LICHT EN SCHADUW

LICHT EN SCHADUW[48]Maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst. (blz. 77)Maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst.(blz.77)[49][Inhoud]VI.DE MENSCHEN-ETERIn de pasanggráhan van Tandjoeng, aan den bovenloop der Kampar-rivier, stond de mandoer, belast met de bewaking van dit rusthuis voor doortrekkende ambtenaren, aan de telefoon en trachtte het midden-stationnetje Moeára Máhat op te bellen.„Moeara Mahat! Moeara Mahat!??”… tok-tok, tok-tok, trommelde hij op het telefoonkastje, zooals Inlanders in de binnenlanden wel meer doen, denkend, dat dit helpen zal om de aandacht van den opgeroepene te trekken.„Moeara Mahat??”… och, hij was wel gewoon lang op antwoord te wachten … tok-tok, tok-tok …Het telefoonlijntje, door het gouvernement aangelegd langs het rijpad aan den rivieroever, dat door het oerwoud loopt, is alleen bedoeld om de uitoefening van het bestuur in deze zoo afgelegen streken te vergemakkelijken; om de mandoer’s der rusthuizen te waarschuwen, als de controleur, de besturende ambtenaar, deze streek zal doortrekken om de meer bevolkte stroomop gelegen landen te bezoeken.Niet dikwijls maakt de controleur die reis, en het aantal andere ambtenaren, voor wie de mandoer een bed moet opmaken en een eenvoudige „rijsttafel” moet trachten te koken, is zeer gering. Deze rusthuizen liggen telkens een dagreis van elkaar verwijderd; maanden lang staan zij leeg in dit gebied van Sumatra van de diepste wouden, de grootste pythons en de meeste tijgers.Als het telefoonbelletje er rinkelt, staan de mandoers dan ook lang[50]niet altijd klaar, zoodat lang wachten op antwoord gewoonte is. Elke post wordt door een zeker aantal malen bellen opgeroepen, maar als een mandoer het belletje maar hoort, legt hij alvast het nieuwsgierig oor te luisteren, al weet hij ook, dat anderen elkaar zoeken. De lijn, die toch al zooveel te lijden heeft van takken en omgevallen boomen, ondervindt veel hinder van nieuwsgierige mandoers.De man van Tandjoeng hoorde een zwak hanekraaien in den microphoon, het was stellig de nieuwe mandoer van Batoe Bersoerat, die daar stond te luisteren, hij was met een massa kippen „van beneden” gekomen … „niet hinderen, Batoe Bersoerat!” en plotseling brak het lied van den haan af.De mandoer van Tandjoeng was een man van geduld, maar dezen éénen keer was hij wel zeer gejaagd, want hij had een vreeselijk bericht voor den controleur te Bangkinang, en Moeara Mahat had de verbinding te geven.Hoor, een zacht, hem wel bekend geluid ruischte langs de lijn, de nauwelijks overgebrachte donder van de beruchte stroomversnelling, waar Kampar en Mahat haar ontmoeting vieren … Moeara Mahat!„Hier Moeara Mahat!”„„Verbind mij dadelijk met den controleur, gauw!””„„Toean Koemandoer?1Ja Allah, toean, ik heb zulke slechte berichten. Het nagri-hoofd van Si Biroeang heeft iemand hierheen gezonden om u te laten weten, dat die tijger nu weer een vrouw heeft neergeslagen, en hij vraagt of u niet helpen kan; de menschen op de afgelegen rijstvelden durven bijna niet meer uit hun huisjes te komen.””„Weer een, mandoer? de hoeveelste is dit nu al?”„„De zeventiende, toean. Hij wil niets anders meer eten. Het geeft niets, of men in de vallen geiten of honden zet, hij loopt ze voorbij. De geheele bevolking van Si Biroeang is in doodelijken angst en men hoopt nu maar op uw hulp; dit laat het nagrihoofd u zeggen.””Het was een vreeselijk bericht, maar de controleur lachte stil om de almacht, welke weder aan het Bestuur werd toegedacht.[51]„’t Is goed mandoer, zeg aan den boodschapper, dat hij de menschen in Si Biroeang moet zeggen, dat ik probeeren zal tijgerjagers van Java hier te krijgen, en zeg ook, dat ik een premie van ƒ 100,— uitloof voor dien tijger. Zul je dat duidelijk zeggen?”„„Insja Allah2, Toean!””Een week later stond in eenige van de Java-couranten de volgende advertentie:Tijgerjagers!In Si Biroeang aan de Kampar-rivier heeft een koningstijger reeds 17 menschen neergeslagen, hij terroriseert de geheele streek en spot met vallen en andere vangmiddelen.Kom, en verlos de bevolking van dezen terreur!de Controleur vanBoven-KamparBesseling.Maar helaas, wel traden de bekende tijgerjagers gebroeders Ledeboer met den controleur in briefwisseling, maar de reis was zelfs hun te bezwaarlijk en te tijdroovend; van Padang aan de Westkust uit, is het een volle spoordag tot Paja Koemboeh, dan 45 kilometer tot Kota Baroe, en daarna nog ruim drie dagen te voet in zwaar terrein naar Si Biroeang, verscholen in de ontzaglijke rimba.En de tijger werd steeds brutaler.Tok-tok … tok-tok … tok-tok … Bangkinang?!… de achttiende, de negentiende … waar was het eind?Reeksen ladang’s, droge rijstvelden, werden verlaten en overgelaten aan wroetende varkens en stelende apen, aan rille herten en logge tapir’s.Zou het eind zijn, dat men allen zou moeten wegtrekken, zooals heel Rambahan in de IX kota’s bij Si Djoendjoeng was leeggeloopen voor den Bonten Oude?[52]Nù nog vertelt men in de Boven-Kampar van dien éénen tijger, en hoe de sidderende mensch hem eindelijk toch de baas werd.De eerste menschen, op wie hij een aanval waagde, waren een man, zijn vrouw en haar moeder, die bij Bandjar Karikan het bosch ingingen om kastanjes (barangan) en de eerste frissche tampoesvruchten te zoeken.Hij was een oude tijger. Reeds eerder had hij dit rechtop gaande, trage wild willen bespringen, toen hij begon te voelen, dat zijn snelheid verminderde en dat de rosse flits van een vluchtende ree niet meer te achterhalen was; toen hij bang werd voor de slagtanden van een ouden ever, in boozen grijns nog verder ontbloot. Maar hij durfde niet, al sloop hij ’s nachts reeds lang om de woningen der menschen om zijn kans te zoeken. Overdag waagde hij zich niet zóó dichtbij, maar toch had hij al een slachting verricht onder de huisdieren van den mensch; hoe dom liet een hond zich neerslaan, en hoe idioot gedroegen zich de geiten, als zij nieuwsgierig kwamen aanloopen op het klaaglijk geblèer van een kameraad, die hij weghaalde! Bij de koeien was het alleen maar oppassen voor de horens … maar de menschen hadden hun vee nu scherp bewaakt, ook in het veld, en hij was bang voor dat allertraagste wild. Waarom eigenlijk? en waarom kon hij de menschenlucht maar niet verdragen?Maar nu liet hij zich niet meer afschrikken, te violent kwelde hem de honger. Nu zou hij het doen … en hij drukte zich naast het pad neer in de struiken.De man zag hem ’t eerst, enkele meters vóór zich, en hij begreep aan de houding van het dier het ontzettend gevaar. Vluchten was onmogelijk meer, het eenige wat zij konden doen, was neerhurken, een „gewone” tijger schrikt, als hij een mensch ziet neerhurken als om hem te bespringen.„Hurken!!” riep hij de vrouwen toe, die vlak achter hem liepen op het smalle pad. Vergeefs! met één sprong wierp het dier zich op den man, sloeg de tanden in zijn dij, en trok … maar de kloeke vrouw klemde zich met heel haar lichaam aan den man vast; weer rukte hij, maar de moed van de vrouw gaf den man zijn bezinning terug, hij[53]greep zijn kapmes, dat hem van schrik uit de hand gevallen was en gaf het dier bliksemsnel een houw over den kop, boven de felle oogen.Ai! dat viel den Bonten Oude niet mee, hij liet zijn prooi los en was in enkele sprongen in het bosch verdwenen. Maar in de stille kampoeng liet hij de vreeselijke zekerheid achter, dat een menschen-eter geboren was, de grootste vijand van den mensch aan den rand van het oerwoud.Een menschen-eter!Ieder kind in de boschstreken van Sumatra weet wel, dat er tijgers voorkomen. Zelfs daar, waar zij in betrekkelijk grooten getale leven, in de zoogenaamde „tijgerstreken”, is de bevolking er in haar fatalisme vrij onverschillig onder. Er zijn immers wel meer gevaren in de rimba, waar olifanten, rhinocerossen en woeste beren zijn; nog veel meer aan den rand van het oerwoud, waar het altijd booze varken en de valsche, sexueele apen vooral voor vrouwen en kinderen gevaar opleveren; en, al komen giftige slangen en pythons slechts hier en daar in bedenkelijke mate voor, ook voor hen dient men op zijn hoede te zijn. Niet voor niets verlaat in vele boschstreken het kapmes of de speer den man nooit, zoodra hij zich van huis en erf verwijdert; zelfs de vrouwen wapenen er zich dan met een kapmes.Vooral in de wildernis, welke aan den rand van het oerwoud opslaat, nadat de mensch den boschgrond na ontginning weer verlaat, en waar men brandhout hakt en eetbare planten en vruchten zoekt, kan men een kapmes niet ontberen. En dat mes moet tevens als wapen dienst kunnen doen, omdat daar de meeste dieren voorkomen. Immers, daar is koelte en gedempt licht en heerlijke eenzaamheid in de aangrenzende rimba, en, ernaast, warmte en zonnebrand op de bouwvelden der menschen. Daar groeien alle planten, in het duister, in den schemer en in het licht, welke de wilde planteneters noodig hebben. En zij weer trekken de roofdieren aan, die nergens een betere kans hebben om de altijd hongerige maag te vullen.De herten, de reeën en de dwerghertjes zouden in het oerwoud alleen niet genoeg voedsel meer vinden, de varkens evenmin; en aan den boschrand worden door den mensch allerlei heerlijkheden geplant, welke zij rekenen tot de hun toekomende hapjes; zelfs rhinocerossen[54]en tapir’s zijn verzot geraakt op de malsche aanplantingen van den mensch, terwijl de olifanten zich verbeelden het niet meer te kunnen stellen buiten den opslag van jonge boomen en de plantages der menschen.En hoe genieten niet de vleesch-eters van de aanwezigheid van vee, van honden, geiten en kippen, welke de mensch wel zoo goed is voor hen op te kweeken.De schuwe katten worden hierdoor naar de woonsteden der bevolking getrokken. Ook de allergrootste; hij, dien men in het bosch nimmer bij den naam noemt, omdat hem dit slecht zou stemmen; omdat men ontzag verschuldigd is aan den Oudste der wezens op aarde en er een nauwe band is tusschen de ziel van den mensch en van hem, den Grooten Heer, den Grootvader, den Gestreepte, den Bonten Oude.Volstrekt niet altijd is de tijger dan ook de vijand van den mensch, hij verdedigt hem zelfs wel eens tegen onzichtbare gevaren; en niemand denkt erover hem kwaad te doen, zoolang hij de gewone tijger blijft, de jager op herten en reeën, de verdelger van het wilde varken, den schadelijksten vijand van den moslimschen landbouwer, die zelf het smakelijk varkensvleesch niet eten mag.Maar indien de tijger zijn bangheid overwint, als hij, door honger gedreven, den mensch aanvalt,—het door hem onderschatte, maar het allergevaarlijkste aller dieren,—dan eerst wordt hij een vijand, het bloeddorstige beest, zooals de blanken hem beschouwen. Zijn vrees is dan verdwenen en zijn brutaliteit grenst aan het ongelooflijke; maar hij blijft voorzichtig, sluipt onhoorbaar rond, en berekent met groote sluwheid zijn kansen; en zoo wordt hij een verschrikking, die overal loert en dreigt.Dit alles wisten de menschen aan de Boven-Kampar maar al te goed; men hoopte alleen nog maar, dat de houw over het voorhoofd den menscheneter slecht zou bekomen.De kastanjetijd was voorbij, de getah-zoekers vonden nog slechts een enkele tampoes.Toen gebeurde het, dat een man, die naar zijn ladanghuisje terugkeerde van het beekje, waar hij in den namiddag gebaad had, plotseling de grauw-gele lichtflits uit het bosch zag schieten. Ontwijken was onmogelijk,[55]de tijger sloeg hem met één slag het hoofd uit elkaar, maar toch had hij kans gezien het dier in den sprong een steek in de borst te geven, en ook ditmaal droop de menscheneter af, omdat hij maar niets begreep van die plotselinge, vlijmende pijn, nu alweer, terwijl de prooi zoo ongevaarlijk leek. Maar aan het pad vond men den man liggen, en er ging een rilling door Si Biroeang, want de stervende had nog kunnen fluisteren, dat de tijger een breed, onbehaard litteeken had boven de oogen, en hij had gezegd te waken voor de vrouwen en kinderen.Weer merkte men een tijdlang niets van den menscheneter; de nieuwe wond moest helen, bovendien deden de tegenvallers hem besluiten een ander jachtterrein te zoeken.Plotseling dook hij op te Panalian in de Boven-Rokan. Langs de voetpaden, slingerend om de voor den mensch vrijwel onbegaanbare ravijnen, is het een groote afstand; maar voor een tijger, het ideaal van lenige kracht, tellen de moeielijkheden van het terrein niet, hij sluipt er dwars doorheen.Een vader kwam met zijn zoontje van het beekje, dat hen van water voorzag. Hun ladang lag hoog aan den rimba-rand, het was een heele klimpartij naar het huisje, en het smalle paadje was wel heel erg begroeid; de verhalen van Si Biroeang waren overgewaaid, en al was hier geen menscheneter in de buurt, het pad moest morgen eens flink open gekapt worden, voor moeder en de meisjes.Het kind zag het, hoe een reusachtige zwart-gele kat uit de struiken op den rug van zijn vader vloog en hem neervelde, de rug opgekromd, alle de klauwen in het lichaam van den man. Toen keek het dier blazend naar het kind om, zette de tanden in den nek van zijn prooi en sleurde hem in enkele sprongen het bosch in. Het zesjarig ventje was van schrik gevallen, hij kon maar niet op zijn beentjes staan en kroop op handen en knieën naar moeder, om haar te vertellen, dat vader was meegenomen door een groot dier met een streep boven de oogen.Nu brak een ontzettende tijd aan voor de menschen van Panalian en Si Biroeang. Nu hier, dan daar viel een slachtoffer, nimmer kon men gissen waar de volgende slag zou vallen.Aan het kleine pleintje van Panalian zat een oude man boven aan[56]de trap op den deurdrempel van zijn huisje, starend naar de ondergaande zon en naar zijn maistuin, waar de zware kolven rijpten. Het werd laat en hij wist, dat de zoon van zijn buurman nog niet thuis gekomen was; hij hoorde het praten van de ongeruste ouders, die de voordeur reeds hadden gesloten.Bliksemsnel was de menscheneter bij hem.Eindelijk, daar kwam hij, een flinke aardige jongen van zeventien jaar, maar, ja Allah, vergiste de oude man zich niet?! zag hij niet in de struiken achter den jongen den vreeselijken lichtschijn …„Loop!” gilde hij … „daar komt-ie!!”Maar nauwelijks keek de jongen om, of suizend, laag bij den grond, bliksemsnel, was de menscheneter bij hem, en duidelijk zag de bevende oude den kop met het vreeselijke teeken.Drie honderd vaâm sleepte de tijger zijn prooi het bosch in. Daar vond men den volgenden morgen het lijk, maar de buik was geheel uitgevreten, ook het hart en de longen waren weggehaald, die eet de tijger het liefst.Toen trok men weg van de ladang’s, en zelfs in de kampoeng durfde men in den namiddag niet meer de huizen uit.Overal werden vallen gemaakt, maar de klaaglijk blatende geitjes en de akelig huilende honden, die het ondier in de val moesten lokken, zagen hem onverschillig voorbijgaan.[57]Ach, leefde Hadji Akoet nog, die had wel raad geweten. Hij was immers de eenige geweest, die elken olifant op den vlakken grond aandurfde. Maar ten slotte had ook hij het afgelegd, een moeder-olifant, die zijn aandacht niet had getrokken, had hem met de vier pooten plat gewalst en men had zijn lijk thuis gebracht als een zak bloedende brij.Datoek Bandaro, die er met zijn werpnet op uit was geweest, had gezorgd vroeg thuis te zijn. Het was een nieuw net, lang had hij eraan geknoopt, maar het was dan ook een lust in de hand geweest, en veel blinkende visch hadden moeder en dochters voor het avondeten gebakken.De mooie djála had de datoek vóór het huis, tusschen twee slanke rijstschuren, te drogen gehangen.„Toe vader, wacht nu niet te lang met uw net binnen te halen, ’t wordt al donker!”„Ja, kind.” Het was toch maar goed, dat de kinderen zelf eraan dachten om voorzichtig te zijn, en het net zou nu wel zoo wat droog zijn.„Toe nou, vader!”… Nog even moest hij een strootje rollen; de tabak was wat kruimelig, het nipah-blaadje zoo stug; maar nu zou hij toch gaan, het werd al avond. Bambang, de geest van het avondrood, gluurde met bloederige oogen tusschen de boomen. Gauw maar, en hij haastte zich naar het net en beurde het met uitgestrekte armen, naar boven kijkend waar de hangpunten waren … toen kwam een vreeselijke slag in de volle borst …„Basah!”3hoorden de huisgenooten hem gillen, en alles was voorbij.Twee dagen later kwam een arm vrouwtje van de rivier, waar zij al hare laboe’s had gevuld, die aardige karaffen van gedroogde kalebas, welke men als ze nog jong zijn afbindt en in elken gewenschten vorm kan laten groeien. Zij moest water hebben om te koken en voor den nacht, het weeuwtje had heel wat kindermonden te voeden. Zorgvuldig schikte zij de volle laboe’s in haar kain (lenden-kleed), dat er onder het loopen niet te veel uit zou storten.De kinderen, die binnen op moeder wachtten, hoorden vóór den[58]trap een doffen slag … stellig weer een cocosnoot, door eekhorens aangeboord en nu, verdroogd, uit den boom gewaaid.Maar moeder kwam maar niet thuis, en toen de kinderen eindelijk angstig de deur openden, zagen zij naast moeder’s kain de laboe’s liggen, kapot en verstrooid … haar had de tijger meegenomen. Zij was het twintigste slachtoffer.Toen gebeurde het midden over dag, in de rijstvelden.De vrouwen stonden er temanoewai, de rijpe padi-aren werden met het scherpe mesje afgesneden en in het mandje gelegd, dat de vrouwen op haar heup droegen; de mannen hielpen bij het verzamelen van den oogst.Een heldere, vroolijke dag. Hier, waar zij elkander allerlei grappen toeriepen over de golvende, gouden padi, in het open veld, hier vergat men angstig te zijn voor het dagelijks dreigende gevaar. En toen het middag werd, rustte men uit op een oud grafheuveltje midden in de sawah’s, en men dronk koffie en at wat kleefrijst in de schaduw van de enkele lage boompjes.Dan ging men weer aan het werk. Gloeiend trilde de lucht nu boven de roerlooze velden, en eenzaam, hoog in de lucht, krijschte een kiekendief zijn akeligen kreet, als een ontstellende waarschuwing, men weet niet vanwaar noch waarom.En aan den boschrand stond de koning van de rimba, en mat den afstand tusschen het bosch en de menschen … hij had in dagen niet gegeten. En niemand zag, hoe hij even later voortsloop, langs een sawah-dijkje, naar de àl matter klinkende stemmen der menschen.Insah stond het dichtst bij het bosch. Zij haastte zich, haar kind, een half jaar oud, hing in een slendang op haar rechterheup te slapen, bevangen door de warmte; zij zou nog twee mandjes snijden, dan moest zij gauw naar huis, het werd te gloeiend voor haar eersteling.Steeds matter werden de stemmen, eindelijk klonk alleen nog, zoo nu en dan, de akelige waarschuwing van den rondglijdenden roofvogel …Insah’s zuster zag hem het eerst, sluipend langs een dijkje achter de jonge moeder, en als waanzinnig gilde zij Insah toe om haar te waarschuwen … te laat, in bliksemsnellen aanval was hij bij de jonge vrouw, greep haar in een dij en sprong met haar weg.[59]„O, Allah! mijn kind!” hoorde men haar gillen, en toen zagen zij, die daar als versteend stonden, dat Insah trachtte haar slendang los te trekken om haar kind te redden, maar het gelukte haar niet. Eerst bij den geweldigen afzet van den tijger om over de omheining langs den boschrand te springen, rukte de knoop los, en de nog steeds roerloozemenschenkinderenzagen, hoe Insah in goddelijke moederliefde alleen aan haar kind dacht, het vrij kreeg en het, in den sprong, achter zich in de dichte padi wierp …Twintig, dertig menschen hadden dit ongelooflijke gezien, terwijl zij, roerloos nog en zwijgend, daar stonden in de ontzaglijke stilte in den trilgloed.Maar toen, plotseling,… werden zij allen waanzinnig? Met één verschrikkelijken kreet, in een delirium van woede, vlogen mannen en vrouwen den tijger achterna … dat kon niet, dat mocht niet … o, God, hoe was dat mogelijk …De sidderende menschjes waren zelf wild dier geworden, waanzinnig van schrik en dol van woede vlogen zij voort, het bosch in. Daar, in de ruigte tusschen de boomen, kon de tijger met zijn prooi niet snel vooruit komen, en nu braken achter hem tientallen menschen in krankzinnig gebrul door de struiken op hem af.Was hij blijven staan, bij Allah, men was hem te lijf gegaan, zóó maar, zonder wapens, met nagels en tanden! liever dood, dan zóó iets te zien gebeuren en niets te doen. De tijger moet zelf begrepen hebben, dat dit geen menschen meer waren, maar tot uiterste dolheid gedreven dieren, te veel om te weerstaan, en hij liet zijn prooi vallen en vluchtte.Maar het moedertje van liefde leefde niet meer, de schrik moet haar gedood hebben, in het mandje, dat nog aan haar hals hing, lagen nog enkele aren. Zij was het een-en-twintigste slachtoffer!En de menschen konden slechts nóg voorzichtiger worden; vallen werden niet eens meer gemaakt nadat een man, die een dergelijke „pindjára” in elkaar timmerde, van achteren was aangevallen; uitgemaakt werd nu, dat het dier de plannen der menschen doorzag, het maken van vallen was vergeefsche moeite.De enkele menschen, die hun rijpende padi op de bergladang’s[60]niet geheel in den steek konden laten, wilden zij niet hongeren, waagden zich slechts in gezelschappen van vier en vijf naar de rivier om water te halen en er te baden. Het was of overal de verschrikking loerde, of men ingesloten was door dien éénen tijger.Tijgerkop.Op een der meest afgelegen plekken woonde in een hutje een man in de volle kracht van den levensherfst. Hij was weliswaar niet zóó moedig als Hadji Akoet, maar toch was hij een groot jager, en alleen omdat hij nog stand hield, waren ook anderen gebleven en nog niet naar het dorpje gevlucht.De zon was reeds lang achter de hooge rimba ondergegaan, nu kleurde zij de witte wolkjes rood, daarna donker-violet. In het bosch zettenhonderdencicaden4hun snerpend avondlied in, en log, met droefgeestigen slag, dreven kalong’s voorbij, die reusachtige vleermuizen, die uitvliegen als het avond wordt om vruchten te zoeken in het bosch en in de kampoeng’s. Het lieve moerai-lijstertje zong haastig nog de laatste noten van zijn laatste lied; hij moest in den vroegen morgen weer de eerste zijn om de natuur en de menschen wakker te zingen.Zwarter dan zwart werd nu de boschrand, vreemde onbestemde geluiden mengden zich in het lied der cicaden, de galmende stem van den geest, die de semamboe-rotan bewaakt, de diepe bas van den reuzekikker; de schrikgeluiden van vogels, die in hun eersten dommel werden verstoord, misschien door een slang of door den spookachtigen luiaard, nu vlug geworden in de boomtoppen daar het zonnelicht[61]hem de oogen niet meer verblindde. In den donkeren hemel slechts enkele sterren, geen kalong’s meer, wel wapperende vleermuizen, die gejaagd worden door dien zwarten roofvogel, die pas uitvliegt als het donker wordt; zij flapperden in telkens van richting veranderende vlucht, onbestemd, spookachtig, met akelige kindergeluidjes.Zwarter en stiller werd het bosch, het zware geluid van den reuzekikker overheerschte nu, eerst een hik, dan een volle galm …Wie van demenschenkinderenaan den rand van het diepe woud hoorde het, dat mal hooge geluid ginds in de verte,… Aaaoeoe, en dadelijk daarop een zacht gedreun, als een waarschuwende vulkaan …HIJ was het, voor niemand bang in den nacht in zijn wonderwoud; den kop laag neer, de voorpooten wijd uit elkaar … Aaaaaoeoe … de Tijger op het oorlogspad!„Wat er ook gebeurt, welke geluiden jullie ook hooren,—denk eraan, niemand komt uit zijn hut, ieder wacht den morgen af!” had de groote jager gezegd.Zijn ladang-huisje had een trapje met niet minder dan twaalf treden,—hoe hoog en veilig lag hij daar op den vloer te slapen, geweer en speer naast zich.Maar door den donkeren nacht met wondere geluiden sloop de verschrikking nader, hongeriger dan ooit, nu de menschen zóó op hun hoede waren; hijmoesteten, en rook hij niet, dat hier een mensch was … Welk gevaar! maar het hongervuur in zijn ingewanden dreef hem; hij klom als een kat langs een kruishout der palen naar boven tot aan de omwanding van boombast; wèl scherp drongen de nagels in het hout, zoodat de menschen later de duidelijke sporen vonden; en nu klom hij langs de omwanding, waar de klauwen vasten greep hadden, steeds hooger, tot aan de „singok”, de opening onder het dak … en vandaar stortte hij zich op den rustig slapenden man.Een rochelend gebrul hoorden de buurlieden midden in den nacht,—zij begrepen niet, maar krompen ineen van vrees, en bleven waken en rillen. En om vier uur in den morgen hoorden zij een vreemd, laag-mauwend geluid langs den boschrand wegvagen, als van een kat, die bang is dat een kameraad haar een lekker hapje zal afnemen.[62]Eerst toen de zon hoog stond, wist de geheele streek, dat men slechts een stuk van een dij had terug gevonden in het ladanghuisje met het trapje van twaalf treden. En de rilling ging tot Bangkinang, tot Padang, over het twee-en-twintigste slachtoffer.Maar nu vereenigden zich de mannen om aan dit verschrikkelijke leven een eind te maken. Het moest toch mogelijk zijn den tijger door een lokaas te vangen; als hij maar hongerig genoeg was, als de menschen dus nòg voorzichtiger en waakzamer werden. En niet een gewone val zou worden gemaakt, maar een katjòendang; twee zware klapperboomen werden geveld, aan elkaar gebonden en laag schuin opgezet, de uiteinden werden met sterke rotan’s verbonden aan andere boomen, maar beneden liep een dun touwtje en het minste rukje daaraan kon de stevige rotan’s dadelijk doen losglippen.En toen de nacht kwam, huilde een vastgebonden hond in een gegraven gat onder het dunne touwtje; en elken volgenden nacht galmde zijn schrikkelijk huilen door de stille kampoeng, waar de menschen in uiterste waakzaamheid bijeen scholen.Niemand heeft het in dien eenen donkeren, wilden nacht gehoord, maar de grond dreunde en de hond huilde niet meer.En toen den volgenden morgen de moerai met zijn heerlijk lied de menschen wekte, vond men onder den katjoendang een tijger verpletterd, een reus met afgebroken slagtanden en schurftigen rug, boven de oogen een breed litteeken …„Moeara Mahat, Moeara Mahat!” tok-tok, tok-tok,… toen vloog de juichkreet langs de draad, dat de geteekende menschen-eter eindelijk gevallen was.Ornament met cicade.[63]1Maleische titel van den Controleur in West-Sumatra.↑2In naam van God, zoo waarlijk helpe mij God.↑3„Nat!”↑4„zingende” boomkrekels5.↑5Stridulantia, Cicadidae. De mannelijke leden dezer rechtvleugelige insecten, een familie der Cicaden (onderorde der Snavelinsecten) dragen in zich een muziek-orgaan, dat bij enkele der grootste soorten zoo krachtig werkt, dat het scherpe, snerpende geluid het menschelijk oor een oogenblik geheel verdooft, indien men den „zanger” tot op korten afstand nadert. Onder de twee groote, lederachtige schubben, welke de verlengstukken zijn van het achterborststuk, ligt een driehoekige holte, welke als bodem een dun overlangs geplooid vlies heeft; dit „trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam; een krachtige spier werkt door middel van een pees op den naar den rug[162]gekeerden rand van het raam; door haar samentrekkingen geraakt het vlies in trillende beweging. Het resultaat is ongelooflijk voor een insect van enkele centimeters grootte; maar niet minder verbazingwekkend is het uithoudingsvermogen van deze dieren, die uren en uren achtereen, slechts met zeer korte pauzes, hun eentonige solo’s rondsnerpen. Soms houden enkelen van verschillende soort een oorverdoovend concert in het stille bosch, maar de een trekt zich niets van den ander aan en zij laten zich volstrekt niet door elkaar van de wijs brengen. Enkele soorten komen tot in de steden, vliegen ’s avonds dikwijls als projectielen tegen de lampen aan en verspreiden schrik in damesgezelschappen. Men ziet ze wel tegen lantarenpalen gekleefd, waar het aanlokkend licht hen bracht, en zij schetteren er hun hoogste lied alsof ze „thuis” waren, de groote oogen puilend uit het gezwollen voorhoofd.Bij de oude Grieken gold een cicade, zittend op een harp, als het zinnebeeld der muziek, omdat een cicade zich neerzette op de plaats waar een snaar van Eunomus’ harp gesprongen was, toen deze met Ariston kampte om den eereprijs, en zoodoende Eunomus de overwinning bezorgde. Maar beter dan met het trillen van een harpsnaar kan men het geluid van de cicade vergelijken met een nasaal snerpend kindertrompetje. Mooi is het dus niet, maar men zou het in de mystiek van het Indische bosch niet gaarne missen. En mij deed het altijd denken aan de stille, Hollandsche heide, als, in de hittetrilling van een warmen zomerdag, de gele gors in de enkele noten van zijn bescheiden deuntje het liedje van verlatenheid zingt.↑[Inhoud]VII.ONDER DEN VOORPOOT VAN EEN OLIFANTHet had den vorigen avond sterk geweerlicht, de mannen van het dorp waren er dan ook van overtuigd, dat er ergens in de buurt olifanten moesten zijn, al was het vroeg in den tijd.Wat daar telkens even flikkert aan den hemel, stil, zonder eenig gerommel, is immers de weerschijn van het ivoor der olifantstieren. Maar men had in de naaste omstreken nog geen sporen gevonden; wel waren er berichten uit de oeloe, den bovenloop der rivier, dat de olifanten er zich dit jaar vroeger hadden vertoond dan gewoonlijk.In den vroegen morgen lichtte een kleine jongen een vischfuik, die aan den rivieroever was opgesteld, enkele kilometers bovenstrooms van het dorp, en parmantig stapte hij met den buit naar huis. Maar plotseling liet hij de visch vallen en rende terug naar het dorp … op bet pad bij de rivier had hij ’t rookende „visitekaartje” van een olifant zien liggen, de mestballen, ter grootte van een babyhoofd, die de tegenwoordigheid van de Grooten van het woud verraden. Dampend nog! hoe dicht dus was hij het dier, misschien een kudde gepasseerd.Nu waarschuwde men elkaar, snel werden alle omheiningen van de bouwvelden nog eens terdege nagezien. Tegen het wilde varken, den grootsten vijand van den inlandschen landbouwer, kan men volstaan met een dichte, lage heg; en als aan den buitenkant een sloot wordt gegraven met steil afgestoken kanten, zijn de aanplantingen veilig voor den knorrenden wroeter. Maar in de olifantstreken is het zaak de omheiningen hoog en zwaar te maken. Nog dikker maakte men nu den wal van zware takken en stronken; dit waren de overblijfsels[64]van wat enkele maanden geleden nog zwaar bosch was, gekapt na den regentijd en in den drogen moesson zooveel mogelijk opgebrand, waarna de humusrijke bodem den rijstkorrel kan ontvangen.Een oude, tanige vrouw, die aan den uitersten rand der kampong woonde en die buiten het wereldsch gedoe was komen te staan, had van de waarschuwing niets gemerkt; zij slofte haar dagelijkschen gang naar den boschrand om wat hout te sprokkelen, dat kon de eenzame nog wel dragen. Ginds hadden haar man en zij, dadelijk na hun huwelijk, ook een ladang gehad, een rijstveld zóó vruchtbaar, dat zij er drie jaar achtereen een goeden oogst hadden gehad. En zij hadden er het laatste jaar zooveel doerianpitten geplant, dat er een zwaar doerianbosch was opgegroeid, zoodat de jongere generatie dezen grond verder had ontzien. Of de eerste vruchten al afvielen? dan moesten de kleinkinderen er snel een hutje bouwen en er de wacht houden, want iedereen is verzot op doerians, menschen en dieren, en op de markt brengen zij heel wat op.Waarlijk, bij dien stam, tusschen de overal opgeschoten struiken, lag al een gélende, groote vrucht; gelukkig, dat ’t nog niet de olifantentijd was, de geweldige dorens, waaraan de vrucht haar naam ontleent, zijn voor deze dieren geen bezwaar.Juist reikte de hand van het oudje naar de begeerlijke vrucht, toen uit de lucht, langs den boom, iets als een loodkleurige reuzeslang neerkwam, en toen zij opkeek, zag zij langs een olifantenslurf de ondeugende oogen valsch lachen, en zij zag nòg een dier en nòg een … zij was doodgemoedereerd midden in een kudde gewandeld.Niet alleen waanzinnige angst, ook razernij omdat de doerian haar betwist werd, gaven het oude mensch de kracht en de bezieling tot een akeligen, loeienden gil. De olifanten schalmeiden in snerpend gedaver terug, zoodat in de kampong de spelende kinderen opschrikten en het geblaf en gekijf der gladakkers even verstomde. Maar het nare geloei was hun toch te machtig, en stil hobbelden zij weg naar rustiger oorden.De oude Karim, de groote jagersman in deze landstreek, inspecteerde dien dag zijn arsenaal. Het buskruitmagazijn was nog goed gevuld; uit het vaatje buskruit, dat door den besturenden ambtenaar[65]aan het distriktshoofd was verstrekt ter uitroeiing van schadelijk gedierte, was aan Karim niet minder dan twee flesschen vol toegewezen, en hij had ze voorzichtig in den grond begraven; dat kruit was best en niet duur, want het kwam uit den militairen voorraad, op aanvraag van den controleur; vroeger, toen men het achterbaks moest zien te krijgen, werden de Inlanders geducht afgezet door Chineezen of Maleische handelaars. Met z’n kogels stond het minder goed. In het zakje, bruinberookt aan den keukenwand hangend, vond Karim nog maar drie kogels, die in zijn voorlader pasten; ook nog een paar ijzeren moeren en boutjes, die hij van een werkman van den waterstaat had overgenomen toen hij „in de stad” een jongen beer had verkocht, die in een hertestrik verdwaald was. Die boutjes waren heel best om er een slapenden tijger mee in het hart te schieten, maar voor het één-centimeter pantser van een olifant deugden zij niet.„Vader,” zei zijn zoon Oesoef, „ge moet den nieuwen meneer van Tambang1nog eens wat puntkogels vragen, hij hoopt altijd nog, dat u hem eens een olifant laat schieten, hij geeft ze u stellig.”„Hai! daar zeg je wat. We zullen naar Tambang gaan en meneer waarschuwen, dat er olifanten zijn, ik heb het hem moeten beloven; ik krijg dan stellig mijn puntkogels, en misschien kan meneer nu wel mee; als hij een stier kan schieten, krijg ik een goed cadeautje.”„Vader, je hebt nog drie kogels, laten wij zelf eerst eens gaan zien; als ge een grooten stier schiet, zonder meneer, is toch de volle waarde van de tanden voor ons alleen.”En zoo gingen zij den volgenden morgen samen op pad. Maar de troep was wonderlijk opgeschrikt, eerst na drie dagen lang de sporen te zijn gevolgd, diep de bergen in, hoorden Karim en zijn zoon het bekende vreugdebrullen en het vallen van boomen … de ouverture van vrijwel elk jachtavontuur, waarin mensch en olifant een rol spelen. Zij beslopen den troep, niet om dadelijk te schieten; een inlandsen jager weet heel goed welke kansen zijn hachje loopt, als hij met zijn voorlader als openlijk aanvaller optreedt. Zij zochten een zwaren,[66]beklimbaren boom uit en wachtten, spiedend op een veiligen tak. Zij troffen het, de troep trok op korten afstand onder hen door, zij telden zes koeien en een volwassen maar nog jongen stier met weinig ivoor; gezellig oorflappend en met diepe, inwendige geluiden, kuierde het gezelschap langzaam voort. Toen het bosch weer stil was, lieten de jagers zich afglijden; Karim was zeer teleurgesteld, zoo’n stier was de moeite niet waard.„Wij zullen hun nog eens den weg afsnijden Oesoef, misschien hebben wij niet den heelen troep gezien.”Met een grooten omweg trokken zij snel op, om de kudde vóór te komen. De dieren wandelden een uitlooper van den berg af, langs een vrij diep ravijn. Het lag voor de hand in dit ravijn neer te dalen, de overliggende helling weer te beklimmen en aan den overkant de richting te volgen evenwijdig aan die, waarin de kudde liep; zij konden daar sneller loopen, zonder de olifanten op te schrikken.Maar het neerdalen in het ravijn moest zoo stil mogelijk geschieden, het kon zijn, dat de kudde nog in de buurt was.Als schaduwen gleden de mannen op hun lenige, bloote voeten de helling af, elk dood takje moest vermeden worden, alleen niet-zwiepende boomen dienden bij de afdaling tot steun. De bedding van het ravijn, waar een beekje over zware rolsteenen klaterde, was op die plek met zware bamboe begroeid. Zij rustten even in de schaduw, en zij schepten zich met de hand het koele water naar den happenden mond. Beiden zwegen, het water kletterde van steen op steen en het geluid weerkaatste in het dichte blad der gebogen bamboetoppen, die den hemel afsloten.Maar wat was dat? Een ruischen, in de bamboe tegen de straks te beklimmen helling, brak de stilte; daar bewoog zich een dier, dat blijkbaar doodstil had staan wachten om de beteekenis van de lichte geluiden aan den overkant van het ravijn te begrijpen, maar dat nu weer gerustgesteld was.Dan ratelde een daverend, knerpend schot door de donkere stilte, een bamboe die met ontzaglijke kracht gebroken werd.„Ja, Allah!” kreunde Oesoef zacht; hij zag, dat zijn vader verbleekte,[67]naar zijn geweer greep en hem wenkte om zich met hem achter een groot rotsblok te verschuilen. Zoo wachtten zij. Het geruisen werd sterker, de bamboe’s spetterden, en toen zagen zij op tien meter afstand een reusachtigen olifant, met zware gele tanden, naar het water kuieren, een solitair, uit den troep gestooten door den nieuwen, jongen leider. Vluchten was onmogelijk; trouwens, Karim was den eersten schrik spoedig te boven en hij zag zijn kans.Een ervaren Europeesch jager zou geheel beheerscht zijn door de bange vraag: sta ik wel onder den wind? maar inlandsche jagers realiseeren niet, welk een belangrijke factor dit is, en zij letten er in het schijnbaar volslagen windstille bosch niet op, omdat zij niet weten hoc fijn de reuk van een olifant is. Karim speculeerde slechts op de slechte oogen van het dier, en hij kon dit nu rustig doen, omdat de luchtstroom in het ravijn toevallig gunstig was. Toen de solitair stond te drinken, schoof Karim zich op langs het groote steenblok; hij mikte lang, op een der polsen van het dier; te beproeven met een schot uit zijn voorlader de hersens te raken, zou kruit verspillen en voor hen levensgevaarlijk zijn; de pols is kwetsbaarder, en als het nu maar gelukt een olifant zoodanig kreupel te schieten, dat hij zich moeielijk kan voortslepen, dan kan men hem nòg en nòg eens weer in den pols schieten, totdat hij een makkelijke prooi wordt.Daverend klonk de voorlader, en stil zonk de doodelijk verschrikte reus neer; maar dadelijk stond hij weer op en vluchtte; niet snel echter, want het eene been sleepte. Stralend keken de jagers elkaar aan, maar zij spraken niet, dit wreede spel moest voorzichtig herhaald worden, het ging zoo goed.In twee dagen tijd schoot Karim zijn drie kogels in dezelfde pols. Maar toch sleepte het dier zich nog voort, den berg af, klimmen was hem niet meer mogelijk.En toen hij nu nòg niet liggen bleef, moest Karim wel besluiten den meneer van Tambang erbij te halen. Hij had nu aanspraken gekregen op dezen olifant met zijn prachtige tanden; hij kon hem gerust verlaten, heel ver kon hij niet meer gaan, en anderen zouden hem zoo diep in het bosch wel niet vinden.[68]Zij keerden naar de kampoeng terug, en twee dagen later kreeg de heer S. op Tambang bezoek van Karim, den jagersman.„Toen Oesoef en ik in ’t bosch waren, ontmoetten wij hem. Ik dacht aan u en heb hem drie schoten in den pols gegeven, en toen ben ik u dadelijk gaan waarschuwen. Als unuzou kunnen gaan, en ik mag mee in uw auto, dan kunnen wij rijden tot kampoeng Ramboetan, en morgen breng ik u langs een boschpad op de snelste manier naar den olifant. Hij kan bijna niet meer loopen.”„Waar is Oesoef?”„Hij kreeg vannacht koorts, wij kwamen laat thuis omdat ik zoo spoedig mogelijk bij u wilde zijn. Ik denk, dat de vermoeienis en de schrik van zijn eerste ontmoeting met een olifant het hem hebben gedaan. Ik heb hem thuis gelaten, maar u neemt zeker nog wel iemand mee?”Ja, dat vond de meneer van Tambang ook. Hij wist bovendien, dat een inlandsen jager ongaarne alleen op avontuur gaat met een witmensch. Hij voelt verantwoordelijkheid, en men kan nooit weten wat er gebeuren kan.„Wij zullen mandoer Amat meenemen, Karim, die kan dan ook ons potje koken; hij kan van alles, al is hij een oude man.”Karim en Oesoef waren den troep dwars door het zware terrein nageloopen; voor S. koos hij nu de route via Ramboetan, veel langer indien men loopen moest, maar per auto een belangrijke bekorting.In Ramboetan werd de nacht doorgebracht. In de vroege morgenuren viel de eerste zware regen van ’t seizoen, het voorspel van den langen regentijd. Toen de zon opging, fonkelden de regendruppels aan de bladeren, een heerlijke, frissche morgen, een goed begin. S. nam zijn zwaren Mauser-karabijn op den schouder, Amat en Karim hadden ieder een vrachtje aan kleeren, eetwaren, wat borden en kook-gerei.Het pad langs de rivier voerde door een jong bosch, dat op gezette tijden door olifanten doorkruist werd; in de laatste week, zoo hadden de kamponglieden verteld, had zich hier geen troep meer vertoond.Op S., die eerst kort op Sumatra was, en nog nooit achter olifanten was geweest, werkten scherp de indrukken in, welke een olifantenterrein op een nieuweling maakt. De wirwar van breede, schoone[69]paden in de ruigte van de wildernis; de onwaarschijnlijk zware, geknakte boomen; de resten van afgescheurde reepen boombast, die wandelend worden verorberd en de richting van den eter aangeven; de ongelooflijke hoogte van schuurplekken aan schuinstaande boomen, het is alles zóó afwijkend van de gewone rust in het bosch, zóó geweldig, dat het aandoet als iets, dat in lang vervlogen tijden moet hebben plaats gehad, iets, dat men wel nimmer zelf zal meemaken. Maar dan zijn er de bewijzen van het reëele, van het onlangs gebeurde, de mestballen. En hier, in dit terrein, lagen zij in soorten, groote en kleine, van oudere en jongere formatie. Van een kort geleden bezoek getuigden de mestballen, waarin padikorrels als op een kweekbed waren opgeschoten, het was duidelijk, dat een aanval was gedaan op de rijstschuren bij de kampong. Soms worden deze geheel vernield, soms weer keurig uitgepompt door een gat, dat een olifant in een der bamboewanden stoot. Er zijn olifanten, die er een speciale sport van maken; eens vergiste zich een stier; een vrouw, die in haar keuken bezig was, zag plotseling een zwaren olifantstand door den wand dringen.De meneer van Tambang stond verrast naar de bolvormige rijst-kweekbedden te kijken.„U vindt dat merkwaardig, maar kijkt u hier eens,” zei Karim.Op een plek, waar een troep blijkbaar gerust had, lag een partij mest van ouderen datum; uit de bal-resten schoten jonge mangga’s op, en van die plek, het bosch in, liep een spoor van overal jonge manggaboompjes.„Maar Karim, hoe is ’t mogelijk, dat er zóóveel mest ligt?”„Ja meneer, dat is altijd zoo. De olifanten hebben zulke groote lichamen, dat zij ontzaglijke hoeveelheden blad en bast en vruchten moeten eten, en de vezels verteren niet en blijven lang liggen. Wij zullen onderweg eens kijken, of er ook gekleurde mestballen zijn; wij kunnen dikwijls daaraan zien, welke bladeren zij gegeten hebben.”Zij verlieten nu het jongere bosch en betraden het oerwoud. De meneer van Tambang haalde de boschlucht diep in; hij genoot, van het bosch, van de verhalen van den ouden jager met zijn eerwaardig gezicht en zijn heldere, pientere oogen.[70]„Laten we even op dezen omgevallen stam gaan zitten en vertel me nog eens uitvoerig wat ge van onzen olifant weet.”„Ik kan u niets meer vertellen dan ik al gedaan heb. O ja, ik vertelde u nog niet van die sporen van zijn tanden in de tebing? Vlak bij de plek, waar hij uit het bamboebosch brak, was aan den ravijnkant een kleine aardstorting, zoodat er een loodrecht stuk wand was ontstaan, eentebingzeggen wij. Nadat hij na mijn eerste schot was weggloopen, ontdekten wij in die tebing de sporen van een van zijn tanden, ik kon mijn voorarm gemakkelijk in ’t gat steken, zóó zwaar zijn z’n tanden.”„Waarom rammen olifanten zulke gaten in den grond?”„Wij zeggen, dat ze zich zoo oefenen in het stooten, zij doen het ook in den paartijd, dan zijn ze erg wild, misschien doen zij het ook in booze buien; u heeft het toch zeker wel dikwijls van stieren gezien, hoe ze den grond met hun horens omwoelen.”Karim greep naar zijn voet, een springbloedzuiger had zich op de wandeling tusschen zijn teenen vastgezet.„Kijk ’s,” zei hij, „ziet u die daar?”Vóór de voeten van S. stonden, tusschen de bladeren op den grond, twee bloedzuigertjes rechtop, dun nog, dus hongerig en hunkerend naar menschenbloed; het voetje stevig vastgezogen, de rest van het zwarte streepje zwaaiend, wuivend, wild zoekend de goede richting naar de fel begeerde prooi. Een wist het plotseling, en in enkele spanpassen had hij den rand van den schoen beet. Er kwamen er meer, haastig, van verscheiden kanten, verschillend in kleur en dikte, allen ernaar hunkerend om zich tien maal dikker te zuigen aan menschen-bloed.„Karim, ge weet zoo veel, wat eten die beesten toch als zij geen menschenbloed krijgen; vrijwel alle oerwouden moeten er van vergeven zijn en hoe enkele menschen komen er maar. Zij zitten immers nooit op wilde dieren?”„Neen, toean. Wij zeggen, dat ze lucht en humus eten; maar het is wonderlijk, hoe vinden zij ons; zij hebben niet eens oogen of een neus. Hoe ouder en vruchtbaarder het bosch is, hoe meer patjet’s.”„Nu moet ge mij nog iets vertellen. Ik hoorde vannacht, toen ik[71]even wakker was, een geluid, dat uit een boom vlak naast ’t huis waar wij sliepen, kwam; het leek wel een uiltje.”„O, meneer, hebt u dat gehoord?” Karim schrikte.„Ja, wat zou dat?”„O, voor u is dat niks, maar wij vinden het niet prettig, en sommigen zeggen, dat het ongeluk brengt als het boeak-uiltje zoo vlak bij een huis roept. Zij was vroeger een zuster van de maan, en als ze die ziet, roept ze al maar door. Maar dat zijn voor de witmenschen domme verhaaltjes, is ’t niet?… Maar wilt u voor u-zelf eens kijken hoe laat het is, als de zon zóó staat” - en hij wees op den zonnestand van drie uur - „kunnen wij er zoowat zijn”.Het was elf uur. Het terrein begon al steiler te worden; de olifantsporen hadden zich afgebogen, de mannen liepen nu in ongerept oerwoud, alleen het bijna onzichtbare paadje van boschproduktenzoekers, dat zij volgden, sprak van verstoring van de eeuwige rust. Maar veel gebruik werd er niet van gemaakt; nu en dan stond Karim, die vooraan liep, het lange kapmes in de hand, even stil om zich niet te vergissen; hier en daar waren boomen over het paadje gevallen en moest een nieuw pad worden gezocht. Moeielijk was dit niet, in het oerwoud is de bodem gewoonlijk begroeid met lagere planten en struiken, voor zwaren opslag van boomen is de schaduw te overwegend; alleen daar, waar omgevallen boomen een gat hebben gemaakt in het groene dak, roept de zon dichten opslag in het leven, daar hebben gevallen zaden en door vogels overgebrachte vruchtenzaden een goede kans. Boven, in boomholten en in de oksels van takken, doen de vogels hun onopzettelijk werk overal. En het zijn in hetbijzonderde zaden van ficus-vruchten, die zij daar mèt de vruchtbare mest brengen. Slaan deze aan, dan zenden enkele soorten hun wortels naar den bodem, en zij worden straks pilaren; andere omwikkelen er den gastvrijen boom mee, en het slot voor alle moederboomen is, dat zij vroeg of laat verstikt worden en ten onder gaan. Zóó ontstaan trotsche, rechtstammige reuzen, ficusboomen wier kroon een kwart hectare beslaat, maar ook die wonderlijke à jour-stammen, een netwerk van wortels met een kern van wegrottend hout, het overblijfsel[72]van de oude moederboom, die den parasiet niet kon afschudden.„Kijk eens, meneer, hoe deze groote boom gewurgd is; wij zeggen van iemand, die geleend geld niet terugbetaalt en daardoor zijn weldoener ongelukkig maakt: hij leent als de ficus.” Zoo wees Karim den toean van Tambang de reuzen van het woud; maar de fijne aroma’s van orchideeën en van boom-bloesems, waarmee de grond hier en daar bedekt was, ontgingen hem; ook trof het hem, den man van alle-dag-in-het-bosch, niet, hoe zoo nu en dan een vogeltrek de plechtige stilte verbrak, het fluiten en tjilpen van vogels van allerlei soorten en grootte, die zelf hun verbazing uitschetterden van zich vereenigd te zien, met een doel dat voor den mensch verborgen is.Een enkele maal vloog een neushoornvogel hoog over de dichte boomtoppen; men zag hem niet met zijn langgerekten hals en den rooden snavelkroon, maar het sjoep-sjoep van den vleugelslag domineerde het bosch geheel; zelfs een oewir-oewir, de eeuwig snerpende cicade, die alleen maar zijn liedje zeurig eindigt om, tastend naar den goeden toon, weer te beginnen, zelfs hij werd geïmponeerd en wachtte, tot dat wonderlijke, rhytmische geluid uit den hooge vervaagd was.„Wat is dàt, Karim?”Van de overzijde van bet diepe ravijn, waarlangs het paadje voerde, kwam een nieuw geluid. Oeüw, oeüw …, klonk het galmend, eerst langzaam, dan sneller en sneller, en plotseling, heel onverwachts, klonk een zuiver menschelijke stem, die „waaa!!” riep; dan viel een geheelorkestvroolijk in, en het concert eindigde met haastige stootjes, die al zwakker werden.„Dat zijn siamang’s meneer, kent u die dan niet?”„Neen, ik ben altijd op Java geweest, daar heb ik dit nooit gehoord, en dit is mijn eerste dag in de rimba.”„Zie,” zei Karim, „daar zitten ze, ze hebben ons zeker gezien.”In de kroon van een der grootste boomen aan den overkant, zaten en hingen en zwaaiden een tiental zwarte gibbons, die groote staartlooze apen, wier embryologische ontwikkeling zoozeer gelijkt op die van den mensch.„Maken die apen zóó’n geluid?Apen?”[73]„Ja meneer, alleen de kleinere apen zonder staart, de oengko’s gillen ook zoo, maar dat is een veel hooger geluid en niet zoo mooi.”„Maar dat ééne geluid, net de stem van een mensch, doen zij dat ook?”„Ja, dat is een ander dan die het roepen begint; dit doet een van de grootsten; zij zetten de huid onder de kin als een blaasbalg op; als wij ze jong vangen, worden ze heel tam, en zij hangen het liefst aan je lichaam; als ze groot worden, maken ze dat geluid ook en je hoort het in de heele kampong. Maar nu mogen we niet langer stilstaan meneer, anders wordt het te laat.”„Karim, vindt ge het ook heerlijk in het oerwoud?”„Och, meneer, ik ben mijn heele leven in het bosch geweest.”„Ja maar, heb je dan niet het gevoel, dat het eigenlijk nergens zoo heerlijk, zoo mooi is als hier?”Karim glimlachte en keek wat verbaasd.„Toean, ’t is altijd zóó geweest, ik weet niet anders of de rimba is de rimba. Maar ik zou dood gaan, als ik in een stad moest wonen, daar moet je al je etenkoopen.”Nu glimlachte de witmensch, maar hij voelde, dat Karim hem moeielijk kon vatten; voor hem, den nieuweling, was deze dag een openbaring, hij was volkomen gepakt door de geweldige bekoring van het oerwoud.Maar zij moesten voort, hij haalde diep adem, vooruit! Ginds wachtten nieuwe emotie’s. Na eenige uren zagen zij licht tusschen de boomen, zij trokken nu door jonger bosch, een vlak terrein, waar enkele jaren geleden de ladang’s waren van een kleine nederzetting aan den bovenloop der rivier.„Nu voorzichtig,” zei Karim, „wij zijn niet ver meer van de plek waar ik hem verlaten heb, hij kan onmogelijk ver zijn.”Karim had niet gerekend op de taaiheid van zijn olifant. Wel vonden zij de plek, waar hij het arme dier met zijn derden kogel gepijnigd had, ook resten van bast en takken, en mestballen, maar geen olifant. Het terrein was wederom een plaats van geregeld festijn van olifanten, overal waren open plekken, en hier en daar lagen modderige plassen, het had hier in de bergen blijkbaar dagenlang geregend. Karim was teleurgesteld.[74]„Meneer, blijft u met Amat hier, ik zal zijn spoor wel vinden.”„Laten we dan eerst wat eten, Karim, wij hebben nog rijst van vanmorgen.”„Dank u meneer, ik moet hem wel gauw vinden, eet u maar samen,” en onhoorbaar sloop de brave weg, met het onafscheidelijk kapmes als eenig wapen.Amat en zijn baas onderzochten den etensdrager en vonden er genoeg naar hun gading; een halfvergane boomstam, droevig restant van het oorspronkelijke bosch, diende als bank en tafel.Zij spraken zacht, het was best mogelijk, dat de solitair in de buurt was.Het jonge bosch leek in geen enkel opzicht op het oerwoud, dat achter hen lag. Hier was het saai; waar de bodem niet door de olifanten was beloopen, was alles zwaar begroeid met kreupelhout en allerlei opslag. Ook wilde bananen waren opgeschoten in het felle zonlicht, en groote struiken van djilatang, den boombrandetel; voor den mensch is de aanraking van de bloote huid met zijn bladeren funest, maar insecten vreten er rustig ronde gaatjes in; bij voorliefde zou men zeggen, er zijn weinig andere bladeren in de wildernis, die zoo algemeen de belangstelling van de insecten hebben. En overal waren poear’s opgeschoten, die gemberachtigen met hun merkwaardige bloemen, van enkele soorten op lange stelen, van andere plat op den grond, roode en rood-en-gele sterren; en de lange bladstelen met de donkere, glanzende bladeren, die zich zoo goed leenen voor dakbedekking van bivakjes voor enkele dagen, schoten steil op, tien meter hoog soms.Eén enkele calanthe was een sieraad in den groenen chaos; zij hadden deze aardorchidee ook in het bosch gezien, maar die soort heeft onaanzienlijke bloemen, die eigenlijk niet ontluiken; deze hier droeg een prachtigen tros van witte bloemen aan een langen stengel, opschietend tusschen haar matgroene, breede bladeren.„Die zullen we meenemen, meneer, ik was vroeger djongos bij een mevrouw in Batavia, die had een heele rij van deze bloemen in de voorgalerij, en ik splitste de wortels en we kregen steeds meer bloemen, en mevrouw maakte er prachtige bouquetten van.”[75]Amat stond op en liep naar de calanthe, maar een knappend geluid van dor hout deed hem bevroren stilstaan.Het was Karim maar. „En?”…Karim was zichtbaar opgewonden. „Gaat u gauw mee, meneer,” fluisterde hij, „hij kon nog vrij goed loopen maar niet klimmen, en daarom kon hij den bergrug niet op, die tot aan de rivier om dit vlakke terrein loopt; hierheen!”„Heb je hem gezien?”Karim knikte slechts, hij was zóó zichtbaar onder den indruk, dat den blanken jager een lichte huiver langs den ruggegraat liep. Hoe verder zij kwamen, hoe meer bleek het geheele terrein door den opgesloten solitair te zijn „afgegraasd”, overal geknakte jonge boomen en slierten van bast, die hij verspillend had laten liggen. Vooral semantoeng-boomen (ficus alba), waar ook de tapirs zoo verzot op zijn, had de olifant uitverkoren; rondom ravage.„Heeft die olifant dat alles alléén gedaan?”Weer knikte Karim en beduidde den meneer van Tambang niet meer te spreken en voorzichtig te loopen. Zij slopen voort.De stekende namiddagzon brandde fel in dit lage bosch; de nieuweling vond het er benauwd warm, maar inwendig was ook een vuurtje gaan branden, de spanning en de huiver van de jacht op het allergrootste wild, waaraan bijna niemand ontkomt.Plotseling kwam het sein.In de benauwende stilte kraakte hout en een boom plofte neer, een paar honderd meter vóór hen. Karim stond plotseling stil en greep zijn toean bij den arm. Hij glimlachte zuurtjes; zelfs voor hem, oude jagersman, was dit bekende geluid nog ontstellend. Men rekent er op, men wacht, wacht, en hoopt, en als het plotseling komt, alsHijzich aankondigt in zijn ontzettende kracht, dan staat het bloed even stil.S. nam de geladen buks van den schouder. Ook hij was overweldigd door den schok, maar nu laaide het sportvuur op, en Karim moest hem tegenhouden toen hij vooruit schoot.Langzaam, voorzichtig gingen zij verder, Amat mocht achter blijven, op zóóiets was de brave man niet ingeschoten.[76]De solitair waande zich alleen en veilig. De arme drommel leed, maar het eten ging hem nog goed af. Hij stond aan den voet van den bergwand, den rand van het oerwoud tevens; van een der groote boomen hing een liaan neer, een rotan, hij trok die met zijn slurf verder naar beneden en smulde van de jonge uitspruitsels, alsof er geen rotandorens bestonden; dit smaakte hem nog beter dan de bast van den pas gevelden jongen boom.Zoo zagen de twee mannen hem met zijn reusachtige tanden, geen dertig meter van hen verwijderd.Maar zij waren beiden lang niet uitgeleerd in den kamp tegen den grootste aller viervoeters; hij kreeg hun lucht en draaide zich plotseling naar hen toe. Karim schoot weg ergens in de ruigte, maar zijn toean zag zijn kans en legde rustig aan op den geweldigen kop, toen de stier, hinkend in een sukkeldrafje, op hen afkwam; zonder schetterende geluiden, maar doelbewust; de solitair kwam zich wreken.Toen hij tot tien meter genaderd was, knetterde de Mauser een scherpen zweepslag door het bosch; het grauwzwarte reuze-lichaam stortte in de knieën, midden in een plas modder. De blijde jager deed wat zoovele nieuwelingen vóór hem hebben gedaan en wat nog zoovelen zal berouwen: hij vloog in felle jachtkoorts op zijn buit toe.Hij heeft nimmer kunnen zeggen, hoe het eigenlijk gebeurde, hij zag een gevaarte bliksemsnel voor zich oprijzen en voelde in den nek iets zachts, dat groot en kil was. Eerst later begreep hij, dat het de omhelzing was van een slurf en herinnerde hij zich een verschrikkelijken gil gehoord te hebben, die niet van den solitair kwam,… dàn een hevige slag …Toen S. weer wist nog te leven, voelde hij, dat hij op den rug lag in kleffe, diepe modder, en dat een verschrikkelijk gewicht op zijn rechterdij drukte; en toen hij de oogen opende, keek hij recht in een paar valsche oogen, een lange tand raakte bijna zijn gezicht. Hij zag nu ook, dat de olifant den rechter voorpoot op zijn dij had gezet. Nu trok het dier zijn poot slepend heen en weer, steeds over de half verpletterde dij. Wat wilde het dier toch? als het die bemodderde poot maar niet op zijn gezicht zette! Inderdaad, dat scheen het doel; langzaam-aan schuivend,[77]over de borst, naderde de dreigende kolom het gezicht van het slachtoffer, en nu drukte hij het geheele hoofd in de modder …In zulke oogenblikken wordt een mensch soms plotseling vreemd helder, zijn zenuwen brengen hem in een opwinding, die hem los maakt van het stoffelijke.Het slachtoffer had plotseling lust om te lachen, immers: wat zou er nu gebeuren? hij dacht aan een kokosnoot onder een stoomhamer, zou het ding nu uit elkaar spatten? „krak”! of „pang”?!Maar de modder werkte veerend; hij meende wel een licht kraken te voelen, maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst, en toen hij de modderoogen weer open kon krijgen, zag hij, dat de olifant nog in dezelfde positie stond. De poot schoof nu over zijn borst; het dier stond er niet met zijn volle gewicht op, hij zwengelde er maar voortdurend als besluiteloos mee heen en weer. Maar het werd verschrikkelijk, de jager meende zeker te weten, dat zijn dij al lang gebroken was, dat nu al zijn ribben afknapten. Maakte het dier er maar een eind aan! Maar nu verplaatste de folterende poot zich naar de maagstreek van het slachtoffer, en walste hem plat, zoodat de inwendige mensch naar alle richtingen uitgeperst werd …Vreemd, hij werd zijn bestaan wéér bewust, en wist dat hij dus nògal niet dood was.Maar nu voelde hij, dat aan zijn voeten getrokken werd … een nieuwe foltering, hij kon het niet meer dragen en sloot zijn oogen.Maar het trekken duurde voort, zacht, behoedzaam; welke duivelsche grappen haalde het dier nu met hem uit?„Toean! Toean!” fluisterde een angstige stem.„Karim?” hoorde hij een heesche stem vragen.„Ja Allah, toean! leeft u nog?”„Maar waar is de olifant?”„Naast u, meneer, dood!”Hij kwam pas weer tot bewustzijn in het ziekenhuis op zijn eigen onderneming; en naast zijn bed, tegen den wand, stonden twee reusachtige olifantstanden.[78]Eerst weken later mochten Karim en Amat hem vertellen, hoe zij hem voorzichtig op een snel gemaakte draagbaar hadden vervoerd; twee nachten en twee dagen hadden zij met den bewusteloozen man in het bosch doorgebracht, en zij hadden ’s nachts een afdakje van bladeren boven hem gemaakt en groote vuren gebrand van doode takken, om de tijgers uit de buurt te houden.Eén van de tanden zag ik later bij den meneer van Tambang, toen een knappe dokter alle beenderen en botjes zóó goed geordend had, dat hij weer staan en gaan kon; de andere hing aan den wand in Karim’s woning.„Wat die olifant bezield heeft? Ik weet het nog niet; Karim zegt, dat het dier op dien eenen poot, den gewonde, niet staan kon; maar mijn dokter denkt, dat ik dàt randgedeelte van de hersens geraakt heb, dat zijn pooten, of dien eenen gewonden poot, beheerschte, en dat de dood eerst na enkele minuten intrad; ik heb daar geen verstand van en de heele affaire lijkt mij wel een half uur geduurd te hebben, maar het zal wel zoo zijn; en juist op het moment, dat het dier mij begon te walsen, moet hij omgevallen zijn.”„Ge hebt wel een harde eerste les gehad!”„Dat heb ik. Maar wat ik óók heb ondervonden, is de trouw van mijn kameraden, de trouw van een man voor een man, het hoogste goed; en dat is mij alle ellende wel waard.”Ornament met cicade.[79]1een cultuuronderneming.↑

LICHT EN SCHADUW[48]Maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst. (blz. 77)Maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst.(blz.77)[49][Inhoud]VI.DE MENSCHEN-ETERIn de pasanggráhan van Tandjoeng, aan den bovenloop der Kampar-rivier, stond de mandoer, belast met de bewaking van dit rusthuis voor doortrekkende ambtenaren, aan de telefoon en trachtte het midden-stationnetje Moeára Máhat op te bellen.„Moeara Mahat! Moeara Mahat!??”… tok-tok, tok-tok, trommelde hij op het telefoonkastje, zooals Inlanders in de binnenlanden wel meer doen, denkend, dat dit helpen zal om de aandacht van den opgeroepene te trekken.„Moeara Mahat??”… och, hij was wel gewoon lang op antwoord te wachten … tok-tok, tok-tok …Het telefoonlijntje, door het gouvernement aangelegd langs het rijpad aan den rivieroever, dat door het oerwoud loopt, is alleen bedoeld om de uitoefening van het bestuur in deze zoo afgelegen streken te vergemakkelijken; om de mandoer’s der rusthuizen te waarschuwen, als de controleur, de besturende ambtenaar, deze streek zal doortrekken om de meer bevolkte stroomop gelegen landen te bezoeken.Niet dikwijls maakt de controleur die reis, en het aantal andere ambtenaren, voor wie de mandoer een bed moet opmaken en een eenvoudige „rijsttafel” moet trachten te koken, is zeer gering. Deze rusthuizen liggen telkens een dagreis van elkaar verwijderd; maanden lang staan zij leeg in dit gebied van Sumatra van de diepste wouden, de grootste pythons en de meeste tijgers.Als het telefoonbelletje er rinkelt, staan de mandoers dan ook lang[50]niet altijd klaar, zoodat lang wachten op antwoord gewoonte is. Elke post wordt door een zeker aantal malen bellen opgeroepen, maar als een mandoer het belletje maar hoort, legt hij alvast het nieuwsgierig oor te luisteren, al weet hij ook, dat anderen elkaar zoeken. De lijn, die toch al zooveel te lijden heeft van takken en omgevallen boomen, ondervindt veel hinder van nieuwsgierige mandoers.De man van Tandjoeng hoorde een zwak hanekraaien in den microphoon, het was stellig de nieuwe mandoer van Batoe Bersoerat, die daar stond te luisteren, hij was met een massa kippen „van beneden” gekomen … „niet hinderen, Batoe Bersoerat!” en plotseling brak het lied van den haan af.De mandoer van Tandjoeng was een man van geduld, maar dezen éénen keer was hij wel zeer gejaagd, want hij had een vreeselijk bericht voor den controleur te Bangkinang, en Moeara Mahat had de verbinding te geven.Hoor, een zacht, hem wel bekend geluid ruischte langs de lijn, de nauwelijks overgebrachte donder van de beruchte stroomversnelling, waar Kampar en Mahat haar ontmoeting vieren … Moeara Mahat!„Hier Moeara Mahat!”„„Verbind mij dadelijk met den controleur, gauw!””„„Toean Koemandoer?1Ja Allah, toean, ik heb zulke slechte berichten. Het nagri-hoofd van Si Biroeang heeft iemand hierheen gezonden om u te laten weten, dat die tijger nu weer een vrouw heeft neergeslagen, en hij vraagt of u niet helpen kan; de menschen op de afgelegen rijstvelden durven bijna niet meer uit hun huisjes te komen.””„Weer een, mandoer? de hoeveelste is dit nu al?”„„De zeventiende, toean. Hij wil niets anders meer eten. Het geeft niets, of men in de vallen geiten of honden zet, hij loopt ze voorbij. De geheele bevolking van Si Biroeang is in doodelijken angst en men hoopt nu maar op uw hulp; dit laat het nagrihoofd u zeggen.””Het was een vreeselijk bericht, maar de controleur lachte stil om de almacht, welke weder aan het Bestuur werd toegedacht.[51]„’t Is goed mandoer, zeg aan den boodschapper, dat hij de menschen in Si Biroeang moet zeggen, dat ik probeeren zal tijgerjagers van Java hier te krijgen, en zeg ook, dat ik een premie van ƒ 100,— uitloof voor dien tijger. Zul je dat duidelijk zeggen?”„„Insja Allah2, Toean!””Een week later stond in eenige van de Java-couranten de volgende advertentie:Tijgerjagers!In Si Biroeang aan de Kampar-rivier heeft een koningstijger reeds 17 menschen neergeslagen, hij terroriseert de geheele streek en spot met vallen en andere vangmiddelen.Kom, en verlos de bevolking van dezen terreur!de Controleur vanBoven-KamparBesseling.Maar helaas, wel traden de bekende tijgerjagers gebroeders Ledeboer met den controleur in briefwisseling, maar de reis was zelfs hun te bezwaarlijk en te tijdroovend; van Padang aan de Westkust uit, is het een volle spoordag tot Paja Koemboeh, dan 45 kilometer tot Kota Baroe, en daarna nog ruim drie dagen te voet in zwaar terrein naar Si Biroeang, verscholen in de ontzaglijke rimba.En de tijger werd steeds brutaler.Tok-tok … tok-tok … tok-tok … Bangkinang?!… de achttiende, de negentiende … waar was het eind?Reeksen ladang’s, droge rijstvelden, werden verlaten en overgelaten aan wroetende varkens en stelende apen, aan rille herten en logge tapir’s.Zou het eind zijn, dat men allen zou moeten wegtrekken, zooals heel Rambahan in de IX kota’s bij Si Djoendjoeng was leeggeloopen voor den Bonten Oude?[52]Nù nog vertelt men in de Boven-Kampar van dien éénen tijger, en hoe de sidderende mensch hem eindelijk toch de baas werd.De eerste menschen, op wie hij een aanval waagde, waren een man, zijn vrouw en haar moeder, die bij Bandjar Karikan het bosch ingingen om kastanjes (barangan) en de eerste frissche tampoesvruchten te zoeken.Hij was een oude tijger. Reeds eerder had hij dit rechtop gaande, trage wild willen bespringen, toen hij begon te voelen, dat zijn snelheid verminderde en dat de rosse flits van een vluchtende ree niet meer te achterhalen was; toen hij bang werd voor de slagtanden van een ouden ever, in boozen grijns nog verder ontbloot. Maar hij durfde niet, al sloop hij ’s nachts reeds lang om de woningen der menschen om zijn kans te zoeken. Overdag waagde hij zich niet zóó dichtbij, maar toch had hij al een slachting verricht onder de huisdieren van den mensch; hoe dom liet een hond zich neerslaan, en hoe idioot gedroegen zich de geiten, als zij nieuwsgierig kwamen aanloopen op het klaaglijk geblèer van een kameraad, die hij weghaalde! Bij de koeien was het alleen maar oppassen voor de horens … maar de menschen hadden hun vee nu scherp bewaakt, ook in het veld, en hij was bang voor dat allertraagste wild. Waarom eigenlijk? en waarom kon hij de menschenlucht maar niet verdragen?Maar nu liet hij zich niet meer afschrikken, te violent kwelde hem de honger. Nu zou hij het doen … en hij drukte zich naast het pad neer in de struiken.De man zag hem ’t eerst, enkele meters vóór zich, en hij begreep aan de houding van het dier het ontzettend gevaar. Vluchten was onmogelijk meer, het eenige wat zij konden doen, was neerhurken, een „gewone” tijger schrikt, als hij een mensch ziet neerhurken als om hem te bespringen.„Hurken!!” riep hij de vrouwen toe, die vlak achter hem liepen op het smalle pad. Vergeefs! met één sprong wierp het dier zich op den man, sloeg de tanden in zijn dij, en trok … maar de kloeke vrouw klemde zich met heel haar lichaam aan den man vast; weer rukte hij, maar de moed van de vrouw gaf den man zijn bezinning terug, hij[53]greep zijn kapmes, dat hem van schrik uit de hand gevallen was en gaf het dier bliksemsnel een houw over den kop, boven de felle oogen.Ai! dat viel den Bonten Oude niet mee, hij liet zijn prooi los en was in enkele sprongen in het bosch verdwenen. Maar in de stille kampoeng liet hij de vreeselijke zekerheid achter, dat een menschen-eter geboren was, de grootste vijand van den mensch aan den rand van het oerwoud.Een menschen-eter!Ieder kind in de boschstreken van Sumatra weet wel, dat er tijgers voorkomen. Zelfs daar, waar zij in betrekkelijk grooten getale leven, in de zoogenaamde „tijgerstreken”, is de bevolking er in haar fatalisme vrij onverschillig onder. Er zijn immers wel meer gevaren in de rimba, waar olifanten, rhinocerossen en woeste beren zijn; nog veel meer aan den rand van het oerwoud, waar het altijd booze varken en de valsche, sexueele apen vooral voor vrouwen en kinderen gevaar opleveren; en, al komen giftige slangen en pythons slechts hier en daar in bedenkelijke mate voor, ook voor hen dient men op zijn hoede te zijn. Niet voor niets verlaat in vele boschstreken het kapmes of de speer den man nooit, zoodra hij zich van huis en erf verwijdert; zelfs de vrouwen wapenen er zich dan met een kapmes.Vooral in de wildernis, welke aan den rand van het oerwoud opslaat, nadat de mensch den boschgrond na ontginning weer verlaat, en waar men brandhout hakt en eetbare planten en vruchten zoekt, kan men een kapmes niet ontberen. En dat mes moet tevens als wapen dienst kunnen doen, omdat daar de meeste dieren voorkomen. Immers, daar is koelte en gedempt licht en heerlijke eenzaamheid in de aangrenzende rimba, en, ernaast, warmte en zonnebrand op de bouwvelden der menschen. Daar groeien alle planten, in het duister, in den schemer en in het licht, welke de wilde planteneters noodig hebben. En zij weer trekken de roofdieren aan, die nergens een betere kans hebben om de altijd hongerige maag te vullen.De herten, de reeën en de dwerghertjes zouden in het oerwoud alleen niet genoeg voedsel meer vinden, de varkens evenmin; en aan den boschrand worden door den mensch allerlei heerlijkheden geplant, welke zij rekenen tot de hun toekomende hapjes; zelfs rhinocerossen[54]en tapir’s zijn verzot geraakt op de malsche aanplantingen van den mensch, terwijl de olifanten zich verbeelden het niet meer te kunnen stellen buiten den opslag van jonge boomen en de plantages der menschen.En hoe genieten niet de vleesch-eters van de aanwezigheid van vee, van honden, geiten en kippen, welke de mensch wel zoo goed is voor hen op te kweeken.De schuwe katten worden hierdoor naar de woonsteden der bevolking getrokken. Ook de allergrootste; hij, dien men in het bosch nimmer bij den naam noemt, omdat hem dit slecht zou stemmen; omdat men ontzag verschuldigd is aan den Oudste der wezens op aarde en er een nauwe band is tusschen de ziel van den mensch en van hem, den Grooten Heer, den Grootvader, den Gestreepte, den Bonten Oude.Volstrekt niet altijd is de tijger dan ook de vijand van den mensch, hij verdedigt hem zelfs wel eens tegen onzichtbare gevaren; en niemand denkt erover hem kwaad te doen, zoolang hij de gewone tijger blijft, de jager op herten en reeën, de verdelger van het wilde varken, den schadelijksten vijand van den moslimschen landbouwer, die zelf het smakelijk varkensvleesch niet eten mag.Maar indien de tijger zijn bangheid overwint, als hij, door honger gedreven, den mensch aanvalt,—het door hem onderschatte, maar het allergevaarlijkste aller dieren,—dan eerst wordt hij een vijand, het bloeddorstige beest, zooals de blanken hem beschouwen. Zijn vrees is dan verdwenen en zijn brutaliteit grenst aan het ongelooflijke; maar hij blijft voorzichtig, sluipt onhoorbaar rond, en berekent met groote sluwheid zijn kansen; en zoo wordt hij een verschrikking, die overal loert en dreigt.Dit alles wisten de menschen aan de Boven-Kampar maar al te goed; men hoopte alleen nog maar, dat de houw over het voorhoofd den menscheneter slecht zou bekomen.De kastanjetijd was voorbij, de getah-zoekers vonden nog slechts een enkele tampoes.Toen gebeurde het, dat een man, die naar zijn ladanghuisje terugkeerde van het beekje, waar hij in den namiddag gebaad had, plotseling de grauw-gele lichtflits uit het bosch zag schieten. Ontwijken was onmogelijk,[55]de tijger sloeg hem met één slag het hoofd uit elkaar, maar toch had hij kans gezien het dier in den sprong een steek in de borst te geven, en ook ditmaal droop de menscheneter af, omdat hij maar niets begreep van die plotselinge, vlijmende pijn, nu alweer, terwijl de prooi zoo ongevaarlijk leek. Maar aan het pad vond men den man liggen, en er ging een rilling door Si Biroeang, want de stervende had nog kunnen fluisteren, dat de tijger een breed, onbehaard litteeken had boven de oogen, en hij had gezegd te waken voor de vrouwen en kinderen.Weer merkte men een tijdlang niets van den menscheneter; de nieuwe wond moest helen, bovendien deden de tegenvallers hem besluiten een ander jachtterrein te zoeken.Plotseling dook hij op te Panalian in de Boven-Rokan. Langs de voetpaden, slingerend om de voor den mensch vrijwel onbegaanbare ravijnen, is het een groote afstand; maar voor een tijger, het ideaal van lenige kracht, tellen de moeielijkheden van het terrein niet, hij sluipt er dwars doorheen.Een vader kwam met zijn zoontje van het beekje, dat hen van water voorzag. Hun ladang lag hoog aan den rimba-rand, het was een heele klimpartij naar het huisje, en het smalle paadje was wel heel erg begroeid; de verhalen van Si Biroeang waren overgewaaid, en al was hier geen menscheneter in de buurt, het pad moest morgen eens flink open gekapt worden, voor moeder en de meisjes.Het kind zag het, hoe een reusachtige zwart-gele kat uit de struiken op den rug van zijn vader vloog en hem neervelde, de rug opgekromd, alle de klauwen in het lichaam van den man. Toen keek het dier blazend naar het kind om, zette de tanden in den nek van zijn prooi en sleurde hem in enkele sprongen het bosch in. Het zesjarig ventje was van schrik gevallen, hij kon maar niet op zijn beentjes staan en kroop op handen en knieën naar moeder, om haar te vertellen, dat vader was meegenomen door een groot dier met een streep boven de oogen.Nu brak een ontzettende tijd aan voor de menschen van Panalian en Si Biroeang. Nu hier, dan daar viel een slachtoffer, nimmer kon men gissen waar de volgende slag zou vallen.Aan het kleine pleintje van Panalian zat een oude man boven aan[56]de trap op den deurdrempel van zijn huisje, starend naar de ondergaande zon en naar zijn maistuin, waar de zware kolven rijpten. Het werd laat en hij wist, dat de zoon van zijn buurman nog niet thuis gekomen was; hij hoorde het praten van de ongeruste ouders, die de voordeur reeds hadden gesloten.Bliksemsnel was de menscheneter bij hem.Eindelijk, daar kwam hij, een flinke aardige jongen van zeventien jaar, maar, ja Allah, vergiste de oude man zich niet?! zag hij niet in de struiken achter den jongen den vreeselijken lichtschijn …„Loop!” gilde hij … „daar komt-ie!!”Maar nauwelijks keek de jongen om, of suizend, laag bij den grond, bliksemsnel, was de menscheneter bij hem, en duidelijk zag de bevende oude den kop met het vreeselijke teeken.Drie honderd vaâm sleepte de tijger zijn prooi het bosch in. Daar vond men den volgenden morgen het lijk, maar de buik was geheel uitgevreten, ook het hart en de longen waren weggehaald, die eet de tijger het liefst.Toen trok men weg van de ladang’s, en zelfs in de kampoeng durfde men in den namiddag niet meer de huizen uit.Overal werden vallen gemaakt, maar de klaaglijk blatende geitjes en de akelig huilende honden, die het ondier in de val moesten lokken, zagen hem onverschillig voorbijgaan.[57]Ach, leefde Hadji Akoet nog, die had wel raad geweten. Hij was immers de eenige geweest, die elken olifant op den vlakken grond aandurfde. Maar ten slotte had ook hij het afgelegd, een moeder-olifant, die zijn aandacht niet had getrokken, had hem met de vier pooten plat gewalst en men had zijn lijk thuis gebracht als een zak bloedende brij.Datoek Bandaro, die er met zijn werpnet op uit was geweest, had gezorgd vroeg thuis te zijn. Het was een nieuw net, lang had hij eraan geknoopt, maar het was dan ook een lust in de hand geweest, en veel blinkende visch hadden moeder en dochters voor het avondeten gebakken.De mooie djála had de datoek vóór het huis, tusschen twee slanke rijstschuren, te drogen gehangen.„Toe vader, wacht nu niet te lang met uw net binnen te halen, ’t wordt al donker!”„Ja, kind.” Het was toch maar goed, dat de kinderen zelf eraan dachten om voorzichtig te zijn, en het net zou nu wel zoo wat droog zijn.„Toe nou, vader!”… Nog even moest hij een strootje rollen; de tabak was wat kruimelig, het nipah-blaadje zoo stug; maar nu zou hij toch gaan, het werd al avond. Bambang, de geest van het avondrood, gluurde met bloederige oogen tusschen de boomen. Gauw maar, en hij haastte zich naar het net en beurde het met uitgestrekte armen, naar boven kijkend waar de hangpunten waren … toen kwam een vreeselijke slag in de volle borst …„Basah!”3hoorden de huisgenooten hem gillen, en alles was voorbij.Twee dagen later kwam een arm vrouwtje van de rivier, waar zij al hare laboe’s had gevuld, die aardige karaffen van gedroogde kalebas, welke men als ze nog jong zijn afbindt en in elken gewenschten vorm kan laten groeien. Zij moest water hebben om te koken en voor den nacht, het weeuwtje had heel wat kindermonden te voeden. Zorgvuldig schikte zij de volle laboe’s in haar kain (lenden-kleed), dat er onder het loopen niet te veel uit zou storten.De kinderen, die binnen op moeder wachtten, hoorden vóór den[58]trap een doffen slag … stellig weer een cocosnoot, door eekhorens aangeboord en nu, verdroogd, uit den boom gewaaid.Maar moeder kwam maar niet thuis, en toen de kinderen eindelijk angstig de deur openden, zagen zij naast moeder’s kain de laboe’s liggen, kapot en verstrooid … haar had de tijger meegenomen. Zij was het twintigste slachtoffer.Toen gebeurde het midden over dag, in de rijstvelden.De vrouwen stonden er temanoewai, de rijpe padi-aren werden met het scherpe mesje afgesneden en in het mandje gelegd, dat de vrouwen op haar heup droegen; de mannen hielpen bij het verzamelen van den oogst.Een heldere, vroolijke dag. Hier, waar zij elkander allerlei grappen toeriepen over de golvende, gouden padi, in het open veld, hier vergat men angstig te zijn voor het dagelijks dreigende gevaar. En toen het middag werd, rustte men uit op een oud grafheuveltje midden in de sawah’s, en men dronk koffie en at wat kleefrijst in de schaduw van de enkele lage boompjes.Dan ging men weer aan het werk. Gloeiend trilde de lucht nu boven de roerlooze velden, en eenzaam, hoog in de lucht, krijschte een kiekendief zijn akeligen kreet, als een ontstellende waarschuwing, men weet niet vanwaar noch waarom.En aan den boschrand stond de koning van de rimba, en mat den afstand tusschen het bosch en de menschen … hij had in dagen niet gegeten. En niemand zag, hoe hij even later voortsloop, langs een sawah-dijkje, naar de àl matter klinkende stemmen der menschen.Insah stond het dichtst bij het bosch. Zij haastte zich, haar kind, een half jaar oud, hing in een slendang op haar rechterheup te slapen, bevangen door de warmte; zij zou nog twee mandjes snijden, dan moest zij gauw naar huis, het werd te gloeiend voor haar eersteling.Steeds matter werden de stemmen, eindelijk klonk alleen nog, zoo nu en dan, de akelige waarschuwing van den rondglijdenden roofvogel …Insah’s zuster zag hem het eerst, sluipend langs een dijkje achter de jonge moeder, en als waanzinnig gilde zij Insah toe om haar te waarschuwen … te laat, in bliksemsnellen aanval was hij bij de jonge vrouw, greep haar in een dij en sprong met haar weg.[59]„O, Allah! mijn kind!” hoorde men haar gillen, en toen zagen zij, die daar als versteend stonden, dat Insah trachtte haar slendang los te trekken om haar kind te redden, maar het gelukte haar niet. Eerst bij den geweldigen afzet van den tijger om over de omheining langs den boschrand te springen, rukte de knoop los, en de nog steeds roerloozemenschenkinderenzagen, hoe Insah in goddelijke moederliefde alleen aan haar kind dacht, het vrij kreeg en het, in den sprong, achter zich in de dichte padi wierp …Twintig, dertig menschen hadden dit ongelooflijke gezien, terwijl zij, roerloos nog en zwijgend, daar stonden in de ontzaglijke stilte in den trilgloed.Maar toen, plotseling,… werden zij allen waanzinnig? Met één verschrikkelijken kreet, in een delirium van woede, vlogen mannen en vrouwen den tijger achterna … dat kon niet, dat mocht niet … o, God, hoe was dat mogelijk …De sidderende menschjes waren zelf wild dier geworden, waanzinnig van schrik en dol van woede vlogen zij voort, het bosch in. Daar, in de ruigte tusschen de boomen, kon de tijger met zijn prooi niet snel vooruit komen, en nu braken achter hem tientallen menschen in krankzinnig gebrul door de struiken op hem af.Was hij blijven staan, bij Allah, men was hem te lijf gegaan, zóó maar, zonder wapens, met nagels en tanden! liever dood, dan zóó iets te zien gebeuren en niets te doen. De tijger moet zelf begrepen hebben, dat dit geen menschen meer waren, maar tot uiterste dolheid gedreven dieren, te veel om te weerstaan, en hij liet zijn prooi vallen en vluchtte.Maar het moedertje van liefde leefde niet meer, de schrik moet haar gedood hebben, in het mandje, dat nog aan haar hals hing, lagen nog enkele aren. Zij was het een-en-twintigste slachtoffer!En de menschen konden slechts nóg voorzichtiger worden; vallen werden niet eens meer gemaakt nadat een man, die een dergelijke „pindjára” in elkaar timmerde, van achteren was aangevallen; uitgemaakt werd nu, dat het dier de plannen der menschen doorzag, het maken van vallen was vergeefsche moeite.De enkele menschen, die hun rijpende padi op de bergladang’s[60]niet geheel in den steek konden laten, wilden zij niet hongeren, waagden zich slechts in gezelschappen van vier en vijf naar de rivier om water te halen en er te baden. Het was of overal de verschrikking loerde, of men ingesloten was door dien éénen tijger.Tijgerkop.Op een der meest afgelegen plekken woonde in een hutje een man in de volle kracht van den levensherfst. Hij was weliswaar niet zóó moedig als Hadji Akoet, maar toch was hij een groot jager, en alleen omdat hij nog stand hield, waren ook anderen gebleven en nog niet naar het dorpje gevlucht.De zon was reeds lang achter de hooge rimba ondergegaan, nu kleurde zij de witte wolkjes rood, daarna donker-violet. In het bosch zettenhonderdencicaden4hun snerpend avondlied in, en log, met droefgeestigen slag, dreven kalong’s voorbij, die reusachtige vleermuizen, die uitvliegen als het avond wordt om vruchten te zoeken in het bosch en in de kampoeng’s. Het lieve moerai-lijstertje zong haastig nog de laatste noten van zijn laatste lied; hij moest in den vroegen morgen weer de eerste zijn om de natuur en de menschen wakker te zingen.Zwarter dan zwart werd nu de boschrand, vreemde onbestemde geluiden mengden zich in het lied der cicaden, de galmende stem van den geest, die de semamboe-rotan bewaakt, de diepe bas van den reuzekikker; de schrikgeluiden van vogels, die in hun eersten dommel werden verstoord, misschien door een slang of door den spookachtigen luiaard, nu vlug geworden in de boomtoppen daar het zonnelicht[61]hem de oogen niet meer verblindde. In den donkeren hemel slechts enkele sterren, geen kalong’s meer, wel wapperende vleermuizen, die gejaagd worden door dien zwarten roofvogel, die pas uitvliegt als het donker wordt; zij flapperden in telkens van richting veranderende vlucht, onbestemd, spookachtig, met akelige kindergeluidjes.Zwarter en stiller werd het bosch, het zware geluid van den reuzekikker overheerschte nu, eerst een hik, dan een volle galm …Wie van demenschenkinderenaan den rand van het diepe woud hoorde het, dat mal hooge geluid ginds in de verte,… Aaaoeoe, en dadelijk daarop een zacht gedreun, als een waarschuwende vulkaan …HIJ was het, voor niemand bang in den nacht in zijn wonderwoud; den kop laag neer, de voorpooten wijd uit elkaar … Aaaaaoeoe … de Tijger op het oorlogspad!„Wat er ook gebeurt, welke geluiden jullie ook hooren,—denk eraan, niemand komt uit zijn hut, ieder wacht den morgen af!” had de groote jager gezegd.Zijn ladang-huisje had een trapje met niet minder dan twaalf treden,—hoe hoog en veilig lag hij daar op den vloer te slapen, geweer en speer naast zich.Maar door den donkeren nacht met wondere geluiden sloop de verschrikking nader, hongeriger dan ooit, nu de menschen zóó op hun hoede waren; hijmoesteten, en rook hij niet, dat hier een mensch was … Welk gevaar! maar het hongervuur in zijn ingewanden dreef hem; hij klom als een kat langs een kruishout der palen naar boven tot aan de omwanding van boombast; wèl scherp drongen de nagels in het hout, zoodat de menschen later de duidelijke sporen vonden; en nu klom hij langs de omwanding, waar de klauwen vasten greep hadden, steeds hooger, tot aan de „singok”, de opening onder het dak … en vandaar stortte hij zich op den rustig slapenden man.Een rochelend gebrul hoorden de buurlieden midden in den nacht,—zij begrepen niet, maar krompen ineen van vrees, en bleven waken en rillen. En om vier uur in den morgen hoorden zij een vreemd, laag-mauwend geluid langs den boschrand wegvagen, als van een kat, die bang is dat een kameraad haar een lekker hapje zal afnemen.[62]Eerst toen de zon hoog stond, wist de geheele streek, dat men slechts een stuk van een dij had terug gevonden in het ladanghuisje met het trapje van twaalf treden. En de rilling ging tot Bangkinang, tot Padang, over het twee-en-twintigste slachtoffer.Maar nu vereenigden zich de mannen om aan dit verschrikkelijke leven een eind te maken. Het moest toch mogelijk zijn den tijger door een lokaas te vangen; als hij maar hongerig genoeg was, als de menschen dus nòg voorzichtiger en waakzamer werden. En niet een gewone val zou worden gemaakt, maar een katjòendang; twee zware klapperboomen werden geveld, aan elkaar gebonden en laag schuin opgezet, de uiteinden werden met sterke rotan’s verbonden aan andere boomen, maar beneden liep een dun touwtje en het minste rukje daaraan kon de stevige rotan’s dadelijk doen losglippen.En toen de nacht kwam, huilde een vastgebonden hond in een gegraven gat onder het dunne touwtje; en elken volgenden nacht galmde zijn schrikkelijk huilen door de stille kampoeng, waar de menschen in uiterste waakzaamheid bijeen scholen.Niemand heeft het in dien eenen donkeren, wilden nacht gehoord, maar de grond dreunde en de hond huilde niet meer.En toen den volgenden morgen de moerai met zijn heerlijk lied de menschen wekte, vond men onder den katjoendang een tijger verpletterd, een reus met afgebroken slagtanden en schurftigen rug, boven de oogen een breed litteeken …„Moeara Mahat, Moeara Mahat!” tok-tok, tok-tok,… toen vloog de juichkreet langs de draad, dat de geteekende menschen-eter eindelijk gevallen was.Ornament met cicade.[63]1Maleische titel van den Controleur in West-Sumatra.↑2In naam van God, zoo waarlijk helpe mij God.↑3„Nat!”↑4„zingende” boomkrekels5.↑5Stridulantia, Cicadidae. De mannelijke leden dezer rechtvleugelige insecten, een familie der Cicaden (onderorde der Snavelinsecten) dragen in zich een muziek-orgaan, dat bij enkele der grootste soorten zoo krachtig werkt, dat het scherpe, snerpende geluid het menschelijk oor een oogenblik geheel verdooft, indien men den „zanger” tot op korten afstand nadert. Onder de twee groote, lederachtige schubben, welke de verlengstukken zijn van het achterborststuk, ligt een driehoekige holte, welke als bodem een dun overlangs geplooid vlies heeft; dit „trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam; een krachtige spier werkt door middel van een pees op den naar den rug[162]gekeerden rand van het raam; door haar samentrekkingen geraakt het vlies in trillende beweging. Het resultaat is ongelooflijk voor een insect van enkele centimeters grootte; maar niet minder verbazingwekkend is het uithoudingsvermogen van deze dieren, die uren en uren achtereen, slechts met zeer korte pauzes, hun eentonige solo’s rondsnerpen. Soms houden enkelen van verschillende soort een oorverdoovend concert in het stille bosch, maar de een trekt zich niets van den ander aan en zij laten zich volstrekt niet door elkaar van de wijs brengen. Enkele soorten komen tot in de steden, vliegen ’s avonds dikwijls als projectielen tegen de lampen aan en verspreiden schrik in damesgezelschappen. Men ziet ze wel tegen lantarenpalen gekleefd, waar het aanlokkend licht hen bracht, en zij schetteren er hun hoogste lied alsof ze „thuis” waren, de groote oogen puilend uit het gezwollen voorhoofd.Bij de oude Grieken gold een cicade, zittend op een harp, als het zinnebeeld der muziek, omdat een cicade zich neerzette op de plaats waar een snaar van Eunomus’ harp gesprongen was, toen deze met Ariston kampte om den eereprijs, en zoodoende Eunomus de overwinning bezorgde. Maar beter dan met het trillen van een harpsnaar kan men het geluid van de cicade vergelijken met een nasaal snerpend kindertrompetje. Mooi is het dus niet, maar men zou het in de mystiek van het Indische bosch niet gaarne missen. En mij deed het altijd denken aan de stille, Hollandsche heide, als, in de hittetrilling van een warmen zomerdag, de gele gors in de enkele noten van zijn bescheiden deuntje het liedje van verlatenheid zingt.↑[Inhoud]VII.ONDER DEN VOORPOOT VAN EEN OLIFANTHet had den vorigen avond sterk geweerlicht, de mannen van het dorp waren er dan ook van overtuigd, dat er ergens in de buurt olifanten moesten zijn, al was het vroeg in den tijd.Wat daar telkens even flikkert aan den hemel, stil, zonder eenig gerommel, is immers de weerschijn van het ivoor der olifantstieren. Maar men had in de naaste omstreken nog geen sporen gevonden; wel waren er berichten uit de oeloe, den bovenloop der rivier, dat de olifanten er zich dit jaar vroeger hadden vertoond dan gewoonlijk.In den vroegen morgen lichtte een kleine jongen een vischfuik, die aan den rivieroever was opgesteld, enkele kilometers bovenstrooms van het dorp, en parmantig stapte hij met den buit naar huis. Maar plotseling liet hij de visch vallen en rende terug naar het dorp … op bet pad bij de rivier had hij ’t rookende „visitekaartje” van een olifant zien liggen, de mestballen, ter grootte van een babyhoofd, die de tegenwoordigheid van de Grooten van het woud verraden. Dampend nog! hoe dicht dus was hij het dier, misschien een kudde gepasseerd.Nu waarschuwde men elkaar, snel werden alle omheiningen van de bouwvelden nog eens terdege nagezien. Tegen het wilde varken, den grootsten vijand van den inlandschen landbouwer, kan men volstaan met een dichte, lage heg; en als aan den buitenkant een sloot wordt gegraven met steil afgestoken kanten, zijn de aanplantingen veilig voor den knorrenden wroeter. Maar in de olifantstreken is het zaak de omheiningen hoog en zwaar te maken. Nog dikker maakte men nu den wal van zware takken en stronken; dit waren de overblijfsels[64]van wat enkele maanden geleden nog zwaar bosch was, gekapt na den regentijd en in den drogen moesson zooveel mogelijk opgebrand, waarna de humusrijke bodem den rijstkorrel kan ontvangen.Een oude, tanige vrouw, die aan den uitersten rand der kampong woonde en die buiten het wereldsch gedoe was komen te staan, had van de waarschuwing niets gemerkt; zij slofte haar dagelijkschen gang naar den boschrand om wat hout te sprokkelen, dat kon de eenzame nog wel dragen. Ginds hadden haar man en zij, dadelijk na hun huwelijk, ook een ladang gehad, een rijstveld zóó vruchtbaar, dat zij er drie jaar achtereen een goeden oogst hadden gehad. En zij hadden er het laatste jaar zooveel doerianpitten geplant, dat er een zwaar doerianbosch was opgegroeid, zoodat de jongere generatie dezen grond verder had ontzien. Of de eerste vruchten al afvielen? dan moesten de kleinkinderen er snel een hutje bouwen en er de wacht houden, want iedereen is verzot op doerians, menschen en dieren, en op de markt brengen zij heel wat op.Waarlijk, bij dien stam, tusschen de overal opgeschoten struiken, lag al een gélende, groote vrucht; gelukkig, dat ’t nog niet de olifantentijd was, de geweldige dorens, waaraan de vrucht haar naam ontleent, zijn voor deze dieren geen bezwaar.Juist reikte de hand van het oudje naar de begeerlijke vrucht, toen uit de lucht, langs den boom, iets als een loodkleurige reuzeslang neerkwam, en toen zij opkeek, zag zij langs een olifantenslurf de ondeugende oogen valsch lachen, en zij zag nòg een dier en nòg een … zij was doodgemoedereerd midden in een kudde gewandeld.Niet alleen waanzinnige angst, ook razernij omdat de doerian haar betwist werd, gaven het oude mensch de kracht en de bezieling tot een akeligen, loeienden gil. De olifanten schalmeiden in snerpend gedaver terug, zoodat in de kampong de spelende kinderen opschrikten en het geblaf en gekijf der gladakkers even verstomde. Maar het nare geloei was hun toch te machtig, en stil hobbelden zij weg naar rustiger oorden.De oude Karim, de groote jagersman in deze landstreek, inspecteerde dien dag zijn arsenaal. Het buskruitmagazijn was nog goed gevuld; uit het vaatje buskruit, dat door den besturenden ambtenaar[65]aan het distriktshoofd was verstrekt ter uitroeiing van schadelijk gedierte, was aan Karim niet minder dan twee flesschen vol toegewezen, en hij had ze voorzichtig in den grond begraven; dat kruit was best en niet duur, want het kwam uit den militairen voorraad, op aanvraag van den controleur; vroeger, toen men het achterbaks moest zien te krijgen, werden de Inlanders geducht afgezet door Chineezen of Maleische handelaars. Met z’n kogels stond het minder goed. In het zakje, bruinberookt aan den keukenwand hangend, vond Karim nog maar drie kogels, die in zijn voorlader pasten; ook nog een paar ijzeren moeren en boutjes, die hij van een werkman van den waterstaat had overgenomen toen hij „in de stad” een jongen beer had verkocht, die in een hertestrik verdwaald was. Die boutjes waren heel best om er een slapenden tijger mee in het hart te schieten, maar voor het één-centimeter pantser van een olifant deugden zij niet.„Vader,” zei zijn zoon Oesoef, „ge moet den nieuwen meneer van Tambang1nog eens wat puntkogels vragen, hij hoopt altijd nog, dat u hem eens een olifant laat schieten, hij geeft ze u stellig.”„Hai! daar zeg je wat. We zullen naar Tambang gaan en meneer waarschuwen, dat er olifanten zijn, ik heb het hem moeten beloven; ik krijg dan stellig mijn puntkogels, en misschien kan meneer nu wel mee; als hij een stier kan schieten, krijg ik een goed cadeautje.”„Vader, je hebt nog drie kogels, laten wij zelf eerst eens gaan zien; als ge een grooten stier schiet, zonder meneer, is toch de volle waarde van de tanden voor ons alleen.”En zoo gingen zij den volgenden morgen samen op pad. Maar de troep was wonderlijk opgeschrikt, eerst na drie dagen lang de sporen te zijn gevolgd, diep de bergen in, hoorden Karim en zijn zoon het bekende vreugdebrullen en het vallen van boomen … de ouverture van vrijwel elk jachtavontuur, waarin mensch en olifant een rol spelen. Zij beslopen den troep, niet om dadelijk te schieten; een inlandsen jager weet heel goed welke kansen zijn hachje loopt, als hij met zijn voorlader als openlijk aanvaller optreedt. Zij zochten een zwaren,[66]beklimbaren boom uit en wachtten, spiedend op een veiligen tak. Zij troffen het, de troep trok op korten afstand onder hen door, zij telden zes koeien en een volwassen maar nog jongen stier met weinig ivoor; gezellig oorflappend en met diepe, inwendige geluiden, kuierde het gezelschap langzaam voort. Toen het bosch weer stil was, lieten de jagers zich afglijden; Karim was zeer teleurgesteld, zoo’n stier was de moeite niet waard.„Wij zullen hun nog eens den weg afsnijden Oesoef, misschien hebben wij niet den heelen troep gezien.”Met een grooten omweg trokken zij snel op, om de kudde vóór te komen. De dieren wandelden een uitlooper van den berg af, langs een vrij diep ravijn. Het lag voor de hand in dit ravijn neer te dalen, de overliggende helling weer te beklimmen en aan den overkant de richting te volgen evenwijdig aan die, waarin de kudde liep; zij konden daar sneller loopen, zonder de olifanten op te schrikken.Maar het neerdalen in het ravijn moest zoo stil mogelijk geschieden, het kon zijn, dat de kudde nog in de buurt was.Als schaduwen gleden de mannen op hun lenige, bloote voeten de helling af, elk dood takje moest vermeden worden, alleen niet-zwiepende boomen dienden bij de afdaling tot steun. De bedding van het ravijn, waar een beekje over zware rolsteenen klaterde, was op die plek met zware bamboe begroeid. Zij rustten even in de schaduw, en zij schepten zich met de hand het koele water naar den happenden mond. Beiden zwegen, het water kletterde van steen op steen en het geluid weerkaatste in het dichte blad der gebogen bamboetoppen, die den hemel afsloten.Maar wat was dat? Een ruischen, in de bamboe tegen de straks te beklimmen helling, brak de stilte; daar bewoog zich een dier, dat blijkbaar doodstil had staan wachten om de beteekenis van de lichte geluiden aan den overkant van het ravijn te begrijpen, maar dat nu weer gerustgesteld was.Dan ratelde een daverend, knerpend schot door de donkere stilte, een bamboe die met ontzaglijke kracht gebroken werd.„Ja, Allah!” kreunde Oesoef zacht; hij zag, dat zijn vader verbleekte,[67]naar zijn geweer greep en hem wenkte om zich met hem achter een groot rotsblok te verschuilen. Zoo wachtten zij. Het geruisen werd sterker, de bamboe’s spetterden, en toen zagen zij op tien meter afstand een reusachtigen olifant, met zware gele tanden, naar het water kuieren, een solitair, uit den troep gestooten door den nieuwen, jongen leider. Vluchten was onmogelijk; trouwens, Karim was den eersten schrik spoedig te boven en hij zag zijn kans.Een ervaren Europeesch jager zou geheel beheerscht zijn door de bange vraag: sta ik wel onder den wind? maar inlandsche jagers realiseeren niet, welk een belangrijke factor dit is, en zij letten er in het schijnbaar volslagen windstille bosch niet op, omdat zij niet weten hoc fijn de reuk van een olifant is. Karim speculeerde slechts op de slechte oogen van het dier, en hij kon dit nu rustig doen, omdat de luchtstroom in het ravijn toevallig gunstig was. Toen de solitair stond te drinken, schoof Karim zich op langs het groote steenblok; hij mikte lang, op een der polsen van het dier; te beproeven met een schot uit zijn voorlader de hersens te raken, zou kruit verspillen en voor hen levensgevaarlijk zijn; de pols is kwetsbaarder, en als het nu maar gelukt een olifant zoodanig kreupel te schieten, dat hij zich moeielijk kan voortslepen, dan kan men hem nòg en nòg eens weer in den pols schieten, totdat hij een makkelijke prooi wordt.Daverend klonk de voorlader, en stil zonk de doodelijk verschrikte reus neer; maar dadelijk stond hij weer op en vluchtte; niet snel echter, want het eene been sleepte. Stralend keken de jagers elkaar aan, maar zij spraken niet, dit wreede spel moest voorzichtig herhaald worden, het ging zoo goed.In twee dagen tijd schoot Karim zijn drie kogels in dezelfde pols. Maar toch sleepte het dier zich nog voort, den berg af, klimmen was hem niet meer mogelijk.En toen hij nu nòg niet liggen bleef, moest Karim wel besluiten den meneer van Tambang erbij te halen. Hij had nu aanspraken gekregen op dezen olifant met zijn prachtige tanden; hij kon hem gerust verlaten, heel ver kon hij niet meer gaan, en anderen zouden hem zoo diep in het bosch wel niet vinden.[68]Zij keerden naar de kampoeng terug, en twee dagen later kreeg de heer S. op Tambang bezoek van Karim, den jagersman.„Toen Oesoef en ik in ’t bosch waren, ontmoetten wij hem. Ik dacht aan u en heb hem drie schoten in den pols gegeven, en toen ben ik u dadelijk gaan waarschuwen. Als unuzou kunnen gaan, en ik mag mee in uw auto, dan kunnen wij rijden tot kampoeng Ramboetan, en morgen breng ik u langs een boschpad op de snelste manier naar den olifant. Hij kan bijna niet meer loopen.”„Waar is Oesoef?”„Hij kreeg vannacht koorts, wij kwamen laat thuis omdat ik zoo spoedig mogelijk bij u wilde zijn. Ik denk, dat de vermoeienis en de schrik van zijn eerste ontmoeting met een olifant het hem hebben gedaan. Ik heb hem thuis gelaten, maar u neemt zeker nog wel iemand mee?”Ja, dat vond de meneer van Tambang ook. Hij wist bovendien, dat een inlandsen jager ongaarne alleen op avontuur gaat met een witmensch. Hij voelt verantwoordelijkheid, en men kan nooit weten wat er gebeuren kan.„Wij zullen mandoer Amat meenemen, Karim, die kan dan ook ons potje koken; hij kan van alles, al is hij een oude man.”Karim en Oesoef waren den troep dwars door het zware terrein nageloopen; voor S. koos hij nu de route via Ramboetan, veel langer indien men loopen moest, maar per auto een belangrijke bekorting.In Ramboetan werd de nacht doorgebracht. In de vroege morgenuren viel de eerste zware regen van ’t seizoen, het voorspel van den langen regentijd. Toen de zon opging, fonkelden de regendruppels aan de bladeren, een heerlijke, frissche morgen, een goed begin. S. nam zijn zwaren Mauser-karabijn op den schouder, Amat en Karim hadden ieder een vrachtje aan kleeren, eetwaren, wat borden en kook-gerei.Het pad langs de rivier voerde door een jong bosch, dat op gezette tijden door olifanten doorkruist werd; in de laatste week, zoo hadden de kamponglieden verteld, had zich hier geen troep meer vertoond.Op S., die eerst kort op Sumatra was, en nog nooit achter olifanten was geweest, werkten scherp de indrukken in, welke een olifantenterrein op een nieuweling maakt. De wirwar van breede, schoone[69]paden in de ruigte van de wildernis; de onwaarschijnlijk zware, geknakte boomen; de resten van afgescheurde reepen boombast, die wandelend worden verorberd en de richting van den eter aangeven; de ongelooflijke hoogte van schuurplekken aan schuinstaande boomen, het is alles zóó afwijkend van de gewone rust in het bosch, zóó geweldig, dat het aandoet als iets, dat in lang vervlogen tijden moet hebben plaats gehad, iets, dat men wel nimmer zelf zal meemaken. Maar dan zijn er de bewijzen van het reëele, van het onlangs gebeurde, de mestballen. En hier, in dit terrein, lagen zij in soorten, groote en kleine, van oudere en jongere formatie. Van een kort geleden bezoek getuigden de mestballen, waarin padikorrels als op een kweekbed waren opgeschoten, het was duidelijk, dat een aanval was gedaan op de rijstschuren bij de kampong. Soms worden deze geheel vernield, soms weer keurig uitgepompt door een gat, dat een olifant in een der bamboewanden stoot. Er zijn olifanten, die er een speciale sport van maken; eens vergiste zich een stier; een vrouw, die in haar keuken bezig was, zag plotseling een zwaren olifantstand door den wand dringen.De meneer van Tambang stond verrast naar de bolvormige rijst-kweekbedden te kijken.„U vindt dat merkwaardig, maar kijkt u hier eens,” zei Karim.Op een plek, waar een troep blijkbaar gerust had, lag een partij mest van ouderen datum; uit de bal-resten schoten jonge mangga’s op, en van die plek, het bosch in, liep een spoor van overal jonge manggaboompjes.„Maar Karim, hoe is ’t mogelijk, dat er zóóveel mest ligt?”„Ja meneer, dat is altijd zoo. De olifanten hebben zulke groote lichamen, dat zij ontzaglijke hoeveelheden blad en bast en vruchten moeten eten, en de vezels verteren niet en blijven lang liggen. Wij zullen onderweg eens kijken, of er ook gekleurde mestballen zijn; wij kunnen dikwijls daaraan zien, welke bladeren zij gegeten hebben.”Zij verlieten nu het jongere bosch en betraden het oerwoud. De meneer van Tambang haalde de boschlucht diep in; hij genoot, van het bosch, van de verhalen van den ouden jager met zijn eerwaardig gezicht en zijn heldere, pientere oogen.[70]„Laten we even op dezen omgevallen stam gaan zitten en vertel me nog eens uitvoerig wat ge van onzen olifant weet.”„Ik kan u niets meer vertellen dan ik al gedaan heb. O ja, ik vertelde u nog niet van die sporen van zijn tanden in de tebing? Vlak bij de plek, waar hij uit het bamboebosch brak, was aan den ravijnkant een kleine aardstorting, zoodat er een loodrecht stuk wand was ontstaan, eentebingzeggen wij. Nadat hij na mijn eerste schot was weggloopen, ontdekten wij in die tebing de sporen van een van zijn tanden, ik kon mijn voorarm gemakkelijk in ’t gat steken, zóó zwaar zijn z’n tanden.”„Waarom rammen olifanten zulke gaten in den grond?”„Wij zeggen, dat ze zich zoo oefenen in het stooten, zij doen het ook in den paartijd, dan zijn ze erg wild, misschien doen zij het ook in booze buien; u heeft het toch zeker wel dikwijls van stieren gezien, hoe ze den grond met hun horens omwoelen.”Karim greep naar zijn voet, een springbloedzuiger had zich op de wandeling tusschen zijn teenen vastgezet.„Kijk ’s,” zei hij, „ziet u die daar?”Vóór de voeten van S. stonden, tusschen de bladeren op den grond, twee bloedzuigertjes rechtop, dun nog, dus hongerig en hunkerend naar menschenbloed; het voetje stevig vastgezogen, de rest van het zwarte streepje zwaaiend, wuivend, wild zoekend de goede richting naar de fel begeerde prooi. Een wist het plotseling, en in enkele spanpassen had hij den rand van den schoen beet. Er kwamen er meer, haastig, van verscheiden kanten, verschillend in kleur en dikte, allen ernaar hunkerend om zich tien maal dikker te zuigen aan menschen-bloed.„Karim, ge weet zoo veel, wat eten die beesten toch als zij geen menschenbloed krijgen; vrijwel alle oerwouden moeten er van vergeven zijn en hoe enkele menschen komen er maar. Zij zitten immers nooit op wilde dieren?”„Neen, toean. Wij zeggen, dat ze lucht en humus eten; maar het is wonderlijk, hoe vinden zij ons; zij hebben niet eens oogen of een neus. Hoe ouder en vruchtbaarder het bosch is, hoe meer patjet’s.”„Nu moet ge mij nog iets vertellen. Ik hoorde vannacht, toen ik[71]even wakker was, een geluid, dat uit een boom vlak naast ’t huis waar wij sliepen, kwam; het leek wel een uiltje.”„O, meneer, hebt u dat gehoord?” Karim schrikte.„Ja, wat zou dat?”„O, voor u is dat niks, maar wij vinden het niet prettig, en sommigen zeggen, dat het ongeluk brengt als het boeak-uiltje zoo vlak bij een huis roept. Zij was vroeger een zuster van de maan, en als ze die ziet, roept ze al maar door. Maar dat zijn voor de witmenschen domme verhaaltjes, is ’t niet?… Maar wilt u voor u-zelf eens kijken hoe laat het is, als de zon zóó staat” - en hij wees op den zonnestand van drie uur - „kunnen wij er zoowat zijn”.Het was elf uur. Het terrein begon al steiler te worden; de olifantsporen hadden zich afgebogen, de mannen liepen nu in ongerept oerwoud, alleen het bijna onzichtbare paadje van boschproduktenzoekers, dat zij volgden, sprak van verstoring van de eeuwige rust. Maar veel gebruik werd er niet van gemaakt; nu en dan stond Karim, die vooraan liep, het lange kapmes in de hand, even stil om zich niet te vergissen; hier en daar waren boomen over het paadje gevallen en moest een nieuw pad worden gezocht. Moeielijk was dit niet, in het oerwoud is de bodem gewoonlijk begroeid met lagere planten en struiken, voor zwaren opslag van boomen is de schaduw te overwegend; alleen daar, waar omgevallen boomen een gat hebben gemaakt in het groene dak, roept de zon dichten opslag in het leven, daar hebben gevallen zaden en door vogels overgebrachte vruchtenzaden een goede kans. Boven, in boomholten en in de oksels van takken, doen de vogels hun onopzettelijk werk overal. En het zijn in hetbijzonderde zaden van ficus-vruchten, die zij daar mèt de vruchtbare mest brengen. Slaan deze aan, dan zenden enkele soorten hun wortels naar den bodem, en zij worden straks pilaren; andere omwikkelen er den gastvrijen boom mee, en het slot voor alle moederboomen is, dat zij vroeg of laat verstikt worden en ten onder gaan. Zóó ontstaan trotsche, rechtstammige reuzen, ficusboomen wier kroon een kwart hectare beslaat, maar ook die wonderlijke à jour-stammen, een netwerk van wortels met een kern van wegrottend hout, het overblijfsel[72]van de oude moederboom, die den parasiet niet kon afschudden.„Kijk eens, meneer, hoe deze groote boom gewurgd is; wij zeggen van iemand, die geleend geld niet terugbetaalt en daardoor zijn weldoener ongelukkig maakt: hij leent als de ficus.” Zoo wees Karim den toean van Tambang de reuzen van het woud; maar de fijne aroma’s van orchideeën en van boom-bloesems, waarmee de grond hier en daar bedekt was, ontgingen hem; ook trof het hem, den man van alle-dag-in-het-bosch, niet, hoe zoo nu en dan een vogeltrek de plechtige stilte verbrak, het fluiten en tjilpen van vogels van allerlei soorten en grootte, die zelf hun verbazing uitschetterden van zich vereenigd te zien, met een doel dat voor den mensch verborgen is.Een enkele maal vloog een neushoornvogel hoog over de dichte boomtoppen; men zag hem niet met zijn langgerekten hals en den rooden snavelkroon, maar het sjoep-sjoep van den vleugelslag domineerde het bosch geheel; zelfs een oewir-oewir, de eeuwig snerpende cicade, die alleen maar zijn liedje zeurig eindigt om, tastend naar den goeden toon, weer te beginnen, zelfs hij werd geïmponeerd en wachtte, tot dat wonderlijke, rhytmische geluid uit den hooge vervaagd was.„Wat is dàt, Karim?”Van de overzijde van bet diepe ravijn, waarlangs het paadje voerde, kwam een nieuw geluid. Oeüw, oeüw …, klonk het galmend, eerst langzaam, dan sneller en sneller, en plotseling, heel onverwachts, klonk een zuiver menschelijke stem, die „waaa!!” riep; dan viel een geheelorkestvroolijk in, en het concert eindigde met haastige stootjes, die al zwakker werden.„Dat zijn siamang’s meneer, kent u die dan niet?”„Neen, ik ben altijd op Java geweest, daar heb ik dit nooit gehoord, en dit is mijn eerste dag in de rimba.”„Zie,” zei Karim, „daar zitten ze, ze hebben ons zeker gezien.”In de kroon van een der grootste boomen aan den overkant, zaten en hingen en zwaaiden een tiental zwarte gibbons, die groote staartlooze apen, wier embryologische ontwikkeling zoozeer gelijkt op die van den mensch.„Maken die apen zóó’n geluid?Apen?”[73]„Ja meneer, alleen de kleinere apen zonder staart, de oengko’s gillen ook zoo, maar dat is een veel hooger geluid en niet zoo mooi.”„Maar dat ééne geluid, net de stem van een mensch, doen zij dat ook?”„Ja, dat is een ander dan die het roepen begint; dit doet een van de grootsten; zij zetten de huid onder de kin als een blaasbalg op; als wij ze jong vangen, worden ze heel tam, en zij hangen het liefst aan je lichaam; als ze groot worden, maken ze dat geluid ook en je hoort het in de heele kampong. Maar nu mogen we niet langer stilstaan meneer, anders wordt het te laat.”„Karim, vindt ge het ook heerlijk in het oerwoud?”„Och, meneer, ik ben mijn heele leven in het bosch geweest.”„Ja maar, heb je dan niet het gevoel, dat het eigenlijk nergens zoo heerlijk, zoo mooi is als hier?”Karim glimlachte en keek wat verbaasd.„Toean, ’t is altijd zóó geweest, ik weet niet anders of de rimba is de rimba. Maar ik zou dood gaan, als ik in een stad moest wonen, daar moet je al je etenkoopen.”Nu glimlachte de witmensch, maar hij voelde, dat Karim hem moeielijk kon vatten; voor hem, den nieuweling, was deze dag een openbaring, hij was volkomen gepakt door de geweldige bekoring van het oerwoud.Maar zij moesten voort, hij haalde diep adem, vooruit! Ginds wachtten nieuwe emotie’s. Na eenige uren zagen zij licht tusschen de boomen, zij trokken nu door jonger bosch, een vlak terrein, waar enkele jaren geleden de ladang’s waren van een kleine nederzetting aan den bovenloop der rivier.„Nu voorzichtig,” zei Karim, „wij zijn niet ver meer van de plek waar ik hem verlaten heb, hij kan onmogelijk ver zijn.”Karim had niet gerekend op de taaiheid van zijn olifant. Wel vonden zij de plek, waar hij het arme dier met zijn derden kogel gepijnigd had, ook resten van bast en takken, en mestballen, maar geen olifant. Het terrein was wederom een plaats van geregeld festijn van olifanten, overal waren open plekken, en hier en daar lagen modderige plassen, het had hier in de bergen blijkbaar dagenlang geregend. Karim was teleurgesteld.[74]„Meneer, blijft u met Amat hier, ik zal zijn spoor wel vinden.”„Laten we dan eerst wat eten, Karim, wij hebben nog rijst van vanmorgen.”„Dank u meneer, ik moet hem wel gauw vinden, eet u maar samen,” en onhoorbaar sloop de brave weg, met het onafscheidelijk kapmes als eenig wapen.Amat en zijn baas onderzochten den etensdrager en vonden er genoeg naar hun gading; een halfvergane boomstam, droevig restant van het oorspronkelijke bosch, diende als bank en tafel.Zij spraken zacht, het was best mogelijk, dat de solitair in de buurt was.Het jonge bosch leek in geen enkel opzicht op het oerwoud, dat achter hen lag. Hier was het saai; waar de bodem niet door de olifanten was beloopen, was alles zwaar begroeid met kreupelhout en allerlei opslag. Ook wilde bananen waren opgeschoten in het felle zonlicht, en groote struiken van djilatang, den boombrandetel; voor den mensch is de aanraking van de bloote huid met zijn bladeren funest, maar insecten vreten er rustig ronde gaatjes in; bij voorliefde zou men zeggen, er zijn weinig andere bladeren in de wildernis, die zoo algemeen de belangstelling van de insecten hebben. En overal waren poear’s opgeschoten, die gemberachtigen met hun merkwaardige bloemen, van enkele soorten op lange stelen, van andere plat op den grond, roode en rood-en-gele sterren; en de lange bladstelen met de donkere, glanzende bladeren, die zich zoo goed leenen voor dakbedekking van bivakjes voor enkele dagen, schoten steil op, tien meter hoog soms.Eén enkele calanthe was een sieraad in den groenen chaos; zij hadden deze aardorchidee ook in het bosch gezien, maar die soort heeft onaanzienlijke bloemen, die eigenlijk niet ontluiken; deze hier droeg een prachtigen tros van witte bloemen aan een langen stengel, opschietend tusschen haar matgroene, breede bladeren.„Die zullen we meenemen, meneer, ik was vroeger djongos bij een mevrouw in Batavia, die had een heele rij van deze bloemen in de voorgalerij, en ik splitste de wortels en we kregen steeds meer bloemen, en mevrouw maakte er prachtige bouquetten van.”[75]Amat stond op en liep naar de calanthe, maar een knappend geluid van dor hout deed hem bevroren stilstaan.Het was Karim maar. „En?”…Karim was zichtbaar opgewonden. „Gaat u gauw mee, meneer,” fluisterde hij, „hij kon nog vrij goed loopen maar niet klimmen, en daarom kon hij den bergrug niet op, die tot aan de rivier om dit vlakke terrein loopt; hierheen!”„Heb je hem gezien?”Karim knikte slechts, hij was zóó zichtbaar onder den indruk, dat den blanken jager een lichte huiver langs den ruggegraat liep. Hoe verder zij kwamen, hoe meer bleek het geheele terrein door den opgesloten solitair te zijn „afgegraasd”, overal geknakte jonge boomen en slierten van bast, die hij verspillend had laten liggen. Vooral semantoeng-boomen (ficus alba), waar ook de tapirs zoo verzot op zijn, had de olifant uitverkoren; rondom ravage.„Heeft die olifant dat alles alléén gedaan?”Weer knikte Karim en beduidde den meneer van Tambang niet meer te spreken en voorzichtig te loopen. Zij slopen voort.De stekende namiddagzon brandde fel in dit lage bosch; de nieuweling vond het er benauwd warm, maar inwendig was ook een vuurtje gaan branden, de spanning en de huiver van de jacht op het allergrootste wild, waaraan bijna niemand ontkomt.Plotseling kwam het sein.In de benauwende stilte kraakte hout en een boom plofte neer, een paar honderd meter vóór hen. Karim stond plotseling stil en greep zijn toean bij den arm. Hij glimlachte zuurtjes; zelfs voor hem, oude jagersman, was dit bekende geluid nog ontstellend. Men rekent er op, men wacht, wacht, en hoopt, en als het plotseling komt, alsHijzich aankondigt in zijn ontzettende kracht, dan staat het bloed even stil.S. nam de geladen buks van den schouder. Ook hij was overweldigd door den schok, maar nu laaide het sportvuur op, en Karim moest hem tegenhouden toen hij vooruit schoot.Langzaam, voorzichtig gingen zij verder, Amat mocht achter blijven, op zóóiets was de brave man niet ingeschoten.[76]De solitair waande zich alleen en veilig. De arme drommel leed, maar het eten ging hem nog goed af. Hij stond aan den voet van den bergwand, den rand van het oerwoud tevens; van een der groote boomen hing een liaan neer, een rotan, hij trok die met zijn slurf verder naar beneden en smulde van de jonge uitspruitsels, alsof er geen rotandorens bestonden; dit smaakte hem nog beter dan de bast van den pas gevelden jongen boom.Zoo zagen de twee mannen hem met zijn reusachtige tanden, geen dertig meter van hen verwijderd.Maar zij waren beiden lang niet uitgeleerd in den kamp tegen den grootste aller viervoeters; hij kreeg hun lucht en draaide zich plotseling naar hen toe. Karim schoot weg ergens in de ruigte, maar zijn toean zag zijn kans en legde rustig aan op den geweldigen kop, toen de stier, hinkend in een sukkeldrafje, op hen afkwam; zonder schetterende geluiden, maar doelbewust; de solitair kwam zich wreken.Toen hij tot tien meter genaderd was, knetterde de Mauser een scherpen zweepslag door het bosch; het grauwzwarte reuze-lichaam stortte in de knieën, midden in een plas modder. De blijde jager deed wat zoovele nieuwelingen vóór hem hebben gedaan en wat nog zoovelen zal berouwen: hij vloog in felle jachtkoorts op zijn buit toe.Hij heeft nimmer kunnen zeggen, hoe het eigenlijk gebeurde, hij zag een gevaarte bliksemsnel voor zich oprijzen en voelde in den nek iets zachts, dat groot en kil was. Eerst later begreep hij, dat het de omhelzing was van een slurf en herinnerde hij zich een verschrikkelijken gil gehoord te hebben, die niet van den solitair kwam,… dàn een hevige slag …Toen S. weer wist nog te leven, voelde hij, dat hij op den rug lag in kleffe, diepe modder, en dat een verschrikkelijk gewicht op zijn rechterdij drukte; en toen hij de oogen opende, keek hij recht in een paar valsche oogen, een lange tand raakte bijna zijn gezicht. Hij zag nu ook, dat de olifant den rechter voorpoot op zijn dij had gezet. Nu trok het dier zijn poot slepend heen en weer, steeds over de half verpletterde dij. Wat wilde het dier toch? als het die bemodderde poot maar niet op zijn gezicht zette! Inderdaad, dat scheen het doel; langzaam-aan schuivend,[77]over de borst, naderde de dreigende kolom het gezicht van het slachtoffer, en nu drukte hij het geheele hoofd in de modder …In zulke oogenblikken wordt een mensch soms plotseling vreemd helder, zijn zenuwen brengen hem in een opwinding, die hem los maakt van het stoffelijke.Het slachtoffer had plotseling lust om te lachen, immers: wat zou er nu gebeuren? hij dacht aan een kokosnoot onder een stoomhamer, zou het ding nu uit elkaar spatten? „krak”! of „pang”?!Maar de modder werkte veerend; hij meende wel een licht kraken te voelen, maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst, en toen hij de modderoogen weer open kon krijgen, zag hij, dat de olifant nog in dezelfde positie stond. De poot schoof nu over zijn borst; het dier stond er niet met zijn volle gewicht op, hij zwengelde er maar voortdurend als besluiteloos mee heen en weer. Maar het werd verschrikkelijk, de jager meende zeker te weten, dat zijn dij al lang gebroken was, dat nu al zijn ribben afknapten. Maakte het dier er maar een eind aan! Maar nu verplaatste de folterende poot zich naar de maagstreek van het slachtoffer, en walste hem plat, zoodat de inwendige mensch naar alle richtingen uitgeperst werd …Vreemd, hij werd zijn bestaan wéér bewust, en wist dat hij dus nògal niet dood was.Maar nu voelde hij, dat aan zijn voeten getrokken werd … een nieuwe foltering, hij kon het niet meer dragen en sloot zijn oogen.Maar het trekken duurde voort, zacht, behoedzaam; welke duivelsche grappen haalde het dier nu met hem uit?„Toean! Toean!” fluisterde een angstige stem.„Karim?” hoorde hij een heesche stem vragen.„Ja Allah, toean! leeft u nog?”„Maar waar is de olifant?”„Naast u, meneer, dood!”Hij kwam pas weer tot bewustzijn in het ziekenhuis op zijn eigen onderneming; en naast zijn bed, tegen den wand, stonden twee reusachtige olifantstanden.[78]Eerst weken later mochten Karim en Amat hem vertellen, hoe zij hem voorzichtig op een snel gemaakte draagbaar hadden vervoerd; twee nachten en twee dagen hadden zij met den bewusteloozen man in het bosch doorgebracht, en zij hadden ’s nachts een afdakje van bladeren boven hem gemaakt en groote vuren gebrand van doode takken, om de tijgers uit de buurt te houden.Eén van de tanden zag ik later bij den meneer van Tambang, toen een knappe dokter alle beenderen en botjes zóó goed geordend had, dat hij weer staan en gaan kon; de andere hing aan den wand in Karim’s woning.„Wat die olifant bezield heeft? Ik weet het nog niet; Karim zegt, dat het dier op dien eenen poot, den gewonde, niet staan kon; maar mijn dokter denkt, dat ik dàt randgedeelte van de hersens geraakt heb, dat zijn pooten, of dien eenen gewonden poot, beheerschte, en dat de dood eerst na enkele minuten intrad; ik heb daar geen verstand van en de heele affaire lijkt mij wel een half uur geduurd te hebben, maar het zal wel zoo zijn; en juist op het moment, dat het dier mij begon te walsen, moet hij omgevallen zijn.”„Ge hebt wel een harde eerste les gehad!”„Dat heb ik. Maar wat ik óók heb ondervonden, is de trouw van mijn kameraden, de trouw van een man voor een man, het hoogste goed; en dat is mij alle ellende wel waard.”Ornament met cicade.[79]1een cultuuronderneming.↑

[48]

Maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst. (blz. 77)Maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst.(blz.77)

Maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst.(blz.77)

[49]

[Inhoud]VI.DE MENSCHEN-ETERIn de pasanggráhan van Tandjoeng, aan den bovenloop der Kampar-rivier, stond de mandoer, belast met de bewaking van dit rusthuis voor doortrekkende ambtenaren, aan de telefoon en trachtte het midden-stationnetje Moeára Máhat op te bellen.„Moeara Mahat! Moeara Mahat!??”… tok-tok, tok-tok, trommelde hij op het telefoonkastje, zooals Inlanders in de binnenlanden wel meer doen, denkend, dat dit helpen zal om de aandacht van den opgeroepene te trekken.„Moeara Mahat??”… och, hij was wel gewoon lang op antwoord te wachten … tok-tok, tok-tok …Het telefoonlijntje, door het gouvernement aangelegd langs het rijpad aan den rivieroever, dat door het oerwoud loopt, is alleen bedoeld om de uitoefening van het bestuur in deze zoo afgelegen streken te vergemakkelijken; om de mandoer’s der rusthuizen te waarschuwen, als de controleur, de besturende ambtenaar, deze streek zal doortrekken om de meer bevolkte stroomop gelegen landen te bezoeken.Niet dikwijls maakt de controleur die reis, en het aantal andere ambtenaren, voor wie de mandoer een bed moet opmaken en een eenvoudige „rijsttafel” moet trachten te koken, is zeer gering. Deze rusthuizen liggen telkens een dagreis van elkaar verwijderd; maanden lang staan zij leeg in dit gebied van Sumatra van de diepste wouden, de grootste pythons en de meeste tijgers.Als het telefoonbelletje er rinkelt, staan de mandoers dan ook lang[50]niet altijd klaar, zoodat lang wachten op antwoord gewoonte is. Elke post wordt door een zeker aantal malen bellen opgeroepen, maar als een mandoer het belletje maar hoort, legt hij alvast het nieuwsgierig oor te luisteren, al weet hij ook, dat anderen elkaar zoeken. De lijn, die toch al zooveel te lijden heeft van takken en omgevallen boomen, ondervindt veel hinder van nieuwsgierige mandoers.De man van Tandjoeng hoorde een zwak hanekraaien in den microphoon, het was stellig de nieuwe mandoer van Batoe Bersoerat, die daar stond te luisteren, hij was met een massa kippen „van beneden” gekomen … „niet hinderen, Batoe Bersoerat!” en plotseling brak het lied van den haan af.De mandoer van Tandjoeng was een man van geduld, maar dezen éénen keer was hij wel zeer gejaagd, want hij had een vreeselijk bericht voor den controleur te Bangkinang, en Moeara Mahat had de verbinding te geven.Hoor, een zacht, hem wel bekend geluid ruischte langs de lijn, de nauwelijks overgebrachte donder van de beruchte stroomversnelling, waar Kampar en Mahat haar ontmoeting vieren … Moeara Mahat!„Hier Moeara Mahat!”„„Verbind mij dadelijk met den controleur, gauw!””„„Toean Koemandoer?1Ja Allah, toean, ik heb zulke slechte berichten. Het nagri-hoofd van Si Biroeang heeft iemand hierheen gezonden om u te laten weten, dat die tijger nu weer een vrouw heeft neergeslagen, en hij vraagt of u niet helpen kan; de menschen op de afgelegen rijstvelden durven bijna niet meer uit hun huisjes te komen.””„Weer een, mandoer? de hoeveelste is dit nu al?”„„De zeventiende, toean. Hij wil niets anders meer eten. Het geeft niets, of men in de vallen geiten of honden zet, hij loopt ze voorbij. De geheele bevolking van Si Biroeang is in doodelijken angst en men hoopt nu maar op uw hulp; dit laat het nagrihoofd u zeggen.””Het was een vreeselijk bericht, maar de controleur lachte stil om de almacht, welke weder aan het Bestuur werd toegedacht.[51]„’t Is goed mandoer, zeg aan den boodschapper, dat hij de menschen in Si Biroeang moet zeggen, dat ik probeeren zal tijgerjagers van Java hier te krijgen, en zeg ook, dat ik een premie van ƒ 100,— uitloof voor dien tijger. Zul je dat duidelijk zeggen?”„„Insja Allah2, Toean!””Een week later stond in eenige van de Java-couranten de volgende advertentie:Tijgerjagers!In Si Biroeang aan de Kampar-rivier heeft een koningstijger reeds 17 menschen neergeslagen, hij terroriseert de geheele streek en spot met vallen en andere vangmiddelen.Kom, en verlos de bevolking van dezen terreur!de Controleur vanBoven-KamparBesseling.Maar helaas, wel traden de bekende tijgerjagers gebroeders Ledeboer met den controleur in briefwisseling, maar de reis was zelfs hun te bezwaarlijk en te tijdroovend; van Padang aan de Westkust uit, is het een volle spoordag tot Paja Koemboeh, dan 45 kilometer tot Kota Baroe, en daarna nog ruim drie dagen te voet in zwaar terrein naar Si Biroeang, verscholen in de ontzaglijke rimba.En de tijger werd steeds brutaler.Tok-tok … tok-tok … tok-tok … Bangkinang?!… de achttiende, de negentiende … waar was het eind?Reeksen ladang’s, droge rijstvelden, werden verlaten en overgelaten aan wroetende varkens en stelende apen, aan rille herten en logge tapir’s.Zou het eind zijn, dat men allen zou moeten wegtrekken, zooals heel Rambahan in de IX kota’s bij Si Djoendjoeng was leeggeloopen voor den Bonten Oude?[52]Nù nog vertelt men in de Boven-Kampar van dien éénen tijger, en hoe de sidderende mensch hem eindelijk toch de baas werd.De eerste menschen, op wie hij een aanval waagde, waren een man, zijn vrouw en haar moeder, die bij Bandjar Karikan het bosch ingingen om kastanjes (barangan) en de eerste frissche tampoesvruchten te zoeken.Hij was een oude tijger. Reeds eerder had hij dit rechtop gaande, trage wild willen bespringen, toen hij begon te voelen, dat zijn snelheid verminderde en dat de rosse flits van een vluchtende ree niet meer te achterhalen was; toen hij bang werd voor de slagtanden van een ouden ever, in boozen grijns nog verder ontbloot. Maar hij durfde niet, al sloop hij ’s nachts reeds lang om de woningen der menschen om zijn kans te zoeken. Overdag waagde hij zich niet zóó dichtbij, maar toch had hij al een slachting verricht onder de huisdieren van den mensch; hoe dom liet een hond zich neerslaan, en hoe idioot gedroegen zich de geiten, als zij nieuwsgierig kwamen aanloopen op het klaaglijk geblèer van een kameraad, die hij weghaalde! Bij de koeien was het alleen maar oppassen voor de horens … maar de menschen hadden hun vee nu scherp bewaakt, ook in het veld, en hij was bang voor dat allertraagste wild. Waarom eigenlijk? en waarom kon hij de menschenlucht maar niet verdragen?Maar nu liet hij zich niet meer afschrikken, te violent kwelde hem de honger. Nu zou hij het doen … en hij drukte zich naast het pad neer in de struiken.De man zag hem ’t eerst, enkele meters vóór zich, en hij begreep aan de houding van het dier het ontzettend gevaar. Vluchten was onmogelijk meer, het eenige wat zij konden doen, was neerhurken, een „gewone” tijger schrikt, als hij een mensch ziet neerhurken als om hem te bespringen.„Hurken!!” riep hij de vrouwen toe, die vlak achter hem liepen op het smalle pad. Vergeefs! met één sprong wierp het dier zich op den man, sloeg de tanden in zijn dij, en trok … maar de kloeke vrouw klemde zich met heel haar lichaam aan den man vast; weer rukte hij, maar de moed van de vrouw gaf den man zijn bezinning terug, hij[53]greep zijn kapmes, dat hem van schrik uit de hand gevallen was en gaf het dier bliksemsnel een houw over den kop, boven de felle oogen.Ai! dat viel den Bonten Oude niet mee, hij liet zijn prooi los en was in enkele sprongen in het bosch verdwenen. Maar in de stille kampoeng liet hij de vreeselijke zekerheid achter, dat een menschen-eter geboren was, de grootste vijand van den mensch aan den rand van het oerwoud.Een menschen-eter!Ieder kind in de boschstreken van Sumatra weet wel, dat er tijgers voorkomen. Zelfs daar, waar zij in betrekkelijk grooten getale leven, in de zoogenaamde „tijgerstreken”, is de bevolking er in haar fatalisme vrij onverschillig onder. Er zijn immers wel meer gevaren in de rimba, waar olifanten, rhinocerossen en woeste beren zijn; nog veel meer aan den rand van het oerwoud, waar het altijd booze varken en de valsche, sexueele apen vooral voor vrouwen en kinderen gevaar opleveren; en, al komen giftige slangen en pythons slechts hier en daar in bedenkelijke mate voor, ook voor hen dient men op zijn hoede te zijn. Niet voor niets verlaat in vele boschstreken het kapmes of de speer den man nooit, zoodra hij zich van huis en erf verwijdert; zelfs de vrouwen wapenen er zich dan met een kapmes.Vooral in de wildernis, welke aan den rand van het oerwoud opslaat, nadat de mensch den boschgrond na ontginning weer verlaat, en waar men brandhout hakt en eetbare planten en vruchten zoekt, kan men een kapmes niet ontberen. En dat mes moet tevens als wapen dienst kunnen doen, omdat daar de meeste dieren voorkomen. Immers, daar is koelte en gedempt licht en heerlijke eenzaamheid in de aangrenzende rimba, en, ernaast, warmte en zonnebrand op de bouwvelden der menschen. Daar groeien alle planten, in het duister, in den schemer en in het licht, welke de wilde planteneters noodig hebben. En zij weer trekken de roofdieren aan, die nergens een betere kans hebben om de altijd hongerige maag te vullen.De herten, de reeën en de dwerghertjes zouden in het oerwoud alleen niet genoeg voedsel meer vinden, de varkens evenmin; en aan den boschrand worden door den mensch allerlei heerlijkheden geplant, welke zij rekenen tot de hun toekomende hapjes; zelfs rhinocerossen[54]en tapir’s zijn verzot geraakt op de malsche aanplantingen van den mensch, terwijl de olifanten zich verbeelden het niet meer te kunnen stellen buiten den opslag van jonge boomen en de plantages der menschen.En hoe genieten niet de vleesch-eters van de aanwezigheid van vee, van honden, geiten en kippen, welke de mensch wel zoo goed is voor hen op te kweeken.De schuwe katten worden hierdoor naar de woonsteden der bevolking getrokken. Ook de allergrootste; hij, dien men in het bosch nimmer bij den naam noemt, omdat hem dit slecht zou stemmen; omdat men ontzag verschuldigd is aan den Oudste der wezens op aarde en er een nauwe band is tusschen de ziel van den mensch en van hem, den Grooten Heer, den Grootvader, den Gestreepte, den Bonten Oude.Volstrekt niet altijd is de tijger dan ook de vijand van den mensch, hij verdedigt hem zelfs wel eens tegen onzichtbare gevaren; en niemand denkt erover hem kwaad te doen, zoolang hij de gewone tijger blijft, de jager op herten en reeën, de verdelger van het wilde varken, den schadelijksten vijand van den moslimschen landbouwer, die zelf het smakelijk varkensvleesch niet eten mag.Maar indien de tijger zijn bangheid overwint, als hij, door honger gedreven, den mensch aanvalt,—het door hem onderschatte, maar het allergevaarlijkste aller dieren,—dan eerst wordt hij een vijand, het bloeddorstige beest, zooals de blanken hem beschouwen. Zijn vrees is dan verdwenen en zijn brutaliteit grenst aan het ongelooflijke; maar hij blijft voorzichtig, sluipt onhoorbaar rond, en berekent met groote sluwheid zijn kansen; en zoo wordt hij een verschrikking, die overal loert en dreigt.Dit alles wisten de menschen aan de Boven-Kampar maar al te goed; men hoopte alleen nog maar, dat de houw over het voorhoofd den menscheneter slecht zou bekomen.De kastanjetijd was voorbij, de getah-zoekers vonden nog slechts een enkele tampoes.Toen gebeurde het, dat een man, die naar zijn ladanghuisje terugkeerde van het beekje, waar hij in den namiddag gebaad had, plotseling de grauw-gele lichtflits uit het bosch zag schieten. Ontwijken was onmogelijk,[55]de tijger sloeg hem met één slag het hoofd uit elkaar, maar toch had hij kans gezien het dier in den sprong een steek in de borst te geven, en ook ditmaal droop de menscheneter af, omdat hij maar niets begreep van die plotselinge, vlijmende pijn, nu alweer, terwijl de prooi zoo ongevaarlijk leek. Maar aan het pad vond men den man liggen, en er ging een rilling door Si Biroeang, want de stervende had nog kunnen fluisteren, dat de tijger een breed, onbehaard litteeken had boven de oogen, en hij had gezegd te waken voor de vrouwen en kinderen.Weer merkte men een tijdlang niets van den menscheneter; de nieuwe wond moest helen, bovendien deden de tegenvallers hem besluiten een ander jachtterrein te zoeken.Plotseling dook hij op te Panalian in de Boven-Rokan. Langs de voetpaden, slingerend om de voor den mensch vrijwel onbegaanbare ravijnen, is het een groote afstand; maar voor een tijger, het ideaal van lenige kracht, tellen de moeielijkheden van het terrein niet, hij sluipt er dwars doorheen.Een vader kwam met zijn zoontje van het beekje, dat hen van water voorzag. Hun ladang lag hoog aan den rimba-rand, het was een heele klimpartij naar het huisje, en het smalle paadje was wel heel erg begroeid; de verhalen van Si Biroeang waren overgewaaid, en al was hier geen menscheneter in de buurt, het pad moest morgen eens flink open gekapt worden, voor moeder en de meisjes.Het kind zag het, hoe een reusachtige zwart-gele kat uit de struiken op den rug van zijn vader vloog en hem neervelde, de rug opgekromd, alle de klauwen in het lichaam van den man. Toen keek het dier blazend naar het kind om, zette de tanden in den nek van zijn prooi en sleurde hem in enkele sprongen het bosch in. Het zesjarig ventje was van schrik gevallen, hij kon maar niet op zijn beentjes staan en kroop op handen en knieën naar moeder, om haar te vertellen, dat vader was meegenomen door een groot dier met een streep boven de oogen.Nu brak een ontzettende tijd aan voor de menschen van Panalian en Si Biroeang. Nu hier, dan daar viel een slachtoffer, nimmer kon men gissen waar de volgende slag zou vallen.Aan het kleine pleintje van Panalian zat een oude man boven aan[56]de trap op den deurdrempel van zijn huisje, starend naar de ondergaande zon en naar zijn maistuin, waar de zware kolven rijpten. Het werd laat en hij wist, dat de zoon van zijn buurman nog niet thuis gekomen was; hij hoorde het praten van de ongeruste ouders, die de voordeur reeds hadden gesloten.Bliksemsnel was de menscheneter bij hem.Eindelijk, daar kwam hij, een flinke aardige jongen van zeventien jaar, maar, ja Allah, vergiste de oude man zich niet?! zag hij niet in de struiken achter den jongen den vreeselijken lichtschijn …„Loop!” gilde hij … „daar komt-ie!!”Maar nauwelijks keek de jongen om, of suizend, laag bij den grond, bliksemsnel, was de menscheneter bij hem, en duidelijk zag de bevende oude den kop met het vreeselijke teeken.Drie honderd vaâm sleepte de tijger zijn prooi het bosch in. Daar vond men den volgenden morgen het lijk, maar de buik was geheel uitgevreten, ook het hart en de longen waren weggehaald, die eet de tijger het liefst.Toen trok men weg van de ladang’s, en zelfs in de kampoeng durfde men in den namiddag niet meer de huizen uit.Overal werden vallen gemaakt, maar de klaaglijk blatende geitjes en de akelig huilende honden, die het ondier in de val moesten lokken, zagen hem onverschillig voorbijgaan.[57]Ach, leefde Hadji Akoet nog, die had wel raad geweten. Hij was immers de eenige geweest, die elken olifant op den vlakken grond aandurfde. Maar ten slotte had ook hij het afgelegd, een moeder-olifant, die zijn aandacht niet had getrokken, had hem met de vier pooten plat gewalst en men had zijn lijk thuis gebracht als een zak bloedende brij.Datoek Bandaro, die er met zijn werpnet op uit was geweest, had gezorgd vroeg thuis te zijn. Het was een nieuw net, lang had hij eraan geknoopt, maar het was dan ook een lust in de hand geweest, en veel blinkende visch hadden moeder en dochters voor het avondeten gebakken.De mooie djála had de datoek vóór het huis, tusschen twee slanke rijstschuren, te drogen gehangen.„Toe vader, wacht nu niet te lang met uw net binnen te halen, ’t wordt al donker!”„Ja, kind.” Het was toch maar goed, dat de kinderen zelf eraan dachten om voorzichtig te zijn, en het net zou nu wel zoo wat droog zijn.„Toe nou, vader!”… Nog even moest hij een strootje rollen; de tabak was wat kruimelig, het nipah-blaadje zoo stug; maar nu zou hij toch gaan, het werd al avond. Bambang, de geest van het avondrood, gluurde met bloederige oogen tusschen de boomen. Gauw maar, en hij haastte zich naar het net en beurde het met uitgestrekte armen, naar boven kijkend waar de hangpunten waren … toen kwam een vreeselijke slag in de volle borst …„Basah!”3hoorden de huisgenooten hem gillen, en alles was voorbij.Twee dagen later kwam een arm vrouwtje van de rivier, waar zij al hare laboe’s had gevuld, die aardige karaffen van gedroogde kalebas, welke men als ze nog jong zijn afbindt en in elken gewenschten vorm kan laten groeien. Zij moest water hebben om te koken en voor den nacht, het weeuwtje had heel wat kindermonden te voeden. Zorgvuldig schikte zij de volle laboe’s in haar kain (lenden-kleed), dat er onder het loopen niet te veel uit zou storten.De kinderen, die binnen op moeder wachtten, hoorden vóór den[58]trap een doffen slag … stellig weer een cocosnoot, door eekhorens aangeboord en nu, verdroogd, uit den boom gewaaid.Maar moeder kwam maar niet thuis, en toen de kinderen eindelijk angstig de deur openden, zagen zij naast moeder’s kain de laboe’s liggen, kapot en verstrooid … haar had de tijger meegenomen. Zij was het twintigste slachtoffer.Toen gebeurde het midden over dag, in de rijstvelden.De vrouwen stonden er temanoewai, de rijpe padi-aren werden met het scherpe mesje afgesneden en in het mandje gelegd, dat de vrouwen op haar heup droegen; de mannen hielpen bij het verzamelen van den oogst.Een heldere, vroolijke dag. Hier, waar zij elkander allerlei grappen toeriepen over de golvende, gouden padi, in het open veld, hier vergat men angstig te zijn voor het dagelijks dreigende gevaar. En toen het middag werd, rustte men uit op een oud grafheuveltje midden in de sawah’s, en men dronk koffie en at wat kleefrijst in de schaduw van de enkele lage boompjes.Dan ging men weer aan het werk. Gloeiend trilde de lucht nu boven de roerlooze velden, en eenzaam, hoog in de lucht, krijschte een kiekendief zijn akeligen kreet, als een ontstellende waarschuwing, men weet niet vanwaar noch waarom.En aan den boschrand stond de koning van de rimba, en mat den afstand tusschen het bosch en de menschen … hij had in dagen niet gegeten. En niemand zag, hoe hij even later voortsloop, langs een sawah-dijkje, naar de àl matter klinkende stemmen der menschen.Insah stond het dichtst bij het bosch. Zij haastte zich, haar kind, een half jaar oud, hing in een slendang op haar rechterheup te slapen, bevangen door de warmte; zij zou nog twee mandjes snijden, dan moest zij gauw naar huis, het werd te gloeiend voor haar eersteling.Steeds matter werden de stemmen, eindelijk klonk alleen nog, zoo nu en dan, de akelige waarschuwing van den rondglijdenden roofvogel …Insah’s zuster zag hem het eerst, sluipend langs een dijkje achter de jonge moeder, en als waanzinnig gilde zij Insah toe om haar te waarschuwen … te laat, in bliksemsnellen aanval was hij bij de jonge vrouw, greep haar in een dij en sprong met haar weg.[59]„O, Allah! mijn kind!” hoorde men haar gillen, en toen zagen zij, die daar als versteend stonden, dat Insah trachtte haar slendang los te trekken om haar kind te redden, maar het gelukte haar niet. Eerst bij den geweldigen afzet van den tijger om over de omheining langs den boschrand te springen, rukte de knoop los, en de nog steeds roerloozemenschenkinderenzagen, hoe Insah in goddelijke moederliefde alleen aan haar kind dacht, het vrij kreeg en het, in den sprong, achter zich in de dichte padi wierp …Twintig, dertig menschen hadden dit ongelooflijke gezien, terwijl zij, roerloos nog en zwijgend, daar stonden in de ontzaglijke stilte in den trilgloed.Maar toen, plotseling,… werden zij allen waanzinnig? Met één verschrikkelijken kreet, in een delirium van woede, vlogen mannen en vrouwen den tijger achterna … dat kon niet, dat mocht niet … o, God, hoe was dat mogelijk …De sidderende menschjes waren zelf wild dier geworden, waanzinnig van schrik en dol van woede vlogen zij voort, het bosch in. Daar, in de ruigte tusschen de boomen, kon de tijger met zijn prooi niet snel vooruit komen, en nu braken achter hem tientallen menschen in krankzinnig gebrul door de struiken op hem af.Was hij blijven staan, bij Allah, men was hem te lijf gegaan, zóó maar, zonder wapens, met nagels en tanden! liever dood, dan zóó iets te zien gebeuren en niets te doen. De tijger moet zelf begrepen hebben, dat dit geen menschen meer waren, maar tot uiterste dolheid gedreven dieren, te veel om te weerstaan, en hij liet zijn prooi vallen en vluchtte.Maar het moedertje van liefde leefde niet meer, de schrik moet haar gedood hebben, in het mandje, dat nog aan haar hals hing, lagen nog enkele aren. Zij was het een-en-twintigste slachtoffer!En de menschen konden slechts nóg voorzichtiger worden; vallen werden niet eens meer gemaakt nadat een man, die een dergelijke „pindjára” in elkaar timmerde, van achteren was aangevallen; uitgemaakt werd nu, dat het dier de plannen der menschen doorzag, het maken van vallen was vergeefsche moeite.De enkele menschen, die hun rijpende padi op de bergladang’s[60]niet geheel in den steek konden laten, wilden zij niet hongeren, waagden zich slechts in gezelschappen van vier en vijf naar de rivier om water te halen en er te baden. Het was of overal de verschrikking loerde, of men ingesloten was door dien éénen tijger.Tijgerkop.Op een der meest afgelegen plekken woonde in een hutje een man in de volle kracht van den levensherfst. Hij was weliswaar niet zóó moedig als Hadji Akoet, maar toch was hij een groot jager, en alleen omdat hij nog stand hield, waren ook anderen gebleven en nog niet naar het dorpje gevlucht.De zon was reeds lang achter de hooge rimba ondergegaan, nu kleurde zij de witte wolkjes rood, daarna donker-violet. In het bosch zettenhonderdencicaden4hun snerpend avondlied in, en log, met droefgeestigen slag, dreven kalong’s voorbij, die reusachtige vleermuizen, die uitvliegen als het avond wordt om vruchten te zoeken in het bosch en in de kampoeng’s. Het lieve moerai-lijstertje zong haastig nog de laatste noten van zijn laatste lied; hij moest in den vroegen morgen weer de eerste zijn om de natuur en de menschen wakker te zingen.Zwarter dan zwart werd nu de boschrand, vreemde onbestemde geluiden mengden zich in het lied der cicaden, de galmende stem van den geest, die de semamboe-rotan bewaakt, de diepe bas van den reuzekikker; de schrikgeluiden van vogels, die in hun eersten dommel werden verstoord, misschien door een slang of door den spookachtigen luiaard, nu vlug geworden in de boomtoppen daar het zonnelicht[61]hem de oogen niet meer verblindde. In den donkeren hemel slechts enkele sterren, geen kalong’s meer, wel wapperende vleermuizen, die gejaagd worden door dien zwarten roofvogel, die pas uitvliegt als het donker wordt; zij flapperden in telkens van richting veranderende vlucht, onbestemd, spookachtig, met akelige kindergeluidjes.Zwarter en stiller werd het bosch, het zware geluid van den reuzekikker overheerschte nu, eerst een hik, dan een volle galm …Wie van demenschenkinderenaan den rand van het diepe woud hoorde het, dat mal hooge geluid ginds in de verte,… Aaaoeoe, en dadelijk daarop een zacht gedreun, als een waarschuwende vulkaan …HIJ was het, voor niemand bang in den nacht in zijn wonderwoud; den kop laag neer, de voorpooten wijd uit elkaar … Aaaaaoeoe … de Tijger op het oorlogspad!„Wat er ook gebeurt, welke geluiden jullie ook hooren,—denk eraan, niemand komt uit zijn hut, ieder wacht den morgen af!” had de groote jager gezegd.Zijn ladang-huisje had een trapje met niet minder dan twaalf treden,—hoe hoog en veilig lag hij daar op den vloer te slapen, geweer en speer naast zich.Maar door den donkeren nacht met wondere geluiden sloop de verschrikking nader, hongeriger dan ooit, nu de menschen zóó op hun hoede waren; hijmoesteten, en rook hij niet, dat hier een mensch was … Welk gevaar! maar het hongervuur in zijn ingewanden dreef hem; hij klom als een kat langs een kruishout der palen naar boven tot aan de omwanding van boombast; wèl scherp drongen de nagels in het hout, zoodat de menschen later de duidelijke sporen vonden; en nu klom hij langs de omwanding, waar de klauwen vasten greep hadden, steeds hooger, tot aan de „singok”, de opening onder het dak … en vandaar stortte hij zich op den rustig slapenden man.Een rochelend gebrul hoorden de buurlieden midden in den nacht,—zij begrepen niet, maar krompen ineen van vrees, en bleven waken en rillen. En om vier uur in den morgen hoorden zij een vreemd, laag-mauwend geluid langs den boschrand wegvagen, als van een kat, die bang is dat een kameraad haar een lekker hapje zal afnemen.[62]Eerst toen de zon hoog stond, wist de geheele streek, dat men slechts een stuk van een dij had terug gevonden in het ladanghuisje met het trapje van twaalf treden. En de rilling ging tot Bangkinang, tot Padang, over het twee-en-twintigste slachtoffer.Maar nu vereenigden zich de mannen om aan dit verschrikkelijke leven een eind te maken. Het moest toch mogelijk zijn den tijger door een lokaas te vangen; als hij maar hongerig genoeg was, als de menschen dus nòg voorzichtiger en waakzamer werden. En niet een gewone val zou worden gemaakt, maar een katjòendang; twee zware klapperboomen werden geveld, aan elkaar gebonden en laag schuin opgezet, de uiteinden werden met sterke rotan’s verbonden aan andere boomen, maar beneden liep een dun touwtje en het minste rukje daaraan kon de stevige rotan’s dadelijk doen losglippen.En toen de nacht kwam, huilde een vastgebonden hond in een gegraven gat onder het dunne touwtje; en elken volgenden nacht galmde zijn schrikkelijk huilen door de stille kampoeng, waar de menschen in uiterste waakzaamheid bijeen scholen.Niemand heeft het in dien eenen donkeren, wilden nacht gehoord, maar de grond dreunde en de hond huilde niet meer.En toen den volgenden morgen de moerai met zijn heerlijk lied de menschen wekte, vond men onder den katjoendang een tijger verpletterd, een reus met afgebroken slagtanden en schurftigen rug, boven de oogen een breed litteeken …„Moeara Mahat, Moeara Mahat!” tok-tok, tok-tok,… toen vloog de juichkreet langs de draad, dat de geteekende menschen-eter eindelijk gevallen was.Ornament met cicade.[63]1Maleische titel van den Controleur in West-Sumatra.↑2In naam van God, zoo waarlijk helpe mij God.↑3„Nat!”↑4„zingende” boomkrekels5.↑5Stridulantia, Cicadidae. De mannelijke leden dezer rechtvleugelige insecten, een familie der Cicaden (onderorde der Snavelinsecten) dragen in zich een muziek-orgaan, dat bij enkele der grootste soorten zoo krachtig werkt, dat het scherpe, snerpende geluid het menschelijk oor een oogenblik geheel verdooft, indien men den „zanger” tot op korten afstand nadert. Onder de twee groote, lederachtige schubben, welke de verlengstukken zijn van het achterborststuk, ligt een driehoekige holte, welke als bodem een dun overlangs geplooid vlies heeft; dit „trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam; een krachtige spier werkt door middel van een pees op den naar den rug[162]gekeerden rand van het raam; door haar samentrekkingen geraakt het vlies in trillende beweging. Het resultaat is ongelooflijk voor een insect van enkele centimeters grootte; maar niet minder verbazingwekkend is het uithoudingsvermogen van deze dieren, die uren en uren achtereen, slechts met zeer korte pauzes, hun eentonige solo’s rondsnerpen. Soms houden enkelen van verschillende soort een oorverdoovend concert in het stille bosch, maar de een trekt zich niets van den ander aan en zij laten zich volstrekt niet door elkaar van de wijs brengen. Enkele soorten komen tot in de steden, vliegen ’s avonds dikwijls als projectielen tegen de lampen aan en verspreiden schrik in damesgezelschappen. Men ziet ze wel tegen lantarenpalen gekleefd, waar het aanlokkend licht hen bracht, en zij schetteren er hun hoogste lied alsof ze „thuis” waren, de groote oogen puilend uit het gezwollen voorhoofd.Bij de oude Grieken gold een cicade, zittend op een harp, als het zinnebeeld der muziek, omdat een cicade zich neerzette op de plaats waar een snaar van Eunomus’ harp gesprongen was, toen deze met Ariston kampte om den eereprijs, en zoodoende Eunomus de overwinning bezorgde. Maar beter dan met het trillen van een harpsnaar kan men het geluid van de cicade vergelijken met een nasaal snerpend kindertrompetje. Mooi is het dus niet, maar men zou het in de mystiek van het Indische bosch niet gaarne missen. En mij deed het altijd denken aan de stille, Hollandsche heide, als, in de hittetrilling van een warmen zomerdag, de gele gors in de enkele noten van zijn bescheiden deuntje het liedje van verlatenheid zingt.↑

VI.DE MENSCHEN-ETER

In de pasanggráhan van Tandjoeng, aan den bovenloop der Kampar-rivier, stond de mandoer, belast met de bewaking van dit rusthuis voor doortrekkende ambtenaren, aan de telefoon en trachtte het midden-stationnetje Moeára Máhat op te bellen.„Moeara Mahat! Moeara Mahat!??”… tok-tok, tok-tok, trommelde hij op het telefoonkastje, zooals Inlanders in de binnenlanden wel meer doen, denkend, dat dit helpen zal om de aandacht van den opgeroepene te trekken.„Moeara Mahat??”… och, hij was wel gewoon lang op antwoord te wachten … tok-tok, tok-tok …Het telefoonlijntje, door het gouvernement aangelegd langs het rijpad aan den rivieroever, dat door het oerwoud loopt, is alleen bedoeld om de uitoefening van het bestuur in deze zoo afgelegen streken te vergemakkelijken; om de mandoer’s der rusthuizen te waarschuwen, als de controleur, de besturende ambtenaar, deze streek zal doortrekken om de meer bevolkte stroomop gelegen landen te bezoeken.Niet dikwijls maakt de controleur die reis, en het aantal andere ambtenaren, voor wie de mandoer een bed moet opmaken en een eenvoudige „rijsttafel” moet trachten te koken, is zeer gering. Deze rusthuizen liggen telkens een dagreis van elkaar verwijderd; maanden lang staan zij leeg in dit gebied van Sumatra van de diepste wouden, de grootste pythons en de meeste tijgers.Als het telefoonbelletje er rinkelt, staan de mandoers dan ook lang[50]niet altijd klaar, zoodat lang wachten op antwoord gewoonte is. Elke post wordt door een zeker aantal malen bellen opgeroepen, maar als een mandoer het belletje maar hoort, legt hij alvast het nieuwsgierig oor te luisteren, al weet hij ook, dat anderen elkaar zoeken. De lijn, die toch al zooveel te lijden heeft van takken en omgevallen boomen, ondervindt veel hinder van nieuwsgierige mandoers.De man van Tandjoeng hoorde een zwak hanekraaien in den microphoon, het was stellig de nieuwe mandoer van Batoe Bersoerat, die daar stond te luisteren, hij was met een massa kippen „van beneden” gekomen … „niet hinderen, Batoe Bersoerat!” en plotseling brak het lied van den haan af.De mandoer van Tandjoeng was een man van geduld, maar dezen éénen keer was hij wel zeer gejaagd, want hij had een vreeselijk bericht voor den controleur te Bangkinang, en Moeara Mahat had de verbinding te geven.Hoor, een zacht, hem wel bekend geluid ruischte langs de lijn, de nauwelijks overgebrachte donder van de beruchte stroomversnelling, waar Kampar en Mahat haar ontmoeting vieren … Moeara Mahat!„Hier Moeara Mahat!”„„Verbind mij dadelijk met den controleur, gauw!””„„Toean Koemandoer?1Ja Allah, toean, ik heb zulke slechte berichten. Het nagri-hoofd van Si Biroeang heeft iemand hierheen gezonden om u te laten weten, dat die tijger nu weer een vrouw heeft neergeslagen, en hij vraagt of u niet helpen kan; de menschen op de afgelegen rijstvelden durven bijna niet meer uit hun huisjes te komen.””„Weer een, mandoer? de hoeveelste is dit nu al?”„„De zeventiende, toean. Hij wil niets anders meer eten. Het geeft niets, of men in de vallen geiten of honden zet, hij loopt ze voorbij. De geheele bevolking van Si Biroeang is in doodelijken angst en men hoopt nu maar op uw hulp; dit laat het nagrihoofd u zeggen.””Het was een vreeselijk bericht, maar de controleur lachte stil om de almacht, welke weder aan het Bestuur werd toegedacht.[51]„’t Is goed mandoer, zeg aan den boodschapper, dat hij de menschen in Si Biroeang moet zeggen, dat ik probeeren zal tijgerjagers van Java hier te krijgen, en zeg ook, dat ik een premie van ƒ 100,— uitloof voor dien tijger. Zul je dat duidelijk zeggen?”„„Insja Allah2, Toean!””Een week later stond in eenige van de Java-couranten de volgende advertentie:Tijgerjagers!In Si Biroeang aan de Kampar-rivier heeft een koningstijger reeds 17 menschen neergeslagen, hij terroriseert de geheele streek en spot met vallen en andere vangmiddelen.Kom, en verlos de bevolking van dezen terreur!de Controleur vanBoven-KamparBesseling.Maar helaas, wel traden de bekende tijgerjagers gebroeders Ledeboer met den controleur in briefwisseling, maar de reis was zelfs hun te bezwaarlijk en te tijdroovend; van Padang aan de Westkust uit, is het een volle spoordag tot Paja Koemboeh, dan 45 kilometer tot Kota Baroe, en daarna nog ruim drie dagen te voet in zwaar terrein naar Si Biroeang, verscholen in de ontzaglijke rimba.En de tijger werd steeds brutaler.Tok-tok … tok-tok … tok-tok … Bangkinang?!… de achttiende, de negentiende … waar was het eind?Reeksen ladang’s, droge rijstvelden, werden verlaten en overgelaten aan wroetende varkens en stelende apen, aan rille herten en logge tapir’s.Zou het eind zijn, dat men allen zou moeten wegtrekken, zooals heel Rambahan in de IX kota’s bij Si Djoendjoeng was leeggeloopen voor den Bonten Oude?[52]Nù nog vertelt men in de Boven-Kampar van dien éénen tijger, en hoe de sidderende mensch hem eindelijk toch de baas werd.De eerste menschen, op wie hij een aanval waagde, waren een man, zijn vrouw en haar moeder, die bij Bandjar Karikan het bosch ingingen om kastanjes (barangan) en de eerste frissche tampoesvruchten te zoeken.Hij was een oude tijger. Reeds eerder had hij dit rechtop gaande, trage wild willen bespringen, toen hij begon te voelen, dat zijn snelheid verminderde en dat de rosse flits van een vluchtende ree niet meer te achterhalen was; toen hij bang werd voor de slagtanden van een ouden ever, in boozen grijns nog verder ontbloot. Maar hij durfde niet, al sloop hij ’s nachts reeds lang om de woningen der menschen om zijn kans te zoeken. Overdag waagde hij zich niet zóó dichtbij, maar toch had hij al een slachting verricht onder de huisdieren van den mensch; hoe dom liet een hond zich neerslaan, en hoe idioot gedroegen zich de geiten, als zij nieuwsgierig kwamen aanloopen op het klaaglijk geblèer van een kameraad, die hij weghaalde! Bij de koeien was het alleen maar oppassen voor de horens … maar de menschen hadden hun vee nu scherp bewaakt, ook in het veld, en hij was bang voor dat allertraagste wild. Waarom eigenlijk? en waarom kon hij de menschenlucht maar niet verdragen?Maar nu liet hij zich niet meer afschrikken, te violent kwelde hem de honger. Nu zou hij het doen … en hij drukte zich naast het pad neer in de struiken.De man zag hem ’t eerst, enkele meters vóór zich, en hij begreep aan de houding van het dier het ontzettend gevaar. Vluchten was onmogelijk meer, het eenige wat zij konden doen, was neerhurken, een „gewone” tijger schrikt, als hij een mensch ziet neerhurken als om hem te bespringen.„Hurken!!” riep hij de vrouwen toe, die vlak achter hem liepen op het smalle pad. Vergeefs! met één sprong wierp het dier zich op den man, sloeg de tanden in zijn dij, en trok … maar de kloeke vrouw klemde zich met heel haar lichaam aan den man vast; weer rukte hij, maar de moed van de vrouw gaf den man zijn bezinning terug, hij[53]greep zijn kapmes, dat hem van schrik uit de hand gevallen was en gaf het dier bliksemsnel een houw over den kop, boven de felle oogen.Ai! dat viel den Bonten Oude niet mee, hij liet zijn prooi los en was in enkele sprongen in het bosch verdwenen. Maar in de stille kampoeng liet hij de vreeselijke zekerheid achter, dat een menschen-eter geboren was, de grootste vijand van den mensch aan den rand van het oerwoud.Een menschen-eter!Ieder kind in de boschstreken van Sumatra weet wel, dat er tijgers voorkomen. Zelfs daar, waar zij in betrekkelijk grooten getale leven, in de zoogenaamde „tijgerstreken”, is de bevolking er in haar fatalisme vrij onverschillig onder. Er zijn immers wel meer gevaren in de rimba, waar olifanten, rhinocerossen en woeste beren zijn; nog veel meer aan den rand van het oerwoud, waar het altijd booze varken en de valsche, sexueele apen vooral voor vrouwen en kinderen gevaar opleveren; en, al komen giftige slangen en pythons slechts hier en daar in bedenkelijke mate voor, ook voor hen dient men op zijn hoede te zijn. Niet voor niets verlaat in vele boschstreken het kapmes of de speer den man nooit, zoodra hij zich van huis en erf verwijdert; zelfs de vrouwen wapenen er zich dan met een kapmes.Vooral in de wildernis, welke aan den rand van het oerwoud opslaat, nadat de mensch den boschgrond na ontginning weer verlaat, en waar men brandhout hakt en eetbare planten en vruchten zoekt, kan men een kapmes niet ontberen. En dat mes moet tevens als wapen dienst kunnen doen, omdat daar de meeste dieren voorkomen. Immers, daar is koelte en gedempt licht en heerlijke eenzaamheid in de aangrenzende rimba, en, ernaast, warmte en zonnebrand op de bouwvelden der menschen. Daar groeien alle planten, in het duister, in den schemer en in het licht, welke de wilde planteneters noodig hebben. En zij weer trekken de roofdieren aan, die nergens een betere kans hebben om de altijd hongerige maag te vullen.De herten, de reeën en de dwerghertjes zouden in het oerwoud alleen niet genoeg voedsel meer vinden, de varkens evenmin; en aan den boschrand worden door den mensch allerlei heerlijkheden geplant, welke zij rekenen tot de hun toekomende hapjes; zelfs rhinocerossen[54]en tapir’s zijn verzot geraakt op de malsche aanplantingen van den mensch, terwijl de olifanten zich verbeelden het niet meer te kunnen stellen buiten den opslag van jonge boomen en de plantages der menschen.En hoe genieten niet de vleesch-eters van de aanwezigheid van vee, van honden, geiten en kippen, welke de mensch wel zoo goed is voor hen op te kweeken.De schuwe katten worden hierdoor naar de woonsteden der bevolking getrokken. Ook de allergrootste; hij, dien men in het bosch nimmer bij den naam noemt, omdat hem dit slecht zou stemmen; omdat men ontzag verschuldigd is aan den Oudste der wezens op aarde en er een nauwe band is tusschen de ziel van den mensch en van hem, den Grooten Heer, den Grootvader, den Gestreepte, den Bonten Oude.Volstrekt niet altijd is de tijger dan ook de vijand van den mensch, hij verdedigt hem zelfs wel eens tegen onzichtbare gevaren; en niemand denkt erover hem kwaad te doen, zoolang hij de gewone tijger blijft, de jager op herten en reeën, de verdelger van het wilde varken, den schadelijksten vijand van den moslimschen landbouwer, die zelf het smakelijk varkensvleesch niet eten mag.Maar indien de tijger zijn bangheid overwint, als hij, door honger gedreven, den mensch aanvalt,—het door hem onderschatte, maar het allergevaarlijkste aller dieren,—dan eerst wordt hij een vijand, het bloeddorstige beest, zooals de blanken hem beschouwen. Zijn vrees is dan verdwenen en zijn brutaliteit grenst aan het ongelooflijke; maar hij blijft voorzichtig, sluipt onhoorbaar rond, en berekent met groote sluwheid zijn kansen; en zoo wordt hij een verschrikking, die overal loert en dreigt.Dit alles wisten de menschen aan de Boven-Kampar maar al te goed; men hoopte alleen nog maar, dat de houw over het voorhoofd den menscheneter slecht zou bekomen.De kastanjetijd was voorbij, de getah-zoekers vonden nog slechts een enkele tampoes.Toen gebeurde het, dat een man, die naar zijn ladanghuisje terugkeerde van het beekje, waar hij in den namiddag gebaad had, plotseling de grauw-gele lichtflits uit het bosch zag schieten. Ontwijken was onmogelijk,[55]de tijger sloeg hem met één slag het hoofd uit elkaar, maar toch had hij kans gezien het dier in den sprong een steek in de borst te geven, en ook ditmaal droop de menscheneter af, omdat hij maar niets begreep van die plotselinge, vlijmende pijn, nu alweer, terwijl de prooi zoo ongevaarlijk leek. Maar aan het pad vond men den man liggen, en er ging een rilling door Si Biroeang, want de stervende had nog kunnen fluisteren, dat de tijger een breed, onbehaard litteeken had boven de oogen, en hij had gezegd te waken voor de vrouwen en kinderen.Weer merkte men een tijdlang niets van den menscheneter; de nieuwe wond moest helen, bovendien deden de tegenvallers hem besluiten een ander jachtterrein te zoeken.Plotseling dook hij op te Panalian in de Boven-Rokan. Langs de voetpaden, slingerend om de voor den mensch vrijwel onbegaanbare ravijnen, is het een groote afstand; maar voor een tijger, het ideaal van lenige kracht, tellen de moeielijkheden van het terrein niet, hij sluipt er dwars doorheen.Een vader kwam met zijn zoontje van het beekje, dat hen van water voorzag. Hun ladang lag hoog aan den rimba-rand, het was een heele klimpartij naar het huisje, en het smalle paadje was wel heel erg begroeid; de verhalen van Si Biroeang waren overgewaaid, en al was hier geen menscheneter in de buurt, het pad moest morgen eens flink open gekapt worden, voor moeder en de meisjes.Het kind zag het, hoe een reusachtige zwart-gele kat uit de struiken op den rug van zijn vader vloog en hem neervelde, de rug opgekromd, alle de klauwen in het lichaam van den man. Toen keek het dier blazend naar het kind om, zette de tanden in den nek van zijn prooi en sleurde hem in enkele sprongen het bosch in. Het zesjarig ventje was van schrik gevallen, hij kon maar niet op zijn beentjes staan en kroop op handen en knieën naar moeder, om haar te vertellen, dat vader was meegenomen door een groot dier met een streep boven de oogen.Nu brak een ontzettende tijd aan voor de menschen van Panalian en Si Biroeang. Nu hier, dan daar viel een slachtoffer, nimmer kon men gissen waar de volgende slag zou vallen.Aan het kleine pleintje van Panalian zat een oude man boven aan[56]de trap op den deurdrempel van zijn huisje, starend naar de ondergaande zon en naar zijn maistuin, waar de zware kolven rijpten. Het werd laat en hij wist, dat de zoon van zijn buurman nog niet thuis gekomen was; hij hoorde het praten van de ongeruste ouders, die de voordeur reeds hadden gesloten.Bliksemsnel was de menscheneter bij hem.Eindelijk, daar kwam hij, een flinke aardige jongen van zeventien jaar, maar, ja Allah, vergiste de oude man zich niet?! zag hij niet in de struiken achter den jongen den vreeselijken lichtschijn …„Loop!” gilde hij … „daar komt-ie!!”Maar nauwelijks keek de jongen om, of suizend, laag bij den grond, bliksemsnel, was de menscheneter bij hem, en duidelijk zag de bevende oude den kop met het vreeselijke teeken.Drie honderd vaâm sleepte de tijger zijn prooi het bosch in. Daar vond men den volgenden morgen het lijk, maar de buik was geheel uitgevreten, ook het hart en de longen waren weggehaald, die eet de tijger het liefst.Toen trok men weg van de ladang’s, en zelfs in de kampoeng durfde men in den namiddag niet meer de huizen uit.Overal werden vallen gemaakt, maar de klaaglijk blatende geitjes en de akelig huilende honden, die het ondier in de val moesten lokken, zagen hem onverschillig voorbijgaan.[57]Ach, leefde Hadji Akoet nog, die had wel raad geweten. Hij was immers de eenige geweest, die elken olifant op den vlakken grond aandurfde. Maar ten slotte had ook hij het afgelegd, een moeder-olifant, die zijn aandacht niet had getrokken, had hem met de vier pooten plat gewalst en men had zijn lijk thuis gebracht als een zak bloedende brij.Datoek Bandaro, die er met zijn werpnet op uit was geweest, had gezorgd vroeg thuis te zijn. Het was een nieuw net, lang had hij eraan geknoopt, maar het was dan ook een lust in de hand geweest, en veel blinkende visch hadden moeder en dochters voor het avondeten gebakken.De mooie djála had de datoek vóór het huis, tusschen twee slanke rijstschuren, te drogen gehangen.„Toe vader, wacht nu niet te lang met uw net binnen te halen, ’t wordt al donker!”„Ja, kind.” Het was toch maar goed, dat de kinderen zelf eraan dachten om voorzichtig te zijn, en het net zou nu wel zoo wat droog zijn.„Toe nou, vader!”… Nog even moest hij een strootje rollen; de tabak was wat kruimelig, het nipah-blaadje zoo stug; maar nu zou hij toch gaan, het werd al avond. Bambang, de geest van het avondrood, gluurde met bloederige oogen tusschen de boomen. Gauw maar, en hij haastte zich naar het net en beurde het met uitgestrekte armen, naar boven kijkend waar de hangpunten waren … toen kwam een vreeselijke slag in de volle borst …„Basah!”3hoorden de huisgenooten hem gillen, en alles was voorbij.Twee dagen later kwam een arm vrouwtje van de rivier, waar zij al hare laboe’s had gevuld, die aardige karaffen van gedroogde kalebas, welke men als ze nog jong zijn afbindt en in elken gewenschten vorm kan laten groeien. Zij moest water hebben om te koken en voor den nacht, het weeuwtje had heel wat kindermonden te voeden. Zorgvuldig schikte zij de volle laboe’s in haar kain (lenden-kleed), dat er onder het loopen niet te veel uit zou storten.De kinderen, die binnen op moeder wachtten, hoorden vóór den[58]trap een doffen slag … stellig weer een cocosnoot, door eekhorens aangeboord en nu, verdroogd, uit den boom gewaaid.Maar moeder kwam maar niet thuis, en toen de kinderen eindelijk angstig de deur openden, zagen zij naast moeder’s kain de laboe’s liggen, kapot en verstrooid … haar had de tijger meegenomen. Zij was het twintigste slachtoffer.Toen gebeurde het midden over dag, in de rijstvelden.De vrouwen stonden er temanoewai, de rijpe padi-aren werden met het scherpe mesje afgesneden en in het mandje gelegd, dat de vrouwen op haar heup droegen; de mannen hielpen bij het verzamelen van den oogst.Een heldere, vroolijke dag. Hier, waar zij elkander allerlei grappen toeriepen over de golvende, gouden padi, in het open veld, hier vergat men angstig te zijn voor het dagelijks dreigende gevaar. En toen het middag werd, rustte men uit op een oud grafheuveltje midden in de sawah’s, en men dronk koffie en at wat kleefrijst in de schaduw van de enkele lage boompjes.Dan ging men weer aan het werk. Gloeiend trilde de lucht nu boven de roerlooze velden, en eenzaam, hoog in de lucht, krijschte een kiekendief zijn akeligen kreet, als een ontstellende waarschuwing, men weet niet vanwaar noch waarom.En aan den boschrand stond de koning van de rimba, en mat den afstand tusschen het bosch en de menschen … hij had in dagen niet gegeten. En niemand zag, hoe hij even later voortsloop, langs een sawah-dijkje, naar de àl matter klinkende stemmen der menschen.Insah stond het dichtst bij het bosch. Zij haastte zich, haar kind, een half jaar oud, hing in een slendang op haar rechterheup te slapen, bevangen door de warmte; zij zou nog twee mandjes snijden, dan moest zij gauw naar huis, het werd te gloeiend voor haar eersteling.Steeds matter werden de stemmen, eindelijk klonk alleen nog, zoo nu en dan, de akelige waarschuwing van den rondglijdenden roofvogel …Insah’s zuster zag hem het eerst, sluipend langs een dijkje achter de jonge moeder, en als waanzinnig gilde zij Insah toe om haar te waarschuwen … te laat, in bliksemsnellen aanval was hij bij de jonge vrouw, greep haar in een dij en sprong met haar weg.[59]„O, Allah! mijn kind!” hoorde men haar gillen, en toen zagen zij, die daar als versteend stonden, dat Insah trachtte haar slendang los te trekken om haar kind te redden, maar het gelukte haar niet. Eerst bij den geweldigen afzet van den tijger om over de omheining langs den boschrand te springen, rukte de knoop los, en de nog steeds roerloozemenschenkinderenzagen, hoe Insah in goddelijke moederliefde alleen aan haar kind dacht, het vrij kreeg en het, in den sprong, achter zich in de dichte padi wierp …Twintig, dertig menschen hadden dit ongelooflijke gezien, terwijl zij, roerloos nog en zwijgend, daar stonden in de ontzaglijke stilte in den trilgloed.Maar toen, plotseling,… werden zij allen waanzinnig? Met één verschrikkelijken kreet, in een delirium van woede, vlogen mannen en vrouwen den tijger achterna … dat kon niet, dat mocht niet … o, God, hoe was dat mogelijk …De sidderende menschjes waren zelf wild dier geworden, waanzinnig van schrik en dol van woede vlogen zij voort, het bosch in. Daar, in de ruigte tusschen de boomen, kon de tijger met zijn prooi niet snel vooruit komen, en nu braken achter hem tientallen menschen in krankzinnig gebrul door de struiken op hem af.Was hij blijven staan, bij Allah, men was hem te lijf gegaan, zóó maar, zonder wapens, met nagels en tanden! liever dood, dan zóó iets te zien gebeuren en niets te doen. De tijger moet zelf begrepen hebben, dat dit geen menschen meer waren, maar tot uiterste dolheid gedreven dieren, te veel om te weerstaan, en hij liet zijn prooi vallen en vluchtte.Maar het moedertje van liefde leefde niet meer, de schrik moet haar gedood hebben, in het mandje, dat nog aan haar hals hing, lagen nog enkele aren. Zij was het een-en-twintigste slachtoffer!En de menschen konden slechts nóg voorzichtiger worden; vallen werden niet eens meer gemaakt nadat een man, die een dergelijke „pindjára” in elkaar timmerde, van achteren was aangevallen; uitgemaakt werd nu, dat het dier de plannen der menschen doorzag, het maken van vallen was vergeefsche moeite.De enkele menschen, die hun rijpende padi op de bergladang’s[60]niet geheel in den steek konden laten, wilden zij niet hongeren, waagden zich slechts in gezelschappen van vier en vijf naar de rivier om water te halen en er te baden. Het was of overal de verschrikking loerde, of men ingesloten was door dien éénen tijger.Tijgerkop.Op een der meest afgelegen plekken woonde in een hutje een man in de volle kracht van den levensherfst. Hij was weliswaar niet zóó moedig als Hadji Akoet, maar toch was hij een groot jager, en alleen omdat hij nog stand hield, waren ook anderen gebleven en nog niet naar het dorpje gevlucht.De zon was reeds lang achter de hooge rimba ondergegaan, nu kleurde zij de witte wolkjes rood, daarna donker-violet. In het bosch zettenhonderdencicaden4hun snerpend avondlied in, en log, met droefgeestigen slag, dreven kalong’s voorbij, die reusachtige vleermuizen, die uitvliegen als het avond wordt om vruchten te zoeken in het bosch en in de kampoeng’s. Het lieve moerai-lijstertje zong haastig nog de laatste noten van zijn laatste lied; hij moest in den vroegen morgen weer de eerste zijn om de natuur en de menschen wakker te zingen.Zwarter dan zwart werd nu de boschrand, vreemde onbestemde geluiden mengden zich in het lied der cicaden, de galmende stem van den geest, die de semamboe-rotan bewaakt, de diepe bas van den reuzekikker; de schrikgeluiden van vogels, die in hun eersten dommel werden verstoord, misschien door een slang of door den spookachtigen luiaard, nu vlug geworden in de boomtoppen daar het zonnelicht[61]hem de oogen niet meer verblindde. In den donkeren hemel slechts enkele sterren, geen kalong’s meer, wel wapperende vleermuizen, die gejaagd worden door dien zwarten roofvogel, die pas uitvliegt als het donker wordt; zij flapperden in telkens van richting veranderende vlucht, onbestemd, spookachtig, met akelige kindergeluidjes.Zwarter en stiller werd het bosch, het zware geluid van den reuzekikker overheerschte nu, eerst een hik, dan een volle galm …Wie van demenschenkinderenaan den rand van het diepe woud hoorde het, dat mal hooge geluid ginds in de verte,… Aaaoeoe, en dadelijk daarop een zacht gedreun, als een waarschuwende vulkaan …HIJ was het, voor niemand bang in den nacht in zijn wonderwoud; den kop laag neer, de voorpooten wijd uit elkaar … Aaaaaoeoe … de Tijger op het oorlogspad!„Wat er ook gebeurt, welke geluiden jullie ook hooren,—denk eraan, niemand komt uit zijn hut, ieder wacht den morgen af!” had de groote jager gezegd.Zijn ladang-huisje had een trapje met niet minder dan twaalf treden,—hoe hoog en veilig lag hij daar op den vloer te slapen, geweer en speer naast zich.Maar door den donkeren nacht met wondere geluiden sloop de verschrikking nader, hongeriger dan ooit, nu de menschen zóó op hun hoede waren; hijmoesteten, en rook hij niet, dat hier een mensch was … Welk gevaar! maar het hongervuur in zijn ingewanden dreef hem; hij klom als een kat langs een kruishout der palen naar boven tot aan de omwanding van boombast; wèl scherp drongen de nagels in het hout, zoodat de menschen later de duidelijke sporen vonden; en nu klom hij langs de omwanding, waar de klauwen vasten greep hadden, steeds hooger, tot aan de „singok”, de opening onder het dak … en vandaar stortte hij zich op den rustig slapenden man.Een rochelend gebrul hoorden de buurlieden midden in den nacht,—zij begrepen niet, maar krompen ineen van vrees, en bleven waken en rillen. En om vier uur in den morgen hoorden zij een vreemd, laag-mauwend geluid langs den boschrand wegvagen, als van een kat, die bang is dat een kameraad haar een lekker hapje zal afnemen.[62]Eerst toen de zon hoog stond, wist de geheele streek, dat men slechts een stuk van een dij had terug gevonden in het ladanghuisje met het trapje van twaalf treden. En de rilling ging tot Bangkinang, tot Padang, over het twee-en-twintigste slachtoffer.Maar nu vereenigden zich de mannen om aan dit verschrikkelijke leven een eind te maken. Het moest toch mogelijk zijn den tijger door een lokaas te vangen; als hij maar hongerig genoeg was, als de menschen dus nòg voorzichtiger en waakzamer werden. En niet een gewone val zou worden gemaakt, maar een katjòendang; twee zware klapperboomen werden geveld, aan elkaar gebonden en laag schuin opgezet, de uiteinden werden met sterke rotan’s verbonden aan andere boomen, maar beneden liep een dun touwtje en het minste rukje daaraan kon de stevige rotan’s dadelijk doen losglippen.En toen de nacht kwam, huilde een vastgebonden hond in een gegraven gat onder het dunne touwtje; en elken volgenden nacht galmde zijn schrikkelijk huilen door de stille kampoeng, waar de menschen in uiterste waakzaamheid bijeen scholen.Niemand heeft het in dien eenen donkeren, wilden nacht gehoord, maar de grond dreunde en de hond huilde niet meer.En toen den volgenden morgen de moerai met zijn heerlijk lied de menschen wekte, vond men onder den katjoendang een tijger verpletterd, een reus met afgebroken slagtanden en schurftigen rug, boven de oogen een breed litteeken …„Moeara Mahat, Moeara Mahat!” tok-tok, tok-tok,… toen vloog de juichkreet langs de draad, dat de geteekende menschen-eter eindelijk gevallen was.Ornament met cicade.[63]

In de pasanggráhan van Tandjoeng, aan den bovenloop der Kampar-rivier, stond de mandoer, belast met de bewaking van dit rusthuis voor doortrekkende ambtenaren, aan de telefoon en trachtte het midden-stationnetje Moeára Máhat op te bellen.

„Moeara Mahat! Moeara Mahat!??”… tok-tok, tok-tok, trommelde hij op het telefoonkastje, zooals Inlanders in de binnenlanden wel meer doen, denkend, dat dit helpen zal om de aandacht van den opgeroepene te trekken.

„Moeara Mahat??”… och, hij was wel gewoon lang op antwoord te wachten … tok-tok, tok-tok …

Het telefoonlijntje, door het gouvernement aangelegd langs het rijpad aan den rivieroever, dat door het oerwoud loopt, is alleen bedoeld om de uitoefening van het bestuur in deze zoo afgelegen streken te vergemakkelijken; om de mandoer’s der rusthuizen te waarschuwen, als de controleur, de besturende ambtenaar, deze streek zal doortrekken om de meer bevolkte stroomop gelegen landen te bezoeken.

Niet dikwijls maakt de controleur die reis, en het aantal andere ambtenaren, voor wie de mandoer een bed moet opmaken en een eenvoudige „rijsttafel” moet trachten te koken, is zeer gering. Deze rusthuizen liggen telkens een dagreis van elkaar verwijderd; maanden lang staan zij leeg in dit gebied van Sumatra van de diepste wouden, de grootste pythons en de meeste tijgers.

Als het telefoonbelletje er rinkelt, staan de mandoers dan ook lang[50]niet altijd klaar, zoodat lang wachten op antwoord gewoonte is. Elke post wordt door een zeker aantal malen bellen opgeroepen, maar als een mandoer het belletje maar hoort, legt hij alvast het nieuwsgierig oor te luisteren, al weet hij ook, dat anderen elkaar zoeken. De lijn, die toch al zooveel te lijden heeft van takken en omgevallen boomen, ondervindt veel hinder van nieuwsgierige mandoers.

De man van Tandjoeng hoorde een zwak hanekraaien in den microphoon, het was stellig de nieuwe mandoer van Batoe Bersoerat, die daar stond te luisteren, hij was met een massa kippen „van beneden” gekomen … „niet hinderen, Batoe Bersoerat!” en plotseling brak het lied van den haan af.

De mandoer van Tandjoeng was een man van geduld, maar dezen éénen keer was hij wel zeer gejaagd, want hij had een vreeselijk bericht voor den controleur te Bangkinang, en Moeara Mahat had de verbinding te geven.

Hoor, een zacht, hem wel bekend geluid ruischte langs de lijn, de nauwelijks overgebrachte donder van de beruchte stroomversnelling, waar Kampar en Mahat haar ontmoeting vieren … Moeara Mahat!

„Hier Moeara Mahat!”

„„Verbind mij dadelijk met den controleur, gauw!””

„„Toean Koemandoer?1Ja Allah, toean, ik heb zulke slechte berichten. Het nagri-hoofd van Si Biroeang heeft iemand hierheen gezonden om u te laten weten, dat die tijger nu weer een vrouw heeft neergeslagen, en hij vraagt of u niet helpen kan; de menschen op de afgelegen rijstvelden durven bijna niet meer uit hun huisjes te komen.””

„Weer een, mandoer? de hoeveelste is dit nu al?”

„„De zeventiende, toean. Hij wil niets anders meer eten. Het geeft niets, of men in de vallen geiten of honden zet, hij loopt ze voorbij. De geheele bevolking van Si Biroeang is in doodelijken angst en men hoopt nu maar op uw hulp; dit laat het nagrihoofd u zeggen.””

Het was een vreeselijk bericht, maar de controleur lachte stil om de almacht, welke weder aan het Bestuur werd toegedacht.[51]

„’t Is goed mandoer, zeg aan den boodschapper, dat hij de menschen in Si Biroeang moet zeggen, dat ik probeeren zal tijgerjagers van Java hier te krijgen, en zeg ook, dat ik een premie van ƒ 100,— uitloof voor dien tijger. Zul je dat duidelijk zeggen?”

„„Insja Allah2, Toean!””

Een week later stond in eenige van de Java-couranten de volgende advertentie:

Tijgerjagers!In Si Biroeang aan de Kampar-rivier heeft een koningstijger reeds 17 menschen neergeslagen, hij terroriseert de geheele streek en spot met vallen en andere vangmiddelen.Kom, en verlos de bevolking van dezen terreur!de Controleur vanBoven-KamparBesseling.

Tijgerjagers!

In Si Biroeang aan de Kampar-rivier heeft een koningstijger reeds 17 menschen neergeslagen, hij terroriseert de geheele streek en spot met vallen en andere vangmiddelen.

Kom, en verlos de bevolking van dezen terreur!

de Controleur vanBoven-KamparBesseling.

Maar helaas, wel traden de bekende tijgerjagers gebroeders Ledeboer met den controleur in briefwisseling, maar de reis was zelfs hun te bezwaarlijk en te tijdroovend; van Padang aan de Westkust uit, is het een volle spoordag tot Paja Koemboeh, dan 45 kilometer tot Kota Baroe, en daarna nog ruim drie dagen te voet in zwaar terrein naar Si Biroeang, verscholen in de ontzaglijke rimba.

En de tijger werd steeds brutaler.

Tok-tok … tok-tok … tok-tok … Bangkinang?!… de achttiende, de negentiende … waar was het eind?

Reeksen ladang’s, droge rijstvelden, werden verlaten en overgelaten aan wroetende varkens en stelende apen, aan rille herten en logge tapir’s.

Zou het eind zijn, dat men allen zou moeten wegtrekken, zooals heel Rambahan in de IX kota’s bij Si Djoendjoeng was leeggeloopen voor den Bonten Oude?[52]

Nù nog vertelt men in de Boven-Kampar van dien éénen tijger, en hoe de sidderende mensch hem eindelijk toch de baas werd.

De eerste menschen, op wie hij een aanval waagde, waren een man, zijn vrouw en haar moeder, die bij Bandjar Karikan het bosch ingingen om kastanjes (barangan) en de eerste frissche tampoesvruchten te zoeken.

Hij was een oude tijger. Reeds eerder had hij dit rechtop gaande, trage wild willen bespringen, toen hij begon te voelen, dat zijn snelheid verminderde en dat de rosse flits van een vluchtende ree niet meer te achterhalen was; toen hij bang werd voor de slagtanden van een ouden ever, in boozen grijns nog verder ontbloot. Maar hij durfde niet, al sloop hij ’s nachts reeds lang om de woningen der menschen om zijn kans te zoeken. Overdag waagde hij zich niet zóó dichtbij, maar toch had hij al een slachting verricht onder de huisdieren van den mensch; hoe dom liet een hond zich neerslaan, en hoe idioot gedroegen zich de geiten, als zij nieuwsgierig kwamen aanloopen op het klaaglijk geblèer van een kameraad, die hij weghaalde! Bij de koeien was het alleen maar oppassen voor de horens … maar de menschen hadden hun vee nu scherp bewaakt, ook in het veld, en hij was bang voor dat allertraagste wild. Waarom eigenlijk? en waarom kon hij de menschenlucht maar niet verdragen?

Maar nu liet hij zich niet meer afschrikken, te violent kwelde hem de honger. Nu zou hij het doen … en hij drukte zich naast het pad neer in de struiken.

De man zag hem ’t eerst, enkele meters vóór zich, en hij begreep aan de houding van het dier het ontzettend gevaar. Vluchten was onmogelijk meer, het eenige wat zij konden doen, was neerhurken, een „gewone” tijger schrikt, als hij een mensch ziet neerhurken als om hem te bespringen.

„Hurken!!” riep hij de vrouwen toe, die vlak achter hem liepen op het smalle pad. Vergeefs! met één sprong wierp het dier zich op den man, sloeg de tanden in zijn dij, en trok … maar de kloeke vrouw klemde zich met heel haar lichaam aan den man vast; weer rukte hij, maar de moed van de vrouw gaf den man zijn bezinning terug, hij[53]greep zijn kapmes, dat hem van schrik uit de hand gevallen was en gaf het dier bliksemsnel een houw over den kop, boven de felle oogen.

Ai! dat viel den Bonten Oude niet mee, hij liet zijn prooi los en was in enkele sprongen in het bosch verdwenen. Maar in de stille kampoeng liet hij de vreeselijke zekerheid achter, dat een menschen-eter geboren was, de grootste vijand van den mensch aan den rand van het oerwoud.

Een menschen-eter!

Ieder kind in de boschstreken van Sumatra weet wel, dat er tijgers voorkomen. Zelfs daar, waar zij in betrekkelijk grooten getale leven, in de zoogenaamde „tijgerstreken”, is de bevolking er in haar fatalisme vrij onverschillig onder. Er zijn immers wel meer gevaren in de rimba, waar olifanten, rhinocerossen en woeste beren zijn; nog veel meer aan den rand van het oerwoud, waar het altijd booze varken en de valsche, sexueele apen vooral voor vrouwen en kinderen gevaar opleveren; en, al komen giftige slangen en pythons slechts hier en daar in bedenkelijke mate voor, ook voor hen dient men op zijn hoede te zijn. Niet voor niets verlaat in vele boschstreken het kapmes of de speer den man nooit, zoodra hij zich van huis en erf verwijdert; zelfs de vrouwen wapenen er zich dan met een kapmes.

Vooral in de wildernis, welke aan den rand van het oerwoud opslaat, nadat de mensch den boschgrond na ontginning weer verlaat, en waar men brandhout hakt en eetbare planten en vruchten zoekt, kan men een kapmes niet ontberen. En dat mes moet tevens als wapen dienst kunnen doen, omdat daar de meeste dieren voorkomen. Immers, daar is koelte en gedempt licht en heerlijke eenzaamheid in de aangrenzende rimba, en, ernaast, warmte en zonnebrand op de bouwvelden der menschen. Daar groeien alle planten, in het duister, in den schemer en in het licht, welke de wilde planteneters noodig hebben. En zij weer trekken de roofdieren aan, die nergens een betere kans hebben om de altijd hongerige maag te vullen.

De herten, de reeën en de dwerghertjes zouden in het oerwoud alleen niet genoeg voedsel meer vinden, de varkens evenmin; en aan den boschrand worden door den mensch allerlei heerlijkheden geplant, welke zij rekenen tot de hun toekomende hapjes; zelfs rhinocerossen[54]en tapir’s zijn verzot geraakt op de malsche aanplantingen van den mensch, terwijl de olifanten zich verbeelden het niet meer te kunnen stellen buiten den opslag van jonge boomen en de plantages der menschen.

En hoe genieten niet de vleesch-eters van de aanwezigheid van vee, van honden, geiten en kippen, welke de mensch wel zoo goed is voor hen op te kweeken.

De schuwe katten worden hierdoor naar de woonsteden der bevolking getrokken. Ook de allergrootste; hij, dien men in het bosch nimmer bij den naam noemt, omdat hem dit slecht zou stemmen; omdat men ontzag verschuldigd is aan den Oudste der wezens op aarde en er een nauwe band is tusschen de ziel van den mensch en van hem, den Grooten Heer, den Grootvader, den Gestreepte, den Bonten Oude.

Volstrekt niet altijd is de tijger dan ook de vijand van den mensch, hij verdedigt hem zelfs wel eens tegen onzichtbare gevaren; en niemand denkt erover hem kwaad te doen, zoolang hij de gewone tijger blijft, de jager op herten en reeën, de verdelger van het wilde varken, den schadelijksten vijand van den moslimschen landbouwer, die zelf het smakelijk varkensvleesch niet eten mag.

Maar indien de tijger zijn bangheid overwint, als hij, door honger gedreven, den mensch aanvalt,—het door hem onderschatte, maar het allergevaarlijkste aller dieren,—dan eerst wordt hij een vijand, het bloeddorstige beest, zooals de blanken hem beschouwen. Zijn vrees is dan verdwenen en zijn brutaliteit grenst aan het ongelooflijke; maar hij blijft voorzichtig, sluipt onhoorbaar rond, en berekent met groote sluwheid zijn kansen; en zoo wordt hij een verschrikking, die overal loert en dreigt.

Dit alles wisten de menschen aan de Boven-Kampar maar al te goed; men hoopte alleen nog maar, dat de houw over het voorhoofd den menscheneter slecht zou bekomen.

De kastanjetijd was voorbij, de getah-zoekers vonden nog slechts een enkele tampoes.

Toen gebeurde het, dat een man, die naar zijn ladanghuisje terugkeerde van het beekje, waar hij in den namiddag gebaad had, plotseling de grauw-gele lichtflits uit het bosch zag schieten. Ontwijken was onmogelijk,[55]de tijger sloeg hem met één slag het hoofd uit elkaar, maar toch had hij kans gezien het dier in den sprong een steek in de borst te geven, en ook ditmaal droop de menscheneter af, omdat hij maar niets begreep van die plotselinge, vlijmende pijn, nu alweer, terwijl de prooi zoo ongevaarlijk leek. Maar aan het pad vond men den man liggen, en er ging een rilling door Si Biroeang, want de stervende had nog kunnen fluisteren, dat de tijger een breed, onbehaard litteeken had boven de oogen, en hij had gezegd te waken voor de vrouwen en kinderen.

Weer merkte men een tijdlang niets van den menscheneter; de nieuwe wond moest helen, bovendien deden de tegenvallers hem besluiten een ander jachtterrein te zoeken.

Plotseling dook hij op te Panalian in de Boven-Rokan. Langs de voetpaden, slingerend om de voor den mensch vrijwel onbegaanbare ravijnen, is het een groote afstand; maar voor een tijger, het ideaal van lenige kracht, tellen de moeielijkheden van het terrein niet, hij sluipt er dwars doorheen.

Een vader kwam met zijn zoontje van het beekje, dat hen van water voorzag. Hun ladang lag hoog aan den rimba-rand, het was een heele klimpartij naar het huisje, en het smalle paadje was wel heel erg begroeid; de verhalen van Si Biroeang waren overgewaaid, en al was hier geen menscheneter in de buurt, het pad moest morgen eens flink open gekapt worden, voor moeder en de meisjes.

Het kind zag het, hoe een reusachtige zwart-gele kat uit de struiken op den rug van zijn vader vloog en hem neervelde, de rug opgekromd, alle de klauwen in het lichaam van den man. Toen keek het dier blazend naar het kind om, zette de tanden in den nek van zijn prooi en sleurde hem in enkele sprongen het bosch in. Het zesjarig ventje was van schrik gevallen, hij kon maar niet op zijn beentjes staan en kroop op handen en knieën naar moeder, om haar te vertellen, dat vader was meegenomen door een groot dier met een streep boven de oogen.

Nu brak een ontzettende tijd aan voor de menschen van Panalian en Si Biroeang. Nu hier, dan daar viel een slachtoffer, nimmer kon men gissen waar de volgende slag zou vallen.

Aan het kleine pleintje van Panalian zat een oude man boven aan[56]de trap op den deurdrempel van zijn huisje, starend naar de ondergaande zon en naar zijn maistuin, waar de zware kolven rijpten. Het werd laat en hij wist, dat de zoon van zijn buurman nog niet thuis gekomen was; hij hoorde het praten van de ongeruste ouders, die de voordeur reeds hadden gesloten.

Bliksemsnel was de menscheneter bij hem.

Eindelijk, daar kwam hij, een flinke aardige jongen van zeventien jaar, maar, ja Allah, vergiste de oude man zich niet?! zag hij niet in de struiken achter den jongen den vreeselijken lichtschijn …

„Loop!” gilde hij … „daar komt-ie!!”

Maar nauwelijks keek de jongen om, of suizend, laag bij den grond, bliksemsnel, was de menscheneter bij hem, en duidelijk zag de bevende oude den kop met het vreeselijke teeken.

Drie honderd vaâm sleepte de tijger zijn prooi het bosch in. Daar vond men den volgenden morgen het lijk, maar de buik was geheel uitgevreten, ook het hart en de longen waren weggehaald, die eet de tijger het liefst.

Toen trok men weg van de ladang’s, en zelfs in de kampoeng durfde men in den namiddag niet meer de huizen uit.

Overal werden vallen gemaakt, maar de klaaglijk blatende geitjes en de akelig huilende honden, die het ondier in de val moesten lokken, zagen hem onverschillig voorbijgaan.[57]

Ach, leefde Hadji Akoet nog, die had wel raad geweten. Hij was immers de eenige geweest, die elken olifant op den vlakken grond aandurfde. Maar ten slotte had ook hij het afgelegd, een moeder-olifant, die zijn aandacht niet had getrokken, had hem met de vier pooten plat gewalst en men had zijn lijk thuis gebracht als een zak bloedende brij.

Datoek Bandaro, die er met zijn werpnet op uit was geweest, had gezorgd vroeg thuis te zijn. Het was een nieuw net, lang had hij eraan geknoopt, maar het was dan ook een lust in de hand geweest, en veel blinkende visch hadden moeder en dochters voor het avondeten gebakken.

De mooie djála had de datoek vóór het huis, tusschen twee slanke rijstschuren, te drogen gehangen.

„Toe vader, wacht nu niet te lang met uw net binnen te halen, ’t wordt al donker!”

„Ja, kind.” Het was toch maar goed, dat de kinderen zelf eraan dachten om voorzichtig te zijn, en het net zou nu wel zoo wat droog zijn.

„Toe nou, vader!”… Nog even moest hij een strootje rollen; de tabak was wat kruimelig, het nipah-blaadje zoo stug; maar nu zou hij toch gaan, het werd al avond. Bambang, de geest van het avondrood, gluurde met bloederige oogen tusschen de boomen. Gauw maar, en hij haastte zich naar het net en beurde het met uitgestrekte armen, naar boven kijkend waar de hangpunten waren … toen kwam een vreeselijke slag in de volle borst …

„Basah!”3hoorden de huisgenooten hem gillen, en alles was voorbij.

Twee dagen later kwam een arm vrouwtje van de rivier, waar zij al hare laboe’s had gevuld, die aardige karaffen van gedroogde kalebas, welke men als ze nog jong zijn afbindt en in elken gewenschten vorm kan laten groeien. Zij moest water hebben om te koken en voor den nacht, het weeuwtje had heel wat kindermonden te voeden. Zorgvuldig schikte zij de volle laboe’s in haar kain (lenden-kleed), dat er onder het loopen niet te veel uit zou storten.

De kinderen, die binnen op moeder wachtten, hoorden vóór den[58]trap een doffen slag … stellig weer een cocosnoot, door eekhorens aangeboord en nu, verdroogd, uit den boom gewaaid.

Maar moeder kwam maar niet thuis, en toen de kinderen eindelijk angstig de deur openden, zagen zij naast moeder’s kain de laboe’s liggen, kapot en verstrooid … haar had de tijger meegenomen. Zij was het twintigste slachtoffer.

Toen gebeurde het midden over dag, in de rijstvelden.

De vrouwen stonden er temanoewai, de rijpe padi-aren werden met het scherpe mesje afgesneden en in het mandje gelegd, dat de vrouwen op haar heup droegen; de mannen hielpen bij het verzamelen van den oogst.

Een heldere, vroolijke dag. Hier, waar zij elkander allerlei grappen toeriepen over de golvende, gouden padi, in het open veld, hier vergat men angstig te zijn voor het dagelijks dreigende gevaar. En toen het middag werd, rustte men uit op een oud grafheuveltje midden in de sawah’s, en men dronk koffie en at wat kleefrijst in de schaduw van de enkele lage boompjes.

Dan ging men weer aan het werk. Gloeiend trilde de lucht nu boven de roerlooze velden, en eenzaam, hoog in de lucht, krijschte een kiekendief zijn akeligen kreet, als een ontstellende waarschuwing, men weet niet vanwaar noch waarom.

En aan den boschrand stond de koning van de rimba, en mat den afstand tusschen het bosch en de menschen … hij had in dagen niet gegeten. En niemand zag, hoe hij even later voortsloop, langs een sawah-dijkje, naar de àl matter klinkende stemmen der menschen.

Insah stond het dichtst bij het bosch. Zij haastte zich, haar kind, een half jaar oud, hing in een slendang op haar rechterheup te slapen, bevangen door de warmte; zij zou nog twee mandjes snijden, dan moest zij gauw naar huis, het werd te gloeiend voor haar eersteling.

Steeds matter werden de stemmen, eindelijk klonk alleen nog, zoo nu en dan, de akelige waarschuwing van den rondglijdenden roofvogel …

Insah’s zuster zag hem het eerst, sluipend langs een dijkje achter de jonge moeder, en als waanzinnig gilde zij Insah toe om haar te waarschuwen … te laat, in bliksemsnellen aanval was hij bij de jonge vrouw, greep haar in een dij en sprong met haar weg.[59]

„O, Allah! mijn kind!” hoorde men haar gillen, en toen zagen zij, die daar als versteend stonden, dat Insah trachtte haar slendang los te trekken om haar kind te redden, maar het gelukte haar niet. Eerst bij den geweldigen afzet van den tijger om over de omheining langs den boschrand te springen, rukte de knoop los, en de nog steeds roerloozemenschenkinderenzagen, hoe Insah in goddelijke moederliefde alleen aan haar kind dacht, het vrij kreeg en het, in den sprong, achter zich in de dichte padi wierp …

Twintig, dertig menschen hadden dit ongelooflijke gezien, terwijl zij, roerloos nog en zwijgend, daar stonden in de ontzaglijke stilte in den trilgloed.

Maar toen, plotseling,… werden zij allen waanzinnig? Met één verschrikkelijken kreet, in een delirium van woede, vlogen mannen en vrouwen den tijger achterna … dat kon niet, dat mocht niet … o, God, hoe was dat mogelijk …

De sidderende menschjes waren zelf wild dier geworden, waanzinnig van schrik en dol van woede vlogen zij voort, het bosch in. Daar, in de ruigte tusschen de boomen, kon de tijger met zijn prooi niet snel vooruit komen, en nu braken achter hem tientallen menschen in krankzinnig gebrul door de struiken op hem af.

Was hij blijven staan, bij Allah, men was hem te lijf gegaan, zóó maar, zonder wapens, met nagels en tanden! liever dood, dan zóó iets te zien gebeuren en niets te doen. De tijger moet zelf begrepen hebben, dat dit geen menschen meer waren, maar tot uiterste dolheid gedreven dieren, te veel om te weerstaan, en hij liet zijn prooi vallen en vluchtte.

Maar het moedertje van liefde leefde niet meer, de schrik moet haar gedood hebben, in het mandje, dat nog aan haar hals hing, lagen nog enkele aren. Zij was het een-en-twintigste slachtoffer!

En de menschen konden slechts nóg voorzichtiger worden; vallen werden niet eens meer gemaakt nadat een man, die een dergelijke „pindjára” in elkaar timmerde, van achteren was aangevallen; uitgemaakt werd nu, dat het dier de plannen der menschen doorzag, het maken van vallen was vergeefsche moeite.

De enkele menschen, die hun rijpende padi op de bergladang’s[60]niet geheel in den steek konden laten, wilden zij niet hongeren, waagden zich slechts in gezelschappen van vier en vijf naar de rivier om water te halen en er te baden. Het was of overal de verschrikking loerde, of men ingesloten was door dien éénen tijger.

Tijgerkop.

Op een der meest afgelegen plekken woonde in een hutje een man in de volle kracht van den levensherfst. Hij was weliswaar niet zóó moedig als Hadji Akoet, maar toch was hij een groot jager, en alleen omdat hij nog stand hield, waren ook anderen gebleven en nog niet naar het dorpje gevlucht.

De zon was reeds lang achter de hooge rimba ondergegaan, nu kleurde zij de witte wolkjes rood, daarna donker-violet. In het bosch zettenhonderdencicaden4hun snerpend avondlied in, en log, met droefgeestigen slag, dreven kalong’s voorbij, die reusachtige vleermuizen, die uitvliegen als het avond wordt om vruchten te zoeken in het bosch en in de kampoeng’s. Het lieve moerai-lijstertje zong haastig nog de laatste noten van zijn laatste lied; hij moest in den vroegen morgen weer de eerste zijn om de natuur en de menschen wakker te zingen.

Zwarter dan zwart werd nu de boschrand, vreemde onbestemde geluiden mengden zich in het lied der cicaden, de galmende stem van den geest, die de semamboe-rotan bewaakt, de diepe bas van den reuzekikker; de schrikgeluiden van vogels, die in hun eersten dommel werden verstoord, misschien door een slang of door den spookachtigen luiaard, nu vlug geworden in de boomtoppen daar het zonnelicht[61]hem de oogen niet meer verblindde. In den donkeren hemel slechts enkele sterren, geen kalong’s meer, wel wapperende vleermuizen, die gejaagd worden door dien zwarten roofvogel, die pas uitvliegt als het donker wordt; zij flapperden in telkens van richting veranderende vlucht, onbestemd, spookachtig, met akelige kindergeluidjes.

Zwarter en stiller werd het bosch, het zware geluid van den reuzekikker overheerschte nu, eerst een hik, dan een volle galm …

Wie van demenschenkinderenaan den rand van het diepe woud hoorde het, dat mal hooge geluid ginds in de verte,… Aaaoeoe, en dadelijk daarop een zacht gedreun, als een waarschuwende vulkaan …

HIJ was het, voor niemand bang in den nacht in zijn wonderwoud; den kop laag neer, de voorpooten wijd uit elkaar … Aaaaaoeoe … de Tijger op het oorlogspad!

„Wat er ook gebeurt, welke geluiden jullie ook hooren,—denk eraan, niemand komt uit zijn hut, ieder wacht den morgen af!” had de groote jager gezegd.

Zijn ladang-huisje had een trapje met niet minder dan twaalf treden,—hoe hoog en veilig lag hij daar op den vloer te slapen, geweer en speer naast zich.

Maar door den donkeren nacht met wondere geluiden sloop de verschrikking nader, hongeriger dan ooit, nu de menschen zóó op hun hoede waren; hijmoesteten, en rook hij niet, dat hier een mensch was … Welk gevaar! maar het hongervuur in zijn ingewanden dreef hem; hij klom als een kat langs een kruishout der palen naar boven tot aan de omwanding van boombast; wèl scherp drongen de nagels in het hout, zoodat de menschen later de duidelijke sporen vonden; en nu klom hij langs de omwanding, waar de klauwen vasten greep hadden, steeds hooger, tot aan de „singok”, de opening onder het dak … en vandaar stortte hij zich op den rustig slapenden man.

Een rochelend gebrul hoorden de buurlieden midden in den nacht,—zij begrepen niet, maar krompen ineen van vrees, en bleven waken en rillen. En om vier uur in den morgen hoorden zij een vreemd, laag-mauwend geluid langs den boschrand wegvagen, als van een kat, die bang is dat een kameraad haar een lekker hapje zal afnemen.[62]

Eerst toen de zon hoog stond, wist de geheele streek, dat men slechts een stuk van een dij had terug gevonden in het ladanghuisje met het trapje van twaalf treden. En de rilling ging tot Bangkinang, tot Padang, over het twee-en-twintigste slachtoffer.

Maar nu vereenigden zich de mannen om aan dit verschrikkelijke leven een eind te maken. Het moest toch mogelijk zijn den tijger door een lokaas te vangen; als hij maar hongerig genoeg was, als de menschen dus nòg voorzichtiger en waakzamer werden. En niet een gewone val zou worden gemaakt, maar een katjòendang; twee zware klapperboomen werden geveld, aan elkaar gebonden en laag schuin opgezet, de uiteinden werden met sterke rotan’s verbonden aan andere boomen, maar beneden liep een dun touwtje en het minste rukje daaraan kon de stevige rotan’s dadelijk doen losglippen.

En toen de nacht kwam, huilde een vastgebonden hond in een gegraven gat onder het dunne touwtje; en elken volgenden nacht galmde zijn schrikkelijk huilen door de stille kampoeng, waar de menschen in uiterste waakzaamheid bijeen scholen.

Niemand heeft het in dien eenen donkeren, wilden nacht gehoord, maar de grond dreunde en de hond huilde niet meer.

En toen den volgenden morgen de moerai met zijn heerlijk lied de menschen wekte, vond men onder den katjoendang een tijger verpletterd, een reus met afgebroken slagtanden en schurftigen rug, boven de oogen een breed litteeken …

„Moeara Mahat, Moeara Mahat!” tok-tok, tok-tok,… toen vloog de juichkreet langs de draad, dat de geteekende menschen-eter eindelijk gevallen was.

Ornament met cicade.

[63]

1Maleische titel van den Controleur in West-Sumatra.↑2In naam van God, zoo waarlijk helpe mij God.↑3„Nat!”↑4„zingende” boomkrekels5.↑5Stridulantia, Cicadidae. De mannelijke leden dezer rechtvleugelige insecten, een familie der Cicaden (onderorde der Snavelinsecten) dragen in zich een muziek-orgaan, dat bij enkele der grootste soorten zoo krachtig werkt, dat het scherpe, snerpende geluid het menschelijk oor een oogenblik geheel verdooft, indien men den „zanger” tot op korten afstand nadert. Onder de twee groote, lederachtige schubben, welke de verlengstukken zijn van het achterborststuk, ligt een driehoekige holte, welke als bodem een dun overlangs geplooid vlies heeft; dit „trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam; een krachtige spier werkt door middel van een pees op den naar den rug[162]gekeerden rand van het raam; door haar samentrekkingen geraakt het vlies in trillende beweging. Het resultaat is ongelooflijk voor een insect van enkele centimeters grootte; maar niet minder verbazingwekkend is het uithoudingsvermogen van deze dieren, die uren en uren achtereen, slechts met zeer korte pauzes, hun eentonige solo’s rondsnerpen. Soms houden enkelen van verschillende soort een oorverdoovend concert in het stille bosch, maar de een trekt zich niets van den ander aan en zij laten zich volstrekt niet door elkaar van de wijs brengen. Enkele soorten komen tot in de steden, vliegen ’s avonds dikwijls als projectielen tegen de lampen aan en verspreiden schrik in damesgezelschappen. Men ziet ze wel tegen lantarenpalen gekleefd, waar het aanlokkend licht hen bracht, en zij schetteren er hun hoogste lied alsof ze „thuis” waren, de groote oogen puilend uit het gezwollen voorhoofd.Bij de oude Grieken gold een cicade, zittend op een harp, als het zinnebeeld der muziek, omdat een cicade zich neerzette op de plaats waar een snaar van Eunomus’ harp gesprongen was, toen deze met Ariston kampte om den eereprijs, en zoodoende Eunomus de overwinning bezorgde. Maar beter dan met het trillen van een harpsnaar kan men het geluid van de cicade vergelijken met een nasaal snerpend kindertrompetje. Mooi is het dus niet, maar men zou het in de mystiek van het Indische bosch niet gaarne missen. En mij deed het altijd denken aan de stille, Hollandsche heide, als, in de hittetrilling van een warmen zomerdag, de gele gors in de enkele noten van zijn bescheiden deuntje het liedje van verlatenheid zingt.↑

1Maleische titel van den Controleur in West-Sumatra.↑2In naam van God, zoo waarlijk helpe mij God.↑3„Nat!”↑4„zingende” boomkrekels5.↑5Stridulantia, Cicadidae. De mannelijke leden dezer rechtvleugelige insecten, een familie der Cicaden (onderorde der Snavelinsecten) dragen in zich een muziek-orgaan, dat bij enkele der grootste soorten zoo krachtig werkt, dat het scherpe, snerpende geluid het menschelijk oor een oogenblik geheel verdooft, indien men den „zanger” tot op korten afstand nadert. Onder de twee groote, lederachtige schubben, welke de verlengstukken zijn van het achterborststuk, ligt een driehoekige holte, welke als bodem een dun overlangs geplooid vlies heeft; dit „trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam; een krachtige spier werkt door middel van een pees op den naar den rug[162]gekeerden rand van het raam; door haar samentrekkingen geraakt het vlies in trillende beweging. Het resultaat is ongelooflijk voor een insect van enkele centimeters grootte; maar niet minder verbazingwekkend is het uithoudingsvermogen van deze dieren, die uren en uren achtereen, slechts met zeer korte pauzes, hun eentonige solo’s rondsnerpen. Soms houden enkelen van verschillende soort een oorverdoovend concert in het stille bosch, maar de een trekt zich niets van den ander aan en zij laten zich volstrekt niet door elkaar van de wijs brengen. Enkele soorten komen tot in de steden, vliegen ’s avonds dikwijls als projectielen tegen de lampen aan en verspreiden schrik in damesgezelschappen. Men ziet ze wel tegen lantarenpalen gekleefd, waar het aanlokkend licht hen bracht, en zij schetteren er hun hoogste lied alsof ze „thuis” waren, de groote oogen puilend uit het gezwollen voorhoofd.Bij de oude Grieken gold een cicade, zittend op een harp, als het zinnebeeld der muziek, omdat een cicade zich neerzette op de plaats waar een snaar van Eunomus’ harp gesprongen was, toen deze met Ariston kampte om den eereprijs, en zoodoende Eunomus de overwinning bezorgde. Maar beter dan met het trillen van een harpsnaar kan men het geluid van de cicade vergelijken met een nasaal snerpend kindertrompetje. Mooi is het dus niet, maar men zou het in de mystiek van het Indische bosch niet gaarne missen. En mij deed het altijd denken aan de stille, Hollandsche heide, als, in de hittetrilling van een warmen zomerdag, de gele gors in de enkele noten van zijn bescheiden deuntje het liedje van verlatenheid zingt.↑

1Maleische titel van den Controleur in West-Sumatra.↑

1Maleische titel van den Controleur in West-Sumatra.↑

2In naam van God, zoo waarlijk helpe mij God.↑

2In naam van God, zoo waarlijk helpe mij God.↑

3„Nat!”↑

3„Nat!”↑

4„zingende” boomkrekels5.↑

4„zingende” boomkrekels5.↑

5Stridulantia, Cicadidae. De mannelijke leden dezer rechtvleugelige insecten, een familie der Cicaden (onderorde der Snavelinsecten) dragen in zich een muziek-orgaan, dat bij enkele der grootste soorten zoo krachtig werkt, dat het scherpe, snerpende geluid het menschelijk oor een oogenblik geheel verdooft, indien men den „zanger” tot op korten afstand nadert. Onder de twee groote, lederachtige schubben, welke de verlengstukken zijn van het achterborststuk, ligt een driehoekige holte, welke als bodem een dun overlangs geplooid vlies heeft; dit „trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam; een krachtige spier werkt door middel van een pees op den naar den rug[162]gekeerden rand van het raam; door haar samentrekkingen geraakt het vlies in trillende beweging. Het resultaat is ongelooflijk voor een insect van enkele centimeters grootte; maar niet minder verbazingwekkend is het uithoudingsvermogen van deze dieren, die uren en uren achtereen, slechts met zeer korte pauzes, hun eentonige solo’s rondsnerpen. Soms houden enkelen van verschillende soort een oorverdoovend concert in het stille bosch, maar de een trekt zich niets van den ander aan en zij laten zich volstrekt niet door elkaar van de wijs brengen. Enkele soorten komen tot in de steden, vliegen ’s avonds dikwijls als projectielen tegen de lampen aan en verspreiden schrik in damesgezelschappen. Men ziet ze wel tegen lantarenpalen gekleefd, waar het aanlokkend licht hen bracht, en zij schetteren er hun hoogste lied alsof ze „thuis” waren, de groote oogen puilend uit het gezwollen voorhoofd.Bij de oude Grieken gold een cicade, zittend op een harp, als het zinnebeeld der muziek, omdat een cicade zich neerzette op de plaats waar een snaar van Eunomus’ harp gesprongen was, toen deze met Ariston kampte om den eereprijs, en zoodoende Eunomus de overwinning bezorgde. Maar beter dan met het trillen van een harpsnaar kan men het geluid van de cicade vergelijken met een nasaal snerpend kindertrompetje. Mooi is het dus niet, maar men zou het in de mystiek van het Indische bosch niet gaarne missen. En mij deed het altijd denken aan de stille, Hollandsche heide, als, in de hittetrilling van een warmen zomerdag, de gele gors in de enkele noten van zijn bescheiden deuntje het liedje van verlatenheid zingt.↑

5Stridulantia, Cicadidae. De mannelijke leden dezer rechtvleugelige insecten, een familie der Cicaden (onderorde der Snavelinsecten) dragen in zich een muziek-orgaan, dat bij enkele der grootste soorten zoo krachtig werkt, dat het scherpe, snerpende geluid het menschelijk oor een oogenblik geheel verdooft, indien men den „zanger” tot op korten afstand nadert. Onder de twee groote, lederachtige schubben, welke de verlengstukken zijn van het achterborststuk, ligt een driehoekige holte, welke als bodem een dun overlangs geplooid vlies heeft; dit „trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam; een krachtige spier werkt door middel van een pees op den naar den rug[162]gekeerden rand van het raam; door haar samentrekkingen geraakt het vlies in trillende beweging. Het resultaat is ongelooflijk voor een insect van enkele centimeters grootte; maar niet minder verbazingwekkend is het uithoudingsvermogen van deze dieren, die uren en uren achtereen, slechts met zeer korte pauzes, hun eentonige solo’s rondsnerpen. Soms houden enkelen van verschillende soort een oorverdoovend concert in het stille bosch, maar de een trekt zich niets van den ander aan en zij laten zich volstrekt niet door elkaar van de wijs brengen. Enkele soorten komen tot in de steden, vliegen ’s avonds dikwijls als projectielen tegen de lampen aan en verspreiden schrik in damesgezelschappen. Men ziet ze wel tegen lantarenpalen gekleefd, waar het aanlokkend licht hen bracht, en zij schetteren er hun hoogste lied alsof ze „thuis” waren, de groote oogen puilend uit het gezwollen voorhoofd.

Bij de oude Grieken gold een cicade, zittend op een harp, als het zinnebeeld der muziek, omdat een cicade zich neerzette op de plaats waar een snaar van Eunomus’ harp gesprongen was, toen deze met Ariston kampte om den eereprijs, en zoodoende Eunomus de overwinning bezorgde. Maar beter dan met het trillen van een harpsnaar kan men het geluid van de cicade vergelijken met een nasaal snerpend kindertrompetje. Mooi is het dus niet, maar men zou het in de mystiek van het Indische bosch niet gaarne missen. En mij deed het altijd denken aan de stille, Hollandsche heide, als, in de hittetrilling van een warmen zomerdag, de gele gors in de enkele noten van zijn bescheiden deuntje het liedje van verlatenheid zingt.↑

[Inhoud]VII.ONDER DEN VOORPOOT VAN EEN OLIFANTHet had den vorigen avond sterk geweerlicht, de mannen van het dorp waren er dan ook van overtuigd, dat er ergens in de buurt olifanten moesten zijn, al was het vroeg in den tijd.Wat daar telkens even flikkert aan den hemel, stil, zonder eenig gerommel, is immers de weerschijn van het ivoor der olifantstieren. Maar men had in de naaste omstreken nog geen sporen gevonden; wel waren er berichten uit de oeloe, den bovenloop der rivier, dat de olifanten er zich dit jaar vroeger hadden vertoond dan gewoonlijk.In den vroegen morgen lichtte een kleine jongen een vischfuik, die aan den rivieroever was opgesteld, enkele kilometers bovenstrooms van het dorp, en parmantig stapte hij met den buit naar huis. Maar plotseling liet hij de visch vallen en rende terug naar het dorp … op bet pad bij de rivier had hij ’t rookende „visitekaartje” van een olifant zien liggen, de mestballen, ter grootte van een babyhoofd, die de tegenwoordigheid van de Grooten van het woud verraden. Dampend nog! hoe dicht dus was hij het dier, misschien een kudde gepasseerd.Nu waarschuwde men elkaar, snel werden alle omheiningen van de bouwvelden nog eens terdege nagezien. Tegen het wilde varken, den grootsten vijand van den inlandschen landbouwer, kan men volstaan met een dichte, lage heg; en als aan den buitenkant een sloot wordt gegraven met steil afgestoken kanten, zijn de aanplantingen veilig voor den knorrenden wroeter. Maar in de olifantstreken is het zaak de omheiningen hoog en zwaar te maken. Nog dikker maakte men nu den wal van zware takken en stronken; dit waren de overblijfsels[64]van wat enkele maanden geleden nog zwaar bosch was, gekapt na den regentijd en in den drogen moesson zooveel mogelijk opgebrand, waarna de humusrijke bodem den rijstkorrel kan ontvangen.Een oude, tanige vrouw, die aan den uitersten rand der kampong woonde en die buiten het wereldsch gedoe was komen te staan, had van de waarschuwing niets gemerkt; zij slofte haar dagelijkschen gang naar den boschrand om wat hout te sprokkelen, dat kon de eenzame nog wel dragen. Ginds hadden haar man en zij, dadelijk na hun huwelijk, ook een ladang gehad, een rijstveld zóó vruchtbaar, dat zij er drie jaar achtereen een goeden oogst hadden gehad. En zij hadden er het laatste jaar zooveel doerianpitten geplant, dat er een zwaar doerianbosch was opgegroeid, zoodat de jongere generatie dezen grond verder had ontzien. Of de eerste vruchten al afvielen? dan moesten de kleinkinderen er snel een hutje bouwen en er de wacht houden, want iedereen is verzot op doerians, menschen en dieren, en op de markt brengen zij heel wat op.Waarlijk, bij dien stam, tusschen de overal opgeschoten struiken, lag al een gélende, groote vrucht; gelukkig, dat ’t nog niet de olifantentijd was, de geweldige dorens, waaraan de vrucht haar naam ontleent, zijn voor deze dieren geen bezwaar.Juist reikte de hand van het oudje naar de begeerlijke vrucht, toen uit de lucht, langs den boom, iets als een loodkleurige reuzeslang neerkwam, en toen zij opkeek, zag zij langs een olifantenslurf de ondeugende oogen valsch lachen, en zij zag nòg een dier en nòg een … zij was doodgemoedereerd midden in een kudde gewandeld.Niet alleen waanzinnige angst, ook razernij omdat de doerian haar betwist werd, gaven het oude mensch de kracht en de bezieling tot een akeligen, loeienden gil. De olifanten schalmeiden in snerpend gedaver terug, zoodat in de kampong de spelende kinderen opschrikten en het geblaf en gekijf der gladakkers even verstomde. Maar het nare geloei was hun toch te machtig, en stil hobbelden zij weg naar rustiger oorden.De oude Karim, de groote jagersman in deze landstreek, inspecteerde dien dag zijn arsenaal. Het buskruitmagazijn was nog goed gevuld; uit het vaatje buskruit, dat door den besturenden ambtenaar[65]aan het distriktshoofd was verstrekt ter uitroeiing van schadelijk gedierte, was aan Karim niet minder dan twee flesschen vol toegewezen, en hij had ze voorzichtig in den grond begraven; dat kruit was best en niet duur, want het kwam uit den militairen voorraad, op aanvraag van den controleur; vroeger, toen men het achterbaks moest zien te krijgen, werden de Inlanders geducht afgezet door Chineezen of Maleische handelaars. Met z’n kogels stond het minder goed. In het zakje, bruinberookt aan den keukenwand hangend, vond Karim nog maar drie kogels, die in zijn voorlader pasten; ook nog een paar ijzeren moeren en boutjes, die hij van een werkman van den waterstaat had overgenomen toen hij „in de stad” een jongen beer had verkocht, die in een hertestrik verdwaald was. Die boutjes waren heel best om er een slapenden tijger mee in het hart te schieten, maar voor het één-centimeter pantser van een olifant deugden zij niet.„Vader,” zei zijn zoon Oesoef, „ge moet den nieuwen meneer van Tambang1nog eens wat puntkogels vragen, hij hoopt altijd nog, dat u hem eens een olifant laat schieten, hij geeft ze u stellig.”„Hai! daar zeg je wat. We zullen naar Tambang gaan en meneer waarschuwen, dat er olifanten zijn, ik heb het hem moeten beloven; ik krijg dan stellig mijn puntkogels, en misschien kan meneer nu wel mee; als hij een stier kan schieten, krijg ik een goed cadeautje.”„Vader, je hebt nog drie kogels, laten wij zelf eerst eens gaan zien; als ge een grooten stier schiet, zonder meneer, is toch de volle waarde van de tanden voor ons alleen.”En zoo gingen zij den volgenden morgen samen op pad. Maar de troep was wonderlijk opgeschrikt, eerst na drie dagen lang de sporen te zijn gevolgd, diep de bergen in, hoorden Karim en zijn zoon het bekende vreugdebrullen en het vallen van boomen … de ouverture van vrijwel elk jachtavontuur, waarin mensch en olifant een rol spelen. Zij beslopen den troep, niet om dadelijk te schieten; een inlandsen jager weet heel goed welke kansen zijn hachje loopt, als hij met zijn voorlader als openlijk aanvaller optreedt. Zij zochten een zwaren,[66]beklimbaren boom uit en wachtten, spiedend op een veiligen tak. Zij troffen het, de troep trok op korten afstand onder hen door, zij telden zes koeien en een volwassen maar nog jongen stier met weinig ivoor; gezellig oorflappend en met diepe, inwendige geluiden, kuierde het gezelschap langzaam voort. Toen het bosch weer stil was, lieten de jagers zich afglijden; Karim was zeer teleurgesteld, zoo’n stier was de moeite niet waard.„Wij zullen hun nog eens den weg afsnijden Oesoef, misschien hebben wij niet den heelen troep gezien.”Met een grooten omweg trokken zij snel op, om de kudde vóór te komen. De dieren wandelden een uitlooper van den berg af, langs een vrij diep ravijn. Het lag voor de hand in dit ravijn neer te dalen, de overliggende helling weer te beklimmen en aan den overkant de richting te volgen evenwijdig aan die, waarin de kudde liep; zij konden daar sneller loopen, zonder de olifanten op te schrikken.Maar het neerdalen in het ravijn moest zoo stil mogelijk geschieden, het kon zijn, dat de kudde nog in de buurt was.Als schaduwen gleden de mannen op hun lenige, bloote voeten de helling af, elk dood takje moest vermeden worden, alleen niet-zwiepende boomen dienden bij de afdaling tot steun. De bedding van het ravijn, waar een beekje over zware rolsteenen klaterde, was op die plek met zware bamboe begroeid. Zij rustten even in de schaduw, en zij schepten zich met de hand het koele water naar den happenden mond. Beiden zwegen, het water kletterde van steen op steen en het geluid weerkaatste in het dichte blad der gebogen bamboetoppen, die den hemel afsloten.Maar wat was dat? Een ruischen, in de bamboe tegen de straks te beklimmen helling, brak de stilte; daar bewoog zich een dier, dat blijkbaar doodstil had staan wachten om de beteekenis van de lichte geluiden aan den overkant van het ravijn te begrijpen, maar dat nu weer gerustgesteld was.Dan ratelde een daverend, knerpend schot door de donkere stilte, een bamboe die met ontzaglijke kracht gebroken werd.„Ja, Allah!” kreunde Oesoef zacht; hij zag, dat zijn vader verbleekte,[67]naar zijn geweer greep en hem wenkte om zich met hem achter een groot rotsblok te verschuilen. Zoo wachtten zij. Het geruisen werd sterker, de bamboe’s spetterden, en toen zagen zij op tien meter afstand een reusachtigen olifant, met zware gele tanden, naar het water kuieren, een solitair, uit den troep gestooten door den nieuwen, jongen leider. Vluchten was onmogelijk; trouwens, Karim was den eersten schrik spoedig te boven en hij zag zijn kans.Een ervaren Europeesch jager zou geheel beheerscht zijn door de bange vraag: sta ik wel onder den wind? maar inlandsche jagers realiseeren niet, welk een belangrijke factor dit is, en zij letten er in het schijnbaar volslagen windstille bosch niet op, omdat zij niet weten hoc fijn de reuk van een olifant is. Karim speculeerde slechts op de slechte oogen van het dier, en hij kon dit nu rustig doen, omdat de luchtstroom in het ravijn toevallig gunstig was. Toen de solitair stond te drinken, schoof Karim zich op langs het groote steenblok; hij mikte lang, op een der polsen van het dier; te beproeven met een schot uit zijn voorlader de hersens te raken, zou kruit verspillen en voor hen levensgevaarlijk zijn; de pols is kwetsbaarder, en als het nu maar gelukt een olifant zoodanig kreupel te schieten, dat hij zich moeielijk kan voortslepen, dan kan men hem nòg en nòg eens weer in den pols schieten, totdat hij een makkelijke prooi wordt.Daverend klonk de voorlader, en stil zonk de doodelijk verschrikte reus neer; maar dadelijk stond hij weer op en vluchtte; niet snel echter, want het eene been sleepte. Stralend keken de jagers elkaar aan, maar zij spraken niet, dit wreede spel moest voorzichtig herhaald worden, het ging zoo goed.In twee dagen tijd schoot Karim zijn drie kogels in dezelfde pols. Maar toch sleepte het dier zich nog voort, den berg af, klimmen was hem niet meer mogelijk.En toen hij nu nòg niet liggen bleef, moest Karim wel besluiten den meneer van Tambang erbij te halen. Hij had nu aanspraken gekregen op dezen olifant met zijn prachtige tanden; hij kon hem gerust verlaten, heel ver kon hij niet meer gaan, en anderen zouden hem zoo diep in het bosch wel niet vinden.[68]Zij keerden naar de kampoeng terug, en twee dagen later kreeg de heer S. op Tambang bezoek van Karim, den jagersman.„Toen Oesoef en ik in ’t bosch waren, ontmoetten wij hem. Ik dacht aan u en heb hem drie schoten in den pols gegeven, en toen ben ik u dadelijk gaan waarschuwen. Als unuzou kunnen gaan, en ik mag mee in uw auto, dan kunnen wij rijden tot kampoeng Ramboetan, en morgen breng ik u langs een boschpad op de snelste manier naar den olifant. Hij kan bijna niet meer loopen.”„Waar is Oesoef?”„Hij kreeg vannacht koorts, wij kwamen laat thuis omdat ik zoo spoedig mogelijk bij u wilde zijn. Ik denk, dat de vermoeienis en de schrik van zijn eerste ontmoeting met een olifant het hem hebben gedaan. Ik heb hem thuis gelaten, maar u neemt zeker nog wel iemand mee?”Ja, dat vond de meneer van Tambang ook. Hij wist bovendien, dat een inlandsen jager ongaarne alleen op avontuur gaat met een witmensch. Hij voelt verantwoordelijkheid, en men kan nooit weten wat er gebeuren kan.„Wij zullen mandoer Amat meenemen, Karim, die kan dan ook ons potje koken; hij kan van alles, al is hij een oude man.”Karim en Oesoef waren den troep dwars door het zware terrein nageloopen; voor S. koos hij nu de route via Ramboetan, veel langer indien men loopen moest, maar per auto een belangrijke bekorting.In Ramboetan werd de nacht doorgebracht. In de vroege morgenuren viel de eerste zware regen van ’t seizoen, het voorspel van den langen regentijd. Toen de zon opging, fonkelden de regendruppels aan de bladeren, een heerlijke, frissche morgen, een goed begin. S. nam zijn zwaren Mauser-karabijn op den schouder, Amat en Karim hadden ieder een vrachtje aan kleeren, eetwaren, wat borden en kook-gerei.Het pad langs de rivier voerde door een jong bosch, dat op gezette tijden door olifanten doorkruist werd; in de laatste week, zoo hadden de kamponglieden verteld, had zich hier geen troep meer vertoond.Op S., die eerst kort op Sumatra was, en nog nooit achter olifanten was geweest, werkten scherp de indrukken in, welke een olifantenterrein op een nieuweling maakt. De wirwar van breede, schoone[69]paden in de ruigte van de wildernis; de onwaarschijnlijk zware, geknakte boomen; de resten van afgescheurde reepen boombast, die wandelend worden verorberd en de richting van den eter aangeven; de ongelooflijke hoogte van schuurplekken aan schuinstaande boomen, het is alles zóó afwijkend van de gewone rust in het bosch, zóó geweldig, dat het aandoet als iets, dat in lang vervlogen tijden moet hebben plaats gehad, iets, dat men wel nimmer zelf zal meemaken. Maar dan zijn er de bewijzen van het reëele, van het onlangs gebeurde, de mestballen. En hier, in dit terrein, lagen zij in soorten, groote en kleine, van oudere en jongere formatie. Van een kort geleden bezoek getuigden de mestballen, waarin padikorrels als op een kweekbed waren opgeschoten, het was duidelijk, dat een aanval was gedaan op de rijstschuren bij de kampong. Soms worden deze geheel vernield, soms weer keurig uitgepompt door een gat, dat een olifant in een der bamboewanden stoot. Er zijn olifanten, die er een speciale sport van maken; eens vergiste zich een stier; een vrouw, die in haar keuken bezig was, zag plotseling een zwaren olifantstand door den wand dringen.De meneer van Tambang stond verrast naar de bolvormige rijst-kweekbedden te kijken.„U vindt dat merkwaardig, maar kijkt u hier eens,” zei Karim.Op een plek, waar een troep blijkbaar gerust had, lag een partij mest van ouderen datum; uit de bal-resten schoten jonge mangga’s op, en van die plek, het bosch in, liep een spoor van overal jonge manggaboompjes.„Maar Karim, hoe is ’t mogelijk, dat er zóóveel mest ligt?”„Ja meneer, dat is altijd zoo. De olifanten hebben zulke groote lichamen, dat zij ontzaglijke hoeveelheden blad en bast en vruchten moeten eten, en de vezels verteren niet en blijven lang liggen. Wij zullen onderweg eens kijken, of er ook gekleurde mestballen zijn; wij kunnen dikwijls daaraan zien, welke bladeren zij gegeten hebben.”Zij verlieten nu het jongere bosch en betraden het oerwoud. De meneer van Tambang haalde de boschlucht diep in; hij genoot, van het bosch, van de verhalen van den ouden jager met zijn eerwaardig gezicht en zijn heldere, pientere oogen.[70]„Laten we even op dezen omgevallen stam gaan zitten en vertel me nog eens uitvoerig wat ge van onzen olifant weet.”„Ik kan u niets meer vertellen dan ik al gedaan heb. O ja, ik vertelde u nog niet van die sporen van zijn tanden in de tebing? Vlak bij de plek, waar hij uit het bamboebosch brak, was aan den ravijnkant een kleine aardstorting, zoodat er een loodrecht stuk wand was ontstaan, eentebingzeggen wij. Nadat hij na mijn eerste schot was weggloopen, ontdekten wij in die tebing de sporen van een van zijn tanden, ik kon mijn voorarm gemakkelijk in ’t gat steken, zóó zwaar zijn z’n tanden.”„Waarom rammen olifanten zulke gaten in den grond?”„Wij zeggen, dat ze zich zoo oefenen in het stooten, zij doen het ook in den paartijd, dan zijn ze erg wild, misschien doen zij het ook in booze buien; u heeft het toch zeker wel dikwijls van stieren gezien, hoe ze den grond met hun horens omwoelen.”Karim greep naar zijn voet, een springbloedzuiger had zich op de wandeling tusschen zijn teenen vastgezet.„Kijk ’s,” zei hij, „ziet u die daar?”Vóór de voeten van S. stonden, tusschen de bladeren op den grond, twee bloedzuigertjes rechtop, dun nog, dus hongerig en hunkerend naar menschenbloed; het voetje stevig vastgezogen, de rest van het zwarte streepje zwaaiend, wuivend, wild zoekend de goede richting naar de fel begeerde prooi. Een wist het plotseling, en in enkele spanpassen had hij den rand van den schoen beet. Er kwamen er meer, haastig, van verscheiden kanten, verschillend in kleur en dikte, allen ernaar hunkerend om zich tien maal dikker te zuigen aan menschen-bloed.„Karim, ge weet zoo veel, wat eten die beesten toch als zij geen menschenbloed krijgen; vrijwel alle oerwouden moeten er van vergeven zijn en hoe enkele menschen komen er maar. Zij zitten immers nooit op wilde dieren?”„Neen, toean. Wij zeggen, dat ze lucht en humus eten; maar het is wonderlijk, hoe vinden zij ons; zij hebben niet eens oogen of een neus. Hoe ouder en vruchtbaarder het bosch is, hoe meer patjet’s.”„Nu moet ge mij nog iets vertellen. Ik hoorde vannacht, toen ik[71]even wakker was, een geluid, dat uit een boom vlak naast ’t huis waar wij sliepen, kwam; het leek wel een uiltje.”„O, meneer, hebt u dat gehoord?” Karim schrikte.„Ja, wat zou dat?”„O, voor u is dat niks, maar wij vinden het niet prettig, en sommigen zeggen, dat het ongeluk brengt als het boeak-uiltje zoo vlak bij een huis roept. Zij was vroeger een zuster van de maan, en als ze die ziet, roept ze al maar door. Maar dat zijn voor de witmenschen domme verhaaltjes, is ’t niet?… Maar wilt u voor u-zelf eens kijken hoe laat het is, als de zon zóó staat” - en hij wees op den zonnestand van drie uur - „kunnen wij er zoowat zijn”.Het was elf uur. Het terrein begon al steiler te worden; de olifantsporen hadden zich afgebogen, de mannen liepen nu in ongerept oerwoud, alleen het bijna onzichtbare paadje van boschproduktenzoekers, dat zij volgden, sprak van verstoring van de eeuwige rust. Maar veel gebruik werd er niet van gemaakt; nu en dan stond Karim, die vooraan liep, het lange kapmes in de hand, even stil om zich niet te vergissen; hier en daar waren boomen over het paadje gevallen en moest een nieuw pad worden gezocht. Moeielijk was dit niet, in het oerwoud is de bodem gewoonlijk begroeid met lagere planten en struiken, voor zwaren opslag van boomen is de schaduw te overwegend; alleen daar, waar omgevallen boomen een gat hebben gemaakt in het groene dak, roept de zon dichten opslag in het leven, daar hebben gevallen zaden en door vogels overgebrachte vruchtenzaden een goede kans. Boven, in boomholten en in de oksels van takken, doen de vogels hun onopzettelijk werk overal. En het zijn in hetbijzonderde zaden van ficus-vruchten, die zij daar mèt de vruchtbare mest brengen. Slaan deze aan, dan zenden enkele soorten hun wortels naar den bodem, en zij worden straks pilaren; andere omwikkelen er den gastvrijen boom mee, en het slot voor alle moederboomen is, dat zij vroeg of laat verstikt worden en ten onder gaan. Zóó ontstaan trotsche, rechtstammige reuzen, ficusboomen wier kroon een kwart hectare beslaat, maar ook die wonderlijke à jour-stammen, een netwerk van wortels met een kern van wegrottend hout, het overblijfsel[72]van de oude moederboom, die den parasiet niet kon afschudden.„Kijk eens, meneer, hoe deze groote boom gewurgd is; wij zeggen van iemand, die geleend geld niet terugbetaalt en daardoor zijn weldoener ongelukkig maakt: hij leent als de ficus.” Zoo wees Karim den toean van Tambang de reuzen van het woud; maar de fijne aroma’s van orchideeën en van boom-bloesems, waarmee de grond hier en daar bedekt was, ontgingen hem; ook trof het hem, den man van alle-dag-in-het-bosch, niet, hoe zoo nu en dan een vogeltrek de plechtige stilte verbrak, het fluiten en tjilpen van vogels van allerlei soorten en grootte, die zelf hun verbazing uitschetterden van zich vereenigd te zien, met een doel dat voor den mensch verborgen is.Een enkele maal vloog een neushoornvogel hoog over de dichte boomtoppen; men zag hem niet met zijn langgerekten hals en den rooden snavelkroon, maar het sjoep-sjoep van den vleugelslag domineerde het bosch geheel; zelfs een oewir-oewir, de eeuwig snerpende cicade, die alleen maar zijn liedje zeurig eindigt om, tastend naar den goeden toon, weer te beginnen, zelfs hij werd geïmponeerd en wachtte, tot dat wonderlijke, rhytmische geluid uit den hooge vervaagd was.„Wat is dàt, Karim?”Van de overzijde van bet diepe ravijn, waarlangs het paadje voerde, kwam een nieuw geluid. Oeüw, oeüw …, klonk het galmend, eerst langzaam, dan sneller en sneller, en plotseling, heel onverwachts, klonk een zuiver menschelijke stem, die „waaa!!” riep; dan viel een geheelorkestvroolijk in, en het concert eindigde met haastige stootjes, die al zwakker werden.„Dat zijn siamang’s meneer, kent u die dan niet?”„Neen, ik ben altijd op Java geweest, daar heb ik dit nooit gehoord, en dit is mijn eerste dag in de rimba.”„Zie,” zei Karim, „daar zitten ze, ze hebben ons zeker gezien.”In de kroon van een der grootste boomen aan den overkant, zaten en hingen en zwaaiden een tiental zwarte gibbons, die groote staartlooze apen, wier embryologische ontwikkeling zoozeer gelijkt op die van den mensch.„Maken die apen zóó’n geluid?Apen?”[73]„Ja meneer, alleen de kleinere apen zonder staart, de oengko’s gillen ook zoo, maar dat is een veel hooger geluid en niet zoo mooi.”„Maar dat ééne geluid, net de stem van een mensch, doen zij dat ook?”„Ja, dat is een ander dan die het roepen begint; dit doet een van de grootsten; zij zetten de huid onder de kin als een blaasbalg op; als wij ze jong vangen, worden ze heel tam, en zij hangen het liefst aan je lichaam; als ze groot worden, maken ze dat geluid ook en je hoort het in de heele kampong. Maar nu mogen we niet langer stilstaan meneer, anders wordt het te laat.”„Karim, vindt ge het ook heerlijk in het oerwoud?”„Och, meneer, ik ben mijn heele leven in het bosch geweest.”„Ja maar, heb je dan niet het gevoel, dat het eigenlijk nergens zoo heerlijk, zoo mooi is als hier?”Karim glimlachte en keek wat verbaasd.„Toean, ’t is altijd zóó geweest, ik weet niet anders of de rimba is de rimba. Maar ik zou dood gaan, als ik in een stad moest wonen, daar moet je al je etenkoopen.”Nu glimlachte de witmensch, maar hij voelde, dat Karim hem moeielijk kon vatten; voor hem, den nieuweling, was deze dag een openbaring, hij was volkomen gepakt door de geweldige bekoring van het oerwoud.Maar zij moesten voort, hij haalde diep adem, vooruit! Ginds wachtten nieuwe emotie’s. Na eenige uren zagen zij licht tusschen de boomen, zij trokken nu door jonger bosch, een vlak terrein, waar enkele jaren geleden de ladang’s waren van een kleine nederzetting aan den bovenloop der rivier.„Nu voorzichtig,” zei Karim, „wij zijn niet ver meer van de plek waar ik hem verlaten heb, hij kan onmogelijk ver zijn.”Karim had niet gerekend op de taaiheid van zijn olifant. Wel vonden zij de plek, waar hij het arme dier met zijn derden kogel gepijnigd had, ook resten van bast en takken, en mestballen, maar geen olifant. Het terrein was wederom een plaats van geregeld festijn van olifanten, overal waren open plekken, en hier en daar lagen modderige plassen, het had hier in de bergen blijkbaar dagenlang geregend. Karim was teleurgesteld.[74]„Meneer, blijft u met Amat hier, ik zal zijn spoor wel vinden.”„Laten we dan eerst wat eten, Karim, wij hebben nog rijst van vanmorgen.”„Dank u meneer, ik moet hem wel gauw vinden, eet u maar samen,” en onhoorbaar sloop de brave weg, met het onafscheidelijk kapmes als eenig wapen.Amat en zijn baas onderzochten den etensdrager en vonden er genoeg naar hun gading; een halfvergane boomstam, droevig restant van het oorspronkelijke bosch, diende als bank en tafel.Zij spraken zacht, het was best mogelijk, dat de solitair in de buurt was.Het jonge bosch leek in geen enkel opzicht op het oerwoud, dat achter hen lag. Hier was het saai; waar de bodem niet door de olifanten was beloopen, was alles zwaar begroeid met kreupelhout en allerlei opslag. Ook wilde bananen waren opgeschoten in het felle zonlicht, en groote struiken van djilatang, den boombrandetel; voor den mensch is de aanraking van de bloote huid met zijn bladeren funest, maar insecten vreten er rustig ronde gaatjes in; bij voorliefde zou men zeggen, er zijn weinig andere bladeren in de wildernis, die zoo algemeen de belangstelling van de insecten hebben. En overal waren poear’s opgeschoten, die gemberachtigen met hun merkwaardige bloemen, van enkele soorten op lange stelen, van andere plat op den grond, roode en rood-en-gele sterren; en de lange bladstelen met de donkere, glanzende bladeren, die zich zoo goed leenen voor dakbedekking van bivakjes voor enkele dagen, schoten steil op, tien meter hoog soms.Eén enkele calanthe was een sieraad in den groenen chaos; zij hadden deze aardorchidee ook in het bosch gezien, maar die soort heeft onaanzienlijke bloemen, die eigenlijk niet ontluiken; deze hier droeg een prachtigen tros van witte bloemen aan een langen stengel, opschietend tusschen haar matgroene, breede bladeren.„Die zullen we meenemen, meneer, ik was vroeger djongos bij een mevrouw in Batavia, die had een heele rij van deze bloemen in de voorgalerij, en ik splitste de wortels en we kregen steeds meer bloemen, en mevrouw maakte er prachtige bouquetten van.”[75]Amat stond op en liep naar de calanthe, maar een knappend geluid van dor hout deed hem bevroren stilstaan.Het was Karim maar. „En?”…Karim was zichtbaar opgewonden. „Gaat u gauw mee, meneer,” fluisterde hij, „hij kon nog vrij goed loopen maar niet klimmen, en daarom kon hij den bergrug niet op, die tot aan de rivier om dit vlakke terrein loopt; hierheen!”„Heb je hem gezien?”Karim knikte slechts, hij was zóó zichtbaar onder den indruk, dat den blanken jager een lichte huiver langs den ruggegraat liep. Hoe verder zij kwamen, hoe meer bleek het geheele terrein door den opgesloten solitair te zijn „afgegraasd”, overal geknakte jonge boomen en slierten van bast, die hij verspillend had laten liggen. Vooral semantoeng-boomen (ficus alba), waar ook de tapirs zoo verzot op zijn, had de olifant uitverkoren; rondom ravage.„Heeft die olifant dat alles alléén gedaan?”Weer knikte Karim en beduidde den meneer van Tambang niet meer te spreken en voorzichtig te loopen. Zij slopen voort.De stekende namiddagzon brandde fel in dit lage bosch; de nieuweling vond het er benauwd warm, maar inwendig was ook een vuurtje gaan branden, de spanning en de huiver van de jacht op het allergrootste wild, waaraan bijna niemand ontkomt.Plotseling kwam het sein.In de benauwende stilte kraakte hout en een boom plofte neer, een paar honderd meter vóór hen. Karim stond plotseling stil en greep zijn toean bij den arm. Hij glimlachte zuurtjes; zelfs voor hem, oude jagersman, was dit bekende geluid nog ontstellend. Men rekent er op, men wacht, wacht, en hoopt, en als het plotseling komt, alsHijzich aankondigt in zijn ontzettende kracht, dan staat het bloed even stil.S. nam de geladen buks van den schouder. Ook hij was overweldigd door den schok, maar nu laaide het sportvuur op, en Karim moest hem tegenhouden toen hij vooruit schoot.Langzaam, voorzichtig gingen zij verder, Amat mocht achter blijven, op zóóiets was de brave man niet ingeschoten.[76]De solitair waande zich alleen en veilig. De arme drommel leed, maar het eten ging hem nog goed af. Hij stond aan den voet van den bergwand, den rand van het oerwoud tevens; van een der groote boomen hing een liaan neer, een rotan, hij trok die met zijn slurf verder naar beneden en smulde van de jonge uitspruitsels, alsof er geen rotandorens bestonden; dit smaakte hem nog beter dan de bast van den pas gevelden jongen boom.Zoo zagen de twee mannen hem met zijn reusachtige tanden, geen dertig meter van hen verwijderd.Maar zij waren beiden lang niet uitgeleerd in den kamp tegen den grootste aller viervoeters; hij kreeg hun lucht en draaide zich plotseling naar hen toe. Karim schoot weg ergens in de ruigte, maar zijn toean zag zijn kans en legde rustig aan op den geweldigen kop, toen de stier, hinkend in een sukkeldrafje, op hen afkwam; zonder schetterende geluiden, maar doelbewust; de solitair kwam zich wreken.Toen hij tot tien meter genaderd was, knetterde de Mauser een scherpen zweepslag door het bosch; het grauwzwarte reuze-lichaam stortte in de knieën, midden in een plas modder. De blijde jager deed wat zoovele nieuwelingen vóór hem hebben gedaan en wat nog zoovelen zal berouwen: hij vloog in felle jachtkoorts op zijn buit toe.Hij heeft nimmer kunnen zeggen, hoe het eigenlijk gebeurde, hij zag een gevaarte bliksemsnel voor zich oprijzen en voelde in den nek iets zachts, dat groot en kil was. Eerst later begreep hij, dat het de omhelzing was van een slurf en herinnerde hij zich een verschrikkelijken gil gehoord te hebben, die niet van den solitair kwam,… dàn een hevige slag …Toen S. weer wist nog te leven, voelde hij, dat hij op den rug lag in kleffe, diepe modder, en dat een verschrikkelijk gewicht op zijn rechterdij drukte; en toen hij de oogen opende, keek hij recht in een paar valsche oogen, een lange tand raakte bijna zijn gezicht. Hij zag nu ook, dat de olifant den rechter voorpoot op zijn dij had gezet. Nu trok het dier zijn poot slepend heen en weer, steeds over de half verpletterde dij. Wat wilde het dier toch? als het die bemodderde poot maar niet op zijn gezicht zette! Inderdaad, dat scheen het doel; langzaam-aan schuivend,[77]over de borst, naderde de dreigende kolom het gezicht van het slachtoffer, en nu drukte hij het geheele hoofd in de modder …In zulke oogenblikken wordt een mensch soms plotseling vreemd helder, zijn zenuwen brengen hem in een opwinding, die hem los maakt van het stoffelijke.Het slachtoffer had plotseling lust om te lachen, immers: wat zou er nu gebeuren? hij dacht aan een kokosnoot onder een stoomhamer, zou het ding nu uit elkaar spatten? „krak”! of „pang”?!Maar de modder werkte veerend; hij meende wel een licht kraken te voelen, maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst, en toen hij de modderoogen weer open kon krijgen, zag hij, dat de olifant nog in dezelfde positie stond. De poot schoof nu over zijn borst; het dier stond er niet met zijn volle gewicht op, hij zwengelde er maar voortdurend als besluiteloos mee heen en weer. Maar het werd verschrikkelijk, de jager meende zeker te weten, dat zijn dij al lang gebroken was, dat nu al zijn ribben afknapten. Maakte het dier er maar een eind aan! Maar nu verplaatste de folterende poot zich naar de maagstreek van het slachtoffer, en walste hem plat, zoodat de inwendige mensch naar alle richtingen uitgeperst werd …Vreemd, hij werd zijn bestaan wéér bewust, en wist dat hij dus nògal niet dood was.Maar nu voelde hij, dat aan zijn voeten getrokken werd … een nieuwe foltering, hij kon het niet meer dragen en sloot zijn oogen.Maar het trekken duurde voort, zacht, behoedzaam; welke duivelsche grappen haalde het dier nu met hem uit?„Toean! Toean!” fluisterde een angstige stem.„Karim?” hoorde hij een heesche stem vragen.„Ja Allah, toean! leeft u nog?”„Maar waar is de olifant?”„Naast u, meneer, dood!”Hij kwam pas weer tot bewustzijn in het ziekenhuis op zijn eigen onderneming; en naast zijn bed, tegen den wand, stonden twee reusachtige olifantstanden.[78]Eerst weken later mochten Karim en Amat hem vertellen, hoe zij hem voorzichtig op een snel gemaakte draagbaar hadden vervoerd; twee nachten en twee dagen hadden zij met den bewusteloozen man in het bosch doorgebracht, en zij hadden ’s nachts een afdakje van bladeren boven hem gemaakt en groote vuren gebrand van doode takken, om de tijgers uit de buurt te houden.Eén van de tanden zag ik later bij den meneer van Tambang, toen een knappe dokter alle beenderen en botjes zóó goed geordend had, dat hij weer staan en gaan kon; de andere hing aan den wand in Karim’s woning.„Wat die olifant bezield heeft? Ik weet het nog niet; Karim zegt, dat het dier op dien eenen poot, den gewonde, niet staan kon; maar mijn dokter denkt, dat ik dàt randgedeelte van de hersens geraakt heb, dat zijn pooten, of dien eenen gewonden poot, beheerschte, en dat de dood eerst na enkele minuten intrad; ik heb daar geen verstand van en de heele affaire lijkt mij wel een half uur geduurd te hebben, maar het zal wel zoo zijn; en juist op het moment, dat het dier mij begon te walsen, moet hij omgevallen zijn.”„Ge hebt wel een harde eerste les gehad!”„Dat heb ik. Maar wat ik óók heb ondervonden, is de trouw van mijn kameraden, de trouw van een man voor een man, het hoogste goed; en dat is mij alle ellende wel waard.”Ornament met cicade.[79]1een cultuuronderneming.↑

VII.ONDER DEN VOORPOOT VAN EEN OLIFANT

Het had den vorigen avond sterk geweerlicht, de mannen van het dorp waren er dan ook van overtuigd, dat er ergens in de buurt olifanten moesten zijn, al was het vroeg in den tijd.Wat daar telkens even flikkert aan den hemel, stil, zonder eenig gerommel, is immers de weerschijn van het ivoor der olifantstieren. Maar men had in de naaste omstreken nog geen sporen gevonden; wel waren er berichten uit de oeloe, den bovenloop der rivier, dat de olifanten er zich dit jaar vroeger hadden vertoond dan gewoonlijk.In den vroegen morgen lichtte een kleine jongen een vischfuik, die aan den rivieroever was opgesteld, enkele kilometers bovenstrooms van het dorp, en parmantig stapte hij met den buit naar huis. Maar plotseling liet hij de visch vallen en rende terug naar het dorp … op bet pad bij de rivier had hij ’t rookende „visitekaartje” van een olifant zien liggen, de mestballen, ter grootte van een babyhoofd, die de tegenwoordigheid van de Grooten van het woud verraden. Dampend nog! hoe dicht dus was hij het dier, misschien een kudde gepasseerd.Nu waarschuwde men elkaar, snel werden alle omheiningen van de bouwvelden nog eens terdege nagezien. Tegen het wilde varken, den grootsten vijand van den inlandschen landbouwer, kan men volstaan met een dichte, lage heg; en als aan den buitenkant een sloot wordt gegraven met steil afgestoken kanten, zijn de aanplantingen veilig voor den knorrenden wroeter. Maar in de olifantstreken is het zaak de omheiningen hoog en zwaar te maken. Nog dikker maakte men nu den wal van zware takken en stronken; dit waren de overblijfsels[64]van wat enkele maanden geleden nog zwaar bosch was, gekapt na den regentijd en in den drogen moesson zooveel mogelijk opgebrand, waarna de humusrijke bodem den rijstkorrel kan ontvangen.Een oude, tanige vrouw, die aan den uitersten rand der kampong woonde en die buiten het wereldsch gedoe was komen te staan, had van de waarschuwing niets gemerkt; zij slofte haar dagelijkschen gang naar den boschrand om wat hout te sprokkelen, dat kon de eenzame nog wel dragen. Ginds hadden haar man en zij, dadelijk na hun huwelijk, ook een ladang gehad, een rijstveld zóó vruchtbaar, dat zij er drie jaar achtereen een goeden oogst hadden gehad. En zij hadden er het laatste jaar zooveel doerianpitten geplant, dat er een zwaar doerianbosch was opgegroeid, zoodat de jongere generatie dezen grond verder had ontzien. Of de eerste vruchten al afvielen? dan moesten de kleinkinderen er snel een hutje bouwen en er de wacht houden, want iedereen is verzot op doerians, menschen en dieren, en op de markt brengen zij heel wat op.Waarlijk, bij dien stam, tusschen de overal opgeschoten struiken, lag al een gélende, groote vrucht; gelukkig, dat ’t nog niet de olifantentijd was, de geweldige dorens, waaraan de vrucht haar naam ontleent, zijn voor deze dieren geen bezwaar.Juist reikte de hand van het oudje naar de begeerlijke vrucht, toen uit de lucht, langs den boom, iets als een loodkleurige reuzeslang neerkwam, en toen zij opkeek, zag zij langs een olifantenslurf de ondeugende oogen valsch lachen, en zij zag nòg een dier en nòg een … zij was doodgemoedereerd midden in een kudde gewandeld.Niet alleen waanzinnige angst, ook razernij omdat de doerian haar betwist werd, gaven het oude mensch de kracht en de bezieling tot een akeligen, loeienden gil. De olifanten schalmeiden in snerpend gedaver terug, zoodat in de kampong de spelende kinderen opschrikten en het geblaf en gekijf der gladakkers even verstomde. Maar het nare geloei was hun toch te machtig, en stil hobbelden zij weg naar rustiger oorden.De oude Karim, de groote jagersman in deze landstreek, inspecteerde dien dag zijn arsenaal. Het buskruitmagazijn was nog goed gevuld; uit het vaatje buskruit, dat door den besturenden ambtenaar[65]aan het distriktshoofd was verstrekt ter uitroeiing van schadelijk gedierte, was aan Karim niet minder dan twee flesschen vol toegewezen, en hij had ze voorzichtig in den grond begraven; dat kruit was best en niet duur, want het kwam uit den militairen voorraad, op aanvraag van den controleur; vroeger, toen men het achterbaks moest zien te krijgen, werden de Inlanders geducht afgezet door Chineezen of Maleische handelaars. Met z’n kogels stond het minder goed. In het zakje, bruinberookt aan den keukenwand hangend, vond Karim nog maar drie kogels, die in zijn voorlader pasten; ook nog een paar ijzeren moeren en boutjes, die hij van een werkman van den waterstaat had overgenomen toen hij „in de stad” een jongen beer had verkocht, die in een hertestrik verdwaald was. Die boutjes waren heel best om er een slapenden tijger mee in het hart te schieten, maar voor het één-centimeter pantser van een olifant deugden zij niet.„Vader,” zei zijn zoon Oesoef, „ge moet den nieuwen meneer van Tambang1nog eens wat puntkogels vragen, hij hoopt altijd nog, dat u hem eens een olifant laat schieten, hij geeft ze u stellig.”„Hai! daar zeg je wat. We zullen naar Tambang gaan en meneer waarschuwen, dat er olifanten zijn, ik heb het hem moeten beloven; ik krijg dan stellig mijn puntkogels, en misschien kan meneer nu wel mee; als hij een stier kan schieten, krijg ik een goed cadeautje.”„Vader, je hebt nog drie kogels, laten wij zelf eerst eens gaan zien; als ge een grooten stier schiet, zonder meneer, is toch de volle waarde van de tanden voor ons alleen.”En zoo gingen zij den volgenden morgen samen op pad. Maar de troep was wonderlijk opgeschrikt, eerst na drie dagen lang de sporen te zijn gevolgd, diep de bergen in, hoorden Karim en zijn zoon het bekende vreugdebrullen en het vallen van boomen … de ouverture van vrijwel elk jachtavontuur, waarin mensch en olifant een rol spelen. Zij beslopen den troep, niet om dadelijk te schieten; een inlandsen jager weet heel goed welke kansen zijn hachje loopt, als hij met zijn voorlader als openlijk aanvaller optreedt. Zij zochten een zwaren,[66]beklimbaren boom uit en wachtten, spiedend op een veiligen tak. Zij troffen het, de troep trok op korten afstand onder hen door, zij telden zes koeien en een volwassen maar nog jongen stier met weinig ivoor; gezellig oorflappend en met diepe, inwendige geluiden, kuierde het gezelschap langzaam voort. Toen het bosch weer stil was, lieten de jagers zich afglijden; Karim was zeer teleurgesteld, zoo’n stier was de moeite niet waard.„Wij zullen hun nog eens den weg afsnijden Oesoef, misschien hebben wij niet den heelen troep gezien.”Met een grooten omweg trokken zij snel op, om de kudde vóór te komen. De dieren wandelden een uitlooper van den berg af, langs een vrij diep ravijn. Het lag voor de hand in dit ravijn neer te dalen, de overliggende helling weer te beklimmen en aan den overkant de richting te volgen evenwijdig aan die, waarin de kudde liep; zij konden daar sneller loopen, zonder de olifanten op te schrikken.Maar het neerdalen in het ravijn moest zoo stil mogelijk geschieden, het kon zijn, dat de kudde nog in de buurt was.Als schaduwen gleden de mannen op hun lenige, bloote voeten de helling af, elk dood takje moest vermeden worden, alleen niet-zwiepende boomen dienden bij de afdaling tot steun. De bedding van het ravijn, waar een beekje over zware rolsteenen klaterde, was op die plek met zware bamboe begroeid. Zij rustten even in de schaduw, en zij schepten zich met de hand het koele water naar den happenden mond. Beiden zwegen, het water kletterde van steen op steen en het geluid weerkaatste in het dichte blad der gebogen bamboetoppen, die den hemel afsloten.Maar wat was dat? Een ruischen, in de bamboe tegen de straks te beklimmen helling, brak de stilte; daar bewoog zich een dier, dat blijkbaar doodstil had staan wachten om de beteekenis van de lichte geluiden aan den overkant van het ravijn te begrijpen, maar dat nu weer gerustgesteld was.Dan ratelde een daverend, knerpend schot door de donkere stilte, een bamboe die met ontzaglijke kracht gebroken werd.„Ja, Allah!” kreunde Oesoef zacht; hij zag, dat zijn vader verbleekte,[67]naar zijn geweer greep en hem wenkte om zich met hem achter een groot rotsblok te verschuilen. Zoo wachtten zij. Het geruisen werd sterker, de bamboe’s spetterden, en toen zagen zij op tien meter afstand een reusachtigen olifant, met zware gele tanden, naar het water kuieren, een solitair, uit den troep gestooten door den nieuwen, jongen leider. Vluchten was onmogelijk; trouwens, Karim was den eersten schrik spoedig te boven en hij zag zijn kans.Een ervaren Europeesch jager zou geheel beheerscht zijn door de bange vraag: sta ik wel onder den wind? maar inlandsche jagers realiseeren niet, welk een belangrijke factor dit is, en zij letten er in het schijnbaar volslagen windstille bosch niet op, omdat zij niet weten hoc fijn de reuk van een olifant is. Karim speculeerde slechts op de slechte oogen van het dier, en hij kon dit nu rustig doen, omdat de luchtstroom in het ravijn toevallig gunstig was. Toen de solitair stond te drinken, schoof Karim zich op langs het groote steenblok; hij mikte lang, op een der polsen van het dier; te beproeven met een schot uit zijn voorlader de hersens te raken, zou kruit verspillen en voor hen levensgevaarlijk zijn; de pols is kwetsbaarder, en als het nu maar gelukt een olifant zoodanig kreupel te schieten, dat hij zich moeielijk kan voortslepen, dan kan men hem nòg en nòg eens weer in den pols schieten, totdat hij een makkelijke prooi wordt.Daverend klonk de voorlader, en stil zonk de doodelijk verschrikte reus neer; maar dadelijk stond hij weer op en vluchtte; niet snel echter, want het eene been sleepte. Stralend keken de jagers elkaar aan, maar zij spraken niet, dit wreede spel moest voorzichtig herhaald worden, het ging zoo goed.In twee dagen tijd schoot Karim zijn drie kogels in dezelfde pols. Maar toch sleepte het dier zich nog voort, den berg af, klimmen was hem niet meer mogelijk.En toen hij nu nòg niet liggen bleef, moest Karim wel besluiten den meneer van Tambang erbij te halen. Hij had nu aanspraken gekregen op dezen olifant met zijn prachtige tanden; hij kon hem gerust verlaten, heel ver kon hij niet meer gaan, en anderen zouden hem zoo diep in het bosch wel niet vinden.[68]Zij keerden naar de kampoeng terug, en twee dagen later kreeg de heer S. op Tambang bezoek van Karim, den jagersman.„Toen Oesoef en ik in ’t bosch waren, ontmoetten wij hem. Ik dacht aan u en heb hem drie schoten in den pols gegeven, en toen ben ik u dadelijk gaan waarschuwen. Als unuzou kunnen gaan, en ik mag mee in uw auto, dan kunnen wij rijden tot kampoeng Ramboetan, en morgen breng ik u langs een boschpad op de snelste manier naar den olifant. Hij kan bijna niet meer loopen.”„Waar is Oesoef?”„Hij kreeg vannacht koorts, wij kwamen laat thuis omdat ik zoo spoedig mogelijk bij u wilde zijn. Ik denk, dat de vermoeienis en de schrik van zijn eerste ontmoeting met een olifant het hem hebben gedaan. Ik heb hem thuis gelaten, maar u neemt zeker nog wel iemand mee?”Ja, dat vond de meneer van Tambang ook. Hij wist bovendien, dat een inlandsen jager ongaarne alleen op avontuur gaat met een witmensch. Hij voelt verantwoordelijkheid, en men kan nooit weten wat er gebeuren kan.„Wij zullen mandoer Amat meenemen, Karim, die kan dan ook ons potje koken; hij kan van alles, al is hij een oude man.”Karim en Oesoef waren den troep dwars door het zware terrein nageloopen; voor S. koos hij nu de route via Ramboetan, veel langer indien men loopen moest, maar per auto een belangrijke bekorting.In Ramboetan werd de nacht doorgebracht. In de vroege morgenuren viel de eerste zware regen van ’t seizoen, het voorspel van den langen regentijd. Toen de zon opging, fonkelden de regendruppels aan de bladeren, een heerlijke, frissche morgen, een goed begin. S. nam zijn zwaren Mauser-karabijn op den schouder, Amat en Karim hadden ieder een vrachtje aan kleeren, eetwaren, wat borden en kook-gerei.Het pad langs de rivier voerde door een jong bosch, dat op gezette tijden door olifanten doorkruist werd; in de laatste week, zoo hadden de kamponglieden verteld, had zich hier geen troep meer vertoond.Op S., die eerst kort op Sumatra was, en nog nooit achter olifanten was geweest, werkten scherp de indrukken in, welke een olifantenterrein op een nieuweling maakt. De wirwar van breede, schoone[69]paden in de ruigte van de wildernis; de onwaarschijnlijk zware, geknakte boomen; de resten van afgescheurde reepen boombast, die wandelend worden verorberd en de richting van den eter aangeven; de ongelooflijke hoogte van schuurplekken aan schuinstaande boomen, het is alles zóó afwijkend van de gewone rust in het bosch, zóó geweldig, dat het aandoet als iets, dat in lang vervlogen tijden moet hebben plaats gehad, iets, dat men wel nimmer zelf zal meemaken. Maar dan zijn er de bewijzen van het reëele, van het onlangs gebeurde, de mestballen. En hier, in dit terrein, lagen zij in soorten, groote en kleine, van oudere en jongere formatie. Van een kort geleden bezoek getuigden de mestballen, waarin padikorrels als op een kweekbed waren opgeschoten, het was duidelijk, dat een aanval was gedaan op de rijstschuren bij de kampong. Soms worden deze geheel vernield, soms weer keurig uitgepompt door een gat, dat een olifant in een der bamboewanden stoot. Er zijn olifanten, die er een speciale sport van maken; eens vergiste zich een stier; een vrouw, die in haar keuken bezig was, zag plotseling een zwaren olifantstand door den wand dringen.De meneer van Tambang stond verrast naar de bolvormige rijst-kweekbedden te kijken.„U vindt dat merkwaardig, maar kijkt u hier eens,” zei Karim.Op een plek, waar een troep blijkbaar gerust had, lag een partij mest van ouderen datum; uit de bal-resten schoten jonge mangga’s op, en van die plek, het bosch in, liep een spoor van overal jonge manggaboompjes.„Maar Karim, hoe is ’t mogelijk, dat er zóóveel mest ligt?”„Ja meneer, dat is altijd zoo. De olifanten hebben zulke groote lichamen, dat zij ontzaglijke hoeveelheden blad en bast en vruchten moeten eten, en de vezels verteren niet en blijven lang liggen. Wij zullen onderweg eens kijken, of er ook gekleurde mestballen zijn; wij kunnen dikwijls daaraan zien, welke bladeren zij gegeten hebben.”Zij verlieten nu het jongere bosch en betraden het oerwoud. De meneer van Tambang haalde de boschlucht diep in; hij genoot, van het bosch, van de verhalen van den ouden jager met zijn eerwaardig gezicht en zijn heldere, pientere oogen.[70]„Laten we even op dezen omgevallen stam gaan zitten en vertel me nog eens uitvoerig wat ge van onzen olifant weet.”„Ik kan u niets meer vertellen dan ik al gedaan heb. O ja, ik vertelde u nog niet van die sporen van zijn tanden in de tebing? Vlak bij de plek, waar hij uit het bamboebosch brak, was aan den ravijnkant een kleine aardstorting, zoodat er een loodrecht stuk wand was ontstaan, eentebingzeggen wij. Nadat hij na mijn eerste schot was weggloopen, ontdekten wij in die tebing de sporen van een van zijn tanden, ik kon mijn voorarm gemakkelijk in ’t gat steken, zóó zwaar zijn z’n tanden.”„Waarom rammen olifanten zulke gaten in den grond?”„Wij zeggen, dat ze zich zoo oefenen in het stooten, zij doen het ook in den paartijd, dan zijn ze erg wild, misschien doen zij het ook in booze buien; u heeft het toch zeker wel dikwijls van stieren gezien, hoe ze den grond met hun horens omwoelen.”Karim greep naar zijn voet, een springbloedzuiger had zich op de wandeling tusschen zijn teenen vastgezet.„Kijk ’s,” zei hij, „ziet u die daar?”Vóór de voeten van S. stonden, tusschen de bladeren op den grond, twee bloedzuigertjes rechtop, dun nog, dus hongerig en hunkerend naar menschenbloed; het voetje stevig vastgezogen, de rest van het zwarte streepje zwaaiend, wuivend, wild zoekend de goede richting naar de fel begeerde prooi. Een wist het plotseling, en in enkele spanpassen had hij den rand van den schoen beet. Er kwamen er meer, haastig, van verscheiden kanten, verschillend in kleur en dikte, allen ernaar hunkerend om zich tien maal dikker te zuigen aan menschen-bloed.„Karim, ge weet zoo veel, wat eten die beesten toch als zij geen menschenbloed krijgen; vrijwel alle oerwouden moeten er van vergeven zijn en hoe enkele menschen komen er maar. Zij zitten immers nooit op wilde dieren?”„Neen, toean. Wij zeggen, dat ze lucht en humus eten; maar het is wonderlijk, hoe vinden zij ons; zij hebben niet eens oogen of een neus. Hoe ouder en vruchtbaarder het bosch is, hoe meer patjet’s.”„Nu moet ge mij nog iets vertellen. Ik hoorde vannacht, toen ik[71]even wakker was, een geluid, dat uit een boom vlak naast ’t huis waar wij sliepen, kwam; het leek wel een uiltje.”„O, meneer, hebt u dat gehoord?” Karim schrikte.„Ja, wat zou dat?”„O, voor u is dat niks, maar wij vinden het niet prettig, en sommigen zeggen, dat het ongeluk brengt als het boeak-uiltje zoo vlak bij een huis roept. Zij was vroeger een zuster van de maan, en als ze die ziet, roept ze al maar door. Maar dat zijn voor de witmenschen domme verhaaltjes, is ’t niet?… Maar wilt u voor u-zelf eens kijken hoe laat het is, als de zon zóó staat” - en hij wees op den zonnestand van drie uur - „kunnen wij er zoowat zijn”.Het was elf uur. Het terrein begon al steiler te worden; de olifantsporen hadden zich afgebogen, de mannen liepen nu in ongerept oerwoud, alleen het bijna onzichtbare paadje van boschproduktenzoekers, dat zij volgden, sprak van verstoring van de eeuwige rust. Maar veel gebruik werd er niet van gemaakt; nu en dan stond Karim, die vooraan liep, het lange kapmes in de hand, even stil om zich niet te vergissen; hier en daar waren boomen over het paadje gevallen en moest een nieuw pad worden gezocht. Moeielijk was dit niet, in het oerwoud is de bodem gewoonlijk begroeid met lagere planten en struiken, voor zwaren opslag van boomen is de schaduw te overwegend; alleen daar, waar omgevallen boomen een gat hebben gemaakt in het groene dak, roept de zon dichten opslag in het leven, daar hebben gevallen zaden en door vogels overgebrachte vruchtenzaden een goede kans. Boven, in boomholten en in de oksels van takken, doen de vogels hun onopzettelijk werk overal. En het zijn in hetbijzonderde zaden van ficus-vruchten, die zij daar mèt de vruchtbare mest brengen. Slaan deze aan, dan zenden enkele soorten hun wortels naar den bodem, en zij worden straks pilaren; andere omwikkelen er den gastvrijen boom mee, en het slot voor alle moederboomen is, dat zij vroeg of laat verstikt worden en ten onder gaan. Zóó ontstaan trotsche, rechtstammige reuzen, ficusboomen wier kroon een kwart hectare beslaat, maar ook die wonderlijke à jour-stammen, een netwerk van wortels met een kern van wegrottend hout, het overblijfsel[72]van de oude moederboom, die den parasiet niet kon afschudden.„Kijk eens, meneer, hoe deze groote boom gewurgd is; wij zeggen van iemand, die geleend geld niet terugbetaalt en daardoor zijn weldoener ongelukkig maakt: hij leent als de ficus.” Zoo wees Karim den toean van Tambang de reuzen van het woud; maar de fijne aroma’s van orchideeën en van boom-bloesems, waarmee de grond hier en daar bedekt was, ontgingen hem; ook trof het hem, den man van alle-dag-in-het-bosch, niet, hoe zoo nu en dan een vogeltrek de plechtige stilte verbrak, het fluiten en tjilpen van vogels van allerlei soorten en grootte, die zelf hun verbazing uitschetterden van zich vereenigd te zien, met een doel dat voor den mensch verborgen is.Een enkele maal vloog een neushoornvogel hoog over de dichte boomtoppen; men zag hem niet met zijn langgerekten hals en den rooden snavelkroon, maar het sjoep-sjoep van den vleugelslag domineerde het bosch geheel; zelfs een oewir-oewir, de eeuwig snerpende cicade, die alleen maar zijn liedje zeurig eindigt om, tastend naar den goeden toon, weer te beginnen, zelfs hij werd geïmponeerd en wachtte, tot dat wonderlijke, rhytmische geluid uit den hooge vervaagd was.„Wat is dàt, Karim?”Van de overzijde van bet diepe ravijn, waarlangs het paadje voerde, kwam een nieuw geluid. Oeüw, oeüw …, klonk het galmend, eerst langzaam, dan sneller en sneller, en plotseling, heel onverwachts, klonk een zuiver menschelijke stem, die „waaa!!” riep; dan viel een geheelorkestvroolijk in, en het concert eindigde met haastige stootjes, die al zwakker werden.„Dat zijn siamang’s meneer, kent u die dan niet?”„Neen, ik ben altijd op Java geweest, daar heb ik dit nooit gehoord, en dit is mijn eerste dag in de rimba.”„Zie,” zei Karim, „daar zitten ze, ze hebben ons zeker gezien.”In de kroon van een der grootste boomen aan den overkant, zaten en hingen en zwaaiden een tiental zwarte gibbons, die groote staartlooze apen, wier embryologische ontwikkeling zoozeer gelijkt op die van den mensch.„Maken die apen zóó’n geluid?Apen?”[73]„Ja meneer, alleen de kleinere apen zonder staart, de oengko’s gillen ook zoo, maar dat is een veel hooger geluid en niet zoo mooi.”„Maar dat ééne geluid, net de stem van een mensch, doen zij dat ook?”„Ja, dat is een ander dan die het roepen begint; dit doet een van de grootsten; zij zetten de huid onder de kin als een blaasbalg op; als wij ze jong vangen, worden ze heel tam, en zij hangen het liefst aan je lichaam; als ze groot worden, maken ze dat geluid ook en je hoort het in de heele kampong. Maar nu mogen we niet langer stilstaan meneer, anders wordt het te laat.”„Karim, vindt ge het ook heerlijk in het oerwoud?”„Och, meneer, ik ben mijn heele leven in het bosch geweest.”„Ja maar, heb je dan niet het gevoel, dat het eigenlijk nergens zoo heerlijk, zoo mooi is als hier?”Karim glimlachte en keek wat verbaasd.„Toean, ’t is altijd zóó geweest, ik weet niet anders of de rimba is de rimba. Maar ik zou dood gaan, als ik in een stad moest wonen, daar moet je al je etenkoopen.”Nu glimlachte de witmensch, maar hij voelde, dat Karim hem moeielijk kon vatten; voor hem, den nieuweling, was deze dag een openbaring, hij was volkomen gepakt door de geweldige bekoring van het oerwoud.Maar zij moesten voort, hij haalde diep adem, vooruit! Ginds wachtten nieuwe emotie’s. Na eenige uren zagen zij licht tusschen de boomen, zij trokken nu door jonger bosch, een vlak terrein, waar enkele jaren geleden de ladang’s waren van een kleine nederzetting aan den bovenloop der rivier.„Nu voorzichtig,” zei Karim, „wij zijn niet ver meer van de plek waar ik hem verlaten heb, hij kan onmogelijk ver zijn.”Karim had niet gerekend op de taaiheid van zijn olifant. Wel vonden zij de plek, waar hij het arme dier met zijn derden kogel gepijnigd had, ook resten van bast en takken, en mestballen, maar geen olifant. Het terrein was wederom een plaats van geregeld festijn van olifanten, overal waren open plekken, en hier en daar lagen modderige plassen, het had hier in de bergen blijkbaar dagenlang geregend. Karim was teleurgesteld.[74]„Meneer, blijft u met Amat hier, ik zal zijn spoor wel vinden.”„Laten we dan eerst wat eten, Karim, wij hebben nog rijst van vanmorgen.”„Dank u meneer, ik moet hem wel gauw vinden, eet u maar samen,” en onhoorbaar sloop de brave weg, met het onafscheidelijk kapmes als eenig wapen.Amat en zijn baas onderzochten den etensdrager en vonden er genoeg naar hun gading; een halfvergane boomstam, droevig restant van het oorspronkelijke bosch, diende als bank en tafel.Zij spraken zacht, het was best mogelijk, dat de solitair in de buurt was.Het jonge bosch leek in geen enkel opzicht op het oerwoud, dat achter hen lag. Hier was het saai; waar de bodem niet door de olifanten was beloopen, was alles zwaar begroeid met kreupelhout en allerlei opslag. Ook wilde bananen waren opgeschoten in het felle zonlicht, en groote struiken van djilatang, den boombrandetel; voor den mensch is de aanraking van de bloote huid met zijn bladeren funest, maar insecten vreten er rustig ronde gaatjes in; bij voorliefde zou men zeggen, er zijn weinig andere bladeren in de wildernis, die zoo algemeen de belangstelling van de insecten hebben. En overal waren poear’s opgeschoten, die gemberachtigen met hun merkwaardige bloemen, van enkele soorten op lange stelen, van andere plat op den grond, roode en rood-en-gele sterren; en de lange bladstelen met de donkere, glanzende bladeren, die zich zoo goed leenen voor dakbedekking van bivakjes voor enkele dagen, schoten steil op, tien meter hoog soms.Eén enkele calanthe was een sieraad in den groenen chaos; zij hadden deze aardorchidee ook in het bosch gezien, maar die soort heeft onaanzienlijke bloemen, die eigenlijk niet ontluiken; deze hier droeg een prachtigen tros van witte bloemen aan een langen stengel, opschietend tusschen haar matgroene, breede bladeren.„Die zullen we meenemen, meneer, ik was vroeger djongos bij een mevrouw in Batavia, die had een heele rij van deze bloemen in de voorgalerij, en ik splitste de wortels en we kregen steeds meer bloemen, en mevrouw maakte er prachtige bouquetten van.”[75]Amat stond op en liep naar de calanthe, maar een knappend geluid van dor hout deed hem bevroren stilstaan.Het was Karim maar. „En?”…Karim was zichtbaar opgewonden. „Gaat u gauw mee, meneer,” fluisterde hij, „hij kon nog vrij goed loopen maar niet klimmen, en daarom kon hij den bergrug niet op, die tot aan de rivier om dit vlakke terrein loopt; hierheen!”„Heb je hem gezien?”Karim knikte slechts, hij was zóó zichtbaar onder den indruk, dat den blanken jager een lichte huiver langs den ruggegraat liep. Hoe verder zij kwamen, hoe meer bleek het geheele terrein door den opgesloten solitair te zijn „afgegraasd”, overal geknakte jonge boomen en slierten van bast, die hij verspillend had laten liggen. Vooral semantoeng-boomen (ficus alba), waar ook de tapirs zoo verzot op zijn, had de olifant uitverkoren; rondom ravage.„Heeft die olifant dat alles alléén gedaan?”Weer knikte Karim en beduidde den meneer van Tambang niet meer te spreken en voorzichtig te loopen. Zij slopen voort.De stekende namiddagzon brandde fel in dit lage bosch; de nieuweling vond het er benauwd warm, maar inwendig was ook een vuurtje gaan branden, de spanning en de huiver van de jacht op het allergrootste wild, waaraan bijna niemand ontkomt.Plotseling kwam het sein.In de benauwende stilte kraakte hout en een boom plofte neer, een paar honderd meter vóór hen. Karim stond plotseling stil en greep zijn toean bij den arm. Hij glimlachte zuurtjes; zelfs voor hem, oude jagersman, was dit bekende geluid nog ontstellend. Men rekent er op, men wacht, wacht, en hoopt, en als het plotseling komt, alsHijzich aankondigt in zijn ontzettende kracht, dan staat het bloed even stil.S. nam de geladen buks van den schouder. Ook hij was overweldigd door den schok, maar nu laaide het sportvuur op, en Karim moest hem tegenhouden toen hij vooruit schoot.Langzaam, voorzichtig gingen zij verder, Amat mocht achter blijven, op zóóiets was de brave man niet ingeschoten.[76]De solitair waande zich alleen en veilig. De arme drommel leed, maar het eten ging hem nog goed af. Hij stond aan den voet van den bergwand, den rand van het oerwoud tevens; van een der groote boomen hing een liaan neer, een rotan, hij trok die met zijn slurf verder naar beneden en smulde van de jonge uitspruitsels, alsof er geen rotandorens bestonden; dit smaakte hem nog beter dan de bast van den pas gevelden jongen boom.Zoo zagen de twee mannen hem met zijn reusachtige tanden, geen dertig meter van hen verwijderd.Maar zij waren beiden lang niet uitgeleerd in den kamp tegen den grootste aller viervoeters; hij kreeg hun lucht en draaide zich plotseling naar hen toe. Karim schoot weg ergens in de ruigte, maar zijn toean zag zijn kans en legde rustig aan op den geweldigen kop, toen de stier, hinkend in een sukkeldrafje, op hen afkwam; zonder schetterende geluiden, maar doelbewust; de solitair kwam zich wreken.Toen hij tot tien meter genaderd was, knetterde de Mauser een scherpen zweepslag door het bosch; het grauwzwarte reuze-lichaam stortte in de knieën, midden in een plas modder. De blijde jager deed wat zoovele nieuwelingen vóór hem hebben gedaan en wat nog zoovelen zal berouwen: hij vloog in felle jachtkoorts op zijn buit toe.Hij heeft nimmer kunnen zeggen, hoe het eigenlijk gebeurde, hij zag een gevaarte bliksemsnel voor zich oprijzen en voelde in den nek iets zachts, dat groot en kil was. Eerst later begreep hij, dat het de omhelzing was van een slurf en herinnerde hij zich een verschrikkelijken gil gehoord te hebben, die niet van den solitair kwam,… dàn een hevige slag …Toen S. weer wist nog te leven, voelde hij, dat hij op den rug lag in kleffe, diepe modder, en dat een verschrikkelijk gewicht op zijn rechterdij drukte; en toen hij de oogen opende, keek hij recht in een paar valsche oogen, een lange tand raakte bijna zijn gezicht. Hij zag nu ook, dat de olifant den rechter voorpoot op zijn dij had gezet. Nu trok het dier zijn poot slepend heen en weer, steeds over de half verpletterde dij. Wat wilde het dier toch? als het die bemodderde poot maar niet op zijn gezicht zette! Inderdaad, dat scheen het doel; langzaam-aan schuivend,[77]over de borst, naderde de dreigende kolom het gezicht van het slachtoffer, en nu drukte hij het geheele hoofd in de modder …In zulke oogenblikken wordt een mensch soms plotseling vreemd helder, zijn zenuwen brengen hem in een opwinding, die hem los maakt van het stoffelijke.Het slachtoffer had plotseling lust om te lachen, immers: wat zou er nu gebeuren? hij dacht aan een kokosnoot onder een stoomhamer, zou het ding nu uit elkaar spatten? „krak”! of „pang”?!Maar de modder werkte veerend; hij meende wel een licht kraken te voelen, maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst, en toen hij de modderoogen weer open kon krijgen, zag hij, dat de olifant nog in dezelfde positie stond. De poot schoof nu over zijn borst; het dier stond er niet met zijn volle gewicht op, hij zwengelde er maar voortdurend als besluiteloos mee heen en weer. Maar het werd verschrikkelijk, de jager meende zeker te weten, dat zijn dij al lang gebroken was, dat nu al zijn ribben afknapten. Maakte het dier er maar een eind aan! Maar nu verplaatste de folterende poot zich naar de maagstreek van het slachtoffer, en walste hem plat, zoodat de inwendige mensch naar alle richtingen uitgeperst werd …Vreemd, hij werd zijn bestaan wéér bewust, en wist dat hij dus nògal niet dood was.Maar nu voelde hij, dat aan zijn voeten getrokken werd … een nieuwe foltering, hij kon het niet meer dragen en sloot zijn oogen.Maar het trekken duurde voort, zacht, behoedzaam; welke duivelsche grappen haalde het dier nu met hem uit?„Toean! Toean!” fluisterde een angstige stem.„Karim?” hoorde hij een heesche stem vragen.„Ja Allah, toean! leeft u nog?”„Maar waar is de olifant?”„Naast u, meneer, dood!”Hij kwam pas weer tot bewustzijn in het ziekenhuis op zijn eigen onderneming; en naast zijn bed, tegen den wand, stonden twee reusachtige olifantstanden.[78]Eerst weken later mochten Karim en Amat hem vertellen, hoe zij hem voorzichtig op een snel gemaakte draagbaar hadden vervoerd; twee nachten en twee dagen hadden zij met den bewusteloozen man in het bosch doorgebracht, en zij hadden ’s nachts een afdakje van bladeren boven hem gemaakt en groote vuren gebrand van doode takken, om de tijgers uit de buurt te houden.Eén van de tanden zag ik later bij den meneer van Tambang, toen een knappe dokter alle beenderen en botjes zóó goed geordend had, dat hij weer staan en gaan kon; de andere hing aan den wand in Karim’s woning.„Wat die olifant bezield heeft? Ik weet het nog niet; Karim zegt, dat het dier op dien eenen poot, den gewonde, niet staan kon; maar mijn dokter denkt, dat ik dàt randgedeelte van de hersens geraakt heb, dat zijn pooten, of dien eenen gewonden poot, beheerschte, en dat de dood eerst na enkele minuten intrad; ik heb daar geen verstand van en de heele affaire lijkt mij wel een half uur geduurd te hebben, maar het zal wel zoo zijn; en juist op het moment, dat het dier mij begon te walsen, moet hij omgevallen zijn.”„Ge hebt wel een harde eerste les gehad!”„Dat heb ik. Maar wat ik óók heb ondervonden, is de trouw van mijn kameraden, de trouw van een man voor een man, het hoogste goed; en dat is mij alle ellende wel waard.”Ornament met cicade.[79]

Het had den vorigen avond sterk geweerlicht, de mannen van het dorp waren er dan ook van overtuigd, dat er ergens in de buurt olifanten moesten zijn, al was het vroeg in den tijd.

Wat daar telkens even flikkert aan den hemel, stil, zonder eenig gerommel, is immers de weerschijn van het ivoor der olifantstieren. Maar men had in de naaste omstreken nog geen sporen gevonden; wel waren er berichten uit de oeloe, den bovenloop der rivier, dat de olifanten er zich dit jaar vroeger hadden vertoond dan gewoonlijk.

In den vroegen morgen lichtte een kleine jongen een vischfuik, die aan den rivieroever was opgesteld, enkele kilometers bovenstrooms van het dorp, en parmantig stapte hij met den buit naar huis. Maar plotseling liet hij de visch vallen en rende terug naar het dorp … op bet pad bij de rivier had hij ’t rookende „visitekaartje” van een olifant zien liggen, de mestballen, ter grootte van een babyhoofd, die de tegenwoordigheid van de Grooten van het woud verraden. Dampend nog! hoe dicht dus was hij het dier, misschien een kudde gepasseerd.

Nu waarschuwde men elkaar, snel werden alle omheiningen van de bouwvelden nog eens terdege nagezien. Tegen het wilde varken, den grootsten vijand van den inlandschen landbouwer, kan men volstaan met een dichte, lage heg; en als aan den buitenkant een sloot wordt gegraven met steil afgestoken kanten, zijn de aanplantingen veilig voor den knorrenden wroeter. Maar in de olifantstreken is het zaak de omheiningen hoog en zwaar te maken. Nog dikker maakte men nu den wal van zware takken en stronken; dit waren de overblijfsels[64]van wat enkele maanden geleden nog zwaar bosch was, gekapt na den regentijd en in den drogen moesson zooveel mogelijk opgebrand, waarna de humusrijke bodem den rijstkorrel kan ontvangen.

Een oude, tanige vrouw, die aan den uitersten rand der kampong woonde en die buiten het wereldsch gedoe was komen te staan, had van de waarschuwing niets gemerkt; zij slofte haar dagelijkschen gang naar den boschrand om wat hout te sprokkelen, dat kon de eenzame nog wel dragen. Ginds hadden haar man en zij, dadelijk na hun huwelijk, ook een ladang gehad, een rijstveld zóó vruchtbaar, dat zij er drie jaar achtereen een goeden oogst hadden gehad. En zij hadden er het laatste jaar zooveel doerianpitten geplant, dat er een zwaar doerianbosch was opgegroeid, zoodat de jongere generatie dezen grond verder had ontzien. Of de eerste vruchten al afvielen? dan moesten de kleinkinderen er snel een hutje bouwen en er de wacht houden, want iedereen is verzot op doerians, menschen en dieren, en op de markt brengen zij heel wat op.

Waarlijk, bij dien stam, tusschen de overal opgeschoten struiken, lag al een gélende, groote vrucht; gelukkig, dat ’t nog niet de olifantentijd was, de geweldige dorens, waaraan de vrucht haar naam ontleent, zijn voor deze dieren geen bezwaar.

Juist reikte de hand van het oudje naar de begeerlijke vrucht, toen uit de lucht, langs den boom, iets als een loodkleurige reuzeslang neerkwam, en toen zij opkeek, zag zij langs een olifantenslurf de ondeugende oogen valsch lachen, en zij zag nòg een dier en nòg een … zij was doodgemoedereerd midden in een kudde gewandeld.

Niet alleen waanzinnige angst, ook razernij omdat de doerian haar betwist werd, gaven het oude mensch de kracht en de bezieling tot een akeligen, loeienden gil. De olifanten schalmeiden in snerpend gedaver terug, zoodat in de kampong de spelende kinderen opschrikten en het geblaf en gekijf der gladakkers even verstomde. Maar het nare geloei was hun toch te machtig, en stil hobbelden zij weg naar rustiger oorden.

De oude Karim, de groote jagersman in deze landstreek, inspecteerde dien dag zijn arsenaal. Het buskruitmagazijn was nog goed gevuld; uit het vaatje buskruit, dat door den besturenden ambtenaar[65]aan het distriktshoofd was verstrekt ter uitroeiing van schadelijk gedierte, was aan Karim niet minder dan twee flesschen vol toegewezen, en hij had ze voorzichtig in den grond begraven; dat kruit was best en niet duur, want het kwam uit den militairen voorraad, op aanvraag van den controleur; vroeger, toen men het achterbaks moest zien te krijgen, werden de Inlanders geducht afgezet door Chineezen of Maleische handelaars. Met z’n kogels stond het minder goed. In het zakje, bruinberookt aan den keukenwand hangend, vond Karim nog maar drie kogels, die in zijn voorlader pasten; ook nog een paar ijzeren moeren en boutjes, die hij van een werkman van den waterstaat had overgenomen toen hij „in de stad” een jongen beer had verkocht, die in een hertestrik verdwaald was. Die boutjes waren heel best om er een slapenden tijger mee in het hart te schieten, maar voor het één-centimeter pantser van een olifant deugden zij niet.

„Vader,” zei zijn zoon Oesoef, „ge moet den nieuwen meneer van Tambang1nog eens wat puntkogels vragen, hij hoopt altijd nog, dat u hem eens een olifant laat schieten, hij geeft ze u stellig.”

„Hai! daar zeg je wat. We zullen naar Tambang gaan en meneer waarschuwen, dat er olifanten zijn, ik heb het hem moeten beloven; ik krijg dan stellig mijn puntkogels, en misschien kan meneer nu wel mee; als hij een stier kan schieten, krijg ik een goed cadeautje.”

„Vader, je hebt nog drie kogels, laten wij zelf eerst eens gaan zien; als ge een grooten stier schiet, zonder meneer, is toch de volle waarde van de tanden voor ons alleen.”

En zoo gingen zij den volgenden morgen samen op pad. Maar de troep was wonderlijk opgeschrikt, eerst na drie dagen lang de sporen te zijn gevolgd, diep de bergen in, hoorden Karim en zijn zoon het bekende vreugdebrullen en het vallen van boomen … de ouverture van vrijwel elk jachtavontuur, waarin mensch en olifant een rol spelen. Zij beslopen den troep, niet om dadelijk te schieten; een inlandsen jager weet heel goed welke kansen zijn hachje loopt, als hij met zijn voorlader als openlijk aanvaller optreedt. Zij zochten een zwaren,[66]beklimbaren boom uit en wachtten, spiedend op een veiligen tak. Zij troffen het, de troep trok op korten afstand onder hen door, zij telden zes koeien en een volwassen maar nog jongen stier met weinig ivoor; gezellig oorflappend en met diepe, inwendige geluiden, kuierde het gezelschap langzaam voort. Toen het bosch weer stil was, lieten de jagers zich afglijden; Karim was zeer teleurgesteld, zoo’n stier was de moeite niet waard.

„Wij zullen hun nog eens den weg afsnijden Oesoef, misschien hebben wij niet den heelen troep gezien.”

Met een grooten omweg trokken zij snel op, om de kudde vóór te komen. De dieren wandelden een uitlooper van den berg af, langs een vrij diep ravijn. Het lag voor de hand in dit ravijn neer te dalen, de overliggende helling weer te beklimmen en aan den overkant de richting te volgen evenwijdig aan die, waarin de kudde liep; zij konden daar sneller loopen, zonder de olifanten op te schrikken.

Maar het neerdalen in het ravijn moest zoo stil mogelijk geschieden, het kon zijn, dat de kudde nog in de buurt was.

Als schaduwen gleden de mannen op hun lenige, bloote voeten de helling af, elk dood takje moest vermeden worden, alleen niet-zwiepende boomen dienden bij de afdaling tot steun. De bedding van het ravijn, waar een beekje over zware rolsteenen klaterde, was op die plek met zware bamboe begroeid. Zij rustten even in de schaduw, en zij schepten zich met de hand het koele water naar den happenden mond. Beiden zwegen, het water kletterde van steen op steen en het geluid weerkaatste in het dichte blad der gebogen bamboetoppen, die den hemel afsloten.

Maar wat was dat? Een ruischen, in de bamboe tegen de straks te beklimmen helling, brak de stilte; daar bewoog zich een dier, dat blijkbaar doodstil had staan wachten om de beteekenis van de lichte geluiden aan den overkant van het ravijn te begrijpen, maar dat nu weer gerustgesteld was.

Dan ratelde een daverend, knerpend schot door de donkere stilte, een bamboe die met ontzaglijke kracht gebroken werd.

„Ja, Allah!” kreunde Oesoef zacht; hij zag, dat zijn vader verbleekte,[67]naar zijn geweer greep en hem wenkte om zich met hem achter een groot rotsblok te verschuilen. Zoo wachtten zij. Het geruisen werd sterker, de bamboe’s spetterden, en toen zagen zij op tien meter afstand een reusachtigen olifant, met zware gele tanden, naar het water kuieren, een solitair, uit den troep gestooten door den nieuwen, jongen leider. Vluchten was onmogelijk; trouwens, Karim was den eersten schrik spoedig te boven en hij zag zijn kans.

Een ervaren Europeesch jager zou geheel beheerscht zijn door de bange vraag: sta ik wel onder den wind? maar inlandsche jagers realiseeren niet, welk een belangrijke factor dit is, en zij letten er in het schijnbaar volslagen windstille bosch niet op, omdat zij niet weten hoc fijn de reuk van een olifant is. Karim speculeerde slechts op de slechte oogen van het dier, en hij kon dit nu rustig doen, omdat de luchtstroom in het ravijn toevallig gunstig was. Toen de solitair stond te drinken, schoof Karim zich op langs het groote steenblok; hij mikte lang, op een der polsen van het dier; te beproeven met een schot uit zijn voorlader de hersens te raken, zou kruit verspillen en voor hen levensgevaarlijk zijn; de pols is kwetsbaarder, en als het nu maar gelukt een olifant zoodanig kreupel te schieten, dat hij zich moeielijk kan voortslepen, dan kan men hem nòg en nòg eens weer in den pols schieten, totdat hij een makkelijke prooi wordt.

Daverend klonk de voorlader, en stil zonk de doodelijk verschrikte reus neer; maar dadelijk stond hij weer op en vluchtte; niet snel echter, want het eene been sleepte. Stralend keken de jagers elkaar aan, maar zij spraken niet, dit wreede spel moest voorzichtig herhaald worden, het ging zoo goed.

In twee dagen tijd schoot Karim zijn drie kogels in dezelfde pols. Maar toch sleepte het dier zich nog voort, den berg af, klimmen was hem niet meer mogelijk.

En toen hij nu nòg niet liggen bleef, moest Karim wel besluiten den meneer van Tambang erbij te halen. Hij had nu aanspraken gekregen op dezen olifant met zijn prachtige tanden; hij kon hem gerust verlaten, heel ver kon hij niet meer gaan, en anderen zouden hem zoo diep in het bosch wel niet vinden.[68]

Zij keerden naar de kampoeng terug, en twee dagen later kreeg de heer S. op Tambang bezoek van Karim, den jagersman.

„Toen Oesoef en ik in ’t bosch waren, ontmoetten wij hem. Ik dacht aan u en heb hem drie schoten in den pols gegeven, en toen ben ik u dadelijk gaan waarschuwen. Als unuzou kunnen gaan, en ik mag mee in uw auto, dan kunnen wij rijden tot kampoeng Ramboetan, en morgen breng ik u langs een boschpad op de snelste manier naar den olifant. Hij kan bijna niet meer loopen.”

„Waar is Oesoef?”

„Hij kreeg vannacht koorts, wij kwamen laat thuis omdat ik zoo spoedig mogelijk bij u wilde zijn. Ik denk, dat de vermoeienis en de schrik van zijn eerste ontmoeting met een olifant het hem hebben gedaan. Ik heb hem thuis gelaten, maar u neemt zeker nog wel iemand mee?”

Ja, dat vond de meneer van Tambang ook. Hij wist bovendien, dat een inlandsen jager ongaarne alleen op avontuur gaat met een witmensch. Hij voelt verantwoordelijkheid, en men kan nooit weten wat er gebeuren kan.

„Wij zullen mandoer Amat meenemen, Karim, die kan dan ook ons potje koken; hij kan van alles, al is hij een oude man.”

Karim en Oesoef waren den troep dwars door het zware terrein nageloopen; voor S. koos hij nu de route via Ramboetan, veel langer indien men loopen moest, maar per auto een belangrijke bekorting.

In Ramboetan werd de nacht doorgebracht. In de vroege morgenuren viel de eerste zware regen van ’t seizoen, het voorspel van den langen regentijd. Toen de zon opging, fonkelden de regendruppels aan de bladeren, een heerlijke, frissche morgen, een goed begin. S. nam zijn zwaren Mauser-karabijn op den schouder, Amat en Karim hadden ieder een vrachtje aan kleeren, eetwaren, wat borden en kook-gerei.

Het pad langs de rivier voerde door een jong bosch, dat op gezette tijden door olifanten doorkruist werd; in de laatste week, zoo hadden de kamponglieden verteld, had zich hier geen troep meer vertoond.

Op S., die eerst kort op Sumatra was, en nog nooit achter olifanten was geweest, werkten scherp de indrukken in, welke een olifantenterrein op een nieuweling maakt. De wirwar van breede, schoone[69]paden in de ruigte van de wildernis; de onwaarschijnlijk zware, geknakte boomen; de resten van afgescheurde reepen boombast, die wandelend worden verorberd en de richting van den eter aangeven; de ongelooflijke hoogte van schuurplekken aan schuinstaande boomen, het is alles zóó afwijkend van de gewone rust in het bosch, zóó geweldig, dat het aandoet als iets, dat in lang vervlogen tijden moet hebben plaats gehad, iets, dat men wel nimmer zelf zal meemaken. Maar dan zijn er de bewijzen van het reëele, van het onlangs gebeurde, de mestballen. En hier, in dit terrein, lagen zij in soorten, groote en kleine, van oudere en jongere formatie. Van een kort geleden bezoek getuigden de mestballen, waarin padikorrels als op een kweekbed waren opgeschoten, het was duidelijk, dat een aanval was gedaan op de rijstschuren bij de kampong. Soms worden deze geheel vernield, soms weer keurig uitgepompt door een gat, dat een olifant in een der bamboewanden stoot. Er zijn olifanten, die er een speciale sport van maken; eens vergiste zich een stier; een vrouw, die in haar keuken bezig was, zag plotseling een zwaren olifantstand door den wand dringen.

De meneer van Tambang stond verrast naar de bolvormige rijst-kweekbedden te kijken.

„U vindt dat merkwaardig, maar kijkt u hier eens,” zei Karim.

Op een plek, waar een troep blijkbaar gerust had, lag een partij mest van ouderen datum; uit de bal-resten schoten jonge mangga’s op, en van die plek, het bosch in, liep een spoor van overal jonge manggaboompjes.

„Maar Karim, hoe is ’t mogelijk, dat er zóóveel mest ligt?”

„Ja meneer, dat is altijd zoo. De olifanten hebben zulke groote lichamen, dat zij ontzaglijke hoeveelheden blad en bast en vruchten moeten eten, en de vezels verteren niet en blijven lang liggen. Wij zullen onderweg eens kijken, of er ook gekleurde mestballen zijn; wij kunnen dikwijls daaraan zien, welke bladeren zij gegeten hebben.”

Zij verlieten nu het jongere bosch en betraden het oerwoud. De meneer van Tambang haalde de boschlucht diep in; hij genoot, van het bosch, van de verhalen van den ouden jager met zijn eerwaardig gezicht en zijn heldere, pientere oogen.[70]

„Laten we even op dezen omgevallen stam gaan zitten en vertel me nog eens uitvoerig wat ge van onzen olifant weet.”

„Ik kan u niets meer vertellen dan ik al gedaan heb. O ja, ik vertelde u nog niet van die sporen van zijn tanden in de tebing? Vlak bij de plek, waar hij uit het bamboebosch brak, was aan den ravijnkant een kleine aardstorting, zoodat er een loodrecht stuk wand was ontstaan, eentebingzeggen wij. Nadat hij na mijn eerste schot was weggloopen, ontdekten wij in die tebing de sporen van een van zijn tanden, ik kon mijn voorarm gemakkelijk in ’t gat steken, zóó zwaar zijn z’n tanden.”

„Waarom rammen olifanten zulke gaten in den grond?”

„Wij zeggen, dat ze zich zoo oefenen in het stooten, zij doen het ook in den paartijd, dan zijn ze erg wild, misschien doen zij het ook in booze buien; u heeft het toch zeker wel dikwijls van stieren gezien, hoe ze den grond met hun horens omwoelen.”

Karim greep naar zijn voet, een springbloedzuiger had zich op de wandeling tusschen zijn teenen vastgezet.

„Kijk ’s,” zei hij, „ziet u die daar?”

Vóór de voeten van S. stonden, tusschen de bladeren op den grond, twee bloedzuigertjes rechtop, dun nog, dus hongerig en hunkerend naar menschenbloed; het voetje stevig vastgezogen, de rest van het zwarte streepje zwaaiend, wuivend, wild zoekend de goede richting naar de fel begeerde prooi. Een wist het plotseling, en in enkele spanpassen had hij den rand van den schoen beet. Er kwamen er meer, haastig, van verscheiden kanten, verschillend in kleur en dikte, allen ernaar hunkerend om zich tien maal dikker te zuigen aan menschen-bloed.

„Karim, ge weet zoo veel, wat eten die beesten toch als zij geen menschenbloed krijgen; vrijwel alle oerwouden moeten er van vergeven zijn en hoe enkele menschen komen er maar. Zij zitten immers nooit op wilde dieren?”

„Neen, toean. Wij zeggen, dat ze lucht en humus eten; maar het is wonderlijk, hoe vinden zij ons; zij hebben niet eens oogen of een neus. Hoe ouder en vruchtbaarder het bosch is, hoe meer patjet’s.”

„Nu moet ge mij nog iets vertellen. Ik hoorde vannacht, toen ik[71]even wakker was, een geluid, dat uit een boom vlak naast ’t huis waar wij sliepen, kwam; het leek wel een uiltje.”

„O, meneer, hebt u dat gehoord?” Karim schrikte.

„Ja, wat zou dat?”

„O, voor u is dat niks, maar wij vinden het niet prettig, en sommigen zeggen, dat het ongeluk brengt als het boeak-uiltje zoo vlak bij een huis roept. Zij was vroeger een zuster van de maan, en als ze die ziet, roept ze al maar door. Maar dat zijn voor de witmenschen domme verhaaltjes, is ’t niet?… Maar wilt u voor u-zelf eens kijken hoe laat het is, als de zon zóó staat” - en hij wees op den zonnestand van drie uur - „kunnen wij er zoowat zijn”.

Het was elf uur. Het terrein begon al steiler te worden; de olifantsporen hadden zich afgebogen, de mannen liepen nu in ongerept oerwoud, alleen het bijna onzichtbare paadje van boschproduktenzoekers, dat zij volgden, sprak van verstoring van de eeuwige rust. Maar veel gebruik werd er niet van gemaakt; nu en dan stond Karim, die vooraan liep, het lange kapmes in de hand, even stil om zich niet te vergissen; hier en daar waren boomen over het paadje gevallen en moest een nieuw pad worden gezocht. Moeielijk was dit niet, in het oerwoud is de bodem gewoonlijk begroeid met lagere planten en struiken, voor zwaren opslag van boomen is de schaduw te overwegend; alleen daar, waar omgevallen boomen een gat hebben gemaakt in het groene dak, roept de zon dichten opslag in het leven, daar hebben gevallen zaden en door vogels overgebrachte vruchtenzaden een goede kans. Boven, in boomholten en in de oksels van takken, doen de vogels hun onopzettelijk werk overal. En het zijn in hetbijzonderde zaden van ficus-vruchten, die zij daar mèt de vruchtbare mest brengen. Slaan deze aan, dan zenden enkele soorten hun wortels naar den bodem, en zij worden straks pilaren; andere omwikkelen er den gastvrijen boom mee, en het slot voor alle moederboomen is, dat zij vroeg of laat verstikt worden en ten onder gaan. Zóó ontstaan trotsche, rechtstammige reuzen, ficusboomen wier kroon een kwart hectare beslaat, maar ook die wonderlijke à jour-stammen, een netwerk van wortels met een kern van wegrottend hout, het overblijfsel[72]van de oude moederboom, die den parasiet niet kon afschudden.

„Kijk eens, meneer, hoe deze groote boom gewurgd is; wij zeggen van iemand, die geleend geld niet terugbetaalt en daardoor zijn weldoener ongelukkig maakt: hij leent als de ficus.” Zoo wees Karim den toean van Tambang de reuzen van het woud; maar de fijne aroma’s van orchideeën en van boom-bloesems, waarmee de grond hier en daar bedekt was, ontgingen hem; ook trof het hem, den man van alle-dag-in-het-bosch, niet, hoe zoo nu en dan een vogeltrek de plechtige stilte verbrak, het fluiten en tjilpen van vogels van allerlei soorten en grootte, die zelf hun verbazing uitschetterden van zich vereenigd te zien, met een doel dat voor den mensch verborgen is.

Een enkele maal vloog een neushoornvogel hoog over de dichte boomtoppen; men zag hem niet met zijn langgerekten hals en den rooden snavelkroon, maar het sjoep-sjoep van den vleugelslag domineerde het bosch geheel; zelfs een oewir-oewir, de eeuwig snerpende cicade, die alleen maar zijn liedje zeurig eindigt om, tastend naar den goeden toon, weer te beginnen, zelfs hij werd geïmponeerd en wachtte, tot dat wonderlijke, rhytmische geluid uit den hooge vervaagd was.

„Wat is dàt, Karim?”

Van de overzijde van bet diepe ravijn, waarlangs het paadje voerde, kwam een nieuw geluid. Oeüw, oeüw …, klonk het galmend, eerst langzaam, dan sneller en sneller, en plotseling, heel onverwachts, klonk een zuiver menschelijke stem, die „waaa!!” riep; dan viel een geheelorkestvroolijk in, en het concert eindigde met haastige stootjes, die al zwakker werden.

„Dat zijn siamang’s meneer, kent u die dan niet?”

„Neen, ik ben altijd op Java geweest, daar heb ik dit nooit gehoord, en dit is mijn eerste dag in de rimba.”

„Zie,” zei Karim, „daar zitten ze, ze hebben ons zeker gezien.”

In de kroon van een der grootste boomen aan den overkant, zaten en hingen en zwaaiden een tiental zwarte gibbons, die groote staartlooze apen, wier embryologische ontwikkeling zoozeer gelijkt op die van den mensch.

„Maken die apen zóó’n geluid?Apen?”[73]

„Ja meneer, alleen de kleinere apen zonder staart, de oengko’s gillen ook zoo, maar dat is een veel hooger geluid en niet zoo mooi.”

„Maar dat ééne geluid, net de stem van een mensch, doen zij dat ook?”

„Ja, dat is een ander dan die het roepen begint; dit doet een van de grootsten; zij zetten de huid onder de kin als een blaasbalg op; als wij ze jong vangen, worden ze heel tam, en zij hangen het liefst aan je lichaam; als ze groot worden, maken ze dat geluid ook en je hoort het in de heele kampong. Maar nu mogen we niet langer stilstaan meneer, anders wordt het te laat.”

„Karim, vindt ge het ook heerlijk in het oerwoud?”

„Och, meneer, ik ben mijn heele leven in het bosch geweest.”

„Ja maar, heb je dan niet het gevoel, dat het eigenlijk nergens zoo heerlijk, zoo mooi is als hier?”

Karim glimlachte en keek wat verbaasd.

„Toean, ’t is altijd zóó geweest, ik weet niet anders of de rimba is de rimba. Maar ik zou dood gaan, als ik in een stad moest wonen, daar moet je al je etenkoopen.”

Nu glimlachte de witmensch, maar hij voelde, dat Karim hem moeielijk kon vatten; voor hem, den nieuweling, was deze dag een openbaring, hij was volkomen gepakt door de geweldige bekoring van het oerwoud.

Maar zij moesten voort, hij haalde diep adem, vooruit! Ginds wachtten nieuwe emotie’s. Na eenige uren zagen zij licht tusschen de boomen, zij trokken nu door jonger bosch, een vlak terrein, waar enkele jaren geleden de ladang’s waren van een kleine nederzetting aan den bovenloop der rivier.

„Nu voorzichtig,” zei Karim, „wij zijn niet ver meer van de plek waar ik hem verlaten heb, hij kan onmogelijk ver zijn.”

Karim had niet gerekend op de taaiheid van zijn olifant. Wel vonden zij de plek, waar hij het arme dier met zijn derden kogel gepijnigd had, ook resten van bast en takken, en mestballen, maar geen olifant. Het terrein was wederom een plaats van geregeld festijn van olifanten, overal waren open plekken, en hier en daar lagen modderige plassen, het had hier in de bergen blijkbaar dagenlang geregend. Karim was teleurgesteld.[74]

„Meneer, blijft u met Amat hier, ik zal zijn spoor wel vinden.”

„Laten we dan eerst wat eten, Karim, wij hebben nog rijst van vanmorgen.”

„Dank u meneer, ik moet hem wel gauw vinden, eet u maar samen,” en onhoorbaar sloop de brave weg, met het onafscheidelijk kapmes als eenig wapen.

Amat en zijn baas onderzochten den etensdrager en vonden er genoeg naar hun gading; een halfvergane boomstam, droevig restant van het oorspronkelijke bosch, diende als bank en tafel.

Zij spraken zacht, het was best mogelijk, dat de solitair in de buurt was.

Het jonge bosch leek in geen enkel opzicht op het oerwoud, dat achter hen lag. Hier was het saai; waar de bodem niet door de olifanten was beloopen, was alles zwaar begroeid met kreupelhout en allerlei opslag. Ook wilde bananen waren opgeschoten in het felle zonlicht, en groote struiken van djilatang, den boombrandetel; voor den mensch is de aanraking van de bloote huid met zijn bladeren funest, maar insecten vreten er rustig ronde gaatjes in; bij voorliefde zou men zeggen, er zijn weinig andere bladeren in de wildernis, die zoo algemeen de belangstelling van de insecten hebben. En overal waren poear’s opgeschoten, die gemberachtigen met hun merkwaardige bloemen, van enkele soorten op lange stelen, van andere plat op den grond, roode en rood-en-gele sterren; en de lange bladstelen met de donkere, glanzende bladeren, die zich zoo goed leenen voor dakbedekking van bivakjes voor enkele dagen, schoten steil op, tien meter hoog soms.

Eén enkele calanthe was een sieraad in den groenen chaos; zij hadden deze aardorchidee ook in het bosch gezien, maar die soort heeft onaanzienlijke bloemen, die eigenlijk niet ontluiken; deze hier droeg een prachtigen tros van witte bloemen aan een langen stengel, opschietend tusschen haar matgroene, breede bladeren.

„Die zullen we meenemen, meneer, ik was vroeger djongos bij een mevrouw in Batavia, die had een heele rij van deze bloemen in de voorgalerij, en ik splitste de wortels en we kregen steeds meer bloemen, en mevrouw maakte er prachtige bouquetten van.”[75]

Amat stond op en liep naar de calanthe, maar een knappend geluid van dor hout deed hem bevroren stilstaan.

Het was Karim maar. „En?”…

Karim was zichtbaar opgewonden. „Gaat u gauw mee, meneer,” fluisterde hij, „hij kon nog vrij goed loopen maar niet klimmen, en daarom kon hij den bergrug niet op, die tot aan de rivier om dit vlakke terrein loopt; hierheen!”

„Heb je hem gezien?”

Karim knikte slechts, hij was zóó zichtbaar onder den indruk, dat den blanken jager een lichte huiver langs den ruggegraat liep. Hoe verder zij kwamen, hoe meer bleek het geheele terrein door den opgesloten solitair te zijn „afgegraasd”, overal geknakte jonge boomen en slierten van bast, die hij verspillend had laten liggen. Vooral semantoeng-boomen (ficus alba), waar ook de tapirs zoo verzot op zijn, had de olifant uitverkoren; rondom ravage.

„Heeft die olifant dat alles alléén gedaan?”

Weer knikte Karim en beduidde den meneer van Tambang niet meer te spreken en voorzichtig te loopen. Zij slopen voort.

De stekende namiddagzon brandde fel in dit lage bosch; de nieuweling vond het er benauwd warm, maar inwendig was ook een vuurtje gaan branden, de spanning en de huiver van de jacht op het allergrootste wild, waaraan bijna niemand ontkomt.

Plotseling kwam het sein.

In de benauwende stilte kraakte hout en een boom plofte neer, een paar honderd meter vóór hen. Karim stond plotseling stil en greep zijn toean bij den arm. Hij glimlachte zuurtjes; zelfs voor hem, oude jagersman, was dit bekende geluid nog ontstellend. Men rekent er op, men wacht, wacht, en hoopt, en als het plotseling komt, alsHijzich aankondigt in zijn ontzettende kracht, dan staat het bloed even stil.

S. nam de geladen buks van den schouder. Ook hij was overweldigd door den schok, maar nu laaide het sportvuur op, en Karim moest hem tegenhouden toen hij vooruit schoot.

Langzaam, voorzichtig gingen zij verder, Amat mocht achter blijven, op zóóiets was de brave man niet ingeschoten.[76]

De solitair waande zich alleen en veilig. De arme drommel leed, maar het eten ging hem nog goed af. Hij stond aan den voet van den bergwand, den rand van het oerwoud tevens; van een der groote boomen hing een liaan neer, een rotan, hij trok die met zijn slurf verder naar beneden en smulde van de jonge uitspruitsels, alsof er geen rotandorens bestonden; dit smaakte hem nog beter dan de bast van den pas gevelden jongen boom.

Zoo zagen de twee mannen hem met zijn reusachtige tanden, geen dertig meter van hen verwijderd.

Maar zij waren beiden lang niet uitgeleerd in den kamp tegen den grootste aller viervoeters; hij kreeg hun lucht en draaide zich plotseling naar hen toe. Karim schoot weg ergens in de ruigte, maar zijn toean zag zijn kans en legde rustig aan op den geweldigen kop, toen de stier, hinkend in een sukkeldrafje, op hen afkwam; zonder schetterende geluiden, maar doelbewust; de solitair kwam zich wreken.

Toen hij tot tien meter genaderd was, knetterde de Mauser een scherpen zweepslag door het bosch; het grauwzwarte reuze-lichaam stortte in de knieën, midden in een plas modder. De blijde jager deed wat zoovele nieuwelingen vóór hem hebben gedaan en wat nog zoovelen zal berouwen: hij vloog in felle jachtkoorts op zijn buit toe.

Hij heeft nimmer kunnen zeggen, hoe het eigenlijk gebeurde, hij zag een gevaarte bliksemsnel voor zich oprijzen en voelde in den nek iets zachts, dat groot en kil was. Eerst later begreep hij, dat het de omhelzing was van een slurf en herinnerde hij zich een verschrikkelijken gil gehoord te hebben, die niet van den solitair kwam,… dàn een hevige slag …

Toen S. weer wist nog te leven, voelde hij, dat hij op den rug lag in kleffe, diepe modder, en dat een verschrikkelijk gewicht op zijn rechterdij drukte; en toen hij de oogen opende, keek hij recht in een paar valsche oogen, een lange tand raakte bijna zijn gezicht. Hij zag nu ook, dat de olifant den rechter voorpoot op zijn dij had gezet. Nu trok het dier zijn poot slepend heen en weer, steeds over de half verpletterde dij. Wat wilde het dier toch? als het die bemodderde poot maar niet op zijn gezicht zette! Inderdaad, dat scheen het doel; langzaam-aan schuivend,[77]over de borst, naderde de dreigende kolom het gezicht van het slachtoffer, en nu drukte hij het geheele hoofd in de modder …

In zulke oogenblikken wordt een mensch soms plotseling vreemd helder, zijn zenuwen brengen hem in een opwinding, die hem los maakt van het stoffelijke.

Het slachtoffer had plotseling lust om te lachen, immers: wat zou er nu gebeuren? hij dacht aan een kokosnoot onder een stoomhamer, zou het ding nu uit elkaar spatten? „krak”! of „pang”?!

Maar de modder werkte veerend; hij meende wel een licht kraken te voelen, maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst, en toen hij de modderoogen weer open kon krijgen, zag hij, dat de olifant nog in dezelfde positie stond. De poot schoof nu over zijn borst; het dier stond er niet met zijn volle gewicht op, hij zwengelde er maar voortdurend als besluiteloos mee heen en weer. Maar het werd verschrikkelijk, de jager meende zeker te weten, dat zijn dij al lang gebroken was, dat nu al zijn ribben afknapten. Maakte het dier er maar een eind aan! Maar nu verplaatste de folterende poot zich naar de maagstreek van het slachtoffer, en walste hem plat, zoodat de inwendige mensch naar alle richtingen uitgeperst werd …

Vreemd, hij werd zijn bestaan wéér bewust, en wist dat hij dus nògal niet dood was.

Maar nu voelde hij, dat aan zijn voeten getrokken werd … een nieuwe foltering, hij kon het niet meer dragen en sloot zijn oogen.

Maar het trekken duurde voort, zacht, behoedzaam; welke duivelsche grappen haalde het dier nu met hem uit?

„Toean! Toean!” fluisterde een angstige stem.

„Karim?” hoorde hij een heesche stem vragen.

„Ja Allah, toean! leeft u nog?”

„Maar waar is de olifant?”

„Naast u, meneer, dood!”

Hij kwam pas weer tot bewustzijn in het ziekenhuis op zijn eigen onderneming; en naast zijn bed, tegen den wand, stonden twee reusachtige olifantstanden.[78]

Eerst weken later mochten Karim en Amat hem vertellen, hoe zij hem voorzichtig op een snel gemaakte draagbaar hadden vervoerd; twee nachten en twee dagen hadden zij met den bewusteloozen man in het bosch doorgebracht, en zij hadden ’s nachts een afdakje van bladeren boven hem gemaakt en groote vuren gebrand van doode takken, om de tijgers uit de buurt te houden.

Eén van de tanden zag ik later bij den meneer van Tambang, toen een knappe dokter alle beenderen en botjes zóó goed geordend had, dat hij weer staan en gaan kon; de andere hing aan den wand in Karim’s woning.

„Wat die olifant bezield heeft? Ik weet het nog niet; Karim zegt, dat het dier op dien eenen poot, den gewonde, niet staan kon; maar mijn dokter denkt, dat ik dàt randgedeelte van de hersens geraakt heb, dat zijn pooten, of dien eenen gewonden poot, beheerschte, en dat de dood eerst na enkele minuten intrad; ik heb daar geen verstand van en de heele affaire lijkt mij wel een half uur geduurd te hebben, maar het zal wel zoo zijn; en juist op het moment, dat het dier mij begon te walsen, moet hij omgevallen zijn.”

„Ge hebt wel een harde eerste les gehad!”

„Dat heb ik. Maar wat ik óók heb ondervonden, is de trouw van mijn kameraden, de trouw van een man voor een man, het hoogste goed; en dat is mij alle ellende wel waard.”

Ornament met cicade.

[79]

1een cultuuronderneming.↑

1een cultuuronderneming.↑

1een cultuuronderneming.↑

1een cultuuronderneming.↑


Back to IndexNext