NEGENDE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.Luctor et Emergo.Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon men weer het oorlogszwaard in de scheede steken.Voor hoe lang?De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk door heel Europa.Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie.Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo gevaarlijk voor een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in bevolking dan wij.Engeland was verwoed, dat het voor zulk eenen handvol kooplieden had moeten sidderen. Het schaamde zich voor de oogen van heel de wereld.Frankrijk, over welk land de heerschzuchtige Koning Lodewijk XIV regeerde, had met een zeker welgevallen gezien, dat twee Mogendheden terzee elkander beoorloogden. Het hoopte, dat die twee elkander zoo goed als vernielen zouden, en als zij dan ook van meet af moesten beginnen, wel, dan kon Frankrijk ook mededingen naar de heerschappij terzee. Maar nòch het een, nòch het ander was gebeurd. Engeland was geslagen, maar niet vernietigd, en Nederland trad als overwinnaar sterker en machtiger dan ooit, na den vrede te voorschijn. En dan die Raadpensionaris, die Johan De Witt, die hem, den machtigen Lodewijk, te slim af was, die telkens liet blijken, dat hij voor slimheid geslepenheid inruil gaf, ja, die hem dikwijls noodzaakte te bekennen, dat hij hem in staatsmanswijsheid verre boven het hoofd gewassen was! Dat was voor den trotschen Lodewijk niet om te dulden. En Zweden, dat ook eens de macht van onze wapenen had moeten voelen, kon het eveneens moeielijk verkroppen, dat het voor een land, door kooplieden geregeerd, had moeten bukken, terwijl Denemarken er wel een weinig meê verlegen was, dat het aan eene Republiek zooveel te danken had.En toch, zij allen moesten het zien, dat die kleine hoop van boeren, kooplieden en visschers in Europa, zooveel als de eerste viool speelde, en, wilden ze geen gevaar loopen met dezelfde boeren, kooplieden en visschers aan den dans te gaan, dan moesten ze nog heel beleefd wezen op den koop toe; er was voorshands niets aan te doen.Er zat voor het oogenblik voor Engeland en Zweden dusniets anders op, dan een drievoudig verbond te sluiten met de Republiek der Vereenigde Nederlanden.Dat viel Frankrijk bitter tegen, doch het zweeg en wachtte zijnen tijd af, zelfs toen Spanje in 1669 tot het drievoudig verbond toetrad.Toen begon Lodewijk al dadelijk middelen in het werk te stellen om dat verbond, dat eigenlijk alleen tegen hem gericht was, uit elkander te doen springen.Het eerst beproefde hij dat bij de gehate Republiek, die hem evenwel het hoofd liet stooten.Nu wendde hij zich tot Engeland, wiens Koning Karel II graag naar Lodewijk luisterde, als deze hem maar wat geld gaf. Want geld had deze verkwister maar al te veel noodig, en toen Koning Lodewijk hem een groot jaargeld beloofde, dacht Karel er geen oogenblik aan, of hij voor zijn volk, dat van het jaargeld geene voordeelen had, ook goed handelde, uit het drievoudig verbond te treden.En Zweden?Ook dat land had wel ooren voor de mooie woorden van Lodewijk, die zich in alle stilte verkneuterde, dat hij nu toch dien Hollandschen kaasboer en kruidenier, dien Jan De Witt, te slim af geweest was.De man bedroog zich echter; want de Raadpensionaris wist alles reeds, ja, misschien nog eer dan Lodewijk.Maar wat zou de Raadpensionaris doen?Het was in het land ook al niet, zooals Joost Van den Vondel eens zong:„Het is al boter, tot den boôm,Men zingt al Pais en Vree.”Integendeel, het was er verre af.Willem Hendrik, Prins van Oranje, doch ambteloos burger in den Staat, was meerderjarig geworden en werd, na, als Eerste Edele van Zeeland opgetreden te zijn, ook Lid van den Raad van State.Maar hiermede was het volk niet tevreden. Het was de Stadhouderlooze Regeering reeds lang moede en wilde wat anders hebben. Het wilde dat de Prins wát zou zijn.Jawel, wat zijn, maar wát? Noemt iets, noemt alles behalve Stadhouder Kapitein-Generaal en Admiraal der Unie, alles en we zullen zien, wat we doen zullen, heette het.Daar begon Frankrijk onzen handel moeielijkheden in den weg te leggen.Leer om leer, wij bemoeilijkten den zijnen, en—benoemden bovendien Willem Hendrik, Prins van Oranje tot Kapitein-Generaal voor éénen veldtocht.En er was geen oorlog?!Neen, maar er zou oorlog komen, dat wees alles aan. Daarom had men ook al besloten de vloot weer in haren vroegeren toestand te brengen, het leger te lande te versterken en de vestingwerken te verbeteren.Het eerste was tendeele geschied; het tweede en laatste moest nog gebeuren.De vloot was het stokpaardje van den Raadpensionaris en van Holland en Zeeland, zeide men, en alles pleit er voor, dat dit zoo was.Daar werd den zevenden April 1672 ons door Frankrijk den oorlog verklaard, niettegenstaande al het mogelijke beproefd was, dien te voorkomen.En nauwelijks had men de oorlogsverklaring van Frankrijk gelezen, of daar kwam een brief vanwege den Koning van Engeland, die ons, in navolging van den man, die hem geld gaf voor zijne verkwistingen, ook den oorlog verklaarde.Weg was het mooie plan van den Raadpensionaris om Frankrijk door Engeland en Engeland door Frankrijk in bedwang te houden.Door twee machtige vijanden besprongen en voor één niet veel meer dan half klaar. De vloot was goed en men wachtte Engeland en Frankrijk op zee rustig af, wanthijleefde nog.Hijzou zich weer met eenen Gevolmachtigde aan het hoofd der vloot stellen,hij, die Engeland had doen sidderen en beven;hij, die door den trotschen Lodewijk als Ridder zonder vrees of blaam vereerd en gevleid werd;hij, de Luitenant-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter;hij, Bestevaêr Michiel, die na vier jaren rust, het bordes van zijne woning op het Nieuwe-Waalseiland afstapte, de „Zeven Provinciën,” beklom en sprak: „Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”Laat komen Brit en Gal, onze Vlissinger Michiel zal hen te woord staan!Maar te land stonden de zaken minder goed.Een jongeling, ziek en zwak, zonder eenige ondervinding, aan het hoofd van een leger, dat er eigenlijk niet was, maar nog komen moest, die vestingen zou moeten verdedigen, waar het gras in de grachten groeide, en de kanonnen op de affuiten verroest waren. Een jongeling, stil en afgetrokken, wel door den Raadpensionaris doorkneed in staatsmanswijsheid, maar als Veldheer ongeoefend, tegenover Lodewijk XIV en zijne wakkere legerhoofden!En alsof het niet genoeg ware dat Frankrijk de Republiek van de landzijde aanviel, kwamen in Mei de Bisschoppen van Munster en Keulen ons ook nog den oorlog verklaren.Zegevierend trok de vijand ons land binnen.En De Witt en zijne vrienden?Lang hadden ze zich, trots alle kuiperijen en oproerskreten, staande gehouden, en ze gevoelden zich krachtig genoeg den lande verder te dienen, als maar de bevolking in die bange dagen, instede van tegen te werken, hen had willen helpen.Maar van de medewerking van de zijde des Volks was niet veel te zien, integendeel, het zag er niet te best uit binnen de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Nog eer de zomer zijnen intocht in ons land hield, lag Lodewijk XIVal voor Utrecht en maakte er zich den drieëntwintigsten Juni meester van.Slechts Holland, Zeeland en Friesland waren vrij van den vijand. Ook Zeeland met zijn wapen, dat eenen klimmenden leeuw in de golven voorstelt met het onderschrift:Luctor et emergo, dat is: „Ik worstel en ontkom.”Ik worstel.Men behoefde dat niemand te zeggen; ieder zag dat, ieder werd dat gewaar. Niemand was er, die het tegensprak of ontkende: „Luctor”!Maar „emergo”? „Ik ontkom?”Dàt stond nog te bezien! Alles deed vreezen, dat de Zeeuwsche en de Hollandschen leeuwen, den kampstrijd moede, het opgeven zouden.Maar is er dan niet één, die met forsche vuist den Engelschen Luipaard op de vlucht jaagt en de Fransche Leliën afmaait? Niet één?„Hei, Vlissinger Michiel! Waar zit ge, Bestevaêr?”„Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”„Zouden die leeuw van Zeeland en die leeuw van Holland het houden, hé?”„Het houden, Mijne Heeren? Het houden? Als God en de mijnen maar helpen willen, dan zullen we dat onderschrift wáár maken:Luctor et emergo! Heet mijn schip niet „De Zeven Provinciën”? Het zullen er zeven blijven, wat mij en mijne kinderen ter zee betreft. Waarheen zal het gaan?”„Waarheen? Waarheen? Overal waar de vijand is Admiraal!”„Goed, Mijne Heeren, wij zullen hem overal zoeken waar hij te vinden is en te woord staan, zooals ons dat past.”Men vond hem eindelijk den zevenden Juli te Solebay.Het was eene machtige vloot nu de Engelschen zich met de Franschen vereenigd hadden, en ze telde niet minder dan honderd tweeënvijftig schepen van allerlei grootte en vorm.De onze telde er honderd drieëndertig, doch het kleiner getal schepen werd goed gemaakt door eene keur van Aanvoerders en den uitnemenden geest der manschappen.Als Gevolmachtigde van de Staten bevond Cornelis De Witt zich aanboord van De Ruyters Admiraalsschip, dat alweer „De Zeven Provinciën” was.Engel De Ruyter kommandeerde, als Kapitein, nu ook voor het eerst een eigen schip, „De Deventer” geheeten. Het voerde zesenzestig stukken geschut en had behalve zestig zeesoldaten of mariniers, tweehonderd vijftig man aanboord. Als Eerste Officier was Jan Lievensz., er ook. Hoewel hij ook Kapitein op een oorlogsschip had kunnen worden, had hij dit van de hand gewezen, omdat hij in dat geval dan een schip gekregen had om in de Middellandsche zee te kruisen.Bij De Ruyter was de oude Lievensz. ook weer aanboord, hoewel de man te oud geworden was om den dienst van Bootsman waar te nemen. De Ruyter had hem echter niet voor het hoofd willen stooten, en was bovendien overtuigd dat de oude man door zijne ondervinding en zijnen voorbeeldeloozen ijver ruimschoots goed maakte, wat hij in vlugheid te kort kwam.Zonder eenigen tegenstand kwam onze vloot bij de Engelsche kust en toen de uitkijk riep: „Land vooruit!” wist men dat men de Solebay naderde, en dat men daar de Engelsch-Fransche vloot zou vinden.Deze liet zich ook niet lang wachten.De Ruyter stond uit te kijken en riep eensklaps: „Zeger! Zeger! kom eens hier, man!”Zeger, de Opperstuurman van „De Zeven Provinciën” naderde en vroeg eerbiedig: „Wat belieft u, Admiraal?”De Ruyter wees naar de vijandelijke vloot, en Zeger de richting van den wijsvinger des Admiraals volgende, zag het schip, dat deze aanwees.„Dat is onze man, Zeger!” zeide De Ruyter nogmaals.De Ruyter wees „The Royal Prince” het Admiraalsschip van de vijandelijke vloot aan, waarvan de Hertog van York zijne vlag liet waaien.„Dat zal gebeuren, Admiraal!” zeide Zeger, beleefdelijk zijne muts afnemende en naar het roer gaande.Zoo goed als de wind, die den onzen niet gunstig was en ook maar zacht woei, toeliet, hield „De Zeven Provinciën” het op het Engelsche Admiraalsschip aan.Even als bij Chattam de konstabels van Van Brakel, stonden de mannen van „De Zeven Provinciën” ook nu gereed vuur te geven, doch De Ruyter, die liefst maar niet op goed geluk af schoot, wachtte hiermede, tot ze op een pistoolschot afstands genaderd waren.„Vuur!” klonk het.Met een luid „Hoezee!” werden de kanonnen losgebrand.De Engelschman gaf geene krimp en beantwoordde het vuur met dezelfde hevigheid.Toonde De Ruyter niet bang te wezen zijnen vijand onder de oogen te zien, de Hertog van York bewees van zijne zijde, datvreesook niet in zijn woordenboek stond.Beiden waren tegen elkander opgewassen.Toch was op het laatst „The Royal Prince” zoo doorschoten en gehavend, dat de Hertog van York op een ander schip moest overgaan. Hij deed dit alweer niet om lafhartig op de vlucht te slaan, maar omdat hij op zulk eenen ontredderden bodem zich niet bewegen kon, teneinde de noodige bevelen te geven, en dat De Ruyter hem daartoe noodzaakte, lag in de vlugheid waarmede aanboord van „De Zeven Provinciën” het geschut bediend werd.Bijna op hetzelfde oogenblik dat onze Admiraal zijnen vijand zoo goed als overwonnen had en de matrozen met een „Hoezee! Bestevaêr! Hoezee!” de Engelsche Admiraalsvlag van „The Royal Prince” zagen overgaan op de „St.Michiel” kwam er eene sloep aanboord, die voor onzen Admiraal geene goede tijding bracht.„Wat is er, mannen, wat is er?” vroeg hij den matrozen uit de sloep, toen dezen op het dek verschenen.„Admiraal, uw zoon, Kapitein Engel, is door een stuk hout tegen de borst getroffen, en kan geen woord uitbrengen,” klonk het antwoord.De Ruyter ontstelde, doch oogenblikkelijk deed hij met geweld de zorg eens Vaders plaats maken voor den plicht eens Opperbevelhebbers, en tamelijk bedaard zeide hij: „We hopen, dat de wonde niet doodelijk zijn moge! Geeft de Dokter nog moed?”„De Dokter meent, dat hij er wel van herstellen zal!” zeiden de matrozen.„Nu, kinderen, gaat dan aanboord terug! Zorgt goed voor mijnen jongen! Zoodra ik kan, kom ik bij hem!”De matrozen gingen heen en klommen van den valreep.„Ik mag wel mede, nietwaar, Admiraal?” vroeg de „Barre Bruinvisch” ook naar den valreep gaande.„Ga, vriend, ga!” antwoordde De Ruyter, die den ouden man zeer goed begreep en daarom graag vertrekken liet.„Ziet ge,” zei de „Barre Bruinvisch” toen hij, tot verwondering van de matrozen, ook bij hen in de sloep kwam, „ziet ge, ik met mijne stijve beenen kan toch niet veel meer doen. En weet ge, ik ben zooveel als de zeevader van Jonker Engel. Ik wil mijn zeekind oppassen.”„Ha zoo, dan heet gij Lievensz., hé?” vroeg de man aan het roer.„Om je te dienen, vriendschap! Ze noemen me anders ook nog wel eens „Barre Bruinvisch”, zie je! En mijn zoon Jan is Eerste Officier bij mijn zeekind aanboord!”„Jawel, jawel!” zei de man aan het roer zoo kort mogelijk, doch er kwam een vreemde trek om den mond van den Janmaat.„En ik hoop, als dat hij dien Roôrokken zal hebben laten zien, als dat hij mijn jongen is! Heeft hij dat?”„Zeker, hij was een van de eerste aan den dans!” klonkhet weer, doch pas was dat gezegd of de Stuurman legde zonder dat Lievensz. het zag, den vinger voor den mond, wat toen ook al beteekende: „Zwijgen! Niets zeggen!”„Ja, ja,” hernam de „Barre” opgewonden, „hij zal ze laten dansen, ha, ha!” en hier op liet hij in vroolijken, bijna dartelen overmoed het deuntje volgen:„Hij zal ze laten dansen,Op zijn Engelsch en zijn Franschen,Hij zal ze laten dansen den zevensprong!”„Kijk den „Dolle” eens rare sprongen gaan maken,” riep de Stuurman, terwijl hij op de „Groot-Hollandia” een schip van vierenzestig stukken, wees.„Daar is Van Brakel Kapitein op, is het niet zoo?” vroeg een der matrozen.„Ja, ja, de „Dolle.” En dat gaat zoo regelrecht af op de „Royal James”, het Admiraalsschip van Montague.”„Maar hapert het den „Dolle” in zijne bovenkamer om daar met een schip van honderdvier stukken te gaan bakkeleien? Dat is toch geene partuur voor hem!” sprak een ander der roeiers. „De overmacht is hem immers veel te groot!”„Partuur? Partuur?! Ja, daar vraagt de „Dolle” naar! Willen we eens wedden, dat hij dien grooten lobbes zoo netjes in het zonnetje zet, als gij het ooit gezien hebt,” zeide de Stuurman, en zich hierop tot Lievensz. wendende vervolgde hij: „En wat zegt onze oude Bootsman ervan?”„Als ik er veel van zeg, blijft er weinig van over!” antwoordde Lievensz. met een akelig boos gezicht. „Hij zal dien olifant te woord staan; hij zal hem zijne volle bekomst geven; maar als dat gedaan is, zit er eene schrobbeering voor hem op, niet zuinig, man!”„Wat! Eene schrobbeering?” riepen eenige matrozen tegelijk, en vergaten van verwondering aan de riemen te trekken.„Trekt dan, kerels,” riep de man aan het roer. „Trekt dan toch, anders komen we aanboord, als de boel afgeloopen is. De „Barre” meent er niemendal van!”„Niet meenen? Niet meenen? De „Dolle” loopt zoo zeker eene....” Terwijl hij sprak sloeg eene kleine kanonskogel hem over het hoofd en nam zijne wollen muts mede.„Goeden morgen,” riep hij lachend. „Die malle Roôrokken mikken op een oud man! Bah, hoe flauw is dat! Wat hebben ze er aan om eenen meer dan halfsleten zwabber naar de haaien te helpen!”„Barre”, zeî de Stuurman, vol bewondering, „ge zijt een echte zeerob, hoor! Dat verbleekt zelfs niet eens.”„Ja, dat komt omdat ik eenen wijnneus altijd voor mooier gehouden heb dan een karnemelks-gezicht,” sprak Lievensz. „Maar om nu op den „Dolle” terug te komen, ik zeg: hij loopt eene schrobbeering op zoo waar, als tweemaal twee vier is.”Terwijl hij dit zeide knoopte hij van zijnen bonten zakdoek een mutsje, zette dat op, doch....Weer nam een kogel het weg en meteen een stuk van den duim.Zonder dat er een spier van zijn gelaat pijn of schrik verried, zeide hij: „Wel, zulke gevoellooze Koningsmoorders! Dat gunt mijnen kalen knikker zelfs geen blauw neusdoekje!”De matrozen van „De Deventer” dit ziende en hoorende, riepen als uit éénen mond: „Hoezee! voor den Barren Bruinvisch! Dat is er een van Bestevaêr!”„Maakt niet zulk een kabaal om een neusdoekje en een stukje duim,” zeide Lievensz. „Roeit maar voort, anders zit er voor u ook nog wat anders op dan een bedankje.”„Maar,” vroeg nu de stuurman, „waarom zou de „Dolle” straf oploopen? Ik denk, als Bestevaêr het gezien heeft, dat....”„Wie spreekt er van Bestevaêr,” antwoordde Lievensz.,het lesje geheel vergetend, hetwelk hij eens van De Ruyter ontvangen had. „Wat heeft Bestevaêr in de melk te brokken? Zooveel als, niemendal immers? Neen, Meneer Cornelis De Witt zal hem straffen, omdat Van Brakel zich niet houdt aan het bevel, en op eigen houtje aan het klappen deelen gaat!”1„Die Ruwaard is een lafbek, die van benauwdheid in het kabelgat gekropen is,” riep een matroos.„Neen, neen, kompeer, een lafbek, dat is hij allerminst,” sprak de „Barre” vol vuur. „Wie dat zegt, weet er niets van. Wat waar is, mag gezegd wezen. Zoolang het gevecht met den Hertog van York geduurd heeft, zat hij in eenen stoel bij de stuurmanshut, of, als hij moede van het zitten was, stond hij er bij. Maar of de mooie mannen van zijne lijfwacht om hem heen vielen als muizen, hij week geen duimbreed terug. Neen, neen, alle respect voor eene landrot, die zooveel moed heeft, maar ziet ge, ik heb het land aan alle dwarskijkers, die wat de zee betreft, nog op de schoolbanken moesten zitten, en die toch eenen held, die zijne zwarte haren op zee grijs heeft zien worden, als ondergeschikte behandelt. Ik....”„We zijn er,” zeide de Stuurman, doch toen de riemen ingehaald waren en de „Barre” de eerste wilde zijn, die tegen den valreep opklimmen wilde, hield een der matrozen hem tegen.„Nu, wat zal dat?” vroeg Lievensz. boos.„Bootsman, wij hebben het onderweg zoo druk gehad met te vertellen van alles en nog wat, dat ik vergat u nog wat meer mede te deelen.”„Hebt ge dan onzen Admiraal soms een sprookje opgedischt?Is Jonker Engel dood? Is De Ruyters zoon gesneuveld?”Juist voer er eene sloep met Engelschen voorbij. Een ervan scheen zoo wat Hollandsch te kunnen verstaan, althans op de Engelsche vloot liep al heel spoedig het gerucht, dat Admiraal De Ruyter ernstig gekwetst was.„Neen. Lievensz., neen! Onze Kapitein is slechts gewond, maar uw zoon is...”De Stuurman kon andermaal niet uitspreken; want met eene vlugheid, die men bij zulk eenen ouden man niet gezocht zou hebben, greep hij den valreep, klom naar boven en riep: „Jan! Jan Lievensz., jongen, jongen, waar ben je?”„Wat moet die man?” vroeg de Officier, die inplaats van Kapitein Engel De Ruyter nu het bevel voerde.„Het is de Vader van Luitenant Lievensz., Meneer,” antwoordt de Stuurman der sloep.Maar de „Barre Bruinvisch” heeft daar wat met een zeil bedekt op het dek zien liggen. Hij weet wat dat beteekent. Hij licht het op en....„O, God, mijn jongen, mijn jongen gevallen!—Gevallen!” roept hij snikkend, de verwrongen gelaatstrekken van den gesneuvelde met kussen overdekkend.„Gevallen als een held, Vader! Gij hebt zijne laatste groeten gehad ook voor zijne Moeder!” sprak de bevelvoerende Officier, die zich hierop verwijderde om in de slagorde van de vloot te blijven en te doen wat zijn plicht was.Eenigen tijd bleef Lievensz. daar bij zijnen zoon liggen, en richtte zich eerst op toen hij, haperend en stotterend, voor hem het „Onze Vader” gebeden had. Toen dekte hij hem aan alle kanten toe, drukte weer eenen kus op zijnen mond en ging, waggelend als een dronken man, naar de kajuit waar Jonker Engel lag.„J-jan-d-do-od;” bracht deze er met moeite uit, doch drukte met zeemans hartelijkheid de hand van zijnen oudenzeevader, die in dat korte oogenblik zooveel ouder geworden scheen te zijn.„Ja, ja, dood! o, Engel, mijn jongen! Mijn jongen!” snikte de Vader.„H-hij-v-v-iel aan m-mijne z-z-zijde; ik-ik-zag-h-het en k-kr-kreeg t-toe-toen....”„Ik moet u het spreken ten ernstigste verbieden, Kapitein!” sprak de Scheepsdokter, die hier toevallig iemand was, die pas de Hoogeschool had verlaten en die zijne krachten en diensten in dien benauwden tijd ook zijn Vaderland wilde wijden.„Is u de Dokter?” vroeg Lievensz.„Ja, goede vriend,” was het antwoord. „Wilt ge wat weten soms?”„En was er niets meer aan mijnen zoon te doen, Dokter?”„Wie was uw zoon, ouwentje?”„Luitenant Lievensz., Dokter!”„Neen, vriend, de musketkogel heeft hem doodelijk gewond. Hij leefde geene vijf minuten meer! Gij hebt zijne laatste groeten, en hij verzocht mij ook, of ik u vragen wilde, zijne Moeder en zuster vaarwel te kussen.”„Dank-je, Dokter, dank-je!” sprak de „Barre Bruinvisch” zoo bedaard, alsof er niets gebeurd was.Maar daar binnen was het niet bedaard! Daar woelde, en kookte, en bruiste het, als op eene stormachtige zee. Doch hij bedwong zich en begon zijn ander zeekind zoo trouwhartig te verzorgen, dat deze hem de hand drukte en zachtkens zei: „Goed, bra-braaf, Gr-Grootva-vader-tje!”—„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het een paar uren later aanboord van Engel De Ruyters schip.„Ze schieten minder! Zou de slag gedaan zijn?” vroeg de Dokter, die beneden bij de gekwetsten bleef en een deel zijner zorgen aan Engel wijdde, aan Lievensz.„Bestevaêr komt tenminste naar zijnen zoon kijken en dan zal de slag wel beslist zijn!” antwoordde de oude man.„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het nu nog luider van „De Deventer”, waar alles in de weer was om hem te ontvangen.De Admiraal stapte aanboord, en het juichende volk vriendelijk toeknikkend, ging hij naar de kajuit.Driftiger dan hij gewoon was trad hij binnen.„Dag Engel, dag jongen! Toch niet zwaar gewond, lieve jongen, hé?” sprak De Ruyter.„Dag, b-bes-beste, Va-Vader!” antwoordde Engel en schudde de hand des Admiraals.„Mag ik voor hem antwoorden, Admiraal?” vroeg de Dokter beleefd. „Ik heb hem het spreken verboden!”„Verboden? Goed, vriend, dan mag hij niet spreken. Gehoorzaamheid moet in alles betracht worden, in den oorlog en op het ziekbed. U is dan zeker de Dokter?”„Ja, Admiraal! En ik kan u tevens gerust stellen. Als uw zoon zich maar bedaard houdt, dan is hij over een dag of drie weer zoover, dat hij ongehinderd spreken kan, ten minste, als wij nu weer maar niet al te spoedig aan den dans gaan, want dat hindert hem.”„Dank u, Dokter! Mijn zoon zal gehoorzamen, doch zal toehooren, als ik wat vertel, hem hinderen?”De Dokter schudde het hoofd.„Nu dan, jongen, het is er vandaag zoo van langs gegaan, als ik nog nooit heb bijgewoond. Ik zelf heb twintigduizend pond buskruit en vijfendertig honderd kanonskogels verschoten. Admiraal Montague van den vijand, is, jammer genoeg, want de man heeft zich kranig gedragen, verdronken. Van Brakel heeft gevochten als een stier, en al de anderen als leeuwen, en, al hebben we ook al geene schitterende overwinning behaald, wij hebben zee gehouden. Als het nu te land ook zoo maar gaat, jongen, dan ontkomen we den dans zeker. Het is anders een harde dobber, hoor!”Hier zweeg de Admiraal, en Lievensz. hem een teeken gevende, wenkte hem te volgen.De Ruyter voldeed hieraan en toen hij boven kwam waren ze juist gereed om Luitenant Lievensz. een eervol zeemans-graf te geven.De bevelvoerende Officier deed het gebed, en toen dat geëindigd was, vroeg De Ruyter: „Wie is dat, Lievensz.? Jan toch niet?”Lievensz. knikte, want het snikken belette hem eenig ander antwoord te geven.„Goede zeevader,” sprak De Ruyter, „is hij gevallen? God hebbe zijne ziel! De oorlog eischt vele offers. Heden mijn, morgen dijn! Treur niet te zeer, oude vriend! Hij ging u slechts wat voor! Daar boven ziet gij hem weder, willen we hopen!”Lievensz. drukte de hand van zijnen Admiraal en deze zeide tot den Officier: „Met uw verlof, Mijnheer, mag ik den dienst verder verrichten?”De Bevelhebber van het schip stamelde een verlegen: „Ja zeker, Admiraal! O, als u dát doen wilde, dan....”„Ik heb er behoefte aan, het te doen, Mijnheer,” sprak De Ruyter, en hierop het lijk van den dappere naderend, legde hij de hand, die den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig wist te voeren, op de windselen, ter plaatse waar een paar uren geleden een jong hart zoo warm klopte, en met eene ontroerde stem, die door al het scheepsvolk, dat eerbiedig het hoofd ontblootte, kon verstaan worden, sprak de vrome held: „Jongen, gij zijt gevallen voor uw Vaderland in den opgang van een veel belovend leven! Moge God Uwe ziele hebben!—Het Vaderland zal u indachtig zijn! Uwe Ouders staren u in de hope des wederziens na, uwe vrienden zullen u nooit vergeten, en uw Admiraal zegt uit vriendschap voor uwen grijzen Vader en ter eere van u: een-twee-drie! In Godsnaam!”De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met het lijk er op schoof verder en—verdween in de diepte.Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust terug om deze te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed mogelijk te herstellen.Hier ontving men minder gunstige berichten en niet overdreven was een woord uit die dagen afkomstig: „De Regeering is radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos.”Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk XIV toe. Men gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem van zijn leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht, verliet ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk afscheid genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik Prins van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen.De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij besefte volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus: „Oranje boven!” nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder de verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de toekomst niet zoo donker in.Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een lafaard gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten heeft.Hij spreekt dat tegen, open en rond.Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij bedankt heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris.De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker uit, want de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem van Oranje en Jan De Witt.Nog wat later, op den tweeëntwintigsten Augustus, komt de tijding op de vloot: „De gebroeders De Witt zijn door het Haagsche gemeen schandelijk vermoord!”Dat was een slag!Wat zal er van het Vaderland worden?Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het Zeeuwsche schip „De Zelandia.”Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd.En De Ruyter leest: „Luctor et emergo.”Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die ook vernomen heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij waagt te zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen Koning zou kunnen vallen.De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het onderschrift van Zeelands wapen: „Als ’t Landt al t’eenemaal verloren gaat, zal ik met de vloot, ik weet niet waar, liever heenzeilen, dan mij aan uwen Koning, die geen woord noch verbond houdt, overgeven!Luctor et emergo!”1Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk wel wat gerekend had,bleef ook achterwege.↑

NEGENDE HOOFDSTUK.Luctor et Emergo.Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon men weer het oorlogszwaard in de scheede steken.Voor hoe lang?De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk door heel Europa.Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie.Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo gevaarlijk voor een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in bevolking dan wij.Engeland was verwoed, dat het voor zulk eenen handvol kooplieden had moeten sidderen. Het schaamde zich voor de oogen van heel de wereld.Frankrijk, over welk land de heerschzuchtige Koning Lodewijk XIV regeerde, had met een zeker welgevallen gezien, dat twee Mogendheden terzee elkander beoorloogden. Het hoopte, dat die twee elkander zoo goed als vernielen zouden, en als zij dan ook van meet af moesten beginnen, wel, dan kon Frankrijk ook mededingen naar de heerschappij terzee. Maar nòch het een, nòch het ander was gebeurd. Engeland was geslagen, maar niet vernietigd, en Nederland trad als overwinnaar sterker en machtiger dan ooit, na den vrede te voorschijn. En dan die Raadpensionaris, die Johan De Witt, die hem, den machtigen Lodewijk, te slim af was, die telkens liet blijken, dat hij voor slimheid geslepenheid inruil gaf, ja, die hem dikwijls noodzaakte te bekennen, dat hij hem in staatsmanswijsheid verre boven het hoofd gewassen was! Dat was voor den trotschen Lodewijk niet om te dulden. En Zweden, dat ook eens de macht van onze wapenen had moeten voelen, kon het eveneens moeielijk verkroppen, dat het voor een land, door kooplieden geregeerd, had moeten bukken, terwijl Denemarken er wel een weinig meê verlegen was, dat het aan eene Republiek zooveel te danken had.En toch, zij allen moesten het zien, dat die kleine hoop van boeren, kooplieden en visschers in Europa, zooveel als de eerste viool speelde, en, wilden ze geen gevaar loopen met dezelfde boeren, kooplieden en visschers aan den dans te gaan, dan moesten ze nog heel beleefd wezen op den koop toe; er was voorshands niets aan te doen.Er zat voor het oogenblik voor Engeland en Zweden dusniets anders op, dan een drievoudig verbond te sluiten met de Republiek der Vereenigde Nederlanden.Dat viel Frankrijk bitter tegen, doch het zweeg en wachtte zijnen tijd af, zelfs toen Spanje in 1669 tot het drievoudig verbond toetrad.Toen begon Lodewijk al dadelijk middelen in het werk te stellen om dat verbond, dat eigenlijk alleen tegen hem gericht was, uit elkander te doen springen.Het eerst beproefde hij dat bij de gehate Republiek, die hem evenwel het hoofd liet stooten.Nu wendde hij zich tot Engeland, wiens Koning Karel II graag naar Lodewijk luisterde, als deze hem maar wat geld gaf. Want geld had deze verkwister maar al te veel noodig, en toen Koning Lodewijk hem een groot jaargeld beloofde, dacht Karel er geen oogenblik aan, of hij voor zijn volk, dat van het jaargeld geene voordeelen had, ook goed handelde, uit het drievoudig verbond te treden.En Zweden?Ook dat land had wel ooren voor de mooie woorden van Lodewijk, die zich in alle stilte verkneuterde, dat hij nu toch dien Hollandschen kaasboer en kruidenier, dien Jan De Witt, te slim af geweest was.De man bedroog zich echter; want de Raadpensionaris wist alles reeds, ja, misschien nog eer dan Lodewijk.Maar wat zou de Raadpensionaris doen?Het was in het land ook al niet, zooals Joost Van den Vondel eens zong:„Het is al boter, tot den boôm,Men zingt al Pais en Vree.”Integendeel, het was er verre af.Willem Hendrik, Prins van Oranje, doch ambteloos burger in den Staat, was meerderjarig geworden en werd, na, als Eerste Edele van Zeeland opgetreden te zijn, ook Lid van den Raad van State.Maar hiermede was het volk niet tevreden. Het was de Stadhouderlooze Regeering reeds lang moede en wilde wat anders hebben. Het wilde dat de Prins wát zou zijn.Jawel, wat zijn, maar wát? Noemt iets, noemt alles behalve Stadhouder Kapitein-Generaal en Admiraal der Unie, alles en we zullen zien, wat we doen zullen, heette het.Daar begon Frankrijk onzen handel moeielijkheden in den weg te leggen.Leer om leer, wij bemoeilijkten den zijnen, en—benoemden bovendien Willem Hendrik, Prins van Oranje tot Kapitein-Generaal voor éénen veldtocht.En er was geen oorlog?!Neen, maar er zou oorlog komen, dat wees alles aan. Daarom had men ook al besloten de vloot weer in haren vroegeren toestand te brengen, het leger te lande te versterken en de vestingwerken te verbeteren.Het eerste was tendeele geschied; het tweede en laatste moest nog gebeuren.De vloot was het stokpaardje van den Raadpensionaris en van Holland en Zeeland, zeide men, en alles pleit er voor, dat dit zoo was.Daar werd den zevenden April 1672 ons door Frankrijk den oorlog verklaard, niettegenstaande al het mogelijke beproefd was, dien te voorkomen.En nauwelijks had men de oorlogsverklaring van Frankrijk gelezen, of daar kwam een brief vanwege den Koning van Engeland, die ons, in navolging van den man, die hem geld gaf voor zijne verkwistingen, ook den oorlog verklaarde.Weg was het mooie plan van den Raadpensionaris om Frankrijk door Engeland en Engeland door Frankrijk in bedwang te houden.Door twee machtige vijanden besprongen en voor één niet veel meer dan half klaar. De vloot was goed en men wachtte Engeland en Frankrijk op zee rustig af, wanthijleefde nog.Hijzou zich weer met eenen Gevolmachtigde aan het hoofd der vloot stellen,hij, die Engeland had doen sidderen en beven;hij, die door den trotschen Lodewijk als Ridder zonder vrees of blaam vereerd en gevleid werd;hij, de Luitenant-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter;hij, Bestevaêr Michiel, die na vier jaren rust, het bordes van zijne woning op het Nieuwe-Waalseiland afstapte, de „Zeven Provinciën,” beklom en sprak: „Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”Laat komen Brit en Gal, onze Vlissinger Michiel zal hen te woord staan!Maar te land stonden de zaken minder goed.Een jongeling, ziek en zwak, zonder eenige ondervinding, aan het hoofd van een leger, dat er eigenlijk niet was, maar nog komen moest, die vestingen zou moeten verdedigen, waar het gras in de grachten groeide, en de kanonnen op de affuiten verroest waren. Een jongeling, stil en afgetrokken, wel door den Raadpensionaris doorkneed in staatsmanswijsheid, maar als Veldheer ongeoefend, tegenover Lodewijk XIV en zijne wakkere legerhoofden!En alsof het niet genoeg ware dat Frankrijk de Republiek van de landzijde aanviel, kwamen in Mei de Bisschoppen van Munster en Keulen ons ook nog den oorlog verklaren.Zegevierend trok de vijand ons land binnen.En De Witt en zijne vrienden?Lang hadden ze zich, trots alle kuiperijen en oproerskreten, staande gehouden, en ze gevoelden zich krachtig genoeg den lande verder te dienen, als maar de bevolking in die bange dagen, instede van tegen te werken, hen had willen helpen.Maar van de medewerking van de zijde des Volks was niet veel te zien, integendeel, het zag er niet te best uit binnen de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Nog eer de zomer zijnen intocht in ons land hield, lag Lodewijk XIVal voor Utrecht en maakte er zich den drieëntwintigsten Juni meester van.Slechts Holland, Zeeland en Friesland waren vrij van den vijand. Ook Zeeland met zijn wapen, dat eenen klimmenden leeuw in de golven voorstelt met het onderschrift:Luctor et emergo, dat is: „Ik worstel en ontkom.”Ik worstel.Men behoefde dat niemand te zeggen; ieder zag dat, ieder werd dat gewaar. Niemand was er, die het tegensprak of ontkende: „Luctor”!Maar „emergo”? „Ik ontkom?”Dàt stond nog te bezien! Alles deed vreezen, dat de Zeeuwsche en de Hollandschen leeuwen, den kampstrijd moede, het opgeven zouden.Maar is er dan niet één, die met forsche vuist den Engelschen Luipaard op de vlucht jaagt en de Fransche Leliën afmaait? Niet één?„Hei, Vlissinger Michiel! Waar zit ge, Bestevaêr?”„Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”„Zouden die leeuw van Zeeland en die leeuw van Holland het houden, hé?”„Het houden, Mijne Heeren? Het houden? Als God en de mijnen maar helpen willen, dan zullen we dat onderschrift wáár maken:Luctor et emergo! Heet mijn schip niet „De Zeven Provinciën”? Het zullen er zeven blijven, wat mij en mijne kinderen ter zee betreft. Waarheen zal het gaan?”„Waarheen? Waarheen? Overal waar de vijand is Admiraal!”„Goed, Mijne Heeren, wij zullen hem overal zoeken waar hij te vinden is en te woord staan, zooals ons dat past.”Men vond hem eindelijk den zevenden Juli te Solebay.Het was eene machtige vloot nu de Engelschen zich met de Franschen vereenigd hadden, en ze telde niet minder dan honderd tweeënvijftig schepen van allerlei grootte en vorm.De onze telde er honderd drieëndertig, doch het kleiner getal schepen werd goed gemaakt door eene keur van Aanvoerders en den uitnemenden geest der manschappen.Als Gevolmachtigde van de Staten bevond Cornelis De Witt zich aanboord van De Ruyters Admiraalsschip, dat alweer „De Zeven Provinciën” was.Engel De Ruyter kommandeerde, als Kapitein, nu ook voor het eerst een eigen schip, „De Deventer” geheeten. Het voerde zesenzestig stukken geschut en had behalve zestig zeesoldaten of mariniers, tweehonderd vijftig man aanboord. Als Eerste Officier was Jan Lievensz., er ook. Hoewel hij ook Kapitein op een oorlogsschip had kunnen worden, had hij dit van de hand gewezen, omdat hij in dat geval dan een schip gekregen had om in de Middellandsche zee te kruisen.Bij De Ruyter was de oude Lievensz. ook weer aanboord, hoewel de man te oud geworden was om den dienst van Bootsman waar te nemen. De Ruyter had hem echter niet voor het hoofd willen stooten, en was bovendien overtuigd dat de oude man door zijne ondervinding en zijnen voorbeeldeloozen ijver ruimschoots goed maakte, wat hij in vlugheid te kort kwam.Zonder eenigen tegenstand kwam onze vloot bij de Engelsche kust en toen de uitkijk riep: „Land vooruit!” wist men dat men de Solebay naderde, en dat men daar de Engelsch-Fransche vloot zou vinden.Deze liet zich ook niet lang wachten.De Ruyter stond uit te kijken en riep eensklaps: „Zeger! Zeger! kom eens hier, man!”Zeger, de Opperstuurman van „De Zeven Provinciën” naderde en vroeg eerbiedig: „Wat belieft u, Admiraal?”De Ruyter wees naar de vijandelijke vloot, en Zeger de richting van den wijsvinger des Admiraals volgende, zag het schip, dat deze aanwees.„Dat is onze man, Zeger!” zeide De Ruyter nogmaals.De Ruyter wees „The Royal Prince” het Admiraalsschip van de vijandelijke vloot aan, waarvan de Hertog van York zijne vlag liet waaien.„Dat zal gebeuren, Admiraal!” zeide Zeger, beleefdelijk zijne muts afnemende en naar het roer gaande.Zoo goed als de wind, die den onzen niet gunstig was en ook maar zacht woei, toeliet, hield „De Zeven Provinciën” het op het Engelsche Admiraalsschip aan.Even als bij Chattam de konstabels van Van Brakel, stonden de mannen van „De Zeven Provinciën” ook nu gereed vuur te geven, doch De Ruyter, die liefst maar niet op goed geluk af schoot, wachtte hiermede, tot ze op een pistoolschot afstands genaderd waren.„Vuur!” klonk het.Met een luid „Hoezee!” werden de kanonnen losgebrand.De Engelschman gaf geene krimp en beantwoordde het vuur met dezelfde hevigheid.Toonde De Ruyter niet bang te wezen zijnen vijand onder de oogen te zien, de Hertog van York bewees van zijne zijde, datvreesook niet in zijn woordenboek stond.Beiden waren tegen elkander opgewassen.Toch was op het laatst „The Royal Prince” zoo doorschoten en gehavend, dat de Hertog van York op een ander schip moest overgaan. Hij deed dit alweer niet om lafhartig op de vlucht te slaan, maar omdat hij op zulk eenen ontredderden bodem zich niet bewegen kon, teneinde de noodige bevelen te geven, en dat De Ruyter hem daartoe noodzaakte, lag in de vlugheid waarmede aanboord van „De Zeven Provinciën” het geschut bediend werd.Bijna op hetzelfde oogenblik dat onze Admiraal zijnen vijand zoo goed als overwonnen had en de matrozen met een „Hoezee! Bestevaêr! Hoezee!” de Engelsche Admiraalsvlag van „The Royal Prince” zagen overgaan op de „St.Michiel” kwam er eene sloep aanboord, die voor onzen Admiraal geene goede tijding bracht.„Wat is er, mannen, wat is er?” vroeg hij den matrozen uit de sloep, toen dezen op het dek verschenen.„Admiraal, uw zoon, Kapitein Engel, is door een stuk hout tegen de borst getroffen, en kan geen woord uitbrengen,” klonk het antwoord.De Ruyter ontstelde, doch oogenblikkelijk deed hij met geweld de zorg eens Vaders plaats maken voor den plicht eens Opperbevelhebbers, en tamelijk bedaard zeide hij: „We hopen, dat de wonde niet doodelijk zijn moge! Geeft de Dokter nog moed?”„De Dokter meent, dat hij er wel van herstellen zal!” zeiden de matrozen.„Nu, kinderen, gaat dan aanboord terug! Zorgt goed voor mijnen jongen! Zoodra ik kan, kom ik bij hem!”De matrozen gingen heen en klommen van den valreep.„Ik mag wel mede, nietwaar, Admiraal?” vroeg de „Barre Bruinvisch” ook naar den valreep gaande.„Ga, vriend, ga!” antwoordde De Ruyter, die den ouden man zeer goed begreep en daarom graag vertrekken liet.„Ziet ge,” zei de „Barre Bruinvisch” toen hij, tot verwondering van de matrozen, ook bij hen in de sloep kwam, „ziet ge, ik met mijne stijve beenen kan toch niet veel meer doen. En weet ge, ik ben zooveel als de zeevader van Jonker Engel. Ik wil mijn zeekind oppassen.”„Ha zoo, dan heet gij Lievensz., hé?” vroeg de man aan het roer.„Om je te dienen, vriendschap! Ze noemen me anders ook nog wel eens „Barre Bruinvisch”, zie je! En mijn zoon Jan is Eerste Officier bij mijn zeekind aanboord!”„Jawel, jawel!” zei de man aan het roer zoo kort mogelijk, doch er kwam een vreemde trek om den mond van den Janmaat.„En ik hoop, als dat hij dien Roôrokken zal hebben laten zien, als dat hij mijn jongen is! Heeft hij dat?”„Zeker, hij was een van de eerste aan den dans!” klonkhet weer, doch pas was dat gezegd of de Stuurman legde zonder dat Lievensz. het zag, den vinger voor den mond, wat toen ook al beteekende: „Zwijgen! Niets zeggen!”„Ja, ja,” hernam de „Barre” opgewonden, „hij zal ze laten dansen, ha, ha!” en hier op liet hij in vroolijken, bijna dartelen overmoed het deuntje volgen:„Hij zal ze laten dansen,Op zijn Engelsch en zijn Franschen,Hij zal ze laten dansen den zevensprong!”„Kijk den „Dolle” eens rare sprongen gaan maken,” riep de Stuurman, terwijl hij op de „Groot-Hollandia” een schip van vierenzestig stukken, wees.„Daar is Van Brakel Kapitein op, is het niet zoo?” vroeg een der matrozen.„Ja, ja, de „Dolle.” En dat gaat zoo regelrecht af op de „Royal James”, het Admiraalsschip van Montague.”„Maar hapert het den „Dolle” in zijne bovenkamer om daar met een schip van honderdvier stukken te gaan bakkeleien? Dat is toch geene partuur voor hem!” sprak een ander der roeiers. „De overmacht is hem immers veel te groot!”„Partuur? Partuur?! Ja, daar vraagt de „Dolle” naar! Willen we eens wedden, dat hij dien grooten lobbes zoo netjes in het zonnetje zet, als gij het ooit gezien hebt,” zeide de Stuurman, en zich hierop tot Lievensz. wendende vervolgde hij: „En wat zegt onze oude Bootsman ervan?”„Als ik er veel van zeg, blijft er weinig van over!” antwoordde Lievensz. met een akelig boos gezicht. „Hij zal dien olifant te woord staan; hij zal hem zijne volle bekomst geven; maar als dat gedaan is, zit er eene schrobbeering voor hem op, niet zuinig, man!”„Wat! Eene schrobbeering?” riepen eenige matrozen tegelijk, en vergaten van verwondering aan de riemen te trekken.„Trekt dan, kerels,” riep de man aan het roer. „Trekt dan toch, anders komen we aanboord, als de boel afgeloopen is. De „Barre” meent er niemendal van!”„Niet meenen? Niet meenen? De „Dolle” loopt zoo zeker eene....” Terwijl hij sprak sloeg eene kleine kanonskogel hem over het hoofd en nam zijne wollen muts mede.„Goeden morgen,” riep hij lachend. „Die malle Roôrokken mikken op een oud man! Bah, hoe flauw is dat! Wat hebben ze er aan om eenen meer dan halfsleten zwabber naar de haaien te helpen!”„Barre”, zeî de Stuurman, vol bewondering, „ge zijt een echte zeerob, hoor! Dat verbleekt zelfs niet eens.”„Ja, dat komt omdat ik eenen wijnneus altijd voor mooier gehouden heb dan een karnemelks-gezicht,” sprak Lievensz. „Maar om nu op den „Dolle” terug te komen, ik zeg: hij loopt eene schrobbeering op zoo waar, als tweemaal twee vier is.”Terwijl hij dit zeide knoopte hij van zijnen bonten zakdoek een mutsje, zette dat op, doch....Weer nam een kogel het weg en meteen een stuk van den duim.Zonder dat er een spier van zijn gelaat pijn of schrik verried, zeide hij: „Wel, zulke gevoellooze Koningsmoorders! Dat gunt mijnen kalen knikker zelfs geen blauw neusdoekje!”De matrozen van „De Deventer” dit ziende en hoorende, riepen als uit éénen mond: „Hoezee! voor den Barren Bruinvisch! Dat is er een van Bestevaêr!”„Maakt niet zulk een kabaal om een neusdoekje en een stukje duim,” zeide Lievensz. „Roeit maar voort, anders zit er voor u ook nog wat anders op dan een bedankje.”„Maar,” vroeg nu de stuurman, „waarom zou de „Dolle” straf oploopen? Ik denk, als Bestevaêr het gezien heeft, dat....”„Wie spreekt er van Bestevaêr,” antwoordde Lievensz.,het lesje geheel vergetend, hetwelk hij eens van De Ruyter ontvangen had. „Wat heeft Bestevaêr in de melk te brokken? Zooveel als, niemendal immers? Neen, Meneer Cornelis De Witt zal hem straffen, omdat Van Brakel zich niet houdt aan het bevel, en op eigen houtje aan het klappen deelen gaat!”1„Die Ruwaard is een lafbek, die van benauwdheid in het kabelgat gekropen is,” riep een matroos.„Neen, neen, kompeer, een lafbek, dat is hij allerminst,” sprak de „Barre” vol vuur. „Wie dat zegt, weet er niets van. Wat waar is, mag gezegd wezen. Zoolang het gevecht met den Hertog van York geduurd heeft, zat hij in eenen stoel bij de stuurmanshut, of, als hij moede van het zitten was, stond hij er bij. Maar of de mooie mannen van zijne lijfwacht om hem heen vielen als muizen, hij week geen duimbreed terug. Neen, neen, alle respect voor eene landrot, die zooveel moed heeft, maar ziet ge, ik heb het land aan alle dwarskijkers, die wat de zee betreft, nog op de schoolbanken moesten zitten, en die toch eenen held, die zijne zwarte haren op zee grijs heeft zien worden, als ondergeschikte behandelt. Ik....”„We zijn er,” zeide de Stuurman, doch toen de riemen ingehaald waren en de „Barre” de eerste wilde zijn, die tegen den valreep opklimmen wilde, hield een der matrozen hem tegen.„Nu, wat zal dat?” vroeg Lievensz. boos.„Bootsman, wij hebben het onderweg zoo druk gehad met te vertellen van alles en nog wat, dat ik vergat u nog wat meer mede te deelen.”„Hebt ge dan onzen Admiraal soms een sprookje opgedischt?Is Jonker Engel dood? Is De Ruyters zoon gesneuveld?”Juist voer er eene sloep met Engelschen voorbij. Een ervan scheen zoo wat Hollandsch te kunnen verstaan, althans op de Engelsche vloot liep al heel spoedig het gerucht, dat Admiraal De Ruyter ernstig gekwetst was.„Neen. Lievensz., neen! Onze Kapitein is slechts gewond, maar uw zoon is...”De Stuurman kon andermaal niet uitspreken; want met eene vlugheid, die men bij zulk eenen ouden man niet gezocht zou hebben, greep hij den valreep, klom naar boven en riep: „Jan! Jan Lievensz., jongen, jongen, waar ben je?”„Wat moet die man?” vroeg de Officier, die inplaats van Kapitein Engel De Ruyter nu het bevel voerde.„Het is de Vader van Luitenant Lievensz., Meneer,” antwoordt de Stuurman der sloep.Maar de „Barre Bruinvisch” heeft daar wat met een zeil bedekt op het dek zien liggen. Hij weet wat dat beteekent. Hij licht het op en....„O, God, mijn jongen, mijn jongen gevallen!—Gevallen!” roept hij snikkend, de verwrongen gelaatstrekken van den gesneuvelde met kussen overdekkend.„Gevallen als een held, Vader! Gij hebt zijne laatste groeten gehad ook voor zijne Moeder!” sprak de bevelvoerende Officier, die zich hierop verwijderde om in de slagorde van de vloot te blijven en te doen wat zijn plicht was.Eenigen tijd bleef Lievensz. daar bij zijnen zoon liggen, en richtte zich eerst op toen hij, haperend en stotterend, voor hem het „Onze Vader” gebeden had. Toen dekte hij hem aan alle kanten toe, drukte weer eenen kus op zijnen mond en ging, waggelend als een dronken man, naar de kajuit waar Jonker Engel lag.„J-jan-d-do-od;” bracht deze er met moeite uit, doch drukte met zeemans hartelijkheid de hand van zijnen oudenzeevader, die in dat korte oogenblik zooveel ouder geworden scheen te zijn.„Ja, ja, dood! o, Engel, mijn jongen! Mijn jongen!” snikte de Vader.„H-hij-v-v-iel aan m-mijne z-z-zijde; ik-ik-zag-h-het en k-kr-kreeg t-toe-toen....”„Ik moet u het spreken ten ernstigste verbieden, Kapitein!” sprak de Scheepsdokter, die hier toevallig iemand was, die pas de Hoogeschool had verlaten en die zijne krachten en diensten in dien benauwden tijd ook zijn Vaderland wilde wijden.„Is u de Dokter?” vroeg Lievensz.„Ja, goede vriend,” was het antwoord. „Wilt ge wat weten soms?”„En was er niets meer aan mijnen zoon te doen, Dokter?”„Wie was uw zoon, ouwentje?”„Luitenant Lievensz., Dokter!”„Neen, vriend, de musketkogel heeft hem doodelijk gewond. Hij leefde geene vijf minuten meer! Gij hebt zijne laatste groeten, en hij verzocht mij ook, of ik u vragen wilde, zijne Moeder en zuster vaarwel te kussen.”„Dank-je, Dokter, dank-je!” sprak de „Barre Bruinvisch” zoo bedaard, alsof er niets gebeurd was.Maar daar binnen was het niet bedaard! Daar woelde, en kookte, en bruiste het, als op eene stormachtige zee. Doch hij bedwong zich en begon zijn ander zeekind zoo trouwhartig te verzorgen, dat deze hem de hand drukte en zachtkens zei: „Goed, bra-braaf, Gr-Grootva-vader-tje!”—„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het een paar uren later aanboord van Engel De Ruyters schip.„Ze schieten minder! Zou de slag gedaan zijn?” vroeg de Dokter, die beneden bij de gekwetsten bleef en een deel zijner zorgen aan Engel wijdde, aan Lievensz.„Bestevaêr komt tenminste naar zijnen zoon kijken en dan zal de slag wel beslist zijn!” antwoordde de oude man.„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het nu nog luider van „De Deventer”, waar alles in de weer was om hem te ontvangen.De Admiraal stapte aanboord, en het juichende volk vriendelijk toeknikkend, ging hij naar de kajuit.Driftiger dan hij gewoon was trad hij binnen.„Dag Engel, dag jongen! Toch niet zwaar gewond, lieve jongen, hé?” sprak De Ruyter.„Dag, b-bes-beste, Va-Vader!” antwoordde Engel en schudde de hand des Admiraals.„Mag ik voor hem antwoorden, Admiraal?” vroeg de Dokter beleefd. „Ik heb hem het spreken verboden!”„Verboden? Goed, vriend, dan mag hij niet spreken. Gehoorzaamheid moet in alles betracht worden, in den oorlog en op het ziekbed. U is dan zeker de Dokter?”„Ja, Admiraal! En ik kan u tevens gerust stellen. Als uw zoon zich maar bedaard houdt, dan is hij over een dag of drie weer zoover, dat hij ongehinderd spreken kan, ten minste, als wij nu weer maar niet al te spoedig aan den dans gaan, want dat hindert hem.”„Dank u, Dokter! Mijn zoon zal gehoorzamen, doch zal toehooren, als ik wat vertel, hem hinderen?”De Dokter schudde het hoofd.„Nu dan, jongen, het is er vandaag zoo van langs gegaan, als ik nog nooit heb bijgewoond. Ik zelf heb twintigduizend pond buskruit en vijfendertig honderd kanonskogels verschoten. Admiraal Montague van den vijand, is, jammer genoeg, want de man heeft zich kranig gedragen, verdronken. Van Brakel heeft gevochten als een stier, en al de anderen als leeuwen, en, al hebben we ook al geene schitterende overwinning behaald, wij hebben zee gehouden. Als het nu te land ook zoo maar gaat, jongen, dan ontkomen we den dans zeker. Het is anders een harde dobber, hoor!”Hier zweeg de Admiraal, en Lievensz. hem een teeken gevende, wenkte hem te volgen.De Ruyter voldeed hieraan en toen hij boven kwam waren ze juist gereed om Luitenant Lievensz. een eervol zeemans-graf te geven.De bevelvoerende Officier deed het gebed, en toen dat geëindigd was, vroeg De Ruyter: „Wie is dat, Lievensz.? Jan toch niet?”Lievensz. knikte, want het snikken belette hem eenig ander antwoord te geven.„Goede zeevader,” sprak De Ruyter, „is hij gevallen? God hebbe zijne ziel! De oorlog eischt vele offers. Heden mijn, morgen dijn! Treur niet te zeer, oude vriend! Hij ging u slechts wat voor! Daar boven ziet gij hem weder, willen we hopen!”Lievensz. drukte de hand van zijnen Admiraal en deze zeide tot den Officier: „Met uw verlof, Mijnheer, mag ik den dienst verder verrichten?”De Bevelhebber van het schip stamelde een verlegen: „Ja zeker, Admiraal! O, als u dát doen wilde, dan....”„Ik heb er behoefte aan, het te doen, Mijnheer,” sprak De Ruyter, en hierop het lijk van den dappere naderend, legde hij de hand, die den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig wist te voeren, op de windselen, ter plaatse waar een paar uren geleden een jong hart zoo warm klopte, en met eene ontroerde stem, die door al het scheepsvolk, dat eerbiedig het hoofd ontblootte, kon verstaan worden, sprak de vrome held: „Jongen, gij zijt gevallen voor uw Vaderland in den opgang van een veel belovend leven! Moge God Uwe ziele hebben!—Het Vaderland zal u indachtig zijn! Uwe Ouders staren u in de hope des wederziens na, uwe vrienden zullen u nooit vergeten, en uw Admiraal zegt uit vriendschap voor uwen grijzen Vader en ter eere van u: een-twee-drie! In Godsnaam!”De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met het lijk er op schoof verder en—verdween in de diepte.Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust terug om deze te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed mogelijk te herstellen.Hier ontving men minder gunstige berichten en niet overdreven was een woord uit die dagen afkomstig: „De Regeering is radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos.”Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk XIV toe. Men gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem van zijn leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht, verliet ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk afscheid genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik Prins van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen.De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij besefte volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus: „Oranje boven!” nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder de verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de toekomst niet zoo donker in.Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een lafaard gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten heeft.Hij spreekt dat tegen, open en rond.Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij bedankt heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris.De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker uit, want de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem van Oranje en Jan De Witt.Nog wat later, op den tweeëntwintigsten Augustus, komt de tijding op de vloot: „De gebroeders De Witt zijn door het Haagsche gemeen schandelijk vermoord!”Dat was een slag!Wat zal er van het Vaderland worden?Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het Zeeuwsche schip „De Zelandia.”Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd.En De Ruyter leest: „Luctor et emergo.”Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die ook vernomen heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij waagt te zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen Koning zou kunnen vallen.De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het onderschrift van Zeelands wapen: „Als ’t Landt al t’eenemaal verloren gaat, zal ik met de vloot, ik weet niet waar, liever heenzeilen, dan mij aan uwen Koning, die geen woord noch verbond houdt, overgeven!Luctor et emergo!”1Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk wel wat gerekend had,bleef ook achterwege.↑

NEGENDE HOOFDSTUK.Luctor et Emergo.Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon men weer het oorlogszwaard in de scheede steken.Voor hoe lang?De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk door heel Europa.Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie.Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo gevaarlijk voor een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in bevolking dan wij.Engeland was verwoed, dat het voor zulk eenen handvol kooplieden had moeten sidderen. Het schaamde zich voor de oogen van heel de wereld.Frankrijk, over welk land de heerschzuchtige Koning Lodewijk XIV regeerde, had met een zeker welgevallen gezien, dat twee Mogendheden terzee elkander beoorloogden. Het hoopte, dat die twee elkander zoo goed als vernielen zouden, en als zij dan ook van meet af moesten beginnen, wel, dan kon Frankrijk ook mededingen naar de heerschappij terzee. Maar nòch het een, nòch het ander was gebeurd. Engeland was geslagen, maar niet vernietigd, en Nederland trad als overwinnaar sterker en machtiger dan ooit, na den vrede te voorschijn. En dan die Raadpensionaris, die Johan De Witt, die hem, den machtigen Lodewijk, te slim af was, die telkens liet blijken, dat hij voor slimheid geslepenheid inruil gaf, ja, die hem dikwijls noodzaakte te bekennen, dat hij hem in staatsmanswijsheid verre boven het hoofd gewassen was! Dat was voor den trotschen Lodewijk niet om te dulden. En Zweden, dat ook eens de macht van onze wapenen had moeten voelen, kon het eveneens moeielijk verkroppen, dat het voor een land, door kooplieden geregeerd, had moeten bukken, terwijl Denemarken er wel een weinig meê verlegen was, dat het aan eene Republiek zooveel te danken had.En toch, zij allen moesten het zien, dat die kleine hoop van boeren, kooplieden en visschers in Europa, zooveel als de eerste viool speelde, en, wilden ze geen gevaar loopen met dezelfde boeren, kooplieden en visschers aan den dans te gaan, dan moesten ze nog heel beleefd wezen op den koop toe; er was voorshands niets aan te doen.Er zat voor het oogenblik voor Engeland en Zweden dusniets anders op, dan een drievoudig verbond te sluiten met de Republiek der Vereenigde Nederlanden.Dat viel Frankrijk bitter tegen, doch het zweeg en wachtte zijnen tijd af, zelfs toen Spanje in 1669 tot het drievoudig verbond toetrad.Toen begon Lodewijk al dadelijk middelen in het werk te stellen om dat verbond, dat eigenlijk alleen tegen hem gericht was, uit elkander te doen springen.Het eerst beproefde hij dat bij de gehate Republiek, die hem evenwel het hoofd liet stooten.Nu wendde hij zich tot Engeland, wiens Koning Karel II graag naar Lodewijk luisterde, als deze hem maar wat geld gaf. Want geld had deze verkwister maar al te veel noodig, en toen Koning Lodewijk hem een groot jaargeld beloofde, dacht Karel er geen oogenblik aan, of hij voor zijn volk, dat van het jaargeld geene voordeelen had, ook goed handelde, uit het drievoudig verbond te treden.En Zweden?Ook dat land had wel ooren voor de mooie woorden van Lodewijk, die zich in alle stilte verkneuterde, dat hij nu toch dien Hollandschen kaasboer en kruidenier, dien Jan De Witt, te slim af geweest was.De man bedroog zich echter; want de Raadpensionaris wist alles reeds, ja, misschien nog eer dan Lodewijk.Maar wat zou de Raadpensionaris doen?Het was in het land ook al niet, zooals Joost Van den Vondel eens zong:„Het is al boter, tot den boôm,Men zingt al Pais en Vree.”Integendeel, het was er verre af.Willem Hendrik, Prins van Oranje, doch ambteloos burger in den Staat, was meerderjarig geworden en werd, na, als Eerste Edele van Zeeland opgetreden te zijn, ook Lid van den Raad van State.Maar hiermede was het volk niet tevreden. Het was de Stadhouderlooze Regeering reeds lang moede en wilde wat anders hebben. Het wilde dat de Prins wát zou zijn.Jawel, wat zijn, maar wát? Noemt iets, noemt alles behalve Stadhouder Kapitein-Generaal en Admiraal der Unie, alles en we zullen zien, wat we doen zullen, heette het.Daar begon Frankrijk onzen handel moeielijkheden in den weg te leggen.Leer om leer, wij bemoeilijkten den zijnen, en—benoemden bovendien Willem Hendrik, Prins van Oranje tot Kapitein-Generaal voor éénen veldtocht.En er was geen oorlog?!Neen, maar er zou oorlog komen, dat wees alles aan. Daarom had men ook al besloten de vloot weer in haren vroegeren toestand te brengen, het leger te lande te versterken en de vestingwerken te verbeteren.Het eerste was tendeele geschied; het tweede en laatste moest nog gebeuren.De vloot was het stokpaardje van den Raadpensionaris en van Holland en Zeeland, zeide men, en alles pleit er voor, dat dit zoo was.Daar werd den zevenden April 1672 ons door Frankrijk den oorlog verklaard, niettegenstaande al het mogelijke beproefd was, dien te voorkomen.En nauwelijks had men de oorlogsverklaring van Frankrijk gelezen, of daar kwam een brief vanwege den Koning van Engeland, die ons, in navolging van den man, die hem geld gaf voor zijne verkwistingen, ook den oorlog verklaarde.Weg was het mooie plan van den Raadpensionaris om Frankrijk door Engeland en Engeland door Frankrijk in bedwang te houden.Door twee machtige vijanden besprongen en voor één niet veel meer dan half klaar. De vloot was goed en men wachtte Engeland en Frankrijk op zee rustig af, wanthijleefde nog.Hijzou zich weer met eenen Gevolmachtigde aan het hoofd der vloot stellen,hij, die Engeland had doen sidderen en beven;hij, die door den trotschen Lodewijk als Ridder zonder vrees of blaam vereerd en gevleid werd;hij, de Luitenant-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter;hij, Bestevaêr Michiel, die na vier jaren rust, het bordes van zijne woning op het Nieuwe-Waalseiland afstapte, de „Zeven Provinciën,” beklom en sprak: „Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”Laat komen Brit en Gal, onze Vlissinger Michiel zal hen te woord staan!Maar te land stonden de zaken minder goed.Een jongeling, ziek en zwak, zonder eenige ondervinding, aan het hoofd van een leger, dat er eigenlijk niet was, maar nog komen moest, die vestingen zou moeten verdedigen, waar het gras in de grachten groeide, en de kanonnen op de affuiten verroest waren. Een jongeling, stil en afgetrokken, wel door den Raadpensionaris doorkneed in staatsmanswijsheid, maar als Veldheer ongeoefend, tegenover Lodewijk XIV en zijne wakkere legerhoofden!En alsof het niet genoeg ware dat Frankrijk de Republiek van de landzijde aanviel, kwamen in Mei de Bisschoppen van Munster en Keulen ons ook nog den oorlog verklaren.Zegevierend trok de vijand ons land binnen.En De Witt en zijne vrienden?Lang hadden ze zich, trots alle kuiperijen en oproerskreten, staande gehouden, en ze gevoelden zich krachtig genoeg den lande verder te dienen, als maar de bevolking in die bange dagen, instede van tegen te werken, hen had willen helpen.Maar van de medewerking van de zijde des Volks was niet veel te zien, integendeel, het zag er niet te best uit binnen de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Nog eer de zomer zijnen intocht in ons land hield, lag Lodewijk XIVal voor Utrecht en maakte er zich den drieëntwintigsten Juni meester van.Slechts Holland, Zeeland en Friesland waren vrij van den vijand. Ook Zeeland met zijn wapen, dat eenen klimmenden leeuw in de golven voorstelt met het onderschrift:Luctor et emergo, dat is: „Ik worstel en ontkom.”Ik worstel.Men behoefde dat niemand te zeggen; ieder zag dat, ieder werd dat gewaar. Niemand was er, die het tegensprak of ontkende: „Luctor”!Maar „emergo”? „Ik ontkom?”Dàt stond nog te bezien! Alles deed vreezen, dat de Zeeuwsche en de Hollandschen leeuwen, den kampstrijd moede, het opgeven zouden.Maar is er dan niet één, die met forsche vuist den Engelschen Luipaard op de vlucht jaagt en de Fransche Leliën afmaait? Niet één?„Hei, Vlissinger Michiel! Waar zit ge, Bestevaêr?”„Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”„Zouden die leeuw van Zeeland en die leeuw van Holland het houden, hé?”„Het houden, Mijne Heeren? Het houden? Als God en de mijnen maar helpen willen, dan zullen we dat onderschrift wáár maken:Luctor et emergo! Heet mijn schip niet „De Zeven Provinciën”? Het zullen er zeven blijven, wat mij en mijne kinderen ter zee betreft. Waarheen zal het gaan?”„Waarheen? Waarheen? Overal waar de vijand is Admiraal!”„Goed, Mijne Heeren, wij zullen hem overal zoeken waar hij te vinden is en te woord staan, zooals ons dat past.”Men vond hem eindelijk den zevenden Juli te Solebay.Het was eene machtige vloot nu de Engelschen zich met de Franschen vereenigd hadden, en ze telde niet minder dan honderd tweeënvijftig schepen van allerlei grootte en vorm.De onze telde er honderd drieëndertig, doch het kleiner getal schepen werd goed gemaakt door eene keur van Aanvoerders en den uitnemenden geest der manschappen.Als Gevolmachtigde van de Staten bevond Cornelis De Witt zich aanboord van De Ruyters Admiraalsschip, dat alweer „De Zeven Provinciën” was.Engel De Ruyter kommandeerde, als Kapitein, nu ook voor het eerst een eigen schip, „De Deventer” geheeten. Het voerde zesenzestig stukken geschut en had behalve zestig zeesoldaten of mariniers, tweehonderd vijftig man aanboord. Als Eerste Officier was Jan Lievensz., er ook. Hoewel hij ook Kapitein op een oorlogsschip had kunnen worden, had hij dit van de hand gewezen, omdat hij in dat geval dan een schip gekregen had om in de Middellandsche zee te kruisen.Bij De Ruyter was de oude Lievensz. ook weer aanboord, hoewel de man te oud geworden was om den dienst van Bootsman waar te nemen. De Ruyter had hem echter niet voor het hoofd willen stooten, en was bovendien overtuigd dat de oude man door zijne ondervinding en zijnen voorbeeldeloozen ijver ruimschoots goed maakte, wat hij in vlugheid te kort kwam.Zonder eenigen tegenstand kwam onze vloot bij de Engelsche kust en toen de uitkijk riep: „Land vooruit!” wist men dat men de Solebay naderde, en dat men daar de Engelsch-Fransche vloot zou vinden.Deze liet zich ook niet lang wachten.De Ruyter stond uit te kijken en riep eensklaps: „Zeger! Zeger! kom eens hier, man!”Zeger, de Opperstuurman van „De Zeven Provinciën” naderde en vroeg eerbiedig: „Wat belieft u, Admiraal?”De Ruyter wees naar de vijandelijke vloot, en Zeger de richting van den wijsvinger des Admiraals volgende, zag het schip, dat deze aanwees.„Dat is onze man, Zeger!” zeide De Ruyter nogmaals.De Ruyter wees „The Royal Prince” het Admiraalsschip van de vijandelijke vloot aan, waarvan de Hertog van York zijne vlag liet waaien.„Dat zal gebeuren, Admiraal!” zeide Zeger, beleefdelijk zijne muts afnemende en naar het roer gaande.Zoo goed als de wind, die den onzen niet gunstig was en ook maar zacht woei, toeliet, hield „De Zeven Provinciën” het op het Engelsche Admiraalsschip aan.Even als bij Chattam de konstabels van Van Brakel, stonden de mannen van „De Zeven Provinciën” ook nu gereed vuur te geven, doch De Ruyter, die liefst maar niet op goed geluk af schoot, wachtte hiermede, tot ze op een pistoolschot afstands genaderd waren.„Vuur!” klonk het.Met een luid „Hoezee!” werden de kanonnen losgebrand.De Engelschman gaf geene krimp en beantwoordde het vuur met dezelfde hevigheid.Toonde De Ruyter niet bang te wezen zijnen vijand onder de oogen te zien, de Hertog van York bewees van zijne zijde, datvreesook niet in zijn woordenboek stond.Beiden waren tegen elkander opgewassen.Toch was op het laatst „The Royal Prince” zoo doorschoten en gehavend, dat de Hertog van York op een ander schip moest overgaan. Hij deed dit alweer niet om lafhartig op de vlucht te slaan, maar omdat hij op zulk eenen ontredderden bodem zich niet bewegen kon, teneinde de noodige bevelen te geven, en dat De Ruyter hem daartoe noodzaakte, lag in de vlugheid waarmede aanboord van „De Zeven Provinciën” het geschut bediend werd.Bijna op hetzelfde oogenblik dat onze Admiraal zijnen vijand zoo goed als overwonnen had en de matrozen met een „Hoezee! Bestevaêr! Hoezee!” de Engelsche Admiraalsvlag van „The Royal Prince” zagen overgaan op de „St.Michiel” kwam er eene sloep aanboord, die voor onzen Admiraal geene goede tijding bracht.„Wat is er, mannen, wat is er?” vroeg hij den matrozen uit de sloep, toen dezen op het dek verschenen.„Admiraal, uw zoon, Kapitein Engel, is door een stuk hout tegen de borst getroffen, en kan geen woord uitbrengen,” klonk het antwoord.De Ruyter ontstelde, doch oogenblikkelijk deed hij met geweld de zorg eens Vaders plaats maken voor den plicht eens Opperbevelhebbers, en tamelijk bedaard zeide hij: „We hopen, dat de wonde niet doodelijk zijn moge! Geeft de Dokter nog moed?”„De Dokter meent, dat hij er wel van herstellen zal!” zeiden de matrozen.„Nu, kinderen, gaat dan aanboord terug! Zorgt goed voor mijnen jongen! Zoodra ik kan, kom ik bij hem!”De matrozen gingen heen en klommen van den valreep.„Ik mag wel mede, nietwaar, Admiraal?” vroeg de „Barre Bruinvisch” ook naar den valreep gaande.„Ga, vriend, ga!” antwoordde De Ruyter, die den ouden man zeer goed begreep en daarom graag vertrekken liet.„Ziet ge,” zei de „Barre Bruinvisch” toen hij, tot verwondering van de matrozen, ook bij hen in de sloep kwam, „ziet ge, ik met mijne stijve beenen kan toch niet veel meer doen. En weet ge, ik ben zooveel als de zeevader van Jonker Engel. Ik wil mijn zeekind oppassen.”„Ha zoo, dan heet gij Lievensz., hé?” vroeg de man aan het roer.„Om je te dienen, vriendschap! Ze noemen me anders ook nog wel eens „Barre Bruinvisch”, zie je! En mijn zoon Jan is Eerste Officier bij mijn zeekind aanboord!”„Jawel, jawel!” zei de man aan het roer zoo kort mogelijk, doch er kwam een vreemde trek om den mond van den Janmaat.„En ik hoop, als dat hij dien Roôrokken zal hebben laten zien, als dat hij mijn jongen is! Heeft hij dat?”„Zeker, hij was een van de eerste aan den dans!” klonkhet weer, doch pas was dat gezegd of de Stuurman legde zonder dat Lievensz. het zag, den vinger voor den mond, wat toen ook al beteekende: „Zwijgen! Niets zeggen!”„Ja, ja,” hernam de „Barre” opgewonden, „hij zal ze laten dansen, ha, ha!” en hier op liet hij in vroolijken, bijna dartelen overmoed het deuntje volgen:„Hij zal ze laten dansen,Op zijn Engelsch en zijn Franschen,Hij zal ze laten dansen den zevensprong!”„Kijk den „Dolle” eens rare sprongen gaan maken,” riep de Stuurman, terwijl hij op de „Groot-Hollandia” een schip van vierenzestig stukken, wees.„Daar is Van Brakel Kapitein op, is het niet zoo?” vroeg een der matrozen.„Ja, ja, de „Dolle.” En dat gaat zoo regelrecht af op de „Royal James”, het Admiraalsschip van Montague.”„Maar hapert het den „Dolle” in zijne bovenkamer om daar met een schip van honderdvier stukken te gaan bakkeleien? Dat is toch geene partuur voor hem!” sprak een ander der roeiers. „De overmacht is hem immers veel te groot!”„Partuur? Partuur?! Ja, daar vraagt de „Dolle” naar! Willen we eens wedden, dat hij dien grooten lobbes zoo netjes in het zonnetje zet, als gij het ooit gezien hebt,” zeide de Stuurman, en zich hierop tot Lievensz. wendende vervolgde hij: „En wat zegt onze oude Bootsman ervan?”„Als ik er veel van zeg, blijft er weinig van over!” antwoordde Lievensz. met een akelig boos gezicht. „Hij zal dien olifant te woord staan; hij zal hem zijne volle bekomst geven; maar als dat gedaan is, zit er eene schrobbeering voor hem op, niet zuinig, man!”„Wat! Eene schrobbeering?” riepen eenige matrozen tegelijk, en vergaten van verwondering aan de riemen te trekken.„Trekt dan, kerels,” riep de man aan het roer. „Trekt dan toch, anders komen we aanboord, als de boel afgeloopen is. De „Barre” meent er niemendal van!”„Niet meenen? Niet meenen? De „Dolle” loopt zoo zeker eene....” Terwijl hij sprak sloeg eene kleine kanonskogel hem over het hoofd en nam zijne wollen muts mede.„Goeden morgen,” riep hij lachend. „Die malle Roôrokken mikken op een oud man! Bah, hoe flauw is dat! Wat hebben ze er aan om eenen meer dan halfsleten zwabber naar de haaien te helpen!”„Barre”, zeî de Stuurman, vol bewondering, „ge zijt een echte zeerob, hoor! Dat verbleekt zelfs niet eens.”„Ja, dat komt omdat ik eenen wijnneus altijd voor mooier gehouden heb dan een karnemelks-gezicht,” sprak Lievensz. „Maar om nu op den „Dolle” terug te komen, ik zeg: hij loopt eene schrobbeering op zoo waar, als tweemaal twee vier is.”Terwijl hij dit zeide knoopte hij van zijnen bonten zakdoek een mutsje, zette dat op, doch....Weer nam een kogel het weg en meteen een stuk van den duim.Zonder dat er een spier van zijn gelaat pijn of schrik verried, zeide hij: „Wel, zulke gevoellooze Koningsmoorders! Dat gunt mijnen kalen knikker zelfs geen blauw neusdoekje!”De matrozen van „De Deventer” dit ziende en hoorende, riepen als uit éénen mond: „Hoezee! voor den Barren Bruinvisch! Dat is er een van Bestevaêr!”„Maakt niet zulk een kabaal om een neusdoekje en een stukje duim,” zeide Lievensz. „Roeit maar voort, anders zit er voor u ook nog wat anders op dan een bedankje.”„Maar,” vroeg nu de stuurman, „waarom zou de „Dolle” straf oploopen? Ik denk, als Bestevaêr het gezien heeft, dat....”„Wie spreekt er van Bestevaêr,” antwoordde Lievensz.,het lesje geheel vergetend, hetwelk hij eens van De Ruyter ontvangen had. „Wat heeft Bestevaêr in de melk te brokken? Zooveel als, niemendal immers? Neen, Meneer Cornelis De Witt zal hem straffen, omdat Van Brakel zich niet houdt aan het bevel, en op eigen houtje aan het klappen deelen gaat!”1„Die Ruwaard is een lafbek, die van benauwdheid in het kabelgat gekropen is,” riep een matroos.„Neen, neen, kompeer, een lafbek, dat is hij allerminst,” sprak de „Barre” vol vuur. „Wie dat zegt, weet er niets van. Wat waar is, mag gezegd wezen. Zoolang het gevecht met den Hertog van York geduurd heeft, zat hij in eenen stoel bij de stuurmanshut, of, als hij moede van het zitten was, stond hij er bij. Maar of de mooie mannen van zijne lijfwacht om hem heen vielen als muizen, hij week geen duimbreed terug. Neen, neen, alle respect voor eene landrot, die zooveel moed heeft, maar ziet ge, ik heb het land aan alle dwarskijkers, die wat de zee betreft, nog op de schoolbanken moesten zitten, en die toch eenen held, die zijne zwarte haren op zee grijs heeft zien worden, als ondergeschikte behandelt. Ik....”„We zijn er,” zeide de Stuurman, doch toen de riemen ingehaald waren en de „Barre” de eerste wilde zijn, die tegen den valreep opklimmen wilde, hield een der matrozen hem tegen.„Nu, wat zal dat?” vroeg Lievensz. boos.„Bootsman, wij hebben het onderweg zoo druk gehad met te vertellen van alles en nog wat, dat ik vergat u nog wat meer mede te deelen.”„Hebt ge dan onzen Admiraal soms een sprookje opgedischt?Is Jonker Engel dood? Is De Ruyters zoon gesneuveld?”Juist voer er eene sloep met Engelschen voorbij. Een ervan scheen zoo wat Hollandsch te kunnen verstaan, althans op de Engelsche vloot liep al heel spoedig het gerucht, dat Admiraal De Ruyter ernstig gekwetst was.„Neen. Lievensz., neen! Onze Kapitein is slechts gewond, maar uw zoon is...”De Stuurman kon andermaal niet uitspreken; want met eene vlugheid, die men bij zulk eenen ouden man niet gezocht zou hebben, greep hij den valreep, klom naar boven en riep: „Jan! Jan Lievensz., jongen, jongen, waar ben je?”„Wat moet die man?” vroeg de Officier, die inplaats van Kapitein Engel De Ruyter nu het bevel voerde.„Het is de Vader van Luitenant Lievensz., Meneer,” antwoordt de Stuurman der sloep.Maar de „Barre Bruinvisch” heeft daar wat met een zeil bedekt op het dek zien liggen. Hij weet wat dat beteekent. Hij licht het op en....„O, God, mijn jongen, mijn jongen gevallen!—Gevallen!” roept hij snikkend, de verwrongen gelaatstrekken van den gesneuvelde met kussen overdekkend.„Gevallen als een held, Vader! Gij hebt zijne laatste groeten gehad ook voor zijne Moeder!” sprak de bevelvoerende Officier, die zich hierop verwijderde om in de slagorde van de vloot te blijven en te doen wat zijn plicht was.Eenigen tijd bleef Lievensz. daar bij zijnen zoon liggen, en richtte zich eerst op toen hij, haperend en stotterend, voor hem het „Onze Vader” gebeden had. Toen dekte hij hem aan alle kanten toe, drukte weer eenen kus op zijnen mond en ging, waggelend als een dronken man, naar de kajuit waar Jonker Engel lag.„J-jan-d-do-od;” bracht deze er met moeite uit, doch drukte met zeemans hartelijkheid de hand van zijnen oudenzeevader, die in dat korte oogenblik zooveel ouder geworden scheen te zijn.„Ja, ja, dood! o, Engel, mijn jongen! Mijn jongen!” snikte de Vader.„H-hij-v-v-iel aan m-mijne z-z-zijde; ik-ik-zag-h-het en k-kr-kreeg t-toe-toen....”„Ik moet u het spreken ten ernstigste verbieden, Kapitein!” sprak de Scheepsdokter, die hier toevallig iemand was, die pas de Hoogeschool had verlaten en die zijne krachten en diensten in dien benauwden tijd ook zijn Vaderland wilde wijden.„Is u de Dokter?” vroeg Lievensz.„Ja, goede vriend,” was het antwoord. „Wilt ge wat weten soms?”„En was er niets meer aan mijnen zoon te doen, Dokter?”„Wie was uw zoon, ouwentje?”„Luitenant Lievensz., Dokter!”„Neen, vriend, de musketkogel heeft hem doodelijk gewond. Hij leefde geene vijf minuten meer! Gij hebt zijne laatste groeten, en hij verzocht mij ook, of ik u vragen wilde, zijne Moeder en zuster vaarwel te kussen.”„Dank-je, Dokter, dank-je!” sprak de „Barre Bruinvisch” zoo bedaard, alsof er niets gebeurd was.Maar daar binnen was het niet bedaard! Daar woelde, en kookte, en bruiste het, als op eene stormachtige zee. Doch hij bedwong zich en begon zijn ander zeekind zoo trouwhartig te verzorgen, dat deze hem de hand drukte en zachtkens zei: „Goed, bra-braaf, Gr-Grootva-vader-tje!”—„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het een paar uren later aanboord van Engel De Ruyters schip.„Ze schieten minder! Zou de slag gedaan zijn?” vroeg de Dokter, die beneden bij de gekwetsten bleef en een deel zijner zorgen aan Engel wijdde, aan Lievensz.„Bestevaêr komt tenminste naar zijnen zoon kijken en dan zal de slag wel beslist zijn!” antwoordde de oude man.„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het nu nog luider van „De Deventer”, waar alles in de weer was om hem te ontvangen.De Admiraal stapte aanboord, en het juichende volk vriendelijk toeknikkend, ging hij naar de kajuit.Driftiger dan hij gewoon was trad hij binnen.„Dag Engel, dag jongen! Toch niet zwaar gewond, lieve jongen, hé?” sprak De Ruyter.„Dag, b-bes-beste, Va-Vader!” antwoordde Engel en schudde de hand des Admiraals.„Mag ik voor hem antwoorden, Admiraal?” vroeg de Dokter beleefd. „Ik heb hem het spreken verboden!”„Verboden? Goed, vriend, dan mag hij niet spreken. Gehoorzaamheid moet in alles betracht worden, in den oorlog en op het ziekbed. U is dan zeker de Dokter?”„Ja, Admiraal! En ik kan u tevens gerust stellen. Als uw zoon zich maar bedaard houdt, dan is hij over een dag of drie weer zoover, dat hij ongehinderd spreken kan, ten minste, als wij nu weer maar niet al te spoedig aan den dans gaan, want dat hindert hem.”„Dank u, Dokter! Mijn zoon zal gehoorzamen, doch zal toehooren, als ik wat vertel, hem hinderen?”De Dokter schudde het hoofd.„Nu dan, jongen, het is er vandaag zoo van langs gegaan, als ik nog nooit heb bijgewoond. Ik zelf heb twintigduizend pond buskruit en vijfendertig honderd kanonskogels verschoten. Admiraal Montague van den vijand, is, jammer genoeg, want de man heeft zich kranig gedragen, verdronken. Van Brakel heeft gevochten als een stier, en al de anderen als leeuwen, en, al hebben we ook al geene schitterende overwinning behaald, wij hebben zee gehouden. Als het nu te land ook zoo maar gaat, jongen, dan ontkomen we den dans zeker. Het is anders een harde dobber, hoor!”Hier zweeg de Admiraal, en Lievensz. hem een teeken gevende, wenkte hem te volgen.De Ruyter voldeed hieraan en toen hij boven kwam waren ze juist gereed om Luitenant Lievensz. een eervol zeemans-graf te geven.De bevelvoerende Officier deed het gebed, en toen dat geëindigd was, vroeg De Ruyter: „Wie is dat, Lievensz.? Jan toch niet?”Lievensz. knikte, want het snikken belette hem eenig ander antwoord te geven.„Goede zeevader,” sprak De Ruyter, „is hij gevallen? God hebbe zijne ziel! De oorlog eischt vele offers. Heden mijn, morgen dijn! Treur niet te zeer, oude vriend! Hij ging u slechts wat voor! Daar boven ziet gij hem weder, willen we hopen!”Lievensz. drukte de hand van zijnen Admiraal en deze zeide tot den Officier: „Met uw verlof, Mijnheer, mag ik den dienst verder verrichten?”De Bevelhebber van het schip stamelde een verlegen: „Ja zeker, Admiraal! O, als u dát doen wilde, dan....”„Ik heb er behoefte aan, het te doen, Mijnheer,” sprak De Ruyter, en hierop het lijk van den dappere naderend, legde hij de hand, die den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig wist te voeren, op de windselen, ter plaatse waar een paar uren geleden een jong hart zoo warm klopte, en met eene ontroerde stem, die door al het scheepsvolk, dat eerbiedig het hoofd ontblootte, kon verstaan worden, sprak de vrome held: „Jongen, gij zijt gevallen voor uw Vaderland in den opgang van een veel belovend leven! Moge God Uwe ziele hebben!—Het Vaderland zal u indachtig zijn! Uwe Ouders staren u in de hope des wederziens na, uwe vrienden zullen u nooit vergeten, en uw Admiraal zegt uit vriendschap voor uwen grijzen Vader en ter eere van u: een-twee-drie! In Godsnaam!”De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met het lijk er op schoof verder en—verdween in de diepte.Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust terug om deze te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed mogelijk te herstellen.Hier ontving men minder gunstige berichten en niet overdreven was een woord uit die dagen afkomstig: „De Regeering is radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos.”Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk XIV toe. Men gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem van zijn leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht, verliet ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk afscheid genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik Prins van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen.De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij besefte volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus: „Oranje boven!” nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder de verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de toekomst niet zoo donker in.Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een lafaard gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten heeft.Hij spreekt dat tegen, open en rond.Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij bedankt heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris.De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker uit, want de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem van Oranje en Jan De Witt.Nog wat later, op den tweeëntwintigsten Augustus, komt de tijding op de vloot: „De gebroeders De Witt zijn door het Haagsche gemeen schandelijk vermoord!”Dat was een slag!Wat zal er van het Vaderland worden?Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het Zeeuwsche schip „De Zelandia.”Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd.En De Ruyter leest: „Luctor et emergo.”Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die ook vernomen heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij waagt te zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen Koning zou kunnen vallen.De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het onderschrift van Zeelands wapen: „Als ’t Landt al t’eenemaal verloren gaat, zal ik met de vloot, ik weet niet waar, liever heenzeilen, dan mij aan uwen Koning, die geen woord noch verbond houdt, overgeven!Luctor et emergo!”1Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk wel wat gerekend had,bleef ook achterwege.↑

NEGENDE HOOFDSTUK.Luctor et Emergo.

Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon men weer het oorlogszwaard in de scheede steken.Voor hoe lang?De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk door heel Europa.Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie.Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo gevaarlijk voor een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in bevolking dan wij.Engeland was verwoed, dat het voor zulk eenen handvol kooplieden had moeten sidderen. Het schaamde zich voor de oogen van heel de wereld.Frankrijk, over welk land de heerschzuchtige Koning Lodewijk XIV regeerde, had met een zeker welgevallen gezien, dat twee Mogendheden terzee elkander beoorloogden. Het hoopte, dat die twee elkander zoo goed als vernielen zouden, en als zij dan ook van meet af moesten beginnen, wel, dan kon Frankrijk ook mededingen naar de heerschappij terzee. Maar nòch het een, nòch het ander was gebeurd. Engeland was geslagen, maar niet vernietigd, en Nederland trad als overwinnaar sterker en machtiger dan ooit, na den vrede te voorschijn. En dan die Raadpensionaris, die Johan De Witt, die hem, den machtigen Lodewijk, te slim af was, die telkens liet blijken, dat hij voor slimheid geslepenheid inruil gaf, ja, die hem dikwijls noodzaakte te bekennen, dat hij hem in staatsmanswijsheid verre boven het hoofd gewassen was! Dat was voor den trotschen Lodewijk niet om te dulden. En Zweden, dat ook eens de macht van onze wapenen had moeten voelen, kon het eveneens moeielijk verkroppen, dat het voor een land, door kooplieden geregeerd, had moeten bukken, terwijl Denemarken er wel een weinig meê verlegen was, dat het aan eene Republiek zooveel te danken had.En toch, zij allen moesten het zien, dat die kleine hoop van boeren, kooplieden en visschers in Europa, zooveel als de eerste viool speelde, en, wilden ze geen gevaar loopen met dezelfde boeren, kooplieden en visschers aan den dans te gaan, dan moesten ze nog heel beleefd wezen op den koop toe; er was voorshands niets aan te doen.Er zat voor het oogenblik voor Engeland en Zweden dusniets anders op, dan een drievoudig verbond te sluiten met de Republiek der Vereenigde Nederlanden.Dat viel Frankrijk bitter tegen, doch het zweeg en wachtte zijnen tijd af, zelfs toen Spanje in 1669 tot het drievoudig verbond toetrad.Toen begon Lodewijk al dadelijk middelen in het werk te stellen om dat verbond, dat eigenlijk alleen tegen hem gericht was, uit elkander te doen springen.Het eerst beproefde hij dat bij de gehate Republiek, die hem evenwel het hoofd liet stooten.Nu wendde hij zich tot Engeland, wiens Koning Karel II graag naar Lodewijk luisterde, als deze hem maar wat geld gaf. Want geld had deze verkwister maar al te veel noodig, en toen Koning Lodewijk hem een groot jaargeld beloofde, dacht Karel er geen oogenblik aan, of hij voor zijn volk, dat van het jaargeld geene voordeelen had, ook goed handelde, uit het drievoudig verbond te treden.En Zweden?Ook dat land had wel ooren voor de mooie woorden van Lodewijk, die zich in alle stilte verkneuterde, dat hij nu toch dien Hollandschen kaasboer en kruidenier, dien Jan De Witt, te slim af geweest was.De man bedroog zich echter; want de Raadpensionaris wist alles reeds, ja, misschien nog eer dan Lodewijk.Maar wat zou de Raadpensionaris doen?Het was in het land ook al niet, zooals Joost Van den Vondel eens zong:„Het is al boter, tot den boôm,Men zingt al Pais en Vree.”Integendeel, het was er verre af.Willem Hendrik, Prins van Oranje, doch ambteloos burger in den Staat, was meerderjarig geworden en werd, na, als Eerste Edele van Zeeland opgetreden te zijn, ook Lid van den Raad van State.Maar hiermede was het volk niet tevreden. Het was de Stadhouderlooze Regeering reeds lang moede en wilde wat anders hebben. Het wilde dat de Prins wát zou zijn.Jawel, wat zijn, maar wát? Noemt iets, noemt alles behalve Stadhouder Kapitein-Generaal en Admiraal der Unie, alles en we zullen zien, wat we doen zullen, heette het.Daar begon Frankrijk onzen handel moeielijkheden in den weg te leggen.Leer om leer, wij bemoeilijkten den zijnen, en—benoemden bovendien Willem Hendrik, Prins van Oranje tot Kapitein-Generaal voor éénen veldtocht.En er was geen oorlog?!Neen, maar er zou oorlog komen, dat wees alles aan. Daarom had men ook al besloten de vloot weer in haren vroegeren toestand te brengen, het leger te lande te versterken en de vestingwerken te verbeteren.Het eerste was tendeele geschied; het tweede en laatste moest nog gebeuren.De vloot was het stokpaardje van den Raadpensionaris en van Holland en Zeeland, zeide men, en alles pleit er voor, dat dit zoo was.Daar werd den zevenden April 1672 ons door Frankrijk den oorlog verklaard, niettegenstaande al het mogelijke beproefd was, dien te voorkomen.En nauwelijks had men de oorlogsverklaring van Frankrijk gelezen, of daar kwam een brief vanwege den Koning van Engeland, die ons, in navolging van den man, die hem geld gaf voor zijne verkwistingen, ook den oorlog verklaarde.Weg was het mooie plan van den Raadpensionaris om Frankrijk door Engeland en Engeland door Frankrijk in bedwang te houden.Door twee machtige vijanden besprongen en voor één niet veel meer dan half klaar. De vloot was goed en men wachtte Engeland en Frankrijk op zee rustig af, wanthijleefde nog.Hijzou zich weer met eenen Gevolmachtigde aan het hoofd der vloot stellen,hij, die Engeland had doen sidderen en beven;hij, die door den trotschen Lodewijk als Ridder zonder vrees of blaam vereerd en gevleid werd;hij, de Luitenant-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter;hij, Bestevaêr Michiel, die na vier jaren rust, het bordes van zijne woning op het Nieuwe-Waalseiland afstapte, de „Zeven Provinciën,” beklom en sprak: „Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”Laat komen Brit en Gal, onze Vlissinger Michiel zal hen te woord staan!Maar te land stonden de zaken minder goed.Een jongeling, ziek en zwak, zonder eenige ondervinding, aan het hoofd van een leger, dat er eigenlijk niet was, maar nog komen moest, die vestingen zou moeten verdedigen, waar het gras in de grachten groeide, en de kanonnen op de affuiten verroest waren. Een jongeling, stil en afgetrokken, wel door den Raadpensionaris doorkneed in staatsmanswijsheid, maar als Veldheer ongeoefend, tegenover Lodewijk XIV en zijne wakkere legerhoofden!En alsof het niet genoeg ware dat Frankrijk de Republiek van de landzijde aanviel, kwamen in Mei de Bisschoppen van Munster en Keulen ons ook nog den oorlog verklaren.Zegevierend trok de vijand ons land binnen.En De Witt en zijne vrienden?Lang hadden ze zich, trots alle kuiperijen en oproerskreten, staande gehouden, en ze gevoelden zich krachtig genoeg den lande verder te dienen, als maar de bevolking in die bange dagen, instede van tegen te werken, hen had willen helpen.Maar van de medewerking van de zijde des Volks was niet veel te zien, integendeel, het zag er niet te best uit binnen de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Nog eer de zomer zijnen intocht in ons land hield, lag Lodewijk XIVal voor Utrecht en maakte er zich den drieëntwintigsten Juni meester van.Slechts Holland, Zeeland en Friesland waren vrij van den vijand. Ook Zeeland met zijn wapen, dat eenen klimmenden leeuw in de golven voorstelt met het onderschrift:Luctor et emergo, dat is: „Ik worstel en ontkom.”Ik worstel.Men behoefde dat niemand te zeggen; ieder zag dat, ieder werd dat gewaar. Niemand was er, die het tegensprak of ontkende: „Luctor”!Maar „emergo”? „Ik ontkom?”Dàt stond nog te bezien! Alles deed vreezen, dat de Zeeuwsche en de Hollandschen leeuwen, den kampstrijd moede, het opgeven zouden.Maar is er dan niet één, die met forsche vuist den Engelschen Luipaard op de vlucht jaagt en de Fransche Leliën afmaait? Niet één?„Hei, Vlissinger Michiel! Waar zit ge, Bestevaêr?”„Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”„Zouden die leeuw van Zeeland en die leeuw van Holland het houden, hé?”„Het houden, Mijne Heeren? Het houden? Als God en de mijnen maar helpen willen, dan zullen we dat onderschrift wáár maken:Luctor et emergo! Heet mijn schip niet „De Zeven Provinciën”? Het zullen er zeven blijven, wat mij en mijne kinderen ter zee betreft. Waarheen zal het gaan?”„Waarheen? Waarheen? Overal waar de vijand is Admiraal!”„Goed, Mijne Heeren, wij zullen hem overal zoeken waar hij te vinden is en te woord staan, zooals ons dat past.”Men vond hem eindelijk den zevenden Juli te Solebay.Het was eene machtige vloot nu de Engelschen zich met de Franschen vereenigd hadden, en ze telde niet minder dan honderd tweeënvijftig schepen van allerlei grootte en vorm.De onze telde er honderd drieëndertig, doch het kleiner getal schepen werd goed gemaakt door eene keur van Aanvoerders en den uitnemenden geest der manschappen.Als Gevolmachtigde van de Staten bevond Cornelis De Witt zich aanboord van De Ruyters Admiraalsschip, dat alweer „De Zeven Provinciën” was.Engel De Ruyter kommandeerde, als Kapitein, nu ook voor het eerst een eigen schip, „De Deventer” geheeten. Het voerde zesenzestig stukken geschut en had behalve zestig zeesoldaten of mariniers, tweehonderd vijftig man aanboord. Als Eerste Officier was Jan Lievensz., er ook. Hoewel hij ook Kapitein op een oorlogsschip had kunnen worden, had hij dit van de hand gewezen, omdat hij in dat geval dan een schip gekregen had om in de Middellandsche zee te kruisen.Bij De Ruyter was de oude Lievensz. ook weer aanboord, hoewel de man te oud geworden was om den dienst van Bootsman waar te nemen. De Ruyter had hem echter niet voor het hoofd willen stooten, en was bovendien overtuigd dat de oude man door zijne ondervinding en zijnen voorbeeldeloozen ijver ruimschoots goed maakte, wat hij in vlugheid te kort kwam.Zonder eenigen tegenstand kwam onze vloot bij de Engelsche kust en toen de uitkijk riep: „Land vooruit!” wist men dat men de Solebay naderde, en dat men daar de Engelsch-Fransche vloot zou vinden.Deze liet zich ook niet lang wachten.De Ruyter stond uit te kijken en riep eensklaps: „Zeger! Zeger! kom eens hier, man!”Zeger, de Opperstuurman van „De Zeven Provinciën” naderde en vroeg eerbiedig: „Wat belieft u, Admiraal?”De Ruyter wees naar de vijandelijke vloot, en Zeger de richting van den wijsvinger des Admiraals volgende, zag het schip, dat deze aanwees.„Dat is onze man, Zeger!” zeide De Ruyter nogmaals.De Ruyter wees „The Royal Prince” het Admiraalsschip van de vijandelijke vloot aan, waarvan de Hertog van York zijne vlag liet waaien.„Dat zal gebeuren, Admiraal!” zeide Zeger, beleefdelijk zijne muts afnemende en naar het roer gaande.Zoo goed als de wind, die den onzen niet gunstig was en ook maar zacht woei, toeliet, hield „De Zeven Provinciën” het op het Engelsche Admiraalsschip aan.Even als bij Chattam de konstabels van Van Brakel, stonden de mannen van „De Zeven Provinciën” ook nu gereed vuur te geven, doch De Ruyter, die liefst maar niet op goed geluk af schoot, wachtte hiermede, tot ze op een pistoolschot afstands genaderd waren.„Vuur!” klonk het.Met een luid „Hoezee!” werden de kanonnen losgebrand.De Engelschman gaf geene krimp en beantwoordde het vuur met dezelfde hevigheid.Toonde De Ruyter niet bang te wezen zijnen vijand onder de oogen te zien, de Hertog van York bewees van zijne zijde, datvreesook niet in zijn woordenboek stond.Beiden waren tegen elkander opgewassen.Toch was op het laatst „The Royal Prince” zoo doorschoten en gehavend, dat de Hertog van York op een ander schip moest overgaan. Hij deed dit alweer niet om lafhartig op de vlucht te slaan, maar omdat hij op zulk eenen ontredderden bodem zich niet bewegen kon, teneinde de noodige bevelen te geven, en dat De Ruyter hem daartoe noodzaakte, lag in de vlugheid waarmede aanboord van „De Zeven Provinciën” het geschut bediend werd.Bijna op hetzelfde oogenblik dat onze Admiraal zijnen vijand zoo goed als overwonnen had en de matrozen met een „Hoezee! Bestevaêr! Hoezee!” de Engelsche Admiraalsvlag van „The Royal Prince” zagen overgaan op de „St.Michiel” kwam er eene sloep aanboord, die voor onzen Admiraal geene goede tijding bracht.„Wat is er, mannen, wat is er?” vroeg hij den matrozen uit de sloep, toen dezen op het dek verschenen.„Admiraal, uw zoon, Kapitein Engel, is door een stuk hout tegen de borst getroffen, en kan geen woord uitbrengen,” klonk het antwoord.De Ruyter ontstelde, doch oogenblikkelijk deed hij met geweld de zorg eens Vaders plaats maken voor den plicht eens Opperbevelhebbers, en tamelijk bedaard zeide hij: „We hopen, dat de wonde niet doodelijk zijn moge! Geeft de Dokter nog moed?”„De Dokter meent, dat hij er wel van herstellen zal!” zeiden de matrozen.„Nu, kinderen, gaat dan aanboord terug! Zorgt goed voor mijnen jongen! Zoodra ik kan, kom ik bij hem!”De matrozen gingen heen en klommen van den valreep.„Ik mag wel mede, nietwaar, Admiraal?” vroeg de „Barre Bruinvisch” ook naar den valreep gaande.„Ga, vriend, ga!” antwoordde De Ruyter, die den ouden man zeer goed begreep en daarom graag vertrekken liet.„Ziet ge,” zei de „Barre Bruinvisch” toen hij, tot verwondering van de matrozen, ook bij hen in de sloep kwam, „ziet ge, ik met mijne stijve beenen kan toch niet veel meer doen. En weet ge, ik ben zooveel als de zeevader van Jonker Engel. Ik wil mijn zeekind oppassen.”„Ha zoo, dan heet gij Lievensz., hé?” vroeg de man aan het roer.„Om je te dienen, vriendschap! Ze noemen me anders ook nog wel eens „Barre Bruinvisch”, zie je! En mijn zoon Jan is Eerste Officier bij mijn zeekind aanboord!”„Jawel, jawel!” zei de man aan het roer zoo kort mogelijk, doch er kwam een vreemde trek om den mond van den Janmaat.„En ik hoop, als dat hij dien Roôrokken zal hebben laten zien, als dat hij mijn jongen is! Heeft hij dat?”„Zeker, hij was een van de eerste aan den dans!” klonkhet weer, doch pas was dat gezegd of de Stuurman legde zonder dat Lievensz. het zag, den vinger voor den mond, wat toen ook al beteekende: „Zwijgen! Niets zeggen!”„Ja, ja,” hernam de „Barre” opgewonden, „hij zal ze laten dansen, ha, ha!” en hier op liet hij in vroolijken, bijna dartelen overmoed het deuntje volgen:„Hij zal ze laten dansen,Op zijn Engelsch en zijn Franschen,Hij zal ze laten dansen den zevensprong!”„Kijk den „Dolle” eens rare sprongen gaan maken,” riep de Stuurman, terwijl hij op de „Groot-Hollandia” een schip van vierenzestig stukken, wees.„Daar is Van Brakel Kapitein op, is het niet zoo?” vroeg een der matrozen.„Ja, ja, de „Dolle.” En dat gaat zoo regelrecht af op de „Royal James”, het Admiraalsschip van Montague.”„Maar hapert het den „Dolle” in zijne bovenkamer om daar met een schip van honderdvier stukken te gaan bakkeleien? Dat is toch geene partuur voor hem!” sprak een ander der roeiers. „De overmacht is hem immers veel te groot!”„Partuur? Partuur?! Ja, daar vraagt de „Dolle” naar! Willen we eens wedden, dat hij dien grooten lobbes zoo netjes in het zonnetje zet, als gij het ooit gezien hebt,” zeide de Stuurman, en zich hierop tot Lievensz. wendende vervolgde hij: „En wat zegt onze oude Bootsman ervan?”„Als ik er veel van zeg, blijft er weinig van over!” antwoordde Lievensz. met een akelig boos gezicht. „Hij zal dien olifant te woord staan; hij zal hem zijne volle bekomst geven; maar als dat gedaan is, zit er eene schrobbeering voor hem op, niet zuinig, man!”„Wat! Eene schrobbeering?” riepen eenige matrozen tegelijk, en vergaten van verwondering aan de riemen te trekken.„Trekt dan, kerels,” riep de man aan het roer. „Trekt dan toch, anders komen we aanboord, als de boel afgeloopen is. De „Barre” meent er niemendal van!”„Niet meenen? Niet meenen? De „Dolle” loopt zoo zeker eene....” Terwijl hij sprak sloeg eene kleine kanonskogel hem over het hoofd en nam zijne wollen muts mede.„Goeden morgen,” riep hij lachend. „Die malle Roôrokken mikken op een oud man! Bah, hoe flauw is dat! Wat hebben ze er aan om eenen meer dan halfsleten zwabber naar de haaien te helpen!”„Barre”, zeî de Stuurman, vol bewondering, „ge zijt een echte zeerob, hoor! Dat verbleekt zelfs niet eens.”„Ja, dat komt omdat ik eenen wijnneus altijd voor mooier gehouden heb dan een karnemelks-gezicht,” sprak Lievensz. „Maar om nu op den „Dolle” terug te komen, ik zeg: hij loopt eene schrobbeering op zoo waar, als tweemaal twee vier is.”Terwijl hij dit zeide knoopte hij van zijnen bonten zakdoek een mutsje, zette dat op, doch....Weer nam een kogel het weg en meteen een stuk van den duim.Zonder dat er een spier van zijn gelaat pijn of schrik verried, zeide hij: „Wel, zulke gevoellooze Koningsmoorders! Dat gunt mijnen kalen knikker zelfs geen blauw neusdoekje!”De matrozen van „De Deventer” dit ziende en hoorende, riepen als uit éénen mond: „Hoezee! voor den Barren Bruinvisch! Dat is er een van Bestevaêr!”„Maakt niet zulk een kabaal om een neusdoekje en een stukje duim,” zeide Lievensz. „Roeit maar voort, anders zit er voor u ook nog wat anders op dan een bedankje.”„Maar,” vroeg nu de stuurman, „waarom zou de „Dolle” straf oploopen? Ik denk, als Bestevaêr het gezien heeft, dat....”„Wie spreekt er van Bestevaêr,” antwoordde Lievensz.,het lesje geheel vergetend, hetwelk hij eens van De Ruyter ontvangen had. „Wat heeft Bestevaêr in de melk te brokken? Zooveel als, niemendal immers? Neen, Meneer Cornelis De Witt zal hem straffen, omdat Van Brakel zich niet houdt aan het bevel, en op eigen houtje aan het klappen deelen gaat!”1„Die Ruwaard is een lafbek, die van benauwdheid in het kabelgat gekropen is,” riep een matroos.„Neen, neen, kompeer, een lafbek, dat is hij allerminst,” sprak de „Barre” vol vuur. „Wie dat zegt, weet er niets van. Wat waar is, mag gezegd wezen. Zoolang het gevecht met den Hertog van York geduurd heeft, zat hij in eenen stoel bij de stuurmanshut, of, als hij moede van het zitten was, stond hij er bij. Maar of de mooie mannen van zijne lijfwacht om hem heen vielen als muizen, hij week geen duimbreed terug. Neen, neen, alle respect voor eene landrot, die zooveel moed heeft, maar ziet ge, ik heb het land aan alle dwarskijkers, die wat de zee betreft, nog op de schoolbanken moesten zitten, en die toch eenen held, die zijne zwarte haren op zee grijs heeft zien worden, als ondergeschikte behandelt. Ik....”„We zijn er,” zeide de Stuurman, doch toen de riemen ingehaald waren en de „Barre” de eerste wilde zijn, die tegen den valreep opklimmen wilde, hield een der matrozen hem tegen.„Nu, wat zal dat?” vroeg Lievensz. boos.„Bootsman, wij hebben het onderweg zoo druk gehad met te vertellen van alles en nog wat, dat ik vergat u nog wat meer mede te deelen.”„Hebt ge dan onzen Admiraal soms een sprookje opgedischt?Is Jonker Engel dood? Is De Ruyters zoon gesneuveld?”Juist voer er eene sloep met Engelschen voorbij. Een ervan scheen zoo wat Hollandsch te kunnen verstaan, althans op de Engelsche vloot liep al heel spoedig het gerucht, dat Admiraal De Ruyter ernstig gekwetst was.„Neen. Lievensz., neen! Onze Kapitein is slechts gewond, maar uw zoon is...”De Stuurman kon andermaal niet uitspreken; want met eene vlugheid, die men bij zulk eenen ouden man niet gezocht zou hebben, greep hij den valreep, klom naar boven en riep: „Jan! Jan Lievensz., jongen, jongen, waar ben je?”„Wat moet die man?” vroeg de Officier, die inplaats van Kapitein Engel De Ruyter nu het bevel voerde.„Het is de Vader van Luitenant Lievensz., Meneer,” antwoordt de Stuurman der sloep.Maar de „Barre Bruinvisch” heeft daar wat met een zeil bedekt op het dek zien liggen. Hij weet wat dat beteekent. Hij licht het op en....„O, God, mijn jongen, mijn jongen gevallen!—Gevallen!” roept hij snikkend, de verwrongen gelaatstrekken van den gesneuvelde met kussen overdekkend.„Gevallen als een held, Vader! Gij hebt zijne laatste groeten gehad ook voor zijne Moeder!” sprak de bevelvoerende Officier, die zich hierop verwijderde om in de slagorde van de vloot te blijven en te doen wat zijn plicht was.Eenigen tijd bleef Lievensz. daar bij zijnen zoon liggen, en richtte zich eerst op toen hij, haperend en stotterend, voor hem het „Onze Vader” gebeden had. Toen dekte hij hem aan alle kanten toe, drukte weer eenen kus op zijnen mond en ging, waggelend als een dronken man, naar de kajuit waar Jonker Engel lag.„J-jan-d-do-od;” bracht deze er met moeite uit, doch drukte met zeemans hartelijkheid de hand van zijnen oudenzeevader, die in dat korte oogenblik zooveel ouder geworden scheen te zijn.„Ja, ja, dood! o, Engel, mijn jongen! Mijn jongen!” snikte de Vader.„H-hij-v-v-iel aan m-mijne z-z-zijde; ik-ik-zag-h-het en k-kr-kreeg t-toe-toen....”„Ik moet u het spreken ten ernstigste verbieden, Kapitein!” sprak de Scheepsdokter, die hier toevallig iemand was, die pas de Hoogeschool had verlaten en die zijne krachten en diensten in dien benauwden tijd ook zijn Vaderland wilde wijden.„Is u de Dokter?” vroeg Lievensz.„Ja, goede vriend,” was het antwoord. „Wilt ge wat weten soms?”„En was er niets meer aan mijnen zoon te doen, Dokter?”„Wie was uw zoon, ouwentje?”„Luitenant Lievensz., Dokter!”„Neen, vriend, de musketkogel heeft hem doodelijk gewond. Hij leefde geene vijf minuten meer! Gij hebt zijne laatste groeten, en hij verzocht mij ook, of ik u vragen wilde, zijne Moeder en zuster vaarwel te kussen.”„Dank-je, Dokter, dank-je!” sprak de „Barre Bruinvisch” zoo bedaard, alsof er niets gebeurd was.Maar daar binnen was het niet bedaard! Daar woelde, en kookte, en bruiste het, als op eene stormachtige zee. Doch hij bedwong zich en begon zijn ander zeekind zoo trouwhartig te verzorgen, dat deze hem de hand drukte en zachtkens zei: „Goed, bra-braaf, Gr-Grootva-vader-tje!”—„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het een paar uren later aanboord van Engel De Ruyters schip.„Ze schieten minder! Zou de slag gedaan zijn?” vroeg de Dokter, die beneden bij de gekwetsten bleef en een deel zijner zorgen aan Engel wijdde, aan Lievensz.„Bestevaêr komt tenminste naar zijnen zoon kijken en dan zal de slag wel beslist zijn!” antwoordde de oude man.„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het nu nog luider van „De Deventer”, waar alles in de weer was om hem te ontvangen.De Admiraal stapte aanboord, en het juichende volk vriendelijk toeknikkend, ging hij naar de kajuit.Driftiger dan hij gewoon was trad hij binnen.„Dag Engel, dag jongen! Toch niet zwaar gewond, lieve jongen, hé?” sprak De Ruyter.„Dag, b-bes-beste, Va-Vader!” antwoordde Engel en schudde de hand des Admiraals.„Mag ik voor hem antwoorden, Admiraal?” vroeg de Dokter beleefd. „Ik heb hem het spreken verboden!”„Verboden? Goed, vriend, dan mag hij niet spreken. Gehoorzaamheid moet in alles betracht worden, in den oorlog en op het ziekbed. U is dan zeker de Dokter?”„Ja, Admiraal! En ik kan u tevens gerust stellen. Als uw zoon zich maar bedaard houdt, dan is hij over een dag of drie weer zoover, dat hij ongehinderd spreken kan, ten minste, als wij nu weer maar niet al te spoedig aan den dans gaan, want dat hindert hem.”„Dank u, Dokter! Mijn zoon zal gehoorzamen, doch zal toehooren, als ik wat vertel, hem hinderen?”De Dokter schudde het hoofd.„Nu dan, jongen, het is er vandaag zoo van langs gegaan, als ik nog nooit heb bijgewoond. Ik zelf heb twintigduizend pond buskruit en vijfendertig honderd kanonskogels verschoten. Admiraal Montague van den vijand, is, jammer genoeg, want de man heeft zich kranig gedragen, verdronken. Van Brakel heeft gevochten als een stier, en al de anderen als leeuwen, en, al hebben we ook al geene schitterende overwinning behaald, wij hebben zee gehouden. Als het nu te land ook zoo maar gaat, jongen, dan ontkomen we den dans zeker. Het is anders een harde dobber, hoor!”Hier zweeg de Admiraal, en Lievensz. hem een teeken gevende, wenkte hem te volgen.De Ruyter voldeed hieraan en toen hij boven kwam waren ze juist gereed om Luitenant Lievensz. een eervol zeemans-graf te geven.De bevelvoerende Officier deed het gebed, en toen dat geëindigd was, vroeg De Ruyter: „Wie is dat, Lievensz.? Jan toch niet?”Lievensz. knikte, want het snikken belette hem eenig ander antwoord te geven.„Goede zeevader,” sprak De Ruyter, „is hij gevallen? God hebbe zijne ziel! De oorlog eischt vele offers. Heden mijn, morgen dijn! Treur niet te zeer, oude vriend! Hij ging u slechts wat voor! Daar boven ziet gij hem weder, willen we hopen!”Lievensz. drukte de hand van zijnen Admiraal en deze zeide tot den Officier: „Met uw verlof, Mijnheer, mag ik den dienst verder verrichten?”De Bevelhebber van het schip stamelde een verlegen: „Ja zeker, Admiraal! O, als u dát doen wilde, dan....”„Ik heb er behoefte aan, het te doen, Mijnheer,” sprak De Ruyter, en hierop het lijk van den dappere naderend, legde hij de hand, die den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig wist te voeren, op de windselen, ter plaatse waar een paar uren geleden een jong hart zoo warm klopte, en met eene ontroerde stem, die door al het scheepsvolk, dat eerbiedig het hoofd ontblootte, kon verstaan worden, sprak de vrome held: „Jongen, gij zijt gevallen voor uw Vaderland in den opgang van een veel belovend leven! Moge God Uwe ziele hebben!—Het Vaderland zal u indachtig zijn! Uwe Ouders staren u in de hope des wederziens na, uwe vrienden zullen u nooit vergeten, en uw Admiraal zegt uit vriendschap voor uwen grijzen Vader en ter eere van u: een-twee-drie! In Godsnaam!”De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met het lijk er op schoof verder en—verdween in de diepte.Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust terug om deze te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed mogelijk te herstellen.Hier ontving men minder gunstige berichten en niet overdreven was een woord uit die dagen afkomstig: „De Regeering is radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos.”Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk XIV toe. Men gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem van zijn leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht, verliet ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk afscheid genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik Prins van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen.De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij besefte volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus: „Oranje boven!” nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder de verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de toekomst niet zoo donker in.Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een lafaard gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten heeft.Hij spreekt dat tegen, open en rond.Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij bedankt heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris.De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker uit, want de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem van Oranje en Jan De Witt.Nog wat later, op den tweeëntwintigsten Augustus, komt de tijding op de vloot: „De gebroeders De Witt zijn door het Haagsche gemeen schandelijk vermoord!”Dat was een slag!Wat zal er van het Vaderland worden?Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het Zeeuwsche schip „De Zelandia.”Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd.En De Ruyter leest: „Luctor et emergo.”Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die ook vernomen heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij waagt te zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen Koning zou kunnen vallen.De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het onderschrift van Zeelands wapen: „Als ’t Landt al t’eenemaal verloren gaat, zal ik met de vloot, ik weet niet waar, liever heenzeilen, dan mij aan uwen Koning, die geen woord noch verbond houdt, overgeven!Luctor et emergo!”

Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon men weer het oorlogszwaard in de scheede steken.

Voor hoe lang?

De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk door heel Europa.

Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie.

Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo gevaarlijk voor een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in bevolking dan wij.

Engeland was verwoed, dat het voor zulk eenen handvol kooplieden had moeten sidderen. Het schaamde zich voor de oogen van heel de wereld.

Frankrijk, over welk land de heerschzuchtige Koning Lodewijk XIV regeerde, had met een zeker welgevallen gezien, dat twee Mogendheden terzee elkander beoorloogden. Het hoopte, dat die twee elkander zoo goed als vernielen zouden, en als zij dan ook van meet af moesten beginnen, wel, dan kon Frankrijk ook mededingen naar de heerschappij terzee. Maar nòch het een, nòch het ander was gebeurd. Engeland was geslagen, maar niet vernietigd, en Nederland trad als overwinnaar sterker en machtiger dan ooit, na den vrede te voorschijn. En dan die Raadpensionaris, die Johan De Witt, die hem, den machtigen Lodewijk, te slim af was, die telkens liet blijken, dat hij voor slimheid geslepenheid inruil gaf, ja, die hem dikwijls noodzaakte te bekennen, dat hij hem in staatsmanswijsheid verre boven het hoofd gewassen was! Dat was voor den trotschen Lodewijk niet om te dulden. En Zweden, dat ook eens de macht van onze wapenen had moeten voelen, kon het eveneens moeielijk verkroppen, dat het voor een land, door kooplieden geregeerd, had moeten bukken, terwijl Denemarken er wel een weinig meê verlegen was, dat het aan eene Republiek zooveel te danken had.

En toch, zij allen moesten het zien, dat die kleine hoop van boeren, kooplieden en visschers in Europa, zooveel als de eerste viool speelde, en, wilden ze geen gevaar loopen met dezelfde boeren, kooplieden en visschers aan den dans te gaan, dan moesten ze nog heel beleefd wezen op den koop toe; er was voorshands niets aan te doen.

Er zat voor het oogenblik voor Engeland en Zweden dusniets anders op, dan een drievoudig verbond te sluiten met de Republiek der Vereenigde Nederlanden.

Dat viel Frankrijk bitter tegen, doch het zweeg en wachtte zijnen tijd af, zelfs toen Spanje in 1669 tot het drievoudig verbond toetrad.

Toen begon Lodewijk al dadelijk middelen in het werk te stellen om dat verbond, dat eigenlijk alleen tegen hem gericht was, uit elkander te doen springen.

Het eerst beproefde hij dat bij de gehate Republiek, die hem evenwel het hoofd liet stooten.

Nu wendde hij zich tot Engeland, wiens Koning Karel II graag naar Lodewijk luisterde, als deze hem maar wat geld gaf. Want geld had deze verkwister maar al te veel noodig, en toen Koning Lodewijk hem een groot jaargeld beloofde, dacht Karel er geen oogenblik aan, of hij voor zijn volk, dat van het jaargeld geene voordeelen had, ook goed handelde, uit het drievoudig verbond te treden.

En Zweden?

Ook dat land had wel ooren voor de mooie woorden van Lodewijk, die zich in alle stilte verkneuterde, dat hij nu toch dien Hollandschen kaasboer en kruidenier, dien Jan De Witt, te slim af geweest was.

De man bedroog zich echter; want de Raadpensionaris wist alles reeds, ja, misschien nog eer dan Lodewijk.

Maar wat zou de Raadpensionaris doen?

Het was in het land ook al niet, zooals Joost Van den Vondel eens zong:

„Het is al boter, tot den boôm,Men zingt al Pais en Vree.”

„Het is al boter, tot den boôm,

Men zingt al Pais en Vree.”

Integendeel, het was er verre af.

Willem Hendrik, Prins van Oranje, doch ambteloos burger in den Staat, was meerderjarig geworden en werd, na, als Eerste Edele van Zeeland opgetreden te zijn, ook Lid van den Raad van State.

Maar hiermede was het volk niet tevreden. Het was de Stadhouderlooze Regeering reeds lang moede en wilde wat anders hebben. Het wilde dat de Prins wát zou zijn.

Jawel, wat zijn, maar wát? Noemt iets, noemt alles behalve Stadhouder Kapitein-Generaal en Admiraal der Unie, alles en we zullen zien, wat we doen zullen, heette het.

Daar begon Frankrijk onzen handel moeielijkheden in den weg te leggen.

Leer om leer, wij bemoeilijkten den zijnen, en—benoemden bovendien Willem Hendrik, Prins van Oranje tot Kapitein-Generaal voor éénen veldtocht.

En er was geen oorlog?!

Neen, maar er zou oorlog komen, dat wees alles aan. Daarom had men ook al besloten de vloot weer in haren vroegeren toestand te brengen, het leger te lande te versterken en de vestingwerken te verbeteren.

Het eerste was tendeele geschied; het tweede en laatste moest nog gebeuren.

De vloot was het stokpaardje van den Raadpensionaris en van Holland en Zeeland, zeide men, en alles pleit er voor, dat dit zoo was.

Daar werd den zevenden April 1672 ons door Frankrijk den oorlog verklaard, niettegenstaande al het mogelijke beproefd was, dien te voorkomen.

En nauwelijks had men de oorlogsverklaring van Frankrijk gelezen, of daar kwam een brief vanwege den Koning van Engeland, die ons, in navolging van den man, die hem geld gaf voor zijne verkwistingen, ook den oorlog verklaarde.

Weg was het mooie plan van den Raadpensionaris om Frankrijk door Engeland en Engeland door Frankrijk in bedwang te houden.

Door twee machtige vijanden besprongen en voor één niet veel meer dan half klaar. De vloot was goed en men wachtte Engeland en Frankrijk op zee rustig af, wanthijleefde nog.Hijzou zich weer met eenen Gevolmachtigde aan het hoofd der vloot stellen,hij, die Engeland had doen sidderen en beven;hij, die door den trotschen Lodewijk als Ridder zonder vrees of blaam vereerd en gevleid werd;hij, de Luitenant-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter;hij, Bestevaêr Michiel, die na vier jaren rust, het bordes van zijne woning op het Nieuwe-Waalseiland afstapte, de „Zeven Provinciën,” beklom en sprak: „Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”

Laat komen Brit en Gal, onze Vlissinger Michiel zal hen te woord staan!

Maar te land stonden de zaken minder goed.

Een jongeling, ziek en zwak, zonder eenige ondervinding, aan het hoofd van een leger, dat er eigenlijk niet was, maar nog komen moest, die vestingen zou moeten verdedigen, waar het gras in de grachten groeide, en de kanonnen op de affuiten verroest waren. Een jongeling, stil en afgetrokken, wel door den Raadpensionaris doorkneed in staatsmanswijsheid, maar als Veldheer ongeoefend, tegenover Lodewijk XIV en zijne wakkere legerhoofden!

En alsof het niet genoeg ware dat Frankrijk de Republiek van de landzijde aanviel, kwamen in Mei de Bisschoppen van Munster en Keulen ons ook nog den oorlog verklaren.

Zegevierend trok de vijand ons land binnen.

En De Witt en zijne vrienden?

Lang hadden ze zich, trots alle kuiperijen en oproerskreten, staande gehouden, en ze gevoelden zich krachtig genoeg den lande verder te dienen, als maar de bevolking in die bange dagen, instede van tegen te werken, hen had willen helpen.

Maar van de medewerking van de zijde des Volks was niet veel te zien, integendeel, het zag er niet te best uit binnen de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Nog eer de zomer zijnen intocht in ons land hield, lag Lodewijk XIVal voor Utrecht en maakte er zich den drieëntwintigsten Juni meester van.

Slechts Holland, Zeeland en Friesland waren vrij van den vijand. Ook Zeeland met zijn wapen, dat eenen klimmenden leeuw in de golven voorstelt met het onderschrift:Luctor et emergo, dat is: „Ik worstel en ontkom.”

Ik worstel.

Men behoefde dat niemand te zeggen; ieder zag dat, ieder werd dat gewaar. Niemand was er, die het tegensprak of ontkende: „Luctor”!

Maar „emergo”? „Ik ontkom?”

Dàt stond nog te bezien! Alles deed vreezen, dat de Zeeuwsche en de Hollandschen leeuwen, den kampstrijd moede, het opgeven zouden.

Maar is er dan niet één, die met forsche vuist den Engelschen Luipaard op de vlucht jaagt en de Fransche Leliën afmaait? Niet één?

„Hei, Vlissinger Michiel! Waar zit ge, Bestevaêr?”

„Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!”

„Zouden die leeuw van Zeeland en die leeuw van Holland het houden, hé?”

„Het houden, Mijne Heeren? Het houden? Als God en de mijnen maar helpen willen, dan zullen we dat onderschrift wáár maken:Luctor et emergo! Heet mijn schip niet „De Zeven Provinciën”? Het zullen er zeven blijven, wat mij en mijne kinderen ter zee betreft. Waarheen zal het gaan?”

„Waarheen? Waarheen? Overal waar de vijand is Admiraal!”

„Goed, Mijne Heeren, wij zullen hem overal zoeken waar hij te vinden is en te woord staan, zooals ons dat past.”

Men vond hem eindelijk den zevenden Juli te Solebay.

Het was eene machtige vloot nu de Engelschen zich met de Franschen vereenigd hadden, en ze telde niet minder dan honderd tweeënvijftig schepen van allerlei grootte en vorm.

De onze telde er honderd drieëndertig, doch het kleiner getal schepen werd goed gemaakt door eene keur van Aanvoerders en den uitnemenden geest der manschappen.

Als Gevolmachtigde van de Staten bevond Cornelis De Witt zich aanboord van De Ruyters Admiraalsschip, dat alweer „De Zeven Provinciën” was.

Engel De Ruyter kommandeerde, als Kapitein, nu ook voor het eerst een eigen schip, „De Deventer” geheeten. Het voerde zesenzestig stukken geschut en had behalve zestig zeesoldaten of mariniers, tweehonderd vijftig man aanboord. Als Eerste Officier was Jan Lievensz., er ook. Hoewel hij ook Kapitein op een oorlogsschip had kunnen worden, had hij dit van de hand gewezen, omdat hij in dat geval dan een schip gekregen had om in de Middellandsche zee te kruisen.

Bij De Ruyter was de oude Lievensz. ook weer aanboord, hoewel de man te oud geworden was om den dienst van Bootsman waar te nemen. De Ruyter had hem echter niet voor het hoofd willen stooten, en was bovendien overtuigd dat de oude man door zijne ondervinding en zijnen voorbeeldeloozen ijver ruimschoots goed maakte, wat hij in vlugheid te kort kwam.

Zonder eenigen tegenstand kwam onze vloot bij de Engelsche kust en toen de uitkijk riep: „Land vooruit!” wist men dat men de Solebay naderde, en dat men daar de Engelsch-Fransche vloot zou vinden.

Deze liet zich ook niet lang wachten.

De Ruyter stond uit te kijken en riep eensklaps: „Zeger! Zeger! kom eens hier, man!”

Zeger, de Opperstuurman van „De Zeven Provinciën” naderde en vroeg eerbiedig: „Wat belieft u, Admiraal?”

De Ruyter wees naar de vijandelijke vloot, en Zeger de richting van den wijsvinger des Admiraals volgende, zag het schip, dat deze aanwees.

„Dat is onze man, Zeger!” zeide De Ruyter nogmaals.

De Ruyter wees „The Royal Prince” het Admiraalsschip van de vijandelijke vloot aan, waarvan de Hertog van York zijne vlag liet waaien.

„Dat zal gebeuren, Admiraal!” zeide Zeger, beleefdelijk zijne muts afnemende en naar het roer gaande.

Zoo goed als de wind, die den onzen niet gunstig was en ook maar zacht woei, toeliet, hield „De Zeven Provinciën” het op het Engelsche Admiraalsschip aan.

Even als bij Chattam de konstabels van Van Brakel, stonden de mannen van „De Zeven Provinciën” ook nu gereed vuur te geven, doch De Ruyter, die liefst maar niet op goed geluk af schoot, wachtte hiermede, tot ze op een pistoolschot afstands genaderd waren.

„Vuur!” klonk het.

Met een luid „Hoezee!” werden de kanonnen losgebrand.

De Engelschman gaf geene krimp en beantwoordde het vuur met dezelfde hevigheid.

Toonde De Ruyter niet bang te wezen zijnen vijand onder de oogen te zien, de Hertog van York bewees van zijne zijde, datvreesook niet in zijn woordenboek stond.

Beiden waren tegen elkander opgewassen.

Toch was op het laatst „The Royal Prince” zoo doorschoten en gehavend, dat de Hertog van York op een ander schip moest overgaan. Hij deed dit alweer niet om lafhartig op de vlucht te slaan, maar omdat hij op zulk eenen ontredderden bodem zich niet bewegen kon, teneinde de noodige bevelen te geven, en dat De Ruyter hem daartoe noodzaakte, lag in de vlugheid waarmede aanboord van „De Zeven Provinciën” het geschut bediend werd.

Bijna op hetzelfde oogenblik dat onze Admiraal zijnen vijand zoo goed als overwonnen had en de matrozen met een „Hoezee! Bestevaêr! Hoezee!” de Engelsche Admiraalsvlag van „The Royal Prince” zagen overgaan op de „St.Michiel” kwam er eene sloep aanboord, die voor onzen Admiraal geene goede tijding bracht.

„Wat is er, mannen, wat is er?” vroeg hij den matrozen uit de sloep, toen dezen op het dek verschenen.

„Admiraal, uw zoon, Kapitein Engel, is door een stuk hout tegen de borst getroffen, en kan geen woord uitbrengen,” klonk het antwoord.

De Ruyter ontstelde, doch oogenblikkelijk deed hij met geweld de zorg eens Vaders plaats maken voor den plicht eens Opperbevelhebbers, en tamelijk bedaard zeide hij: „We hopen, dat de wonde niet doodelijk zijn moge! Geeft de Dokter nog moed?”

„De Dokter meent, dat hij er wel van herstellen zal!” zeiden de matrozen.

„Nu, kinderen, gaat dan aanboord terug! Zorgt goed voor mijnen jongen! Zoodra ik kan, kom ik bij hem!”

De matrozen gingen heen en klommen van den valreep.

„Ik mag wel mede, nietwaar, Admiraal?” vroeg de „Barre Bruinvisch” ook naar den valreep gaande.

„Ga, vriend, ga!” antwoordde De Ruyter, die den ouden man zeer goed begreep en daarom graag vertrekken liet.

„Ziet ge,” zei de „Barre Bruinvisch” toen hij, tot verwondering van de matrozen, ook bij hen in de sloep kwam, „ziet ge, ik met mijne stijve beenen kan toch niet veel meer doen. En weet ge, ik ben zooveel als de zeevader van Jonker Engel. Ik wil mijn zeekind oppassen.”

„Ha zoo, dan heet gij Lievensz., hé?” vroeg de man aan het roer.

„Om je te dienen, vriendschap! Ze noemen me anders ook nog wel eens „Barre Bruinvisch”, zie je! En mijn zoon Jan is Eerste Officier bij mijn zeekind aanboord!”

„Jawel, jawel!” zei de man aan het roer zoo kort mogelijk, doch er kwam een vreemde trek om den mond van den Janmaat.

„En ik hoop, als dat hij dien Roôrokken zal hebben laten zien, als dat hij mijn jongen is! Heeft hij dat?”

„Zeker, hij was een van de eerste aan den dans!” klonkhet weer, doch pas was dat gezegd of de Stuurman legde zonder dat Lievensz. het zag, den vinger voor den mond, wat toen ook al beteekende: „Zwijgen! Niets zeggen!”

„Ja, ja,” hernam de „Barre” opgewonden, „hij zal ze laten dansen, ha, ha!” en hier op liet hij in vroolijken, bijna dartelen overmoed het deuntje volgen:

„Hij zal ze laten dansen,Op zijn Engelsch en zijn Franschen,Hij zal ze laten dansen den zevensprong!”

„Hij zal ze laten dansen,

Op zijn Engelsch en zijn Franschen,

Hij zal ze laten dansen den zevensprong!”

„Kijk den „Dolle” eens rare sprongen gaan maken,” riep de Stuurman, terwijl hij op de „Groot-Hollandia” een schip van vierenzestig stukken, wees.

„Daar is Van Brakel Kapitein op, is het niet zoo?” vroeg een der matrozen.

„Ja, ja, de „Dolle.” En dat gaat zoo regelrecht af op de „Royal James”, het Admiraalsschip van Montague.”

„Maar hapert het den „Dolle” in zijne bovenkamer om daar met een schip van honderdvier stukken te gaan bakkeleien? Dat is toch geene partuur voor hem!” sprak een ander der roeiers. „De overmacht is hem immers veel te groot!”

„Partuur? Partuur?! Ja, daar vraagt de „Dolle” naar! Willen we eens wedden, dat hij dien grooten lobbes zoo netjes in het zonnetje zet, als gij het ooit gezien hebt,” zeide de Stuurman, en zich hierop tot Lievensz. wendende vervolgde hij: „En wat zegt onze oude Bootsman ervan?”

„Als ik er veel van zeg, blijft er weinig van over!” antwoordde Lievensz. met een akelig boos gezicht. „Hij zal dien olifant te woord staan; hij zal hem zijne volle bekomst geven; maar als dat gedaan is, zit er eene schrobbeering voor hem op, niet zuinig, man!”

„Wat! Eene schrobbeering?” riepen eenige matrozen tegelijk, en vergaten van verwondering aan de riemen te trekken.

„Trekt dan, kerels,” riep de man aan het roer. „Trekt dan toch, anders komen we aanboord, als de boel afgeloopen is. De „Barre” meent er niemendal van!”

„Niet meenen? Niet meenen? De „Dolle” loopt zoo zeker eene....” Terwijl hij sprak sloeg eene kleine kanonskogel hem over het hoofd en nam zijne wollen muts mede.

„Goeden morgen,” riep hij lachend. „Die malle Roôrokken mikken op een oud man! Bah, hoe flauw is dat! Wat hebben ze er aan om eenen meer dan halfsleten zwabber naar de haaien te helpen!”

„Barre”, zeî de Stuurman, vol bewondering, „ge zijt een echte zeerob, hoor! Dat verbleekt zelfs niet eens.”

„Ja, dat komt omdat ik eenen wijnneus altijd voor mooier gehouden heb dan een karnemelks-gezicht,” sprak Lievensz. „Maar om nu op den „Dolle” terug te komen, ik zeg: hij loopt eene schrobbeering op zoo waar, als tweemaal twee vier is.”

Terwijl hij dit zeide knoopte hij van zijnen bonten zakdoek een mutsje, zette dat op, doch....

Weer nam een kogel het weg en meteen een stuk van den duim.

Zonder dat er een spier van zijn gelaat pijn of schrik verried, zeide hij: „Wel, zulke gevoellooze Koningsmoorders! Dat gunt mijnen kalen knikker zelfs geen blauw neusdoekje!”

De matrozen van „De Deventer” dit ziende en hoorende, riepen als uit éénen mond: „Hoezee! voor den Barren Bruinvisch! Dat is er een van Bestevaêr!”

„Maakt niet zulk een kabaal om een neusdoekje en een stukje duim,” zeide Lievensz. „Roeit maar voort, anders zit er voor u ook nog wat anders op dan een bedankje.”

„Maar,” vroeg nu de stuurman, „waarom zou de „Dolle” straf oploopen? Ik denk, als Bestevaêr het gezien heeft, dat....”

„Wie spreekt er van Bestevaêr,” antwoordde Lievensz.,het lesje geheel vergetend, hetwelk hij eens van De Ruyter ontvangen had. „Wat heeft Bestevaêr in de melk te brokken? Zooveel als, niemendal immers? Neen, Meneer Cornelis De Witt zal hem straffen, omdat Van Brakel zich niet houdt aan het bevel, en op eigen houtje aan het klappen deelen gaat!”1

„Die Ruwaard is een lafbek, die van benauwdheid in het kabelgat gekropen is,” riep een matroos.

„Neen, neen, kompeer, een lafbek, dat is hij allerminst,” sprak de „Barre” vol vuur. „Wie dat zegt, weet er niets van. Wat waar is, mag gezegd wezen. Zoolang het gevecht met den Hertog van York geduurd heeft, zat hij in eenen stoel bij de stuurmanshut, of, als hij moede van het zitten was, stond hij er bij. Maar of de mooie mannen van zijne lijfwacht om hem heen vielen als muizen, hij week geen duimbreed terug. Neen, neen, alle respect voor eene landrot, die zooveel moed heeft, maar ziet ge, ik heb het land aan alle dwarskijkers, die wat de zee betreft, nog op de schoolbanken moesten zitten, en die toch eenen held, die zijne zwarte haren op zee grijs heeft zien worden, als ondergeschikte behandelt. Ik....”

„We zijn er,” zeide de Stuurman, doch toen de riemen ingehaald waren en de „Barre” de eerste wilde zijn, die tegen den valreep opklimmen wilde, hield een der matrozen hem tegen.

„Nu, wat zal dat?” vroeg Lievensz. boos.

„Bootsman, wij hebben het onderweg zoo druk gehad met te vertellen van alles en nog wat, dat ik vergat u nog wat meer mede te deelen.”

„Hebt ge dan onzen Admiraal soms een sprookje opgedischt?Is Jonker Engel dood? Is De Ruyters zoon gesneuveld?”

Juist voer er eene sloep met Engelschen voorbij. Een ervan scheen zoo wat Hollandsch te kunnen verstaan, althans op de Engelsche vloot liep al heel spoedig het gerucht, dat Admiraal De Ruyter ernstig gekwetst was.

„Neen. Lievensz., neen! Onze Kapitein is slechts gewond, maar uw zoon is...”

De Stuurman kon andermaal niet uitspreken; want met eene vlugheid, die men bij zulk eenen ouden man niet gezocht zou hebben, greep hij den valreep, klom naar boven en riep: „Jan! Jan Lievensz., jongen, jongen, waar ben je?”

„Wat moet die man?” vroeg de Officier, die inplaats van Kapitein Engel De Ruyter nu het bevel voerde.

„Het is de Vader van Luitenant Lievensz., Meneer,” antwoordt de Stuurman der sloep.

Maar de „Barre Bruinvisch” heeft daar wat met een zeil bedekt op het dek zien liggen. Hij weet wat dat beteekent. Hij licht het op en....

„O, God, mijn jongen, mijn jongen gevallen!—Gevallen!” roept hij snikkend, de verwrongen gelaatstrekken van den gesneuvelde met kussen overdekkend.

„Gevallen als een held, Vader! Gij hebt zijne laatste groeten gehad ook voor zijne Moeder!” sprak de bevelvoerende Officier, die zich hierop verwijderde om in de slagorde van de vloot te blijven en te doen wat zijn plicht was.

Eenigen tijd bleef Lievensz. daar bij zijnen zoon liggen, en richtte zich eerst op toen hij, haperend en stotterend, voor hem het „Onze Vader” gebeden had. Toen dekte hij hem aan alle kanten toe, drukte weer eenen kus op zijnen mond en ging, waggelend als een dronken man, naar de kajuit waar Jonker Engel lag.

„J-jan-d-do-od;” bracht deze er met moeite uit, doch drukte met zeemans hartelijkheid de hand van zijnen oudenzeevader, die in dat korte oogenblik zooveel ouder geworden scheen te zijn.

„Ja, ja, dood! o, Engel, mijn jongen! Mijn jongen!” snikte de Vader.

„H-hij-v-v-iel aan m-mijne z-z-zijde; ik-ik-zag-h-het en k-kr-kreeg t-toe-toen....”

„Ik moet u het spreken ten ernstigste verbieden, Kapitein!” sprak de Scheepsdokter, die hier toevallig iemand was, die pas de Hoogeschool had verlaten en die zijne krachten en diensten in dien benauwden tijd ook zijn Vaderland wilde wijden.

„Is u de Dokter?” vroeg Lievensz.

„Ja, goede vriend,” was het antwoord. „Wilt ge wat weten soms?”

„En was er niets meer aan mijnen zoon te doen, Dokter?”

„Wie was uw zoon, ouwentje?”

„Luitenant Lievensz., Dokter!”

„Neen, vriend, de musketkogel heeft hem doodelijk gewond. Hij leefde geene vijf minuten meer! Gij hebt zijne laatste groeten, en hij verzocht mij ook, of ik u vragen wilde, zijne Moeder en zuster vaarwel te kussen.”

„Dank-je, Dokter, dank-je!” sprak de „Barre Bruinvisch” zoo bedaard, alsof er niets gebeurd was.

Maar daar binnen was het niet bedaard! Daar woelde, en kookte, en bruiste het, als op eene stormachtige zee. Doch hij bedwong zich en begon zijn ander zeekind zoo trouwhartig te verzorgen, dat deze hem de hand drukte en zachtkens zei: „Goed, bra-braaf, Gr-Grootva-vader-tje!”—

„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het een paar uren later aanboord van Engel De Ruyters schip.

„Ze schieten minder! Zou de slag gedaan zijn?” vroeg de Dokter, die beneden bij de gekwetsten bleef en een deel zijner zorgen aan Engel wijdde, aan Lievensz.

„Bestevaêr komt tenminste naar zijnen zoon kijken en dan zal de slag wel beslist zijn!” antwoordde de oude man.

„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” klonk het nu nog luider van „De Deventer”, waar alles in de weer was om hem te ontvangen.

De Admiraal stapte aanboord, en het juichende volk vriendelijk toeknikkend, ging hij naar de kajuit.

Driftiger dan hij gewoon was trad hij binnen.

„Dag Engel, dag jongen! Toch niet zwaar gewond, lieve jongen, hé?” sprak De Ruyter.

„Dag, b-bes-beste, Va-Vader!” antwoordde Engel en schudde de hand des Admiraals.

„Mag ik voor hem antwoorden, Admiraal?” vroeg de Dokter beleefd. „Ik heb hem het spreken verboden!”

„Verboden? Goed, vriend, dan mag hij niet spreken. Gehoorzaamheid moet in alles betracht worden, in den oorlog en op het ziekbed. U is dan zeker de Dokter?”

„Ja, Admiraal! En ik kan u tevens gerust stellen. Als uw zoon zich maar bedaard houdt, dan is hij over een dag of drie weer zoover, dat hij ongehinderd spreken kan, ten minste, als wij nu weer maar niet al te spoedig aan den dans gaan, want dat hindert hem.”

„Dank u, Dokter! Mijn zoon zal gehoorzamen, doch zal toehooren, als ik wat vertel, hem hinderen?”

De Dokter schudde het hoofd.

„Nu dan, jongen, het is er vandaag zoo van langs gegaan, als ik nog nooit heb bijgewoond. Ik zelf heb twintigduizend pond buskruit en vijfendertig honderd kanonskogels verschoten. Admiraal Montague van den vijand, is, jammer genoeg, want de man heeft zich kranig gedragen, verdronken. Van Brakel heeft gevochten als een stier, en al de anderen als leeuwen, en, al hebben we ook al geene schitterende overwinning behaald, wij hebben zee gehouden. Als het nu te land ook zoo maar gaat, jongen, dan ontkomen we den dans zeker. Het is anders een harde dobber, hoor!”

Hier zweeg de Admiraal, en Lievensz. hem een teeken gevende, wenkte hem te volgen.

De Ruyter voldeed hieraan en toen hij boven kwam waren ze juist gereed om Luitenant Lievensz. een eervol zeemans-graf te geven.

De bevelvoerende Officier deed het gebed, en toen dat geëindigd was, vroeg De Ruyter: „Wie is dat, Lievensz.? Jan toch niet?”

Lievensz. knikte, want het snikken belette hem eenig ander antwoord te geven.

„Goede zeevader,” sprak De Ruyter, „is hij gevallen? God hebbe zijne ziel! De oorlog eischt vele offers. Heden mijn, morgen dijn! Treur niet te zeer, oude vriend! Hij ging u slechts wat voor! Daar boven ziet gij hem weder, willen we hopen!”

Lievensz. drukte de hand van zijnen Admiraal en deze zeide tot den Officier: „Met uw verlof, Mijnheer, mag ik den dienst verder verrichten?”

De Bevelhebber van het schip stamelde een verlegen: „Ja zeker, Admiraal! O, als u dát doen wilde, dan....”

„Ik heb er behoefte aan, het te doen, Mijnheer,” sprak De Ruyter, en hierop het lijk van den dappere naderend, legde hij de hand, die den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig wist te voeren, op de windselen, ter plaatse waar een paar uren geleden een jong hart zoo warm klopte, en met eene ontroerde stem, die door al het scheepsvolk, dat eerbiedig het hoofd ontblootte, kon verstaan worden, sprak de vrome held: „Jongen, gij zijt gevallen voor uw Vaderland in den opgang van een veel belovend leven! Moge God Uwe ziele hebben!—Het Vaderland zal u indachtig zijn! Uwe Ouders staren u in de hope des wederziens na, uwe vrienden zullen u nooit vergeten, en uw Admiraal zegt uit vriendschap voor uwen grijzen Vader en ter eere van u: een-twee-drie! In Godsnaam!”

De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met het lijk er op schoof verder en—verdween in de diepte.

Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust terug om deze te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed mogelijk te herstellen.

Hier ontving men minder gunstige berichten en niet overdreven was een woord uit die dagen afkomstig: „De Regeering is radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos.”

Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk XIV toe. Men gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem van zijn leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht, verliet ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk afscheid genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik Prins van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen.

De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij besefte volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus: „Oranje boven!” nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder de verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de toekomst niet zoo donker in.

Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een lafaard gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten heeft.

Hij spreekt dat tegen, open en rond.

Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij bedankt heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris.

De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker uit, want de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem van Oranje en Jan De Witt.

Nog wat later, op den tweeëntwintigsten Augustus, komt de tijding op de vloot: „De gebroeders De Witt zijn door het Haagsche gemeen schandelijk vermoord!”

Dat was een slag!

Wat zal er van het Vaderland worden?

Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het Zeeuwsche schip „De Zelandia.”

Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd.

En De Ruyter leest: „Luctor et emergo.”

Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die ook vernomen heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij waagt te zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen Koning zou kunnen vallen.

De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het onderschrift van Zeelands wapen: „Als ’t Landt al t’eenemaal verloren gaat, zal ik met de vloot, ik weet niet waar, liever heenzeilen, dan mij aan uwen Koning, die geen woord noch verbond houdt, overgeven!Luctor et emergo!”

1Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk wel wat gerekend had,bleef ook achterwege.↑

1Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk wel wat gerekend had,bleef ook achterwege.↑

1Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk wel wat gerekend had,bleef ook achterwege.↑


Back to IndexNext