens bij mij zelven de opmerking maakte, dat somtijds eenige jonge lieden van eene vurige verbeeldingskracht, en beminnaarsvan eene te levendige schilderij, op het zien alleen van een’ dezer titels, zich zouden kunnen vleijen, in deze afdeeling iets te vinden, hetgeen ik nooit voornemens was geweest er in te plaatsen, en dus, bij het einde, ontevreden zouden geweest zijn, dat zij hunnen smaak niet voldaan gezien hadden; of wel, dat een of ander beminnelijk wijsneusje of bedilstertje, deze mijneVijftien Dagenin een gezelschap voorlezende, zoude meenen, deze geheele afdeeling te moeten overslaan, uit vreeze van er dingen in aan te treffen, welke zij liefst alleen voor zich wilde weten. Ik besloot dus, den titel geheel en al weg te laten, en terstond tot den inhoud zelven over te gaan.”
Op zekeren avond had men mij in deLeaden-Hall-street, omtrent anderhalf mijl ver van mijne woning gelegen, op de thee gevraagd; want de geëerde lezer moet weten, dat men hier op de thee, even als bij ons op eenen maaltijd, verzocht wordt. Nu had ik echter volstrekt geene vrees, van aan het dwalen te zullen geraken, terwijl ik, om naar mijn huis terug te keeren, eenen hoek uitgezonderd, slechts regt toe regt aan had te loopen. Omstreeks half elf nam ik mijn afscheid, en keerde geheel vreedzaam en nuchter, wijl de theedampen mijne hersens geenszins beneveld hadden,naar mijnent terug, toen mij eensklaps in de straatCheapsidedrie lieve jonge meisjes den weg afsneden. Eene dezer nachtmadeliefjes voerde het woord, en zeide, dat het haar toescheen, dat ik zeer koud was, en stelde mij derhalve zeer beleefdelijk voor, tot harent te komen, waar ik een goed, lekker, vuurtje zou vinden, om mij te warmen. Ik antwoordde haar, dat ik geenen tijd had, om van hare vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. Intusschen hadden de twee andere Nimfen zich reeds van beide mijne armen meester gemaakt, inmiddels de spreekster, die er het snoepigst uitzag, altijd voor mij bleef staan en ten sterkste op haar vriendelijk verzoek aandrong.
—„Maar mijn hemel! lieve kindertjes, gij weet denkelijk niet, dat ik reeds vijf en veertig jaren oud ben? Wat wilt gij toch?”
—„Kom, mijn schatje!”zeide eene der twee anderen,“laat ons in dit koffijhuis gaan: wij kunnen er eene vrije kamer nemen, en zullen, onder een kommetjepunch, wat lagchen en praten.”
—„Lagchen? Ach! lieve meid, gij brengt mij daar in eene groote verzoeking; want ik heb nog niet gelagchen, zoo lang ik inEngelandben; maar—”
Wel nu, lezer! wat zou ik hier doen? en wat zoudet gij gedaan hebben? drie tegen een!—O ja, ik begrijp u; maar—ja wel is het koud! Kunt gij u dan geen paar groote zwarte oogen verbeelden, die, even als ik, uw antwoord radende, zich zedig naar den grond rigten? Zij onttrekken zich derhalve aan uwe nieuwsgierigheid—maar wacht slechts, ik zal u het vermaak bezorgen van dezelve te bevredigen. Reeds had men mij het middel aan de hand gedaan, om zich aan de opdringende beleefdheden van dit slag van juffertjes teLondente kunnen onttrekken. Ik tastte dus in mijnen zak en liet haar, bij het flaauwe lantaarnlicht, een drieschellingsstuk in de oogen blinken, met verzoek, het geringe niet te versmaden, maar daarvoor op mijne en hare gezondheid te drinken; en, zonder mijne verdere verschooning af te wachten, dat ik onmogelijk van de partij kon zijn, waren zij in een oogenblik uit mijne oogen verdwenen.
De geheeleCheapsideenHolborn-streetlangs ontmoette ik nog een aantal soortgelijke lievertjes, die alle willens schenen te zijn, mij dezelfde aanbiedingen te doen; doch ik schermde zoodanig met de voeten, en sloeg mijne armen, voor de koude, gedurig dermate inelkander, dat geen van haar mij durfde staande te houden.
In deBroad-Saint-Bloomsburijkomende, had ik wederom eene nieuwe vertooning. Het getal der vrouwlieden van denzelfden stempel was wel niet minder, maar ik trof hier een geheel ander slag aan: zij waren lang na zoo goed niet gekleed als de vorige, en hare vuurroode gezigten en verwilderde oogen, alsmede hare schorre stemmen verkondigden genoegzaam den trap van dronkenschap, waarop zij zich bevonden. Een beschonken man is een onaangenaam voorwerp; hij maakt echter geenszins dien hatelijken, afkeerigen indruk op ons, welken eene beschonkene vrouw veroorzaakt; maar het afschuwelijkste beeld, dat de dronkenschap immer kan voorstellen, is, wanneer zij zich vertoont in jonge meisjes van vijftien tot twintig jaren.
Eindelijk bereikte ik deOxford-street, en nu stapte ik gerust en bedaard voort; want ik kende het regtsgebied, waarop ik mij bevond. Echter ontmoet men in deze straat, even als in anderen teLonden, zoodra de lantaarnen zijn opgestoken, een aantal meisjes, geheel alleen, of twee en twee wandelende, en altijd zeer haastig gaande, als of zij gewigtige zaken te verrigten hadden. In het voorbijgaan gevenzij een lonkje, een stootje met den elleboog, vragen, hoe laat het is, of vernemen naar den weg; doch nooit zullen zij zich aan iemand opdringen, zoo als dit mij inCheapside-streetgebeurde.
Het getal dezer gedienstige schepselen is inLondenoneindig grooter dan inParijs; ja men zou bijna moeten gelooven, dat zij een vierde gedeelte der vrouwelijke bevolking van de geheele stad uitmaken. Maar ongelukkig, driewerf ongelukkig de vreemdeling, die, door de koude bevangen, toestaat, dat zij hem verwarmen! Het gevaar daarvan is nog aanmerkelijk grooter, dan teParijs, en hij mag wel tevreden zijn, zoo hij, bij zijn vertrek, niets anders dan zijne beurs of zijn horologie verloren heeft.
Zij, die eenigzins fortuin gemaakt hebben, en vermogend genoeg zijn, om zich behoorlijk te kunnen kleeden, gaan hare bekoorlijkheden in de schouwburgen ten toon spreiden. Het getal dezer gelukzoeksters is niet gering: zij bezetten gewoonlijk, en bijna zonder uitsluiting, de achterste bank van al de rangen derloges, hetgeen den jongen meisjes van geboorte en fatsoen, die aan de zijde harer moeders op de eerste of tweede bank zitten, gelegenheid verschaft, om, door even om te zien, haren ganschen handel te beöogen, en hare gesprekken metde niet zelden halfdronkene lichtmissen van woord tot woord te verstaan, zoo dat zij, op deze wijze, al ligt eenen gevaarlijken indruk van zedebedervende en verpestende grondbeginselen ontvangen.
De meeste dezer ligte troepen verschijnen echter eerst tusschen het voor- en nastuk, dewijl men in de Londensche schouwburgen dan slechts half geld behoeft te betalen.