XXXII.Het afscheid.Reeds des morgens te negen ure had ik het genoegen, den heerCroquisbij mij te zien. Zijne oogen fonkelden van blijdschap; de tevredenheid, welke hij slechts sinds vierentwintig uren had mogen smaken, scheen reeds eenige rimpels van zijn voorhoofd gevaagd en zijne verslapte wangen eene nieuwe veerkracht gegeven te hebben. Zijne kleeding was nog dezelfde, met dit onderscheid, dat hij over zijn oud kleed eenen nog bijna nieuwen overrok had aangetrokken: ook meende ik aan de dikte van zijne beenen te kunnen bemerken, dat onder zijne slopkousen een paar goede wollen kousen huisvestten. Zeker had hij den vorigen dag deze koopjes gedaan voor een klein gedeelte der vierhonderdfranken, welke hij zoo juist van pas van zijnen broeder ontvangen had.„En waar is uw goed?” vroeg ik hem.„Och!”antwoordde hij glimlachende,„ik ben in hetzelfde geval als de Grieksche wijsgeer:omnia mea porto mecum; en ik kan gerust metDon Japhet van Armeniezeggen:„Mijn have en al mijn goed, gebonden in een pak,Berg ik in eene kous, en steek die in mijn’ zak.”Nu kwam mijn vriendC...insgelijks; en wij begonnen te ontbijten.„Komaan!”zeide ik schertsende tegenCroquis, en bood hem een kop thee aan,„laat ons den afscheidswijn niet sparen!”„Een lekker wijntje!”hernam hij:„ach, was ik slechts teCalais, om uit grond van mijn hart te kunnen zingen:Triste boisson, j’abjure ton empire!Neen, zoo lang ik leef, wil ik geen thee, noch bier meer aanzien, en veel minder gebruiken.—„Wat spijt het mij,”zeide mijn vriendC...,„u in deze oogenblikken te zien vertrekken; gij verlaatLondenjuist op het tijdstip, waarin het al zijnen luister ten toon gaat spreiden. Binnen veertien dagen zal alles van buiten weder in de stad zijn.”„InParijsis men reeds terug!”zeideCroquis.—„De wandeling inHijde-ParkenKensingtons-Tuinenzal veel aangenamer zijn, en gij zult er oneindig meer gezelschap aantreffen, dan den laatsten zondag.”„DeTuilerieszullen u schadeloos stellen!”zeideCroquis.—„Gij zoudt de tentoonstellingen der werken en schilderstukken van de voornaamste nog levende Engelsche meesters hebben kunnen bijwonen, welke jaarlijks inFebruarijplaats heeft.”„InParijszult gij,”zeideCroquis,„de meesterstukken van eenenDavid,Regnault,GuerinenGirodetzien; deze toch kunnen tegen de Engelsche wel opwegen. DatLondenons eens dergelijke namen oplevere!”—„Gij hadt onzeOperakunnen bijwonen, die spoedig zal beginnen, en gij zoudt onze danseressen bewonderd.....”„Maar niet aangetroffen hebben,”zeideCroquis,„eeneGardel, eeneBigottini, eeneClotilde, eeneGosselin.”„Gij hadt onzeConcerten, onze gemaskerde bals kunnen bezoeken.”„Dat is ook waar,”zeideCroquis,„even als of het u teParijsdaaraan zal ontbreken! Lieve hemel! dit is bij ons immers dagelijksch brood.”—„Op Drie-Koningen zoudt gij onze banketbakkerswinkels verlicht en met eene ontelbare menigte en verscheidenheid van allerlei gebak en lekkernijen van onderscheidene kleuren en gedaanten gestoffeerd gevonden hebben.”„DeLombardstraatteParijs,”zeideCroquis,„en hetPalais-Roijalzullen u dit gemis vergoeden.”„Den drie en twintigstenJanuarijzoudt gij den optogt der regters gezien hebben, die, na alvorens bij denLord-Kanselierhet ontbijt genomen te hebben, hunne zittingen inWestmunstergaan openen.”„Gij hebt deRoode-MisteParijsgezien,”zeideCroquis,„dat is wat anders te zeggen!”—„Hoe veel opmerkenswaardigs is er niet nog teLonden, dat gij niet eens den tijd hebt gehad om te kunnen beschouwen! Gij zijt in geene van onze kleine schouwburgen geweest!”„Gij zult,”zeideCroquis,„onzemelodramesop deBoulevardzien vertoonen, alvorens zij den verbazendsten toevloed in de groote schouwburgen teLondentot zich trekken.”„Gij hebt het beroemde hospitaal voor oude en zieke zeelieden, teGreenwichgesticht, nog niet gezien.”„Gij zult u gaarne met dat van deInvalidesteParijsvergenoegen!”zeideCroquis.„Het voortreffelijkeObservatorium, dat daar is aangelegd, en waar gij de uitmuntendstecamera obscuravindt, welke in eenig land aanwezig is.”„Maar die dermateobscurof verdonkerd is,”zeideCroquis,„dat men dezelve niet kan genaken zonder een bijzonder verlof van den eersten sterrekundigen, die met het oppertoevoorzigt is belast, en tot welks verkrijging men schier hemel en aarde moet bewegen. Daarover kunt gij u derhalve troosten met hetObservatoriumteParijs, en decamera obscuraop dePont-Neuf.„Gij hebt onze harddraverijen, hanengevechten en vossenjagten nog met bijgewoond; gij zijt nog niet op eene van onze fraaije buitenplaatsen geweest; in een woord, een vierde gedeelte der merkwaardigheden, welke deze schoone stad bevat, is u nog onbekend.”„Gij hebt dertig jaren teParijsdoorgebragt,”zeideCroquis;„neem nu slechts de moeite, om alles, wat gij hier nog niet gezien hebt, daar te bezigtigen, en ik verzeker u, dat gij er vrij meer voorwerpen zult vinden uwer opmerking dubbel waardig, dan geheelLondenu zou kunnen opleveren.”„Hoe vele bijzondere gewoonten, hoe vele gebruiken van de onze verschillende, hoe velegeestige trekken, waarin het Engelsche karakter doorstraalt, blijven u nog ter opmerking over!”„Ik zal terugkomen,”zeide ik,„ik zal zeker terugkomen; dit laatste artikel wekt mijne nieuwsgierigheid op; en wel veel meer, dan al het overige.”„Zie toch eens, hoe laat het is!”zeideCroquismet eene soort van angstige bekommernis;„ik ben in duizend vreezen, dat de wagen zonder ons vertrekt. Hoe onaangenaam, zou het niet zijn, het geld te verliezen, dat wij reeds vooruit betaald hebben, en verpligt te zijn, om ons hier nog een of twee dagen op te houden!”Ik zag, dat het inderdaad tijd was, om op te breken; ik deed derhalve eene huurkoets komen; wij plaatsten ons in dezelve, en lieten ons aan den postwagen brengen, die juist gereed stond, om af te rijden.Croquisvloog met dezelfde drift in den wagen, als ik eens een jong mensch in deTuileriesin het schuitje van den luchtbol zag stappen, waarmede hij voor de eerste maal die gevaarlijke reis zou ondernemen.Ik zeide mijnen vriendC...hartelijk vaarwel, en herhaalde hem mijne welgemeende dankbetuiging voor al de aan mij bewezene beleefdheden. De voerman van onzen wagenblies lustig op zijnen posthoren, met welk aangenaam geluid hij onze ooren streelde, zoo lang wij door de stad reden. Deze horen zou tot een goed tegenstuk kunnen dienen voor den zweep, waarmede onze voerlieden gewoon zijn den ganschen weg langs te klappen.Eindelijk, lieve lezer! de wagen rolt voort; wij zijn op weg, en hiermede eindigen mijneeerste Vijftien Dagen te Londen.—De hemel spare u en mij, dat er nog een tweede reisje door mij kan beschreven, en door u gelezen worden!EINDE.
XXXII.Het afscheid.Reeds des morgens te negen ure had ik het genoegen, den heerCroquisbij mij te zien. Zijne oogen fonkelden van blijdschap; de tevredenheid, welke hij slechts sinds vierentwintig uren had mogen smaken, scheen reeds eenige rimpels van zijn voorhoofd gevaagd en zijne verslapte wangen eene nieuwe veerkracht gegeven te hebben. Zijne kleeding was nog dezelfde, met dit onderscheid, dat hij over zijn oud kleed eenen nog bijna nieuwen overrok had aangetrokken: ook meende ik aan de dikte van zijne beenen te kunnen bemerken, dat onder zijne slopkousen een paar goede wollen kousen huisvestten. Zeker had hij den vorigen dag deze koopjes gedaan voor een klein gedeelte der vierhonderdfranken, welke hij zoo juist van pas van zijnen broeder ontvangen had.„En waar is uw goed?” vroeg ik hem.„Och!”antwoordde hij glimlachende,„ik ben in hetzelfde geval als de Grieksche wijsgeer:omnia mea porto mecum; en ik kan gerust metDon Japhet van Armeniezeggen:„Mijn have en al mijn goed, gebonden in een pak,Berg ik in eene kous, en steek die in mijn’ zak.”Nu kwam mijn vriendC...insgelijks; en wij begonnen te ontbijten.„Komaan!”zeide ik schertsende tegenCroquis, en bood hem een kop thee aan,„laat ons den afscheidswijn niet sparen!”„Een lekker wijntje!”hernam hij:„ach, was ik slechts teCalais, om uit grond van mijn hart te kunnen zingen:Triste boisson, j’abjure ton empire!Neen, zoo lang ik leef, wil ik geen thee, noch bier meer aanzien, en veel minder gebruiken.—„Wat spijt het mij,”zeide mijn vriendC...,„u in deze oogenblikken te zien vertrekken; gij verlaatLondenjuist op het tijdstip, waarin het al zijnen luister ten toon gaat spreiden. Binnen veertien dagen zal alles van buiten weder in de stad zijn.”„InParijsis men reeds terug!”zeideCroquis.—„De wandeling inHijde-ParkenKensingtons-Tuinenzal veel aangenamer zijn, en gij zult er oneindig meer gezelschap aantreffen, dan den laatsten zondag.”„DeTuilerieszullen u schadeloos stellen!”zeideCroquis.—„Gij zoudt de tentoonstellingen der werken en schilderstukken van de voornaamste nog levende Engelsche meesters hebben kunnen bijwonen, welke jaarlijks inFebruarijplaats heeft.”„InParijszult gij,”zeideCroquis,„de meesterstukken van eenenDavid,Regnault,GuerinenGirodetzien; deze toch kunnen tegen de Engelsche wel opwegen. DatLondenons eens dergelijke namen oplevere!”—„Gij hadt onzeOperakunnen bijwonen, die spoedig zal beginnen, en gij zoudt onze danseressen bewonderd.....”„Maar niet aangetroffen hebben,”zeideCroquis,„eeneGardel, eeneBigottini, eeneClotilde, eeneGosselin.”„Gij hadt onzeConcerten, onze gemaskerde bals kunnen bezoeken.”„Dat is ook waar,”zeideCroquis,„even als of het u teParijsdaaraan zal ontbreken! Lieve hemel! dit is bij ons immers dagelijksch brood.”—„Op Drie-Koningen zoudt gij onze banketbakkerswinkels verlicht en met eene ontelbare menigte en verscheidenheid van allerlei gebak en lekkernijen van onderscheidene kleuren en gedaanten gestoffeerd gevonden hebben.”„DeLombardstraatteParijs,”zeideCroquis,„en hetPalais-Roijalzullen u dit gemis vergoeden.”„Den drie en twintigstenJanuarijzoudt gij den optogt der regters gezien hebben, die, na alvorens bij denLord-Kanselierhet ontbijt genomen te hebben, hunne zittingen inWestmunstergaan openen.”„Gij hebt deRoode-MisteParijsgezien,”zeideCroquis,„dat is wat anders te zeggen!”—„Hoe veel opmerkenswaardigs is er niet nog teLonden, dat gij niet eens den tijd hebt gehad om te kunnen beschouwen! Gij zijt in geene van onze kleine schouwburgen geweest!”„Gij zult,”zeideCroquis,„onzemelodramesop deBoulevardzien vertoonen, alvorens zij den verbazendsten toevloed in de groote schouwburgen teLondentot zich trekken.”„Gij hebt het beroemde hospitaal voor oude en zieke zeelieden, teGreenwichgesticht, nog niet gezien.”„Gij zult u gaarne met dat van deInvalidesteParijsvergenoegen!”zeideCroquis.„Het voortreffelijkeObservatorium, dat daar is aangelegd, en waar gij de uitmuntendstecamera obscuravindt, welke in eenig land aanwezig is.”„Maar die dermateobscurof verdonkerd is,”zeideCroquis,„dat men dezelve niet kan genaken zonder een bijzonder verlof van den eersten sterrekundigen, die met het oppertoevoorzigt is belast, en tot welks verkrijging men schier hemel en aarde moet bewegen. Daarover kunt gij u derhalve troosten met hetObservatoriumteParijs, en decamera obscuraop dePont-Neuf.„Gij hebt onze harddraverijen, hanengevechten en vossenjagten nog met bijgewoond; gij zijt nog niet op eene van onze fraaije buitenplaatsen geweest; in een woord, een vierde gedeelte der merkwaardigheden, welke deze schoone stad bevat, is u nog onbekend.”„Gij hebt dertig jaren teParijsdoorgebragt,”zeideCroquis;„neem nu slechts de moeite, om alles, wat gij hier nog niet gezien hebt, daar te bezigtigen, en ik verzeker u, dat gij er vrij meer voorwerpen zult vinden uwer opmerking dubbel waardig, dan geheelLondenu zou kunnen opleveren.”„Hoe vele bijzondere gewoonten, hoe vele gebruiken van de onze verschillende, hoe velegeestige trekken, waarin het Engelsche karakter doorstraalt, blijven u nog ter opmerking over!”„Ik zal terugkomen,”zeide ik,„ik zal zeker terugkomen; dit laatste artikel wekt mijne nieuwsgierigheid op; en wel veel meer, dan al het overige.”„Zie toch eens, hoe laat het is!”zeideCroquismet eene soort van angstige bekommernis;„ik ben in duizend vreezen, dat de wagen zonder ons vertrekt. Hoe onaangenaam, zou het niet zijn, het geld te verliezen, dat wij reeds vooruit betaald hebben, en verpligt te zijn, om ons hier nog een of twee dagen op te houden!”Ik zag, dat het inderdaad tijd was, om op te breken; ik deed derhalve eene huurkoets komen; wij plaatsten ons in dezelve, en lieten ons aan den postwagen brengen, die juist gereed stond, om af te rijden.Croquisvloog met dezelfde drift in den wagen, als ik eens een jong mensch in deTuileriesin het schuitje van den luchtbol zag stappen, waarmede hij voor de eerste maal die gevaarlijke reis zou ondernemen.Ik zeide mijnen vriendC...hartelijk vaarwel, en herhaalde hem mijne welgemeende dankbetuiging voor al de aan mij bewezene beleefdheden. De voerman van onzen wagenblies lustig op zijnen posthoren, met welk aangenaam geluid hij onze ooren streelde, zoo lang wij door de stad reden. Deze horen zou tot een goed tegenstuk kunnen dienen voor den zweep, waarmede onze voerlieden gewoon zijn den ganschen weg langs te klappen.Eindelijk, lieve lezer! de wagen rolt voort; wij zijn op weg, en hiermede eindigen mijneeerste Vijftien Dagen te Londen.—De hemel spare u en mij, dat er nog een tweede reisje door mij kan beschreven, en door u gelezen worden!EINDE.
XXXII.Het afscheid.
Reeds des morgens te negen ure had ik het genoegen, den heerCroquisbij mij te zien. Zijne oogen fonkelden van blijdschap; de tevredenheid, welke hij slechts sinds vierentwintig uren had mogen smaken, scheen reeds eenige rimpels van zijn voorhoofd gevaagd en zijne verslapte wangen eene nieuwe veerkracht gegeven te hebben. Zijne kleeding was nog dezelfde, met dit onderscheid, dat hij over zijn oud kleed eenen nog bijna nieuwen overrok had aangetrokken: ook meende ik aan de dikte van zijne beenen te kunnen bemerken, dat onder zijne slopkousen een paar goede wollen kousen huisvestten. Zeker had hij den vorigen dag deze koopjes gedaan voor een klein gedeelte der vierhonderdfranken, welke hij zoo juist van pas van zijnen broeder ontvangen had.„En waar is uw goed?” vroeg ik hem.„Och!”antwoordde hij glimlachende,„ik ben in hetzelfde geval als de Grieksche wijsgeer:omnia mea porto mecum; en ik kan gerust metDon Japhet van Armeniezeggen:„Mijn have en al mijn goed, gebonden in een pak,Berg ik in eene kous, en steek die in mijn’ zak.”Nu kwam mijn vriendC...insgelijks; en wij begonnen te ontbijten.„Komaan!”zeide ik schertsende tegenCroquis, en bood hem een kop thee aan,„laat ons den afscheidswijn niet sparen!”„Een lekker wijntje!”hernam hij:„ach, was ik slechts teCalais, om uit grond van mijn hart te kunnen zingen:Triste boisson, j’abjure ton empire!Neen, zoo lang ik leef, wil ik geen thee, noch bier meer aanzien, en veel minder gebruiken.—„Wat spijt het mij,”zeide mijn vriendC...,„u in deze oogenblikken te zien vertrekken; gij verlaatLondenjuist op het tijdstip, waarin het al zijnen luister ten toon gaat spreiden. Binnen veertien dagen zal alles van buiten weder in de stad zijn.”„InParijsis men reeds terug!”zeideCroquis.—„De wandeling inHijde-ParkenKensingtons-Tuinenzal veel aangenamer zijn, en gij zult er oneindig meer gezelschap aantreffen, dan den laatsten zondag.”„DeTuilerieszullen u schadeloos stellen!”zeideCroquis.—„Gij zoudt de tentoonstellingen der werken en schilderstukken van de voornaamste nog levende Engelsche meesters hebben kunnen bijwonen, welke jaarlijks inFebruarijplaats heeft.”„InParijszult gij,”zeideCroquis,„de meesterstukken van eenenDavid,Regnault,GuerinenGirodetzien; deze toch kunnen tegen de Engelsche wel opwegen. DatLondenons eens dergelijke namen oplevere!”—„Gij hadt onzeOperakunnen bijwonen, die spoedig zal beginnen, en gij zoudt onze danseressen bewonderd.....”„Maar niet aangetroffen hebben,”zeideCroquis,„eeneGardel, eeneBigottini, eeneClotilde, eeneGosselin.”„Gij hadt onzeConcerten, onze gemaskerde bals kunnen bezoeken.”„Dat is ook waar,”zeideCroquis,„even als of het u teParijsdaaraan zal ontbreken! Lieve hemel! dit is bij ons immers dagelijksch brood.”—„Op Drie-Koningen zoudt gij onze banketbakkerswinkels verlicht en met eene ontelbare menigte en verscheidenheid van allerlei gebak en lekkernijen van onderscheidene kleuren en gedaanten gestoffeerd gevonden hebben.”„DeLombardstraatteParijs,”zeideCroquis,„en hetPalais-Roijalzullen u dit gemis vergoeden.”„Den drie en twintigstenJanuarijzoudt gij den optogt der regters gezien hebben, die, na alvorens bij denLord-Kanselierhet ontbijt genomen te hebben, hunne zittingen inWestmunstergaan openen.”„Gij hebt deRoode-MisteParijsgezien,”zeideCroquis,„dat is wat anders te zeggen!”—„Hoe veel opmerkenswaardigs is er niet nog teLonden, dat gij niet eens den tijd hebt gehad om te kunnen beschouwen! Gij zijt in geene van onze kleine schouwburgen geweest!”„Gij zult,”zeideCroquis,„onzemelodramesop deBoulevardzien vertoonen, alvorens zij den verbazendsten toevloed in de groote schouwburgen teLondentot zich trekken.”„Gij hebt het beroemde hospitaal voor oude en zieke zeelieden, teGreenwichgesticht, nog niet gezien.”„Gij zult u gaarne met dat van deInvalidesteParijsvergenoegen!”zeideCroquis.„Het voortreffelijkeObservatorium, dat daar is aangelegd, en waar gij de uitmuntendstecamera obscuravindt, welke in eenig land aanwezig is.”„Maar die dermateobscurof verdonkerd is,”zeideCroquis,„dat men dezelve niet kan genaken zonder een bijzonder verlof van den eersten sterrekundigen, die met het oppertoevoorzigt is belast, en tot welks verkrijging men schier hemel en aarde moet bewegen. Daarover kunt gij u derhalve troosten met hetObservatoriumteParijs, en decamera obscuraop dePont-Neuf.„Gij hebt onze harddraverijen, hanengevechten en vossenjagten nog met bijgewoond; gij zijt nog niet op eene van onze fraaije buitenplaatsen geweest; in een woord, een vierde gedeelte der merkwaardigheden, welke deze schoone stad bevat, is u nog onbekend.”„Gij hebt dertig jaren teParijsdoorgebragt,”zeideCroquis;„neem nu slechts de moeite, om alles, wat gij hier nog niet gezien hebt, daar te bezigtigen, en ik verzeker u, dat gij er vrij meer voorwerpen zult vinden uwer opmerking dubbel waardig, dan geheelLondenu zou kunnen opleveren.”„Hoe vele bijzondere gewoonten, hoe vele gebruiken van de onze verschillende, hoe velegeestige trekken, waarin het Engelsche karakter doorstraalt, blijven u nog ter opmerking over!”„Ik zal terugkomen,”zeide ik,„ik zal zeker terugkomen; dit laatste artikel wekt mijne nieuwsgierigheid op; en wel veel meer, dan al het overige.”„Zie toch eens, hoe laat het is!”zeideCroquismet eene soort van angstige bekommernis;„ik ben in duizend vreezen, dat de wagen zonder ons vertrekt. Hoe onaangenaam, zou het niet zijn, het geld te verliezen, dat wij reeds vooruit betaald hebben, en verpligt te zijn, om ons hier nog een of twee dagen op te houden!”Ik zag, dat het inderdaad tijd was, om op te breken; ik deed derhalve eene huurkoets komen; wij plaatsten ons in dezelve, en lieten ons aan den postwagen brengen, die juist gereed stond, om af te rijden.Croquisvloog met dezelfde drift in den wagen, als ik eens een jong mensch in deTuileriesin het schuitje van den luchtbol zag stappen, waarmede hij voor de eerste maal die gevaarlijke reis zou ondernemen.Ik zeide mijnen vriendC...hartelijk vaarwel, en herhaalde hem mijne welgemeende dankbetuiging voor al de aan mij bewezene beleefdheden. De voerman van onzen wagenblies lustig op zijnen posthoren, met welk aangenaam geluid hij onze ooren streelde, zoo lang wij door de stad reden. Deze horen zou tot een goed tegenstuk kunnen dienen voor den zweep, waarmede onze voerlieden gewoon zijn den ganschen weg langs te klappen.Eindelijk, lieve lezer! de wagen rolt voort; wij zijn op weg, en hiermede eindigen mijneeerste Vijftien Dagen te Londen.—De hemel spare u en mij, dat er nog een tweede reisje door mij kan beschreven, en door u gelezen worden!EINDE.
Reeds des morgens te negen ure had ik het genoegen, den heerCroquisbij mij te zien. Zijne oogen fonkelden van blijdschap; de tevredenheid, welke hij slechts sinds vierentwintig uren had mogen smaken, scheen reeds eenige rimpels van zijn voorhoofd gevaagd en zijne verslapte wangen eene nieuwe veerkracht gegeven te hebben. Zijne kleeding was nog dezelfde, met dit onderscheid, dat hij over zijn oud kleed eenen nog bijna nieuwen overrok had aangetrokken: ook meende ik aan de dikte van zijne beenen te kunnen bemerken, dat onder zijne slopkousen een paar goede wollen kousen huisvestten. Zeker had hij den vorigen dag deze koopjes gedaan voor een klein gedeelte der vierhonderdfranken, welke hij zoo juist van pas van zijnen broeder ontvangen had.
„En waar is uw goed?” vroeg ik hem.
„Och!”antwoordde hij glimlachende,„ik ben in hetzelfde geval als de Grieksche wijsgeer:omnia mea porto mecum; en ik kan gerust metDon Japhet van Armeniezeggen:
„Mijn have en al mijn goed, gebonden in een pak,Berg ik in eene kous, en steek die in mijn’ zak.”
„Mijn have en al mijn goed, gebonden in een pak,
Berg ik in eene kous, en steek die in mijn’ zak.”
Nu kwam mijn vriendC...insgelijks; en wij begonnen te ontbijten.
„Komaan!”zeide ik schertsende tegenCroquis, en bood hem een kop thee aan,„laat ons den afscheidswijn niet sparen!”
„Een lekker wijntje!”hernam hij:„ach, was ik slechts teCalais, om uit grond van mijn hart te kunnen zingen:
Triste boisson, j’abjure ton empire!
Triste boisson, j’abjure ton empire!
Neen, zoo lang ik leef, wil ik geen thee, noch bier meer aanzien, en veel minder gebruiken.
—„Wat spijt het mij,”zeide mijn vriendC...,„u in deze oogenblikken te zien vertrekken; gij verlaatLondenjuist op het tijdstip, waarin het al zijnen luister ten toon gaat spreiden. Binnen veertien dagen zal alles van buiten weder in de stad zijn.”
„InParijsis men reeds terug!”zeideCroquis.
—„De wandeling inHijde-ParkenKensingtons-Tuinenzal veel aangenamer zijn, en gij zult er oneindig meer gezelschap aantreffen, dan den laatsten zondag.”
„DeTuilerieszullen u schadeloos stellen!”zeideCroquis.
—„Gij zoudt de tentoonstellingen der werken en schilderstukken van de voornaamste nog levende Engelsche meesters hebben kunnen bijwonen, welke jaarlijks inFebruarijplaats heeft.”
„InParijszult gij,”zeideCroquis,„de meesterstukken van eenenDavid,Regnault,GuerinenGirodetzien; deze toch kunnen tegen de Engelsche wel opwegen. DatLondenons eens dergelijke namen oplevere!”
—„Gij hadt onzeOperakunnen bijwonen, die spoedig zal beginnen, en gij zoudt onze danseressen bewonderd.....”
„Maar niet aangetroffen hebben,”zeideCroquis,„eeneGardel, eeneBigottini, eeneClotilde, eeneGosselin.”
„Gij hadt onzeConcerten, onze gemaskerde bals kunnen bezoeken.”
„Dat is ook waar,”zeideCroquis,„even als of het u teParijsdaaraan zal ontbreken! Lieve hemel! dit is bij ons immers dagelijksch brood.”
—„Op Drie-Koningen zoudt gij onze banketbakkerswinkels verlicht en met eene ontelbare menigte en verscheidenheid van allerlei gebak en lekkernijen van onderscheidene kleuren en gedaanten gestoffeerd gevonden hebben.”
„DeLombardstraatteParijs,”zeideCroquis,„en hetPalais-Roijalzullen u dit gemis vergoeden.”
„Den drie en twintigstenJanuarijzoudt gij den optogt der regters gezien hebben, die, na alvorens bij denLord-Kanselierhet ontbijt genomen te hebben, hunne zittingen inWestmunstergaan openen.”
„Gij hebt deRoode-MisteParijsgezien,”zeideCroquis,„dat is wat anders te zeggen!”
—„Hoe veel opmerkenswaardigs is er niet nog teLonden, dat gij niet eens den tijd hebt gehad om te kunnen beschouwen! Gij zijt in geene van onze kleine schouwburgen geweest!”
„Gij zult,”zeideCroquis,„onzemelodramesop deBoulevardzien vertoonen, alvorens zij den verbazendsten toevloed in de groote schouwburgen teLondentot zich trekken.”
„Gij hebt het beroemde hospitaal voor oude en zieke zeelieden, teGreenwichgesticht, nog niet gezien.”
„Gij zult u gaarne met dat van deInvalidesteParijsvergenoegen!”zeideCroquis.
„Het voortreffelijkeObservatorium, dat daar is aangelegd, en waar gij de uitmuntendstecamera obscuravindt, welke in eenig land aanwezig is.”
„Maar die dermateobscurof verdonkerd is,”zeideCroquis,„dat men dezelve niet kan genaken zonder een bijzonder verlof van den eersten sterrekundigen, die met het oppertoevoorzigt is belast, en tot welks verkrijging men schier hemel en aarde moet bewegen. Daarover kunt gij u derhalve troosten met hetObservatoriumteParijs, en decamera obscuraop dePont-Neuf.
„Gij hebt onze harddraverijen, hanengevechten en vossenjagten nog met bijgewoond; gij zijt nog niet op eene van onze fraaije buitenplaatsen geweest; in een woord, een vierde gedeelte der merkwaardigheden, welke deze schoone stad bevat, is u nog onbekend.”
„Gij hebt dertig jaren teParijsdoorgebragt,”zeideCroquis;„neem nu slechts de moeite, om alles, wat gij hier nog niet gezien hebt, daar te bezigtigen, en ik verzeker u, dat gij er vrij meer voorwerpen zult vinden uwer opmerking dubbel waardig, dan geheelLondenu zou kunnen opleveren.”
„Hoe vele bijzondere gewoonten, hoe vele gebruiken van de onze verschillende, hoe velegeestige trekken, waarin het Engelsche karakter doorstraalt, blijven u nog ter opmerking over!”
„Ik zal terugkomen,”zeide ik,„ik zal zeker terugkomen; dit laatste artikel wekt mijne nieuwsgierigheid op; en wel veel meer, dan al het overige.”
„Zie toch eens, hoe laat het is!”zeideCroquismet eene soort van angstige bekommernis;„ik ben in duizend vreezen, dat de wagen zonder ons vertrekt. Hoe onaangenaam, zou het niet zijn, het geld te verliezen, dat wij reeds vooruit betaald hebben, en verpligt te zijn, om ons hier nog een of twee dagen op te houden!”
Ik zag, dat het inderdaad tijd was, om op te breken; ik deed derhalve eene huurkoets komen; wij plaatsten ons in dezelve, en lieten ons aan den postwagen brengen, die juist gereed stond, om af te rijden.
Croquisvloog met dezelfde drift in den wagen, als ik eens een jong mensch in deTuileriesin het schuitje van den luchtbol zag stappen, waarmede hij voor de eerste maal die gevaarlijke reis zou ondernemen.
Ik zeide mijnen vriendC...hartelijk vaarwel, en herhaalde hem mijne welgemeende dankbetuiging voor al de aan mij bewezene beleefdheden. De voerman van onzen wagenblies lustig op zijnen posthoren, met welk aangenaam geluid hij onze ooren streelde, zoo lang wij door de stad reden. Deze horen zou tot een goed tegenstuk kunnen dienen voor den zweep, waarmede onze voerlieden gewoon zijn den ganschen weg langs te klappen.
Eindelijk, lieve lezer! de wagen rolt voort; wij zijn op weg, en hiermede eindigen mijneeerste Vijftien Dagen te Londen.—De hemel spare u en mij, dat er nog een tweede reisje door mij kan beschreven, en door u gelezen worden!
EINDE.