[Inhoud]XI.PENJOE, DE TRAGE ZEESCHILDPADHet was een nacht van louter zilver en zwart.Hier, aan het witte duinen-strand van Poelau Djemoer, met zijn zwarte rotsen waar de branding op beukte, waren geen andere kleuren in den fellen maannacht. De sterren waren in den zwarten hemel terug geweken voor den toovergloed van den zilveren brand, en inktzwart was de zee, waar slechts zoo nu en dan een bolle deining met vloeiend zilver werd begoten.Boven, op een rots, stond de vuurtoren; zonder dit licht zou de groote scheepvaart in de Straat van Malaka, de wereldstraat van Azië, niet mogelijk zijn. Behalve de lichtwachter met zijn helpers woonden op dit eenzame eiland slechts enkele Maleiers, in een hutje aan den voet van den rotsheuvel; zij verzamelden schildpadeieren, welke zij voor ’n paar gulden de honderd in de groote havenplaatsen aan den Sumatra-wal verkochten.Het was juist een maand geleden, dat ik deze plek op een mijner dienstreizen bezocht had, en toen ik in het hutje der Maleiers een groote kist had zien staan, half gevuld met schildpad-eieren, waren mij de verhalen in herinnering gekomen, welke men mij in Zuid-Sumatra verteld had over schildpadden en haar eieren; wanneer deze dieren aan wal waren om eieren te leggen, zouden zij gemakkelijk te benaderen zijn, ja, de eierzoekers zouden wel eens meehelpen om het gat te graven waarin de eieren worden gelegd, om maar tot spoedige resultaten te[122]komen! En ik had den Maleiers ongeloovig gevraagd, of zij mij niet eens ooggetuige konden laten zijn van hun nachtelijke ontmoetingen met eierleggende schildpadden. Zeker, hadden zij gezegd, en of ik dien nacht niet kon overblijven? Er was weliswaar weinig kans, want het was dien dag zwaar weer geweest en er stond hooge zee, maar het was niet uitgesloten, dat enkele dieren toch aan wal zouden komen in den nacht; het zou wel moeielijk zoeken zijn, er waren verschillende legplaatsen en de mannen hadden met hun lichte prauw kreken over te steken om alle plekken af te zoeken. Of ik het niet zoo zou kunnen schikken, dat ik een anderen keer, ook bij volle maan, een nacht kon overblijven? als de zee dan niet zoo hol was, konden zij er voor instaan, dat ik schildpadden zou zien en ze zien eieren leggen!Ik zou schildpadden zien en ze zien eieren leggen!Dat was wel heel sterk! had ik gedacht. Het was toch wel vreemd, dat men dien dag er in het geheel niet op gebrand was om mij te overtuigen, dat onmogelijk schijnende dingen werkelijk toch wel mogelijk zouden zijn.En nu wilde het toeval, dat ik nu, juist een maand later, weder naar het zuiden ging. Het doel van mijn reis waren de Chineesche panglong’s, de houtkapperijen bij Bengkalis, waar Singapore jaarlijks meer kubieke meters hout weghaalt dan de geheele jaarlijksche productie van djati-hout op Java bedraagt; daar waren dingen voorgevallen tusschen de Chineezen onderling, zóó ernstig, dat ik onverwijld een plaatselijk onderzoek wilde instellen.Een schoolmeisje met vacantie maakte dit gedeelte van de reis mee; ik had haar het verhaal van mijn vorig bezoek gedaan en zij smeekte om Poelau Djemoer aan te laten doen, nu het weer volle maan was;[123]zij vond het wel „eng”, maar toch ook „dol” om eens op den rug van een zeeschildpad rond te rijden! Het eiland lag op de route, wij zouden laat in den avond aankomen, en enkele uren kon ik wel aan de schildpadden besteden … als men ons tenminste niet duchtig bij den neus had met al die verhalen. Maar dit was op zichzelf al de moeite van een onderzoek waard.Nauwelijks lag ons kleine schip voor anker, of aan den wal verscheen een lichtje, dat in rhytmisch zwaaien bewoog; men had ons op het eiland zien aankoersen en er liepen menschen, die nu stellig een prauwtje van het strand het water in zouden slepen om ons te bezoeken.Een half uur later stonden de lichtwachter en twee Maleiers aan dek. Zij hadden de fluit van de „Diana” herkend, het was volle maan, misschien was de gouverneur aan boord, die zoo ernstig beloofd had ééns, als de maan vol was, te zullen komen om schildpadden te zien. Toch waren zij verrast, dat ze zich niet vergist hadden, zij wisten, dat de gewestelijke bestuurder te Médan slechts zelden tijd kon vinden voor reizen naar de zuid, die zoovele dagen in beslag namen.„En hoe staat het met de schildpadden?”„Nou, meneer, voorzoover wij weten zijn er nog geen aan wal, maar als u wat geduld wilt hebben zult u ze toch wel kunnen zien, wij verwachten ze vannacht stellig, want de zee is rustig en het wordt nu de goede tijd van het jaar.”„Maar hoe lang zou het dan nog duren?”„Dat kunnen we onmogelijk zeggen, maar mogen wij zoo afspreken, dat een van ons telkens drie malen achtereen met een licht zal zwaaien aan het strand, als er penjoe’s aan wal zijn? Wij zullen de wacht hier aan boord waarschuwen om u te wekken als u wilt gaan slapen.”De mannen roeiden in hun kleine prauw weer naar den wal, al spoedig zagen wij alleen maar het deinend lichtje van de lantaren, welke zij in den voorsteven hadden gezet, flets rossig in het zilveren maanlicht.Wij besloten te wachten, een goed boek helpt den tijd wel dooden. Eerst twee uur later kwam een matroos ons waarschuwen, dat het sein aan den wal gegeven was. Zouden we nu werkelijk schildpadden[124]zien? Vier man zaten al in de neergestreken sloep, de halve bemanning; onder het roeien werd druk gepraat, ook voor hen was het een nieuwtje, al hadden zij er dikwijls van hooren vertellen; en dat het schoolmeisje mee aan wal ging, werd blijkbaar zeer interessant gevonden. Toen wij het strand naderden, bleek de branding nog vrij woelig te zijn, maar de lantaren aan den wal wees ons de beste plek om te landen.„Zijn er werkelijk schildpadden?” vroeg ik in spanning.„Ja meneer, er zijn pas twee dieren aan wal, maar wij wilden u niet langer laten wachten. Zie, dit is het spoor van een ervan, de andere is wat verderop.”Van het water liep een spoor, van zeker een halven meter breed, het lage witte duin op; in het midden leek het ’t spoor van een aan wal getrokken prauw, aan de kanten stonden op regelmatige afstanden de indrukken van grabbelende pooten. Inderdaad, hier had een dier uit de donkere zee het veilig tehuis verlaten om aan de groote wet, het scheppen van een kroost, te voldoen. Zij, schildpadden konden niet, als de visschen, haar schat aan het water toevertrouwen; maar haar instinct wees haar den weg, dien ook haar moeders en grootmoeders hadden gevolgd, naar eenzame stranden waar rul, diep zand was om de eieren te verbergen en ze tot leven te stoven in de gloeiende zonnewarmte. En zij kozen den diepen nacht om heimelijk den grooten tocht te doen. De armen, zij weten niet, hoe slim de allergevaarlijkste aller dieren is, en hoe het speuren dien mensch gemakkelijk gemaakt wordt door het breede spoor, dat zij in het zand slepen en dat alleen door hevigen regen of door stormwind wordt uitgewischt.In oogenblikken, dat men wondere dingen der Natuur zal zien, is het of ’s menschen geest glimlacht; of deze stelling ook voor anderen dan devote bewonderaars der natuur opgaat, weet ik niet; wel, dat ik het voor de tweede maal in mijn leven zoo voelde. Jaren tevoren, toen men mij voor het eerst in het Barisangebergte de Rafflesia Arnoldi zou laten zien, volgde ik met dezelfde gewaarwording een Maleier, die deze wondere reuzebloem had gevonden. Ik wist, hoe groot de blijde trots was voor dr. Arnold, toen hij in 1818, te Poelau Lebar aan de[125]Manna-rivier, „the biggest flower of the world” vond, en hoe opgetogen Raffles en Lady Raffles waren, toen Arnold met de geweldige parasiet hun tent binnen kwam … nu zou ook ik die wonderbloem zien. Daar lag zij op den grond in het stille bosch, bijna een meter in middellijn; de vijf prachtig kastanjekleurige bladeren, dicht bezaaid met de crême „wratten”, omvatten de kom, waarin, als een altaar, de centrale zuil ligt; toen glimlachte mijn geest niet meer maar zonk als het ware neer voor dit wonder, in vrome dankbaarheid.Hier gold het „maar” een schildpad en nu bleef de glimlach, want overheerschend was een gevoel van verbazing, al was het gemengd met medelijden voor het dier, dat in onweerstaanbaren drang haar omgeving geheel vergeten scheen. Zij was druk in de weer; de klauwige voorpooten graaiden met kracht het zand langs de flanken naar achter het lichaam, en de twee platte achterpooten vlijden het zand vast aan.„Wat doet ze nu?” vroeg ik.„Zij heeft haar eieren gelegd en nu graaft ze den kuil dicht en slaat het zand vast aan.”Wij gingen dicht om het met volle kracht doorwerkende dier zitten, en met een stokje tikte ik haar zacht op den grooten kop, benieuwd of zij hem in zou trekken; zij protesteerde wel even, hijgde kreunend, maar er kwam niet de minste stoornis in houding of arbeid; integendeel, meer dan ooit kwam het er op aan haar schat snel te verbergen. Graai! graai! ging het vóór, en plak! plak! haastten zich de achterpooten. Arme drommel, een struis steekt tenminste den kop nog weg en verbeeldt zich dan alleen te zijn, de schildpad ziet het allergrootste gevaar om zich heen letterlijk in de oogen, en verbeeldt zich, dat die oogen niet zien.„Jullie doet deze dieren toch nooit kwaad?”„Neen, meneer, wij zijn veel te blij, dat ze geregeld hier komen, verscheidene van de dieren kennen wij aan de kleur of aan schelpen, die zich aan hun schild vastkleven.”„Maar als ge door regen of wind de sporen niet vindt, of als ge ’s nachts niet waakt, hoe vindt ge dan de eieren?”„Dan zoeken wij overdag naar plekken waar het zand sporen vertoont[126]verstoord te zijn, en wij sondeeren het met een ijzeren laadstok; voelen wij een hardere plek, dan steken we voorzichtig door, en als we de eieren raken, dan is de punt van den stok kleverig en er blijven zandkorrels aan hangen. Maar soms vinden wij niets, het is veel beter ’s nachts alle plekken, waar zij gewoonlijk komen, langs te gaan; een goed deel van den nacht loopen wij rond en waden de kreken door, die de stukken strand van elkaar scheiden. Wij zullen nu eens zien, hoeveel eieren deze schildpad gelegd heeft.”De mannen sleepten voorzichtig de alles trotseerende moeder eenige meters van haar nest weg; hoeveel zij woog, is niet te zeggen, maar zij mat van neus tot staart precies een meter. En nu werd de hardere plek op het nest behoedzaam ontgraven. Maar wij beiden hadden te doen met de bedrogen moeder en hielden haar in dit moment van diepe vernedering en teleurstelling gezelschap … zóó voelt de mensch het aan; maar de schildpad sloeg op de nieuwe plek onmiddellijk weer aan den arbeid, haar hersens liepen blijkbaar minstens een kwartier achter, zij had niets van de manoeuvre begrepen, slechts die eene gedachte bezielde haar: graaf! je bent nog niet klaar, verberg je schat! en de voorpooten graaiden weer, en de andere twee plakten weer dicht, steeds sneller; eindelijk drong het tot haar door, dat zij toch niet geheel onbespied was op haar strand! Zoo verwoed graaiden de voorpooten, dat ons het zand om de ooren fladderde toen wij achter haar gingen zitten.Men had het nest met eieren nu ontbloot, wij telden er 108; eieren als ping-pong ballen, maar zachter, verscheidene met de deuk erin, welke die ballen na eenig gebruik vertoonen. Het schoolmeisje stond erop de moeder enkele van haar eieren te laten zien, maar ze keek niet eens verbaasd en zwoegde al maar door, ze was alle maat en tijd kwijt.Maar nu zagen de mannen in het felle maanlicht een ander exemplaar, grooter nog en donkerder; die had blijkbaar haar plicht gedaan, en zij wandelde, geen twintig meter van ons af, terug naar zee. Wij hadden ons dier voldoende geplaagd, de nieuweling werd nu het middelpunt van onze belangstelling, en al spoedig moest zij het opgewonden schoolmeisje haar kracht als rijdier toonen; het bleek, onder een[127]anderen ruiter, dat zij zich zelfs met een levend gewicht van 90 kilo nog kon voortbewegen. Dit dier was volgens de mannen een hun welbekende, heel oude schildpad, haar rug zat vol met allerlei aanwassen, schelpen, welke slechts met groote moeite met een sterk slagmes konden worden losgewipt.Wij hadden nu genoeg gezien, en hadden straks, thuis, wat te vertellen. Maar, zouden anderen het nu wel gelooven? Zou men aannemen, dat het mogelijk is, als het ware op bestelling, wilde dieren uit de diepe zee te ontmoeten, ja zelfs een rit op hun rug te maken?„Jammer, dat ik dit dier niet fotografeeren kan,” zei ik, plotseling terneergeslagen, tot onze vrienden van het eiland.De mannen wisten raad, zij legden de oude schildpad op den rug, we konden dan in den vroegen morgen terug komen om opnamen te doen. Heel aangenaam zal het dier dezen tijdelijken levensdraai wel niet gevonden hebben, al legde het vrij spoedig den kop rustig neer, maar ik was zoo wreed om aan te nemen, dat ze toch geen overwegende bezwaren tegen ons plan kon hebben; bovendien, misschien zou ze over eenige uren pas begrijpen, dat ze niet bepaald meer in haar gewone doen was!En zoo is het gelukt om ons nachtelijk avontuur bij daglicht op de plaat vast te leggen. Zelfs gelukte het ’t moment te fotografeeren, waarop onze schildpad het veilig tehuis indook; toen zij het water voelde, werd de snelheid plotseling zeer groot, en de hersens werkten normaal, want zij keek naar den naast haar rennenden man en ontvluchtte hem; dat zij daarbij geen verschil maakte tusschen een boozen jager en mij, den goedwillenden fotograaf, kan men de geplaagde stakker niet kwalijk nemen.Eerst bij dag hadden wij ontdekt, dat het dier een gedeelte van een voorpoot miste, en ik dacht al aan haaien en dergelijk gespuis. Maar de mannen vertelden ons, dat eens in een nacht een Chinees bij hen was geweest, en dat de onverlaat dit dier een stuk van den poot had afgehakt, verzot als hij was op het aroma van schildpadvleesch. Ook Europeanen zijn niet ongevoelig voor schildpadsoep, maar ik geloof niet, dat deze lekkernij ooit middels amputatie verkregen wordt. Wel denk ik, dat[128]het gevoelscentrum van onze arme, trage Penjoe op dàt fatale moment prompt zal hebben gewerkt.„Wat zal moeder kijken, als ze mij gekiekt ziet op die schildpad,” zei het schoolmeisje, „maar wat zal ze woedend zijn op dien valschen Chinees … zóó’n engerd!”Ornament met vleermuis.[129][Inhoud]XII.TELEGOE, DE STINKDASMenschen, die in ernst meenen te weten wat stank is, zonder den Indischen stinkdas in zijn beste momenten te kennen, lijden aan zelfoverschatting.Stank is een afschuwelijk woord, maar werkelijk, hier moet duidelijk Hollandsch gesproken worden; elke verzachtende uitdrukking is een laf ontwijken van de waarheid, laten wij voor dezen keer nu eens precies mogen zeggen, waar het op staat.De lucht, geproduceerd door den telegoe, is de waarachtige stank; niet dood en vies, maar stank, die leeft; stank, die niet maar gewoon passief stinkt, maar die agressief is en je naar de keel grijpt; stank, waarmee men trotsche legers in ellendige, vluchtende horden kan omzetten.Zooals blijkt spreek ik met eenig gezag, berustend op kennis; en die kennis drong zich gewelddadig aan mij op.„Jullie gaan een bungalow aan den voet van het Barisan-gebergte bouwen?” zei een vriend-natuuronderzoeker, „als je dan maar niet veel last hebt vanMydaus meliceps, telegoe heeten ze hier, op Javasigoeng. Die beesten hebben in den endeldarm een paar zakjes, waarin door klieren een olieachtige stof wordt afgescheiden; wordt de telegoe geprikkeld of achtervolgd, dan spuit hij de stinkstof naar buiten in een dunne straal, die zich dadelijk in een fijnen sproeiregen verdeelt; en daar die stinkstof in de lucht snel vervliegt, is het of de heele omgeving plotseling één en al stank is, knoflook en zwavel en ik weet al niet wat.”[130]„Nou ja,” zei ik lachend, „dat luchtje hebben wij hier en daar wel eens geroken, maar zóó erg is dat toch niet!”„Neen?! wij spreken elkaar nader; wat jullie kennen, is de lucht van een dier, dat misschien op een kilometer afstand passeert. Maar je hebt nog nooit zoo in de wildernis aan den rand van de bosschen gewoond; vooral in Zuid-Sumatra komen zij juist dáár veel voor; en als je van nabij met hen kennis maakt, wel, dan kun je er verhaaltjes van vertellen. Let maar eens op, als ze onder je huis doorloopen en zij worden door een of andere oorzaak boos, dan wordt iedereen wakker van de lucht, en al je zilver slaat zwart aan …”Wij lachten weer. Of het domheid is, of gewoonte? maar in zulke gevallen lacht men. Eerder had ik al eens gelachen, toen de kroonprins van Asahan mij te Fort de Kock vertelde, dat in zijn land visschen in de oeverstruiken klimmen; en weer had ik gelachen, toen men mij vertelde, dat zeeschildpadden bij het eieren leggen aan het strand door ongeduldige eierzoekers geholpen worden bij het graven van het gat. Sedert dien had ik zelf klimvisschen in actie gezien, en ik had in middernachtelijk uur rustig gereden op den rug van een reusachtige schildpad, vóór zij weer de zee in dook. Toch lachte ik nu weer … al die berichten van menschen zijn dikwijls zoo overdreven, ik zou zelf wel eens nuchter beoordeelen, wat er van die fraaie verhalen waar was.En ik zou er de kans wèl voor krijgen!De bungalow was klaar en wij betrokken haar; het terrein daar en in de omgeving was eenige tientallen jaren geleden bouwland geweest, toch waren enkele zware boomen uit het oorspronkelijke oerwoud er blijven staan; later schoot er jong bosch op, behalve op die stukken, waar het vee was toegelaten en waar de alang-alang heerscheres was, dat manshooge wilde gras met breede bladklingen, dat bijna niet is uit te roeien. Er stonden dus verscheidene reusachtige rimbaboomen, jonger bosch en kreupelhout, en er waren velden alang-alang, waar de zon blakerde. Voedsel en schuilplaatsen voor allerlei wild; er waren dan ook varkens, en de Gestreepte kwam er wel eens op hen jagen; in de struiken ritselden bevende dwergherten, de beer blafte in de boomen aan den waterkant, en de marters dartelden in zon en koelte.[131]Niet véél wild was er, maar van alles wat. Apen echter in geweldige hoeveelheden, die maakten van daar uit hun strooptochten naar de velden der menschen, en … er waren stinkdassen!En nu leerden we spoedig, wat „stank” is.Kuchend werden we in een nacht wakker, eenmalariapatiënte, die bij ons logeerde, hoestte het eerst alarm.Of deze telegoe onder het op palen staande huis doorliep, dan wel boven den wind de bungalow passeerde, weet ik niet. Evenmin, of hij zich boos maakte om de nieuwigheid, om het huis dat er vroeger niet was. Maar de uiting van prikkelbaarheid was er!Den volgenden morgen hebben wij in vollen gezinsraad een prijsvraag behandeld: beschrijfdielucht! Ieder trachtte te zeggen, welk souvenir de lucht had opgewekt, en ieder dacht daarbij aan moeielijke momenten op zee.Men stelle zich voor zeeziek te liggen in een hut op een oud vrachtschip, dat doortrokken is van de vettige, ranzige lucht van copra, terwijl in die hut tevens een partij civetkatten is ondergebracht. Het schip heeft een licht-installatie van carbid; ergens bij de hut is een lek en de knoflookwalm druipt rijkelijk uit de leiding, toch zet iemand in die omgeving scheepskoffie, en de aller-ordinairste cichoreilucht kruipt ook de hut in, en zij neemt nog een scherpen zwaveldamp van ergens mee … en dit geheel kleeft zich aan den zeezieken mensch, ineens, geweldig, overal tegelijk, en het gaat niet voorbij, het blijft, het kleeft overal aan.Tegen den middag rook onzepatiënteweer in heftige mate de nare lucht en zij riep verschrikt: „daar komt er weer een!”Valsch alarm. Ze had zich den thermometer aangelegd, waarbij haar handen den nikkelen kop van het instrumentje hadden aangeraakt. En toen wij ook kwamen ruiken, aan de thermometer en aan ander metaal, toen bleek alles aangestoken, en snel werd het zilver gepoetst om zwart worden te voorkomen.Nu werd de omgeving van het huis zoo spoedig mogelijk van lage struiken en hoog gras gezuiverd, en wij hadden bij onze gewoonlijk korte verblijven in de bungalow in de bergen slechts zelden meer[132]last van dergelijke nachtelijke bezoeken. Een niet te onderschatten factor daarbij waren onze honden, stadsdieren, die onbegrijpelijk gesteld bleven op nadere kennismaking. Na elke ontmoeting kwamen zij diep ongelukkig thuis, wentelden zich overal, schuurden tegen alles en verspreidden rondom de walgelijke lucht; dagen achtereen moesten zij worden vastgelegd en gebaad; eerst later bleek, hoe die ontmoetingen zich moeten hebben afgespeeld, jaren later; en toen eerst wist ik, dat ik aan mijn nieuwsgierigheid om de bron van alle kwaad eens te zien, eerder had kunnen voldoen; dat namelijk de telegoe een sloom dier is, dat men met eenig geduld, maar met groote voorzichtigheid tevens, gemakkelijk kan volgen; sloom, niet uit makheid, maar omdat hij niemand vreest.Wij waren weer eens „boven”, in onze bungalow. In den vroegen morgen wekte ons een hevig tumult onder de bedienden in de bijgebouwen, kreten van afgrijzen en het opwekkend geluid van iemand, die in onmin verkeert met zijn maag. Het geheel tooverde voor onze oogen de zee, een railing waarover gebogen de gedaanten van wezens, die tevoren mensch waren. Dus was er weer een stinkdas in het spel!Wij vlogen naar buiten; een heftige, kleffe telegoelucht greep ons naar de keel.Djamak, een onzer bedienden, had in den heel vroegen morgen een klein dier zien kruipen in het gras. Djamak was goed-Moslim, maar dit varkensjong, dat blijkbaar zijn moeder was kwijt geraakt, durfde hij toch wel aan te pakken; het zou zulk aardig speelgoed zijn voor „nonnie”, ons jongste dochtertje. Hij zou het maar wagen; trouwens, als hij het maar in zijn baadje ving, hoefde hij niet met de handen in aanraking te komen met het „haram” diertje.Djamak, de goeierd, toog op het oorlogspad. Wat zou meneer blij zijn! die hield zoo van dieren, en Djamak had dikwijls gemerkt, dat het zijn baas hinderde, dat hij zoo niets van beesten wist; meneer vond hem bepaald suf. Maar nu! hij zou ieder verrassen met een door hem zelf gevangen dier; hij zou er niet bij vertellen, dat hij den sukkel eigenlijk maar voor het oprapen had gehad, zóó sloom wiegelde het dier door het gras.[133]Zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten.Opgepast, nu krummelde het naar een holte in het grasveld, daar zou hij de jas over het dier gooien, zijn nieuwe, witte jas, die mevrouw hem had gegeven. Hij sloop achter het dier aan; was het eigenlijk wel een wild varkentje? hij wist niets van dieren af, maar dat snuitje was toch een varkenssnoet, en wat zou het ànders zijn. Maar waarom was dat beest heelemaal niet bang? Even wachten, het had blijkbaar den vervolger opgemerkt. Djamak stond doodstil.De telegoe keek aandachtig naar hem. Wat wilde dat lange, sluipende dier? Het ging hem bepaald vervelen. Hij had zijn nachtelijken tocht wat te ver voortgezet; hij had heerlijke larven en regenwormen gevonden; en toen het maagje gevuld was, had hij keurig toilet gemaakt, want de telegoe is zeer coquet. Maar nu wilde hij ongehinderd naar huis, naar zijn ruim ketelhol, dat hij onder sterke boomwortels had gegraven. Waarom sloop dat gekke dier toch achter hem aan?[134]Hij stelde zijn batterij op en wachtte rustig, misschien speelde een duivelsche glimlach om zijn kalen snoet.Nu!… dacht Djamak, en mèt gooide hij zijn baadje over zijn buit … maar tegelijk sloeg hij met een akeligen gil achterover. Iets vets en kleffigs wurgde hem en legde hem zijn maag boven op het hoofd; en onder het baadje door liep de telegoe, stank op pooten, wiegelend weg; hij kon tevreden zijn, het schot zat. Arme Djamak, in een ondeelbaar oogenblik van jager slachtoffer geworden, trok nu de levendige belangstelling van ieder; juist wat hij gewenscht had, maar wel op een andere manier. En zijn mooie jas was bedauwd met fijne droppeltjes olie, die gele vlekjes werden, voor altijd.Maar waar was het dier? Nu wilde ik het zien en hebben. Iemand had het zien kruipen naar een stapel brandhout, en dáár, in een hoekje gedoken, zat het; de gebeurtenis had hem toch wel even uit zijn evenwicht gebracht. Ik benaderde hem, een zakdoek, vier dubbel gevouwen, stijf tegen den neus gedrukt. Maar zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten, vóór ik het dier met een schot hagel in de hersens doodde. Ik had den mond van het geweer voorzichtig tot vlak boven zijn kop gebracht om een tweede olie-explosie te voorkomen. Of dit gelukte, weet ik niet. Wel, dat wij de beide stankcentra diep moesten omspitten, dat het slagveld werd ontsmet en begoten, en dat wij den derden dag daarna moesten besluiten weg te gaan, omdat het leven onmogelijk was geworden. Maar ’s nachts viel een zware regen en den volgenden morgen bleek de stinkstof vrijwel afgespoeld te zijn van alle vaste dingen, waarop ze zich had vastgekleefd.Dien avond spraken wij den plaatselijk besturenden ambtenaar en vertelden hem alles in kleuren en „geuren”. Hij en zijn vrouw waren zeer verwonderd, want ook zij hadden denzelfden morgen diezelfde lucht in huis geroken, voor hen een nieuwe sensatie, en de bedienden hadden hun het woord telegoe genoemd. En toen nagegaan werd, wat de bron van die lucht was geweest, bleek, dat mijn oppasser, even na het schot, met een portefeuille stukken naar het controleurshuis[135]was gegaan en zoodoende de geheele atmosfeer ook dáár had bedorven.Er zijn op het gebied van „luchtjes” merkwaardige dingen in Indië.De doerian, de bekende vrucht met haar geweldige dorens, die ook vele Europeanen als groote lekkernij beschouwen, wordt wel eens.… „gasfabriek” betiteld, en onze voorouders uit het laatst der 16de eeuw schreven reeds van haar:… „datment niet en kan compareren met geenderley fruyten vande werelt: want in smaeck ende goetheydt affirmeren dat het alle fruyten te boven gaet: maer eerst alsmense op doet, riecken gelyck oft het verrotten ayun waer: maer inden smaeck heeftmen die leckerheyt.”De wondermooie Rafflesia, de grootste bloem ter wereld, en de prachtige Amorphophallus verspreiden in de wildernis na den vollen bloeitijd een vehemente lucht, die haar allerlei leelijke bijnamen heeft bezorgd; en er zijn mossen en varens, die de geheele atmosfeer in den omtrek in jodoform schijnen om te zetten.Maar geen van deze plantaardige bronnen van kwalijke luchtjes kan zich in de verste verte meten met den telegoe. Van ’s menschen standpunt gezien, vraagt men zich af, hoe de stinkdas tevreden kan zijn te leven in een atmosfeer, zooals hij zich die schept. Mijn dochtertje drukte het dien morgen in haar eigen woorden uit: „Hoe houden de jonge telegoetjes het bij zóó’n stinkadoris van ’n moeder uit!”Ornament met varaan.[137][Inhoud]XIII.JOZEF, DE NEUSHOORNVOGELDe neushoornvogel Anggang had een vergadering bijeen geroepen van tal van ontevredenen in de vogelwereld.De bijeenkomst had een revolutionair karakter, het doel was niet minder dan het afzetten van den koning aller vogels. Tot op het oogenblik, dat de neushoornvogel de leiding nam van de oppositie, was Kang-kok koning geweest in de Maleische landen, en al de eeuwen door had vrede en voorspoed geheerscht. De radja was maar klein en bescheiden, maar hij was rechtvaardig en wijs; zóó wijs, dat hij wist te voorspellen of het oogstjaar een overvloed van granen en vruchten zou brengen. Nu nog weten de menschen, dat de rijstoogst gelukken zal, indien de vriendelijke vogel welbespraakt is en gedurende weken achtereen aan den rand van het bosch zijn naam in herinnering brengt. Het is een vervelend rijmpje op den langen duur, omdat de vogel in toon en maat rotsvast is, maar het geluid is lief en vertrouwelijk, en de hoofdzaak is, dat zijn wijfje op haar nest het hoogelijk schijnt te waardeeren en dat het eentonig liedje haar niet gaat vervelen: kang-kang-kang-kòk … kang-kang-kang-kòk.In het bijzonder waren het de groote vogels, die in opstand kwamen. Zij vonden het belachelijk door zulk een onaanzienlijk vogeltje te worden geregeerd.„Kijk eens naar mijn lichaam,” had de neushoornvogel Anggang gezegd, „luister eens naar mijn machtig geluid, en let eens op de[138]kroon op mijn hoofd!” en de vergadering had besloten Kang-kok af te zetten en den reus als opperhoofd te erkennen.Maar spoedig had men berouw. De nieuwe koning wees alle boschvruchten toe aan de leden van zijn geslacht, en deze veelvraten lieten niets over voor de kleintjes.En er werd weer een vergadering belegd, en men besloot Kang-kok in eere te herstellen. Maar deze had zijn geheele geslacht weg gezonden uit het ondankbare land, naar Java, en hij zelf kon niet vergeten wat men hem had aangedaan. Toch zwichtte hij ten slotte voor den aandrang der berouwvollen, zij mochten één kangkok-ei van Java halen.Goede raad was duur, wie zou dat doen? Eindelijk bedacht een klein vogeltje uit de rimba, dat zijn vriend de zweefvlinder het wel zou klaar spelen, die glijdt zoo lang op zijn groote vleugels van crême met zwarte dotten, zonder één slag te doen, hij zou het ei wel over kunnen brengen.De goede vlinder kweet zich goed van de moeielijke taak; de boeboet broedde het ei uit met zulk een toewijding, dat deze rosse spoorkoekoek er een kaal buikje van overhield, tot den huidigen dag; en de zwarte vorkstaart, die zelfs de grootste roofvogels in de vlucht durft bestoken, hield de wacht. En toen het koningskind volwassen was en tot radja werd verheven, kwam het geheele geslacht Kang-kok terug in de Maleische landen.De reus met het gekroonde hoofd en den gulzigen bek, zal zich er niet veel van hebben aangetrokken, dat hij den koningstitel verloor. Hij slikt er niet minder vruchten om, en zijn machtig geluid domineert nog heel het bosch.Hoor! Boven het breede ravijn klinkt een galm uit de witte wolken, twee zwarte stippen teekenen zich af. „A-ngok” klinkt het nasaal-zwaar over de zwijgende rimba, waar al wat leeft schijnt te luisteren. En nu het reuzenpaar nadert, komt een wonderlijk geluid aanbruisen, het zware, rhythmische geluid van den vleugelslag. „Sjoep, sjoep”, blaast en fluit de lucht tusschen de veerschachten en langs de vleugelbeenderen met hun dunwandige cellen en verbazingwekkenden luchtvoorraad.[139]Als de twee vleugelparen even hetzelfde tempo hebben, is het krachtige geluid bepaald dreigend, maar het is altijd zoo, dat men ernaarmoetluisteren, alleen de cicade zet zijn eeuwig gezeur voort. Duidelijk is nu de machtige kop aan den uitgestrekten hals te zien, ook het zwarte lichaam; de staart is wit, maar in het midden loopt over alle veeren een breede, zwarte band; die staartveeren van den anggang waren vroeger het helden-teeken voor de Dajaks; alleen zij, die een kop hadden gesneld, mochten de scheede van hun zwaard ermede tooien.Is de anggang—zóó verstaat het Maleische oor den roep, die met „a-ngok” is weergegeven—dus een domineerend man, hij is niet de grootste neushoornvogel in Indië. Maar de allergrootste, die van snavelpunt tot staarteind anderhalven meter meet, is zoo schuw en komt zooveel minder algemeen voor, dat slechts weinig Europeanen zijn bestaan kennen. Ivoor-vogel noemen hem de inheemschen naar den massieven kop-kroon, waaruit vooral de Dajaks op Borneo fraaie versierselen snijden. De Hollanders hebben hem „lachvogel” gedoopt; deze naam schijnt geheel ten onrechte te zijn gegeven indien men alleen maar het begin hoort van het concert, dat hij in de allerhoogste boomen van de rimba geeft, en dat hij, door schrik bevangen, dikwijls afbreekt; de bangerd, die door angst moet boeten, dat hij, in vorige incarnatie als mensch, zijn schoonmoeder heeft vermoord. Heel verdekt stelt hij zich op en spiedt angstig rond; de staart, eindigend in twee veeren, welke bijna negentig centimeter lang zijn, hangt loodrecht neer. Is alles rustig? beweegt zich daar beneden niets? rondom? nergens gevaar??… „Oeoek!” galmt het nu boven het stille bosch, maar dan spiedt hij langen tijd weer rond of zijn roep niet eenig gevaar heeft wakker geroepen. Eindelijk komt de tweede roep, na een iets kortere pauze de volgende, en hoe veiliger hij zich langzamerhand voelt, hoe korter worden de pauzes, wiskunstig zuiver, en eindelijk, als men zich verwonderd afvraagt waar dit naar toe gaat, eindigt de reuzevogel in een honend gelach, niet meer „oe” maar duidelijk „a”… hahahaha! De Maleische legende gaat niet zóó ver, maar het is, of hij vreest den geest van zijn schoonmoeder te zullen oproepen;[140]ontdekt hij die niet, gaat alles goed, dan lacht hij om haar en om zijn eigen angst.Kleiner dan de anggang zijn de neushoornvogels met zwarten snavel, en de witsnavels, die in groote gezelschappen en in oneindig gesnater tot in de kampoeng’s komen als er rijpe ficus-vruchten te smullen zijn. Maar zij zijn stoeiende kwajongens vergeleken bij den waardigen anggang, die door zijn karakter en zijn fierheid zelfs den lachvogel in de schaduw stelt. En de mensch kent hem zooveel beter, omdat de anggang, jong gevangen, zich spoedig in den nieuwen toestand schikt; binnen enkele weken kan hij verlost worden van het traditioneele touw aan een der pooten en geniet in volkomen vrijheid van zijn bestaan, als huisgenoot van den mensch; hij moet echter telkens wat gekortwiekt worden, omdat hij zich anders aan verre vluchten wagen zou en door zijn tamheid een gemakkelijke prooi zou worden voor anderen dan zijn baas.Verschillende anggang’s hebben wij in den loop der jaren in Indië gehad, geen zoo lang als den laatste in de rij, onzen braven Jozef.Jozef was geboren in een boomholte. De Maleier, die hem bij mij bracht, had in het bosch, niet ver van zijn ladang-huisje, gezien, dat een anggang een gat in een boom met klei dicht metselde en hij had begrepen, dat hij bezig was zijn wijfje voor vier weken of meer van de drukke boschwereld af te scheiden. Slechts een klein gat blijft in het metselwerk gespaard, waardoor de hardwerkende man zijn ega voedert. Hij doet dit uit jalouzie, zegt men, en hij moet zóó jaloersch zijn, dat hij zich verontwaardigd van verdere voedering afwendt als hij ontdekt, dat een andere anggang-man zich bij het nest ophoudt en naar binnen gluurt. De arme, onschuldige moeder en haar kroost sterven dan den hongerdood, aangezien zij geheel is aangewezen op de voederballetjes van insecten, boomvruchten en deelen van kruipende dieren gefabriceerd, welke manlief haar in den puntigen snavel aanreikt.Jozef’s moeder had blijkbaar geen aanleiding tot jalouzie opgeleverd; toen het groote oogenblik van verlossing was aangebroken zal het ouderpaar het metselwerk met vereende krachten hebben verwijderd,[141]en op zekeren dag zag de Maleier op de takken van den boom een door het lange, bewegingloos zitten nog stijve moeder en haar kroost, wonderlijke wanstaltige wezens. In de omgeving had de man geen andere anggang’s opgemerkt en toen hij eenigen tijd later, ingelicht door een dwaas geweld dat een anggang laag bij den grond maakte, tusschen de struiken een jong vond, begreep hij een lid van het hem bekende gezin te hebben gevangen. Hij en zijn kinderen voerden het dier met pisang (bananen) en gekookte rijst, zooals de doorsnêe binnenlander gewoon is alle gevangen vogels te voederen; zij zijn dan zeer verbaasd, indien een of andere roofvogel weigert te eten en zich maar „koppig” neerzet om in de kleine kooi te sterven; ditmaal ging het best, toevallig kon men den kleinen anggang geen beter voedsel in den grooten bek wringen. En toen er een behoorlijke prijs voor hem kon worden gevraagd, werd hij aan ons verkocht.Wij wisten al, dat een anggang niet geliefkoosd kan worden; aaien over den kop of over den rug is een genot voor papegaaien en loeri’s, maar buiten deze „kopje-krauw’s” zijn vogels er niet bijzonder van gediend. Maar als men een jongen anggang, die zich al enigszins aangepast heeft aan de nabijheid van den mensch, liefkoozend toespreekt, dan reageert hij in een zachten, onderdrukten eenklank, dien wij als „jóos” hoorden. Daarom heetten bij ons de anggang’s Jozef, en deze Jozef reageerde altijd, als men een lief buiginkje in zijn naamklank bracht.Jozef had in een klein, vies hokje gezeten, zijn toilet was slecht verzorgd, de lange oogharen om de verstandige oogen met hun menschelijke oogleden, waren dicht bezet met roode luisjes, en het deed hem geweldig pijn toen hij er voorzichtig van verlost werd; hij heeft mij dat in jaren niet geheel kunnen vergeven.Jozef was eigenlijk wanstaltig, vooral in de eerste jaren van zijn leven, toen hij nog niet volgroeid was, een proces, waarover de anggang minstens drie jaren doet. Vooral de nestharen aan den zwaren nek stonden zoo weinig gesoigneerd, en dan die malle kop! Eerst later, toen de roode kroon aanzwol en de veeren glad waren, zag Joos er representabel uit, maar toch bleef hij een wonderlijk geheel, vooral[142]als hij mal rondhupte op de grove grijpvoeten; zij waren ganschelijk niet daarvoor geschapen, toch deed hij het met blijkbaar pleizier, al moest op een langen tocht wel telkens halt worden gemaakt. Trouwens, daarvoor waren ook andere redenen; er kon niets boven hem vliegen of bewegen, tot zwaluwen hoog in de wolken toe, of Jozef draaide den kop 90 graden en bekeek het object in peinzend filosofeeren met het naar boven gewende oog, en hij trok er zich niets van aan, als de menschen er om lachten.Jozef was den geheelen dag bezig, in beweging, of als wijs filosoof; zelden sliep hij overdag als er menschen in de buurt waren met wie hij op zijn manier voeling zocht. Zijn dagelijksche omgang was de tuinjongen, die voor planten en dieren zorgde, het gras op de gazons kort hield en de paden wiedde. Vooral bij dit laatste werk was Jozef vol daadwerkelijke belangstelling, en uren lang zat hij bij den „kebon” en keek toe, zocht telkens den hemel af met één oog en zei zoo nu en dan heel zacht: jóos. Maar in het bijzonder gold zijn belangstelling de heel mooie witte steentjes op de grindpaden, hij zocht ze uit, voelde ze aan, slingerde ze een paar decimeter de lucht in en ving ze weer op. Jozef was een geweldig vanger, hij miste nooit. Toen dit opviel, werden natuurlijk allerlei vangproeven met hem genomen, en nooit hebben wij gezien, dat hij den kleinsten rijstkorrel miste!Niet doorloopend had de kebon zijn gezelschap, dat hing van de gebeurtenissen van den dag af. Toen onze kinderen tijdens den wereldoorlog uit Holland overkwamen, ging een belangrijk deel van zijn affectie op hen over. En als de meisjes in de achtergalerij aan handwerkjes bezig waren, kon hij een ganschen morgen naast haar op het traliewerk om de galerij zitten, droomerig filosofeerend of zich uitslovend om een buit gemaakt kleurig wollen draadje op te slingeren en weer op te vangen, waarbij hij uit den aard der zaak met groote moeilijkheden te kampen had.In dit rustig bestaan kwam opeens een zeer belangrijke gebeurtenis een nieuw veld van belangstelling en arbeid openen. De kinderen hadden ergens twee heel jonge aapjes uit de handen van plagende jongens gered, en de tuinjongen had een jong biggetje, dat op onbegrijpelijke[143]wijze ergens uit een Chineesch varkenshok was ontsnapt en in een bijna drogen put was terechtgekomen, uit de modder gevischt. Nu kon het niet anders, of er moest een groote volière worden gebouwd, waarin deze menagerie tot haar recht kon komen. Al spoedig vermeiden de aapjes zich op rekstokken en schommeltjes, in de volière aangebracht, en een hunner deed dagelijks een rit op den rug van het heftig protesteerend biggetje. Voor Jozef een nieuwe wereld, en een drukte en actie als hem zelf geheel vreemd waren. Maanden lang was hij belangstellend toeschouwer, van buiten het gaas, en al dichter en dichter waagde hij zich bij de grijphandjes der apen, die met plotselinge uitvallen trachtten den staart van Jozef te pakken te krijgen als hij daartoe de kans gaf. Maar een straffende tik met het bijltje, zooals wij Jozef’s snavel noemden, deed hen terug deinzen, om dadelijk weer de goede kans te beloeren. Soms hielden zij Jozef met een plagend handje bezig, om, met een uitgestreken gezicht, behoedzaam een achterpoot door de grove mazen van het gaas rechtuit te schuiven en zoodoende den aanlokkelijken staart te benaderen. Maar het bleef steeds een zachtaardig spelletje en nimmer deden zij elkaar bepaald kwaad. Zoo was een groote vriendschap ontstaan, en als zij in den middag hun maaltje rijst en bananen of andere vruchten kregen, was het bij de volière een gezellige drukte, de aapjes en het biggetje binnen, Jozef als belangstellend publiek buiten de volière.Op een goeden dag zagen wij iets zeer merkwaardigs gebeuren.Jozef had een blijkbaar voldoende portie pisang opgeslokt en bleef met een stuk banaan in den snavel zitten. Plotseling nam hij een besluit, wipte tot vlak tegen het gaas en stak een der aapjes het stukje pisang toe, dat dadelijk en met graagte werd aanvaard; de wangzakjes waren eigenlijk al vol, geen nood, met den rugkant van ’t handje werd duwend toch nog plaats gemaakt. Dat moest toeval zijn! Wij wisten hoe „menschelijk” Jozef was, maar dit leek ons zoo ongelooflijk, dat hier aan zuiver toeval moest worden gedacht. Maar neen, sinds dien dag bleef Jozef de heertjes geregeld bedienen. Vooral Klappie, de kleine klapperaap met zijn guitig varkensstaartje, werd bevoorrecht en de kleine schavuit beschouwde dit spoedig met een zeker air van[144]quasi-onverschilligheid als een hem toekomend recht. Als hij zag, dat het moment gekomen was, schurkte hij zich in een hoekje van de volière, op den grond, de handjes op schoot, het hoofd onverschillig afgewend. En de brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje, dat met één handje, als was het hem eigenlijk te veel, genadig werd aanvaard. Als wij gasten hadden, werd telkens de vertooning gegeven, velen hebben zich dan ook van dit merkwaardig gebeuren overtuigd.De brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje.Toen kwam de groote verhuizing naar Palembang, onze kinderen hadden ons alweer verlaten, en zoo namen wij afscheid van de aapjes en het biggetje, dat inmiddels een vet knorrepotje geworden was; zij gingen over in handen van een anderen dierenvriend; door hun de vrijheid te geven, zooals wij met onze boschvogels hadden gedaan, zouden wij de ontaarde kereltjes den dood hebben ingejaagd. Maar Jozef reisde natuurlijk met ons mede. Het residentshuis te Palembang heeft aan de achterzijde een groot erf, geheel door bijgebouwen en zware hekken afgesloten en beplant met verschillende schaduwrijke vruchtboomen, een dorado voor Jozef. Hij zal zijn aapjes wel zeer gemist hebben; wel hadden wij een jongen hond, maar deze had het veel te druk met ronddribbelen dan dat hij een rustig vriendje voor Jozef kon zijn. Maar de slimmerd wist raad, hij wachtte tot het hondje ergens lag te slapen, benaderde hem en trachtte een of andere lekkernij tusschen de dichtgeknepen lippen te wringen!maarde ontsteltenis was telkens[145]groot, het dier kon niet vatten, dat Jozef’s scherp bijltje als teeken van vriendschap en zorgende liefde hem in het tandvleesch prikte, en telkens vloog hij met een naren gil op en ontvluchtte kermend het nog juist ontsnapte levensgevaar. Arme Jozef keek dan wel heel ongelukkig, en hij draaide het eene oog naar de wolken om den hemel tot getuige te nemen van zijn nobele bedoelingen.Toen kwam op een morgen een man uit de Boven-Moesi met een jong hert te koop, een bok, maar er was nog geen spoor van de eerste geweiknobbels. Hans werd nu Jozef’s kameraad, een wild hert uit de ruige struiken en een vogel uit de hooge boomen gezworen kameraden!Toch duurde het maanden voor de twee gewend waren aan elkaars onmiddellijke nabijheid, maar toen was ook voor Jozef het oogenblik daar, om blijk te geven van zijn affectie. Ook Hans was er in het geheel niet van gediend, voor hem was het eenvoudig om aan het bijltje te ontkomen, hij stak den kop de lucht in, de ooren in den nek, maar telkens weer deed de brave vogel zijn best, en te oordeelen naar wat later gebeurde, moeten zijn pogingen toch niet altijd zijn afgewezen.Op een goeden morgen namelijk werden wij geroepen door onze kokkin, wij moesten dadelijk komen kijken, nu gebeurde er iets, dat de bediendenschaar in groote verbazing bracht!De kokki had ’s morgens vroeg een partijtje aardappels, die begonnen uit te loopen, te luchten gelegd op het groote waterreservoir van beton, dat op het achtererf van de woning is aangebracht. Hans rook, dat daar iets naar zijn gading lag, maar al ging hij ook op de teenen staan en spande zijn hals als een vioolsnaar, de zoekende mummellippen reikten nog niet aan den rand van den bak. Nu zag Jozef zijn kans, hij vloog op het reservoir, zocht de beste aardappels uit en reikte die zijn vriend aan!Dit is voor ons, dierenvrienden, die allerlei dieren hebben gehad en getracht hebben al hun eigenaardigheden te leeren kennen door goed voor hen te zijn, een moment geweest, dat nu nog telkens wordt opgehaald als het merkwaardigste, dat wij van onze „redelooze” vrienden hebben beleefd. En eerst nu, dat ik de geschiedenis van braven Jozef vastleg, heb ik hem begrepen. Het kan niet anders, of Jozef voelde in[146]zich den drang te doen wat zijn vader en zijn grootvaders hadden gedaan, toen zij hun ingemetseld wijfje de zorgvuldig bespaarde hapjes door het klei-venstertje aanreikten; Jozef’s vaderhart sprak! En al klinkt dit mal, als men een vergelijking treft tusschen den aard en de lichaamsgrootte van een hert en een vogel en daarbij het hert als de moeder met de babies denkt, Jozef voelde zich de vader en hij voldeed aan de groote wet, die hem de voederplicht had opgelegd.Jozef is natuurlijk met ons mee verhuisd naar Médan, met Hans. Maar deze werd al spoedig de baas van het hertenparkje, en Jozef heeft nimmer meer een bijzonderen dagelijkschen vriend onder de dieren gehad. Trouwens, hij had er nu ook weinig tijd voor, want hij had het oppertoezicht op zich genomen over alle dieren op het erf der gouverneurswoning teMédan, dat eerder de betiteling van park verdient en waar een gezin van dierenvrienden zich naar hartelust aan hun hobbies kan wijden.Zijn dagelijksche mensch-vriend was nog steeds de trouwe tuinjongen van Bengkoelen en meer en meer sloot Jozef zich bij hem aan en keek toe, dat hij geen der mede-dieren te kort deed. En er waren er zoo eenige. Het werk begon in de vroegte bij de kippen, waaraan de tuinjongen de uiterste zorg besteedde; hij, Lakasah, was zeer trotsch op de Plymouth Rocks, die kregen de eerste zorg; dan volgde het kleine toom Rhode Islands, maar daar keek hij op neer sinds er een veerenpikker onder was, die zijn baas maar niet wilde opruimen. Jozef vond kippen weinig interessant; of hij deed maar zoo, want kuikens hadden zéér zijn belangstelling, zóó zeer, dat hij eens verrast werd, juist bezig om een achterlijk stumperdje een waardig graf te bezorgen. Dat kuiken bleef telkens achter, als moeder-kip met haar kroost voort-kloekte; Jozef zag zijn kans, zijn onderbewustzijn sprak van heerlijke muizen en kruipend gedierte, die een belangrijk deel uitmaken van het anggang-menu in de wildernis, de moederkip was achter een struik verdwenen, hij hoefde niet te vreezen, dat ze als een fregat met volle zeilen op hem af zou stormen … en het nimmer missende bijltje deed zijn werk goed.Bij de groote kooi van den béo, den praatvogel, bleef Jozef dikwijls een tijd achter op den dagelijkschen rondegang van Lakasah. Hij, Jozef,[147]die alleen maar zoo nu en dan zijn zacht geluid deed hooren, moet wel respect gehad hebben voor den béo, den meest perfecten praatvogel ter wereld; kon deze niet roepen en spreken en fluiten als de menschen; en dan zijn meesterlijk kuchen en hoesten!… was daar weer die akelig rochelende Chineesche koeli, die maanden geleden steenen had aangesjouwd? waarom ging daar, plotseling, knarsend de zware garagedeur open, terwijl ze dicht zat? Ja, ja, dat doeik!zei de béo met een houten gezicht; langs zijn gelen snavel loerden de scherpe kraaloogen naar den stillen Jozef met zijn reuzekop.Dan ging hij maar weer voort, Lakasah achterna. Nòg zoo’n schreeuwer kreeg nu diens bezoek; hij was een vlamroode loerie van Ternate, dien een dankbare Maleische jongen, ginds ambtenaar geworden, mij had toegezonden; daarom was de loerie erkentelijk aanvaard, maar hij zette zoo nu en dan de geheele omgeving op stelten; hij kon engelachtig lief teemen en vleien; bij het afroepen van de namen van de bedienden was zijn geluid al meer een oorverscheurend geschater, maar als hij het op zijn heupen had en Ternataansch sprak, tenminste onverstaanbaar, dan kwam er in zijn toespraken zulk een gloed, dat het razen en vloeken leek, zóó, dat een fuselier er eens van bloosde.Nu was Dora aan de beurt, de baby-orang hoetan, die op dezen tijd van den dag haar fleschje melk savoureerde; maar Dora was geen hartsvriendin van Jozef, zij was hem te sluw. Voor de menschen was zij een zacht, drenzend kind en lief keken haar mooie, bruine oogen; maar o wee! als een of ander dier, dat ze aandurfde, onder haar bereik kwam; dan schoot de gespierde arm onverwachts uit, en Jozef had ondervonden, dat die arm veel en veel langer was dan men zou verwachten.Zoo verrichtte Jozef bij nog vele andere dieren zijn dagelijkschen rondgang, en daarna meldde hij zich bij de huisvrouw, als kwam hij rapport uitbrengen. Meer en meer hechtten wij ons aan het brave, gezellige dier, dat haast geen dier meer was; er was ook zoo’n menschelijke uitdrukking gekomen in de oogen met hun mooie, lange oogharen; beste, brave Joos.Op een namiddag, in den zomer van 1923, zat Jozef te rusten op een lagen tak, kijkend naar de dalende zon. Hij had mij met zijn zachten roep[148]gegroet, toen ik hem voorbij ging, naar het tennisveld. Dadelijk daarop moet het gebeurd zijn, want ik had het veld nog niet bereikt, toen Lakasah mij achterna kwam rennen, doodsbleek en met trillende lippen, om mij te zeggen, dat Jozef dood in het gras lag, onder den tak, waar hij zijn baas den laatsten groet gebracht had. Een hartverlamming moet hem van ons hebben weggenomen.Dien avond was de lach gestorven in het gouverneurshuis te Médan.Ornament met toekan.[149]
[Inhoud]XI.PENJOE, DE TRAGE ZEESCHILDPADHet was een nacht van louter zilver en zwart.Hier, aan het witte duinen-strand van Poelau Djemoer, met zijn zwarte rotsen waar de branding op beukte, waren geen andere kleuren in den fellen maannacht. De sterren waren in den zwarten hemel terug geweken voor den toovergloed van den zilveren brand, en inktzwart was de zee, waar slechts zoo nu en dan een bolle deining met vloeiend zilver werd begoten.Boven, op een rots, stond de vuurtoren; zonder dit licht zou de groote scheepvaart in de Straat van Malaka, de wereldstraat van Azië, niet mogelijk zijn. Behalve de lichtwachter met zijn helpers woonden op dit eenzame eiland slechts enkele Maleiers, in een hutje aan den voet van den rotsheuvel; zij verzamelden schildpadeieren, welke zij voor ’n paar gulden de honderd in de groote havenplaatsen aan den Sumatra-wal verkochten.Het was juist een maand geleden, dat ik deze plek op een mijner dienstreizen bezocht had, en toen ik in het hutje der Maleiers een groote kist had zien staan, half gevuld met schildpad-eieren, waren mij de verhalen in herinnering gekomen, welke men mij in Zuid-Sumatra verteld had over schildpadden en haar eieren; wanneer deze dieren aan wal waren om eieren te leggen, zouden zij gemakkelijk te benaderen zijn, ja, de eierzoekers zouden wel eens meehelpen om het gat te graven waarin de eieren worden gelegd, om maar tot spoedige resultaten te[122]komen! En ik had den Maleiers ongeloovig gevraagd, of zij mij niet eens ooggetuige konden laten zijn van hun nachtelijke ontmoetingen met eierleggende schildpadden. Zeker, hadden zij gezegd, en of ik dien nacht niet kon overblijven? Er was weliswaar weinig kans, want het was dien dag zwaar weer geweest en er stond hooge zee, maar het was niet uitgesloten, dat enkele dieren toch aan wal zouden komen in den nacht; het zou wel moeielijk zoeken zijn, er waren verschillende legplaatsen en de mannen hadden met hun lichte prauw kreken over te steken om alle plekken af te zoeken. Of ik het niet zoo zou kunnen schikken, dat ik een anderen keer, ook bij volle maan, een nacht kon overblijven? als de zee dan niet zoo hol was, konden zij er voor instaan, dat ik schildpadden zou zien en ze zien eieren leggen!Ik zou schildpadden zien en ze zien eieren leggen!Dat was wel heel sterk! had ik gedacht. Het was toch wel vreemd, dat men dien dag er in het geheel niet op gebrand was om mij te overtuigen, dat onmogelijk schijnende dingen werkelijk toch wel mogelijk zouden zijn.En nu wilde het toeval, dat ik nu, juist een maand later, weder naar het zuiden ging. Het doel van mijn reis waren de Chineesche panglong’s, de houtkapperijen bij Bengkalis, waar Singapore jaarlijks meer kubieke meters hout weghaalt dan de geheele jaarlijksche productie van djati-hout op Java bedraagt; daar waren dingen voorgevallen tusschen de Chineezen onderling, zóó ernstig, dat ik onverwijld een plaatselijk onderzoek wilde instellen.Een schoolmeisje met vacantie maakte dit gedeelte van de reis mee; ik had haar het verhaal van mijn vorig bezoek gedaan en zij smeekte om Poelau Djemoer aan te laten doen, nu het weer volle maan was;[123]zij vond het wel „eng”, maar toch ook „dol” om eens op den rug van een zeeschildpad rond te rijden! Het eiland lag op de route, wij zouden laat in den avond aankomen, en enkele uren kon ik wel aan de schildpadden besteden … als men ons tenminste niet duchtig bij den neus had met al die verhalen. Maar dit was op zichzelf al de moeite van een onderzoek waard.Nauwelijks lag ons kleine schip voor anker, of aan den wal verscheen een lichtje, dat in rhytmisch zwaaien bewoog; men had ons op het eiland zien aankoersen en er liepen menschen, die nu stellig een prauwtje van het strand het water in zouden slepen om ons te bezoeken.Een half uur later stonden de lichtwachter en twee Maleiers aan dek. Zij hadden de fluit van de „Diana” herkend, het was volle maan, misschien was de gouverneur aan boord, die zoo ernstig beloofd had ééns, als de maan vol was, te zullen komen om schildpadden te zien. Toch waren zij verrast, dat ze zich niet vergist hadden, zij wisten, dat de gewestelijke bestuurder te Médan slechts zelden tijd kon vinden voor reizen naar de zuid, die zoovele dagen in beslag namen.„En hoe staat het met de schildpadden?”„Nou, meneer, voorzoover wij weten zijn er nog geen aan wal, maar als u wat geduld wilt hebben zult u ze toch wel kunnen zien, wij verwachten ze vannacht stellig, want de zee is rustig en het wordt nu de goede tijd van het jaar.”„Maar hoe lang zou het dan nog duren?”„Dat kunnen we onmogelijk zeggen, maar mogen wij zoo afspreken, dat een van ons telkens drie malen achtereen met een licht zal zwaaien aan het strand, als er penjoe’s aan wal zijn? Wij zullen de wacht hier aan boord waarschuwen om u te wekken als u wilt gaan slapen.”De mannen roeiden in hun kleine prauw weer naar den wal, al spoedig zagen wij alleen maar het deinend lichtje van de lantaren, welke zij in den voorsteven hadden gezet, flets rossig in het zilveren maanlicht.Wij besloten te wachten, een goed boek helpt den tijd wel dooden. Eerst twee uur later kwam een matroos ons waarschuwen, dat het sein aan den wal gegeven was. Zouden we nu werkelijk schildpadden[124]zien? Vier man zaten al in de neergestreken sloep, de halve bemanning; onder het roeien werd druk gepraat, ook voor hen was het een nieuwtje, al hadden zij er dikwijls van hooren vertellen; en dat het schoolmeisje mee aan wal ging, werd blijkbaar zeer interessant gevonden. Toen wij het strand naderden, bleek de branding nog vrij woelig te zijn, maar de lantaren aan den wal wees ons de beste plek om te landen.„Zijn er werkelijk schildpadden?” vroeg ik in spanning.„Ja meneer, er zijn pas twee dieren aan wal, maar wij wilden u niet langer laten wachten. Zie, dit is het spoor van een ervan, de andere is wat verderop.”Van het water liep een spoor, van zeker een halven meter breed, het lage witte duin op; in het midden leek het ’t spoor van een aan wal getrokken prauw, aan de kanten stonden op regelmatige afstanden de indrukken van grabbelende pooten. Inderdaad, hier had een dier uit de donkere zee het veilig tehuis verlaten om aan de groote wet, het scheppen van een kroost, te voldoen. Zij, schildpadden konden niet, als de visschen, haar schat aan het water toevertrouwen; maar haar instinct wees haar den weg, dien ook haar moeders en grootmoeders hadden gevolgd, naar eenzame stranden waar rul, diep zand was om de eieren te verbergen en ze tot leven te stoven in de gloeiende zonnewarmte. En zij kozen den diepen nacht om heimelijk den grooten tocht te doen. De armen, zij weten niet, hoe slim de allergevaarlijkste aller dieren is, en hoe het speuren dien mensch gemakkelijk gemaakt wordt door het breede spoor, dat zij in het zand slepen en dat alleen door hevigen regen of door stormwind wordt uitgewischt.In oogenblikken, dat men wondere dingen der Natuur zal zien, is het of ’s menschen geest glimlacht; of deze stelling ook voor anderen dan devote bewonderaars der natuur opgaat, weet ik niet; wel, dat ik het voor de tweede maal in mijn leven zoo voelde. Jaren tevoren, toen men mij voor het eerst in het Barisangebergte de Rafflesia Arnoldi zou laten zien, volgde ik met dezelfde gewaarwording een Maleier, die deze wondere reuzebloem had gevonden. Ik wist, hoe groot de blijde trots was voor dr. Arnold, toen hij in 1818, te Poelau Lebar aan de[125]Manna-rivier, „the biggest flower of the world” vond, en hoe opgetogen Raffles en Lady Raffles waren, toen Arnold met de geweldige parasiet hun tent binnen kwam … nu zou ook ik die wonderbloem zien. Daar lag zij op den grond in het stille bosch, bijna een meter in middellijn; de vijf prachtig kastanjekleurige bladeren, dicht bezaaid met de crême „wratten”, omvatten de kom, waarin, als een altaar, de centrale zuil ligt; toen glimlachte mijn geest niet meer maar zonk als het ware neer voor dit wonder, in vrome dankbaarheid.Hier gold het „maar” een schildpad en nu bleef de glimlach, want overheerschend was een gevoel van verbazing, al was het gemengd met medelijden voor het dier, dat in onweerstaanbaren drang haar omgeving geheel vergeten scheen. Zij was druk in de weer; de klauwige voorpooten graaiden met kracht het zand langs de flanken naar achter het lichaam, en de twee platte achterpooten vlijden het zand vast aan.„Wat doet ze nu?” vroeg ik.„Zij heeft haar eieren gelegd en nu graaft ze den kuil dicht en slaat het zand vast aan.”Wij gingen dicht om het met volle kracht doorwerkende dier zitten, en met een stokje tikte ik haar zacht op den grooten kop, benieuwd of zij hem in zou trekken; zij protesteerde wel even, hijgde kreunend, maar er kwam niet de minste stoornis in houding of arbeid; integendeel, meer dan ooit kwam het er op aan haar schat snel te verbergen. Graai! graai! ging het vóór, en plak! plak! haastten zich de achterpooten. Arme drommel, een struis steekt tenminste den kop nog weg en verbeeldt zich dan alleen te zijn, de schildpad ziet het allergrootste gevaar om zich heen letterlijk in de oogen, en verbeeldt zich, dat die oogen niet zien.„Jullie doet deze dieren toch nooit kwaad?”„Neen, meneer, wij zijn veel te blij, dat ze geregeld hier komen, verscheidene van de dieren kennen wij aan de kleur of aan schelpen, die zich aan hun schild vastkleven.”„Maar als ge door regen of wind de sporen niet vindt, of als ge ’s nachts niet waakt, hoe vindt ge dan de eieren?”„Dan zoeken wij overdag naar plekken waar het zand sporen vertoont[126]verstoord te zijn, en wij sondeeren het met een ijzeren laadstok; voelen wij een hardere plek, dan steken we voorzichtig door, en als we de eieren raken, dan is de punt van den stok kleverig en er blijven zandkorrels aan hangen. Maar soms vinden wij niets, het is veel beter ’s nachts alle plekken, waar zij gewoonlijk komen, langs te gaan; een goed deel van den nacht loopen wij rond en waden de kreken door, die de stukken strand van elkaar scheiden. Wij zullen nu eens zien, hoeveel eieren deze schildpad gelegd heeft.”De mannen sleepten voorzichtig de alles trotseerende moeder eenige meters van haar nest weg; hoeveel zij woog, is niet te zeggen, maar zij mat van neus tot staart precies een meter. En nu werd de hardere plek op het nest behoedzaam ontgraven. Maar wij beiden hadden te doen met de bedrogen moeder en hielden haar in dit moment van diepe vernedering en teleurstelling gezelschap … zóó voelt de mensch het aan; maar de schildpad sloeg op de nieuwe plek onmiddellijk weer aan den arbeid, haar hersens liepen blijkbaar minstens een kwartier achter, zij had niets van de manoeuvre begrepen, slechts die eene gedachte bezielde haar: graaf! je bent nog niet klaar, verberg je schat! en de voorpooten graaiden weer, en de andere twee plakten weer dicht, steeds sneller; eindelijk drong het tot haar door, dat zij toch niet geheel onbespied was op haar strand! Zoo verwoed graaiden de voorpooten, dat ons het zand om de ooren fladderde toen wij achter haar gingen zitten.Men had het nest met eieren nu ontbloot, wij telden er 108; eieren als ping-pong ballen, maar zachter, verscheidene met de deuk erin, welke die ballen na eenig gebruik vertoonen. Het schoolmeisje stond erop de moeder enkele van haar eieren te laten zien, maar ze keek niet eens verbaasd en zwoegde al maar door, ze was alle maat en tijd kwijt.Maar nu zagen de mannen in het felle maanlicht een ander exemplaar, grooter nog en donkerder; die had blijkbaar haar plicht gedaan, en zij wandelde, geen twintig meter van ons af, terug naar zee. Wij hadden ons dier voldoende geplaagd, de nieuweling werd nu het middelpunt van onze belangstelling, en al spoedig moest zij het opgewonden schoolmeisje haar kracht als rijdier toonen; het bleek, onder een[127]anderen ruiter, dat zij zich zelfs met een levend gewicht van 90 kilo nog kon voortbewegen. Dit dier was volgens de mannen een hun welbekende, heel oude schildpad, haar rug zat vol met allerlei aanwassen, schelpen, welke slechts met groote moeite met een sterk slagmes konden worden losgewipt.Wij hadden nu genoeg gezien, en hadden straks, thuis, wat te vertellen. Maar, zouden anderen het nu wel gelooven? Zou men aannemen, dat het mogelijk is, als het ware op bestelling, wilde dieren uit de diepe zee te ontmoeten, ja zelfs een rit op hun rug te maken?„Jammer, dat ik dit dier niet fotografeeren kan,” zei ik, plotseling terneergeslagen, tot onze vrienden van het eiland.De mannen wisten raad, zij legden de oude schildpad op den rug, we konden dan in den vroegen morgen terug komen om opnamen te doen. Heel aangenaam zal het dier dezen tijdelijken levensdraai wel niet gevonden hebben, al legde het vrij spoedig den kop rustig neer, maar ik was zoo wreed om aan te nemen, dat ze toch geen overwegende bezwaren tegen ons plan kon hebben; bovendien, misschien zou ze over eenige uren pas begrijpen, dat ze niet bepaald meer in haar gewone doen was!En zoo is het gelukt om ons nachtelijk avontuur bij daglicht op de plaat vast te leggen. Zelfs gelukte het ’t moment te fotografeeren, waarop onze schildpad het veilig tehuis indook; toen zij het water voelde, werd de snelheid plotseling zeer groot, en de hersens werkten normaal, want zij keek naar den naast haar rennenden man en ontvluchtte hem; dat zij daarbij geen verschil maakte tusschen een boozen jager en mij, den goedwillenden fotograaf, kan men de geplaagde stakker niet kwalijk nemen.Eerst bij dag hadden wij ontdekt, dat het dier een gedeelte van een voorpoot miste, en ik dacht al aan haaien en dergelijk gespuis. Maar de mannen vertelden ons, dat eens in een nacht een Chinees bij hen was geweest, en dat de onverlaat dit dier een stuk van den poot had afgehakt, verzot als hij was op het aroma van schildpadvleesch. Ook Europeanen zijn niet ongevoelig voor schildpadsoep, maar ik geloof niet, dat deze lekkernij ooit middels amputatie verkregen wordt. Wel denk ik, dat[128]het gevoelscentrum van onze arme, trage Penjoe op dàt fatale moment prompt zal hebben gewerkt.„Wat zal moeder kijken, als ze mij gekiekt ziet op die schildpad,” zei het schoolmeisje, „maar wat zal ze woedend zijn op dien valschen Chinees … zóó’n engerd!”Ornament met vleermuis.[129][Inhoud]XII.TELEGOE, DE STINKDASMenschen, die in ernst meenen te weten wat stank is, zonder den Indischen stinkdas in zijn beste momenten te kennen, lijden aan zelfoverschatting.Stank is een afschuwelijk woord, maar werkelijk, hier moet duidelijk Hollandsch gesproken worden; elke verzachtende uitdrukking is een laf ontwijken van de waarheid, laten wij voor dezen keer nu eens precies mogen zeggen, waar het op staat.De lucht, geproduceerd door den telegoe, is de waarachtige stank; niet dood en vies, maar stank, die leeft; stank, die niet maar gewoon passief stinkt, maar die agressief is en je naar de keel grijpt; stank, waarmee men trotsche legers in ellendige, vluchtende horden kan omzetten.Zooals blijkt spreek ik met eenig gezag, berustend op kennis; en die kennis drong zich gewelddadig aan mij op.„Jullie gaan een bungalow aan den voet van het Barisan-gebergte bouwen?” zei een vriend-natuuronderzoeker, „als je dan maar niet veel last hebt vanMydaus meliceps, telegoe heeten ze hier, op Javasigoeng. Die beesten hebben in den endeldarm een paar zakjes, waarin door klieren een olieachtige stof wordt afgescheiden; wordt de telegoe geprikkeld of achtervolgd, dan spuit hij de stinkstof naar buiten in een dunne straal, die zich dadelijk in een fijnen sproeiregen verdeelt; en daar die stinkstof in de lucht snel vervliegt, is het of de heele omgeving plotseling één en al stank is, knoflook en zwavel en ik weet al niet wat.”[130]„Nou ja,” zei ik lachend, „dat luchtje hebben wij hier en daar wel eens geroken, maar zóó erg is dat toch niet!”„Neen?! wij spreken elkaar nader; wat jullie kennen, is de lucht van een dier, dat misschien op een kilometer afstand passeert. Maar je hebt nog nooit zoo in de wildernis aan den rand van de bosschen gewoond; vooral in Zuid-Sumatra komen zij juist dáár veel voor; en als je van nabij met hen kennis maakt, wel, dan kun je er verhaaltjes van vertellen. Let maar eens op, als ze onder je huis doorloopen en zij worden door een of andere oorzaak boos, dan wordt iedereen wakker van de lucht, en al je zilver slaat zwart aan …”Wij lachten weer. Of het domheid is, of gewoonte? maar in zulke gevallen lacht men. Eerder had ik al eens gelachen, toen de kroonprins van Asahan mij te Fort de Kock vertelde, dat in zijn land visschen in de oeverstruiken klimmen; en weer had ik gelachen, toen men mij vertelde, dat zeeschildpadden bij het eieren leggen aan het strand door ongeduldige eierzoekers geholpen worden bij het graven van het gat. Sedert dien had ik zelf klimvisschen in actie gezien, en ik had in middernachtelijk uur rustig gereden op den rug van een reusachtige schildpad, vóór zij weer de zee in dook. Toch lachte ik nu weer … al die berichten van menschen zijn dikwijls zoo overdreven, ik zou zelf wel eens nuchter beoordeelen, wat er van die fraaie verhalen waar was.En ik zou er de kans wèl voor krijgen!De bungalow was klaar en wij betrokken haar; het terrein daar en in de omgeving was eenige tientallen jaren geleden bouwland geweest, toch waren enkele zware boomen uit het oorspronkelijke oerwoud er blijven staan; later schoot er jong bosch op, behalve op die stukken, waar het vee was toegelaten en waar de alang-alang heerscheres was, dat manshooge wilde gras met breede bladklingen, dat bijna niet is uit te roeien. Er stonden dus verscheidene reusachtige rimbaboomen, jonger bosch en kreupelhout, en er waren velden alang-alang, waar de zon blakerde. Voedsel en schuilplaatsen voor allerlei wild; er waren dan ook varkens, en de Gestreepte kwam er wel eens op hen jagen; in de struiken ritselden bevende dwergherten, de beer blafte in de boomen aan den waterkant, en de marters dartelden in zon en koelte.[131]Niet véél wild was er, maar van alles wat. Apen echter in geweldige hoeveelheden, die maakten van daar uit hun strooptochten naar de velden der menschen, en … er waren stinkdassen!En nu leerden we spoedig, wat „stank” is.Kuchend werden we in een nacht wakker, eenmalariapatiënte, die bij ons logeerde, hoestte het eerst alarm.Of deze telegoe onder het op palen staande huis doorliep, dan wel boven den wind de bungalow passeerde, weet ik niet. Evenmin, of hij zich boos maakte om de nieuwigheid, om het huis dat er vroeger niet was. Maar de uiting van prikkelbaarheid was er!Den volgenden morgen hebben wij in vollen gezinsraad een prijsvraag behandeld: beschrijfdielucht! Ieder trachtte te zeggen, welk souvenir de lucht had opgewekt, en ieder dacht daarbij aan moeielijke momenten op zee.Men stelle zich voor zeeziek te liggen in een hut op een oud vrachtschip, dat doortrokken is van de vettige, ranzige lucht van copra, terwijl in die hut tevens een partij civetkatten is ondergebracht. Het schip heeft een licht-installatie van carbid; ergens bij de hut is een lek en de knoflookwalm druipt rijkelijk uit de leiding, toch zet iemand in die omgeving scheepskoffie, en de aller-ordinairste cichoreilucht kruipt ook de hut in, en zij neemt nog een scherpen zwaveldamp van ergens mee … en dit geheel kleeft zich aan den zeezieken mensch, ineens, geweldig, overal tegelijk, en het gaat niet voorbij, het blijft, het kleeft overal aan.Tegen den middag rook onzepatiënteweer in heftige mate de nare lucht en zij riep verschrikt: „daar komt er weer een!”Valsch alarm. Ze had zich den thermometer aangelegd, waarbij haar handen den nikkelen kop van het instrumentje hadden aangeraakt. En toen wij ook kwamen ruiken, aan de thermometer en aan ander metaal, toen bleek alles aangestoken, en snel werd het zilver gepoetst om zwart worden te voorkomen.Nu werd de omgeving van het huis zoo spoedig mogelijk van lage struiken en hoog gras gezuiverd, en wij hadden bij onze gewoonlijk korte verblijven in de bungalow in de bergen slechts zelden meer[132]last van dergelijke nachtelijke bezoeken. Een niet te onderschatten factor daarbij waren onze honden, stadsdieren, die onbegrijpelijk gesteld bleven op nadere kennismaking. Na elke ontmoeting kwamen zij diep ongelukkig thuis, wentelden zich overal, schuurden tegen alles en verspreidden rondom de walgelijke lucht; dagen achtereen moesten zij worden vastgelegd en gebaad; eerst later bleek, hoe die ontmoetingen zich moeten hebben afgespeeld, jaren later; en toen eerst wist ik, dat ik aan mijn nieuwsgierigheid om de bron van alle kwaad eens te zien, eerder had kunnen voldoen; dat namelijk de telegoe een sloom dier is, dat men met eenig geduld, maar met groote voorzichtigheid tevens, gemakkelijk kan volgen; sloom, niet uit makheid, maar omdat hij niemand vreest.Wij waren weer eens „boven”, in onze bungalow. In den vroegen morgen wekte ons een hevig tumult onder de bedienden in de bijgebouwen, kreten van afgrijzen en het opwekkend geluid van iemand, die in onmin verkeert met zijn maag. Het geheel tooverde voor onze oogen de zee, een railing waarover gebogen de gedaanten van wezens, die tevoren mensch waren. Dus was er weer een stinkdas in het spel!Wij vlogen naar buiten; een heftige, kleffe telegoelucht greep ons naar de keel.Djamak, een onzer bedienden, had in den heel vroegen morgen een klein dier zien kruipen in het gras. Djamak was goed-Moslim, maar dit varkensjong, dat blijkbaar zijn moeder was kwijt geraakt, durfde hij toch wel aan te pakken; het zou zulk aardig speelgoed zijn voor „nonnie”, ons jongste dochtertje. Hij zou het maar wagen; trouwens, als hij het maar in zijn baadje ving, hoefde hij niet met de handen in aanraking te komen met het „haram” diertje.Djamak, de goeierd, toog op het oorlogspad. Wat zou meneer blij zijn! die hield zoo van dieren, en Djamak had dikwijls gemerkt, dat het zijn baas hinderde, dat hij zoo niets van beesten wist; meneer vond hem bepaald suf. Maar nu! hij zou ieder verrassen met een door hem zelf gevangen dier; hij zou er niet bij vertellen, dat hij den sukkel eigenlijk maar voor het oprapen had gehad, zóó sloom wiegelde het dier door het gras.[133]Zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten.Opgepast, nu krummelde het naar een holte in het grasveld, daar zou hij de jas over het dier gooien, zijn nieuwe, witte jas, die mevrouw hem had gegeven. Hij sloop achter het dier aan; was het eigenlijk wel een wild varkentje? hij wist niets van dieren af, maar dat snuitje was toch een varkenssnoet, en wat zou het ànders zijn. Maar waarom was dat beest heelemaal niet bang? Even wachten, het had blijkbaar den vervolger opgemerkt. Djamak stond doodstil.De telegoe keek aandachtig naar hem. Wat wilde dat lange, sluipende dier? Het ging hem bepaald vervelen. Hij had zijn nachtelijken tocht wat te ver voortgezet; hij had heerlijke larven en regenwormen gevonden; en toen het maagje gevuld was, had hij keurig toilet gemaakt, want de telegoe is zeer coquet. Maar nu wilde hij ongehinderd naar huis, naar zijn ruim ketelhol, dat hij onder sterke boomwortels had gegraven. Waarom sloop dat gekke dier toch achter hem aan?[134]Hij stelde zijn batterij op en wachtte rustig, misschien speelde een duivelsche glimlach om zijn kalen snoet.Nu!… dacht Djamak, en mèt gooide hij zijn baadje over zijn buit … maar tegelijk sloeg hij met een akeligen gil achterover. Iets vets en kleffigs wurgde hem en legde hem zijn maag boven op het hoofd; en onder het baadje door liep de telegoe, stank op pooten, wiegelend weg; hij kon tevreden zijn, het schot zat. Arme Djamak, in een ondeelbaar oogenblik van jager slachtoffer geworden, trok nu de levendige belangstelling van ieder; juist wat hij gewenscht had, maar wel op een andere manier. En zijn mooie jas was bedauwd met fijne droppeltjes olie, die gele vlekjes werden, voor altijd.Maar waar was het dier? Nu wilde ik het zien en hebben. Iemand had het zien kruipen naar een stapel brandhout, en dáár, in een hoekje gedoken, zat het; de gebeurtenis had hem toch wel even uit zijn evenwicht gebracht. Ik benaderde hem, een zakdoek, vier dubbel gevouwen, stijf tegen den neus gedrukt. Maar zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten, vóór ik het dier met een schot hagel in de hersens doodde. Ik had den mond van het geweer voorzichtig tot vlak boven zijn kop gebracht om een tweede olie-explosie te voorkomen. Of dit gelukte, weet ik niet. Wel, dat wij de beide stankcentra diep moesten omspitten, dat het slagveld werd ontsmet en begoten, en dat wij den derden dag daarna moesten besluiten weg te gaan, omdat het leven onmogelijk was geworden. Maar ’s nachts viel een zware regen en den volgenden morgen bleek de stinkstof vrijwel afgespoeld te zijn van alle vaste dingen, waarop ze zich had vastgekleefd.Dien avond spraken wij den plaatselijk besturenden ambtenaar en vertelden hem alles in kleuren en „geuren”. Hij en zijn vrouw waren zeer verwonderd, want ook zij hadden denzelfden morgen diezelfde lucht in huis geroken, voor hen een nieuwe sensatie, en de bedienden hadden hun het woord telegoe genoemd. En toen nagegaan werd, wat de bron van die lucht was geweest, bleek, dat mijn oppasser, even na het schot, met een portefeuille stukken naar het controleurshuis[135]was gegaan en zoodoende de geheele atmosfeer ook dáár had bedorven.Er zijn op het gebied van „luchtjes” merkwaardige dingen in Indië.De doerian, de bekende vrucht met haar geweldige dorens, die ook vele Europeanen als groote lekkernij beschouwen, wordt wel eens.… „gasfabriek” betiteld, en onze voorouders uit het laatst der 16de eeuw schreven reeds van haar:… „datment niet en kan compareren met geenderley fruyten vande werelt: want in smaeck ende goetheydt affirmeren dat het alle fruyten te boven gaet: maer eerst alsmense op doet, riecken gelyck oft het verrotten ayun waer: maer inden smaeck heeftmen die leckerheyt.”De wondermooie Rafflesia, de grootste bloem ter wereld, en de prachtige Amorphophallus verspreiden in de wildernis na den vollen bloeitijd een vehemente lucht, die haar allerlei leelijke bijnamen heeft bezorgd; en er zijn mossen en varens, die de geheele atmosfeer in den omtrek in jodoform schijnen om te zetten.Maar geen van deze plantaardige bronnen van kwalijke luchtjes kan zich in de verste verte meten met den telegoe. Van ’s menschen standpunt gezien, vraagt men zich af, hoe de stinkdas tevreden kan zijn te leven in een atmosfeer, zooals hij zich die schept. Mijn dochtertje drukte het dien morgen in haar eigen woorden uit: „Hoe houden de jonge telegoetjes het bij zóó’n stinkadoris van ’n moeder uit!”Ornament met varaan.[137][Inhoud]XIII.JOZEF, DE NEUSHOORNVOGELDe neushoornvogel Anggang had een vergadering bijeen geroepen van tal van ontevredenen in de vogelwereld.De bijeenkomst had een revolutionair karakter, het doel was niet minder dan het afzetten van den koning aller vogels. Tot op het oogenblik, dat de neushoornvogel de leiding nam van de oppositie, was Kang-kok koning geweest in de Maleische landen, en al de eeuwen door had vrede en voorspoed geheerscht. De radja was maar klein en bescheiden, maar hij was rechtvaardig en wijs; zóó wijs, dat hij wist te voorspellen of het oogstjaar een overvloed van granen en vruchten zou brengen. Nu nog weten de menschen, dat de rijstoogst gelukken zal, indien de vriendelijke vogel welbespraakt is en gedurende weken achtereen aan den rand van het bosch zijn naam in herinnering brengt. Het is een vervelend rijmpje op den langen duur, omdat de vogel in toon en maat rotsvast is, maar het geluid is lief en vertrouwelijk, en de hoofdzaak is, dat zijn wijfje op haar nest het hoogelijk schijnt te waardeeren en dat het eentonig liedje haar niet gaat vervelen: kang-kang-kang-kòk … kang-kang-kang-kòk.In het bijzonder waren het de groote vogels, die in opstand kwamen. Zij vonden het belachelijk door zulk een onaanzienlijk vogeltje te worden geregeerd.„Kijk eens naar mijn lichaam,” had de neushoornvogel Anggang gezegd, „luister eens naar mijn machtig geluid, en let eens op de[138]kroon op mijn hoofd!” en de vergadering had besloten Kang-kok af te zetten en den reus als opperhoofd te erkennen.Maar spoedig had men berouw. De nieuwe koning wees alle boschvruchten toe aan de leden van zijn geslacht, en deze veelvraten lieten niets over voor de kleintjes.En er werd weer een vergadering belegd, en men besloot Kang-kok in eere te herstellen. Maar deze had zijn geheele geslacht weg gezonden uit het ondankbare land, naar Java, en hij zelf kon niet vergeten wat men hem had aangedaan. Toch zwichtte hij ten slotte voor den aandrang der berouwvollen, zij mochten één kangkok-ei van Java halen.Goede raad was duur, wie zou dat doen? Eindelijk bedacht een klein vogeltje uit de rimba, dat zijn vriend de zweefvlinder het wel zou klaar spelen, die glijdt zoo lang op zijn groote vleugels van crême met zwarte dotten, zonder één slag te doen, hij zou het ei wel over kunnen brengen.De goede vlinder kweet zich goed van de moeielijke taak; de boeboet broedde het ei uit met zulk een toewijding, dat deze rosse spoorkoekoek er een kaal buikje van overhield, tot den huidigen dag; en de zwarte vorkstaart, die zelfs de grootste roofvogels in de vlucht durft bestoken, hield de wacht. En toen het koningskind volwassen was en tot radja werd verheven, kwam het geheele geslacht Kang-kok terug in de Maleische landen.De reus met het gekroonde hoofd en den gulzigen bek, zal zich er niet veel van hebben aangetrokken, dat hij den koningstitel verloor. Hij slikt er niet minder vruchten om, en zijn machtig geluid domineert nog heel het bosch.Hoor! Boven het breede ravijn klinkt een galm uit de witte wolken, twee zwarte stippen teekenen zich af. „A-ngok” klinkt het nasaal-zwaar over de zwijgende rimba, waar al wat leeft schijnt te luisteren. En nu het reuzenpaar nadert, komt een wonderlijk geluid aanbruisen, het zware, rhythmische geluid van den vleugelslag. „Sjoep, sjoep”, blaast en fluit de lucht tusschen de veerschachten en langs de vleugelbeenderen met hun dunwandige cellen en verbazingwekkenden luchtvoorraad.[139]Als de twee vleugelparen even hetzelfde tempo hebben, is het krachtige geluid bepaald dreigend, maar het is altijd zoo, dat men ernaarmoetluisteren, alleen de cicade zet zijn eeuwig gezeur voort. Duidelijk is nu de machtige kop aan den uitgestrekten hals te zien, ook het zwarte lichaam; de staart is wit, maar in het midden loopt over alle veeren een breede, zwarte band; die staartveeren van den anggang waren vroeger het helden-teeken voor de Dajaks; alleen zij, die een kop hadden gesneld, mochten de scheede van hun zwaard ermede tooien.Is de anggang—zóó verstaat het Maleische oor den roep, die met „a-ngok” is weergegeven—dus een domineerend man, hij is niet de grootste neushoornvogel in Indië. Maar de allergrootste, die van snavelpunt tot staarteind anderhalven meter meet, is zoo schuw en komt zooveel minder algemeen voor, dat slechts weinig Europeanen zijn bestaan kennen. Ivoor-vogel noemen hem de inheemschen naar den massieven kop-kroon, waaruit vooral de Dajaks op Borneo fraaie versierselen snijden. De Hollanders hebben hem „lachvogel” gedoopt; deze naam schijnt geheel ten onrechte te zijn gegeven indien men alleen maar het begin hoort van het concert, dat hij in de allerhoogste boomen van de rimba geeft, en dat hij, door schrik bevangen, dikwijls afbreekt; de bangerd, die door angst moet boeten, dat hij, in vorige incarnatie als mensch, zijn schoonmoeder heeft vermoord. Heel verdekt stelt hij zich op en spiedt angstig rond; de staart, eindigend in twee veeren, welke bijna negentig centimeter lang zijn, hangt loodrecht neer. Is alles rustig? beweegt zich daar beneden niets? rondom? nergens gevaar??… „Oeoek!” galmt het nu boven het stille bosch, maar dan spiedt hij langen tijd weer rond of zijn roep niet eenig gevaar heeft wakker geroepen. Eindelijk komt de tweede roep, na een iets kortere pauze de volgende, en hoe veiliger hij zich langzamerhand voelt, hoe korter worden de pauzes, wiskunstig zuiver, en eindelijk, als men zich verwonderd afvraagt waar dit naar toe gaat, eindigt de reuzevogel in een honend gelach, niet meer „oe” maar duidelijk „a”… hahahaha! De Maleische legende gaat niet zóó ver, maar het is, of hij vreest den geest van zijn schoonmoeder te zullen oproepen;[140]ontdekt hij die niet, gaat alles goed, dan lacht hij om haar en om zijn eigen angst.Kleiner dan de anggang zijn de neushoornvogels met zwarten snavel, en de witsnavels, die in groote gezelschappen en in oneindig gesnater tot in de kampoeng’s komen als er rijpe ficus-vruchten te smullen zijn. Maar zij zijn stoeiende kwajongens vergeleken bij den waardigen anggang, die door zijn karakter en zijn fierheid zelfs den lachvogel in de schaduw stelt. En de mensch kent hem zooveel beter, omdat de anggang, jong gevangen, zich spoedig in den nieuwen toestand schikt; binnen enkele weken kan hij verlost worden van het traditioneele touw aan een der pooten en geniet in volkomen vrijheid van zijn bestaan, als huisgenoot van den mensch; hij moet echter telkens wat gekortwiekt worden, omdat hij zich anders aan verre vluchten wagen zou en door zijn tamheid een gemakkelijke prooi zou worden voor anderen dan zijn baas.Verschillende anggang’s hebben wij in den loop der jaren in Indië gehad, geen zoo lang als den laatste in de rij, onzen braven Jozef.Jozef was geboren in een boomholte. De Maleier, die hem bij mij bracht, had in het bosch, niet ver van zijn ladang-huisje, gezien, dat een anggang een gat in een boom met klei dicht metselde en hij had begrepen, dat hij bezig was zijn wijfje voor vier weken of meer van de drukke boschwereld af te scheiden. Slechts een klein gat blijft in het metselwerk gespaard, waardoor de hardwerkende man zijn ega voedert. Hij doet dit uit jalouzie, zegt men, en hij moet zóó jaloersch zijn, dat hij zich verontwaardigd van verdere voedering afwendt als hij ontdekt, dat een andere anggang-man zich bij het nest ophoudt en naar binnen gluurt. De arme, onschuldige moeder en haar kroost sterven dan den hongerdood, aangezien zij geheel is aangewezen op de voederballetjes van insecten, boomvruchten en deelen van kruipende dieren gefabriceerd, welke manlief haar in den puntigen snavel aanreikt.Jozef’s moeder had blijkbaar geen aanleiding tot jalouzie opgeleverd; toen het groote oogenblik van verlossing was aangebroken zal het ouderpaar het metselwerk met vereende krachten hebben verwijderd,[141]en op zekeren dag zag de Maleier op de takken van den boom een door het lange, bewegingloos zitten nog stijve moeder en haar kroost, wonderlijke wanstaltige wezens. In de omgeving had de man geen andere anggang’s opgemerkt en toen hij eenigen tijd later, ingelicht door een dwaas geweld dat een anggang laag bij den grond maakte, tusschen de struiken een jong vond, begreep hij een lid van het hem bekende gezin te hebben gevangen. Hij en zijn kinderen voerden het dier met pisang (bananen) en gekookte rijst, zooals de doorsnêe binnenlander gewoon is alle gevangen vogels te voederen; zij zijn dan zeer verbaasd, indien een of andere roofvogel weigert te eten en zich maar „koppig” neerzet om in de kleine kooi te sterven; ditmaal ging het best, toevallig kon men den kleinen anggang geen beter voedsel in den grooten bek wringen. En toen er een behoorlijke prijs voor hem kon worden gevraagd, werd hij aan ons verkocht.Wij wisten al, dat een anggang niet geliefkoosd kan worden; aaien over den kop of over den rug is een genot voor papegaaien en loeri’s, maar buiten deze „kopje-krauw’s” zijn vogels er niet bijzonder van gediend. Maar als men een jongen anggang, die zich al enigszins aangepast heeft aan de nabijheid van den mensch, liefkoozend toespreekt, dan reageert hij in een zachten, onderdrukten eenklank, dien wij als „jóos” hoorden. Daarom heetten bij ons de anggang’s Jozef, en deze Jozef reageerde altijd, als men een lief buiginkje in zijn naamklank bracht.Jozef had in een klein, vies hokje gezeten, zijn toilet was slecht verzorgd, de lange oogharen om de verstandige oogen met hun menschelijke oogleden, waren dicht bezet met roode luisjes, en het deed hem geweldig pijn toen hij er voorzichtig van verlost werd; hij heeft mij dat in jaren niet geheel kunnen vergeven.Jozef was eigenlijk wanstaltig, vooral in de eerste jaren van zijn leven, toen hij nog niet volgroeid was, een proces, waarover de anggang minstens drie jaren doet. Vooral de nestharen aan den zwaren nek stonden zoo weinig gesoigneerd, en dan die malle kop! Eerst later, toen de roode kroon aanzwol en de veeren glad waren, zag Joos er representabel uit, maar toch bleef hij een wonderlijk geheel, vooral[142]als hij mal rondhupte op de grove grijpvoeten; zij waren ganschelijk niet daarvoor geschapen, toch deed hij het met blijkbaar pleizier, al moest op een langen tocht wel telkens halt worden gemaakt. Trouwens, daarvoor waren ook andere redenen; er kon niets boven hem vliegen of bewegen, tot zwaluwen hoog in de wolken toe, of Jozef draaide den kop 90 graden en bekeek het object in peinzend filosofeeren met het naar boven gewende oog, en hij trok er zich niets van aan, als de menschen er om lachten.Jozef was den geheelen dag bezig, in beweging, of als wijs filosoof; zelden sliep hij overdag als er menschen in de buurt waren met wie hij op zijn manier voeling zocht. Zijn dagelijksche omgang was de tuinjongen, die voor planten en dieren zorgde, het gras op de gazons kort hield en de paden wiedde. Vooral bij dit laatste werk was Jozef vol daadwerkelijke belangstelling, en uren lang zat hij bij den „kebon” en keek toe, zocht telkens den hemel af met één oog en zei zoo nu en dan heel zacht: jóos. Maar in het bijzonder gold zijn belangstelling de heel mooie witte steentjes op de grindpaden, hij zocht ze uit, voelde ze aan, slingerde ze een paar decimeter de lucht in en ving ze weer op. Jozef was een geweldig vanger, hij miste nooit. Toen dit opviel, werden natuurlijk allerlei vangproeven met hem genomen, en nooit hebben wij gezien, dat hij den kleinsten rijstkorrel miste!Niet doorloopend had de kebon zijn gezelschap, dat hing van de gebeurtenissen van den dag af. Toen onze kinderen tijdens den wereldoorlog uit Holland overkwamen, ging een belangrijk deel van zijn affectie op hen over. En als de meisjes in de achtergalerij aan handwerkjes bezig waren, kon hij een ganschen morgen naast haar op het traliewerk om de galerij zitten, droomerig filosofeerend of zich uitslovend om een buit gemaakt kleurig wollen draadje op te slingeren en weer op te vangen, waarbij hij uit den aard der zaak met groote moeilijkheden te kampen had.In dit rustig bestaan kwam opeens een zeer belangrijke gebeurtenis een nieuw veld van belangstelling en arbeid openen. De kinderen hadden ergens twee heel jonge aapjes uit de handen van plagende jongens gered, en de tuinjongen had een jong biggetje, dat op onbegrijpelijke[143]wijze ergens uit een Chineesch varkenshok was ontsnapt en in een bijna drogen put was terechtgekomen, uit de modder gevischt. Nu kon het niet anders, of er moest een groote volière worden gebouwd, waarin deze menagerie tot haar recht kon komen. Al spoedig vermeiden de aapjes zich op rekstokken en schommeltjes, in de volière aangebracht, en een hunner deed dagelijks een rit op den rug van het heftig protesteerend biggetje. Voor Jozef een nieuwe wereld, en een drukte en actie als hem zelf geheel vreemd waren. Maanden lang was hij belangstellend toeschouwer, van buiten het gaas, en al dichter en dichter waagde hij zich bij de grijphandjes der apen, die met plotselinge uitvallen trachtten den staart van Jozef te pakken te krijgen als hij daartoe de kans gaf. Maar een straffende tik met het bijltje, zooals wij Jozef’s snavel noemden, deed hen terug deinzen, om dadelijk weer de goede kans te beloeren. Soms hielden zij Jozef met een plagend handje bezig, om, met een uitgestreken gezicht, behoedzaam een achterpoot door de grove mazen van het gaas rechtuit te schuiven en zoodoende den aanlokkelijken staart te benaderen. Maar het bleef steeds een zachtaardig spelletje en nimmer deden zij elkaar bepaald kwaad. Zoo was een groote vriendschap ontstaan, en als zij in den middag hun maaltje rijst en bananen of andere vruchten kregen, was het bij de volière een gezellige drukte, de aapjes en het biggetje binnen, Jozef als belangstellend publiek buiten de volière.Op een goeden dag zagen wij iets zeer merkwaardigs gebeuren.Jozef had een blijkbaar voldoende portie pisang opgeslokt en bleef met een stuk banaan in den snavel zitten. Plotseling nam hij een besluit, wipte tot vlak tegen het gaas en stak een der aapjes het stukje pisang toe, dat dadelijk en met graagte werd aanvaard; de wangzakjes waren eigenlijk al vol, geen nood, met den rugkant van ’t handje werd duwend toch nog plaats gemaakt. Dat moest toeval zijn! Wij wisten hoe „menschelijk” Jozef was, maar dit leek ons zoo ongelooflijk, dat hier aan zuiver toeval moest worden gedacht. Maar neen, sinds dien dag bleef Jozef de heertjes geregeld bedienen. Vooral Klappie, de kleine klapperaap met zijn guitig varkensstaartje, werd bevoorrecht en de kleine schavuit beschouwde dit spoedig met een zeker air van[144]quasi-onverschilligheid als een hem toekomend recht. Als hij zag, dat het moment gekomen was, schurkte hij zich in een hoekje van de volière, op den grond, de handjes op schoot, het hoofd onverschillig afgewend. En de brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje, dat met één handje, als was het hem eigenlijk te veel, genadig werd aanvaard. Als wij gasten hadden, werd telkens de vertooning gegeven, velen hebben zich dan ook van dit merkwaardig gebeuren overtuigd.De brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje.Toen kwam de groote verhuizing naar Palembang, onze kinderen hadden ons alweer verlaten, en zoo namen wij afscheid van de aapjes en het biggetje, dat inmiddels een vet knorrepotje geworden was; zij gingen over in handen van een anderen dierenvriend; door hun de vrijheid te geven, zooals wij met onze boschvogels hadden gedaan, zouden wij de ontaarde kereltjes den dood hebben ingejaagd. Maar Jozef reisde natuurlijk met ons mede. Het residentshuis te Palembang heeft aan de achterzijde een groot erf, geheel door bijgebouwen en zware hekken afgesloten en beplant met verschillende schaduwrijke vruchtboomen, een dorado voor Jozef. Hij zal zijn aapjes wel zeer gemist hebben; wel hadden wij een jongen hond, maar deze had het veel te druk met ronddribbelen dan dat hij een rustig vriendje voor Jozef kon zijn. Maar de slimmerd wist raad, hij wachtte tot het hondje ergens lag te slapen, benaderde hem en trachtte een of andere lekkernij tusschen de dichtgeknepen lippen te wringen!maarde ontsteltenis was telkens[145]groot, het dier kon niet vatten, dat Jozef’s scherp bijltje als teeken van vriendschap en zorgende liefde hem in het tandvleesch prikte, en telkens vloog hij met een naren gil op en ontvluchtte kermend het nog juist ontsnapte levensgevaar. Arme Jozef keek dan wel heel ongelukkig, en hij draaide het eene oog naar de wolken om den hemel tot getuige te nemen van zijn nobele bedoelingen.Toen kwam op een morgen een man uit de Boven-Moesi met een jong hert te koop, een bok, maar er was nog geen spoor van de eerste geweiknobbels. Hans werd nu Jozef’s kameraad, een wild hert uit de ruige struiken en een vogel uit de hooge boomen gezworen kameraden!Toch duurde het maanden voor de twee gewend waren aan elkaars onmiddellijke nabijheid, maar toen was ook voor Jozef het oogenblik daar, om blijk te geven van zijn affectie. Ook Hans was er in het geheel niet van gediend, voor hem was het eenvoudig om aan het bijltje te ontkomen, hij stak den kop de lucht in, de ooren in den nek, maar telkens weer deed de brave vogel zijn best, en te oordeelen naar wat later gebeurde, moeten zijn pogingen toch niet altijd zijn afgewezen.Op een goeden morgen namelijk werden wij geroepen door onze kokkin, wij moesten dadelijk komen kijken, nu gebeurde er iets, dat de bediendenschaar in groote verbazing bracht!De kokki had ’s morgens vroeg een partijtje aardappels, die begonnen uit te loopen, te luchten gelegd op het groote waterreservoir van beton, dat op het achtererf van de woning is aangebracht. Hans rook, dat daar iets naar zijn gading lag, maar al ging hij ook op de teenen staan en spande zijn hals als een vioolsnaar, de zoekende mummellippen reikten nog niet aan den rand van den bak. Nu zag Jozef zijn kans, hij vloog op het reservoir, zocht de beste aardappels uit en reikte die zijn vriend aan!Dit is voor ons, dierenvrienden, die allerlei dieren hebben gehad en getracht hebben al hun eigenaardigheden te leeren kennen door goed voor hen te zijn, een moment geweest, dat nu nog telkens wordt opgehaald als het merkwaardigste, dat wij van onze „redelooze” vrienden hebben beleefd. En eerst nu, dat ik de geschiedenis van braven Jozef vastleg, heb ik hem begrepen. Het kan niet anders, of Jozef voelde in[146]zich den drang te doen wat zijn vader en zijn grootvaders hadden gedaan, toen zij hun ingemetseld wijfje de zorgvuldig bespaarde hapjes door het klei-venstertje aanreikten; Jozef’s vaderhart sprak! En al klinkt dit mal, als men een vergelijking treft tusschen den aard en de lichaamsgrootte van een hert en een vogel en daarbij het hert als de moeder met de babies denkt, Jozef voelde zich de vader en hij voldeed aan de groote wet, die hem de voederplicht had opgelegd.Jozef is natuurlijk met ons mee verhuisd naar Médan, met Hans. Maar deze werd al spoedig de baas van het hertenparkje, en Jozef heeft nimmer meer een bijzonderen dagelijkschen vriend onder de dieren gehad. Trouwens, hij had er nu ook weinig tijd voor, want hij had het oppertoezicht op zich genomen over alle dieren op het erf der gouverneurswoning teMédan, dat eerder de betiteling van park verdient en waar een gezin van dierenvrienden zich naar hartelust aan hun hobbies kan wijden.Zijn dagelijksche mensch-vriend was nog steeds de trouwe tuinjongen van Bengkoelen en meer en meer sloot Jozef zich bij hem aan en keek toe, dat hij geen der mede-dieren te kort deed. En er waren er zoo eenige. Het werk begon in de vroegte bij de kippen, waaraan de tuinjongen de uiterste zorg besteedde; hij, Lakasah, was zeer trotsch op de Plymouth Rocks, die kregen de eerste zorg; dan volgde het kleine toom Rhode Islands, maar daar keek hij op neer sinds er een veerenpikker onder was, die zijn baas maar niet wilde opruimen. Jozef vond kippen weinig interessant; of hij deed maar zoo, want kuikens hadden zéér zijn belangstelling, zóó zeer, dat hij eens verrast werd, juist bezig om een achterlijk stumperdje een waardig graf te bezorgen. Dat kuiken bleef telkens achter, als moeder-kip met haar kroost voort-kloekte; Jozef zag zijn kans, zijn onderbewustzijn sprak van heerlijke muizen en kruipend gedierte, die een belangrijk deel uitmaken van het anggang-menu in de wildernis, de moederkip was achter een struik verdwenen, hij hoefde niet te vreezen, dat ze als een fregat met volle zeilen op hem af zou stormen … en het nimmer missende bijltje deed zijn werk goed.Bij de groote kooi van den béo, den praatvogel, bleef Jozef dikwijls een tijd achter op den dagelijkschen rondegang van Lakasah. Hij, Jozef,[147]die alleen maar zoo nu en dan zijn zacht geluid deed hooren, moet wel respect gehad hebben voor den béo, den meest perfecten praatvogel ter wereld; kon deze niet roepen en spreken en fluiten als de menschen; en dan zijn meesterlijk kuchen en hoesten!… was daar weer die akelig rochelende Chineesche koeli, die maanden geleden steenen had aangesjouwd? waarom ging daar, plotseling, knarsend de zware garagedeur open, terwijl ze dicht zat? Ja, ja, dat doeik!zei de béo met een houten gezicht; langs zijn gelen snavel loerden de scherpe kraaloogen naar den stillen Jozef met zijn reuzekop.Dan ging hij maar weer voort, Lakasah achterna. Nòg zoo’n schreeuwer kreeg nu diens bezoek; hij was een vlamroode loerie van Ternate, dien een dankbare Maleische jongen, ginds ambtenaar geworden, mij had toegezonden; daarom was de loerie erkentelijk aanvaard, maar hij zette zoo nu en dan de geheele omgeving op stelten; hij kon engelachtig lief teemen en vleien; bij het afroepen van de namen van de bedienden was zijn geluid al meer een oorverscheurend geschater, maar als hij het op zijn heupen had en Ternataansch sprak, tenminste onverstaanbaar, dan kwam er in zijn toespraken zulk een gloed, dat het razen en vloeken leek, zóó, dat een fuselier er eens van bloosde.Nu was Dora aan de beurt, de baby-orang hoetan, die op dezen tijd van den dag haar fleschje melk savoureerde; maar Dora was geen hartsvriendin van Jozef, zij was hem te sluw. Voor de menschen was zij een zacht, drenzend kind en lief keken haar mooie, bruine oogen; maar o wee! als een of ander dier, dat ze aandurfde, onder haar bereik kwam; dan schoot de gespierde arm onverwachts uit, en Jozef had ondervonden, dat die arm veel en veel langer was dan men zou verwachten.Zoo verrichtte Jozef bij nog vele andere dieren zijn dagelijkschen rondgang, en daarna meldde hij zich bij de huisvrouw, als kwam hij rapport uitbrengen. Meer en meer hechtten wij ons aan het brave, gezellige dier, dat haast geen dier meer was; er was ook zoo’n menschelijke uitdrukking gekomen in de oogen met hun mooie, lange oogharen; beste, brave Joos.Op een namiddag, in den zomer van 1923, zat Jozef te rusten op een lagen tak, kijkend naar de dalende zon. Hij had mij met zijn zachten roep[148]gegroet, toen ik hem voorbij ging, naar het tennisveld. Dadelijk daarop moet het gebeurd zijn, want ik had het veld nog niet bereikt, toen Lakasah mij achterna kwam rennen, doodsbleek en met trillende lippen, om mij te zeggen, dat Jozef dood in het gras lag, onder den tak, waar hij zijn baas den laatsten groet gebracht had. Een hartverlamming moet hem van ons hebben weggenomen.Dien avond was de lach gestorven in het gouverneurshuis te Médan.Ornament met toekan.[149]
[Inhoud]XI.PENJOE, DE TRAGE ZEESCHILDPADHet was een nacht van louter zilver en zwart.Hier, aan het witte duinen-strand van Poelau Djemoer, met zijn zwarte rotsen waar de branding op beukte, waren geen andere kleuren in den fellen maannacht. De sterren waren in den zwarten hemel terug geweken voor den toovergloed van den zilveren brand, en inktzwart was de zee, waar slechts zoo nu en dan een bolle deining met vloeiend zilver werd begoten.Boven, op een rots, stond de vuurtoren; zonder dit licht zou de groote scheepvaart in de Straat van Malaka, de wereldstraat van Azië, niet mogelijk zijn. Behalve de lichtwachter met zijn helpers woonden op dit eenzame eiland slechts enkele Maleiers, in een hutje aan den voet van den rotsheuvel; zij verzamelden schildpadeieren, welke zij voor ’n paar gulden de honderd in de groote havenplaatsen aan den Sumatra-wal verkochten.Het was juist een maand geleden, dat ik deze plek op een mijner dienstreizen bezocht had, en toen ik in het hutje der Maleiers een groote kist had zien staan, half gevuld met schildpad-eieren, waren mij de verhalen in herinnering gekomen, welke men mij in Zuid-Sumatra verteld had over schildpadden en haar eieren; wanneer deze dieren aan wal waren om eieren te leggen, zouden zij gemakkelijk te benaderen zijn, ja, de eierzoekers zouden wel eens meehelpen om het gat te graven waarin de eieren worden gelegd, om maar tot spoedige resultaten te[122]komen! En ik had den Maleiers ongeloovig gevraagd, of zij mij niet eens ooggetuige konden laten zijn van hun nachtelijke ontmoetingen met eierleggende schildpadden. Zeker, hadden zij gezegd, en of ik dien nacht niet kon overblijven? Er was weliswaar weinig kans, want het was dien dag zwaar weer geweest en er stond hooge zee, maar het was niet uitgesloten, dat enkele dieren toch aan wal zouden komen in den nacht; het zou wel moeielijk zoeken zijn, er waren verschillende legplaatsen en de mannen hadden met hun lichte prauw kreken over te steken om alle plekken af te zoeken. Of ik het niet zoo zou kunnen schikken, dat ik een anderen keer, ook bij volle maan, een nacht kon overblijven? als de zee dan niet zoo hol was, konden zij er voor instaan, dat ik schildpadden zou zien en ze zien eieren leggen!Ik zou schildpadden zien en ze zien eieren leggen!Dat was wel heel sterk! had ik gedacht. Het was toch wel vreemd, dat men dien dag er in het geheel niet op gebrand was om mij te overtuigen, dat onmogelijk schijnende dingen werkelijk toch wel mogelijk zouden zijn.En nu wilde het toeval, dat ik nu, juist een maand later, weder naar het zuiden ging. Het doel van mijn reis waren de Chineesche panglong’s, de houtkapperijen bij Bengkalis, waar Singapore jaarlijks meer kubieke meters hout weghaalt dan de geheele jaarlijksche productie van djati-hout op Java bedraagt; daar waren dingen voorgevallen tusschen de Chineezen onderling, zóó ernstig, dat ik onverwijld een plaatselijk onderzoek wilde instellen.Een schoolmeisje met vacantie maakte dit gedeelte van de reis mee; ik had haar het verhaal van mijn vorig bezoek gedaan en zij smeekte om Poelau Djemoer aan te laten doen, nu het weer volle maan was;[123]zij vond het wel „eng”, maar toch ook „dol” om eens op den rug van een zeeschildpad rond te rijden! Het eiland lag op de route, wij zouden laat in den avond aankomen, en enkele uren kon ik wel aan de schildpadden besteden … als men ons tenminste niet duchtig bij den neus had met al die verhalen. Maar dit was op zichzelf al de moeite van een onderzoek waard.Nauwelijks lag ons kleine schip voor anker, of aan den wal verscheen een lichtje, dat in rhytmisch zwaaien bewoog; men had ons op het eiland zien aankoersen en er liepen menschen, die nu stellig een prauwtje van het strand het water in zouden slepen om ons te bezoeken.Een half uur later stonden de lichtwachter en twee Maleiers aan dek. Zij hadden de fluit van de „Diana” herkend, het was volle maan, misschien was de gouverneur aan boord, die zoo ernstig beloofd had ééns, als de maan vol was, te zullen komen om schildpadden te zien. Toch waren zij verrast, dat ze zich niet vergist hadden, zij wisten, dat de gewestelijke bestuurder te Médan slechts zelden tijd kon vinden voor reizen naar de zuid, die zoovele dagen in beslag namen.„En hoe staat het met de schildpadden?”„Nou, meneer, voorzoover wij weten zijn er nog geen aan wal, maar als u wat geduld wilt hebben zult u ze toch wel kunnen zien, wij verwachten ze vannacht stellig, want de zee is rustig en het wordt nu de goede tijd van het jaar.”„Maar hoe lang zou het dan nog duren?”„Dat kunnen we onmogelijk zeggen, maar mogen wij zoo afspreken, dat een van ons telkens drie malen achtereen met een licht zal zwaaien aan het strand, als er penjoe’s aan wal zijn? Wij zullen de wacht hier aan boord waarschuwen om u te wekken als u wilt gaan slapen.”De mannen roeiden in hun kleine prauw weer naar den wal, al spoedig zagen wij alleen maar het deinend lichtje van de lantaren, welke zij in den voorsteven hadden gezet, flets rossig in het zilveren maanlicht.Wij besloten te wachten, een goed boek helpt den tijd wel dooden. Eerst twee uur later kwam een matroos ons waarschuwen, dat het sein aan den wal gegeven was. Zouden we nu werkelijk schildpadden[124]zien? Vier man zaten al in de neergestreken sloep, de halve bemanning; onder het roeien werd druk gepraat, ook voor hen was het een nieuwtje, al hadden zij er dikwijls van hooren vertellen; en dat het schoolmeisje mee aan wal ging, werd blijkbaar zeer interessant gevonden. Toen wij het strand naderden, bleek de branding nog vrij woelig te zijn, maar de lantaren aan den wal wees ons de beste plek om te landen.„Zijn er werkelijk schildpadden?” vroeg ik in spanning.„Ja meneer, er zijn pas twee dieren aan wal, maar wij wilden u niet langer laten wachten. Zie, dit is het spoor van een ervan, de andere is wat verderop.”Van het water liep een spoor, van zeker een halven meter breed, het lage witte duin op; in het midden leek het ’t spoor van een aan wal getrokken prauw, aan de kanten stonden op regelmatige afstanden de indrukken van grabbelende pooten. Inderdaad, hier had een dier uit de donkere zee het veilig tehuis verlaten om aan de groote wet, het scheppen van een kroost, te voldoen. Zij, schildpadden konden niet, als de visschen, haar schat aan het water toevertrouwen; maar haar instinct wees haar den weg, dien ook haar moeders en grootmoeders hadden gevolgd, naar eenzame stranden waar rul, diep zand was om de eieren te verbergen en ze tot leven te stoven in de gloeiende zonnewarmte. En zij kozen den diepen nacht om heimelijk den grooten tocht te doen. De armen, zij weten niet, hoe slim de allergevaarlijkste aller dieren is, en hoe het speuren dien mensch gemakkelijk gemaakt wordt door het breede spoor, dat zij in het zand slepen en dat alleen door hevigen regen of door stormwind wordt uitgewischt.In oogenblikken, dat men wondere dingen der Natuur zal zien, is het of ’s menschen geest glimlacht; of deze stelling ook voor anderen dan devote bewonderaars der natuur opgaat, weet ik niet; wel, dat ik het voor de tweede maal in mijn leven zoo voelde. Jaren tevoren, toen men mij voor het eerst in het Barisangebergte de Rafflesia Arnoldi zou laten zien, volgde ik met dezelfde gewaarwording een Maleier, die deze wondere reuzebloem had gevonden. Ik wist, hoe groot de blijde trots was voor dr. Arnold, toen hij in 1818, te Poelau Lebar aan de[125]Manna-rivier, „the biggest flower of the world” vond, en hoe opgetogen Raffles en Lady Raffles waren, toen Arnold met de geweldige parasiet hun tent binnen kwam … nu zou ook ik die wonderbloem zien. Daar lag zij op den grond in het stille bosch, bijna een meter in middellijn; de vijf prachtig kastanjekleurige bladeren, dicht bezaaid met de crême „wratten”, omvatten de kom, waarin, als een altaar, de centrale zuil ligt; toen glimlachte mijn geest niet meer maar zonk als het ware neer voor dit wonder, in vrome dankbaarheid.Hier gold het „maar” een schildpad en nu bleef de glimlach, want overheerschend was een gevoel van verbazing, al was het gemengd met medelijden voor het dier, dat in onweerstaanbaren drang haar omgeving geheel vergeten scheen. Zij was druk in de weer; de klauwige voorpooten graaiden met kracht het zand langs de flanken naar achter het lichaam, en de twee platte achterpooten vlijden het zand vast aan.„Wat doet ze nu?” vroeg ik.„Zij heeft haar eieren gelegd en nu graaft ze den kuil dicht en slaat het zand vast aan.”Wij gingen dicht om het met volle kracht doorwerkende dier zitten, en met een stokje tikte ik haar zacht op den grooten kop, benieuwd of zij hem in zou trekken; zij protesteerde wel even, hijgde kreunend, maar er kwam niet de minste stoornis in houding of arbeid; integendeel, meer dan ooit kwam het er op aan haar schat snel te verbergen. Graai! graai! ging het vóór, en plak! plak! haastten zich de achterpooten. Arme drommel, een struis steekt tenminste den kop nog weg en verbeeldt zich dan alleen te zijn, de schildpad ziet het allergrootste gevaar om zich heen letterlijk in de oogen, en verbeeldt zich, dat die oogen niet zien.„Jullie doet deze dieren toch nooit kwaad?”„Neen, meneer, wij zijn veel te blij, dat ze geregeld hier komen, verscheidene van de dieren kennen wij aan de kleur of aan schelpen, die zich aan hun schild vastkleven.”„Maar als ge door regen of wind de sporen niet vindt, of als ge ’s nachts niet waakt, hoe vindt ge dan de eieren?”„Dan zoeken wij overdag naar plekken waar het zand sporen vertoont[126]verstoord te zijn, en wij sondeeren het met een ijzeren laadstok; voelen wij een hardere plek, dan steken we voorzichtig door, en als we de eieren raken, dan is de punt van den stok kleverig en er blijven zandkorrels aan hangen. Maar soms vinden wij niets, het is veel beter ’s nachts alle plekken, waar zij gewoonlijk komen, langs te gaan; een goed deel van den nacht loopen wij rond en waden de kreken door, die de stukken strand van elkaar scheiden. Wij zullen nu eens zien, hoeveel eieren deze schildpad gelegd heeft.”De mannen sleepten voorzichtig de alles trotseerende moeder eenige meters van haar nest weg; hoeveel zij woog, is niet te zeggen, maar zij mat van neus tot staart precies een meter. En nu werd de hardere plek op het nest behoedzaam ontgraven. Maar wij beiden hadden te doen met de bedrogen moeder en hielden haar in dit moment van diepe vernedering en teleurstelling gezelschap … zóó voelt de mensch het aan; maar de schildpad sloeg op de nieuwe plek onmiddellijk weer aan den arbeid, haar hersens liepen blijkbaar minstens een kwartier achter, zij had niets van de manoeuvre begrepen, slechts die eene gedachte bezielde haar: graaf! je bent nog niet klaar, verberg je schat! en de voorpooten graaiden weer, en de andere twee plakten weer dicht, steeds sneller; eindelijk drong het tot haar door, dat zij toch niet geheel onbespied was op haar strand! Zoo verwoed graaiden de voorpooten, dat ons het zand om de ooren fladderde toen wij achter haar gingen zitten.Men had het nest met eieren nu ontbloot, wij telden er 108; eieren als ping-pong ballen, maar zachter, verscheidene met de deuk erin, welke die ballen na eenig gebruik vertoonen. Het schoolmeisje stond erop de moeder enkele van haar eieren te laten zien, maar ze keek niet eens verbaasd en zwoegde al maar door, ze was alle maat en tijd kwijt.Maar nu zagen de mannen in het felle maanlicht een ander exemplaar, grooter nog en donkerder; die had blijkbaar haar plicht gedaan, en zij wandelde, geen twintig meter van ons af, terug naar zee. Wij hadden ons dier voldoende geplaagd, de nieuweling werd nu het middelpunt van onze belangstelling, en al spoedig moest zij het opgewonden schoolmeisje haar kracht als rijdier toonen; het bleek, onder een[127]anderen ruiter, dat zij zich zelfs met een levend gewicht van 90 kilo nog kon voortbewegen. Dit dier was volgens de mannen een hun welbekende, heel oude schildpad, haar rug zat vol met allerlei aanwassen, schelpen, welke slechts met groote moeite met een sterk slagmes konden worden losgewipt.Wij hadden nu genoeg gezien, en hadden straks, thuis, wat te vertellen. Maar, zouden anderen het nu wel gelooven? Zou men aannemen, dat het mogelijk is, als het ware op bestelling, wilde dieren uit de diepe zee te ontmoeten, ja zelfs een rit op hun rug te maken?„Jammer, dat ik dit dier niet fotografeeren kan,” zei ik, plotseling terneergeslagen, tot onze vrienden van het eiland.De mannen wisten raad, zij legden de oude schildpad op den rug, we konden dan in den vroegen morgen terug komen om opnamen te doen. Heel aangenaam zal het dier dezen tijdelijken levensdraai wel niet gevonden hebben, al legde het vrij spoedig den kop rustig neer, maar ik was zoo wreed om aan te nemen, dat ze toch geen overwegende bezwaren tegen ons plan kon hebben; bovendien, misschien zou ze over eenige uren pas begrijpen, dat ze niet bepaald meer in haar gewone doen was!En zoo is het gelukt om ons nachtelijk avontuur bij daglicht op de plaat vast te leggen. Zelfs gelukte het ’t moment te fotografeeren, waarop onze schildpad het veilig tehuis indook; toen zij het water voelde, werd de snelheid plotseling zeer groot, en de hersens werkten normaal, want zij keek naar den naast haar rennenden man en ontvluchtte hem; dat zij daarbij geen verschil maakte tusschen een boozen jager en mij, den goedwillenden fotograaf, kan men de geplaagde stakker niet kwalijk nemen.Eerst bij dag hadden wij ontdekt, dat het dier een gedeelte van een voorpoot miste, en ik dacht al aan haaien en dergelijk gespuis. Maar de mannen vertelden ons, dat eens in een nacht een Chinees bij hen was geweest, en dat de onverlaat dit dier een stuk van den poot had afgehakt, verzot als hij was op het aroma van schildpadvleesch. Ook Europeanen zijn niet ongevoelig voor schildpadsoep, maar ik geloof niet, dat deze lekkernij ooit middels amputatie verkregen wordt. Wel denk ik, dat[128]het gevoelscentrum van onze arme, trage Penjoe op dàt fatale moment prompt zal hebben gewerkt.„Wat zal moeder kijken, als ze mij gekiekt ziet op die schildpad,” zei het schoolmeisje, „maar wat zal ze woedend zijn op dien valschen Chinees … zóó’n engerd!”Ornament met vleermuis.[129]
XI.PENJOE, DE TRAGE ZEESCHILDPAD
Het was een nacht van louter zilver en zwart.Hier, aan het witte duinen-strand van Poelau Djemoer, met zijn zwarte rotsen waar de branding op beukte, waren geen andere kleuren in den fellen maannacht. De sterren waren in den zwarten hemel terug geweken voor den toovergloed van den zilveren brand, en inktzwart was de zee, waar slechts zoo nu en dan een bolle deining met vloeiend zilver werd begoten.Boven, op een rots, stond de vuurtoren; zonder dit licht zou de groote scheepvaart in de Straat van Malaka, de wereldstraat van Azië, niet mogelijk zijn. Behalve de lichtwachter met zijn helpers woonden op dit eenzame eiland slechts enkele Maleiers, in een hutje aan den voet van den rotsheuvel; zij verzamelden schildpadeieren, welke zij voor ’n paar gulden de honderd in de groote havenplaatsen aan den Sumatra-wal verkochten.Het was juist een maand geleden, dat ik deze plek op een mijner dienstreizen bezocht had, en toen ik in het hutje der Maleiers een groote kist had zien staan, half gevuld met schildpad-eieren, waren mij de verhalen in herinnering gekomen, welke men mij in Zuid-Sumatra verteld had over schildpadden en haar eieren; wanneer deze dieren aan wal waren om eieren te leggen, zouden zij gemakkelijk te benaderen zijn, ja, de eierzoekers zouden wel eens meehelpen om het gat te graven waarin de eieren worden gelegd, om maar tot spoedige resultaten te[122]komen! En ik had den Maleiers ongeloovig gevraagd, of zij mij niet eens ooggetuige konden laten zijn van hun nachtelijke ontmoetingen met eierleggende schildpadden. Zeker, hadden zij gezegd, en of ik dien nacht niet kon overblijven? Er was weliswaar weinig kans, want het was dien dag zwaar weer geweest en er stond hooge zee, maar het was niet uitgesloten, dat enkele dieren toch aan wal zouden komen in den nacht; het zou wel moeielijk zoeken zijn, er waren verschillende legplaatsen en de mannen hadden met hun lichte prauw kreken over te steken om alle plekken af te zoeken. Of ik het niet zoo zou kunnen schikken, dat ik een anderen keer, ook bij volle maan, een nacht kon overblijven? als de zee dan niet zoo hol was, konden zij er voor instaan, dat ik schildpadden zou zien en ze zien eieren leggen!Ik zou schildpadden zien en ze zien eieren leggen!Dat was wel heel sterk! had ik gedacht. Het was toch wel vreemd, dat men dien dag er in het geheel niet op gebrand was om mij te overtuigen, dat onmogelijk schijnende dingen werkelijk toch wel mogelijk zouden zijn.En nu wilde het toeval, dat ik nu, juist een maand later, weder naar het zuiden ging. Het doel van mijn reis waren de Chineesche panglong’s, de houtkapperijen bij Bengkalis, waar Singapore jaarlijks meer kubieke meters hout weghaalt dan de geheele jaarlijksche productie van djati-hout op Java bedraagt; daar waren dingen voorgevallen tusschen de Chineezen onderling, zóó ernstig, dat ik onverwijld een plaatselijk onderzoek wilde instellen.Een schoolmeisje met vacantie maakte dit gedeelte van de reis mee; ik had haar het verhaal van mijn vorig bezoek gedaan en zij smeekte om Poelau Djemoer aan te laten doen, nu het weer volle maan was;[123]zij vond het wel „eng”, maar toch ook „dol” om eens op den rug van een zeeschildpad rond te rijden! Het eiland lag op de route, wij zouden laat in den avond aankomen, en enkele uren kon ik wel aan de schildpadden besteden … als men ons tenminste niet duchtig bij den neus had met al die verhalen. Maar dit was op zichzelf al de moeite van een onderzoek waard.Nauwelijks lag ons kleine schip voor anker, of aan den wal verscheen een lichtje, dat in rhytmisch zwaaien bewoog; men had ons op het eiland zien aankoersen en er liepen menschen, die nu stellig een prauwtje van het strand het water in zouden slepen om ons te bezoeken.Een half uur later stonden de lichtwachter en twee Maleiers aan dek. Zij hadden de fluit van de „Diana” herkend, het was volle maan, misschien was de gouverneur aan boord, die zoo ernstig beloofd had ééns, als de maan vol was, te zullen komen om schildpadden te zien. Toch waren zij verrast, dat ze zich niet vergist hadden, zij wisten, dat de gewestelijke bestuurder te Médan slechts zelden tijd kon vinden voor reizen naar de zuid, die zoovele dagen in beslag namen.„En hoe staat het met de schildpadden?”„Nou, meneer, voorzoover wij weten zijn er nog geen aan wal, maar als u wat geduld wilt hebben zult u ze toch wel kunnen zien, wij verwachten ze vannacht stellig, want de zee is rustig en het wordt nu de goede tijd van het jaar.”„Maar hoe lang zou het dan nog duren?”„Dat kunnen we onmogelijk zeggen, maar mogen wij zoo afspreken, dat een van ons telkens drie malen achtereen met een licht zal zwaaien aan het strand, als er penjoe’s aan wal zijn? Wij zullen de wacht hier aan boord waarschuwen om u te wekken als u wilt gaan slapen.”De mannen roeiden in hun kleine prauw weer naar den wal, al spoedig zagen wij alleen maar het deinend lichtje van de lantaren, welke zij in den voorsteven hadden gezet, flets rossig in het zilveren maanlicht.Wij besloten te wachten, een goed boek helpt den tijd wel dooden. Eerst twee uur later kwam een matroos ons waarschuwen, dat het sein aan den wal gegeven was. Zouden we nu werkelijk schildpadden[124]zien? Vier man zaten al in de neergestreken sloep, de halve bemanning; onder het roeien werd druk gepraat, ook voor hen was het een nieuwtje, al hadden zij er dikwijls van hooren vertellen; en dat het schoolmeisje mee aan wal ging, werd blijkbaar zeer interessant gevonden. Toen wij het strand naderden, bleek de branding nog vrij woelig te zijn, maar de lantaren aan den wal wees ons de beste plek om te landen.„Zijn er werkelijk schildpadden?” vroeg ik in spanning.„Ja meneer, er zijn pas twee dieren aan wal, maar wij wilden u niet langer laten wachten. Zie, dit is het spoor van een ervan, de andere is wat verderop.”Van het water liep een spoor, van zeker een halven meter breed, het lage witte duin op; in het midden leek het ’t spoor van een aan wal getrokken prauw, aan de kanten stonden op regelmatige afstanden de indrukken van grabbelende pooten. Inderdaad, hier had een dier uit de donkere zee het veilig tehuis verlaten om aan de groote wet, het scheppen van een kroost, te voldoen. Zij, schildpadden konden niet, als de visschen, haar schat aan het water toevertrouwen; maar haar instinct wees haar den weg, dien ook haar moeders en grootmoeders hadden gevolgd, naar eenzame stranden waar rul, diep zand was om de eieren te verbergen en ze tot leven te stoven in de gloeiende zonnewarmte. En zij kozen den diepen nacht om heimelijk den grooten tocht te doen. De armen, zij weten niet, hoe slim de allergevaarlijkste aller dieren is, en hoe het speuren dien mensch gemakkelijk gemaakt wordt door het breede spoor, dat zij in het zand slepen en dat alleen door hevigen regen of door stormwind wordt uitgewischt.In oogenblikken, dat men wondere dingen der Natuur zal zien, is het of ’s menschen geest glimlacht; of deze stelling ook voor anderen dan devote bewonderaars der natuur opgaat, weet ik niet; wel, dat ik het voor de tweede maal in mijn leven zoo voelde. Jaren tevoren, toen men mij voor het eerst in het Barisangebergte de Rafflesia Arnoldi zou laten zien, volgde ik met dezelfde gewaarwording een Maleier, die deze wondere reuzebloem had gevonden. Ik wist, hoe groot de blijde trots was voor dr. Arnold, toen hij in 1818, te Poelau Lebar aan de[125]Manna-rivier, „the biggest flower of the world” vond, en hoe opgetogen Raffles en Lady Raffles waren, toen Arnold met de geweldige parasiet hun tent binnen kwam … nu zou ook ik die wonderbloem zien. Daar lag zij op den grond in het stille bosch, bijna een meter in middellijn; de vijf prachtig kastanjekleurige bladeren, dicht bezaaid met de crême „wratten”, omvatten de kom, waarin, als een altaar, de centrale zuil ligt; toen glimlachte mijn geest niet meer maar zonk als het ware neer voor dit wonder, in vrome dankbaarheid.Hier gold het „maar” een schildpad en nu bleef de glimlach, want overheerschend was een gevoel van verbazing, al was het gemengd met medelijden voor het dier, dat in onweerstaanbaren drang haar omgeving geheel vergeten scheen. Zij was druk in de weer; de klauwige voorpooten graaiden met kracht het zand langs de flanken naar achter het lichaam, en de twee platte achterpooten vlijden het zand vast aan.„Wat doet ze nu?” vroeg ik.„Zij heeft haar eieren gelegd en nu graaft ze den kuil dicht en slaat het zand vast aan.”Wij gingen dicht om het met volle kracht doorwerkende dier zitten, en met een stokje tikte ik haar zacht op den grooten kop, benieuwd of zij hem in zou trekken; zij protesteerde wel even, hijgde kreunend, maar er kwam niet de minste stoornis in houding of arbeid; integendeel, meer dan ooit kwam het er op aan haar schat snel te verbergen. Graai! graai! ging het vóór, en plak! plak! haastten zich de achterpooten. Arme drommel, een struis steekt tenminste den kop nog weg en verbeeldt zich dan alleen te zijn, de schildpad ziet het allergrootste gevaar om zich heen letterlijk in de oogen, en verbeeldt zich, dat die oogen niet zien.„Jullie doet deze dieren toch nooit kwaad?”„Neen, meneer, wij zijn veel te blij, dat ze geregeld hier komen, verscheidene van de dieren kennen wij aan de kleur of aan schelpen, die zich aan hun schild vastkleven.”„Maar als ge door regen of wind de sporen niet vindt, of als ge ’s nachts niet waakt, hoe vindt ge dan de eieren?”„Dan zoeken wij overdag naar plekken waar het zand sporen vertoont[126]verstoord te zijn, en wij sondeeren het met een ijzeren laadstok; voelen wij een hardere plek, dan steken we voorzichtig door, en als we de eieren raken, dan is de punt van den stok kleverig en er blijven zandkorrels aan hangen. Maar soms vinden wij niets, het is veel beter ’s nachts alle plekken, waar zij gewoonlijk komen, langs te gaan; een goed deel van den nacht loopen wij rond en waden de kreken door, die de stukken strand van elkaar scheiden. Wij zullen nu eens zien, hoeveel eieren deze schildpad gelegd heeft.”De mannen sleepten voorzichtig de alles trotseerende moeder eenige meters van haar nest weg; hoeveel zij woog, is niet te zeggen, maar zij mat van neus tot staart precies een meter. En nu werd de hardere plek op het nest behoedzaam ontgraven. Maar wij beiden hadden te doen met de bedrogen moeder en hielden haar in dit moment van diepe vernedering en teleurstelling gezelschap … zóó voelt de mensch het aan; maar de schildpad sloeg op de nieuwe plek onmiddellijk weer aan den arbeid, haar hersens liepen blijkbaar minstens een kwartier achter, zij had niets van de manoeuvre begrepen, slechts die eene gedachte bezielde haar: graaf! je bent nog niet klaar, verberg je schat! en de voorpooten graaiden weer, en de andere twee plakten weer dicht, steeds sneller; eindelijk drong het tot haar door, dat zij toch niet geheel onbespied was op haar strand! Zoo verwoed graaiden de voorpooten, dat ons het zand om de ooren fladderde toen wij achter haar gingen zitten.Men had het nest met eieren nu ontbloot, wij telden er 108; eieren als ping-pong ballen, maar zachter, verscheidene met de deuk erin, welke die ballen na eenig gebruik vertoonen. Het schoolmeisje stond erop de moeder enkele van haar eieren te laten zien, maar ze keek niet eens verbaasd en zwoegde al maar door, ze was alle maat en tijd kwijt.Maar nu zagen de mannen in het felle maanlicht een ander exemplaar, grooter nog en donkerder; die had blijkbaar haar plicht gedaan, en zij wandelde, geen twintig meter van ons af, terug naar zee. Wij hadden ons dier voldoende geplaagd, de nieuweling werd nu het middelpunt van onze belangstelling, en al spoedig moest zij het opgewonden schoolmeisje haar kracht als rijdier toonen; het bleek, onder een[127]anderen ruiter, dat zij zich zelfs met een levend gewicht van 90 kilo nog kon voortbewegen. Dit dier was volgens de mannen een hun welbekende, heel oude schildpad, haar rug zat vol met allerlei aanwassen, schelpen, welke slechts met groote moeite met een sterk slagmes konden worden losgewipt.Wij hadden nu genoeg gezien, en hadden straks, thuis, wat te vertellen. Maar, zouden anderen het nu wel gelooven? Zou men aannemen, dat het mogelijk is, als het ware op bestelling, wilde dieren uit de diepe zee te ontmoeten, ja zelfs een rit op hun rug te maken?„Jammer, dat ik dit dier niet fotografeeren kan,” zei ik, plotseling terneergeslagen, tot onze vrienden van het eiland.De mannen wisten raad, zij legden de oude schildpad op den rug, we konden dan in den vroegen morgen terug komen om opnamen te doen. Heel aangenaam zal het dier dezen tijdelijken levensdraai wel niet gevonden hebben, al legde het vrij spoedig den kop rustig neer, maar ik was zoo wreed om aan te nemen, dat ze toch geen overwegende bezwaren tegen ons plan kon hebben; bovendien, misschien zou ze over eenige uren pas begrijpen, dat ze niet bepaald meer in haar gewone doen was!En zoo is het gelukt om ons nachtelijk avontuur bij daglicht op de plaat vast te leggen. Zelfs gelukte het ’t moment te fotografeeren, waarop onze schildpad het veilig tehuis indook; toen zij het water voelde, werd de snelheid plotseling zeer groot, en de hersens werkten normaal, want zij keek naar den naast haar rennenden man en ontvluchtte hem; dat zij daarbij geen verschil maakte tusschen een boozen jager en mij, den goedwillenden fotograaf, kan men de geplaagde stakker niet kwalijk nemen.Eerst bij dag hadden wij ontdekt, dat het dier een gedeelte van een voorpoot miste, en ik dacht al aan haaien en dergelijk gespuis. Maar de mannen vertelden ons, dat eens in een nacht een Chinees bij hen was geweest, en dat de onverlaat dit dier een stuk van den poot had afgehakt, verzot als hij was op het aroma van schildpadvleesch. Ook Europeanen zijn niet ongevoelig voor schildpadsoep, maar ik geloof niet, dat deze lekkernij ooit middels amputatie verkregen wordt. Wel denk ik, dat[128]het gevoelscentrum van onze arme, trage Penjoe op dàt fatale moment prompt zal hebben gewerkt.„Wat zal moeder kijken, als ze mij gekiekt ziet op die schildpad,” zei het schoolmeisje, „maar wat zal ze woedend zijn op dien valschen Chinees … zóó’n engerd!”Ornament met vleermuis.[129]
Het was een nacht van louter zilver en zwart.
Hier, aan het witte duinen-strand van Poelau Djemoer, met zijn zwarte rotsen waar de branding op beukte, waren geen andere kleuren in den fellen maannacht. De sterren waren in den zwarten hemel terug geweken voor den toovergloed van den zilveren brand, en inktzwart was de zee, waar slechts zoo nu en dan een bolle deining met vloeiend zilver werd begoten.
Boven, op een rots, stond de vuurtoren; zonder dit licht zou de groote scheepvaart in de Straat van Malaka, de wereldstraat van Azië, niet mogelijk zijn. Behalve de lichtwachter met zijn helpers woonden op dit eenzame eiland slechts enkele Maleiers, in een hutje aan den voet van den rotsheuvel; zij verzamelden schildpadeieren, welke zij voor ’n paar gulden de honderd in de groote havenplaatsen aan den Sumatra-wal verkochten.
Het was juist een maand geleden, dat ik deze plek op een mijner dienstreizen bezocht had, en toen ik in het hutje der Maleiers een groote kist had zien staan, half gevuld met schildpad-eieren, waren mij de verhalen in herinnering gekomen, welke men mij in Zuid-Sumatra verteld had over schildpadden en haar eieren; wanneer deze dieren aan wal waren om eieren te leggen, zouden zij gemakkelijk te benaderen zijn, ja, de eierzoekers zouden wel eens meehelpen om het gat te graven waarin de eieren worden gelegd, om maar tot spoedige resultaten te[122]komen! En ik had den Maleiers ongeloovig gevraagd, of zij mij niet eens ooggetuige konden laten zijn van hun nachtelijke ontmoetingen met eierleggende schildpadden. Zeker, hadden zij gezegd, en of ik dien nacht niet kon overblijven? Er was weliswaar weinig kans, want het was dien dag zwaar weer geweest en er stond hooge zee, maar het was niet uitgesloten, dat enkele dieren toch aan wal zouden komen in den nacht; het zou wel moeielijk zoeken zijn, er waren verschillende legplaatsen en de mannen hadden met hun lichte prauw kreken over te steken om alle plekken af te zoeken. Of ik het niet zoo zou kunnen schikken, dat ik een anderen keer, ook bij volle maan, een nacht kon overblijven? als de zee dan niet zoo hol was, konden zij er voor instaan, dat ik schildpadden zou zien en ze zien eieren leggen!
Ik zou schildpadden zien en ze zien eieren leggen!
Dat was wel heel sterk! had ik gedacht. Het was toch wel vreemd, dat men dien dag er in het geheel niet op gebrand was om mij te overtuigen, dat onmogelijk schijnende dingen werkelijk toch wel mogelijk zouden zijn.
En nu wilde het toeval, dat ik nu, juist een maand later, weder naar het zuiden ging. Het doel van mijn reis waren de Chineesche panglong’s, de houtkapperijen bij Bengkalis, waar Singapore jaarlijks meer kubieke meters hout weghaalt dan de geheele jaarlijksche productie van djati-hout op Java bedraagt; daar waren dingen voorgevallen tusschen de Chineezen onderling, zóó ernstig, dat ik onverwijld een plaatselijk onderzoek wilde instellen.
Een schoolmeisje met vacantie maakte dit gedeelte van de reis mee; ik had haar het verhaal van mijn vorig bezoek gedaan en zij smeekte om Poelau Djemoer aan te laten doen, nu het weer volle maan was;[123]zij vond het wel „eng”, maar toch ook „dol” om eens op den rug van een zeeschildpad rond te rijden! Het eiland lag op de route, wij zouden laat in den avond aankomen, en enkele uren kon ik wel aan de schildpadden besteden … als men ons tenminste niet duchtig bij den neus had met al die verhalen. Maar dit was op zichzelf al de moeite van een onderzoek waard.
Nauwelijks lag ons kleine schip voor anker, of aan den wal verscheen een lichtje, dat in rhytmisch zwaaien bewoog; men had ons op het eiland zien aankoersen en er liepen menschen, die nu stellig een prauwtje van het strand het water in zouden slepen om ons te bezoeken.
Een half uur later stonden de lichtwachter en twee Maleiers aan dek. Zij hadden de fluit van de „Diana” herkend, het was volle maan, misschien was de gouverneur aan boord, die zoo ernstig beloofd had ééns, als de maan vol was, te zullen komen om schildpadden te zien. Toch waren zij verrast, dat ze zich niet vergist hadden, zij wisten, dat de gewestelijke bestuurder te Médan slechts zelden tijd kon vinden voor reizen naar de zuid, die zoovele dagen in beslag namen.
„En hoe staat het met de schildpadden?”
„Nou, meneer, voorzoover wij weten zijn er nog geen aan wal, maar als u wat geduld wilt hebben zult u ze toch wel kunnen zien, wij verwachten ze vannacht stellig, want de zee is rustig en het wordt nu de goede tijd van het jaar.”
„Maar hoe lang zou het dan nog duren?”
„Dat kunnen we onmogelijk zeggen, maar mogen wij zoo afspreken, dat een van ons telkens drie malen achtereen met een licht zal zwaaien aan het strand, als er penjoe’s aan wal zijn? Wij zullen de wacht hier aan boord waarschuwen om u te wekken als u wilt gaan slapen.”
De mannen roeiden in hun kleine prauw weer naar den wal, al spoedig zagen wij alleen maar het deinend lichtje van de lantaren, welke zij in den voorsteven hadden gezet, flets rossig in het zilveren maanlicht.
Wij besloten te wachten, een goed boek helpt den tijd wel dooden. Eerst twee uur later kwam een matroos ons waarschuwen, dat het sein aan den wal gegeven was. Zouden we nu werkelijk schildpadden[124]zien? Vier man zaten al in de neergestreken sloep, de halve bemanning; onder het roeien werd druk gepraat, ook voor hen was het een nieuwtje, al hadden zij er dikwijls van hooren vertellen; en dat het schoolmeisje mee aan wal ging, werd blijkbaar zeer interessant gevonden. Toen wij het strand naderden, bleek de branding nog vrij woelig te zijn, maar de lantaren aan den wal wees ons de beste plek om te landen.
„Zijn er werkelijk schildpadden?” vroeg ik in spanning.
„Ja meneer, er zijn pas twee dieren aan wal, maar wij wilden u niet langer laten wachten. Zie, dit is het spoor van een ervan, de andere is wat verderop.”
Van het water liep een spoor, van zeker een halven meter breed, het lage witte duin op; in het midden leek het ’t spoor van een aan wal getrokken prauw, aan de kanten stonden op regelmatige afstanden de indrukken van grabbelende pooten. Inderdaad, hier had een dier uit de donkere zee het veilig tehuis verlaten om aan de groote wet, het scheppen van een kroost, te voldoen. Zij, schildpadden konden niet, als de visschen, haar schat aan het water toevertrouwen; maar haar instinct wees haar den weg, dien ook haar moeders en grootmoeders hadden gevolgd, naar eenzame stranden waar rul, diep zand was om de eieren te verbergen en ze tot leven te stoven in de gloeiende zonnewarmte. En zij kozen den diepen nacht om heimelijk den grooten tocht te doen. De armen, zij weten niet, hoe slim de allergevaarlijkste aller dieren is, en hoe het speuren dien mensch gemakkelijk gemaakt wordt door het breede spoor, dat zij in het zand slepen en dat alleen door hevigen regen of door stormwind wordt uitgewischt.
In oogenblikken, dat men wondere dingen der Natuur zal zien, is het of ’s menschen geest glimlacht; of deze stelling ook voor anderen dan devote bewonderaars der natuur opgaat, weet ik niet; wel, dat ik het voor de tweede maal in mijn leven zoo voelde. Jaren tevoren, toen men mij voor het eerst in het Barisangebergte de Rafflesia Arnoldi zou laten zien, volgde ik met dezelfde gewaarwording een Maleier, die deze wondere reuzebloem had gevonden. Ik wist, hoe groot de blijde trots was voor dr. Arnold, toen hij in 1818, te Poelau Lebar aan de[125]Manna-rivier, „the biggest flower of the world” vond, en hoe opgetogen Raffles en Lady Raffles waren, toen Arnold met de geweldige parasiet hun tent binnen kwam … nu zou ook ik die wonderbloem zien. Daar lag zij op den grond in het stille bosch, bijna een meter in middellijn; de vijf prachtig kastanjekleurige bladeren, dicht bezaaid met de crême „wratten”, omvatten de kom, waarin, als een altaar, de centrale zuil ligt; toen glimlachte mijn geest niet meer maar zonk als het ware neer voor dit wonder, in vrome dankbaarheid.
Hier gold het „maar” een schildpad en nu bleef de glimlach, want overheerschend was een gevoel van verbazing, al was het gemengd met medelijden voor het dier, dat in onweerstaanbaren drang haar omgeving geheel vergeten scheen. Zij was druk in de weer; de klauwige voorpooten graaiden met kracht het zand langs de flanken naar achter het lichaam, en de twee platte achterpooten vlijden het zand vast aan.
„Wat doet ze nu?” vroeg ik.
„Zij heeft haar eieren gelegd en nu graaft ze den kuil dicht en slaat het zand vast aan.”
Wij gingen dicht om het met volle kracht doorwerkende dier zitten, en met een stokje tikte ik haar zacht op den grooten kop, benieuwd of zij hem in zou trekken; zij protesteerde wel even, hijgde kreunend, maar er kwam niet de minste stoornis in houding of arbeid; integendeel, meer dan ooit kwam het er op aan haar schat snel te verbergen. Graai! graai! ging het vóór, en plak! plak! haastten zich de achterpooten. Arme drommel, een struis steekt tenminste den kop nog weg en verbeeldt zich dan alleen te zijn, de schildpad ziet het allergrootste gevaar om zich heen letterlijk in de oogen, en verbeeldt zich, dat die oogen niet zien.
„Jullie doet deze dieren toch nooit kwaad?”
„Neen, meneer, wij zijn veel te blij, dat ze geregeld hier komen, verscheidene van de dieren kennen wij aan de kleur of aan schelpen, die zich aan hun schild vastkleven.”
„Maar als ge door regen of wind de sporen niet vindt, of als ge ’s nachts niet waakt, hoe vindt ge dan de eieren?”
„Dan zoeken wij overdag naar plekken waar het zand sporen vertoont[126]verstoord te zijn, en wij sondeeren het met een ijzeren laadstok; voelen wij een hardere plek, dan steken we voorzichtig door, en als we de eieren raken, dan is de punt van den stok kleverig en er blijven zandkorrels aan hangen. Maar soms vinden wij niets, het is veel beter ’s nachts alle plekken, waar zij gewoonlijk komen, langs te gaan; een goed deel van den nacht loopen wij rond en waden de kreken door, die de stukken strand van elkaar scheiden. Wij zullen nu eens zien, hoeveel eieren deze schildpad gelegd heeft.”
De mannen sleepten voorzichtig de alles trotseerende moeder eenige meters van haar nest weg; hoeveel zij woog, is niet te zeggen, maar zij mat van neus tot staart precies een meter. En nu werd de hardere plek op het nest behoedzaam ontgraven. Maar wij beiden hadden te doen met de bedrogen moeder en hielden haar in dit moment van diepe vernedering en teleurstelling gezelschap … zóó voelt de mensch het aan; maar de schildpad sloeg op de nieuwe plek onmiddellijk weer aan den arbeid, haar hersens liepen blijkbaar minstens een kwartier achter, zij had niets van de manoeuvre begrepen, slechts die eene gedachte bezielde haar: graaf! je bent nog niet klaar, verberg je schat! en de voorpooten graaiden weer, en de andere twee plakten weer dicht, steeds sneller; eindelijk drong het tot haar door, dat zij toch niet geheel onbespied was op haar strand! Zoo verwoed graaiden de voorpooten, dat ons het zand om de ooren fladderde toen wij achter haar gingen zitten.
Men had het nest met eieren nu ontbloot, wij telden er 108; eieren als ping-pong ballen, maar zachter, verscheidene met de deuk erin, welke die ballen na eenig gebruik vertoonen. Het schoolmeisje stond erop de moeder enkele van haar eieren te laten zien, maar ze keek niet eens verbaasd en zwoegde al maar door, ze was alle maat en tijd kwijt.
Maar nu zagen de mannen in het felle maanlicht een ander exemplaar, grooter nog en donkerder; die had blijkbaar haar plicht gedaan, en zij wandelde, geen twintig meter van ons af, terug naar zee. Wij hadden ons dier voldoende geplaagd, de nieuweling werd nu het middelpunt van onze belangstelling, en al spoedig moest zij het opgewonden schoolmeisje haar kracht als rijdier toonen; het bleek, onder een[127]anderen ruiter, dat zij zich zelfs met een levend gewicht van 90 kilo nog kon voortbewegen. Dit dier was volgens de mannen een hun welbekende, heel oude schildpad, haar rug zat vol met allerlei aanwassen, schelpen, welke slechts met groote moeite met een sterk slagmes konden worden losgewipt.
Wij hadden nu genoeg gezien, en hadden straks, thuis, wat te vertellen. Maar, zouden anderen het nu wel gelooven? Zou men aannemen, dat het mogelijk is, als het ware op bestelling, wilde dieren uit de diepe zee te ontmoeten, ja zelfs een rit op hun rug te maken?
„Jammer, dat ik dit dier niet fotografeeren kan,” zei ik, plotseling terneergeslagen, tot onze vrienden van het eiland.
De mannen wisten raad, zij legden de oude schildpad op den rug, we konden dan in den vroegen morgen terug komen om opnamen te doen. Heel aangenaam zal het dier dezen tijdelijken levensdraai wel niet gevonden hebben, al legde het vrij spoedig den kop rustig neer, maar ik was zoo wreed om aan te nemen, dat ze toch geen overwegende bezwaren tegen ons plan kon hebben; bovendien, misschien zou ze over eenige uren pas begrijpen, dat ze niet bepaald meer in haar gewone doen was!
En zoo is het gelukt om ons nachtelijk avontuur bij daglicht op de plaat vast te leggen. Zelfs gelukte het ’t moment te fotografeeren, waarop onze schildpad het veilig tehuis indook; toen zij het water voelde, werd de snelheid plotseling zeer groot, en de hersens werkten normaal, want zij keek naar den naast haar rennenden man en ontvluchtte hem; dat zij daarbij geen verschil maakte tusschen een boozen jager en mij, den goedwillenden fotograaf, kan men de geplaagde stakker niet kwalijk nemen.
Eerst bij dag hadden wij ontdekt, dat het dier een gedeelte van een voorpoot miste, en ik dacht al aan haaien en dergelijk gespuis. Maar de mannen vertelden ons, dat eens in een nacht een Chinees bij hen was geweest, en dat de onverlaat dit dier een stuk van den poot had afgehakt, verzot als hij was op het aroma van schildpadvleesch. Ook Europeanen zijn niet ongevoelig voor schildpadsoep, maar ik geloof niet, dat deze lekkernij ooit middels amputatie verkregen wordt. Wel denk ik, dat[128]het gevoelscentrum van onze arme, trage Penjoe op dàt fatale moment prompt zal hebben gewerkt.
„Wat zal moeder kijken, als ze mij gekiekt ziet op die schildpad,” zei het schoolmeisje, „maar wat zal ze woedend zijn op dien valschen Chinees … zóó’n engerd!”
Ornament met vleermuis.
[129]
[Inhoud]XII.TELEGOE, DE STINKDASMenschen, die in ernst meenen te weten wat stank is, zonder den Indischen stinkdas in zijn beste momenten te kennen, lijden aan zelfoverschatting.Stank is een afschuwelijk woord, maar werkelijk, hier moet duidelijk Hollandsch gesproken worden; elke verzachtende uitdrukking is een laf ontwijken van de waarheid, laten wij voor dezen keer nu eens precies mogen zeggen, waar het op staat.De lucht, geproduceerd door den telegoe, is de waarachtige stank; niet dood en vies, maar stank, die leeft; stank, die niet maar gewoon passief stinkt, maar die agressief is en je naar de keel grijpt; stank, waarmee men trotsche legers in ellendige, vluchtende horden kan omzetten.Zooals blijkt spreek ik met eenig gezag, berustend op kennis; en die kennis drong zich gewelddadig aan mij op.„Jullie gaan een bungalow aan den voet van het Barisan-gebergte bouwen?” zei een vriend-natuuronderzoeker, „als je dan maar niet veel last hebt vanMydaus meliceps, telegoe heeten ze hier, op Javasigoeng. Die beesten hebben in den endeldarm een paar zakjes, waarin door klieren een olieachtige stof wordt afgescheiden; wordt de telegoe geprikkeld of achtervolgd, dan spuit hij de stinkstof naar buiten in een dunne straal, die zich dadelijk in een fijnen sproeiregen verdeelt; en daar die stinkstof in de lucht snel vervliegt, is het of de heele omgeving plotseling één en al stank is, knoflook en zwavel en ik weet al niet wat.”[130]„Nou ja,” zei ik lachend, „dat luchtje hebben wij hier en daar wel eens geroken, maar zóó erg is dat toch niet!”„Neen?! wij spreken elkaar nader; wat jullie kennen, is de lucht van een dier, dat misschien op een kilometer afstand passeert. Maar je hebt nog nooit zoo in de wildernis aan den rand van de bosschen gewoond; vooral in Zuid-Sumatra komen zij juist dáár veel voor; en als je van nabij met hen kennis maakt, wel, dan kun je er verhaaltjes van vertellen. Let maar eens op, als ze onder je huis doorloopen en zij worden door een of andere oorzaak boos, dan wordt iedereen wakker van de lucht, en al je zilver slaat zwart aan …”Wij lachten weer. Of het domheid is, of gewoonte? maar in zulke gevallen lacht men. Eerder had ik al eens gelachen, toen de kroonprins van Asahan mij te Fort de Kock vertelde, dat in zijn land visschen in de oeverstruiken klimmen; en weer had ik gelachen, toen men mij vertelde, dat zeeschildpadden bij het eieren leggen aan het strand door ongeduldige eierzoekers geholpen worden bij het graven van het gat. Sedert dien had ik zelf klimvisschen in actie gezien, en ik had in middernachtelijk uur rustig gereden op den rug van een reusachtige schildpad, vóór zij weer de zee in dook. Toch lachte ik nu weer … al die berichten van menschen zijn dikwijls zoo overdreven, ik zou zelf wel eens nuchter beoordeelen, wat er van die fraaie verhalen waar was.En ik zou er de kans wèl voor krijgen!De bungalow was klaar en wij betrokken haar; het terrein daar en in de omgeving was eenige tientallen jaren geleden bouwland geweest, toch waren enkele zware boomen uit het oorspronkelijke oerwoud er blijven staan; later schoot er jong bosch op, behalve op die stukken, waar het vee was toegelaten en waar de alang-alang heerscheres was, dat manshooge wilde gras met breede bladklingen, dat bijna niet is uit te roeien. Er stonden dus verscheidene reusachtige rimbaboomen, jonger bosch en kreupelhout, en er waren velden alang-alang, waar de zon blakerde. Voedsel en schuilplaatsen voor allerlei wild; er waren dan ook varkens, en de Gestreepte kwam er wel eens op hen jagen; in de struiken ritselden bevende dwergherten, de beer blafte in de boomen aan den waterkant, en de marters dartelden in zon en koelte.[131]Niet véél wild was er, maar van alles wat. Apen echter in geweldige hoeveelheden, die maakten van daar uit hun strooptochten naar de velden der menschen, en … er waren stinkdassen!En nu leerden we spoedig, wat „stank” is.Kuchend werden we in een nacht wakker, eenmalariapatiënte, die bij ons logeerde, hoestte het eerst alarm.Of deze telegoe onder het op palen staande huis doorliep, dan wel boven den wind de bungalow passeerde, weet ik niet. Evenmin, of hij zich boos maakte om de nieuwigheid, om het huis dat er vroeger niet was. Maar de uiting van prikkelbaarheid was er!Den volgenden morgen hebben wij in vollen gezinsraad een prijsvraag behandeld: beschrijfdielucht! Ieder trachtte te zeggen, welk souvenir de lucht had opgewekt, en ieder dacht daarbij aan moeielijke momenten op zee.Men stelle zich voor zeeziek te liggen in een hut op een oud vrachtschip, dat doortrokken is van de vettige, ranzige lucht van copra, terwijl in die hut tevens een partij civetkatten is ondergebracht. Het schip heeft een licht-installatie van carbid; ergens bij de hut is een lek en de knoflookwalm druipt rijkelijk uit de leiding, toch zet iemand in die omgeving scheepskoffie, en de aller-ordinairste cichoreilucht kruipt ook de hut in, en zij neemt nog een scherpen zwaveldamp van ergens mee … en dit geheel kleeft zich aan den zeezieken mensch, ineens, geweldig, overal tegelijk, en het gaat niet voorbij, het blijft, het kleeft overal aan.Tegen den middag rook onzepatiënteweer in heftige mate de nare lucht en zij riep verschrikt: „daar komt er weer een!”Valsch alarm. Ze had zich den thermometer aangelegd, waarbij haar handen den nikkelen kop van het instrumentje hadden aangeraakt. En toen wij ook kwamen ruiken, aan de thermometer en aan ander metaal, toen bleek alles aangestoken, en snel werd het zilver gepoetst om zwart worden te voorkomen.Nu werd de omgeving van het huis zoo spoedig mogelijk van lage struiken en hoog gras gezuiverd, en wij hadden bij onze gewoonlijk korte verblijven in de bungalow in de bergen slechts zelden meer[132]last van dergelijke nachtelijke bezoeken. Een niet te onderschatten factor daarbij waren onze honden, stadsdieren, die onbegrijpelijk gesteld bleven op nadere kennismaking. Na elke ontmoeting kwamen zij diep ongelukkig thuis, wentelden zich overal, schuurden tegen alles en verspreidden rondom de walgelijke lucht; dagen achtereen moesten zij worden vastgelegd en gebaad; eerst later bleek, hoe die ontmoetingen zich moeten hebben afgespeeld, jaren later; en toen eerst wist ik, dat ik aan mijn nieuwsgierigheid om de bron van alle kwaad eens te zien, eerder had kunnen voldoen; dat namelijk de telegoe een sloom dier is, dat men met eenig geduld, maar met groote voorzichtigheid tevens, gemakkelijk kan volgen; sloom, niet uit makheid, maar omdat hij niemand vreest.Wij waren weer eens „boven”, in onze bungalow. In den vroegen morgen wekte ons een hevig tumult onder de bedienden in de bijgebouwen, kreten van afgrijzen en het opwekkend geluid van iemand, die in onmin verkeert met zijn maag. Het geheel tooverde voor onze oogen de zee, een railing waarover gebogen de gedaanten van wezens, die tevoren mensch waren. Dus was er weer een stinkdas in het spel!Wij vlogen naar buiten; een heftige, kleffe telegoelucht greep ons naar de keel.Djamak, een onzer bedienden, had in den heel vroegen morgen een klein dier zien kruipen in het gras. Djamak was goed-Moslim, maar dit varkensjong, dat blijkbaar zijn moeder was kwijt geraakt, durfde hij toch wel aan te pakken; het zou zulk aardig speelgoed zijn voor „nonnie”, ons jongste dochtertje. Hij zou het maar wagen; trouwens, als hij het maar in zijn baadje ving, hoefde hij niet met de handen in aanraking te komen met het „haram” diertje.Djamak, de goeierd, toog op het oorlogspad. Wat zou meneer blij zijn! die hield zoo van dieren, en Djamak had dikwijls gemerkt, dat het zijn baas hinderde, dat hij zoo niets van beesten wist; meneer vond hem bepaald suf. Maar nu! hij zou ieder verrassen met een door hem zelf gevangen dier; hij zou er niet bij vertellen, dat hij den sukkel eigenlijk maar voor het oprapen had gehad, zóó sloom wiegelde het dier door het gras.[133]Zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten.Opgepast, nu krummelde het naar een holte in het grasveld, daar zou hij de jas over het dier gooien, zijn nieuwe, witte jas, die mevrouw hem had gegeven. Hij sloop achter het dier aan; was het eigenlijk wel een wild varkentje? hij wist niets van dieren af, maar dat snuitje was toch een varkenssnoet, en wat zou het ànders zijn. Maar waarom was dat beest heelemaal niet bang? Even wachten, het had blijkbaar den vervolger opgemerkt. Djamak stond doodstil.De telegoe keek aandachtig naar hem. Wat wilde dat lange, sluipende dier? Het ging hem bepaald vervelen. Hij had zijn nachtelijken tocht wat te ver voortgezet; hij had heerlijke larven en regenwormen gevonden; en toen het maagje gevuld was, had hij keurig toilet gemaakt, want de telegoe is zeer coquet. Maar nu wilde hij ongehinderd naar huis, naar zijn ruim ketelhol, dat hij onder sterke boomwortels had gegraven. Waarom sloop dat gekke dier toch achter hem aan?[134]Hij stelde zijn batterij op en wachtte rustig, misschien speelde een duivelsche glimlach om zijn kalen snoet.Nu!… dacht Djamak, en mèt gooide hij zijn baadje over zijn buit … maar tegelijk sloeg hij met een akeligen gil achterover. Iets vets en kleffigs wurgde hem en legde hem zijn maag boven op het hoofd; en onder het baadje door liep de telegoe, stank op pooten, wiegelend weg; hij kon tevreden zijn, het schot zat. Arme Djamak, in een ondeelbaar oogenblik van jager slachtoffer geworden, trok nu de levendige belangstelling van ieder; juist wat hij gewenscht had, maar wel op een andere manier. En zijn mooie jas was bedauwd met fijne droppeltjes olie, die gele vlekjes werden, voor altijd.Maar waar was het dier? Nu wilde ik het zien en hebben. Iemand had het zien kruipen naar een stapel brandhout, en dáár, in een hoekje gedoken, zat het; de gebeurtenis had hem toch wel even uit zijn evenwicht gebracht. Ik benaderde hem, een zakdoek, vier dubbel gevouwen, stijf tegen den neus gedrukt. Maar zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten, vóór ik het dier met een schot hagel in de hersens doodde. Ik had den mond van het geweer voorzichtig tot vlak boven zijn kop gebracht om een tweede olie-explosie te voorkomen. Of dit gelukte, weet ik niet. Wel, dat wij de beide stankcentra diep moesten omspitten, dat het slagveld werd ontsmet en begoten, en dat wij den derden dag daarna moesten besluiten weg te gaan, omdat het leven onmogelijk was geworden. Maar ’s nachts viel een zware regen en den volgenden morgen bleek de stinkstof vrijwel afgespoeld te zijn van alle vaste dingen, waarop ze zich had vastgekleefd.Dien avond spraken wij den plaatselijk besturenden ambtenaar en vertelden hem alles in kleuren en „geuren”. Hij en zijn vrouw waren zeer verwonderd, want ook zij hadden denzelfden morgen diezelfde lucht in huis geroken, voor hen een nieuwe sensatie, en de bedienden hadden hun het woord telegoe genoemd. En toen nagegaan werd, wat de bron van die lucht was geweest, bleek, dat mijn oppasser, even na het schot, met een portefeuille stukken naar het controleurshuis[135]was gegaan en zoodoende de geheele atmosfeer ook dáár had bedorven.Er zijn op het gebied van „luchtjes” merkwaardige dingen in Indië.De doerian, de bekende vrucht met haar geweldige dorens, die ook vele Europeanen als groote lekkernij beschouwen, wordt wel eens.… „gasfabriek” betiteld, en onze voorouders uit het laatst der 16de eeuw schreven reeds van haar:… „datment niet en kan compareren met geenderley fruyten vande werelt: want in smaeck ende goetheydt affirmeren dat het alle fruyten te boven gaet: maer eerst alsmense op doet, riecken gelyck oft het verrotten ayun waer: maer inden smaeck heeftmen die leckerheyt.”De wondermooie Rafflesia, de grootste bloem ter wereld, en de prachtige Amorphophallus verspreiden in de wildernis na den vollen bloeitijd een vehemente lucht, die haar allerlei leelijke bijnamen heeft bezorgd; en er zijn mossen en varens, die de geheele atmosfeer in den omtrek in jodoform schijnen om te zetten.Maar geen van deze plantaardige bronnen van kwalijke luchtjes kan zich in de verste verte meten met den telegoe. Van ’s menschen standpunt gezien, vraagt men zich af, hoe de stinkdas tevreden kan zijn te leven in een atmosfeer, zooals hij zich die schept. Mijn dochtertje drukte het dien morgen in haar eigen woorden uit: „Hoe houden de jonge telegoetjes het bij zóó’n stinkadoris van ’n moeder uit!”Ornament met varaan.[137]
XII.TELEGOE, DE STINKDAS
Menschen, die in ernst meenen te weten wat stank is, zonder den Indischen stinkdas in zijn beste momenten te kennen, lijden aan zelfoverschatting.Stank is een afschuwelijk woord, maar werkelijk, hier moet duidelijk Hollandsch gesproken worden; elke verzachtende uitdrukking is een laf ontwijken van de waarheid, laten wij voor dezen keer nu eens precies mogen zeggen, waar het op staat.De lucht, geproduceerd door den telegoe, is de waarachtige stank; niet dood en vies, maar stank, die leeft; stank, die niet maar gewoon passief stinkt, maar die agressief is en je naar de keel grijpt; stank, waarmee men trotsche legers in ellendige, vluchtende horden kan omzetten.Zooals blijkt spreek ik met eenig gezag, berustend op kennis; en die kennis drong zich gewelddadig aan mij op.„Jullie gaan een bungalow aan den voet van het Barisan-gebergte bouwen?” zei een vriend-natuuronderzoeker, „als je dan maar niet veel last hebt vanMydaus meliceps, telegoe heeten ze hier, op Javasigoeng. Die beesten hebben in den endeldarm een paar zakjes, waarin door klieren een olieachtige stof wordt afgescheiden; wordt de telegoe geprikkeld of achtervolgd, dan spuit hij de stinkstof naar buiten in een dunne straal, die zich dadelijk in een fijnen sproeiregen verdeelt; en daar die stinkstof in de lucht snel vervliegt, is het of de heele omgeving plotseling één en al stank is, knoflook en zwavel en ik weet al niet wat.”[130]„Nou ja,” zei ik lachend, „dat luchtje hebben wij hier en daar wel eens geroken, maar zóó erg is dat toch niet!”„Neen?! wij spreken elkaar nader; wat jullie kennen, is de lucht van een dier, dat misschien op een kilometer afstand passeert. Maar je hebt nog nooit zoo in de wildernis aan den rand van de bosschen gewoond; vooral in Zuid-Sumatra komen zij juist dáár veel voor; en als je van nabij met hen kennis maakt, wel, dan kun je er verhaaltjes van vertellen. Let maar eens op, als ze onder je huis doorloopen en zij worden door een of andere oorzaak boos, dan wordt iedereen wakker van de lucht, en al je zilver slaat zwart aan …”Wij lachten weer. Of het domheid is, of gewoonte? maar in zulke gevallen lacht men. Eerder had ik al eens gelachen, toen de kroonprins van Asahan mij te Fort de Kock vertelde, dat in zijn land visschen in de oeverstruiken klimmen; en weer had ik gelachen, toen men mij vertelde, dat zeeschildpadden bij het eieren leggen aan het strand door ongeduldige eierzoekers geholpen worden bij het graven van het gat. Sedert dien had ik zelf klimvisschen in actie gezien, en ik had in middernachtelijk uur rustig gereden op den rug van een reusachtige schildpad, vóór zij weer de zee in dook. Toch lachte ik nu weer … al die berichten van menschen zijn dikwijls zoo overdreven, ik zou zelf wel eens nuchter beoordeelen, wat er van die fraaie verhalen waar was.En ik zou er de kans wèl voor krijgen!De bungalow was klaar en wij betrokken haar; het terrein daar en in de omgeving was eenige tientallen jaren geleden bouwland geweest, toch waren enkele zware boomen uit het oorspronkelijke oerwoud er blijven staan; later schoot er jong bosch op, behalve op die stukken, waar het vee was toegelaten en waar de alang-alang heerscheres was, dat manshooge wilde gras met breede bladklingen, dat bijna niet is uit te roeien. Er stonden dus verscheidene reusachtige rimbaboomen, jonger bosch en kreupelhout, en er waren velden alang-alang, waar de zon blakerde. Voedsel en schuilplaatsen voor allerlei wild; er waren dan ook varkens, en de Gestreepte kwam er wel eens op hen jagen; in de struiken ritselden bevende dwergherten, de beer blafte in de boomen aan den waterkant, en de marters dartelden in zon en koelte.[131]Niet véél wild was er, maar van alles wat. Apen echter in geweldige hoeveelheden, die maakten van daar uit hun strooptochten naar de velden der menschen, en … er waren stinkdassen!En nu leerden we spoedig, wat „stank” is.Kuchend werden we in een nacht wakker, eenmalariapatiënte, die bij ons logeerde, hoestte het eerst alarm.Of deze telegoe onder het op palen staande huis doorliep, dan wel boven den wind de bungalow passeerde, weet ik niet. Evenmin, of hij zich boos maakte om de nieuwigheid, om het huis dat er vroeger niet was. Maar de uiting van prikkelbaarheid was er!Den volgenden morgen hebben wij in vollen gezinsraad een prijsvraag behandeld: beschrijfdielucht! Ieder trachtte te zeggen, welk souvenir de lucht had opgewekt, en ieder dacht daarbij aan moeielijke momenten op zee.Men stelle zich voor zeeziek te liggen in een hut op een oud vrachtschip, dat doortrokken is van de vettige, ranzige lucht van copra, terwijl in die hut tevens een partij civetkatten is ondergebracht. Het schip heeft een licht-installatie van carbid; ergens bij de hut is een lek en de knoflookwalm druipt rijkelijk uit de leiding, toch zet iemand in die omgeving scheepskoffie, en de aller-ordinairste cichoreilucht kruipt ook de hut in, en zij neemt nog een scherpen zwaveldamp van ergens mee … en dit geheel kleeft zich aan den zeezieken mensch, ineens, geweldig, overal tegelijk, en het gaat niet voorbij, het blijft, het kleeft overal aan.Tegen den middag rook onzepatiënteweer in heftige mate de nare lucht en zij riep verschrikt: „daar komt er weer een!”Valsch alarm. Ze had zich den thermometer aangelegd, waarbij haar handen den nikkelen kop van het instrumentje hadden aangeraakt. En toen wij ook kwamen ruiken, aan de thermometer en aan ander metaal, toen bleek alles aangestoken, en snel werd het zilver gepoetst om zwart worden te voorkomen.Nu werd de omgeving van het huis zoo spoedig mogelijk van lage struiken en hoog gras gezuiverd, en wij hadden bij onze gewoonlijk korte verblijven in de bungalow in de bergen slechts zelden meer[132]last van dergelijke nachtelijke bezoeken. Een niet te onderschatten factor daarbij waren onze honden, stadsdieren, die onbegrijpelijk gesteld bleven op nadere kennismaking. Na elke ontmoeting kwamen zij diep ongelukkig thuis, wentelden zich overal, schuurden tegen alles en verspreidden rondom de walgelijke lucht; dagen achtereen moesten zij worden vastgelegd en gebaad; eerst later bleek, hoe die ontmoetingen zich moeten hebben afgespeeld, jaren later; en toen eerst wist ik, dat ik aan mijn nieuwsgierigheid om de bron van alle kwaad eens te zien, eerder had kunnen voldoen; dat namelijk de telegoe een sloom dier is, dat men met eenig geduld, maar met groote voorzichtigheid tevens, gemakkelijk kan volgen; sloom, niet uit makheid, maar omdat hij niemand vreest.Wij waren weer eens „boven”, in onze bungalow. In den vroegen morgen wekte ons een hevig tumult onder de bedienden in de bijgebouwen, kreten van afgrijzen en het opwekkend geluid van iemand, die in onmin verkeert met zijn maag. Het geheel tooverde voor onze oogen de zee, een railing waarover gebogen de gedaanten van wezens, die tevoren mensch waren. Dus was er weer een stinkdas in het spel!Wij vlogen naar buiten; een heftige, kleffe telegoelucht greep ons naar de keel.Djamak, een onzer bedienden, had in den heel vroegen morgen een klein dier zien kruipen in het gras. Djamak was goed-Moslim, maar dit varkensjong, dat blijkbaar zijn moeder was kwijt geraakt, durfde hij toch wel aan te pakken; het zou zulk aardig speelgoed zijn voor „nonnie”, ons jongste dochtertje. Hij zou het maar wagen; trouwens, als hij het maar in zijn baadje ving, hoefde hij niet met de handen in aanraking te komen met het „haram” diertje.Djamak, de goeierd, toog op het oorlogspad. Wat zou meneer blij zijn! die hield zoo van dieren, en Djamak had dikwijls gemerkt, dat het zijn baas hinderde, dat hij zoo niets van beesten wist; meneer vond hem bepaald suf. Maar nu! hij zou ieder verrassen met een door hem zelf gevangen dier; hij zou er niet bij vertellen, dat hij den sukkel eigenlijk maar voor het oprapen had gehad, zóó sloom wiegelde het dier door het gras.[133]Zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten.Opgepast, nu krummelde het naar een holte in het grasveld, daar zou hij de jas over het dier gooien, zijn nieuwe, witte jas, die mevrouw hem had gegeven. Hij sloop achter het dier aan; was het eigenlijk wel een wild varkentje? hij wist niets van dieren af, maar dat snuitje was toch een varkenssnoet, en wat zou het ànders zijn. Maar waarom was dat beest heelemaal niet bang? Even wachten, het had blijkbaar den vervolger opgemerkt. Djamak stond doodstil.De telegoe keek aandachtig naar hem. Wat wilde dat lange, sluipende dier? Het ging hem bepaald vervelen. Hij had zijn nachtelijken tocht wat te ver voortgezet; hij had heerlijke larven en regenwormen gevonden; en toen het maagje gevuld was, had hij keurig toilet gemaakt, want de telegoe is zeer coquet. Maar nu wilde hij ongehinderd naar huis, naar zijn ruim ketelhol, dat hij onder sterke boomwortels had gegraven. Waarom sloop dat gekke dier toch achter hem aan?[134]Hij stelde zijn batterij op en wachtte rustig, misschien speelde een duivelsche glimlach om zijn kalen snoet.Nu!… dacht Djamak, en mèt gooide hij zijn baadje over zijn buit … maar tegelijk sloeg hij met een akeligen gil achterover. Iets vets en kleffigs wurgde hem en legde hem zijn maag boven op het hoofd; en onder het baadje door liep de telegoe, stank op pooten, wiegelend weg; hij kon tevreden zijn, het schot zat. Arme Djamak, in een ondeelbaar oogenblik van jager slachtoffer geworden, trok nu de levendige belangstelling van ieder; juist wat hij gewenscht had, maar wel op een andere manier. En zijn mooie jas was bedauwd met fijne droppeltjes olie, die gele vlekjes werden, voor altijd.Maar waar was het dier? Nu wilde ik het zien en hebben. Iemand had het zien kruipen naar een stapel brandhout, en dáár, in een hoekje gedoken, zat het; de gebeurtenis had hem toch wel even uit zijn evenwicht gebracht. Ik benaderde hem, een zakdoek, vier dubbel gevouwen, stijf tegen den neus gedrukt. Maar zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten, vóór ik het dier met een schot hagel in de hersens doodde. Ik had den mond van het geweer voorzichtig tot vlak boven zijn kop gebracht om een tweede olie-explosie te voorkomen. Of dit gelukte, weet ik niet. Wel, dat wij de beide stankcentra diep moesten omspitten, dat het slagveld werd ontsmet en begoten, en dat wij den derden dag daarna moesten besluiten weg te gaan, omdat het leven onmogelijk was geworden. Maar ’s nachts viel een zware regen en den volgenden morgen bleek de stinkstof vrijwel afgespoeld te zijn van alle vaste dingen, waarop ze zich had vastgekleefd.Dien avond spraken wij den plaatselijk besturenden ambtenaar en vertelden hem alles in kleuren en „geuren”. Hij en zijn vrouw waren zeer verwonderd, want ook zij hadden denzelfden morgen diezelfde lucht in huis geroken, voor hen een nieuwe sensatie, en de bedienden hadden hun het woord telegoe genoemd. En toen nagegaan werd, wat de bron van die lucht was geweest, bleek, dat mijn oppasser, even na het schot, met een portefeuille stukken naar het controleurshuis[135]was gegaan en zoodoende de geheele atmosfeer ook dáár had bedorven.Er zijn op het gebied van „luchtjes” merkwaardige dingen in Indië.De doerian, de bekende vrucht met haar geweldige dorens, die ook vele Europeanen als groote lekkernij beschouwen, wordt wel eens.… „gasfabriek” betiteld, en onze voorouders uit het laatst der 16de eeuw schreven reeds van haar:… „datment niet en kan compareren met geenderley fruyten vande werelt: want in smaeck ende goetheydt affirmeren dat het alle fruyten te boven gaet: maer eerst alsmense op doet, riecken gelyck oft het verrotten ayun waer: maer inden smaeck heeftmen die leckerheyt.”De wondermooie Rafflesia, de grootste bloem ter wereld, en de prachtige Amorphophallus verspreiden in de wildernis na den vollen bloeitijd een vehemente lucht, die haar allerlei leelijke bijnamen heeft bezorgd; en er zijn mossen en varens, die de geheele atmosfeer in den omtrek in jodoform schijnen om te zetten.Maar geen van deze plantaardige bronnen van kwalijke luchtjes kan zich in de verste verte meten met den telegoe. Van ’s menschen standpunt gezien, vraagt men zich af, hoe de stinkdas tevreden kan zijn te leven in een atmosfeer, zooals hij zich die schept. Mijn dochtertje drukte het dien morgen in haar eigen woorden uit: „Hoe houden de jonge telegoetjes het bij zóó’n stinkadoris van ’n moeder uit!”Ornament met varaan.[137]
Menschen, die in ernst meenen te weten wat stank is, zonder den Indischen stinkdas in zijn beste momenten te kennen, lijden aan zelfoverschatting.
Stank is een afschuwelijk woord, maar werkelijk, hier moet duidelijk Hollandsch gesproken worden; elke verzachtende uitdrukking is een laf ontwijken van de waarheid, laten wij voor dezen keer nu eens precies mogen zeggen, waar het op staat.
De lucht, geproduceerd door den telegoe, is de waarachtige stank; niet dood en vies, maar stank, die leeft; stank, die niet maar gewoon passief stinkt, maar die agressief is en je naar de keel grijpt; stank, waarmee men trotsche legers in ellendige, vluchtende horden kan omzetten.
Zooals blijkt spreek ik met eenig gezag, berustend op kennis; en die kennis drong zich gewelddadig aan mij op.
„Jullie gaan een bungalow aan den voet van het Barisan-gebergte bouwen?” zei een vriend-natuuronderzoeker, „als je dan maar niet veel last hebt vanMydaus meliceps, telegoe heeten ze hier, op Javasigoeng. Die beesten hebben in den endeldarm een paar zakjes, waarin door klieren een olieachtige stof wordt afgescheiden; wordt de telegoe geprikkeld of achtervolgd, dan spuit hij de stinkstof naar buiten in een dunne straal, die zich dadelijk in een fijnen sproeiregen verdeelt; en daar die stinkstof in de lucht snel vervliegt, is het of de heele omgeving plotseling één en al stank is, knoflook en zwavel en ik weet al niet wat.”[130]
„Nou ja,” zei ik lachend, „dat luchtje hebben wij hier en daar wel eens geroken, maar zóó erg is dat toch niet!”
„Neen?! wij spreken elkaar nader; wat jullie kennen, is de lucht van een dier, dat misschien op een kilometer afstand passeert. Maar je hebt nog nooit zoo in de wildernis aan den rand van de bosschen gewoond; vooral in Zuid-Sumatra komen zij juist dáár veel voor; en als je van nabij met hen kennis maakt, wel, dan kun je er verhaaltjes van vertellen. Let maar eens op, als ze onder je huis doorloopen en zij worden door een of andere oorzaak boos, dan wordt iedereen wakker van de lucht, en al je zilver slaat zwart aan …”
Wij lachten weer. Of het domheid is, of gewoonte? maar in zulke gevallen lacht men. Eerder had ik al eens gelachen, toen de kroonprins van Asahan mij te Fort de Kock vertelde, dat in zijn land visschen in de oeverstruiken klimmen; en weer had ik gelachen, toen men mij vertelde, dat zeeschildpadden bij het eieren leggen aan het strand door ongeduldige eierzoekers geholpen worden bij het graven van het gat. Sedert dien had ik zelf klimvisschen in actie gezien, en ik had in middernachtelijk uur rustig gereden op den rug van een reusachtige schildpad, vóór zij weer de zee in dook. Toch lachte ik nu weer … al die berichten van menschen zijn dikwijls zoo overdreven, ik zou zelf wel eens nuchter beoordeelen, wat er van die fraaie verhalen waar was.
En ik zou er de kans wèl voor krijgen!
De bungalow was klaar en wij betrokken haar; het terrein daar en in de omgeving was eenige tientallen jaren geleden bouwland geweest, toch waren enkele zware boomen uit het oorspronkelijke oerwoud er blijven staan; later schoot er jong bosch op, behalve op die stukken, waar het vee was toegelaten en waar de alang-alang heerscheres was, dat manshooge wilde gras met breede bladklingen, dat bijna niet is uit te roeien. Er stonden dus verscheidene reusachtige rimbaboomen, jonger bosch en kreupelhout, en er waren velden alang-alang, waar de zon blakerde. Voedsel en schuilplaatsen voor allerlei wild; er waren dan ook varkens, en de Gestreepte kwam er wel eens op hen jagen; in de struiken ritselden bevende dwergherten, de beer blafte in de boomen aan den waterkant, en de marters dartelden in zon en koelte.[131]Niet véél wild was er, maar van alles wat. Apen echter in geweldige hoeveelheden, die maakten van daar uit hun strooptochten naar de velden der menschen, en … er waren stinkdassen!
En nu leerden we spoedig, wat „stank” is.
Kuchend werden we in een nacht wakker, eenmalariapatiënte, die bij ons logeerde, hoestte het eerst alarm.
Of deze telegoe onder het op palen staande huis doorliep, dan wel boven den wind de bungalow passeerde, weet ik niet. Evenmin, of hij zich boos maakte om de nieuwigheid, om het huis dat er vroeger niet was. Maar de uiting van prikkelbaarheid was er!
Den volgenden morgen hebben wij in vollen gezinsraad een prijsvraag behandeld: beschrijfdielucht! Ieder trachtte te zeggen, welk souvenir de lucht had opgewekt, en ieder dacht daarbij aan moeielijke momenten op zee.
Men stelle zich voor zeeziek te liggen in een hut op een oud vrachtschip, dat doortrokken is van de vettige, ranzige lucht van copra, terwijl in die hut tevens een partij civetkatten is ondergebracht. Het schip heeft een licht-installatie van carbid; ergens bij de hut is een lek en de knoflookwalm druipt rijkelijk uit de leiding, toch zet iemand in die omgeving scheepskoffie, en de aller-ordinairste cichoreilucht kruipt ook de hut in, en zij neemt nog een scherpen zwaveldamp van ergens mee … en dit geheel kleeft zich aan den zeezieken mensch, ineens, geweldig, overal tegelijk, en het gaat niet voorbij, het blijft, het kleeft overal aan.
Tegen den middag rook onzepatiënteweer in heftige mate de nare lucht en zij riep verschrikt: „daar komt er weer een!”
Valsch alarm. Ze had zich den thermometer aangelegd, waarbij haar handen den nikkelen kop van het instrumentje hadden aangeraakt. En toen wij ook kwamen ruiken, aan de thermometer en aan ander metaal, toen bleek alles aangestoken, en snel werd het zilver gepoetst om zwart worden te voorkomen.
Nu werd de omgeving van het huis zoo spoedig mogelijk van lage struiken en hoog gras gezuiverd, en wij hadden bij onze gewoonlijk korte verblijven in de bungalow in de bergen slechts zelden meer[132]last van dergelijke nachtelijke bezoeken. Een niet te onderschatten factor daarbij waren onze honden, stadsdieren, die onbegrijpelijk gesteld bleven op nadere kennismaking. Na elke ontmoeting kwamen zij diep ongelukkig thuis, wentelden zich overal, schuurden tegen alles en verspreidden rondom de walgelijke lucht; dagen achtereen moesten zij worden vastgelegd en gebaad; eerst later bleek, hoe die ontmoetingen zich moeten hebben afgespeeld, jaren later; en toen eerst wist ik, dat ik aan mijn nieuwsgierigheid om de bron van alle kwaad eens te zien, eerder had kunnen voldoen; dat namelijk de telegoe een sloom dier is, dat men met eenig geduld, maar met groote voorzichtigheid tevens, gemakkelijk kan volgen; sloom, niet uit makheid, maar omdat hij niemand vreest.
Wij waren weer eens „boven”, in onze bungalow. In den vroegen morgen wekte ons een hevig tumult onder de bedienden in de bijgebouwen, kreten van afgrijzen en het opwekkend geluid van iemand, die in onmin verkeert met zijn maag. Het geheel tooverde voor onze oogen de zee, een railing waarover gebogen de gedaanten van wezens, die tevoren mensch waren. Dus was er weer een stinkdas in het spel!
Wij vlogen naar buiten; een heftige, kleffe telegoelucht greep ons naar de keel.
Djamak, een onzer bedienden, had in den heel vroegen morgen een klein dier zien kruipen in het gras. Djamak was goed-Moslim, maar dit varkensjong, dat blijkbaar zijn moeder was kwijt geraakt, durfde hij toch wel aan te pakken; het zou zulk aardig speelgoed zijn voor „nonnie”, ons jongste dochtertje. Hij zou het maar wagen; trouwens, als hij het maar in zijn baadje ving, hoefde hij niet met de handen in aanraking te komen met het „haram” diertje.
Djamak, de goeierd, toog op het oorlogspad. Wat zou meneer blij zijn! die hield zoo van dieren, en Djamak had dikwijls gemerkt, dat het zijn baas hinderde, dat hij zoo niets van beesten wist; meneer vond hem bepaald suf. Maar nu! hij zou ieder verrassen met een door hem zelf gevangen dier; hij zou er niet bij vertellen, dat hij den sukkel eigenlijk maar voor het oprapen had gehad, zóó sloom wiegelde het dier door het gras.[133]
Zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten.
Opgepast, nu krummelde het naar een holte in het grasveld, daar zou hij de jas over het dier gooien, zijn nieuwe, witte jas, die mevrouw hem had gegeven. Hij sloop achter het dier aan; was het eigenlijk wel een wild varkentje? hij wist niets van dieren af, maar dat snuitje was toch een varkenssnoet, en wat zou het ànders zijn. Maar waarom was dat beest heelemaal niet bang? Even wachten, het had blijkbaar den vervolger opgemerkt. Djamak stond doodstil.
De telegoe keek aandachtig naar hem. Wat wilde dat lange, sluipende dier? Het ging hem bepaald vervelen. Hij had zijn nachtelijken tocht wat te ver voortgezet; hij had heerlijke larven en regenwormen gevonden; en toen het maagje gevuld was, had hij keurig toilet gemaakt, want de telegoe is zeer coquet. Maar nu wilde hij ongehinderd naar huis, naar zijn ruim ketelhol, dat hij onder sterke boomwortels had gegraven. Waarom sloop dat gekke dier toch achter hem aan?[134]
Hij stelde zijn batterij op en wachtte rustig, misschien speelde een duivelsche glimlach om zijn kalen snoet.
Nu!… dacht Djamak, en mèt gooide hij zijn baadje over zijn buit … maar tegelijk sloeg hij met een akeligen gil achterover. Iets vets en kleffigs wurgde hem en legde hem zijn maag boven op het hoofd; en onder het baadje door liep de telegoe, stank op pooten, wiegelend weg; hij kon tevreden zijn, het schot zat. Arme Djamak, in een ondeelbaar oogenblik van jager slachtoffer geworden, trok nu de levendige belangstelling van ieder; juist wat hij gewenscht had, maar wel op een andere manier. En zijn mooie jas was bedauwd met fijne droppeltjes olie, die gele vlekjes werden, voor altijd.
Maar waar was het dier? Nu wilde ik het zien en hebben. Iemand had het zien kruipen naar een stapel brandhout, en dáár, in een hoekje gedoken, zat het; de gebeurtenis had hem toch wel even uit zijn evenwicht gebracht. Ik benaderde hem, een zakdoek, vier dubbel gevouwen, stijf tegen den neus gedrukt. Maar zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten, vóór ik het dier met een schot hagel in de hersens doodde. Ik had den mond van het geweer voorzichtig tot vlak boven zijn kop gebracht om een tweede olie-explosie te voorkomen. Of dit gelukte, weet ik niet. Wel, dat wij de beide stankcentra diep moesten omspitten, dat het slagveld werd ontsmet en begoten, en dat wij den derden dag daarna moesten besluiten weg te gaan, omdat het leven onmogelijk was geworden. Maar ’s nachts viel een zware regen en den volgenden morgen bleek de stinkstof vrijwel afgespoeld te zijn van alle vaste dingen, waarop ze zich had vastgekleefd.
Dien avond spraken wij den plaatselijk besturenden ambtenaar en vertelden hem alles in kleuren en „geuren”. Hij en zijn vrouw waren zeer verwonderd, want ook zij hadden denzelfden morgen diezelfde lucht in huis geroken, voor hen een nieuwe sensatie, en de bedienden hadden hun het woord telegoe genoemd. En toen nagegaan werd, wat de bron van die lucht was geweest, bleek, dat mijn oppasser, even na het schot, met een portefeuille stukken naar het controleurshuis[135]was gegaan en zoodoende de geheele atmosfeer ook dáár had bedorven.
Er zijn op het gebied van „luchtjes” merkwaardige dingen in Indië.
De doerian, de bekende vrucht met haar geweldige dorens, die ook vele Europeanen als groote lekkernij beschouwen, wordt wel eens.… „gasfabriek” betiteld, en onze voorouders uit het laatst der 16de eeuw schreven reeds van haar:… „datment niet en kan compareren met geenderley fruyten vande werelt: want in smaeck ende goetheydt affirmeren dat het alle fruyten te boven gaet: maer eerst alsmense op doet, riecken gelyck oft het verrotten ayun waer: maer inden smaeck heeftmen die leckerheyt.”
De wondermooie Rafflesia, de grootste bloem ter wereld, en de prachtige Amorphophallus verspreiden in de wildernis na den vollen bloeitijd een vehemente lucht, die haar allerlei leelijke bijnamen heeft bezorgd; en er zijn mossen en varens, die de geheele atmosfeer in den omtrek in jodoform schijnen om te zetten.
Maar geen van deze plantaardige bronnen van kwalijke luchtjes kan zich in de verste verte meten met den telegoe. Van ’s menschen standpunt gezien, vraagt men zich af, hoe de stinkdas tevreden kan zijn te leven in een atmosfeer, zooals hij zich die schept. Mijn dochtertje drukte het dien morgen in haar eigen woorden uit: „Hoe houden de jonge telegoetjes het bij zóó’n stinkadoris van ’n moeder uit!”
Ornament met varaan.
[137]
[Inhoud]XIII.JOZEF, DE NEUSHOORNVOGELDe neushoornvogel Anggang had een vergadering bijeen geroepen van tal van ontevredenen in de vogelwereld.De bijeenkomst had een revolutionair karakter, het doel was niet minder dan het afzetten van den koning aller vogels. Tot op het oogenblik, dat de neushoornvogel de leiding nam van de oppositie, was Kang-kok koning geweest in de Maleische landen, en al de eeuwen door had vrede en voorspoed geheerscht. De radja was maar klein en bescheiden, maar hij was rechtvaardig en wijs; zóó wijs, dat hij wist te voorspellen of het oogstjaar een overvloed van granen en vruchten zou brengen. Nu nog weten de menschen, dat de rijstoogst gelukken zal, indien de vriendelijke vogel welbespraakt is en gedurende weken achtereen aan den rand van het bosch zijn naam in herinnering brengt. Het is een vervelend rijmpje op den langen duur, omdat de vogel in toon en maat rotsvast is, maar het geluid is lief en vertrouwelijk, en de hoofdzaak is, dat zijn wijfje op haar nest het hoogelijk schijnt te waardeeren en dat het eentonig liedje haar niet gaat vervelen: kang-kang-kang-kòk … kang-kang-kang-kòk.In het bijzonder waren het de groote vogels, die in opstand kwamen. Zij vonden het belachelijk door zulk een onaanzienlijk vogeltje te worden geregeerd.„Kijk eens naar mijn lichaam,” had de neushoornvogel Anggang gezegd, „luister eens naar mijn machtig geluid, en let eens op de[138]kroon op mijn hoofd!” en de vergadering had besloten Kang-kok af te zetten en den reus als opperhoofd te erkennen.Maar spoedig had men berouw. De nieuwe koning wees alle boschvruchten toe aan de leden van zijn geslacht, en deze veelvraten lieten niets over voor de kleintjes.En er werd weer een vergadering belegd, en men besloot Kang-kok in eere te herstellen. Maar deze had zijn geheele geslacht weg gezonden uit het ondankbare land, naar Java, en hij zelf kon niet vergeten wat men hem had aangedaan. Toch zwichtte hij ten slotte voor den aandrang der berouwvollen, zij mochten één kangkok-ei van Java halen.Goede raad was duur, wie zou dat doen? Eindelijk bedacht een klein vogeltje uit de rimba, dat zijn vriend de zweefvlinder het wel zou klaar spelen, die glijdt zoo lang op zijn groote vleugels van crême met zwarte dotten, zonder één slag te doen, hij zou het ei wel over kunnen brengen.De goede vlinder kweet zich goed van de moeielijke taak; de boeboet broedde het ei uit met zulk een toewijding, dat deze rosse spoorkoekoek er een kaal buikje van overhield, tot den huidigen dag; en de zwarte vorkstaart, die zelfs de grootste roofvogels in de vlucht durft bestoken, hield de wacht. En toen het koningskind volwassen was en tot radja werd verheven, kwam het geheele geslacht Kang-kok terug in de Maleische landen.De reus met het gekroonde hoofd en den gulzigen bek, zal zich er niet veel van hebben aangetrokken, dat hij den koningstitel verloor. Hij slikt er niet minder vruchten om, en zijn machtig geluid domineert nog heel het bosch.Hoor! Boven het breede ravijn klinkt een galm uit de witte wolken, twee zwarte stippen teekenen zich af. „A-ngok” klinkt het nasaal-zwaar over de zwijgende rimba, waar al wat leeft schijnt te luisteren. En nu het reuzenpaar nadert, komt een wonderlijk geluid aanbruisen, het zware, rhythmische geluid van den vleugelslag. „Sjoep, sjoep”, blaast en fluit de lucht tusschen de veerschachten en langs de vleugelbeenderen met hun dunwandige cellen en verbazingwekkenden luchtvoorraad.[139]Als de twee vleugelparen even hetzelfde tempo hebben, is het krachtige geluid bepaald dreigend, maar het is altijd zoo, dat men ernaarmoetluisteren, alleen de cicade zet zijn eeuwig gezeur voort. Duidelijk is nu de machtige kop aan den uitgestrekten hals te zien, ook het zwarte lichaam; de staart is wit, maar in het midden loopt over alle veeren een breede, zwarte band; die staartveeren van den anggang waren vroeger het helden-teeken voor de Dajaks; alleen zij, die een kop hadden gesneld, mochten de scheede van hun zwaard ermede tooien.Is de anggang—zóó verstaat het Maleische oor den roep, die met „a-ngok” is weergegeven—dus een domineerend man, hij is niet de grootste neushoornvogel in Indië. Maar de allergrootste, die van snavelpunt tot staarteind anderhalven meter meet, is zoo schuw en komt zooveel minder algemeen voor, dat slechts weinig Europeanen zijn bestaan kennen. Ivoor-vogel noemen hem de inheemschen naar den massieven kop-kroon, waaruit vooral de Dajaks op Borneo fraaie versierselen snijden. De Hollanders hebben hem „lachvogel” gedoopt; deze naam schijnt geheel ten onrechte te zijn gegeven indien men alleen maar het begin hoort van het concert, dat hij in de allerhoogste boomen van de rimba geeft, en dat hij, door schrik bevangen, dikwijls afbreekt; de bangerd, die door angst moet boeten, dat hij, in vorige incarnatie als mensch, zijn schoonmoeder heeft vermoord. Heel verdekt stelt hij zich op en spiedt angstig rond; de staart, eindigend in twee veeren, welke bijna negentig centimeter lang zijn, hangt loodrecht neer. Is alles rustig? beweegt zich daar beneden niets? rondom? nergens gevaar??… „Oeoek!” galmt het nu boven het stille bosch, maar dan spiedt hij langen tijd weer rond of zijn roep niet eenig gevaar heeft wakker geroepen. Eindelijk komt de tweede roep, na een iets kortere pauze de volgende, en hoe veiliger hij zich langzamerhand voelt, hoe korter worden de pauzes, wiskunstig zuiver, en eindelijk, als men zich verwonderd afvraagt waar dit naar toe gaat, eindigt de reuzevogel in een honend gelach, niet meer „oe” maar duidelijk „a”… hahahaha! De Maleische legende gaat niet zóó ver, maar het is, of hij vreest den geest van zijn schoonmoeder te zullen oproepen;[140]ontdekt hij die niet, gaat alles goed, dan lacht hij om haar en om zijn eigen angst.Kleiner dan de anggang zijn de neushoornvogels met zwarten snavel, en de witsnavels, die in groote gezelschappen en in oneindig gesnater tot in de kampoeng’s komen als er rijpe ficus-vruchten te smullen zijn. Maar zij zijn stoeiende kwajongens vergeleken bij den waardigen anggang, die door zijn karakter en zijn fierheid zelfs den lachvogel in de schaduw stelt. En de mensch kent hem zooveel beter, omdat de anggang, jong gevangen, zich spoedig in den nieuwen toestand schikt; binnen enkele weken kan hij verlost worden van het traditioneele touw aan een der pooten en geniet in volkomen vrijheid van zijn bestaan, als huisgenoot van den mensch; hij moet echter telkens wat gekortwiekt worden, omdat hij zich anders aan verre vluchten wagen zou en door zijn tamheid een gemakkelijke prooi zou worden voor anderen dan zijn baas.Verschillende anggang’s hebben wij in den loop der jaren in Indië gehad, geen zoo lang als den laatste in de rij, onzen braven Jozef.Jozef was geboren in een boomholte. De Maleier, die hem bij mij bracht, had in het bosch, niet ver van zijn ladang-huisje, gezien, dat een anggang een gat in een boom met klei dicht metselde en hij had begrepen, dat hij bezig was zijn wijfje voor vier weken of meer van de drukke boschwereld af te scheiden. Slechts een klein gat blijft in het metselwerk gespaard, waardoor de hardwerkende man zijn ega voedert. Hij doet dit uit jalouzie, zegt men, en hij moet zóó jaloersch zijn, dat hij zich verontwaardigd van verdere voedering afwendt als hij ontdekt, dat een andere anggang-man zich bij het nest ophoudt en naar binnen gluurt. De arme, onschuldige moeder en haar kroost sterven dan den hongerdood, aangezien zij geheel is aangewezen op de voederballetjes van insecten, boomvruchten en deelen van kruipende dieren gefabriceerd, welke manlief haar in den puntigen snavel aanreikt.Jozef’s moeder had blijkbaar geen aanleiding tot jalouzie opgeleverd; toen het groote oogenblik van verlossing was aangebroken zal het ouderpaar het metselwerk met vereende krachten hebben verwijderd,[141]en op zekeren dag zag de Maleier op de takken van den boom een door het lange, bewegingloos zitten nog stijve moeder en haar kroost, wonderlijke wanstaltige wezens. In de omgeving had de man geen andere anggang’s opgemerkt en toen hij eenigen tijd later, ingelicht door een dwaas geweld dat een anggang laag bij den grond maakte, tusschen de struiken een jong vond, begreep hij een lid van het hem bekende gezin te hebben gevangen. Hij en zijn kinderen voerden het dier met pisang (bananen) en gekookte rijst, zooals de doorsnêe binnenlander gewoon is alle gevangen vogels te voederen; zij zijn dan zeer verbaasd, indien een of andere roofvogel weigert te eten en zich maar „koppig” neerzet om in de kleine kooi te sterven; ditmaal ging het best, toevallig kon men den kleinen anggang geen beter voedsel in den grooten bek wringen. En toen er een behoorlijke prijs voor hem kon worden gevraagd, werd hij aan ons verkocht.Wij wisten al, dat een anggang niet geliefkoosd kan worden; aaien over den kop of over den rug is een genot voor papegaaien en loeri’s, maar buiten deze „kopje-krauw’s” zijn vogels er niet bijzonder van gediend. Maar als men een jongen anggang, die zich al enigszins aangepast heeft aan de nabijheid van den mensch, liefkoozend toespreekt, dan reageert hij in een zachten, onderdrukten eenklank, dien wij als „jóos” hoorden. Daarom heetten bij ons de anggang’s Jozef, en deze Jozef reageerde altijd, als men een lief buiginkje in zijn naamklank bracht.Jozef had in een klein, vies hokje gezeten, zijn toilet was slecht verzorgd, de lange oogharen om de verstandige oogen met hun menschelijke oogleden, waren dicht bezet met roode luisjes, en het deed hem geweldig pijn toen hij er voorzichtig van verlost werd; hij heeft mij dat in jaren niet geheel kunnen vergeven.Jozef was eigenlijk wanstaltig, vooral in de eerste jaren van zijn leven, toen hij nog niet volgroeid was, een proces, waarover de anggang minstens drie jaren doet. Vooral de nestharen aan den zwaren nek stonden zoo weinig gesoigneerd, en dan die malle kop! Eerst later, toen de roode kroon aanzwol en de veeren glad waren, zag Joos er representabel uit, maar toch bleef hij een wonderlijk geheel, vooral[142]als hij mal rondhupte op de grove grijpvoeten; zij waren ganschelijk niet daarvoor geschapen, toch deed hij het met blijkbaar pleizier, al moest op een langen tocht wel telkens halt worden gemaakt. Trouwens, daarvoor waren ook andere redenen; er kon niets boven hem vliegen of bewegen, tot zwaluwen hoog in de wolken toe, of Jozef draaide den kop 90 graden en bekeek het object in peinzend filosofeeren met het naar boven gewende oog, en hij trok er zich niets van aan, als de menschen er om lachten.Jozef was den geheelen dag bezig, in beweging, of als wijs filosoof; zelden sliep hij overdag als er menschen in de buurt waren met wie hij op zijn manier voeling zocht. Zijn dagelijksche omgang was de tuinjongen, die voor planten en dieren zorgde, het gras op de gazons kort hield en de paden wiedde. Vooral bij dit laatste werk was Jozef vol daadwerkelijke belangstelling, en uren lang zat hij bij den „kebon” en keek toe, zocht telkens den hemel af met één oog en zei zoo nu en dan heel zacht: jóos. Maar in het bijzonder gold zijn belangstelling de heel mooie witte steentjes op de grindpaden, hij zocht ze uit, voelde ze aan, slingerde ze een paar decimeter de lucht in en ving ze weer op. Jozef was een geweldig vanger, hij miste nooit. Toen dit opviel, werden natuurlijk allerlei vangproeven met hem genomen, en nooit hebben wij gezien, dat hij den kleinsten rijstkorrel miste!Niet doorloopend had de kebon zijn gezelschap, dat hing van de gebeurtenissen van den dag af. Toen onze kinderen tijdens den wereldoorlog uit Holland overkwamen, ging een belangrijk deel van zijn affectie op hen over. En als de meisjes in de achtergalerij aan handwerkjes bezig waren, kon hij een ganschen morgen naast haar op het traliewerk om de galerij zitten, droomerig filosofeerend of zich uitslovend om een buit gemaakt kleurig wollen draadje op te slingeren en weer op te vangen, waarbij hij uit den aard der zaak met groote moeilijkheden te kampen had.In dit rustig bestaan kwam opeens een zeer belangrijke gebeurtenis een nieuw veld van belangstelling en arbeid openen. De kinderen hadden ergens twee heel jonge aapjes uit de handen van plagende jongens gered, en de tuinjongen had een jong biggetje, dat op onbegrijpelijke[143]wijze ergens uit een Chineesch varkenshok was ontsnapt en in een bijna drogen put was terechtgekomen, uit de modder gevischt. Nu kon het niet anders, of er moest een groote volière worden gebouwd, waarin deze menagerie tot haar recht kon komen. Al spoedig vermeiden de aapjes zich op rekstokken en schommeltjes, in de volière aangebracht, en een hunner deed dagelijks een rit op den rug van het heftig protesteerend biggetje. Voor Jozef een nieuwe wereld, en een drukte en actie als hem zelf geheel vreemd waren. Maanden lang was hij belangstellend toeschouwer, van buiten het gaas, en al dichter en dichter waagde hij zich bij de grijphandjes der apen, die met plotselinge uitvallen trachtten den staart van Jozef te pakken te krijgen als hij daartoe de kans gaf. Maar een straffende tik met het bijltje, zooals wij Jozef’s snavel noemden, deed hen terug deinzen, om dadelijk weer de goede kans te beloeren. Soms hielden zij Jozef met een plagend handje bezig, om, met een uitgestreken gezicht, behoedzaam een achterpoot door de grove mazen van het gaas rechtuit te schuiven en zoodoende den aanlokkelijken staart te benaderen. Maar het bleef steeds een zachtaardig spelletje en nimmer deden zij elkaar bepaald kwaad. Zoo was een groote vriendschap ontstaan, en als zij in den middag hun maaltje rijst en bananen of andere vruchten kregen, was het bij de volière een gezellige drukte, de aapjes en het biggetje binnen, Jozef als belangstellend publiek buiten de volière.Op een goeden dag zagen wij iets zeer merkwaardigs gebeuren.Jozef had een blijkbaar voldoende portie pisang opgeslokt en bleef met een stuk banaan in den snavel zitten. Plotseling nam hij een besluit, wipte tot vlak tegen het gaas en stak een der aapjes het stukje pisang toe, dat dadelijk en met graagte werd aanvaard; de wangzakjes waren eigenlijk al vol, geen nood, met den rugkant van ’t handje werd duwend toch nog plaats gemaakt. Dat moest toeval zijn! Wij wisten hoe „menschelijk” Jozef was, maar dit leek ons zoo ongelooflijk, dat hier aan zuiver toeval moest worden gedacht. Maar neen, sinds dien dag bleef Jozef de heertjes geregeld bedienen. Vooral Klappie, de kleine klapperaap met zijn guitig varkensstaartje, werd bevoorrecht en de kleine schavuit beschouwde dit spoedig met een zeker air van[144]quasi-onverschilligheid als een hem toekomend recht. Als hij zag, dat het moment gekomen was, schurkte hij zich in een hoekje van de volière, op den grond, de handjes op schoot, het hoofd onverschillig afgewend. En de brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje, dat met één handje, als was het hem eigenlijk te veel, genadig werd aanvaard. Als wij gasten hadden, werd telkens de vertooning gegeven, velen hebben zich dan ook van dit merkwaardig gebeuren overtuigd.De brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje.Toen kwam de groote verhuizing naar Palembang, onze kinderen hadden ons alweer verlaten, en zoo namen wij afscheid van de aapjes en het biggetje, dat inmiddels een vet knorrepotje geworden was; zij gingen over in handen van een anderen dierenvriend; door hun de vrijheid te geven, zooals wij met onze boschvogels hadden gedaan, zouden wij de ontaarde kereltjes den dood hebben ingejaagd. Maar Jozef reisde natuurlijk met ons mede. Het residentshuis te Palembang heeft aan de achterzijde een groot erf, geheel door bijgebouwen en zware hekken afgesloten en beplant met verschillende schaduwrijke vruchtboomen, een dorado voor Jozef. Hij zal zijn aapjes wel zeer gemist hebben; wel hadden wij een jongen hond, maar deze had het veel te druk met ronddribbelen dan dat hij een rustig vriendje voor Jozef kon zijn. Maar de slimmerd wist raad, hij wachtte tot het hondje ergens lag te slapen, benaderde hem en trachtte een of andere lekkernij tusschen de dichtgeknepen lippen te wringen!maarde ontsteltenis was telkens[145]groot, het dier kon niet vatten, dat Jozef’s scherp bijltje als teeken van vriendschap en zorgende liefde hem in het tandvleesch prikte, en telkens vloog hij met een naren gil op en ontvluchtte kermend het nog juist ontsnapte levensgevaar. Arme Jozef keek dan wel heel ongelukkig, en hij draaide het eene oog naar de wolken om den hemel tot getuige te nemen van zijn nobele bedoelingen.Toen kwam op een morgen een man uit de Boven-Moesi met een jong hert te koop, een bok, maar er was nog geen spoor van de eerste geweiknobbels. Hans werd nu Jozef’s kameraad, een wild hert uit de ruige struiken en een vogel uit de hooge boomen gezworen kameraden!Toch duurde het maanden voor de twee gewend waren aan elkaars onmiddellijke nabijheid, maar toen was ook voor Jozef het oogenblik daar, om blijk te geven van zijn affectie. Ook Hans was er in het geheel niet van gediend, voor hem was het eenvoudig om aan het bijltje te ontkomen, hij stak den kop de lucht in, de ooren in den nek, maar telkens weer deed de brave vogel zijn best, en te oordeelen naar wat later gebeurde, moeten zijn pogingen toch niet altijd zijn afgewezen.Op een goeden morgen namelijk werden wij geroepen door onze kokkin, wij moesten dadelijk komen kijken, nu gebeurde er iets, dat de bediendenschaar in groote verbazing bracht!De kokki had ’s morgens vroeg een partijtje aardappels, die begonnen uit te loopen, te luchten gelegd op het groote waterreservoir van beton, dat op het achtererf van de woning is aangebracht. Hans rook, dat daar iets naar zijn gading lag, maar al ging hij ook op de teenen staan en spande zijn hals als een vioolsnaar, de zoekende mummellippen reikten nog niet aan den rand van den bak. Nu zag Jozef zijn kans, hij vloog op het reservoir, zocht de beste aardappels uit en reikte die zijn vriend aan!Dit is voor ons, dierenvrienden, die allerlei dieren hebben gehad en getracht hebben al hun eigenaardigheden te leeren kennen door goed voor hen te zijn, een moment geweest, dat nu nog telkens wordt opgehaald als het merkwaardigste, dat wij van onze „redelooze” vrienden hebben beleefd. En eerst nu, dat ik de geschiedenis van braven Jozef vastleg, heb ik hem begrepen. Het kan niet anders, of Jozef voelde in[146]zich den drang te doen wat zijn vader en zijn grootvaders hadden gedaan, toen zij hun ingemetseld wijfje de zorgvuldig bespaarde hapjes door het klei-venstertje aanreikten; Jozef’s vaderhart sprak! En al klinkt dit mal, als men een vergelijking treft tusschen den aard en de lichaamsgrootte van een hert en een vogel en daarbij het hert als de moeder met de babies denkt, Jozef voelde zich de vader en hij voldeed aan de groote wet, die hem de voederplicht had opgelegd.Jozef is natuurlijk met ons mee verhuisd naar Médan, met Hans. Maar deze werd al spoedig de baas van het hertenparkje, en Jozef heeft nimmer meer een bijzonderen dagelijkschen vriend onder de dieren gehad. Trouwens, hij had er nu ook weinig tijd voor, want hij had het oppertoezicht op zich genomen over alle dieren op het erf der gouverneurswoning teMédan, dat eerder de betiteling van park verdient en waar een gezin van dierenvrienden zich naar hartelust aan hun hobbies kan wijden.Zijn dagelijksche mensch-vriend was nog steeds de trouwe tuinjongen van Bengkoelen en meer en meer sloot Jozef zich bij hem aan en keek toe, dat hij geen der mede-dieren te kort deed. En er waren er zoo eenige. Het werk begon in de vroegte bij de kippen, waaraan de tuinjongen de uiterste zorg besteedde; hij, Lakasah, was zeer trotsch op de Plymouth Rocks, die kregen de eerste zorg; dan volgde het kleine toom Rhode Islands, maar daar keek hij op neer sinds er een veerenpikker onder was, die zijn baas maar niet wilde opruimen. Jozef vond kippen weinig interessant; of hij deed maar zoo, want kuikens hadden zéér zijn belangstelling, zóó zeer, dat hij eens verrast werd, juist bezig om een achterlijk stumperdje een waardig graf te bezorgen. Dat kuiken bleef telkens achter, als moeder-kip met haar kroost voort-kloekte; Jozef zag zijn kans, zijn onderbewustzijn sprak van heerlijke muizen en kruipend gedierte, die een belangrijk deel uitmaken van het anggang-menu in de wildernis, de moederkip was achter een struik verdwenen, hij hoefde niet te vreezen, dat ze als een fregat met volle zeilen op hem af zou stormen … en het nimmer missende bijltje deed zijn werk goed.Bij de groote kooi van den béo, den praatvogel, bleef Jozef dikwijls een tijd achter op den dagelijkschen rondegang van Lakasah. Hij, Jozef,[147]die alleen maar zoo nu en dan zijn zacht geluid deed hooren, moet wel respect gehad hebben voor den béo, den meest perfecten praatvogel ter wereld; kon deze niet roepen en spreken en fluiten als de menschen; en dan zijn meesterlijk kuchen en hoesten!… was daar weer die akelig rochelende Chineesche koeli, die maanden geleden steenen had aangesjouwd? waarom ging daar, plotseling, knarsend de zware garagedeur open, terwijl ze dicht zat? Ja, ja, dat doeik!zei de béo met een houten gezicht; langs zijn gelen snavel loerden de scherpe kraaloogen naar den stillen Jozef met zijn reuzekop.Dan ging hij maar weer voort, Lakasah achterna. Nòg zoo’n schreeuwer kreeg nu diens bezoek; hij was een vlamroode loerie van Ternate, dien een dankbare Maleische jongen, ginds ambtenaar geworden, mij had toegezonden; daarom was de loerie erkentelijk aanvaard, maar hij zette zoo nu en dan de geheele omgeving op stelten; hij kon engelachtig lief teemen en vleien; bij het afroepen van de namen van de bedienden was zijn geluid al meer een oorverscheurend geschater, maar als hij het op zijn heupen had en Ternataansch sprak, tenminste onverstaanbaar, dan kwam er in zijn toespraken zulk een gloed, dat het razen en vloeken leek, zóó, dat een fuselier er eens van bloosde.Nu was Dora aan de beurt, de baby-orang hoetan, die op dezen tijd van den dag haar fleschje melk savoureerde; maar Dora was geen hartsvriendin van Jozef, zij was hem te sluw. Voor de menschen was zij een zacht, drenzend kind en lief keken haar mooie, bruine oogen; maar o wee! als een of ander dier, dat ze aandurfde, onder haar bereik kwam; dan schoot de gespierde arm onverwachts uit, en Jozef had ondervonden, dat die arm veel en veel langer was dan men zou verwachten.Zoo verrichtte Jozef bij nog vele andere dieren zijn dagelijkschen rondgang, en daarna meldde hij zich bij de huisvrouw, als kwam hij rapport uitbrengen. Meer en meer hechtten wij ons aan het brave, gezellige dier, dat haast geen dier meer was; er was ook zoo’n menschelijke uitdrukking gekomen in de oogen met hun mooie, lange oogharen; beste, brave Joos.Op een namiddag, in den zomer van 1923, zat Jozef te rusten op een lagen tak, kijkend naar de dalende zon. Hij had mij met zijn zachten roep[148]gegroet, toen ik hem voorbij ging, naar het tennisveld. Dadelijk daarop moet het gebeurd zijn, want ik had het veld nog niet bereikt, toen Lakasah mij achterna kwam rennen, doodsbleek en met trillende lippen, om mij te zeggen, dat Jozef dood in het gras lag, onder den tak, waar hij zijn baas den laatsten groet gebracht had. Een hartverlamming moet hem van ons hebben weggenomen.Dien avond was de lach gestorven in het gouverneurshuis te Médan.Ornament met toekan.[149]
XIII.JOZEF, DE NEUSHOORNVOGEL
De neushoornvogel Anggang had een vergadering bijeen geroepen van tal van ontevredenen in de vogelwereld.De bijeenkomst had een revolutionair karakter, het doel was niet minder dan het afzetten van den koning aller vogels. Tot op het oogenblik, dat de neushoornvogel de leiding nam van de oppositie, was Kang-kok koning geweest in de Maleische landen, en al de eeuwen door had vrede en voorspoed geheerscht. De radja was maar klein en bescheiden, maar hij was rechtvaardig en wijs; zóó wijs, dat hij wist te voorspellen of het oogstjaar een overvloed van granen en vruchten zou brengen. Nu nog weten de menschen, dat de rijstoogst gelukken zal, indien de vriendelijke vogel welbespraakt is en gedurende weken achtereen aan den rand van het bosch zijn naam in herinnering brengt. Het is een vervelend rijmpje op den langen duur, omdat de vogel in toon en maat rotsvast is, maar het geluid is lief en vertrouwelijk, en de hoofdzaak is, dat zijn wijfje op haar nest het hoogelijk schijnt te waardeeren en dat het eentonig liedje haar niet gaat vervelen: kang-kang-kang-kòk … kang-kang-kang-kòk.In het bijzonder waren het de groote vogels, die in opstand kwamen. Zij vonden het belachelijk door zulk een onaanzienlijk vogeltje te worden geregeerd.„Kijk eens naar mijn lichaam,” had de neushoornvogel Anggang gezegd, „luister eens naar mijn machtig geluid, en let eens op de[138]kroon op mijn hoofd!” en de vergadering had besloten Kang-kok af te zetten en den reus als opperhoofd te erkennen.Maar spoedig had men berouw. De nieuwe koning wees alle boschvruchten toe aan de leden van zijn geslacht, en deze veelvraten lieten niets over voor de kleintjes.En er werd weer een vergadering belegd, en men besloot Kang-kok in eere te herstellen. Maar deze had zijn geheele geslacht weg gezonden uit het ondankbare land, naar Java, en hij zelf kon niet vergeten wat men hem had aangedaan. Toch zwichtte hij ten slotte voor den aandrang der berouwvollen, zij mochten één kangkok-ei van Java halen.Goede raad was duur, wie zou dat doen? Eindelijk bedacht een klein vogeltje uit de rimba, dat zijn vriend de zweefvlinder het wel zou klaar spelen, die glijdt zoo lang op zijn groote vleugels van crême met zwarte dotten, zonder één slag te doen, hij zou het ei wel over kunnen brengen.De goede vlinder kweet zich goed van de moeielijke taak; de boeboet broedde het ei uit met zulk een toewijding, dat deze rosse spoorkoekoek er een kaal buikje van overhield, tot den huidigen dag; en de zwarte vorkstaart, die zelfs de grootste roofvogels in de vlucht durft bestoken, hield de wacht. En toen het koningskind volwassen was en tot radja werd verheven, kwam het geheele geslacht Kang-kok terug in de Maleische landen.De reus met het gekroonde hoofd en den gulzigen bek, zal zich er niet veel van hebben aangetrokken, dat hij den koningstitel verloor. Hij slikt er niet minder vruchten om, en zijn machtig geluid domineert nog heel het bosch.Hoor! Boven het breede ravijn klinkt een galm uit de witte wolken, twee zwarte stippen teekenen zich af. „A-ngok” klinkt het nasaal-zwaar over de zwijgende rimba, waar al wat leeft schijnt te luisteren. En nu het reuzenpaar nadert, komt een wonderlijk geluid aanbruisen, het zware, rhythmische geluid van den vleugelslag. „Sjoep, sjoep”, blaast en fluit de lucht tusschen de veerschachten en langs de vleugelbeenderen met hun dunwandige cellen en verbazingwekkenden luchtvoorraad.[139]Als de twee vleugelparen even hetzelfde tempo hebben, is het krachtige geluid bepaald dreigend, maar het is altijd zoo, dat men ernaarmoetluisteren, alleen de cicade zet zijn eeuwig gezeur voort. Duidelijk is nu de machtige kop aan den uitgestrekten hals te zien, ook het zwarte lichaam; de staart is wit, maar in het midden loopt over alle veeren een breede, zwarte band; die staartveeren van den anggang waren vroeger het helden-teeken voor de Dajaks; alleen zij, die een kop hadden gesneld, mochten de scheede van hun zwaard ermede tooien.Is de anggang—zóó verstaat het Maleische oor den roep, die met „a-ngok” is weergegeven—dus een domineerend man, hij is niet de grootste neushoornvogel in Indië. Maar de allergrootste, die van snavelpunt tot staarteind anderhalven meter meet, is zoo schuw en komt zooveel minder algemeen voor, dat slechts weinig Europeanen zijn bestaan kennen. Ivoor-vogel noemen hem de inheemschen naar den massieven kop-kroon, waaruit vooral de Dajaks op Borneo fraaie versierselen snijden. De Hollanders hebben hem „lachvogel” gedoopt; deze naam schijnt geheel ten onrechte te zijn gegeven indien men alleen maar het begin hoort van het concert, dat hij in de allerhoogste boomen van de rimba geeft, en dat hij, door schrik bevangen, dikwijls afbreekt; de bangerd, die door angst moet boeten, dat hij, in vorige incarnatie als mensch, zijn schoonmoeder heeft vermoord. Heel verdekt stelt hij zich op en spiedt angstig rond; de staart, eindigend in twee veeren, welke bijna negentig centimeter lang zijn, hangt loodrecht neer. Is alles rustig? beweegt zich daar beneden niets? rondom? nergens gevaar??… „Oeoek!” galmt het nu boven het stille bosch, maar dan spiedt hij langen tijd weer rond of zijn roep niet eenig gevaar heeft wakker geroepen. Eindelijk komt de tweede roep, na een iets kortere pauze de volgende, en hoe veiliger hij zich langzamerhand voelt, hoe korter worden de pauzes, wiskunstig zuiver, en eindelijk, als men zich verwonderd afvraagt waar dit naar toe gaat, eindigt de reuzevogel in een honend gelach, niet meer „oe” maar duidelijk „a”… hahahaha! De Maleische legende gaat niet zóó ver, maar het is, of hij vreest den geest van zijn schoonmoeder te zullen oproepen;[140]ontdekt hij die niet, gaat alles goed, dan lacht hij om haar en om zijn eigen angst.Kleiner dan de anggang zijn de neushoornvogels met zwarten snavel, en de witsnavels, die in groote gezelschappen en in oneindig gesnater tot in de kampoeng’s komen als er rijpe ficus-vruchten te smullen zijn. Maar zij zijn stoeiende kwajongens vergeleken bij den waardigen anggang, die door zijn karakter en zijn fierheid zelfs den lachvogel in de schaduw stelt. En de mensch kent hem zooveel beter, omdat de anggang, jong gevangen, zich spoedig in den nieuwen toestand schikt; binnen enkele weken kan hij verlost worden van het traditioneele touw aan een der pooten en geniet in volkomen vrijheid van zijn bestaan, als huisgenoot van den mensch; hij moet echter telkens wat gekortwiekt worden, omdat hij zich anders aan verre vluchten wagen zou en door zijn tamheid een gemakkelijke prooi zou worden voor anderen dan zijn baas.Verschillende anggang’s hebben wij in den loop der jaren in Indië gehad, geen zoo lang als den laatste in de rij, onzen braven Jozef.Jozef was geboren in een boomholte. De Maleier, die hem bij mij bracht, had in het bosch, niet ver van zijn ladang-huisje, gezien, dat een anggang een gat in een boom met klei dicht metselde en hij had begrepen, dat hij bezig was zijn wijfje voor vier weken of meer van de drukke boschwereld af te scheiden. Slechts een klein gat blijft in het metselwerk gespaard, waardoor de hardwerkende man zijn ega voedert. Hij doet dit uit jalouzie, zegt men, en hij moet zóó jaloersch zijn, dat hij zich verontwaardigd van verdere voedering afwendt als hij ontdekt, dat een andere anggang-man zich bij het nest ophoudt en naar binnen gluurt. De arme, onschuldige moeder en haar kroost sterven dan den hongerdood, aangezien zij geheel is aangewezen op de voederballetjes van insecten, boomvruchten en deelen van kruipende dieren gefabriceerd, welke manlief haar in den puntigen snavel aanreikt.Jozef’s moeder had blijkbaar geen aanleiding tot jalouzie opgeleverd; toen het groote oogenblik van verlossing was aangebroken zal het ouderpaar het metselwerk met vereende krachten hebben verwijderd,[141]en op zekeren dag zag de Maleier op de takken van den boom een door het lange, bewegingloos zitten nog stijve moeder en haar kroost, wonderlijke wanstaltige wezens. In de omgeving had de man geen andere anggang’s opgemerkt en toen hij eenigen tijd later, ingelicht door een dwaas geweld dat een anggang laag bij den grond maakte, tusschen de struiken een jong vond, begreep hij een lid van het hem bekende gezin te hebben gevangen. Hij en zijn kinderen voerden het dier met pisang (bananen) en gekookte rijst, zooals de doorsnêe binnenlander gewoon is alle gevangen vogels te voederen; zij zijn dan zeer verbaasd, indien een of andere roofvogel weigert te eten en zich maar „koppig” neerzet om in de kleine kooi te sterven; ditmaal ging het best, toevallig kon men den kleinen anggang geen beter voedsel in den grooten bek wringen. En toen er een behoorlijke prijs voor hem kon worden gevraagd, werd hij aan ons verkocht.Wij wisten al, dat een anggang niet geliefkoosd kan worden; aaien over den kop of over den rug is een genot voor papegaaien en loeri’s, maar buiten deze „kopje-krauw’s” zijn vogels er niet bijzonder van gediend. Maar als men een jongen anggang, die zich al enigszins aangepast heeft aan de nabijheid van den mensch, liefkoozend toespreekt, dan reageert hij in een zachten, onderdrukten eenklank, dien wij als „jóos” hoorden. Daarom heetten bij ons de anggang’s Jozef, en deze Jozef reageerde altijd, als men een lief buiginkje in zijn naamklank bracht.Jozef had in een klein, vies hokje gezeten, zijn toilet was slecht verzorgd, de lange oogharen om de verstandige oogen met hun menschelijke oogleden, waren dicht bezet met roode luisjes, en het deed hem geweldig pijn toen hij er voorzichtig van verlost werd; hij heeft mij dat in jaren niet geheel kunnen vergeven.Jozef was eigenlijk wanstaltig, vooral in de eerste jaren van zijn leven, toen hij nog niet volgroeid was, een proces, waarover de anggang minstens drie jaren doet. Vooral de nestharen aan den zwaren nek stonden zoo weinig gesoigneerd, en dan die malle kop! Eerst later, toen de roode kroon aanzwol en de veeren glad waren, zag Joos er representabel uit, maar toch bleef hij een wonderlijk geheel, vooral[142]als hij mal rondhupte op de grove grijpvoeten; zij waren ganschelijk niet daarvoor geschapen, toch deed hij het met blijkbaar pleizier, al moest op een langen tocht wel telkens halt worden gemaakt. Trouwens, daarvoor waren ook andere redenen; er kon niets boven hem vliegen of bewegen, tot zwaluwen hoog in de wolken toe, of Jozef draaide den kop 90 graden en bekeek het object in peinzend filosofeeren met het naar boven gewende oog, en hij trok er zich niets van aan, als de menschen er om lachten.Jozef was den geheelen dag bezig, in beweging, of als wijs filosoof; zelden sliep hij overdag als er menschen in de buurt waren met wie hij op zijn manier voeling zocht. Zijn dagelijksche omgang was de tuinjongen, die voor planten en dieren zorgde, het gras op de gazons kort hield en de paden wiedde. Vooral bij dit laatste werk was Jozef vol daadwerkelijke belangstelling, en uren lang zat hij bij den „kebon” en keek toe, zocht telkens den hemel af met één oog en zei zoo nu en dan heel zacht: jóos. Maar in het bijzonder gold zijn belangstelling de heel mooie witte steentjes op de grindpaden, hij zocht ze uit, voelde ze aan, slingerde ze een paar decimeter de lucht in en ving ze weer op. Jozef was een geweldig vanger, hij miste nooit. Toen dit opviel, werden natuurlijk allerlei vangproeven met hem genomen, en nooit hebben wij gezien, dat hij den kleinsten rijstkorrel miste!Niet doorloopend had de kebon zijn gezelschap, dat hing van de gebeurtenissen van den dag af. Toen onze kinderen tijdens den wereldoorlog uit Holland overkwamen, ging een belangrijk deel van zijn affectie op hen over. En als de meisjes in de achtergalerij aan handwerkjes bezig waren, kon hij een ganschen morgen naast haar op het traliewerk om de galerij zitten, droomerig filosofeerend of zich uitslovend om een buit gemaakt kleurig wollen draadje op te slingeren en weer op te vangen, waarbij hij uit den aard der zaak met groote moeilijkheden te kampen had.In dit rustig bestaan kwam opeens een zeer belangrijke gebeurtenis een nieuw veld van belangstelling en arbeid openen. De kinderen hadden ergens twee heel jonge aapjes uit de handen van plagende jongens gered, en de tuinjongen had een jong biggetje, dat op onbegrijpelijke[143]wijze ergens uit een Chineesch varkenshok was ontsnapt en in een bijna drogen put was terechtgekomen, uit de modder gevischt. Nu kon het niet anders, of er moest een groote volière worden gebouwd, waarin deze menagerie tot haar recht kon komen. Al spoedig vermeiden de aapjes zich op rekstokken en schommeltjes, in de volière aangebracht, en een hunner deed dagelijks een rit op den rug van het heftig protesteerend biggetje. Voor Jozef een nieuwe wereld, en een drukte en actie als hem zelf geheel vreemd waren. Maanden lang was hij belangstellend toeschouwer, van buiten het gaas, en al dichter en dichter waagde hij zich bij de grijphandjes der apen, die met plotselinge uitvallen trachtten den staart van Jozef te pakken te krijgen als hij daartoe de kans gaf. Maar een straffende tik met het bijltje, zooals wij Jozef’s snavel noemden, deed hen terug deinzen, om dadelijk weer de goede kans te beloeren. Soms hielden zij Jozef met een plagend handje bezig, om, met een uitgestreken gezicht, behoedzaam een achterpoot door de grove mazen van het gaas rechtuit te schuiven en zoodoende den aanlokkelijken staart te benaderen. Maar het bleef steeds een zachtaardig spelletje en nimmer deden zij elkaar bepaald kwaad. Zoo was een groote vriendschap ontstaan, en als zij in den middag hun maaltje rijst en bananen of andere vruchten kregen, was het bij de volière een gezellige drukte, de aapjes en het biggetje binnen, Jozef als belangstellend publiek buiten de volière.Op een goeden dag zagen wij iets zeer merkwaardigs gebeuren.Jozef had een blijkbaar voldoende portie pisang opgeslokt en bleef met een stuk banaan in den snavel zitten. Plotseling nam hij een besluit, wipte tot vlak tegen het gaas en stak een der aapjes het stukje pisang toe, dat dadelijk en met graagte werd aanvaard; de wangzakjes waren eigenlijk al vol, geen nood, met den rugkant van ’t handje werd duwend toch nog plaats gemaakt. Dat moest toeval zijn! Wij wisten hoe „menschelijk” Jozef was, maar dit leek ons zoo ongelooflijk, dat hier aan zuiver toeval moest worden gedacht. Maar neen, sinds dien dag bleef Jozef de heertjes geregeld bedienen. Vooral Klappie, de kleine klapperaap met zijn guitig varkensstaartje, werd bevoorrecht en de kleine schavuit beschouwde dit spoedig met een zeker air van[144]quasi-onverschilligheid als een hem toekomend recht. Als hij zag, dat het moment gekomen was, schurkte hij zich in een hoekje van de volière, op den grond, de handjes op schoot, het hoofd onverschillig afgewend. En de brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje, dat met één handje, als was het hem eigenlijk te veel, genadig werd aanvaard. Als wij gasten hadden, werd telkens de vertooning gegeven, velen hebben zich dan ook van dit merkwaardig gebeuren overtuigd.De brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje.Toen kwam de groote verhuizing naar Palembang, onze kinderen hadden ons alweer verlaten, en zoo namen wij afscheid van de aapjes en het biggetje, dat inmiddels een vet knorrepotje geworden was; zij gingen over in handen van een anderen dierenvriend; door hun de vrijheid te geven, zooals wij met onze boschvogels hadden gedaan, zouden wij de ontaarde kereltjes den dood hebben ingejaagd. Maar Jozef reisde natuurlijk met ons mede. Het residentshuis te Palembang heeft aan de achterzijde een groot erf, geheel door bijgebouwen en zware hekken afgesloten en beplant met verschillende schaduwrijke vruchtboomen, een dorado voor Jozef. Hij zal zijn aapjes wel zeer gemist hebben; wel hadden wij een jongen hond, maar deze had het veel te druk met ronddribbelen dan dat hij een rustig vriendje voor Jozef kon zijn. Maar de slimmerd wist raad, hij wachtte tot het hondje ergens lag te slapen, benaderde hem en trachtte een of andere lekkernij tusschen de dichtgeknepen lippen te wringen!maarde ontsteltenis was telkens[145]groot, het dier kon niet vatten, dat Jozef’s scherp bijltje als teeken van vriendschap en zorgende liefde hem in het tandvleesch prikte, en telkens vloog hij met een naren gil op en ontvluchtte kermend het nog juist ontsnapte levensgevaar. Arme Jozef keek dan wel heel ongelukkig, en hij draaide het eene oog naar de wolken om den hemel tot getuige te nemen van zijn nobele bedoelingen.Toen kwam op een morgen een man uit de Boven-Moesi met een jong hert te koop, een bok, maar er was nog geen spoor van de eerste geweiknobbels. Hans werd nu Jozef’s kameraad, een wild hert uit de ruige struiken en een vogel uit de hooge boomen gezworen kameraden!Toch duurde het maanden voor de twee gewend waren aan elkaars onmiddellijke nabijheid, maar toen was ook voor Jozef het oogenblik daar, om blijk te geven van zijn affectie. Ook Hans was er in het geheel niet van gediend, voor hem was het eenvoudig om aan het bijltje te ontkomen, hij stak den kop de lucht in, de ooren in den nek, maar telkens weer deed de brave vogel zijn best, en te oordeelen naar wat later gebeurde, moeten zijn pogingen toch niet altijd zijn afgewezen.Op een goeden morgen namelijk werden wij geroepen door onze kokkin, wij moesten dadelijk komen kijken, nu gebeurde er iets, dat de bediendenschaar in groote verbazing bracht!De kokki had ’s morgens vroeg een partijtje aardappels, die begonnen uit te loopen, te luchten gelegd op het groote waterreservoir van beton, dat op het achtererf van de woning is aangebracht. Hans rook, dat daar iets naar zijn gading lag, maar al ging hij ook op de teenen staan en spande zijn hals als een vioolsnaar, de zoekende mummellippen reikten nog niet aan den rand van den bak. Nu zag Jozef zijn kans, hij vloog op het reservoir, zocht de beste aardappels uit en reikte die zijn vriend aan!Dit is voor ons, dierenvrienden, die allerlei dieren hebben gehad en getracht hebben al hun eigenaardigheden te leeren kennen door goed voor hen te zijn, een moment geweest, dat nu nog telkens wordt opgehaald als het merkwaardigste, dat wij van onze „redelooze” vrienden hebben beleefd. En eerst nu, dat ik de geschiedenis van braven Jozef vastleg, heb ik hem begrepen. Het kan niet anders, of Jozef voelde in[146]zich den drang te doen wat zijn vader en zijn grootvaders hadden gedaan, toen zij hun ingemetseld wijfje de zorgvuldig bespaarde hapjes door het klei-venstertje aanreikten; Jozef’s vaderhart sprak! En al klinkt dit mal, als men een vergelijking treft tusschen den aard en de lichaamsgrootte van een hert en een vogel en daarbij het hert als de moeder met de babies denkt, Jozef voelde zich de vader en hij voldeed aan de groote wet, die hem de voederplicht had opgelegd.Jozef is natuurlijk met ons mee verhuisd naar Médan, met Hans. Maar deze werd al spoedig de baas van het hertenparkje, en Jozef heeft nimmer meer een bijzonderen dagelijkschen vriend onder de dieren gehad. Trouwens, hij had er nu ook weinig tijd voor, want hij had het oppertoezicht op zich genomen over alle dieren op het erf der gouverneurswoning teMédan, dat eerder de betiteling van park verdient en waar een gezin van dierenvrienden zich naar hartelust aan hun hobbies kan wijden.Zijn dagelijksche mensch-vriend was nog steeds de trouwe tuinjongen van Bengkoelen en meer en meer sloot Jozef zich bij hem aan en keek toe, dat hij geen der mede-dieren te kort deed. En er waren er zoo eenige. Het werk begon in de vroegte bij de kippen, waaraan de tuinjongen de uiterste zorg besteedde; hij, Lakasah, was zeer trotsch op de Plymouth Rocks, die kregen de eerste zorg; dan volgde het kleine toom Rhode Islands, maar daar keek hij op neer sinds er een veerenpikker onder was, die zijn baas maar niet wilde opruimen. Jozef vond kippen weinig interessant; of hij deed maar zoo, want kuikens hadden zéér zijn belangstelling, zóó zeer, dat hij eens verrast werd, juist bezig om een achterlijk stumperdje een waardig graf te bezorgen. Dat kuiken bleef telkens achter, als moeder-kip met haar kroost voort-kloekte; Jozef zag zijn kans, zijn onderbewustzijn sprak van heerlijke muizen en kruipend gedierte, die een belangrijk deel uitmaken van het anggang-menu in de wildernis, de moederkip was achter een struik verdwenen, hij hoefde niet te vreezen, dat ze als een fregat met volle zeilen op hem af zou stormen … en het nimmer missende bijltje deed zijn werk goed.Bij de groote kooi van den béo, den praatvogel, bleef Jozef dikwijls een tijd achter op den dagelijkschen rondegang van Lakasah. Hij, Jozef,[147]die alleen maar zoo nu en dan zijn zacht geluid deed hooren, moet wel respect gehad hebben voor den béo, den meest perfecten praatvogel ter wereld; kon deze niet roepen en spreken en fluiten als de menschen; en dan zijn meesterlijk kuchen en hoesten!… was daar weer die akelig rochelende Chineesche koeli, die maanden geleden steenen had aangesjouwd? waarom ging daar, plotseling, knarsend de zware garagedeur open, terwijl ze dicht zat? Ja, ja, dat doeik!zei de béo met een houten gezicht; langs zijn gelen snavel loerden de scherpe kraaloogen naar den stillen Jozef met zijn reuzekop.Dan ging hij maar weer voort, Lakasah achterna. Nòg zoo’n schreeuwer kreeg nu diens bezoek; hij was een vlamroode loerie van Ternate, dien een dankbare Maleische jongen, ginds ambtenaar geworden, mij had toegezonden; daarom was de loerie erkentelijk aanvaard, maar hij zette zoo nu en dan de geheele omgeving op stelten; hij kon engelachtig lief teemen en vleien; bij het afroepen van de namen van de bedienden was zijn geluid al meer een oorverscheurend geschater, maar als hij het op zijn heupen had en Ternataansch sprak, tenminste onverstaanbaar, dan kwam er in zijn toespraken zulk een gloed, dat het razen en vloeken leek, zóó, dat een fuselier er eens van bloosde.Nu was Dora aan de beurt, de baby-orang hoetan, die op dezen tijd van den dag haar fleschje melk savoureerde; maar Dora was geen hartsvriendin van Jozef, zij was hem te sluw. Voor de menschen was zij een zacht, drenzend kind en lief keken haar mooie, bruine oogen; maar o wee! als een of ander dier, dat ze aandurfde, onder haar bereik kwam; dan schoot de gespierde arm onverwachts uit, en Jozef had ondervonden, dat die arm veel en veel langer was dan men zou verwachten.Zoo verrichtte Jozef bij nog vele andere dieren zijn dagelijkschen rondgang, en daarna meldde hij zich bij de huisvrouw, als kwam hij rapport uitbrengen. Meer en meer hechtten wij ons aan het brave, gezellige dier, dat haast geen dier meer was; er was ook zoo’n menschelijke uitdrukking gekomen in de oogen met hun mooie, lange oogharen; beste, brave Joos.Op een namiddag, in den zomer van 1923, zat Jozef te rusten op een lagen tak, kijkend naar de dalende zon. Hij had mij met zijn zachten roep[148]gegroet, toen ik hem voorbij ging, naar het tennisveld. Dadelijk daarop moet het gebeurd zijn, want ik had het veld nog niet bereikt, toen Lakasah mij achterna kwam rennen, doodsbleek en met trillende lippen, om mij te zeggen, dat Jozef dood in het gras lag, onder den tak, waar hij zijn baas den laatsten groet gebracht had. Een hartverlamming moet hem van ons hebben weggenomen.Dien avond was de lach gestorven in het gouverneurshuis te Médan.Ornament met toekan.[149]
De neushoornvogel Anggang had een vergadering bijeen geroepen van tal van ontevredenen in de vogelwereld.
De bijeenkomst had een revolutionair karakter, het doel was niet minder dan het afzetten van den koning aller vogels. Tot op het oogenblik, dat de neushoornvogel de leiding nam van de oppositie, was Kang-kok koning geweest in de Maleische landen, en al de eeuwen door had vrede en voorspoed geheerscht. De radja was maar klein en bescheiden, maar hij was rechtvaardig en wijs; zóó wijs, dat hij wist te voorspellen of het oogstjaar een overvloed van granen en vruchten zou brengen. Nu nog weten de menschen, dat de rijstoogst gelukken zal, indien de vriendelijke vogel welbespraakt is en gedurende weken achtereen aan den rand van het bosch zijn naam in herinnering brengt. Het is een vervelend rijmpje op den langen duur, omdat de vogel in toon en maat rotsvast is, maar het geluid is lief en vertrouwelijk, en de hoofdzaak is, dat zijn wijfje op haar nest het hoogelijk schijnt te waardeeren en dat het eentonig liedje haar niet gaat vervelen: kang-kang-kang-kòk … kang-kang-kang-kòk.
In het bijzonder waren het de groote vogels, die in opstand kwamen. Zij vonden het belachelijk door zulk een onaanzienlijk vogeltje te worden geregeerd.
„Kijk eens naar mijn lichaam,” had de neushoornvogel Anggang gezegd, „luister eens naar mijn machtig geluid, en let eens op de[138]kroon op mijn hoofd!” en de vergadering had besloten Kang-kok af te zetten en den reus als opperhoofd te erkennen.
Maar spoedig had men berouw. De nieuwe koning wees alle boschvruchten toe aan de leden van zijn geslacht, en deze veelvraten lieten niets over voor de kleintjes.
En er werd weer een vergadering belegd, en men besloot Kang-kok in eere te herstellen. Maar deze had zijn geheele geslacht weg gezonden uit het ondankbare land, naar Java, en hij zelf kon niet vergeten wat men hem had aangedaan. Toch zwichtte hij ten slotte voor den aandrang der berouwvollen, zij mochten één kangkok-ei van Java halen.
Goede raad was duur, wie zou dat doen? Eindelijk bedacht een klein vogeltje uit de rimba, dat zijn vriend de zweefvlinder het wel zou klaar spelen, die glijdt zoo lang op zijn groote vleugels van crême met zwarte dotten, zonder één slag te doen, hij zou het ei wel over kunnen brengen.
De goede vlinder kweet zich goed van de moeielijke taak; de boeboet broedde het ei uit met zulk een toewijding, dat deze rosse spoorkoekoek er een kaal buikje van overhield, tot den huidigen dag; en de zwarte vorkstaart, die zelfs de grootste roofvogels in de vlucht durft bestoken, hield de wacht. En toen het koningskind volwassen was en tot radja werd verheven, kwam het geheele geslacht Kang-kok terug in de Maleische landen.
De reus met het gekroonde hoofd en den gulzigen bek, zal zich er niet veel van hebben aangetrokken, dat hij den koningstitel verloor. Hij slikt er niet minder vruchten om, en zijn machtig geluid domineert nog heel het bosch.
Hoor! Boven het breede ravijn klinkt een galm uit de witte wolken, twee zwarte stippen teekenen zich af. „A-ngok” klinkt het nasaal-zwaar over de zwijgende rimba, waar al wat leeft schijnt te luisteren. En nu het reuzenpaar nadert, komt een wonderlijk geluid aanbruisen, het zware, rhythmische geluid van den vleugelslag. „Sjoep, sjoep”, blaast en fluit de lucht tusschen de veerschachten en langs de vleugelbeenderen met hun dunwandige cellen en verbazingwekkenden luchtvoorraad.[139]Als de twee vleugelparen even hetzelfde tempo hebben, is het krachtige geluid bepaald dreigend, maar het is altijd zoo, dat men ernaarmoetluisteren, alleen de cicade zet zijn eeuwig gezeur voort. Duidelijk is nu de machtige kop aan den uitgestrekten hals te zien, ook het zwarte lichaam; de staart is wit, maar in het midden loopt over alle veeren een breede, zwarte band; die staartveeren van den anggang waren vroeger het helden-teeken voor de Dajaks; alleen zij, die een kop hadden gesneld, mochten de scheede van hun zwaard ermede tooien.
Is de anggang—zóó verstaat het Maleische oor den roep, die met „a-ngok” is weergegeven—dus een domineerend man, hij is niet de grootste neushoornvogel in Indië. Maar de allergrootste, die van snavelpunt tot staarteind anderhalven meter meet, is zoo schuw en komt zooveel minder algemeen voor, dat slechts weinig Europeanen zijn bestaan kennen. Ivoor-vogel noemen hem de inheemschen naar den massieven kop-kroon, waaruit vooral de Dajaks op Borneo fraaie versierselen snijden. De Hollanders hebben hem „lachvogel” gedoopt; deze naam schijnt geheel ten onrechte te zijn gegeven indien men alleen maar het begin hoort van het concert, dat hij in de allerhoogste boomen van de rimba geeft, en dat hij, door schrik bevangen, dikwijls afbreekt; de bangerd, die door angst moet boeten, dat hij, in vorige incarnatie als mensch, zijn schoonmoeder heeft vermoord. Heel verdekt stelt hij zich op en spiedt angstig rond; de staart, eindigend in twee veeren, welke bijna negentig centimeter lang zijn, hangt loodrecht neer. Is alles rustig? beweegt zich daar beneden niets? rondom? nergens gevaar??… „Oeoek!” galmt het nu boven het stille bosch, maar dan spiedt hij langen tijd weer rond of zijn roep niet eenig gevaar heeft wakker geroepen. Eindelijk komt de tweede roep, na een iets kortere pauze de volgende, en hoe veiliger hij zich langzamerhand voelt, hoe korter worden de pauzes, wiskunstig zuiver, en eindelijk, als men zich verwonderd afvraagt waar dit naar toe gaat, eindigt de reuzevogel in een honend gelach, niet meer „oe” maar duidelijk „a”… hahahaha! De Maleische legende gaat niet zóó ver, maar het is, of hij vreest den geest van zijn schoonmoeder te zullen oproepen;[140]ontdekt hij die niet, gaat alles goed, dan lacht hij om haar en om zijn eigen angst.
Kleiner dan de anggang zijn de neushoornvogels met zwarten snavel, en de witsnavels, die in groote gezelschappen en in oneindig gesnater tot in de kampoeng’s komen als er rijpe ficus-vruchten te smullen zijn. Maar zij zijn stoeiende kwajongens vergeleken bij den waardigen anggang, die door zijn karakter en zijn fierheid zelfs den lachvogel in de schaduw stelt. En de mensch kent hem zooveel beter, omdat de anggang, jong gevangen, zich spoedig in den nieuwen toestand schikt; binnen enkele weken kan hij verlost worden van het traditioneele touw aan een der pooten en geniet in volkomen vrijheid van zijn bestaan, als huisgenoot van den mensch; hij moet echter telkens wat gekortwiekt worden, omdat hij zich anders aan verre vluchten wagen zou en door zijn tamheid een gemakkelijke prooi zou worden voor anderen dan zijn baas.
Verschillende anggang’s hebben wij in den loop der jaren in Indië gehad, geen zoo lang als den laatste in de rij, onzen braven Jozef.
Jozef was geboren in een boomholte. De Maleier, die hem bij mij bracht, had in het bosch, niet ver van zijn ladang-huisje, gezien, dat een anggang een gat in een boom met klei dicht metselde en hij had begrepen, dat hij bezig was zijn wijfje voor vier weken of meer van de drukke boschwereld af te scheiden. Slechts een klein gat blijft in het metselwerk gespaard, waardoor de hardwerkende man zijn ega voedert. Hij doet dit uit jalouzie, zegt men, en hij moet zóó jaloersch zijn, dat hij zich verontwaardigd van verdere voedering afwendt als hij ontdekt, dat een andere anggang-man zich bij het nest ophoudt en naar binnen gluurt. De arme, onschuldige moeder en haar kroost sterven dan den hongerdood, aangezien zij geheel is aangewezen op de voederballetjes van insecten, boomvruchten en deelen van kruipende dieren gefabriceerd, welke manlief haar in den puntigen snavel aanreikt.
Jozef’s moeder had blijkbaar geen aanleiding tot jalouzie opgeleverd; toen het groote oogenblik van verlossing was aangebroken zal het ouderpaar het metselwerk met vereende krachten hebben verwijderd,[141]en op zekeren dag zag de Maleier op de takken van den boom een door het lange, bewegingloos zitten nog stijve moeder en haar kroost, wonderlijke wanstaltige wezens. In de omgeving had de man geen andere anggang’s opgemerkt en toen hij eenigen tijd later, ingelicht door een dwaas geweld dat een anggang laag bij den grond maakte, tusschen de struiken een jong vond, begreep hij een lid van het hem bekende gezin te hebben gevangen. Hij en zijn kinderen voerden het dier met pisang (bananen) en gekookte rijst, zooals de doorsnêe binnenlander gewoon is alle gevangen vogels te voederen; zij zijn dan zeer verbaasd, indien een of andere roofvogel weigert te eten en zich maar „koppig” neerzet om in de kleine kooi te sterven; ditmaal ging het best, toevallig kon men den kleinen anggang geen beter voedsel in den grooten bek wringen. En toen er een behoorlijke prijs voor hem kon worden gevraagd, werd hij aan ons verkocht.
Wij wisten al, dat een anggang niet geliefkoosd kan worden; aaien over den kop of over den rug is een genot voor papegaaien en loeri’s, maar buiten deze „kopje-krauw’s” zijn vogels er niet bijzonder van gediend. Maar als men een jongen anggang, die zich al enigszins aangepast heeft aan de nabijheid van den mensch, liefkoozend toespreekt, dan reageert hij in een zachten, onderdrukten eenklank, dien wij als „jóos” hoorden. Daarom heetten bij ons de anggang’s Jozef, en deze Jozef reageerde altijd, als men een lief buiginkje in zijn naamklank bracht.
Jozef had in een klein, vies hokje gezeten, zijn toilet was slecht verzorgd, de lange oogharen om de verstandige oogen met hun menschelijke oogleden, waren dicht bezet met roode luisjes, en het deed hem geweldig pijn toen hij er voorzichtig van verlost werd; hij heeft mij dat in jaren niet geheel kunnen vergeven.
Jozef was eigenlijk wanstaltig, vooral in de eerste jaren van zijn leven, toen hij nog niet volgroeid was, een proces, waarover de anggang minstens drie jaren doet. Vooral de nestharen aan den zwaren nek stonden zoo weinig gesoigneerd, en dan die malle kop! Eerst later, toen de roode kroon aanzwol en de veeren glad waren, zag Joos er representabel uit, maar toch bleef hij een wonderlijk geheel, vooral[142]als hij mal rondhupte op de grove grijpvoeten; zij waren ganschelijk niet daarvoor geschapen, toch deed hij het met blijkbaar pleizier, al moest op een langen tocht wel telkens halt worden gemaakt. Trouwens, daarvoor waren ook andere redenen; er kon niets boven hem vliegen of bewegen, tot zwaluwen hoog in de wolken toe, of Jozef draaide den kop 90 graden en bekeek het object in peinzend filosofeeren met het naar boven gewende oog, en hij trok er zich niets van aan, als de menschen er om lachten.
Jozef was den geheelen dag bezig, in beweging, of als wijs filosoof; zelden sliep hij overdag als er menschen in de buurt waren met wie hij op zijn manier voeling zocht. Zijn dagelijksche omgang was de tuinjongen, die voor planten en dieren zorgde, het gras op de gazons kort hield en de paden wiedde. Vooral bij dit laatste werk was Jozef vol daadwerkelijke belangstelling, en uren lang zat hij bij den „kebon” en keek toe, zocht telkens den hemel af met één oog en zei zoo nu en dan heel zacht: jóos. Maar in het bijzonder gold zijn belangstelling de heel mooie witte steentjes op de grindpaden, hij zocht ze uit, voelde ze aan, slingerde ze een paar decimeter de lucht in en ving ze weer op. Jozef was een geweldig vanger, hij miste nooit. Toen dit opviel, werden natuurlijk allerlei vangproeven met hem genomen, en nooit hebben wij gezien, dat hij den kleinsten rijstkorrel miste!
Niet doorloopend had de kebon zijn gezelschap, dat hing van de gebeurtenissen van den dag af. Toen onze kinderen tijdens den wereldoorlog uit Holland overkwamen, ging een belangrijk deel van zijn affectie op hen over. En als de meisjes in de achtergalerij aan handwerkjes bezig waren, kon hij een ganschen morgen naast haar op het traliewerk om de galerij zitten, droomerig filosofeerend of zich uitslovend om een buit gemaakt kleurig wollen draadje op te slingeren en weer op te vangen, waarbij hij uit den aard der zaak met groote moeilijkheden te kampen had.
In dit rustig bestaan kwam opeens een zeer belangrijke gebeurtenis een nieuw veld van belangstelling en arbeid openen. De kinderen hadden ergens twee heel jonge aapjes uit de handen van plagende jongens gered, en de tuinjongen had een jong biggetje, dat op onbegrijpelijke[143]wijze ergens uit een Chineesch varkenshok was ontsnapt en in een bijna drogen put was terechtgekomen, uit de modder gevischt. Nu kon het niet anders, of er moest een groote volière worden gebouwd, waarin deze menagerie tot haar recht kon komen. Al spoedig vermeiden de aapjes zich op rekstokken en schommeltjes, in de volière aangebracht, en een hunner deed dagelijks een rit op den rug van het heftig protesteerend biggetje. Voor Jozef een nieuwe wereld, en een drukte en actie als hem zelf geheel vreemd waren. Maanden lang was hij belangstellend toeschouwer, van buiten het gaas, en al dichter en dichter waagde hij zich bij de grijphandjes der apen, die met plotselinge uitvallen trachtten den staart van Jozef te pakken te krijgen als hij daartoe de kans gaf. Maar een straffende tik met het bijltje, zooals wij Jozef’s snavel noemden, deed hen terug deinzen, om dadelijk weer de goede kans te beloeren. Soms hielden zij Jozef met een plagend handje bezig, om, met een uitgestreken gezicht, behoedzaam een achterpoot door de grove mazen van het gaas rechtuit te schuiven en zoodoende den aanlokkelijken staart te benaderen. Maar het bleef steeds een zachtaardig spelletje en nimmer deden zij elkaar bepaald kwaad. Zoo was een groote vriendschap ontstaan, en als zij in den middag hun maaltje rijst en bananen of andere vruchten kregen, was het bij de volière een gezellige drukte, de aapjes en het biggetje binnen, Jozef als belangstellend publiek buiten de volière.
Op een goeden dag zagen wij iets zeer merkwaardigs gebeuren.
Jozef had een blijkbaar voldoende portie pisang opgeslokt en bleef met een stuk banaan in den snavel zitten. Plotseling nam hij een besluit, wipte tot vlak tegen het gaas en stak een der aapjes het stukje pisang toe, dat dadelijk en met graagte werd aanvaard; de wangzakjes waren eigenlijk al vol, geen nood, met den rugkant van ’t handje werd duwend toch nog plaats gemaakt. Dat moest toeval zijn! Wij wisten hoe „menschelijk” Jozef was, maar dit leek ons zoo ongelooflijk, dat hier aan zuiver toeval moest worden gedacht. Maar neen, sinds dien dag bleef Jozef de heertjes geregeld bedienen. Vooral Klappie, de kleine klapperaap met zijn guitig varkensstaartje, werd bevoorrecht en de kleine schavuit beschouwde dit spoedig met een zeker air van[144]quasi-onverschilligheid als een hem toekomend recht. Als hij zag, dat het moment gekomen was, schurkte hij zich in een hoekje van de volière, op den grond, de handjes op schoot, het hoofd onverschillig afgewend. En de brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje, dat met één handje, als was het hem eigenlijk te veel, genadig werd aanvaard. Als wij gasten hadden, werd telkens de vertooning gegeven, velen hebben zich dan ook van dit merkwaardig gebeuren overtuigd.
De brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje.
Toen kwam de groote verhuizing naar Palembang, onze kinderen hadden ons alweer verlaten, en zoo namen wij afscheid van de aapjes en het biggetje, dat inmiddels een vet knorrepotje geworden was; zij gingen over in handen van een anderen dierenvriend; door hun de vrijheid te geven, zooals wij met onze boschvogels hadden gedaan, zouden wij de ontaarde kereltjes den dood hebben ingejaagd. Maar Jozef reisde natuurlijk met ons mede. Het residentshuis te Palembang heeft aan de achterzijde een groot erf, geheel door bijgebouwen en zware hekken afgesloten en beplant met verschillende schaduwrijke vruchtboomen, een dorado voor Jozef. Hij zal zijn aapjes wel zeer gemist hebben; wel hadden wij een jongen hond, maar deze had het veel te druk met ronddribbelen dan dat hij een rustig vriendje voor Jozef kon zijn. Maar de slimmerd wist raad, hij wachtte tot het hondje ergens lag te slapen, benaderde hem en trachtte een of andere lekkernij tusschen de dichtgeknepen lippen te wringen!maarde ontsteltenis was telkens[145]groot, het dier kon niet vatten, dat Jozef’s scherp bijltje als teeken van vriendschap en zorgende liefde hem in het tandvleesch prikte, en telkens vloog hij met een naren gil op en ontvluchtte kermend het nog juist ontsnapte levensgevaar. Arme Jozef keek dan wel heel ongelukkig, en hij draaide het eene oog naar de wolken om den hemel tot getuige te nemen van zijn nobele bedoelingen.
Toen kwam op een morgen een man uit de Boven-Moesi met een jong hert te koop, een bok, maar er was nog geen spoor van de eerste geweiknobbels. Hans werd nu Jozef’s kameraad, een wild hert uit de ruige struiken en een vogel uit de hooge boomen gezworen kameraden!
Toch duurde het maanden voor de twee gewend waren aan elkaars onmiddellijke nabijheid, maar toen was ook voor Jozef het oogenblik daar, om blijk te geven van zijn affectie. Ook Hans was er in het geheel niet van gediend, voor hem was het eenvoudig om aan het bijltje te ontkomen, hij stak den kop de lucht in, de ooren in den nek, maar telkens weer deed de brave vogel zijn best, en te oordeelen naar wat later gebeurde, moeten zijn pogingen toch niet altijd zijn afgewezen.
Op een goeden morgen namelijk werden wij geroepen door onze kokkin, wij moesten dadelijk komen kijken, nu gebeurde er iets, dat de bediendenschaar in groote verbazing bracht!
De kokki had ’s morgens vroeg een partijtje aardappels, die begonnen uit te loopen, te luchten gelegd op het groote waterreservoir van beton, dat op het achtererf van de woning is aangebracht. Hans rook, dat daar iets naar zijn gading lag, maar al ging hij ook op de teenen staan en spande zijn hals als een vioolsnaar, de zoekende mummellippen reikten nog niet aan den rand van den bak. Nu zag Jozef zijn kans, hij vloog op het reservoir, zocht de beste aardappels uit en reikte die zijn vriend aan!
Dit is voor ons, dierenvrienden, die allerlei dieren hebben gehad en getracht hebben al hun eigenaardigheden te leeren kennen door goed voor hen te zijn, een moment geweest, dat nu nog telkens wordt opgehaald als het merkwaardigste, dat wij van onze „redelooze” vrienden hebben beleefd. En eerst nu, dat ik de geschiedenis van braven Jozef vastleg, heb ik hem begrepen. Het kan niet anders, of Jozef voelde in[146]zich den drang te doen wat zijn vader en zijn grootvaders hadden gedaan, toen zij hun ingemetseld wijfje de zorgvuldig bespaarde hapjes door het klei-venstertje aanreikten; Jozef’s vaderhart sprak! En al klinkt dit mal, als men een vergelijking treft tusschen den aard en de lichaamsgrootte van een hert en een vogel en daarbij het hert als de moeder met de babies denkt, Jozef voelde zich de vader en hij voldeed aan de groote wet, die hem de voederplicht had opgelegd.
Jozef is natuurlijk met ons mee verhuisd naar Médan, met Hans. Maar deze werd al spoedig de baas van het hertenparkje, en Jozef heeft nimmer meer een bijzonderen dagelijkschen vriend onder de dieren gehad. Trouwens, hij had er nu ook weinig tijd voor, want hij had het oppertoezicht op zich genomen over alle dieren op het erf der gouverneurswoning teMédan, dat eerder de betiteling van park verdient en waar een gezin van dierenvrienden zich naar hartelust aan hun hobbies kan wijden.
Zijn dagelijksche mensch-vriend was nog steeds de trouwe tuinjongen van Bengkoelen en meer en meer sloot Jozef zich bij hem aan en keek toe, dat hij geen der mede-dieren te kort deed. En er waren er zoo eenige. Het werk begon in de vroegte bij de kippen, waaraan de tuinjongen de uiterste zorg besteedde; hij, Lakasah, was zeer trotsch op de Plymouth Rocks, die kregen de eerste zorg; dan volgde het kleine toom Rhode Islands, maar daar keek hij op neer sinds er een veerenpikker onder was, die zijn baas maar niet wilde opruimen. Jozef vond kippen weinig interessant; of hij deed maar zoo, want kuikens hadden zéér zijn belangstelling, zóó zeer, dat hij eens verrast werd, juist bezig om een achterlijk stumperdje een waardig graf te bezorgen. Dat kuiken bleef telkens achter, als moeder-kip met haar kroost voort-kloekte; Jozef zag zijn kans, zijn onderbewustzijn sprak van heerlijke muizen en kruipend gedierte, die een belangrijk deel uitmaken van het anggang-menu in de wildernis, de moederkip was achter een struik verdwenen, hij hoefde niet te vreezen, dat ze als een fregat met volle zeilen op hem af zou stormen … en het nimmer missende bijltje deed zijn werk goed.
Bij de groote kooi van den béo, den praatvogel, bleef Jozef dikwijls een tijd achter op den dagelijkschen rondegang van Lakasah. Hij, Jozef,[147]die alleen maar zoo nu en dan zijn zacht geluid deed hooren, moet wel respect gehad hebben voor den béo, den meest perfecten praatvogel ter wereld; kon deze niet roepen en spreken en fluiten als de menschen; en dan zijn meesterlijk kuchen en hoesten!… was daar weer die akelig rochelende Chineesche koeli, die maanden geleden steenen had aangesjouwd? waarom ging daar, plotseling, knarsend de zware garagedeur open, terwijl ze dicht zat? Ja, ja, dat doeik!zei de béo met een houten gezicht; langs zijn gelen snavel loerden de scherpe kraaloogen naar den stillen Jozef met zijn reuzekop.
Dan ging hij maar weer voort, Lakasah achterna. Nòg zoo’n schreeuwer kreeg nu diens bezoek; hij was een vlamroode loerie van Ternate, dien een dankbare Maleische jongen, ginds ambtenaar geworden, mij had toegezonden; daarom was de loerie erkentelijk aanvaard, maar hij zette zoo nu en dan de geheele omgeving op stelten; hij kon engelachtig lief teemen en vleien; bij het afroepen van de namen van de bedienden was zijn geluid al meer een oorverscheurend geschater, maar als hij het op zijn heupen had en Ternataansch sprak, tenminste onverstaanbaar, dan kwam er in zijn toespraken zulk een gloed, dat het razen en vloeken leek, zóó, dat een fuselier er eens van bloosde.
Nu was Dora aan de beurt, de baby-orang hoetan, die op dezen tijd van den dag haar fleschje melk savoureerde; maar Dora was geen hartsvriendin van Jozef, zij was hem te sluw. Voor de menschen was zij een zacht, drenzend kind en lief keken haar mooie, bruine oogen; maar o wee! als een of ander dier, dat ze aandurfde, onder haar bereik kwam; dan schoot de gespierde arm onverwachts uit, en Jozef had ondervonden, dat die arm veel en veel langer was dan men zou verwachten.
Zoo verrichtte Jozef bij nog vele andere dieren zijn dagelijkschen rondgang, en daarna meldde hij zich bij de huisvrouw, als kwam hij rapport uitbrengen. Meer en meer hechtten wij ons aan het brave, gezellige dier, dat haast geen dier meer was; er was ook zoo’n menschelijke uitdrukking gekomen in de oogen met hun mooie, lange oogharen; beste, brave Joos.
Op een namiddag, in den zomer van 1923, zat Jozef te rusten op een lagen tak, kijkend naar de dalende zon. Hij had mij met zijn zachten roep[148]gegroet, toen ik hem voorbij ging, naar het tennisveld. Dadelijk daarop moet het gebeurd zijn, want ik had het veld nog niet bereikt, toen Lakasah mij achterna kwam rennen, doodsbleek en met trillende lippen, om mij te zeggen, dat Jozef dood in het gras lag, onder den tak, waar hij zijn baas den laatsten groet gebracht had. Een hartverlamming moet hem van ons hebben weggenomen.
Dien avond was de lach gestorven in het gouverneurshuis te Médan.
Ornament met toekan.
[149]