Chapter 9

Kolb zag haar aan en verschrikte. Hij had niet opgemerkt, hoe de overgeplante bloem zachtkens was gaan verwelken, thans was hij versteld over de uitwerking. Het heimwee had haar ondermijnd en geknakt. Zij begon hevig te beven en eene ijzige kou bekroop haar.

Kolb tastte in zijn zak om haar het gelukkige nieuws mede te deelen.

—Eens, zeide zij, had ik het ook zoo koud; wij waren, toen ik jong was, eenmaal in de catacomben gegaan, de fakkels gaven er flauw licht; koud was het er en angstverwekkend, met die grafnissen en die spookachtige maagden van het graf van Sint Praetextatus, bleek, onlichamelijk, akelig....

Zij gleed langs het vensterkozijn neder, Kolb ving haar op, zij was ijlende.

Zij hadden haar te bed gelegd en verzorgd.

—Weg, weg van mij, riep de arme vrouw, toen zij de oogen weer opende,—zie de drie maagden uit de catacomben, zij zijn heilig, wat doen zij bij mij, wat willen zij mij doen?

—Mona, kom tot uzelve, wij zijn het, kent gij Gretchen niet meer, en Lise,—maar de arme verstaat onze taal niet, zei deze laatste. Toen beschutte zij de zieke met de gordijn voor het kaarslicht en drukte haar een kus op de wang. Dat was eene taal, die de arme verstond, want hare hand trachtte die van Lise te zoeken, en het hoofd werd voor eene poos wat rustiger neergelegd.

De dochters van den schoenmaker omringden haar dagelijks met de hulp, die alleen liefde schenken kan.

Thans wist Kolb wat haar deerde:—De grond deugt niet voor de, plant, die gij er op—hebt overgebracht, bad de arts hem gezegd,—dat zal nooit gaan, de ziekte kan bedwongen worden, maar de oorzaak blijft; zij heeft het heimwee, en zijmoetnaar haar land.

Zij zaten allen beneden, toen de geneesheer dit gezegd had, terwijl Mona boven in een rustigen slaap lag. Diep terneergeslagen zat Kolb daarbij; hij trok een papier uit zijn zak, en las het stil over. Toen hij met droefheid de lezing voltooid had, vatte hij den brief met beide handen boven aan, de vingers knepen zich samen en langzaam, zeer langzaam scheurde hij het vel doormidden. Toen liet hij het op den grond vallen en begroef het gelaat in beide handen.

De schoenmaker raapte de verscheurde stukken op en las de benoeming van Kolb tot kapelmeester te Praag.

Het offer was gebracht, maar niet zonder strijd.

Telkens nog kwamen aanvallen, die moesten worden afgeweerd, tot zij zwakker en zwakker werden onder het in Kolb steeds klaarder wordende denkbeeld, dat het door zijne betrekking met Mona geschonden zedelijk beginsel eenigermate verzoend zou kunnen worden door de smartelijke opoffering zijnerzijds. Zijn zedelijk bewustzijn kende hem geen, recht toe op het leven dezer vrouw, geen recht om haar aan zich ten offer te brengen, maar schreef hem den plicht voor, haar, die hij uit haar land had gevoerd, weer terug te voeren naar dat land, waarbuiten zij toonde niet te kunnen leven. Hij had er haar nauwelijks over gesproken of de krachten schenen te herbloeien. Langzamerhand kwam zij bij, en toen zij voor het eerst weder buiten geleid werd en den blauwen hemel zag tusschen de wingerdveranda door, die aan het schoone zuiderland herinnerde, gevoelde zij zich als opeens tot de reis in staat. Zoo spoedig het mogelijk was, maakten zij alles gereed. Kolb telde zijn geld, dat hem ruim halfweg kon brengen, huurde een kleinen wagen, die hen een paar dagreizen ver zou heenvoeren, en betaalde den schoenmaker. Deze evenwel schonk hem de helft terug.

—Gij hebt mijn Carl zoo dikwijls onderwezen, laten wij dit zóó schikken, zeide hij, en gaf nog aan Mona een paar zijner beste kunstwerken van schoeisel, die zij op den tocht wel behoeven zou.

Wie er het meest door het afscheid geschokt werd, was Carl. Hij had gebeden om mede te gaan, maar hij moest den dag des vertreks zien aanbreken, zonder dat zijne ouders hem dit vergunden. Hij zag er zijn met liefde gekweekt ideaal mede instorten, en het leven scheen hem nooit meer geluk te kunnen bieden. Ook Lise en Gretchen waren aangedaan: zij gevoelden zoo innig medelijden met de jonge vrouw, die geen huis had, geen ouders als zij, geen huiselijken kring.

Tegenover haar was Mona beschroomd; zij wist niet of de meisjes de betrekking kenden, die tusschen haar en Kolb bestond, maar zij vermoedde, dat zijwelwisten, dat die niet zoo was als deze eerbare kinderen zouden kunnen goedkeuren. Haar gemoed drong haar, ze beiden in hare armen te drukken, —maar zij durfde niet, zij gevoelde eene kloof tusschen haar en zich.

Het was pijnlijk te zien... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage

Het was pijnlijk te zien, toen de trotsche Mona beider voorschoot vatte en, dank stamelend, een kus drukte op dit kleed. Maar Lise en Gretchen namen haar beurtelings in de armen en drukten elk een kus op liet gelaat, dat zich begroef aan beider boezem.

Over het ongelijke grindplaveisel hotste de wagen voort: nog één blik uit het kleine achterraampje en het huis des schoenmakers was aan het oog onttrokken. Uit de werkelijkheid verrees het oude huisje, met zijn spitsen, overhangenden geveltop, met zijne wingerdranken om de vensterkozijnen, met den braven muzikalen schoenmaker, met den trouwen schwärmerischen jongeling, en de twee reine engelen; het rees al hooger en hooger en voor Mona's geest bleef het zweven, omringd van een heiligenaureool. Ver van daar liephaarweg, over rotspunten en distels.

Met onopgemerkte overgangen gaat de levenswisseling voort, tot wij plotseling hare uitwerkselen zien.

Hoe is de jonge, moedige kunstenaar, vol van de bezieling der werken, die zijne verbeelding al voorschept, zoo snel geworden, de vervallen man, die langs de straat trekt en met zijn spel een karig levensonderhoud verwerft?

Hoe is de schoone jonge maagd, vol van den trots, dien het gevoel van kracht, gezondheid en schoonheid geeft, schitterend eenmaal met hare gaven, de geschokte, bijwijlen aan lot en leven vertwijfelende vrouw geworden, die gij dien man, vergezellen ziet?

Wat is er thans van dien zinnelijk levendigen geest, van die trotsche schoonheid, van die begoochelingen van levensweelde, van die droomen van kunst en genie?

Zij dwalen in slechte kleederen de wegen langs, zij zitten in een greppel of een plekje lommer een karig maal te gebruiken: zij komen van de eene stad in de andere. Op de markt, op het kleine tooneel, zoo het er is, in een speelhuis, staat de kracht en het genie te spelen voor eenige groepen onoplettende lieden, en zoo er eene enkele maal opmerkzaam één blijft luisteren, het is een balsem in de wond, maar een balsem toch die steekt, omdat hij herinnert aan den kunstroem, waarvan de speler verviel. En naast dezen staat de schoonheid, het weelderige genotvolle leven, en danst voor de menigte met de tamboerijn de dansen baars volks, nu ze geene geestkracht meer heeft om de gave der improvisatie te doen hooren. De geniale musicus en de prachtige improvisatrice, langs doolwegen en verkeerde paden zijn zij gekomen tot wat zij zijn, een reizende speelman en zijn boel.

Toch zijn zij meer dan zij waren.

De maskers zijn afgescheurd, het blanketsel door tranen weggespoeld, de naaktheid van het schijnschoon beroofd, en de zelfbewustheid is door eene ruwe hand wakker geschud.

Dieper dan haarzelve bekend was voelde Mona den invloed van het gestrenger, ernstiger leven van het Noorden. Vandaar die prikkel, die nog altijd bleef steken, al genas de heimweekwaal en al putte het lichaam nieuwe krachten uit elken tred, die haar nader bracht aan de grenzen van Italië.

—Moed gehouden, Mona, zeide Kolb,—wij zijn nu te midden der bergen, die ons scheiden van uw land, het kwaad is bijna geleden.

Passando il male, sperando il bene,Il tempo passa, la morte vienne,

sprak zij met een bitteren glimlach.

—Laat ons liever de hoogte beklimmen, wij zien daar weer verder; wij zien er de zon, die haar gloed nog werpt over de vlakte. Morgen hebben wij de verdere toppen bereikt; nog één dag en wij dalen in de vlakte en de Italiaansche taal zal uwe ooren weer streelen.

—Er is meer nog! er is nog iets inwendigs, dat mij verteert, Antonio, het knaagt als honger en dorst. Daar zijn dingen voor mijne verbeelding gaan leven, die ik niet noemen kan. Het beknelt mijne borst op vreeselijke wijze—als ik het maar kende, maar ik weet niet, wat ik gedrongen word te doen, wat ik denken moet—o Madonna, ik wil wel, maar ik kan niet, ik weet het niet!

De avondster was opgegaan, dikke wolkenhoopen, tegen elkander opgekruid, stegen boven de bergen aan het westen en vormden nieuwe bergruggen. Bij een steenblok neergezeten, staarde Kolb donker voor zich uit naar het verschiet, de lijnen en plans van het voorhoofd beeldden den kamp af, die daarbinnen plaats had. Hij had niet gewanhoopt aan zijne kunst; hij streed nog altijd om de middelen, die haar moesten verwezenlijken. Lijden en werken is de kern van het leven; het licht beschijnt alleen de oppervlakte, het binnenste van de aardkorst is donker; ernst is de grondtoon door de harmonie van het heelal heen; schoonheid komt hem verhelderen en veredelen, en als de zon weder opgaat over het leven is het een kalm verkwikkend licht, geene uitspatting van vonken; van die levensbeschouwing is de kunst, moet de kunst zijn de afspiegeling, de incarnatie: ernst op den bodem, hoe ook getemperd door de vreugde van het geluk, toch nooit afwezig; geene kunst, die uitspat, die verblindt, die de zinnen streelt en verrukt, maar eene, die verheft tot hoogere levensopvatting.

Wat rondwoelde in het brein brachten de vingers over, en de viool zong het bezielde lied. Nedergevlijd tegen hem aan, het hoofd in zijn schoot geleund, had Mona de tonen ingedronken: zij had ze voelen neer druppelen, eerst als heete tranen, toen als stillende laving; zachtkens was zij meegegaan, was hare ziel gewiegd op den stroom der rhythmische klanken; de harmonie had harmonie gebaard en met machtige hand de golven gestild, die bruisten in haar gemoed. De bloemen, die zij plukte, als laatste herinnering aan den vreemden bodem, ontgleden hare hand; en toen de laatste toon wegdreef op de golvingen der lucht, was haar gejaagd hart gesust tot een zachten sluimer.

Nedergevlijd tegen hem aan,... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage

De spanning, die Mona's zenuwen had opgehouden zoolang zij haar land nog niet bereikt had, begon haar te begeven, nu zij de bergen overgetrokken en in de vlakten van Lombardije waren gedaald. Het moreele heimwee won nieuwe kracht, toen het lichamelijke verdween: zij werd gezonder en sterker, maar scherper folterde het zedelijk bewustzijn in haar, en soms werd die foltering ondraaglijk.

Ter zijde van den weg, dien zij volgden, lag een oud en vervallen slot, en zij konden den lust niet afweren, het te beklimmen. Zij voelden zich bij instinct te huis in die bouwvallen van vroegere grootheid. Daar boven in een der vertrekken, met afgebrokkeld lijstwerk, met lappen van verbleekte muurbehangsels, met bestoven en gespleten overblijfsels van kunstrijke beschotten gestoffeerd, staarden zij door de geheel opene en vervallen bogen der ramen.

—Ik kan dit leven niet langer lijden, sprak Mona somber,—vervloekt zij mijne moeder, vervloekt mijn gestarnte, en hij, die mij het eerst in het ongeluk stortte! Wat heb ik aan mijn land! Ik kan er niet weer zijn, wat ik eens was: ik was er eens een onschuldig kind, dat zong voor de pelgrims; ik was er eens eene bloeiende maagd, wat ben ik nu—waarom keer ik hier terug, waar ik niet meer behoor; mijne schoonheid is verwelkt en mijne oogen zijn ingezonken als de Campagna onder de voeten der ossen. Geef mij mijn leven der Campagna weder, geef mij mijn onschuldig leven terug, of stort mij hier naar beneden.

Met woede sloeg zij de tamboerijn tegen een uitstekenden steenhoek, dat het trommelvel barstte.

Toen kwam er eene pooze rust, zij hijgde en wachtte naar adem.

—Mona, Mona, pas op dat raam! riep Kolb beangst.

Met donkeren blik zag zij door het vervallen kozijn omlaag naar den afgrond.

—Mona! Mona! om Gods wil, ter wille van mij! ga zoo ver niet! Mona!

Met klimmenden angst zag Kolb haar oog verhelderen en eene soort van droeven glimlach de bleeke lippen plooien, flauwe afspiegeling van een wordend denkbeeld, dat haar ging bekoren.

—Zie, hoe hoog zijn wij hier wel, zeide zij,—de zwaluwen hebben hare nesten onder dezen dorpel.

—Om Gods wil, Mona, gij zult mij krankzinnig maken van angst, buk niet zoo voorover.

—Voorover, zeide zij als in gedachten hem na,—zie, hier tegen die steile muren komen de uiterste toppen der klimplanten van beneden af, zij klimmen altijd hooger,—wij gaan lager,—lager. Kijk, riep zij luider, en met eene verbijsterde opgetogenheid, hieronder, hier laag onder mij, daar zie ik in den muur de wapens van het oude slot en de kroon daarboven, en in die kroon een nest van vogels, met de jongen, die er uit en in vliegen: onschuld en ijdelheid.

Kolb was radeloos. Mona's voet was op den uitersten rand van het bouwvallige raamkozijn. Waar hij stond, zag hij niets dan lucht; alleen een paar teedere toppen van klimmend gewas hadden die hoogte bereikt en begonnen zich te vertoonen even boven den rand, waar Mona's voet op rustte. In de verte en lager zag men onder zich vogels vliegen. Alles gaf den indruk van de hoogte, waarop zij waren, van de ledige diepte, die zich daaronder uitstrekte. In die diepte staarde zij nog altijd, voorover gebukt met eene helling, die elk oogenblik het evenwicht kon doen overslaan.

Kolb durfde haar niet aanvatten om, haar terug te trekken, uit vrees, dat zij eenige beweging zou maken, en elke beweging was de dood.

—Zie, zie, riep zij met verwondering, de bodem wordt hooger, de grond en de boomen beginnen te rijzen en komen nader, nader bij mij,—het draait en golft!

—Jezus Maria, houdt mij! gilde zij opeens, zich achterover werpende.

Hij greep haar aan en sleurde haar naar binnen. Zij lag bewusteloos aan zijne voeten, en hij, terwijl zijne kniëen knikten, veegde zich het angstzweet van het gelaat.

Een belgeklank en zweepslagen waren de eerste geluiden, die hij hoorde, toen hij terugkwam van de bedwelming, die zijn hoofd deed duizelen. Daar was wellicht hulp te erlangen, en hij wilde zich snel naar beneden begeven. Hij aarzelde nog even, of hij Mona in dien staat alleen kon vertrouwen. Toch was het misschien eene gelegenheid, die hij niet moest verzuimen. Hij snelde daarom de verbrokkelde trappen af, telkens stootend tegen de muren om de enge wentelende trap. Beneden gekomen, ontwaarde hij op den weg eene kar met een muilezel. Hij riep den drijver en smeekte hem de weldaad af, Mona mede te voeren naar het naaste dorp. De man was gewillig en met hun beiden brachten zij de ongelukkige vrouw met groote inspanning naar beneden. Daar vonden zij nieuwen bijstand in een bejaard geestelijke, die uit den wagen was geklommen en hen nu hielp de vrouw onder de huif der kar te plaatsen. De beweging bracht haar bij, en toen verlichtte een stille tranenvloed haar boezem. De priester, die haar zijne plaats had afgestaan, liep, hoewel hij de kracht der jeugd niet meer had, met Antonio naast het rijtuig en stak bijwijlen het hoofd vooruit, om daarin te zien en Mona vriendelijk bemoedigend toe te knikken. Toen zij 's avonds in het dorp kwamen, liet hij den wagen naar zijn huis rijden en nam de reizigers bij zich op.

De rust in het huis van den padre en diens vriendelijke zorg begonnen Mona kalmte en herstel te schenken.

Zij bleven er eenige dagen, waarin de pater nooit vroeg naar beider lotgevallen, maar met de grootste liefde en kieschheid hen geheel liet handelen en leven zooals zijzelve verkozen. Alleen had hij eens met een enkel woord hen opgewekt, den kerkdienst bij te wonen, doch daar verder niet over gesproken. Zoo won hij zachtkens het vertrouwen. Kolb was geen man, die zijn gemoedsleven en. de verschillende strijden, die daarin plaats hebben, aan een ander zou mededeelen, doch de begrippen, die hij over kunst en leven koesterde, waren meermalen het onderwerp van hun gesprek geworden. Mona's hart voelde zich tot den rustigen, waardigen man aangetrokken, totdat zij toegaf aan de neiging, om het voor hem uit te storten.

Eens was zij zeer vroeg in den morgen den tuin ingeloopen, die achter des paters woning lag; zij ging de paden door, tot achterin, waar in de schaduw van een ouden vijgeboom eene ruwe bank stond. Zij liet zich daarop nederzakken en zij dacht aan den vijgeboom, die haar ouderlijk huis beschutte, zij dacht aan haar vroeger leven: het hoofd was niet stout opgeheven, het viel in de hand, die het steunde. Zij had zich alleen gewaand, doch niet ver van haar af bemerkte zij nu opeens den priester, die haar niet had willen storen, maar was voortgegaan met het omspitten van den grond.

Haar oog ontmoette nu het zijne en hij knikte haar vriendelijk toe.

—Zoo vroeg reeds uit de rust, mijne dochter? zeide hij.

—Rust—juist daar heb ik behoefte aan, mio padre! Geef gij mij rust, gij, die zoo heilig zijt.

—Rust, zeide de priester, de eene hand over de oogen en het voorhoofd strijkende en met de andere leunend op de spade,—wij zoeken ze allen: maar het leven is geen rust, het is arbeid en strijd.

—Schenk mij uw zegen dan, sprak zij, voor hem op de kniëen vallende, als gij dien aan eene zoo onwaardige geven moogt.

—Uw verlangen toont, dat gij niet geheel onwaardig zijt, antwoordde hij.—Hebt gij iets op uw gemoed, waarvan de uitstorting u verlichten kan?

Mona hield de oogen nedergeslagen en zweeg.

—Spreek vrij, mijne dochter, zeide hij, de handen op haar hoofd leggende.

—Vader, ik heb uw raad gevolgd,—ik heb den dienst van gisteren bijgewoond.—Toen hij was verricht, en er niemand—meer in de kerk was, heb ik het gewaagd, rond te zien in een heiligdom, dat mij vreemd was. In eene der kapellen hing eene schilderij,... ik heb er de gordijn van weggeschoven,... mijn vader, gij weet niet, wie ik ben; in Rome....

—Diepe deernis, mijne dochter, heb ik met die kinderen uit het volk, die den kunstenaar ten modellen moeten strekken; sta op, ik weet, wat gij geweest zijt, Mona, en uw leven is mij bekend.

Met pijnlijke verbazing zag zij hem aan. Hij gaf geen rekenschap, doch bleek te wachten, tot zij voortging.

—Welnu, zeide zij met bittere zelfvernedering, als gij weet, wie ik geweest ben, zult gij mijne ontsteltenis begrijpen, toen ik in de Madonna met het kind, waarvan ik de gordijn gedachteloos had weggeschoven, mijzelve terugvond zooals die man mij eens schilderde. Ik herkende zijn werk en mijn eigen gelaat. Mijzelve in de Moeder Gods, o vreeselijke bespotting, die mij het hart openrijt! Mijzelve, diep gezonken, en dien geheelen tijd van schande en ellende, in het beeld der heilige Madonna! Wat akelige verwarring, en wat ontzettende kloof gaapt er, tusschen wat hier vereenigd is!—Padre, is er geen middel om het afzichtelijke dezer tegenstelling te doen ophouden?

De pater zweeg geruimen tijd.

—Daar is één middel, sprak hij ernstig, zegen de Heilige Moeder, dat zij met dezen laatsten treffenden slag het nieuwe leven, dat allengs in u ontwaken ging, voorgoed heeft gewekt; dat zij u de vreeselijke kloof heeft doen ontwaren, die er bestaat tusschen u en tusschen dat ideaal van het rein vrouwelijke!—De kloof, die het u onmogelijk maakt, tot dat ideaal in de verte te naderen, moet gedempt worden,—breek onherroepelijk met uw verleden,—antwoord mij niet, zeide hij snel, toen hij hare aandoening ontwaarde, naar huis kunt gij niet keeren, het bestaat niet meer, de oude vrouw is overleden; maar gij, arm, vermoeid kind, rust uit in mijn huis, totdat de tijd de overige voetstappen hebbe uitgesleten, totdat gij weder in staat zijt een nieuw leven te beginnen en een beteren kamp met de wereld te strijden.

Den volgenden morgen had Kolb zijn reisbundel gepakt en stond hij bereid tot den verderen tocht.

—Mona, zeide hij, zich met moeite bedwingende, wat moet ik doen?

Wat het haar kostte, het vreeselijk woord "ga", uit te spreken!

—Alleen?

Zij knikte toestemmend.

—Gij verlaat mij dus, sprak hij somber en met een bitter ironischen trek om de lippen.

—Antonio! maak het mij niet te zwaar!

Hij gevoelde zich gekrenkt, en dacht er aan,—wat hij toch niet had kunnen volvoeren,—zonder afscheid te vertrekken.

Zij snelde op hem toe en omhelsde hem. Zij fluisterde:—Ga, Antonio, werk en wordt weder groot; voor mij moet er eerst een afstand liggen, tusschen het verleden en de toekomst, die ik droom.—En nauw hoorbaar voor hem alleen was het, wat zij er bij voegde:

—En dan mijn geliefde, mocht die betere tijd eens komen,—kom dan weder.

Een lange, hartstochtelijke afscheidskus, wellicht een afscheid voorgoed.

Hoe hij wegkwam, wist Kolb niet, het was een oogenblik van stilstand in zijn geheele bewustzijn. Toen hij nog eenmaal achter zich zag, kon hij in de deur de eerwaarde gestalte des paters zien, en eene vrouw, die, het hoofd tegen zijne borst gedrukt, door hem werd ondersteund.


Back to IndexNext