Bibliographie

Men begrijpe goed den zin dezer gegronde opmerkingen; de vreemde gezant veroordeelt Willem's regeeringstelsel niet om zijne veranderingen, hij is geenszins een voorstander van het koppig vasthouden der slechte besluiten; maar hij laakt het verkeerde beleid van den Vorst die altijd in der haast, zonder voorafgaandelijke inlichtingen, zonder voldoende kennis der toestanden, verordeningen uitschreef die alras, zoo niet onbillijk, dan toch onvoorzichtig bleken te zijn.

Alhoewel klaarziende opmerkers, zooals Thorbecke, in dien tijd hoogleeraar te Gent, alsdan reeds eene scheuring voorzagen, leefde het opperbestuur te midden van de gisting der gemoederen in een vast zelfvertrouwen, in een bewustelooze zekerheid. Uitgaande van den geest der Hollandsche bevolking die elke andere drijfveer op den achtergrond schoof en zich alleen gevoelig betoonde voor de œconomische belangen, dacht de regeering dat het voldoende was grooten bloei en welstand aan de Zuidelijke provinciën te verzekeren, om hunne genegenheid te verwerven. Dit denkbeeld versterkte zich bij den Koning, na de opening in Juli 1830 van de Nationale Tentoonstelling te Brussel, die, overigens een welverdienden bijval genoot. De vooruitgang van nijverheid, wetenschap en kunsten, waarvan zij getuigenis aflegde scheen hem een verheerlijking van zijn bestuur; de stoffelijke voorspoed van het koninkrijk bleek hem een waarborg voor de openbare rust.

En inderdaad, op dat oogenblik, dacht niemand noch aan scheiding, noch aan omwenteling. De latere getuigenissen van de hoofdleiders van de beweging, L. de Potter, J.-B. Nothomb, baron de Gerlache, stemmen daaromtrent eenparig met de toenmalige verslagen van de gezanten overeen. De oppositie bleef steeds binnen de palen der wettelijkheid, toen eensklaps de gebeurtenissen in het naburige Frankrijk, die toenmaals veel meer dan nu zulke hevige weerkaatsing op de Belgische aangelegenheden uitoefenden, het koninkrijk der Nederlanden, dat heerlijk gebouw door de Mogendheden in 1814 opgericht, op zijn grondvesten deden beven en met geweld instorten.

a)Officieele akten: J. J. F. Noordziek,Verslag der handelingen van de Staten Generaal, 's Gravenhage, 1862, vlgde;Nederlandsche Staatscourant, sedert 1814; — b)Dagbladen:Le Courrier des Pays-Bas(Gent, sedert 1821, liberaal);Mathieu Laensberg(Luik, 1824) laterLe Politique(1829, liberaal);Le Belge(Brussel, 1826, gematigd liberaal);Le Journal de Gand(Gent, 1815, liberaal);Le Courrier de la Meuse(Luik, 1820, katholiek);Le Catholique des Pays-Bas(Gent, 1826);De Vaderlander(Gent, 1829, katholiek). —De Nederlandsche Gedachten('s Gravenhage, 1829) enLe National(Brussel, 1829), organen der regeering. Vgl. W. P. Santijn Kluit,Dagbladvervolgingen in België('s Gravenhage, 1892). — c)Vlugschriften: De 126 voornaamste zijn opgesomd bij Pater Delplace,La Belgique sous Guillaume I(Leuven, 1899), blz. 221-224. — d)Brieven: A. R. Falck,Brieven('s Gravenhage, 1861) enAmbtsbrieven('s Gravenhage, 1878);Catalogue des lettres autographes formant les archives de M. C. F. van Maanen('s Gravenhage, 1900). — e)Gedenkschriften: J. Lebeau,Souvenirs personnels et Correspondance diplomatique(Brussel, 1883); J. J. Raepsaet,Journal de la Commission chargée d'élaborer la Loi Fondamentale, inŒuvres Complètes, dl. VI (Gent, 1838). — L. de Potter,Souvenirs personnels, 2 dln. (Brussel, 1839); H. de Mérode-Westerloo,Souvenirs(Brussel, 1864). — f)Gelijktijdige werken: J. B. Nothomb,Essai historique et politique sur la Révolution beige(Brussel, 1833) en BonC. de Gerlache,Histoire du Royaume des Pays-Bas(Brussel, 1839); beide werken, opgesteld door twee hoofdleiders der katholieke partij tegen de regeering van Willem I, zijn eerder twee verdedigings- of ophemelingsschriften hunner schrijvers en dus zeer partijdig — Bonde Mortemart-Boisse,Le Royaume des Pays-Bas(Parijs, 1836); A. Quetelet,Recherches statistiques sur le Royaume des Pays-Bas(Brussel, 1829); A. J. L. Van den Bogaerde van Ten Brugge,Essai sur l'importance du commerce, de la navigation et de l'industrie dans les Pays-Bas(Brussel, 1844). — g)Moderne geschiedkundige werken: L. Hymans,.Histoire politique et parlementaire de la Belgique de 1814 à 1830, dl. I tot 1815 alleen verschenen (Brussel, 1869). — P. Poullet,Les premières-années du Rmedes Pays-Bas, 1815-1818 (Revue Générale de Belgique, 1896-97);Rélations inédites sur les débuts de la Révolution belge (Ibid.1897); nog dezelfde,La Sainte Alliance et le Rmedes Pays-Bas (Annales Internat. d'Histoire, Congres de Paris, 1901). — Deken S. Balau,70 ans d'histoire contemporaine de la Belgique, 1815-1884 (Leuven, 1891); Pater Jezuiet L. Delplace,La Belgique sous Guillaume I(Leuven, 1899). — J. de Bosch Kemper,De staatkundige geschiedenis van Nederland tot 1830(Amsterdam, 1868); DrW. J. Nuyens,Geschiedenis van het Nederlandsche volk van 1815 tot op onze dagen. (Amsterdam, 1883 vlgde);. W. H. de Beaufort,De eerste Regeeringsjaren van Koning Willem I('s Gravenhage, 1885); W. J. Knoop,Herinneringen aan de Belgische Omwenteling van 1830('s Gravenhage, 1886); DrTh. C. Colenbrander,De Belgische Omwenteling('s Gravenhage, 1905). Zie verder Bonde Keverberg, Ch. White, Th. Juste, Ch. de Bavay.

DOOR

VICTOR FRIS

«Indien er geen geweldige beweging in Frankrijk ontstaat, schreef de gezant De Mier in het verslag dat we aan het slot van het vorige stuk ontleed hebben, mag men gerust zijn dat dit land hier niet zal verroeren» (21enJuni 1830). Doch toen reeds was Parijs in volle gisting; de reactionnaire minister De Polignac, de Van Maanen van Karel X, die domweg op eene onmogelijke omkeering der openbare meening rekende, had de Kamer ontbonden en nieuwe verkiezingen uitgeschreven; deze echter vermeerderden nog het getal van de afgevaardigden der oppositie. Alsdan, steunende op den bijval en het gezag van het leger dat Algiers juist ingenomen had (6enJuli), dacht zich de Regeering sterk genoeg om een Staatsgreep te plegen: door vier verordeningen werd de Kamer naar huis gezonden, nieuwe verkiezingen bepaald, een kiesstelsel in twee graden ingevoerd en de vrijheid van drukpers afgeschaft (26enJuli). 's Anderendaags brak te Parijs, dank zij die daden van geweld, de Juli-Omwenteling los; koning Karel X vluchtte naar Engeland, zijn neef Louis-Philippe van Orleans werd luitenant-generaal van het Rijk benoemd (31enJuli) en aanvaardde op 't einde der week het koningschap.

Men kan zich ternauwernood voorstellen met welk gejuich de Parijsche opstand gansch Europa door onthaald werd. Al de volken die gebukt gingen onder het juk van hetHeilig Verbond, al de vrijzinnigen die eenigszins onder dwang leden, staarden met vreugdige oogen naar de wereldstad, die zich zoo onverwachts, zoo snel en zoo zeker van een reactionnair bewind bevrijd had. Terstond snelden ballingen, uitwijkelingen en ook liberalen uit den vreemde naar de oevers der Seine, om zich aan de bron der vrijheid te gaan laven.

Geen wonder dan, dat in het nabijgelegen België, waar de gansche dagbladpers, trouwens grootendeels in handen van Fransche opstellers, voortdurend het oog gericht had op Parijs en hare lezers met het nieuws uit Frankrijk voedde, de opstand van Parijs de grootste ongerustheid baarde. Verschillend was de indruk op de beide partijen der Unie: terwijl de Katholieken den val van Karel X, bondgenoot der geestelijkheid, bejammerden, juichten de Liberalen de overwinnaars der Juli-Omwenteling, als de verdedigers der grondwettelijke theorieën, dapper toe; zij wezen zelfs Van Maanen op Polignac's handelwijze als op een voorbeeld en voorspelden hem hetzelfde lot.

Doch er was een derde partij, die tot dan toe zeer gering in aantal en zonder invloed op de massa gebleven was, maar door den buitengewonen aard der omstandigheden plots een onverwacht belang verkreeg. Zij was hoofdzakelijk samengesteld uit gewezen ambtenaren van de Fransche Republiek en van het Keizerrijk, die koning Willem onvoorzichtig in zijne bureaux had opgenomen, uit talrijke Fransche ballingen, meestal Jacobijnen of oud-soldaten van Napoleon, en uit ettelijke Waalsche advocaten. Deze laatsten, aan wier hoofd Alexander Gendebien, een hartstochtelijk vereerder van Frankrijk en een vijand van Holland stond, waren meest allen Franschen door afkomst of door opvoeding. De meesten onder hen waren vroeger leden van de liberale oppositie geweest, maar medegesleept in de Fransche bent door den machtigen redenaar en volksopruier die Gendebien was, namen ze nu deel aan de kuiperijen die de samenzwering begonnen voor te bereiden: zoo de beide Rogiers, Charles en Firmin, te Saint-Quentin geboren; later Ch. De Brouckère en Le Hon. Onder de Klerikalen verborgen de beideDe Mérode's, Frederik, oud-meier van StLuperce bij Chartres, en Felix, pas in Februari uit Frankrijk teruggekeerd, hunne voorliefde voor hun geboorteland niet; en Robiano de Borsbeek, de correspondent der Fransche Jezuïeten alhier, schijnt geld van hen ontvangen te hebben om de regeering te bestrijden.

De voornaamste Fransche uitwijkelingen, op dit oogenblik te Brussel aanwezig, heetten P. Chazal (geboortig van Tarbes, in Zuid-Frankrijk), A.-J. Mellinet (Corbeil-bij-Parijs), Ch. Niellon (Parijs), Burggraaf de Culhat en Ernest Grégoire (Charleville); daarnevens eindelijk de Spanjaard don Juan van Halen. Enkele dezer ballingen waren republikeinschgezind, en Grégoire stond bepaald in betrekking met La Fayette, den bekenden held der groote Fransche Omwenteling van 1789.

Gendebien besloot met de Fransche Clubs overeen te komen, die, niet tevreden met den triomf hunner denkbeelden in Frankrijk, de omwenteling in de naburige landen wilden overbrengen; alsook met die fractie, door generaal Lamarque en Mauguin aangevoerd, welke den Parijschen opstand en de oorlogszucht der menigte wilde gebruiken, om de Fransche grenzen tot aan den Rijn uit te breiden. «Sedert den 2enof 3enAugustus, briefde hij aan De Potter over, heb ik naar Parijs geschreven om te vragen, dat men rechtuit zou verklaren, of men de Rijngrenzen verlangde, en ik waarborgde een volledigen uitslag in geval van aanval». Op hunne beurt vertrokken De Brouckère, Le Hon en De Stassart naar Parijs om er de nieuwe Regeering nopens hare inzichten te polsen, en zij onderhandelden aldaar eveneens met de generaals Lamarque en La Fayette en met den leider der Liberalen, Odilon Barrot, over de inlijving van België bij Frankrijk. Bij hunnen terugkeer vergaderden de Franschgezinden, op aandrang van Gendebien, in de bureaux van denCourrier des Pays-Bas, om te beslissen hoe men uit de Juli-Omwenteling partij zou trekken, en op éene stem na, verklaarden zij zich allen voor de vereeniging met Frankrijk (8enAugustus 1830).

Dienzelfden dag was koning Willem in Brussel aangekomen, en ging den 10enAugustus met prins Frederik en minister van Gobbelschroy de Brusselsche Tentoonstelling bezoeken. Met gejuich, door de bevolking onthaald, werd hij nog in zijne zekerheid gesterkt door de persoonlijke bevestiging van getrouwheid, welke zekere liberale hoofdleiders aan den prins van Oranje gegeven hadden, en niet minder door de gematigde taal welke de voornaamste dagbladen voerden.

Nochtans dachten zekere hooggeplaatste ambtenaren hem te moeten waarschuwen tegen de schijnbare rust die onder de bevolking heerschte. Immers reeds den 21enJuli had Libry-Bagnano den minister Van Maanen ingelicht, dat hij op het spoor was van eene verbintenis tusschen de Jacobijnen van hier en die van Frankrijk; zoodat Gendebien's kuiperijen schijnen uitgelekt te zijn. De voorzichtige Procureur-Generaal Schuermans raadde den koning aan, de Belgen nog op zekere punten toe te geven, en wees er op, hoe hardnekkig zekere kleine pers de populariteit van den prins van Oranje zocht te ondermijnen. De militaire gouverneur van Zuid-Brabant, graaf de Bijlandt, zag zich echter de gevraagde vermeerdering van troepen weigeren. Graaf de Mercy-Argenteau, groot kamerling, bezwoer den Koning nog wat in Brussel te vertoeven, of ten minste, vóor zijn vertrek, het opperbestuur der politie in de hoofdstad te regelen voor 't geval van onlusten. De vorst stelde hem met enkele onbepaalde woorden gerust en vertrok den 12enAugustus naar zijn kasteel van Het Loo in Gelderland; hij beval alleen enkele versterkingstroepen naar Philippeville en Mariembourg te zenden; hij meende dat de snelheid waarmede het bestuur van Louis-Philippe zich gevestigd had, dadelijk de rust in Frankrijk, en bij weerslag, in België zou hersteld hebben.

Na Willem's vertrek was te Brussel de Franschgezinde partij stoutmoediger geworden; rumoerige groepen doorliepen de straten, de driekleurige cocarde in het knoopsgat; met kwistige hand verspreidde men schriften, luidend als volgt:«Franschen! doet slechts een stap vooruit en België bekoort u toe!» en men hoorde den kreet: «Leven de Franschen! Leve de vrijheid!» Voorzeker waren er zendelingen der Parijsche radicalen in de hoofdstad.

Op 15enAugustus zond het Fransche gouvernement een geheimen agent, gewezen secretaris van graaf de Celles, aan Gendebien, om hem te verzoeken de hoofdrichting der omwenteling in handen te nemen, doch de losbarsting te verdagen tot dat Frankrijk in staat zou zijn deze te ondersteunen. De agent legde den betreurenswaardigen toestand van het Fransche leger bloot en toonde dat er drie maanden noodig waren om het herin te richten; hij maande beslist aan dat men alles tot rust moest brengen en gedurende een jaar allen opstand tegenhouden. Daarop riepen Gendebien en Van de Weyer in 't geniep hunne aanhangers in de bureaux van denCourrier des Pays-Basbijeen. Zij verklaarden hun dat de omwenteling rijp was en dat men deze moest inrichten; maar zij werden door de meerderheid tegengesproken, die besliste dat men de beweging nog zou verdagen tot midden September. Den 21enAugustus vertrok Gendebien, op aandringen zijner vrienden, naar Parijs; maar onverwachte gebeurtenissen beletten hem verder te gaan dan Bergen, zijne vaderstad, waar hij ook de leiders zocht te bedaren.

Intusschen waren L. de Potter en zijne gezellen, die in Duitschland de Fransche Omwenteling vernomen hadden, in allerijl uit Straatsburg naar Parijs vertrokken. De aanwezigheid van dien woelzieken republikein in Frankrijks hoofdstad was voor de Regeering een dreigend gevaar, voor Gendebien en zijn aanhang een machtig steunpunt.

Als naar gewoonte zou men op 24enAugustus 1830 den verjaardag des Konings vieren; te Brussel besloot het gemeentebestuur er eene ongewone pracht aan bij te zetten en gansch het Park te verlichten; onvoorzichtig besloot men de gehate belasting op het gemaal te behouden om de 40,000 frank kosten te dekken. Eeeds den 22enwerden briefjes rondgestrooid: «Maandag 23enAugustus, vuurwerk; Dinsdag 24en, verlichting! Woensdag25en, omwenteling!» Verwittigd dat er oproer op handen was, besloot de politie de verlichting uit te stellen, onder voorwendsel van mogelijk slecht weder; en nochtans namen de overheden, als de gouverneur van Brabant Van der Fosse, de bestuurder der politie De Knijff, de bevelhebber der burgerwacht Germain of de burgemeester De Wellens, niet de minste voorzorg om in voorkomend geval den opstand te beteugelen! Toch kende men de oproerige taal der dagbladen der oppositie, die met eene ongehoorde woede de Regeering en zelfs den Koning sedert tien dagen aanvielen, en de hoofden trachtten op hol te brengen. Van zulken aard was de houding der Brusselsche burgerwacht, die gewoonlijk na iedere oefening de wapens aflegde, doch ze nu beweerde te behouden, dat men ze niet meer durfde bijeenroepen. Men wist, door de verslagen der politie, dat groepen werkloozen in de arbeiderskwartieren eene dreigende houding aangenomen hadden, en dat onbekende zendelingen drank betaalden, geld uitdeelden en toespraken hielden.

Die opruiers waren agenten der Fransche clubs, welke te Parijs eene geheime regeering naast het Ministerie vormden; deze, bedrijvig, hartstochtelijk en rumoerig, gansch in strijd met de vreesachtige voorzichtigheid van Louis-Philippe, spraken van propaganda en wilden dat men de hand op België legde. De hoofden dezer partij, zooals de generaals Lamarque en De Richemont, onderhielden eene drukke briefwisseling met de Belgische Franschgezinden. In 't midden van Oogstmaand zond de ClubLes Amis du Peupleverscheidene agenten uit Parijs naar België om er de geesten op te winden. Het zijn die agenten welke, in den nacht van 25entot 26enAugustus, te Brussel het oproer verwekten, dat aanleiding tot de Omwenteling geven zou.

Onvoorzichtig had de politie dien avond, in den Muntschouwburg, de vertooning vanLa Muette de Portici, van Auber, toegelaten. Dat stuk was sedert de woelzieke vertooning van 1enAugustus verboden, daar het onderwerp, de opstand van den Napolitaan Masaniello tegen deSpaansche verdrukkers, uitstekend geschikt was, om aan het publiek de gelegenheid tot revolutionnaire betoogingen te verschaffen.

Verwoesting van het huis van Libry-Bagnano in den nacht van 25 tot 26 Augustus 1830Verwoesting van het huis van Libry-Bagnano in den nacht van 25 tot 26 Augustus 1830

Gedurende de opvoering weerklonken herhaaldelijk de kreten: «Weg met den Koning! Leve Frankrijk!» Bij 't einde van 't schouwspel schoolde de menigte saam op hetgeroep: «Weg met Van Maanen! Weg met Libry!» Aangeleid door voornaam gekleede belhamels, die terstond na het oproer verdwenen, liep de menigte naar de bureaux van deNationalde ruiten inslaan, verwoestte daarna den boekwinkel van Libry, keerde zich vervolgens tegen de huizen van den Procureur-Generaal en van den bestuurder der politie die hetzelfde lot ondergingen, en stak ten slotte het vuur aan het hotel van den minister van justitie Van Maanen, den impopulairen gunsteling van Koning Willem I.

Die volksoploop, zonder plan of leiding, kon gemakkelijk door het garnizoen, hoe gering het ook was, onderdrukt worden; maar op dit oogenblik betoonden de regeeringspersonen, door hunne ongelooflijke zwakheid en hun volkomen gemis aan tegenwoordigheid van geest, een bepaald plichtverzuim. De burgemeester van Brussel was op zijn buiten! De bevelhebber der burgerwacht hield zich uit schrik in zijn huis opgesloten! Generaal de Bijlandt wachtte vruchteloos op bevelen; de militaire gouverneur hield zich alsof de zaak hem niet aanging; de troepen, die intusschen de wapens gevat hadden, moesten uit eigen beweging optreden, en om 5 uur 's morgens hadden zij nog geen bevel tot handelen gekregen! Politie en leger toonden zich zoo onmachtig en lijdzaam, dat de stoutmoedigheid der oproerlingen weldra geen palen meer kende en de oploop zich ongehinderd uitbreidde. In plaats van de troepen krachtig tegen de muiters te doen optreden, trok men ze rond den middag (26enAugustus) voor de Bank en de Paleizen samen, waar ze tot den 3enSeptember in eene onverklaarbare werkeloosheid gehouden werden.

Bij de oproermakers had zich intusschen eene bende plunderaars gevoegd en dat gepeupel brak de wapenwinkels open, plunderde de handelsmagazijnen, vernielde het hotel van 't Provinciaal Bestuur en stak de woningen van een generaal en een kolonel in brand. Benden werklieden, meestal dronken, liepen naar de voorgeborchten en vernielden de weeffabrieken Basse in de stad, Rey te Kuregem, Bal en Fortin te Vorst, Wilson te Stalle: het was hun vooral te doen om de mechanieken te verbrijzelen die het getal handarbeidersverminderden. De beweging begon meer en meer te ontaarden in eene soort van straatrooverij, die zich om politieke beweegredenen niet bekommerde. Wel is waar stak 's morgens een vreemde belhamel de Fransche vlag op het stadhuis uit; doch Ducpétiaux verving ze dadelijk door de oude driekleur van de Brabantsche omwenteling, die op luid applaus door de samengeschoolde menigte begroet werd; reeds 's avonds droeg men in Brussel uitsluitend zwart-rood-gele linten. Van dit oogenblik af nam de beweging een Belgisch karakter aan.

Gezien de achteloosheid der overheden besloten enkele krachtdadige burgers ernstige maatregelen te nemen om de orde te herstellen. Zij verkregen van den gouverneur de herinrichting eener nieuwe burgerwacht, daar de bevelhebber der oude nergens te vinden was. Reeds waren 's namiddags 300 burgers op de Groote Markt vereenigd en gewapend, en hun getal klom 's anderendaags tot 2000; meest alle de Franschen, die zich in groot getal te Brussel bevonden, namen plaats in de rangen der wacht en verkregen, daar zij oud-gedienden waren, één of ander bevelhebberschap. Aan het hoofd werd de volksgeliefde Baron Emmanuel d'Hoogvorst geplaatst, onder wiens bevelen de dappere generaal Van der Smissen en de oud-officier uit Oost-Indië, Karel Pletinckx, stonden; beiden vroeger uit den dienst getreden, de eerste wegens eene beenbreuk, de andere bij gebrek aan bevordering.

De benden van het gepeupel achtervolgden eischend en dreigend de burgerwacht, zoodat den 27en's avonds, bij het zicht der nieuwe gewelddaden dezer plunderaars en brandstichters, twee burgernachtronden op hunne woeste groep schoten, wat hun niet weinig schrik inboezemde.

Het gemeentebestuur, dat overigens even min kloekmoedigheid betoonde als de regeeringspersonen, had nochtans de belasting op het gemaal afgeschaft. Baron d'Hoogvorst en Graaf de Bijlandt vaardigden den 28en, wanneer de rust eenigszins hersteld was, elk eene proclamatie uit, waarin beloofd werd dat, «zoolang de goede orde, welke door de burgerwacht gewaarborgd was, niet gestoord werd, de versterkingstroepen die men verwachtte, de stad niet zouden binnendringen.» Dat was eene capitulatie voor de muiters.

Reeds waren de overheden zonder invloed; zij hadden niets meer te zeggen; het kwartier-generaal der burgerwacht oefende reeds feitelijk de macht uit; de hoofden der wacht weigerden zelfs met minister Van Gobbelschroy te onderhandelen; en de dagbladschrijvers der oppositie, Jottrand, Ducpétiaux en Lesbroussart, steunende op de misnoegden die grondwettelijke vrijheden wilden veroveren en de Hollandsche overheersching afschudden, leidden op 't Stadhuis de handelingen van Baron d'Hoogvorst. Den 28en's avonds vergaderden op 't stadhuis 50 notabelen, onder welke talrijke edelen als de twee De Mérode's, graaf de Lalaing, de twee d'Hoogvorsten; Baron de Secus, afgevaardigde, werd tot voorzitter en Sylvain Van de Weyer tot secretaris gekozen. Buiten de tusschenkomst van den gouverneur of van den gemeenteraad stelden zij een Adres aan den Koning op, waarin zij, verre van te denken aan een voorstel van scheiding tusschen België en Holland, eenvoudig den vorst bezwoeren de eischen der Belgen in te willigen, en verklaarden «dat indien de natie niet gerustgesteld werd, niets aan de goede burgers van Brussel verzekerde, dat zij zelf geene slachtoffers hunner pogingen tot rustherstelling zouden worden.»

Aldus had de triomf van de Oppositiepartij, die den Brusselschen adel en de burgerij beheerschte, op de Fransche bent en het gepeupel, aan den oploop een gansch ander karakter weten te geven: men deed de gewelddaden eeniger roofzieke en aangehitste benden voor den wettigen opstand van eene recht eischende bevolking doorgaan! De staf der wacht wilde uit den stand der zaken partij trekken, om zijne eischen te doen gelden; de raad der notabelen neemt, zonder eenig recht, openlijk de leiding der beweging: 't is op dit oogenblik dat de omwenteling eigenlijk begint.

Het Adres werd toevertrouwd aan een afvaardiging samengesteld uit Felix de Mérode, J. d'Hoogvorst en Rouppe,twee oud-burgemeesters van Brussel, en (o wonder!) S. Van de Weyer en A. Gendebien, welke laatste bij het vernemen der gebeurtenissen te Brussel, in allerijl uit Bergen teruggekeerd was en zijn reis naar Parijs had opgegeven.

Koning Willem, diep getroffen bij het nieuws over het gebeurde te Brussel, was uit Het Loo naar Den Haag geijld, om te beraadslagen met de prinsen en de ministers. Van Maanen raadde de onderdrukking door het geweld aan; de prins van Oranje verklaarde zich voor toegeving en verzoening genegen. Men besloot 6000 man op marschpas, onder het bevel der twee prinsen, naar Brussel te zenden en ook de Staten-Generaal voor 13enSeptember samen te roepen. Die halfslachtige maatregel, door Willem's gewone besluiteloosheid ingegeven, werd nog verergerd door het feit, dat hij geen bepaalde volmacht aan den prins van Oranje verleend had. Na een dag te Antwerpen verloren te hebben, kwamen beide zonen van Willem hun hoofdkwartier te Vilvoorde vestigen, in plaats van op Brussel te rukken (30enAugustus).

Het langzame naderen der troepen, de verbijstering en de werkeloosheid der overheden, de stoutmoedigheid der dagbladen der oppositie, de koenheid van zekere leiders, die reeds van een Voorloopig Bewind durfden spreken, het nieuws van den opstand te Luik, waar men de Luiksche kleuren liet wapperen, en van het oproer te Verviers en te Leuven brachten in de hoofdstad eene altijd aangroeiende gisting teweeg: hoe meer de Regeering aarzelde en zich achteruittrok, hoe grooter de eischen werden.

's Anderendaags ontboden de twee prinsen in hun kamp, niet den gouverneur of den burgemeester, maar Baron d'Hoogvorst, bevelhebber van de burgerwacht. Hij kwam met generaal Van der Smissen en de twee burgerlijke raadgevers van den staf, Van de Weyer en Rouppe, en noodigde ze uit om zich alleen onder hun geleide naar Brussel te begeven. Maar de prinsen eischten de verwijdering der Brabantsche kleuren en den intocht hunner troepen binnen Brussel. Toen d'Hoogvorst die eischen van op 't Stadhuis liet afkondigen, weerklonk uit de menigte de kreet:«Te wapen! naar de barricaden!» 8000 man namen de wapens, de winkels werden gesloten en de kassijsteenen in de straten uitgebroken, door degenen die dat kunstje te Parijs geleerd hadden! Eene tweede afvaardiging onder Baron de Secus' geleide trok in den avond nog naar Vilvoorde, om de prinsen over te halen geen gewapenden aanval tegen de hoofdstad te ondernemen. Na twee lange uren bespreking, stemde de prins van Oranje er in toe, onder waarborg van zijn persoon en zijne vrijheid, alleen door zijn staf vergezeld, binnen Brussel te komen; de burgerwacht zou worden uitgenoodigd hem te gemoet te gaan; de kroonprins rekende op zijne populariteit om de gemoederen tot rust te brengen en zich op te dringen. Maar een bittere teleurstelling wachtte hem: niet alleen werd hij ijskoud onthaald, hoorde te allen kante het geroep: Leve de vrijheid! dreunen, zag slechts overal de Brabantsche kleuren, ontwaarde alleen verwoede gezichten, maar aan 't stadhuis gekomen werd hij zelfs bedreigd en moest zijn paard over eene barricade doen springen om zijn Paleis te bereiken. Zijn ridderlijke moed kon niemand meer bewegen! Niettegenstaande den aanslag tegen hem gericht, besloot hij Brussel niet te verlaten vooraleer eene verzoening bewerkt te hebben. Met dat doel vaardigde hij eene proclamatie uit die de bevolking aanmaande om de orde te handhaven, haar belovende dat de troepen niet zouden binnentrekken. Daarna benoemde hij eene commissie, onder voorzitterschap van den oud-minister hertog van Ursel, gelast om met hem de geschikte maatregelen te treffen, doch hij beging de ongelooflijke fout, op aanraden van Baron d'Hoogvorst, er ook Sylvain Van de Wever en Rouppe in op te nemen.

Dienzelfden dag kwamen de afgevaardigden uit Den Haag terug; het onthaal van het Hollandsche volk was zoo vijandig geweest, dat men een oogenblik mocht vreezen voor hun leven. Op hun aandringen tot invoering der ministerieele verantwoordelijkheid, verwijdering van minister Van Maanen, rechtmatigheid in de benoeming der ambtenaren en in de verdeeling der Staatsinstellingen, antwoordde hun Willem ontwijkend dat hij geen beslissing kon nemen, dieden schijn zou hebben afgedwongen te zijn. Tot tranen bewogen, zeide hij: «Ik wil niet het bloed mijner onderdanen doen stroomen; ik heb een afschuw van bloedvergieten. Maar ik zou Europa tot spot verstrekken, indien ik met het pistool op de keel, week vóór onzinnige bedreigingen, vóór klachten en grieven, die alleen bestaan in de verbeelding van eenige ruststoorders.» De vorst beloofde echter een buitengewone bijeenkomst der Staten-Generaal tegen 19enSeptember. De minister La Coste hoorde zelfs met welwillendheid Gendebien's programma eener vreedzame oplossing aan, door L. de Potter reeds vroeger in een brief aan den Koning voorgesteld, namelijkde onmiddellijke scheiding van België en Holland, met den prins van Oranje als onderkoning of luitenant-generaal. Dit werd het ordewoord der omwenteling. Nog in den nacht van lentot 2enSeptember zocht Gendebien, die, naar aanleiding van de zending naar Den Haag, in 't Paleis in gehoor ontvangen was, den prins tot dit denkbeeld over te halen, en durfde hem voorstellen om hem den volgenden middag als Koning der Belgen te doen uitroepen. Prins Willem wees dit voorstel van den huichelaar met verontwaardiging af: «Het nageslacht, sprak hij, zal niet zeggen dat een Nassau de kroon van zijns vaders hoofd rukte om ze op het zijne te plaatsen;» hij wilde geen ander rol vervullen dan die van bemiddelaar.

's Anderendaags wandelde de prins in de Warande en in de omstreken; de stad scheen rustig; hij gaf een groot gastmaal aan de voornaamste overheden, onder welke ook d'Hoogvorst met zijne twee adjudanten, Rouppe en Van de Weyer; in den avond kwam de bevolking, opgeruid door enkele Fransche en inlandsche muiters, weer in beroering. Op de Groote Markt kreet men tegen het niets-zeggend Verslag door de afvaardiging uit Den Haag meegebracht; men scheurde het van de muren en verbrandde het met eene Proclamatie der Raadgevende Commissie, die kalmte en vertrouwen aanbeval.

Den 3enSeptember ontving de Prins de te Brussel aanwezige leden der Staten-Generaal, waaronder degenen diepas uit Parijs teruggekeerd waren. Zij achtten zich geoorloofd te verklaren, dat België's vurigste wensch de volledige scheiding tusschen de Zuidelijke en Noorderlijke provincies was, zonder andere gemeenschap dan het regeerend stamhuis, en dat, niettegenstaande de opgewondenheid der gemoederen, het behoud van het vorstenhuis het eenparig verlangen der Belgen bleef. In dezen zin had ook de Raadgevende Commissie eenparig gestemd. Om 11 uur kwam d'Hoogvorst, de opperbevelhebber der burgerwacht, omringd door zijne officieren, verklaren dat hij niet langer voor de veiligheid van den prins borg kon staan, en verzocht hem Brussel te verlaten; hij drong insgelijks aan op den aftocht der troepen en op het toestaan der bestuurlijke scheiding.

De prins aarzelde; doch het nieuws van den opstand van Leuven dat zijn garnizoen verjaagd had, en de aankomst der voorwacht der Luiksche vrijwilligers gaf hem de overtuiging dat hij aan den wassenden stroom niet langer zou kunnen wederstaan. Nochtans, vooraleer met minister Van Gobbelschroy en den hertog van Ursel bij zijnen vader naar den Haag te vertrekken om eene verzoening te bewerken, deed hij door de Burgerwacht en den Staf een proclamatie onderteekenen, waarin zij zich «op hunne eer verbonden, geene verandering van dynastie te dulden en de stad, bepaaldelijk de paleizen, te beschermen;» dit belangrijk document werd onderteekend, onder anderen door Sylvain Van de Weyer, Rouppe, Jolly, graaf Van der Meenen en Van der Linden d'Hoogvorst. Alsdan beval de prins aan de troepen van 't Paleis, Brussel voor Vilvoorde te verlaten en aan die van generaal Trip, hunnen aantocht op Leuven te staken.

Op dit oogenblik was dit gedrag van Oranje, hoe eerlijk en ridderlijk ook, eene grove fout. Hij had bemerkt hoe de overheden overrompeld waren; alléen zijne aanwezigheid, zelfs nog zonder krachtdadig optreden, was eene bemoediging voor de ware patriotten, die een overeenkomst met het huis van Oranje wilden sluiten, en een waarborg voor de rust; zijne afwezigheid integendeel versterkte de bent derwachten en der Fransche woelmakers in hare stoutmoedigheid.

Wij hebben gezien hoe de beweging het gansche land aangestoken had. Om dezelfde reden als te Brussel, namelijk de laatdunkendheid en het plichtverzuim der ambtenaren, gelukte het aan een groepje heethoofden gisting onder het volk te verwekken en langzamerhand de burgerij en den adel in haren opstand mede te sleepen. Kolonel Gaillard werd met zijne troepen uit Leuven verjaagd; te Verviers wapperde een oogenblik de Fransche vlag; honderden vrijwilligers vertrokken naar Brussel, uit Bergen, Doornik en Namen; alleen Gent en Antwerpen, waar de groothandel en de grootnijverheid van een oproer veel te duchten hadden, bleven rustig. Maastricht werd in bedwang gehouden door haren krachtdadigen bevelhebber Dibbits. Niet zelden gingen de opstootjes met roof en brand gepaard.

Te Luik staat de verbijsterde gouverneur Sandberg, door een onbehendig akkoord met de oproermakers, zijne overheid letterlijk in handen van den jongen advocaat Charles Rogier af, door hem toe te laten eene vrijwillig gewapende macht te vormen om de rust in de stad te handhaven, terwijl Generaal Van Boecop met de bezetting in de citadel zou blijven. Door zijn populariteit weet Rogier het gepeupel in bedwang te houden en de plundering te beletten. Maar weldra willen eenige der Luiksche vrijwilligers naar Brussel trekken; Rogier wordt met de pistool op de borst gedwongen zich aan hun hoofd te stellen, en gaat naar de hoofdstad met 300 Luikenaars en een paar kanonnen. De aankomst der Luiksche troepen te Brussel bracht de opstandelingen en niet het minst de Franschgezinde partij in geestdrift (7enSeptember). De verdediging der stad tegen den terugkeer der Hollanders werd stelselmatig ingericht; barricaden werden opgeworpen of voleindigd door de ingenieurs Roget en Teichman. Uit de provincieplaatsen kwamen voortdurend aanbiedingen van vrijwilligers aan: Aalst bood 700, Ninove en omstreken 1500 man; de Borinage, met 15,000mijnwerkers, was heel en al bereid: Dendermonde en Charleroi vroegen dat men aan hunne bezettingen de kanonnen zou gaan ontnemen en beloofden den steun der bevolking; maar ook de vreemdelingen te Brussel aanwezig, 4000 Franschen, benevens Spanjaarden, Italianen, Engelschen, stelden zich ten dienste der revolutionnaire leiders. Overigens stroomden voortdurend nieuwe Franschen toe, onder welke talrijke agenten van de Clubs van Parijs.

De Fransche regeering, die uit voorzichtigheid door eene vredelievende houding het stamhuis van Orleans door de Mogendheden trachtte te doen erkennen, was nochtans gepraamd door de ophitsende taal der propagandapartij die België wilde inlijven; voor 't oogenblik moest ze den Belgischen opstand werkeloos aanschouwen, daar haar leger niet gereed was; de Omwenteling, veel te vroeg losgebroken, vóór den tijd door hare Franco-Belgische inrichters voorzien, had de Juli-monarchie verrast. Die overhaasting der belhamels had Louis-Philippe radeloos gemaakt. Nu moest hij de gebeurtenissen hun gang laten gaan; deze voorzichtige bedaardheid maakte Gendebien wrevelig: «Gij aarzelt, liet hij aan den Koning door tusschenkomst van L. de Potter zeggen, maar Frankrijk zou hier 200,000 Belgen vinden, bereid om de Rijngrens met geestdrift te verdedigen. Later, als Frankrijk gedwongen zal zijn oorlog te voeren, zullen wij vrede gesloten hebben met het Nederlandsche Gouvernement en Frankrijk zal 60,000 Belgen te bestrijden hebben.»

De Fransche gezant Lamoussaye verzekerde slechts dat, indien Willem de tusschenkomst van Pruisen inriep, Frankrijk dan met alle mogelijke krachten zou tusschenkomen.

Zeer waardig was de houding van L. de Potter en Tielemans te Parijs; terwijl de Franschgezinde partij te Brussel de inlijving bij Frankrijk verzocht, bleven zij beslist bij het denkbeeld van een bestuurlijk afgescheiden of geheel onafhankelijk België; bij een onderhoud met Louis-Philippe verklaarde L. de Potter uitdrukkelijk dat de Belgen de vereeniging met Frankrijk niet wilden, maar hij wenschte eenvoudig Frankrijks ondersteuning om hunnen opstand tedoen gelukken; dit kon de vorst niet toestaan. De lagere bevolking van Parijs echter was de Brusselsche oproerlingen zoo genegen, dat Tielemans reeds op 29enAugustus schreef dat alleen een oproep tot de Parijsche bevolking onmiddellijk 10,000 vrijwilligers zou verschaffen. L. de Potter werd, op een banket hem door de Parijsche burgerwacht aangeboden, door den hoofdman der Fransche propagandisten, den beroemden La Fayette, omhelsd: die verbroedering en andere tooneelen meer hadden het sein gegeven tot een nog talrijker vertrek van Fransche vrijwilligers naar Brussel (31enAugustus).

Gendebien was woedend over de tusschenkomst der afgevaardigden van de Staten die, uit Parijs teruggekeerd, aan zijn plan eene andere richting gegeven hadden. Hij en Van de Weyer hadden liever den prins als gijzelaar te Brussel gehouden, om alzoo de bestuurlijke scheiding aan den Koning af te persen; en nu was zijne hoop vervlogen. Dan veranderde hij van stelsel en kwam met het ontwerp eener Voorloopige Regeering vooruit. Het werd door de vergadering der notabelen met gretigheid onthaald, doch de volksvertegenwoordigers lieten het spoedig varen, bij het nieuws dat Gent en Antwerpen niet verroerden.

Op dat oogenblik was de bestuurlijke scheiding van Noord en Zuid de eenige passende oplossing. Levae, De Potter's briefwisselaar, Lesbroussart, zijn vriend, L. de Potter zelf en tot Gendebien toe, kleefden dit denkbeeld sterk aan. Trouwens, Gendebien had zich kunnen overtuigen dat de wil van adel en geestelijkheid, die de Juli-omwenteling afkeurden, en van de burgerij, die de voordeelen der aanwezigheid van een Hof niet verliezen wilde, zich algemeen en krachtdadig tegen de Fransche inlijving verklaarde: Lesbroussart schreef dat, indien de Koning wilde toegeven, «zijn stamhuis nooit beter zou gevestigd geweest zijn.» L. de Potter stelde zijn programma op in de volgende bewoordingen: «De scheiding is nu een voltrokken feit, dat gij, Belgen, aan uw toekomstig opperhoofd als eene voorafgaandelijke voorwaarde van zijn koningschap moet opdringen. Daarna zult gij, gij alléen, u eene Belgischegrondwet geven die gij door den koning der Nederlanden zult doen bezweren, wil hij koning der Belgen zijn. Zweert hij niet, verklaart dan vrank en koen uwe volkomen onafhankelijkheid, en sticht eene Bondsrepubliek.»

Er bleef nu te zien, hoe de koppige en altijd weifelende Willem de voorstellen waarmede de prins van Oranje belast was, zou ontvangen. Den 3enSeptember had hij met tegenzin het ontslag van Van Maanen onderteekend; eene maand vroeger zou die beslissing alles weerom in rust gesteld hebben; men eischte nu veel meer; toen dit nieuws den 6ente Brussel bepaald vernomen werd, oefende het niet het minste uitwerksel uit. Wanneer den kroonprins bij zijnen vader op het vrijwillig toestaan der bestuurlijke scheiding krachtig aandrong, stuitte hij, niettegenstaande de toetreding van de Belgische ministers De la Coste en Van Gobbelschroy, op eene halsstarrige weigering; de Koning verschanste zich achter de verdragen van 1815 en de artikels 229 tot 234 der Grondwet, die de procedure bij geval van noodzakelijke herziening nauwkeurig bepaalden. Hij weigerde zelfs den prins met de ministers naar Brussel te laten terugkeeren, alhoewel deze, op zijn hoofd, de herstelling der orde verzekerde, indien de Koning hem volmacht gaf om naar goeddunken in 't algemeen belang te handelen.

Door op dit oogenblik de scheiding te verwerpen, heeft de Vorst, die ook van het andere middel, het geweld der wapenen niet wilde, om zoo te zeggen moedwillig België verloren. Door zijne voortdurende weifelingen, — den eenen dag concessiën verleenende, en den anderen dag het kanon latende bulderen — , heeft de Koning de grootste schuld aan de verdeeling van het Rijk der Nederlanden. In plaats van te handelen, aarzelt hij en vaardigt tot de Belgen een Proclamatie uit, waarin hij het voorstel tot scheiding aan de uitspraak der Staten-Generaal onderwierp en verder de goede burgers aanmaande hunne zaak van die der oproermakers af te zonderen (5enSeptember); de gouverneur durfde eerst het stuk niet laten aanplakken, en de raad der notabelenzond eene afvaardiging bij prins Frederik om het te te doen intrekken; anders vreesde men een nieuwen oploop en het hijschen der Fransche vlag. De prins stemde er in toe in dien zin naar Den Haag te seinen. Maar de Antwerpsche bladen drukten alras den tekst der proclamatie, zoodat verdere geheimhouding nutteloos werd; dadelijk verbrandden de burgerwachten dit stuk op de Groote Markt te Brussel.

In de hoofdstad had men 't volk in den waan gebracht dat de prins van Oranje zijn terugkeer voor den 6enhad beloofd, en daar hij niet verscheen, zijn woord verbroken had. Daarop werd wapenvoorraad verzameld, en nieuwe barricaden werden opgericht; Van der Smissen en Van der Meeren, geholpen door den Spaanschen kolonel Juan van Halen en den oud-geneesheer Ernest Grégoire, drilden de vrijwilligers en richtten de korpsen in. Na eene kleine botsing tusschen de Luikenaars, die in Leuven lagen, en de koninklijke voorposten werden Jozef d'Hoogvorst en Gendebien bij prins Frederik gezonden, die beloofde zijn troepen weldra uit Kortenberg terug te trekken en het kamp te Vilvoorde op te breken; den volgenden dag ontving hij nog eene afvaardiging van Belgische volksvertegenwoordigers om hem te bidden toch geen geweldigen aanval op Brussel te doen, waarin hij toestemde; en den 8envestigde de prins zijn hoofdkwartier te Antwerpen.

Middelerwijl was er te Brussel, tusschen de notabelenvergadering met den revolutionnairen staf der burgerwacht en de voorzichtige leden der Staten-Generaal, een geschil ontstaan. Gendebien, Van de Weyer, J. d'Hoogvorst en Felix de Mérode wilden dat De Secus, De Gerlache en de anderen eenVoorloopig Bewindzouden aanstellen. Maar de volksvertegenwoordigers, die zich aan de wettelijkheid hielden, waren, ondanks hunne verbintenis na 't vertrek van den Prins van Oranje aangegaan om Brussel niet te verlaten, van denkbeeld veranderd en besloten toch, in spijt van de hekelingen en beschuldigingen der heethoofden, zich voorzichtigheidshalve naar de zitting der Staten-Generaal te begeven engeen Voorloopig Bewind in te richten (8enSeptember).

Over deze onbestendigheid en de afwezigheid der volksvertegenwoordigers eerst gebelgd, verheugde zich alras de revolutionnaire groep over hun vertrek naar Den Haag, daar het bleek dat hunne aanwezigheid te Brussel den vooruitgang der Omwenteling stremde.

Daar de oprichting van een Voorloopig Bewind mislukt was, stelde Gendebien toen voor eeneCommissie van Openbare Veiligheidaan te stellen, te kiezen uit een dubbele lijst van candidaten door de hoofden der 8 afdeelingen van de Brusselsche burgerwacht en een klein getal notabelen opgemaakt; om aan de instelling een schijn van wettelijkheid bij te zetten, deed men ze door het bange gemeentebestuur bekrachtigen; ondanks de pogingen der revolutionnairen kreeg de Commissie slechts eene beperkte opdracht, namelijk de vestiging van het stamhuis verzekeren, het grondbeginsel der scheiding van Noord en Zuid handhaven en de openbare orde herstellen. De samenstelling der Commissie, die feitelijk maar vijf leden telde, betoonde klaar hare inzichten: Gendebien, Van de Weyer, Rouppe, Felix de Mérode en Meeus aan 't hoofd der zaken stellen was de vijanden der Regeering rechtstreeks laten optreden; dit was zooveel als na den opstandde Omwenteling bepaald uitroepen(10enen 11enSeptember).

Na alzoo de machten van gouverneur en stadsregeering overweldigd te hebben, ruimden de leden der Commissie insgelijks de rechterlijke macht uit den weg, en schorsten den Procureur-Generaal; deze verliet dadelijk Brussel, weldra gevolgd door den gouverneur Van der Fosse, den burgemeester De Wellens en talrijke hooggeplaatste ambtenaren (14enSeptember).

Doch driemaal faalden de pogingen der liberale leiders om een Voorloopig Bewind op te richten, dank zij den tegenstand van de gematigden, met de barons d'Hoogvorst aan 't hoofd, die eene opene deur voor de verzoening wilden behouden.

Intusschen waren de Belgische leden der Staten-Generaalin Den Haag aangekomen; zij vonden daar de bevolking uiterst verbitterd en woedend over het gevaar dat de kroonprins in Brussel geloopen had. DeArnhemsche Courant, in navolging van deNoordstar, had in zijn nummer van 7enSeptember bedreigingen geuit: «Te wapen! Weg met de muiters! Muitersbloed is geen broedersbloed!» Ook moest Baron de Gerlache tegen de woelige menigte door de politie beschermd worden: het werd een strijd van volk tegen volk!

Wanneer de Vorst de volksvertegenwoordigers in Den Haag zag aankomen, moet hij nog versterkt geworden zijn in zijne meening dat de gebeurtenissen te Brussel zoo erg niet waren als men ze voorstelde en dat de volksbeweging niet zoo ernstig was aangezien de afgevaardigden der natie hunne plaats in 't Parlement kwamen nemen. Zoo werd Willem begoocheld.

Op 13enSeptember opende de Koning de laatste en buitengewone sessie der Staten-Generaal; in zijne troonrede sprak hij, zeer bewogen, zijnen wensch uit om de oplossing der Unie van Noord en Zuid slechts langs grondwettelijke wegen te zien geschieden; Willem, die zijne populariteit bij zijn volk zocht te vrijwaren, maakte zich den tolk der Hollanders; hij verkondigde dat het noodig was de troepen op te roepen, en verklaarde dat hij nooit «voor partij geest zou wijken, nooit zou toestemmen in maatregelen die de welvaart en de belangen van 't vaderland aan de hartstochten en het geweld zouden opofferen.» Daarop werd aan de Staten voorgesteld dadelijk de twee volgende vraagstukken te overwegen en bespreken: Is het noodzakelijk de nationale instellingen te wijzigen? Behoort het in dit geval, de inrichting, zooals zij tusschen de twee groote deelen van het Rijk door de verdragen en de Grondwet voorgesteld is, te veranderen?

Hoe belangrijk de discussie ook was, hoe gunstig de oplossing voor het algemeen belang mocht wezen, toch was dit de zaak, die eene snelle afhandeling eischte, op de lange baan schuiven. Gedurende de beraadslagingen over het Adres, in antwoord op 's Konings rede, namen de Hollanders eene bepaald vijandige houding aan; er werden zeerharde woorden gesproken. Donker-Curtius, een lid der Commissie, verklaarde dat hij geen anderen uitweg zag dan het geweld der wapenen; De Gerlache durfde uitroepen, in naam der afgevaardigden van het Zuiden, dat, indien men hunne wenschen niet aanhoorde, zij niet als lijdzame toeschouwers den ondergang van hun vaderland zouden aangezien hebben.

De troonrede verwekte te Brussel zooveel opspraak, dat de Commissie der Openbare Veiligheid, ondanks de pogingen der Luiksche vrijwilligers die kortaf met de regeering wilden afbreken, een Adres aan de afgevaardigden in Den Haag moest zenden, waarin men hevig protest aanteekende tegen de militaire inzichten van de regeering; de twee dragers werden daarbij nog belast, de Zuidnederlandsche afgevaardigden uit te noodigen Holland te verlaten, maar kwamen weldra met het verbazende nieuws terug dat de leden der Staten den raad gegeven hadden met den prins van Oranje te onderhandelen. Het volk kreet verraad, de Luiksche vrijwilligers bereidden een aanval op het stadhuis. Weldra beschuldigde men de Commissie van te groote gematigdheid en tevens van kleinmoedigheid.

Om ze te prikkelen, hadden andere vurige leiders als Ch. Rogier, Renard, Ducpétiaux en de Franschen Niellon, Grégoire en Chazal inmiddels, met de toestemming van Gendebien, hetMiddelverbondgesticht, meestal uit Luikenaars, Luksemburgers en andere Walen samengesteld. Rogier, onder voorwendsel dat hij vreemd aan de stad was, deed het voorzitterschap aan Duepétiaux toevertrouwen, maar bleef in werkelijkheid de ziel van die vereeniging, waarvan talrijke leden de Fransche vlag wilden opsteken (16enSeptember).

In de StJoriszaal vereenigd, durfde het Middelverbond welhaast zijn eischen aan de Veiligheidscommissie opdringen; deze, wier gezag, voortdurend door de uiterste partij ondermijnd, aan 't wankelen was, deed nochtans beslissen dat men de koninklijke troepen niet zou aanvallen, en toen den 18eneen bende Luikenaars toch de voorposten der Hollanders te Vilvoorde en Tervuren was gaan aanvallen, keurde zij deze gewelddaad dooreene proclamatie stellig af (19enSeptember).

Gendebien, het bewind aan Felix de Mérode en S. Van de Weyer overlatende, was naar Rijsel vertrokken om zich in betrekking te stellen met de Parijsche ballingen, die de Belgische Vereeniging in Frankrijks hoofdstad gesticht hadden.

«Nu begint de regeeringloosheid, schreef Levae aan De Potter; de handel is vernietigd door den onzekeren toestand waarin men verkeert, daar men geen besluit durft nemen: hierdoor zijn vele arbeiders zonder werk; daaruit ontstaan samenscholingen en woelige tooneelen die weldra zouden kunnen noodlottig worden, want de ellende zal tot buitensporigheden leiden, indien men er niet krachtig in verhelpt; het staat vast dat eenegeheime machtde werklieden ophitst om onverdedigbare of belachelijke aanspraken te maken. Ik vrees dat de menigte zich een dezer dagen zal ergeren over de onzekerheid waarin men ons laat, en dat men ze tot eene tegenomwenteling zal opjagen waarvan de goede burgers de slachtoffers zouden wezen. De groote feil van onzen tegenwoordigen toestand is dat wij geen opperhoofd hebben.»

Diegeheime agenten, welke Levae bedoelt, waren de Fransche Clubmannen, die sedert 't begin van het oproer de Brusselsche werkloozen met drinkpartijen op de Hoogstraat en elders vergastten, en nu het gepeupel, dat vóor 't Stadhuis aanhoudend samenschoolde, wapenden en ophitsten.

Levae's sombere voorspelling werd dadelijk bewaarheid. De vreedzame proclamatie derVeiligheidscommissiewerd afgerukt; het gepeupel liep samen op de Groote Markt onder den kreet «Wapens! Wapens!», en ondanks Rogier, ontwapenden zij de burgerwacht gedurende den nacht; 's anderendaags bestormden 1500 gewapende muiters het Stadhuis en stelden een einde aan de overheid der Commissie. De verschrikte burgerij, bang voor plundering, zond dadelijk twee vertoogschriften naar prins Frederik te Antwerpen om zijne terugkomst te vragen. Brussel was aan de regeeringloosheid overgegeven(20enSeptember).

Zonder dien triomf der aanvoerders van de jacobijnsche Club van het Middelverbond, ware de omwenteling spoedig gedempt geweest: evenals het overgroote deel der Brusselsche burgerij, bleven de vertegenwoordigers der Zuidelijke Provinciën in de Staten inderdaad de wettelijkheid getrouw. 't Was juist den volgenden dag dat het Adres op de koninklijke troonrede, gansch in den Belgischen zin opgesteld, door de leden der Tweede Kamer werd aangenomen met 86 stemmen tegen 19 (Hollanders). Bevreesd bij 't vernemen der gebeurtenissen te Brussel, hadden de Belgische afgevaardigden, zelfs degenen die altijd tot de hevigste oppositie hadden behoord, herhaalde malen (17entot 20enSeptember) bij den Koning aangedrongen, opdat hij zonder dralen zijn toevlucht tot het geweld zou genomen hebben; zij vroegen dit, niet alleen omdat het noodzakelijk was tot bescherming hunner eigendommen, maar omdat zij niet meer vrij waren met de noodige onafhankelijkheid te stemmen.

Alzoo vond de Koning zich na lange aarzeling gedwongen om aan zijn lijdzame houding een einde te maken; de tocht tegen het regeeringlooze Brussel werd besloten, doch Willem beging de ongelooflijke fout zijn eigen zoon, prins Frederik, met het opperbevel te belasten. In den nacht van 20entot 21enSeptember ontving hij het bevel Brussel binnen te trekken, en na zich overtuigd te hebben van de gunstige stemming der burgerij, vaardigde hij eene proclamatie uit waarin hij volledige kwijtschelding beloofde: «alleen de voornaamste daders van al te misdadige handelingen om te kunnen verhopen dat zij aan de gestrengheid der wetten zullen ontsnappen, en de vreemdelingen, die misbruik makende van de hun verleende gastvrijheid, wanorde onder u zijn komen stichten, zullen rechtmatig gestraft worden; hunne zaak heeft niets met u gemeen.»

Inmiddels had E. d'Hoogvorst door eenen slimmen trek, ondanks de ontbinding der burgerwacht, zijne plaats als «burgerlijk hoofd dier wacht» weten te behouden, en deed als bevelhebber dervrijwilligersVan der Meeren en Pletinckx benoemen; maar de poging van het Middelverbond om een Voorloopig Bewind in 't leven te roepen, faalde volkomen.

Had de prins in den avond van den 21entot den 22ende stad willen innemen, niemand had hem tegenstand geboden; doch hij had officieel zijne intrede in de hoofdstad voor den 23enaangekondigd! Hij liet dus aan de opstandelingen den tijd om zich te wapenen, enkele kanonnen voor de stadspoorten te sleepen, de straten open te breken, nieuwe barricaden op te werpen en hulpbenden uit Leuven, Waalsch-Brabant, het Centrum en de Borinage te ontvangen. De Luikenaars en de vreemdelingen betoonden eenen koortsachtigen ijver. Meer en meer helde de burgerij nochtans tot de overgave over. Alléen Pletinckx, Ducpétiaux en Ad. Roussel drukten zich krachtdadig voor den weerstand uit; doch deze twee laatsten, als parlementairen bij prins Frederik gezonden, werden aangehouden en op Antwerpen gezonden.

De andere revolutionnaire kopstukken hadden zich, bij 't naken van 't gevaar, reeds vroeger vreesachtig uit de voeten gemaakt: den 21envluchtten S. Van de Weyer en Rouppe naar Valencijn, waar zij, in hetHôtel du Grand Canardaan Gendebien en Chazal, aldaar vergaderd met De Potter, kwamen aankondigen dat alles verloren was; weldra kwamen ook Van der Burght, Moyard, Fleury, Van der Smissen, Van der Meeren, Levae en Niellon ze vervoegen; Felix de Mérode begaf zich in Frankrijk naar zijn kasteel van Trelon; Vleminckx en P. Rodenbach verschuilden zich te Rijsel. Rogier bleef de laatste: slechts op het oogenblik dat de Hollandsche troepen Brussel binnenrukten, koos hij het hazenpad langs de Hallepoort, liet de Luiksche vrijwilligers, wier bevelhebber hij was, in den steek en ging zich verschuilen in het Zoniënbosch! Verscheidene der belhamels hadden zich uit vrees van herkend te worden, den baard laten afscheren. Talrijke groote burgersfamiliën vluchtten uit Brussel naar Gent en Antwerpen.

Alsdan beslisten de Franschen en andere vreemdelingen, die een zoo belangrijk deel aan het oproer hadden genomen en door 's prinsen proclamatie bedreigd waren, zelf de verdediging der stad, met de opgekomen boeren, de vrijwilligers van Luik en het Brusselsche werkvolk en gepeupel, op zich tenemen: don Juan van Halen, Ernest Grégoire, oud-generaal Mellinet, P. Parent, Burggraaf de Culhat en vooral Engelspach, gezegd Larivière, schikten de manschappen aan de poorten en op de barricaden; Baron d'Hoogvorst, het eenige lid der Veiligheidscommissie dat op post gebleven was, zetelde alléen op 't Stadhuis. Zooals eene vrouw uit het volk het schilderachtig zei: «nu zag men die heeren van het Stadhuis met hun zwarte kazakken niet meer. Waar zijn nu die verdoemde kapoenen, nu er moet gevochten worden? Het zijn nu de kielen die de stad moeten verdedigen.»

Wetende dat de hoofden van den opstand Brussel verlaten hadden en dat de grootste regeeringloosheid binnen de stad heerschte, dachten prins Frederik en zijne generaals, die over 10,000 man en 26 kanonnen beschikten, zeer weinig aan strijd; zij meenden «dat zij maar de fourriers hadden vooruit te zenden om op het stadhuis de biljetten van inkwartiering te ontvangen», daar de gezeten Brusselsche burgerij, bang voor nieuwe plundering, niets liever verlangde dan dat het Nederlandsche leger de stad weer tot rust bracht. Maar juist bij de mindere standen, die aan zichzelven overgelaten nu te Brussel den boventoon voerden, lag die waaghalzerij en die geestkracht die aandrang tot weerstand geeft. Ook gaven de werk- en ambachtslieden, doch zij alléen, blijken van bewonderenswaardigen moed gedurende de Septemberdagen. In kleine groepjes verdeeld, zonder beleid, zonder onderrichting, zonder aanvoerders, hebben die bakkersgasten, die beenhouwersknechten, die timmerlieden, die daglooners, met geluk den aanval van welonderrichte troepen afgeslagen.

Den 23enSeptember, om zeven uur 's morgens trokken de koninklijke troepen op Brussel af in vier kolommen verdeeld; deze zouden de stad binnenrukken op vier verschillende punten, langs de Vlaamsche-, de Antwerpsche-, de Leuvensche- en de Schaarbeeksche poort. Generaal Schuurman bemeesterde aldra deze laatste, trok naar de Warande en bezette de paleizen; de Leuvensche poort werd ook spoedigingenomen. De derde kolom slaagde er wel in, de Antwerpsche poort te bemachtigen, maar gezien den tegenstand der mannen met de blauwe kielen, oordeelde de bevelhebber het raadzamer bij de Lakenbrug post te vatten, om in voeling te blijven met de rest van 't leger. Aan den Vlaamschen Steenweg echter liet zich de vierde afdeeling in eene hinderlaag lokken, en werd teruggeslagen. Vruchteloos waren de pogingen der koninklijke troepen tegen de barricade van het Koninksplein, verdedigd door ongeveer twaalfhonderd boeren en werklieden, en aangevoerd door Mellinet, Parent en De Culhat. Daar ook stond Charlier van Luik, bijgenaamd «het Houten Been», die met zijn kanon wanorde en dood in de Hollandsche rangen zaaide; het moorddadige vuur der scherpschutters, die in de omliggende hotels post gevat hadden, verplichtte ze weldra naar de Warande te wijken. Alzoo bleef de sleutel van de stad in de handen der oproerlingen.

Hier werd door de Hollanders eene grove fout begaan; in plaats van doortastend te handelen, verspilde de prins den zoo kostbaren tijd in een straatgevecht, altijd den aanvaller zoo nadeelig. Zeer gemakkelijk had de hij Brussel kunnen insluiten, indien men de afdeeling van generaal Cort-Heyligers niet onverrichterzake tusschen Leuven en Tienen had laten kruisen. Doch 's namiddags reeds had men den prins verteld dat men, om Brussel te bezetten, de stad straat per straat, huis per huis zou moeten innemen, door verwoesting of beschieting, en stelde hem voor dat er slechts twee wegen overbleven: de stad beschieten of zonder dralen af te trekken. Frederik echter verafschuwde het bloedvergieten en de verwoesting der stad; gehoor gevend aan zijne toegevendheid, vergetend dat het uur van krachtdadig optreden geslagen was, liet de prins bevel geven het vuur te staken en zond zelfs in den avond een parlementair tot de opstandelingen. Dat was de nederlaag bekennen!

Bij het vallen van den avond boden de barricaden een buitengewoon schouwspel aan. Daar de Hollanders in de Warande en op de boulevards teruggetrokken waren en de taptoe geslagen hadden, verlieten de Belgische vrijwilligersen hunne Fransche aanvoerders de barricaden, lieten ze gansch alleen staan en gingen in de omliggende herbergen over hunne heldendaden pochen! Hoe de prins de barricaden 's nachts niet overrompeld heeft, valt nooit te begrijpen!

In den nacht begaf baron d'Hoogvorst zich naar het hoofdkwartier van den prins om dezen tot de ontruiming der stad over te halen. Frederik antwoordde: «dat hij Brussel bezet had in de hoop orde en rust in de stad te herstellen; dat hij deze niet kon ontruimen dan op bevel van den Koning; doch, daar het hem vooral ter harte lag de verwoesting van Brussel zooveel mogelijk te voorkomen en een strijd te eindigen, die niets anders dan de noodlottigste gevolgen na zich kon sleepen, zelfs voor het rustige deel der bevolking, zou hij het slagveld niet verder uitbreiden, en zich tot eene verdedigende houding bepalen.»En inderdaad, gedurende de drie volgende dagen hebben zijne troepen hunne stellingen niet meer verlaten.Zoo weinig begreep Frederik de toestanden, dat hij nog hoopte «op de beteugeling der anarchie door de burgerwacht!» Die naïeveteiten, dit gemis aan energie leggen uit, waarom de prins, wat anders onbegrijpelijk voorkomt, de benedenstad niet ingenomen heeft.

De terugkomst 's nachts van Rogier, die inmiddels het geluk der vrijwilligers vernomen had, moest alle hoop op onderhandelingen of overgave doen verzwinden. Overigens, bij 't nieuws der bestorming van Brussel kwamen talrijke vrijwilligers uit Halle, Genappe, Waver, Nijvel, Binche aangesneld; tonnen buskruit werden uit de omstreken gestuurd; de stormklok luidde overal. Ook de vluchtelingen van Valencijn, die nieuws gekregen hadden van de heldhaftige verdediging van Brussel, keerden in allerijl terug; zij bevonden zich reeds op den middag bij Edingen (Enghien), overal een krachtdadigenOproep tot het Volkverspreidende, die den stoet der vrijwilligers, welke hen volgden, van dorp tot dorp aanzienlijk deed aangroeien (24enSeptember).

Om 9 uur 's morgens was de strijd in de hoofdstad opnieuw begonnen. Tot dan toe hadden die kleine pelotons werkliedenen boeren, wier moed sedert den eersten dag den triomf van den opstand verzekerd had, gestreden zonder bepaald doel en eenvoudig om de overheid te bevechten.


Back to IndexNext