HOOFDSTUK X.

[Inhoud]HOOFDSTUK X.Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen Wies haar boudoir binnenstoof.„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.… en hij is zoo heelemaal veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel.….. hij is de mooiste man van de wereld … en ik ben zoo trotsch op hem!.….”Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een paar maal van vreugde door de kamer.„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!… zoo’n knappen, grooten, dapperen broer!.… alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk tegen!… neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.… En dat[124]is nu mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!.…. En hij is zoo lief, hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien.….. Ik geef hem een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben … wat zullen ze kijken!.… en hij komt dadelijk hier … Hij moest eerst even op het ministerie vanKoloniënzijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè.…. daarom vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen.…. dan laat je hem natuurlijk even boven.… zulke intiemen als wíj, hè, die moeten niet met stijve visites beginnen … en ik heb hem al zooveel van je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent.…. Nu, wat kijk je raar, je vindt het toch wel goed?.….”„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de puntjes, maar omdat het jouw broer is.… En dan zoo’n heel bizondere broer, zoo’n held.…”Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote, mooie dingen[125]had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, enmisschienstraks plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een onbestemd gevaar.En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.….Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en hartelijk had voorbereid.Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om[126]Maurice daar zoo zonder stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen.„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog een week of vier blijven.”„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies. „Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè, Pim of Maurice!”Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen, van zoo héél verre, uit den droom.…[127]Daar werd gescheld.„Zou hij het al zijn?” riep Wies.En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie. En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt altijd zoo zacht, net of hij niet durft.”Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus, en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de volgende Clingendaalraces.Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice, die ieder oogenblik kon komen.Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op, alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns tegen Wies:„Daar is hij!”Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur, en zware stappen in de[128]marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de trap op, en nader, en naderbij.…De deur ging open.En daar stond hij.Groot, donker, en zwaar.Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte, luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur.Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk.Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere, magnetische sterren, die haar tégenstraalden.En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water, en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar …[129]

[Inhoud]HOOFDSTUK X.Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen Wies haar boudoir binnenstoof.„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.… en hij is zoo heelemaal veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel.….. hij is de mooiste man van de wereld … en ik ben zoo trotsch op hem!.….”Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een paar maal van vreugde door de kamer.„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!… zoo’n knappen, grooten, dapperen broer!.… alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk tegen!… neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.… En dat[124]is nu mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!.…. En hij is zoo lief, hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien.….. Ik geef hem een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben … wat zullen ze kijken!.… en hij komt dadelijk hier … Hij moest eerst even op het ministerie vanKoloniënzijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè.…. daarom vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen.…. dan laat je hem natuurlijk even boven.… zulke intiemen als wíj, hè, die moeten niet met stijve visites beginnen … en ik heb hem al zooveel van je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent.…. Nu, wat kijk je raar, je vindt het toch wel goed?.….”„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de puntjes, maar omdat het jouw broer is.… En dan zoo’n heel bizondere broer, zoo’n held.…”Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote, mooie dingen[125]had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, enmisschienstraks plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een onbestemd gevaar.En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.….Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en hartelijk had voorbereid.Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om[126]Maurice daar zoo zonder stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen.„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog een week of vier blijven.”„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies. „Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè, Pim of Maurice!”Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen, van zoo héél verre, uit den droom.…[127]Daar werd gescheld.„Zou hij het al zijn?” riep Wies.En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie. En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt altijd zoo zacht, net of hij niet durft.”Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus, en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de volgende Clingendaalraces.Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice, die ieder oogenblik kon komen.Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op, alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns tegen Wies:„Daar is hij!”Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur, en zware stappen in de[128]marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de trap op, en nader, en naderbij.…De deur ging open.En daar stond hij.Groot, donker, en zwaar.Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte, luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur.Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk.Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere, magnetische sterren, die haar tégenstraalden.En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water, en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar …[129]

HOOFDSTUK X.

Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen Wies haar boudoir binnenstoof.„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.… en hij is zoo heelemaal veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel.….. hij is de mooiste man van de wereld … en ik ben zoo trotsch op hem!.….”Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een paar maal van vreugde door de kamer.„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!… zoo’n knappen, grooten, dapperen broer!.… alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk tegen!… neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.… En dat[124]is nu mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!.…. En hij is zoo lief, hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien.….. Ik geef hem een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben … wat zullen ze kijken!.… en hij komt dadelijk hier … Hij moest eerst even op het ministerie vanKoloniënzijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè.…. daarom vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen.…. dan laat je hem natuurlijk even boven.… zulke intiemen als wíj, hè, die moeten niet met stijve visites beginnen … en ik heb hem al zooveel van je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent.…. Nu, wat kijk je raar, je vindt het toch wel goed?.….”„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de puntjes, maar omdat het jouw broer is.… En dan zoo’n heel bizondere broer, zoo’n held.…”Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote, mooie dingen[125]had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, enmisschienstraks plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een onbestemd gevaar.En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.….Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en hartelijk had voorbereid.Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om[126]Maurice daar zoo zonder stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen.„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog een week of vier blijven.”„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies. „Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè, Pim of Maurice!”Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen, van zoo héél verre, uit den droom.…[127]Daar werd gescheld.„Zou hij het al zijn?” riep Wies.En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie. En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt altijd zoo zacht, net of hij niet durft.”Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus, en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de volgende Clingendaalraces.Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice, die ieder oogenblik kon komen.Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op, alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns tegen Wies:„Daar is hij!”Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur, en zware stappen in de[128]marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de trap op, en nader, en naderbij.…De deur ging open.En daar stond hij.Groot, donker, en zwaar.Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte, luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur.Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk.Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere, magnetische sterren, die haar tégenstraalden.En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water, en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar …[129]

Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen Wies haar boudoir binnenstoof.

„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.… en hij is zoo heelemaal veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel.….. hij is de mooiste man van de wereld … en ik ben zoo trotsch op hem!.….”

Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een paar maal van vreugde door de kamer.

„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!… zoo’n knappen, grooten, dapperen broer!.… alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk tegen!… neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.… En dat[124]is nu mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!.…. En hij is zoo lief, hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien.….. Ik geef hem een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben … wat zullen ze kijken!.… en hij komt dadelijk hier … Hij moest eerst even op het ministerie vanKoloniënzijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè.…. daarom vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen.…. dan laat je hem natuurlijk even boven.… zulke intiemen als wíj, hè, die moeten niet met stijve visites beginnen … en ik heb hem al zooveel van je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent.…. Nu, wat kijk je raar, je vindt het toch wel goed?.….”

„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de puntjes, maar omdat het jouw broer is.… En dan zoo’n heel bizondere broer, zoo’n held.…”

Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote, mooie dingen[125]had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, enmisschienstraks plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een onbestemd gevaar.

En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.….

Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en hartelijk had voorbereid.

Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om[126]Maurice daar zoo zonder stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen.

„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog een week of vier blijven.”

„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies. „Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè, Pim of Maurice!”

Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen, van zoo héél verre, uit den droom.…[127]

Daar werd gescheld.

„Zou hij het al zijn?” riep Wies.

En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie. En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt altijd zoo zacht, net of hij niet durft.”

Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus, en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de volgende Clingendaalraces.

Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice, die ieder oogenblik kon komen.

Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op, alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns tegen Wies:

„Daar is hij!”

Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur, en zware stappen in de[128]marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de trap op, en nader, en naderbij.…

De deur ging open.

En daar stond hij.

Groot, donker, en zwaar.

Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte, luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur.

Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk.

Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere, magnetische sterren, die haar tégenstraalden.

En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water, en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar …[129]


Back to IndexNext