EENIGE STRIJDVRAGEN.

9)Onlangs is de naam gewijzigd tot: „Commissie van den N. V. B. voor schoolvoetbal en tot onderzoek der paedagogische waarde van het voetbalspel”.

10)Vele scholieren zitten bijv. puur uit onwetendheid 's avonds uren achtereen te leeren, zonder oordeelkundige en tijdige verpoozing, waartoe buiten 's menschen naam, physiologische overweging ons als het ware, dwingt.

11)B. ten Have: Lichaamsontwikkeling in verband met geestelijke werkkracht en over de voor- en nadeelen van gymnastiek en sport voor alle leeftijden.

12)De tegenwoordige opvoeding bepaalt zich nl. veelal tot afbrekende kritiek, het verbieden, terwijl opbouwende hulp zelden geleverd wordt of geleverd kan worden.

13)Onder dit enthusiasme wordt niet bedoeld, de ziekelijke belangstelling voor uitslagen van wedstrijden die sommigen beheerscht.

14)B. ten Have: „Lichaamsontwikkeling in verband met geestelijke werkkracht.”

15)W. Mulier: „Losse Gedachten”, in het voetbal-jaarboekje 1909-1910 van den N. V. B.

16)C. J. Groothoff: „De Voetbalscheidsrechter” bij van de Ven, Baarn.

decoratieve illustratie

De bedoeling van dit hoofdstuk is: vermelding en bestrijding van enkele aanvallen op voetbal en bespreking van een paar strijdvragen die voor den voetballer van belang zijn. We zullen aanvangen met de behandeling van het idee,als zou voetbal een zeer eenzijdige beweging zijn. Prof. W. Koster (Leiden) zegt er bijv. van:—„Het ontwikkelt de beenen buiten verhouding tot het lichaam.”

Toegeven moet ik, dat de beenspieren bij voetbal wel het meeste werk verrichten, maar ik voeg er bij, dat in het dagelijksch leven ook aan de beenspieren meestal hoogere eischen worden gesteld dan aan de andere spieren van het lichaam. Bovendien zijn het, zooals ieder die genoegzaam met voetbal bekend is, weet, niet alleen de beenspieren die door voetbal geoefend worden, maar ook in ruime mate buik-, rug- en borstspieren.

Als nadeel van het voetbal kan het feit dat de beenspieren het meeste werk verrichten, echter nooit aangemerkt worden. Het is immers ook geen nadeel van schaatsenrijden of wandelen dat zij, de beenen, het leeuwenaandeel in hun verrichtingen geven.

Trouwens heb ik ook niet opgemerkt dat de beenen, zooals Prof. Koster zegt, als regel buiten verhouding tot hetlichaam ontwikkeld worden door het spel. Ik kan dan ook niet gelooven dat Prof. Koster deze meening, die hij het voetbal als een verwijt toewerpt, aan de praktijk heeft ontleend, of het moest zijn, dat de meerdere ontwikkeling der beenspieren ongeveer alleen door medici op te merken is.

In dit geval kan zulks echter onmogelijk zoo schadelijk zijn als Prof. Koster door zijn opmerking het laat voorkomen.

De meeste vakken immers ontwikkelen enkele spiergroepen min of meer buiten verhouding tot de anderen. Men kan echter wel zeggen,dat voetbal als uitsluitende lichaamsoefening onvoldoende is. Ja men kan zelfs verder gaan en zeggendat het verkeerd is, voor lichaamsbeweging uitsluitend het voetbal te beoefenen. En dit laatste standpunt is het, dat ik na jaren van ondervinding en proefneming heb ingenomen.

Het is zooals „Ten Have” in zijn reeds opbladz. 21genoemd werk opmerkt:—„Voetbal moetniet uitsluitend, dochnaastandere lichaamsbeweging beoefend worden. Bovendien eischt voetbal te veel van de krachten der beoefenaars dan dat het zonder doelmatige voorbereiding, met voordeel gespeeld kan worden.”—„Als lichaamsbeweging, wielrijden en andere sport nadeelige gevolgen heeft voor hen die er zich op toeleggen, dan komt dit zonder uitzondering, doordat dezulken geen rekening houden met de eischen van de wet der langzame oefening en training.”—schrijft Prof. Dr. A. Forel17). Nu is mijn meening over voetbal in verband hiermede in het kort de volgende:Voetbal is een prachtsport, mits het geregeld beoefend wordt, en andere lichaamsoefeningen, die rekening houden met een harmonische lichaamsontwikkeling als voorbereiding en onderhoud tot zijn dienst heeft.Het is dus verkeerd zoo nu en dan eens, bijv. een keer in de twee weken (of met nog langer tusschenruimte) te voetballen, laat staan wedstrijden te spelen. Het is eveneens verkeerd, zonder voldoende vooroefening zich op het voetbal toe te gaanleggen of alleen 's Zondags wedstrijden te spelen, zonder in den loop der week aanvullende en onderhoudende lichaamsoefeningen te verrichten (de opblz. 21vermelde: verkeerde toepassing van het voetbalspel).

Ik geloof dat een groot deel van het kwaad, dat misschien ten onrechte op rekening der overdrijving wordt geschoven zou wegvallen, als bovenstaande ideeën wat beter begrepen en ter harte genomen werden. De kwestie van al of niet training is echter niet nieuw. Ik herinner mij dat een paar jaar geleden, na de groote nederlaag van het Nederlandsch elftal tegen het Engelsche teDarlington, veel over deze strijdvraag is geschreven. Training zou met zich brengen het beroepsspel, werd toen wel beweerd en training als middel om voetbal te verbeteren, was dus uit den booze. Het woord training in voetbalbeteekenis gebruikt, bevat echter twee begrippen nl.:—Versterking van lichamelijke geschiktheid tot het spel, door methodische lichaamsoefeningen, nevensvermijding van schadelijke invloedenenverbetering der spelmethoden, door een oefenmeester te bewerken. Van geen dezer beide begrippen kan gezegd worden, dat zij tot het beroepsvoetbal voeren. Ik geef echter toe, dat door toepassing van het tweede begrip en de resultaten daarvan, een enkele speler wel eens op het idee zou kunnen komen, het voetbal als beroep te gaan beoefenen. Ook ligt er wel iets in dit begrip, als zou voetbal door toepassing er van, meer doel worden, dan ontspanning en bijzaak. Toch vind ik in den grond der zaak het idee niet verkeerd, het voetbalpeil door dit middel te verhoogen.

Maar de zaak mag niet overdrevenworden. Dat een Nederlandsch elftal, hetwelk tegen andere vertegenwoordigende elftallen moet spelen, op zulk een wijze door een zaakkundigen oefenmeester getraind wordt, acht ik goed, maar de algemeene toepassing van het begrip, acht ik in het belang van het voetbal en zijn beoefenaars niet wenschelijk. Het voetbal wordt er m. i. te veel „doel” door en ook als ontspanningverliest het spel veel van zijn waarde. Evenwel kan en moet men verbetering der spelkwaliteit blijven nastreven, hetgeen ook zonder oefenmeester zeer goed mogelijk is. Stilstand staat hier gelijk met achteruitgang en vermindert het genoegen en de belangstelling der spelers in hun spel. Maar ook uit een ander oogpunt is verbetering der spelkwaliteit aanbevelenswaardig. Het spel zal er niet alleen van hooger waarde door worden, maar men zal zich ook minder behoeven in te spannen. 't Spel zal vlugger en tegelijk kalmer en gemakkelijker gespeeld worden. Hiervan geven de Engelschen wel duidelijke bewijzen, als zij in een internationalen wedstrijd tegen de Hollanders spelen. Men ziet de laatsten zich tot het uiterste inspannen zonder merkbaar resultaat, terwijl de eersten genoegelijk, kalm berekenend, spelen en resultaten bereiken die genoegzaam bekend zijn. Het is echter niet alleen de tactiek die het spel vergemakkelijkt en verheft, maar waarschijnlijk nog meer de lichamelijke training. Evenals de tactische speler om iets te bereiken, minder werk zal behoeven te doen dan een ontactisch speler, zal een getraind18)speler, een veel lichter en zekerder spel spelen dan een, die ongetraind is. Hij zal een bal kunnen onderscheppen, die hem anders voorbijgaat en hem nog veel moeite kan geven, of wel hij zal een tegenstander vlug voorbijloopen, hetgeen hem zonder training niet zou zijn gelukt.

Het is merkwaardig hoe de buitenlandsche voetballers meestal hooger staan wat athletiek betreft. Zoo hebben de Hollanders, ofschoon in tactiek en techniek de meerderen, al menigen wedstrijd aan de Belgen verloren door hun weinige beoefening der athletiek. In snelheid en taaiheid (ausdauer) worden de Hollanders meestal overtroffen door de Belgen, hetgeen, als ze wat meer trainden en aan athletiek deden, niet het geval zou zijn.

We hebben gezienhoe de training bij voetbal wordt geëischtuit gezondheidsoogpunten we hebben ook gezienhoe het spel er aantrekkelijker en mooier door wordt. Maar nu wil ik u een ander gezichtspunt openen.

Niet alleen de dagelijksche lichaamsoefening en de athletiek om nuttig voetbal mogelijk te maken, maar deze toegepast om der wille van henzelf, om der wille van onze gezondheid en ons geheele leven! Is het dan geen genot te zien hoe door een systematische oefening ons lichaam aan kracht, schoonheid en doelmatigheid wint?

Is het dan geen genot, te voelen hoe een bron van kracht en energie ons lichaam meer en meer doortintelt, hoe de wil sterker en sterker wordt en we ons tot meer in staat voelen dan ooit te voren?

Ge moet Toepoel19)hier eens over hooren. Bewonderen zult ge de kracht en het enthusiasme waarmee hij over de lichaamsoefeningen spreekt, en nog meer bewondering zult ge koesteren voor de lichaamsoefeningen zelf die hem zoo'n kracht en enthusiasme bijbrachten. Ge zult, zoo ge ze niet reeds tot uw eigendom gemaakt hebt, zelf de dagelijksche lichaamsoefeningen ter hand nemen, eerst wijfelend en bij tusschenpoozen, later zekerder en geregeld. En het slot der zaak zal zijn dat gij zelf ook krachtig en enthusiast zult meewerken de practijk der lichaamsoefeningen te verbreiden, om aldus den grondslag te helpen leggen tot een beter, gezonder en gelukkiger menschdom20).

En dan, gij voetballer, die zoozeer overtuigd zijt van het noodzakelijke van flinke lichaamsbeweging, wat zult ge doen, als ge uw practisch voetbal om de een of andere reden moet vaarwel zeggen? Zult ge dan in uw verdere leven bij uw hoofdwerk op kantoor of anderszins het gemis daaraan niet voelen? Zult ge dan toonen, dat uw stem voor lichaamsbeweging slechts een holle klank was? Neen, dat zult ge niet,want ofschoon uw voetbal tot het verleden behoort, hebt ge immers nog altijd tot uw beschikking zijn begeleidende oefeningen, die u steeds uw jeugd meer of minder zullen doen bijblijven, zoowel wat herinnering als wat werkelijkheid betreft. In het kort wil ik hier nu nog aangeven, wat met dagelijksche lichaamsoefeningen en athletiek wordt bedoeld.

De eersten zijn de oefeningen, die men beschreven en besproken kan vinden in het werk21). Zij hebben ten doel, het lichaam harmonisch te ontwikkelen, het gezond, mooi en krachtig te maken, en voor voetbal speciaal: het lichaam in een staat te brengen en te houden, die het mogelijk maakt, dat dit spel tot voordeel voor de gezondheid beoefend kan worden. Zij worden iederen dag op de slaapkamer al of niet ontkleed voor een spiegel staande, uitgevoerd en mogen in geen geval aanleiding geven tot moeheid. De athletiek22)behoort voort te bouwen op de dagelijksche lichaamsoefening en voltooit de bovenvermelde taak daarvan ten opzichte van voetbal. Zij heeft in het algemeen ten doel: het ontwikkelen van groote spierkracht en het trainen voor wedstrijden, 't geen voornamelijk bestaat in het vergrooten van het volhardingsvermogen. Hieruit volgt dat zij wel tot eenige vermoeidheid aanleiding mag geven. Haar beoefening in verband met voetbal bestaat voornamelijk in hardloop- en springoefeningen23). De Nederlandsche voetbalbond tracht door het uitloven van medailles voor wedstrijden hardloopen, korte afstand, en het instellen van een jaarlijksch kampioenschap athletiek voor voetballers, de athletiek er bij de voetballers zooveel mogelijk in te brengen. Reeds zien ook verscheidene clubs, plaatselijke en gewestelijke bonden, het nut der athletiek in, waarvan zij doen blijken, door zich aan te sluiten bij de Nederlandsche athletiek-Unie.

Voor de athletiek zoowel als voor voetbal hoop ik, dat ook beider grondslag, de dagelijksche oefeningen niet vergeten zullen worden.

Ik wil nu overgaan tot bestrijding van een inzicht van Ten Have, over het al of niet mogen deelnemen aan voetbal, 't welk hij als volgt weergeeft:—„De gezonden, de moedigen, de levenslustigen, de spierkrachtige jongens, vervallen het gemakkelijkst in overdrijving en gevaarlijk spel. Zij hebben het voetbalspel uit een hygiënisch oogpunt beschouwd, ook het minst noodig. Op grond daarvan is, wanneer ik deze gevallen waarnam, aan zulke leerlingen, deze sport door mij beslist ontraden.”—

In de eerste plaats ben ik het lang niet met Ten Have eens, dat de gezonde en spierkrachtige jongens het gemakkelijkst in overdrijving vervallen. Dat zij meestal het onstuimigst zijn, geef ik toe,maar zij kunnen onschadelijk meer arbeid presteeren dan de zwakkeren, terwijl het voetbalspel tamelijk gelijkmatig den arbeid over de spelers verdeelt. Over het algemeen ligt het niet in den aard der jongens, minder arbeid te presteeren, dan van hen bij het spel wordt gevergd. Zoo zullen de zwakkeren, daar de sterken het spel tot hun hoogte willen opheffen, meer in de verleiding zijn, te overdrijven. Ook de eerzucht zal de zwakkeren meer aangrijpen dan de sterken, die geen spelers meer boven zich hebben, tot wier hoogte van arbeidsprestatie zij zich graag zouden opwerken. Er komen echter nog zooveel factoren bij, die de kans tot overdrijving beïnvloeden. Zoo geven de karaktereigenschappen veelal den doorslag. In de tweede plaats vind ik het niet rationeel de deelname tot een spel dat juist geschikt voor hen is, aan de sterken te ontzeggen, omdat het wel aanleiding tot overdrijving kan geven. Heel wat verstandiger is het, de overdrijving te weren met alle goede middelen, die ten dienste staan. Ook hebben de sterken uit hygiënisch oogpunt wel degelijk een flinke lichaamsoefening noodig, hetgeen hun veelal meerdere onstuimigheid bewijst. En mocht men hetwillen ontkennen, zoo zou men de natuur toch niet kunnen dwingen en deze zou het ons anders laten zien. Voor lichamelijk zwakken is voetbal geen geschikte sport, en dit is vaak een doorn in het oog geweest van verscheiden docenten24), die één of ander spel of alleen gymnastiekzoudenwillen zien toegepast, waaraan zoowel de zwakken als de sterken konden deelnemen. De beoefening van zoo'n spel of gymnastiek zou echter medebrengen, dat krachtig ontwikkelde jongelui gedwongen werden, steeds maar een gedeelte van hun kracht te gebruiken, hetgeen achteruitgang der physieke kracht van den mensch tot resultaat zou hebben. Juist het omgekeerde wordt door voetbal bereikt, hetgeen niet genoeg geapprecieerd kan worden. Meermalen evenwel luidt het oordeel van ouderen, ook al zijn ze overigens het voetbal goed gezind, dat het spelwel wat ruwis. Weliswaar wordt soms door enkelen wat te ruw gespeeld, maar het voetbal als spel kan m. i. toch niet ruw genoemd worden. Onze volksaardvindtiets zoo gauw ruw en ziet vaak uitingen van moed, flinkheid en rondborstigheid zooals Mulier25)terecht zegt, voor ruwheid aan. Ons volk heeft al te langen tijd met de modepolitoerflesch rondgeloopen, te veel vormen nageäapt, en het zou al politoerende groot gevaar loopen, niets meer dan een vorm te worden. Onze volksaard is veelal nog weinig pittig.—„De rondborstigheid, flinkheid en moed, dienen nog wel degelijk te worden aangekweekt tot raseigenaardigheid. Alsdan zal de zoogenaamde ruwheid van het voetbal den anderen niet meer opvallen.”—26)Wat betreft de enkele gevallen van ruw optreden en de dientengevolge of op anderewijze ontstane kwetsuren, tegen dezen prijs zijn de vele voordeelen die het voetbal biedt, zeker niet te duur gekocht. Wat betreft verdere strijdvragen acht ik deze hier niet op hun plaats, daar zij voor den practischen voetballer niet van veel belang zijn. Wat aanvallen op de voetbalmaatschappij betreft, deze zijn er nog meerderen. Zij zijn echter hoofdzakelijk het gevolg van naijver en onbehendigheid met voetbal en zullen wegens hun onbeduidendheid hier niet vermeld worden.

17)„De Hygiëne van het zenuwleven”, door Prof. Dr. A. Forel.

18)Onder: „getraind” hier te verstaan: „lichamelijk goed onderlegd”.

19)Toepoel. „Hoe versterk ik mijn lichaam?”bij van de Ven, Baarn.

20)Zie bij dit onderwerp bijv. C. L. Torley Duwel: „Plane Vir!Wat de jeugd van hare leiders verwachten mag”.

21)Bijv. Toepoel: „Hoe versterk ik mijn lichaam?” Handleiding voor Physical Culture. Prijs 60 cent bij den uitgever van de Ven, Baarn.

22)Zie hierbij: „Voetbal en Athletiek” door W. Mulier.

23)Zie „W. C. Hartmann, Hardloopen” bij van de Ven, Baarn.

24)Zie F. Wesseling: „Sport en Gymnastiek”, waarin een verslag over een bespreking van het onderwerp: Sport en Gymnastiek, in de vereeniging van leeraren aan inrichtingen van Middelbaar Onderwijs.

25)W. Mulier: „Losse gedachten”, voorkomende in het voetbal-jaarboekje van den N. V. B. 1909-1910.

26)„Losse gedachten” door W. Mulier, voorkomende in het voetbal-jaarboekje 1909-1910 van den N. V. B.

decoratieve illustratie

Het is niet alleen in dit hoofdstuk dat wenken bij de beoefening van voetbal een plaats vinden, want zij zijn reeds door het geheele werkje heengeweven. Feitelijk is geheel deze studie dan ook als zoodanig bedoeld. Zoo zal dit hoofdstuk dus geen afgesloten geheel vormen, maar meer een aanvulling zijn, van het reeds vroeger behandelde.

Op de vraag,wie wel en wie niet mogen voetballen, kan ieder wel haast een antwoord geven. Voetbal is een spel der sterke gezonde jongelui en aan lichamelijk zwakken dient het verboden te worden. Aan stijve en trage jongens die overigens gezond zijn, kan het voetbal een goede opfrissching bieden. Men dient evenwel voorzichtig te zijn met het antwoord op de vraag, of men wel geheel gezond is. Het best doet men een dokter te raadplegen,27)liefst den huisdokter. Het kan nl. zeer goed zijn dat een enkel orgaan aangetast of zwak is, terwijl de overige organen goed ontwikkeld en nog niet door het zwakkere ofaangetasteorgaan beïnvloed zijn. Men is dan licht geneigd, zijn krachten te overschatten en erbestaat gevaar dat een normale inspanning van de sterke deelen, een overspanning van het minder sterke deel, ten gevolge heeft. Ik doe hierbij het beste om volgens Toepoel zoo'n ongelijkmatig ontwikkeld lichaam te vergelijken met een stalen ketting, waarin sterke en zwakke schakels voorkomen. Belast men den ketting overeenkomstig de draagkracht der sterke schakels dan zal deze op de zwakkere breken. De waarde van zoo'n ketting zal altijd door de zwakste schakels worden bepaald. Evenzoo moet de waarde van het lichaam worden bepaald naar de zwakst ontwikkelde belangrijke organen. En toch wordt dit vaak over 't hoofd gezien. Hoe licht zal niet iemand die sterk gespierd is en zwakke longen of andere inwendige organen heeft, zijn kracht overschatten en daardoor de zwakste deelen en dus op den duur ook de sterkste nekken! Men dient dus op zijn hoede te zijn en hierop contrôle uit te oefenen. Heeft men echter het bestaan van bovengenoemd geval bij zichzelf ontdekt, dan dient men het voetbal te laten varen, of het maar matig te beoefenen. Tevens moet men maatregelen treffen, die verbetering ten gevolge kunnen hebben.

De tweede vraag die we ons stellen is:op welken leeftijd de jongen het voetbal mag gaan beoefenen. Ten Have oordeelt dat het spel voor het twaalfde jaar in het algemeen niet gespeeld mag worden, en dit is ook zoo ongeveer mijn meening, in verband met het opblz. 22besprokene. Eenmatigebeoefening van voetbal, zooals door de aspiranten van vele vereenigingen wordt toegepast, kan evenwel m. i. reeds bij het tiende jaar plaats vinden. De speeltijd dient dan natuurlijk ook bekort en er dient toezicht der ouderen te zijn. De deelname aan wedstrijden zou ik echter in geen geval voor het veertiende jaar opengesteld willen zien, daar ik dit vroege wedstrijdspelen als nadeelig voor de gezondheid beschouw. Het is tevens wenschelijk de beoefening van lichte athletiek en geschikte jongensspelen als voorbereiding voor het voetbal bij de jongeren in te voeren. Wat betrefthet weer, waaringespeeld kan worden, behoeft men hieraan geen hooge eischen te stellen. Koud weer is het beste. Bij warm weer, in de zomermaanden, doet men beter de voetbalschoenen op te bergen. Over het spelen bij regen, mist en sneeuw, verschillen de inzichten nogal.

Daar het minder aangenaam en veelal ook ongezond is, moet ik het spelen in den regen en sneeuw afraden, terwijl het spelen in lichte mist, mits het niet vriest, niet nadeelig kan worden geacht. Den speeltijd heb ik genoegzaam besproken. Alleen wil ik nog den ernstigen raad geven, bij gevoel van moeheid, steek-in-de-zij, of kramp, niet verder aan het spel deel te nemen of wel, eenigen tijd te rusten, zulk een handelwijze getuigt van meer wilskracht en degelijkheid, dan de zoo vaak bewonderde onachtzaamheid.

Vermoeien de wedstrijden te veel, dan doet men in zijn eigenbelang wel, zich tot de gewone partijen te bepalen. Ik weet wel, dat het eerzuchtsduiveltje zich ten zeerste tegen zulk een besluit zal verzetten en dat men zich zal schamen, te bekennen, door de wedstrijden te veel vermoeid te worden. Maar bedenk dan, welke belangen op het spel staan en het besluit zal zeker zoo moeielijk niet meer vallen.

Tegen de voorschriften die voorde kleedingin acht moeten worden genomen, heb ik meermalen zien zondigen.Het spelen in kleeren die men buiten het spel ook draagt, moet in ieder geval vermeden worden.Tegen zoo'n onhygiënische gewoonte kan niet genoeg gewaarschuwd worden. Dus: voor voetbal een geheel apart tenue. Wat betreft de dikte der kleeding schrijft Ten Have: „Het is altijd van belang om voorzichtig te zijn en zich niet te dun te kleeden”. Vele spelers spelen alleen in zwembroek, broek en shirt, zonder nadeel ervan te ondervinden. Toch kan niet ieder dat doen en hangt het er veel van af, hoe men van jongs af aan gewend is geweest. Zich dik te kleeden is eveneens af te raden, want de kleeding mag in geen geval den speler zijn volle bewegingsvrijheid ontnemen.

Ook nauwe kleeding is uit den booze, daar deze de vrije ademhaling en bloedsomloop aan de huidsoppervlakte belemmert. Dit slaat zoowel op de geheele kleeding als op nauwe kousebanden die wel kramp kunnen veroorzaken, en nauwe hals-en mouwboorden. De knie moet bloot blijven en hierop moeten broek en kousen ingericht zijn. Een regel, die voor de geheele kleeding geldt, is, dat ze poreus moet zijn. Beslist gewaarschuwd moet worden tegen het dragen van gewone linnen hemden onder het sporthemd (shirt) of jersey, daar dit een voortdurende aanleiding geeft tot transpireeren en kou vatten. Het best lijkt mij voor onder het shirt te dragen, tricot, rameh of dun Jaeger geschikt. Flanel is ook wel goed, zoolang het nieuw is, maar als het eenigen tijd gedragen is, verdichten de poriën zich door wasschen en transpireeren. Bij de keuze van nieuwe schoenen moet men ten zeerste oppassen, dat deze niet te nauw of te wijd zijn.

Van te nauwe of te wijde schoenen heb ik al heel wat narigheid gezien. Meestal waren kapotte teenen en verminderde spelkwaliteithet directe gevolg, terwijl natuurlijk ook het pleizier in het spel er een danige knak door kreeg.

De neuzen der schoenen mogen niet te hoog zijn, terwijl het leer souple moet aanvoelen, zoodat het zich gemakkelijk naar den voet kan vormen en deze niet in de beweging belemmert. Voor een goed schot en juist plaatsen van den bal is dit van veel belang. Het dragen van een pet of muts is alleen aan te raden bij zeer koud weer, sterke wind of flinken zonnenschijn. Wat het spel nu zelf aangaat, moet aangeraden worden,niet te hard van stapel te loopen. Begin kalm en neem langzamerhand de gewone speelwijze aan. Bij wedstrijden kan men zich hier moeielijk aan houden, waarom men zich hier voor den aanvang even inspeelt door doeltrappen en loopen.

De jas moet mee naar het veld genomen, zoodat hij vóór het spel, in de rust en na afloop zoo noodig aangetrokken kan worden. Zoo mogelijk moet de speler zich er aan wennen, gedurende het spel geen notitie van het publiek te nemen,zoodat hij zich langzamerhand aan den invloed die het publiek op de meeste spelers uitoefent, kan onttrekken. Vele spelers zijn zichzelf niet bij het spel, zijn als het ware gehypnotiseerd en in hen is de ziel gevaren van het meest onstuimige deel van het publiek. Hierdoor wordt het spel wel interessanter van toeschouwersstandpunt bezien, maar de spelers lijden er onder, doordat zij boven hun kracht spelen en een verkeerde eerzucht in hen wortel schiet.De rustis er omdat deze noodig wordt geacht, en niet om den spelers gelegenheid te geven, hun schiet- en techniekcapaciteiten aan het publiek te vertoonen. Gebruik de pauze dus om uit te rusten, niet door stilzitten of op den grond liggen, maar door met de jas aan, kalm wat op te loopen. Een weinig water of andere niet prikkelende drank of wel één of andere vrucht kan in de rust een welkome verfrissching zijn. Het water mag echter niet te koud zijn, daar de met bloedvaatjes overvulde slijmvliezen van de keel enz. nog gevoeliger zijn voor sterke en plotselinge temperatuurwisselingen dan de huid. Ook mag de drank niet in eens naar binnen gegoten worden zooals ik wel heb zien doen, maar moet langzaam gebruikt worden. Bij het eindigen van het spel, gaat men vóór het verkleeden weer langzaam van intensieve beweging tot rust over. Voor een paard wordt dit noodzakelijk geacht; waarom zou men dit dan voor zichzelf negeeren?

Vóór het verkleeden is het wenschelijk, het lichaam met een handdoek goed af te wrijven. Ook het nemen van een bad, koude wassching of douche, gevolgd door flinke afdroging, is mij door de practijk ten zeerste aanbevelenswaardig gebleken. Een koude wassching kan bijv. ook bij ontbreken van andere gelegenheid, na het thuiskomen worden toegepast zooals Toepoel28)het beschrijft, door telkens de handen in de waschkom te steken en er het lichaam licht mee af te wasschen, hetgeen in enkele minuten is afgeloopen. Heerlijk opgewektvoelt men zich na zoo'n behandeling en het is verwonderlijk, te merken, hoe mogelijke vermoeidheid dan spoedig begint te wijken.

Nu nog enkele algemeenheden besproken. Nu en dan heb ik spelers hooren klagen over steek-in-de-zij en vermoeidheid, reeds bij het begin van het spel.

Wat de oorzaak is van deze steken, is nog niet met zekerheid vastgesteld. Bijna iedereen weet echter, dat ze vlak na het eten eerder optreden dan anders. Ook is men na het eten eerder vermoeid bij lichamelijken of geestelijken arbeid. Dit komt doordat de maag voor de vertering van het voedsel een groote hoeveelheid bloed aan het spierstelsel onttrekt, zoodat dit niet zijn gewone werkzaamheid zonder nadeelen kan presteeren. Het is nu wel voor ieder te begrijpen,dat het slecht is, vlak voor het voetbal te eten. Het beste is, na het eten een paar uur te wachten alvorens men met het spel aanvangt. Bij het wedstrijdspelen moet ik den raad geven, niet of slechts een korten tijd te voetballen. Hiermede meen ik niet, dat men bijv. wel naar hartelust mag gaan tennissen of fietsen, maar ik bedoel er mee, dat lichaamsoefeningen, die vermoeidheid ten gevolge kunnen hebben, zooveel mogelijk vermeden moeten worden. Ik heb vaak gezien, dat spelers, die zich hieraan niet hielden, den volgenden dag op den wedstrijd minder dan anders presteerden en na afloop daarvan ook werkelijk moe waren. Physiologisch is deze zaak natuurlijk zeer goed te verklaren.

Een vaak voorkomende fout bij het voetbalspel is m. i. het doeltrappen, dat veelal wordt toegepast, als er niet genoeg spelers zijn om een partij te spelen. Een opvoedkundige waarde heeft zulk een trappartij nagenoeg niet, terwijl ook de lichamelijke opvoeding ervan, veel te wenschen overlaat. Veel beter kan men, al zijn er ook weinig spelers, een aanvallend en verdedigend spel toepassen. Bijv. verdedigen een doelman en drie achterspelers een doel, terwijl 5 voorspelers al of niet gesteund door een achterspeler aanvallend optreden.Ook kan men, en dit is vooral voor de aspirantleden (juniores) geschikt, als er bijv. maar een twaalftal spelers is, een partij vormen met een kleiner speelveld. Men behoeft dan tenminste geen afstand te doen van de meeste voordeelen aan het volledige voetbalspel verbonden. Zijn er minder dan 12 spelers, dan is dit partijspelen niet zoo aanbevelenswaardig, daar de spelers dan minder in de gelegenheid zijn afzonderlijke plaatsen in te nemen, hetgeen, met het oog op latere spelprestatie, wenschelijk is29).

Ten slotte wil ik nu nogde kwestie van leidingende taak van den tegenwoordigen leider, den captain of aanvoerderkort bespreken. In Hongarije zijn de openluchtspelen van staatswege min of meer onder toezicht der schoolautoriteiten geplaatst. Tot bespreking van de al of niet wenschelijkheid om dit in de toekomst, geheel of gedeeltelijk in Nederland toe te passen, acht ik mij op 't oogenblik niet gerechtigd. Wel wil ik als mijn meening uitspreken, dat ik, gezien den eenzijdigen aard van de schoolopvoeding en de opvattingen van het meerendeel van het onderwijspersoneel hieromtrent, zulk een toepassing vooralsnog in het belang van de openluchtspelen onmogelijk acht. De leiding van het voetbal is hier zooals ieder weet, buiten de gedeeltelijke hoofdleiding van den Nederlandschen Voetbalbond en plaatselijke en gewestelijke bonden, in handen van de vereenigingen. Het is goed als de besturen dezer vereenigingen zich hiervan wel bewust zijn of worden, want een spel als voetbal heeft, hetgeen uit het reeds behandelde genoegzaam blijkt, een goede leiding wel van noode. Er zijn besturen, die hun taak uitstekend opvatten, maar er zijn er ook, die zich bijna uitsluitend met administratief werk bezig houden, die zich weinig bekommeren over het wel en wee van de onder hun leiding staande leden. En toch is er een deel dezer leden, de aspirant-ledenbedoel ik, waarover zij met veel zorg hebben te waken. Maar ook vele van de gewone leden hebben leiding noodig, die hen door bestuursinitiatief kan worden verschaft.

Twee wegen, die ook gecombineerd kunnen worden, staan hierbij open. 1º. De vereeniging stelt een aparte, of meerdere voor hun taak berekendespelleidersaan30); 2º. De vereeniging verschaft den leden eenvoorlichting bij hun sport in den vorm eener sportbibliotheek31). Een geschikten spelleider te vinden is zeker een moeielijke taak en verder is ook „het in practijk brengen” van dit idee aan zooveel bezwaren onderhevig, dat ik er aan twijfel of het wel met succes toegepast zal kunnen worden. Het instellen van een sportbibliotheek zal echter voor geen enkele vereeniging eenig bezwaar opleveren. De kosten ervan zijn gering en de resultaten kunnen groot zijn. De captains of aanvoerders vinden hier gelegenheid de kennis op te doen die onmisbaar is, bij het goed vervullen van hun taak. Zij kunnen zich tot werkelijke leiders ontwikkelen. Maar ook de leden zelf kunnen er hun voordeel mee doen. Zij kunnen zich tot hun eigen leider vormen, voor zichzelf leeren zorgen en den grond er toe leggen, later anderen te leiden. Juist daar moet het heen. Niet alleen bij voetbal zal hen de opgedane kennis te pas komen, maar ook overal elders. En zelfs, al zouden slechts weinigen van de bibliotheek gebruik maken, dan zou deze toch door hen, haar invloed op de anderen doen gelden. De bibliotheken zouden kunnen bevatten: werkjes betreffende de te beoefenen openluchtspelen, gymnastiek en de daarmee min of meer verband houdende wetenschappen als gezondheidsleer en psychologie. Als zoodanig zouden zij voor de voetballers den dienst doen, dien ik zoo gaarne de school aan al haar leerlingen bewezen zag32).

Nu nog de taak van den captain. Deze is voorwaar geengemakkelijke. Hij moet, goed speler zijnde, zelf het spel meespelen en in alles voorgaan. Hij kan een grooten invloed ten goede, echter ook, zoo hij geen juist begrip van zijn plichten heeft, ten kwade uitoefenen op spel en spelers. In de eerste plaats moet hij zorgen dat het spel tot vreugde van de spelers beoefend wordt. Zoo moet het voortdurend berispen der spelers vermeden worden. Een aanmoedigend of waardeerend woord op zijn tijd, heeft veel meer uitwerking. Ook dient de captain, bij hetgeen hij zegt, rekening te houden met ouderdom en karakter van den speler tot wien hij zich wendt. Zoodoende is hij in staat, zijn prestige te handhaven. Toch kan hij, jong als hij veelal nog is, zich niet te veel bemoeien, de opvoedende en gezondheidbevorderende kracht van het spel tot haar recht te doen komen, d. w. z. hij kan nog geen volmaakte spelleider zijn. Zoo zijn taak dus geen gemakkelijke is, een dankbare en mooie is het zeker.

27)Zie: „Schoolvoetbal in verband met lichamelijke geschiktheid”, door W. Mulier en hetreeds meergenoemdewerkje van Ten Have.

28)Toepoel,„Hoe versterkikmijn Lichaam?”bij van de Ven, Baarn.

29)Zie: „Schoolvoetbal in verband met lichamelijke geschiktheid”, door W. Mulier.

30)Dit kunnen bijv. ook bestuursleden zijn.

31)Sport-Bibliotheek bevattende 30 deeltjes, uitgever J. van de Ven, Baarn.

32)Zieblz. 21en22.

:: EERVOLLE VERMELDING AMSTERDAM 1908 ::PRACTISCHEBIBLIOTHEEKGeïllustreerd.Schreber, Longen-Gymnastiek. 2edruk35 Ct.Bock, Eerste Hulp bij Ongelukken30  „van de Ven, Amateur Fotograaf. 2edruk25  „Toepoel, Physical Culture60  „Licht-, Lucht- en Zonnebaden30  „Mijn Aquarium35  „De Kleine Briefsteller35  „De Jonge Schaker35  „Broekkamp, Jonge Dammerƒ 1.25Broekkamp, Damstudies35 Ct.Leefson, Nieuwste Dansen35  „Skatspel, handleiding50  „Billardschool. 2edruk35  „Ott, Rijwiel, inrichting. 2edr.25  „Levensmagnetisme15  „Terrarium35  „Luchtscheepvaart, populaire beschouwing30  „Chauffeurs-School75  „Eenvoudige Boekhouding. 3edruk35  „Telegrafie zonder draad35  „Sport-BibliotheekGeïllustreerd.HANDLEIDING voor:Voetbal-Scheidsrechter60 Ct.Voetbal. 3edruk25  „Lawn Tennis.2edr.30  „Lawn Tennis.3edr.ƒ 1.60Water-Polo. 2edr.30 Ct.Cricket30  „Croquet30  „Kegelen30  „Korfbal30  „Hockey30  „Hardloopen. 2edr.30  „Roeien35  „Zeilen50  „Zwemschool. 2edr.35  „Droogzwemmen15  „Schermen50  „Boksen35  „Worstelen60  „Schoonrijden50  „Kolven50  „Rolschaatsenrijden30  „Openluchtspelen45  „Halteren35  „Skiloopen30  „Kaatsen50  „Wielrennen35  „Snelwandelen35  „: UITGAVEN VAN J. F. VAN DE VEN TE BAARN :

:: EERVOLLE VERMELDING AMSTERDAM 1908 ::

: UITGAVEN VAN J. F. VAN DE VEN TE BAARN :

Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 10éenéénBlz. 11èènéénBlz. 11beïnvloedtbeïnvloedBlz. 12accomodatiesaccommodatiesBlz. 14lang-passinglong-passingBlz. 14geuittegeuiteBlz. 15,Blz. 15,Blz. 21.?Blz. 21atlethiekathlethiekBlz. 22[Niet in Bron.])Blz. 22)Blz. 23[Niet in Bron.],Blz. 24[Niet in Bron.],Blz. 24[Niet in Bron.],Blz. 26accuteacuteBlz. 27[Niet in Bron.],Blz. 28eenigsteeenigeBlz. 28[Niet in Bron.]opBlz. 32[Niet in Bron.]”Blz. 33teBlz. 37[Niet in Bron.],Blz. 38zondenzoudenBlz. 38vindvindtBlz. 35 (voetnoot)”??”Blz. 35 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 40aangetastteaangetasteBlz. 43[Niet in Bron.]-Blz. 43,Blz. 44,Blz. 44 (voetnoot)[Niet in Bron.]„Blz. 44 (voetnoot)inikBlz. 44 (voetnoot)[Niet in Bron.]”

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext