ELFDE HOOFDSTUK.Het einde van een heldenleven.De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd reeds in het volgende jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield den krijg vol.Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die in heel zijn land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene zon genoemd werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein landje. Gaven Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij zou alleen toonen wat hij kon.De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen, dat de Republiek der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van Frankrijks „zon” geen duimbreed gronds verloor.Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het te kwaad met Sicilië, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig werd.Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er den wensch bij uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier hulpvloot staan zou.De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te willigen, doch de hulp zou gering zijn.Sedert korten tijd slechts was onze Luitenant-Admiraal-Generaal in den stillen, huiselijken kring teruggekeerd; want na de schitterende overwinning bij Kijkduin, was hij met een deel der Hollandsche vloot naar West-Indië geweest om daar de Franschen te gaan bestoken.En eenmaal tot de zijnen teruggekeerd was hem op zijnen ouden dag de ruste zóó lief, dat hij de vereerende uitnoodiging van den Koning van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof te vertoeven, beleefdelijk weigerde.Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste levensjaren aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem lief en dierbaar waren.Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat ooit zijn doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien hield zijn zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien naam met eere op.Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne hulp niet zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem het bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was.Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen; want, zonder rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij bezat, en zijn inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven.Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan?Maar het lot had anders beslist.Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee zenden.Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere vaartuigen en vier branders werden hem toegezonden.Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met wien De Ruyter niet overweg kon.Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien, of hij schudde het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het Admiraliteits-collegie, die hem deze lijst brachten: „Ik ken de Franschen. Ze hebben van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te vergeefs liet de slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk aan het gevecht deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder aanvoert, is een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?”„Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij weten toch, dat hij slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man was, als UEd. denkt, zou hij het wel veel verder gebracht hebben.”„U kent hem niet, Heeren,” sprak de Ruyter. „Lodewijk zou hem reeds lang bevorderd hebben, als hij niet een Protestant was. Maar dat daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk hij te bevelen heeft, en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat niet. Achttien schepen is veel te weinig.”„UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te rekenen, Meneer De Ruyter!”„Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De Spanjaarden zullen ons helpen, zooals de Franschen de Engelschen in ’72 en ’73 hielpen. Zij zullen ons de kastanjes uit het vuur doen halen en van verre toekijken of ons dat werk ook gelukt. Ik herhaal het: mijne vloot is te klein!”„Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden dag bevreesd begint te worden en den moed dreigt te laten zakken,” merkte thans een der Heeren aan.Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd, en den driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met waardigheid en ernst: „Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn leven veil voor het Vaderland; maar ik ben verwonderd, en het is mij leeddat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen!”„Welnu, die schande dragen wij dan,” zeide dezelfde, „en wij verzoeken UEd. toch naar zee te gaan met de vloot, die wij u geven willen.”Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze zeide hij: „De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden. En al werd mij bevolen ’s Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou daarmee naar zee gaan, en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen, zal ik mijn leven wagen!”Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te dom, te opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van De Ruyter, te kunnen begrijpen.Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd hij opeens door ziekten van den ouden dag overvallen.„Ga toch niet naar zee!” zoo smeekten vrouw, kinderen, en vrienden.Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor houden, dat hij geenen moed meer had.Ja, daarover moest hij heenstappen. „Dat wist men wel beter,” zeide men.„Neen, neen,” riep De Ruyter, „ik zal naar zee gaan! Ik zal dien tocht doen, al zou men mij ook naar het schip dragen!”Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij deed het ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit.Waarom toch?Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste vrienden.„Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen adieu, maar adieu voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal op dezen tocht blijven. Ik voel het!”Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de vergadering der Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar ’s Lands vloot te begeven.Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der vergadering, hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op dezen tocht weer schitterend zou blijken, dat het bevel van ’s Lands vloot aan geene betere handen kon toevertrouwd geworden zijn.1Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen Vice-Admiraal De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en dan de vloot te Cadiz af te wachten.Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De Ruyter dus wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den Vice-Admiraal De Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot niets. Men hield onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en eindelijk kreeg hij last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar hij zes Spaansche schepen vinden zou.Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee ingezeild was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van Algiers te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den stokouden Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang aangekeken had.„Admiraal,” zeide deze eindelijk.De Ruyter keerde zich om en zei: „Zoo, Lievensz., zijt gij daar?”„Ja, Admiraal, hier ben ik!”„Het gaat ons niet voor den wind, man!” sprak De Ruyter.„Neen, alles behalve dat, Admiraal, maar....”Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk gezicht.„Wat scheelt er aan?” vroeg De Ruyter.„Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met vrede, dan zou ik hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman kunnen beschaamd zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!”„Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken, Lievensz.! Uw oude dag vergt rust, en ge kunt toch best leven!”„Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had moeten blijven, Admiraal!”„Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!”„Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er een, en dat zijt gij!” riep de „Barre Bruinvisch” opeens uit. „Gij hadt dien kerels, die van niemendal anders weten dan geld te ontvangen, den voornamen heer uit te hangen en eenen man als „Bestevaêr Michiel” is, te beleedigen, vierkant in het gezicht moeten zeggen: „Ik ga niet of, als Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam past!”„Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den ouden dag nog zoo trotsch?”„Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch op u, dien ik gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn zesentachtigste jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den nederigsten en vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier tegen u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is te vol. Michiel, Bestevaêr Michiel, ik voorzie er in, dat het mis met ons afloopt. We zullen verliezen en—jij, brave man, jij zult op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!”„Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den loopgaan?” vroeg De Ruyter met flikkerende oogen. „Lievensz., Lievensz., dàt zal ik niet doen. Al vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar op den loop gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!”„Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar is me dat nu een vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen met meer dan twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij Kijkduin?”„Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te klein; maar denk er aan, man, wat de zee-oorlog van ’72 en ’73 gekost heeft, en wat de oorlog te lande nóg kost. Het land is uitgeput, en niet alle gewesten willen altijd met Holland en Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje, de Raadpensionaris Fagel, en het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, Mijnheer De Wildt, hebben alles gedaan, wat ze konden om mij meer schepen te geven; maar ze hebben het er niet door kunnen krijgen. De tocht mag ook niet langer dan zes maanden duren. We willen dus hopen, dat ge gauw terugkeeren kunt!” zeide De Ruyter en ging nu naar zijnen Kapitein, den dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over hetgeen het best kon gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad toen hij zeide, dat de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou hebben. Overal waar hij aankwam werd hij met eerbewijzen overladen, maar hulp, waar het om te doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer hij hier, dan daar heen. Eindelijk kreeg men den zevenden Januari den vijand bij het eiland Stromboli in het gezicht, en hoewel deze vloot veel sterker dan de onze was, besloot De Ruyter haar toch aan te tasten. Hij riep alle Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord en beval hun, zich voor den dag van morgen tot den strijd gereed te houden. Dezen beloofden met zeemans-handslag hunnen plicht te zullen doen en verlieten het Admiraalsschip.Nog vóór de dageraad aanbrak gaf de Fransche Bevelhebber het sein om te wenden, en zoodoende het voordeelvan den wind te krijgen, doch nauwelijks had De Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te voorkomen. En wie nu eenen zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt om te aanschouwen, zou met vermaak gekeken hebben naar de pogingen, die aangewend werden om elkander den loef af te winnen. De wind liep echter om en de Franschen wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende dien zeetocht had De Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van den vijand goed op te nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was, dan hij in het eerst gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel niet meer te denken; het gevecht moest plaats hebben.De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter zich uit den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed onder het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag, die door Duquesne beantwoord werd.Dit was het teeken tot den strijd.En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet zoo gering te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter, waarin deze getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus schutgevaarte gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had bijgewoond.Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden ontzettend geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade eenigszins te herstellen.De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade bekomen.Dezen hadden zich gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit de verte met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien. Maar alsof ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de Spaansche Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens te beginnen, alsof er niemendal gebeurd was.Hij schreef De Ruyter eenen brief van: „nu moet mendit en dan moet men dat,” en zoo al voort en eindigde met te schrijven: „Uw grootste dienaar en vriend, die uwe handen kust,Don Andrea de Avolos.”Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen bluffenden brief een velletje best Hollandsch schrijfpapier te vermorsen. Hij liet althans eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het goed was, op de ommezijde van De Avolos’ brief zetten, en van handen kussen kwam niemendal voor.Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den vijand op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De Ruyter bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden dan wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren, ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had, dat die tijd door de Staten verlengd was.Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De Ruyter, na zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na gevleid en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met kwalijk verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goedals geene versterking gekregen, en de Spanjaarden snoefden weer veel harder dan eenigen tijd geleden, doch als het op handelen aankwam, waren ze niet thuis. Zijne ongesteldheden kwamen ook gedurig terug en—dat akelig voorgevoel van zijn naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen was, toen hij de zes maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht, kwam nu en dan ook weer voor den dag, maar, hij zette zich met een: „Als het moet, dan moet het,” over alles heen, en toonde zich weldra weder dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was maar, dat hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandschezee was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht.Dit zou evenwel niet geschieden.Den tweeëntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee vijandelijke vloten elkander in het gezicht van den berg Etna.De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij laten gaan.„Dat zal een harde dobber geven, Kapitein,” zeide De Ruyter op de Fransche vloot wijzende.„Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!” antwoordde Callenburgh. „Maar Uwe Edelheid heeft meer tegen de overmacht gestreden en overwonnen!”„Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet haperen zal. Als ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van geen wijken weten. Maar—het zijn niet allemaal Callenburghs, en—de overmacht is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles en alles juist vijfenveertighonderd koppen met achthonderd tweeënvijftig stukken op zevenentwintig gehavende schepen tellen? En de Franschman heeft zijne vloot in vier smaldeelen kunnen deelen, terwijl ik schepen zie van tachtig en negentig stukken. Hij is zeker driemaal sterker dan wij, Callenburgh!”2De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch beloofde nog eens, dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip „De Eendracht” voor drie vocht.In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenenaanvang nam, voerde De Ruyter de voorhoede aan, en weldra scheen het, dat de Etna verplaatst was.En de Spanjaarden?„Daar liggen ze weer in lij te schieten als gekken,” zeide Lievensz., die al druk bezig was om eenen gekwetste te verplegen; daar hij inderdaad nergens anders meer toe gebruikt kon worden.Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even naar De Ruyter, die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne bevelen uit te deelen.Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar het gevaar het grootst was.„Hij draagt zijn negenenzestig jaren met eere!” mompelde Lievensz. „O, dat de kooplui hem daar zagen staan, ze zouden het hart niet meer hebben aan zijnen moed te twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!”Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en den gekwetsten makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed, ja, beter dan hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit.Wat was er gebeurd?Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet weggenomen, en de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop was hij wel zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen.„O, Michiel, Michiel, Michiel,” kermt de oude „Barre”, die de eerste was om den gevallene bij te staan.„O, God, jongens! Jongens, Bestevaêr is gesneuveld!” schreeuwen de matrozen en komen in verwarring.„Neen, neen, mannen, niet gesneuveld! Bestevaêr leeft nog. Hij is aan den voet en het rechterbeen hevig gekwetst. Wreekt Bestevaêr, mannen, wreekt hem!” roept Callenburgh. „Den dood aan den Fransoos!”„Den dood aan den Fransoos!” schreeuwt het volk hem na en brandt de kanonnen zoo driftig los, alsof het muskettenzijn. „Op, op, voor onzen Bestevaêr! Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor Vaderland en Bestevaêr! God helpe ons!”„Vooruit! Vuur! Vuur!” beveelt Callenburgh, en alsof de held, die gewoon was als een stier op den vijand in te loopen, nog zelf stond te bevelen, slaat „De Eendracht” onder het donderen zijner kanonnen dwars door den vijand heen.Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog herstel mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme man, telkens als zijn geschut losbrandt: „Houdt moed, mijne kinderen, houdt moed! Zóó moet men doen om den zege te bevechten!”Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter zwaar gewond is.„Bestevaêr is gewond, kerels, brandt er op los!” roepen de Kapiteins hun volk toe. „Duizend Franschen voor Bestevaêr!”„Dan zal de Fransoos de rekening betalen, Kapitein! Tienduizend Fransozen voor éénen Hollandschen Bestevaêr! Het moet er nu op of onder, overwinnen of sterven! Hoezee! Hoezee! Voor Bestevaêr De Ruyter! Hoezee!”En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander telde werkelijk voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen weken. Gedurende den nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de plaats des gevechts, en den volgenden morgen waren van de Fransche schepen, heel in de verte de toppen der masten slechts zichtbaar, zoodat het niet twijfelachtig was, wie eene luisterrijke zege behaald had.Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich de overwinning durfden toeschrijven, en toch deden ze het.De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse terug.Wat al deelneming ondervond de groote man daar!Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen oogenblik er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te laten stellen en onderteekenen.Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters verwonding in het Vaderland ontvangen.Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat alleen uitputting van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij met zulk eene kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere hoogachting, die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de raadzaal van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had, was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik, lag in zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht hadden. Ze schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief, en de Stadhouder deed dat eene maand later.Maar geenen dier brieven had hij meer hooren voorlezen.Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje hem tot Hertog benoemd had.Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u niet meer, hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart? Straatjongen, herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den titel draagt van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u zelven nog Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk?Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is gesloten, gesloten voor immer en altoos.De wonden stonden vrij gunstig,—doch er zijn koortsen bij gekomen, en omringd door zijne helden is hij gestorven, zacht en gerust, des avonds van den negenentwintigsten Augustus 1676.Een gebed is zijn laatste woord geweest.Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot!Lievensz.had het lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut.Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland gebracht!O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche havenzeilde men voorbij, of de Fransche vlag werd halfstok geheschen en met eereschoten werd het lijk begroet, het lijk van den vijand van Frankrijk, van den nederigen burger. Dit had Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner vrienden, die hem zijne droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd heeft: „Al juich ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen te zijn, dit belet mij niet gevoelig te zijn over den dood van een groot man!”Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland.Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe Bestevaêr Michiel in het hart van iederen Nederlander leefde.Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een Spaansch gezant stond en uitriep: „Woont De Ruyter in dàt huis??”Onder die brieven waren er met koninklijke zegels!Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke plechtigheid in de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op kosten van den Staatweldra een prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch opschrift vermeldt daar zijnen roem, en boven den ingang van den kelder staat nog een klein opschrift in het Latijn.Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was.Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een stok-oud man in de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten, de beeltenis van den Admiraal te bekijken.„Een mooi praalgraf, he, ouwentje?” zeide een deftig heer, die hem ongemerkt genaderd was.„Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te lezen?”De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den ouden man het opschrift.Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude: „Alles mooi en waar, Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En daar boven den ingang, staat daar ook niet wat?”„Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat: „Intaminates fulget honoribus.”„Wat wil dat zeggen, Meneer?”„Dat wil zeggen: „Hij blinkt in onbedoezelde eere.”„Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is waar!”„Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend, oude?” vroeg de heer, die den grijsaard oplettend aanzag.„Of ik hem gekend heb!” riep de oude den heer toe, en hierop het beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon, aangrijpend schoon door de hartelijke geestdrift en liefde: „Michiel, Bestevaêr Michiel, daar vragen ze Lievensz. of ik u gekend heb! De „Barre Bruinvisch” zou zijn zeekind niet gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik bij u, hoor! Mijn avondschot zal ook spoedig vallen.”De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd en strompelde naar huis.De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit de oogen en fluisterde: „Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van hoe weinigen kan men zeggen wat men van u zegt: „Hij was groot als mensch, groot als held, groot als burger!”Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende eeuw waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien, dat ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het moet alleen ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden, als in de zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn, om te zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan.Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland eenmaal zoo groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van die eer weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden. Het is dan ook niet zoozeer voor hen, dat een standbeeld verrijst, als wel om het volk van den tegenwoordigen tijd in herinnering te brengen, wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan te sporen te doen, zooals zij deden.Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841, te Vlissingen een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat daar om ons, kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen: „Nietkunnenbestaat niet; met God en goeden wil kan men bijna alles. Ik heb u den weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en arm, volg mijn voorbeeld na! In mijne dagen waren er bange tijden, banger dan gij ooit gekend hebt; maar inplaats van moedeloos de handen in den schoot te laten rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig ging het voorwaarts tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en vrij en frank ons weer overal konden vertoonen. „De „Zeven Provinciën” konden veel; zouden „De Elf Provinciën” dan minder kunnen?”3Bestevaêr, wij, oud en jong Nederland, hebben uw woord verstaan, en wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens een jaar als 1672 was, moest aanbreken, dat wij met het oog op Stadhouder Willem III roepen zullen: „Oranje boven!” en met het oog op u: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”1De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hembevalin alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen, voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten „op een gemeenen stoel zonder armen.”↑2De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de branders. Er waren ervijfvan 90 of 96 stukken bij, vier van 80, elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld worden. De Franschman De Vivonne schrijft: „De Spanjaarden schoten van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen.”↑3Den 1stenMei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen.↑
ELFDE HOOFDSTUK.Het einde van een heldenleven.De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd reeds in het volgende jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield den krijg vol.Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die in heel zijn land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene zon genoemd werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein landje. Gaven Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij zou alleen toonen wat hij kon.De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen, dat de Republiek der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van Frankrijks „zon” geen duimbreed gronds verloor.Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het te kwaad met Sicilië, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig werd.Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er den wensch bij uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier hulpvloot staan zou.De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te willigen, doch de hulp zou gering zijn.Sedert korten tijd slechts was onze Luitenant-Admiraal-Generaal in den stillen, huiselijken kring teruggekeerd; want na de schitterende overwinning bij Kijkduin, was hij met een deel der Hollandsche vloot naar West-Indië geweest om daar de Franschen te gaan bestoken.En eenmaal tot de zijnen teruggekeerd was hem op zijnen ouden dag de ruste zóó lief, dat hij de vereerende uitnoodiging van den Koning van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof te vertoeven, beleefdelijk weigerde.Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste levensjaren aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem lief en dierbaar waren.Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat ooit zijn doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien hield zijn zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien naam met eere op.Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne hulp niet zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem het bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was.Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen; want, zonder rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij bezat, en zijn inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven.Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan?Maar het lot had anders beslist.Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee zenden.Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere vaartuigen en vier branders werden hem toegezonden.Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met wien De Ruyter niet overweg kon.Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien, of hij schudde het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het Admiraliteits-collegie, die hem deze lijst brachten: „Ik ken de Franschen. Ze hebben van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te vergeefs liet de slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk aan het gevecht deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder aanvoert, is een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?”„Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij weten toch, dat hij slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man was, als UEd. denkt, zou hij het wel veel verder gebracht hebben.”„U kent hem niet, Heeren,” sprak de Ruyter. „Lodewijk zou hem reeds lang bevorderd hebben, als hij niet een Protestant was. Maar dat daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk hij te bevelen heeft, en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat niet. Achttien schepen is veel te weinig.”„UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te rekenen, Meneer De Ruyter!”„Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De Spanjaarden zullen ons helpen, zooals de Franschen de Engelschen in ’72 en ’73 hielpen. Zij zullen ons de kastanjes uit het vuur doen halen en van verre toekijken of ons dat werk ook gelukt. Ik herhaal het: mijne vloot is te klein!”„Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden dag bevreesd begint te worden en den moed dreigt te laten zakken,” merkte thans een der Heeren aan.Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd, en den driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met waardigheid en ernst: „Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn leven veil voor het Vaderland; maar ik ben verwonderd, en het is mij leeddat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen!”„Welnu, die schande dragen wij dan,” zeide dezelfde, „en wij verzoeken UEd. toch naar zee te gaan met de vloot, die wij u geven willen.”Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze zeide hij: „De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden. En al werd mij bevolen ’s Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou daarmee naar zee gaan, en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen, zal ik mijn leven wagen!”Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te dom, te opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van De Ruyter, te kunnen begrijpen.Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd hij opeens door ziekten van den ouden dag overvallen.„Ga toch niet naar zee!” zoo smeekten vrouw, kinderen, en vrienden.Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor houden, dat hij geenen moed meer had.Ja, daarover moest hij heenstappen. „Dat wist men wel beter,” zeide men.„Neen, neen,” riep De Ruyter, „ik zal naar zee gaan! Ik zal dien tocht doen, al zou men mij ook naar het schip dragen!”Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij deed het ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit.Waarom toch?Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste vrienden.„Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen adieu, maar adieu voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal op dezen tocht blijven. Ik voel het!”Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de vergadering der Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar ’s Lands vloot te begeven.Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der vergadering, hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op dezen tocht weer schitterend zou blijken, dat het bevel van ’s Lands vloot aan geene betere handen kon toevertrouwd geworden zijn.1Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen Vice-Admiraal De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en dan de vloot te Cadiz af te wachten.Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De Ruyter dus wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den Vice-Admiraal De Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot niets. Men hield onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en eindelijk kreeg hij last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar hij zes Spaansche schepen vinden zou.Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee ingezeild was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van Algiers te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den stokouden Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang aangekeken had.„Admiraal,” zeide deze eindelijk.De Ruyter keerde zich om en zei: „Zoo, Lievensz., zijt gij daar?”„Ja, Admiraal, hier ben ik!”„Het gaat ons niet voor den wind, man!” sprak De Ruyter.„Neen, alles behalve dat, Admiraal, maar....”Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk gezicht.„Wat scheelt er aan?” vroeg De Ruyter.„Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met vrede, dan zou ik hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman kunnen beschaamd zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!”„Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken, Lievensz.! Uw oude dag vergt rust, en ge kunt toch best leven!”„Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had moeten blijven, Admiraal!”„Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!”„Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er een, en dat zijt gij!” riep de „Barre Bruinvisch” opeens uit. „Gij hadt dien kerels, die van niemendal anders weten dan geld te ontvangen, den voornamen heer uit te hangen en eenen man als „Bestevaêr Michiel” is, te beleedigen, vierkant in het gezicht moeten zeggen: „Ik ga niet of, als Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam past!”„Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den ouden dag nog zoo trotsch?”„Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch op u, dien ik gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn zesentachtigste jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den nederigsten en vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier tegen u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is te vol. Michiel, Bestevaêr Michiel, ik voorzie er in, dat het mis met ons afloopt. We zullen verliezen en—jij, brave man, jij zult op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!”„Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den loopgaan?” vroeg De Ruyter met flikkerende oogen. „Lievensz., Lievensz., dàt zal ik niet doen. Al vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar op den loop gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!”„Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar is me dat nu een vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen met meer dan twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij Kijkduin?”„Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te klein; maar denk er aan, man, wat de zee-oorlog van ’72 en ’73 gekost heeft, en wat de oorlog te lande nóg kost. Het land is uitgeput, en niet alle gewesten willen altijd met Holland en Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje, de Raadpensionaris Fagel, en het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, Mijnheer De Wildt, hebben alles gedaan, wat ze konden om mij meer schepen te geven; maar ze hebben het er niet door kunnen krijgen. De tocht mag ook niet langer dan zes maanden duren. We willen dus hopen, dat ge gauw terugkeeren kunt!” zeide De Ruyter en ging nu naar zijnen Kapitein, den dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over hetgeen het best kon gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad toen hij zeide, dat de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou hebben. Overal waar hij aankwam werd hij met eerbewijzen overladen, maar hulp, waar het om te doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer hij hier, dan daar heen. Eindelijk kreeg men den zevenden Januari den vijand bij het eiland Stromboli in het gezicht, en hoewel deze vloot veel sterker dan de onze was, besloot De Ruyter haar toch aan te tasten. Hij riep alle Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord en beval hun, zich voor den dag van morgen tot den strijd gereed te houden. Dezen beloofden met zeemans-handslag hunnen plicht te zullen doen en verlieten het Admiraalsschip.Nog vóór de dageraad aanbrak gaf de Fransche Bevelhebber het sein om te wenden, en zoodoende het voordeelvan den wind te krijgen, doch nauwelijks had De Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te voorkomen. En wie nu eenen zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt om te aanschouwen, zou met vermaak gekeken hebben naar de pogingen, die aangewend werden om elkander den loef af te winnen. De wind liep echter om en de Franschen wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende dien zeetocht had De Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van den vijand goed op te nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was, dan hij in het eerst gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel niet meer te denken; het gevecht moest plaats hebben.De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter zich uit den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed onder het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag, die door Duquesne beantwoord werd.Dit was het teeken tot den strijd.En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet zoo gering te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter, waarin deze getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus schutgevaarte gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had bijgewoond.Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden ontzettend geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade eenigszins te herstellen.De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade bekomen.Dezen hadden zich gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit de verte met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien. Maar alsof ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de Spaansche Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens te beginnen, alsof er niemendal gebeurd was.Hij schreef De Ruyter eenen brief van: „nu moet mendit en dan moet men dat,” en zoo al voort en eindigde met te schrijven: „Uw grootste dienaar en vriend, die uwe handen kust,Don Andrea de Avolos.”Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen bluffenden brief een velletje best Hollandsch schrijfpapier te vermorsen. Hij liet althans eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het goed was, op de ommezijde van De Avolos’ brief zetten, en van handen kussen kwam niemendal voor.Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den vijand op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De Ruyter bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden dan wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren, ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had, dat die tijd door de Staten verlengd was.Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De Ruyter, na zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na gevleid en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met kwalijk verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goedals geene versterking gekregen, en de Spanjaarden snoefden weer veel harder dan eenigen tijd geleden, doch als het op handelen aankwam, waren ze niet thuis. Zijne ongesteldheden kwamen ook gedurig terug en—dat akelig voorgevoel van zijn naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen was, toen hij de zes maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht, kwam nu en dan ook weer voor den dag, maar, hij zette zich met een: „Als het moet, dan moet het,” over alles heen, en toonde zich weldra weder dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was maar, dat hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandschezee was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht.Dit zou evenwel niet geschieden.Den tweeëntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee vijandelijke vloten elkander in het gezicht van den berg Etna.De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij laten gaan.„Dat zal een harde dobber geven, Kapitein,” zeide De Ruyter op de Fransche vloot wijzende.„Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!” antwoordde Callenburgh. „Maar Uwe Edelheid heeft meer tegen de overmacht gestreden en overwonnen!”„Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet haperen zal. Als ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van geen wijken weten. Maar—het zijn niet allemaal Callenburghs, en—de overmacht is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles en alles juist vijfenveertighonderd koppen met achthonderd tweeënvijftig stukken op zevenentwintig gehavende schepen tellen? En de Franschman heeft zijne vloot in vier smaldeelen kunnen deelen, terwijl ik schepen zie van tachtig en negentig stukken. Hij is zeker driemaal sterker dan wij, Callenburgh!”2De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch beloofde nog eens, dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip „De Eendracht” voor drie vocht.In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenenaanvang nam, voerde De Ruyter de voorhoede aan, en weldra scheen het, dat de Etna verplaatst was.En de Spanjaarden?„Daar liggen ze weer in lij te schieten als gekken,” zeide Lievensz., die al druk bezig was om eenen gekwetste te verplegen; daar hij inderdaad nergens anders meer toe gebruikt kon worden.Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even naar De Ruyter, die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne bevelen uit te deelen.Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar het gevaar het grootst was.„Hij draagt zijn negenenzestig jaren met eere!” mompelde Lievensz. „O, dat de kooplui hem daar zagen staan, ze zouden het hart niet meer hebben aan zijnen moed te twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!”Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en den gekwetsten makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed, ja, beter dan hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit.Wat was er gebeurd?Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet weggenomen, en de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop was hij wel zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen.„O, Michiel, Michiel, Michiel,” kermt de oude „Barre”, die de eerste was om den gevallene bij te staan.„O, God, jongens! Jongens, Bestevaêr is gesneuveld!” schreeuwen de matrozen en komen in verwarring.„Neen, neen, mannen, niet gesneuveld! Bestevaêr leeft nog. Hij is aan den voet en het rechterbeen hevig gekwetst. Wreekt Bestevaêr, mannen, wreekt hem!” roept Callenburgh. „Den dood aan den Fransoos!”„Den dood aan den Fransoos!” schreeuwt het volk hem na en brandt de kanonnen zoo driftig los, alsof het muskettenzijn. „Op, op, voor onzen Bestevaêr! Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor Vaderland en Bestevaêr! God helpe ons!”„Vooruit! Vuur! Vuur!” beveelt Callenburgh, en alsof de held, die gewoon was als een stier op den vijand in te loopen, nog zelf stond te bevelen, slaat „De Eendracht” onder het donderen zijner kanonnen dwars door den vijand heen.Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog herstel mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme man, telkens als zijn geschut losbrandt: „Houdt moed, mijne kinderen, houdt moed! Zóó moet men doen om den zege te bevechten!”Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter zwaar gewond is.„Bestevaêr is gewond, kerels, brandt er op los!” roepen de Kapiteins hun volk toe. „Duizend Franschen voor Bestevaêr!”„Dan zal de Fransoos de rekening betalen, Kapitein! Tienduizend Fransozen voor éénen Hollandschen Bestevaêr! Het moet er nu op of onder, overwinnen of sterven! Hoezee! Hoezee! Voor Bestevaêr De Ruyter! Hoezee!”En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander telde werkelijk voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen weken. Gedurende den nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de plaats des gevechts, en den volgenden morgen waren van de Fransche schepen, heel in de verte de toppen der masten slechts zichtbaar, zoodat het niet twijfelachtig was, wie eene luisterrijke zege behaald had.Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich de overwinning durfden toeschrijven, en toch deden ze het.De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse terug.Wat al deelneming ondervond de groote man daar!Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen oogenblik er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te laten stellen en onderteekenen.Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters verwonding in het Vaderland ontvangen.Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat alleen uitputting van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij met zulk eene kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere hoogachting, die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de raadzaal van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had, was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik, lag in zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht hadden. Ze schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief, en de Stadhouder deed dat eene maand later.Maar geenen dier brieven had hij meer hooren voorlezen.Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje hem tot Hertog benoemd had.Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u niet meer, hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart? Straatjongen, herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den titel draagt van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u zelven nog Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk?Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is gesloten, gesloten voor immer en altoos.De wonden stonden vrij gunstig,—doch er zijn koortsen bij gekomen, en omringd door zijne helden is hij gestorven, zacht en gerust, des avonds van den negenentwintigsten Augustus 1676.Een gebed is zijn laatste woord geweest.Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot!Lievensz.had het lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut.Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland gebracht!O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche havenzeilde men voorbij, of de Fransche vlag werd halfstok geheschen en met eereschoten werd het lijk begroet, het lijk van den vijand van Frankrijk, van den nederigen burger. Dit had Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner vrienden, die hem zijne droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd heeft: „Al juich ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen te zijn, dit belet mij niet gevoelig te zijn over den dood van een groot man!”Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland.Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe Bestevaêr Michiel in het hart van iederen Nederlander leefde.Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een Spaansch gezant stond en uitriep: „Woont De Ruyter in dàt huis??”Onder die brieven waren er met koninklijke zegels!Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke plechtigheid in de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op kosten van den Staatweldra een prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch opschrift vermeldt daar zijnen roem, en boven den ingang van den kelder staat nog een klein opschrift in het Latijn.Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was.Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een stok-oud man in de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten, de beeltenis van den Admiraal te bekijken.„Een mooi praalgraf, he, ouwentje?” zeide een deftig heer, die hem ongemerkt genaderd was.„Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te lezen?”De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den ouden man het opschrift.Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude: „Alles mooi en waar, Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En daar boven den ingang, staat daar ook niet wat?”„Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat: „Intaminates fulget honoribus.”„Wat wil dat zeggen, Meneer?”„Dat wil zeggen: „Hij blinkt in onbedoezelde eere.”„Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is waar!”„Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend, oude?” vroeg de heer, die den grijsaard oplettend aanzag.„Of ik hem gekend heb!” riep de oude den heer toe, en hierop het beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon, aangrijpend schoon door de hartelijke geestdrift en liefde: „Michiel, Bestevaêr Michiel, daar vragen ze Lievensz. of ik u gekend heb! De „Barre Bruinvisch” zou zijn zeekind niet gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik bij u, hoor! Mijn avondschot zal ook spoedig vallen.”De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd en strompelde naar huis.De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit de oogen en fluisterde: „Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van hoe weinigen kan men zeggen wat men van u zegt: „Hij was groot als mensch, groot als held, groot als burger!”Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende eeuw waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien, dat ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het moet alleen ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden, als in de zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn, om te zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan.Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland eenmaal zoo groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van die eer weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden. Het is dan ook niet zoozeer voor hen, dat een standbeeld verrijst, als wel om het volk van den tegenwoordigen tijd in herinnering te brengen, wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan te sporen te doen, zooals zij deden.Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841, te Vlissingen een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat daar om ons, kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen: „Nietkunnenbestaat niet; met God en goeden wil kan men bijna alles. Ik heb u den weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en arm, volg mijn voorbeeld na! In mijne dagen waren er bange tijden, banger dan gij ooit gekend hebt; maar inplaats van moedeloos de handen in den schoot te laten rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig ging het voorwaarts tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en vrij en frank ons weer overal konden vertoonen. „De „Zeven Provinciën” konden veel; zouden „De Elf Provinciën” dan minder kunnen?”3Bestevaêr, wij, oud en jong Nederland, hebben uw woord verstaan, en wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens een jaar als 1672 was, moest aanbreken, dat wij met het oog op Stadhouder Willem III roepen zullen: „Oranje boven!” en met het oog op u: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”1De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hembevalin alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen, voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten „op een gemeenen stoel zonder armen.”↑2De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de branders. Er waren ervijfvan 90 of 96 stukken bij, vier van 80, elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld worden. De Franschman De Vivonne schrijft: „De Spanjaarden schoten van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen.”↑3Den 1stenMei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen.↑
ELFDE HOOFDSTUK.Het einde van een heldenleven.De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd reeds in het volgende jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield den krijg vol.Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die in heel zijn land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene zon genoemd werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein landje. Gaven Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij zou alleen toonen wat hij kon.De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen, dat de Republiek der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van Frankrijks „zon” geen duimbreed gronds verloor.Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het te kwaad met Sicilië, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig werd.Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er den wensch bij uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier hulpvloot staan zou.De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te willigen, doch de hulp zou gering zijn.Sedert korten tijd slechts was onze Luitenant-Admiraal-Generaal in den stillen, huiselijken kring teruggekeerd; want na de schitterende overwinning bij Kijkduin, was hij met een deel der Hollandsche vloot naar West-Indië geweest om daar de Franschen te gaan bestoken.En eenmaal tot de zijnen teruggekeerd was hem op zijnen ouden dag de ruste zóó lief, dat hij de vereerende uitnoodiging van den Koning van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof te vertoeven, beleefdelijk weigerde.Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste levensjaren aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem lief en dierbaar waren.Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat ooit zijn doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien hield zijn zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien naam met eere op.Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne hulp niet zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem het bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was.Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen; want, zonder rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij bezat, en zijn inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven.Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan?Maar het lot had anders beslist.Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee zenden.Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere vaartuigen en vier branders werden hem toegezonden.Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met wien De Ruyter niet overweg kon.Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien, of hij schudde het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het Admiraliteits-collegie, die hem deze lijst brachten: „Ik ken de Franschen. Ze hebben van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te vergeefs liet de slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk aan het gevecht deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder aanvoert, is een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?”„Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij weten toch, dat hij slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man was, als UEd. denkt, zou hij het wel veel verder gebracht hebben.”„U kent hem niet, Heeren,” sprak de Ruyter. „Lodewijk zou hem reeds lang bevorderd hebben, als hij niet een Protestant was. Maar dat daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk hij te bevelen heeft, en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat niet. Achttien schepen is veel te weinig.”„UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te rekenen, Meneer De Ruyter!”„Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De Spanjaarden zullen ons helpen, zooals de Franschen de Engelschen in ’72 en ’73 hielpen. Zij zullen ons de kastanjes uit het vuur doen halen en van verre toekijken of ons dat werk ook gelukt. Ik herhaal het: mijne vloot is te klein!”„Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden dag bevreesd begint te worden en den moed dreigt te laten zakken,” merkte thans een der Heeren aan.Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd, en den driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met waardigheid en ernst: „Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn leven veil voor het Vaderland; maar ik ben verwonderd, en het is mij leeddat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen!”„Welnu, die schande dragen wij dan,” zeide dezelfde, „en wij verzoeken UEd. toch naar zee te gaan met de vloot, die wij u geven willen.”Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze zeide hij: „De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden. En al werd mij bevolen ’s Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou daarmee naar zee gaan, en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen, zal ik mijn leven wagen!”Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te dom, te opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van De Ruyter, te kunnen begrijpen.Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd hij opeens door ziekten van den ouden dag overvallen.„Ga toch niet naar zee!” zoo smeekten vrouw, kinderen, en vrienden.Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor houden, dat hij geenen moed meer had.Ja, daarover moest hij heenstappen. „Dat wist men wel beter,” zeide men.„Neen, neen,” riep De Ruyter, „ik zal naar zee gaan! Ik zal dien tocht doen, al zou men mij ook naar het schip dragen!”Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij deed het ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit.Waarom toch?Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste vrienden.„Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen adieu, maar adieu voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal op dezen tocht blijven. Ik voel het!”Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de vergadering der Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar ’s Lands vloot te begeven.Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der vergadering, hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op dezen tocht weer schitterend zou blijken, dat het bevel van ’s Lands vloot aan geene betere handen kon toevertrouwd geworden zijn.1Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen Vice-Admiraal De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en dan de vloot te Cadiz af te wachten.Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De Ruyter dus wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den Vice-Admiraal De Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot niets. Men hield onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en eindelijk kreeg hij last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar hij zes Spaansche schepen vinden zou.Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee ingezeild was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van Algiers te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den stokouden Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang aangekeken had.„Admiraal,” zeide deze eindelijk.De Ruyter keerde zich om en zei: „Zoo, Lievensz., zijt gij daar?”„Ja, Admiraal, hier ben ik!”„Het gaat ons niet voor den wind, man!” sprak De Ruyter.„Neen, alles behalve dat, Admiraal, maar....”Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk gezicht.„Wat scheelt er aan?” vroeg De Ruyter.„Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met vrede, dan zou ik hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman kunnen beschaamd zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!”„Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken, Lievensz.! Uw oude dag vergt rust, en ge kunt toch best leven!”„Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had moeten blijven, Admiraal!”„Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!”„Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er een, en dat zijt gij!” riep de „Barre Bruinvisch” opeens uit. „Gij hadt dien kerels, die van niemendal anders weten dan geld te ontvangen, den voornamen heer uit te hangen en eenen man als „Bestevaêr Michiel” is, te beleedigen, vierkant in het gezicht moeten zeggen: „Ik ga niet of, als Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam past!”„Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den ouden dag nog zoo trotsch?”„Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch op u, dien ik gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn zesentachtigste jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den nederigsten en vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier tegen u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is te vol. Michiel, Bestevaêr Michiel, ik voorzie er in, dat het mis met ons afloopt. We zullen verliezen en—jij, brave man, jij zult op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!”„Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den loopgaan?” vroeg De Ruyter met flikkerende oogen. „Lievensz., Lievensz., dàt zal ik niet doen. Al vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar op den loop gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!”„Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar is me dat nu een vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen met meer dan twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij Kijkduin?”„Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te klein; maar denk er aan, man, wat de zee-oorlog van ’72 en ’73 gekost heeft, en wat de oorlog te lande nóg kost. Het land is uitgeput, en niet alle gewesten willen altijd met Holland en Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje, de Raadpensionaris Fagel, en het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, Mijnheer De Wildt, hebben alles gedaan, wat ze konden om mij meer schepen te geven; maar ze hebben het er niet door kunnen krijgen. De tocht mag ook niet langer dan zes maanden duren. We willen dus hopen, dat ge gauw terugkeeren kunt!” zeide De Ruyter en ging nu naar zijnen Kapitein, den dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over hetgeen het best kon gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad toen hij zeide, dat de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou hebben. Overal waar hij aankwam werd hij met eerbewijzen overladen, maar hulp, waar het om te doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer hij hier, dan daar heen. Eindelijk kreeg men den zevenden Januari den vijand bij het eiland Stromboli in het gezicht, en hoewel deze vloot veel sterker dan de onze was, besloot De Ruyter haar toch aan te tasten. Hij riep alle Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord en beval hun, zich voor den dag van morgen tot den strijd gereed te houden. Dezen beloofden met zeemans-handslag hunnen plicht te zullen doen en verlieten het Admiraalsschip.Nog vóór de dageraad aanbrak gaf de Fransche Bevelhebber het sein om te wenden, en zoodoende het voordeelvan den wind te krijgen, doch nauwelijks had De Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te voorkomen. En wie nu eenen zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt om te aanschouwen, zou met vermaak gekeken hebben naar de pogingen, die aangewend werden om elkander den loef af te winnen. De wind liep echter om en de Franschen wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende dien zeetocht had De Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van den vijand goed op te nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was, dan hij in het eerst gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel niet meer te denken; het gevecht moest plaats hebben.De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter zich uit den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed onder het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag, die door Duquesne beantwoord werd.Dit was het teeken tot den strijd.En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet zoo gering te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter, waarin deze getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus schutgevaarte gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had bijgewoond.Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden ontzettend geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade eenigszins te herstellen.De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade bekomen.Dezen hadden zich gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit de verte met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien. Maar alsof ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de Spaansche Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens te beginnen, alsof er niemendal gebeurd was.Hij schreef De Ruyter eenen brief van: „nu moet mendit en dan moet men dat,” en zoo al voort en eindigde met te schrijven: „Uw grootste dienaar en vriend, die uwe handen kust,Don Andrea de Avolos.”Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen bluffenden brief een velletje best Hollandsch schrijfpapier te vermorsen. Hij liet althans eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het goed was, op de ommezijde van De Avolos’ brief zetten, en van handen kussen kwam niemendal voor.Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den vijand op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De Ruyter bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden dan wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren, ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had, dat die tijd door de Staten verlengd was.Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De Ruyter, na zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na gevleid en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met kwalijk verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goedals geene versterking gekregen, en de Spanjaarden snoefden weer veel harder dan eenigen tijd geleden, doch als het op handelen aankwam, waren ze niet thuis. Zijne ongesteldheden kwamen ook gedurig terug en—dat akelig voorgevoel van zijn naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen was, toen hij de zes maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht, kwam nu en dan ook weer voor den dag, maar, hij zette zich met een: „Als het moet, dan moet het,” over alles heen, en toonde zich weldra weder dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was maar, dat hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandschezee was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht.Dit zou evenwel niet geschieden.Den tweeëntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee vijandelijke vloten elkander in het gezicht van den berg Etna.De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij laten gaan.„Dat zal een harde dobber geven, Kapitein,” zeide De Ruyter op de Fransche vloot wijzende.„Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!” antwoordde Callenburgh. „Maar Uwe Edelheid heeft meer tegen de overmacht gestreden en overwonnen!”„Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet haperen zal. Als ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van geen wijken weten. Maar—het zijn niet allemaal Callenburghs, en—de overmacht is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles en alles juist vijfenveertighonderd koppen met achthonderd tweeënvijftig stukken op zevenentwintig gehavende schepen tellen? En de Franschman heeft zijne vloot in vier smaldeelen kunnen deelen, terwijl ik schepen zie van tachtig en negentig stukken. Hij is zeker driemaal sterker dan wij, Callenburgh!”2De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch beloofde nog eens, dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip „De Eendracht” voor drie vocht.In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenenaanvang nam, voerde De Ruyter de voorhoede aan, en weldra scheen het, dat de Etna verplaatst was.En de Spanjaarden?„Daar liggen ze weer in lij te schieten als gekken,” zeide Lievensz., die al druk bezig was om eenen gekwetste te verplegen; daar hij inderdaad nergens anders meer toe gebruikt kon worden.Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even naar De Ruyter, die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne bevelen uit te deelen.Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar het gevaar het grootst was.„Hij draagt zijn negenenzestig jaren met eere!” mompelde Lievensz. „O, dat de kooplui hem daar zagen staan, ze zouden het hart niet meer hebben aan zijnen moed te twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!”Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en den gekwetsten makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed, ja, beter dan hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit.Wat was er gebeurd?Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet weggenomen, en de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop was hij wel zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen.„O, Michiel, Michiel, Michiel,” kermt de oude „Barre”, die de eerste was om den gevallene bij te staan.„O, God, jongens! Jongens, Bestevaêr is gesneuveld!” schreeuwen de matrozen en komen in verwarring.„Neen, neen, mannen, niet gesneuveld! Bestevaêr leeft nog. Hij is aan den voet en het rechterbeen hevig gekwetst. Wreekt Bestevaêr, mannen, wreekt hem!” roept Callenburgh. „Den dood aan den Fransoos!”„Den dood aan den Fransoos!” schreeuwt het volk hem na en brandt de kanonnen zoo driftig los, alsof het muskettenzijn. „Op, op, voor onzen Bestevaêr! Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor Vaderland en Bestevaêr! God helpe ons!”„Vooruit! Vuur! Vuur!” beveelt Callenburgh, en alsof de held, die gewoon was als een stier op den vijand in te loopen, nog zelf stond te bevelen, slaat „De Eendracht” onder het donderen zijner kanonnen dwars door den vijand heen.Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog herstel mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme man, telkens als zijn geschut losbrandt: „Houdt moed, mijne kinderen, houdt moed! Zóó moet men doen om den zege te bevechten!”Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter zwaar gewond is.„Bestevaêr is gewond, kerels, brandt er op los!” roepen de Kapiteins hun volk toe. „Duizend Franschen voor Bestevaêr!”„Dan zal de Fransoos de rekening betalen, Kapitein! Tienduizend Fransozen voor éénen Hollandschen Bestevaêr! Het moet er nu op of onder, overwinnen of sterven! Hoezee! Hoezee! Voor Bestevaêr De Ruyter! Hoezee!”En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander telde werkelijk voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen weken. Gedurende den nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de plaats des gevechts, en den volgenden morgen waren van de Fransche schepen, heel in de verte de toppen der masten slechts zichtbaar, zoodat het niet twijfelachtig was, wie eene luisterrijke zege behaald had.Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich de overwinning durfden toeschrijven, en toch deden ze het.De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse terug.Wat al deelneming ondervond de groote man daar!Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen oogenblik er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te laten stellen en onderteekenen.Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters verwonding in het Vaderland ontvangen.Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat alleen uitputting van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij met zulk eene kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere hoogachting, die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de raadzaal van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had, was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik, lag in zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht hadden. Ze schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief, en de Stadhouder deed dat eene maand later.Maar geenen dier brieven had hij meer hooren voorlezen.Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje hem tot Hertog benoemd had.Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u niet meer, hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart? Straatjongen, herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den titel draagt van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u zelven nog Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk?Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is gesloten, gesloten voor immer en altoos.De wonden stonden vrij gunstig,—doch er zijn koortsen bij gekomen, en omringd door zijne helden is hij gestorven, zacht en gerust, des avonds van den negenentwintigsten Augustus 1676.Een gebed is zijn laatste woord geweest.Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot!Lievensz.had het lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut.Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland gebracht!O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche havenzeilde men voorbij, of de Fransche vlag werd halfstok geheschen en met eereschoten werd het lijk begroet, het lijk van den vijand van Frankrijk, van den nederigen burger. Dit had Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner vrienden, die hem zijne droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd heeft: „Al juich ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen te zijn, dit belet mij niet gevoelig te zijn over den dood van een groot man!”Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland.Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe Bestevaêr Michiel in het hart van iederen Nederlander leefde.Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een Spaansch gezant stond en uitriep: „Woont De Ruyter in dàt huis??”Onder die brieven waren er met koninklijke zegels!Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke plechtigheid in de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op kosten van den Staatweldra een prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch opschrift vermeldt daar zijnen roem, en boven den ingang van den kelder staat nog een klein opschrift in het Latijn.Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was.Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een stok-oud man in de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten, de beeltenis van den Admiraal te bekijken.„Een mooi praalgraf, he, ouwentje?” zeide een deftig heer, die hem ongemerkt genaderd was.„Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te lezen?”De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den ouden man het opschrift.Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude: „Alles mooi en waar, Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En daar boven den ingang, staat daar ook niet wat?”„Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat: „Intaminates fulget honoribus.”„Wat wil dat zeggen, Meneer?”„Dat wil zeggen: „Hij blinkt in onbedoezelde eere.”„Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is waar!”„Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend, oude?” vroeg de heer, die den grijsaard oplettend aanzag.„Of ik hem gekend heb!” riep de oude den heer toe, en hierop het beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon, aangrijpend schoon door de hartelijke geestdrift en liefde: „Michiel, Bestevaêr Michiel, daar vragen ze Lievensz. of ik u gekend heb! De „Barre Bruinvisch” zou zijn zeekind niet gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik bij u, hoor! Mijn avondschot zal ook spoedig vallen.”De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd en strompelde naar huis.De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit de oogen en fluisterde: „Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van hoe weinigen kan men zeggen wat men van u zegt: „Hij was groot als mensch, groot als held, groot als burger!”Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende eeuw waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien, dat ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het moet alleen ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden, als in de zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn, om te zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan.Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland eenmaal zoo groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van die eer weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden. Het is dan ook niet zoozeer voor hen, dat een standbeeld verrijst, als wel om het volk van den tegenwoordigen tijd in herinnering te brengen, wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan te sporen te doen, zooals zij deden.Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841, te Vlissingen een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat daar om ons, kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen: „Nietkunnenbestaat niet; met God en goeden wil kan men bijna alles. Ik heb u den weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en arm, volg mijn voorbeeld na! In mijne dagen waren er bange tijden, banger dan gij ooit gekend hebt; maar inplaats van moedeloos de handen in den schoot te laten rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig ging het voorwaarts tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en vrij en frank ons weer overal konden vertoonen. „De „Zeven Provinciën” konden veel; zouden „De Elf Provinciën” dan minder kunnen?”3Bestevaêr, wij, oud en jong Nederland, hebben uw woord verstaan, en wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens een jaar als 1672 was, moest aanbreken, dat wij met het oog op Stadhouder Willem III roepen zullen: „Oranje boven!” en met het oog op u: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”1De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hembevalin alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen, voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten „op een gemeenen stoel zonder armen.”↑2De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de branders. Er waren ervijfvan 90 of 96 stukken bij, vier van 80, elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld worden. De Franschman De Vivonne schrijft: „De Spanjaarden schoten van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen.”↑3Den 1stenMei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen.↑
ELFDE HOOFDSTUK.Het einde van een heldenleven.
De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd reeds in het volgende jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield den krijg vol.Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die in heel zijn land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene zon genoemd werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein landje. Gaven Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij zou alleen toonen wat hij kon.De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen, dat de Republiek der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van Frankrijks „zon” geen duimbreed gronds verloor.Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het te kwaad met Sicilië, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig werd.Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er den wensch bij uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier hulpvloot staan zou.De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te willigen, doch de hulp zou gering zijn.Sedert korten tijd slechts was onze Luitenant-Admiraal-Generaal in den stillen, huiselijken kring teruggekeerd; want na de schitterende overwinning bij Kijkduin, was hij met een deel der Hollandsche vloot naar West-Indië geweest om daar de Franschen te gaan bestoken.En eenmaal tot de zijnen teruggekeerd was hem op zijnen ouden dag de ruste zóó lief, dat hij de vereerende uitnoodiging van den Koning van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof te vertoeven, beleefdelijk weigerde.Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste levensjaren aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem lief en dierbaar waren.Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat ooit zijn doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien hield zijn zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien naam met eere op.Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne hulp niet zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem het bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was.Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen; want, zonder rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij bezat, en zijn inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven.Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan?Maar het lot had anders beslist.Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee zenden.Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere vaartuigen en vier branders werden hem toegezonden.Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met wien De Ruyter niet overweg kon.Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien, of hij schudde het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het Admiraliteits-collegie, die hem deze lijst brachten: „Ik ken de Franschen. Ze hebben van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te vergeefs liet de slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk aan het gevecht deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder aanvoert, is een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?”„Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij weten toch, dat hij slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man was, als UEd. denkt, zou hij het wel veel verder gebracht hebben.”„U kent hem niet, Heeren,” sprak de Ruyter. „Lodewijk zou hem reeds lang bevorderd hebben, als hij niet een Protestant was. Maar dat daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk hij te bevelen heeft, en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat niet. Achttien schepen is veel te weinig.”„UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te rekenen, Meneer De Ruyter!”„Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De Spanjaarden zullen ons helpen, zooals de Franschen de Engelschen in ’72 en ’73 hielpen. Zij zullen ons de kastanjes uit het vuur doen halen en van verre toekijken of ons dat werk ook gelukt. Ik herhaal het: mijne vloot is te klein!”„Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden dag bevreesd begint te worden en den moed dreigt te laten zakken,” merkte thans een der Heeren aan.Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd, en den driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met waardigheid en ernst: „Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn leven veil voor het Vaderland; maar ik ben verwonderd, en het is mij leeddat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen!”„Welnu, die schande dragen wij dan,” zeide dezelfde, „en wij verzoeken UEd. toch naar zee te gaan met de vloot, die wij u geven willen.”Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze zeide hij: „De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden. En al werd mij bevolen ’s Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou daarmee naar zee gaan, en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen, zal ik mijn leven wagen!”Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te dom, te opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van De Ruyter, te kunnen begrijpen.Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd hij opeens door ziekten van den ouden dag overvallen.„Ga toch niet naar zee!” zoo smeekten vrouw, kinderen, en vrienden.Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor houden, dat hij geenen moed meer had.Ja, daarover moest hij heenstappen. „Dat wist men wel beter,” zeide men.„Neen, neen,” riep De Ruyter, „ik zal naar zee gaan! Ik zal dien tocht doen, al zou men mij ook naar het schip dragen!”Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij deed het ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit.Waarom toch?Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste vrienden.„Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen adieu, maar adieu voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal op dezen tocht blijven. Ik voel het!”Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de vergadering der Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar ’s Lands vloot te begeven.Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der vergadering, hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op dezen tocht weer schitterend zou blijken, dat het bevel van ’s Lands vloot aan geene betere handen kon toevertrouwd geworden zijn.1Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen Vice-Admiraal De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en dan de vloot te Cadiz af te wachten.Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De Ruyter dus wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den Vice-Admiraal De Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot niets. Men hield onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en eindelijk kreeg hij last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar hij zes Spaansche schepen vinden zou.Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee ingezeild was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van Algiers te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den stokouden Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang aangekeken had.„Admiraal,” zeide deze eindelijk.De Ruyter keerde zich om en zei: „Zoo, Lievensz., zijt gij daar?”„Ja, Admiraal, hier ben ik!”„Het gaat ons niet voor den wind, man!” sprak De Ruyter.„Neen, alles behalve dat, Admiraal, maar....”Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk gezicht.„Wat scheelt er aan?” vroeg De Ruyter.„Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met vrede, dan zou ik hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman kunnen beschaamd zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!”„Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken, Lievensz.! Uw oude dag vergt rust, en ge kunt toch best leven!”„Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had moeten blijven, Admiraal!”„Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!”„Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er een, en dat zijt gij!” riep de „Barre Bruinvisch” opeens uit. „Gij hadt dien kerels, die van niemendal anders weten dan geld te ontvangen, den voornamen heer uit te hangen en eenen man als „Bestevaêr Michiel” is, te beleedigen, vierkant in het gezicht moeten zeggen: „Ik ga niet of, als Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam past!”„Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den ouden dag nog zoo trotsch?”„Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch op u, dien ik gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn zesentachtigste jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den nederigsten en vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier tegen u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is te vol. Michiel, Bestevaêr Michiel, ik voorzie er in, dat het mis met ons afloopt. We zullen verliezen en—jij, brave man, jij zult op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!”„Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den loopgaan?” vroeg De Ruyter met flikkerende oogen. „Lievensz., Lievensz., dàt zal ik niet doen. Al vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar op den loop gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!”„Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar is me dat nu een vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen met meer dan twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij Kijkduin?”„Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te klein; maar denk er aan, man, wat de zee-oorlog van ’72 en ’73 gekost heeft, en wat de oorlog te lande nóg kost. Het land is uitgeput, en niet alle gewesten willen altijd met Holland en Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje, de Raadpensionaris Fagel, en het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, Mijnheer De Wildt, hebben alles gedaan, wat ze konden om mij meer schepen te geven; maar ze hebben het er niet door kunnen krijgen. De tocht mag ook niet langer dan zes maanden duren. We willen dus hopen, dat ge gauw terugkeeren kunt!” zeide De Ruyter en ging nu naar zijnen Kapitein, den dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over hetgeen het best kon gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad toen hij zeide, dat de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou hebben. Overal waar hij aankwam werd hij met eerbewijzen overladen, maar hulp, waar het om te doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer hij hier, dan daar heen. Eindelijk kreeg men den zevenden Januari den vijand bij het eiland Stromboli in het gezicht, en hoewel deze vloot veel sterker dan de onze was, besloot De Ruyter haar toch aan te tasten. Hij riep alle Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord en beval hun, zich voor den dag van morgen tot den strijd gereed te houden. Dezen beloofden met zeemans-handslag hunnen plicht te zullen doen en verlieten het Admiraalsschip.Nog vóór de dageraad aanbrak gaf de Fransche Bevelhebber het sein om te wenden, en zoodoende het voordeelvan den wind te krijgen, doch nauwelijks had De Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te voorkomen. En wie nu eenen zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt om te aanschouwen, zou met vermaak gekeken hebben naar de pogingen, die aangewend werden om elkander den loef af te winnen. De wind liep echter om en de Franschen wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende dien zeetocht had De Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van den vijand goed op te nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was, dan hij in het eerst gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel niet meer te denken; het gevecht moest plaats hebben.De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter zich uit den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed onder het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag, die door Duquesne beantwoord werd.Dit was het teeken tot den strijd.En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet zoo gering te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter, waarin deze getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus schutgevaarte gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had bijgewoond.Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden ontzettend geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade eenigszins te herstellen.De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade bekomen.Dezen hadden zich gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit de verte met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien. Maar alsof ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de Spaansche Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens te beginnen, alsof er niemendal gebeurd was.Hij schreef De Ruyter eenen brief van: „nu moet mendit en dan moet men dat,” en zoo al voort en eindigde met te schrijven: „Uw grootste dienaar en vriend, die uwe handen kust,Don Andrea de Avolos.”Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen bluffenden brief een velletje best Hollandsch schrijfpapier te vermorsen. Hij liet althans eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het goed was, op de ommezijde van De Avolos’ brief zetten, en van handen kussen kwam niemendal voor.Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den vijand op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De Ruyter bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden dan wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren, ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had, dat die tijd door de Staten verlengd was.Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De Ruyter, na zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na gevleid en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met kwalijk verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goedals geene versterking gekregen, en de Spanjaarden snoefden weer veel harder dan eenigen tijd geleden, doch als het op handelen aankwam, waren ze niet thuis. Zijne ongesteldheden kwamen ook gedurig terug en—dat akelig voorgevoel van zijn naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen was, toen hij de zes maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht, kwam nu en dan ook weer voor den dag, maar, hij zette zich met een: „Als het moet, dan moet het,” over alles heen, en toonde zich weldra weder dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was maar, dat hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandschezee was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht.Dit zou evenwel niet geschieden.Den tweeëntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee vijandelijke vloten elkander in het gezicht van den berg Etna.De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij laten gaan.„Dat zal een harde dobber geven, Kapitein,” zeide De Ruyter op de Fransche vloot wijzende.„Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!” antwoordde Callenburgh. „Maar Uwe Edelheid heeft meer tegen de overmacht gestreden en overwonnen!”„Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet haperen zal. Als ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van geen wijken weten. Maar—het zijn niet allemaal Callenburghs, en—de overmacht is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles en alles juist vijfenveertighonderd koppen met achthonderd tweeënvijftig stukken op zevenentwintig gehavende schepen tellen? En de Franschman heeft zijne vloot in vier smaldeelen kunnen deelen, terwijl ik schepen zie van tachtig en negentig stukken. Hij is zeker driemaal sterker dan wij, Callenburgh!”2De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch beloofde nog eens, dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip „De Eendracht” voor drie vocht.In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenenaanvang nam, voerde De Ruyter de voorhoede aan, en weldra scheen het, dat de Etna verplaatst was.En de Spanjaarden?„Daar liggen ze weer in lij te schieten als gekken,” zeide Lievensz., die al druk bezig was om eenen gekwetste te verplegen; daar hij inderdaad nergens anders meer toe gebruikt kon worden.Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even naar De Ruyter, die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne bevelen uit te deelen.Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar het gevaar het grootst was.„Hij draagt zijn negenenzestig jaren met eere!” mompelde Lievensz. „O, dat de kooplui hem daar zagen staan, ze zouden het hart niet meer hebben aan zijnen moed te twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!”Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en den gekwetsten makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed, ja, beter dan hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit.Wat was er gebeurd?Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet weggenomen, en de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop was hij wel zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen.„O, Michiel, Michiel, Michiel,” kermt de oude „Barre”, die de eerste was om den gevallene bij te staan.„O, God, jongens! Jongens, Bestevaêr is gesneuveld!” schreeuwen de matrozen en komen in verwarring.„Neen, neen, mannen, niet gesneuveld! Bestevaêr leeft nog. Hij is aan den voet en het rechterbeen hevig gekwetst. Wreekt Bestevaêr, mannen, wreekt hem!” roept Callenburgh. „Den dood aan den Fransoos!”„Den dood aan den Fransoos!” schreeuwt het volk hem na en brandt de kanonnen zoo driftig los, alsof het muskettenzijn. „Op, op, voor onzen Bestevaêr! Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor Vaderland en Bestevaêr! God helpe ons!”„Vooruit! Vuur! Vuur!” beveelt Callenburgh, en alsof de held, die gewoon was als een stier op den vijand in te loopen, nog zelf stond te bevelen, slaat „De Eendracht” onder het donderen zijner kanonnen dwars door den vijand heen.Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog herstel mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme man, telkens als zijn geschut losbrandt: „Houdt moed, mijne kinderen, houdt moed! Zóó moet men doen om den zege te bevechten!”Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter zwaar gewond is.„Bestevaêr is gewond, kerels, brandt er op los!” roepen de Kapiteins hun volk toe. „Duizend Franschen voor Bestevaêr!”„Dan zal de Fransoos de rekening betalen, Kapitein! Tienduizend Fransozen voor éénen Hollandschen Bestevaêr! Het moet er nu op of onder, overwinnen of sterven! Hoezee! Hoezee! Voor Bestevaêr De Ruyter! Hoezee!”En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander telde werkelijk voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen weken. Gedurende den nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de plaats des gevechts, en den volgenden morgen waren van de Fransche schepen, heel in de verte de toppen der masten slechts zichtbaar, zoodat het niet twijfelachtig was, wie eene luisterrijke zege behaald had.Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich de overwinning durfden toeschrijven, en toch deden ze het.De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse terug.Wat al deelneming ondervond de groote man daar!Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen oogenblik er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te laten stellen en onderteekenen.Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters verwonding in het Vaderland ontvangen.Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat alleen uitputting van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij met zulk eene kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere hoogachting, die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de raadzaal van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had, was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik, lag in zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht hadden. Ze schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief, en de Stadhouder deed dat eene maand later.Maar geenen dier brieven had hij meer hooren voorlezen.Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje hem tot Hertog benoemd had.Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u niet meer, hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart? Straatjongen, herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den titel draagt van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u zelven nog Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk?Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is gesloten, gesloten voor immer en altoos.De wonden stonden vrij gunstig,—doch er zijn koortsen bij gekomen, en omringd door zijne helden is hij gestorven, zacht en gerust, des avonds van den negenentwintigsten Augustus 1676.Een gebed is zijn laatste woord geweest.Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot!Lievensz.had het lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut.Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland gebracht!O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche havenzeilde men voorbij, of de Fransche vlag werd halfstok geheschen en met eereschoten werd het lijk begroet, het lijk van den vijand van Frankrijk, van den nederigen burger. Dit had Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner vrienden, die hem zijne droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd heeft: „Al juich ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen te zijn, dit belet mij niet gevoelig te zijn over den dood van een groot man!”Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland.Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe Bestevaêr Michiel in het hart van iederen Nederlander leefde.Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een Spaansch gezant stond en uitriep: „Woont De Ruyter in dàt huis??”Onder die brieven waren er met koninklijke zegels!Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke plechtigheid in de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op kosten van den Staatweldra een prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch opschrift vermeldt daar zijnen roem, en boven den ingang van den kelder staat nog een klein opschrift in het Latijn.Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was.Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een stok-oud man in de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten, de beeltenis van den Admiraal te bekijken.„Een mooi praalgraf, he, ouwentje?” zeide een deftig heer, die hem ongemerkt genaderd was.„Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te lezen?”De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den ouden man het opschrift.Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude: „Alles mooi en waar, Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En daar boven den ingang, staat daar ook niet wat?”„Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat: „Intaminates fulget honoribus.”„Wat wil dat zeggen, Meneer?”„Dat wil zeggen: „Hij blinkt in onbedoezelde eere.”„Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is waar!”„Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend, oude?” vroeg de heer, die den grijsaard oplettend aanzag.„Of ik hem gekend heb!” riep de oude den heer toe, en hierop het beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon, aangrijpend schoon door de hartelijke geestdrift en liefde: „Michiel, Bestevaêr Michiel, daar vragen ze Lievensz. of ik u gekend heb! De „Barre Bruinvisch” zou zijn zeekind niet gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik bij u, hoor! Mijn avondschot zal ook spoedig vallen.”De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd en strompelde naar huis.De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit de oogen en fluisterde: „Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van hoe weinigen kan men zeggen wat men van u zegt: „Hij was groot als mensch, groot als held, groot als burger!”Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende eeuw waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien, dat ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het moet alleen ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden, als in de zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn, om te zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan.Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland eenmaal zoo groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van die eer weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden. Het is dan ook niet zoozeer voor hen, dat een standbeeld verrijst, als wel om het volk van den tegenwoordigen tijd in herinnering te brengen, wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan te sporen te doen, zooals zij deden.Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841, te Vlissingen een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat daar om ons, kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen: „Nietkunnenbestaat niet; met God en goeden wil kan men bijna alles. Ik heb u den weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en arm, volg mijn voorbeeld na! In mijne dagen waren er bange tijden, banger dan gij ooit gekend hebt; maar inplaats van moedeloos de handen in den schoot te laten rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig ging het voorwaarts tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en vrij en frank ons weer overal konden vertoonen. „De „Zeven Provinciën” konden veel; zouden „De Elf Provinciën” dan minder kunnen?”3Bestevaêr, wij, oud en jong Nederland, hebben uw woord verstaan, en wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens een jaar als 1672 was, moest aanbreken, dat wij met het oog op Stadhouder Willem III roepen zullen: „Oranje boven!” en met het oog op u: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”
De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd reeds in het volgende jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield den krijg vol.
Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die in heel zijn land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene zon genoemd werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein landje. Gaven Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij zou alleen toonen wat hij kon.
De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen, dat de Republiek der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van Frankrijks „zon” geen duimbreed gronds verloor.
Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het te kwaad met Sicilië, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig werd.
Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er den wensch bij uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier hulpvloot staan zou.
De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te willigen, doch de hulp zou gering zijn.
Sedert korten tijd slechts was onze Luitenant-Admiraal-Generaal in den stillen, huiselijken kring teruggekeerd; want na de schitterende overwinning bij Kijkduin, was hij met een deel der Hollandsche vloot naar West-Indië geweest om daar de Franschen te gaan bestoken.
En eenmaal tot de zijnen teruggekeerd was hem op zijnen ouden dag de ruste zóó lief, dat hij de vereerende uitnoodiging van den Koning van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof te vertoeven, beleefdelijk weigerde.
Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste levensjaren aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem lief en dierbaar waren.
Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat ooit zijn doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien hield zijn zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien naam met eere op.
Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne hulp niet zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem het bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was.
Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen; want, zonder rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij bezat, en zijn inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven.
Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan?
Maar het lot had anders beslist.
Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee zenden.
Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere vaartuigen en vier branders werden hem toegezonden.
Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met wien De Ruyter niet overweg kon.
Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien, of hij schudde het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het Admiraliteits-collegie, die hem deze lijst brachten: „Ik ken de Franschen. Ze hebben van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te vergeefs liet de slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk aan het gevecht deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder aanvoert, is een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?”
„Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij weten toch, dat hij slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man was, als UEd. denkt, zou hij het wel veel verder gebracht hebben.”
„U kent hem niet, Heeren,” sprak de Ruyter. „Lodewijk zou hem reeds lang bevorderd hebben, als hij niet een Protestant was. Maar dat daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk hij te bevelen heeft, en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat niet. Achttien schepen is veel te weinig.”
„UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te rekenen, Meneer De Ruyter!”
„Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De Spanjaarden zullen ons helpen, zooals de Franschen de Engelschen in ’72 en ’73 hielpen. Zij zullen ons de kastanjes uit het vuur doen halen en van verre toekijken of ons dat werk ook gelukt. Ik herhaal het: mijne vloot is te klein!”
„Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden dag bevreesd begint te worden en den moed dreigt te laten zakken,” merkte thans een der Heeren aan.
Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd, en den driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met waardigheid en ernst: „Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn leven veil voor het Vaderland; maar ik ben verwonderd, en het is mij leeddat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen!”
„Welnu, die schande dragen wij dan,” zeide dezelfde, „en wij verzoeken UEd. toch naar zee te gaan met de vloot, die wij u geven willen.”
Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze zeide hij: „De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden. En al werd mij bevolen ’s Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou daarmee naar zee gaan, en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen, zal ik mijn leven wagen!”
Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te dom, te opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van De Ruyter, te kunnen begrijpen.
Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd hij opeens door ziekten van den ouden dag overvallen.
„Ga toch niet naar zee!” zoo smeekten vrouw, kinderen, en vrienden.
Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor houden, dat hij geenen moed meer had.
Ja, daarover moest hij heenstappen. „Dat wist men wel beter,” zeide men.
„Neen, neen,” riep De Ruyter, „ik zal naar zee gaan! Ik zal dien tocht doen, al zou men mij ook naar het schip dragen!”
Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij deed het ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit.
Waarom toch?
Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste vrienden.
„Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen adieu, maar adieu voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal op dezen tocht blijven. Ik voel het!”
Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de vergadering der Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar ’s Lands vloot te begeven.
Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der vergadering, hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op dezen tocht weer schitterend zou blijken, dat het bevel van ’s Lands vloot aan geene betere handen kon toevertrouwd geworden zijn.1
Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen Vice-Admiraal De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en dan de vloot te Cadiz af te wachten.
Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De Ruyter dus wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den Vice-Admiraal De Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot niets. Men hield onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en eindelijk kreeg hij last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar hij zes Spaansche schepen vinden zou.
Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee ingezeild was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van Algiers te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den stokouden Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang aangekeken had.
„Admiraal,” zeide deze eindelijk.
De Ruyter keerde zich om en zei: „Zoo, Lievensz., zijt gij daar?”
„Ja, Admiraal, hier ben ik!”
„Het gaat ons niet voor den wind, man!” sprak De Ruyter.
„Neen, alles behalve dat, Admiraal, maar....”
Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk gezicht.
„Wat scheelt er aan?” vroeg De Ruyter.
„Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met vrede, dan zou ik hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman kunnen beschaamd zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!”
„Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken, Lievensz.! Uw oude dag vergt rust, en ge kunt toch best leven!”
„Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had moeten blijven, Admiraal!”
„Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!”
„Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er een, en dat zijt gij!” riep de „Barre Bruinvisch” opeens uit. „Gij hadt dien kerels, die van niemendal anders weten dan geld te ontvangen, den voornamen heer uit te hangen en eenen man als „Bestevaêr Michiel” is, te beleedigen, vierkant in het gezicht moeten zeggen: „Ik ga niet of, als Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam past!”
„Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den ouden dag nog zoo trotsch?”
„Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch op u, dien ik gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn zesentachtigste jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den nederigsten en vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier tegen u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is te vol. Michiel, Bestevaêr Michiel, ik voorzie er in, dat het mis met ons afloopt. We zullen verliezen en—jij, brave man, jij zult op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!”
„Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den loopgaan?” vroeg De Ruyter met flikkerende oogen. „Lievensz., Lievensz., dàt zal ik niet doen. Al vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar op den loop gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!”
„Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar is me dat nu een vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen met meer dan twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij Kijkduin?”
„Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te klein; maar denk er aan, man, wat de zee-oorlog van ’72 en ’73 gekost heeft, en wat de oorlog te lande nóg kost. Het land is uitgeput, en niet alle gewesten willen altijd met Holland en Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje, de Raadpensionaris Fagel, en het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, Mijnheer De Wildt, hebben alles gedaan, wat ze konden om mij meer schepen te geven; maar ze hebben het er niet door kunnen krijgen. De tocht mag ook niet langer dan zes maanden duren. We willen dus hopen, dat ge gauw terugkeeren kunt!” zeide De Ruyter en ging nu naar zijnen Kapitein, den dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over hetgeen het best kon gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad toen hij zeide, dat de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou hebben. Overal waar hij aankwam werd hij met eerbewijzen overladen, maar hulp, waar het om te doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer hij hier, dan daar heen. Eindelijk kreeg men den zevenden Januari den vijand bij het eiland Stromboli in het gezicht, en hoewel deze vloot veel sterker dan de onze was, besloot De Ruyter haar toch aan te tasten. Hij riep alle Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord en beval hun, zich voor den dag van morgen tot den strijd gereed te houden. Dezen beloofden met zeemans-handslag hunnen plicht te zullen doen en verlieten het Admiraalsschip.
Nog vóór de dageraad aanbrak gaf de Fransche Bevelhebber het sein om te wenden, en zoodoende het voordeelvan den wind te krijgen, doch nauwelijks had De Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te voorkomen. En wie nu eenen zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt om te aanschouwen, zou met vermaak gekeken hebben naar de pogingen, die aangewend werden om elkander den loef af te winnen. De wind liep echter om en de Franschen wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende dien zeetocht had De Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van den vijand goed op te nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was, dan hij in het eerst gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel niet meer te denken; het gevecht moest plaats hebben.
De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter zich uit den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed onder het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag, die door Duquesne beantwoord werd.
Dit was het teeken tot den strijd.
En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet zoo gering te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter, waarin deze getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus schutgevaarte gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had bijgewoond.
Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden ontzettend geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade eenigszins te herstellen.
De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade bekomen.Dezen hadden zich gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit de verte met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien. Maar alsof ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de Spaansche Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens te beginnen, alsof er niemendal gebeurd was.
Hij schreef De Ruyter eenen brief van: „nu moet mendit en dan moet men dat,” en zoo al voort en eindigde met te schrijven: „Uw grootste dienaar en vriend, die uwe handen kust,
Don Andrea de Avolos.”
Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen bluffenden brief een velletje best Hollandsch schrijfpapier te vermorsen. Hij liet althans eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het goed was, op de ommezijde van De Avolos’ brief zetten, en van handen kussen kwam niemendal voor.
Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den vijand op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De Ruyter bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden dan wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren, ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had, dat die tijd door de Staten verlengd was.
Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De Ruyter, na zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na gevleid en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met kwalijk verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goedals geene versterking gekregen, en de Spanjaarden snoefden weer veel harder dan eenigen tijd geleden, doch als het op handelen aankwam, waren ze niet thuis. Zijne ongesteldheden kwamen ook gedurig terug en—dat akelig voorgevoel van zijn naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen was, toen hij de zes maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht, kwam nu en dan ook weer voor den dag, maar, hij zette zich met een: „Als het moet, dan moet het,” over alles heen, en toonde zich weldra weder dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was maar, dat hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandschezee was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht.
Dit zou evenwel niet geschieden.
Den tweeëntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee vijandelijke vloten elkander in het gezicht van den berg Etna.
De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij laten gaan.
„Dat zal een harde dobber geven, Kapitein,” zeide De Ruyter op de Fransche vloot wijzende.
„Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!” antwoordde Callenburgh. „Maar Uwe Edelheid heeft meer tegen de overmacht gestreden en overwonnen!”
„Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet haperen zal. Als ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van geen wijken weten. Maar—het zijn niet allemaal Callenburghs, en—de overmacht is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles en alles juist vijfenveertighonderd koppen met achthonderd tweeënvijftig stukken op zevenentwintig gehavende schepen tellen? En de Franschman heeft zijne vloot in vier smaldeelen kunnen deelen, terwijl ik schepen zie van tachtig en negentig stukken. Hij is zeker driemaal sterker dan wij, Callenburgh!”2
De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch beloofde nog eens, dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip „De Eendracht” voor drie vocht.
In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenenaanvang nam, voerde De Ruyter de voorhoede aan, en weldra scheen het, dat de Etna verplaatst was.
En de Spanjaarden?
„Daar liggen ze weer in lij te schieten als gekken,” zeide Lievensz., die al druk bezig was om eenen gekwetste te verplegen; daar hij inderdaad nergens anders meer toe gebruikt kon worden.
Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even naar De Ruyter, die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne bevelen uit te deelen.
Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar het gevaar het grootst was.
„Hij draagt zijn negenenzestig jaren met eere!” mompelde Lievensz. „O, dat de kooplui hem daar zagen staan, ze zouden het hart niet meer hebben aan zijnen moed te twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!”
Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en den gekwetsten makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed, ja, beter dan hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit.
Wat was er gebeurd?
Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet weggenomen, en de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop was hij wel zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen.
„O, Michiel, Michiel, Michiel,” kermt de oude „Barre”, die de eerste was om den gevallene bij te staan.
„O, God, jongens! Jongens, Bestevaêr is gesneuveld!” schreeuwen de matrozen en komen in verwarring.
„Neen, neen, mannen, niet gesneuveld! Bestevaêr leeft nog. Hij is aan den voet en het rechterbeen hevig gekwetst. Wreekt Bestevaêr, mannen, wreekt hem!” roept Callenburgh. „Den dood aan den Fransoos!”
„Den dood aan den Fransoos!” schreeuwt het volk hem na en brandt de kanonnen zoo driftig los, alsof het muskettenzijn. „Op, op, voor onzen Bestevaêr! Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor Vaderland en Bestevaêr! God helpe ons!”
„Vooruit! Vuur! Vuur!” beveelt Callenburgh, en alsof de held, die gewoon was als een stier op den vijand in te loopen, nog zelf stond te bevelen, slaat „De Eendracht” onder het donderen zijner kanonnen dwars door den vijand heen.
Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog herstel mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme man, telkens als zijn geschut losbrandt: „Houdt moed, mijne kinderen, houdt moed! Zóó moet men doen om den zege te bevechten!”
Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter zwaar gewond is.
„Bestevaêr is gewond, kerels, brandt er op los!” roepen de Kapiteins hun volk toe. „Duizend Franschen voor Bestevaêr!”
„Dan zal de Fransoos de rekening betalen, Kapitein! Tienduizend Fransozen voor éénen Hollandschen Bestevaêr! Het moet er nu op of onder, overwinnen of sterven! Hoezee! Hoezee! Voor Bestevaêr De Ruyter! Hoezee!”
En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander telde werkelijk voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen weken. Gedurende den nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de plaats des gevechts, en den volgenden morgen waren van de Fransche schepen, heel in de verte de toppen der masten slechts zichtbaar, zoodat het niet twijfelachtig was, wie eene luisterrijke zege behaald had.
Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich de overwinning durfden toeschrijven, en toch deden ze het.
De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse terug.
Wat al deelneming ondervond de groote man daar!
Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen oogenblik er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te laten stellen en onderteekenen.
Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters verwonding in het Vaderland ontvangen.
Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat alleen uitputting van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij met zulk eene kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere hoogachting, die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de raadzaal van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had, was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik, lag in zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht hadden. Ze schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief, en de Stadhouder deed dat eene maand later.
Maar geenen dier brieven had hij meer hooren voorlezen.
Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje hem tot Hertog benoemd had.
Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u niet meer, hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart? Straatjongen, herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den titel draagt van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u zelven nog Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk?
Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is gesloten, gesloten voor immer en altoos.
De wonden stonden vrij gunstig,—doch er zijn koortsen bij gekomen, en omringd door zijne helden is hij gestorven, zacht en gerust, des avonds van den negenentwintigsten Augustus 1676.
Een gebed is zijn laatste woord geweest.
Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot!
Lievensz.had het lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut.
Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland gebracht!
O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche havenzeilde men voorbij, of de Fransche vlag werd halfstok geheschen en met eereschoten werd het lijk begroet, het lijk van den vijand van Frankrijk, van den nederigen burger. Dit had Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner vrienden, die hem zijne droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd heeft: „Al juich ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen te zijn, dit belet mij niet gevoelig te zijn over den dood van een groot man!”
Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland.
Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe Bestevaêr Michiel in het hart van iederen Nederlander leefde.
Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een Spaansch gezant stond en uitriep: „Woont De Ruyter in dàt huis??”
Onder die brieven waren er met koninklijke zegels!
Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke plechtigheid in de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op kosten van den Staatweldra een prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch opschrift vermeldt daar zijnen roem, en boven den ingang van den kelder staat nog een klein opschrift in het Latijn.
Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was.
Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een stok-oud man in de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten, de beeltenis van den Admiraal te bekijken.
„Een mooi praalgraf, he, ouwentje?” zeide een deftig heer, die hem ongemerkt genaderd was.
„Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te lezen?”
De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den ouden man het opschrift.
Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude: „Alles mooi en waar, Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En daar boven den ingang, staat daar ook niet wat?”
„Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat: „Intaminates fulget honoribus.”
„Wat wil dat zeggen, Meneer?”
„Dat wil zeggen: „Hij blinkt in onbedoezelde eere.”
„Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is waar!”
„Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend, oude?” vroeg de heer, die den grijsaard oplettend aanzag.
„Of ik hem gekend heb!” riep de oude den heer toe, en hierop het beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon, aangrijpend schoon door de hartelijke geestdrift en liefde: „Michiel, Bestevaêr Michiel, daar vragen ze Lievensz. of ik u gekend heb! De „Barre Bruinvisch” zou zijn zeekind niet gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik bij u, hoor! Mijn avondschot zal ook spoedig vallen.”
De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd en strompelde naar huis.
De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit de oogen en fluisterde: „Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van hoe weinigen kan men zeggen wat men van u zegt: „Hij was groot als mensch, groot als held, groot als burger!”
Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende eeuw waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien, dat ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het moet alleen ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden, als in de zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn, om te zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan.
Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland eenmaal zoo groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van die eer weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden. Het is dan ook niet zoozeer voor hen, dat een standbeeld verrijst, als wel om het volk van den tegenwoordigen tijd in herinnering te brengen, wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan te sporen te doen, zooals zij deden.
Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841, te Vlissingen een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat daar om ons, kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen: „Nietkunnenbestaat niet; met God en goeden wil kan men bijna alles. Ik heb u den weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en arm, volg mijn voorbeeld na! In mijne dagen waren er bange tijden, banger dan gij ooit gekend hebt; maar inplaats van moedeloos de handen in den schoot te laten rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig ging het voorwaarts tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en vrij en frank ons weer overal konden vertoonen. „De „Zeven Provinciën” konden veel; zouden „De Elf Provinciën” dan minder kunnen?”3
Bestevaêr, wij, oud en jong Nederland, hebben uw woord verstaan, en wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens een jaar als 1672 was, moest aanbreken, dat wij met het oog op Stadhouder Willem III roepen zullen: „Oranje boven!” en met het oog op u: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”
1De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hembevalin alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen, voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten „op een gemeenen stoel zonder armen.”↑2De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de branders. Er waren ervijfvan 90 of 96 stukken bij, vier van 80, elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld worden. De Franschman De Vivonne schrijft: „De Spanjaarden schoten van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen.”↑3Den 1stenMei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen.↑
1De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hembevalin alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen, voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten „op een gemeenen stoel zonder armen.”↑2De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de branders. Er waren ervijfvan 90 of 96 stukken bij, vier van 80, elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld worden. De Franschman De Vivonne schrijft: „De Spanjaarden schoten van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen.”↑3Den 1stenMei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen.↑
1De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hembevalin alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen, voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten „op een gemeenen stoel zonder armen.”↑
2De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de branders. Er waren ervijfvan 90 of 96 stukken bij, vier van 80, elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld worden. De Franschman De Vivonne schrijft: „De Spanjaarden schoten van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen.”↑
3Den 1stenMei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen.↑