II.

II.Wettelijke Regeling der Prostitutie.In een tijd waarin de vrouwenbeweging en de daarmede gepaard gaande bespreking der vrouwenbelangen ieders aandacht vraagt, dient ook het prostitutie-vraagstuk door de vrouwen onderzocht en zoo mogelijk tot oplossing gebracht te worden. Veel te lang werd het aan de orde stellen van dit hoogst belangrijk maatschappelijk vraagstuk door de vrouwen opzettelijk vermeden, dewijl zij, door valsche schaamte geleid, van oordeel waren dat al wat op prostitutie betrekking heeft, niet door de vrouw mag worden gekend, noch door haar mag worden besproken.Ik stem toe dat kennismaking met elk onderdeel der kwestie ons steeds voor oogen voert ziekelijke uitwassen van de menschelijke natuur, oorzaken van heimelijke slooping des lichaams, wanverhoudingen in de samenleving, die ons met weerzin, met afgrijzen, met verachting, met medelijden vervullen, al naar wij zelven zedelijk zijn aangelegd.Doch hoe dieper men in dit vraagstuk doordringt,des te meer wordt men er van overtuigd dat de prostitutie het wel en wee van velen onzer beheerscht; dat zij onze gezondheid en die onzer kinderen ondermijnt; dat zij velen onzer zusters wegrukt uit de maatschappelijke sfeer en hen doemt tot een leven vol verachting en ellende.Als men dan nog bedenkt dat die vrouwenschaar die opgeofferd wordt aan dit zoogenaamd noodzakelijk kwaad, grootendeels voortkomt uit de volksklasse; dat gebrek, onkunde, ruwe zeden, ziekelijke ontaarding, verleiding die vrouwen meestal voert in dezen poel van ellende, dan meen ik dat er redenen te over zijn om alle valsche schaamte ter zijde te stellen, den sluier weg te rukken die het prostitutie-vraagstuk omhult en met helderen blik en rustig oordeel dit kwaad in zijn veelzijdig optreden te onderzoeken. Men heeft zich daartoe rekenschap te geven van hetgeen om ons heen geschiedt; het bestaan van het kwaad maakt de bespreking noodzakelijk.Hoe zal men zijn zonen kunnen behoeden voor een zedelijken val, wanneer men de wegen niet kent die hen voeren tot den afgrond; hoe kan men zijne kinderen zedelijke grootheid inprenten, zoolang men den moed mist de laagheid die hen omgeeft te peilen; hoe wil men hun deernis inboezemen met die arme, vernietigde wezens, wier bestaan eene aanklacht is tegen onze gangbare zedelijkheidsbegrippen, zoolang men zelf nog onkunde en onwetendheid verwart met reinheid en kuischheid?Doch ook als men zich zelf een grooter, een hoogerlevensdoel heeft gesteld, als men wenscht mede te werken aan het wegnemen van maatschappelijke misstanden, dan mag men niet langer de oogen sluiten voor dit verschrikkelijk kwaad, dan mag men niet meer het hoofd afwenden als de werkelijkheid in al haar naaktheid voor ons opdoemt, dan mag men geen dag langer berusten in de onware meening, dat prostitutieonuitroeibaaren haar bestaannoodzakelijkzou zijn.Wat is prostitutie of wat verstaat men daaronder? Ik zie geen kans deze vraag te beantwoorden; ook bij geen der vele schrijvers die ik raadpleegde vond ik een bevredigende definitie. De meeningen er over loopen inderdaad zeer uiteen. Velen, en hieronder vooral kerkelijk geloovigen, noemen prostitutie elke buitenechtelijke geslachtsgemeenschap, terwijl anderen, waaronder ook ik mij zou willen scharen, onder prostitutie verstaan elke geslachtsgemeenschap die niet gebaseerd is op wederzijdsche liefde.Hoe ethisch juist deze definitie echter moge luiden uit een praktisch oogpunt is zij vooralsnog niet te gebruiken. Dan toch zouden wij onder prostituées moeten rangschikken tal van mannen en vrouwen wier echtvereeniging, door de wet geheiligd, op geen hooger waardeering berust dan de stoffelijke; wier samenwoning geen ander motief kan aanwijzen dan berekening; die niet door banden van liefde, doch door de koorden der geldbeurs werden verbonden.En dan ook zou men hieronder moeten rangschikken die gehuwden die eenmaal uit verklaarbare onkunde handelden en in jeugdige onbezonnenheid het jawoorduitspraken, nog vóór zij wisten of beider karakter genoegzaam overeenkwam om gezamentlijk den langen, soms moeielijken levensstrijd te voeren, en te laat bemerkten dat hun vurige hartstocht zijn oorsprong niet vond in groote wederzijdsche waardeering, maar een gevolg was van toevallige omstandigheden; die gehuwden ook, die moesten ondervinden dat hun liefde niet bestand was tegen de teleurstellingen des levens en wier samenzijn niet meer is een bron van vreugde, maar veeleer eene lijdelijke berusting in het onvermijdelijke.Voor onze maatschappij bestaat daarom behoefte aan een andere omschrijving. Zoolang deze echter niet gevonden is, hebben wij er rekening mede te houden, dat naar de meest gangbare denkbeelden van gehuwden, wanneer zij eenmaal door den burgerlijken ambtenaar vereenigd zijn, wordt aangenomen dat rozegeur en maneschijn hen omgeven, dat “zij” is “zijne” uitverkoren levensgezellin en “hij” de man “haars” harten, en dat zij dan ook op dien grond in hun kring moeten worden geëerd, onverschillig welke beweegredenen hen samenbrachten. Wettig gehuwden worden daarom dan ook nimmer onder geprostitueerden gerangschikt en dank zij de alom gehuldigde dubbele zedenleer, worden de mannen, zoodra er sprake is van prostitutie en geprostitueerden, geacht daartoe nimmer te behooren.De gemakkelijkst te onderkennen vorm van prostitutie en als zoodanig ook in onze samenleving algemeen daarvoor aangenomen, is die derbetaalde liefde, waarbij van eenige genegenheid of trouw geen sprake is, althans niet behoeft te zijn. Soms gaat zij wel gepaard met haat aan deeene en verachting aan de andere zijde. Het eischen van betaling door de vrouw voor het zich beschikbaar stellen ter bevrediging van den geslachtsdrift des mans, levert hier het criterium van zich te prostitueeren; deze vorm van prostitutie is het waarover ik speciaal wensch te spreken.Hiervóor merkte ik reeds op, dat men alleen van vrouwen spreekt als van prostituées; onze tweeërlei zedenleer betitelt de mannen, die voor de liefde betalen, met dien naam niet. Toch zal het geen betoog behoeven dat deze mannen, wat hun zedelijk gehalte aangaat, niet boven het peil der prostituées staan, ja menigwerf nog ver daar beneden blijven.De hierbedoelde vorm van prostitutie vertoont zich in de maatschappij onder talrijke schakeeringen, die evenwel in hoofdzaak tot twee rubrieken teruggebracht kunnen worden en hoewel beide rubrieken soms ongemerkt in elkaar overgaan, leveren zij toch nog genoegzame teekenen van verschil op, om ieder afzonderlijk besproken te worden.Zij zijn de zoogenaamdevrije prostitutie, als zelfstandig bedrijf uitgeoefend door een of meer te zamen wonende vrouwen, en degedwongen prostitutie, uitgeoefend door vrouwen in dienst van anderen, die daarvan hun bedrijf maken.De eerstgenoemden oefenen haar bedrijf uit op eigen risico en stellen zich niet voor iederen man en te allen tijde beschikbaar. Daaronder zijn er wederom die alleen haar bekende personen ontvangen, welke zich voor korter of langer tijd aan haar verbinden. Zijn deze laatstendaardoor, volgens sommigen, voor de algemeene gezondheid minder te vreezen, voor het karakterbederf der mannen waarmede zij in aanraking komen, leveren zij minstens evenveel gevaar op als de slachtoffers der gedwongen prostitutie.Vroeger vormden deze vrouwen in de meeste plaatsen een op zich zelf staande kaste, die zich in kleeding, voorkomen en manieren onderscheidden van anderen; tegenwoordig is dit overal anders geworden. Zij vereenzelvigen zich thans met alle standen en nemen de manieren, kleeding, schijn van beschaving over van den kring, waarin zij zich gewoonlijk bewegen. De burgerlijke prostituée komt in evenzoovele schakeeringen voor als de burgerstand zelve aanbiedt en de nabootsing van het aristocratisch element is er evengoed vertegenwoordigd, als de typen uit de onderste en alleronderste lagen der maatschappij. Ook de zedelijkheidsladder heeft er hare verschillende treden. Vindt men op de bovenste sport slechts onvoorzichtigheid, onnadenkendheid, lichtzinnigheid, op de onderste kan men de meest ontaarde zedeloosheid waarnemen.Ongemerkt langzaam gaan beide in elkaar over, ja meestal doorloopt dezelfde persoon van boven af al de treden, steeds dieper dalende.Ik zal voor mijn opstel deze zoogenaamde vrije prostitutie verder laten rusten, na er alleen nog van gezegd te hebben dat ik opzettelijk spreek van “zoogenaamde” vrije prostitutie, dewijl de slachtoffers niet tot het behalen van voordeel door anderen voor het bedrijf worden geëxploiteerd, maar niettemin door opvoeding, onkunde, eenbuitenechtelijk geboren kind, armoede of maatschappelijke uitstooting aan hun vernederende levenswijze gebonden zijn.Wat ik wil behandelen past in hoofdzaak alleen op de andere, hierboven reeds aangeduide nuance,de gedwongen prostitutie, die zoowel voorkomt in gemeenten waar de overheid het bestaan der prostitutie erkent en reglementeert, als waar dit niet geschiedt. Waar de overheid zich niet inlaat met eene regeling komt de gedwongen prostitutie weinig voor; daarentegen vertoont zij zich veel waar de overheid zich er wel mede inlaat, omdat doel der regeling is toezicht te houden op de gezondheid der prostituées en voor dat toezicht wenschelijk is, zooveel mogelijk concentratie dezer vrouwen in de woningen waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Het is juist in die woningen dat degedwongenprostitutie in den gruwzaamsten vorm welig tiert. Zoo werkt de wettelijke regeling der prostitutie toestanden in de hand, waarvan het bestaan door de meesten onzer te nauwernood wordt vermoed.Bij den hierbedoelden vorm van prostitutie zijn meestal meerdere vrouwen vereenigd in daarvoor bekende huizen, publieke huizen of bordeelen genaamd, en elke man die binnentreedt en zijn zoenoffer in den vorm van een grooter of kleiner geldstuk brengt, moeten zij ter wille zijn. Hier is geen sprake meer van vrije keus bij de vrouwen, geen kwestie meer van onwil, zij staan in dienst van een meester of meesteres aan wiens of wier bevelen zij verplicht zijn te gehoorzamen, terwijl het geld dat zij daarmede verdienen en de geschenken die zij af en toe ontvangen, meestal het eigendom worden van den patroon.In deze huizen treedt nog de slavernij in haar afschuwelijksten vorm op. In alle beschaafde landen is de slavernij, voorzoover zij het gekleurd ras betreft, afgeschaft, maar deze verlagende en onteerende vrouwenslavernij laat men nog toe.Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt daarvan: “dat deze slavernij, die omdat zij in schijn plaats heeft met goedvinden der vrouw, niet begrepen kan worden, maar in werkelijkheid erger is, dan de bij art. 2 van het Burgerl. Wetb. verboden slavernij.”1Door allerlei listen en lagen worden arme, onbeschermde meisjes dikwijls gelokt in deze huizen, die zij dan niet of met de grootste moeite weder kunnen verlaten. Het onderzoek van de laatste jaren heeft zelfs aan ’t licht gebracht, dat er door verschillende houders dier huizen en de zoogenaamde koppelaars een geregelde internationale handel in meisjes gedreven wordt. Men herinnert zich ongetwijfeld nog de ontzettende paniek die ruim een tiental jaren geleden veroorzaakt werd door de onthullingen in de Pall Mall Gazette van eene enquête naar de uitgebreidheid van dezen handel in meisjes.Die enquête werd ingesteld naar aanleiding van de ontvluchting van een jong meisje uit een Londensch bordeel naar het hoofdkwartier van het Leger des Heils. Het onderzoek hierdoor aanhangig gemaakt, bracht feiten aan het licht van eene geregelde oplichtingen handel in jonge meisjes, zóó gruwelijk, zóó barbaarsch, dat men zich niet kan voorstellen dat in een beschaafd land nog dergelijke feiten mogelijk zijn. Wel hebben verschillende Regeeringen en ook de onze na dien tijd maatregelen genomen om dezen handel zooveel mogelijk tegen te gaan, doch wat ons van tijd tot tijd ter oore komt doet ernstig twijfel rijzen aan de doeltreffendheid of ernstige toepassing dier maatregelen. Toen nog kort geleden te Amsterdam door een raadscommissie een onderzoek werd ingesteld naar den aard en omvang der aldaar bestaande prostitutie, in verband met een aanhangig voorstel om het houden van bordeelen te verbieden, rapporteerde Dr. Voûte, een der leden dier commissie, dat “het grootst aantal vrouwen (in die bordeelen) waren Fransche en Belgische en een enkele Duitsche; Hollandsche bijna niet.” En dan voegt hij er aan toe, “Engelsche en Duitsche zijn moeielijk te krijgen, tengevolge van maatregelen door de resp. Regeeringen genomen. Hollandsche zijn weinig in trek.” Hoe cynisch klinken zulke rapporten.Doch deze arme, blanke slavinnen die als vee worden aangekocht, dikwijls herhaalde malen in handen van andere meesters overgaande en als uitschot der natie gebrandmerkt, zij zijn onwetend en onwillens haar eigen wrekers, die met woeker terugbetalen de hun aangedane vernedering, door verderf en ziekte ruimschoots uit te deelen aan degenen te wier behoeve zij geacht worden te bestaan. Bleven die ziekten, die uitsluitend een gevolg zijn van prostitutie, slechts beperkt tot hen die onmiddellijk met haar in aanrakingkomen, dan zou men er in kunnen berusten dat een gerechte straf aan een zedelijken misstap verbonden is.Maar ongelukkig brengen zij ook de gezondheid en het leven in gevaar van vrouwen en kinderen, die in elk opzicht onschuldig zijn aan het gepleegde kwaad. Vrouwen, wier geheele leven smetteloos rein was, worden niet zelden besmet met de giftstoffen van syphilis of andere venerische ziekten door omgang met haar losbandige echtgenooten en brengen kinderen ter wereld die óf geen levensvatbaarheid bezitten en al ras weder wegkwijnen, óf een leven moeten voortslepen, belast met de zichtbare of voelbare straf voor den misstap des vaders.Menigmaal verwondert men zich er over dat schijnbaar gezonde ouders een zwak ziekelijk kind voortbrengen, dat scrophuleus is, aan tuberculose sterft of het slachtoffer wordt van eene andere ernstige kwaal, terwijl de oorzaak ontwijfelbaar bij den vader kan gevonden worden.Hoe dikwijls ook roepen sterke, gezonde meisjes kort na hun huwelijk de hulp van een geneeskundige in, omdat zij gaan kwijnen en niet gissen welk gevaarlijke woekerplant hun gestel ondermijnt.Onder venerische ziekten verstaat men die ziekten die men door omgang met prostituées kan verkrijgen, daarvan is echter de syphilis de afschuwelijkste, de gevaarlijkste. Zij sloopt niet alleen het gestel van den aangetaste, maar zij is bovendien in hooge mate besmettelijk en overerfelijk, zoodat ook kinderen en zelfs kindskinderen er de gevolgen van ondervinden. Vele andere ziekten vinden in deze haar oorsprong. Konden wij de syphilis in haar geheel uitroeien, veleandere ziekten zouden met haar van de aarde verdwijnen.Is het dan niet de plicht van den Staat om met alle hem ten dienste staande middelen zoo krachtig mogelijk op te treden, ten einde deze ziekte met wortel en tak uit te roeien? Hij treedt immers ook tusschenbeide wanneer het geldt de bestrijding van andere besmettelijke ziekten.Wettelijke voorschriften verplichten ons tot het afzonderen van lijders aan roodvonk, diphteritis of andere infectieziekten, wij worden verplicht de kinderen ter voorkoming van pokken te laten inenten wanneer zij openbare scholen zullen bezoeken, tegen de verspreiding van cholera worden van overheidswege maatregelen genomen en toch, waar het geldt een zoo gevaarlijke ziekte als syphilis, daar houdt de Regeering zich onzijdig en laat toe, dat ieder gemeentebestuur in eigen kring deze zaak naar goeddunken al of niet regelt. Waaraan moet deze onthouding toegeschreven worden?Op gezag van bekwame juristen, zou men de verklaring moeten zoeken in het feit, dat de Rijks-wetgever niet in staat is om, zonder ernstig inbreuk te maken op de persoonlijke vrijheid van den staatsburger, een wet uit te vaardigen, die paal en perk stelt aan de verbreiding der syphilis en andere venerische ziekten. Ik meen echter dat ook met Rijkswetten de verbreiding dezer ziekten niet zou worden tegengegaan. Daarvoor zijn zij te nauw verbonden met de prostitutie en zoolang deze wordt beschouwd als eennoodzakelijkkwaad, zoolang men nog slechts spreekt van middelen om de prostitutie te beperken in plaats van haar uit te roeien, zoolang zalde maatschappij wel opgescheept blijven met de gevolgen die zij na zich sleept.Eenige gemeentebesturen van ons vaderland hebben gebruik gemaakt van de hun verleende vrijheid om voor hun gemeente een reglementeering der prostitutie in te voeren; een reglementeering die in hoofdzaak neerkomt op een geneeskundig toezicht op de prostituées en daarin bestaat, dat deze zich op bepaald daarvoor aangewezen dagen aan een medisch onderzoek moeten onderwerpen om te zien of zij lijdende zijn aan een of andere besmettelijke ziekte. Bijaldien zij ziek bevonden worden volgt eene ongeschikt verklaring om haar bedrijf uit te oefenen, tot tijd en wijle zij weder hersteld zijn.De oningewijden noemen dit waarschijnlijk een wijze voorzorg en een praktische oplossing van het moeielijk vraagstuk. Zij zullen echter wel beseffen dat aan eene dusdanige reglementeering een keerzijde verbonden moet zijn, wanneer zij vernemen dat vele gemeenten, waaronder ook Amsterdam, zulk een reglementeering nimmer hebben willen invoeren of haar na korter of langer tijd hebben opgeheven.De tweede stad des Rijks, Rotterdam, valt met eenige andere groote gemeenten de twijfelachtige eer te beurt, de reglementeering met toelating van bordeelen nog steeds te handhaven. Met toelating van bordeelen, schrijf ik, want ook over het toelaten of opheffen van die broeinesten van ongerechtigheid beslissen de gemeentebesturen.Gelukkig verheffen zich in alle landen stemmen tegen de Regeering dat zij het bestaan van bordeelenerkent en toelaat en de reglementeering niet verbiedt. Het in 1877 hierover te Genève gehouden congres heeft aan deze beweging een krachtigen stoot gegeven. Sedert hebben zich overal bekwame juristen, moralisten, politici en medici geroepen geacht als bestrijders van reglementeering en bordeelen openlijk op te treden.Het zoude mij te ver voeren wanneer ik al de bezwaren opsomde die deze strijders voor zedelijkheid en recht in ’t midden gebracht hebben om de onhoudbaarheid aan te toonen van den huidigen toestand.Vele vrouwen hebben waarschijnlijk nimmer de verordeningen gelezen, vastgesteld in steden waar een reglementeering der prostitutie bestaat, en weten daardoor niet dat in zoo’n gemeente iedere vrouw, zonder uitzondering aan de bepalingen in die verordening is onderworpen, zoodat eene vrouw, welke ook, die door een politieagentverdachtwordt een prostituée te zijn, verplicht kan worden zich als prostituée te laten inschrijven en aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Namen de vrouwen van zulke gemeenten kennis van het reglement op de prostitutie, zij zouden als een aaneengesloten phalanx met verontwaardiging zich wenden tot het bestuur hunner gemeente met de vraag: “Met welk recht maakt gij zoo schandelijk inbreuk op onze vrijheid. Wie riep u om op te treden als handlanger der bordeelhouders en koppelaars; wie droeg u de taak op, om ten behoeve van mannen, die zich vrijwillig aan de prostitutie overgeven, gezonde vrouwen beschikbaar te houden?”Als het de overheid waarlijk ernst was om de besmettingmet venerische ziekten tegen te gaan, dan zou zij in de eerste plaats de gehuwde vrouw en het kind beschermen, die geheel onschuldig de slachtoffers worden van deze ziekten. Nimmer verplicht zij evenwel den man, zelfs niet den meest bekenden losbol, zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Al is hij nog zoo ziek, hij heeft het recht de gezond bevonden prostituée te besmetten, ja men laat hem kalm een onschuldig meisje huwen en haar evenals haar kinderen deelgenoot worden van zijn kwalen.Prof. Fokker uit Groningen, Hoogleeraar in de gezondheidsleer, vergeleek de reglementeering eens bij groenvrouwen die ook uit hare manden met appelen de rotte verwijderen, opdat deze de anderen niet kunnen aansteken,2en deze vergelijking is later door vele voorstanders der reglementeering overgenomen. Hoe grenzenloos grof klinkt ons zulk een vergelijking in de ooren! En tot welk een vernederende gevolgtrekking strekt zij voor de gemeentebesturen, die zich schuldig maken aan het instellen en handhaven van zulke verordeningen. De prostituées zijn de koopwaar, in dit geval vergeleken bij de appelen, de gemeentebesturen zijn de koopvrouwen die de zieke exemplaren uitzoeken en verwijderen om zooveel meer koopers te lokken voor hun oogenschijnlijk gezonde waar!Hiervóór merkte ik reeds op dat de voorstanders van bordeelen en reglementeering uitgaan van de veronderstellingdat prostitutie is eennoodzakelijk kwaaden dat de reglementeering dient om de schadelijke gevolgen er van zooveel mogelijk te beperken. Maar om de noodzakelijkheid van dit kwaad te kunnen vaststellen heeft men aangenomen, dat aan de physische behoeften van den man te allen tijde moet kunnen worden voldaan en dat daarvoor de prostitutie noodzakelijk is. Wie voelt hier niet het onlogische der gevolgtrekking? De mensch heeft behoefte aan voedsel, honger moet gestild worden, derhalve is diefstal van voedsel noodzakelijk, is de redeneering die Mrs. Annie Besant in haar werkje “The legislation of female slavery in England” er naast stelde.Alsof de mannen geen menschen zijn, begaafd met vrijen wil en rede. Alsof zij aan de zucht tot paren geen weerstand kunnen bieden, wanneer zij weten dat zij, door toe te geven aan die zucht, zichzelf of anderen benadeelen. Zou de gezonde mensch dan gedwongen zijn te handelen tegen zijn belangen in? Zou er een fatum op hem rusten?Niemand kan deze vragen bevestigend beantwoorden dan de aanhangers van de fataliteitsleer, geldende ook voor den normalen mensch.Wij kunnen wel behoeften doen ontwaken door onzen zonen te leeren dat zij mogen toegeven aan opkomende neigingen; door hun in te prenten dat het onderdrukken van de geslachtsdrift noodlottig voor hen is; door hen op allerlei wijzen geringschatting voor vrouwen in te boezemen en als wij dan zoodoende slappe, krachtelooze, ontzenuwde, zieke mannen hebben gevormd, dan zal het hun zeer zeker moeielijk vallen weerstand te biedenaan ziekelijk verhoogde prikkelbaarheid, dan zal er bij hen geen sprake meer zijn van wilskracht, zedelijke grootheid zal dezulken een glimlach ontlokken en de eisch der vrouw om haar rechten te eerbiedigen zullen zij aanmerken als een ongepaste aanmatiging.Liefde tot koopwaar verlagen, deze vorm van prostitutie behoeft niet te bestaan. De mensch heeft behalve zijn neiging tot voortplanting ook zijn rede, zijn verstand te zijner beschikking. Indien wij onzen zonen leeren, evenals wij dit immers onzen dochters doen, dat men zijn geslachtsdrift kan beheerschen en elk mensch zedelijk verplicht is dit te doen, wanneer er uit de voldoening nadeel ontstaat voor zich zelf of voor anderen, voorts dat mannen niet superieur zijn aan vrouwen, maar dat alleen door machtsmisbruik de mannen wettelijk en dientengevolge ook maatschappelijk die plaats hebben ingenomen en eindelijk dat vrouwen die als prostituées zijn gebrandmerkt ons medelijden, onze opbeuring verdienen en niemand haar mag misbruiken, zelfs niet wanneer zij zich door den nood gedwongen daarvoor aanbieden; wanneer dit eenige geslachten achtereen onzen zonen wordt ingeprent dan kunnen andere en betere toestanden niet uitblijven. Wij zullen dan gekweekt hebben een geslacht van mannen met gezonde neigingen, mannen die zoowel geestelijk als lichamelijk niet vóór hun tijd verwelkt zijn, terwijl hun verleden een open boek kan zijn voor hun jonge bruid. Hun kinderen zullen zij dan zonder gewetenswroeging in de armen kunnen sluiten en het zelfverwijt, de som van ellende willens en wetens vergroot te hebben, zal hen niet pijnigen.Maar de zedelijk zwakken, zal men vragen; zij die door ziekelijken aanleg, slechte omgeving of verkeerde leiding zich niet kunnen bedwingen, is het voor hen niet noodzakelijk dat de prostitutie bestaat? Is het niet goed dat zij weten, waarheen zij zich begeven kunnen, wanneer de lust tot geslachtsbevrediging opkomt en eischt niet het algemeen belang dat de gevolgen voor hen zoo min mogelijk schadelijk zijn?Alleen dus voor de zedelijk zwakken, de moreel zieken zou men een geheel leger ongelukkige vrouwen op de been moeten houden, wier leven ellendiger is dan dat van den grootsten misdadiger. Veracht door de geheele wereld, zelfs door de mannen die haar misbruiken, zijn zij zonder eenige bescherming overgeleverd aan de willekeur van de gewetenlooze individuen, die het beroep van bordeelhouder of -houdster uitoefenen. Verlaten, door iedereen vergeten, sterven zij meestal een afschuwelijken en vroegen dood. Wie voelt hier niet de bittere geringschatting voor het leven der vrouwen, de brutale aanmatiging der mannen!Voor andere zedelijke zwakheden volgt men dit systeem van beschikbaarstelling niet. Wanneer iemand in drift een moord pleegt, dan wijst de overheid immers ook geen individuen aan op welke hij bij voorkomende gelegenheden zijn drift kan botvieren.Doch aldus sussen de voorstanders van bordeelen en reglementeering hun geweten, wanneer dat af en toe gaat spreken: “het is immers de vrije keus der meisjes om opgenomen te worden in het heir der prostituées! Zij hebben immers vrijwillig hun eer en hun aansprakenop achting prijs gegeven, zij hebben uit vrije beweging zich geplaatst onder uitzonderingsbepalingen, die hen tot paria’s stempelt.”Niets is minder waar dan dat! Geen vrouw die toerekenbaar kan geacht worden voor haar daden, laat zich vrijwillig inlijven bij deze verstootelingen.Laat ik in korte trekken hier mededeelen hoe ik voor ’t eerst zulk een vrouw leerde kennen, want later bleek mij dat de meeste prostituées ongeveer dezelfde levens- of liever lijdensgeschiedenis hebben. Op mij maakte dit geval een diepen indruk, waarschijnlijk omdat het mij voor het eerst een blik deed slaan in een wereld, waarvan ik te voren het bestaan niet vermoedde.Het was gedurende mijn studietijd te Groningen, toen op zekeren dag in het academisch ziekenhuis aldaar een jonge vrouw werd opgenomen, die zeer ziek was en door haar lijdend, maar nog jong en mooi uiterlijk mijn aandacht trok. Toen haar ziekte den volgenden ochtend het onderwerp der academische les uitmaakte en ik door den hoogleeraar hoorde voorspellen dat de afloop binnen korten tijd doodelijk zoude zijn, toen rees voor mijn geest een geheel familie-drama op. Ik dacht aan een jongen treurenden echtvriend en aan wanhopende ouders die hun kind zoo vroeg moesten afstaan en niet eens haar laatste levensdagen konden bijwonen.Al zeer spoedig merkte ik op dat niemand op de ziekenzaal eenige notitie van haar nam, nooit zag ik de oppasseres (beschaafde verpleegsters had men hier toen nog niet) of een der andere zieken met haar spreken.Op de bezoekdagen, wanneer de andere patiënten hun familieleden en goede vrienden ontvingen, was het om haar krib leeg en eenzaam lag zij steeds met groote, doffe oogen voor zich uit te staren.Op zekeren dag een oogenblik vrij hebbende sprak ik haar aan. Wantrouwend werd ik ontvangen, maar toen ik mijn bezoeken aan haar bed herhaalde en zij merkte dat het deelneming met haar lot was dat mij tot haar bracht, toen werd zij vertrouwelijker en deelde mij op mijn herhaald tot haar gerichte vraag,—of zij geen familieleden of goede vrienden in de stad had—haar leven mede.Onderwijl had men mij van bevriende zijde gewaarschuwd, dat ik tot eene “publieke vrouw” sprak, eene mededeeling die geschiedde met de bedoeling om mij deze bezoeken te doen staken.Het meisje was een Amsterdamsche wees, die tot haar 19ejaar in een der weeshuizen was opgevoed. Daarna werd zij bij een ouden heer en dame als dienstbode geplaatst. Zij bezat geen andere familieleden dan één getrouwden broeder, met wiens vrouw zij niet harmonieerde en er daardoor niet veel aan huis kwam.Hoewel het leven haar in al zijn vroolijkheid toelachte, ging zij toch zeer weinig uit, omdat zij niemand had met wien zij kon gaan. Na eenige maanden gediend te hebben, ontmoette zij op een Zondagmorgen toen zij uit de kerk kwam een heer die haar reeds meermalen zijn bizondere aandacht had geschonken. Hij sprak haar aan en vroeg haar des avonds met hem naar den schouwburg te gaan. Ofschoon zij voelde te moeten weigeren,begrijpende dat zij niet goed deed met naar hem te luisteren, was de lust om dat groote gebouw eens binnen te gaan en een tooneelvoorstelling bij te wonen, waarvan zij zooveel gehoord, maar die zij nog nimmer gezien had, te groot dan dat zij kon blijven weigeren. Zij ging, kwam daardoor te laat in haar dienst terug en op haar aanhoudend schellen werd niet opengedaan.De vriendelijke heer bood onmiddellijk zijn hulp aan, daardoor de gelegenheid vindende zijn prooi in één avond te bemachtigen, waaraan hij anders waarschijnlijk eenige avonden had moeten besteden. Hij nam haar mede en toen zij den volgenden ochtend ontwaakte, wist zij dat voortaan het weeshuis, haar dienst en elk eerlijk middel om haar brood te verdienen voor haar gesloten was.Waarheen zou zij zich begeven? Zij kende niemand aan wien zij zich kon toevertrouwen of die haar de reddende hand zou reiken. Daarentegen waren in het huis waar zij overnacht had, genoeg gedienstigen die haar helpen wilden en haar vertelden dat een meisje als zij in Amsterdam niet verlegen behoefde te zijn en gemakkelijk heel veel geld kon verdienen. Zij luisterde daarnaar en verviel van kwaad tot erger, telkens hopende een reddende hand te zullen vinden, die haar van haar schandelijk leven zou verlossen en altijd bevreesd dat haar broeder of hare voogden zouden te weten komen, welk leven zij leidde.Zoodra zij in een bordeel aangeland was, bemerkte zij geen meester meer te zijn over zich zelve. Toen zij begon te sukkelen hoopte zij naar het ziekenhuis gestuurd te worden, maar zij werd eenvoudig aan een bordeelhouderin een andere stad overgedaan. Zoo ging zij gedurende zes jaren van hand tot hand, om eindelijk in Groningen aan te landen, waar zij, toen ten slotte haar lichaam alle dienst weigerde in het ziekenhuis terecht kwam. Dat zij het ziekenhuis niet eerder zou verlaten dan om grafwaarts te worden gedragen, was haar een troost.Met mijne bewering dat de meeste vrouwen op ongeveer gelijke wijze ten val worden gebracht en geen enkele uit eigen vrijen wil zich aan prostitutie overgeeft, sta ik niet alleen. Bijna allen die van de prostitutiekwestie een studie hebben gemaakt deelen die opvatting.Dr. Muller, een duitsch medicus, schrijft in zijn bekend werk,3“Men denkt er intusschen niet aan, te spreken over de oorzaken, waardoor zooveel ongelukkige wezens ten val gebracht werden, men let er niet op hoe gering hunne verantwoordelijkheid, hoe groot die der gansche maatschappij of van eenige harer snoodste leden is, en toch is dit het punt, waartegen de aanval moet gericht worden. Een doeltreffende handelwijze ten aanzien der prostitutie is slechts mogelijk, indien men daarbij nauwlettend het oog vestigt op de factoren, die haar veroorzaken en bevorderen: de bordeelhouders, koppelaarsters, enz. Spreke men over die zielverkoopers ook het strengste vonnis uit, over de door hen verleide meisjes zij het oordeel ten minste menschelijk.”De heer Koentz schrijft in zijne brochure,4“Maar even als verschillende oorzaken vaak samenwerkten ter bevordering der ondeugd, zoo ook vond het ontuchtig leven der vrouwen dikwerf zijn oorsprong, òf in de opvoeding, òf in de armoede, òf in andere oorzaken, waarvan het individu vaak de schuld niet was. Velen van haar waren jong en schoon, zonder behoorlijk toezicht en, aan zich zelven overgelaten, vervielen zij tot een ontuchtig, zwervend en eindelijk armoedig leven, dat hen drong, omdat zij elders werden afgewezen, eene vaste woning te zoeken, die alleen in de huizen der ontucht te vinden was.” En dan vraagt hij later, “Maar tracht de menschlievendheid dan niet, die ongelukkigen, welke de slachtoffers der armoede en der verleiding waren, uit dien gevallen staat op te heffen?” enJhr. Mr. de Savornin Lohman zegt:5“dat het onmogelijk is om, zoolang bordeelen worden toegelaten, te beletten, dat vrouwen òf eenvoudig opgelicht, òf door allerlei listen in bordeelen gelokt en gehouden worden, vrouwen die, bestonden de bordeelen niet, misschien nooit zich aan prostitutie zouden hebben overgegeven.” En later6: “Velen zouden er minder lichtvaardig toe overgaan een vrouw te verleiden, wanneer zij gevaarliepen eventueel voor de opvoeding van een kind te moeten zorgen. Nu daarentegen kunnen zij vrij zondigen, zonder dat zij behoeven te vreezen ooit daarover langs rechterlijken weg te worden lastig gevallen. Dat de prostitutie dientengevolge wordt bevorderd, behoeft geen betoog.”Dr. Combet, oud-officier van gezondheid in het Fransche leger, oud-lid van den Gemeenteraad van Lyon, komt ook in zijn talentvol geschreven boekje,7tot de conclusie dat het verbod tot onderzoek naar het vaderschap een voorname oorzaak is van de telkens nieuw aankomende slachtoffers in het kamp der prostitutie. En daarbij noemt hij dan nog armoede, slecht betaalde vrouwenarbeid en verleiding als andere oorzaken.Zonder verder aan te halen wat schrijvers uit verschillende landen als oorzaken opsommen, waardoor meisjes tot prostitutie vervallen, wil ik eenvoudig resumeeren dat bijna allen het er over eens zijn dat verleiding en misleiding van arme onbeschermde meisjes de voornaamste oorzaken zijn en daarna armoede en slechte omgeving.Talrijk zijn de voorbeelden in de litteratuur over dit vraagstuk van vrouwen, die door armoede gedreven, ten einde raad, zich prostitueeren.Een Hoofdcommissaris van Politie te Brussel zegt in zijn rapport over de prostitutie aldaar8: “dat hij dikwijls onder de prostituées vrouwen ontmoet, die eerst allephasen van armoede en ellende doorloopen hebben en door de onmogelijkheid om van de opbrengst van haar arbeid te leven, tot deze ondeugd vervallen.”Waar zoo de feiten spreken vraagt Ds. H. Pierson van Zetten terecht:9“wie geeft u (mannen) het recht aan uwe ontembare lusten de dochters der armen op te offeren?”Door welke beweegredenen worden dan toch deze voorstanders der instandhouding van bordeelen en reglementeering geleid, wanneer zij zoo oordeelen in strijd met alle menschelijkheid en recht? Die vraag is niet moeielijk te beantwoorden. Zij meenen veelal dat de opheffing der bordeelen de geheime of clandestine prostitutie, dat is de prostitutie die zich heimelijk onttrekt aan het toezicht der overheid, zal bevorderen, terwijl zij de bordeelen uit een gezondheidsoogpunt minder gevaarlijk achten dan de geheime prostitutie. Zij willen de reglementeering, waarvan de “keuring” hoofdbestanddeel uitmaakt, handhaven, omdat zij onderstellen dat daardoor de kans om met de smetstof der venerische ziekten in aanraking te komen, vermindert.Nog maar weinige jaren geleden waren het in hoofdzaak moralisten en juristen die, op zedelijkheids- en rechtvaardigheidsgronden tegen de reglementeering in het algemeen opkomende, ook deze meening bestreden. Langzamerhand voegde zich daarbij een steeds grooter wordend aantal doctoren, die geen geloof meer slaan aande beteekenis der reglementeering in het algemeen en der bordeelen in het bizonder, als veiligheidsmaatregel.“Dat het opheffen der bordeelen de clandestine prostitutie zal doen vermeerderen is eene banale gevolgtrekking, die de een den ander naspreekt”, zoo concludeerde Dr. Blooker als lid van de zoo even reeds door mij genoemde commissie, in zijn rapport aan den Gemeenteraad van Amsterdam.Nergens ook heb ik, bij al de voorstanders der bordeelen eenig bewijs aangetroffen, waarmede zij hunne meening in dezen konden staven. Daarentegen hebben anderen aangetoond en ik haal hier nogmaals aan van Dr. Voûte in het Amsterdamsch rapport: “dat de bordeelen niet noodig zijn, om de wilde hartstochten der jeugd een uitweg te verschaffen, maar dat zij de kweekplaatsen zijn der meest liederlijke geslachtsbevrediging voor oudere gezeten burgers en vaak getrouwde mannen.”Dr. Voûte moest uit de resultaten van zijn onderzoek verkregen, tevens de conclusie trekken dat, “in de bordeelen volkomen slavernij heerschte, dat het lot der vrouwen er hoogst treurig, ja menschonteerend bleek”, en dat deze armen “de bordeelen niet kunnen verlaten, omdat zij diep in de schulden steken, tengevolge van de ongehoorde sommen, die zij voor alles moeten betalen en het ongelooflijk karig loon, dat zij genieten.” Op voorstel van genoemde commissie besloot dan ook de gemeenteraad van Amsterdam het vorig jaar het houden van bordeelen te verbieden.Laat mij thans, om de waarde der keuring te bepalen,twee geneesheeren uit Rotterdam citeeren, de doctoren Broes van Dort en Rietema die, ofschoon principieel voorstanders der keuring, niettemin naar aanleiding van een in 1897 door Dr. van Staveren ingediend voorstel bij den Rotterdamschen gemeenteraad, tot verbod van het houden van bordeelen, het volgende als hunne overtuiging hebben uitgesproken: “dat het geneeskundig toezicht op de prostitutie alleen nut kan en zal afwerpen, wanneer daarbij aan de strengste eischen der wetenschap wordt voldaan en op de diagnose der ziekte onmiddellijk kan volgen een opneming in een ziekeninrichting met behandeling zoo langdurig als die toestand van ieder geval vereischt.”Met deze heeren meen ook ik dat eene reglementeering der prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt, alleen nut kan hebben, als zij aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt, doch tevens ben ik van oordeel dat nergens een reglementeering is door te voeren die aan die eischen voldoet en dat men met een gebrekkig geneeskundig toezicht, zooals het overal bestaat, waar men met deze oude sleur nog niet heeft durven breken, een vertrouwen schept dat misplaatst is en daardoor juist bevordert wat men met dit toezicht wil voorkomen.Prof. Chanfleury vanIJsselstein, een autoriteit op dit gebied, die niet alleen een tijdlang in den Haag controleur van de keuring der publieke vrouwen was, maar later als professor in huidziekten aan de Universiteit van Amsterdam voortdurend in aanraking was met de slachtoffers der prostitutie stelt ook eischen aan eene goede keuring, die onmogelijk zijn door te voeren. Hij eischtbijv. dat de vrouwen minstens eens per dag gekeurd moeten worden en dat niet alleen de zieken, maar ook die van ziekte verdacht worden, afgezonderd moeten worden. Er zou dus eigenlijk geen enkele overblijven. Hij komt zelf tot de conclusie “dat een volkomen vertrouwde publieke prostitutie onbestaanbaar is.”10Men mag trouwens over eengoedekeuring denken zoo men wil, in ’t algemeen zijn zij, die met deze zaak van nabij bekend zijn het er vrij wel over eens, dat de keuring, zooals die hier te lande wordt uitgeoefend in de gemeenten waar zij nog wordt gehandhaafd, niet meer dan eene schijnvertooning is, die, mag zij al eenige sterk sprekende exemplaren uit den strijd verwijderen, voor ’t overige meer nadeel dan voordeel berokkent ook voor degenen in wier voordeel zij heet te geschieden.Deze uitspraak eischt misschien eenige toelichting. Velen zullen waarschijnlijk meenen, dat dan toch die erge zieken een tijdlang worden afgezonderd en ten minste in dien tijd geene besmetting kunnen overbrengen. Dit is waar, maar de vele anderen die óók ziek zijn en die niet worden afgezonderd, omdat zij de verschijnselen hunner ziekte hebben weten te verbergen, òf waarvan de doctoren, met het onderzoek belast, de ziekte niet konden ontdekken en constateeren, òf die onmiddellijk na het onderzoek door een zieken man besmet worden, òf, maar laat mij deze reeks niet verder uitbreiden, er zijn nog heel wat andere redenen, waarom de prostituéesuit een gezondheidsoogpunt gevaar opleveren voor elkeen die met haar in aanraking komt, zonder dat zij door den keurenden dokter gelast worden zich af te zonderen.Mannen, die vertrouwen dat de bestaande keuring hen vrijwaart voor besmetting, gaan er gemakkelijker toe over bordeelen te bezoeken. Bestond de keuring niet, velen zouden uit vrees voor besmetting zich wel ter dege bedenken, eer zij tot dien stap besloten. Daarom maakt de overheid, die zulke verordeningen vaststelt zich zoo schuldig, want zij verwekt daarmede bij de burgers een misplaatst vertrouwen en biedt hun een waarborg aan, dien zij niet kan geven. Bovendien verleenen zulke verordeningen aan dit maatschappelijk kwaad eene wettelijke sanctie, die het in menig oog verheft tot een onmisbare instelling.Ik zal niet dieper in de zuiver hygiënische zijde van dit vraagstuk treden, maar liever nog een oogenblik stilstaan bij de vraag, wat kunnen de vrouwen in dezen doen om verbetering aan te brengen?In de eerste plaats is daarvoor noodig, dat wij ons ontworstelen aan het van jongs af ingeprente denkbeeld, dat prostituées menschen zijn die men niet anders dan met diepe verachting moet bejegenen; dat zij niet zijn als wij; dat liefde, genegenheid, smart, ellende voor hen vreemde gewaarwordingen zouden zijn; dat wij hen eigenlijk als onze grootste vijandinnen hebben te beschouwen. Zij zouden onze zonen verleiden, hun hartstochten prikkelen, hun gezondheid vernietigen, elk edel, groot, heilig gevoel in hen dooden, jeugdig verwelkte mannen van hen maken. Zij zouden ons geluk verwoesten dooronze echtgenooten van onze zijde weg te rukken, ons hunne liefde ontrooven.Wij moeten beginnen met deze wanbegrippen over boord te gooien en die misdeelden te beschouwen als de slachtoffers van maatschappelijke misstanden en van onze eigen tekortkomingen.Als wij onzen plicht te allen tijde gevoeld en daarnaar gehandeld hadden, zouden wij reeds lang een andere phase der maatschappelijke ontwikkeling zijn ingetreden.Wij veroordeelen immers nog steeds het verleide meisje en beschouwen haar als te slecht om zelfs onze dienstmaagd te zijn, terwijl de jonge man, die haar misbruikte er even vriendelijk door ons om ontvangen wordt en wij geen bezwaar hebben hem in onze familie op te nemen. Zelfs de gehuwde man waarvan wij weten dat hij zich in dit opzicht schuldig maakt aan ergerlijke feiten wordt door ons verontschuldigd; wij verheerlijken hem zelfs, indien hij daarop wegens andere eigenschappen aanspraak maakt, bij zijn leven en na zijn dood. Vergevensgezind treden wij op voor den man, die door wetten en instellingen allerzijds gesteund wordt, daarentegen onthalen wij op haat en verachting het zwakke meisje dat door machtsmisbruik viel en wie door valsche begrippen van zedelijkheid geen uitweg geboden wordt.Wie kent niet het schoone gedicht van Victor Hugo, gewijd aan het gevallen meisje? Het beeld door hem geschetst vinde hier een plaats. Het jonge onschuldige meisje vergelijkt hij bij een helderen dauwdrop op een rozeblad. Een wreede hand rukt ruw aan den stengel enhet dauwdropje valt op den grond. Nog ligt het daar vreemd aan zijne omgeving, onvermengd met het slijk om zich heen. Een zonnestraal kan het nog doen schitteren, een voorzichtige hand kan het nog redden van zijn ondergang. Het arme gevallen dauwdropje echter kan zich alléén niet oprichten, het heeft daarvoor hulp noodig. Maar menschen komen en gaan en trappen onbewust het dauwdropje dieper in den grond en maken het tot slijk.Zoo ook gaat het in de samenleving. “Het is niet zoozeer de schuld van de verworpenen dat zij verworpen zijn, de zedelijke maatschappij is het die daaraan het grootste aandeel heeft,” zijn maar al te ware woorden van James Stansfeld, in het Engelsche parlement gesproken.Het is in onze macht het opkomend geslacht beter begrippen dan de tot nu toe gehuldigde in te boezemen; daartoe hebben wij reeds vroeg met onze kinderen te spreken over de mysterien van hun bestaan, opdat zij een gezonde, ware voorstelling krijgen van het geslachtsleven en opdat zij leeren in hun moeder de aangewezen en vertrouwde vriendin te zien, die hun al het raadselachtige oplost, waarmede zij hun hoofden kwellen, vooral in den tijd der puberteitsjaren, den overgang naar geslachtsrijpheid. Daardoor voorkomen wij dat verkeerde vrienden die teêre taak van ons overnemen en de hoofden en harten van onze lievelingen vullen met onreine voorstellingen eener meestal overprikkelde phantasie; daardoor ook zijn wij in staat iederen verkeerden invloed, iedere slechte neiging tijdig tegen te gaan en onzekinderen behulpzaam te zijn hun zwakheden te overwinnen.Onzen zonen hebben wij in te prenten dat hun zusters hun gelijkwaardigen, in zelfverloochening en karaktergrootheid dikwerf hun meerderen zijn; dat zij op geen enkele vrouw minachtend mogen neerzien; dat de arme verworpelingen die zij des avonds in de straten ontmoeten, eens meisjes waren als hun zusters; dat zij, die thans ziekte en verderf om zich heen verspreiden, onder beter maatschappelijke toestanden een goede echtgenoote en gelukkige moeder hadden kunnen zijn. Wij moeten hun er op wijzen, dat, zoo zij hopen eenmaal het middenpunt van een gelukkig gezin te worden, zij dan even rein moeten blijven als de bruid die zij als levensgezellin wenschen. Wij dienen hun te waarschuwen dat een enkel zwak oogenblik in het geslachtsleven over hun toekomst kan beslissen, dat hun gezondheid, hun gemoedsrust, hun zelfwaardeering daardoor verwoest kunnen worden en zij daarover dan levenslang berouw zullen gevoelen.Van onze dochters moeten wij krachtige, zelfstandige personen vormen, bekwaam om in eigen onderhoud te voorzien; laten wij haar tegen den strijd des levens wapenen met kennis en fierheid, opdat zij nimmer liefde veinzen als het hart niet spreekt; laten wij haar verachting inboezemen voor den man die zijn macht misbruikte tegenover haar zusters, opdat zij nimmer in verzoeking komen de medeplichtigen te worden van zulk een ellendeling.Maar meer nog valt er voor ons te doen. Al demannen die openlijk tegen de prostitutie te velde trekken, ook de meest conservatieven onder hen zien in haar bestaan mede het gevolg van de wettelijke geringschatting der vrouw. Het strijden voor gelijke rechten naast gelijke plichten voor man en vrouw in de wetgeving, zal dus mede voor ons een onafwijsbare taak zijn. En waar wij zagen dat armoede en gebrek vele vrouwen in de armen der prostitutie voert, ligt het op onzen weg tegen elken maatregel die vrouwenarbeid bemoeilijkt of buitensluit met nadruk te protesteeren en tegen het lager bezoldigen van arbeid, omdat hij door vrouwen verricht wordt, krachtig onze stem te verheffen.Dat wij niet mogen rusten voor en aleer het schandelijk art. 342 Burg. Wetboek, waarbij het onderzoek naar het vaderschap verboden wordt, is opgeheven, behoeft na hetgeen voorafgaat, niet opzettelijk te worden betoogd.Maar wel ten slotte nog een woord geuit tot opwekking van sympathie voor het meisje uit de volksklasse, het kind der armen. Vereenigd moeten wij over haar waken, teneinde op ons niet toepasselijk worden de woorden van een zooeven reeds geciteerden schrijver “dat het meisje uit de volksklasse naar de gangbare begrippen omtrent zedelijkheid, de treurige onderscheiding in dezen te beurt valt van op minachting en veroordeeling te mogen rekenen der vrouwenwereld, in plaats van op medelijden en pogingen tot redding.”Wij vrouwen moeten het ons tot plicht stellen vereenigd er voor te waken dat de politie nimmer beslag op haar kan leggen, want daardoor kan voorkomenworden dat alle eergevoel in haar gedood wordt.De hier te lande bestaande en te Rotterdam gevestigde vereeniging: “Onderlinge Vrouwenbescherming” is in deze richting werkzaam en verdient daarvoor aller sympathie en steun.1De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman. Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. Bladz. 11.2De Prostitutiekwestie door Dr. A. P. Fokker, Hoogleeraar in de Hygiène te Groningen, 1879.3De Prostitutie. Eene Sociaal-Geneeskundige Studie. Uit het Hoogduitsch, van Dr. F. W. Muller. 1870. bldz. 5.4De Openbare en Geheime Prostitutie in Nederland, door G. M. Koentz. Commissaris spec. van Rijkspolitie. 1863. bldz. 20.5De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman, Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. bldz. 12.6Bldz. 27.7De la Prostitution. Les Causes—Les Remèdes. Lyon 1884.8Règlement sur la Prostitution. Bruxelles 1877. bldz. 29.9Tweeërlei Zedewet? Eene waarschuwing tegen ons aanstaand Nationaal Congres, Besproken door H. Pierson. 1889. bldz. 10.10Het toezicht op de prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt beschouwd, door Prof. J. L. Chanfleury van IJsselstein. 1889. bldz. 10.

II.Wettelijke Regeling der Prostitutie.In een tijd waarin de vrouwenbeweging en de daarmede gepaard gaande bespreking der vrouwenbelangen ieders aandacht vraagt, dient ook het prostitutie-vraagstuk door de vrouwen onderzocht en zoo mogelijk tot oplossing gebracht te worden. Veel te lang werd het aan de orde stellen van dit hoogst belangrijk maatschappelijk vraagstuk door de vrouwen opzettelijk vermeden, dewijl zij, door valsche schaamte geleid, van oordeel waren dat al wat op prostitutie betrekking heeft, niet door de vrouw mag worden gekend, noch door haar mag worden besproken.Ik stem toe dat kennismaking met elk onderdeel der kwestie ons steeds voor oogen voert ziekelijke uitwassen van de menschelijke natuur, oorzaken van heimelijke slooping des lichaams, wanverhoudingen in de samenleving, die ons met weerzin, met afgrijzen, met verachting, met medelijden vervullen, al naar wij zelven zedelijk zijn aangelegd.Doch hoe dieper men in dit vraagstuk doordringt,des te meer wordt men er van overtuigd dat de prostitutie het wel en wee van velen onzer beheerscht; dat zij onze gezondheid en die onzer kinderen ondermijnt; dat zij velen onzer zusters wegrukt uit de maatschappelijke sfeer en hen doemt tot een leven vol verachting en ellende.Als men dan nog bedenkt dat die vrouwenschaar die opgeofferd wordt aan dit zoogenaamd noodzakelijk kwaad, grootendeels voortkomt uit de volksklasse; dat gebrek, onkunde, ruwe zeden, ziekelijke ontaarding, verleiding die vrouwen meestal voert in dezen poel van ellende, dan meen ik dat er redenen te over zijn om alle valsche schaamte ter zijde te stellen, den sluier weg te rukken die het prostitutie-vraagstuk omhult en met helderen blik en rustig oordeel dit kwaad in zijn veelzijdig optreden te onderzoeken. Men heeft zich daartoe rekenschap te geven van hetgeen om ons heen geschiedt; het bestaan van het kwaad maakt de bespreking noodzakelijk.Hoe zal men zijn zonen kunnen behoeden voor een zedelijken val, wanneer men de wegen niet kent die hen voeren tot den afgrond; hoe kan men zijne kinderen zedelijke grootheid inprenten, zoolang men den moed mist de laagheid die hen omgeeft te peilen; hoe wil men hun deernis inboezemen met die arme, vernietigde wezens, wier bestaan eene aanklacht is tegen onze gangbare zedelijkheidsbegrippen, zoolang men zelf nog onkunde en onwetendheid verwart met reinheid en kuischheid?Doch ook als men zich zelf een grooter, een hoogerlevensdoel heeft gesteld, als men wenscht mede te werken aan het wegnemen van maatschappelijke misstanden, dan mag men niet langer de oogen sluiten voor dit verschrikkelijk kwaad, dan mag men niet meer het hoofd afwenden als de werkelijkheid in al haar naaktheid voor ons opdoemt, dan mag men geen dag langer berusten in de onware meening, dat prostitutieonuitroeibaaren haar bestaannoodzakelijkzou zijn.Wat is prostitutie of wat verstaat men daaronder? Ik zie geen kans deze vraag te beantwoorden; ook bij geen der vele schrijvers die ik raadpleegde vond ik een bevredigende definitie. De meeningen er over loopen inderdaad zeer uiteen. Velen, en hieronder vooral kerkelijk geloovigen, noemen prostitutie elke buitenechtelijke geslachtsgemeenschap, terwijl anderen, waaronder ook ik mij zou willen scharen, onder prostitutie verstaan elke geslachtsgemeenschap die niet gebaseerd is op wederzijdsche liefde.Hoe ethisch juist deze definitie echter moge luiden uit een praktisch oogpunt is zij vooralsnog niet te gebruiken. Dan toch zouden wij onder prostituées moeten rangschikken tal van mannen en vrouwen wier echtvereeniging, door de wet geheiligd, op geen hooger waardeering berust dan de stoffelijke; wier samenwoning geen ander motief kan aanwijzen dan berekening; die niet door banden van liefde, doch door de koorden der geldbeurs werden verbonden.En dan ook zou men hieronder moeten rangschikken die gehuwden die eenmaal uit verklaarbare onkunde handelden en in jeugdige onbezonnenheid het jawoorduitspraken, nog vóór zij wisten of beider karakter genoegzaam overeenkwam om gezamentlijk den langen, soms moeielijken levensstrijd te voeren, en te laat bemerkten dat hun vurige hartstocht zijn oorsprong niet vond in groote wederzijdsche waardeering, maar een gevolg was van toevallige omstandigheden; die gehuwden ook, die moesten ondervinden dat hun liefde niet bestand was tegen de teleurstellingen des levens en wier samenzijn niet meer is een bron van vreugde, maar veeleer eene lijdelijke berusting in het onvermijdelijke.Voor onze maatschappij bestaat daarom behoefte aan een andere omschrijving. Zoolang deze echter niet gevonden is, hebben wij er rekening mede te houden, dat naar de meest gangbare denkbeelden van gehuwden, wanneer zij eenmaal door den burgerlijken ambtenaar vereenigd zijn, wordt aangenomen dat rozegeur en maneschijn hen omgeven, dat “zij” is “zijne” uitverkoren levensgezellin en “hij” de man “haars” harten, en dat zij dan ook op dien grond in hun kring moeten worden geëerd, onverschillig welke beweegredenen hen samenbrachten. Wettig gehuwden worden daarom dan ook nimmer onder geprostitueerden gerangschikt en dank zij de alom gehuldigde dubbele zedenleer, worden de mannen, zoodra er sprake is van prostitutie en geprostitueerden, geacht daartoe nimmer te behooren.De gemakkelijkst te onderkennen vorm van prostitutie en als zoodanig ook in onze samenleving algemeen daarvoor aangenomen, is die derbetaalde liefde, waarbij van eenige genegenheid of trouw geen sprake is, althans niet behoeft te zijn. Soms gaat zij wel gepaard met haat aan deeene en verachting aan de andere zijde. Het eischen van betaling door de vrouw voor het zich beschikbaar stellen ter bevrediging van den geslachtsdrift des mans, levert hier het criterium van zich te prostitueeren; deze vorm van prostitutie is het waarover ik speciaal wensch te spreken.Hiervóor merkte ik reeds op, dat men alleen van vrouwen spreekt als van prostituées; onze tweeërlei zedenleer betitelt de mannen, die voor de liefde betalen, met dien naam niet. Toch zal het geen betoog behoeven dat deze mannen, wat hun zedelijk gehalte aangaat, niet boven het peil der prostituées staan, ja menigwerf nog ver daar beneden blijven.De hierbedoelde vorm van prostitutie vertoont zich in de maatschappij onder talrijke schakeeringen, die evenwel in hoofdzaak tot twee rubrieken teruggebracht kunnen worden en hoewel beide rubrieken soms ongemerkt in elkaar overgaan, leveren zij toch nog genoegzame teekenen van verschil op, om ieder afzonderlijk besproken te worden.Zij zijn de zoogenaamdevrije prostitutie, als zelfstandig bedrijf uitgeoefend door een of meer te zamen wonende vrouwen, en degedwongen prostitutie, uitgeoefend door vrouwen in dienst van anderen, die daarvan hun bedrijf maken.De eerstgenoemden oefenen haar bedrijf uit op eigen risico en stellen zich niet voor iederen man en te allen tijde beschikbaar. Daaronder zijn er wederom die alleen haar bekende personen ontvangen, welke zich voor korter of langer tijd aan haar verbinden. Zijn deze laatstendaardoor, volgens sommigen, voor de algemeene gezondheid minder te vreezen, voor het karakterbederf der mannen waarmede zij in aanraking komen, leveren zij minstens evenveel gevaar op als de slachtoffers der gedwongen prostitutie.Vroeger vormden deze vrouwen in de meeste plaatsen een op zich zelf staande kaste, die zich in kleeding, voorkomen en manieren onderscheidden van anderen; tegenwoordig is dit overal anders geworden. Zij vereenzelvigen zich thans met alle standen en nemen de manieren, kleeding, schijn van beschaving over van den kring, waarin zij zich gewoonlijk bewegen. De burgerlijke prostituée komt in evenzoovele schakeeringen voor als de burgerstand zelve aanbiedt en de nabootsing van het aristocratisch element is er evengoed vertegenwoordigd, als de typen uit de onderste en alleronderste lagen der maatschappij. Ook de zedelijkheidsladder heeft er hare verschillende treden. Vindt men op de bovenste sport slechts onvoorzichtigheid, onnadenkendheid, lichtzinnigheid, op de onderste kan men de meest ontaarde zedeloosheid waarnemen.Ongemerkt langzaam gaan beide in elkaar over, ja meestal doorloopt dezelfde persoon van boven af al de treden, steeds dieper dalende.Ik zal voor mijn opstel deze zoogenaamde vrije prostitutie verder laten rusten, na er alleen nog van gezegd te hebben dat ik opzettelijk spreek van “zoogenaamde” vrije prostitutie, dewijl de slachtoffers niet tot het behalen van voordeel door anderen voor het bedrijf worden geëxploiteerd, maar niettemin door opvoeding, onkunde, eenbuitenechtelijk geboren kind, armoede of maatschappelijke uitstooting aan hun vernederende levenswijze gebonden zijn.Wat ik wil behandelen past in hoofdzaak alleen op de andere, hierboven reeds aangeduide nuance,de gedwongen prostitutie, die zoowel voorkomt in gemeenten waar de overheid het bestaan der prostitutie erkent en reglementeert, als waar dit niet geschiedt. Waar de overheid zich niet inlaat met eene regeling komt de gedwongen prostitutie weinig voor; daarentegen vertoont zij zich veel waar de overheid zich er wel mede inlaat, omdat doel der regeling is toezicht te houden op de gezondheid der prostituées en voor dat toezicht wenschelijk is, zooveel mogelijk concentratie dezer vrouwen in de woningen waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Het is juist in die woningen dat degedwongenprostitutie in den gruwzaamsten vorm welig tiert. Zoo werkt de wettelijke regeling der prostitutie toestanden in de hand, waarvan het bestaan door de meesten onzer te nauwernood wordt vermoed.Bij den hierbedoelden vorm van prostitutie zijn meestal meerdere vrouwen vereenigd in daarvoor bekende huizen, publieke huizen of bordeelen genaamd, en elke man die binnentreedt en zijn zoenoffer in den vorm van een grooter of kleiner geldstuk brengt, moeten zij ter wille zijn. Hier is geen sprake meer van vrije keus bij de vrouwen, geen kwestie meer van onwil, zij staan in dienst van een meester of meesteres aan wiens of wier bevelen zij verplicht zijn te gehoorzamen, terwijl het geld dat zij daarmede verdienen en de geschenken die zij af en toe ontvangen, meestal het eigendom worden van den patroon.In deze huizen treedt nog de slavernij in haar afschuwelijksten vorm op. In alle beschaafde landen is de slavernij, voorzoover zij het gekleurd ras betreft, afgeschaft, maar deze verlagende en onteerende vrouwenslavernij laat men nog toe.Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt daarvan: “dat deze slavernij, die omdat zij in schijn plaats heeft met goedvinden der vrouw, niet begrepen kan worden, maar in werkelijkheid erger is, dan de bij art. 2 van het Burgerl. Wetb. verboden slavernij.”1Door allerlei listen en lagen worden arme, onbeschermde meisjes dikwijls gelokt in deze huizen, die zij dan niet of met de grootste moeite weder kunnen verlaten. Het onderzoek van de laatste jaren heeft zelfs aan ’t licht gebracht, dat er door verschillende houders dier huizen en de zoogenaamde koppelaars een geregelde internationale handel in meisjes gedreven wordt. Men herinnert zich ongetwijfeld nog de ontzettende paniek die ruim een tiental jaren geleden veroorzaakt werd door de onthullingen in de Pall Mall Gazette van eene enquête naar de uitgebreidheid van dezen handel in meisjes.Die enquête werd ingesteld naar aanleiding van de ontvluchting van een jong meisje uit een Londensch bordeel naar het hoofdkwartier van het Leger des Heils. Het onderzoek hierdoor aanhangig gemaakt, bracht feiten aan het licht van eene geregelde oplichtingen handel in jonge meisjes, zóó gruwelijk, zóó barbaarsch, dat men zich niet kan voorstellen dat in een beschaafd land nog dergelijke feiten mogelijk zijn. Wel hebben verschillende Regeeringen en ook de onze na dien tijd maatregelen genomen om dezen handel zooveel mogelijk tegen te gaan, doch wat ons van tijd tot tijd ter oore komt doet ernstig twijfel rijzen aan de doeltreffendheid of ernstige toepassing dier maatregelen. Toen nog kort geleden te Amsterdam door een raadscommissie een onderzoek werd ingesteld naar den aard en omvang der aldaar bestaande prostitutie, in verband met een aanhangig voorstel om het houden van bordeelen te verbieden, rapporteerde Dr. Voûte, een der leden dier commissie, dat “het grootst aantal vrouwen (in die bordeelen) waren Fransche en Belgische en een enkele Duitsche; Hollandsche bijna niet.” En dan voegt hij er aan toe, “Engelsche en Duitsche zijn moeielijk te krijgen, tengevolge van maatregelen door de resp. Regeeringen genomen. Hollandsche zijn weinig in trek.” Hoe cynisch klinken zulke rapporten.Doch deze arme, blanke slavinnen die als vee worden aangekocht, dikwijls herhaalde malen in handen van andere meesters overgaande en als uitschot der natie gebrandmerkt, zij zijn onwetend en onwillens haar eigen wrekers, die met woeker terugbetalen de hun aangedane vernedering, door verderf en ziekte ruimschoots uit te deelen aan degenen te wier behoeve zij geacht worden te bestaan. Bleven die ziekten, die uitsluitend een gevolg zijn van prostitutie, slechts beperkt tot hen die onmiddellijk met haar in aanrakingkomen, dan zou men er in kunnen berusten dat een gerechte straf aan een zedelijken misstap verbonden is.Maar ongelukkig brengen zij ook de gezondheid en het leven in gevaar van vrouwen en kinderen, die in elk opzicht onschuldig zijn aan het gepleegde kwaad. Vrouwen, wier geheele leven smetteloos rein was, worden niet zelden besmet met de giftstoffen van syphilis of andere venerische ziekten door omgang met haar losbandige echtgenooten en brengen kinderen ter wereld die óf geen levensvatbaarheid bezitten en al ras weder wegkwijnen, óf een leven moeten voortslepen, belast met de zichtbare of voelbare straf voor den misstap des vaders.Menigmaal verwondert men zich er over dat schijnbaar gezonde ouders een zwak ziekelijk kind voortbrengen, dat scrophuleus is, aan tuberculose sterft of het slachtoffer wordt van eene andere ernstige kwaal, terwijl de oorzaak ontwijfelbaar bij den vader kan gevonden worden.Hoe dikwijls ook roepen sterke, gezonde meisjes kort na hun huwelijk de hulp van een geneeskundige in, omdat zij gaan kwijnen en niet gissen welk gevaarlijke woekerplant hun gestel ondermijnt.Onder venerische ziekten verstaat men die ziekten die men door omgang met prostituées kan verkrijgen, daarvan is echter de syphilis de afschuwelijkste, de gevaarlijkste. Zij sloopt niet alleen het gestel van den aangetaste, maar zij is bovendien in hooge mate besmettelijk en overerfelijk, zoodat ook kinderen en zelfs kindskinderen er de gevolgen van ondervinden. Vele andere ziekten vinden in deze haar oorsprong. Konden wij de syphilis in haar geheel uitroeien, veleandere ziekten zouden met haar van de aarde verdwijnen.Is het dan niet de plicht van den Staat om met alle hem ten dienste staande middelen zoo krachtig mogelijk op te treden, ten einde deze ziekte met wortel en tak uit te roeien? Hij treedt immers ook tusschenbeide wanneer het geldt de bestrijding van andere besmettelijke ziekten.Wettelijke voorschriften verplichten ons tot het afzonderen van lijders aan roodvonk, diphteritis of andere infectieziekten, wij worden verplicht de kinderen ter voorkoming van pokken te laten inenten wanneer zij openbare scholen zullen bezoeken, tegen de verspreiding van cholera worden van overheidswege maatregelen genomen en toch, waar het geldt een zoo gevaarlijke ziekte als syphilis, daar houdt de Regeering zich onzijdig en laat toe, dat ieder gemeentebestuur in eigen kring deze zaak naar goeddunken al of niet regelt. Waaraan moet deze onthouding toegeschreven worden?Op gezag van bekwame juristen, zou men de verklaring moeten zoeken in het feit, dat de Rijks-wetgever niet in staat is om, zonder ernstig inbreuk te maken op de persoonlijke vrijheid van den staatsburger, een wet uit te vaardigen, die paal en perk stelt aan de verbreiding der syphilis en andere venerische ziekten. Ik meen echter dat ook met Rijkswetten de verbreiding dezer ziekten niet zou worden tegengegaan. Daarvoor zijn zij te nauw verbonden met de prostitutie en zoolang deze wordt beschouwd als eennoodzakelijkkwaad, zoolang men nog slechts spreekt van middelen om de prostitutie te beperken in plaats van haar uit te roeien, zoolang zalde maatschappij wel opgescheept blijven met de gevolgen die zij na zich sleept.Eenige gemeentebesturen van ons vaderland hebben gebruik gemaakt van de hun verleende vrijheid om voor hun gemeente een reglementeering der prostitutie in te voeren; een reglementeering die in hoofdzaak neerkomt op een geneeskundig toezicht op de prostituées en daarin bestaat, dat deze zich op bepaald daarvoor aangewezen dagen aan een medisch onderzoek moeten onderwerpen om te zien of zij lijdende zijn aan een of andere besmettelijke ziekte. Bijaldien zij ziek bevonden worden volgt eene ongeschikt verklaring om haar bedrijf uit te oefenen, tot tijd en wijle zij weder hersteld zijn.De oningewijden noemen dit waarschijnlijk een wijze voorzorg en een praktische oplossing van het moeielijk vraagstuk. Zij zullen echter wel beseffen dat aan eene dusdanige reglementeering een keerzijde verbonden moet zijn, wanneer zij vernemen dat vele gemeenten, waaronder ook Amsterdam, zulk een reglementeering nimmer hebben willen invoeren of haar na korter of langer tijd hebben opgeheven.De tweede stad des Rijks, Rotterdam, valt met eenige andere groote gemeenten de twijfelachtige eer te beurt, de reglementeering met toelating van bordeelen nog steeds te handhaven. Met toelating van bordeelen, schrijf ik, want ook over het toelaten of opheffen van die broeinesten van ongerechtigheid beslissen de gemeentebesturen.Gelukkig verheffen zich in alle landen stemmen tegen de Regeering dat zij het bestaan van bordeelenerkent en toelaat en de reglementeering niet verbiedt. Het in 1877 hierover te Genève gehouden congres heeft aan deze beweging een krachtigen stoot gegeven. Sedert hebben zich overal bekwame juristen, moralisten, politici en medici geroepen geacht als bestrijders van reglementeering en bordeelen openlijk op te treden.Het zoude mij te ver voeren wanneer ik al de bezwaren opsomde die deze strijders voor zedelijkheid en recht in ’t midden gebracht hebben om de onhoudbaarheid aan te toonen van den huidigen toestand.Vele vrouwen hebben waarschijnlijk nimmer de verordeningen gelezen, vastgesteld in steden waar een reglementeering der prostitutie bestaat, en weten daardoor niet dat in zoo’n gemeente iedere vrouw, zonder uitzondering aan de bepalingen in die verordening is onderworpen, zoodat eene vrouw, welke ook, die door een politieagentverdachtwordt een prostituée te zijn, verplicht kan worden zich als prostituée te laten inschrijven en aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Namen de vrouwen van zulke gemeenten kennis van het reglement op de prostitutie, zij zouden als een aaneengesloten phalanx met verontwaardiging zich wenden tot het bestuur hunner gemeente met de vraag: “Met welk recht maakt gij zoo schandelijk inbreuk op onze vrijheid. Wie riep u om op te treden als handlanger der bordeelhouders en koppelaars; wie droeg u de taak op, om ten behoeve van mannen, die zich vrijwillig aan de prostitutie overgeven, gezonde vrouwen beschikbaar te houden?”Als het de overheid waarlijk ernst was om de besmettingmet venerische ziekten tegen te gaan, dan zou zij in de eerste plaats de gehuwde vrouw en het kind beschermen, die geheel onschuldig de slachtoffers worden van deze ziekten. Nimmer verplicht zij evenwel den man, zelfs niet den meest bekenden losbol, zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Al is hij nog zoo ziek, hij heeft het recht de gezond bevonden prostituée te besmetten, ja men laat hem kalm een onschuldig meisje huwen en haar evenals haar kinderen deelgenoot worden van zijn kwalen.Prof. Fokker uit Groningen, Hoogleeraar in de gezondheidsleer, vergeleek de reglementeering eens bij groenvrouwen die ook uit hare manden met appelen de rotte verwijderen, opdat deze de anderen niet kunnen aansteken,2en deze vergelijking is later door vele voorstanders der reglementeering overgenomen. Hoe grenzenloos grof klinkt ons zulk een vergelijking in de ooren! En tot welk een vernederende gevolgtrekking strekt zij voor de gemeentebesturen, die zich schuldig maken aan het instellen en handhaven van zulke verordeningen. De prostituées zijn de koopwaar, in dit geval vergeleken bij de appelen, de gemeentebesturen zijn de koopvrouwen die de zieke exemplaren uitzoeken en verwijderen om zooveel meer koopers te lokken voor hun oogenschijnlijk gezonde waar!Hiervóór merkte ik reeds op dat de voorstanders van bordeelen en reglementeering uitgaan van de veronderstellingdat prostitutie is eennoodzakelijk kwaaden dat de reglementeering dient om de schadelijke gevolgen er van zooveel mogelijk te beperken. Maar om de noodzakelijkheid van dit kwaad te kunnen vaststellen heeft men aangenomen, dat aan de physische behoeften van den man te allen tijde moet kunnen worden voldaan en dat daarvoor de prostitutie noodzakelijk is. Wie voelt hier niet het onlogische der gevolgtrekking? De mensch heeft behoefte aan voedsel, honger moet gestild worden, derhalve is diefstal van voedsel noodzakelijk, is de redeneering die Mrs. Annie Besant in haar werkje “The legislation of female slavery in England” er naast stelde.Alsof de mannen geen menschen zijn, begaafd met vrijen wil en rede. Alsof zij aan de zucht tot paren geen weerstand kunnen bieden, wanneer zij weten dat zij, door toe te geven aan die zucht, zichzelf of anderen benadeelen. Zou de gezonde mensch dan gedwongen zijn te handelen tegen zijn belangen in? Zou er een fatum op hem rusten?Niemand kan deze vragen bevestigend beantwoorden dan de aanhangers van de fataliteitsleer, geldende ook voor den normalen mensch.Wij kunnen wel behoeften doen ontwaken door onzen zonen te leeren dat zij mogen toegeven aan opkomende neigingen; door hun in te prenten dat het onderdrukken van de geslachtsdrift noodlottig voor hen is; door hen op allerlei wijzen geringschatting voor vrouwen in te boezemen en als wij dan zoodoende slappe, krachtelooze, ontzenuwde, zieke mannen hebben gevormd, dan zal het hun zeer zeker moeielijk vallen weerstand te biedenaan ziekelijk verhoogde prikkelbaarheid, dan zal er bij hen geen sprake meer zijn van wilskracht, zedelijke grootheid zal dezulken een glimlach ontlokken en de eisch der vrouw om haar rechten te eerbiedigen zullen zij aanmerken als een ongepaste aanmatiging.Liefde tot koopwaar verlagen, deze vorm van prostitutie behoeft niet te bestaan. De mensch heeft behalve zijn neiging tot voortplanting ook zijn rede, zijn verstand te zijner beschikking. Indien wij onzen zonen leeren, evenals wij dit immers onzen dochters doen, dat men zijn geslachtsdrift kan beheerschen en elk mensch zedelijk verplicht is dit te doen, wanneer er uit de voldoening nadeel ontstaat voor zich zelf of voor anderen, voorts dat mannen niet superieur zijn aan vrouwen, maar dat alleen door machtsmisbruik de mannen wettelijk en dientengevolge ook maatschappelijk die plaats hebben ingenomen en eindelijk dat vrouwen die als prostituées zijn gebrandmerkt ons medelijden, onze opbeuring verdienen en niemand haar mag misbruiken, zelfs niet wanneer zij zich door den nood gedwongen daarvoor aanbieden; wanneer dit eenige geslachten achtereen onzen zonen wordt ingeprent dan kunnen andere en betere toestanden niet uitblijven. Wij zullen dan gekweekt hebben een geslacht van mannen met gezonde neigingen, mannen die zoowel geestelijk als lichamelijk niet vóór hun tijd verwelkt zijn, terwijl hun verleden een open boek kan zijn voor hun jonge bruid. Hun kinderen zullen zij dan zonder gewetenswroeging in de armen kunnen sluiten en het zelfverwijt, de som van ellende willens en wetens vergroot te hebben, zal hen niet pijnigen.Maar de zedelijk zwakken, zal men vragen; zij die door ziekelijken aanleg, slechte omgeving of verkeerde leiding zich niet kunnen bedwingen, is het voor hen niet noodzakelijk dat de prostitutie bestaat? Is het niet goed dat zij weten, waarheen zij zich begeven kunnen, wanneer de lust tot geslachtsbevrediging opkomt en eischt niet het algemeen belang dat de gevolgen voor hen zoo min mogelijk schadelijk zijn?Alleen dus voor de zedelijk zwakken, de moreel zieken zou men een geheel leger ongelukkige vrouwen op de been moeten houden, wier leven ellendiger is dan dat van den grootsten misdadiger. Veracht door de geheele wereld, zelfs door de mannen die haar misbruiken, zijn zij zonder eenige bescherming overgeleverd aan de willekeur van de gewetenlooze individuen, die het beroep van bordeelhouder of -houdster uitoefenen. Verlaten, door iedereen vergeten, sterven zij meestal een afschuwelijken en vroegen dood. Wie voelt hier niet de bittere geringschatting voor het leven der vrouwen, de brutale aanmatiging der mannen!Voor andere zedelijke zwakheden volgt men dit systeem van beschikbaarstelling niet. Wanneer iemand in drift een moord pleegt, dan wijst de overheid immers ook geen individuen aan op welke hij bij voorkomende gelegenheden zijn drift kan botvieren.Doch aldus sussen de voorstanders van bordeelen en reglementeering hun geweten, wanneer dat af en toe gaat spreken: “het is immers de vrije keus der meisjes om opgenomen te worden in het heir der prostituées! Zij hebben immers vrijwillig hun eer en hun aansprakenop achting prijs gegeven, zij hebben uit vrije beweging zich geplaatst onder uitzonderingsbepalingen, die hen tot paria’s stempelt.”Niets is minder waar dan dat! Geen vrouw die toerekenbaar kan geacht worden voor haar daden, laat zich vrijwillig inlijven bij deze verstootelingen.Laat ik in korte trekken hier mededeelen hoe ik voor ’t eerst zulk een vrouw leerde kennen, want later bleek mij dat de meeste prostituées ongeveer dezelfde levens- of liever lijdensgeschiedenis hebben. Op mij maakte dit geval een diepen indruk, waarschijnlijk omdat het mij voor het eerst een blik deed slaan in een wereld, waarvan ik te voren het bestaan niet vermoedde.Het was gedurende mijn studietijd te Groningen, toen op zekeren dag in het academisch ziekenhuis aldaar een jonge vrouw werd opgenomen, die zeer ziek was en door haar lijdend, maar nog jong en mooi uiterlijk mijn aandacht trok. Toen haar ziekte den volgenden ochtend het onderwerp der academische les uitmaakte en ik door den hoogleeraar hoorde voorspellen dat de afloop binnen korten tijd doodelijk zoude zijn, toen rees voor mijn geest een geheel familie-drama op. Ik dacht aan een jongen treurenden echtvriend en aan wanhopende ouders die hun kind zoo vroeg moesten afstaan en niet eens haar laatste levensdagen konden bijwonen.Al zeer spoedig merkte ik op dat niemand op de ziekenzaal eenige notitie van haar nam, nooit zag ik de oppasseres (beschaafde verpleegsters had men hier toen nog niet) of een der andere zieken met haar spreken.Op de bezoekdagen, wanneer de andere patiënten hun familieleden en goede vrienden ontvingen, was het om haar krib leeg en eenzaam lag zij steeds met groote, doffe oogen voor zich uit te staren.Op zekeren dag een oogenblik vrij hebbende sprak ik haar aan. Wantrouwend werd ik ontvangen, maar toen ik mijn bezoeken aan haar bed herhaalde en zij merkte dat het deelneming met haar lot was dat mij tot haar bracht, toen werd zij vertrouwelijker en deelde mij op mijn herhaald tot haar gerichte vraag,—of zij geen familieleden of goede vrienden in de stad had—haar leven mede.Onderwijl had men mij van bevriende zijde gewaarschuwd, dat ik tot eene “publieke vrouw” sprak, eene mededeeling die geschiedde met de bedoeling om mij deze bezoeken te doen staken.Het meisje was een Amsterdamsche wees, die tot haar 19ejaar in een der weeshuizen was opgevoed. Daarna werd zij bij een ouden heer en dame als dienstbode geplaatst. Zij bezat geen andere familieleden dan één getrouwden broeder, met wiens vrouw zij niet harmonieerde en er daardoor niet veel aan huis kwam.Hoewel het leven haar in al zijn vroolijkheid toelachte, ging zij toch zeer weinig uit, omdat zij niemand had met wien zij kon gaan. Na eenige maanden gediend te hebben, ontmoette zij op een Zondagmorgen toen zij uit de kerk kwam een heer die haar reeds meermalen zijn bizondere aandacht had geschonken. Hij sprak haar aan en vroeg haar des avonds met hem naar den schouwburg te gaan. Ofschoon zij voelde te moeten weigeren,begrijpende dat zij niet goed deed met naar hem te luisteren, was de lust om dat groote gebouw eens binnen te gaan en een tooneelvoorstelling bij te wonen, waarvan zij zooveel gehoord, maar die zij nog nimmer gezien had, te groot dan dat zij kon blijven weigeren. Zij ging, kwam daardoor te laat in haar dienst terug en op haar aanhoudend schellen werd niet opengedaan.De vriendelijke heer bood onmiddellijk zijn hulp aan, daardoor de gelegenheid vindende zijn prooi in één avond te bemachtigen, waaraan hij anders waarschijnlijk eenige avonden had moeten besteden. Hij nam haar mede en toen zij den volgenden ochtend ontwaakte, wist zij dat voortaan het weeshuis, haar dienst en elk eerlijk middel om haar brood te verdienen voor haar gesloten was.Waarheen zou zij zich begeven? Zij kende niemand aan wien zij zich kon toevertrouwen of die haar de reddende hand zou reiken. Daarentegen waren in het huis waar zij overnacht had, genoeg gedienstigen die haar helpen wilden en haar vertelden dat een meisje als zij in Amsterdam niet verlegen behoefde te zijn en gemakkelijk heel veel geld kon verdienen. Zij luisterde daarnaar en verviel van kwaad tot erger, telkens hopende een reddende hand te zullen vinden, die haar van haar schandelijk leven zou verlossen en altijd bevreesd dat haar broeder of hare voogden zouden te weten komen, welk leven zij leidde.Zoodra zij in een bordeel aangeland was, bemerkte zij geen meester meer te zijn over zich zelve. Toen zij begon te sukkelen hoopte zij naar het ziekenhuis gestuurd te worden, maar zij werd eenvoudig aan een bordeelhouderin een andere stad overgedaan. Zoo ging zij gedurende zes jaren van hand tot hand, om eindelijk in Groningen aan te landen, waar zij, toen ten slotte haar lichaam alle dienst weigerde in het ziekenhuis terecht kwam. Dat zij het ziekenhuis niet eerder zou verlaten dan om grafwaarts te worden gedragen, was haar een troost.Met mijne bewering dat de meeste vrouwen op ongeveer gelijke wijze ten val worden gebracht en geen enkele uit eigen vrijen wil zich aan prostitutie overgeeft, sta ik niet alleen. Bijna allen die van de prostitutiekwestie een studie hebben gemaakt deelen die opvatting.Dr. Muller, een duitsch medicus, schrijft in zijn bekend werk,3“Men denkt er intusschen niet aan, te spreken over de oorzaken, waardoor zooveel ongelukkige wezens ten val gebracht werden, men let er niet op hoe gering hunne verantwoordelijkheid, hoe groot die der gansche maatschappij of van eenige harer snoodste leden is, en toch is dit het punt, waartegen de aanval moet gericht worden. Een doeltreffende handelwijze ten aanzien der prostitutie is slechts mogelijk, indien men daarbij nauwlettend het oog vestigt op de factoren, die haar veroorzaken en bevorderen: de bordeelhouders, koppelaarsters, enz. Spreke men over die zielverkoopers ook het strengste vonnis uit, over de door hen verleide meisjes zij het oordeel ten minste menschelijk.”De heer Koentz schrijft in zijne brochure,4“Maar even als verschillende oorzaken vaak samenwerkten ter bevordering der ondeugd, zoo ook vond het ontuchtig leven der vrouwen dikwerf zijn oorsprong, òf in de opvoeding, òf in de armoede, òf in andere oorzaken, waarvan het individu vaak de schuld niet was. Velen van haar waren jong en schoon, zonder behoorlijk toezicht en, aan zich zelven overgelaten, vervielen zij tot een ontuchtig, zwervend en eindelijk armoedig leven, dat hen drong, omdat zij elders werden afgewezen, eene vaste woning te zoeken, die alleen in de huizen der ontucht te vinden was.” En dan vraagt hij later, “Maar tracht de menschlievendheid dan niet, die ongelukkigen, welke de slachtoffers der armoede en der verleiding waren, uit dien gevallen staat op te heffen?” enJhr. Mr. de Savornin Lohman zegt:5“dat het onmogelijk is om, zoolang bordeelen worden toegelaten, te beletten, dat vrouwen òf eenvoudig opgelicht, òf door allerlei listen in bordeelen gelokt en gehouden worden, vrouwen die, bestonden de bordeelen niet, misschien nooit zich aan prostitutie zouden hebben overgegeven.” En later6: “Velen zouden er minder lichtvaardig toe overgaan een vrouw te verleiden, wanneer zij gevaarliepen eventueel voor de opvoeding van een kind te moeten zorgen. Nu daarentegen kunnen zij vrij zondigen, zonder dat zij behoeven te vreezen ooit daarover langs rechterlijken weg te worden lastig gevallen. Dat de prostitutie dientengevolge wordt bevorderd, behoeft geen betoog.”Dr. Combet, oud-officier van gezondheid in het Fransche leger, oud-lid van den Gemeenteraad van Lyon, komt ook in zijn talentvol geschreven boekje,7tot de conclusie dat het verbod tot onderzoek naar het vaderschap een voorname oorzaak is van de telkens nieuw aankomende slachtoffers in het kamp der prostitutie. En daarbij noemt hij dan nog armoede, slecht betaalde vrouwenarbeid en verleiding als andere oorzaken.Zonder verder aan te halen wat schrijvers uit verschillende landen als oorzaken opsommen, waardoor meisjes tot prostitutie vervallen, wil ik eenvoudig resumeeren dat bijna allen het er over eens zijn dat verleiding en misleiding van arme onbeschermde meisjes de voornaamste oorzaken zijn en daarna armoede en slechte omgeving.Talrijk zijn de voorbeelden in de litteratuur over dit vraagstuk van vrouwen, die door armoede gedreven, ten einde raad, zich prostitueeren.Een Hoofdcommissaris van Politie te Brussel zegt in zijn rapport over de prostitutie aldaar8: “dat hij dikwijls onder de prostituées vrouwen ontmoet, die eerst allephasen van armoede en ellende doorloopen hebben en door de onmogelijkheid om van de opbrengst van haar arbeid te leven, tot deze ondeugd vervallen.”Waar zoo de feiten spreken vraagt Ds. H. Pierson van Zetten terecht:9“wie geeft u (mannen) het recht aan uwe ontembare lusten de dochters der armen op te offeren?”Door welke beweegredenen worden dan toch deze voorstanders der instandhouding van bordeelen en reglementeering geleid, wanneer zij zoo oordeelen in strijd met alle menschelijkheid en recht? Die vraag is niet moeielijk te beantwoorden. Zij meenen veelal dat de opheffing der bordeelen de geheime of clandestine prostitutie, dat is de prostitutie die zich heimelijk onttrekt aan het toezicht der overheid, zal bevorderen, terwijl zij de bordeelen uit een gezondheidsoogpunt minder gevaarlijk achten dan de geheime prostitutie. Zij willen de reglementeering, waarvan de “keuring” hoofdbestanddeel uitmaakt, handhaven, omdat zij onderstellen dat daardoor de kans om met de smetstof der venerische ziekten in aanraking te komen, vermindert.Nog maar weinige jaren geleden waren het in hoofdzaak moralisten en juristen die, op zedelijkheids- en rechtvaardigheidsgronden tegen de reglementeering in het algemeen opkomende, ook deze meening bestreden. Langzamerhand voegde zich daarbij een steeds grooter wordend aantal doctoren, die geen geloof meer slaan aande beteekenis der reglementeering in het algemeen en der bordeelen in het bizonder, als veiligheidsmaatregel.“Dat het opheffen der bordeelen de clandestine prostitutie zal doen vermeerderen is eene banale gevolgtrekking, die de een den ander naspreekt”, zoo concludeerde Dr. Blooker als lid van de zoo even reeds door mij genoemde commissie, in zijn rapport aan den Gemeenteraad van Amsterdam.Nergens ook heb ik, bij al de voorstanders der bordeelen eenig bewijs aangetroffen, waarmede zij hunne meening in dezen konden staven. Daarentegen hebben anderen aangetoond en ik haal hier nogmaals aan van Dr. Voûte in het Amsterdamsch rapport: “dat de bordeelen niet noodig zijn, om de wilde hartstochten der jeugd een uitweg te verschaffen, maar dat zij de kweekplaatsen zijn der meest liederlijke geslachtsbevrediging voor oudere gezeten burgers en vaak getrouwde mannen.”Dr. Voûte moest uit de resultaten van zijn onderzoek verkregen, tevens de conclusie trekken dat, “in de bordeelen volkomen slavernij heerschte, dat het lot der vrouwen er hoogst treurig, ja menschonteerend bleek”, en dat deze armen “de bordeelen niet kunnen verlaten, omdat zij diep in de schulden steken, tengevolge van de ongehoorde sommen, die zij voor alles moeten betalen en het ongelooflijk karig loon, dat zij genieten.” Op voorstel van genoemde commissie besloot dan ook de gemeenteraad van Amsterdam het vorig jaar het houden van bordeelen te verbieden.Laat mij thans, om de waarde der keuring te bepalen,twee geneesheeren uit Rotterdam citeeren, de doctoren Broes van Dort en Rietema die, ofschoon principieel voorstanders der keuring, niettemin naar aanleiding van een in 1897 door Dr. van Staveren ingediend voorstel bij den Rotterdamschen gemeenteraad, tot verbod van het houden van bordeelen, het volgende als hunne overtuiging hebben uitgesproken: “dat het geneeskundig toezicht op de prostitutie alleen nut kan en zal afwerpen, wanneer daarbij aan de strengste eischen der wetenschap wordt voldaan en op de diagnose der ziekte onmiddellijk kan volgen een opneming in een ziekeninrichting met behandeling zoo langdurig als die toestand van ieder geval vereischt.”Met deze heeren meen ook ik dat eene reglementeering der prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt, alleen nut kan hebben, als zij aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt, doch tevens ben ik van oordeel dat nergens een reglementeering is door te voeren die aan die eischen voldoet en dat men met een gebrekkig geneeskundig toezicht, zooals het overal bestaat, waar men met deze oude sleur nog niet heeft durven breken, een vertrouwen schept dat misplaatst is en daardoor juist bevordert wat men met dit toezicht wil voorkomen.Prof. Chanfleury vanIJsselstein, een autoriteit op dit gebied, die niet alleen een tijdlang in den Haag controleur van de keuring der publieke vrouwen was, maar later als professor in huidziekten aan de Universiteit van Amsterdam voortdurend in aanraking was met de slachtoffers der prostitutie stelt ook eischen aan eene goede keuring, die onmogelijk zijn door te voeren. Hij eischtbijv. dat de vrouwen minstens eens per dag gekeurd moeten worden en dat niet alleen de zieken, maar ook die van ziekte verdacht worden, afgezonderd moeten worden. Er zou dus eigenlijk geen enkele overblijven. Hij komt zelf tot de conclusie “dat een volkomen vertrouwde publieke prostitutie onbestaanbaar is.”10Men mag trouwens over eengoedekeuring denken zoo men wil, in ’t algemeen zijn zij, die met deze zaak van nabij bekend zijn het er vrij wel over eens, dat de keuring, zooals die hier te lande wordt uitgeoefend in de gemeenten waar zij nog wordt gehandhaafd, niet meer dan eene schijnvertooning is, die, mag zij al eenige sterk sprekende exemplaren uit den strijd verwijderen, voor ’t overige meer nadeel dan voordeel berokkent ook voor degenen in wier voordeel zij heet te geschieden.Deze uitspraak eischt misschien eenige toelichting. Velen zullen waarschijnlijk meenen, dat dan toch die erge zieken een tijdlang worden afgezonderd en ten minste in dien tijd geene besmetting kunnen overbrengen. Dit is waar, maar de vele anderen die óók ziek zijn en die niet worden afgezonderd, omdat zij de verschijnselen hunner ziekte hebben weten te verbergen, òf waarvan de doctoren, met het onderzoek belast, de ziekte niet konden ontdekken en constateeren, òf die onmiddellijk na het onderzoek door een zieken man besmet worden, òf, maar laat mij deze reeks niet verder uitbreiden, er zijn nog heel wat andere redenen, waarom de prostituéesuit een gezondheidsoogpunt gevaar opleveren voor elkeen die met haar in aanraking komt, zonder dat zij door den keurenden dokter gelast worden zich af te zonderen.Mannen, die vertrouwen dat de bestaande keuring hen vrijwaart voor besmetting, gaan er gemakkelijker toe over bordeelen te bezoeken. Bestond de keuring niet, velen zouden uit vrees voor besmetting zich wel ter dege bedenken, eer zij tot dien stap besloten. Daarom maakt de overheid, die zulke verordeningen vaststelt zich zoo schuldig, want zij verwekt daarmede bij de burgers een misplaatst vertrouwen en biedt hun een waarborg aan, dien zij niet kan geven. Bovendien verleenen zulke verordeningen aan dit maatschappelijk kwaad eene wettelijke sanctie, die het in menig oog verheft tot een onmisbare instelling.Ik zal niet dieper in de zuiver hygiënische zijde van dit vraagstuk treden, maar liever nog een oogenblik stilstaan bij de vraag, wat kunnen de vrouwen in dezen doen om verbetering aan te brengen?In de eerste plaats is daarvoor noodig, dat wij ons ontworstelen aan het van jongs af ingeprente denkbeeld, dat prostituées menschen zijn die men niet anders dan met diepe verachting moet bejegenen; dat zij niet zijn als wij; dat liefde, genegenheid, smart, ellende voor hen vreemde gewaarwordingen zouden zijn; dat wij hen eigenlijk als onze grootste vijandinnen hebben te beschouwen. Zij zouden onze zonen verleiden, hun hartstochten prikkelen, hun gezondheid vernietigen, elk edel, groot, heilig gevoel in hen dooden, jeugdig verwelkte mannen van hen maken. Zij zouden ons geluk verwoesten dooronze echtgenooten van onze zijde weg te rukken, ons hunne liefde ontrooven.Wij moeten beginnen met deze wanbegrippen over boord te gooien en die misdeelden te beschouwen als de slachtoffers van maatschappelijke misstanden en van onze eigen tekortkomingen.Als wij onzen plicht te allen tijde gevoeld en daarnaar gehandeld hadden, zouden wij reeds lang een andere phase der maatschappelijke ontwikkeling zijn ingetreden.Wij veroordeelen immers nog steeds het verleide meisje en beschouwen haar als te slecht om zelfs onze dienstmaagd te zijn, terwijl de jonge man, die haar misbruikte er even vriendelijk door ons om ontvangen wordt en wij geen bezwaar hebben hem in onze familie op te nemen. Zelfs de gehuwde man waarvan wij weten dat hij zich in dit opzicht schuldig maakt aan ergerlijke feiten wordt door ons verontschuldigd; wij verheerlijken hem zelfs, indien hij daarop wegens andere eigenschappen aanspraak maakt, bij zijn leven en na zijn dood. Vergevensgezind treden wij op voor den man, die door wetten en instellingen allerzijds gesteund wordt, daarentegen onthalen wij op haat en verachting het zwakke meisje dat door machtsmisbruik viel en wie door valsche begrippen van zedelijkheid geen uitweg geboden wordt.Wie kent niet het schoone gedicht van Victor Hugo, gewijd aan het gevallen meisje? Het beeld door hem geschetst vinde hier een plaats. Het jonge onschuldige meisje vergelijkt hij bij een helderen dauwdrop op een rozeblad. Een wreede hand rukt ruw aan den stengel enhet dauwdropje valt op den grond. Nog ligt het daar vreemd aan zijne omgeving, onvermengd met het slijk om zich heen. Een zonnestraal kan het nog doen schitteren, een voorzichtige hand kan het nog redden van zijn ondergang. Het arme gevallen dauwdropje echter kan zich alléén niet oprichten, het heeft daarvoor hulp noodig. Maar menschen komen en gaan en trappen onbewust het dauwdropje dieper in den grond en maken het tot slijk.Zoo ook gaat het in de samenleving. “Het is niet zoozeer de schuld van de verworpenen dat zij verworpen zijn, de zedelijke maatschappij is het die daaraan het grootste aandeel heeft,” zijn maar al te ware woorden van James Stansfeld, in het Engelsche parlement gesproken.Het is in onze macht het opkomend geslacht beter begrippen dan de tot nu toe gehuldigde in te boezemen; daartoe hebben wij reeds vroeg met onze kinderen te spreken over de mysterien van hun bestaan, opdat zij een gezonde, ware voorstelling krijgen van het geslachtsleven en opdat zij leeren in hun moeder de aangewezen en vertrouwde vriendin te zien, die hun al het raadselachtige oplost, waarmede zij hun hoofden kwellen, vooral in den tijd der puberteitsjaren, den overgang naar geslachtsrijpheid. Daardoor voorkomen wij dat verkeerde vrienden die teêre taak van ons overnemen en de hoofden en harten van onze lievelingen vullen met onreine voorstellingen eener meestal overprikkelde phantasie; daardoor ook zijn wij in staat iederen verkeerden invloed, iedere slechte neiging tijdig tegen te gaan en onzekinderen behulpzaam te zijn hun zwakheden te overwinnen.Onzen zonen hebben wij in te prenten dat hun zusters hun gelijkwaardigen, in zelfverloochening en karaktergrootheid dikwerf hun meerderen zijn; dat zij op geen enkele vrouw minachtend mogen neerzien; dat de arme verworpelingen die zij des avonds in de straten ontmoeten, eens meisjes waren als hun zusters; dat zij, die thans ziekte en verderf om zich heen verspreiden, onder beter maatschappelijke toestanden een goede echtgenoote en gelukkige moeder hadden kunnen zijn. Wij moeten hun er op wijzen, dat, zoo zij hopen eenmaal het middenpunt van een gelukkig gezin te worden, zij dan even rein moeten blijven als de bruid die zij als levensgezellin wenschen. Wij dienen hun te waarschuwen dat een enkel zwak oogenblik in het geslachtsleven over hun toekomst kan beslissen, dat hun gezondheid, hun gemoedsrust, hun zelfwaardeering daardoor verwoest kunnen worden en zij daarover dan levenslang berouw zullen gevoelen.Van onze dochters moeten wij krachtige, zelfstandige personen vormen, bekwaam om in eigen onderhoud te voorzien; laten wij haar tegen den strijd des levens wapenen met kennis en fierheid, opdat zij nimmer liefde veinzen als het hart niet spreekt; laten wij haar verachting inboezemen voor den man die zijn macht misbruikte tegenover haar zusters, opdat zij nimmer in verzoeking komen de medeplichtigen te worden van zulk een ellendeling.Maar meer nog valt er voor ons te doen. Al demannen die openlijk tegen de prostitutie te velde trekken, ook de meest conservatieven onder hen zien in haar bestaan mede het gevolg van de wettelijke geringschatting der vrouw. Het strijden voor gelijke rechten naast gelijke plichten voor man en vrouw in de wetgeving, zal dus mede voor ons een onafwijsbare taak zijn. En waar wij zagen dat armoede en gebrek vele vrouwen in de armen der prostitutie voert, ligt het op onzen weg tegen elken maatregel die vrouwenarbeid bemoeilijkt of buitensluit met nadruk te protesteeren en tegen het lager bezoldigen van arbeid, omdat hij door vrouwen verricht wordt, krachtig onze stem te verheffen.Dat wij niet mogen rusten voor en aleer het schandelijk art. 342 Burg. Wetboek, waarbij het onderzoek naar het vaderschap verboden wordt, is opgeheven, behoeft na hetgeen voorafgaat, niet opzettelijk te worden betoogd.Maar wel ten slotte nog een woord geuit tot opwekking van sympathie voor het meisje uit de volksklasse, het kind der armen. Vereenigd moeten wij over haar waken, teneinde op ons niet toepasselijk worden de woorden van een zooeven reeds geciteerden schrijver “dat het meisje uit de volksklasse naar de gangbare begrippen omtrent zedelijkheid, de treurige onderscheiding in dezen te beurt valt van op minachting en veroordeeling te mogen rekenen der vrouwenwereld, in plaats van op medelijden en pogingen tot redding.”Wij vrouwen moeten het ons tot plicht stellen vereenigd er voor te waken dat de politie nimmer beslag op haar kan leggen, want daardoor kan voorkomenworden dat alle eergevoel in haar gedood wordt.De hier te lande bestaande en te Rotterdam gevestigde vereeniging: “Onderlinge Vrouwenbescherming” is in deze richting werkzaam en verdient daarvoor aller sympathie en steun.1De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman. Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. Bladz. 11.2De Prostitutiekwestie door Dr. A. P. Fokker, Hoogleeraar in de Hygiène te Groningen, 1879.3De Prostitutie. Eene Sociaal-Geneeskundige Studie. Uit het Hoogduitsch, van Dr. F. W. Muller. 1870. bldz. 5.4De Openbare en Geheime Prostitutie in Nederland, door G. M. Koentz. Commissaris spec. van Rijkspolitie. 1863. bldz. 20.5De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman, Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. bldz. 12.6Bldz. 27.7De la Prostitution. Les Causes—Les Remèdes. Lyon 1884.8Règlement sur la Prostitution. Bruxelles 1877. bldz. 29.9Tweeërlei Zedewet? Eene waarschuwing tegen ons aanstaand Nationaal Congres, Besproken door H. Pierson. 1889. bldz. 10.10Het toezicht op de prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt beschouwd, door Prof. J. L. Chanfleury van IJsselstein. 1889. bldz. 10.

In een tijd waarin de vrouwenbeweging en de daarmede gepaard gaande bespreking der vrouwenbelangen ieders aandacht vraagt, dient ook het prostitutie-vraagstuk door de vrouwen onderzocht en zoo mogelijk tot oplossing gebracht te worden. Veel te lang werd het aan de orde stellen van dit hoogst belangrijk maatschappelijk vraagstuk door de vrouwen opzettelijk vermeden, dewijl zij, door valsche schaamte geleid, van oordeel waren dat al wat op prostitutie betrekking heeft, niet door de vrouw mag worden gekend, noch door haar mag worden besproken.

Ik stem toe dat kennismaking met elk onderdeel der kwestie ons steeds voor oogen voert ziekelijke uitwassen van de menschelijke natuur, oorzaken van heimelijke slooping des lichaams, wanverhoudingen in de samenleving, die ons met weerzin, met afgrijzen, met verachting, met medelijden vervullen, al naar wij zelven zedelijk zijn aangelegd.

Doch hoe dieper men in dit vraagstuk doordringt,des te meer wordt men er van overtuigd dat de prostitutie het wel en wee van velen onzer beheerscht; dat zij onze gezondheid en die onzer kinderen ondermijnt; dat zij velen onzer zusters wegrukt uit de maatschappelijke sfeer en hen doemt tot een leven vol verachting en ellende.

Als men dan nog bedenkt dat die vrouwenschaar die opgeofferd wordt aan dit zoogenaamd noodzakelijk kwaad, grootendeels voortkomt uit de volksklasse; dat gebrek, onkunde, ruwe zeden, ziekelijke ontaarding, verleiding die vrouwen meestal voert in dezen poel van ellende, dan meen ik dat er redenen te over zijn om alle valsche schaamte ter zijde te stellen, den sluier weg te rukken die het prostitutie-vraagstuk omhult en met helderen blik en rustig oordeel dit kwaad in zijn veelzijdig optreden te onderzoeken. Men heeft zich daartoe rekenschap te geven van hetgeen om ons heen geschiedt; het bestaan van het kwaad maakt de bespreking noodzakelijk.

Hoe zal men zijn zonen kunnen behoeden voor een zedelijken val, wanneer men de wegen niet kent die hen voeren tot den afgrond; hoe kan men zijne kinderen zedelijke grootheid inprenten, zoolang men den moed mist de laagheid die hen omgeeft te peilen; hoe wil men hun deernis inboezemen met die arme, vernietigde wezens, wier bestaan eene aanklacht is tegen onze gangbare zedelijkheidsbegrippen, zoolang men zelf nog onkunde en onwetendheid verwart met reinheid en kuischheid?

Doch ook als men zich zelf een grooter, een hoogerlevensdoel heeft gesteld, als men wenscht mede te werken aan het wegnemen van maatschappelijke misstanden, dan mag men niet langer de oogen sluiten voor dit verschrikkelijk kwaad, dan mag men niet meer het hoofd afwenden als de werkelijkheid in al haar naaktheid voor ons opdoemt, dan mag men geen dag langer berusten in de onware meening, dat prostitutieonuitroeibaaren haar bestaannoodzakelijkzou zijn.

Wat is prostitutie of wat verstaat men daaronder? Ik zie geen kans deze vraag te beantwoorden; ook bij geen der vele schrijvers die ik raadpleegde vond ik een bevredigende definitie. De meeningen er over loopen inderdaad zeer uiteen. Velen, en hieronder vooral kerkelijk geloovigen, noemen prostitutie elke buitenechtelijke geslachtsgemeenschap, terwijl anderen, waaronder ook ik mij zou willen scharen, onder prostitutie verstaan elke geslachtsgemeenschap die niet gebaseerd is op wederzijdsche liefde.

Hoe ethisch juist deze definitie echter moge luiden uit een praktisch oogpunt is zij vooralsnog niet te gebruiken. Dan toch zouden wij onder prostituées moeten rangschikken tal van mannen en vrouwen wier echtvereeniging, door de wet geheiligd, op geen hooger waardeering berust dan de stoffelijke; wier samenwoning geen ander motief kan aanwijzen dan berekening; die niet door banden van liefde, doch door de koorden der geldbeurs werden verbonden.

En dan ook zou men hieronder moeten rangschikken die gehuwden die eenmaal uit verklaarbare onkunde handelden en in jeugdige onbezonnenheid het jawoorduitspraken, nog vóór zij wisten of beider karakter genoegzaam overeenkwam om gezamentlijk den langen, soms moeielijken levensstrijd te voeren, en te laat bemerkten dat hun vurige hartstocht zijn oorsprong niet vond in groote wederzijdsche waardeering, maar een gevolg was van toevallige omstandigheden; die gehuwden ook, die moesten ondervinden dat hun liefde niet bestand was tegen de teleurstellingen des levens en wier samenzijn niet meer is een bron van vreugde, maar veeleer eene lijdelijke berusting in het onvermijdelijke.

Voor onze maatschappij bestaat daarom behoefte aan een andere omschrijving. Zoolang deze echter niet gevonden is, hebben wij er rekening mede te houden, dat naar de meest gangbare denkbeelden van gehuwden, wanneer zij eenmaal door den burgerlijken ambtenaar vereenigd zijn, wordt aangenomen dat rozegeur en maneschijn hen omgeven, dat “zij” is “zijne” uitverkoren levensgezellin en “hij” de man “haars” harten, en dat zij dan ook op dien grond in hun kring moeten worden geëerd, onverschillig welke beweegredenen hen samenbrachten. Wettig gehuwden worden daarom dan ook nimmer onder geprostitueerden gerangschikt en dank zij de alom gehuldigde dubbele zedenleer, worden de mannen, zoodra er sprake is van prostitutie en geprostitueerden, geacht daartoe nimmer te behooren.

De gemakkelijkst te onderkennen vorm van prostitutie en als zoodanig ook in onze samenleving algemeen daarvoor aangenomen, is die derbetaalde liefde, waarbij van eenige genegenheid of trouw geen sprake is, althans niet behoeft te zijn. Soms gaat zij wel gepaard met haat aan deeene en verachting aan de andere zijde. Het eischen van betaling door de vrouw voor het zich beschikbaar stellen ter bevrediging van den geslachtsdrift des mans, levert hier het criterium van zich te prostitueeren; deze vorm van prostitutie is het waarover ik speciaal wensch te spreken.

Hiervóor merkte ik reeds op, dat men alleen van vrouwen spreekt als van prostituées; onze tweeërlei zedenleer betitelt de mannen, die voor de liefde betalen, met dien naam niet. Toch zal het geen betoog behoeven dat deze mannen, wat hun zedelijk gehalte aangaat, niet boven het peil der prostituées staan, ja menigwerf nog ver daar beneden blijven.

De hierbedoelde vorm van prostitutie vertoont zich in de maatschappij onder talrijke schakeeringen, die evenwel in hoofdzaak tot twee rubrieken teruggebracht kunnen worden en hoewel beide rubrieken soms ongemerkt in elkaar overgaan, leveren zij toch nog genoegzame teekenen van verschil op, om ieder afzonderlijk besproken te worden.

Zij zijn de zoogenaamdevrije prostitutie, als zelfstandig bedrijf uitgeoefend door een of meer te zamen wonende vrouwen, en degedwongen prostitutie, uitgeoefend door vrouwen in dienst van anderen, die daarvan hun bedrijf maken.

De eerstgenoemden oefenen haar bedrijf uit op eigen risico en stellen zich niet voor iederen man en te allen tijde beschikbaar. Daaronder zijn er wederom die alleen haar bekende personen ontvangen, welke zich voor korter of langer tijd aan haar verbinden. Zijn deze laatstendaardoor, volgens sommigen, voor de algemeene gezondheid minder te vreezen, voor het karakterbederf der mannen waarmede zij in aanraking komen, leveren zij minstens evenveel gevaar op als de slachtoffers der gedwongen prostitutie.

Vroeger vormden deze vrouwen in de meeste plaatsen een op zich zelf staande kaste, die zich in kleeding, voorkomen en manieren onderscheidden van anderen; tegenwoordig is dit overal anders geworden. Zij vereenzelvigen zich thans met alle standen en nemen de manieren, kleeding, schijn van beschaving over van den kring, waarin zij zich gewoonlijk bewegen. De burgerlijke prostituée komt in evenzoovele schakeeringen voor als de burgerstand zelve aanbiedt en de nabootsing van het aristocratisch element is er evengoed vertegenwoordigd, als de typen uit de onderste en alleronderste lagen der maatschappij. Ook de zedelijkheidsladder heeft er hare verschillende treden. Vindt men op de bovenste sport slechts onvoorzichtigheid, onnadenkendheid, lichtzinnigheid, op de onderste kan men de meest ontaarde zedeloosheid waarnemen.

Ongemerkt langzaam gaan beide in elkaar over, ja meestal doorloopt dezelfde persoon van boven af al de treden, steeds dieper dalende.

Ik zal voor mijn opstel deze zoogenaamde vrije prostitutie verder laten rusten, na er alleen nog van gezegd te hebben dat ik opzettelijk spreek van “zoogenaamde” vrije prostitutie, dewijl de slachtoffers niet tot het behalen van voordeel door anderen voor het bedrijf worden geëxploiteerd, maar niettemin door opvoeding, onkunde, eenbuitenechtelijk geboren kind, armoede of maatschappelijke uitstooting aan hun vernederende levenswijze gebonden zijn.

Wat ik wil behandelen past in hoofdzaak alleen op de andere, hierboven reeds aangeduide nuance,de gedwongen prostitutie, die zoowel voorkomt in gemeenten waar de overheid het bestaan der prostitutie erkent en reglementeert, als waar dit niet geschiedt. Waar de overheid zich niet inlaat met eene regeling komt de gedwongen prostitutie weinig voor; daarentegen vertoont zij zich veel waar de overheid zich er wel mede inlaat, omdat doel der regeling is toezicht te houden op de gezondheid der prostituées en voor dat toezicht wenschelijk is, zooveel mogelijk concentratie dezer vrouwen in de woningen waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Het is juist in die woningen dat degedwongenprostitutie in den gruwzaamsten vorm welig tiert. Zoo werkt de wettelijke regeling der prostitutie toestanden in de hand, waarvan het bestaan door de meesten onzer te nauwernood wordt vermoed.

Bij den hierbedoelden vorm van prostitutie zijn meestal meerdere vrouwen vereenigd in daarvoor bekende huizen, publieke huizen of bordeelen genaamd, en elke man die binnentreedt en zijn zoenoffer in den vorm van een grooter of kleiner geldstuk brengt, moeten zij ter wille zijn. Hier is geen sprake meer van vrije keus bij de vrouwen, geen kwestie meer van onwil, zij staan in dienst van een meester of meesteres aan wiens of wier bevelen zij verplicht zijn te gehoorzamen, terwijl het geld dat zij daarmede verdienen en de geschenken die zij af en toe ontvangen, meestal het eigendom worden van den patroon.

In deze huizen treedt nog de slavernij in haar afschuwelijksten vorm op. In alle beschaafde landen is de slavernij, voorzoover zij het gekleurd ras betreft, afgeschaft, maar deze verlagende en onteerende vrouwenslavernij laat men nog toe.

Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt daarvan: “dat deze slavernij, die omdat zij in schijn plaats heeft met goedvinden der vrouw, niet begrepen kan worden, maar in werkelijkheid erger is, dan de bij art. 2 van het Burgerl. Wetb. verboden slavernij.”1

Door allerlei listen en lagen worden arme, onbeschermde meisjes dikwijls gelokt in deze huizen, die zij dan niet of met de grootste moeite weder kunnen verlaten. Het onderzoek van de laatste jaren heeft zelfs aan ’t licht gebracht, dat er door verschillende houders dier huizen en de zoogenaamde koppelaars een geregelde internationale handel in meisjes gedreven wordt. Men herinnert zich ongetwijfeld nog de ontzettende paniek die ruim een tiental jaren geleden veroorzaakt werd door de onthullingen in de Pall Mall Gazette van eene enquête naar de uitgebreidheid van dezen handel in meisjes.

Die enquête werd ingesteld naar aanleiding van de ontvluchting van een jong meisje uit een Londensch bordeel naar het hoofdkwartier van het Leger des Heils. Het onderzoek hierdoor aanhangig gemaakt, bracht feiten aan het licht van eene geregelde oplichtingen handel in jonge meisjes, zóó gruwelijk, zóó barbaarsch, dat men zich niet kan voorstellen dat in een beschaafd land nog dergelijke feiten mogelijk zijn. Wel hebben verschillende Regeeringen en ook de onze na dien tijd maatregelen genomen om dezen handel zooveel mogelijk tegen te gaan, doch wat ons van tijd tot tijd ter oore komt doet ernstig twijfel rijzen aan de doeltreffendheid of ernstige toepassing dier maatregelen. Toen nog kort geleden te Amsterdam door een raadscommissie een onderzoek werd ingesteld naar den aard en omvang der aldaar bestaande prostitutie, in verband met een aanhangig voorstel om het houden van bordeelen te verbieden, rapporteerde Dr. Voûte, een der leden dier commissie, dat “het grootst aantal vrouwen (in die bordeelen) waren Fransche en Belgische en een enkele Duitsche; Hollandsche bijna niet.” En dan voegt hij er aan toe, “Engelsche en Duitsche zijn moeielijk te krijgen, tengevolge van maatregelen door de resp. Regeeringen genomen. Hollandsche zijn weinig in trek.” Hoe cynisch klinken zulke rapporten.

Doch deze arme, blanke slavinnen die als vee worden aangekocht, dikwijls herhaalde malen in handen van andere meesters overgaande en als uitschot der natie gebrandmerkt, zij zijn onwetend en onwillens haar eigen wrekers, die met woeker terugbetalen de hun aangedane vernedering, door verderf en ziekte ruimschoots uit te deelen aan degenen te wier behoeve zij geacht worden te bestaan. Bleven die ziekten, die uitsluitend een gevolg zijn van prostitutie, slechts beperkt tot hen die onmiddellijk met haar in aanrakingkomen, dan zou men er in kunnen berusten dat een gerechte straf aan een zedelijken misstap verbonden is.

Maar ongelukkig brengen zij ook de gezondheid en het leven in gevaar van vrouwen en kinderen, die in elk opzicht onschuldig zijn aan het gepleegde kwaad. Vrouwen, wier geheele leven smetteloos rein was, worden niet zelden besmet met de giftstoffen van syphilis of andere venerische ziekten door omgang met haar losbandige echtgenooten en brengen kinderen ter wereld die óf geen levensvatbaarheid bezitten en al ras weder wegkwijnen, óf een leven moeten voortslepen, belast met de zichtbare of voelbare straf voor den misstap des vaders.

Menigmaal verwondert men zich er over dat schijnbaar gezonde ouders een zwak ziekelijk kind voortbrengen, dat scrophuleus is, aan tuberculose sterft of het slachtoffer wordt van eene andere ernstige kwaal, terwijl de oorzaak ontwijfelbaar bij den vader kan gevonden worden.

Hoe dikwijls ook roepen sterke, gezonde meisjes kort na hun huwelijk de hulp van een geneeskundige in, omdat zij gaan kwijnen en niet gissen welk gevaarlijke woekerplant hun gestel ondermijnt.

Onder venerische ziekten verstaat men die ziekten die men door omgang met prostituées kan verkrijgen, daarvan is echter de syphilis de afschuwelijkste, de gevaarlijkste. Zij sloopt niet alleen het gestel van den aangetaste, maar zij is bovendien in hooge mate besmettelijk en overerfelijk, zoodat ook kinderen en zelfs kindskinderen er de gevolgen van ondervinden. Vele andere ziekten vinden in deze haar oorsprong. Konden wij de syphilis in haar geheel uitroeien, veleandere ziekten zouden met haar van de aarde verdwijnen.

Is het dan niet de plicht van den Staat om met alle hem ten dienste staande middelen zoo krachtig mogelijk op te treden, ten einde deze ziekte met wortel en tak uit te roeien? Hij treedt immers ook tusschenbeide wanneer het geldt de bestrijding van andere besmettelijke ziekten.

Wettelijke voorschriften verplichten ons tot het afzonderen van lijders aan roodvonk, diphteritis of andere infectieziekten, wij worden verplicht de kinderen ter voorkoming van pokken te laten inenten wanneer zij openbare scholen zullen bezoeken, tegen de verspreiding van cholera worden van overheidswege maatregelen genomen en toch, waar het geldt een zoo gevaarlijke ziekte als syphilis, daar houdt de Regeering zich onzijdig en laat toe, dat ieder gemeentebestuur in eigen kring deze zaak naar goeddunken al of niet regelt. Waaraan moet deze onthouding toegeschreven worden?

Op gezag van bekwame juristen, zou men de verklaring moeten zoeken in het feit, dat de Rijks-wetgever niet in staat is om, zonder ernstig inbreuk te maken op de persoonlijke vrijheid van den staatsburger, een wet uit te vaardigen, die paal en perk stelt aan de verbreiding der syphilis en andere venerische ziekten. Ik meen echter dat ook met Rijkswetten de verbreiding dezer ziekten niet zou worden tegengegaan. Daarvoor zijn zij te nauw verbonden met de prostitutie en zoolang deze wordt beschouwd als eennoodzakelijkkwaad, zoolang men nog slechts spreekt van middelen om de prostitutie te beperken in plaats van haar uit te roeien, zoolang zalde maatschappij wel opgescheept blijven met de gevolgen die zij na zich sleept.

Eenige gemeentebesturen van ons vaderland hebben gebruik gemaakt van de hun verleende vrijheid om voor hun gemeente een reglementeering der prostitutie in te voeren; een reglementeering die in hoofdzaak neerkomt op een geneeskundig toezicht op de prostituées en daarin bestaat, dat deze zich op bepaald daarvoor aangewezen dagen aan een medisch onderzoek moeten onderwerpen om te zien of zij lijdende zijn aan een of andere besmettelijke ziekte. Bijaldien zij ziek bevonden worden volgt eene ongeschikt verklaring om haar bedrijf uit te oefenen, tot tijd en wijle zij weder hersteld zijn.

De oningewijden noemen dit waarschijnlijk een wijze voorzorg en een praktische oplossing van het moeielijk vraagstuk. Zij zullen echter wel beseffen dat aan eene dusdanige reglementeering een keerzijde verbonden moet zijn, wanneer zij vernemen dat vele gemeenten, waaronder ook Amsterdam, zulk een reglementeering nimmer hebben willen invoeren of haar na korter of langer tijd hebben opgeheven.

De tweede stad des Rijks, Rotterdam, valt met eenige andere groote gemeenten de twijfelachtige eer te beurt, de reglementeering met toelating van bordeelen nog steeds te handhaven. Met toelating van bordeelen, schrijf ik, want ook over het toelaten of opheffen van die broeinesten van ongerechtigheid beslissen de gemeentebesturen.

Gelukkig verheffen zich in alle landen stemmen tegen de Regeering dat zij het bestaan van bordeelenerkent en toelaat en de reglementeering niet verbiedt. Het in 1877 hierover te Genève gehouden congres heeft aan deze beweging een krachtigen stoot gegeven. Sedert hebben zich overal bekwame juristen, moralisten, politici en medici geroepen geacht als bestrijders van reglementeering en bordeelen openlijk op te treden.

Het zoude mij te ver voeren wanneer ik al de bezwaren opsomde die deze strijders voor zedelijkheid en recht in ’t midden gebracht hebben om de onhoudbaarheid aan te toonen van den huidigen toestand.

Vele vrouwen hebben waarschijnlijk nimmer de verordeningen gelezen, vastgesteld in steden waar een reglementeering der prostitutie bestaat, en weten daardoor niet dat in zoo’n gemeente iedere vrouw, zonder uitzondering aan de bepalingen in die verordening is onderworpen, zoodat eene vrouw, welke ook, die door een politieagentverdachtwordt een prostituée te zijn, verplicht kan worden zich als prostituée te laten inschrijven en aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Namen de vrouwen van zulke gemeenten kennis van het reglement op de prostitutie, zij zouden als een aaneengesloten phalanx met verontwaardiging zich wenden tot het bestuur hunner gemeente met de vraag: “Met welk recht maakt gij zoo schandelijk inbreuk op onze vrijheid. Wie riep u om op te treden als handlanger der bordeelhouders en koppelaars; wie droeg u de taak op, om ten behoeve van mannen, die zich vrijwillig aan de prostitutie overgeven, gezonde vrouwen beschikbaar te houden?”

Als het de overheid waarlijk ernst was om de besmettingmet venerische ziekten tegen te gaan, dan zou zij in de eerste plaats de gehuwde vrouw en het kind beschermen, die geheel onschuldig de slachtoffers worden van deze ziekten. Nimmer verplicht zij evenwel den man, zelfs niet den meest bekenden losbol, zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Al is hij nog zoo ziek, hij heeft het recht de gezond bevonden prostituée te besmetten, ja men laat hem kalm een onschuldig meisje huwen en haar evenals haar kinderen deelgenoot worden van zijn kwalen.

Prof. Fokker uit Groningen, Hoogleeraar in de gezondheidsleer, vergeleek de reglementeering eens bij groenvrouwen die ook uit hare manden met appelen de rotte verwijderen, opdat deze de anderen niet kunnen aansteken,2en deze vergelijking is later door vele voorstanders der reglementeering overgenomen. Hoe grenzenloos grof klinkt ons zulk een vergelijking in de ooren! En tot welk een vernederende gevolgtrekking strekt zij voor de gemeentebesturen, die zich schuldig maken aan het instellen en handhaven van zulke verordeningen. De prostituées zijn de koopwaar, in dit geval vergeleken bij de appelen, de gemeentebesturen zijn de koopvrouwen die de zieke exemplaren uitzoeken en verwijderen om zooveel meer koopers te lokken voor hun oogenschijnlijk gezonde waar!

Hiervóór merkte ik reeds op dat de voorstanders van bordeelen en reglementeering uitgaan van de veronderstellingdat prostitutie is eennoodzakelijk kwaaden dat de reglementeering dient om de schadelijke gevolgen er van zooveel mogelijk te beperken. Maar om de noodzakelijkheid van dit kwaad te kunnen vaststellen heeft men aangenomen, dat aan de physische behoeften van den man te allen tijde moet kunnen worden voldaan en dat daarvoor de prostitutie noodzakelijk is. Wie voelt hier niet het onlogische der gevolgtrekking? De mensch heeft behoefte aan voedsel, honger moet gestild worden, derhalve is diefstal van voedsel noodzakelijk, is de redeneering die Mrs. Annie Besant in haar werkje “The legislation of female slavery in England” er naast stelde.

Alsof de mannen geen menschen zijn, begaafd met vrijen wil en rede. Alsof zij aan de zucht tot paren geen weerstand kunnen bieden, wanneer zij weten dat zij, door toe te geven aan die zucht, zichzelf of anderen benadeelen. Zou de gezonde mensch dan gedwongen zijn te handelen tegen zijn belangen in? Zou er een fatum op hem rusten?

Niemand kan deze vragen bevestigend beantwoorden dan de aanhangers van de fataliteitsleer, geldende ook voor den normalen mensch.

Wij kunnen wel behoeften doen ontwaken door onzen zonen te leeren dat zij mogen toegeven aan opkomende neigingen; door hun in te prenten dat het onderdrukken van de geslachtsdrift noodlottig voor hen is; door hen op allerlei wijzen geringschatting voor vrouwen in te boezemen en als wij dan zoodoende slappe, krachtelooze, ontzenuwde, zieke mannen hebben gevormd, dan zal het hun zeer zeker moeielijk vallen weerstand te biedenaan ziekelijk verhoogde prikkelbaarheid, dan zal er bij hen geen sprake meer zijn van wilskracht, zedelijke grootheid zal dezulken een glimlach ontlokken en de eisch der vrouw om haar rechten te eerbiedigen zullen zij aanmerken als een ongepaste aanmatiging.

Liefde tot koopwaar verlagen, deze vorm van prostitutie behoeft niet te bestaan. De mensch heeft behalve zijn neiging tot voortplanting ook zijn rede, zijn verstand te zijner beschikking. Indien wij onzen zonen leeren, evenals wij dit immers onzen dochters doen, dat men zijn geslachtsdrift kan beheerschen en elk mensch zedelijk verplicht is dit te doen, wanneer er uit de voldoening nadeel ontstaat voor zich zelf of voor anderen, voorts dat mannen niet superieur zijn aan vrouwen, maar dat alleen door machtsmisbruik de mannen wettelijk en dientengevolge ook maatschappelijk die plaats hebben ingenomen en eindelijk dat vrouwen die als prostituées zijn gebrandmerkt ons medelijden, onze opbeuring verdienen en niemand haar mag misbruiken, zelfs niet wanneer zij zich door den nood gedwongen daarvoor aanbieden; wanneer dit eenige geslachten achtereen onzen zonen wordt ingeprent dan kunnen andere en betere toestanden niet uitblijven. Wij zullen dan gekweekt hebben een geslacht van mannen met gezonde neigingen, mannen die zoowel geestelijk als lichamelijk niet vóór hun tijd verwelkt zijn, terwijl hun verleden een open boek kan zijn voor hun jonge bruid. Hun kinderen zullen zij dan zonder gewetenswroeging in de armen kunnen sluiten en het zelfverwijt, de som van ellende willens en wetens vergroot te hebben, zal hen niet pijnigen.

Maar de zedelijk zwakken, zal men vragen; zij die door ziekelijken aanleg, slechte omgeving of verkeerde leiding zich niet kunnen bedwingen, is het voor hen niet noodzakelijk dat de prostitutie bestaat? Is het niet goed dat zij weten, waarheen zij zich begeven kunnen, wanneer de lust tot geslachtsbevrediging opkomt en eischt niet het algemeen belang dat de gevolgen voor hen zoo min mogelijk schadelijk zijn?

Alleen dus voor de zedelijk zwakken, de moreel zieken zou men een geheel leger ongelukkige vrouwen op de been moeten houden, wier leven ellendiger is dan dat van den grootsten misdadiger. Veracht door de geheele wereld, zelfs door de mannen die haar misbruiken, zijn zij zonder eenige bescherming overgeleverd aan de willekeur van de gewetenlooze individuen, die het beroep van bordeelhouder of -houdster uitoefenen. Verlaten, door iedereen vergeten, sterven zij meestal een afschuwelijken en vroegen dood. Wie voelt hier niet de bittere geringschatting voor het leven der vrouwen, de brutale aanmatiging der mannen!

Voor andere zedelijke zwakheden volgt men dit systeem van beschikbaarstelling niet. Wanneer iemand in drift een moord pleegt, dan wijst de overheid immers ook geen individuen aan op welke hij bij voorkomende gelegenheden zijn drift kan botvieren.

Doch aldus sussen de voorstanders van bordeelen en reglementeering hun geweten, wanneer dat af en toe gaat spreken: “het is immers de vrije keus der meisjes om opgenomen te worden in het heir der prostituées! Zij hebben immers vrijwillig hun eer en hun aansprakenop achting prijs gegeven, zij hebben uit vrije beweging zich geplaatst onder uitzonderingsbepalingen, die hen tot paria’s stempelt.”

Niets is minder waar dan dat! Geen vrouw die toerekenbaar kan geacht worden voor haar daden, laat zich vrijwillig inlijven bij deze verstootelingen.

Laat ik in korte trekken hier mededeelen hoe ik voor ’t eerst zulk een vrouw leerde kennen, want later bleek mij dat de meeste prostituées ongeveer dezelfde levens- of liever lijdensgeschiedenis hebben. Op mij maakte dit geval een diepen indruk, waarschijnlijk omdat het mij voor het eerst een blik deed slaan in een wereld, waarvan ik te voren het bestaan niet vermoedde.

Het was gedurende mijn studietijd te Groningen, toen op zekeren dag in het academisch ziekenhuis aldaar een jonge vrouw werd opgenomen, die zeer ziek was en door haar lijdend, maar nog jong en mooi uiterlijk mijn aandacht trok. Toen haar ziekte den volgenden ochtend het onderwerp der academische les uitmaakte en ik door den hoogleeraar hoorde voorspellen dat de afloop binnen korten tijd doodelijk zoude zijn, toen rees voor mijn geest een geheel familie-drama op. Ik dacht aan een jongen treurenden echtvriend en aan wanhopende ouders die hun kind zoo vroeg moesten afstaan en niet eens haar laatste levensdagen konden bijwonen.

Al zeer spoedig merkte ik op dat niemand op de ziekenzaal eenige notitie van haar nam, nooit zag ik de oppasseres (beschaafde verpleegsters had men hier toen nog niet) of een der andere zieken met haar spreken.

Op de bezoekdagen, wanneer de andere patiënten hun familieleden en goede vrienden ontvingen, was het om haar krib leeg en eenzaam lag zij steeds met groote, doffe oogen voor zich uit te staren.

Op zekeren dag een oogenblik vrij hebbende sprak ik haar aan. Wantrouwend werd ik ontvangen, maar toen ik mijn bezoeken aan haar bed herhaalde en zij merkte dat het deelneming met haar lot was dat mij tot haar bracht, toen werd zij vertrouwelijker en deelde mij op mijn herhaald tot haar gerichte vraag,—of zij geen familieleden of goede vrienden in de stad had—haar leven mede.

Onderwijl had men mij van bevriende zijde gewaarschuwd, dat ik tot eene “publieke vrouw” sprak, eene mededeeling die geschiedde met de bedoeling om mij deze bezoeken te doen staken.

Het meisje was een Amsterdamsche wees, die tot haar 19ejaar in een der weeshuizen was opgevoed. Daarna werd zij bij een ouden heer en dame als dienstbode geplaatst. Zij bezat geen andere familieleden dan één getrouwden broeder, met wiens vrouw zij niet harmonieerde en er daardoor niet veel aan huis kwam.

Hoewel het leven haar in al zijn vroolijkheid toelachte, ging zij toch zeer weinig uit, omdat zij niemand had met wien zij kon gaan. Na eenige maanden gediend te hebben, ontmoette zij op een Zondagmorgen toen zij uit de kerk kwam een heer die haar reeds meermalen zijn bizondere aandacht had geschonken. Hij sprak haar aan en vroeg haar des avonds met hem naar den schouwburg te gaan. Ofschoon zij voelde te moeten weigeren,begrijpende dat zij niet goed deed met naar hem te luisteren, was de lust om dat groote gebouw eens binnen te gaan en een tooneelvoorstelling bij te wonen, waarvan zij zooveel gehoord, maar die zij nog nimmer gezien had, te groot dan dat zij kon blijven weigeren. Zij ging, kwam daardoor te laat in haar dienst terug en op haar aanhoudend schellen werd niet opengedaan.

De vriendelijke heer bood onmiddellijk zijn hulp aan, daardoor de gelegenheid vindende zijn prooi in één avond te bemachtigen, waaraan hij anders waarschijnlijk eenige avonden had moeten besteden. Hij nam haar mede en toen zij den volgenden ochtend ontwaakte, wist zij dat voortaan het weeshuis, haar dienst en elk eerlijk middel om haar brood te verdienen voor haar gesloten was.

Waarheen zou zij zich begeven? Zij kende niemand aan wien zij zich kon toevertrouwen of die haar de reddende hand zou reiken. Daarentegen waren in het huis waar zij overnacht had, genoeg gedienstigen die haar helpen wilden en haar vertelden dat een meisje als zij in Amsterdam niet verlegen behoefde te zijn en gemakkelijk heel veel geld kon verdienen. Zij luisterde daarnaar en verviel van kwaad tot erger, telkens hopende een reddende hand te zullen vinden, die haar van haar schandelijk leven zou verlossen en altijd bevreesd dat haar broeder of hare voogden zouden te weten komen, welk leven zij leidde.

Zoodra zij in een bordeel aangeland was, bemerkte zij geen meester meer te zijn over zich zelve. Toen zij begon te sukkelen hoopte zij naar het ziekenhuis gestuurd te worden, maar zij werd eenvoudig aan een bordeelhouderin een andere stad overgedaan. Zoo ging zij gedurende zes jaren van hand tot hand, om eindelijk in Groningen aan te landen, waar zij, toen ten slotte haar lichaam alle dienst weigerde in het ziekenhuis terecht kwam. Dat zij het ziekenhuis niet eerder zou verlaten dan om grafwaarts te worden gedragen, was haar een troost.

Met mijne bewering dat de meeste vrouwen op ongeveer gelijke wijze ten val worden gebracht en geen enkele uit eigen vrijen wil zich aan prostitutie overgeeft, sta ik niet alleen. Bijna allen die van de prostitutiekwestie een studie hebben gemaakt deelen die opvatting.

Dr. Muller, een duitsch medicus, schrijft in zijn bekend werk,3“Men denkt er intusschen niet aan, te spreken over de oorzaken, waardoor zooveel ongelukkige wezens ten val gebracht werden, men let er niet op hoe gering hunne verantwoordelijkheid, hoe groot die der gansche maatschappij of van eenige harer snoodste leden is, en toch is dit het punt, waartegen de aanval moet gericht worden. Een doeltreffende handelwijze ten aanzien der prostitutie is slechts mogelijk, indien men daarbij nauwlettend het oog vestigt op de factoren, die haar veroorzaken en bevorderen: de bordeelhouders, koppelaarsters, enz. Spreke men over die zielverkoopers ook het strengste vonnis uit, over de door hen verleide meisjes zij het oordeel ten minste menschelijk.”

De heer Koentz schrijft in zijne brochure,4“Maar even als verschillende oorzaken vaak samenwerkten ter bevordering der ondeugd, zoo ook vond het ontuchtig leven der vrouwen dikwerf zijn oorsprong, òf in de opvoeding, òf in de armoede, òf in andere oorzaken, waarvan het individu vaak de schuld niet was. Velen van haar waren jong en schoon, zonder behoorlijk toezicht en, aan zich zelven overgelaten, vervielen zij tot een ontuchtig, zwervend en eindelijk armoedig leven, dat hen drong, omdat zij elders werden afgewezen, eene vaste woning te zoeken, die alleen in de huizen der ontucht te vinden was.” En dan vraagt hij later, “Maar tracht de menschlievendheid dan niet, die ongelukkigen, welke de slachtoffers der armoede en der verleiding waren, uit dien gevallen staat op te heffen?” en

Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt:5“dat het onmogelijk is om, zoolang bordeelen worden toegelaten, te beletten, dat vrouwen òf eenvoudig opgelicht, òf door allerlei listen in bordeelen gelokt en gehouden worden, vrouwen die, bestonden de bordeelen niet, misschien nooit zich aan prostitutie zouden hebben overgegeven.” En later6: “Velen zouden er minder lichtvaardig toe overgaan een vrouw te verleiden, wanneer zij gevaarliepen eventueel voor de opvoeding van een kind te moeten zorgen. Nu daarentegen kunnen zij vrij zondigen, zonder dat zij behoeven te vreezen ooit daarover langs rechterlijken weg te worden lastig gevallen. Dat de prostitutie dientengevolge wordt bevorderd, behoeft geen betoog.”

Dr. Combet, oud-officier van gezondheid in het Fransche leger, oud-lid van den Gemeenteraad van Lyon, komt ook in zijn talentvol geschreven boekje,7tot de conclusie dat het verbod tot onderzoek naar het vaderschap een voorname oorzaak is van de telkens nieuw aankomende slachtoffers in het kamp der prostitutie. En daarbij noemt hij dan nog armoede, slecht betaalde vrouwenarbeid en verleiding als andere oorzaken.

Zonder verder aan te halen wat schrijvers uit verschillende landen als oorzaken opsommen, waardoor meisjes tot prostitutie vervallen, wil ik eenvoudig resumeeren dat bijna allen het er over eens zijn dat verleiding en misleiding van arme onbeschermde meisjes de voornaamste oorzaken zijn en daarna armoede en slechte omgeving.

Talrijk zijn de voorbeelden in de litteratuur over dit vraagstuk van vrouwen, die door armoede gedreven, ten einde raad, zich prostitueeren.

Een Hoofdcommissaris van Politie te Brussel zegt in zijn rapport over de prostitutie aldaar8: “dat hij dikwijls onder de prostituées vrouwen ontmoet, die eerst allephasen van armoede en ellende doorloopen hebben en door de onmogelijkheid om van de opbrengst van haar arbeid te leven, tot deze ondeugd vervallen.”

Waar zoo de feiten spreken vraagt Ds. H. Pierson van Zetten terecht:9“wie geeft u (mannen) het recht aan uwe ontembare lusten de dochters der armen op te offeren?”

Door welke beweegredenen worden dan toch deze voorstanders der instandhouding van bordeelen en reglementeering geleid, wanneer zij zoo oordeelen in strijd met alle menschelijkheid en recht? Die vraag is niet moeielijk te beantwoorden. Zij meenen veelal dat de opheffing der bordeelen de geheime of clandestine prostitutie, dat is de prostitutie die zich heimelijk onttrekt aan het toezicht der overheid, zal bevorderen, terwijl zij de bordeelen uit een gezondheidsoogpunt minder gevaarlijk achten dan de geheime prostitutie. Zij willen de reglementeering, waarvan de “keuring” hoofdbestanddeel uitmaakt, handhaven, omdat zij onderstellen dat daardoor de kans om met de smetstof der venerische ziekten in aanraking te komen, vermindert.

Nog maar weinige jaren geleden waren het in hoofdzaak moralisten en juristen die, op zedelijkheids- en rechtvaardigheidsgronden tegen de reglementeering in het algemeen opkomende, ook deze meening bestreden. Langzamerhand voegde zich daarbij een steeds grooter wordend aantal doctoren, die geen geloof meer slaan aande beteekenis der reglementeering in het algemeen en der bordeelen in het bizonder, als veiligheidsmaatregel.

“Dat het opheffen der bordeelen de clandestine prostitutie zal doen vermeerderen is eene banale gevolgtrekking, die de een den ander naspreekt”, zoo concludeerde Dr. Blooker als lid van de zoo even reeds door mij genoemde commissie, in zijn rapport aan den Gemeenteraad van Amsterdam.

Nergens ook heb ik, bij al de voorstanders der bordeelen eenig bewijs aangetroffen, waarmede zij hunne meening in dezen konden staven. Daarentegen hebben anderen aangetoond en ik haal hier nogmaals aan van Dr. Voûte in het Amsterdamsch rapport: “dat de bordeelen niet noodig zijn, om de wilde hartstochten der jeugd een uitweg te verschaffen, maar dat zij de kweekplaatsen zijn der meest liederlijke geslachtsbevrediging voor oudere gezeten burgers en vaak getrouwde mannen.”

Dr. Voûte moest uit de resultaten van zijn onderzoek verkregen, tevens de conclusie trekken dat, “in de bordeelen volkomen slavernij heerschte, dat het lot der vrouwen er hoogst treurig, ja menschonteerend bleek”, en dat deze armen “de bordeelen niet kunnen verlaten, omdat zij diep in de schulden steken, tengevolge van de ongehoorde sommen, die zij voor alles moeten betalen en het ongelooflijk karig loon, dat zij genieten.” Op voorstel van genoemde commissie besloot dan ook de gemeenteraad van Amsterdam het vorig jaar het houden van bordeelen te verbieden.

Laat mij thans, om de waarde der keuring te bepalen,twee geneesheeren uit Rotterdam citeeren, de doctoren Broes van Dort en Rietema die, ofschoon principieel voorstanders der keuring, niettemin naar aanleiding van een in 1897 door Dr. van Staveren ingediend voorstel bij den Rotterdamschen gemeenteraad, tot verbod van het houden van bordeelen, het volgende als hunne overtuiging hebben uitgesproken: “dat het geneeskundig toezicht op de prostitutie alleen nut kan en zal afwerpen, wanneer daarbij aan de strengste eischen der wetenschap wordt voldaan en op de diagnose der ziekte onmiddellijk kan volgen een opneming in een ziekeninrichting met behandeling zoo langdurig als die toestand van ieder geval vereischt.”

Met deze heeren meen ook ik dat eene reglementeering der prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt, alleen nut kan hebben, als zij aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt, doch tevens ben ik van oordeel dat nergens een reglementeering is door te voeren die aan die eischen voldoet en dat men met een gebrekkig geneeskundig toezicht, zooals het overal bestaat, waar men met deze oude sleur nog niet heeft durven breken, een vertrouwen schept dat misplaatst is en daardoor juist bevordert wat men met dit toezicht wil voorkomen.

Prof. Chanfleury vanIJsselstein, een autoriteit op dit gebied, die niet alleen een tijdlang in den Haag controleur van de keuring der publieke vrouwen was, maar later als professor in huidziekten aan de Universiteit van Amsterdam voortdurend in aanraking was met de slachtoffers der prostitutie stelt ook eischen aan eene goede keuring, die onmogelijk zijn door te voeren. Hij eischtbijv. dat de vrouwen minstens eens per dag gekeurd moeten worden en dat niet alleen de zieken, maar ook die van ziekte verdacht worden, afgezonderd moeten worden. Er zou dus eigenlijk geen enkele overblijven. Hij komt zelf tot de conclusie “dat een volkomen vertrouwde publieke prostitutie onbestaanbaar is.”10

Men mag trouwens over eengoedekeuring denken zoo men wil, in ’t algemeen zijn zij, die met deze zaak van nabij bekend zijn het er vrij wel over eens, dat de keuring, zooals die hier te lande wordt uitgeoefend in de gemeenten waar zij nog wordt gehandhaafd, niet meer dan eene schijnvertooning is, die, mag zij al eenige sterk sprekende exemplaren uit den strijd verwijderen, voor ’t overige meer nadeel dan voordeel berokkent ook voor degenen in wier voordeel zij heet te geschieden.

Deze uitspraak eischt misschien eenige toelichting. Velen zullen waarschijnlijk meenen, dat dan toch die erge zieken een tijdlang worden afgezonderd en ten minste in dien tijd geene besmetting kunnen overbrengen. Dit is waar, maar de vele anderen die óók ziek zijn en die niet worden afgezonderd, omdat zij de verschijnselen hunner ziekte hebben weten te verbergen, òf waarvan de doctoren, met het onderzoek belast, de ziekte niet konden ontdekken en constateeren, òf die onmiddellijk na het onderzoek door een zieken man besmet worden, òf, maar laat mij deze reeks niet verder uitbreiden, er zijn nog heel wat andere redenen, waarom de prostituéesuit een gezondheidsoogpunt gevaar opleveren voor elkeen die met haar in aanraking komt, zonder dat zij door den keurenden dokter gelast worden zich af te zonderen.

Mannen, die vertrouwen dat de bestaande keuring hen vrijwaart voor besmetting, gaan er gemakkelijker toe over bordeelen te bezoeken. Bestond de keuring niet, velen zouden uit vrees voor besmetting zich wel ter dege bedenken, eer zij tot dien stap besloten. Daarom maakt de overheid, die zulke verordeningen vaststelt zich zoo schuldig, want zij verwekt daarmede bij de burgers een misplaatst vertrouwen en biedt hun een waarborg aan, dien zij niet kan geven. Bovendien verleenen zulke verordeningen aan dit maatschappelijk kwaad eene wettelijke sanctie, die het in menig oog verheft tot een onmisbare instelling.

Ik zal niet dieper in de zuiver hygiënische zijde van dit vraagstuk treden, maar liever nog een oogenblik stilstaan bij de vraag, wat kunnen de vrouwen in dezen doen om verbetering aan te brengen?

In de eerste plaats is daarvoor noodig, dat wij ons ontworstelen aan het van jongs af ingeprente denkbeeld, dat prostituées menschen zijn die men niet anders dan met diepe verachting moet bejegenen; dat zij niet zijn als wij; dat liefde, genegenheid, smart, ellende voor hen vreemde gewaarwordingen zouden zijn; dat wij hen eigenlijk als onze grootste vijandinnen hebben te beschouwen. Zij zouden onze zonen verleiden, hun hartstochten prikkelen, hun gezondheid vernietigen, elk edel, groot, heilig gevoel in hen dooden, jeugdig verwelkte mannen van hen maken. Zij zouden ons geluk verwoesten dooronze echtgenooten van onze zijde weg te rukken, ons hunne liefde ontrooven.

Wij moeten beginnen met deze wanbegrippen over boord te gooien en die misdeelden te beschouwen als de slachtoffers van maatschappelijke misstanden en van onze eigen tekortkomingen.

Als wij onzen plicht te allen tijde gevoeld en daarnaar gehandeld hadden, zouden wij reeds lang een andere phase der maatschappelijke ontwikkeling zijn ingetreden.

Wij veroordeelen immers nog steeds het verleide meisje en beschouwen haar als te slecht om zelfs onze dienstmaagd te zijn, terwijl de jonge man, die haar misbruikte er even vriendelijk door ons om ontvangen wordt en wij geen bezwaar hebben hem in onze familie op te nemen. Zelfs de gehuwde man waarvan wij weten dat hij zich in dit opzicht schuldig maakt aan ergerlijke feiten wordt door ons verontschuldigd; wij verheerlijken hem zelfs, indien hij daarop wegens andere eigenschappen aanspraak maakt, bij zijn leven en na zijn dood. Vergevensgezind treden wij op voor den man, die door wetten en instellingen allerzijds gesteund wordt, daarentegen onthalen wij op haat en verachting het zwakke meisje dat door machtsmisbruik viel en wie door valsche begrippen van zedelijkheid geen uitweg geboden wordt.

Wie kent niet het schoone gedicht van Victor Hugo, gewijd aan het gevallen meisje? Het beeld door hem geschetst vinde hier een plaats. Het jonge onschuldige meisje vergelijkt hij bij een helderen dauwdrop op een rozeblad. Een wreede hand rukt ruw aan den stengel enhet dauwdropje valt op den grond. Nog ligt het daar vreemd aan zijne omgeving, onvermengd met het slijk om zich heen. Een zonnestraal kan het nog doen schitteren, een voorzichtige hand kan het nog redden van zijn ondergang. Het arme gevallen dauwdropje echter kan zich alléén niet oprichten, het heeft daarvoor hulp noodig. Maar menschen komen en gaan en trappen onbewust het dauwdropje dieper in den grond en maken het tot slijk.

Zoo ook gaat het in de samenleving. “Het is niet zoozeer de schuld van de verworpenen dat zij verworpen zijn, de zedelijke maatschappij is het die daaraan het grootste aandeel heeft,” zijn maar al te ware woorden van James Stansfeld, in het Engelsche parlement gesproken.

Het is in onze macht het opkomend geslacht beter begrippen dan de tot nu toe gehuldigde in te boezemen; daartoe hebben wij reeds vroeg met onze kinderen te spreken over de mysterien van hun bestaan, opdat zij een gezonde, ware voorstelling krijgen van het geslachtsleven en opdat zij leeren in hun moeder de aangewezen en vertrouwde vriendin te zien, die hun al het raadselachtige oplost, waarmede zij hun hoofden kwellen, vooral in den tijd der puberteitsjaren, den overgang naar geslachtsrijpheid. Daardoor voorkomen wij dat verkeerde vrienden die teêre taak van ons overnemen en de hoofden en harten van onze lievelingen vullen met onreine voorstellingen eener meestal overprikkelde phantasie; daardoor ook zijn wij in staat iederen verkeerden invloed, iedere slechte neiging tijdig tegen te gaan en onzekinderen behulpzaam te zijn hun zwakheden te overwinnen.

Onzen zonen hebben wij in te prenten dat hun zusters hun gelijkwaardigen, in zelfverloochening en karaktergrootheid dikwerf hun meerderen zijn; dat zij op geen enkele vrouw minachtend mogen neerzien; dat de arme verworpelingen die zij des avonds in de straten ontmoeten, eens meisjes waren als hun zusters; dat zij, die thans ziekte en verderf om zich heen verspreiden, onder beter maatschappelijke toestanden een goede echtgenoote en gelukkige moeder hadden kunnen zijn. Wij moeten hun er op wijzen, dat, zoo zij hopen eenmaal het middenpunt van een gelukkig gezin te worden, zij dan even rein moeten blijven als de bruid die zij als levensgezellin wenschen. Wij dienen hun te waarschuwen dat een enkel zwak oogenblik in het geslachtsleven over hun toekomst kan beslissen, dat hun gezondheid, hun gemoedsrust, hun zelfwaardeering daardoor verwoest kunnen worden en zij daarover dan levenslang berouw zullen gevoelen.

Van onze dochters moeten wij krachtige, zelfstandige personen vormen, bekwaam om in eigen onderhoud te voorzien; laten wij haar tegen den strijd des levens wapenen met kennis en fierheid, opdat zij nimmer liefde veinzen als het hart niet spreekt; laten wij haar verachting inboezemen voor den man die zijn macht misbruikte tegenover haar zusters, opdat zij nimmer in verzoeking komen de medeplichtigen te worden van zulk een ellendeling.

Maar meer nog valt er voor ons te doen. Al demannen die openlijk tegen de prostitutie te velde trekken, ook de meest conservatieven onder hen zien in haar bestaan mede het gevolg van de wettelijke geringschatting der vrouw. Het strijden voor gelijke rechten naast gelijke plichten voor man en vrouw in de wetgeving, zal dus mede voor ons een onafwijsbare taak zijn. En waar wij zagen dat armoede en gebrek vele vrouwen in de armen der prostitutie voert, ligt het op onzen weg tegen elken maatregel die vrouwenarbeid bemoeilijkt of buitensluit met nadruk te protesteeren en tegen het lager bezoldigen van arbeid, omdat hij door vrouwen verricht wordt, krachtig onze stem te verheffen.

Dat wij niet mogen rusten voor en aleer het schandelijk art. 342 Burg. Wetboek, waarbij het onderzoek naar het vaderschap verboden wordt, is opgeheven, behoeft na hetgeen voorafgaat, niet opzettelijk te worden betoogd.

Maar wel ten slotte nog een woord geuit tot opwekking van sympathie voor het meisje uit de volksklasse, het kind der armen. Vereenigd moeten wij over haar waken, teneinde op ons niet toepasselijk worden de woorden van een zooeven reeds geciteerden schrijver “dat het meisje uit de volksklasse naar de gangbare begrippen omtrent zedelijkheid, de treurige onderscheiding in dezen te beurt valt van op minachting en veroordeeling te mogen rekenen der vrouwenwereld, in plaats van op medelijden en pogingen tot redding.”

Wij vrouwen moeten het ons tot plicht stellen vereenigd er voor te waken dat de politie nimmer beslag op haar kan leggen, want daardoor kan voorkomenworden dat alle eergevoel in haar gedood wordt.

De hier te lande bestaande en te Rotterdam gevestigde vereeniging: “Onderlinge Vrouwenbescherming” is in deze richting werkzaam en verdient daarvoor aller sympathie en steun.

1De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman. Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. Bladz. 11.2De Prostitutiekwestie door Dr. A. P. Fokker, Hoogleeraar in de Hygiène te Groningen, 1879.3De Prostitutie. Eene Sociaal-Geneeskundige Studie. Uit het Hoogduitsch, van Dr. F. W. Muller. 1870. bldz. 5.4De Openbare en Geheime Prostitutie in Nederland, door G. M. Koentz. Commissaris spec. van Rijkspolitie. 1863. bldz. 20.5De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman, Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. bldz. 12.6Bldz. 27.7De la Prostitution. Les Causes—Les Remèdes. Lyon 1884.8Règlement sur la Prostitution. Bruxelles 1877. bldz. 29.9Tweeërlei Zedewet? Eene waarschuwing tegen ons aanstaand Nationaal Congres, Besproken door H. Pierson. 1889. bldz. 10.10Het toezicht op de prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt beschouwd, door Prof. J. L. Chanfleury van IJsselstein. 1889. bldz. 10.

1De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman. Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. Bladz. 11.

2De Prostitutiekwestie door Dr. A. P. Fokker, Hoogleeraar in de Hygiène te Groningen, 1879.

3De Prostitutie. Eene Sociaal-Geneeskundige Studie. Uit het Hoogduitsch, van Dr. F. W. Muller. 1870. bldz. 5.

4De Openbare en Geheime Prostitutie in Nederland, door G. M. Koentz. Commissaris spec. van Rijkspolitie. 1863. bldz. 20.

5De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman, Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. bldz. 12.

6Bldz. 27.

7De la Prostitution. Les Causes—Les Remèdes. Lyon 1884.

8Règlement sur la Prostitution. Bruxelles 1877. bldz. 29.

9Tweeërlei Zedewet? Eene waarschuwing tegen ons aanstaand Nationaal Congres, Besproken door H. Pierson. 1889. bldz. 10.

10Het toezicht op de prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt beschouwd, door Prof. J. L. Chanfleury van IJsselstein. 1889. bldz. 10.


Back to IndexNext