XVII.

XVII.Het Engelsche middagmaal.Het onderhoud, mijn waarde lezer! hetwelk ik u in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld, bragt ons aan het huis vansir Robert D...Onze hoeden, rottingen en overrokken in de voorkamer afgelegd hebbende, geleidde men ons in eene zaal, waar zich reeds een aantal gasten bevond.Sir Robertbood ons zijner vrouw en dochter aan, een jong meisje van achttien jaren, ongemeen lief en bevallig; en vervolgens, op dezelfde wijze, aan ieder ander lid van het gezelschap, ons tevens van hunne namen en hunnen rang, en hen wederkeerig van de onze onderrigtende. Dezelfde plegtigheid werd, bij de aankomst van iederen nieuwen gast, herhaald. Dit is een algemeen aangenomen gebruik teLonden. De heer van den huize neemt u (onverschillig, in welk eenen kring gij komt) bij de hand, en biedt u, met staatsie, aan ieder lid van het gezelschap aan.Behalve zijne dochter, hadsir Robertnog eenen zoon van zeventien jaren, die echterthans met zijnen gouverneur inItaliewas; om, zoo als ieder welopgevoed Engelschman verpligt is, de reis op het vaste land te doen; hetgeen trouwens, naar mijn oordeel, niet wel is over een te brengen met die algemeene minachting, welke dit volk zich aanmatigt tegen ieder, die niet van hunnen landaard is. Doch de wispelturigheid, of het niet gelijk blijven met zich zelven, (l’inconséquence) kan hun-alleen juist niet te laste gelegd worden; en misschien zou het vanonszeer onbillijk zijn, hun dezelve te verwijten.Het was ongemeen guur en koud weer, iets, hetwelk wij, al hadden wij er ook minder gevoel van gehad, toch niet ligtelijk zouden hebben kunnen vergeten; want ieder binnenkomende gast had de oplettendheid, om ons dit koude nieuws te herinneren. Men moge eenen Engelschman ontmoeten, wanneer men wille, het eerste woord, dat van zijne lippen rolt, is altijd:Hoe vaart gij?het tweede:Een fraaije morgen! Een sombere middag!—Een kouden avond! Een duistere nacht!Zoodat een Engelschman, met regt,een wandelend weerglaskan genoemd worden.Dan ter zaak! Ons gezelschap bestond uit veertien personen, vijf vrouwen en negen mannen,toen men ons kwam zeggen, dat het eten opgedischt was.De meeste voorname en rijke Engelschen houden er tegenwoordig Fransche koks op na; want bijna allen, die inFrankrijkgeweest zijn, stemmen daarin overeen, dat onze keuken de hare verre te boven streeft. Maarsir Robert D...is een Engelschman van den ouden trant, die zich aan de voorvaderlijke zeden en gebruiken houdt, en volstrekt er niet van zou afwijken. Het verstaat zich derhalve van zelf, dat het geheele middagmaal volkomen, en zonder de geringste afwijking, op zijn Engelsch was ingerigt. Om den eetlievenden lezer te voldoen, zal ik er hem eene kleine schets van trachten te geven.Op het midden der tafel prijkte, als hoofdschotel, een vervaarlijk groot stuk gekookt pekelvleesch. Aan de eene zijde stond een kalfs- en aan de andere zijde een schapengebraad, terwijl twee schotels met visch de flank formeerden, en de vier hoeken met aardappelen, kool, wortelen en ingelegde snijboonen, alles in zuiver water gekookt, bezet waren. In het tweede bedrijf was de hoofdpersonaadje eene gebrade gans, tusschen eenen insgelijks gebraden haas en twee hoenders, en nu werd de flank gemaakt door twee schotels sla, den een’ metselderij en den ander’ met cichorei, terwijl op de hoeken eene appel- en kersentaart, eenplumbpuddingen eenrijstpuddingden lekkertand uitnoodigden. Vervolgens werd er nog eene kaas opgezet, en eindelijk werd het tafellaken afgenomen en eenige schoteltjes met appelen en andere versnaperingen opgebragt; ook schonk men thans een goed glas wijn; want, het drinken van eenige gezondheden uitgezonderd, had men tot dusverre zeer weinig wijns gebruikt, maar zich meestal bij het bier gehouden.De wijn wordt hier niet, als inFrankrijk, in flesschen opgebragt, maar in kristallencarafes, die voor den gastheer worden nedergezet. Zich zelven schenkt hij het eerst in, geeft vervolgens decarafeaan hem, die naast hem zit, en in deze volgorde doet zij de ronde om de tafel, tot zij ledig is, welk gebrek men echter zorgt door eene nieuwe spoedige vulling terstond weder te herstellen.Het onderhoud, gedurende den maaltijd, welke gelukkig zeer bespoedigd werd, was uitermate doodsch en vervelend. De voornaamste stof verschaften een lekker malsch gebraad en een stuk goed gekookt vleesch. Ook bespeurde ik geene de minste oplettendheid voor de aanwezige vrouwen. Ja, ik kon mij schierniet verbeelden, dat er vijf vrouwen tegenwoordig waren, van welke er ten minste drie in ieder land voorschoonzouden gehouden zijn, en de oudste, de vrouw van den huize, slechts zeven en dertig jaren telde.Na het afnemen der tafel en het gebruik van het eerste glas wijn, stond zij op, en verzocht der andere dames haar te volgen; doch wij mannen bleven met decarafeportwijn voor ons zitten, die, bij herhaling, de ronde om de tafel deed, en eindelijk, na verloop van eenige uren, door eene metmaderaafgelost werd.Ja, lezer! na eenige uren. Wij waren te vijf ure gaan aanzitten, de vrouwen waren reeds voor zes ure opgestaan, en wij verlieten echter de tafel niet voor half negen, om in eene andere zaal thee te drinken. Doch zoo ver zijn wij nog niet.—Na het vertrek der vrouwen werd het gesprek eenigzins levendiger. Ik, wiens tong in de tegenwoordigheid van eene lieve, bevallige vrouw steeds vlugger en losser wordt, vond het zeer vreemd, dat dezelfde reden eene tegengestelde uitwerking op het spraaklid der heeren Engelschen te weeg bragt. Maar welhaast ontdekte ik, dat aan de wandelendecarafede levendigheid van het onderhoud voornamelijk was toe te schrijven.Door het al te sterk liefkozen diercarafe, scheen echter ook de grootste aandrift langzamerhand te verkoelen: het was, als of de oogen toe wilden vallen, en de tongen dik werden, tot het voortdurend gebruik dermaderaons in den vorigen staat van stilzwijgendheid terugvoerde.Reeds lang had ik bemerkt, dat, van tijd tot tijd, de eene of andere gast van tafel opstond, zich achter eene gordijn begaf, daar twee of drie minuten vertoefde, dan weder terugkwam, en bij het gezelschap zijne plaats hernam. Ik begreep niets van deze handelwijze; doch toen eindelijk mijn vriendC...,naast wien men mij geplaatst had, insgelijks als de anderen, dit toertje gemaakt had, vroeg ik hem, zoodra hij weder zat, zachtjes, wat dit toch beteekende? „Ga er slechts heen,”zeide hij,„dan kunt gij het zelf zien, en mogelijk zult gij er niet boos om zijn”—Om mijnen nieuwsgierigheid te voldoen, ondernam ik het korte reisje, ging achter de gordijn en vond....! maar hoe nu aan mijne bescheidene en kiesche lezers, zoo als de Franschen altijd met opzigt tot de bewoordingen zijn, het voorwerp uit te drukken, dat zich aan mijne oogen opdeed? ja, welk eene benaming er aan te geven?—Er is echter geene bevallige dame, dieditmeubelniet dagelijks gebruikt, of die hare kamenier niet zou beknorren, zoo zij het, bij het naar bed gaan, niet in hare slaapkamer vond, en die het, des noods, niet met den regten naam zou durven noemen. Ik hoop dus, niets te wagen, met te zeggen, dat ik daar vond staan eenen grooten waterpot. En inderdaad,de kruik gaat zoo lang te water, tot zij eindelijk vol wordt!zegt Figaro; en derhalve kan men geen vier of vijf uren aanhoudend drinken, zonder dat de natuur hare schatting eischt. En waarom toch, lezer! zou men eener even zoo natuurlijke behoefte, als eten en drinken, niet trachten te voldoen, zonder tijd te verliezen, zonder zich aan koude bloot te stellen, en zonder het vertrek te verlaten? Evenwel geloof ik, dat dit gebruik tot eene meerdere volkomenheid zou kunnen gebragt worden. Na eene lange zitting schijnt de gang van tafel naar de gordijn aan sommige gasten nog te ver. Onder anderen merkte ik eenen op, die al struikelende zijne plaats zocht te hervinden, doch die zijn doel juist niet langs een regte lijn en zonder eenige zijpassen kon bereiken. Ik hoop dus, dat door den tijd, die alle dingen verbetert! (dank zij den aanleg tot volmaaktheid van het menschelijke geslacht!) de Engelschen een dezer nuttige, of, om beter te zeggen, noodzakelijkemeubelsonder den stoel van ieder hunner gasten zullen doen plaatsen, even als men een wijnglas voor hen op tafel zet; want deze twee artikels zijn in hunne bijeenkomsten zoo onontbeerlijk voor elkander, als de klepel voor de klok. Deze mode in trein te brengen, zou een overheerlijk plan en eene voortreffelijke speculatie zijn voor eenen koopman in waterpotten.Eindelijk zochten wij de dames weder op, uitgenomen een der gasten, die aan tafel ingeslapen was, en welken men het raadzaamst oordeelde in zijne rust niet te storen. De koffij en thee waren op het oogenblik gereed. De koffij was volkomen gelijk aan die, welke ik reeds eenmaal inLondengeproefd had; doch de sterkte en smaak der thee vergoedden rijkelijk het gebrekkige van de koffij. De thee dan was bitter van sterkte, zoo dat ik mij genoodzaakt zag, er eene driedubbele hoeveelheid suiker in te doen, om haar te kunnen drinken. Bij de thee gebruikte men brood en boter, koekjes en eenige andere versnaperingen. Ook schonk men mij een tweede kopje in, zonder te vragen, of ik nog meer begeerde? Ik haastte mij dus, deze medicijn spoedig door te slikken, en naauwelijks was mijn kopje ledig, of het werd ten derde male gevuld.Hier kwam mij een oude manier van regtspleging te binnen, te weten, om den beschuldigden, wien men eene bekentenis wilde ontwringen, eene zekere hoeveelheid water te doen drinken. Daar ik vreesde, tot dezelfde proef veroordeeld te zijn, vroeg ik zachtjes aan mijnen vriendC...,of hij mij geen middel aan de hand kon doen, om mij van dezen zondvloed te redden.„Zoo lang gij uw lepeltje in het schoteltje laat liggen,”zeide hij,„zal men u niet overslaan, doch leg het in uw kopje, en men zal u niet meer inschenken.” Ik haastte mij derhalve, de eenige plank te grijpen, welke mij van verdrinken kon redden, en waarlijk, zij bragt mij in eene veilige haven: mijn kopje werd, tot hartelijke blijdschap van mijn verhemelte, den geheelen avond niet meer gevuld.Veel sprak men over de jagt en de staatsbelangen, inderdaad gewigtige en belangrijke onderwerpen voor de vrouwen, welke men geene meerdere opmerking aan de thee-, dan aan de eettafel verwaardigde. Eindelijk werd te elf ure het avondmaal aangekondigd.Dit was een mengelmoes van oesters, koud vleesch en gebak; en tot mijne groote verwondering, zou ik uit het spoedig verdwijnen van het opgedischte, zoo ik niet van het tegendeelware overtuigd geweest, besloten hebben, dat men noch het middagmaal gehouden, noch, onder het theedrinken, zoo tamelijk gepeuzeld had.Nu werd er brandewijn, gin, rum, warm water en suiker rondgediend, waarvan ieder, naar welgevallen, eene grootere of kleinere hoeveelheid nam, en die zelf, naar zijnen zin, gereed maakte. Eindelijk scheidden wij des nachts te een ure, allen een weinigje aangezet, en den slaap ten hoogste benoodigd.Wacht u echter wel, lezers! het woordjeallenook op de vrouwen toe te passen. Dezen zijn inEngeland, in het algemeen, ja bijna geene uitgezonderd, van eene bewonderenswaardige matigheid met opzigt tot den wijn en de sterke dranken, hetgeen des te vreemder moet voorkomen, wijl het vochtlievend voorbeeld der mannen haar ligtelijk smaak in deze voorwerpen zou kunnen doen krijgen. De Fransche schrijver, die in het jaar achttien honderd en vijftien door de drukpers het publiek heeft verteld, dat de Engelsche dames zich, even als hare mannen, dagelijks in den drank te buiten gaan, heeft haar opzettelijk en met voordacht gelasterd, of wel, heeft, gedurende zijn verblijf, geene andere verkeering gehad, dan met zulke dames, die bij avond en des nachts in den omtrek der kerk vanSint-Gilleshaar fortuin zoeken.Men verhaalt, dat eene, geenszins aan dit gebrek verslaafde, dame op zekeren avond bij toeval meer gedronken had, dan zij verdragen kon, en zoodanig beschonken was, dat men haar in bed moest dragen. Den anderen morgen maakte haar echtgenoot, geheel in het zwart gekleed, haar zijne opwachting.—Goede hemel! riep zij uit, mijn vriend! geen onzer bloedverwanten was immers ziek, zoo ver ik weet; over wien rouwt gij?—„Over uwe eer, mevrouw! die gij gisteren avond bevlekt, en mogelijk voor altijd verloren hebt!” antwoordde hij. Nu zwoer deze dame plegtig, nimmer weder wijn of sterken drank te zullen gebruiken; en men verzekert, dat zij haar woord nooit verbroken heeft.

XVII.Het Engelsche middagmaal.Het onderhoud, mijn waarde lezer! hetwelk ik u in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld, bragt ons aan het huis vansir Robert D...Onze hoeden, rottingen en overrokken in de voorkamer afgelegd hebbende, geleidde men ons in eene zaal, waar zich reeds een aantal gasten bevond.Sir Robertbood ons zijner vrouw en dochter aan, een jong meisje van achttien jaren, ongemeen lief en bevallig; en vervolgens, op dezelfde wijze, aan ieder ander lid van het gezelschap, ons tevens van hunne namen en hunnen rang, en hen wederkeerig van de onze onderrigtende. Dezelfde plegtigheid werd, bij de aankomst van iederen nieuwen gast, herhaald. Dit is een algemeen aangenomen gebruik teLonden. De heer van den huize neemt u (onverschillig, in welk eenen kring gij komt) bij de hand, en biedt u, met staatsie, aan ieder lid van het gezelschap aan.Behalve zijne dochter, hadsir Robertnog eenen zoon van zeventien jaren, die echterthans met zijnen gouverneur inItaliewas; om, zoo als ieder welopgevoed Engelschman verpligt is, de reis op het vaste land te doen; hetgeen trouwens, naar mijn oordeel, niet wel is over een te brengen met die algemeene minachting, welke dit volk zich aanmatigt tegen ieder, die niet van hunnen landaard is. Doch de wispelturigheid, of het niet gelijk blijven met zich zelven, (l’inconséquence) kan hun-alleen juist niet te laste gelegd worden; en misschien zou het vanonszeer onbillijk zijn, hun dezelve te verwijten.Het was ongemeen guur en koud weer, iets, hetwelk wij, al hadden wij er ook minder gevoel van gehad, toch niet ligtelijk zouden hebben kunnen vergeten; want ieder binnenkomende gast had de oplettendheid, om ons dit koude nieuws te herinneren. Men moge eenen Engelschman ontmoeten, wanneer men wille, het eerste woord, dat van zijne lippen rolt, is altijd:Hoe vaart gij?het tweede:Een fraaije morgen! Een sombere middag!—Een kouden avond! Een duistere nacht!Zoodat een Engelschman, met regt,een wandelend weerglaskan genoemd worden.Dan ter zaak! Ons gezelschap bestond uit veertien personen, vijf vrouwen en negen mannen,toen men ons kwam zeggen, dat het eten opgedischt was.De meeste voorname en rijke Engelschen houden er tegenwoordig Fransche koks op na; want bijna allen, die inFrankrijkgeweest zijn, stemmen daarin overeen, dat onze keuken de hare verre te boven streeft. Maarsir Robert D...is een Engelschman van den ouden trant, die zich aan de voorvaderlijke zeden en gebruiken houdt, en volstrekt er niet van zou afwijken. Het verstaat zich derhalve van zelf, dat het geheele middagmaal volkomen, en zonder de geringste afwijking, op zijn Engelsch was ingerigt. Om den eetlievenden lezer te voldoen, zal ik er hem eene kleine schets van trachten te geven.Op het midden der tafel prijkte, als hoofdschotel, een vervaarlijk groot stuk gekookt pekelvleesch. Aan de eene zijde stond een kalfs- en aan de andere zijde een schapengebraad, terwijl twee schotels met visch de flank formeerden, en de vier hoeken met aardappelen, kool, wortelen en ingelegde snijboonen, alles in zuiver water gekookt, bezet waren. In het tweede bedrijf was de hoofdpersonaadje eene gebrade gans, tusschen eenen insgelijks gebraden haas en twee hoenders, en nu werd de flank gemaakt door twee schotels sla, den een’ metselderij en den ander’ met cichorei, terwijl op de hoeken eene appel- en kersentaart, eenplumbpuddingen eenrijstpuddingden lekkertand uitnoodigden. Vervolgens werd er nog eene kaas opgezet, en eindelijk werd het tafellaken afgenomen en eenige schoteltjes met appelen en andere versnaperingen opgebragt; ook schonk men thans een goed glas wijn; want, het drinken van eenige gezondheden uitgezonderd, had men tot dusverre zeer weinig wijns gebruikt, maar zich meestal bij het bier gehouden.De wijn wordt hier niet, als inFrankrijk, in flesschen opgebragt, maar in kristallencarafes, die voor den gastheer worden nedergezet. Zich zelven schenkt hij het eerst in, geeft vervolgens decarafeaan hem, die naast hem zit, en in deze volgorde doet zij de ronde om de tafel, tot zij ledig is, welk gebrek men echter zorgt door eene nieuwe spoedige vulling terstond weder te herstellen.Het onderhoud, gedurende den maaltijd, welke gelukkig zeer bespoedigd werd, was uitermate doodsch en vervelend. De voornaamste stof verschaften een lekker malsch gebraad en een stuk goed gekookt vleesch. Ook bespeurde ik geene de minste oplettendheid voor de aanwezige vrouwen. Ja, ik kon mij schierniet verbeelden, dat er vijf vrouwen tegenwoordig waren, van welke er ten minste drie in ieder land voorschoonzouden gehouden zijn, en de oudste, de vrouw van den huize, slechts zeven en dertig jaren telde.Na het afnemen der tafel en het gebruik van het eerste glas wijn, stond zij op, en verzocht der andere dames haar te volgen; doch wij mannen bleven met decarafeportwijn voor ons zitten, die, bij herhaling, de ronde om de tafel deed, en eindelijk, na verloop van eenige uren, door eene metmaderaafgelost werd.Ja, lezer! na eenige uren. Wij waren te vijf ure gaan aanzitten, de vrouwen waren reeds voor zes ure opgestaan, en wij verlieten echter de tafel niet voor half negen, om in eene andere zaal thee te drinken. Doch zoo ver zijn wij nog niet.—Na het vertrek der vrouwen werd het gesprek eenigzins levendiger. Ik, wiens tong in de tegenwoordigheid van eene lieve, bevallige vrouw steeds vlugger en losser wordt, vond het zeer vreemd, dat dezelfde reden eene tegengestelde uitwerking op het spraaklid der heeren Engelschen te weeg bragt. Maar welhaast ontdekte ik, dat aan de wandelendecarafede levendigheid van het onderhoud voornamelijk was toe te schrijven.Door het al te sterk liefkozen diercarafe, scheen echter ook de grootste aandrift langzamerhand te verkoelen: het was, als of de oogen toe wilden vallen, en de tongen dik werden, tot het voortdurend gebruik dermaderaons in den vorigen staat van stilzwijgendheid terugvoerde.Reeds lang had ik bemerkt, dat, van tijd tot tijd, de eene of andere gast van tafel opstond, zich achter eene gordijn begaf, daar twee of drie minuten vertoefde, dan weder terugkwam, en bij het gezelschap zijne plaats hernam. Ik begreep niets van deze handelwijze; doch toen eindelijk mijn vriendC...,naast wien men mij geplaatst had, insgelijks als de anderen, dit toertje gemaakt had, vroeg ik hem, zoodra hij weder zat, zachtjes, wat dit toch beteekende? „Ga er slechts heen,”zeide hij,„dan kunt gij het zelf zien, en mogelijk zult gij er niet boos om zijn”—Om mijnen nieuwsgierigheid te voldoen, ondernam ik het korte reisje, ging achter de gordijn en vond....! maar hoe nu aan mijne bescheidene en kiesche lezers, zoo als de Franschen altijd met opzigt tot de bewoordingen zijn, het voorwerp uit te drukken, dat zich aan mijne oogen opdeed? ja, welk eene benaming er aan te geven?—Er is echter geene bevallige dame, dieditmeubelniet dagelijks gebruikt, of die hare kamenier niet zou beknorren, zoo zij het, bij het naar bed gaan, niet in hare slaapkamer vond, en die het, des noods, niet met den regten naam zou durven noemen. Ik hoop dus, niets te wagen, met te zeggen, dat ik daar vond staan eenen grooten waterpot. En inderdaad,de kruik gaat zoo lang te water, tot zij eindelijk vol wordt!zegt Figaro; en derhalve kan men geen vier of vijf uren aanhoudend drinken, zonder dat de natuur hare schatting eischt. En waarom toch, lezer! zou men eener even zoo natuurlijke behoefte, als eten en drinken, niet trachten te voldoen, zonder tijd te verliezen, zonder zich aan koude bloot te stellen, en zonder het vertrek te verlaten? Evenwel geloof ik, dat dit gebruik tot eene meerdere volkomenheid zou kunnen gebragt worden. Na eene lange zitting schijnt de gang van tafel naar de gordijn aan sommige gasten nog te ver. Onder anderen merkte ik eenen op, die al struikelende zijne plaats zocht te hervinden, doch die zijn doel juist niet langs een regte lijn en zonder eenige zijpassen kon bereiken. Ik hoop dus, dat door den tijd, die alle dingen verbetert! (dank zij den aanleg tot volmaaktheid van het menschelijke geslacht!) de Engelschen een dezer nuttige, of, om beter te zeggen, noodzakelijkemeubelsonder den stoel van ieder hunner gasten zullen doen plaatsen, even als men een wijnglas voor hen op tafel zet; want deze twee artikels zijn in hunne bijeenkomsten zoo onontbeerlijk voor elkander, als de klepel voor de klok. Deze mode in trein te brengen, zou een overheerlijk plan en eene voortreffelijke speculatie zijn voor eenen koopman in waterpotten.Eindelijk zochten wij de dames weder op, uitgenomen een der gasten, die aan tafel ingeslapen was, en welken men het raadzaamst oordeelde in zijne rust niet te storen. De koffij en thee waren op het oogenblik gereed. De koffij was volkomen gelijk aan die, welke ik reeds eenmaal inLondengeproefd had; doch de sterkte en smaak der thee vergoedden rijkelijk het gebrekkige van de koffij. De thee dan was bitter van sterkte, zoo dat ik mij genoodzaakt zag, er eene driedubbele hoeveelheid suiker in te doen, om haar te kunnen drinken. Bij de thee gebruikte men brood en boter, koekjes en eenige andere versnaperingen. Ook schonk men mij een tweede kopje in, zonder te vragen, of ik nog meer begeerde? Ik haastte mij dus, deze medicijn spoedig door te slikken, en naauwelijks was mijn kopje ledig, of het werd ten derde male gevuld.Hier kwam mij een oude manier van regtspleging te binnen, te weten, om den beschuldigden, wien men eene bekentenis wilde ontwringen, eene zekere hoeveelheid water te doen drinken. Daar ik vreesde, tot dezelfde proef veroordeeld te zijn, vroeg ik zachtjes aan mijnen vriendC...,of hij mij geen middel aan de hand kon doen, om mij van dezen zondvloed te redden.„Zoo lang gij uw lepeltje in het schoteltje laat liggen,”zeide hij,„zal men u niet overslaan, doch leg het in uw kopje, en men zal u niet meer inschenken.” Ik haastte mij derhalve, de eenige plank te grijpen, welke mij van verdrinken kon redden, en waarlijk, zij bragt mij in eene veilige haven: mijn kopje werd, tot hartelijke blijdschap van mijn verhemelte, den geheelen avond niet meer gevuld.Veel sprak men over de jagt en de staatsbelangen, inderdaad gewigtige en belangrijke onderwerpen voor de vrouwen, welke men geene meerdere opmerking aan de thee-, dan aan de eettafel verwaardigde. Eindelijk werd te elf ure het avondmaal aangekondigd.Dit was een mengelmoes van oesters, koud vleesch en gebak; en tot mijne groote verwondering, zou ik uit het spoedig verdwijnen van het opgedischte, zoo ik niet van het tegendeelware overtuigd geweest, besloten hebben, dat men noch het middagmaal gehouden, noch, onder het theedrinken, zoo tamelijk gepeuzeld had.Nu werd er brandewijn, gin, rum, warm water en suiker rondgediend, waarvan ieder, naar welgevallen, eene grootere of kleinere hoeveelheid nam, en die zelf, naar zijnen zin, gereed maakte. Eindelijk scheidden wij des nachts te een ure, allen een weinigje aangezet, en den slaap ten hoogste benoodigd.Wacht u echter wel, lezers! het woordjeallenook op de vrouwen toe te passen. Dezen zijn inEngeland, in het algemeen, ja bijna geene uitgezonderd, van eene bewonderenswaardige matigheid met opzigt tot den wijn en de sterke dranken, hetgeen des te vreemder moet voorkomen, wijl het vochtlievend voorbeeld der mannen haar ligtelijk smaak in deze voorwerpen zou kunnen doen krijgen. De Fransche schrijver, die in het jaar achttien honderd en vijftien door de drukpers het publiek heeft verteld, dat de Engelsche dames zich, even als hare mannen, dagelijks in den drank te buiten gaan, heeft haar opzettelijk en met voordacht gelasterd, of wel, heeft, gedurende zijn verblijf, geene andere verkeering gehad, dan met zulke dames, die bij avond en des nachts in den omtrek der kerk vanSint-Gilleshaar fortuin zoeken.Men verhaalt, dat eene, geenszins aan dit gebrek verslaafde, dame op zekeren avond bij toeval meer gedronken had, dan zij verdragen kon, en zoodanig beschonken was, dat men haar in bed moest dragen. Den anderen morgen maakte haar echtgenoot, geheel in het zwart gekleed, haar zijne opwachting.—Goede hemel! riep zij uit, mijn vriend! geen onzer bloedverwanten was immers ziek, zoo ver ik weet; over wien rouwt gij?—„Over uwe eer, mevrouw! die gij gisteren avond bevlekt, en mogelijk voor altijd verloren hebt!” antwoordde hij. Nu zwoer deze dame plegtig, nimmer weder wijn of sterken drank te zullen gebruiken; en men verzekert, dat zij haar woord nooit verbroken heeft.

XVII.Het Engelsche middagmaal.

Het onderhoud, mijn waarde lezer! hetwelk ik u in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld, bragt ons aan het huis vansir Robert D...Onze hoeden, rottingen en overrokken in de voorkamer afgelegd hebbende, geleidde men ons in eene zaal, waar zich reeds een aantal gasten bevond.Sir Robertbood ons zijner vrouw en dochter aan, een jong meisje van achttien jaren, ongemeen lief en bevallig; en vervolgens, op dezelfde wijze, aan ieder ander lid van het gezelschap, ons tevens van hunne namen en hunnen rang, en hen wederkeerig van de onze onderrigtende. Dezelfde plegtigheid werd, bij de aankomst van iederen nieuwen gast, herhaald. Dit is een algemeen aangenomen gebruik teLonden. De heer van den huize neemt u (onverschillig, in welk eenen kring gij komt) bij de hand, en biedt u, met staatsie, aan ieder lid van het gezelschap aan.Behalve zijne dochter, hadsir Robertnog eenen zoon van zeventien jaren, die echterthans met zijnen gouverneur inItaliewas; om, zoo als ieder welopgevoed Engelschman verpligt is, de reis op het vaste land te doen; hetgeen trouwens, naar mijn oordeel, niet wel is over een te brengen met die algemeene minachting, welke dit volk zich aanmatigt tegen ieder, die niet van hunnen landaard is. Doch de wispelturigheid, of het niet gelijk blijven met zich zelven, (l’inconséquence) kan hun-alleen juist niet te laste gelegd worden; en misschien zou het vanonszeer onbillijk zijn, hun dezelve te verwijten.Het was ongemeen guur en koud weer, iets, hetwelk wij, al hadden wij er ook minder gevoel van gehad, toch niet ligtelijk zouden hebben kunnen vergeten; want ieder binnenkomende gast had de oplettendheid, om ons dit koude nieuws te herinneren. Men moge eenen Engelschman ontmoeten, wanneer men wille, het eerste woord, dat van zijne lippen rolt, is altijd:Hoe vaart gij?het tweede:Een fraaije morgen! Een sombere middag!—Een kouden avond! Een duistere nacht!Zoodat een Engelschman, met regt,een wandelend weerglaskan genoemd worden.Dan ter zaak! Ons gezelschap bestond uit veertien personen, vijf vrouwen en negen mannen,toen men ons kwam zeggen, dat het eten opgedischt was.De meeste voorname en rijke Engelschen houden er tegenwoordig Fransche koks op na; want bijna allen, die inFrankrijkgeweest zijn, stemmen daarin overeen, dat onze keuken de hare verre te boven streeft. Maarsir Robert D...is een Engelschman van den ouden trant, die zich aan de voorvaderlijke zeden en gebruiken houdt, en volstrekt er niet van zou afwijken. Het verstaat zich derhalve van zelf, dat het geheele middagmaal volkomen, en zonder de geringste afwijking, op zijn Engelsch was ingerigt. Om den eetlievenden lezer te voldoen, zal ik er hem eene kleine schets van trachten te geven.Op het midden der tafel prijkte, als hoofdschotel, een vervaarlijk groot stuk gekookt pekelvleesch. Aan de eene zijde stond een kalfs- en aan de andere zijde een schapengebraad, terwijl twee schotels met visch de flank formeerden, en de vier hoeken met aardappelen, kool, wortelen en ingelegde snijboonen, alles in zuiver water gekookt, bezet waren. In het tweede bedrijf was de hoofdpersonaadje eene gebrade gans, tusschen eenen insgelijks gebraden haas en twee hoenders, en nu werd de flank gemaakt door twee schotels sla, den een’ metselderij en den ander’ met cichorei, terwijl op de hoeken eene appel- en kersentaart, eenplumbpuddingen eenrijstpuddingden lekkertand uitnoodigden. Vervolgens werd er nog eene kaas opgezet, en eindelijk werd het tafellaken afgenomen en eenige schoteltjes met appelen en andere versnaperingen opgebragt; ook schonk men thans een goed glas wijn; want, het drinken van eenige gezondheden uitgezonderd, had men tot dusverre zeer weinig wijns gebruikt, maar zich meestal bij het bier gehouden.De wijn wordt hier niet, als inFrankrijk, in flesschen opgebragt, maar in kristallencarafes, die voor den gastheer worden nedergezet. Zich zelven schenkt hij het eerst in, geeft vervolgens decarafeaan hem, die naast hem zit, en in deze volgorde doet zij de ronde om de tafel, tot zij ledig is, welk gebrek men echter zorgt door eene nieuwe spoedige vulling terstond weder te herstellen.Het onderhoud, gedurende den maaltijd, welke gelukkig zeer bespoedigd werd, was uitermate doodsch en vervelend. De voornaamste stof verschaften een lekker malsch gebraad en een stuk goed gekookt vleesch. Ook bespeurde ik geene de minste oplettendheid voor de aanwezige vrouwen. Ja, ik kon mij schierniet verbeelden, dat er vijf vrouwen tegenwoordig waren, van welke er ten minste drie in ieder land voorschoonzouden gehouden zijn, en de oudste, de vrouw van den huize, slechts zeven en dertig jaren telde.Na het afnemen der tafel en het gebruik van het eerste glas wijn, stond zij op, en verzocht der andere dames haar te volgen; doch wij mannen bleven met decarafeportwijn voor ons zitten, die, bij herhaling, de ronde om de tafel deed, en eindelijk, na verloop van eenige uren, door eene metmaderaafgelost werd.Ja, lezer! na eenige uren. Wij waren te vijf ure gaan aanzitten, de vrouwen waren reeds voor zes ure opgestaan, en wij verlieten echter de tafel niet voor half negen, om in eene andere zaal thee te drinken. Doch zoo ver zijn wij nog niet.—Na het vertrek der vrouwen werd het gesprek eenigzins levendiger. Ik, wiens tong in de tegenwoordigheid van eene lieve, bevallige vrouw steeds vlugger en losser wordt, vond het zeer vreemd, dat dezelfde reden eene tegengestelde uitwerking op het spraaklid der heeren Engelschen te weeg bragt. Maar welhaast ontdekte ik, dat aan de wandelendecarafede levendigheid van het onderhoud voornamelijk was toe te schrijven.Door het al te sterk liefkozen diercarafe, scheen echter ook de grootste aandrift langzamerhand te verkoelen: het was, als of de oogen toe wilden vallen, en de tongen dik werden, tot het voortdurend gebruik dermaderaons in den vorigen staat van stilzwijgendheid terugvoerde.Reeds lang had ik bemerkt, dat, van tijd tot tijd, de eene of andere gast van tafel opstond, zich achter eene gordijn begaf, daar twee of drie minuten vertoefde, dan weder terugkwam, en bij het gezelschap zijne plaats hernam. Ik begreep niets van deze handelwijze; doch toen eindelijk mijn vriendC...,naast wien men mij geplaatst had, insgelijks als de anderen, dit toertje gemaakt had, vroeg ik hem, zoodra hij weder zat, zachtjes, wat dit toch beteekende? „Ga er slechts heen,”zeide hij,„dan kunt gij het zelf zien, en mogelijk zult gij er niet boos om zijn”—Om mijnen nieuwsgierigheid te voldoen, ondernam ik het korte reisje, ging achter de gordijn en vond....! maar hoe nu aan mijne bescheidene en kiesche lezers, zoo als de Franschen altijd met opzigt tot de bewoordingen zijn, het voorwerp uit te drukken, dat zich aan mijne oogen opdeed? ja, welk eene benaming er aan te geven?—Er is echter geene bevallige dame, dieditmeubelniet dagelijks gebruikt, of die hare kamenier niet zou beknorren, zoo zij het, bij het naar bed gaan, niet in hare slaapkamer vond, en die het, des noods, niet met den regten naam zou durven noemen. Ik hoop dus, niets te wagen, met te zeggen, dat ik daar vond staan eenen grooten waterpot. En inderdaad,de kruik gaat zoo lang te water, tot zij eindelijk vol wordt!zegt Figaro; en derhalve kan men geen vier of vijf uren aanhoudend drinken, zonder dat de natuur hare schatting eischt. En waarom toch, lezer! zou men eener even zoo natuurlijke behoefte, als eten en drinken, niet trachten te voldoen, zonder tijd te verliezen, zonder zich aan koude bloot te stellen, en zonder het vertrek te verlaten? Evenwel geloof ik, dat dit gebruik tot eene meerdere volkomenheid zou kunnen gebragt worden. Na eene lange zitting schijnt de gang van tafel naar de gordijn aan sommige gasten nog te ver. Onder anderen merkte ik eenen op, die al struikelende zijne plaats zocht te hervinden, doch die zijn doel juist niet langs een regte lijn en zonder eenige zijpassen kon bereiken. Ik hoop dus, dat door den tijd, die alle dingen verbetert! (dank zij den aanleg tot volmaaktheid van het menschelijke geslacht!) de Engelschen een dezer nuttige, of, om beter te zeggen, noodzakelijkemeubelsonder den stoel van ieder hunner gasten zullen doen plaatsen, even als men een wijnglas voor hen op tafel zet; want deze twee artikels zijn in hunne bijeenkomsten zoo onontbeerlijk voor elkander, als de klepel voor de klok. Deze mode in trein te brengen, zou een overheerlijk plan en eene voortreffelijke speculatie zijn voor eenen koopman in waterpotten.Eindelijk zochten wij de dames weder op, uitgenomen een der gasten, die aan tafel ingeslapen was, en welken men het raadzaamst oordeelde in zijne rust niet te storen. De koffij en thee waren op het oogenblik gereed. De koffij was volkomen gelijk aan die, welke ik reeds eenmaal inLondengeproefd had; doch de sterkte en smaak der thee vergoedden rijkelijk het gebrekkige van de koffij. De thee dan was bitter van sterkte, zoo dat ik mij genoodzaakt zag, er eene driedubbele hoeveelheid suiker in te doen, om haar te kunnen drinken. Bij de thee gebruikte men brood en boter, koekjes en eenige andere versnaperingen. Ook schonk men mij een tweede kopje in, zonder te vragen, of ik nog meer begeerde? Ik haastte mij dus, deze medicijn spoedig door te slikken, en naauwelijks was mijn kopje ledig, of het werd ten derde male gevuld.Hier kwam mij een oude manier van regtspleging te binnen, te weten, om den beschuldigden, wien men eene bekentenis wilde ontwringen, eene zekere hoeveelheid water te doen drinken. Daar ik vreesde, tot dezelfde proef veroordeeld te zijn, vroeg ik zachtjes aan mijnen vriendC...,of hij mij geen middel aan de hand kon doen, om mij van dezen zondvloed te redden.„Zoo lang gij uw lepeltje in het schoteltje laat liggen,”zeide hij,„zal men u niet overslaan, doch leg het in uw kopje, en men zal u niet meer inschenken.” Ik haastte mij derhalve, de eenige plank te grijpen, welke mij van verdrinken kon redden, en waarlijk, zij bragt mij in eene veilige haven: mijn kopje werd, tot hartelijke blijdschap van mijn verhemelte, den geheelen avond niet meer gevuld.Veel sprak men over de jagt en de staatsbelangen, inderdaad gewigtige en belangrijke onderwerpen voor de vrouwen, welke men geene meerdere opmerking aan de thee-, dan aan de eettafel verwaardigde. Eindelijk werd te elf ure het avondmaal aangekondigd.Dit was een mengelmoes van oesters, koud vleesch en gebak; en tot mijne groote verwondering, zou ik uit het spoedig verdwijnen van het opgedischte, zoo ik niet van het tegendeelware overtuigd geweest, besloten hebben, dat men noch het middagmaal gehouden, noch, onder het theedrinken, zoo tamelijk gepeuzeld had.Nu werd er brandewijn, gin, rum, warm water en suiker rondgediend, waarvan ieder, naar welgevallen, eene grootere of kleinere hoeveelheid nam, en die zelf, naar zijnen zin, gereed maakte. Eindelijk scheidden wij des nachts te een ure, allen een weinigje aangezet, en den slaap ten hoogste benoodigd.Wacht u echter wel, lezers! het woordjeallenook op de vrouwen toe te passen. Dezen zijn inEngeland, in het algemeen, ja bijna geene uitgezonderd, van eene bewonderenswaardige matigheid met opzigt tot den wijn en de sterke dranken, hetgeen des te vreemder moet voorkomen, wijl het vochtlievend voorbeeld der mannen haar ligtelijk smaak in deze voorwerpen zou kunnen doen krijgen. De Fransche schrijver, die in het jaar achttien honderd en vijftien door de drukpers het publiek heeft verteld, dat de Engelsche dames zich, even als hare mannen, dagelijks in den drank te buiten gaan, heeft haar opzettelijk en met voordacht gelasterd, of wel, heeft, gedurende zijn verblijf, geene andere verkeering gehad, dan met zulke dames, die bij avond en des nachts in den omtrek der kerk vanSint-Gilleshaar fortuin zoeken.Men verhaalt, dat eene, geenszins aan dit gebrek verslaafde, dame op zekeren avond bij toeval meer gedronken had, dan zij verdragen kon, en zoodanig beschonken was, dat men haar in bed moest dragen. Den anderen morgen maakte haar echtgenoot, geheel in het zwart gekleed, haar zijne opwachting.—Goede hemel! riep zij uit, mijn vriend! geen onzer bloedverwanten was immers ziek, zoo ver ik weet; over wien rouwt gij?—„Over uwe eer, mevrouw! die gij gisteren avond bevlekt, en mogelijk voor altijd verloren hebt!” antwoordde hij. Nu zwoer deze dame plegtig, nimmer weder wijn of sterken drank te zullen gebruiken; en men verzekert, dat zij haar woord nooit verbroken heeft.

Het onderhoud, mijn waarde lezer! hetwelk ik u in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld, bragt ons aan het huis vansir Robert D...Onze hoeden, rottingen en overrokken in de voorkamer afgelegd hebbende, geleidde men ons in eene zaal, waar zich reeds een aantal gasten bevond.Sir Robertbood ons zijner vrouw en dochter aan, een jong meisje van achttien jaren, ongemeen lief en bevallig; en vervolgens, op dezelfde wijze, aan ieder ander lid van het gezelschap, ons tevens van hunne namen en hunnen rang, en hen wederkeerig van de onze onderrigtende. Dezelfde plegtigheid werd, bij de aankomst van iederen nieuwen gast, herhaald. Dit is een algemeen aangenomen gebruik teLonden. De heer van den huize neemt u (onverschillig, in welk eenen kring gij komt) bij de hand, en biedt u, met staatsie, aan ieder lid van het gezelschap aan.

Behalve zijne dochter, hadsir Robertnog eenen zoon van zeventien jaren, die echterthans met zijnen gouverneur inItaliewas; om, zoo als ieder welopgevoed Engelschman verpligt is, de reis op het vaste land te doen; hetgeen trouwens, naar mijn oordeel, niet wel is over een te brengen met die algemeene minachting, welke dit volk zich aanmatigt tegen ieder, die niet van hunnen landaard is. Doch de wispelturigheid, of het niet gelijk blijven met zich zelven, (l’inconséquence) kan hun-alleen juist niet te laste gelegd worden; en misschien zou het vanonszeer onbillijk zijn, hun dezelve te verwijten.

Het was ongemeen guur en koud weer, iets, hetwelk wij, al hadden wij er ook minder gevoel van gehad, toch niet ligtelijk zouden hebben kunnen vergeten; want ieder binnenkomende gast had de oplettendheid, om ons dit koude nieuws te herinneren. Men moge eenen Engelschman ontmoeten, wanneer men wille, het eerste woord, dat van zijne lippen rolt, is altijd:Hoe vaart gij?het tweede:Een fraaije morgen! Een sombere middag!—Een kouden avond! Een duistere nacht!Zoodat een Engelschman, met regt,een wandelend weerglaskan genoemd worden.

Dan ter zaak! Ons gezelschap bestond uit veertien personen, vijf vrouwen en negen mannen,toen men ons kwam zeggen, dat het eten opgedischt was.

De meeste voorname en rijke Engelschen houden er tegenwoordig Fransche koks op na; want bijna allen, die inFrankrijkgeweest zijn, stemmen daarin overeen, dat onze keuken de hare verre te boven streeft. Maarsir Robert D...is een Engelschman van den ouden trant, die zich aan de voorvaderlijke zeden en gebruiken houdt, en volstrekt er niet van zou afwijken. Het verstaat zich derhalve van zelf, dat het geheele middagmaal volkomen, en zonder de geringste afwijking, op zijn Engelsch was ingerigt. Om den eetlievenden lezer te voldoen, zal ik er hem eene kleine schets van trachten te geven.

Op het midden der tafel prijkte, als hoofdschotel, een vervaarlijk groot stuk gekookt pekelvleesch. Aan de eene zijde stond een kalfs- en aan de andere zijde een schapengebraad, terwijl twee schotels met visch de flank formeerden, en de vier hoeken met aardappelen, kool, wortelen en ingelegde snijboonen, alles in zuiver water gekookt, bezet waren. In het tweede bedrijf was de hoofdpersonaadje eene gebrade gans, tusschen eenen insgelijks gebraden haas en twee hoenders, en nu werd de flank gemaakt door twee schotels sla, den een’ metselderij en den ander’ met cichorei, terwijl op de hoeken eene appel- en kersentaart, eenplumbpuddingen eenrijstpuddingden lekkertand uitnoodigden. Vervolgens werd er nog eene kaas opgezet, en eindelijk werd het tafellaken afgenomen en eenige schoteltjes met appelen en andere versnaperingen opgebragt; ook schonk men thans een goed glas wijn; want, het drinken van eenige gezondheden uitgezonderd, had men tot dusverre zeer weinig wijns gebruikt, maar zich meestal bij het bier gehouden.

De wijn wordt hier niet, als inFrankrijk, in flesschen opgebragt, maar in kristallencarafes, die voor den gastheer worden nedergezet. Zich zelven schenkt hij het eerst in, geeft vervolgens decarafeaan hem, die naast hem zit, en in deze volgorde doet zij de ronde om de tafel, tot zij ledig is, welk gebrek men echter zorgt door eene nieuwe spoedige vulling terstond weder te herstellen.

Het onderhoud, gedurende den maaltijd, welke gelukkig zeer bespoedigd werd, was uitermate doodsch en vervelend. De voornaamste stof verschaften een lekker malsch gebraad en een stuk goed gekookt vleesch. Ook bespeurde ik geene de minste oplettendheid voor de aanwezige vrouwen. Ja, ik kon mij schierniet verbeelden, dat er vijf vrouwen tegenwoordig waren, van welke er ten minste drie in ieder land voorschoonzouden gehouden zijn, en de oudste, de vrouw van den huize, slechts zeven en dertig jaren telde.

Na het afnemen der tafel en het gebruik van het eerste glas wijn, stond zij op, en verzocht der andere dames haar te volgen; doch wij mannen bleven met decarafeportwijn voor ons zitten, die, bij herhaling, de ronde om de tafel deed, en eindelijk, na verloop van eenige uren, door eene metmaderaafgelost werd.

Ja, lezer! na eenige uren. Wij waren te vijf ure gaan aanzitten, de vrouwen waren reeds voor zes ure opgestaan, en wij verlieten echter de tafel niet voor half negen, om in eene andere zaal thee te drinken. Doch zoo ver zijn wij nog niet.—Na het vertrek der vrouwen werd het gesprek eenigzins levendiger. Ik, wiens tong in de tegenwoordigheid van eene lieve, bevallige vrouw steeds vlugger en losser wordt, vond het zeer vreemd, dat dezelfde reden eene tegengestelde uitwerking op het spraaklid der heeren Engelschen te weeg bragt. Maar welhaast ontdekte ik, dat aan de wandelendecarafede levendigheid van het onderhoud voornamelijk was toe te schrijven.Door het al te sterk liefkozen diercarafe, scheen echter ook de grootste aandrift langzamerhand te verkoelen: het was, als of de oogen toe wilden vallen, en de tongen dik werden, tot het voortdurend gebruik dermaderaons in den vorigen staat van stilzwijgendheid terugvoerde.

Reeds lang had ik bemerkt, dat, van tijd tot tijd, de eene of andere gast van tafel opstond, zich achter eene gordijn begaf, daar twee of drie minuten vertoefde, dan weder terugkwam, en bij het gezelschap zijne plaats hernam. Ik begreep niets van deze handelwijze; doch toen eindelijk mijn vriendC...,naast wien men mij geplaatst had, insgelijks als de anderen, dit toertje gemaakt had, vroeg ik hem, zoodra hij weder zat, zachtjes, wat dit toch beteekende? „Ga er slechts heen,”zeide hij,„dan kunt gij het zelf zien, en mogelijk zult gij er niet boos om zijn”—Om mijnen nieuwsgierigheid te voldoen, ondernam ik het korte reisje, ging achter de gordijn en vond....! maar hoe nu aan mijne bescheidene en kiesche lezers, zoo als de Franschen altijd met opzigt tot de bewoordingen zijn, het voorwerp uit te drukken, dat zich aan mijne oogen opdeed? ja, welk eene benaming er aan te geven?—Er is echter geene bevallige dame, dieditmeubelniet dagelijks gebruikt, of die hare kamenier niet zou beknorren, zoo zij het, bij het naar bed gaan, niet in hare slaapkamer vond, en die het, des noods, niet met den regten naam zou durven noemen. Ik hoop dus, niets te wagen, met te zeggen, dat ik daar vond staan eenen grooten waterpot. En inderdaad,de kruik gaat zoo lang te water, tot zij eindelijk vol wordt!zegt Figaro; en derhalve kan men geen vier of vijf uren aanhoudend drinken, zonder dat de natuur hare schatting eischt. En waarom toch, lezer! zou men eener even zoo natuurlijke behoefte, als eten en drinken, niet trachten te voldoen, zonder tijd te verliezen, zonder zich aan koude bloot te stellen, en zonder het vertrek te verlaten? Evenwel geloof ik, dat dit gebruik tot eene meerdere volkomenheid zou kunnen gebragt worden. Na eene lange zitting schijnt de gang van tafel naar de gordijn aan sommige gasten nog te ver. Onder anderen merkte ik eenen op, die al struikelende zijne plaats zocht te hervinden, doch die zijn doel juist niet langs een regte lijn en zonder eenige zijpassen kon bereiken. Ik hoop dus, dat door den tijd, die alle dingen verbetert! (dank zij den aanleg tot volmaaktheid van het menschelijke geslacht!) de Engelschen een dezer nuttige, of, om beter te zeggen, noodzakelijkemeubelsonder den stoel van ieder hunner gasten zullen doen plaatsen, even als men een wijnglas voor hen op tafel zet; want deze twee artikels zijn in hunne bijeenkomsten zoo onontbeerlijk voor elkander, als de klepel voor de klok. Deze mode in trein te brengen, zou een overheerlijk plan en eene voortreffelijke speculatie zijn voor eenen koopman in waterpotten.

Eindelijk zochten wij de dames weder op, uitgenomen een der gasten, die aan tafel ingeslapen was, en welken men het raadzaamst oordeelde in zijne rust niet te storen. De koffij en thee waren op het oogenblik gereed. De koffij was volkomen gelijk aan die, welke ik reeds eenmaal inLondengeproefd had; doch de sterkte en smaak der thee vergoedden rijkelijk het gebrekkige van de koffij. De thee dan was bitter van sterkte, zoo dat ik mij genoodzaakt zag, er eene driedubbele hoeveelheid suiker in te doen, om haar te kunnen drinken. Bij de thee gebruikte men brood en boter, koekjes en eenige andere versnaperingen. Ook schonk men mij een tweede kopje in, zonder te vragen, of ik nog meer begeerde? Ik haastte mij dus, deze medicijn spoedig door te slikken, en naauwelijks was mijn kopje ledig, of het werd ten derde male gevuld.

Hier kwam mij een oude manier van regtspleging te binnen, te weten, om den beschuldigden, wien men eene bekentenis wilde ontwringen, eene zekere hoeveelheid water te doen drinken. Daar ik vreesde, tot dezelfde proef veroordeeld te zijn, vroeg ik zachtjes aan mijnen vriendC...,of hij mij geen middel aan de hand kon doen, om mij van dezen zondvloed te redden.

„Zoo lang gij uw lepeltje in het schoteltje laat liggen,”zeide hij,„zal men u niet overslaan, doch leg het in uw kopje, en men zal u niet meer inschenken.” Ik haastte mij derhalve, de eenige plank te grijpen, welke mij van verdrinken kon redden, en waarlijk, zij bragt mij in eene veilige haven: mijn kopje werd, tot hartelijke blijdschap van mijn verhemelte, den geheelen avond niet meer gevuld.

Veel sprak men over de jagt en de staatsbelangen, inderdaad gewigtige en belangrijke onderwerpen voor de vrouwen, welke men geene meerdere opmerking aan de thee-, dan aan de eettafel verwaardigde. Eindelijk werd te elf ure het avondmaal aangekondigd.

Dit was een mengelmoes van oesters, koud vleesch en gebak; en tot mijne groote verwondering, zou ik uit het spoedig verdwijnen van het opgedischte, zoo ik niet van het tegendeelware overtuigd geweest, besloten hebben, dat men noch het middagmaal gehouden, noch, onder het theedrinken, zoo tamelijk gepeuzeld had.

Nu werd er brandewijn, gin, rum, warm water en suiker rondgediend, waarvan ieder, naar welgevallen, eene grootere of kleinere hoeveelheid nam, en die zelf, naar zijnen zin, gereed maakte. Eindelijk scheidden wij des nachts te een ure, allen een weinigje aangezet, en den slaap ten hoogste benoodigd.

Wacht u echter wel, lezers! het woordjeallenook op de vrouwen toe te passen. Dezen zijn inEngeland, in het algemeen, ja bijna geene uitgezonderd, van eene bewonderenswaardige matigheid met opzigt tot den wijn en de sterke dranken, hetgeen des te vreemder moet voorkomen, wijl het vochtlievend voorbeeld der mannen haar ligtelijk smaak in deze voorwerpen zou kunnen doen krijgen. De Fransche schrijver, die in het jaar achttien honderd en vijftien door de drukpers het publiek heeft verteld, dat de Engelsche dames zich, even als hare mannen, dagelijks in den drank te buiten gaan, heeft haar opzettelijk en met voordacht gelasterd, of wel, heeft, gedurende zijn verblijf, geene andere verkeering gehad, dan met zulke dames, die bij avond en des nachts in den omtrek der kerk vanSint-Gilleshaar fortuin zoeken.

Men verhaalt, dat eene, geenszins aan dit gebrek verslaafde, dame op zekeren avond bij toeval meer gedronken had, dan zij verdragen kon, en zoodanig beschonken was, dat men haar in bed moest dragen. Den anderen morgen maakte haar echtgenoot, geheel in het zwart gekleed, haar zijne opwachting.—Goede hemel! riep zij uit, mijn vriend! geen onzer bloedverwanten was immers ziek, zoo ver ik weet; over wien rouwt gij?—„Over uwe eer, mevrouw! die gij gisteren avond bevlekt, en mogelijk voor altijd verloren hebt!” antwoordde hij. Nu zwoer deze dame plegtig, nimmer weder wijn of sterken drank te zullen gebruiken; en men verzekert, dat zij haar woord nooit verbroken heeft.


Back to IndexNext