Niets verzette zich meer tegen Leopold's toestemming. Hij verliet Londen den 16enJuli, ontscheepte te Kales, werd plechtig aan de Belgische grens ontvangen, vernachtte eerst te Veurne, dan te Gent, en kwam den 19enJuli, onder het gejuich der bevolking, op het kasteel te Laken aan. Van de grenzen af, was zijn reis een voortdurende feesttocht geweest, behalve te Gent, waar hij zeer koel onthaald werd. Den 21enJuli werd de Vorst op het verhoog, vóor Sint-Jakobs op Koudenberg opgetimmerd, door den Regent en de Congresleden ontvangen, en legde er, in de open lucht, den eed aan de Grondwet af. Alzoo trad België in de rij der Europeesche Staten, als een erkende onafhankelijke natie.
Leopold's verkiezing was een triomf voor de Engelsche diplomatie. Maar de scheiding van het schoone Rijk der Nederlanden was het niet minder voor de Fransche politiek; wel is waar moest zij, tegen haar wil, de onafhankelijkheid der Belgen erkennen, maar bij Talleyrand en bij vele Franschen bleef de hoop op eene latere inlijving voortbestaan.
Inhuldiging van Leopold I als Koning der Belgen te Brussel (21 Juli 1831)Inhuldiging van Leopold I als Koning der Belgen te Brussel (21 Juli 1831)
De sluwe Fransche gezant had reeds in April bij protocol de slechting bekomen van de Belgische vestingen, door de Sainte Alliance in 1815 op onze zuidelijke grenzen opgericht. Intusschen verkreeg hij van de Mogendheden, op 14enJuli, dat dit protocol zou ruchtbaar gemaakt worden. Twee dagen na Leopold's inhuldiging, verhaastte zich danook koning Louis-Philippe, bij de opening der Kamers, die ontmanteling op hoogen toon aan het Fransche volk mede te deelen: België was alzoo feitelijk onder Frankrijks suzereiniteit geplaatst; men zou het dadelijk zien.
Terecht gebelgd over de snoode wispelturigheid van de Conferentie, die door hem opgeroepen, hem eerst van de helft van zijn Koninkrijk beroofd had, en hem nu in zijne rechten krenkte, weigerde Willem I met fierheid het Verdrag der XVIII Artikelen te onderteekenen, en verklaarde dat hij de aanvaarding van de Belgische koningskroon door den prins van Coburg als eene persoonlijke beleediging aanzag (12enJuli). Veertien dagen later kondigde hij de Conferentie aan dat hij beslist was zijn onderhandelingen door oorlogsmiddelen kracht bij te zetten; hij wilde, veeleer dan België te heroveren, door de herstelling van de faam zijner wapenen, de gunstiger voorwaarden van den 20enJanuari van de Conferentie bekomen.
Den 2enAugustus, gedurende zijne feestelijke ontvangst te Luik, vernam Leopold dat generaal Chassé, te Antwerpen, het einde van den wapenstilstand afgekondigd had, en dat 38,000 man met 72 kanonnen onder den prins van Oranje over de Belgische grens getrokken waren. De nieuwe Vorst, die zich met eigen oogen een denkbeeld had kunnen vormen van den ellendigen staat en de geringe getalsterkte van het Belgisch leger, verre van zich door den verwaanden toon der Belgische dagbladen te laten begoochelen, stuurde onmiddellijk, op raad van Lebeau, boden naar de gezanten Lehon te Parijs en Van de Weyer te Londen, ten einde de dadelijke hulp van de Fransche en van de Engelsche regeering af te smeeken, en deed den 4endoor den ministerraad, niettegenstaande artikel 121, dat zulks verbood, aan Frankrijk vragen een hulpleger naar België af te zenden.
Het verraste Engelsche ministerie was woedend, doch zijne dreigementen baatten niet; de Conferentie, die den wapenstilstand gewaarborgd had, was onthutst; de Fransche regeering jubelde over de noodwendigheid harer tusschenkomst.
Dadelijk werd maarschalk Gérard aan het hoofd van hetleger van het Noorden geplaatst en begon zijn opmarsen, doch gezien het lichtgeraakte eergevoel van de Belgische troepen, die in hunnen overmoed «geene vernedering» wilden dulden, verwittigde de ministerraad den maarschalk, dat de bevelen van den koning noodzakelijk den intocht van de Franschen in België moesten voorafgaan; gelukkiglijk voor het pasgeboren koninkrijk hield deze daar geen rekening mede.
Het Belgische leger, in twee hoofdafdeelingen gesplitst, trachtte intusschen den voortgang van Oranje's leger te stuiten. De onbekwame generaal Daine voerde het bevel over het slecht uitgeruste en tuchtlooze Maasleger, slechts 10,000 man sterk; Leopold bevond zich in het Scheldeleger, aangevoerd door baron de Tiecken de Terhove met 17,000 man; beide legers trachtten zich te vereenigen, maar Oranje besloot dit te verijdelen door zich tusschen beide in te schuiven, en slaagde er in door de inneming van Diest. Nu viel hij den 8enAugustus Daine bij Hasselt aan, en dreef zijn gansche leger zonder vechten op de vlucht. Daarna trok hij op Westmeerbeek af, waar Leopold[26]en Tiecken gelegerd waren; dezen, bij het vernemen van Daine's nederlaag en vreezende afgesneden te worden, trokken achteruit, en namen plaats op den weg van Leuven naar Tienen; weldra werden ze achteruitgeworpen en achtervolgd door den dapperen Oranje, wiens luitenant Bernard van Saksen-Weimar intusschen den steenweg van Leuven naar Brussel, in den rug van het Belgisch leger bezette.
Het Scheldeleger ging hetzelfde lot ondergaan als het Maasleger, en de koning te Leuven ingesloten worden, toen, dank zij de tusschenkomst van sir Robert Adair, den Engelschen gezant te Brussel, de prins van Oranje de belofte gafdien dag Leuven niet te bestormen, indien men zich 's anderendaags 's middags wilde overgeven. De Belgische troepen maakten van dien wapenstilstand gebruik om langs den straatweg van Leuven naar Mechelen te vluchten; zonder de koelbloedigheid en de dapperheid van Koning Leopold, die de hoofdstad trachtte te dekken, ware de nederlaag in eene ware ramp veranderd (12enAugustus), 's Anderendaags deed de prins van Oranje zijne intrede te Leuven. De overwinning van het Nederlandsche leger was volkomen, de Tiendaagsche Veldtocht had de eer der Hollandsche wapens gered.
Te Brussel, van waar Oranje slechts twee uur verwijderd was, heerschte de grootste verwarring en was de burgerij tot de overgave bereid. Het jonge koninkrijk was reddeloos verloren, indien het Fransch leger, op dit oogenblik, niet opgedaagd was.
Toen den 9enAugustus generaal Belliard, wien gelast was geweest met Chassé te onderhandelen om eene nieuwe beschieting aan Antwerpen te vermijden, de vlucht van Daine's leger vernomen had, zond hij, uit eigen beweging en zonder Leopold te raadplegen, een koerier naar maarschalk Gérard, om dezen tot eenen snellen opmarsen aan te sporen. Den 10enrukte het Fransche leger over de grens en bereikte Waver den 12en, zoodat koning Willem, woedend over de snoode handelwijze van Frankrijk, dat het principe van Niet-Tusschenkomen verloochende, in zijne onmacht aan den prins van Oranje het bevel gaf, voor Frankrijks troepen te wijken. Den 13enstonden Gérard's voorposten vóór de Hollandsche afdeelingen; alsdan sloot Oranje met Belliard een overeenkomst, waarbij zijn leger over de grens terugtrok.
België zou hare nederlaag duur bekoopen. Reeds den 11enhad Talleyrand, de verklaarde vijand onzer onafhankelijkheid, zich op de Conferentie van Londen heftig over de Belgen uitgelaten: «Leopold was een armzalig wezen en de Belgen een troep vagebonden, de onafhankelijkheid onwaardig; België kon niet zelfstandig blijven bestaan en het te verdeelen was de eenige mogelijke oplossing.»
Palmerston beantwoordde, den 15enAugustus, die onverdraaglijke en sluwe taal met eenultimatumaan Frankrijk om dadelijk zijne troepen uit België terug te trekken. Louis-Philippe riep terstond 20,000 man terug, maar stelde als voorwaarde der geheele ontruiming, dat maarschalk Gérard de geheele slechting van de zuidelijke vestingen zou voltrekken. Palmerston liet bedreigingen hooren, en Frankrijk, op verzoek van Leopold, liet slechts 12,000 Fransche soldaten hier, om aan de herinrichting van het Belgische leger te werken. Het was slechts den 30enSeptember 1831 dat de laatste vreemde troepen onze grenzen verlieten, drie weken nadat Leopold zich, in overleg met de vier Mogendheden, verbonden had om maatregelen te nemen voor de spoedige ontmanteling van Meenen, Doornik, Ath, Bergen en Charleroi.
Inmiddels had de Conferentie, gedurende de onderhandelingen te Londen, opnieuw rechtsomkeert gemaakt; met dezelfde vaardigheid waarmede zij vroeger het protocol van 20enJanuari had laten gaan, verloochende zij nu het verdrag der XVIII Artikelen. Europa toonde zich hard voor de overwonnenen: het nieuwe Tractaat der XXIV Artikelen, ondanks de bemoeiingen van Van de Weyer en het verlangen van Louis-Philippe, behelsde veel erger bepalingen dan het eerste, dit door toedoen van Engeland en van de Oostelijke Mogendheden.
België moest Maastricht laten varen, benevens het Oostelijk gedeelte van Limburg over de Maas, en het Noord-Westelijk, met Roermond en Venloo. Het Groothertogdom Luksemburg werd ten persoonlijken titel aan Willem I geschonken, doch België behield het Waalschsprekend gedeelte, mitsgaders een klein Duitschsprekend strookje, van Aarlen tot Vieil-Salm. Wel werd de vrije vaart van de Schelde naar den Rijn verzekerd, maar de scheepvaart op de Schelde zelf werd aan zekere tollen onderworpen. Wat de schulden van het vroegere Vereenigde Koninkrijk betrof, België zou er de helft van dragen met bovendien nog de schulden van vóor de vereeniging, te zamen beloopende eene jaarlijksche rente van 8.400.000 gulden: dit heette te zijnhet beslissend en onwederroepelijk besluit der Mogendheden (14enOctober).
Het was met groot misnoegen dat het Fransch ministerie kennis kreeg van die vergrooting van grondgebied aan Holland toegestaan; doch in België werd het verdrag der XXIV Artikelen met eene echte woede ontvangen. He Kamers verzetten zich tegen deze harde voorwaarden. Maar, wel wetende hoe gevaarlijk het was aan Europa weerstand te bieden en vreezende koning Leopold tot den afstand te dwingen, onderwierpen zij zich eindelijk: de Kamer der volksvertegenwoordigers den 1enNovember met 59 stemmen tegen 38, en de Senaat den 3enNovember met 35 tegen 8.
Leopold ILeopold I
Van de Weyer bracht het toestemmend antwoord aan de Conferentie over, en den 15enNovember werd het Verdrag bekrachtigd. Om België voor deze houding te beloonen, waarborgden de vijf Mogendheden aan Koning Leopold deuitvoering van al de artikelen, en beloofden hem den vrede en hunne oprechte vriendschap: dat was de erkenning van het Belgisch koningdom. Intusschen weigerde Holland het Verdrag bij te treden, dat dadelijk door Koning Leopold, Louis-Philippe en Willem IV van Engeland onderteekend werd; Oostenrijk en Rusland, die nochtans de erkenning van het koninkrijk België betreurden, en ook eindelijk Pruisen traden de XXIV Artikelen bij (Januari-Maart 1832).
De Belgen konden nu den vrede verhopen; maar eenerzijds dreigde de strijd met Holland opnieuw te beginnen, anderzijds ontstonden moeielijkheden nopens de ontmanteling van de zuidelijke grenssteden. Immers, men had op de Conferentie de slechting van de sterkten Charleroi en Doornik vervangen door die van Mariembourg en Philippeville (14enDecember). Frankrijk, dat nog altijd zijne hoop niet opgegeven had om deze twee laatste steden te verkrijgen, teekende hiertegen verzet aan. Louis-Philippe dreigde zelfs het traktaat van 15enNovember niet goed te keuren en oefende op Koning Leopold eene echte drukking uit; ook Talleyrand gaf zich veel, maar vergeefsche moeite, om Frankrijks eigenliefde te vrijwaren. Eindelijk stelde Leopold, die uit alle krachten Frankrijk zocht te bevredigen, met goedkeuring van Louis-Philippe, eene verklarende nota aan de Conferentie voor, die door de gevolmachtigden der vier andere Mogendheden aangenomen werd: haar hoofdinhoud luidde dat de bepalingen der overeenkomst van 14enDecember 1831, aangaande de daar vermelde vestingen, geen inbreuk mochten maken op de volle souvereiniteit van den Koning van België en de onafhankelijkheid van dit land (23enJanuari 1832).
Indien Leopold zijne genegenheid voor Frankrijk gedurende deze onderhandelingen niet verborgen had, was het dat hij een nog inniger verbond met dit land wenschte: namelijk zijn huwelijk met een der dochters van Louis-Philippe. Hier ook waren hinderpalen uit den weg te ruimen: vooreerst de weinige neiging van den Franschen Vorst voor die echtverbintenis; ten tweede de vrees van Leopold om een oogenblik zijn Rijk te verlaten. Toch kwam het tot een onderhoud met Louis-Philippe te Compiègne den 28enMei: den 9enAugustus huwde Leopold aldaar de twintigjarige Louise-Marie van Orleans.
Den 18enApril 1832 hadden de Oostelijke machten, die vruchteloos Koning Willem tot de onderteekening van het Verdrag der XXIV Artikelen aangemaand hadden, eindelijk moede van vragen, hunne bekrachtiging tegen Belgiës aanvaarding bij Van de Weyer te Londen gewisseld. De Nederlandsche Vorst antwoordde met een nieuw en krachtdadig protest, en hield voort bijna 100,000 man onder de wapens. Die uitdagende houding van Holland, een gevolg van den goeden uitslag van den Tiendaagschen Veldtocht, verplichtte Koning Leopold voortdurend aan de herinrichting van het Belgische leger te werken; door generaal Belliard, die als een soort van opperbevelhebber der troepen optrad, en talrijke andere Fransche officieren bijgestaan, bereidde hij zich tot het afslaan van eenen nieuwen aanval voor; en alhoewel het onderhoud van de troepen, die de krijgsbegrooting op onrustwekkende wijze deed stijgen, 's lands middelen uitputte, zette hij zijne krijgstoebereidselen onverpoosd voort.
Intusschen had de koppigheid van Willem de Conferentie ongeduldig gemaakt, en in Juli sprak Palmerston reeds aan Van Zuylen, Falck's opvolger te Londen, van dwangmiddelen te gebruiken jegens zijnen meester, die voortdurend weigerde Antwerpen en de Scheldeforten over te leveren. Door toedoen van Stockmar werd zelfs gepoogd om het vraagstuk van Antwerpen door eene Belgisch-Hollandsche conferentie op te lossen; doch vruchteloos. De Conferentie drukte alsdan haar misnoegen aan den Nederlandschen Koning uit; Frankrijk en Engeland stelden een gewapende tusschenkomst voor, maar de Oostelijke machten deelden geenszins in die zienswijze. Na eenige bedenkingen omtrent het gevaar van een tweeden Franschen inval in België,teekende Palmerston met Talleyrand de akte van 22enOctober 1832, waarbij de twee regeeringen zich met de uitvoering van het Verdrag der XXIV Artikelen gelastten; Koning Willem kreeg tot den 2enNovember om Antwerpen te ontruimen, zoo niet zou men al de Hollandsche schepen kapen die men kon aanklampen, en een Fransch leger voor de citadel van Antwerpen sturen. Uitdrukkelijk werd er bijgevoegd dat de tusschenkomst der Franschen door Koning Leopold moest worden ingeroepen en dat zij, dadelijk na Antwerpens inneming, België moesten verlaten. Pruisen en Rusland trokken zich daarop uit de Conferentie terug, zonder dat de twee Westelijke machten zich daar verder om bekreunden.
Willem's regeering antwoordde moedig, den 2enNovember, dat zij Antwerpen zou verdedigen. Daarop werd beslag gelegd op de Hollandsche schepen, die in de havens van Frankrijk en Engeland geankerd lagen, en de Engelsche en Fransche vloot aan de Duinen bijeengekomen, stevenden naar de kusten van Holland. Doch niets kon den trots van den Nederlandschen Vorst doen buigen.
Dan vroeg generaal Goblet, minister van oorlog, de hulp van het Fransche leger om België door de Hollanders te doen ontruimen (9enNovember). Den volgenden dag werd eene voor de Belgische troepen zeer vernederende overeenkomst gesloten; deze zouden aan het beleg geen deel nemen, al de posten rondom Antwerpen zouden aan de Franschen overgelaten worden, en een garnizoen van ten hoogste 6000 man mocht onzijdig in die stad verblijven; ook verwekte die conventie hartstochtelijke besprekingen in de Kamers.
Den 15enNovember 1832 trokken Gérard en de hertog van Orleans de grens over, met een leger van 60,000 man en een aanzienlijke massa grof geschut; den 4enDecember begon de beschieting van de citadel van Antwerpen. Chassé had verklaard dat hij zich slechts zou overgeven, na al zijn middelen van verdediging uitgeput te hebben; hij hield woord. Slechts na een geweldig bombardement, dat zijn vestingen in gruis gelegd en meer dan duizend der 4,500 verdedigers gedood had, deed Chassé de witte vlag hijschen; liever dan zich over te geven, liet Koopman, bevelhebber van twaalf kanonneerbooten op de Schelde, deze zinken. Zelfs devijand stond in bewondering voor de heldhaftige verdediging van die koene krijgers (23enDecember 1832). Daar nu Koning Willem in de ontruiming van de verdere forten van Lillo en Liefkenshoek nog niet wilde toestemmen, werd de dappere generaal met het garnizoen, als krijgsgevangenen naar Frankrijk gestuurd. Het Fransche leger kreeg overigens, dadelijk na den val van Antwerpen, het bevel om naar Frankrijk terug te keeren, en leverde de citadel aan de Belgische troepen over.
Holland, door de blokkade van zijne kusten zeer benadeeligd, werd weldra genoodzaakt met Engeland en Frankrijk te onderhandelen: door bemiddeling van Pruisen, werd tusschen de drie regeeringen eene voorloopige overeenkomst gesloten, die de vijandelijkheden deed staken; aan Willem werd de belofte opgelegd, België niet meer aan te vallen; en Schelde en Maas werden vrij verklaard tot de opstelling van een bepaald verdrag (21enMei 1833). De schikkingen, betrekkelijk de vaart op de Maas, werden omstandig geregeld door de Conventie van Zonhoven, den 18enNovember daaropvolgende, tusschen Bernhard van Saksen-Weimar en generaal Dibbits eenerzijds en generaal baron Hurel anderzijds gesloten: dit was de eerste akte die tusschen België en Holland opgemaakt is. Met dezen voorloopigen toestand hadden de Mogendheden vrede, en daar Koning Willem zelf weinig geneigd scheen om er van af te wijken, ging de Conferentie van Londen in November uiteen, zonder aan haar werk de volkomen bekrachtiging te hebben kunnen bijzetten.
Alzoo ging, gedurende de vijf volgende jaren, het jonge Koninkrijk België zijnen weg en beijverde zich, door het heropbeuren van den kwijnenden handel en de stil liggende nijverheid, door het aanleggen van spoorwegen (op voorstel van minister Rogier), door het uitvoeren van openbare werken, om den welstand in de provinciën te doen terugkeeren. Daar de Koning van Holland het verdrag der XXIV Artikelen weigerde te onderteekenen, betaalde België de jaarlijksche rente niet, en behield Limburg en Luksemburg, waarvan de afgevaardigden te Brussel in de Kamers zetelden en welke door Belgische ambtenaren bestuurd werden.
Zoo sleepte de toestand voort, toen plots Koning Willem den 14enMaart 1838, tot de aanvaarding van het Verdrag van 1831 besloot; dit besluit baarde de grootste verrassing en verslagenheid te Brussel. De Kamers waren het tooneel van de hartstochtelijkste debatten; de met afstand bedreigde inwoners teekenden hevig verzet aan; men wilde van geene scheiding weten. Maar noch Palmerston, noch het kabinet van Louis-Philippe wilden de Belgen in hunne «dwaze pogingen» ondersteunen. Vruchteloos bood Leopold 60.000.000 frank aan Holland, in vergoeding voor de gedeelten van Limburg en Luksemburg. De Conferentie bleef onverbiddelijk; nauwelijks gelukte het aan De Theux, minister van buitenlandsche zaken, enkele verzachtingen op eenige bepalingen te verkrijgen, namelijk omtrent de verdeeling van de schuld, die voor België tot eene jaarlijksche rente van vijf millioen gulden verminderd werd.
Nog wilde de openbare meening in België niet toegeven: de regeering van Leopold werd door de Limburgsche en Luksemburgsche volksvertegenwoordigers heftig aangevallen; uit Parijs, waar hij zich sedert jaren teruggetrokken had, stookte L. de Potter het vuur aan. Alsdan riepen de misnoegde Mogendheden hunne gezanten terug; ook de geweldige handelscrisis deed den strijdlust der Belgen weldra koelen. De stormachtige zittingen van de Kamers, waarin soms het publiek der tribunen tusschenkwam, namen ten slotte een einde. 't Is bij zijne ontkennende stemming over het voorstel, dat Gendebien zijnen beruchten uitroep deed: «Ik stem neen! 380.000 maal neen! voor de 380.000 Belgen die gij aan de vrees opoffert!» Den 19enMaart 1839 stemden de Kamer der Volksvertegenwoordigers en eene week later de Senaat goedkeurend over het Verdrag van Londen. Het werd aldaar, den 19enApril 1839, onderteekend door België, Holland, den Duitschen Bond en de vijf groote Mogendheden.
In Holland zelf had intusschen de Vorst, dien men vroeger «Vader Willem» noemde, geheel en al zijne populariteit verloren. Hij kon het wel zien, toen den 20enDecember 1839 zijn voorstel om 56 millioen te ontleenen tot het dekken derschuld, benevens het ontwerp van begroeting, verworpen werd; de oppositie eischte eene grondwetsherziening en bekwam de zoo lang gevraagde ministerieele verantwoordelijkheid (6enSeptember 1840). En wanneer de oude Koning zijn inzicht te kennen gaf, met de Belgische katholieke gravin d'Oultremont in het huwelijk te treden, ging zulk een geschreeuw in het land op, dat hij van de kroon afstand deed (7enOctober 1840), en met zijne gemalin en zijn overgroot fortuin naar Berlijn trok, waar hij drie jaar later overleed.
Met zijnen opvolger, Willem II, den prins van Oranje, sloot België, den 5enNovember 1842, het eindverdrag, dat alle moeielijkheden aangaande de grenzen, de scheepvaart en de schuldverdeeling vereffende.
Veroorzaakt door het slecht beleid van de Hollandsche regeering, aangevuurd door de kuiperijen van de Fransche clubs in België, mogelijk gemaakt door het verbond der geestelijkheid met de vrijzinnigen, bekrachtigd door den naijver en de hebzucht van Engeland en Frankrijk, is de Belgische Omwenteling in hare gevolgen op zeer verschillende wijzen beoordeeld geworden.
Ondanks de veroordeeling der Belgische Grondwet door Paus Gregorius XVI, die de vrijheid van geweten «een pest en een geestverwarring» en die van drukpers «eene verderfelijke ongeregeldheid» noemde (15enAugustus 1832), trachtten de katholieken voor zich zelven, met volle handen, het rijkste gewin uit de onbeperkte grondwettelijke vrijheden te putten; onafhankelijk van alle tusschenkomst van den Staat en toch door hem bezoldigd, bemachtigde de geestelijkheid alras het lager onderwijs door de stichting van vrije scholen, en oefende een feitelijk gezag zelfs op de Staatsscholen uit; het platteland werd door de priesters volkomen beheerscht, en men weet, door talrijke tot het Congres gerichte protestaties, dat zij de verkiezingen voor de gemeenteraden in persoon bestuurden. De clericale partij vond dus in de gevolgen van de Omwenteling voordeelen die zij nooit te voren had mogen droomen: ook behooren de eersten die de Revolutie in hunne schriften verdedigden, Robiano de Borsbeek (1832), Nothomb (1833) en De Gerlache (1839) tot de katholieke partij.
Robiano de Borsbeek, de agent der Jezuieten — die, naar men beweerde, in November 1829 ineens 80,000 frank van die orde ontvangen had om de geestelijkheid tegen Koning Willem op te jagen — na de wijze uiteengezet te hebben waarop de katholieken, uit de door de Grondwet gewaarborgde vrijheden, voordeel kunnen trekken, roemt de Constitutie onvoorwaardelijk.
Uit een liberaal standpunt noemt de groote liberale geschiedschrijver en rechtsgeleerde Prof. F. Laurent de Omwenteling «de groote fopperij van 1830»: en ontegensprekelijk zijn de Liberalen in hunne Unie met de Katholieken gefopt geweest, zooals het reeds bleek door de schoolwet op het lager onderwijs van 1842.
Nog vóór het afkondigen der Grondwet zag men de kloosters, waarvan Jozef II, de Fransche Revolutie en Willem I ons verlost hadden, alom weer oprijzen. De geestelijke orden van beider kunne maakten zich de regeeringloosheid te nutte om in der haast in de Zuidelijke Nederlanden neer te strijken. Veel liever dan in Frankrijk te blijven, waar de Jacobijnen van de Clubregeering hun een onverzoenlijken oorlog aandeden, kwamen de Jezuïeten, die zoo krachtig de Revolutie geldelijk ondersteund hadden, verder de Broeders der Christelijke Leering, de Kapucijnen en andere monniken, mitsgaders talrijke nonnencongregaties, zich in ons land vestigen; en sedert het midden van October werden de Vlaamsche gewesten door een leger paters en nonnen van alle slag om zoo te zeggen overrompeld. De wijsgeerige handelingen van L. de Potter en zijne vrienden, en de liberale strekking van de hoogere geestelijkheid waren gelukkiglijk een tegenwicht: anders zou de Belgische Omwenteling van1830 eene tweede verbeterde uitgave der clericale Brabantsche Omwenteling van 1789 zijn geworden.
Uit een sociaal-œconomisch oogpunt was de Belgische Omwenteling, volgens den geleerden staathuishoudkundige Emile de Laveleye een groote misgreep: niemand zal betwisten dat de bestuurlijke scheiding tusschen Holland en België, door het behoud van eene gezamenlijke vloot en van de uitvoerhavens naar de Oostindische koloniën, voor handel, nijverheid en maatschappij voordeeliger zou geweest zijn, dan de volkomen scheuring der Nederlanden. De telkens terugkeerende crisissen, die voor koop- en werklieden dadelijk na de Septemberdagen begonnen, zijn er het rechtstreeksch bewijs van.
Ook werd het Europeesch evenwicht er door geschokt, nu dat Frankrijk niet meer in toom gehouden werd door het Koninkrijk der Nederlanden, zoodat dezelfde Prof. E. de Laveleye de Belgische Omwenteling «eene misdaad tegen de rust van Europa» heeft genoemd.
Maar het is nutteloos zich over die daad te berouwen. Een volk mag zijn tijd niet verspillen met het verleden te betreuren, het moet de toekomst in de oogen kijken en manmoedig voorbereiden. België heeft door zijn werkdadigheid en vernuft bewezen, dat het recht had op de onafhankelijkheid: vijf en zeventig jaar van stoffelijken vooruitgang, vrede en rust hebben het afdoende betoogd.
Maar voor ons, Vlamingen, heeft de Omwenteling gevolgen gehad, die wij nooit mogen vergeten. Die zijn te wijten aan de partijdige houding tegenover Vlaamsch-België van de leiders der Omwenteling, die na October 1830 het bewind in handen gehad hebben.
Immers, het Voorloopig Bewind, de twee ministeries van den Regent en de ministeries die malkander tot in het midden van de regeering van Leopold I opgevolgd zijn, hebben stelselmatig alles in 't werk gesteld om niet alleen de stoffelijke, maar ook de geestelijke belangen van het Vlaamsche volk te verwaarloozen ten voordeele van de Walen.
Het gansche land door had de Omwenteling den onmiddellijken stilstand van handel en nijverheid, de stremmingvan alle ondernemingen, de vermindering van de waarde der eigendommen, en niet het minst het verlies van het crediet na zich gesleept; vele fabrieken, die vroeger door Koning Willem ondersteund werden of op het Nijverheidsfonds teerden, hadden hunne arbeiders moeten afdanken: de werkloosheid werd zoo groot dat men de arbeidersklasse tot het uitvoeren van openbare werken moest gebruiken. Gent, Antwerpen, Oostende, die zulk een hoogen trap van bloei en welvaart onder het Hollandsch bestuur bereikt hadden, zagen, de eerste hare weefgetouwen en andere mekanieken stilvallen, de twee andere hunne handelsvloot verhuizen of in hunne dokken verrotten.
Vlaanderens œconomisch verval in 't bijzonder was zoo openbaar, dat zelfs Louis-Philippe er de aandacht van Talleyrand op vestigde. Welnu, in plaats van Vlaamsch-België uit dien hachelijken toestand te redden, lieten de verschillende besturen, die sedert October 1830 elkander opvolgden, deze vroeger zoo welige streek, uit voorliefde voor den Waal, volkomen verkwijnen.
Het door koning Willem gegraven kanaal van Terneuzen werd niet voltooid; de haven van Oostende wachtte lang en vruchteloos naar verbetering; de ontworpen vaarten in Vlaanderen en in de Kempen werden voor geruimen tijd verdaagd. Terwijl het Walenland als in een net van Staatsspoorwegen omwikkeld was, bleven West-Vlaanderen en Limburg er zonder; en de rijks- en provinciestraten die tijdens het Hollandsch bewind zulke gunstige uitbreiding genomen hadden, werden nauwelijks onderhouden. Aan het Walenland werden de officieele toelagen voor allerlei openbare werken kwistig uitgedeeld, maar Vlaamsch-België en bepaaldelijk het Orangistische Gent werden door de verfranschte bureaucraten te Brussel uit alle gouvernementeele gunsten gesloten gehouden.
Men kende slechts de Vlamingen als 't er op aankwam om te betalen; dank zij een gebrekkige kadastrale verdeeling werden de Walen, in zake grondbelasting, in verhouding tot de Vlamingen op de onrechtvaardigste wijze, lange jaren, begunstigd; Julius Vuylsteke heeft in zijnKorte StatistiekeBeschrijving van Belgiëde schreeuwende wanverhouding aangetoond in de verdeeling der belastingen ten opzichte van de Waalsche provincies en het Vlaamsche platteland. Ook de visscherij aan de Noordzee liet men doodkwijnen, daar de Walen, die in de achtereenvolgende ministeries alles beheerschten, schenen te vergeten dat België een Vlaamsche zeekust bezat, die geen mindere schatten bevatte dan de Waalsche mijnen.
Doch deze verwaarloozing of ontkenning van de stoffelijke belangen van de Vlamingen wordt nog in de schaduw gesteld, door de verdrukking van hunne verstandelijke rechten.
Vóór 1830 was er een algemeen geschreeuw in de rangen van de oppositie opgegaan, toen Willem zijne taalbesluiten afgekondigd had, en de advocaten-journalisten van Luik en Brussel hadden de regeering verweten, dat zij het Nederlandsch aan de Walen wilde opdringen: een onjuiste bewering. Maar nu, door eene soort van reactie tegen het schrikmiddel dat zij zelf gesmeed hadden, beproefden de Fransche en Waalsche leiders van de Omwenteling, onze taal in Vlaamsch-België uit te roeien. Durfde niet Nothomb, in zijn beruchtEssai sur la Révolution Belge(1834) — eene verdediging van het gedrag van de hoofden van de beweging — de Vlamingen aansporen «openlijk de Fransche taal aan te nemen?» Toonden zich niet de Rogiers en hunne vrienden in alle omstandigheden de vijanden van de Vlaamsche taal, en trachtten zij niet, op alle mogelijke wijzen, het Fransch in Vlaamsch-België te verspreiden?
Den dag na zijne aanstelling, was de eerste daad van het Voorloopig Bewind het Staatsblad uitsluitend in de Fransche taal op te stellen (5enOctober); tien dagen nadien schafte zij de Vlaamsche Kamer af, die over de vonnissen uit Limburg bij het Beroepshof van Luik uitspraak deed. Einde October werd de Vlaamsche taal insgelijks uit het leger gebannen; bevelen en bestuur zouden voortaan in het Fransch «als zijnde de in België meest verspreide taal» geschieden. Men vergete daarbij niet dat er in 1831 op 2700 officieren nog geen 150 Belgen waren; de overige waren, tot Wellingtons groote ergernis, door Leopold aangeworven Franschen, en zijn generale staf bevatte 24 Franschen tegenover 4 Belgen.
Den 16enNovember 1830 vaardigde het Voorloopig Bewind — dat nochtans, sedert de aanstelling van het Congres, van de wetgevende macht beroofd was — zijn berucht treurig Besluit uit, dat straffeloos onze taal versmaadde en met de voeten trapte.
«Overwegende, zeiden Rogier, Gendebien. Félix de Mérode en Van de Weyer, dat het Vlaamsch, door de inwoners van zekere plaatsen (?) gesproken, verschilt van provincie tot provincie en soms van omschrijving tot omschrijving, zoodat het onmogelijk zijn zou den tekst der wetten en besluiten in die taal af te kondigen, zal het Fransch in België de eenige officieele taal zijn.» Wel is waar werd het gebruik van het Nederlandsch toegelaten, doch onder zulke voorwaarden, dat de aanwezigheid van éen Vlaamschonkundige onder de rechters, de Fransche taal aan een gansche omschrijving opdrong. En in het bestuur zoowel als in het leger welk een onrechtvaardige verhouding tusschen Vlamingen en Walen: bijna geen Vlaamsche officieren, bijna geen Vlaamsche ambtenaren; dit was het gevolg van de geweldige plaatskensjacht, waarmede de Walen hunne taalgenooten van 't Voorloopig Bewind bestormd hadden.
Onrechtvaardige taalbesluiten, onrechtvaardige verdeeling der ambten: voor dezelfde grieven had de Waalsche oppositie het tot de Omwenteling gebracht, en het Koninkrijk der Nederlanden vaneengescheurd; de gedweeë Vlaming liet maar alles lijdzaam gebeuren.
De ministeries van Leopold zetten de kroon op dit hatelijk verfranschingswerk met het Fransch als voertaal aan de overgebleven officieele onderwijsgestichten op te dringen. Wij zeggen de nog overgebleven gestichten: want in de eerste dagen der Omwenteling, die in Vlaamsch-België meestal een clericaal karakter had aangenomen, waren de lagere officieele scholen door de geestelijkheid weggekuischt, met zulk een wraaklust, dat de landkaarten van de muren werden gerukt, de leertoestellen in een vreugdevuur verbrand, en dat de koperen gewichten van het metriek stelselnaar de kinderen gegooid werden om er mee te spelen; de gemeentebesturen sloten eenvoudig de colleges en wierpen de wereldlijke leeraars buiten om ze door priesters te vervangen. In tien jaar tijds viel de gemiddelde wedde der schoolmeesters van 300 op 210 frank; het getal scholen viel van 4000 op 2000; en door de afschaffing der opzieners van 't onderwijs verdween alle toezicht op de scholen.
In October had het Voorloopig Bewind de drie Staatshoogescholen afgeschaft en ze in de volgende maand heringericht, doch derwijze verminkt, dat de twee voorbereidende faculteiten ontbraken. Na de inrichting van de hoogeschool te Leuven door de Katholieken en die te Brussel door de Liberalen (1834-1835), werd de regeering verplicht de twee Staatshoogescholen te Gent en te Luik te herstellen; doch voor het middelbaar en het lager onderwijs deed zij niets! Het onderwijs in Vlaanderen, zonder programma, zonder toezicht van de openbare besturen, in handen van eene in 't algemeen zeer weinig ontwikkelde geestelijkheid, bleef gedurende jaren bijna nul: van daar weldra het ontzettend getal ongeletterden in een streek die onder Willem's regeering zooveel beloofde!
In de gestichten, die aan de ramp ontsnapt waren, voerde nu het hooger bestuur het Fransch als voertaal in! Nevens de algemeene onwetendheid van de bevolking schiep men aldus een kloof tusschen de verlichte standen en de lagere volksklasse, hetgeen onberekenbare gevolgen moest hebben.
Het doel scheen bereikt; reeds jubelden deze Franschgezinde meesters over de uitroeiing van de taal van de groote meerderheid der bevolking. Doch, daar ontstaat de Vlaamsche Beweging; de Vlaamsche Commissie legt de grieven van de Vlaamsche bevolking bloot......
De volgende hoofdstukken zullen uitwijzen hoe het Vlaamsche volk, niettegenstaande de Waalsche overheersching en dank zij zijn taaien moed en de aanhoudendheid van de leiders onzer Beweging, op velerlei gebied aan de ondergeschiktheid kon ontsnappen en zich voorbereidt om de geleden schade in te halen.
[26]S. Van de Weyer had aan Leopold op 6enOogst het zeer overdreven nieuws van een Belgischen opstand op Java geseind; de minister van oorlog D'Hane aarzelde niet aan Lebeau te melden, dat de Belgische troepen zich te Batavia van de regeering meester gemaakt hadden en een bestuur ingericht in naam van het Belgische volk. De minister voegde erbij dat het gansche eiland zich aan die regeering onderworpen had, en dat de Koning hem uitnoodigde een agent naar Batavia te sturen.
[26]S. Van de Weyer had aan Leopold op 6enOogst het zeer overdreven nieuws van een Belgischen opstand op Java geseind; de minister van oorlog D'Hane aarzelde niet aan Lebeau te melden, dat de Belgische troepen zich te Batavia van de regeering meester gemaakt hadden en een bestuur ingericht in naam van het Belgische volk. De minister voegde erbij dat het gansche eiland zich aan die regeering onderworpen had, en dat de Koning hem uitnoodigde een agent naar Batavia te sturen.
[26]S. Van de Weyer had aan Leopold op 6enOogst het zeer overdreven nieuws van een Belgischen opstand op Java geseind; de minister van oorlog D'Hane aarzelde niet aan Lebeau te melden, dat de Belgische troepen zich te Batavia van de regeering meester gemaakt hadden en een bestuur ingericht in naam van het Belgische volk. De minister voegde erbij dat het gansche eiland zich aan die regeering onderworpen had, en dat de Koning hem uitnoodigde een agent naar Batavia te sturen.
C. P. E. Robidé van der Aa,Catalogus van boekwerken en vlugschriften, betreffende de woelingen in het zuidelijk gedeelte der Nederlanden, 3 dln. (Amsterdam, 1838-1840). — a)Officieele akten:L'Union belge(Voorloopig Bewind), 10 October 1830-3 Maart 1831 (Brussel);Le Moniteur belge(Brussel, sedert 16 Juni 1831); J. G. Verstolk van Soelen,Recueil de pièces diplomatiques relatives aux affaires de la Hollande et de la Belgique en 1830-1832, 3 dln. ('s Gravenhage, 1831-1833); E. Huyttens de Terbecq,Discussions du Congrès National de Belgique, 5 dln. (Brussel, 1844-1845); Lagemans,Recueil des traités et conventions conclus par le Royaume des Pays-Bas depuis 1813, 10 dln. ('s Gravenhage, 1858-90). — b)Dagbladen: zie A. Warzée,Essai historique et critique sur les journaux belges(Gent, 1845). — c)Vlugschriften: Ch. Froment,Études sur la Révolution belge(Gent, 1834); brochures van graaf van Hogendorp, S. Van de Weyer en Libry-Bagnano, aangehaald door Nothomb.Essai historique et politique(blz. 39-40). — d)Brieven: J. R. Thorbecke,Brieven1830-32 ('s Gravenhage, 1873); G. K. van Hogendorp,Brieven, 4 dln. ('s Gravenhage, 1866-67).-e)Gedenkschriften: Van der Duyn van Maasdam en Van der Capellen,Notices et Souvenirs biographiques(St Germain-en-Laye, 1852): J. Lebeau, L. de Potter, H. de Mérode, zie hooger; K. Pletinckx,Souvenirs révolutionnaires(Brussel, 1857); A. J. Goblet d'Alviella,Mémoires historiques, 2 dln. (Brussel, 1864-65); A. L. Van der Meere,Mémoires(Brussel, 1880); Prince de Talleyrand,Mémoires, uitg. Duc de Broglie, 5 dln. (Parijs, 1891); E. Bertin,Journal intime de Cuvillier-Fleury, 2 dln. (Parijs, 1900-1902). — f)Levensberichten: Th. Juste,Les Fondateurs de la monarchie belge, onder dewelke ook Lord Palmerston en BonStockmar, 22 dln. (Brussel, 1866-1878); L. Jottrand,Louis de PotterBrussel, 1860); E. Discailles,Charles Rogier, 4 dln. (Brussel, 1892-1895); Mgr. G. Monchamp,L'Évêque Van Bommel et la Révolution belge(inBulletin de l'Académie de Belgique, 1905); H. Siccama,Vie d'Antoine Falck('s Gravenhage, 1860); Bonde Sirtema de Grovestins,Le Baron Robert Fagel('s Gravenhage, 1857); H. von Gagern,Das Leben des Generals F. von Gagern, 2 dln. (Leipzig, 1856-57); H. Bulwer Lytton,The Life of Palmerston, 3 dln. (Londen, 1870). — g)Gelijktijdige schriften: Buiten Nothomb en De Gerlache hooger vermeld, W. Grave van Bylandt,Verhael van het oproer te Brussel('s Gravenhage, 1831); Don Juan van Halen,Les Quatre Journées(Brussel,1831); M. de Warguy,Esquisses historiques de la Révolution en Belgique(Brussel, 1831); Kessels,Précis des opérations militaires durant les quatre journées de septembre(Brussel, 1831); Ch. de Leutre,Histoire de la Révolution belge, 3 dln. (Brussel, 1849). — Ch. White,The Belgian Revolution, 2 dln. (Londen, 1835); Ch. Lefebvre de Bécourt,La Belgique et la Révolution de Juillet(Parijs, 1835); Ungewitter,Geschichte der Niederlande und der Belgischen Revolution(Leipzig, 1832). — Bonde Keverberg,Du Royaume des Pays-Bas et de sa crise actuelle, 2 dln. ('s Gravenhage, 1835), zeer scherpe critiek op Nothomb's hoogervermeldEssai historique(1833); antwoord van Nothomb in het dagbladL'Indépendant(Februari-Maart 1835). — Ad. Bartels,Les Flandres et la Révolution belge(Brussel, 1834); enDocuments historiques sur la Révolution belge(Brussel, 1836). — J. B. Van der Meulen, priester,Willem, ingedrongen koning der Nederlanden, 2 dln. (Brussel, 1839). — Ch. Durand,Dix jours de campagne ou la Hollande en 1831(Amsterdam, 1832). — Chevalier de Richemond,Campagne de 1832 en Belgique(Parijs, 1833). — h)Moderne geschiedkundige werken: Th. Juste,La Révolution belge de 1830 d'après les documents inédits(Brussel, 1872); Ch. V. de Bavay,Histoire de la Révolution belge de 1830(Brussel, 1873) en twee terechtwijzende opene brieven tot dien oud-Procureur-Generaal door Th. Juste gericht (Brussel, 1873-74); L. Hymans,Histoire parlementaire de la Belgique de 1830 à 1880, 6 dln. (Brussel, 1877-1880); Th. Juste,Le Congres national de Belgique, 2 dln. (Brussel, 1850); Prof. J. Bosscha,De Belgische Revolutie(Leeuwarden, 1856); zie hooger Nuyens. — Ph. Van der Kemp,De Antwerpsche proclamatie des Prinsen van Oranje(in denTijdspiegel, October 1902-1903), en dezelfde,De Belgische Omwenteling in Luik en Limburg, 2 dln. ('s Gravenhage, 1904); W. Wüppermann,De tiendaagsche veldtocht('s Gravenhage, 1881). — Graaf Oswald de Kerchove de Denterghem,Les préliminaires de la Révolution belge en 1830 (Revue de Belgique,1896). — Vtede Beaumont-Vassy,Histoire des États Européens depuis le Congrès de Vienne, Belgique et Hollande(Parijs, 1843); Ch. de Ficquelmont,Lord Palmerston, l'Angleterre et le Continent(Brussel, 1853); Cted'Haussonville,Histoire de la politique extérieure du gouvernement français de 1830 à 1848(Parijs, 1850); L. Blanc,Histoire de Dix Ans(Parijs, 1842); Lucien de la Hodde,Histoire des sociétés secrètes en France(Parijs, 1850); E. Carlier,Talleyrand et la Belgique (Revue de Belgique, 1891); Duc de Broglie,Le dernier bienfait de la monarchie, la neutralité de la Belgique (Revue des Deux Mondes, 1899-1900); R. Guyot,La dernière négociation de Talleyrand, l'indépendance de la Belgique (Revue d'histoire moderne et contemporaine, Parijs, 1900-1901); R. Dollot,Les origines de la neutralité de la Belgique(Parijs, 1902); Chev. David-Descamps,La neutralité de la Belgique(Brussel, 1902); Pastoor Fl. de Lannoy,Les origines diplomatiques de l'indépendance belge, la Conférence de Londres(Leuven, 1903). — L. van Neck,1830 Illustré(Brussel, 1902); Ch. Terlinden,La Révolution belge de 1830 racontée parles affiches(Brussel, 1903). — Ch. Niellon,Histoire des événements militaires et des conspirations orangistes de 1830 à 1833(Brussel, 1868); A. Eenens,Documents historiques sur les conspirations militaires de 1831, 3 dln. (Brussel, 1875-1876). — J. J. Thonissen,La Belgique sous le règne de Léopold I, 3 dln. (Leuven, 1861); G. Oppelt,Histoire générale de la Belgique de 1830 à 1860(Brussel, 1861); L. Hymans,Histoire populaire de Léopold I(Brussel, 1864); Th. Juste,L'élection de Léopold I(Brussel, 1867), enLéopold I roi des Belges, 2 dln. (Brussel, 1868); Saint René Taillandier,Le roi Léopold et la reine Victoria, 2 dln. (Parijs, 1878); André Martinet,Léopold I et l'intervention française en Belgique en 1831(Brussel, 1905).
Zie verder deBiographie Nationale, uitg. door de Kon. Academie van België, en dePatria Belgica, uitg. Van Bemmel, dl. II.
Twee uitstekende samenvattingen zijn: A. Waddington,L'Insurrection belge et le Royaume de Belgique, bij Lavisse et Rambaud,Histoire générale de l'Europe, dl. X, hoofdstuk IX; en A. Stern,Die NiederlandeenBegründung Belgiens, in zijneGeschichte Europas von 1830 bis 1848, dl. I (1905), hoofdstukken II en V.