Hoofdstuk V.

Hoofdstuk V.De bezwaren tegen vrouwenkiesrecht weerlegd.Het kan niemand verwonderen, dat terstond toen het denkbeeld vrouwenkiesrecht voor het eerst werd geopperd, ook bergen van bezwaren daartegen werden aangevoerd, of, eigenlijk niet terstond. Zelfs voor het opperen van bezwaren achtte men in den beginne de zaak te dwaas. Men vergenoegde zich met de schouders op te halen en te lachen om dergelijke dwaze denkbeelden.Een vrouw die aan politiek zou doen!Maar daar heeft een vrouw immers geen verstand van! Doch door het lachen heen klonk daar al het eerste bezwaar: een vrouw heeft geen verstand van politiek. Men vergat daarbij te bedenken, dat ook de man niet als politicus wordt geboren; voedde men het meisje evenals den jongen man op tot staatsburger(es), zij zou evengoed verstand krijgen van politiek, zooals zij thans ook wel verstand krijgt van talen, van boekhouden, van geschiedenis enz. enz., zaken die men haar vroeger evenmin leerde “omdat zij een meisje was.”Nu ja, zoo redeneert men, natuurlijk kan een vrouwleeren, evenals een man en zij kan het soms heel ver brengen. Maar dooreengenomen is de vrouw toch intellectueel beneden den man gebleven. De man heeft steeds meer gepresteerd op het gebied van wetenschap en kunst. De mannen zijn het geweest die de maatschappij vooruit geholpen hebben; zij hebben richting gegeven aan het denken der massa, zij zijn het, die de groote uitvindingen deden, aan hen hebben wij de groote schatten te danken op het gebied van muziek, van litteratuur, van beeldende kunsten. De mannen hebben de geschiedenis gemaakt, niet de vrouwen. Daarom moeten de mannen de wetten maken en de leiding in handen houden.Onlogisch als deze redeneering is, dient zij echter tòch in het kort even te worden bestreden, om de eenvoudige reden, dat zelfs verstandige en geletterde menschen er nog heden ten dage mede aankomen.Dat tot op heden de vrouw veel minder presteerde dan de man op het gebied van wetenschap en kunst, dat er oneindig veel meer groote mannen dan groote vrouwen zijn geweest, zij grif toegegeven. Hoe zou dit echter anders kunnen, waar tot voor korten tijd beide geslachten onder zoo ongelijke bedeeling leefden, wat betreft de gelegenheid om onderwijs te ontvangen en zich te ontwikkelen? Dat er desondanks door alle eeuwen heen vrouwen zijn geweest die zich door bijzondere geestesgaven of talenten hebben weten te verheffen boven haar tijdgenooten en tot op heden beroemd bleven, mag veeleer verwondering wekken. Eerst als gedurende vele jaren de ontwikkelingsvoorwaarden voor beide sexen gelijk zijn geweest, kan de balans worden opgemaakt en bepaald, aan welke zijde men het grootste intellect heeft gevonden.Doch zelfs al viel de balans dan geheel en al ten nadeele van het vrouwelijk geslacht uit, zoo zou dit allerminst een reden kunnen zijn om aan de vrouw het kiesrecht te onthouden. Immers ook aan denman wordt geen enkele maatstaf van intellectueele ontwikkeling aangelegd om hem tot kiezer te maken. Moge onder de vigeerende kieswet het feit dat men eenig examen heeft afgelegd één der voorwaarden zijn waardoor men aanspraak kan maken om op de kiezerslijst te worden gebracht, aan den anderen kant kan een mannelijke analphabeet hetzelfde voorrecht deelachtig worden, mits hij maar het aangewezen minimum loon verdient, of aan een der andere, met intellect allerminst verband houdende eischen voldoet, die indertijd werden uitgedacht om iemand tot kiezer te maken. Evenmin eischt het zwartmaken van het balletje achter den naam van den gewenschten candidaat eenige bijzondere geestesontwikkeling.“Maar de vrouw is te goed voor de politiek,” zegt de galante man; het zou zonde wezen een zoo idyllisch wezen te besmetten met al het minderwaardige en verderfelijke dat nu eenmaal onafscheidelijk aan alle politiek gedoe is verbonden, daar staat de vrouw te hoog voor.Wij zouden de vraag kunnen stellen, of door de medewerking der vrouwen ook veel leelijks, wat menigmaal aan de politiek is verbonden, zou kunnen verdwijnen, of althans verminderen; doch men mocht ons eens van te groot idealisme beschuldigen. Evenwel zou de kans op een zuiverder, eerlijker politiek leven allicht grooter worden, wanneer naast de beste mannen, de beste vrouwen aan wetgeving en regeering zouden kunnen deelnemen. Doch vanwaar overigens die vrees om de vrouw z.g. vuil werk te laten doen, onder voorwendsel dat zij er te goed voor is? Acht men de vrouw te goed voor zwaren lichamelijken arbeid? Bespaart men haar als verpleegster der menschelijke ellende naar lichaam en geest die in de ziekenhuizen of op het slagveld te aanschouwen valt? Acht men haar te goed om slecht betaalden nachtarbeid te verrichten indien dit maar in het voordeel is van denwerkgever? (Denk aan kellnerinnen in nachtkroegen). En heeft de vrouw zich ooit—óók in de huishouding—het moeielijke en het vuile werk van den hals geschoven, indien zij wist dat het in het belang van anderen gedaanmoestworden? Ook dit argument kan men gerust laten varen.Dat de vrouw te veel gevoelsmensch zou zijn, iets wat óók als argument tegen vrouwenkiesrecht wordt aangevoerd, is nimmer bewezen en indien het zoo ware, zou het nog geen argument zijn. Want indien het waar is, dat bij de mannen het verstand domineert, dan zou dit juist een reden zijn om het vrouwelijk gevoel naast het mannelijk verstand te laten werken in het bestuur van stad en staat. Wat met het verstand alléén geregeld wordt, is dor en liefdeloos; het gevoel brengt leven en warmte aan, dus behooren deze twee eigenschappen elkaar aan te vullen.Dan is daar nog het stokpaardje van den dienstplicht. Meent niet dat dit beestje te oud is, om nog van stal gehaald te worden; zelfs in den tegenwoordigen tijd hoort men beweren dat de vrouw, indien zij het kiesrecht wil bezitten, dan óók maar soldaat moet worden. Alsof kiesrecht ooit eenig verband had gehouden met dienstplicht! Integendeel; toen het kiesrecht nog enkel werd uitgeoefend door de welgestelden in den lande, waren het juist deniet-kiezers die hun dienstplicht vervulden. Immers, wie het betalen kon, kocht zich een remplaçant. En ook thans ontneemt men het kiesrecht niet aan degenen die hun dienstplicht niet vervullen, anders zouden zij die voor theoloog studeeren, de afgekeurden, degenen die vrijloten, kortom allen die buiten de militie vallen, het stembiljet moeten derven. Is het er echter om te doen, dat wie zijn volle burgerschapsrechten wil bezitten ook gedwongen moet kunnen worden om gedurende één of twee jaar gemeenschapsdienst te verrichten,dan zullen de vrouwen zeker niet achter blijven. Doch zij zouden dan ook op echtvrouwelijkewijze aan dien plicht kunnen voldoen, en diensten bewijzen bij de verpleging van burgers en soldaten, bij kinderverzorging, in de huishouding van rijksinrichtingen, enz. enz.Het is te begrijpen, dat voor de gehuwde vrouw nog enkele afzonderlijke bezwaren worden te berde gebracht. Dat de gehuwde vrouw op voldoende wijze door haar echtgenoot zou worden vertegenwoordigd, is reeds in een der vorige hoofdstukken weerlegd; thans kan dit argument dus buiten bespreking blijven.Een ander bezwaar is dit, dat de vrouw geen tijd zou hebben; immers haar gezin eischt al haar krachten. Gaat de vrouw mee-kiezen, dan wordt zij uithuizig; zij verwaarloost dan haar kinderen en verzuimt haar huishoudelijke plichten. Welke wonderlijke denkbeelden heeft men toch omtrent het wezen der vrouw. Zou de uitoefening van het kiesrecht en al wat daarmee verband houdt, nu werkelijk zóóveel beslag op haar tijd leggen, zóó haar denken en haar geheele wezen vervullen, dat zij alle andere plichten daarvoor zou moeten verzuimen? De mannen hebben toch immers óók hun betrekking, hun beroep, hun zaken, en nog nimmer is gebleken dat zij die niet konden behartigen en daarbij tòch hun kiesplicht naar behooren waarnemen. Wij moeten dus aannemen, dat men veronderstelt dat de vrouw zich in meerdere mate van haar werk zal laten aftrekken. Doch dan rijst de vraag, besteedt de vrouw dan nu werkelijk al haar tijd aan huishouding en kinderen? De arbeidersvrouw moet in vele gevallen mee den kost verdienen; de vrouw uit den kleinen burgerstand helpt mee in winkel of zaak. En de welgestelde vrouw? Denkt men er ooit over haar kwalijk te nemen dat zij uit wandelen gaat, theevisites ontvangt, schouwburg en concerten bezoekt? Toch onttrekt zij de daarvoor benoodigden tijd evengoed aan haar gezin; wat voorkwaad zou er dan in steken, wanneer óók een avond nu en dan wordt besteed aan het bijwonen van een vergadering, of wanneer de romanlectuur eens wordt afgewisseld met wat degelijker kost in tijdschrift of courant?Dan is daar nog het schrikbeeld, dat er twist zal ontstaan in de gezinnen wanneer man en vrouw beiden het kiesrecht bezitten, en zij van politiek inzicht verschillen. Ook dit argument kan gerust bij de vorige worden opgeborgen, als zijnde van onwaarde. Men bedenke toch dat er over zooveel andere zaken als de politiek verschil van meening kan bestaan tusschen echtgenooten; er kan verschil in godsdienst zijn, over de opvoeding der kinderen kunnen vader en moeder het oneens zijn, en over nog heel wat andere zaken meer. Ontstaat daarover dan ook steeds twist, of leert men niet elkanders meening eerbiedigen, of tracht tot overeenstemming te komen? Wanneer de vrouw door middel van het stembiljet eigen inzicht kan doen gelden, zal dit zelfs in zeer vele gevallen een aanleiding tot oneenigheid wegnemen.Een bezwaar dat haast het tegenovergestelde van het voorgaande zou kunnen worden genoemd, is dit: dat het geven van kiesrecht aan de gehuwde vrouw hierop zou neerkomen, dat de man dan 2 stemmen had. Uit dit argument blijkt weer hoezeer is vastgeroest de meening, dat de gehuwde vrouw geheel opgaat in haar echtgenoot en eigen persoonlijkheid prijsgeeft. Het gaat toch niet aan om voor twee zelfstandige, denkende wezens maar willekeurig te bepalen: “omdat gij waarschijnlijk over politiek beleid dezelfde meening zijt toegedaan, is het voldoende dat één uwer die meening tot uiting brengt, anders hebt gij een dubbele stem.” Wonderlijk toch, dat daarbij dan als vanzelf sprekend de vrouw wordt geëlimineerd! Maar bovendien: in de meeste gezinnen zullen de denkbeelden van vader en van de volwassen inwonende zoons óókparallel loopen; doch die zoons zal men om die reden het kiesrecht niet willen ontnemen. Zelfs de voorstanders van het z.g. gezinshoofden-kiesrecht zitten met deze aangelegenheid in de war en zoeken naar middelen om aan het euvel te ontkomen, dat vele volwassen jonge mannen door hun systeem het kiesrecht zouden moeten verliezen.Weer anderen begrijpen niet, hoe de vrouw zoo op het kiesrecht kan gesteld zijn om haar invloed te vergrooten; deze is immers al groot genoeg en door alle eeuwen heen is hij zelfs in de staatkunde merkbaar geweest?Ongetwijfeld heeft die invloed bestaan, doch het zijn juist de om kiesrecht vragende vrouwen die daar een eind aan willen maken, omdat zij hem verderfelijk achten. Niet natuurlijk den vrouwelijken invloed op zich zelf beschouwd, maar wel den invloed, die niet wordt beheerscht door een diep besef van verantwoordelijkheid. En bij alle macht die de vrouwen indirect hebben uitgeoefend, óók op de staatkunde, is dat verantwoordelijkheidsgevoel ver te zoeken geweest. Die vrouwen wilden haar zin doordrijven, menigmaal uit puur eigenbelang. Men hield haar buiten alle ernstige vraagstukken, waardoor zij niet konden handelen met oordeel des onderscheids, doch wilde wel als het zoo te pas kwam van haar hulp en van haar macht over den man gebruik maken, om eigen inzicht te doen zegevieren of zichzelf te bevoordeelen. Een dergelijk uitoefenen van niet door een gevoel van verantwoordelijkheid gelouterden en gecontroleerden invloed is verderfelijk voor het algemeen belang, maar tevens vernederend, zoowel voor de vrouw die hem aanwendt, als voor den man die hem ondergaat. Het kiesbiljet daarentegen zal aan de vrouw het recht verschaffen zich openlijk en langs directen weg met de publieke zaak te bemoeien; doch juist door dit openlijk handelen, zal zij zich verantwoordelijk weten voor haardoen en laten, wat wederom meebrengt zelfcontrôle en nadenken.Nu kunnen wij nog niet van deze algemeene en primitieve bezwaren afstappen, zonder even te weerleggen de bewering, dat de vrouw door zich met politiek te bemoeien haar specifiek vrouwelijke eigenschappen zou verliezen. Alweder is dit argument haast te absurd om het te bespreken; doch wij willen zoo volledig mogelijk zijn.Wat zou het inderdaad treurig gesteld zijn met die vrouwelijke eigenschappen als zij al reeds door de uitoefening van het kiesrecht konden verdwijnen. In werkelijkheid loopen zij veel meer gevaar in den hoek geduwd te worden door den harden strijd om het bestaan, dien de vrouwen in den tegenwoordigen tijd gedwongen zijn te voeren, een strijd, die haar door het gemis van politieke rechten zoo oneindig veel zwaarder wordt gemaakt. Hoe zou het overigens ooit onvrouwelijk kunnen zijn, belang te stellen in alles wat het algemeen welzijn betreft, en de taak die men in het huisgezin volbrengt ten behoeve van de huisgenooten, uit te breiden tot grooter kring?Het voorafgaande zou men kunnen noemen de primitieve bezwaren, in dien zin, dat zij voornamelijk in de allereerste tijden van de beweging voor vrouwenkiesrecht werden genoemd, terwijl zij nu zoetjes aan op den achtergrond raken, althans niet meer tellen bij menschen die onbevooroordeeld de zaken beschouwen. Al kan men, wat de behandelde argumenten betreft, dan ook thans voor een goed deel spreken van een overwonnen standpunt, zoo moesten toch deze primitieve bezwaren ter sprake gebracht, omdat men ze nog steeds hoort opperen in sommige kringen waar de denkbeelden over vrouwenkiesrecht voor het eerst hun intrede doen.Hoe staat het echter met degenen voor wie alle tot dusverre genoemde bezwaren niet meer bestaanen die zich in beginsel voorstanders noemen van de invoering van vrouwenkiesrecht? In die kringen worden weer andere moeielijkheden geopperd en deze zullen opnieuw door de vrouwen moeten worden overwonnen, vóór haar zonder aarzelen het stembiljet in handen zal worden gegeven.Laten we dan beginnen met een paar argumenten te noemen die zoo ongeveer tegen elkaar opwegen en daardoor hun kracht van zelf verliezen.Het is gevaarlijk om aan de vrouwen het kiesrecht te geven zegt de eene partij, want zij staan veel meer dan de mannen onder den invloed van de geestelijkheid; het conservatisme zou dan in ons land hoogtij vieren. Als de vrouwen het kiesrecht krijgen, zullen de sociaal-democraten te veel aan invloed winnen, zegt de andere, wij zouden dan veel te veel naar links opschuiven. Beide bezwaren heffen elkaar dus op. Het zijn echter alleen denkbeeldige bezwaren, want in landen waar vrouwenkiesrecht bestaat, heeft de uitkomst bewezen, dat er in de verhouding der politieke partijen geen noemenswaardige verandering is gekomen.Doch hoe dit ook zij, men vraagt toch ook bij de uitbreiding van het mannenkiesrecht niet eerst hoe de nieuwe groep kiezers stemmen zal? De groote Engelsche staatsman Gladstone noemde het een zondigen tegen grondbeginselen om eerst na te gaan hoe een groep zal stemmen, alvorens men haar het kiesrecht verleent. Moet deze uitspraak niet evenzeer gelden waar het vrouwen betreft?Maar de vrouwen zijn onverschillig voor het kiesrecht, zij begeeren het niet, zegt weer een ander. Minister Heemskerk ging zelfs zoo ver om te verklaren dat hij de vrouwen die om kiesrecht vragen niet zag; de vrouwen zijn stil in ons land, zeide hij. Wonderlijke uitspraak inderdaad van een minister, onder wiens regeering twee groote volkspetitionnemententen gunste van de invoering van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen werden ingediend, waarop ver over de honderdduizend handteekeningen van vrouwen voorkwamen. En dat geschiedde in een land, waar ruim 20.000 vrouwen in twee groote corporaties die voor de invoering van vrouwenkiesrecht strijden, vereenigd zijn, waarvan ééne, de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, alleen meer dan 16000 leden telt, een schare, die nog met ettelijke duizendtallen zou vergroot worden, wanneer alle vrouwen die het kiesrecht begeeren, zich bij die vereenigingen hadden aangesloten. Geen enkele politieke partij in ons land telt zooveel leden als het gezamenlijk aantal strijdsters voor vrouwenkiesrecht bedraagt; indien die 20.000 vrouwen dan ook kiezers waren geweest, geen twijfel, of minister Heemskerk zou hen wèl hebben gezien!Verder mag nog wel gewezen worden op de groote meeting die 4 Mei 1913 in den Haag was belegd door de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, om te protesteeren tegen de kiesrechtparagraaf in de voorstellen tot grondwetsherziening, door het ministerie Heemskerk ingediend. Genoemde meeting was bezocht door 3 à 4000 personen, waaronder vrouwen uit alle streken van ons land, die zich veel moeite en kosten hadden getroost om tegenwoordig te kunnen zijn.Een ander staaltje, dat getuigt van de belangstelling der vrouwen in de publieke zaak is dit, dat, toen onder het ministerie Heemskerk wetsvoorstellen tot wijziging van de Tariefwet werden ingediend, onder de vrouwen in ons land eene spontane beweging ontstond om de Tweede Kamer te verzoeken dat wetsontwerp niet aan te nemen. Een adres in dien geest, dat circuleerde in alle plaatsen van eenige beteekenis in ons land, werd in korten tijd door 94.000 vrouwen geteekend.Dit zijn alle verschijnselen die wijzen op het tegendeelvan onverschilligheid. Dat deze nog in sommige kringen van vrouwen bestaat, mag men gerust op rekening schrijven van het feit, dat tot dusverre de vrouwen zijn opgevoed in het begrip, dat politiek en kiesrecht zaken zijn die buiten de vrouwelijke sfeer liggen; nu de publieke meening in dezen begint te veranderen, zal ook die overgebleven onverschilligheid met toenemenden spoed verdwijnen. Wel merkwaardig is het, dat die onverschilligheid voor het kiesrecht ook bestond bij de arbeiders, toen de beweging voor algemeen kiesrecht voor het eerst tot uiting kwam. De arbeiderspartijen klaagden daarover tijdens de grondwetsherziening van 1887. Niet veel beter was het, toen in 1893 de kieswet-Tak in behandeling kwam; doch terecht vonden de voorstanders van algemeen kiesrecht het feit dat nog niet alle arbeiders het begeerden, geen reden om hun strijd te verslappen, omdat zij wisten dat het bezit van het stembiljet voor den man uit het volk van onschatbare waarde zou zijn. Het is dan ook goed, en volkomen verklaarbaar, dat de voorstanders van vrouwenkiesrecht zich op hetzelfde standpunt plaatsen.Weer anderen komen met het bezwaar aandragen dat het gros der vrouwen nog niet rijp zou zijn voor het kiesrecht. Wat is natuurlijker dan dat wij daar tegenover de vraag stellen, of alle mannen daar dan wél rijp voor zijn? Niemand voorzeker zou deze vraag bevestigend durven beantwoorden; de onrijpe mannen worden evengoed gevonden, en wel in alle kringen der samenleving. Maar zooals ieder weet, ontbreekt het in de verkiezingsdagen allerminst aan de noodige voorlichting. Groote en kleine pers bespreken de zaken en de candidaten dag in, dag uit; er worden vergaderingen gehouden, waarop de candidaten hun standpunt uiteenzetten en er zijn kiesvereenigingen die bij de keuze der volksvertegenwoordiging de organisatie en de leiding op zich nemen. Hebben de vrouwen hetkiesrecht verkregen, dan kunnen zij dus van diezelfde gelegenheden tot voorlichting gebruik maken. Overigens zal van verschillende zijden wel getracht worden, den vrouwen de noodige politieke kennis bij te brengen. Immers, wanneer de vrouw kiezeres is geworden,d.w.z.iemand die een woordje mee mag spreken en met wie dus rekening dient te worden gehouden, dan hebben verschillende partijen en personen er belang bij haar voor zich te winnen; alleen reeds om die reden zal zij gedwongen worden kennis te nemen van de zaken van den dag.Maar men behoeft zich over die beweerde onrijpheid van de vrouwen niet bezorgd te maken. Reeds gedurende 20 jaar is er hier te lande op krachtige wijze propaganda gemaakt voor vrouwenkiesrecht. Men deed dit op verschillende wijze; maar de kern van die propaganda bestond toch steeds hierin, dat men de vrouwen bekend maakte met wetten en wettelijke toestanden, met de inrichting van den Staat en de werking van de regeermachine. De vereenigingen die voor vrouwenkiesrecht werken (de Vereeniging v. Vrouwenkiesrecht doet dit sedert 1894; de Ned. Bond v. Vrouwenkiesrecht sedert 1907) hebben in hare talrijke afdeelingen evenzoo vele middelpunten van waaruit kennis onder de vrouwen wordt verspreid. Er worden daar cursussen gehouden, debating-clubs opgericht, in huishoudelijke vergaderingen worden de partij-programma’s besproken, in openbare bijeenkomsten worden door bekwame spreeksters en sprekers sociale en politieke vraagstukken behandeld, terwijl lectuur over dit alles met ruime hand wordt verspreid of op gemakkelijke wijze verkrijgbaar gesteld.1Bovendien worden door hetzitting nemen in de besturen tal van vrouwen practisch geoefend in het vereenigingsleven, waardoor een groot aantal geschoolde krachten ontstaat. Door op deze wijze te werken hebben de vrouwen elkander reeds gedurende tal van jaren opgevoed voor de taak die haar onvermijdelijk eenmaal wacht. Het is dus niet te veel beweerd, wanneer wij zeggen, dat, wanneer aan de vrouwen het stembiljet wordt gegeven, het kiezerskorps nog nimmer te voren met een zoo beduidend aantal goed toegeruste stemgerechtigden is vergroot geworden.Ten slotte dienen wij nog even stil te staan bij wat men zou mogen noemen het practische bezwaar bij uitnemendheid, n.l. de vraag, aan welke vrouwen voor het eerst het kiesrecht zal worden verleend.De politieke partijen welke vóór de invoering van vrouwenkiesrecht zijn, denken zich deze oplossing verschillend, zonder daarom nog zelf een vast omlijnd, uitvoerbaar plan te hebben gevonden. Twee partijen, de sociaal-democraten en de vrijzinnig-democraten hebben de invoering van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen op hun programma. De Unie-liberalen willen als einddoel wel het algemeen vrouwenkiesrecht, doch wenschen te beginnen met een beperkte invoering, mits deze niet on-democratisch zij, terwijl de vrij-liberalen als partij tevreden zijn met een beperkt vrouwenkiesrecht. Voor de vrijzinnigen, die nog niet terstond tot algemeen vrouwenkiesrecht wenschen over te gaan, schijntdezeoverweging vooral te gelden, dat ook het kiesrecht voor de mannen trapsgewijs is uitgebreid; het zou dus een verbreken zijn van de historische lijn, zoo men ten opzichte van de vrouwen anders handelde. Men zou echter de vraag kunnen stellen of die historische lijnhier wel zooveel gewicht in de schaal mag leggen, omdat de toestanden niet gelijk zijn. Het mannenkiesrecht is telkens uitgebreid, wanneer aan die uitbreiding behoefte bestond, en naarmate de denkbeelden omtrent regeermacht en wetgeving steeds verder voortschreden in democratische richting. Waar men in het bezit van het stembiljet ziet een verdedigingsmiddel om zich het recht op arbeiden, op een behoorlijk loon, kortom, om zich invloed op de regeering te verzekeren, en het thans aan alle arbeiders wil geven, omdat deze er behoefte aan hebben, omdat deze klasse van de maatschappij zich zonder het kiesrecht niet op voldoende wijze kan ontwikkelen op economisch gebied, daar kan men niet meer willekeurig een deel van de vrouwen van dat recht uitsluiten; immers, zij eischen op dezelfde gronden als de arbeiders dat recht op, en kunnen het evenmin als deze langer ontberen. De historische lijn heeft daar niets mee te maken, omdat de vrouwen op het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke ontwikkeling, de evolutie die tot de tegenwoordige toestanden heeft geleid, reeds met de mannen hebben meegemaakt.De eisch van de vrouwen luidt dan ook: geen sekseverschil bij de stembus; wie de vorige hoofdstukken met aandacht heeft gevolgd, zal begrijpen, dat deze eisch niet anders luiden kàn. Wordt dus bij de eerstvolgende grondwetsherziening algemeen mannenkiesrecht ingevoerd, dan zullen de vrouwen niet tevreden kunnen zijn, zoolang ook niet aan haar datzelfde recht wordt toegekend.Iets anders is het evenwel, òf, wanneer om practische redenen begonnen werd met aan een gedeelte der vrouwen het kiesrecht te geven, dit ook door haar zou worden aanvaard. Hierop moet het antwoord luiden: zeer zeker. De vrouwen en óók de democratisch-gezinde mannen die voor hetalgemeenvrouwenkiesrecht strijden, zouden goed doen desnoods aanvankelijkeen beperkt kiesrecht te aanvaarden, zonder àl te groote ongerustheid; want men zou dan gemeenschappelijk kunnen werken aan de uitbreiding van het eenmaal verkregen recht. Hier kan Noorwegen ten voorbeeld strekken. In 1907 werd daar voor de vrouwen ingevoerd een census-kiesrecht, dus zeer ondemocratisch; thans, slechts 6 jaren later is in dat land door samenwerking van mannen en vrouwen uit alle politieke partijen het algemeen kiesrecht voor de vrouwen verkregen.Hiermede zijn wij aan het eind gekomen van de bespreking en weerlegging der bezwaren die tegen de invoering van vrouwenkiesrecht het meest gehoord worden.Moge het ons gelukt zijn die bezwaren te ontzenuwen, zoodat in ons land deze oude bedenkingen niet meer gehoord zullen worden en tegenstanders van de invoering van vrouwenkiesrecht met nieuwe, frissche argumenten komen aandragen, zoo die er mochten te vinden zijn.1De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht bezit o. a. een vrij uitgebreide bibliotheek, die met zorg wordt bijgehouden, en die is ondergebracht in het hoofdbureau der Vereeniging, Keizersgracht467–469 te Amsterdam. De leden der Vereeniging kunnen kosteloos van deze bibliotheek gebruik maken.Hoofdstuk VI.Vrouwenkiesrecht in verschillende landen.Wat zijn de gevolgen geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht in die landen, waar men den moed heeft gehad te breken met oude gewoonten en de opbouwing en instandhouding van den Staat, evenals die van het gezin, aan mannen en vrouwen gezamenlijk durfde toe te vertrouwen? Heeft het daar de ellende gebracht, die tegenstanders er van verwacht hebben; is het gezinsleven er door ondermijnd; zijn de huishoudingen er door verwaarloosd; heeft het ongenoegen tusschen man en vrouw veroorzaakt; werd de parlementaire arbeid er door op een lager peil gebracht? Of wel, heeft het al de zegeningen gebracht die de vrouwen er van verwacht hebben?Op deze en soortgelijke vragen kan nu een antwoord gegeven worden, omdat wij op dit oogenblik reeds kunnen nagaan hoe de invoering van vrouwenkiesrecht werkt in geheel Australië, in 9 Staten van Noord-Amerika en in Alaska, in Finland en Noorwegen, alwaar overal algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen bestaat voor alle wetgevendeen wetuitvoerende lichamen, terwijl in tal van andere landen en staten de vrouwen thans kiesrecht en verkiesbaarheid bezitten voor een deel dezer lichamen. In rapporten, die alle twee jaar, door de vrouwen aller landen, op de congressen van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht worden uitgebracht, in het boek “Vrouwenkiesrecht in de praktijk,” door den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht dit jaar uitgegeven, in de openbaar gemaakte uitingen van regeeringspersonen en mannen van naam en beteekenis uit de landen waar vrouwenkiesrecht bestaat en in de gepubliceerde feiten, vinden wij genoeg gegevens om de bovenstaande vragen te kunnen beantwoorden. Wij behoeven gelukkig niet meer te vreezen, dat met de invoering van vrouwenkiesrecht een sprong in het duister wordt gedaan, wij behoeven niet meer angstvallig te vragen “wat zal het vrouwenkiesrecht ons brengen,” wij kunnen nu nagaan “watheefthet vrouwenkiesrecht gebracht in de landen waar het is ingevoerd.”Wel is waar kunnen wij uit de tot stand gekomen wetten in de landen waar de vrouwen aan de wetgeving deelnemen, niet altijd besluiten, dat zij een gevolg zijn van den arbeid der vrouwen, omdat mannen en vrouwen beide aan de tot standkoming dier wetten hebben medegewerkt; maar bij vergelijking met wat in andere landen onder dezelfde omstandigheden tot wet werd verheven, uit de geuite wenschen der vrouwen omtrent wetswijziging en uit de punten, die zij op de politieke partijprogramma’s hebben gebracht, is toch de invloed op de wetgeving van de vrouwen, die over een stembiljet beschikken, duidelijk genoeg na te gaan.Laat mij beginnen met datgene te vermelden, waardoor de mannen hunne meening omtrent de werking van vrouwenkiesrecht openlijk te kennen gaven in die landen, waar de vrouwen reeds verschillende jarenhet kiesbiljet gebruiken. En dan moet bovenaan vermeld worden de daad door het Parlement van de Vereenigde Staten van Australië verricht.Op 17 November 1910 diende Senator Rea de volgende motie in dat Parlement in: “Dat dit Parlement van meening is, dat het toekennen van kiesrecht voor parlement en gemeenteraden aan de vrouwen van Australië, de meest gunstige gevolgen heeft gehad. Dat het de rust en orde op verkiezingsdagen zeer heeft bevorderd; dat het aantal stemmen door vrouwen uitgebracht bij de laatst gehouden verkiezing voor leden van het parlement percentsgewijs hooger was dan dat der mannen.“Dat het vrouwenkiesrecht de wetgeving ten behoeve van vrouwen en kinderen meer op den voorgrond heeft gebracht, doch dat daaruit niet de gevolgtrekking mag getrokken worden, dat de vrouwen alleen aandacht wijden aan deze zaken. Dat vrouwen in zaken, de landsverdediging en de imperialistische politiek betreffende, even ruim denken als de mannen.“Dat deze hervorming het land niets dan goeds heeft gebracht, terwijl er zoovele slechte gevolgen van voorspeld waren en dat daarom bij alle andere natiën, die een constitutioneelen regeeringsvorm bezitten, er eerbiedig op wordt aangedrongen den vrouwen het stemrecht te verleenen.”Verder werd er voorgesteld dat een afschrift van deze motie gezonden zou worden naar den Eersten Minister van Engeland, om zoodoende het Moederland in deze gewichtige zaak van advies te dienen.In zijne toelichting zeide Senator Rea o. a. “dat nu de tijd voorbij is, dat een vooruitstrevende natie kan volhouden, dat de vrouwen minderwaardiger dan de mannen zijn.” Op het argument “dat het Australische parlement zich niet het recht mocht aanmatigen het Moederland raad te geven,” antwoordde hij “dat de Regeering van Australië niet geaarzeld had zijn oordeeluit te spreken over het Doggersbank-incident, over den Russisch-Japanschen oorlog, over Home-rule voor Ierland en datz.i.het vrouwenkiesrecht een even gewichtig, zoo niet gewichtiger vraagstuk was, dan de genoemden. Door de invoering van vrouwenkiesrecht wordt de weg tot vele sociale en economische verbeteringen gebaand.”De tegenstanders van de motie gaven toe, dat door de invoering van vrouwenkiesrecht veel goeds was tot stand gekomen, maar zij vonden dit geen reden om het Moederland van ongevraagd advies te dienen. De voorstanders waren evenwel van oordeel, dat in zulk een gewichtige zaak de verkregen ervaring wel degelijk het geven van raad gebiedend voorschreef. Ten slotte werd de motie met eene groote meerderheid van stemmen aangenomen, terwijl de enkele tegenstemmers er prijs op stelden, dat uitdrukkelijk werd vermeld, dat zij wel vóór de gunstige resultaten van vrouwenkiesrecht gestemd hadden, doch er alleen tegen waren, dat de gehouden bespreking aan de Engelsche regeering werd medegedeeld.De geheele motie met uitgebreide toelichting, werd toen aan Minister Asquith getelegrapheerd, en door de pers openbaar gemaakt.Een ander feit waarop wij kunnen wijzen, en dat niet minder getuigt van de gunstige werking van vrouwenkiesrecht is: “dat in de Vereenigde Staten van Amerika de Gouverneurs van die Staten, waar de vrouwen het kiesrecht hebben, zich hebben vereenigd om de Gouverneurs van andere Staten tot voorlichting te dienen, wanneer dit gewichtig vraagstuk ook bij hen om oplossing vraagt.” Van deze samenwerking der Gouverneurs hebben de vrouwen reeds veel goeds ondervonden. Sedert kan geen courant in Amerika meer onware berichten verspreiden omtrent de werking van vrouwenkiesrecht, omdat dan onmiddellijk deGouverneur van dien Staat daarmede in kennis wordt gesteld en daardoor in staat is met ware gegevens de onware berichten te logenstraffen.En getuigt het niet ook van de goede werking van het vrouwenkiesrecht in Noorwegen, dat de Regeering bij elk Congres, waarop dit vraagstuk ter sprake komt, een of twee Regeeringsafgevaardigden zendt, die op kosten van de regeering reizen en die komen met een opdracht van de regeering om de ingenomenheid met de resultaten van vrouwenkiesrecht aan de wereld kenbaar te maken? Maar sterker spreekt die ingenomenheid met de resultaten, nu de regeering van Noorwegen in eene vergadering in Junil.l.met algemeene stemmen het besluit nam om de vrouwen, die tot dien tijd nog slechts een beperkt kiesrecht voor het Parlement bezaten, het volledig kiesrecht toe te kennen, toen een daartoe strekkend voorstel, uitgaande van leden uit alle politieke partijen, bij de regeering inkwam.En in Finland? Meer dan boekdeelen vol theoretische beschouwingen over het nut van vrouwenkiesrecht, zeggen de uitspraken van de meest invloedrijke mannen uit Finland, die in de gelegenheid waren de werkzaamheden van de vrouwen in het Finsche parlement van nabij gade te slaan. Zij werden in brochurevorm op het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht den afgevaardigden ter hand gesteld.De voornaamsten zullen wij hier vertaald wedergeven.Senator Mechelin, de man die in 1906 het vrouwenkiesrecht voor Finland invoerde, na het eerst tegenover den Czaar van Rusland verdedigd te hebben, werd in 1839 geboren. Van 1874 tot 1882 was hij Professor in het Staatsrecht en Finantiewezen aan de Hoogeschool te Helsingfors. Daarna ging hij in het politieke levenover en werd weldra de leider van zijne politieke partijgenooten. Als zoodanig is hij nog werkzaam. Hij schrijft: “Daar de vrouwelijke afgevaardigden in den Landdag geen afzonderlijke afdeeling vormen, maar in de verschillende afdeelingen met de mannen samenwerken, daarom kunnen wij over hen geen collectief oordeel uitspreken. De grootste arbeid wordt in onzen Landdag, even als in alle parlementen het geval is, in de commissies en afdeelingen verricht. In alle commissies, waar de vrouwen tot leden benoemd werden, hebben zij hare plaats op bevredigende wijze ingenomen. Vooral was dit het geval in de Commissies voor de financiën, de sociale hervormingen en voor de landbouwafdeeling. In de openbare vergaderingen hebben niet alle vrouwenleden het woord gevoerd, maar dit geldt toch ook voor vele mannen-leden, maar zij die aan de openbare beraadslagingen deelnamen, deden dat met niet minder welsprekendheid dan de mannen en toonden over dezelfde zaakkennis te beschikken als hunne mannelijke collega’s. Zoowel de uitingen der vrouwelijke afgevaardigden, als ook de wetsvoorstellen die op haar initiatief werden ingediend, bewijzen dat de vrouwen ten opzichte van het algemeene welzijn aan de Volksvertegenwoordiging nieuwe krachten hebben toegevoerd en dat zonder haar medewerking vele vraagstukken door de mannen niet naar behooren overwogen zouden zijn geworden.Onder de hervormingen, die door de vrouwen in den Landdag tot stand zijn gekomen, moeten de volgende in de eerste plaats genoemd worden: “hervorming van het huwelijksgoederenrecht, verbetering van de rechtspositie van het onechtelijk geboren kind, moederschapsverzekering, invoering van vrouwelijke inspectrices van gezondheid, regeeringsbijstand aan vereenigingen die werken tot verbetering der zeden, uitbreiding van den arbeid der vrouw in staatsdienst etc.De genoemde voorbeelden toonen aan, dat de vrouwen zich bij voorkeur bewegen in de sfeer, waarin de vrouw dieper inzicht heeft dan de man. Dat noem ik geen feminisme, want de voorgeslagen maatregelen waren steeds ten algemeenen nutte. In politieke vraagstukken, welke tot partij-strijd aanleiding geven, heeft zich nooit eene afzonderlijke vrouwenmeening doen gelden. In het partijleven staan de mannen en vrouwen bij ons solidair.De vrouwelijke en mannelijke afgevaardigden werken als goede kameraden samen, nooit is het voorgekomen dat een vrouwelijke afgevaardigde over gebrek aan beleefdheid van hare mannelijke collega te klagen heeft gehad. Op de verhouding in het gezin en in het sociale leven heeft de politieke ontvoogding der vrouw geen ongunstigen invloed gehad, veeleer is het tegendeel waar. Het ligt toch in den aard van de zaak dat gelijkstelling, eenen gunstigen en veredelenden invloed op de menschen tegenover elkander uitoefenen moet.En dat de uitoefening van het kiesrecht op het gezinsleven en op de plichtsvervulling der vrouw als moeder ongunstig zou werken, is een hersenschim van zwakke mannen, die vreezen hunne traditioneele autoriteit te verliezen.1Wij in Finland hebben geen reden over de invoering van vrouwenkiesrecht te klagen. In de moeilijke tijden, waarin door het telkens ingrijpen der Russische regeering onze zelfstandigheid wordt bedreigd en het werk van den Landdag wordt verlamd is eene verheffing en versterking van het solidariteitsgevoel der geheele natie, waartoe de politieke gelijkstelling van man en vrouw heeft bijgedragen, niet hoog genoeg te waardeeren!”w.g. L. Mechelin.Helsingfors, 18 Jan. 1913.Theodolf Rein, vroeger Professor in de Philosophie aan de Universiteit te Helsingfors, later lid van den Landdag en thans wethouder van de stad Helsingfors, schrijft: “Sedert de invoering van vrouwenkiesrecht in 1906 is er tijd genoeg verloopen om een op ervaring gegrond oordeel over de werking er van te kunnen uitspreken. Ik koester de overtuiging, die ook wel de gangbare in heel Finland is, dat deze hervorming, welke mondige medeburgers van beiderlei geslacht gelijke politieke rechten verleende, het land geen schade gebracht heeft, al is ook het positieve nut voor de geheele gemeenschap niet altijd duidelijk aantoonbaar. Dit laatste voor een deel het gevolg van de ongunstige politieke verhoudingen waarin wij leven. De vrees, dat de deelneming aan het politieke leven de vrouw minder geschikt zou maken voor haar werkkring als vrouw en moeder, is bij ons niet bewaarheid geworden. Inderdaad is het toch slechts een gering aantal dat een werkzaam aandeel neemt aan het politieke leven en van deze zijn de meesten ongehuwd of bezitten geen kinderen. De meeste vrouwen nemen aan het politieke leven slechts bij de verkiezingen deel, door eens in de drie jaar haar stembiljet in de bus te werpen. Daardoor wordt niet zooveel tijd in beslag genomen, dat er een of andere plicht door verzuimd moet worden. Het is toch ook niet aan te nemen dat deelneming aan de verkiezingen de belangstelling in eigen private aangelegenheden zou verzwakken. Dat vrouwen trachten zich de noodige kennis te verschaffen tot eene goede uitoefening van hare nieuwe rechten, kan toch niet anders dan gunstig werken. Daardoor is bij de vrouwen een grooter belangstelling gewekt voor het algemeene welzijn, is haar algemeene kennis verrijkt en grooter verantwoordelijkheidsgevoel ontstaan voor maatschappelijke toestanden. Vrouwen die kinderen op te voeden hebben, zijn daardoor beter in staat de opgroeiende jeugd liefde voor land en volk in te prenten en het plichtsgevoelals burgers bij te brengen. Doch ook voor de verhouding in het huwelijk is de vergrooting van den gezichtskring der vrouw een winst geweest.Vrouwelijke afgevaardigden zijn nog niet talrijk, maar velen hebben zich reeds door verstand en zakenkennis een grooten naam gemaakt. Dooreen genomen hebben de vrouwen-afgevaardigden zich in den Landdag niet zooveel doen hooren als de mannelijke collega’s, doch hieruit mag niet geconcludeerd worden dat zij minder goed werk hebben geleverd. Sedert 1905 tot 1912 hebben de vrouwen, eensdeels gezamenlijk, anderdeels met mannen, moties en wetsvoorstellen ingediend, die van groote algemeene beteekenis zijn, ook al hebben zij de belangen der vrouwen in de eerste plaats op het oog gehad. Daaronder zijn: Verhooging van den verantwoordelijkheidsleeftijd der meisjes, veranderingen in het huwelijksgoederenrecht, afschaffing van de voogdij van den gehuwden man over zijne vrouw, moederschapsverzekering, verbetering van den rechtstoestand van het onechtelijk geboren kind, vergrooting van den werkkring der vrouw in staatsdienst, oprichting van staats-huishoudscholen, maatregelen tegen drankmisbruik, verbeteringen in het gevangeniswezen, invoering van vrouwelijke inspectrices voor het gezondheidswezen enz. Daarbij komen nog wetsontwerpen op het gebied van communaal recht, van algemeenen leerplicht, van uitbreiding van het spoorwegnet, van verbetering der rechtspositie der Joden enz. Een deel dezer wetsontwerpen zijn reeds aangenomen, een ander deel is nog in behandeling.De deelneming der vrouwen aan het politieke leven heeft den politieken partijstrijd niet verscherpt, veeleer getemperd. De vrouwen hebben geen eigen politieke partij gevormd, doch zijn tot de bestaande politieke partijen toegetreden. Daardoor zijn de verhoudingen der verschillende partijen vrijwel gelijkgebleven en is in geen partij eene verandering ten goeden of ten kwaden ontstaan.Ten slotte staat thans de vrouw ten opzichte van de groote levensvraag van ons land aan de zijde van den man met een helderder bewustzijn en vaster besluit om gezamenlijk met hem het goed recht van het land te verdedigen dan zij dat in haar vroeger rechtlooze positie heeft kunnen doen.”w. g. Th. Rein 18/1, 1913.Op nagenoeg dezelfde gronden verklaarden nog de volgende mannen van beteekenis in Finland zich ingenomen met het bestaande vrouwenkiesrecht in hun land en alleen daar, waar zij iets aan het voorgaande hebben toe te voegen, zal ik hen citeeren. 1º Rechter P. E. Svinhufvud, 2º Doctor en Lid van den Landdag A. Neovius, een bekend uitgever, dieo. m.zegt: “dat het gemiddelde niveau van het intellect der vrouwen-kiezers nergens lager, veeleer hooger staat dan dat der mannen. En in den Landdag staan de vrouwen in bekwaamheid niet achter bij de mannen,” 3º Jonkheer V. A. von Born, groot-grondbezitter en politicus. 4º Ernst Estlander, professor in de geschiedenis van het Recht aan de Universiteit van Helsingfors en lid van den Landdag. Hij zegt o. a. “De medewerking der vrouwen aan het werk in den Landdag heeft nooit moeilijkheden opgeleverd, maar wel heeft het in de Volksvertegenwoordiging nieuwe ervaring en andere zaakkennis aan het licht gebracht op sociaal en humanitair gebied.” 5º Ook Professor Wrede spreekt zich ongeveer in den geest van den te voren genoemde uit. 6º Jonkheer Palmen, ook een professor en afgevaardigde in den Landdag schrijft o. a. “Voor het overige hangt toch de bekwaamheid van den persoon van den afgevaardigde af. Enkele vrouwelijke afgevaardigden hebben zich ontegenzeggelijk, hoe onervaren zij ook in het politieke leventraden, als zulke bekwame personen doen kennen, dat zij boven hunne mannelijke collega’s uitsteken, even als voor een halve eeuw de eerste vrouwelijke studenten aan onze Universiteiten zich wisten te verheffen boven het gemiddelde niveau hunner mannelijke medestudenten.” 7º Dr. Axel Lille, hoofdredacteur van het politieke Dagblad “Nya Pressen”. 8º Rector V. T. Rosenqvist, aan het hoofd van het Staatsgymnasium voor jongens. 9º Professor C. G. Swan, uitgever van een ander politiek blad. 10º Professor Ossian Asschan en anderen laten zich allen in ongeveer dezelfde termen uit. De laatste eindigt zijn lang artikel met de volgende ontboezemingen: “Onze moeders, vrouwen en zusters hebben op grond van ervaring het volle recht zich als rijp te beschouwen voor de uitoefening van politieke rechten. Dit geldt zoowel voor de vrouwen uit de hoogere standen als voor die uit het volk. Alle in het buitenland rondgestrooide geruchten, dat de politieke ontvoogding der vrouwen haar onbekwaam heeft gemaakt voor de uitoefening van hare huismoederlijke plichten, berust op slechte voorlichting of opzettelijk valsche voorstelling der feiten.”Alvorens van Finland af te stappen is het goed ook nog even een der vrouwen van dit land, welke daar een invloedrijke positie inneemt en ook in ons land bekend is, aan het woord te laten. Het is Vera Hjelt, de bekende fabrieksinspectrice, die van den wetgevenden arbeid der vrouwen in Finland, gedurende de jaren 1907–1911, een uittreksel heeft gemaakt en dit werk, ten behoeve van de vrouwen in andere landen, gepubliceerd heeft. Zij geeft een volledige reeks van alle wetsvoorstellen door de vrouwen in die jaren ingediend, een reeks die meer dan dubbel zoo groot is dan die door de heeren Mechelin en Rein opgesomd. Ik zal er alleen van noemen die hier nog niet bij de namen der genoemde heeren voorkomen. Zij zijn:moeders en vaders gelijk recht te geven over hare kinderen; de oprichting van te-huizen voor verlaten moeders en kinderen; verhoogde strafbaarheid voor prostitutie en verminderde strafbaarheid voor kindermoord; uitbreiding van de wetten tot bescherming van kinderen; de verplichting van elken gemeenteraad te zorgen dat er in elk dorp goede vroedvrouwen zijn: een goede dienstbodenwet; hervorming van het gevangeniswezen, met de verplichting dat elke gevangene een vak moet leeren; tusschenkomst van de plaatselijke autoriteiten bij moeilijkheden tusschen werklieden en werkgevers; oprichting van bureaux voor sociale adviezen; leerplicht; verbod van verkoop van alkohol in het klein; staats-inrichtingen voor drankzuchtigen; wetten die het vereenigingsleven regelen; een voorstel om het Ministerie van Justitie om te zetten in een onafhankelijk Hoog Gerechtshof.Vera Hjelt zegt, dat niettegenstaande zooveel ijver er toch nog weinig van al deze wetten is tot stand gebracht. Dit is echter een gevolg van den ongunstigen toestand waarin Finland verkeert. In die paar jaar tijds dwong Rusland het land vier keer tot ontbinding van den Landdag, omdat de daarin behandelde en aangenomen zaken niet in den smaak van Rusland vielen. Alle reeds behandelde en aangenomen wetten werden daarbij weder van onwaarde verklaard. De contrôle door het Russische gouvernement op den Landdag van Finland uitgeoefend, verlamt daar elken vruchtbaren arbeid.Verder merkt ook Vera Hjelt op, dat door het vrouwenkiesrecht nergens ongenoegen in de gezinnen ontstond. Zij schrijft: “Om u te overtuigen hoe ongegrond deze vrees is, behoeft men slechts te zien hoe in verkiezingsdagen meestal man en vrouw te zamen, of man, vrouw en volwassen kinderen gezamenlijk naar de stembus gaan. Als regel behooren man en vrouw tot dezelfde politieke partij, maar er zijn tochook uitzonderingen, en daar hoorde men nooit dat dit tot onaangenaamheden aanleiding geeft.”Stappen wij thans van Finland af en gaan wij na wat Noorwegen ons in dezen te leeren geeft. Het Noorweegsche volk staat in ontwikkeling, in levenswijze en geaardheid zooveel dichter bij ons volk dan het Finsche, wij kunnen hen beter begrijpen en ons aan hen beter spiegelen. Laat ons ook voor Noorwegen eerst aan eenige invloedrijke mannen het woord geven. Het zijn de antwoorden die zij gaven aan de Nationale Vereeniging van Vrouwenkiesrecht in Engeland op een tot hen gericht verzoek om hun uitspraak te vernemen in zake de werking van vrouwenkiesrecht in den aanvang van 1913.Gunnaar Kundsen, Ex-Eerste Minister en nu opnieuw in het Ministerie, schrijft: “De vrouwen in dit land bezitten het kiesrecht sedert de twee laatste algemeene verkiezingen en zij hebben met snel toenemend aantal aan de verkiezingen deelgenomen. Wij zijn zeer voldaan over de opgedane ondervinding, en alle politieke partijen zijn nu overtuigd van de rechtvaardigheid van deze hervorming, welke aanvankelijk zooveel tegenstand had te overwinnen van de conservatieve partijen.”G. Hagerup Bull, President van het hooge Gerechtshof, lid van het Parlement en President van de conservatieve partij in de Storthing, schrijft: “Vrouwenkiesrecht, dat hier met den steun van alle politieke partijen werd ingevoerd, heeft nog niet lang genoeg bestaan om de direkte gevolgen duidelijk aan het licht te brengen. Van het eerste oogenblik af hebben de vrouwen echter in grooten getale van haar stembiljet gebruik gemaakt en in twee richtingen kan de invloed reeds aangetoond worden. Het kiesrecht heeft veel gedaan om den gezichtskring der vrouwen te vergrooten en heeft verder, alleen door het feit dat vrouwenhet kiesrecht hebben, een goeden invloed gehad op de houding van het parlement bij verschillende voorkomende gelegenheden.”Chr. H. Knudsen, Lid van het Parlement en leider van de Werkliedenpartij in het Parlement, schrijft: “Ik ben overtuigd dat vrouwenkiesrecht in Noorwegen een goeden invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het gemeentelijk en parlementaire leven hier te lande; en ik ben overtuigd dat het zeer zal helpen om betere sociale toestanden en betere wetten tot stand te brengen.”J. Gastberg, Ex-Minister van Justitie, lid van het Parlement en leider van de radicale groep der liberalen, schrijft: “Het is gebleken dat vrouwenkiesrecht een weldadigen invloed op het politieke leven heeft gehad en het zedelijk aanzien der partijen heeft verhoogd. Het heeft volstrekt niet het gevoelen van patriotisme, zooals door eenigen gevreesd werd, verzwakt. Er bestaat thans geen partij of onderdeel van een partij, die het vrouwenkiesrecht zou wenschen af te schaffen. Integendeel, alle politieke partijen,—conservatieven, liberalen en werklieden—wenschen allen, het beperkt vrouwenkiesrecht, zooals het nu bestaat, tot een algemeen kiesrecht uit te breiden en er is reeds een voorstel daartoe ingediend. In de naaste toekomst zal het wel zoodanig gewijzigd worden.” (Zooals wij hiervoren hebben opgemerkt, is in Juni 1913, reeds in het Noorweegsche Parlement het algemeen kiesrecht voor vrouwen aangenomen. Schr.)Frederik Stang, Minister van Justitie, schrijft: “Vrouwenkiesrecht heeft in Noorwegen zeer goed gewerkt en krijgt steeds meer voorstanders. Door leden uit alle politieke partijen werd het ingevoerd.”K. Thinn, President van het Hooge Gerechtshof, schrijft: “Ik beschouw de invoering van vrouwenkiesrecht een daad van rechtvaardigheid tegenover de vrouw en een weldaad voor het geheele land.”W. Konow, vroeger lid van verschillende Ministeries, van 1907–1912 leider van de linker groep (de oppositie-partij), die thans aan het bewind is, schrijft: “Niets dan goeds kan gezegd worden van de wijze waarop de vrouwen van het stembiljet gebruik maken. In de politieke vergaderingen die ik bijwoonde, waren de vrouwen onder de aanwezigen de meest belangstellenden en intellectueelen en herhaaldelijk gaven zij de mannen een kranig voorbeeld door haar beschaafd en ingehouden gedrag. Eén vrouw, Fr. Rogstad, heeft alleen van 1910–1912 een zetel in het parlement ingenomen. Haar recht-door-zee-gaan en haar eenvoudig optreden, even als hare gaven om haar gevoelens onder woorden te brengen, heeft haar de sympathie en het respect van hare medeafgevaardigden bezorgd. Vele vrouwen zijn in Gemeenteraden en Provinciale raden gekozen, of hebben andere gemeentelijke functies waargenomen. Overal wordt het werk door de vrouwen in het gemeentelijk leven uitgeoefend, op hooge waarde gesteld. Voor zoover ik weet heeft nooit een vrouw door hare politieke ontvoogding eene onvrouwelijke daad gepleegd, niettegenstaande dat toch als een onvermijdelijk gevolg van het uitoefenen van het kiesrecht, voorspeld werd.”Eugen Hanssen, Predikant, schrijft: “Het was wel te voorzien dat vrouwenkiesrecht, eenmaal ingevoerd, uit zich zelf zou aantoonen de rechtvaardigheid van den eisch. Het is gemakkelijk in te zien dat vrouwenkiesrecht het natuurlijke gevolg van mannenkiesrecht is. De eigenschappen van mannen en vrouwen moeten samenwerken om de belangen van een vereenigd volk harmonisch te behartigen. Zelfs de korte periode, in welke de vrouwen politiek ontvoogd zijn, heeft reeds proefondervindelijk de waarheid van dit beweren aan het licht gebracht. De toekomst, en de taak die ons daarin wacht, zal nog meer aantoonen hoe noodzakelijk de invoering van vrouwenkiesrechtwas en nog duidelijker bewijzen dat deze maatregel een was van wijsheid en rechtvaardigheid.”En ten slotte schrijftProfessor W. C. Brogger, Eeredoctor van de Universiteiten van Glasgow, Heidelberg, Cambridge en Stockholm, bezitter van verschillende medailles van verdienste: “Vrouwenkiesrecht heeft geen enkel slecht gevolg gehad. De vrouwen hebben er niet hare huishoudingen door verwaarloosd en de verhouding tusschen man en vrouw heeft er niet door geleden.”De vrouwen van Noorwegen ontvingen in 1901 voor het eerst het Gemeentekiesrecht. Het was echter een zeer ondemocratisch kiesrecht. Alleen vrouwen die meer dan 25 jaren oud waren en die belasting hadden betaald voor een vermogen van 400 kronen in de steden en 300 kronen op het platte land, kregen het kiesrecht en waren verkiesbaar voor de gemeenteraden. De mannen kregen toen tegelijkertijd algemeen kiesrecht voor de gemeenteraden. In 1902 namen de vrouwen voor het eerst aan de verkiezingen deel en trachtten toen direkt zooveel mogelijk vrouwen in de gemeenteraden verkozen te krijgen. In de steden namen dooreengerekend 90% kiesgerechtigde vrouwen aan de verkiezingen deel, op het platte land, voor een deel een gevolg van de geographische gesteldheid van het land, aanmerkelijk minder. Over geheel Noorwegen werden 98 vrouwen direkt in de gemeenteraden gekozen, tegenover 12330 mannen. Toch heeft dit gering aantal vrouwen kans gezien vele verbeteringen tot stand te brengen in zaken, waarover de mannen alleen niet of niet genoegzaam hadden nagedacht. Zoo wisten zij door te voeren dat in de gemeentelijke pandjeshuizen geen goederen mogen worden aangenomen van kinderen beneden 16 jaren. Daardoor werd voorkomen, dat men kinderen gebruikte om goederen te beleenen, die van diefstal afkomstigwaren. Ook werd verboden aan kinderen tabak en sigaren te verkoopen. Het alkoholverbod bestond reeds. Verder werd een verbod uitgevaardigd om meisjes, beneden 18 jaren, boodschappen te laten verrichten aan boord van schepen, die in de havens liggen. Het was n.l. bekend dat jonge meisjes door werkgevers, onder voorwendsel van een boodschap te moeten doen, naar zulke schepen gestuurd en daar misbruikt werden. Beter toezicht van gemeentewege op de keuring van voedingsmiddelen, het oprichten van tehuizen voor kleine kinderen en zuigelingen, enz. werd mede in het eerste jaar verkregen. Ook was een onmiddellijk gevolg van het uitoefenen van dit kiesrecht, dat vrouwen in de Juries benoemd werden. “De groote waarde en beteekenis van het feit dat vrouwen als gezworenen worden toegelaten, komt het meest uit in onaangename en pijnlijke aangelegenheden. In alle gevallen, waarin moeilijkheden tusschen man en vrouw gerezen zijn, heeft het vrouwelijk inzicht, het vrouwelijk rechtvaardigheidsgevoel, er toe geleid dat er een hoogst verstandig en uiterst rechtvaardig vonnis werd uitgesproken,” schrijft een der Noorweegsche dagbladen.In 1906 werd door de Nationale Vereeniging voor vrouwenkiesrecht bij het parlement een verzoek ingediend om de vrouwen op dezelfde voorwaarden als de mannen het kiesrecht en de verkiesbaarheid te verleenen voor gemeenteraden en parlement, terwijl een andere vereeniging een verzoek indiende om het parlementair kiesrecht aan de vrouwen te verleenen op dezelfde voorwaarden als zij het gemeentekiesrecht bezaten. Deze beide voorstellen werden met al den ernst, dien een dergelijke hervorming eischt, door het parlement in overweging genomen, met het gevolg, dat 14 Juni 1907 met groote meerderheid besloten werd den vrouwen algemeen kiesrecht te geven voor de gemeenteraden en een politiek kiesrecht op de voorwaarden,waarop zij voorheen het gemeentekiesrecht hadden uitgeoefend. Daardoor kreeg op eens de grootste helft der vrouwen gelijke politieke rechten als de mannen.Door het feit, dat dit jaar de Noorweegsche vrouwen allen politiek ontvoogd zijn, wordt bewezen, hetgeen door de voorstanders van vrouwenkiesrecht tot in den treure wordt beweerd, dat het er met de invoering van vrouwenkiesrecht maar opaan komt om den eersten stap te doen en het vrijwel onverschillig is, welke vrouwen het eerst hare politieke rechten krijgen. Is eenmaal een begin met deze hervorming gemaakt, dan volgt de geheele politieke gelijkstelling spoedig en zonder veel strijd. De 300.000 vrouwen, die in de eerste instantie ontvoogd werden, hebben den strijd niet opgegeven en hebben zes jaren later reeds voor de 200.000 nog politiek bevoogden, het kiesrecht verworven.Mevrouw Ella Anker uit Noorwegen, vertelde ons wat de vrouwen in de 4 jaren dat zij het beperkt kiesrecht hebben uitgeoefend, daardoor hebben tot stand gebracht. Het is natuurlijk nog geen lange lijst van hervormingen waarop zij kunnen wijzen.Op onderwijs-gebied hebben zij gedaan gekregen dat er van gemeentewege overal goede kookscholen zijn opgericht en dat onderricht in kooken verplichtend is gesteld op alle scholen van lager onderwijs. Huishoudscholen en eenvoudige landbouwscholen, met staatssubsidie, zijn in alle provincies thans in aanbouw. Verder is een soort van Hoogeschool, om leeraressen te vormen in huishoudkunde en kooken, door den staat opgericht. Ook staat nog op het programma der vrouwen om moederscholen tot stand te brengen, waar de moeders onderricht kunnen ontvangen in de opvoeding en verzorging der kinderen, en om cursussen te stichten waar mannen en vrouwen, elk afzonderlijk, onderricht ontvangen in sexueelehygiène en allerlei vraagstukken het sexueele leven betreffende.De huwelijkswetten zijn reeds zeer goed in Noorwegen geregeld geworden. Vader en moeder hebben in Noorwegen dezelfde rechten op hunne kinderen, de vrouw heeft evenveel recht op het gezamenlijk inkomen als de man en het beheer er van is aan beiden toevertrouwd. De vrouw kan, als zij wil, haar eigen vermogen behouden en er zelfstandig het beheer over voeren, ook over het geld dat zij zelf verdient.Men werkt nu om “moederschapsverzekering” te verkrijgen, niet alleen voor vrouwen die bij een werkgever werken, maar ook voor vrouwen van werklieden. Het voorstel luidt, om een vrouw gedurende 8 weken 60% van het weekloon uit te betalen, als zij een kind heeft gekregen. Ook is door de vrouwen reeds een voorstel ingediend om voor ongehuwde moeders en hare kinderen betere toestanden in het leven te roepen. Daarin wordt, economisch zoowel als zedelijk, een grooter verantwoordelijkheid tegenover de kinderen op de schouders der vaders gelegd. Ook hebben de vrouwen in menig geval eenstrengerestraf geeischt dan was uitgesproken, voor vele zedelijkheidsvergrijpen tegenover kinderen en vrouwen gepleegd. Vooral zulke vergrijpen tegenover kinderen, die vroeger slechts licht gestraft werden, worden nu gestraft met de hoogst daarop gestelde eischen.Voor wat hooger loonen voor vrouwenwerk betreft, hebben de vrouwen nu reeds verkregen dat bij post en telefoon vrouwen en mannen gelijkebelooningontvangen en dat het salaris van alle onderwijzeressen verhoogd is en ook daar gelijk loon voor gelijken arbeid in uitzicht is gesteld.Als een belangrijke winst is zeker te beschouwen, dat nu alle Staatsambten voor de vrouwen zijn opengesteld.Dus ook van Noorwegen zijn niets dan goede gevolgen te boeken van de invoering van vrouwenkiesrecht.Gaan wij thans na wat Australië en Nieuw-Zeeland ons in dezen te leeren geven. De toestanden zijn daar wel is waar anders dan bij ons, maar wij behoeven immers ook niet alles over te nemen wat daar geschiedt, wij deelen alleen mede wat de geschiedenis van het vrouwenkiesrecht in die landen ons te boekstaven geeft.In Nieuw-Zeeland kregen de vrouwen het kiesrecht voor de Gemeenteraden in 1886, en in 1893 werd dit tot het parlement uitgestrekt. Als een bijzonder in het oog springend resultaat van het verleenen van kiesrecht aan de vrouwen moet vermeld worden, dat het bij de mannen de belangstelling in de verkiezingen zeer heeft verhoogd. Klom het percentage der mannen-kiezers, die aan de verkiezingen deelnamen, vóór de invoering van vrouwenkiesrecht, nooit hooger dan 74%, doch was het dikwijls niet meer dan 55%, na de invoering van vrouwenkiesrecht klom het onophoudelijk en bereikte bij de laatste verkiezingen zelfs de hoogte van 84,43%. Ook de vrouwen nemen in nagenoeg dezelfde verhouding aan de verkiezingen deel.Ook uit Nieuw-Zeeland hebben vele mannen van naam zich openlijk uitgelaten over de werking van vrouwenkiesrecht. Zoo zeide mr. W. Pember Reeves, vroeger Gouverneur-generaal vanN. Z.en nu Vertegenwoordiger van dien Staat in Engeland: “Altijd wordt mij de vraag gedaan of wij inN. Z.niet te klagen hebben over verwaarloozing der kinderen, over ongelukkige huwelijken, over slordige huishoudens, over verlies van vrouwelijke gratie, alles ten gevolge van de invoering van vrouwenkiesrecht. Ik moet echter bekennen dat geen van die slechte gevolgen door mij zijn bespeurd; maar wel moet getuigd worden dat de vrouwen met opvallend helder oordeel haar taak als kiezers hebben opgevat en uitgevoerd en dat zij in dit opzicht in geen enkel punt bij de mannen achterstaan.”Sir Joseph Ward schreef in 1907, toen hij Eerste Minister van Nieuw-Zeeland was: “Wij hebben hier niet opgemerkt dat door eens in de drie jaar een punt op het verkiezingsbiljet zwart te maken, de vrouwen haar huiselijke plichten hebben verwaarloosd. Integendeel, wij hebben gezien dat het vele goede gevolgen heeft gehad en de verkiezingsdagen heeft gezuiverd van de vroegere leelijke bijkomende omstandigheden. Het drinken, vechten, schelden van vroeger heeft nu plaats gemaakt voor een waardig optreden, zoodat de verkiezingsdagen nu gelijken op plechtige bijeenkomsten, waarin de burgers van den Staat een ernstigen plicht vervullen, waarvan de uitkomst bevorderlijk moet zijn aan het heil van den Staat. In aanmerking genomen dat het voor eene vrouw moeilijker is om een dag vrij te komen dan voor een man, blijkt toch duidelijk uit de opkomst bij de verkiezingen, dat de vrouwen evenveel prijs op haar kiesrecht stellen als de mannen.Het gehalte was bij de laatste verkiezingen 84,07% mannen en 82,23% vrouwen.”Nog tal van andere invloedrijke mannen uitN. Z.hebben zich in dien geest uitgelaten en hunne uitlatingen gepubliceerd. Doch meer dan al deze goede getuigenissen interesseeren ons de daden der vrouwen inN. Z., sedert zij het kiesrecht bezitten. Uit de lange lijst van wettelijke hervormingen, die door of na de invoering van vrouwenkiesrecht tot stand kwamen, zal ik de meest sprekende opnoemen:1. De wet op den alkohol-handel geeft denkiezersin elk district het recht te stemmen of er in dat district herbergen met vergunning zullen zijn of niet, en zoo ja, hoeveel er zullen zijn. Daar de vrouwen over dit verlof ook stemmen mogen, zijn nu alle arbeidersdistricten gezuiverd van lokalen waar alkohol verkocht wordt.2. Kinderbeschermingswetten, waarbij tehuizen van staatswege voor verwaarloosde en verweesde kinderen.3. Wet, waarbij de vrouwen het recht hebben op eigen bezit en eigen verdiend geld.4. De winkels en winkelbedienden-wet, waarbij de arbeidsuren der winkelbedienden en de hygiënische toestanden in de winkels wettelijk geregeld zijn.5. Wet op de levering van onvervalschte voedingsmiddelen.6. Verbod van opiumverkoop.7. Leerplicht tot 14 jaar en oprichting van scholen voor doove en blinde kinderen.8. Vroedvrouwenscholen en verplichting van gemeenteraden om gemeente-vroedvrouwen aan te stellen in elke gemeente.9. Een wet, die de Overheid het recht geeft om in wenschelijke gevallen de vrouw van den werkman de helft van zijn verdiend loon door den werkgever te laten uitbetalen.10. Gelijk loon voor gelijken arbeid voor mannen en vrouwen.11. Een wet die veroorlooft het weduwenpensioen uit te keeren in gevallen waar de man ongeneeslijk ziek is en niet kan voorzien in het onderhoud van het gezin.12. De pensioenwet zoo uit te breiden dat, wanneer een man van 60 en een vrouw van 55 jaar twee of meer kinderen hebben van onder 14 jaar, zij dan eene wekelijksche toelage kunnen verkrijgen. En zoo zou ik nog wel een paar dozijn wetten kunnen opnoemen, waaruit duidelijk de invloed van het kiesrecht der vrouw blijkt; maar genoeg om te doen zien dat ook inN. Z.de invloed van vrouwenkiesrecht geen slechte gevolgen voor het land heeft opgeleverd en dat het te begrijpen is dat de mannen van dat land het niet betreuren dat zij tot de invoering zijn overgegaan.En dat de mannen van de 6 verbonden Staten van Australië er even zoo over denken heb ik reeds in denaanvang van dit hoofdstuk aangetoond. Maar toch wil ik nog even het besluit dat genomen is in December 1910, weergeven, omdat dat misschien nog duidelijker aantoont, welke gevolgen de invoering van vrouwenkiesrecht in geheel Australië, volgens het oordeel der Volksvertegenwoordigers, heeft gehad. Ook toen hebben de beide Kamers in openbare Zitting de vraag besproken. “Wat is het gevolg geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht?” en als besluit van deze bespreking, de volgende motie met algemeene stemmen aangenomen:“Dat deze Kamer, na eene ondervinding van 16 jaren in verschillende staten van Australië en na eene ondervinding van 9 jaren in het Parlement der Vereenigde Staten van Australië, moet verklaren, dat de invoering van vrouwenkiesrecht alle goede resultaten heeft gehad, die er van verwacht werden;“dat, zooals door de voorstanders er van voorzien was, het tot resultaat heeft gehad, dat het de vrouwen zoodanig ontwikkeld heeft, dat zij zich meer dan voorheen mede verantwoordelijk gevoelen voor de sociale toestanden en voor de welvaart van het land;“dat de sociale wetgeving en de wetten met betrekking tot het gezinsleven op den voorgrond zijn gekomen;“dat daardoor de ondervinding het Australische Parlement heeft geleerd, dat invoering van vrouwenkiesrecht eenvoudig beteekent: het verantwoordelijkheidsgevoel voor het openbare welzijn, de basis voor eene goede regeering, door onderlinge samenwerking van mannen en vrouwen, te vergrooten.”Voor elk der 6 verbonden Staten zou ik een heele reeks van wetsartikelen kunnen opnoemen, die een gevolg zijn geweest van den invloed der vrouwen. Zij hebben echter zooveel met elkander gemeen, dat ik gerust volstaan kan met het opnoemen van enkele, die het meest sprekend zijn en overal zijningevoerd. Zoo vooral de wet die de regeering verplicht steeds gelijk loon voor gelijken arbeid te betalen, waardoor een eerlijke concurrentie tusschen mannen en vrouwen ontstaan is en het gevolg is geweest, dat in alle staatsbetrekkingen steeds de meest geschikte persoon geplaatst werd. Dit voorbeeld door de regeering gegeven om gelijk loon te betalen voor gelijken arbeid, is spoedig door particuliere werkgevers gevolgd en heeft thans in Australië een toestand geschapen, waarbij mannen en vrouwen op eerlijke wijze kunnen concureeren om het beste werk te leveren. Verder is overal voor mannen en vrouwen een gelijk minimum-salaris vastgesteld.In alle Staten is een wet aangenomen, die de vrouwen recht geeft op eigen bezit en op eigen verdiend geld; een wet die de verantwoordelijkheidsleeftijd van het jonge meisje verhoogt tot 17 of 18 jaren, (in ons land is een meisje van 16 jaren verantwoordelijk); kinderbeschermingswetten, waaruit duidelijk den invloed der vrouw spreekt; vaders en moeders dezelfde rechten geven en dezelfde verplichtingen opleggen voor hunne kinderen, ook als die kinderen geboren zijn uit niet-gehuwde ouders; een heele reeks hygiënische wetten; verbod van verkoop van alkohol en tabak aan kinderen onder de 18 jaren; verplichting om winkelbedienden stoelen achter de toonbank te verschaffen.Het feit dat Australië een van de gezondste landen der geheele wereld is, wat niet aan de geographische en klimaterische gesteldheid kan worden toegeschreven, moet ons doen zien, dat Australië goed geregeerd wordt. Het sterftecijfer in geheel Australië is lager dan in eenig land in Europa en lager dan in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er is geen land waar op de 1000 inwoners jaarlijks zoo weinig menschen sterven. Nog gunstiger dan het sterftecijfer in het algemeen is dat van jonge kinderen.In geheel Australië sterven er gemiddeld 75 kinderen op de 1000, beneden den leeftijd van één jaar en in Nieuw-Zeeland is dat cijfer zelfs gedaald tot 68 op de 1000. En nu is het opmerkelijk dat overal, in de geheele wereld, dit cijfer veel hooger is, behalve in Noorwegen en Zweden. In het eerstgenoemde land hebben de vrouwen ook het kiesrecht en in het laatstgenoemde bezitten zij kiesrecht voor de gemeenteraden en kunnen dus op de plaatselijke gezondheidstoestanden een invloed ten goede oefenen. Als men daar tegenover stelt het sterftecijfer van kinderen beneden 1 jaar in ons land, dat van 1910, toen ook de andere cijfers te boek zijn gesteld, 108 bedraagt, dat van Duitschland 178, dat van Engeland 105 en van Frankrijk 120 is, dan ziet men eerst het gunstig verschil van Australië en zal men toch zeker niet langer kunnen volhouden, dat het geven van kiesrecht aan de vrouw verwaarloozing van de gezinnen en zorgeloosheid ten opzichte van het kind tengevolge heeft. Ook geeft het iets te denken, dat in heel Australië het aantal huwelijken, dat jaarlijks gesloten wordt, gerekend op de 1000 inwoners, zoo groot is, dat het nergens overtroffen wordt. Mij dunkt, genoeg gegevens om ons te doen zien dat de mannen in dat werelddeel verstandig gehandeld hebben, toen zij de politieke rechten en de politieke verantwoordelijkheid eerlijk met de vrouwen zijn gaan deelen.In de Vereenigde Staten van Amerika komen van de Staten die het eerst het vrouwenkiesrecht hebben ingevoerd, ook niets dan goede berichten. De eerste Staat die het aandurfde om met de oude sleur te breken, was Wyoming, waar de vrouwen in 1869 reeds hare politieke rechten kregen. Toen was Wyoming nog een grondgebied en toen dat grondgebied in 1890 verzocht opgenomen te worden in de rij der Amerikaansche Staten en een pogingwerd aangewend om het dan te verplichten het vrouwenkiesrecht weder te doen vallen, was het fiere antwoord van de mannen, die het verzoek bij de federatie in Washington indienden: “Liever blijven wij nog honderd jaar een grondgebied dan een Staat te worden zonder vrouwenkiesrecht.” En zoo was Wyoming op den 27sten Juni 1890 de eerste Staat in Amerika, welke zich inderdaad een Staat van vrije burgers kon noemen.Na Wyoming volgde Colorado, waar de vrouwen in 1893 hare volle burgerrechten kregen. Zij verkregen dit toen met een meerderheid van 6347 stemmen, en toen in 1900, dus 7 jaren nadat de vrouwen van deze rechten gebruik hadden gemaakt, eenige tegenstanders het zoover wisten te brengen, dat dit recht der vrouwen opnieuw aan een referendum onderworpen werd, toen klom dit aantal tot het driedubbele, niettegenstaande de belanghebbenden bij den vrijen alkoholverkoop geen geld gespaard hebben om het er toe te brengen den vrouwen dit recht weder te ontnemen.In 1896 volgde Idaho en kort daarna in datzelfde jaar ook Utah. Gedurende 14 jaren waren deze vier Staten de eenige vrouwenkiesrechtstaten in Amerika, totdat in 1910 de belangrijke Staat Washington volgde. Sedert komen er elk jaar een of meer Staten bij die het recht en het nut van vrouwenkiesrecht inzien en er naar handelen. Den 10den October 1911 werden de vrouwen van Californië politiek ontvoogd, en op den 5den November 1912 volgden tegelijk drie Staten, met name Kansas, Arizona en Oregon.Het is voor de vrouwen van Amerika niet gemakkelijk het kiesrecht te veroveren. Zij kunnen niet volstaan met eenvoudig de leden van het parlement te overtuigen en daar een meerderheid te bewerken, maar zij moeten dan nog de eisch aan het goedvinden van alle mannen van den Staat onderwerpen. Insommige Staten moet zelfs eerst een ⅔ meerderheid in het Statenparlement er voor gestemd hebben, alvorens het voorstel aan een referendum kan worden onderworpen. Als men dan bedenkt, dat vele Staten van Amerika een groote menigte landverhuizers herbergt, die allen na 5 jaar verblijf in Amerika het recht tot medestemmen hebben en er daaronder velen zijn, die met alle vooroordeelen behept uit hunne dikwijls achterlijke landen komen, en anderen, door hun nog wankel bestaan licht in handen vallen van de rijke en machtige tegenstanders, die geld noch moeite sparen om de invoering van vrouwenkiesrecht zoolang mogelijk tegen te houden, dan begrijpt men met hoeveel bezwaren onze Amerikaansche zusters te kampen hebben om hare rechten te verkrijgen.Uit den tegenstand die vrouwenkiesrecht in Amerika ondervindt en uit den kant vanwaar die tegenstand komt, spreekt duidelijk, welke gevolgen vrouwenkiesrecht heeft gehad in de Staten waar het is ingevoerd. De grootste tegenstand komt van de zijde der groot- en kleinhandelaren van alkoholhoudende dranken. De alkohol-trust geeft zich alle moeite om verdere uitbreiding van vrouwenkiesrecht tegen te gaan. Daarnaast moeten in één adem genoemd worden allen, die bij het houden van speelhuizen en bij het welig tieren van de prostitutie belang hebben. Maar ook de groote trusts zien in vrouwenkiesrecht een vijand en zij steunen de tegenstanders altijd met groote geldelijke gaven om een krachtige aktie te kunnen voeren.Er zijn natuurlijk ook wel een half boekdeel vol uitspraken bijeen te brengen van bekende mannen, die zich gunstig over het vrouwenkiesrecht in Amerika hebben uitgelaten. Alleen van den Staat Colorado zijn wel honderd en meer gunstige uitspraken te verzamelen. De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht hier te lande gaf het vorig jaar een boekje uit, waarinde uitspraken van twee mannen van naam uit Colorado, de Heeren George Creel, een bekend journalist, en Ben Lindsey, de vader van de kinderrechtbanken in Colorado, hunne gevoelens, die zeer gunstig zijn, uiteenzetten. Slechts een korte uitspraak, van den Gouverneur, John J. Schafroth, uit Colorado, wil ik aanhalen, omdat zij kort en pittig en zooveel zeggend is. Hij schrijft aan Miss Mac Millan in Schotland: “Gedurende 14 jaren is de anti-vrouwenkiesrecht-beweging in New-York en Massasuchetts ijverig zoekende om uit het optreden der vrouwen in Colorado argumenten te vinden, die zouden kunnen dienen om hun zaak te steunen. Uit hunne geschriften en uit hunne argumenten blijkt genoegzaam dat zij ze niet hebben kunnen vinden en dat zij noch in Colorado, noch in een van de andere vrouwenkiesrechtstaten een dozijn achtbare mannen bijeen heeft kunnen brengen, die een met hun naam onderteekend stuk hebben durven schrijven, waarin aan vrouwenkiesrecht eenig verkeerd gevolg wordt toegeschreven.”In een van de gepubliceerde rapporten van de verschillende Staten van Amerika wordt door het vereenigd parlement getuigd, dat “Colorado de gezondste, de meest humane, de meest vooruitstrevende, en de wetenschappelijkste wetgeving bezit, vooral met betrekking tot het kind, van alle landen der wereld.”Onnoodig waarschijnlijk om te zeggen dat ook in Amerika alle wetsveranderingen, die door toedoen der vrouwen tot stand kwamen in de eerste plaats het welzijn van het kind beoogden en dat daarnaast betere wetten tot regeling der rechtsverhouding tusschen man en vrouw tot stand kwamen. Het springt toch ook zoo duidelijk in het oog, dat een rechtsverhouding tusschen twee volwassen menschen nooit rechtvaardig geregeld kan worden, als men daarbij slechts aan een der partijen het recht van medespreken verleent. De betere zedelijkheidswetten, dehygiënische wetten, wetten op den drankhandel die door de vrouwen werden tot stand gebracht of beïnvloed, kunnen toch ook alle teruggevoerd worden tot wetten in het belang van vrouw of kind.Ik zou nu nog een reeks van verbeteringen kunnen vermelden, die vrouwen in kwaliteit van lid van gemeenteraden of zelfs als wethouders tot stand brachten, maar de opgesomde lijst is al lang genoeg om te doen zien, dat de invoering van vrouwenkiesrecht geen sprong meer is in het duister, en dat zij, die nu den stap hebben te doen, genoeg gegevens kunnen vinden om hunne overtuiging te staven. Alleen tegenstanders van vrouwenkiesrecht zullen hard werk hebben om hunne argumenten, die op “ik geloof” en op “ik ben bang” en “het komt mij voor” berusten, eenigen schijn van waarheid bij te brengen. Zulke menschen zijn in den regel eerst te overtuigen als zij het feit voor oogen hebben; dan zullen zij, als overal elders, spoedig inzien dat zij met hun tegenstand verkeerd hebben gehandeld.1De cursiveering is van den heer L. Mechelin.

Hoofdstuk V.De bezwaren tegen vrouwenkiesrecht weerlegd.Het kan niemand verwonderen, dat terstond toen het denkbeeld vrouwenkiesrecht voor het eerst werd geopperd, ook bergen van bezwaren daartegen werden aangevoerd, of, eigenlijk niet terstond. Zelfs voor het opperen van bezwaren achtte men in den beginne de zaak te dwaas. Men vergenoegde zich met de schouders op te halen en te lachen om dergelijke dwaze denkbeelden.Een vrouw die aan politiek zou doen!Maar daar heeft een vrouw immers geen verstand van! Doch door het lachen heen klonk daar al het eerste bezwaar: een vrouw heeft geen verstand van politiek. Men vergat daarbij te bedenken, dat ook de man niet als politicus wordt geboren; voedde men het meisje evenals den jongen man op tot staatsburger(es), zij zou evengoed verstand krijgen van politiek, zooals zij thans ook wel verstand krijgt van talen, van boekhouden, van geschiedenis enz. enz., zaken die men haar vroeger evenmin leerde “omdat zij een meisje was.”Nu ja, zoo redeneert men, natuurlijk kan een vrouwleeren, evenals een man en zij kan het soms heel ver brengen. Maar dooreengenomen is de vrouw toch intellectueel beneden den man gebleven. De man heeft steeds meer gepresteerd op het gebied van wetenschap en kunst. De mannen zijn het geweest die de maatschappij vooruit geholpen hebben; zij hebben richting gegeven aan het denken der massa, zij zijn het, die de groote uitvindingen deden, aan hen hebben wij de groote schatten te danken op het gebied van muziek, van litteratuur, van beeldende kunsten. De mannen hebben de geschiedenis gemaakt, niet de vrouwen. Daarom moeten de mannen de wetten maken en de leiding in handen houden.Onlogisch als deze redeneering is, dient zij echter tòch in het kort even te worden bestreden, om de eenvoudige reden, dat zelfs verstandige en geletterde menschen er nog heden ten dage mede aankomen.Dat tot op heden de vrouw veel minder presteerde dan de man op het gebied van wetenschap en kunst, dat er oneindig veel meer groote mannen dan groote vrouwen zijn geweest, zij grif toegegeven. Hoe zou dit echter anders kunnen, waar tot voor korten tijd beide geslachten onder zoo ongelijke bedeeling leefden, wat betreft de gelegenheid om onderwijs te ontvangen en zich te ontwikkelen? Dat er desondanks door alle eeuwen heen vrouwen zijn geweest die zich door bijzondere geestesgaven of talenten hebben weten te verheffen boven haar tijdgenooten en tot op heden beroemd bleven, mag veeleer verwondering wekken. Eerst als gedurende vele jaren de ontwikkelingsvoorwaarden voor beide sexen gelijk zijn geweest, kan de balans worden opgemaakt en bepaald, aan welke zijde men het grootste intellect heeft gevonden.Doch zelfs al viel de balans dan geheel en al ten nadeele van het vrouwelijk geslacht uit, zoo zou dit allerminst een reden kunnen zijn om aan de vrouw het kiesrecht te onthouden. Immers ook aan denman wordt geen enkele maatstaf van intellectueele ontwikkeling aangelegd om hem tot kiezer te maken. Moge onder de vigeerende kieswet het feit dat men eenig examen heeft afgelegd één der voorwaarden zijn waardoor men aanspraak kan maken om op de kiezerslijst te worden gebracht, aan den anderen kant kan een mannelijke analphabeet hetzelfde voorrecht deelachtig worden, mits hij maar het aangewezen minimum loon verdient, of aan een der andere, met intellect allerminst verband houdende eischen voldoet, die indertijd werden uitgedacht om iemand tot kiezer te maken. Evenmin eischt het zwartmaken van het balletje achter den naam van den gewenschten candidaat eenige bijzondere geestesontwikkeling.“Maar de vrouw is te goed voor de politiek,” zegt de galante man; het zou zonde wezen een zoo idyllisch wezen te besmetten met al het minderwaardige en verderfelijke dat nu eenmaal onafscheidelijk aan alle politiek gedoe is verbonden, daar staat de vrouw te hoog voor.Wij zouden de vraag kunnen stellen, of door de medewerking der vrouwen ook veel leelijks, wat menigmaal aan de politiek is verbonden, zou kunnen verdwijnen, of althans verminderen; doch men mocht ons eens van te groot idealisme beschuldigen. Evenwel zou de kans op een zuiverder, eerlijker politiek leven allicht grooter worden, wanneer naast de beste mannen, de beste vrouwen aan wetgeving en regeering zouden kunnen deelnemen. Doch vanwaar overigens die vrees om de vrouw z.g. vuil werk te laten doen, onder voorwendsel dat zij er te goed voor is? Acht men de vrouw te goed voor zwaren lichamelijken arbeid? Bespaart men haar als verpleegster der menschelijke ellende naar lichaam en geest die in de ziekenhuizen of op het slagveld te aanschouwen valt? Acht men haar te goed om slecht betaalden nachtarbeid te verrichten indien dit maar in het voordeel is van denwerkgever? (Denk aan kellnerinnen in nachtkroegen). En heeft de vrouw zich ooit—óók in de huishouding—het moeielijke en het vuile werk van den hals geschoven, indien zij wist dat het in het belang van anderen gedaanmoestworden? Ook dit argument kan men gerust laten varen.Dat de vrouw te veel gevoelsmensch zou zijn, iets wat óók als argument tegen vrouwenkiesrecht wordt aangevoerd, is nimmer bewezen en indien het zoo ware, zou het nog geen argument zijn. Want indien het waar is, dat bij de mannen het verstand domineert, dan zou dit juist een reden zijn om het vrouwelijk gevoel naast het mannelijk verstand te laten werken in het bestuur van stad en staat. Wat met het verstand alléén geregeld wordt, is dor en liefdeloos; het gevoel brengt leven en warmte aan, dus behooren deze twee eigenschappen elkaar aan te vullen.Dan is daar nog het stokpaardje van den dienstplicht. Meent niet dat dit beestje te oud is, om nog van stal gehaald te worden; zelfs in den tegenwoordigen tijd hoort men beweren dat de vrouw, indien zij het kiesrecht wil bezitten, dan óók maar soldaat moet worden. Alsof kiesrecht ooit eenig verband had gehouden met dienstplicht! Integendeel; toen het kiesrecht nog enkel werd uitgeoefend door de welgestelden in den lande, waren het juist deniet-kiezers die hun dienstplicht vervulden. Immers, wie het betalen kon, kocht zich een remplaçant. En ook thans ontneemt men het kiesrecht niet aan degenen die hun dienstplicht niet vervullen, anders zouden zij die voor theoloog studeeren, de afgekeurden, degenen die vrijloten, kortom allen die buiten de militie vallen, het stembiljet moeten derven. Is het er echter om te doen, dat wie zijn volle burgerschapsrechten wil bezitten ook gedwongen moet kunnen worden om gedurende één of twee jaar gemeenschapsdienst te verrichten,dan zullen de vrouwen zeker niet achter blijven. Doch zij zouden dan ook op echtvrouwelijkewijze aan dien plicht kunnen voldoen, en diensten bewijzen bij de verpleging van burgers en soldaten, bij kinderverzorging, in de huishouding van rijksinrichtingen, enz. enz.Het is te begrijpen, dat voor de gehuwde vrouw nog enkele afzonderlijke bezwaren worden te berde gebracht. Dat de gehuwde vrouw op voldoende wijze door haar echtgenoot zou worden vertegenwoordigd, is reeds in een der vorige hoofdstukken weerlegd; thans kan dit argument dus buiten bespreking blijven.Een ander bezwaar is dit, dat de vrouw geen tijd zou hebben; immers haar gezin eischt al haar krachten. Gaat de vrouw mee-kiezen, dan wordt zij uithuizig; zij verwaarloost dan haar kinderen en verzuimt haar huishoudelijke plichten. Welke wonderlijke denkbeelden heeft men toch omtrent het wezen der vrouw. Zou de uitoefening van het kiesrecht en al wat daarmee verband houdt, nu werkelijk zóóveel beslag op haar tijd leggen, zóó haar denken en haar geheele wezen vervullen, dat zij alle andere plichten daarvoor zou moeten verzuimen? De mannen hebben toch immers óók hun betrekking, hun beroep, hun zaken, en nog nimmer is gebleken dat zij die niet konden behartigen en daarbij tòch hun kiesplicht naar behooren waarnemen. Wij moeten dus aannemen, dat men veronderstelt dat de vrouw zich in meerdere mate van haar werk zal laten aftrekken. Doch dan rijst de vraag, besteedt de vrouw dan nu werkelijk al haar tijd aan huishouding en kinderen? De arbeidersvrouw moet in vele gevallen mee den kost verdienen; de vrouw uit den kleinen burgerstand helpt mee in winkel of zaak. En de welgestelde vrouw? Denkt men er ooit over haar kwalijk te nemen dat zij uit wandelen gaat, theevisites ontvangt, schouwburg en concerten bezoekt? Toch onttrekt zij de daarvoor benoodigden tijd evengoed aan haar gezin; wat voorkwaad zou er dan in steken, wanneer óók een avond nu en dan wordt besteed aan het bijwonen van een vergadering, of wanneer de romanlectuur eens wordt afgewisseld met wat degelijker kost in tijdschrift of courant?Dan is daar nog het schrikbeeld, dat er twist zal ontstaan in de gezinnen wanneer man en vrouw beiden het kiesrecht bezitten, en zij van politiek inzicht verschillen. Ook dit argument kan gerust bij de vorige worden opgeborgen, als zijnde van onwaarde. Men bedenke toch dat er over zooveel andere zaken als de politiek verschil van meening kan bestaan tusschen echtgenooten; er kan verschil in godsdienst zijn, over de opvoeding der kinderen kunnen vader en moeder het oneens zijn, en over nog heel wat andere zaken meer. Ontstaat daarover dan ook steeds twist, of leert men niet elkanders meening eerbiedigen, of tracht tot overeenstemming te komen? Wanneer de vrouw door middel van het stembiljet eigen inzicht kan doen gelden, zal dit zelfs in zeer vele gevallen een aanleiding tot oneenigheid wegnemen.Een bezwaar dat haast het tegenovergestelde van het voorgaande zou kunnen worden genoemd, is dit: dat het geven van kiesrecht aan de gehuwde vrouw hierop zou neerkomen, dat de man dan 2 stemmen had. Uit dit argument blijkt weer hoezeer is vastgeroest de meening, dat de gehuwde vrouw geheel opgaat in haar echtgenoot en eigen persoonlijkheid prijsgeeft. Het gaat toch niet aan om voor twee zelfstandige, denkende wezens maar willekeurig te bepalen: “omdat gij waarschijnlijk over politiek beleid dezelfde meening zijt toegedaan, is het voldoende dat één uwer die meening tot uiting brengt, anders hebt gij een dubbele stem.” Wonderlijk toch, dat daarbij dan als vanzelf sprekend de vrouw wordt geëlimineerd! Maar bovendien: in de meeste gezinnen zullen de denkbeelden van vader en van de volwassen inwonende zoons óókparallel loopen; doch die zoons zal men om die reden het kiesrecht niet willen ontnemen. Zelfs de voorstanders van het z.g. gezinshoofden-kiesrecht zitten met deze aangelegenheid in de war en zoeken naar middelen om aan het euvel te ontkomen, dat vele volwassen jonge mannen door hun systeem het kiesrecht zouden moeten verliezen.Weer anderen begrijpen niet, hoe de vrouw zoo op het kiesrecht kan gesteld zijn om haar invloed te vergrooten; deze is immers al groot genoeg en door alle eeuwen heen is hij zelfs in de staatkunde merkbaar geweest?Ongetwijfeld heeft die invloed bestaan, doch het zijn juist de om kiesrecht vragende vrouwen die daar een eind aan willen maken, omdat zij hem verderfelijk achten. Niet natuurlijk den vrouwelijken invloed op zich zelf beschouwd, maar wel den invloed, die niet wordt beheerscht door een diep besef van verantwoordelijkheid. En bij alle macht die de vrouwen indirect hebben uitgeoefend, óók op de staatkunde, is dat verantwoordelijkheidsgevoel ver te zoeken geweest. Die vrouwen wilden haar zin doordrijven, menigmaal uit puur eigenbelang. Men hield haar buiten alle ernstige vraagstukken, waardoor zij niet konden handelen met oordeel des onderscheids, doch wilde wel als het zoo te pas kwam van haar hulp en van haar macht over den man gebruik maken, om eigen inzicht te doen zegevieren of zichzelf te bevoordeelen. Een dergelijk uitoefenen van niet door een gevoel van verantwoordelijkheid gelouterden en gecontroleerden invloed is verderfelijk voor het algemeen belang, maar tevens vernederend, zoowel voor de vrouw die hem aanwendt, als voor den man die hem ondergaat. Het kiesbiljet daarentegen zal aan de vrouw het recht verschaffen zich openlijk en langs directen weg met de publieke zaak te bemoeien; doch juist door dit openlijk handelen, zal zij zich verantwoordelijk weten voor haardoen en laten, wat wederom meebrengt zelfcontrôle en nadenken.Nu kunnen wij nog niet van deze algemeene en primitieve bezwaren afstappen, zonder even te weerleggen de bewering, dat de vrouw door zich met politiek te bemoeien haar specifiek vrouwelijke eigenschappen zou verliezen. Alweder is dit argument haast te absurd om het te bespreken; doch wij willen zoo volledig mogelijk zijn.Wat zou het inderdaad treurig gesteld zijn met die vrouwelijke eigenschappen als zij al reeds door de uitoefening van het kiesrecht konden verdwijnen. In werkelijkheid loopen zij veel meer gevaar in den hoek geduwd te worden door den harden strijd om het bestaan, dien de vrouwen in den tegenwoordigen tijd gedwongen zijn te voeren, een strijd, die haar door het gemis van politieke rechten zoo oneindig veel zwaarder wordt gemaakt. Hoe zou het overigens ooit onvrouwelijk kunnen zijn, belang te stellen in alles wat het algemeen welzijn betreft, en de taak die men in het huisgezin volbrengt ten behoeve van de huisgenooten, uit te breiden tot grooter kring?Het voorafgaande zou men kunnen noemen de primitieve bezwaren, in dien zin, dat zij voornamelijk in de allereerste tijden van de beweging voor vrouwenkiesrecht werden genoemd, terwijl zij nu zoetjes aan op den achtergrond raken, althans niet meer tellen bij menschen die onbevooroordeeld de zaken beschouwen. Al kan men, wat de behandelde argumenten betreft, dan ook thans voor een goed deel spreken van een overwonnen standpunt, zoo moesten toch deze primitieve bezwaren ter sprake gebracht, omdat men ze nog steeds hoort opperen in sommige kringen waar de denkbeelden over vrouwenkiesrecht voor het eerst hun intrede doen.Hoe staat het echter met degenen voor wie alle tot dusverre genoemde bezwaren niet meer bestaanen die zich in beginsel voorstanders noemen van de invoering van vrouwenkiesrecht? In die kringen worden weer andere moeielijkheden geopperd en deze zullen opnieuw door de vrouwen moeten worden overwonnen, vóór haar zonder aarzelen het stembiljet in handen zal worden gegeven.Laten we dan beginnen met een paar argumenten te noemen die zoo ongeveer tegen elkaar opwegen en daardoor hun kracht van zelf verliezen.Het is gevaarlijk om aan de vrouwen het kiesrecht te geven zegt de eene partij, want zij staan veel meer dan de mannen onder den invloed van de geestelijkheid; het conservatisme zou dan in ons land hoogtij vieren. Als de vrouwen het kiesrecht krijgen, zullen de sociaal-democraten te veel aan invloed winnen, zegt de andere, wij zouden dan veel te veel naar links opschuiven. Beide bezwaren heffen elkaar dus op. Het zijn echter alleen denkbeeldige bezwaren, want in landen waar vrouwenkiesrecht bestaat, heeft de uitkomst bewezen, dat er in de verhouding der politieke partijen geen noemenswaardige verandering is gekomen.Doch hoe dit ook zij, men vraagt toch ook bij de uitbreiding van het mannenkiesrecht niet eerst hoe de nieuwe groep kiezers stemmen zal? De groote Engelsche staatsman Gladstone noemde het een zondigen tegen grondbeginselen om eerst na te gaan hoe een groep zal stemmen, alvorens men haar het kiesrecht verleent. Moet deze uitspraak niet evenzeer gelden waar het vrouwen betreft?Maar de vrouwen zijn onverschillig voor het kiesrecht, zij begeeren het niet, zegt weer een ander. Minister Heemskerk ging zelfs zoo ver om te verklaren dat hij de vrouwen die om kiesrecht vragen niet zag; de vrouwen zijn stil in ons land, zeide hij. Wonderlijke uitspraak inderdaad van een minister, onder wiens regeering twee groote volkspetitionnemententen gunste van de invoering van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen werden ingediend, waarop ver over de honderdduizend handteekeningen van vrouwen voorkwamen. En dat geschiedde in een land, waar ruim 20.000 vrouwen in twee groote corporaties die voor de invoering van vrouwenkiesrecht strijden, vereenigd zijn, waarvan ééne, de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, alleen meer dan 16000 leden telt, een schare, die nog met ettelijke duizendtallen zou vergroot worden, wanneer alle vrouwen die het kiesrecht begeeren, zich bij die vereenigingen hadden aangesloten. Geen enkele politieke partij in ons land telt zooveel leden als het gezamenlijk aantal strijdsters voor vrouwenkiesrecht bedraagt; indien die 20.000 vrouwen dan ook kiezers waren geweest, geen twijfel, of minister Heemskerk zou hen wèl hebben gezien!Verder mag nog wel gewezen worden op de groote meeting die 4 Mei 1913 in den Haag was belegd door de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, om te protesteeren tegen de kiesrechtparagraaf in de voorstellen tot grondwetsherziening, door het ministerie Heemskerk ingediend. Genoemde meeting was bezocht door 3 à 4000 personen, waaronder vrouwen uit alle streken van ons land, die zich veel moeite en kosten hadden getroost om tegenwoordig te kunnen zijn.Een ander staaltje, dat getuigt van de belangstelling der vrouwen in de publieke zaak is dit, dat, toen onder het ministerie Heemskerk wetsvoorstellen tot wijziging van de Tariefwet werden ingediend, onder de vrouwen in ons land eene spontane beweging ontstond om de Tweede Kamer te verzoeken dat wetsontwerp niet aan te nemen. Een adres in dien geest, dat circuleerde in alle plaatsen van eenige beteekenis in ons land, werd in korten tijd door 94.000 vrouwen geteekend.Dit zijn alle verschijnselen die wijzen op het tegendeelvan onverschilligheid. Dat deze nog in sommige kringen van vrouwen bestaat, mag men gerust op rekening schrijven van het feit, dat tot dusverre de vrouwen zijn opgevoed in het begrip, dat politiek en kiesrecht zaken zijn die buiten de vrouwelijke sfeer liggen; nu de publieke meening in dezen begint te veranderen, zal ook die overgebleven onverschilligheid met toenemenden spoed verdwijnen. Wel merkwaardig is het, dat die onverschilligheid voor het kiesrecht ook bestond bij de arbeiders, toen de beweging voor algemeen kiesrecht voor het eerst tot uiting kwam. De arbeiderspartijen klaagden daarover tijdens de grondwetsherziening van 1887. Niet veel beter was het, toen in 1893 de kieswet-Tak in behandeling kwam; doch terecht vonden de voorstanders van algemeen kiesrecht het feit dat nog niet alle arbeiders het begeerden, geen reden om hun strijd te verslappen, omdat zij wisten dat het bezit van het stembiljet voor den man uit het volk van onschatbare waarde zou zijn. Het is dan ook goed, en volkomen verklaarbaar, dat de voorstanders van vrouwenkiesrecht zich op hetzelfde standpunt plaatsen.Weer anderen komen met het bezwaar aandragen dat het gros der vrouwen nog niet rijp zou zijn voor het kiesrecht. Wat is natuurlijker dan dat wij daar tegenover de vraag stellen, of alle mannen daar dan wél rijp voor zijn? Niemand voorzeker zou deze vraag bevestigend durven beantwoorden; de onrijpe mannen worden evengoed gevonden, en wel in alle kringen der samenleving. Maar zooals ieder weet, ontbreekt het in de verkiezingsdagen allerminst aan de noodige voorlichting. Groote en kleine pers bespreken de zaken en de candidaten dag in, dag uit; er worden vergaderingen gehouden, waarop de candidaten hun standpunt uiteenzetten en er zijn kiesvereenigingen die bij de keuze der volksvertegenwoordiging de organisatie en de leiding op zich nemen. Hebben de vrouwen hetkiesrecht verkregen, dan kunnen zij dus van diezelfde gelegenheden tot voorlichting gebruik maken. Overigens zal van verschillende zijden wel getracht worden, den vrouwen de noodige politieke kennis bij te brengen. Immers, wanneer de vrouw kiezeres is geworden,d.w.z.iemand die een woordje mee mag spreken en met wie dus rekening dient te worden gehouden, dan hebben verschillende partijen en personen er belang bij haar voor zich te winnen; alleen reeds om die reden zal zij gedwongen worden kennis te nemen van de zaken van den dag.Maar men behoeft zich over die beweerde onrijpheid van de vrouwen niet bezorgd te maken. Reeds gedurende 20 jaar is er hier te lande op krachtige wijze propaganda gemaakt voor vrouwenkiesrecht. Men deed dit op verschillende wijze; maar de kern van die propaganda bestond toch steeds hierin, dat men de vrouwen bekend maakte met wetten en wettelijke toestanden, met de inrichting van den Staat en de werking van de regeermachine. De vereenigingen die voor vrouwenkiesrecht werken (de Vereeniging v. Vrouwenkiesrecht doet dit sedert 1894; de Ned. Bond v. Vrouwenkiesrecht sedert 1907) hebben in hare talrijke afdeelingen evenzoo vele middelpunten van waaruit kennis onder de vrouwen wordt verspreid. Er worden daar cursussen gehouden, debating-clubs opgericht, in huishoudelijke vergaderingen worden de partij-programma’s besproken, in openbare bijeenkomsten worden door bekwame spreeksters en sprekers sociale en politieke vraagstukken behandeld, terwijl lectuur over dit alles met ruime hand wordt verspreid of op gemakkelijke wijze verkrijgbaar gesteld.1Bovendien worden door hetzitting nemen in de besturen tal van vrouwen practisch geoefend in het vereenigingsleven, waardoor een groot aantal geschoolde krachten ontstaat. Door op deze wijze te werken hebben de vrouwen elkander reeds gedurende tal van jaren opgevoed voor de taak die haar onvermijdelijk eenmaal wacht. Het is dus niet te veel beweerd, wanneer wij zeggen, dat, wanneer aan de vrouwen het stembiljet wordt gegeven, het kiezerskorps nog nimmer te voren met een zoo beduidend aantal goed toegeruste stemgerechtigden is vergroot geworden.Ten slotte dienen wij nog even stil te staan bij wat men zou mogen noemen het practische bezwaar bij uitnemendheid, n.l. de vraag, aan welke vrouwen voor het eerst het kiesrecht zal worden verleend.De politieke partijen welke vóór de invoering van vrouwenkiesrecht zijn, denken zich deze oplossing verschillend, zonder daarom nog zelf een vast omlijnd, uitvoerbaar plan te hebben gevonden. Twee partijen, de sociaal-democraten en de vrijzinnig-democraten hebben de invoering van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen op hun programma. De Unie-liberalen willen als einddoel wel het algemeen vrouwenkiesrecht, doch wenschen te beginnen met een beperkte invoering, mits deze niet on-democratisch zij, terwijl de vrij-liberalen als partij tevreden zijn met een beperkt vrouwenkiesrecht. Voor de vrijzinnigen, die nog niet terstond tot algemeen vrouwenkiesrecht wenschen over te gaan, schijntdezeoverweging vooral te gelden, dat ook het kiesrecht voor de mannen trapsgewijs is uitgebreid; het zou dus een verbreken zijn van de historische lijn, zoo men ten opzichte van de vrouwen anders handelde. Men zou echter de vraag kunnen stellen of die historische lijnhier wel zooveel gewicht in de schaal mag leggen, omdat de toestanden niet gelijk zijn. Het mannenkiesrecht is telkens uitgebreid, wanneer aan die uitbreiding behoefte bestond, en naarmate de denkbeelden omtrent regeermacht en wetgeving steeds verder voortschreden in democratische richting. Waar men in het bezit van het stembiljet ziet een verdedigingsmiddel om zich het recht op arbeiden, op een behoorlijk loon, kortom, om zich invloed op de regeering te verzekeren, en het thans aan alle arbeiders wil geven, omdat deze er behoefte aan hebben, omdat deze klasse van de maatschappij zich zonder het kiesrecht niet op voldoende wijze kan ontwikkelen op economisch gebied, daar kan men niet meer willekeurig een deel van de vrouwen van dat recht uitsluiten; immers, zij eischen op dezelfde gronden als de arbeiders dat recht op, en kunnen het evenmin als deze langer ontberen. De historische lijn heeft daar niets mee te maken, omdat de vrouwen op het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke ontwikkeling, de evolutie die tot de tegenwoordige toestanden heeft geleid, reeds met de mannen hebben meegemaakt.De eisch van de vrouwen luidt dan ook: geen sekseverschil bij de stembus; wie de vorige hoofdstukken met aandacht heeft gevolgd, zal begrijpen, dat deze eisch niet anders luiden kàn. Wordt dus bij de eerstvolgende grondwetsherziening algemeen mannenkiesrecht ingevoerd, dan zullen de vrouwen niet tevreden kunnen zijn, zoolang ook niet aan haar datzelfde recht wordt toegekend.Iets anders is het evenwel, òf, wanneer om practische redenen begonnen werd met aan een gedeelte der vrouwen het kiesrecht te geven, dit ook door haar zou worden aanvaard. Hierop moet het antwoord luiden: zeer zeker. De vrouwen en óók de democratisch-gezinde mannen die voor hetalgemeenvrouwenkiesrecht strijden, zouden goed doen desnoods aanvankelijkeen beperkt kiesrecht te aanvaarden, zonder àl te groote ongerustheid; want men zou dan gemeenschappelijk kunnen werken aan de uitbreiding van het eenmaal verkregen recht. Hier kan Noorwegen ten voorbeeld strekken. In 1907 werd daar voor de vrouwen ingevoerd een census-kiesrecht, dus zeer ondemocratisch; thans, slechts 6 jaren later is in dat land door samenwerking van mannen en vrouwen uit alle politieke partijen het algemeen kiesrecht voor de vrouwen verkregen.Hiermede zijn wij aan het eind gekomen van de bespreking en weerlegging der bezwaren die tegen de invoering van vrouwenkiesrecht het meest gehoord worden.Moge het ons gelukt zijn die bezwaren te ontzenuwen, zoodat in ons land deze oude bedenkingen niet meer gehoord zullen worden en tegenstanders van de invoering van vrouwenkiesrecht met nieuwe, frissche argumenten komen aandragen, zoo die er mochten te vinden zijn.1De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht bezit o. a. een vrij uitgebreide bibliotheek, die met zorg wordt bijgehouden, en die is ondergebracht in het hoofdbureau der Vereeniging, Keizersgracht467–469 te Amsterdam. De leden der Vereeniging kunnen kosteloos van deze bibliotheek gebruik maken.

Het kan niemand verwonderen, dat terstond toen het denkbeeld vrouwenkiesrecht voor het eerst werd geopperd, ook bergen van bezwaren daartegen werden aangevoerd, of, eigenlijk niet terstond. Zelfs voor het opperen van bezwaren achtte men in den beginne de zaak te dwaas. Men vergenoegde zich met de schouders op te halen en te lachen om dergelijke dwaze denkbeelden.

Een vrouw die aan politiek zou doen!

Maar daar heeft een vrouw immers geen verstand van! Doch door het lachen heen klonk daar al het eerste bezwaar: een vrouw heeft geen verstand van politiek. Men vergat daarbij te bedenken, dat ook de man niet als politicus wordt geboren; voedde men het meisje evenals den jongen man op tot staatsburger(es), zij zou evengoed verstand krijgen van politiek, zooals zij thans ook wel verstand krijgt van talen, van boekhouden, van geschiedenis enz. enz., zaken die men haar vroeger evenmin leerde “omdat zij een meisje was.”

Nu ja, zoo redeneert men, natuurlijk kan een vrouwleeren, evenals een man en zij kan het soms heel ver brengen. Maar dooreengenomen is de vrouw toch intellectueel beneden den man gebleven. De man heeft steeds meer gepresteerd op het gebied van wetenschap en kunst. De mannen zijn het geweest die de maatschappij vooruit geholpen hebben; zij hebben richting gegeven aan het denken der massa, zij zijn het, die de groote uitvindingen deden, aan hen hebben wij de groote schatten te danken op het gebied van muziek, van litteratuur, van beeldende kunsten. De mannen hebben de geschiedenis gemaakt, niet de vrouwen. Daarom moeten de mannen de wetten maken en de leiding in handen houden.

Onlogisch als deze redeneering is, dient zij echter tòch in het kort even te worden bestreden, om de eenvoudige reden, dat zelfs verstandige en geletterde menschen er nog heden ten dage mede aankomen.

Dat tot op heden de vrouw veel minder presteerde dan de man op het gebied van wetenschap en kunst, dat er oneindig veel meer groote mannen dan groote vrouwen zijn geweest, zij grif toegegeven. Hoe zou dit echter anders kunnen, waar tot voor korten tijd beide geslachten onder zoo ongelijke bedeeling leefden, wat betreft de gelegenheid om onderwijs te ontvangen en zich te ontwikkelen? Dat er desondanks door alle eeuwen heen vrouwen zijn geweest die zich door bijzondere geestesgaven of talenten hebben weten te verheffen boven haar tijdgenooten en tot op heden beroemd bleven, mag veeleer verwondering wekken. Eerst als gedurende vele jaren de ontwikkelingsvoorwaarden voor beide sexen gelijk zijn geweest, kan de balans worden opgemaakt en bepaald, aan welke zijde men het grootste intellect heeft gevonden.

Doch zelfs al viel de balans dan geheel en al ten nadeele van het vrouwelijk geslacht uit, zoo zou dit allerminst een reden kunnen zijn om aan de vrouw het kiesrecht te onthouden. Immers ook aan denman wordt geen enkele maatstaf van intellectueele ontwikkeling aangelegd om hem tot kiezer te maken. Moge onder de vigeerende kieswet het feit dat men eenig examen heeft afgelegd één der voorwaarden zijn waardoor men aanspraak kan maken om op de kiezerslijst te worden gebracht, aan den anderen kant kan een mannelijke analphabeet hetzelfde voorrecht deelachtig worden, mits hij maar het aangewezen minimum loon verdient, of aan een der andere, met intellect allerminst verband houdende eischen voldoet, die indertijd werden uitgedacht om iemand tot kiezer te maken. Evenmin eischt het zwartmaken van het balletje achter den naam van den gewenschten candidaat eenige bijzondere geestesontwikkeling.

“Maar de vrouw is te goed voor de politiek,” zegt de galante man; het zou zonde wezen een zoo idyllisch wezen te besmetten met al het minderwaardige en verderfelijke dat nu eenmaal onafscheidelijk aan alle politiek gedoe is verbonden, daar staat de vrouw te hoog voor.

Wij zouden de vraag kunnen stellen, of door de medewerking der vrouwen ook veel leelijks, wat menigmaal aan de politiek is verbonden, zou kunnen verdwijnen, of althans verminderen; doch men mocht ons eens van te groot idealisme beschuldigen. Evenwel zou de kans op een zuiverder, eerlijker politiek leven allicht grooter worden, wanneer naast de beste mannen, de beste vrouwen aan wetgeving en regeering zouden kunnen deelnemen. Doch vanwaar overigens die vrees om de vrouw z.g. vuil werk te laten doen, onder voorwendsel dat zij er te goed voor is? Acht men de vrouw te goed voor zwaren lichamelijken arbeid? Bespaart men haar als verpleegster der menschelijke ellende naar lichaam en geest die in de ziekenhuizen of op het slagveld te aanschouwen valt? Acht men haar te goed om slecht betaalden nachtarbeid te verrichten indien dit maar in het voordeel is van denwerkgever? (Denk aan kellnerinnen in nachtkroegen). En heeft de vrouw zich ooit—óók in de huishouding—het moeielijke en het vuile werk van den hals geschoven, indien zij wist dat het in het belang van anderen gedaanmoestworden? Ook dit argument kan men gerust laten varen.

Dat de vrouw te veel gevoelsmensch zou zijn, iets wat óók als argument tegen vrouwenkiesrecht wordt aangevoerd, is nimmer bewezen en indien het zoo ware, zou het nog geen argument zijn. Want indien het waar is, dat bij de mannen het verstand domineert, dan zou dit juist een reden zijn om het vrouwelijk gevoel naast het mannelijk verstand te laten werken in het bestuur van stad en staat. Wat met het verstand alléén geregeld wordt, is dor en liefdeloos; het gevoel brengt leven en warmte aan, dus behooren deze twee eigenschappen elkaar aan te vullen.

Dan is daar nog het stokpaardje van den dienstplicht. Meent niet dat dit beestje te oud is, om nog van stal gehaald te worden; zelfs in den tegenwoordigen tijd hoort men beweren dat de vrouw, indien zij het kiesrecht wil bezitten, dan óók maar soldaat moet worden. Alsof kiesrecht ooit eenig verband had gehouden met dienstplicht! Integendeel; toen het kiesrecht nog enkel werd uitgeoefend door de welgestelden in den lande, waren het juist deniet-kiezers die hun dienstplicht vervulden. Immers, wie het betalen kon, kocht zich een remplaçant. En ook thans ontneemt men het kiesrecht niet aan degenen die hun dienstplicht niet vervullen, anders zouden zij die voor theoloog studeeren, de afgekeurden, degenen die vrijloten, kortom allen die buiten de militie vallen, het stembiljet moeten derven. Is het er echter om te doen, dat wie zijn volle burgerschapsrechten wil bezitten ook gedwongen moet kunnen worden om gedurende één of twee jaar gemeenschapsdienst te verrichten,dan zullen de vrouwen zeker niet achter blijven. Doch zij zouden dan ook op echtvrouwelijkewijze aan dien plicht kunnen voldoen, en diensten bewijzen bij de verpleging van burgers en soldaten, bij kinderverzorging, in de huishouding van rijksinrichtingen, enz. enz.

Het is te begrijpen, dat voor de gehuwde vrouw nog enkele afzonderlijke bezwaren worden te berde gebracht. Dat de gehuwde vrouw op voldoende wijze door haar echtgenoot zou worden vertegenwoordigd, is reeds in een der vorige hoofdstukken weerlegd; thans kan dit argument dus buiten bespreking blijven.

Een ander bezwaar is dit, dat de vrouw geen tijd zou hebben; immers haar gezin eischt al haar krachten. Gaat de vrouw mee-kiezen, dan wordt zij uithuizig; zij verwaarloost dan haar kinderen en verzuimt haar huishoudelijke plichten. Welke wonderlijke denkbeelden heeft men toch omtrent het wezen der vrouw. Zou de uitoefening van het kiesrecht en al wat daarmee verband houdt, nu werkelijk zóóveel beslag op haar tijd leggen, zóó haar denken en haar geheele wezen vervullen, dat zij alle andere plichten daarvoor zou moeten verzuimen? De mannen hebben toch immers óók hun betrekking, hun beroep, hun zaken, en nog nimmer is gebleken dat zij die niet konden behartigen en daarbij tòch hun kiesplicht naar behooren waarnemen. Wij moeten dus aannemen, dat men veronderstelt dat de vrouw zich in meerdere mate van haar werk zal laten aftrekken. Doch dan rijst de vraag, besteedt de vrouw dan nu werkelijk al haar tijd aan huishouding en kinderen? De arbeidersvrouw moet in vele gevallen mee den kost verdienen; de vrouw uit den kleinen burgerstand helpt mee in winkel of zaak. En de welgestelde vrouw? Denkt men er ooit over haar kwalijk te nemen dat zij uit wandelen gaat, theevisites ontvangt, schouwburg en concerten bezoekt? Toch onttrekt zij de daarvoor benoodigden tijd evengoed aan haar gezin; wat voorkwaad zou er dan in steken, wanneer óók een avond nu en dan wordt besteed aan het bijwonen van een vergadering, of wanneer de romanlectuur eens wordt afgewisseld met wat degelijker kost in tijdschrift of courant?

Dan is daar nog het schrikbeeld, dat er twist zal ontstaan in de gezinnen wanneer man en vrouw beiden het kiesrecht bezitten, en zij van politiek inzicht verschillen. Ook dit argument kan gerust bij de vorige worden opgeborgen, als zijnde van onwaarde. Men bedenke toch dat er over zooveel andere zaken als de politiek verschil van meening kan bestaan tusschen echtgenooten; er kan verschil in godsdienst zijn, over de opvoeding der kinderen kunnen vader en moeder het oneens zijn, en over nog heel wat andere zaken meer. Ontstaat daarover dan ook steeds twist, of leert men niet elkanders meening eerbiedigen, of tracht tot overeenstemming te komen? Wanneer de vrouw door middel van het stembiljet eigen inzicht kan doen gelden, zal dit zelfs in zeer vele gevallen een aanleiding tot oneenigheid wegnemen.

Een bezwaar dat haast het tegenovergestelde van het voorgaande zou kunnen worden genoemd, is dit: dat het geven van kiesrecht aan de gehuwde vrouw hierop zou neerkomen, dat de man dan 2 stemmen had. Uit dit argument blijkt weer hoezeer is vastgeroest de meening, dat de gehuwde vrouw geheel opgaat in haar echtgenoot en eigen persoonlijkheid prijsgeeft. Het gaat toch niet aan om voor twee zelfstandige, denkende wezens maar willekeurig te bepalen: “omdat gij waarschijnlijk over politiek beleid dezelfde meening zijt toegedaan, is het voldoende dat één uwer die meening tot uiting brengt, anders hebt gij een dubbele stem.” Wonderlijk toch, dat daarbij dan als vanzelf sprekend de vrouw wordt geëlimineerd! Maar bovendien: in de meeste gezinnen zullen de denkbeelden van vader en van de volwassen inwonende zoons óókparallel loopen; doch die zoons zal men om die reden het kiesrecht niet willen ontnemen. Zelfs de voorstanders van het z.g. gezinshoofden-kiesrecht zitten met deze aangelegenheid in de war en zoeken naar middelen om aan het euvel te ontkomen, dat vele volwassen jonge mannen door hun systeem het kiesrecht zouden moeten verliezen.

Weer anderen begrijpen niet, hoe de vrouw zoo op het kiesrecht kan gesteld zijn om haar invloed te vergrooten; deze is immers al groot genoeg en door alle eeuwen heen is hij zelfs in de staatkunde merkbaar geweest?

Ongetwijfeld heeft die invloed bestaan, doch het zijn juist de om kiesrecht vragende vrouwen die daar een eind aan willen maken, omdat zij hem verderfelijk achten. Niet natuurlijk den vrouwelijken invloed op zich zelf beschouwd, maar wel den invloed, die niet wordt beheerscht door een diep besef van verantwoordelijkheid. En bij alle macht die de vrouwen indirect hebben uitgeoefend, óók op de staatkunde, is dat verantwoordelijkheidsgevoel ver te zoeken geweest. Die vrouwen wilden haar zin doordrijven, menigmaal uit puur eigenbelang. Men hield haar buiten alle ernstige vraagstukken, waardoor zij niet konden handelen met oordeel des onderscheids, doch wilde wel als het zoo te pas kwam van haar hulp en van haar macht over den man gebruik maken, om eigen inzicht te doen zegevieren of zichzelf te bevoordeelen. Een dergelijk uitoefenen van niet door een gevoel van verantwoordelijkheid gelouterden en gecontroleerden invloed is verderfelijk voor het algemeen belang, maar tevens vernederend, zoowel voor de vrouw die hem aanwendt, als voor den man die hem ondergaat. Het kiesbiljet daarentegen zal aan de vrouw het recht verschaffen zich openlijk en langs directen weg met de publieke zaak te bemoeien; doch juist door dit openlijk handelen, zal zij zich verantwoordelijk weten voor haardoen en laten, wat wederom meebrengt zelfcontrôle en nadenken.

Nu kunnen wij nog niet van deze algemeene en primitieve bezwaren afstappen, zonder even te weerleggen de bewering, dat de vrouw door zich met politiek te bemoeien haar specifiek vrouwelijke eigenschappen zou verliezen. Alweder is dit argument haast te absurd om het te bespreken; doch wij willen zoo volledig mogelijk zijn.

Wat zou het inderdaad treurig gesteld zijn met die vrouwelijke eigenschappen als zij al reeds door de uitoefening van het kiesrecht konden verdwijnen. In werkelijkheid loopen zij veel meer gevaar in den hoek geduwd te worden door den harden strijd om het bestaan, dien de vrouwen in den tegenwoordigen tijd gedwongen zijn te voeren, een strijd, die haar door het gemis van politieke rechten zoo oneindig veel zwaarder wordt gemaakt. Hoe zou het overigens ooit onvrouwelijk kunnen zijn, belang te stellen in alles wat het algemeen welzijn betreft, en de taak die men in het huisgezin volbrengt ten behoeve van de huisgenooten, uit te breiden tot grooter kring?

Het voorafgaande zou men kunnen noemen de primitieve bezwaren, in dien zin, dat zij voornamelijk in de allereerste tijden van de beweging voor vrouwenkiesrecht werden genoemd, terwijl zij nu zoetjes aan op den achtergrond raken, althans niet meer tellen bij menschen die onbevooroordeeld de zaken beschouwen. Al kan men, wat de behandelde argumenten betreft, dan ook thans voor een goed deel spreken van een overwonnen standpunt, zoo moesten toch deze primitieve bezwaren ter sprake gebracht, omdat men ze nog steeds hoort opperen in sommige kringen waar de denkbeelden over vrouwenkiesrecht voor het eerst hun intrede doen.

Hoe staat het echter met degenen voor wie alle tot dusverre genoemde bezwaren niet meer bestaanen die zich in beginsel voorstanders noemen van de invoering van vrouwenkiesrecht? In die kringen worden weer andere moeielijkheden geopperd en deze zullen opnieuw door de vrouwen moeten worden overwonnen, vóór haar zonder aarzelen het stembiljet in handen zal worden gegeven.

Laten we dan beginnen met een paar argumenten te noemen die zoo ongeveer tegen elkaar opwegen en daardoor hun kracht van zelf verliezen.

Het is gevaarlijk om aan de vrouwen het kiesrecht te geven zegt de eene partij, want zij staan veel meer dan de mannen onder den invloed van de geestelijkheid; het conservatisme zou dan in ons land hoogtij vieren. Als de vrouwen het kiesrecht krijgen, zullen de sociaal-democraten te veel aan invloed winnen, zegt de andere, wij zouden dan veel te veel naar links opschuiven. Beide bezwaren heffen elkaar dus op. Het zijn echter alleen denkbeeldige bezwaren, want in landen waar vrouwenkiesrecht bestaat, heeft de uitkomst bewezen, dat er in de verhouding der politieke partijen geen noemenswaardige verandering is gekomen.

Doch hoe dit ook zij, men vraagt toch ook bij de uitbreiding van het mannenkiesrecht niet eerst hoe de nieuwe groep kiezers stemmen zal? De groote Engelsche staatsman Gladstone noemde het een zondigen tegen grondbeginselen om eerst na te gaan hoe een groep zal stemmen, alvorens men haar het kiesrecht verleent. Moet deze uitspraak niet evenzeer gelden waar het vrouwen betreft?

Maar de vrouwen zijn onverschillig voor het kiesrecht, zij begeeren het niet, zegt weer een ander. Minister Heemskerk ging zelfs zoo ver om te verklaren dat hij de vrouwen die om kiesrecht vragen niet zag; de vrouwen zijn stil in ons land, zeide hij. Wonderlijke uitspraak inderdaad van een minister, onder wiens regeering twee groote volkspetitionnemententen gunste van de invoering van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen werden ingediend, waarop ver over de honderdduizend handteekeningen van vrouwen voorkwamen. En dat geschiedde in een land, waar ruim 20.000 vrouwen in twee groote corporaties die voor de invoering van vrouwenkiesrecht strijden, vereenigd zijn, waarvan ééne, de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, alleen meer dan 16000 leden telt, een schare, die nog met ettelijke duizendtallen zou vergroot worden, wanneer alle vrouwen die het kiesrecht begeeren, zich bij die vereenigingen hadden aangesloten. Geen enkele politieke partij in ons land telt zooveel leden als het gezamenlijk aantal strijdsters voor vrouwenkiesrecht bedraagt; indien die 20.000 vrouwen dan ook kiezers waren geweest, geen twijfel, of minister Heemskerk zou hen wèl hebben gezien!

Verder mag nog wel gewezen worden op de groote meeting die 4 Mei 1913 in den Haag was belegd door de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, om te protesteeren tegen de kiesrechtparagraaf in de voorstellen tot grondwetsherziening, door het ministerie Heemskerk ingediend. Genoemde meeting was bezocht door 3 à 4000 personen, waaronder vrouwen uit alle streken van ons land, die zich veel moeite en kosten hadden getroost om tegenwoordig te kunnen zijn.

Een ander staaltje, dat getuigt van de belangstelling der vrouwen in de publieke zaak is dit, dat, toen onder het ministerie Heemskerk wetsvoorstellen tot wijziging van de Tariefwet werden ingediend, onder de vrouwen in ons land eene spontane beweging ontstond om de Tweede Kamer te verzoeken dat wetsontwerp niet aan te nemen. Een adres in dien geest, dat circuleerde in alle plaatsen van eenige beteekenis in ons land, werd in korten tijd door 94.000 vrouwen geteekend.

Dit zijn alle verschijnselen die wijzen op het tegendeelvan onverschilligheid. Dat deze nog in sommige kringen van vrouwen bestaat, mag men gerust op rekening schrijven van het feit, dat tot dusverre de vrouwen zijn opgevoed in het begrip, dat politiek en kiesrecht zaken zijn die buiten de vrouwelijke sfeer liggen; nu de publieke meening in dezen begint te veranderen, zal ook die overgebleven onverschilligheid met toenemenden spoed verdwijnen. Wel merkwaardig is het, dat die onverschilligheid voor het kiesrecht ook bestond bij de arbeiders, toen de beweging voor algemeen kiesrecht voor het eerst tot uiting kwam. De arbeiderspartijen klaagden daarover tijdens de grondwetsherziening van 1887. Niet veel beter was het, toen in 1893 de kieswet-Tak in behandeling kwam; doch terecht vonden de voorstanders van algemeen kiesrecht het feit dat nog niet alle arbeiders het begeerden, geen reden om hun strijd te verslappen, omdat zij wisten dat het bezit van het stembiljet voor den man uit het volk van onschatbare waarde zou zijn. Het is dan ook goed, en volkomen verklaarbaar, dat de voorstanders van vrouwenkiesrecht zich op hetzelfde standpunt plaatsen.

Weer anderen komen met het bezwaar aandragen dat het gros der vrouwen nog niet rijp zou zijn voor het kiesrecht. Wat is natuurlijker dan dat wij daar tegenover de vraag stellen, of alle mannen daar dan wél rijp voor zijn? Niemand voorzeker zou deze vraag bevestigend durven beantwoorden; de onrijpe mannen worden evengoed gevonden, en wel in alle kringen der samenleving. Maar zooals ieder weet, ontbreekt het in de verkiezingsdagen allerminst aan de noodige voorlichting. Groote en kleine pers bespreken de zaken en de candidaten dag in, dag uit; er worden vergaderingen gehouden, waarop de candidaten hun standpunt uiteenzetten en er zijn kiesvereenigingen die bij de keuze der volksvertegenwoordiging de organisatie en de leiding op zich nemen. Hebben de vrouwen hetkiesrecht verkregen, dan kunnen zij dus van diezelfde gelegenheden tot voorlichting gebruik maken. Overigens zal van verschillende zijden wel getracht worden, den vrouwen de noodige politieke kennis bij te brengen. Immers, wanneer de vrouw kiezeres is geworden,d.w.z.iemand die een woordje mee mag spreken en met wie dus rekening dient te worden gehouden, dan hebben verschillende partijen en personen er belang bij haar voor zich te winnen; alleen reeds om die reden zal zij gedwongen worden kennis te nemen van de zaken van den dag.

Maar men behoeft zich over die beweerde onrijpheid van de vrouwen niet bezorgd te maken. Reeds gedurende 20 jaar is er hier te lande op krachtige wijze propaganda gemaakt voor vrouwenkiesrecht. Men deed dit op verschillende wijze; maar de kern van die propaganda bestond toch steeds hierin, dat men de vrouwen bekend maakte met wetten en wettelijke toestanden, met de inrichting van den Staat en de werking van de regeermachine. De vereenigingen die voor vrouwenkiesrecht werken (de Vereeniging v. Vrouwenkiesrecht doet dit sedert 1894; de Ned. Bond v. Vrouwenkiesrecht sedert 1907) hebben in hare talrijke afdeelingen evenzoo vele middelpunten van waaruit kennis onder de vrouwen wordt verspreid. Er worden daar cursussen gehouden, debating-clubs opgericht, in huishoudelijke vergaderingen worden de partij-programma’s besproken, in openbare bijeenkomsten worden door bekwame spreeksters en sprekers sociale en politieke vraagstukken behandeld, terwijl lectuur over dit alles met ruime hand wordt verspreid of op gemakkelijke wijze verkrijgbaar gesteld.1Bovendien worden door hetzitting nemen in de besturen tal van vrouwen practisch geoefend in het vereenigingsleven, waardoor een groot aantal geschoolde krachten ontstaat. Door op deze wijze te werken hebben de vrouwen elkander reeds gedurende tal van jaren opgevoed voor de taak die haar onvermijdelijk eenmaal wacht. Het is dus niet te veel beweerd, wanneer wij zeggen, dat, wanneer aan de vrouwen het stembiljet wordt gegeven, het kiezerskorps nog nimmer te voren met een zoo beduidend aantal goed toegeruste stemgerechtigden is vergroot geworden.

Ten slotte dienen wij nog even stil te staan bij wat men zou mogen noemen het practische bezwaar bij uitnemendheid, n.l. de vraag, aan welke vrouwen voor het eerst het kiesrecht zal worden verleend.

De politieke partijen welke vóór de invoering van vrouwenkiesrecht zijn, denken zich deze oplossing verschillend, zonder daarom nog zelf een vast omlijnd, uitvoerbaar plan te hebben gevonden. Twee partijen, de sociaal-democraten en de vrijzinnig-democraten hebben de invoering van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen op hun programma. De Unie-liberalen willen als einddoel wel het algemeen vrouwenkiesrecht, doch wenschen te beginnen met een beperkte invoering, mits deze niet on-democratisch zij, terwijl de vrij-liberalen als partij tevreden zijn met een beperkt vrouwenkiesrecht. Voor de vrijzinnigen, die nog niet terstond tot algemeen vrouwenkiesrecht wenschen over te gaan, schijntdezeoverweging vooral te gelden, dat ook het kiesrecht voor de mannen trapsgewijs is uitgebreid; het zou dus een verbreken zijn van de historische lijn, zoo men ten opzichte van de vrouwen anders handelde. Men zou echter de vraag kunnen stellen of die historische lijnhier wel zooveel gewicht in de schaal mag leggen, omdat de toestanden niet gelijk zijn. Het mannenkiesrecht is telkens uitgebreid, wanneer aan die uitbreiding behoefte bestond, en naarmate de denkbeelden omtrent regeermacht en wetgeving steeds verder voortschreden in democratische richting. Waar men in het bezit van het stembiljet ziet een verdedigingsmiddel om zich het recht op arbeiden, op een behoorlijk loon, kortom, om zich invloed op de regeering te verzekeren, en het thans aan alle arbeiders wil geven, omdat deze er behoefte aan hebben, omdat deze klasse van de maatschappij zich zonder het kiesrecht niet op voldoende wijze kan ontwikkelen op economisch gebied, daar kan men niet meer willekeurig een deel van de vrouwen van dat recht uitsluiten; immers, zij eischen op dezelfde gronden als de arbeiders dat recht op, en kunnen het evenmin als deze langer ontberen. De historische lijn heeft daar niets mee te maken, omdat de vrouwen op het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke ontwikkeling, de evolutie die tot de tegenwoordige toestanden heeft geleid, reeds met de mannen hebben meegemaakt.

De eisch van de vrouwen luidt dan ook: geen sekseverschil bij de stembus; wie de vorige hoofdstukken met aandacht heeft gevolgd, zal begrijpen, dat deze eisch niet anders luiden kàn. Wordt dus bij de eerstvolgende grondwetsherziening algemeen mannenkiesrecht ingevoerd, dan zullen de vrouwen niet tevreden kunnen zijn, zoolang ook niet aan haar datzelfde recht wordt toegekend.

Iets anders is het evenwel, òf, wanneer om practische redenen begonnen werd met aan een gedeelte der vrouwen het kiesrecht te geven, dit ook door haar zou worden aanvaard. Hierop moet het antwoord luiden: zeer zeker. De vrouwen en óók de democratisch-gezinde mannen die voor hetalgemeenvrouwenkiesrecht strijden, zouden goed doen desnoods aanvankelijkeen beperkt kiesrecht te aanvaarden, zonder àl te groote ongerustheid; want men zou dan gemeenschappelijk kunnen werken aan de uitbreiding van het eenmaal verkregen recht. Hier kan Noorwegen ten voorbeeld strekken. In 1907 werd daar voor de vrouwen ingevoerd een census-kiesrecht, dus zeer ondemocratisch; thans, slechts 6 jaren later is in dat land door samenwerking van mannen en vrouwen uit alle politieke partijen het algemeen kiesrecht voor de vrouwen verkregen.

Hiermede zijn wij aan het eind gekomen van de bespreking en weerlegging der bezwaren die tegen de invoering van vrouwenkiesrecht het meest gehoord worden.

Moge het ons gelukt zijn die bezwaren te ontzenuwen, zoodat in ons land deze oude bedenkingen niet meer gehoord zullen worden en tegenstanders van de invoering van vrouwenkiesrecht met nieuwe, frissche argumenten komen aandragen, zoo die er mochten te vinden zijn.

1De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht bezit o. a. een vrij uitgebreide bibliotheek, die met zorg wordt bijgehouden, en die is ondergebracht in het hoofdbureau der Vereeniging, Keizersgracht467–469 te Amsterdam. De leden der Vereeniging kunnen kosteloos van deze bibliotheek gebruik maken.

1De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht bezit o. a. een vrij uitgebreide bibliotheek, die met zorg wordt bijgehouden, en die is ondergebracht in het hoofdbureau der Vereeniging, Keizersgracht467–469 te Amsterdam. De leden der Vereeniging kunnen kosteloos van deze bibliotheek gebruik maken.

Hoofdstuk VI.Vrouwenkiesrecht in verschillende landen.Wat zijn de gevolgen geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht in die landen, waar men den moed heeft gehad te breken met oude gewoonten en de opbouwing en instandhouding van den Staat, evenals die van het gezin, aan mannen en vrouwen gezamenlijk durfde toe te vertrouwen? Heeft het daar de ellende gebracht, die tegenstanders er van verwacht hebben; is het gezinsleven er door ondermijnd; zijn de huishoudingen er door verwaarloosd; heeft het ongenoegen tusschen man en vrouw veroorzaakt; werd de parlementaire arbeid er door op een lager peil gebracht? Of wel, heeft het al de zegeningen gebracht die de vrouwen er van verwacht hebben?Op deze en soortgelijke vragen kan nu een antwoord gegeven worden, omdat wij op dit oogenblik reeds kunnen nagaan hoe de invoering van vrouwenkiesrecht werkt in geheel Australië, in 9 Staten van Noord-Amerika en in Alaska, in Finland en Noorwegen, alwaar overal algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen bestaat voor alle wetgevendeen wetuitvoerende lichamen, terwijl in tal van andere landen en staten de vrouwen thans kiesrecht en verkiesbaarheid bezitten voor een deel dezer lichamen. In rapporten, die alle twee jaar, door de vrouwen aller landen, op de congressen van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht worden uitgebracht, in het boek “Vrouwenkiesrecht in de praktijk,” door den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht dit jaar uitgegeven, in de openbaar gemaakte uitingen van regeeringspersonen en mannen van naam en beteekenis uit de landen waar vrouwenkiesrecht bestaat en in de gepubliceerde feiten, vinden wij genoeg gegevens om de bovenstaande vragen te kunnen beantwoorden. Wij behoeven gelukkig niet meer te vreezen, dat met de invoering van vrouwenkiesrecht een sprong in het duister wordt gedaan, wij behoeven niet meer angstvallig te vragen “wat zal het vrouwenkiesrecht ons brengen,” wij kunnen nu nagaan “watheefthet vrouwenkiesrecht gebracht in de landen waar het is ingevoerd.”Wel is waar kunnen wij uit de tot stand gekomen wetten in de landen waar de vrouwen aan de wetgeving deelnemen, niet altijd besluiten, dat zij een gevolg zijn van den arbeid der vrouwen, omdat mannen en vrouwen beide aan de tot standkoming dier wetten hebben medegewerkt; maar bij vergelijking met wat in andere landen onder dezelfde omstandigheden tot wet werd verheven, uit de geuite wenschen der vrouwen omtrent wetswijziging en uit de punten, die zij op de politieke partijprogramma’s hebben gebracht, is toch de invloed op de wetgeving van de vrouwen, die over een stembiljet beschikken, duidelijk genoeg na te gaan.Laat mij beginnen met datgene te vermelden, waardoor de mannen hunne meening omtrent de werking van vrouwenkiesrecht openlijk te kennen gaven in die landen, waar de vrouwen reeds verschillende jarenhet kiesbiljet gebruiken. En dan moet bovenaan vermeld worden de daad door het Parlement van de Vereenigde Staten van Australië verricht.Op 17 November 1910 diende Senator Rea de volgende motie in dat Parlement in: “Dat dit Parlement van meening is, dat het toekennen van kiesrecht voor parlement en gemeenteraden aan de vrouwen van Australië, de meest gunstige gevolgen heeft gehad. Dat het de rust en orde op verkiezingsdagen zeer heeft bevorderd; dat het aantal stemmen door vrouwen uitgebracht bij de laatst gehouden verkiezing voor leden van het parlement percentsgewijs hooger was dan dat der mannen.“Dat het vrouwenkiesrecht de wetgeving ten behoeve van vrouwen en kinderen meer op den voorgrond heeft gebracht, doch dat daaruit niet de gevolgtrekking mag getrokken worden, dat de vrouwen alleen aandacht wijden aan deze zaken. Dat vrouwen in zaken, de landsverdediging en de imperialistische politiek betreffende, even ruim denken als de mannen.“Dat deze hervorming het land niets dan goeds heeft gebracht, terwijl er zoovele slechte gevolgen van voorspeld waren en dat daarom bij alle andere natiën, die een constitutioneelen regeeringsvorm bezitten, er eerbiedig op wordt aangedrongen den vrouwen het stemrecht te verleenen.”Verder werd er voorgesteld dat een afschrift van deze motie gezonden zou worden naar den Eersten Minister van Engeland, om zoodoende het Moederland in deze gewichtige zaak van advies te dienen.In zijne toelichting zeide Senator Rea o. a. “dat nu de tijd voorbij is, dat een vooruitstrevende natie kan volhouden, dat de vrouwen minderwaardiger dan de mannen zijn.” Op het argument “dat het Australische parlement zich niet het recht mocht aanmatigen het Moederland raad te geven,” antwoordde hij “dat de Regeering van Australië niet geaarzeld had zijn oordeeluit te spreken over het Doggersbank-incident, over den Russisch-Japanschen oorlog, over Home-rule voor Ierland en datz.i.het vrouwenkiesrecht een even gewichtig, zoo niet gewichtiger vraagstuk was, dan de genoemden. Door de invoering van vrouwenkiesrecht wordt de weg tot vele sociale en economische verbeteringen gebaand.”De tegenstanders van de motie gaven toe, dat door de invoering van vrouwenkiesrecht veel goeds was tot stand gekomen, maar zij vonden dit geen reden om het Moederland van ongevraagd advies te dienen. De voorstanders waren evenwel van oordeel, dat in zulk een gewichtige zaak de verkregen ervaring wel degelijk het geven van raad gebiedend voorschreef. Ten slotte werd de motie met eene groote meerderheid van stemmen aangenomen, terwijl de enkele tegenstemmers er prijs op stelden, dat uitdrukkelijk werd vermeld, dat zij wel vóór de gunstige resultaten van vrouwenkiesrecht gestemd hadden, doch er alleen tegen waren, dat de gehouden bespreking aan de Engelsche regeering werd medegedeeld.De geheele motie met uitgebreide toelichting, werd toen aan Minister Asquith getelegrapheerd, en door de pers openbaar gemaakt.Een ander feit waarop wij kunnen wijzen, en dat niet minder getuigt van de gunstige werking van vrouwenkiesrecht is: “dat in de Vereenigde Staten van Amerika de Gouverneurs van die Staten, waar de vrouwen het kiesrecht hebben, zich hebben vereenigd om de Gouverneurs van andere Staten tot voorlichting te dienen, wanneer dit gewichtig vraagstuk ook bij hen om oplossing vraagt.” Van deze samenwerking der Gouverneurs hebben de vrouwen reeds veel goeds ondervonden. Sedert kan geen courant in Amerika meer onware berichten verspreiden omtrent de werking van vrouwenkiesrecht, omdat dan onmiddellijk deGouverneur van dien Staat daarmede in kennis wordt gesteld en daardoor in staat is met ware gegevens de onware berichten te logenstraffen.En getuigt het niet ook van de goede werking van het vrouwenkiesrecht in Noorwegen, dat de Regeering bij elk Congres, waarop dit vraagstuk ter sprake komt, een of twee Regeeringsafgevaardigden zendt, die op kosten van de regeering reizen en die komen met een opdracht van de regeering om de ingenomenheid met de resultaten van vrouwenkiesrecht aan de wereld kenbaar te maken? Maar sterker spreekt die ingenomenheid met de resultaten, nu de regeering van Noorwegen in eene vergadering in Junil.l.met algemeene stemmen het besluit nam om de vrouwen, die tot dien tijd nog slechts een beperkt kiesrecht voor het Parlement bezaten, het volledig kiesrecht toe te kennen, toen een daartoe strekkend voorstel, uitgaande van leden uit alle politieke partijen, bij de regeering inkwam.En in Finland? Meer dan boekdeelen vol theoretische beschouwingen over het nut van vrouwenkiesrecht, zeggen de uitspraken van de meest invloedrijke mannen uit Finland, die in de gelegenheid waren de werkzaamheden van de vrouwen in het Finsche parlement van nabij gade te slaan. Zij werden in brochurevorm op het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht den afgevaardigden ter hand gesteld.De voornaamsten zullen wij hier vertaald wedergeven.Senator Mechelin, de man die in 1906 het vrouwenkiesrecht voor Finland invoerde, na het eerst tegenover den Czaar van Rusland verdedigd te hebben, werd in 1839 geboren. Van 1874 tot 1882 was hij Professor in het Staatsrecht en Finantiewezen aan de Hoogeschool te Helsingfors. Daarna ging hij in het politieke levenover en werd weldra de leider van zijne politieke partijgenooten. Als zoodanig is hij nog werkzaam. Hij schrijft: “Daar de vrouwelijke afgevaardigden in den Landdag geen afzonderlijke afdeeling vormen, maar in de verschillende afdeelingen met de mannen samenwerken, daarom kunnen wij over hen geen collectief oordeel uitspreken. De grootste arbeid wordt in onzen Landdag, even als in alle parlementen het geval is, in de commissies en afdeelingen verricht. In alle commissies, waar de vrouwen tot leden benoemd werden, hebben zij hare plaats op bevredigende wijze ingenomen. Vooral was dit het geval in de Commissies voor de financiën, de sociale hervormingen en voor de landbouwafdeeling. In de openbare vergaderingen hebben niet alle vrouwenleden het woord gevoerd, maar dit geldt toch ook voor vele mannen-leden, maar zij die aan de openbare beraadslagingen deelnamen, deden dat met niet minder welsprekendheid dan de mannen en toonden over dezelfde zaakkennis te beschikken als hunne mannelijke collega’s. Zoowel de uitingen der vrouwelijke afgevaardigden, als ook de wetsvoorstellen die op haar initiatief werden ingediend, bewijzen dat de vrouwen ten opzichte van het algemeene welzijn aan de Volksvertegenwoordiging nieuwe krachten hebben toegevoerd en dat zonder haar medewerking vele vraagstukken door de mannen niet naar behooren overwogen zouden zijn geworden.Onder de hervormingen, die door de vrouwen in den Landdag tot stand zijn gekomen, moeten de volgende in de eerste plaats genoemd worden: “hervorming van het huwelijksgoederenrecht, verbetering van de rechtspositie van het onechtelijk geboren kind, moederschapsverzekering, invoering van vrouwelijke inspectrices van gezondheid, regeeringsbijstand aan vereenigingen die werken tot verbetering der zeden, uitbreiding van den arbeid der vrouw in staatsdienst etc.De genoemde voorbeelden toonen aan, dat de vrouwen zich bij voorkeur bewegen in de sfeer, waarin de vrouw dieper inzicht heeft dan de man. Dat noem ik geen feminisme, want de voorgeslagen maatregelen waren steeds ten algemeenen nutte. In politieke vraagstukken, welke tot partij-strijd aanleiding geven, heeft zich nooit eene afzonderlijke vrouwenmeening doen gelden. In het partijleven staan de mannen en vrouwen bij ons solidair.De vrouwelijke en mannelijke afgevaardigden werken als goede kameraden samen, nooit is het voorgekomen dat een vrouwelijke afgevaardigde over gebrek aan beleefdheid van hare mannelijke collega te klagen heeft gehad. Op de verhouding in het gezin en in het sociale leven heeft de politieke ontvoogding der vrouw geen ongunstigen invloed gehad, veeleer is het tegendeel waar. Het ligt toch in den aard van de zaak dat gelijkstelling, eenen gunstigen en veredelenden invloed op de menschen tegenover elkander uitoefenen moet.En dat de uitoefening van het kiesrecht op het gezinsleven en op de plichtsvervulling der vrouw als moeder ongunstig zou werken, is een hersenschim van zwakke mannen, die vreezen hunne traditioneele autoriteit te verliezen.1Wij in Finland hebben geen reden over de invoering van vrouwenkiesrecht te klagen. In de moeilijke tijden, waarin door het telkens ingrijpen der Russische regeering onze zelfstandigheid wordt bedreigd en het werk van den Landdag wordt verlamd is eene verheffing en versterking van het solidariteitsgevoel der geheele natie, waartoe de politieke gelijkstelling van man en vrouw heeft bijgedragen, niet hoog genoeg te waardeeren!”w.g. L. Mechelin.Helsingfors, 18 Jan. 1913.Theodolf Rein, vroeger Professor in de Philosophie aan de Universiteit te Helsingfors, later lid van den Landdag en thans wethouder van de stad Helsingfors, schrijft: “Sedert de invoering van vrouwenkiesrecht in 1906 is er tijd genoeg verloopen om een op ervaring gegrond oordeel over de werking er van te kunnen uitspreken. Ik koester de overtuiging, die ook wel de gangbare in heel Finland is, dat deze hervorming, welke mondige medeburgers van beiderlei geslacht gelijke politieke rechten verleende, het land geen schade gebracht heeft, al is ook het positieve nut voor de geheele gemeenschap niet altijd duidelijk aantoonbaar. Dit laatste voor een deel het gevolg van de ongunstige politieke verhoudingen waarin wij leven. De vrees, dat de deelneming aan het politieke leven de vrouw minder geschikt zou maken voor haar werkkring als vrouw en moeder, is bij ons niet bewaarheid geworden. Inderdaad is het toch slechts een gering aantal dat een werkzaam aandeel neemt aan het politieke leven en van deze zijn de meesten ongehuwd of bezitten geen kinderen. De meeste vrouwen nemen aan het politieke leven slechts bij de verkiezingen deel, door eens in de drie jaar haar stembiljet in de bus te werpen. Daardoor wordt niet zooveel tijd in beslag genomen, dat er een of andere plicht door verzuimd moet worden. Het is toch ook niet aan te nemen dat deelneming aan de verkiezingen de belangstelling in eigen private aangelegenheden zou verzwakken. Dat vrouwen trachten zich de noodige kennis te verschaffen tot eene goede uitoefening van hare nieuwe rechten, kan toch niet anders dan gunstig werken. Daardoor is bij de vrouwen een grooter belangstelling gewekt voor het algemeene welzijn, is haar algemeene kennis verrijkt en grooter verantwoordelijkheidsgevoel ontstaan voor maatschappelijke toestanden. Vrouwen die kinderen op te voeden hebben, zijn daardoor beter in staat de opgroeiende jeugd liefde voor land en volk in te prenten en het plichtsgevoelals burgers bij te brengen. Doch ook voor de verhouding in het huwelijk is de vergrooting van den gezichtskring der vrouw een winst geweest.Vrouwelijke afgevaardigden zijn nog niet talrijk, maar velen hebben zich reeds door verstand en zakenkennis een grooten naam gemaakt. Dooreen genomen hebben de vrouwen-afgevaardigden zich in den Landdag niet zooveel doen hooren als de mannelijke collega’s, doch hieruit mag niet geconcludeerd worden dat zij minder goed werk hebben geleverd. Sedert 1905 tot 1912 hebben de vrouwen, eensdeels gezamenlijk, anderdeels met mannen, moties en wetsvoorstellen ingediend, die van groote algemeene beteekenis zijn, ook al hebben zij de belangen der vrouwen in de eerste plaats op het oog gehad. Daaronder zijn: Verhooging van den verantwoordelijkheidsleeftijd der meisjes, veranderingen in het huwelijksgoederenrecht, afschaffing van de voogdij van den gehuwden man over zijne vrouw, moederschapsverzekering, verbetering van den rechtstoestand van het onechtelijk geboren kind, vergrooting van den werkkring der vrouw in staatsdienst, oprichting van staats-huishoudscholen, maatregelen tegen drankmisbruik, verbeteringen in het gevangeniswezen, invoering van vrouwelijke inspectrices voor het gezondheidswezen enz. Daarbij komen nog wetsontwerpen op het gebied van communaal recht, van algemeenen leerplicht, van uitbreiding van het spoorwegnet, van verbetering der rechtspositie der Joden enz. Een deel dezer wetsontwerpen zijn reeds aangenomen, een ander deel is nog in behandeling.De deelneming der vrouwen aan het politieke leven heeft den politieken partijstrijd niet verscherpt, veeleer getemperd. De vrouwen hebben geen eigen politieke partij gevormd, doch zijn tot de bestaande politieke partijen toegetreden. Daardoor zijn de verhoudingen der verschillende partijen vrijwel gelijkgebleven en is in geen partij eene verandering ten goeden of ten kwaden ontstaan.Ten slotte staat thans de vrouw ten opzichte van de groote levensvraag van ons land aan de zijde van den man met een helderder bewustzijn en vaster besluit om gezamenlijk met hem het goed recht van het land te verdedigen dan zij dat in haar vroeger rechtlooze positie heeft kunnen doen.”w. g. Th. Rein 18/1, 1913.Op nagenoeg dezelfde gronden verklaarden nog de volgende mannen van beteekenis in Finland zich ingenomen met het bestaande vrouwenkiesrecht in hun land en alleen daar, waar zij iets aan het voorgaande hebben toe te voegen, zal ik hen citeeren. 1º Rechter P. E. Svinhufvud, 2º Doctor en Lid van den Landdag A. Neovius, een bekend uitgever, dieo. m.zegt: “dat het gemiddelde niveau van het intellect der vrouwen-kiezers nergens lager, veeleer hooger staat dan dat der mannen. En in den Landdag staan de vrouwen in bekwaamheid niet achter bij de mannen,” 3º Jonkheer V. A. von Born, groot-grondbezitter en politicus. 4º Ernst Estlander, professor in de geschiedenis van het Recht aan de Universiteit van Helsingfors en lid van den Landdag. Hij zegt o. a. “De medewerking der vrouwen aan het werk in den Landdag heeft nooit moeilijkheden opgeleverd, maar wel heeft het in de Volksvertegenwoordiging nieuwe ervaring en andere zaakkennis aan het licht gebracht op sociaal en humanitair gebied.” 5º Ook Professor Wrede spreekt zich ongeveer in den geest van den te voren genoemde uit. 6º Jonkheer Palmen, ook een professor en afgevaardigde in den Landdag schrijft o. a. “Voor het overige hangt toch de bekwaamheid van den persoon van den afgevaardigde af. Enkele vrouwelijke afgevaardigden hebben zich ontegenzeggelijk, hoe onervaren zij ook in het politieke leventraden, als zulke bekwame personen doen kennen, dat zij boven hunne mannelijke collega’s uitsteken, even als voor een halve eeuw de eerste vrouwelijke studenten aan onze Universiteiten zich wisten te verheffen boven het gemiddelde niveau hunner mannelijke medestudenten.” 7º Dr. Axel Lille, hoofdredacteur van het politieke Dagblad “Nya Pressen”. 8º Rector V. T. Rosenqvist, aan het hoofd van het Staatsgymnasium voor jongens. 9º Professor C. G. Swan, uitgever van een ander politiek blad. 10º Professor Ossian Asschan en anderen laten zich allen in ongeveer dezelfde termen uit. De laatste eindigt zijn lang artikel met de volgende ontboezemingen: “Onze moeders, vrouwen en zusters hebben op grond van ervaring het volle recht zich als rijp te beschouwen voor de uitoefening van politieke rechten. Dit geldt zoowel voor de vrouwen uit de hoogere standen als voor die uit het volk. Alle in het buitenland rondgestrooide geruchten, dat de politieke ontvoogding der vrouwen haar onbekwaam heeft gemaakt voor de uitoefening van hare huismoederlijke plichten, berust op slechte voorlichting of opzettelijk valsche voorstelling der feiten.”Alvorens van Finland af te stappen is het goed ook nog even een der vrouwen van dit land, welke daar een invloedrijke positie inneemt en ook in ons land bekend is, aan het woord te laten. Het is Vera Hjelt, de bekende fabrieksinspectrice, die van den wetgevenden arbeid der vrouwen in Finland, gedurende de jaren 1907–1911, een uittreksel heeft gemaakt en dit werk, ten behoeve van de vrouwen in andere landen, gepubliceerd heeft. Zij geeft een volledige reeks van alle wetsvoorstellen door de vrouwen in die jaren ingediend, een reeks die meer dan dubbel zoo groot is dan die door de heeren Mechelin en Rein opgesomd. Ik zal er alleen van noemen die hier nog niet bij de namen der genoemde heeren voorkomen. Zij zijn:moeders en vaders gelijk recht te geven over hare kinderen; de oprichting van te-huizen voor verlaten moeders en kinderen; verhoogde strafbaarheid voor prostitutie en verminderde strafbaarheid voor kindermoord; uitbreiding van de wetten tot bescherming van kinderen; de verplichting van elken gemeenteraad te zorgen dat er in elk dorp goede vroedvrouwen zijn: een goede dienstbodenwet; hervorming van het gevangeniswezen, met de verplichting dat elke gevangene een vak moet leeren; tusschenkomst van de plaatselijke autoriteiten bij moeilijkheden tusschen werklieden en werkgevers; oprichting van bureaux voor sociale adviezen; leerplicht; verbod van verkoop van alkohol in het klein; staats-inrichtingen voor drankzuchtigen; wetten die het vereenigingsleven regelen; een voorstel om het Ministerie van Justitie om te zetten in een onafhankelijk Hoog Gerechtshof.Vera Hjelt zegt, dat niettegenstaande zooveel ijver er toch nog weinig van al deze wetten is tot stand gebracht. Dit is echter een gevolg van den ongunstigen toestand waarin Finland verkeert. In die paar jaar tijds dwong Rusland het land vier keer tot ontbinding van den Landdag, omdat de daarin behandelde en aangenomen zaken niet in den smaak van Rusland vielen. Alle reeds behandelde en aangenomen wetten werden daarbij weder van onwaarde verklaard. De contrôle door het Russische gouvernement op den Landdag van Finland uitgeoefend, verlamt daar elken vruchtbaren arbeid.Verder merkt ook Vera Hjelt op, dat door het vrouwenkiesrecht nergens ongenoegen in de gezinnen ontstond. Zij schrijft: “Om u te overtuigen hoe ongegrond deze vrees is, behoeft men slechts te zien hoe in verkiezingsdagen meestal man en vrouw te zamen, of man, vrouw en volwassen kinderen gezamenlijk naar de stembus gaan. Als regel behooren man en vrouw tot dezelfde politieke partij, maar er zijn tochook uitzonderingen, en daar hoorde men nooit dat dit tot onaangenaamheden aanleiding geeft.”Stappen wij thans van Finland af en gaan wij na wat Noorwegen ons in dezen te leeren geeft. Het Noorweegsche volk staat in ontwikkeling, in levenswijze en geaardheid zooveel dichter bij ons volk dan het Finsche, wij kunnen hen beter begrijpen en ons aan hen beter spiegelen. Laat ons ook voor Noorwegen eerst aan eenige invloedrijke mannen het woord geven. Het zijn de antwoorden die zij gaven aan de Nationale Vereeniging van Vrouwenkiesrecht in Engeland op een tot hen gericht verzoek om hun uitspraak te vernemen in zake de werking van vrouwenkiesrecht in den aanvang van 1913.Gunnaar Kundsen, Ex-Eerste Minister en nu opnieuw in het Ministerie, schrijft: “De vrouwen in dit land bezitten het kiesrecht sedert de twee laatste algemeene verkiezingen en zij hebben met snel toenemend aantal aan de verkiezingen deelgenomen. Wij zijn zeer voldaan over de opgedane ondervinding, en alle politieke partijen zijn nu overtuigd van de rechtvaardigheid van deze hervorming, welke aanvankelijk zooveel tegenstand had te overwinnen van de conservatieve partijen.”G. Hagerup Bull, President van het hooge Gerechtshof, lid van het Parlement en President van de conservatieve partij in de Storthing, schrijft: “Vrouwenkiesrecht, dat hier met den steun van alle politieke partijen werd ingevoerd, heeft nog niet lang genoeg bestaan om de direkte gevolgen duidelijk aan het licht te brengen. Van het eerste oogenblik af hebben de vrouwen echter in grooten getale van haar stembiljet gebruik gemaakt en in twee richtingen kan de invloed reeds aangetoond worden. Het kiesrecht heeft veel gedaan om den gezichtskring der vrouwen te vergrooten en heeft verder, alleen door het feit dat vrouwenhet kiesrecht hebben, een goeden invloed gehad op de houding van het parlement bij verschillende voorkomende gelegenheden.”Chr. H. Knudsen, Lid van het Parlement en leider van de Werkliedenpartij in het Parlement, schrijft: “Ik ben overtuigd dat vrouwenkiesrecht in Noorwegen een goeden invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het gemeentelijk en parlementaire leven hier te lande; en ik ben overtuigd dat het zeer zal helpen om betere sociale toestanden en betere wetten tot stand te brengen.”J. Gastberg, Ex-Minister van Justitie, lid van het Parlement en leider van de radicale groep der liberalen, schrijft: “Het is gebleken dat vrouwenkiesrecht een weldadigen invloed op het politieke leven heeft gehad en het zedelijk aanzien der partijen heeft verhoogd. Het heeft volstrekt niet het gevoelen van patriotisme, zooals door eenigen gevreesd werd, verzwakt. Er bestaat thans geen partij of onderdeel van een partij, die het vrouwenkiesrecht zou wenschen af te schaffen. Integendeel, alle politieke partijen,—conservatieven, liberalen en werklieden—wenschen allen, het beperkt vrouwenkiesrecht, zooals het nu bestaat, tot een algemeen kiesrecht uit te breiden en er is reeds een voorstel daartoe ingediend. In de naaste toekomst zal het wel zoodanig gewijzigd worden.” (Zooals wij hiervoren hebben opgemerkt, is in Juni 1913, reeds in het Noorweegsche Parlement het algemeen kiesrecht voor vrouwen aangenomen. Schr.)Frederik Stang, Minister van Justitie, schrijft: “Vrouwenkiesrecht heeft in Noorwegen zeer goed gewerkt en krijgt steeds meer voorstanders. Door leden uit alle politieke partijen werd het ingevoerd.”K. Thinn, President van het Hooge Gerechtshof, schrijft: “Ik beschouw de invoering van vrouwenkiesrecht een daad van rechtvaardigheid tegenover de vrouw en een weldaad voor het geheele land.”W. Konow, vroeger lid van verschillende Ministeries, van 1907–1912 leider van de linker groep (de oppositie-partij), die thans aan het bewind is, schrijft: “Niets dan goeds kan gezegd worden van de wijze waarop de vrouwen van het stembiljet gebruik maken. In de politieke vergaderingen die ik bijwoonde, waren de vrouwen onder de aanwezigen de meest belangstellenden en intellectueelen en herhaaldelijk gaven zij de mannen een kranig voorbeeld door haar beschaafd en ingehouden gedrag. Eén vrouw, Fr. Rogstad, heeft alleen van 1910–1912 een zetel in het parlement ingenomen. Haar recht-door-zee-gaan en haar eenvoudig optreden, even als hare gaven om haar gevoelens onder woorden te brengen, heeft haar de sympathie en het respect van hare medeafgevaardigden bezorgd. Vele vrouwen zijn in Gemeenteraden en Provinciale raden gekozen, of hebben andere gemeentelijke functies waargenomen. Overal wordt het werk door de vrouwen in het gemeentelijk leven uitgeoefend, op hooge waarde gesteld. Voor zoover ik weet heeft nooit een vrouw door hare politieke ontvoogding eene onvrouwelijke daad gepleegd, niettegenstaande dat toch als een onvermijdelijk gevolg van het uitoefenen van het kiesrecht, voorspeld werd.”Eugen Hanssen, Predikant, schrijft: “Het was wel te voorzien dat vrouwenkiesrecht, eenmaal ingevoerd, uit zich zelf zou aantoonen de rechtvaardigheid van den eisch. Het is gemakkelijk in te zien dat vrouwenkiesrecht het natuurlijke gevolg van mannenkiesrecht is. De eigenschappen van mannen en vrouwen moeten samenwerken om de belangen van een vereenigd volk harmonisch te behartigen. Zelfs de korte periode, in welke de vrouwen politiek ontvoogd zijn, heeft reeds proefondervindelijk de waarheid van dit beweren aan het licht gebracht. De toekomst, en de taak die ons daarin wacht, zal nog meer aantoonen hoe noodzakelijk de invoering van vrouwenkiesrechtwas en nog duidelijker bewijzen dat deze maatregel een was van wijsheid en rechtvaardigheid.”En ten slotte schrijftProfessor W. C. Brogger, Eeredoctor van de Universiteiten van Glasgow, Heidelberg, Cambridge en Stockholm, bezitter van verschillende medailles van verdienste: “Vrouwenkiesrecht heeft geen enkel slecht gevolg gehad. De vrouwen hebben er niet hare huishoudingen door verwaarloosd en de verhouding tusschen man en vrouw heeft er niet door geleden.”De vrouwen van Noorwegen ontvingen in 1901 voor het eerst het Gemeentekiesrecht. Het was echter een zeer ondemocratisch kiesrecht. Alleen vrouwen die meer dan 25 jaren oud waren en die belasting hadden betaald voor een vermogen van 400 kronen in de steden en 300 kronen op het platte land, kregen het kiesrecht en waren verkiesbaar voor de gemeenteraden. De mannen kregen toen tegelijkertijd algemeen kiesrecht voor de gemeenteraden. In 1902 namen de vrouwen voor het eerst aan de verkiezingen deel en trachtten toen direkt zooveel mogelijk vrouwen in de gemeenteraden verkozen te krijgen. In de steden namen dooreengerekend 90% kiesgerechtigde vrouwen aan de verkiezingen deel, op het platte land, voor een deel een gevolg van de geographische gesteldheid van het land, aanmerkelijk minder. Over geheel Noorwegen werden 98 vrouwen direkt in de gemeenteraden gekozen, tegenover 12330 mannen. Toch heeft dit gering aantal vrouwen kans gezien vele verbeteringen tot stand te brengen in zaken, waarover de mannen alleen niet of niet genoegzaam hadden nagedacht. Zoo wisten zij door te voeren dat in de gemeentelijke pandjeshuizen geen goederen mogen worden aangenomen van kinderen beneden 16 jaren. Daardoor werd voorkomen, dat men kinderen gebruikte om goederen te beleenen, die van diefstal afkomstigwaren. Ook werd verboden aan kinderen tabak en sigaren te verkoopen. Het alkoholverbod bestond reeds. Verder werd een verbod uitgevaardigd om meisjes, beneden 18 jaren, boodschappen te laten verrichten aan boord van schepen, die in de havens liggen. Het was n.l. bekend dat jonge meisjes door werkgevers, onder voorwendsel van een boodschap te moeten doen, naar zulke schepen gestuurd en daar misbruikt werden. Beter toezicht van gemeentewege op de keuring van voedingsmiddelen, het oprichten van tehuizen voor kleine kinderen en zuigelingen, enz. werd mede in het eerste jaar verkregen. Ook was een onmiddellijk gevolg van het uitoefenen van dit kiesrecht, dat vrouwen in de Juries benoemd werden. “De groote waarde en beteekenis van het feit dat vrouwen als gezworenen worden toegelaten, komt het meest uit in onaangename en pijnlijke aangelegenheden. In alle gevallen, waarin moeilijkheden tusschen man en vrouw gerezen zijn, heeft het vrouwelijk inzicht, het vrouwelijk rechtvaardigheidsgevoel, er toe geleid dat er een hoogst verstandig en uiterst rechtvaardig vonnis werd uitgesproken,” schrijft een der Noorweegsche dagbladen.In 1906 werd door de Nationale Vereeniging voor vrouwenkiesrecht bij het parlement een verzoek ingediend om de vrouwen op dezelfde voorwaarden als de mannen het kiesrecht en de verkiesbaarheid te verleenen voor gemeenteraden en parlement, terwijl een andere vereeniging een verzoek indiende om het parlementair kiesrecht aan de vrouwen te verleenen op dezelfde voorwaarden als zij het gemeentekiesrecht bezaten. Deze beide voorstellen werden met al den ernst, dien een dergelijke hervorming eischt, door het parlement in overweging genomen, met het gevolg, dat 14 Juni 1907 met groote meerderheid besloten werd den vrouwen algemeen kiesrecht te geven voor de gemeenteraden en een politiek kiesrecht op de voorwaarden,waarop zij voorheen het gemeentekiesrecht hadden uitgeoefend. Daardoor kreeg op eens de grootste helft der vrouwen gelijke politieke rechten als de mannen.Door het feit, dat dit jaar de Noorweegsche vrouwen allen politiek ontvoogd zijn, wordt bewezen, hetgeen door de voorstanders van vrouwenkiesrecht tot in den treure wordt beweerd, dat het er met de invoering van vrouwenkiesrecht maar opaan komt om den eersten stap te doen en het vrijwel onverschillig is, welke vrouwen het eerst hare politieke rechten krijgen. Is eenmaal een begin met deze hervorming gemaakt, dan volgt de geheele politieke gelijkstelling spoedig en zonder veel strijd. De 300.000 vrouwen, die in de eerste instantie ontvoogd werden, hebben den strijd niet opgegeven en hebben zes jaren later reeds voor de 200.000 nog politiek bevoogden, het kiesrecht verworven.Mevrouw Ella Anker uit Noorwegen, vertelde ons wat de vrouwen in de 4 jaren dat zij het beperkt kiesrecht hebben uitgeoefend, daardoor hebben tot stand gebracht. Het is natuurlijk nog geen lange lijst van hervormingen waarop zij kunnen wijzen.Op onderwijs-gebied hebben zij gedaan gekregen dat er van gemeentewege overal goede kookscholen zijn opgericht en dat onderricht in kooken verplichtend is gesteld op alle scholen van lager onderwijs. Huishoudscholen en eenvoudige landbouwscholen, met staatssubsidie, zijn in alle provincies thans in aanbouw. Verder is een soort van Hoogeschool, om leeraressen te vormen in huishoudkunde en kooken, door den staat opgericht. Ook staat nog op het programma der vrouwen om moederscholen tot stand te brengen, waar de moeders onderricht kunnen ontvangen in de opvoeding en verzorging der kinderen, en om cursussen te stichten waar mannen en vrouwen, elk afzonderlijk, onderricht ontvangen in sexueelehygiène en allerlei vraagstukken het sexueele leven betreffende.De huwelijkswetten zijn reeds zeer goed in Noorwegen geregeld geworden. Vader en moeder hebben in Noorwegen dezelfde rechten op hunne kinderen, de vrouw heeft evenveel recht op het gezamenlijk inkomen als de man en het beheer er van is aan beiden toevertrouwd. De vrouw kan, als zij wil, haar eigen vermogen behouden en er zelfstandig het beheer over voeren, ook over het geld dat zij zelf verdient.Men werkt nu om “moederschapsverzekering” te verkrijgen, niet alleen voor vrouwen die bij een werkgever werken, maar ook voor vrouwen van werklieden. Het voorstel luidt, om een vrouw gedurende 8 weken 60% van het weekloon uit te betalen, als zij een kind heeft gekregen. Ook is door de vrouwen reeds een voorstel ingediend om voor ongehuwde moeders en hare kinderen betere toestanden in het leven te roepen. Daarin wordt, economisch zoowel als zedelijk, een grooter verantwoordelijkheid tegenover de kinderen op de schouders der vaders gelegd. Ook hebben de vrouwen in menig geval eenstrengerestraf geeischt dan was uitgesproken, voor vele zedelijkheidsvergrijpen tegenover kinderen en vrouwen gepleegd. Vooral zulke vergrijpen tegenover kinderen, die vroeger slechts licht gestraft werden, worden nu gestraft met de hoogst daarop gestelde eischen.Voor wat hooger loonen voor vrouwenwerk betreft, hebben de vrouwen nu reeds verkregen dat bij post en telefoon vrouwen en mannen gelijkebelooningontvangen en dat het salaris van alle onderwijzeressen verhoogd is en ook daar gelijk loon voor gelijken arbeid in uitzicht is gesteld.Als een belangrijke winst is zeker te beschouwen, dat nu alle Staatsambten voor de vrouwen zijn opengesteld.Dus ook van Noorwegen zijn niets dan goede gevolgen te boeken van de invoering van vrouwenkiesrecht.Gaan wij thans na wat Australië en Nieuw-Zeeland ons in dezen te leeren geven. De toestanden zijn daar wel is waar anders dan bij ons, maar wij behoeven immers ook niet alles over te nemen wat daar geschiedt, wij deelen alleen mede wat de geschiedenis van het vrouwenkiesrecht in die landen ons te boekstaven geeft.In Nieuw-Zeeland kregen de vrouwen het kiesrecht voor de Gemeenteraden in 1886, en in 1893 werd dit tot het parlement uitgestrekt. Als een bijzonder in het oog springend resultaat van het verleenen van kiesrecht aan de vrouwen moet vermeld worden, dat het bij de mannen de belangstelling in de verkiezingen zeer heeft verhoogd. Klom het percentage der mannen-kiezers, die aan de verkiezingen deelnamen, vóór de invoering van vrouwenkiesrecht, nooit hooger dan 74%, doch was het dikwijls niet meer dan 55%, na de invoering van vrouwenkiesrecht klom het onophoudelijk en bereikte bij de laatste verkiezingen zelfs de hoogte van 84,43%. Ook de vrouwen nemen in nagenoeg dezelfde verhouding aan de verkiezingen deel.Ook uit Nieuw-Zeeland hebben vele mannen van naam zich openlijk uitgelaten over de werking van vrouwenkiesrecht. Zoo zeide mr. W. Pember Reeves, vroeger Gouverneur-generaal vanN. Z.en nu Vertegenwoordiger van dien Staat in Engeland: “Altijd wordt mij de vraag gedaan of wij inN. Z.niet te klagen hebben over verwaarloozing der kinderen, over ongelukkige huwelijken, over slordige huishoudens, over verlies van vrouwelijke gratie, alles ten gevolge van de invoering van vrouwenkiesrecht. Ik moet echter bekennen dat geen van die slechte gevolgen door mij zijn bespeurd; maar wel moet getuigd worden dat de vrouwen met opvallend helder oordeel haar taak als kiezers hebben opgevat en uitgevoerd en dat zij in dit opzicht in geen enkel punt bij de mannen achterstaan.”Sir Joseph Ward schreef in 1907, toen hij Eerste Minister van Nieuw-Zeeland was: “Wij hebben hier niet opgemerkt dat door eens in de drie jaar een punt op het verkiezingsbiljet zwart te maken, de vrouwen haar huiselijke plichten hebben verwaarloosd. Integendeel, wij hebben gezien dat het vele goede gevolgen heeft gehad en de verkiezingsdagen heeft gezuiverd van de vroegere leelijke bijkomende omstandigheden. Het drinken, vechten, schelden van vroeger heeft nu plaats gemaakt voor een waardig optreden, zoodat de verkiezingsdagen nu gelijken op plechtige bijeenkomsten, waarin de burgers van den Staat een ernstigen plicht vervullen, waarvan de uitkomst bevorderlijk moet zijn aan het heil van den Staat. In aanmerking genomen dat het voor eene vrouw moeilijker is om een dag vrij te komen dan voor een man, blijkt toch duidelijk uit de opkomst bij de verkiezingen, dat de vrouwen evenveel prijs op haar kiesrecht stellen als de mannen.Het gehalte was bij de laatste verkiezingen 84,07% mannen en 82,23% vrouwen.”Nog tal van andere invloedrijke mannen uitN. Z.hebben zich in dien geest uitgelaten en hunne uitlatingen gepubliceerd. Doch meer dan al deze goede getuigenissen interesseeren ons de daden der vrouwen inN. Z., sedert zij het kiesrecht bezitten. Uit de lange lijst van wettelijke hervormingen, die door of na de invoering van vrouwenkiesrecht tot stand kwamen, zal ik de meest sprekende opnoemen:1. De wet op den alkohol-handel geeft denkiezersin elk district het recht te stemmen of er in dat district herbergen met vergunning zullen zijn of niet, en zoo ja, hoeveel er zullen zijn. Daar de vrouwen over dit verlof ook stemmen mogen, zijn nu alle arbeidersdistricten gezuiverd van lokalen waar alkohol verkocht wordt.2. Kinderbeschermingswetten, waarbij tehuizen van staatswege voor verwaarloosde en verweesde kinderen.3. Wet, waarbij de vrouwen het recht hebben op eigen bezit en eigen verdiend geld.4. De winkels en winkelbedienden-wet, waarbij de arbeidsuren der winkelbedienden en de hygiënische toestanden in de winkels wettelijk geregeld zijn.5. Wet op de levering van onvervalschte voedingsmiddelen.6. Verbod van opiumverkoop.7. Leerplicht tot 14 jaar en oprichting van scholen voor doove en blinde kinderen.8. Vroedvrouwenscholen en verplichting van gemeenteraden om gemeente-vroedvrouwen aan te stellen in elke gemeente.9. Een wet, die de Overheid het recht geeft om in wenschelijke gevallen de vrouw van den werkman de helft van zijn verdiend loon door den werkgever te laten uitbetalen.10. Gelijk loon voor gelijken arbeid voor mannen en vrouwen.11. Een wet die veroorlooft het weduwenpensioen uit te keeren in gevallen waar de man ongeneeslijk ziek is en niet kan voorzien in het onderhoud van het gezin.12. De pensioenwet zoo uit te breiden dat, wanneer een man van 60 en een vrouw van 55 jaar twee of meer kinderen hebben van onder 14 jaar, zij dan eene wekelijksche toelage kunnen verkrijgen. En zoo zou ik nog wel een paar dozijn wetten kunnen opnoemen, waaruit duidelijk de invloed van het kiesrecht der vrouw blijkt; maar genoeg om te doen zien dat ook inN. Z.de invloed van vrouwenkiesrecht geen slechte gevolgen voor het land heeft opgeleverd en dat het te begrijpen is dat de mannen van dat land het niet betreuren dat zij tot de invoering zijn overgegaan.En dat de mannen van de 6 verbonden Staten van Australië er even zoo over denken heb ik reeds in denaanvang van dit hoofdstuk aangetoond. Maar toch wil ik nog even het besluit dat genomen is in December 1910, weergeven, omdat dat misschien nog duidelijker aantoont, welke gevolgen de invoering van vrouwenkiesrecht in geheel Australië, volgens het oordeel der Volksvertegenwoordigers, heeft gehad. Ook toen hebben de beide Kamers in openbare Zitting de vraag besproken. “Wat is het gevolg geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht?” en als besluit van deze bespreking, de volgende motie met algemeene stemmen aangenomen:“Dat deze Kamer, na eene ondervinding van 16 jaren in verschillende staten van Australië en na eene ondervinding van 9 jaren in het Parlement der Vereenigde Staten van Australië, moet verklaren, dat de invoering van vrouwenkiesrecht alle goede resultaten heeft gehad, die er van verwacht werden;“dat, zooals door de voorstanders er van voorzien was, het tot resultaat heeft gehad, dat het de vrouwen zoodanig ontwikkeld heeft, dat zij zich meer dan voorheen mede verantwoordelijk gevoelen voor de sociale toestanden en voor de welvaart van het land;“dat de sociale wetgeving en de wetten met betrekking tot het gezinsleven op den voorgrond zijn gekomen;“dat daardoor de ondervinding het Australische Parlement heeft geleerd, dat invoering van vrouwenkiesrecht eenvoudig beteekent: het verantwoordelijkheidsgevoel voor het openbare welzijn, de basis voor eene goede regeering, door onderlinge samenwerking van mannen en vrouwen, te vergrooten.”Voor elk der 6 verbonden Staten zou ik een heele reeks van wetsartikelen kunnen opnoemen, die een gevolg zijn geweest van den invloed der vrouwen. Zij hebben echter zooveel met elkander gemeen, dat ik gerust volstaan kan met het opnoemen van enkele, die het meest sprekend zijn en overal zijningevoerd. Zoo vooral de wet die de regeering verplicht steeds gelijk loon voor gelijken arbeid te betalen, waardoor een eerlijke concurrentie tusschen mannen en vrouwen ontstaan is en het gevolg is geweest, dat in alle staatsbetrekkingen steeds de meest geschikte persoon geplaatst werd. Dit voorbeeld door de regeering gegeven om gelijk loon te betalen voor gelijken arbeid, is spoedig door particuliere werkgevers gevolgd en heeft thans in Australië een toestand geschapen, waarbij mannen en vrouwen op eerlijke wijze kunnen concureeren om het beste werk te leveren. Verder is overal voor mannen en vrouwen een gelijk minimum-salaris vastgesteld.In alle Staten is een wet aangenomen, die de vrouwen recht geeft op eigen bezit en op eigen verdiend geld; een wet die de verantwoordelijkheidsleeftijd van het jonge meisje verhoogt tot 17 of 18 jaren, (in ons land is een meisje van 16 jaren verantwoordelijk); kinderbeschermingswetten, waaruit duidelijk den invloed der vrouw spreekt; vaders en moeders dezelfde rechten geven en dezelfde verplichtingen opleggen voor hunne kinderen, ook als die kinderen geboren zijn uit niet-gehuwde ouders; een heele reeks hygiënische wetten; verbod van verkoop van alkohol en tabak aan kinderen onder de 18 jaren; verplichting om winkelbedienden stoelen achter de toonbank te verschaffen.Het feit dat Australië een van de gezondste landen der geheele wereld is, wat niet aan de geographische en klimaterische gesteldheid kan worden toegeschreven, moet ons doen zien, dat Australië goed geregeerd wordt. Het sterftecijfer in geheel Australië is lager dan in eenig land in Europa en lager dan in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er is geen land waar op de 1000 inwoners jaarlijks zoo weinig menschen sterven. Nog gunstiger dan het sterftecijfer in het algemeen is dat van jonge kinderen.In geheel Australië sterven er gemiddeld 75 kinderen op de 1000, beneden den leeftijd van één jaar en in Nieuw-Zeeland is dat cijfer zelfs gedaald tot 68 op de 1000. En nu is het opmerkelijk dat overal, in de geheele wereld, dit cijfer veel hooger is, behalve in Noorwegen en Zweden. In het eerstgenoemde land hebben de vrouwen ook het kiesrecht en in het laatstgenoemde bezitten zij kiesrecht voor de gemeenteraden en kunnen dus op de plaatselijke gezondheidstoestanden een invloed ten goede oefenen. Als men daar tegenover stelt het sterftecijfer van kinderen beneden 1 jaar in ons land, dat van 1910, toen ook de andere cijfers te boek zijn gesteld, 108 bedraagt, dat van Duitschland 178, dat van Engeland 105 en van Frankrijk 120 is, dan ziet men eerst het gunstig verschil van Australië en zal men toch zeker niet langer kunnen volhouden, dat het geven van kiesrecht aan de vrouw verwaarloozing van de gezinnen en zorgeloosheid ten opzichte van het kind tengevolge heeft. Ook geeft het iets te denken, dat in heel Australië het aantal huwelijken, dat jaarlijks gesloten wordt, gerekend op de 1000 inwoners, zoo groot is, dat het nergens overtroffen wordt. Mij dunkt, genoeg gegevens om ons te doen zien dat de mannen in dat werelddeel verstandig gehandeld hebben, toen zij de politieke rechten en de politieke verantwoordelijkheid eerlijk met de vrouwen zijn gaan deelen.In de Vereenigde Staten van Amerika komen van de Staten die het eerst het vrouwenkiesrecht hebben ingevoerd, ook niets dan goede berichten. De eerste Staat die het aandurfde om met de oude sleur te breken, was Wyoming, waar de vrouwen in 1869 reeds hare politieke rechten kregen. Toen was Wyoming nog een grondgebied en toen dat grondgebied in 1890 verzocht opgenomen te worden in de rij der Amerikaansche Staten en een pogingwerd aangewend om het dan te verplichten het vrouwenkiesrecht weder te doen vallen, was het fiere antwoord van de mannen, die het verzoek bij de federatie in Washington indienden: “Liever blijven wij nog honderd jaar een grondgebied dan een Staat te worden zonder vrouwenkiesrecht.” En zoo was Wyoming op den 27sten Juni 1890 de eerste Staat in Amerika, welke zich inderdaad een Staat van vrije burgers kon noemen.Na Wyoming volgde Colorado, waar de vrouwen in 1893 hare volle burgerrechten kregen. Zij verkregen dit toen met een meerderheid van 6347 stemmen, en toen in 1900, dus 7 jaren nadat de vrouwen van deze rechten gebruik hadden gemaakt, eenige tegenstanders het zoover wisten te brengen, dat dit recht der vrouwen opnieuw aan een referendum onderworpen werd, toen klom dit aantal tot het driedubbele, niettegenstaande de belanghebbenden bij den vrijen alkoholverkoop geen geld gespaard hebben om het er toe te brengen den vrouwen dit recht weder te ontnemen.In 1896 volgde Idaho en kort daarna in datzelfde jaar ook Utah. Gedurende 14 jaren waren deze vier Staten de eenige vrouwenkiesrechtstaten in Amerika, totdat in 1910 de belangrijke Staat Washington volgde. Sedert komen er elk jaar een of meer Staten bij die het recht en het nut van vrouwenkiesrecht inzien en er naar handelen. Den 10den October 1911 werden de vrouwen van Californië politiek ontvoogd, en op den 5den November 1912 volgden tegelijk drie Staten, met name Kansas, Arizona en Oregon.Het is voor de vrouwen van Amerika niet gemakkelijk het kiesrecht te veroveren. Zij kunnen niet volstaan met eenvoudig de leden van het parlement te overtuigen en daar een meerderheid te bewerken, maar zij moeten dan nog de eisch aan het goedvinden van alle mannen van den Staat onderwerpen. Insommige Staten moet zelfs eerst een ⅔ meerderheid in het Statenparlement er voor gestemd hebben, alvorens het voorstel aan een referendum kan worden onderworpen. Als men dan bedenkt, dat vele Staten van Amerika een groote menigte landverhuizers herbergt, die allen na 5 jaar verblijf in Amerika het recht tot medestemmen hebben en er daaronder velen zijn, die met alle vooroordeelen behept uit hunne dikwijls achterlijke landen komen, en anderen, door hun nog wankel bestaan licht in handen vallen van de rijke en machtige tegenstanders, die geld noch moeite sparen om de invoering van vrouwenkiesrecht zoolang mogelijk tegen te houden, dan begrijpt men met hoeveel bezwaren onze Amerikaansche zusters te kampen hebben om hare rechten te verkrijgen.Uit den tegenstand die vrouwenkiesrecht in Amerika ondervindt en uit den kant vanwaar die tegenstand komt, spreekt duidelijk, welke gevolgen vrouwenkiesrecht heeft gehad in de Staten waar het is ingevoerd. De grootste tegenstand komt van de zijde der groot- en kleinhandelaren van alkoholhoudende dranken. De alkohol-trust geeft zich alle moeite om verdere uitbreiding van vrouwenkiesrecht tegen te gaan. Daarnaast moeten in één adem genoemd worden allen, die bij het houden van speelhuizen en bij het welig tieren van de prostitutie belang hebben. Maar ook de groote trusts zien in vrouwenkiesrecht een vijand en zij steunen de tegenstanders altijd met groote geldelijke gaven om een krachtige aktie te kunnen voeren.Er zijn natuurlijk ook wel een half boekdeel vol uitspraken bijeen te brengen van bekende mannen, die zich gunstig over het vrouwenkiesrecht in Amerika hebben uitgelaten. Alleen van den Staat Colorado zijn wel honderd en meer gunstige uitspraken te verzamelen. De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht hier te lande gaf het vorig jaar een boekje uit, waarinde uitspraken van twee mannen van naam uit Colorado, de Heeren George Creel, een bekend journalist, en Ben Lindsey, de vader van de kinderrechtbanken in Colorado, hunne gevoelens, die zeer gunstig zijn, uiteenzetten. Slechts een korte uitspraak, van den Gouverneur, John J. Schafroth, uit Colorado, wil ik aanhalen, omdat zij kort en pittig en zooveel zeggend is. Hij schrijft aan Miss Mac Millan in Schotland: “Gedurende 14 jaren is de anti-vrouwenkiesrecht-beweging in New-York en Massasuchetts ijverig zoekende om uit het optreden der vrouwen in Colorado argumenten te vinden, die zouden kunnen dienen om hun zaak te steunen. Uit hunne geschriften en uit hunne argumenten blijkt genoegzaam dat zij ze niet hebben kunnen vinden en dat zij noch in Colorado, noch in een van de andere vrouwenkiesrechtstaten een dozijn achtbare mannen bijeen heeft kunnen brengen, die een met hun naam onderteekend stuk hebben durven schrijven, waarin aan vrouwenkiesrecht eenig verkeerd gevolg wordt toegeschreven.”In een van de gepubliceerde rapporten van de verschillende Staten van Amerika wordt door het vereenigd parlement getuigd, dat “Colorado de gezondste, de meest humane, de meest vooruitstrevende, en de wetenschappelijkste wetgeving bezit, vooral met betrekking tot het kind, van alle landen der wereld.”Onnoodig waarschijnlijk om te zeggen dat ook in Amerika alle wetsveranderingen, die door toedoen der vrouwen tot stand kwamen in de eerste plaats het welzijn van het kind beoogden en dat daarnaast betere wetten tot regeling der rechtsverhouding tusschen man en vrouw tot stand kwamen. Het springt toch ook zoo duidelijk in het oog, dat een rechtsverhouding tusschen twee volwassen menschen nooit rechtvaardig geregeld kan worden, als men daarbij slechts aan een der partijen het recht van medespreken verleent. De betere zedelijkheidswetten, dehygiënische wetten, wetten op den drankhandel die door de vrouwen werden tot stand gebracht of beïnvloed, kunnen toch ook alle teruggevoerd worden tot wetten in het belang van vrouw of kind.Ik zou nu nog een reeks van verbeteringen kunnen vermelden, die vrouwen in kwaliteit van lid van gemeenteraden of zelfs als wethouders tot stand brachten, maar de opgesomde lijst is al lang genoeg om te doen zien, dat de invoering van vrouwenkiesrecht geen sprong meer is in het duister, en dat zij, die nu den stap hebben te doen, genoeg gegevens kunnen vinden om hunne overtuiging te staven. Alleen tegenstanders van vrouwenkiesrecht zullen hard werk hebben om hunne argumenten, die op “ik geloof” en op “ik ben bang” en “het komt mij voor” berusten, eenigen schijn van waarheid bij te brengen. Zulke menschen zijn in den regel eerst te overtuigen als zij het feit voor oogen hebben; dan zullen zij, als overal elders, spoedig inzien dat zij met hun tegenstand verkeerd hebben gehandeld.1De cursiveering is van den heer L. Mechelin.

Wat zijn de gevolgen geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht in die landen, waar men den moed heeft gehad te breken met oude gewoonten en de opbouwing en instandhouding van den Staat, evenals die van het gezin, aan mannen en vrouwen gezamenlijk durfde toe te vertrouwen? Heeft het daar de ellende gebracht, die tegenstanders er van verwacht hebben; is het gezinsleven er door ondermijnd; zijn de huishoudingen er door verwaarloosd; heeft het ongenoegen tusschen man en vrouw veroorzaakt; werd de parlementaire arbeid er door op een lager peil gebracht? Of wel, heeft het al de zegeningen gebracht die de vrouwen er van verwacht hebben?

Op deze en soortgelijke vragen kan nu een antwoord gegeven worden, omdat wij op dit oogenblik reeds kunnen nagaan hoe de invoering van vrouwenkiesrecht werkt in geheel Australië, in 9 Staten van Noord-Amerika en in Alaska, in Finland en Noorwegen, alwaar overal algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen bestaat voor alle wetgevendeen wetuitvoerende lichamen, terwijl in tal van andere landen en staten de vrouwen thans kiesrecht en verkiesbaarheid bezitten voor een deel dezer lichamen. In rapporten, die alle twee jaar, door de vrouwen aller landen, op de congressen van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht worden uitgebracht, in het boek “Vrouwenkiesrecht in de praktijk,” door den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht dit jaar uitgegeven, in de openbaar gemaakte uitingen van regeeringspersonen en mannen van naam en beteekenis uit de landen waar vrouwenkiesrecht bestaat en in de gepubliceerde feiten, vinden wij genoeg gegevens om de bovenstaande vragen te kunnen beantwoorden. Wij behoeven gelukkig niet meer te vreezen, dat met de invoering van vrouwenkiesrecht een sprong in het duister wordt gedaan, wij behoeven niet meer angstvallig te vragen “wat zal het vrouwenkiesrecht ons brengen,” wij kunnen nu nagaan “watheefthet vrouwenkiesrecht gebracht in de landen waar het is ingevoerd.”

Wel is waar kunnen wij uit de tot stand gekomen wetten in de landen waar de vrouwen aan de wetgeving deelnemen, niet altijd besluiten, dat zij een gevolg zijn van den arbeid der vrouwen, omdat mannen en vrouwen beide aan de tot standkoming dier wetten hebben medegewerkt; maar bij vergelijking met wat in andere landen onder dezelfde omstandigheden tot wet werd verheven, uit de geuite wenschen der vrouwen omtrent wetswijziging en uit de punten, die zij op de politieke partijprogramma’s hebben gebracht, is toch de invloed op de wetgeving van de vrouwen, die over een stembiljet beschikken, duidelijk genoeg na te gaan.

Laat mij beginnen met datgene te vermelden, waardoor de mannen hunne meening omtrent de werking van vrouwenkiesrecht openlijk te kennen gaven in die landen, waar de vrouwen reeds verschillende jarenhet kiesbiljet gebruiken. En dan moet bovenaan vermeld worden de daad door het Parlement van de Vereenigde Staten van Australië verricht.

Op 17 November 1910 diende Senator Rea de volgende motie in dat Parlement in: “Dat dit Parlement van meening is, dat het toekennen van kiesrecht voor parlement en gemeenteraden aan de vrouwen van Australië, de meest gunstige gevolgen heeft gehad. Dat het de rust en orde op verkiezingsdagen zeer heeft bevorderd; dat het aantal stemmen door vrouwen uitgebracht bij de laatst gehouden verkiezing voor leden van het parlement percentsgewijs hooger was dan dat der mannen.

“Dat het vrouwenkiesrecht de wetgeving ten behoeve van vrouwen en kinderen meer op den voorgrond heeft gebracht, doch dat daaruit niet de gevolgtrekking mag getrokken worden, dat de vrouwen alleen aandacht wijden aan deze zaken. Dat vrouwen in zaken, de landsverdediging en de imperialistische politiek betreffende, even ruim denken als de mannen.

“Dat deze hervorming het land niets dan goeds heeft gebracht, terwijl er zoovele slechte gevolgen van voorspeld waren en dat daarom bij alle andere natiën, die een constitutioneelen regeeringsvorm bezitten, er eerbiedig op wordt aangedrongen den vrouwen het stemrecht te verleenen.”

Verder werd er voorgesteld dat een afschrift van deze motie gezonden zou worden naar den Eersten Minister van Engeland, om zoodoende het Moederland in deze gewichtige zaak van advies te dienen.

In zijne toelichting zeide Senator Rea o. a. “dat nu de tijd voorbij is, dat een vooruitstrevende natie kan volhouden, dat de vrouwen minderwaardiger dan de mannen zijn.” Op het argument “dat het Australische parlement zich niet het recht mocht aanmatigen het Moederland raad te geven,” antwoordde hij “dat de Regeering van Australië niet geaarzeld had zijn oordeeluit te spreken over het Doggersbank-incident, over den Russisch-Japanschen oorlog, over Home-rule voor Ierland en datz.i.het vrouwenkiesrecht een even gewichtig, zoo niet gewichtiger vraagstuk was, dan de genoemden. Door de invoering van vrouwenkiesrecht wordt de weg tot vele sociale en economische verbeteringen gebaand.”

De tegenstanders van de motie gaven toe, dat door de invoering van vrouwenkiesrecht veel goeds was tot stand gekomen, maar zij vonden dit geen reden om het Moederland van ongevraagd advies te dienen. De voorstanders waren evenwel van oordeel, dat in zulk een gewichtige zaak de verkregen ervaring wel degelijk het geven van raad gebiedend voorschreef. Ten slotte werd de motie met eene groote meerderheid van stemmen aangenomen, terwijl de enkele tegenstemmers er prijs op stelden, dat uitdrukkelijk werd vermeld, dat zij wel vóór de gunstige resultaten van vrouwenkiesrecht gestemd hadden, doch er alleen tegen waren, dat de gehouden bespreking aan de Engelsche regeering werd medegedeeld.

De geheele motie met uitgebreide toelichting, werd toen aan Minister Asquith getelegrapheerd, en door de pers openbaar gemaakt.

Een ander feit waarop wij kunnen wijzen, en dat niet minder getuigt van de gunstige werking van vrouwenkiesrecht is: “dat in de Vereenigde Staten van Amerika de Gouverneurs van die Staten, waar de vrouwen het kiesrecht hebben, zich hebben vereenigd om de Gouverneurs van andere Staten tot voorlichting te dienen, wanneer dit gewichtig vraagstuk ook bij hen om oplossing vraagt.” Van deze samenwerking der Gouverneurs hebben de vrouwen reeds veel goeds ondervonden. Sedert kan geen courant in Amerika meer onware berichten verspreiden omtrent de werking van vrouwenkiesrecht, omdat dan onmiddellijk deGouverneur van dien Staat daarmede in kennis wordt gesteld en daardoor in staat is met ware gegevens de onware berichten te logenstraffen.

En getuigt het niet ook van de goede werking van het vrouwenkiesrecht in Noorwegen, dat de Regeering bij elk Congres, waarop dit vraagstuk ter sprake komt, een of twee Regeeringsafgevaardigden zendt, die op kosten van de regeering reizen en die komen met een opdracht van de regeering om de ingenomenheid met de resultaten van vrouwenkiesrecht aan de wereld kenbaar te maken? Maar sterker spreekt die ingenomenheid met de resultaten, nu de regeering van Noorwegen in eene vergadering in Junil.l.met algemeene stemmen het besluit nam om de vrouwen, die tot dien tijd nog slechts een beperkt kiesrecht voor het Parlement bezaten, het volledig kiesrecht toe te kennen, toen een daartoe strekkend voorstel, uitgaande van leden uit alle politieke partijen, bij de regeering inkwam.

En in Finland? Meer dan boekdeelen vol theoretische beschouwingen over het nut van vrouwenkiesrecht, zeggen de uitspraken van de meest invloedrijke mannen uit Finland, die in de gelegenheid waren de werkzaamheden van de vrouwen in het Finsche parlement van nabij gade te slaan. Zij werden in brochurevorm op het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht den afgevaardigden ter hand gesteld.

De voornaamsten zullen wij hier vertaald wedergeven.

Senator Mechelin, de man die in 1906 het vrouwenkiesrecht voor Finland invoerde, na het eerst tegenover den Czaar van Rusland verdedigd te hebben, werd in 1839 geboren. Van 1874 tot 1882 was hij Professor in het Staatsrecht en Finantiewezen aan de Hoogeschool te Helsingfors. Daarna ging hij in het politieke levenover en werd weldra de leider van zijne politieke partijgenooten. Als zoodanig is hij nog werkzaam. Hij schrijft: “Daar de vrouwelijke afgevaardigden in den Landdag geen afzonderlijke afdeeling vormen, maar in de verschillende afdeelingen met de mannen samenwerken, daarom kunnen wij over hen geen collectief oordeel uitspreken. De grootste arbeid wordt in onzen Landdag, even als in alle parlementen het geval is, in de commissies en afdeelingen verricht. In alle commissies, waar de vrouwen tot leden benoemd werden, hebben zij hare plaats op bevredigende wijze ingenomen. Vooral was dit het geval in de Commissies voor de financiën, de sociale hervormingen en voor de landbouwafdeeling. In de openbare vergaderingen hebben niet alle vrouwenleden het woord gevoerd, maar dit geldt toch ook voor vele mannen-leden, maar zij die aan de openbare beraadslagingen deelnamen, deden dat met niet minder welsprekendheid dan de mannen en toonden over dezelfde zaakkennis te beschikken als hunne mannelijke collega’s. Zoowel de uitingen der vrouwelijke afgevaardigden, als ook de wetsvoorstellen die op haar initiatief werden ingediend, bewijzen dat de vrouwen ten opzichte van het algemeene welzijn aan de Volksvertegenwoordiging nieuwe krachten hebben toegevoerd en dat zonder haar medewerking vele vraagstukken door de mannen niet naar behooren overwogen zouden zijn geworden.

Onder de hervormingen, die door de vrouwen in den Landdag tot stand zijn gekomen, moeten de volgende in de eerste plaats genoemd worden: “hervorming van het huwelijksgoederenrecht, verbetering van de rechtspositie van het onechtelijk geboren kind, moederschapsverzekering, invoering van vrouwelijke inspectrices van gezondheid, regeeringsbijstand aan vereenigingen die werken tot verbetering der zeden, uitbreiding van den arbeid der vrouw in staatsdienst etc.

De genoemde voorbeelden toonen aan, dat de vrouwen zich bij voorkeur bewegen in de sfeer, waarin de vrouw dieper inzicht heeft dan de man. Dat noem ik geen feminisme, want de voorgeslagen maatregelen waren steeds ten algemeenen nutte. In politieke vraagstukken, welke tot partij-strijd aanleiding geven, heeft zich nooit eene afzonderlijke vrouwenmeening doen gelden. In het partijleven staan de mannen en vrouwen bij ons solidair.

De vrouwelijke en mannelijke afgevaardigden werken als goede kameraden samen, nooit is het voorgekomen dat een vrouwelijke afgevaardigde over gebrek aan beleefdheid van hare mannelijke collega te klagen heeft gehad. Op de verhouding in het gezin en in het sociale leven heeft de politieke ontvoogding der vrouw geen ongunstigen invloed gehad, veeleer is het tegendeel waar. Het ligt toch in den aard van de zaak dat gelijkstelling, eenen gunstigen en veredelenden invloed op de menschen tegenover elkander uitoefenen moet.En dat de uitoefening van het kiesrecht op het gezinsleven en op de plichtsvervulling der vrouw als moeder ongunstig zou werken, is een hersenschim van zwakke mannen, die vreezen hunne traditioneele autoriteit te verliezen.1

Wij in Finland hebben geen reden over de invoering van vrouwenkiesrecht te klagen. In de moeilijke tijden, waarin door het telkens ingrijpen der Russische regeering onze zelfstandigheid wordt bedreigd en het werk van den Landdag wordt verlamd is eene verheffing en versterking van het solidariteitsgevoel der geheele natie, waartoe de politieke gelijkstelling van man en vrouw heeft bijgedragen, niet hoog genoeg te waardeeren!”

w.g. L. Mechelin.

Helsingfors, 18 Jan. 1913.

Theodolf Rein, vroeger Professor in de Philosophie aan de Universiteit te Helsingfors, later lid van den Landdag en thans wethouder van de stad Helsingfors, schrijft: “Sedert de invoering van vrouwenkiesrecht in 1906 is er tijd genoeg verloopen om een op ervaring gegrond oordeel over de werking er van te kunnen uitspreken. Ik koester de overtuiging, die ook wel de gangbare in heel Finland is, dat deze hervorming, welke mondige medeburgers van beiderlei geslacht gelijke politieke rechten verleende, het land geen schade gebracht heeft, al is ook het positieve nut voor de geheele gemeenschap niet altijd duidelijk aantoonbaar. Dit laatste voor een deel het gevolg van de ongunstige politieke verhoudingen waarin wij leven. De vrees, dat de deelneming aan het politieke leven de vrouw minder geschikt zou maken voor haar werkkring als vrouw en moeder, is bij ons niet bewaarheid geworden. Inderdaad is het toch slechts een gering aantal dat een werkzaam aandeel neemt aan het politieke leven en van deze zijn de meesten ongehuwd of bezitten geen kinderen. De meeste vrouwen nemen aan het politieke leven slechts bij de verkiezingen deel, door eens in de drie jaar haar stembiljet in de bus te werpen. Daardoor wordt niet zooveel tijd in beslag genomen, dat er een of andere plicht door verzuimd moet worden. Het is toch ook niet aan te nemen dat deelneming aan de verkiezingen de belangstelling in eigen private aangelegenheden zou verzwakken. Dat vrouwen trachten zich de noodige kennis te verschaffen tot eene goede uitoefening van hare nieuwe rechten, kan toch niet anders dan gunstig werken. Daardoor is bij de vrouwen een grooter belangstelling gewekt voor het algemeene welzijn, is haar algemeene kennis verrijkt en grooter verantwoordelijkheidsgevoel ontstaan voor maatschappelijke toestanden. Vrouwen die kinderen op te voeden hebben, zijn daardoor beter in staat de opgroeiende jeugd liefde voor land en volk in te prenten en het plichtsgevoelals burgers bij te brengen. Doch ook voor de verhouding in het huwelijk is de vergrooting van den gezichtskring der vrouw een winst geweest.

Vrouwelijke afgevaardigden zijn nog niet talrijk, maar velen hebben zich reeds door verstand en zakenkennis een grooten naam gemaakt. Dooreen genomen hebben de vrouwen-afgevaardigden zich in den Landdag niet zooveel doen hooren als de mannelijke collega’s, doch hieruit mag niet geconcludeerd worden dat zij minder goed werk hebben geleverd. Sedert 1905 tot 1912 hebben de vrouwen, eensdeels gezamenlijk, anderdeels met mannen, moties en wetsvoorstellen ingediend, die van groote algemeene beteekenis zijn, ook al hebben zij de belangen der vrouwen in de eerste plaats op het oog gehad. Daaronder zijn: Verhooging van den verantwoordelijkheidsleeftijd der meisjes, veranderingen in het huwelijksgoederenrecht, afschaffing van de voogdij van den gehuwden man over zijne vrouw, moederschapsverzekering, verbetering van den rechtstoestand van het onechtelijk geboren kind, vergrooting van den werkkring der vrouw in staatsdienst, oprichting van staats-huishoudscholen, maatregelen tegen drankmisbruik, verbeteringen in het gevangeniswezen, invoering van vrouwelijke inspectrices voor het gezondheidswezen enz. Daarbij komen nog wetsontwerpen op het gebied van communaal recht, van algemeenen leerplicht, van uitbreiding van het spoorwegnet, van verbetering der rechtspositie der Joden enz. Een deel dezer wetsontwerpen zijn reeds aangenomen, een ander deel is nog in behandeling.

De deelneming der vrouwen aan het politieke leven heeft den politieken partijstrijd niet verscherpt, veeleer getemperd. De vrouwen hebben geen eigen politieke partij gevormd, doch zijn tot de bestaande politieke partijen toegetreden. Daardoor zijn de verhoudingen der verschillende partijen vrijwel gelijkgebleven en is in geen partij eene verandering ten goeden of ten kwaden ontstaan.

Ten slotte staat thans de vrouw ten opzichte van de groote levensvraag van ons land aan de zijde van den man met een helderder bewustzijn en vaster besluit om gezamenlijk met hem het goed recht van het land te verdedigen dan zij dat in haar vroeger rechtlooze positie heeft kunnen doen.”

w. g. Th. Rein 18/1, 1913.

Op nagenoeg dezelfde gronden verklaarden nog de volgende mannen van beteekenis in Finland zich ingenomen met het bestaande vrouwenkiesrecht in hun land en alleen daar, waar zij iets aan het voorgaande hebben toe te voegen, zal ik hen citeeren. 1º Rechter P. E. Svinhufvud, 2º Doctor en Lid van den Landdag A. Neovius, een bekend uitgever, dieo. m.zegt: “dat het gemiddelde niveau van het intellect der vrouwen-kiezers nergens lager, veeleer hooger staat dan dat der mannen. En in den Landdag staan de vrouwen in bekwaamheid niet achter bij de mannen,” 3º Jonkheer V. A. von Born, groot-grondbezitter en politicus. 4º Ernst Estlander, professor in de geschiedenis van het Recht aan de Universiteit van Helsingfors en lid van den Landdag. Hij zegt o. a. “De medewerking der vrouwen aan het werk in den Landdag heeft nooit moeilijkheden opgeleverd, maar wel heeft het in de Volksvertegenwoordiging nieuwe ervaring en andere zaakkennis aan het licht gebracht op sociaal en humanitair gebied.” 5º Ook Professor Wrede spreekt zich ongeveer in den geest van den te voren genoemde uit. 6º Jonkheer Palmen, ook een professor en afgevaardigde in den Landdag schrijft o. a. “Voor het overige hangt toch de bekwaamheid van den persoon van den afgevaardigde af. Enkele vrouwelijke afgevaardigden hebben zich ontegenzeggelijk, hoe onervaren zij ook in het politieke leventraden, als zulke bekwame personen doen kennen, dat zij boven hunne mannelijke collega’s uitsteken, even als voor een halve eeuw de eerste vrouwelijke studenten aan onze Universiteiten zich wisten te verheffen boven het gemiddelde niveau hunner mannelijke medestudenten.” 7º Dr. Axel Lille, hoofdredacteur van het politieke Dagblad “Nya Pressen”. 8º Rector V. T. Rosenqvist, aan het hoofd van het Staatsgymnasium voor jongens. 9º Professor C. G. Swan, uitgever van een ander politiek blad. 10º Professor Ossian Asschan en anderen laten zich allen in ongeveer dezelfde termen uit. De laatste eindigt zijn lang artikel met de volgende ontboezemingen: “Onze moeders, vrouwen en zusters hebben op grond van ervaring het volle recht zich als rijp te beschouwen voor de uitoefening van politieke rechten. Dit geldt zoowel voor de vrouwen uit de hoogere standen als voor die uit het volk. Alle in het buitenland rondgestrooide geruchten, dat de politieke ontvoogding der vrouwen haar onbekwaam heeft gemaakt voor de uitoefening van hare huismoederlijke plichten, berust op slechte voorlichting of opzettelijk valsche voorstelling der feiten.”

Alvorens van Finland af te stappen is het goed ook nog even een der vrouwen van dit land, welke daar een invloedrijke positie inneemt en ook in ons land bekend is, aan het woord te laten. Het is Vera Hjelt, de bekende fabrieksinspectrice, die van den wetgevenden arbeid der vrouwen in Finland, gedurende de jaren 1907–1911, een uittreksel heeft gemaakt en dit werk, ten behoeve van de vrouwen in andere landen, gepubliceerd heeft. Zij geeft een volledige reeks van alle wetsvoorstellen door de vrouwen in die jaren ingediend, een reeks die meer dan dubbel zoo groot is dan die door de heeren Mechelin en Rein opgesomd. Ik zal er alleen van noemen die hier nog niet bij de namen der genoemde heeren voorkomen. Zij zijn:moeders en vaders gelijk recht te geven over hare kinderen; de oprichting van te-huizen voor verlaten moeders en kinderen; verhoogde strafbaarheid voor prostitutie en verminderde strafbaarheid voor kindermoord; uitbreiding van de wetten tot bescherming van kinderen; de verplichting van elken gemeenteraad te zorgen dat er in elk dorp goede vroedvrouwen zijn: een goede dienstbodenwet; hervorming van het gevangeniswezen, met de verplichting dat elke gevangene een vak moet leeren; tusschenkomst van de plaatselijke autoriteiten bij moeilijkheden tusschen werklieden en werkgevers; oprichting van bureaux voor sociale adviezen; leerplicht; verbod van verkoop van alkohol in het klein; staats-inrichtingen voor drankzuchtigen; wetten die het vereenigingsleven regelen; een voorstel om het Ministerie van Justitie om te zetten in een onafhankelijk Hoog Gerechtshof.

Vera Hjelt zegt, dat niettegenstaande zooveel ijver er toch nog weinig van al deze wetten is tot stand gebracht. Dit is echter een gevolg van den ongunstigen toestand waarin Finland verkeert. In die paar jaar tijds dwong Rusland het land vier keer tot ontbinding van den Landdag, omdat de daarin behandelde en aangenomen zaken niet in den smaak van Rusland vielen. Alle reeds behandelde en aangenomen wetten werden daarbij weder van onwaarde verklaard. De contrôle door het Russische gouvernement op den Landdag van Finland uitgeoefend, verlamt daar elken vruchtbaren arbeid.

Verder merkt ook Vera Hjelt op, dat door het vrouwenkiesrecht nergens ongenoegen in de gezinnen ontstond. Zij schrijft: “Om u te overtuigen hoe ongegrond deze vrees is, behoeft men slechts te zien hoe in verkiezingsdagen meestal man en vrouw te zamen, of man, vrouw en volwassen kinderen gezamenlijk naar de stembus gaan. Als regel behooren man en vrouw tot dezelfde politieke partij, maar er zijn tochook uitzonderingen, en daar hoorde men nooit dat dit tot onaangenaamheden aanleiding geeft.”

Stappen wij thans van Finland af en gaan wij na wat Noorwegen ons in dezen te leeren geeft. Het Noorweegsche volk staat in ontwikkeling, in levenswijze en geaardheid zooveel dichter bij ons volk dan het Finsche, wij kunnen hen beter begrijpen en ons aan hen beter spiegelen. Laat ons ook voor Noorwegen eerst aan eenige invloedrijke mannen het woord geven. Het zijn de antwoorden die zij gaven aan de Nationale Vereeniging van Vrouwenkiesrecht in Engeland op een tot hen gericht verzoek om hun uitspraak te vernemen in zake de werking van vrouwenkiesrecht in den aanvang van 1913.

Gunnaar Kundsen, Ex-Eerste Minister en nu opnieuw in het Ministerie, schrijft: “De vrouwen in dit land bezitten het kiesrecht sedert de twee laatste algemeene verkiezingen en zij hebben met snel toenemend aantal aan de verkiezingen deelgenomen. Wij zijn zeer voldaan over de opgedane ondervinding, en alle politieke partijen zijn nu overtuigd van de rechtvaardigheid van deze hervorming, welke aanvankelijk zooveel tegenstand had te overwinnen van de conservatieve partijen.”

G. Hagerup Bull, President van het hooge Gerechtshof, lid van het Parlement en President van de conservatieve partij in de Storthing, schrijft: “Vrouwenkiesrecht, dat hier met den steun van alle politieke partijen werd ingevoerd, heeft nog niet lang genoeg bestaan om de direkte gevolgen duidelijk aan het licht te brengen. Van het eerste oogenblik af hebben de vrouwen echter in grooten getale van haar stembiljet gebruik gemaakt en in twee richtingen kan de invloed reeds aangetoond worden. Het kiesrecht heeft veel gedaan om den gezichtskring der vrouwen te vergrooten en heeft verder, alleen door het feit dat vrouwenhet kiesrecht hebben, een goeden invloed gehad op de houding van het parlement bij verschillende voorkomende gelegenheden.”

Chr. H. Knudsen, Lid van het Parlement en leider van de Werkliedenpartij in het Parlement, schrijft: “Ik ben overtuigd dat vrouwenkiesrecht in Noorwegen een goeden invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het gemeentelijk en parlementaire leven hier te lande; en ik ben overtuigd dat het zeer zal helpen om betere sociale toestanden en betere wetten tot stand te brengen.”

J. Gastberg, Ex-Minister van Justitie, lid van het Parlement en leider van de radicale groep der liberalen, schrijft: “Het is gebleken dat vrouwenkiesrecht een weldadigen invloed op het politieke leven heeft gehad en het zedelijk aanzien der partijen heeft verhoogd. Het heeft volstrekt niet het gevoelen van patriotisme, zooals door eenigen gevreesd werd, verzwakt. Er bestaat thans geen partij of onderdeel van een partij, die het vrouwenkiesrecht zou wenschen af te schaffen. Integendeel, alle politieke partijen,—conservatieven, liberalen en werklieden—wenschen allen, het beperkt vrouwenkiesrecht, zooals het nu bestaat, tot een algemeen kiesrecht uit te breiden en er is reeds een voorstel daartoe ingediend. In de naaste toekomst zal het wel zoodanig gewijzigd worden.” (Zooals wij hiervoren hebben opgemerkt, is in Juni 1913, reeds in het Noorweegsche Parlement het algemeen kiesrecht voor vrouwen aangenomen. Schr.)

Frederik Stang, Minister van Justitie, schrijft: “Vrouwenkiesrecht heeft in Noorwegen zeer goed gewerkt en krijgt steeds meer voorstanders. Door leden uit alle politieke partijen werd het ingevoerd.”

K. Thinn, President van het Hooge Gerechtshof, schrijft: “Ik beschouw de invoering van vrouwenkiesrecht een daad van rechtvaardigheid tegenover de vrouw en een weldaad voor het geheele land.”

W. Konow, vroeger lid van verschillende Ministeries, van 1907–1912 leider van de linker groep (de oppositie-partij), die thans aan het bewind is, schrijft: “Niets dan goeds kan gezegd worden van de wijze waarop de vrouwen van het stembiljet gebruik maken. In de politieke vergaderingen die ik bijwoonde, waren de vrouwen onder de aanwezigen de meest belangstellenden en intellectueelen en herhaaldelijk gaven zij de mannen een kranig voorbeeld door haar beschaafd en ingehouden gedrag. Eén vrouw, Fr. Rogstad, heeft alleen van 1910–1912 een zetel in het parlement ingenomen. Haar recht-door-zee-gaan en haar eenvoudig optreden, even als hare gaven om haar gevoelens onder woorden te brengen, heeft haar de sympathie en het respect van hare medeafgevaardigden bezorgd. Vele vrouwen zijn in Gemeenteraden en Provinciale raden gekozen, of hebben andere gemeentelijke functies waargenomen. Overal wordt het werk door de vrouwen in het gemeentelijk leven uitgeoefend, op hooge waarde gesteld. Voor zoover ik weet heeft nooit een vrouw door hare politieke ontvoogding eene onvrouwelijke daad gepleegd, niettegenstaande dat toch als een onvermijdelijk gevolg van het uitoefenen van het kiesrecht, voorspeld werd.”

Eugen Hanssen, Predikant, schrijft: “Het was wel te voorzien dat vrouwenkiesrecht, eenmaal ingevoerd, uit zich zelf zou aantoonen de rechtvaardigheid van den eisch. Het is gemakkelijk in te zien dat vrouwenkiesrecht het natuurlijke gevolg van mannenkiesrecht is. De eigenschappen van mannen en vrouwen moeten samenwerken om de belangen van een vereenigd volk harmonisch te behartigen. Zelfs de korte periode, in welke de vrouwen politiek ontvoogd zijn, heeft reeds proefondervindelijk de waarheid van dit beweren aan het licht gebracht. De toekomst, en de taak die ons daarin wacht, zal nog meer aantoonen hoe noodzakelijk de invoering van vrouwenkiesrechtwas en nog duidelijker bewijzen dat deze maatregel een was van wijsheid en rechtvaardigheid.”

En ten slotte schrijftProfessor W. C. Brogger, Eeredoctor van de Universiteiten van Glasgow, Heidelberg, Cambridge en Stockholm, bezitter van verschillende medailles van verdienste: “Vrouwenkiesrecht heeft geen enkel slecht gevolg gehad. De vrouwen hebben er niet hare huishoudingen door verwaarloosd en de verhouding tusschen man en vrouw heeft er niet door geleden.”

De vrouwen van Noorwegen ontvingen in 1901 voor het eerst het Gemeentekiesrecht. Het was echter een zeer ondemocratisch kiesrecht. Alleen vrouwen die meer dan 25 jaren oud waren en die belasting hadden betaald voor een vermogen van 400 kronen in de steden en 300 kronen op het platte land, kregen het kiesrecht en waren verkiesbaar voor de gemeenteraden. De mannen kregen toen tegelijkertijd algemeen kiesrecht voor de gemeenteraden. In 1902 namen de vrouwen voor het eerst aan de verkiezingen deel en trachtten toen direkt zooveel mogelijk vrouwen in de gemeenteraden verkozen te krijgen. In de steden namen dooreengerekend 90% kiesgerechtigde vrouwen aan de verkiezingen deel, op het platte land, voor een deel een gevolg van de geographische gesteldheid van het land, aanmerkelijk minder. Over geheel Noorwegen werden 98 vrouwen direkt in de gemeenteraden gekozen, tegenover 12330 mannen. Toch heeft dit gering aantal vrouwen kans gezien vele verbeteringen tot stand te brengen in zaken, waarover de mannen alleen niet of niet genoegzaam hadden nagedacht. Zoo wisten zij door te voeren dat in de gemeentelijke pandjeshuizen geen goederen mogen worden aangenomen van kinderen beneden 16 jaren. Daardoor werd voorkomen, dat men kinderen gebruikte om goederen te beleenen, die van diefstal afkomstigwaren. Ook werd verboden aan kinderen tabak en sigaren te verkoopen. Het alkoholverbod bestond reeds. Verder werd een verbod uitgevaardigd om meisjes, beneden 18 jaren, boodschappen te laten verrichten aan boord van schepen, die in de havens liggen. Het was n.l. bekend dat jonge meisjes door werkgevers, onder voorwendsel van een boodschap te moeten doen, naar zulke schepen gestuurd en daar misbruikt werden. Beter toezicht van gemeentewege op de keuring van voedingsmiddelen, het oprichten van tehuizen voor kleine kinderen en zuigelingen, enz. werd mede in het eerste jaar verkregen. Ook was een onmiddellijk gevolg van het uitoefenen van dit kiesrecht, dat vrouwen in de Juries benoemd werden. “De groote waarde en beteekenis van het feit dat vrouwen als gezworenen worden toegelaten, komt het meest uit in onaangename en pijnlijke aangelegenheden. In alle gevallen, waarin moeilijkheden tusschen man en vrouw gerezen zijn, heeft het vrouwelijk inzicht, het vrouwelijk rechtvaardigheidsgevoel, er toe geleid dat er een hoogst verstandig en uiterst rechtvaardig vonnis werd uitgesproken,” schrijft een der Noorweegsche dagbladen.

In 1906 werd door de Nationale Vereeniging voor vrouwenkiesrecht bij het parlement een verzoek ingediend om de vrouwen op dezelfde voorwaarden als de mannen het kiesrecht en de verkiesbaarheid te verleenen voor gemeenteraden en parlement, terwijl een andere vereeniging een verzoek indiende om het parlementair kiesrecht aan de vrouwen te verleenen op dezelfde voorwaarden als zij het gemeentekiesrecht bezaten. Deze beide voorstellen werden met al den ernst, dien een dergelijke hervorming eischt, door het parlement in overweging genomen, met het gevolg, dat 14 Juni 1907 met groote meerderheid besloten werd den vrouwen algemeen kiesrecht te geven voor de gemeenteraden en een politiek kiesrecht op de voorwaarden,waarop zij voorheen het gemeentekiesrecht hadden uitgeoefend. Daardoor kreeg op eens de grootste helft der vrouwen gelijke politieke rechten als de mannen.

Door het feit, dat dit jaar de Noorweegsche vrouwen allen politiek ontvoogd zijn, wordt bewezen, hetgeen door de voorstanders van vrouwenkiesrecht tot in den treure wordt beweerd, dat het er met de invoering van vrouwenkiesrecht maar opaan komt om den eersten stap te doen en het vrijwel onverschillig is, welke vrouwen het eerst hare politieke rechten krijgen. Is eenmaal een begin met deze hervorming gemaakt, dan volgt de geheele politieke gelijkstelling spoedig en zonder veel strijd. De 300.000 vrouwen, die in de eerste instantie ontvoogd werden, hebben den strijd niet opgegeven en hebben zes jaren later reeds voor de 200.000 nog politiek bevoogden, het kiesrecht verworven.

Mevrouw Ella Anker uit Noorwegen, vertelde ons wat de vrouwen in de 4 jaren dat zij het beperkt kiesrecht hebben uitgeoefend, daardoor hebben tot stand gebracht. Het is natuurlijk nog geen lange lijst van hervormingen waarop zij kunnen wijzen.

Op onderwijs-gebied hebben zij gedaan gekregen dat er van gemeentewege overal goede kookscholen zijn opgericht en dat onderricht in kooken verplichtend is gesteld op alle scholen van lager onderwijs. Huishoudscholen en eenvoudige landbouwscholen, met staatssubsidie, zijn in alle provincies thans in aanbouw. Verder is een soort van Hoogeschool, om leeraressen te vormen in huishoudkunde en kooken, door den staat opgericht. Ook staat nog op het programma der vrouwen om moederscholen tot stand te brengen, waar de moeders onderricht kunnen ontvangen in de opvoeding en verzorging der kinderen, en om cursussen te stichten waar mannen en vrouwen, elk afzonderlijk, onderricht ontvangen in sexueelehygiène en allerlei vraagstukken het sexueele leven betreffende.

De huwelijkswetten zijn reeds zeer goed in Noorwegen geregeld geworden. Vader en moeder hebben in Noorwegen dezelfde rechten op hunne kinderen, de vrouw heeft evenveel recht op het gezamenlijk inkomen als de man en het beheer er van is aan beiden toevertrouwd. De vrouw kan, als zij wil, haar eigen vermogen behouden en er zelfstandig het beheer over voeren, ook over het geld dat zij zelf verdient.

Men werkt nu om “moederschapsverzekering” te verkrijgen, niet alleen voor vrouwen die bij een werkgever werken, maar ook voor vrouwen van werklieden. Het voorstel luidt, om een vrouw gedurende 8 weken 60% van het weekloon uit te betalen, als zij een kind heeft gekregen. Ook is door de vrouwen reeds een voorstel ingediend om voor ongehuwde moeders en hare kinderen betere toestanden in het leven te roepen. Daarin wordt, economisch zoowel als zedelijk, een grooter verantwoordelijkheid tegenover de kinderen op de schouders der vaders gelegd. Ook hebben de vrouwen in menig geval eenstrengerestraf geeischt dan was uitgesproken, voor vele zedelijkheidsvergrijpen tegenover kinderen en vrouwen gepleegd. Vooral zulke vergrijpen tegenover kinderen, die vroeger slechts licht gestraft werden, worden nu gestraft met de hoogst daarop gestelde eischen.

Voor wat hooger loonen voor vrouwenwerk betreft, hebben de vrouwen nu reeds verkregen dat bij post en telefoon vrouwen en mannen gelijkebelooningontvangen en dat het salaris van alle onderwijzeressen verhoogd is en ook daar gelijk loon voor gelijken arbeid in uitzicht is gesteld.

Als een belangrijke winst is zeker te beschouwen, dat nu alle Staatsambten voor de vrouwen zijn opengesteld.

Dus ook van Noorwegen zijn niets dan goede gevolgen te boeken van de invoering van vrouwenkiesrecht.

Gaan wij thans na wat Australië en Nieuw-Zeeland ons in dezen te leeren geven. De toestanden zijn daar wel is waar anders dan bij ons, maar wij behoeven immers ook niet alles over te nemen wat daar geschiedt, wij deelen alleen mede wat de geschiedenis van het vrouwenkiesrecht in die landen ons te boekstaven geeft.

In Nieuw-Zeeland kregen de vrouwen het kiesrecht voor de Gemeenteraden in 1886, en in 1893 werd dit tot het parlement uitgestrekt. Als een bijzonder in het oog springend resultaat van het verleenen van kiesrecht aan de vrouwen moet vermeld worden, dat het bij de mannen de belangstelling in de verkiezingen zeer heeft verhoogd. Klom het percentage der mannen-kiezers, die aan de verkiezingen deelnamen, vóór de invoering van vrouwenkiesrecht, nooit hooger dan 74%, doch was het dikwijls niet meer dan 55%, na de invoering van vrouwenkiesrecht klom het onophoudelijk en bereikte bij de laatste verkiezingen zelfs de hoogte van 84,43%. Ook de vrouwen nemen in nagenoeg dezelfde verhouding aan de verkiezingen deel.

Ook uit Nieuw-Zeeland hebben vele mannen van naam zich openlijk uitgelaten over de werking van vrouwenkiesrecht. Zoo zeide mr. W. Pember Reeves, vroeger Gouverneur-generaal vanN. Z.en nu Vertegenwoordiger van dien Staat in Engeland: “Altijd wordt mij de vraag gedaan of wij inN. Z.niet te klagen hebben over verwaarloozing der kinderen, over ongelukkige huwelijken, over slordige huishoudens, over verlies van vrouwelijke gratie, alles ten gevolge van de invoering van vrouwenkiesrecht. Ik moet echter bekennen dat geen van die slechte gevolgen door mij zijn bespeurd; maar wel moet getuigd worden dat de vrouwen met opvallend helder oordeel haar taak als kiezers hebben opgevat en uitgevoerd en dat zij in dit opzicht in geen enkel punt bij de mannen achterstaan.”

Sir Joseph Ward schreef in 1907, toen hij Eerste Minister van Nieuw-Zeeland was: “Wij hebben hier niet opgemerkt dat door eens in de drie jaar een punt op het verkiezingsbiljet zwart te maken, de vrouwen haar huiselijke plichten hebben verwaarloosd. Integendeel, wij hebben gezien dat het vele goede gevolgen heeft gehad en de verkiezingsdagen heeft gezuiverd van de vroegere leelijke bijkomende omstandigheden. Het drinken, vechten, schelden van vroeger heeft nu plaats gemaakt voor een waardig optreden, zoodat de verkiezingsdagen nu gelijken op plechtige bijeenkomsten, waarin de burgers van den Staat een ernstigen plicht vervullen, waarvan de uitkomst bevorderlijk moet zijn aan het heil van den Staat. In aanmerking genomen dat het voor eene vrouw moeilijker is om een dag vrij te komen dan voor een man, blijkt toch duidelijk uit de opkomst bij de verkiezingen, dat de vrouwen evenveel prijs op haar kiesrecht stellen als de mannen.Het gehalte was bij de laatste verkiezingen 84,07% mannen en 82,23% vrouwen.”

Nog tal van andere invloedrijke mannen uitN. Z.hebben zich in dien geest uitgelaten en hunne uitlatingen gepubliceerd. Doch meer dan al deze goede getuigenissen interesseeren ons de daden der vrouwen inN. Z., sedert zij het kiesrecht bezitten. Uit de lange lijst van wettelijke hervormingen, die door of na de invoering van vrouwenkiesrecht tot stand kwamen, zal ik de meest sprekende opnoemen:

1. De wet op den alkohol-handel geeft denkiezersin elk district het recht te stemmen of er in dat district herbergen met vergunning zullen zijn of niet, en zoo ja, hoeveel er zullen zijn. Daar de vrouwen over dit verlof ook stemmen mogen, zijn nu alle arbeidersdistricten gezuiverd van lokalen waar alkohol verkocht wordt.

2. Kinderbeschermingswetten, waarbij tehuizen van staatswege voor verwaarloosde en verweesde kinderen.

3. Wet, waarbij de vrouwen het recht hebben op eigen bezit en eigen verdiend geld.

4. De winkels en winkelbedienden-wet, waarbij de arbeidsuren der winkelbedienden en de hygiënische toestanden in de winkels wettelijk geregeld zijn.

5. Wet op de levering van onvervalschte voedingsmiddelen.

6. Verbod van opiumverkoop.

7. Leerplicht tot 14 jaar en oprichting van scholen voor doove en blinde kinderen.

8. Vroedvrouwenscholen en verplichting van gemeenteraden om gemeente-vroedvrouwen aan te stellen in elke gemeente.

9. Een wet, die de Overheid het recht geeft om in wenschelijke gevallen de vrouw van den werkman de helft van zijn verdiend loon door den werkgever te laten uitbetalen.

10. Gelijk loon voor gelijken arbeid voor mannen en vrouwen.

11. Een wet die veroorlooft het weduwenpensioen uit te keeren in gevallen waar de man ongeneeslijk ziek is en niet kan voorzien in het onderhoud van het gezin.

12. De pensioenwet zoo uit te breiden dat, wanneer een man van 60 en een vrouw van 55 jaar twee of meer kinderen hebben van onder 14 jaar, zij dan eene wekelijksche toelage kunnen verkrijgen. En zoo zou ik nog wel een paar dozijn wetten kunnen opnoemen, waaruit duidelijk de invloed van het kiesrecht der vrouw blijkt; maar genoeg om te doen zien dat ook inN. Z.de invloed van vrouwenkiesrecht geen slechte gevolgen voor het land heeft opgeleverd en dat het te begrijpen is dat de mannen van dat land het niet betreuren dat zij tot de invoering zijn overgegaan.

En dat de mannen van de 6 verbonden Staten van Australië er even zoo over denken heb ik reeds in denaanvang van dit hoofdstuk aangetoond. Maar toch wil ik nog even het besluit dat genomen is in December 1910, weergeven, omdat dat misschien nog duidelijker aantoont, welke gevolgen de invoering van vrouwenkiesrecht in geheel Australië, volgens het oordeel der Volksvertegenwoordigers, heeft gehad. Ook toen hebben de beide Kamers in openbare Zitting de vraag besproken. “Wat is het gevolg geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht?” en als besluit van deze bespreking, de volgende motie met algemeene stemmen aangenomen:

“Dat deze Kamer, na eene ondervinding van 16 jaren in verschillende staten van Australië en na eene ondervinding van 9 jaren in het Parlement der Vereenigde Staten van Australië, moet verklaren, dat de invoering van vrouwenkiesrecht alle goede resultaten heeft gehad, die er van verwacht werden;

“dat, zooals door de voorstanders er van voorzien was, het tot resultaat heeft gehad, dat het de vrouwen zoodanig ontwikkeld heeft, dat zij zich meer dan voorheen mede verantwoordelijk gevoelen voor de sociale toestanden en voor de welvaart van het land;

“dat de sociale wetgeving en de wetten met betrekking tot het gezinsleven op den voorgrond zijn gekomen;

“dat daardoor de ondervinding het Australische Parlement heeft geleerd, dat invoering van vrouwenkiesrecht eenvoudig beteekent: het verantwoordelijkheidsgevoel voor het openbare welzijn, de basis voor eene goede regeering, door onderlinge samenwerking van mannen en vrouwen, te vergrooten.”

Voor elk der 6 verbonden Staten zou ik een heele reeks van wetsartikelen kunnen opnoemen, die een gevolg zijn geweest van den invloed der vrouwen. Zij hebben echter zooveel met elkander gemeen, dat ik gerust volstaan kan met het opnoemen van enkele, die het meest sprekend zijn en overal zijningevoerd. Zoo vooral de wet die de regeering verplicht steeds gelijk loon voor gelijken arbeid te betalen, waardoor een eerlijke concurrentie tusschen mannen en vrouwen ontstaan is en het gevolg is geweest, dat in alle staatsbetrekkingen steeds de meest geschikte persoon geplaatst werd. Dit voorbeeld door de regeering gegeven om gelijk loon te betalen voor gelijken arbeid, is spoedig door particuliere werkgevers gevolgd en heeft thans in Australië een toestand geschapen, waarbij mannen en vrouwen op eerlijke wijze kunnen concureeren om het beste werk te leveren. Verder is overal voor mannen en vrouwen een gelijk minimum-salaris vastgesteld.

In alle Staten is een wet aangenomen, die de vrouwen recht geeft op eigen bezit en op eigen verdiend geld; een wet die de verantwoordelijkheidsleeftijd van het jonge meisje verhoogt tot 17 of 18 jaren, (in ons land is een meisje van 16 jaren verantwoordelijk); kinderbeschermingswetten, waaruit duidelijk den invloed der vrouw spreekt; vaders en moeders dezelfde rechten geven en dezelfde verplichtingen opleggen voor hunne kinderen, ook als die kinderen geboren zijn uit niet-gehuwde ouders; een heele reeks hygiënische wetten; verbod van verkoop van alkohol en tabak aan kinderen onder de 18 jaren; verplichting om winkelbedienden stoelen achter de toonbank te verschaffen.

Het feit dat Australië een van de gezondste landen der geheele wereld is, wat niet aan de geographische en klimaterische gesteldheid kan worden toegeschreven, moet ons doen zien, dat Australië goed geregeerd wordt. Het sterftecijfer in geheel Australië is lager dan in eenig land in Europa en lager dan in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er is geen land waar op de 1000 inwoners jaarlijks zoo weinig menschen sterven. Nog gunstiger dan het sterftecijfer in het algemeen is dat van jonge kinderen.In geheel Australië sterven er gemiddeld 75 kinderen op de 1000, beneden den leeftijd van één jaar en in Nieuw-Zeeland is dat cijfer zelfs gedaald tot 68 op de 1000. En nu is het opmerkelijk dat overal, in de geheele wereld, dit cijfer veel hooger is, behalve in Noorwegen en Zweden. In het eerstgenoemde land hebben de vrouwen ook het kiesrecht en in het laatstgenoemde bezitten zij kiesrecht voor de gemeenteraden en kunnen dus op de plaatselijke gezondheidstoestanden een invloed ten goede oefenen. Als men daar tegenover stelt het sterftecijfer van kinderen beneden 1 jaar in ons land, dat van 1910, toen ook de andere cijfers te boek zijn gesteld, 108 bedraagt, dat van Duitschland 178, dat van Engeland 105 en van Frankrijk 120 is, dan ziet men eerst het gunstig verschil van Australië en zal men toch zeker niet langer kunnen volhouden, dat het geven van kiesrecht aan de vrouw verwaarloozing van de gezinnen en zorgeloosheid ten opzichte van het kind tengevolge heeft. Ook geeft het iets te denken, dat in heel Australië het aantal huwelijken, dat jaarlijks gesloten wordt, gerekend op de 1000 inwoners, zoo groot is, dat het nergens overtroffen wordt. Mij dunkt, genoeg gegevens om ons te doen zien dat de mannen in dat werelddeel verstandig gehandeld hebben, toen zij de politieke rechten en de politieke verantwoordelijkheid eerlijk met de vrouwen zijn gaan deelen.

In de Vereenigde Staten van Amerika komen van de Staten die het eerst het vrouwenkiesrecht hebben ingevoerd, ook niets dan goede berichten. De eerste Staat die het aandurfde om met de oude sleur te breken, was Wyoming, waar de vrouwen in 1869 reeds hare politieke rechten kregen. Toen was Wyoming nog een grondgebied en toen dat grondgebied in 1890 verzocht opgenomen te worden in de rij der Amerikaansche Staten en een pogingwerd aangewend om het dan te verplichten het vrouwenkiesrecht weder te doen vallen, was het fiere antwoord van de mannen, die het verzoek bij de federatie in Washington indienden: “Liever blijven wij nog honderd jaar een grondgebied dan een Staat te worden zonder vrouwenkiesrecht.” En zoo was Wyoming op den 27sten Juni 1890 de eerste Staat in Amerika, welke zich inderdaad een Staat van vrije burgers kon noemen.

Na Wyoming volgde Colorado, waar de vrouwen in 1893 hare volle burgerrechten kregen. Zij verkregen dit toen met een meerderheid van 6347 stemmen, en toen in 1900, dus 7 jaren nadat de vrouwen van deze rechten gebruik hadden gemaakt, eenige tegenstanders het zoover wisten te brengen, dat dit recht der vrouwen opnieuw aan een referendum onderworpen werd, toen klom dit aantal tot het driedubbele, niettegenstaande de belanghebbenden bij den vrijen alkoholverkoop geen geld gespaard hebben om het er toe te brengen den vrouwen dit recht weder te ontnemen.

In 1896 volgde Idaho en kort daarna in datzelfde jaar ook Utah. Gedurende 14 jaren waren deze vier Staten de eenige vrouwenkiesrechtstaten in Amerika, totdat in 1910 de belangrijke Staat Washington volgde. Sedert komen er elk jaar een of meer Staten bij die het recht en het nut van vrouwenkiesrecht inzien en er naar handelen. Den 10den October 1911 werden de vrouwen van Californië politiek ontvoogd, en op den 5den November 1912 volgden tegelijk drie Staten, met name Kansas, Arizona en Oregon.

Het is voor de vrouwen van Amerika niet gemakkelijk het kiesrecht te veroveren. Zij kunnen niet volstaan met eenvoudig de leden van het parlement te overtuigen en daar een meerderheid te bewerken, maar zij moeten dan nog de eisch aan het goedvinden van alle mannen van den Staat onderwerpen. Insommige Staten moet zelfs eerst een ⅔ meerderheid in het Statenparlement er voor gestemd hebben, alvorens het voorstel aan een referendum kan worden onderworpen. Als men dan bedenkt, dat vele Staten van Amerika een groote menigte landverhuizers herbergt, die allen na 5 jaar verblijf in Amerika het recht tot medestemmen hebben en er daaronder velen zijn, die met alle vooroordeelen behept uit hunne dikwijls achterlijke landen komen, en anderen, door hun nog wankel bestaan licht in handen vallen van de rijke en machtige tegenstanders, die geld noch moeite sparen om de invoering van vrouwenkiesrecht zoolang mogelijk tegen te houden, dan begrijpt men met hoeveel bezwaren onze Amerikaansche zusters te kampen hebben om hare rechten te verkrijgen.

Uit den tegenstand die vrouwenkiesrecht in Amerika ondervindt en uit den kant vanwaar die tegenstand komt, spreekt duidelijk, welke gevolgen vrouwenkiesrecht heeft gehad in de Staten waar het is ingevoerd. De grootste tegenstand komt van de zijde der groot- en kleinhandelaren van alkoholhoudende dranken. De alkohol-trust geeft zich alle moeite om verdere uitbreiding van vrouwenkiesrecht tegen te gaan. Daarnaast moeten in één adem genoemd worden allen, die bij het houden van speelhuizen en bij het welig tieren van de prostitutie belang hebben. Maar ook de groote trusts zien in vrouwenkiesrecht een vijand en zij steunen de tegenstanders altijd met groote geldelijke gaven om een krachtige aktie te kunnen voeren.

Er zijn natuurlijk ook wel een half boekdeel vol uitspraken bijeen te brengen van bekende mannen, die zich gunstig over het vrouwenkiesrecht in Amerika hebben uitgelaten. Alleen van den Staat Colorado zijn wel honderd en meer gunstige uitspraken te verzamelen. De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht hier te lande gaf het vorig jaar een boekje uit, waarinde uitspraken van twee mannen van naam uit Colorado, de Heeren George Creel, een bekend journalist, en Ben Lindsey, de vader van de kinderrechtbanken in Colorado, hunne gevoelens, die zeer gunstig zijn, uiteenzetten. Slechts een korte uitspraak, van den Gouverneur, John J. Schafroth, uit Colorado, wil ik aanhalen, omdat zij kort en pittig en zooveel zeggend is. Hij schrijft aan Miss Mac Millan in Schotland: “Gedurende 14 jaren is de anti-vrouwenkiesrecht-beweging in New-York en Massasuchetts ijverig zoekende om uit het optreden der vrouwen in Colorado argumenten te vinden, die zouden kunnen dienen om hun zaak te steunen. Uit hunne geschriften en uit hunne argumenten blijkt genoegzaam dat zij ze niet hebben kunnen vinden en dat zij noch in Colorado, noch in een van de andere vrouwenkiesrechtstaten een dozijn achtbare mannen bijeen heeft kunnen brengen, die een met hun naam onderteekend stuk hebben durven schrijven, waarin aan vrouwenkiesrecht eenig verkeerd gevolg wordt toegeschreven.”

In een van de gepubliceerde rapporten van de verschillende Staten van Amerika wordt door het vereenigd parlement getuigd, dat “Colorado de gezondste, de meest humane, de meest vooruitstrevende, en de wetenschappelijkste wetgeving bezit, vooral met betrekking tot het kind, van alle landen der wereld.”

Onnoodig waarschijnlijk om te zeggen dat ook in Amerika alle wetsveranderingen, die door toedoen der vrouwen tot stand kwamen in de eerste plaats het welzijn van het kind beoogden en dat daarnaast betere wetten tot regeling der rechtsverhouding tusschen man en vrouw tot stand kwamen. Het springt toch ook zoo duidelijk in het oog, dat een rechtsverhouding tusschen twee volwassen menschen nooit rechtvaardig geregeld kan worden, als men daarbij slechts aan een der partijen het recht van medespreken verleent. De betere zedelijkheidswetten, dehygiënische wetten, wetten op den drankhandel die door de vrouwen werden tot stand gebracht of beïnvloed, kunnen toch ook alle teruggevoerd worden tot wetten in het belang van vrouw of kind.

Ik zou nu nog een reeks van verbeteringen kunnen vermelden, die vrouwen in kwaliteit van lid van gemeenteraden of zelfs als wethouders tot stand brachten, maar de opgesomde lijst is al lang genoeg om te doen zien, dat de invoering van vrouwenkiesrecht geen sprong meer is in het duister, en dat zij, die nu den stap hebben te doen, genoeg gegevens kunnen vinden om hunne overtuiging te staven. Alleen tegenstanders van vrouwenkiesrecht zullen hard werk hebben om hunne argumenten, die op “ik geloof” en op “ik ben bang” en “het komt mij voor” berusten, eenigen schijn van waarheid bij te brengen. Zulke menschen zijn in den regel eerst te overtuigen als zij het feit voor oogen hebben; dan zullen zij, als overal elders, spoedig inzien dat zij met hun tegenstand verkeerd hebben gehandeld.

1De cursiveering is van den heer L. Mechelin.

1De cursiveering is van den heer L. Mechelin.


Back to IndexNext