DE BIBLIOTHEEK.

[Inhoud]DE BIBLIOTHEEK.** gradenFahrenheit—dat is de rechte hoogte!Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen.Ik ben.… ik durf het haast niet zeggen.… ik bid u, als gij in een kwade luim zijt, lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een tegenzin tegen mij inboezemen. Maar, als gij eens in een buitengewoon vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt kunnen hooren zonder boos te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven, sla dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der vreemdste vergissing, waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte.Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur!Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn physiologische zwakheid een psychologischen draai te geven. Ik spreek niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur. Ik bedoel vuur in den eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom vuur, zoo als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik zou zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door de ontbranding van hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen wordt voortgebracht.Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven zulk een zinnelijke gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen heeten, sedert het geen elementen meer zijn) weten te verheffen. Men moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los te maken. Men moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag legt, die zich aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst, daardoor verwekt, met sneeuw van denSt. Bernardverslaat. UEd. en zeer Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû of warmte te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste menschelijke privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te zijn, en den contrôleur onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons bevinden, te regelen. Maar UEd. en zeerGel. isPhilosophiae Doctor, en ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe geroepen, eenimpermeablevan ongevoeligheid ommijngevoelige leden te slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik[119]heb een natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor betaald, zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij den regisseur van het groote wereldtooneel voor het karakter van overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen, eer ik dat engagement breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dansybarietzijn, en tegen een gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist, zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. eenPhilosophiae Doctoris.Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van koû ben. Neen! ik ben evenzeer een vijand van een gematigde temperatuur; ik hou van heet, positief heet. Overal waar ik kom, ben ik een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne de eerste stralen van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van kennis te maken met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij lief heeft werpt, als hij mij ziet aankomen, nog in de vlucht een extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame van mijn kennis, die mij om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd juist een nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn gehardheid tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige zeldzaamheid, waaromtrent ik het niet eens ben, of ik die salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling der natuur, of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij zijn te vragen, wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn lichaam het een of ander niet bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: maar loop dan toch zoo niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, of ik het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel in Gods hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan er niet tegen: de natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter misslag, dan toen zij mij, wiens lichaam de onbeschaamdste vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren worden waar men van de zon derfireworshippers—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel mogelijk in het brandpunt van onze bleeke dagmaan1plaats, met het gevoel van een wrange October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur stilzwijgend verwijt, dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig gloed voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist. Indien ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet! ik ben hier eenexotischeplant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen van zekere steenen, die bij een onweder uit de lucht komen vallen, waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op[120]aarde te komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een noodlottige vergissing van de een of andere warmer star op aarde verdwaald geraakt. Wie weet! misschien ben ik oorspronkelijk wel „een Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. Hoe het zij, het is droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten kwade duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente portie van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door in het winterhalfjaar mijn schâ zooveel mogelijk in te halen.In den winter—Dan zomert het binnen bij beukstam en veen,zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan ieder zijn eigen Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn gestarnte rollen als hij verkiest. Dan wordt men door geen tyrannieke wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen, zijn corpus altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren (kanonskogelmaat) van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd! Dan heb ik niet naar boven te zien, om mij te beklagen, dat de hond in den dierenriem noch niet dol van hitte, en de kreeft noch niet rood gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan maak ik met mijn thermometer mijn eigenzodiac, en schep naar verkiezing een Oostersche, ja, een Keerkringswarmte.Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en daag u uit mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn redelijke en zedelijke lezer, in de stemming van algemeene menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer mij brengt, kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben, als ik mijn vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles bedriegelijk en aan verandering onderworpen; maar iets materieels als een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid niet. Altijd is hij heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft hem niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben, is in het najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst. Verkwisting put hem niet uit, want al heeft hij den vorigen dag stapels hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt weêr met dezelfde geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden hem de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele houding is vol vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den anderen kant de vatbaarheid voor de meeste der overige genoegens met den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om zich te verwarmen neemt met de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer onze rechten op een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer ik aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood niet weg te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die een zeer warm uiteinde hebben.[121]Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de mogelijke gevolgen van zulk eenhartstochtnog een oogenblik op te schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek dat mij van dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn winterplichten of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook heb ik daartoe geen verzoeking. Want ik bid u instantelijk, mijn vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees voor koude, die sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van hen” een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat spiert de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het metaal de minerale wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de lucht doet; dat verhardt den mensch met den grond, waarop hij gaat. Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden winterdag, wanneer u van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.” En een schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel tintelen, als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wijpariëren, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal aantreffen? Gij gevoelt dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken vriend of armen buurman onbezocht zal laten. Herinner u mijn St. Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen de Koning zijn trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen, verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten, zonder omzien, en trok met een warm hart den vijandelijken winter tegen. En ofschoon de Novembermaand van 1830 al een zeer barre maand was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik geen oogenblik om mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie spot, u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn vrienden! die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels aan de sparren hingen, die ons verwarmden, en de soep aan den rand van den emmer bevroor, waaruit wij het maal onzes bescheidenen deels moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht werden, op den omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons Laplandsch verblijf beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier met name zou kunnen noemen, herinnert zich uit dien nacht iets van een wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer niet recht in de verkleumde armen droeg?Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t voorbijgaan eens prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet toch ook weten, dat ik, met al mijn overgevoelige theoriën, een praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven, Mijneheeren! is de aanhalingin casuvan toepassing, daar er mijnkliëntten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard of vertroeteldwittebroodskindte worden gehouden.Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen.[122]Maar ik kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en dank gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in zulk een aangename stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan wederstaan, een schoon velletje papier en een nieuw versneden pen te nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht te geven. Besteedt menig Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van de Muze, die hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is.Calescimus illo!En indien gij een menschlievend mensch zijt, die gaarne in eens anders vreugde deelt, dan moet het u goed doen, zoo dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming van een tevreden en dankbaar hart te vinden.En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangenamecomfortablekamer. Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige oogenblikken, die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn boezem spint als de poes, die op de warme kruk? bij het vuur ligt.EdithaenJudithblijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder, zoo als wel eens gebeurt, als onrustige kometen door het huis te zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en op den hemel van de koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht naar de komedie te brengen, waar voor de zevende maalRatondoorBertrambij den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen worden. Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten, als anderen zich de moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling te dragen. Mijn kachel—doch daarvan heb ik reeds gesproken. Maar waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek!Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de reden veel gemakkelijker te vinden is, danlucus a non lucendo. Reeds als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte hoes te loeren, die decausa movensder marionetten voor mij verborg. Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige verbeiding voor het doek, waaropder kunsten God aan ’t Y, veel te lang voor mijn ongeduld,verdiensten en deugd alleenbekroonde. Als jongeling hadden weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende omtrekken op een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige aantrekkelijkheid. Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting op eenig voorhangsel, dan op het dikke groene kleed, dat ginds mijn boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld scheidt. En toch, nooit vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men er u voor waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te vertrouwen. Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of de ijdelheid over de nietigheid der aardsche dingen spreidt. Althans sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden, den prijs beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit genomen, voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met het ontdekte en bekende te behelpen. Maar[123]dit moet ik tot eere van mijn Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel. Achter haar nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik haar ook immer opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening vallen, als ik den Auteur, dien ik aan haar schaduw onttrokken had, weêr aan haar bescherming toevertrouwde. Ja, mijn eenvoudige voorhang! Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten en droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der wetenschap, tot het Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt als een wolk hetElysium, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen toespreken!Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook zóóveel voor mij!„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn de ruime wereld door te trekken met even weinig deelneming, als een vogel door de lucht vliegt, of als Mr.Sharpin zijn reiskoetsItaliëdoorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in hunne studeerkamer, in eene maatschappij van boeken, en de macht verleend om rondom zich een papieren wereld te scheppen, waarvan zij de onafhankelijkste wetgevers zijn.”Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven, dat mijn kleine boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn leven vervult.Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis komen, komen op dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter beschreven:Goeden avond, hartig wijf,Mijn geluk en lust!Dat mij vurig prangt aan ’t lijf,En mij welkom kust.Goeden avond!—Eerst nu ’t wiegkleed opgedektVan het speelziek wicht,Dat de handjes tot mij strekt,Reeds met de oogjes digt.Eerst mijn kussen omgedeeld.Tusschen al mijn kroost,Dat mij hand en wangen streelt,En mij kust en koost.Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning terugkeerende niets te vragen heeft, dan:Judith!is mijn kamer in orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later sta ik voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn speelpopjes, mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite van mijn dagelijkschen arbeid beloonen. Die moeten[124]door hun gesnap mij den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het mislukt hun wel eens. Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand waaraan het geopend boek ontzonken is onder het hoofd, en in diep gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos de handen naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn maar enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen heb ik mij over mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen. Veeleer heeft zij alle reden van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een boekvertrek is—nooit dringen er dartele gasten binnen, om van mijn folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijnduodecimo’sbeschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen, dat er onder het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij staat, die met een zachte hand mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen zoo licht een geheele stoornis in de lektuur veroorzaakt.—Neen, als ik eens haar drempel ben overgetreden,sum totus in illo. Dan ben ik enkel boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin zij mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een Bibliothekaris geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester hebben kan, dan mij.Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor liefde. Ik zou vruchteloos beproeven u een denkbeeld te geven van het genoegen, dat ik haar te danken heb.Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn reispak aan te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon met driekleurige sjerp, fluweelen kalotje en saaietten pantoffels, door de hand vanEdithagewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een hooge stoel met breeden rug, lage zitting en bekleede armen. Na mij alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het teeken van vertrek.… het boek valt open.… en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom ik dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De zevenmijlslaarzen uit de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien iemand tegen mij zou kunnen reizen, moesten het de heksen van denBloksbergop haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo doe! De hoogste hoogte van denMontblancwordt door mij betreden, tot in de diepste laagte van denVesuviusdaal ik af; nu wasch ik mijn handen op denChimboraçoin de wolken, dan zoek ik in een duikersklok op den bodem der zee de schatten, waarvan dePeri’szingen. Nu nader ik tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;” dan zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren wordt; nu zie ik de aardeà vol d’oiseau, danà vue de taupe. Vreemde en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel met den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op arenden en klipgeiten, ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer aloë’s en kokosnoten, en[125]antiquariseer pyramides en andere kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien van mijn reisgenooten, zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzenVan Braamin de audiëntiezaal van den Keizer vanChina;Lamartineopent mij den toegang tot de Koningin vanPalmyra;Byronleidt mij in bijAlivanJanina; zelfs ontsluit LadyMontaguemij den harem des Sultans. En dat alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze zon der Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de Noordpool mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er kalm onder. Ik ben getuige van de vreeselijkste stormen, hoor de verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste dampen in, drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten aard-oven, zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk! Er bestaat tusschen mij en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van sympathie. Ik zou haar willen vergelijken met die vanMeleagervoor zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit onderscheid, dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan een pleizierige warmte veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen dreigen te verscheuren, kittelen de mijne op een aangename wijze; de angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken het mijne een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoetevoluptas tragicagedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom de wereld de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed doen.Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij is en haar bewoners zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een aarde zoo als er geen is, en bewoners zooals er niet zijn. In haar schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met een tooverslag uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst. Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te verschalken; de Gelukkige Vallei is voor haar niet verborgen; de hal vanEblisweigert haar geen toegang; het eiland vanProsperodaagt voor haar uit de zee; het paleis vanMahomedontsluit zijn gouden poorten; de Cherub vanEdendraagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de Engelen ontzeggen haar niet een enkelen blik in hun zalige verblijven te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde wel schoon en goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel van Gods almacht en liefde: de vromeCamphuijzenheeft gelijk:Och, waren alle menschen wijs,En deden daarbij wel,Deze aarde ware een paradijs.Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder reikt dan zijn oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter schepping te verplaatsen, waarvan het onvolmaakte der oude aarde is[126]afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in een zuiverder aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een eeuwige lente over de winters der aarde te troosten. Toch is het een wellust voor iemand, wiens verwachting verder reikt dan zijn gezicht, zich de nieuwe aarde te droomen, „nederdalende uyt den hemel, als een bruyt die haren manne verciert is;” of als Mozes in verrukking de woning in de lucht te aanschouwen, die men later in wezen hoopt te zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt ontwaken, dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een luchtreis te geleiden. Gelukkig wieDanteenTasso,ShakespeareenMoore,VondelenBilderdijk,KlopstockenSchillerkan oproepen, om hem op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie tot die hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart, door zijn ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie zich door hen moge laten omhoog voeren, als de schildpad door den arend in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef mij gaarne en gewillig aan hunne leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne droomen, ik smaak hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een heerlijk lustoord veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe gordijn visioenen verbergt, waarbij al wat er ooit schitterends van achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel is. Niemand zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om ten hemel op te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een aarde, die een verloren paradijs beweent en een herwonnen paradijs verwacht!Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere gewesten, maar zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En welke menschen! Onder de wijssten, de edelsten, de grootsten, de welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen op een rij geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met mij te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun geest, den bloesem huns harten en het merg van hun vernuft te voeden. Gelukkige uren, die ik, onwaardige, in den kring dezer voortreffelijken doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling bieden zij mij aan! Nu is het mij, of ik mij op de markt vanAthenebevinde, en de donders vanDemosthenestegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij onder het gehoor vanTulliusover den schuldig-onschuldigenLigarius; straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in het stof wentelendeHecuba; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik ontspan mij met de snakerijen van den groot sprekendenThraso; elders wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch worstelperk omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die de kroon[127]des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen, ik ben getuige van de onschuldige dartelheid vanNausikaä, de ondeugende schalkheid vanEunika, of sta als rechter over de zangen vanMenalcasenDamoetas. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den klassieken bodem, om mij met mijn geest in later dagen te verplaatsen. Dan vergezel ikDanteop zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij doorRacinein de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine verbeelding zich opende; dan dool ik aan de zijde vanSchotland’sMeistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des dichters met een tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met bewondering inGöthe’sIfigeniaden geest van een jong leven in een beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan verrukken mij de heerlijke scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek overHooftsluite heengebogen, de balsemluchten vanFlorence; dan hoor ik, aanVondelslippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen kerstnacht klinken; dan roepen de zangen derVan Harens, als een droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij metBilderdijkin den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ikTollensonder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste menschengevoel, dat ooit een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag mij dus niet, of ik tot eenige, en tot welke school ik behoore. Vergun mij geen school te kiezen, maar eeneclecticuste blijven. Waar ik het schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, al is het onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te vinden. In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die van 1815.Aristotelesverbroedert zich metShakespeare,SocratesmetMirabeau,HoratiusmetVictor Hugo,QuinctilianusmetJean Paul. Kan het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook mij tot onpartijdigheid stemmen?Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt, terwijl ik mij in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten verdiepe. O, het hart kan mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het met geen woorden beschrijven, wat ik gevoel, wanneer ik zoo dikwijls bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording uit mijn ziel gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart gelezen. Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker zie uitgesproken, dan ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij mij omgedragen, en beurtelings aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag bevestigd vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de droomen van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd, aanschouwelijker gemaald en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond van anderen het voor mijonuitsprekelijkehoor uitgesproken en alleen zeggen kan:Anch’ io!—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen dadelijke overeenkomst van gedachten tusschen[128]mij en mijn Auteur bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de voeten dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun lippen op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen wellust vindt, grooter zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder spiegels, waarin het verheven-goddelijke en schoon-menschelijke helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het hemelsch-majestueuse en het aardsch-bevallige lichter en welluidender geroerd worden; zuiverder wierookvazen, die voor het eeuwig-heerlijke en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden. O, wanneer ik alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft zich mijn geest bij de gedachte: „Wy syn Godts geslachte!” Hoe hoog klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van menschen-adel! Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een ander leven, maar het krijgt tevens voor mij als ware het een herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in moedeloosheid afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen daarvan reeds eenige trekken ontwaarde. Wanneer eenBossuet, zoo met recht de adelaar vanMeauxgenoemd, wiens arendsoog een blik op de ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig te worden, mij tot voor den troon des Eeuwigen voerde. WanneerFenelon, zoo treffend de zwaan vanKamerijkgeheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden scheen gevonden te hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der hoogste liefde. Wanneer onzeChrysostomus, wiens naam eerbied op mijn lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd wordt, het aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn menschenkind voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn Aartsvaderlijke tafereelen mij in den Schepper van hemel en aarde den God, wat zeg ik, den Vriend vanAbrahamaanschouwen en beminnen deed. Wanneer eenKlopstockin zijn Messias de verhevenheid van den Ziener vanPatmosmet den liefde-ademenden geest van denZebedeus-zoon scheen te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch beeld ineensmolt. Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die menschen het hemelsche nader tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die zij predikten omtrent de onlosmakelijke verwantschap tusschen God en den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen. In hunnen boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende gedachte!—bij den troon des Oneindigen eindigt!.… O, noem het overdrijving, noem het dweperij, zoo ge wilt, ik zal er niets anders op antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste eenmaal dat gevoel kennen moogt, als ik![129]Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het menschelijke in hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers verhalen. Het is mij zoo wèl en goed, als door zulk een beschouwing het geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat daar buiten wel eens een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie dat er nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in wier bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier tranen nog vreemde smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen drogen kunnen. En waarom het ontkend, dat ik daarbij niet vrij van partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig schouderophalen Humoristen noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier van mijn hart die snaren het eerst en zuiverst klinken, die door hun vingers worden aangeslagen? O,Yorick! Yorick!hoe meesterlijk verstaat gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen en dalen, door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het mij aan, of gij mij al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en telkens uw eigen weg schijnt vergeten te zijn; gij kent toch den weg door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uw rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, vademen ver van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar mijn hart, en uw doel om dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik mij er aan, of hier en daar een enkel woord uw radde lippen ontvalt, dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden? Juist dat uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is, met de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons omkeert en leêgstort, juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook niet om onze bewondering en vergoding; gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend met al uw grootere en kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij een heerlijk man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En het is voor mij altijd een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen is:Kom, bij ’t vuur de koude ontweken,Zal vriend Yorick voor ons preken.Vriend Yorick!helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit door mij gezien of gekend! Een vriend—ik hoop het—later door mij te zien en te kennen! met zoo vele anderen, met wie mij hier reeds de gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte viel hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote geesten, die hier in het afgietsel hunner schriften[130]voor mij vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar als levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw hemel en onder hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de aardsche menschen dikwijls reeds zoo wèl kan wezen!Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast dragen dien naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene onder, die het niet beneden zich geacht hebben,Jonathaneen nederig plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch iets eigenaardigs, het werk van een vriend te lezen of te genieten. Daarvoor gaat het hart nog geheel anders open dan voor de stem, die wij nooit levende hoorden. Bij het openen van hun schriften is het alsof zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof hun stem ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van bewondering dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O, het is zoo gelukkig, met de hand op een bladzijde, waarop een groot talent schittert of een schoon gevoel spreekt, te kunnen zeggen: Deze is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, watTollensin zijn heerlijken rouwzang opBorgerzoo wèl uitdrukt:Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten,Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd,En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten,Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd.Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn Bibliotheek, en gij zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd, dat ik ten uwen opzichte mijn naam niet verloochenen, maar voor u eenJonathanzijn zal, die zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en de kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw vriendschap, die mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig maken! uw genie staat u borg voor de mijne, mij bevele een liefhebbend harte aan!En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek vermeerderd worden—ik durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven. Welnu?… Zullen de overige schrijvers, die ge bevat, mijn heeren en meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren? Zullen zij mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring verstooten? Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn vermetelheid in de uitgave van dit boekske heb in te brengen, bij hen voor een verontschuldiging gelden zal. Er waren er, die meenden, dat de uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in een vorm die niet al te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart kon vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas, dat ik aan die inblazing gehoor[131]gaf.… toch was het, geloof ik, geen ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven hierin vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn eenzaam leven niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als ik.… gewenscht had, daardoor toch nog eenig nut stichten mocht. Kan ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men wijs en billijk handelen met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen niet belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders uit.… lieve lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele bloemen, die gij daardoor zult gestrooid hebben op het anders niet al te bloemrijke pad vanJonathan![132]1Waarom niet?Byronzegt wel van de maan:Sun of the sleepless.↑[Inhoud]OUDE VRIJSTERS.Ik kan zeer galant zijn.Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn zwart weduwnaarskleed, dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van een standbeeld, mij niet tot den geschikten persoon maakt om naar de gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, dat ik een van die overjaardepetit-maitresben, die van hun leeftijd een schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige onbeschaamdheid bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk een wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander soort van wezens, die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet bemerken willen, dat de Tijd, die onverbiddelijke Censor, hen reeds lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, en zich dus niet dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer éénkleurige haren weten te behoeden: of liever—want wie kan zeggen, dat hij zichzelven behoed heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt zijn hof te maken. Als ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was het altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem, of eenigen anderen trek van overeenkomst metBetsyhad. En indien ik, door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat niet minder haar dan mijzelven vereerde.Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer galant kan zijn.Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij dan niet in den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten met een voorkomen van ernst en gewicht, of het deRostravan Rome zelve waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring, waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon vergadert; zoek mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over[133]andere goede huismoeders hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren hoek, op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij mij in een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en beleefdheid toewijdende aan—een oude Vrijster!Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht vergeven, dat ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog uitbundiger meê vermaken, het zal u niet gelukken mij van daar weg te spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur van geestige en bittere aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril bekend en laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men.Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, eenbizarrensmaak heb en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij vergist u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens zoo lief, als anderen van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel liever met een moeder. Als ik mij tot deze wende en haar dadelijk met belangstelling naar hare lievelingen vrage—o, dan is voor mij een bron van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag het moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende uitdrukking van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig, welhaast een deelnemend toehoorder. Niet, omdat de kinderen, waarvan zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij zijn niet beter of slechter dan andere kinderen; maar, omdat demoedermij boeit en wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste en edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende liefde, uit het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt; als het verhevensymbolumvan den verhevensten godsdienst, de pelikaan met de bloedige borst, voor mijn oog gestalte en wezen verkrijgt; als de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en meer naar den achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen klapwiekt; o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit opgedroogden vloed van moederlijke welsprekendheid! En wist gij eens, welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd ben! Want de vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een verhaal van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming, waarmede ik haar aanhoore. En dan is het zoo aangenaam tot een oud vrijer te spreken, die er nooit een lofrede op zijn eigen kinderen tegenover plaatst, en haarPietjesbehendigheid in de schaduw stelt door van de nog veel grooter vlugheid van zijnJantjete spreken. Zie, het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen toeblinken en uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het jongste kind nu reeds meer spreekt, dan bij onze laatste ontmoeting.En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik boven het gezelschap harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke aanvallige schepselen! Ik heb een vriend, die vroeger een schoon buitengoed[134]had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen; maar nu gaat hij alle avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde uur, waarop hij vroeger het goed zelf rondging, ziet nog eens dezelfde boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, die eens de zijne waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar van die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn buitenplaats voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten afstaan, maar, om dit verlies zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken van hunne schoone droomen, zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen gevoelens hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest, dan is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en gevoele. Dan knik ik bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel de ganscheOpera féerievan mijn jeugd nog eens over, en scheide niet van de bezitters van mijnverlorenEden dan met het gevoel: „Hoe jong en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik jonge menschen en vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, lief. Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor mij zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de heldere wellen van menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de zilveren stemmen hooren klinken, die de harmonie des levens scheppen, en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner werken op aarde—een onschuldig vrouwenhart!Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren; maar zij zijn verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan mij leed doen, als ik in een gezelschap verschijne, haar terstond aan de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê men haar behandelt, al herkende ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar voorkomen. De Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames sluiten ze alsinvalidenuit haren kring; de Heeren, indien zij van pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen zich bij voorkeur tot defauteuils, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan de oude Jufvrouwen worden alleen de kruimelkens van den gezelschapsdisch toegeworpen.Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters voorbij, en vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij dunkt, dat is haar goed recht.Bilderdijkheeft in zijn dichtstukOude Vrijsters, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en in hare eer gesteld, om al het vuur zijner verontwaardiging te richten tegen dievieux garçons, die door hun ongeregeld leven de orde der maatschappij verbreken en de oorzaak zijn, dat zooveel onschuldige schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder huwelijks- en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht onder het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een zijner medeschepselen voor zijn[135]rekening had. Ik heb gezucht als ik dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame meer was, dan er behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij niet te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken.„Lieve Jufvrouw X!„Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw schuldenaar. Want ik had u mijn hand en hart moeten aanbieden. Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet te doen. Uw kieschheid waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt hebben aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen meester meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest zijn. Maar ik heb een andere vóór u gekend. En schoon deze thans een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan haar nog niet vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen beschikken.„Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u, kwitantie van deze kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens der diepste achting„Uw onderdanigen DienaarJonathan.”Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met mijn partij mijn rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen, Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid voor uw bevalligheden, talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk zijn, uit u allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever.Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar iets anders, iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is vaak haar voorkomen onbeduidend, haar kleed eenvoudig, hare manieren zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde maagd is een jong meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten. Als ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de anderen van den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke muren van hun blaauwe klimop-bloempjes berooven, holen en kelders van hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door de schietgaten steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende aan den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op, overdek de openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren met beschotten, vul de ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor stemmen galmen, bekers[136]klinken, en ben in een andere wereld overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt, daarop heeft een bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar het karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het knekelhuis weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan menschelijk-gevoelig, den omvang en grootheid van een ruïne alleen met het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst terug te komen: ik zie nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens naar mijn smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats haar op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare verschietende wenkbrauwen zwart, laat van haar hoofd lange zijden krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte en houding, en plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan.… maar neen! gij zoudt mij,droomer,uitlachen, indien ik voortging. Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige jeugd, even rijk aan liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en zoek voor de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is bekroond geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk in mijn oogen hoogstinteressantdoor wordt. Zeker schrijver zegt van een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van al deze gebroken harten kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen te verhalen hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets anders te lezen is, dan het altijd wederkeerende:hic jacet. Maar wat er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en gestreden, daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets; maar dat zegt mij mijn warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen er zijn onder haar, die het slachtoffer van mannelijke ontrouw en mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd door de hand, die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende weduwen, maar die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als zulke bejegent; dan breekt mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren, die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten contribueert, ook bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed te maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn, die den dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze gewonden hebben recht op uw olie en wijn!Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt, of zij dan nietsis, dan in zooverre zij ietsgeweestis. Stel u gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er enkelen zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van haar speelgoed niet scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen[137]aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel verschaalde bekers, die uitergernisvan onaangeroerd gebleven te zijn zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen, die het al te veel doen gevoelen, datMinervaeen gewapende godin is; of wel … St! st!Jonathan, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de oude vrijsters meer karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een groote en moeielijke les, waardig de hoofdinhoud van de tweede Tafel der goddelijke Wet te zijn: „Gy sult uwen naesten liefhebben als u selven.” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De getrouwe huismoeder, wier geheele bestaan zich in dat des geliefden Mans heeft opgelost, en voor wie het nog meer geluk dan plicht is alles te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer het beste vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich buiten het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot de nakoming van dat gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan de oude vrijster, die geen eigen plaats in den grond beslaat, maar zich als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren, of als een muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als eensoeur de charitéde voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde bewijzen wil; zij is in gevaar van, als „de Priester en de Levijt” in de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij te gaan, indien zij zich de les niet herinnert: „Gaat henen en doet gy des gelycx.” Maar indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een voorwerp gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien zij al de kracht van hare in één punt saamgedrongen genegenheid op een uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is het iets roerends, iets verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en buigbaarheid der rank alleen om den geliefden boom te vaster, te getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen, dan wordt haar groen de bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering van zijn stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar verwijdering, haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter schrijft:Ze is groot en schoon en door zichzelve levend,Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend,Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien;Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend.Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de menschen tot Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls heb ik er om getreurd, hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden begrijpen, en dan wel eens getwijfeld aan de verzekering van den grijzen Apostel: „Ende sijne geboden en sijn niet swaer.” Maar dan waren meermalen oude vrijsters mijneapologeten. Ik riep[138]ze mij voor den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der liefde, echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „niet en is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen,” en die om onzentwil „is arm geworden, daer hij rijck was;” wezens, in wie de zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woordIK, anders deradixvan alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die het zooverre gebracht hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „so wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren,” en „so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten,” en „so wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan;” goede geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief heeft. En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood over den twijfel van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met verdubbelden eerbied en liefde naar het goddelijke boek, dat tevens het menschelijkste aller boeken is, dat niets dan een liefhebbend hart eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik mijzelven, dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn zouden.Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op mijn papier, mijn goede, lieveEditha!Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleenMarthaas, „die haer bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ookMariaasonder, die „het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben uytgekozen.” Zij zijnJohannessenonder de vrouwen, en rusten altijd aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij hebben de aarde vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen en verlaten toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der wereld afsterven, om alleen voor den hemel te leven. Zij sluiten zich hier op aarde aan dien blinkenden stoet van Engelen aan, „die niet bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam volgen, waer het oock henen gaet.” Zij zijn het, die zich „toebereyden, om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelickChristo.” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is geworden van dat schoone lied vanLodensteyn;„Hoog, omhoog, het hart naar boven!Hier beneden is het niet.”Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u getuigen van het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag u wel aanbevelen, als gij den drempel van zulk een heiligdom overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb een afkeer van kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig Bethanie op mijn weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik het wierookvat mijner vereering hoog in de lucht![139]Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het altaar eens harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet wel, dat de wierook, daarop geurende, niet altijd zoo onvermengd en zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer aardsche banden heeft moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik weet wel, dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de „Rabbouni” dezerMagdalenaaswerd; maar ik weet ook, dat onze barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd eischt; ik weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele vrucht, naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook, dat hij tot een zondaresse, die zijn voeten met hare tranen baadde en met haar lokken afdroogde, gezegd heeft: „Uw gheloove heeft u behouden, gaet henen in vrede;” ik weet ook, datPetruseen boeteling enPauluseen van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „datter blijdschap is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en hebben!”.…En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren.[140]

[Inhoud]DE BIBLIOTHEEK.** gradenFahrenheit—dat is de rechte hoogte!Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen.Ik ben.… ik durf het haast niet zeggen.… ik bid u, als gij in een kwade luim zijt, lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een tegenzin tegen mij inboezemen. Maar, als gij eens in een buitengewoon vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt kunnen hooren zonder boos te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven, sla dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der vreemdste vergissing, waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte.Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur!Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn physiologische zwakheid een psychologischen draai te geven. Ik spreek niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur. Ik bedoel vuur in den eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom vuur, zoo als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik zou zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door de ontbranding van hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen wordt voortgebracht.Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven zulk een zinnelijke gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen heeten, sedert het geen elementen meer zijn) weten te verheffen. Men moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los te maken. Men moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag legt, die zich aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst, daardoor verwekt, met sneeuw van denSt. Bernardverslaat. UEd. en zeer Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû of warmte te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste menschelijke privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te zijn, en den contrôleur onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons bevinden, te regelen. Maar UEd. en zeerGel. isPhilosophiae Doctor, en ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe geroepen, eenimpermeablevan ongevoeligheid ommijngevoelige leden te slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik[119]heb een natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor betaald, zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij den regisseur van het groote wereldtooneel voor het karakter van overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen, eer ik dat engagement breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dansybarietzijn, en tegen een gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist, zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. eenPhilosophiae Doctoris.Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van koû ben. Neen! ik ben evenzeer een vijand van een gematigde temperatuur; ik hou van heet, positief heet. Overal waar ik kom, ben ik een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne de eerste stralen van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van kennis te maken met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij lief heeft werpt, als hij mij ziet aankomen, nog in de vlucht een extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame van mijn kennis, die mij om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd juist een nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn gehardheid tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige zeldzaamheid, waaromtrent ik het niet eens ben, of ik die salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling der natuur, of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij zijn te vragen, wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn lichaam het een of ander niet bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: maar loop dan toch zoo niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, of ik het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel in Gods hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan er niet tegen: de natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter misslag, dan toen zij mij, wiens lichaam de onbeschaamdste vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren worden waar men van de zon derfireworshippers—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel mogelijk in het brandpunt van onze bleeke dagmaan1plaats, met het gevoel van een wrange October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur stilzwijgend verwijt, dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig gloed voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist. Indien ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet! ik ben hier eenexotischeplant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen van zekere steenen, die bij een onweder uit de lucht komen vallen, waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op[120]aarde te komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een noodlottige vergissing van de een of andere warmer star op aarde verdwaald geraakt. Wie weet! misschien ben ik oorspronkelijk wel „een Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. Hoe het zij, het is droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten kwade duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente portie van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door in het winterhalfjaar mijn schâ zooveel mogelijk in te halen.In den winter—Dan zomert het binnen bij beukstam en veen,zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan ieder zijn eigen Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn gestarnte rollen als hij verkiest. Dan wordt men door geen tyrannieke wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen, zijn corpus altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren (kanonskogelmaat) van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd! Dan heb ik niet naar boven te zien, om mij te beklagen, dat de hond in den dierenriem noch niet dol van hitte, en de kreeft noch niet rood gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan maak ik met mijn thermometer mijn eigenzodiac, en schep naar verkiezing een Oostersche, ja, een Keerkringswarmte.Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en daag u uit mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn redelijke en zedelijke lezer, in de stemming van algemeene menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer mij brengt, kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben, als ik mijn vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles bedriegelijk en aan verandering onderworpen; maar iets materieels als een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid niet. Altijd is hij heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft hem niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben, is in het najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst. Verkwisting put hem niet uit, want al heeft hij den vorigen dag stapels hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt weêr met dezelfde geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden hem de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele houding is vol vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den anderen kant de vatbaarheid voor de meeste der overige genoegens met den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om zich te verwarmen neemt met de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer onze rechten op een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer ik aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood niet weg te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die een zeer warm uiteinde hebben.[121]Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de mogelijke gevolgen van zulk eenhartstochtnog een oogenblik op te schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek dat mij van dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn winterplichten of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook heb ik daartoe geen verzoeking. Want ik bid u instantelijk, mijn vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees voor koude, die sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van hen” een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat spiert de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het metaal de minerale wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de lucht doet; dat verhardt den mensch met den grond, waarop hij gaat. Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden winterdag, wanneer u van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.” En een schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel tintelen, als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wijpariëren, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal aantreffen? Gij gevoelt dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken vriend of armen buurman onbezocht zal laten. Herinner u mijn St. Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen de Koning zijn trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen, verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten, zonder omzien, en trok met een warm hart den vijandelijken winter tegen. En ofschoon de Novembermaand van 1830 al een zeer barre maand was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik geen oogenblik om mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie spot, u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn vrienden! die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels aan de sparren hingen, die ons verwarmden, en de soep aan den rand van den emmer bevroor, waaruit wij het maal onzes bescheidenen deels moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht werden, op den omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons Laplandsch verblijf beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier met name zou kunnen noemen, herinnert zich uit dien nacht iets van een wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer niet recht in de verkleumde armen droeg?Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t voorbijgaan eens prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet toch ook weten, dat ik, met al mijn overgevoelige theoriën, een praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven, Mijneheeren! is de aanhalingin casuvan toepassing, daar er mijnkliëntten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard of vertroeteldwittebroodskindte worden gehouden.Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen.[122]Maar ik kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en dank gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in zulk een aangename stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan wederstaan, een schoon velletje papier en een nieuw versneden pen te nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht te geven. Besteedt menig Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van de Muze, die hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is.Calescimus illo!En indien gij een menschlievend mensch zijt, die gaarne in eens anders vreugde deelt, dan moet het u goed doen, zoo dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming van een tevreden en dankbaar hart te vinden.En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangenamecomfortablekamer. Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige oogenblikken, die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn boezem spint als de poes, die op de warme kruk? bij het vuur ligt.EdithaenJudithblijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder, zoo als wel eens gebeurt, als onrustige kometen door het huis te zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en op den hemel van de koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht naar de komedie te brengen, waar voor de zevende maalRatondoorBertrambij den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen worden. Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten, als anderen zich de moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling te dragen. Mijn kachel—doch daarvan heb ik reeds gesproken. Maar waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek!Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de reden veel gemakkelijker te vinden is, danlucus a non lucendo. Reeds als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte hoes te loeren, die decausa movensder marionetten voor mij verborg. Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige verbeiding voor het doek, waaropder kunsten God aan ’t Y, veel te lang voor mijn ongeduld,verdiensten en deugd alleenbekroonde. Als jongeling hadden weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende omtrekken op een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige aantrekkelijkheid. Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting op eenig voorhangsel, dan op het dikke groene kleed, dat ginds mijn boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld scheidt. En toch, nooit vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men er u voor waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te vertrouwen. Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of de ijdelheid over de nietigheid der aardsche dingen spreidt. Althans sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden, den prijs beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit genomen, voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met het ontdekte en bekende te behelpen. Maar[123]dit moet ik tot eere van mijn Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel. Achter haar nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik haar ook immer opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening vallen, als ik den Auteur, dien ik aan haar schaduw onttrokken had, weêr aan haar bescherming toevertrouwde. Ja, mijn eenvoudige voorhang! Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten en droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der wetenschap, tot het Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt als een wolk hetElysium, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen toespreken!Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook zóóveel voor mij!„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn de ruime wereld door te trekken met even weinig deelneming, als een vogel door de lucht vliegt, of als Mr.Sharpin zijn reiskoetsItaliëdoorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in hunne studeerkamer, in eene maatschappij van boeken, en de macht verleend om rondom zich een papieren wereld te scheppen, waarvan zij de onafhankelijkste wetgevers zijn.”Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven, dat mijn kleine boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn leven vervult.Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis komen, komen op dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter beschreven:Goeden avond, hartig wijf,Mijn geluk en lust!Dat mij vurig prangt aan ’t lijf,En mij welkom kust.Goeden avond!—Eerst nu ’t wiegkleed opgedektVan het speelziek wicht,Dat de handjes tot mij strekt,Reeds met de oogjes digt.Eerst mijn kussen omgedeeld.Tusschen al mijn kroost,Dat mij hand en wangen streelt,En mij kust en koost.Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning terugkeerende niets te vragen heeft, dan:Judith!is mijn kamer in orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later sta ik voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn speelpopjes, mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite van mijn dagelijkschen arbeid beloonen. Die moeten[124]door hun gesnap mij den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het mislukt hun wel eens. Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand waaraan het geopend boek ontzonken is onder het hoofd, en in diep gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos de handen naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn maar enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen heb ik mij over mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen. Veeleer heeft zij alle reden van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een boekvertrek is—nooit dringen er dartele gasten binnen, om van mijn folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijnduodecimo’sbeschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen, dat er onder het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij staat, die met een zachte hand mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen zoo licht een geheele stoornis in de lektuur veroorzaakt.—Neen, als ik eens haar drempel ben overgetreden,sum totus in illo. Dan ben ik enkel boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin zij mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een Bibliothekaris geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester hebben kan, dan mij.Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor liefde. Ik zou vruchteloos beproeven u een denkbeeld te geven van het genoegen, dat ik haar te danken heb.Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn reispak aan te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon met driekleurige sjerp, fluweelen kalotje en saaietten pantoffels, door de hand vanEdithagewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een hooge stoel met breeden rug, lage zitting en bekleede armen. Na mij alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het teeken van vertrek.… het boek valt open.… en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom ik dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De zevenmijlslaarzen uit de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien iemand tegen mij zou kunnen reizen, moesten het de heksen van denBloksbergop haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo doe! De hoogste hoogte van denMontblancwordt door mij betreden, tot in de diepste laagte van denVesuviusdaal ik af; nu wasch ik mijn handen op denChimboraçoin de wolken, dan zoek ik in een duikersklok op den bodem der zee de schatten, waarvan dePeri’szingen. Nu nader ik tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;” dan zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren wordt; nu zie ik de aardeà vol d’oiseau, danà vue de taupe. Vreemde en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel met den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op arenden en klipgeiten, ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer aloë’s en kokosnoten, en[125]antiquariseer pyramides en andere kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien van mijn reisgenooten, zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzenVan Braamin de audiëntiezaal van den Keizer vanChina;Lamartineopent mij den toegang tot de Koningin vanPalmyra;Byronleidt mij in bijAlivanJanina; zelfs ontsluit LadyMontaguemij den harem des Sultans. En dat alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze zon der Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de Noordpool mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er kalm onder. Ik ben getuige van de vreeselijkste stormen, hoor de verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste dampen in, drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten aard-oven, zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk! Er bestaat tusschen mij en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van sympathie. Ik zou haar willen vergelijken met die vanMeleagervoor zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit onderscheid, dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan een pleizierige warmte veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen dreigen te verscheuren, kittelen de mijne op een aangename wijze; de angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken het mijne een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoetevoluptas tragicagedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom de wereld de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed doen.Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij is en haar bewoners zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een aarde zoo als er geen is, en bewoners zooals er niet zijn. In haar schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met een tooverslag uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst. Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te verschalken; de Gelukkige Vallei is voor haar niet verborgen; de hal vanEblisweigert haar geen toegang; het eiland vanProsperodaagt voor haar uit de zee; het paleis vanMahomedontsluit zijn gouden poorten; de Cherub vanEdendraagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de Engelen ontzeggen haar niet een enkelen blik in hun zalige verblijven te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde wel schoon en goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel van Gods almacht en liefde: de vromeCamphuijzenheeft gelijk:Och, waren alle menschen wijs,En deden daarbij wel,Deze aarde ware een paradijs.Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder reikt dan zijn oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter schepping te verplaatsen, waarvan het onvolmaakte der oude aarde is[126]afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in een zuiverder aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een eeuwige lente over de winters der aarde te troosten. Toch is het een wellust voor iemand, wiens verwachting verder reikt dan zijn gezicht, zich de nieuwe aarde te droomen, „nederdalende uyt den hemel, als een bruyt die haren manne verciert is;” of als Mozes in verrukking de woning in de lucht te aanschouwen, die men later in wezen hoopt te zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt ontwaken, dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een luchtreis te geleiden. Gelukkig wieDanteenTasso,ShakespeareenMoore,VondelenBilderdijk,KlopstockenSchillerkan oproepen, om hem op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie tot die hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart, door zijn ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie zich door hen moge laten omhoog voeren, als de schildpad door den arend in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef mij gaarne en gewillig aan hunne leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne droomen, ik smaak hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een heerlijk lustoord veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe gordijn visioenen verbergt, waarbij al wat er ooit schitterends van achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel is. Niemand zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om ten hemel op te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een aarde, die een verloren paradijs beweent en een herwonnen paradijs verwacht!Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere gewesten, maar zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En welke menschen! Onder de wijssten, de edelsten, de grootsten, de welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen op een rij geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met mij te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun geest, den bloesem huns harten en het merg van hun vernuft te voeden. Gelukkige uren, die ik, onwaardige, in den kring dezer voortreffelijken doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling bieden zij mij aan! Nu is het mij, of ik mij op de markt vanAthenebevinde, en de donders vanDemosthenestegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij onder het gehoor vanTulliusover den schuldig-onschuldigenLigarius; straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in het stof wentelendeHecuba; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik ontspan mij met de snakerijen van den groot sprekendenThraso; elders wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch worstelperk omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die de kroon[127]des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen, ik ben getuige van de onschuldige dartelheid vanNausikaä, de ondeugende schalkheid vanEunika, of sta als rechter over de zangen vanMenalcasenDamoetas. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den klassieken bodem, om mij met mijn geest in later dagen te verplaatsen. Dan vergezel ikDanteop zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij doorRacinein de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine verbeelding zich opende; dan dool ik aan de zijde vanSchotland’sMeistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des dichters met een tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met bewondering inGöthe’sIfigeniaden geest van een jong leven in een beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan verrukken mij de heerlijke scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek overHooftsluite heengebogen, de balsemluchten vanFlorence; dan hoor ik, aanVondelslippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen kerstnacht klinken; dan roepen de zangen derVan Harens, als een droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij metBilderdijkin den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ikTollensonder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste menschengevoel, dat ooit een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag mij dus niet, of ik tot eenige, en tot welke school ik behoore. Vergun mij geen school te kiezen, maar eeneclecticuste blijven. Waar ik het schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, al is het onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te vinden. In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die van 1815.Aristotelesverbroedert zich metShakespeare,SocratesmetMirabeau,HoratiusmetVictor Hugo,QuinctilianusmetJean Paul. Kan het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook mij tot onpartijdigheid stemmen?Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt, terwijl ik mij in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten verdiepe. O, het hart kan mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het met geen woorden beschrijven, wat ik gevoel, wanneer ik zoo dikwijls bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording uit mijn ziel gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart gelezen. Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker zie uitgesproken, dan ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij mij omgedragen, en beurtelings aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag bevestigd vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de droomen van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd, aanschouwelijker gemaald en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond van anderen het voor mijonuitsprekelijkehoor uitgesproken en alleen zeggen kan:Anch’ io!—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen dadelijke overeenkomst van gedachten tusschen[128]mij en mijn Auteur bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de voeten dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun lippen op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen wellust vindt, grooter zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder spiegels, waarin het verheven-goddelijke en schoon-menschelijke helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het hemelsch-majestueuse en het aardsch-bevallige lichter en welluidender geroerd worden; zuiverder wierookvazen, die voor het eeuwig-heerlijke en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden. O, wanneer ik alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft zich mijn geest bij de gedachte: „Wy syn Godts geslachte!” Hoe hoog klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van menschen-adel! Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een ander leven, maar het krijgt tevens voor mij als ware het een herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in moedeloosheid afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen daarvan reeds eenige trekken ontwaarde. Wanneer eenBossuet, zoo met recht de adelaar vanMeauxgenoemd, wiens arendsoog een blik op de ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig te worden, mij tot voor den troon des Eeuwigen voerde. WanneerFenelon, zoo treffend de zwaan vanKamerijkgeheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden scheen gevonden te hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der hoogste liefde. Wanneer onzeChrysostomus, wiens naam eerbied op mijn lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd wordt, het aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn menschenkind voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn Aartsvaderlijke tafereelen mij in den Schepper van hemel en aarde den God, wat zeg ik, den Vriend vanAbrahamaanschouwen en beminnen deed. Wanneer eenKlopstockin zijn Messias de verhevenheid van den Ziener vanPatmosmet den liefde-ademenden geest van denZebedeus-zoon scheen te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch beeld ineensmolt. Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die menschen het hemelsche nader tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die zij predikten omtrent de onlosmakelijke verwantschap tusschen God en den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen. In hunnen boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende gedachte!—bij den troon des Oneindigen eindigt!.… O, noem het overdrijving, noem het dweperij, zoo ge wilt, ik zal er niets anders op antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste eenmaal dat gevoel kennen moogt, als ik![129]Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het menschelijke in hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers verhalen. Het is mij zoo wèl en goed, als door zulk een beschouwing het geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat daar buiten wel eens een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie dat er nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in wier bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier tranen nog vreemde smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen drogen kunnen. En waarom het ontkend, dat ik daarbij niet vrij van partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig schouderophalen Humoristen noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier van mijn hart die snaren het eerst en zuiverst klinken, die door hun vingers worden aangeslagen? O,Yorick! Yorick!hoe meesterlijk verstaat gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen en dalen, door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het mij aan, of gij mij al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en telkens uw eigen weg schijnt vergeten te zijn; gij kent toch den weg door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uw rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, vademen ver van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar mijn hart, en uw doel om dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik mij er aan, of hier en daar een enkel woord uw radde lippen ontvalt, dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden? Juist dat uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is, met de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons omkeert en leêgstort, juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook niet om onze bewondering en vergoding; gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend met al uw grootere en kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij een heerlijk man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En het is voor mij altijd een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen is:Kom, bij ’t vuur de koude ontweken,Zal vriend Yorick voor ons preken.Vriend Yorick!helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit door mij gezien of gekend! Een vriend—ik hoop het—later door mij te zien en te kennen! met zoo vele anderen, met wie mij hier reeds de gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte viel hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote geesten, die hier in het afgietsel hunner schriften[130]voor mij vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar als levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw hemel en onder hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de aardsche menschen dikwijls reeds zoo wèl kan wezen!Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast dragen dien naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene onder, die het niet beneden zich geacht hebben,Jonathaneen nederig plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch iets eigenaardigs, het werk van een vriend te lezen of te genieten. Daarvoor gaat het hart nog geheel anders open dan voor de stem, die wij nooit levende hoorden. Bij het openen van hun schriften is het alsof zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof hun stem ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van bewondering dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O, het is zoo gelukkig, met de hand op een bladzijde, waarop een groot talent schittert of een schoon gevoel spreekt, te kunnen zeggen: Deze is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, watTollensin zijn heerlijken rouwzang opBorgerzoo wèl uitdrukt:Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten,Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd,En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten,Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd.Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn Bibliotheek, en gij zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd, dat ik ten uwen opzichte mijn naam niet verloochenen, maar voor u eenJonathanzijn zal, die zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en de kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw vriendschap, die mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig maken! uw genie staat u borg voor de mijne, mij bevele een liefhebbend harte aan!En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek vermeerderd worden—ik durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven. Welnu?… Zullen de overige schrijvers, die ge bevat, mijn heeren en meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren? Zullen zij mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring verstooten? Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn vermetelheid in de uitgave van dit boekske heb in te brengen, bij hen voor een verontschuldiging gelden zal. Er waren er, die meenden, dat de uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in een vorm die niet al te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart kon vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas, dat ik aan die inblazing gehoor[131]gaf.… toch was het, geloof ik, geen ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven hierin vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn eenzaam leven niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als ik.… gewenscht had, daardoor toch nog eenig nut stichten mocht. Kan ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men wijs en billijk handelen met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen niet belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders uit.… lieve lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele bloemen, die gij daardoor zult gestrooid hebben op het anders niet al te bloemrijke pad vanJonathan![132]1Waarom niet?Byronzegt wel van de maan:Sun of the sleepless.↑

DE BIBLIOTHEEK.

** gradenFahrenheit—dat is de rechte hoogte!Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen.Ik ben.… ik durf het haast niet zeggen.… ik bid u, als gij in een kwade luim zijt, lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een tegenzin tegen mij inboezemen. Maar, als gij eens in een buitengewoon vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt kunnen hooren zonder boos te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven, sla dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der vreemdste vergissing, waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte.Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur!Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn physiologische zwakheid een psychologischen draai te geven. Ik spreek niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur. Ik bedoel vuur in den eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom vuur, zoo als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik zou zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door de ontbranding van hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen wordt voortgebracht.Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven zulk een zinnelijke gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen heeten, sedert het geen elementen meer zijn) weten te verheffen. Men moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los te maken. Men moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag legt, die zich aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst, daardoor verwekt, met sneeuw van denSt. Bernardverslaat. UEd. en zeer Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû of warmte te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste menschelijke privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te zijn, en den contrôleur onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons bevinden, te regelen. Maar UEd. en zeerGel. isPhilosophiae Doctor, en ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe geroepen, eenimpermeablevan ongevoeligheid ommijngevoelige leden te slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik[119]heb een natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor betaald, zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij den regisseur van het groote wereldtooneel voor het karakter van overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen, eer ik dat engagement breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dansybarietzijn, en tegen een gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist, zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. eenPhilosophiae Doctoris.Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van koû ben. Neen! ik ben evenzeer een vijand van een gematigde temperatuur; ik hou van heet, positief heet. Overal waar ik kom, ben ik een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne de eerste stralen van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van kennis te maken met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij lief heeft werpt, als hij mij ziet aankomen, nog in de vlucht een extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame van mijn kennis, die mij om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd juist een nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn gehardheid tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige zeldzaamheid, waaromtrent ik het niet eens ben, of ik die salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling der natuur, of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij zijn te vragen, wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn lichaam het een of ander niet bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: maar loop dan toch zoo niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, of ik het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel in Gods hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan er niet tegen: de natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter misslag, dan toen zij mij, wiens lichaam de onbeschaamdste vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren worden waar men van de zon derfireworshippers—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel mogelijk in het brandpunt van onze bleeke dagmaan1plaats, met het gevoel van een wrange October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur stilzwijgend verwijt, dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig gloed voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist. Indien ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet! ik ben hier eenexotischeplant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen van zekere steenen, die bij een onweder uit de lucht komen vallen, waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op[120]aarde te komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een noodlottige vergissing van de een of andere warmer star op aarde verdwaald geraakt. Wie weet! misschien ben ik oorspronkelijk wel „een Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. Hoe het zij, het is droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten kwade duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente portie van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door in het winterhalfjaar mijn schâ zooveel mogelijk in te halen.In den winter—Dan zomert het binnen bij beukstam en veen,zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan ieder zijn eigen Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn gestarnte rollen als hij verkiest. Dan wordt men door geen tyrannieke wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen, zijn corpus altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren (kanonskogelmaat) van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd! Dan heb ik niet naar boven te zien, om mij te beklagen, dat de hond in den dierenriem noch niet dol van hitte, en de kreeft noch niet rood gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan maak ik met mijn thermometer mijn eigenzodiac, en schep naar verkiezing een Oostersche, ja, een Keerkringswarmte.Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en daag u uit mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn redelijke en zedelijke lezer, in de stemming van algemeene menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer mij brengt, kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben, als ik mijn vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles bedriegelijk en aan verandering onderworpen; maar iets materieels als een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid niet. Altijd is hij heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft hem niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben, is in het najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst. Verkwisting put hem niet uit, want al heeft hij den vorigen dag stapels hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt weêr met dezelfde geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden hem de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele houding is vol vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den anderen kant de vatbaarheid voor de meeste der overige genoegens met den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om zich te verwarmen neemt met de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer onze rechten op een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer ik aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood niet weg te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die een zeer warm uiteinde hebben.[121]Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de mogelijke gevolgen van zulk eenhartstochtnog een oogenblik op te schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek dat mij van dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn winterplichten of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook heb ik daartoe geen verzoeking. Want ik bid u instantelijk, mijn vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees voor koude, die sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van hen” een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat spiert de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het metaal de minerale wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de lucht doet; dat verhardt den mensch met den grond, waarop hij gaat. Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden winterdag, wanneer u van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.” En een schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel tintelen, als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wijpariëren, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal aantreffen? Gij gevoelt dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken vriend of armen buurman onbezocht zal laten. Herinner u mijn St. Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen de Koning zijn trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen, verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten, zonder omzien, en trok met een warm hart den vijandelijken winter tegen. En ofschoon de Novembermaand van 1830 al een zeer barre maand was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik geen oogenblik om mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie spot, u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn vrienden! die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels aan de sparren hingen, die ons verwarmden, en de soep aan den rand van den emmer bevroor, waaruit wij het maal onzes bescheidenen deels moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht werden, op den omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons Laplandsch verblijf beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier met name zou kunnen noemen, herinnert zich uit dien nacht iets van een wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer niet recht in de verkleumde armen droeg?Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t voorbijgaan eens prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet toch ook weten, dat ik, met al mijn overgevoelige theoriën, een praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven, Mijneheeren! is de aanhalingin casuvan toepassing, daar er mijnkliëntten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard of vertroeteldwittebroodskindte worden gehouden.Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen.[122]Maar ik kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en dank gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in zulk een aangename stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan wederstaan, een schoon velletje papier en een nieuw versneden pen te nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht te geven. Besteedt menig Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van de Muze, die hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is.Calescimus illo!En indien gij een menschlievend mensch zijt, die gaarne in eens anders vreugde deelt, dan moet het u goed doen, zoo dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming van een tevreden en dankbaar hart te vinden.En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangenamecomfortablekamer. Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige oogenblikken, die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn boezem spint als de poes, die op de warme kruk? bij het vuur ligt.EdithaenJudithblijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder, zoo als wel eens gebeurt, als onrustige kometen door het huis te zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en op den hemel van de koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht naar de komedie te brengen, waar voor de zevende maalRatondoorBertrambij den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen worden. Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten, als anderen zich de moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling te dragen. Mijn kachel—doch daarvan heb ik reeds gesproken. Maar waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek!Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de reden veel gemakkelijker te vinden is, danlucus a non lucendo. Reeds als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte hoes te loeren, die decausa movensder marionetten voor mij verborg. Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige verbeiding voor het doek, waaropder kunsten God aan ’t Y, veel te lang voor mijn ongeduld,verdiensten en deugd alleenbekroonde. Als jongeling hadden weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende omtrekken op een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige aantrekkelijkheid. Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting op eenig voorhangsel, dan op het dikke groene kleed, dat ginds mijn boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld scheidt. En toch, nooit vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men er u voor waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te vertrouwen. Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of de ijdelheid over de nietigheid der aardsche dingen spreidt. Althans sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden, den prijs beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit genomen, voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met het ontdekte en bekende te behelpen. Maar[123]dit moet ik tot eere van mijn Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel. Achter haar nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik haar ook immer opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening vallen, als ik den Auteur, dien ik aan haar schaduw onttrokken had, weêr aan haar bescherming toevertrouwde. Ja, mijn eenvoudige voorhang! Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten en droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der wetenschap, tot het Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt als een wolk hetElysium, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen toespreken!Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook zóóveel voor mij!„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn de ruime wereld door te trekken met even weinig deelneming, als een vogel door de lucht vliegt, of als Mr.Sharpin zijn reiskoetsItaliëdoorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in hunne studeerkamer, in eene maatschappij van boeken, en de macht verleend om rondom zich een papieren wereld te scheppen, waarvan zij de onafhankelijkste wetgevers zijn.”Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven, dat mijn kleine boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn leven vervult.Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis komen, komen op dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter beschreven:Goeden avond, hartig wijf,Mijn geluk en lust!Dat mij vurig prangt aan ’t lijf,En mij welkom kust.Goeden avond!—Eerst nu ’t wiegkleed opgedektVan het speelziek wicht,Dat de handjes tot mij strekt,Reeds met de oogjes digt.Eerst mijn kussen omgedeeld.Tusschen al mijn kroost,Dat mij hand en wangen streelt,En mij kust en koost.Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning terugkeerende niets te vragen heeft, dan:Judith!is mijn kamer in orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later sta ik voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn speelpopjes, mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite van mijn dagelijkschen arbeid beloonen. Die moeten[124]door hun gesnap mij den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het mislukt hun wel eens. Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand waaraan het geopend boek ontzonken is onder het hoofd, en in diep gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos de handen naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn maar enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen heb ik mij over mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen. Veeleer heeft zij alle reden van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een boekvertrek is—nooit dringen er dartele gasten binnen, om van mijn folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijnduodecimo’sbeschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen, dat er onder het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij staat, die met een zachte hand mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen zoo licht een geheele stoornis in de lektuur veroorzaakt.—Neen, als ik eens haar drempel ben overgetreden,sum totus in illo. Dan ben ik enkel boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin zij mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een Bibliothekaris geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester hebben kan, dan mij.Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor liefde. Ik zou vruchteloos beproeven u een denkbeeld te geven van het genoegen, dat ik haar te danken heb.Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn reispak aan te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon met driekleurige sjerp, fluweelen kalotje en saaietten pantoffels, door de hand vanEdithagewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een hooge stoel met breeden rug, lage zitting en bekleede armen. Na mij alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het teeken van vertrek.… het boek valt open.… en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom ik dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De zevenmijlslaarzen uit de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien iemand tegen mij zou kunnen reizen, moesten het de heksen van denBloksbergop haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo doe! De hoogste hoogte van denMontblancwordt door mij betreden, tot in de diepste laagte van denVesuviusdaal ik af; nu wasch ik mijn handen op denChimboraçoin de wolken, dan zoek ik in een duikersklok op den bodem der zee de schatten, waarvan dePeri’szingen. Nu nader ik tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;” dan zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren wordt; nu zie ik de aardeà vol d’oiseau, danà vue de taupe. Vreemde en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel met den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op arenden en klipgeiten, ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer aloë’s en kokosnoten, en[125]antiquariseer pyramides en andere kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien van mijn reisgenooten, zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzenVan Braamin de audiëntiezaal van den Keizer vanChina;Lamartineopent mij den toegang tot de Koningin vanPalmyra;Byronleidt mij in bijAlivanJanina; zelfs ontsluit LadyMontaguemij den harem des Sultans. En dat alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze zon der Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de Noordpool mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er kalm onder. Ik ben getuige van de vreeselijkste stormen, hoor de verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste dampen in, drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten aard-oven, zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk! Er bestaat tusschen mij en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van sympathie. Ik zou haar willen vergelijken met die vanMeleagervoor zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit onderscheid, dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan een pleizierige warmte veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen dreigen te verscheuren, kittelen de mijne op een aangename wijze; de angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken het mijne een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoetevoluptas tragicagedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom de wereld de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed doen.Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij is en haar bewoners zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een aarde zoo als er geen is, en bewoners zooals er niet zijn. In haar schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met een tooverslag uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst. Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te verschalken; de Gelukkige Vallei is voor haar niet verborgen; de hal vanEblisweigert haar geen toegang; het eiland vanProsperodaagt voor haar uit de zee; het paleis vanMahomedontsluit zijn gouden poorten; de Cherub vanEdendraagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de Engelen ontzeggen haar niet een enkelen blik in hun zalige verblijven te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde wel schoon en goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel van Gods almacht en liefde: de vromeCamphuijzenheeft gelijk:Och, waren alle menschen wijs,En deden daarbij wel,Deze aarde ware een paradijs.Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder reikt dan zijn oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter schepping te verplaatsen, waarvan het onvolmaakte der oude aarde is[126]afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in een zuiverder aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een eeuwige lente over de winters der aarde te troosten. Toch is het een wellust voor iemand, wiens verwachting verder reikt dan zijn gezicht, zich de nieuwe aarde te droomen, „nederdalende uyt den hemel, als een bruyt die haren manne verciert is;” of als Mozes in verrukking de woning in de lucht te aanschouwen, die men later in wezen hoopt te zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt ontwaken, dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een luchtreis te geleiden. Gelukkig wieDanteenTasso,ShakespeareenMoore,VondelenBilderdijk,KlopstockenSchillerkan oproepen, om hem op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie tot die hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart, door zijn ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie zich door hen moge laten omhoog voeren, als de schildpad door den arend in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef mij gaarne en gewillig aan hunne leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne droomen, ik smaak hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een heerlijk lustoord veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe gordijn visioenen verbergt, waarbij al wat er ooit schitterends van achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel is. Niemand zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om ten hemel op te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een aarde, die een verloren paradijs beweent en een herwonnen paradijs verwacht!Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere gewesten, maar zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En welke menschen! Onder de wijssten, de edelsten, de grootsten, de welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen op een rij geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met mij te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun geest, den bloesem huns harten en het merg van hun vernuft te voeden. Gelukkige uren, die ik, onwaardige, in den kring dezer voortreffelijken doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling bieden zij mij aan! Nu is het mij, of ik mij op de markt vanAthenebevinde, en de donders vanDemosthenestegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij onder het gehoor vanTulliusover den schuldig-onschuldigenLigarius; straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in het stof wentelendeHecuba; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik ontspan mij met de snakerijen van den groot sprekendenThraso; elders wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch worstelperk omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die de kroon[127]des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen, ik ben getuige van de onschuldige dartelheid vanNausikaä, de ondeugende schalkheid vanEunika, of sta als rechter over de zangen vanMenalcasenDamoetas. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den klassieken bodem, om mij met mijn geest in later dagen te verplaatsen. Dan vergezel ikDanteop zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij doorRacinein de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine verbeelding zich opende; dan dool ik aan de zijde vanSchotland’sMeistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des dichters met een tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met bewondering inGöthe’sIfigeniaden geest van een jong leven in een beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan verrukken mij de heerlijke scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek overHooftsluite heengebogen, de balsemluchten vanFlorence; dan hoor ik, aanVondelslippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen kerstnacht klinken; dan roepen de zangen derVan Harens, als een droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij metBilderdijkin den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ikTollensonder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste menschengevoel, dat ooit een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag mij dus niet, of ik tot eenige, en tot welke school ik behoore. Vergun mij geen school te kiezen, maar eeneclecticuste blijven. Waar ik het schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, al is het onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te vinden. In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die van 1815.Aristotelesverbroedert zich metShakespeare,SocratesmetMirabeau,HoratiusmetVictor Hugo,QuinctilianusmetJean Paul. Kan het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook mij tot onpartijdigheid stemmen?Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt, terwijl ik mij in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten verdiepe. O, het hart kan mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het met geen woorden beschrijven, wat ik gevoel, wanneer ik zoo dikwijls bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording uit mijn ziel gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart gelezen. Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker zie uitgesproken, dan ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij mij omgedragen, en beurtelings aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag bevestigd vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de droomen van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd, aanschouwelijker gemaald en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond van anderen het voor mijonuitsprekelijkehoor uitgesproken en alleen zeggen kan:Anch’ io!—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen dadelijke overeenkomst van gedachten tusschen[128]mij en mijn Auteur bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de voeten dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun lippen op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen wellust vindt, grooter zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder spiegels, waarin het verheven-goddelijke en schoon-menschelijke helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het hemelsch-majestueuse en het aardsch-bevallige lichter en welluidender geroerd worden; zuiverder wierookvazen, die voor het eeuwig-heerlijke en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden. O, wanneer ik alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft zich mijn geest bij de gedachte: „Wy syn Godts geslachte!” Hoe hoog klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van menschen-adel! Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een ander leven, maar het krijgt tevens voor mij als ware het een herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in moedeloosheid afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen daarvan reeds eenige trekken ontwaarde. Wanneer eenBossuet, zoo met recht de adelaar vanMeauxgenoemd, wiens arendsoog een blik op de ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig te worden, mij tot voor den troon des Eeuwigen voerde. WanneerFenelon, zoo treffend de zwaan vanKamerijkgeheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden scheen gevonden te hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der hoogste liefde. Wanneer onzeChrysostomus, wiens naam eerbied op mijn lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd wordt, het aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn menschenkind voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn Aartsvaderlijke tafereelen mij in den Schepper van hemel en aarde den God, wat zeg ik, den Vriend vanAbrahamaanschouwen en beminnen deed. Wanneer eenKlopstockin zijn Messias de verhevenheid van den Ziener vanPatmosmet den liefde-ademenden geest van denZebedeus-zoon scheen te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch beeld ineensmolt. Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die menschen het hemelsche nader tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die zij predikten omtrent de onlosmakelijke verwantschap tusschen God en den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen. In hunnen boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende gedachte!—bij den troon des Oneindigen eindigt!.… O, noem het overdrijving, noem het dweperij, zoo ge wilt, ik zal er niets anders op antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste eenmaal dat gevoel kennen moogt, als ik![129]Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het menschelijke in hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers verhalen. Het is mij zoo wèl en goed, als door zulk een beschouwing het geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat daar buiten wel eens een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie dat er nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in wier bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier tranen nog vreemde smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen drogen kunnen. En waarom het ontkend, dat ik daarbij niet vrij van partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig schouderophalen Humoristen noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier van mijn hart die snaren het eerst en zuiverst klinken, die door hun vingers worden aangeslagen? O,Yorick! Yorick!hoe meesterlijk verstaat gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen en dalen, door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het mij aan, of gij mij al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en telkens uw eigen weg schijnt vergeten te zijn; gij kent toch den weg door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uw rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, vademen ver van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar mijn hart, en uw doel om dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik mij er aan, of hier en daar een enkel woord uw radde lippen ontvalt, dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden? Juist dat uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is, met de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons omkeert en leêgstort, juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook niet om onze bewondering en vergoding; gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend met al uw grootere en kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij een heerlijk man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En het is voor mij altijd een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen is:Kom, bij ’t vuur de koude ontweken,Zal vriend Yorick voor ons preken.Vriend Yorick!helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit door mij gezien of gekend! Een vriend—ik hoop het—later door mij te zien en te kennen! met zoo vele anderen, met wie mij hier reeds de gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte viel hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote geesten, die hier in het afgietsel hunner schriften[130]voor mij vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar als levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw hemel en onder hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de aardsche menschen dikwijls reeds zoo wèl kan wezen!Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast dragen dien naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene onder, die het niet beneden zich geacht hebben,Jonathaneen nederig plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch iets eigenaardigs, het werk van een vriend te lezen of te genieten. Daarvoor gaat het hart nog geheel anders open dan voor de stem, die wij nooit levende hoorden. Bij het openen van hun schriften is het alsof zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof hun stem ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van bewondering dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O, het is zoo gelukkig, met de hand op een bladzijde, waarop een groot talent schittert of een schoon gevoel spreekt, te kunnen zeggen: Deze is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, watTollensin zijn heerlijken rouwzang opBorgerzoo wèl uitdrukt:Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten,Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd,En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten,Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd.Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn Bibliotheek, en gij zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd, dat ik ten uwen opzichte mijn naam niet verloochenen, maar voor u eenJonathanzijn zal, die zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en de kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw vriendschap, die mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig maken! uw genie staat u borg voor de mijne, mij bevele een liefhebbend harte aan!En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek vermeerderd worden—ik durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven. Welnu?… Zullen de overige schrijvers, die ge bevat, mijn heeren en meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren? Zullen zij mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring verstooten? Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn vermetelheid in de uitgave van dit boekske heb in te brengen, bij hen voor een verontschuldiging gelden zal. Er waren er, die meenden, dat de uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in een vorm die niet al te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart kon vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas, dat ik aan die inblazing gehoor[131]gaf.… toch was het, geloof ik, geen ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven hierin vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn eenzaam leven niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als ik.… gewenscht had, daardoor toch nog eenig nut stichten mocht. Kan ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men wijs en billijk handelen met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen niet belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders uit.… lieve lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele bloemen, die gij daardoor zult gestrooid hebben op het anders niet al te bloemrijke pad vanJonathan![132]

** gradenFahrenheit—dat is de rechte hoogte!

Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen.

Ik ben.… ik durf het haast niet zeggen.… ik bid u, als gij in een kwade luim zijt, lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een tegenzin tegen mij inboezemen. Maar, als gij eens in een buitengewoon vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt kunnen hooren zonder boos te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven, sla dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der vreemdste vergissing, waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte.

Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur!

Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn physiologische zwakheid een psychologischen draai te geven. Ik spreek niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur. Ik bedoel vuur in den eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom vuur, zoo als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik zou zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door de ontbranding van hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen wordt voortgebracht.

Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven zulk een zinnelijke gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen heeten, sedert het geen elementen meer zijn) weten te verheffen. Men moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los te maken. Men moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag legt, die zich aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst, daardoor verwekt, met sneeuw van denSt. Bernardverslaat. UEd. en zeer Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû of warmte te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste menschelijke privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te zijn, en den contrôleur onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons bevinden, te regelen. Maar UEd. en zeerGel. isPhilosophiae Doctor, en ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe geroepen, eenimpermeablevan ongevoeligheid ommijngevoelige leden te slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik[119]heb een natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor betaald, zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij den regisseur van het groote wereldtooneel voor het karakter van overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen, eer ik dat engagement breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dansybarietzijn, en tegen een gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist, zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. eenPhilosophiae Doctoris.

Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van koû ben. Neen! ik ben evenzeer een vijand van een gematigde temperatuur; ik hou van heet, positief heet. Overal waar ik kom, ben ik een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne de eerste stralen van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van kennis te maken met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij lief heeft werpt, als hij mij ziet aankomen, nog in de vlucht een extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame van mijn kennis, die mij om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd juist een nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn gehardheid tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige zeldzaamheid, waaromtrent ik het niet eens ben, of ik die salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling der natuur, of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij zijn te vragen, wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn lichaam het een of ander niet bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: maar loop dan toch zoo niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, of ik het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel in Gods hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan er niet tegen: de natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter misslag, dan toen zij mij, wiens lichaam de onbeschaamdste vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren worden waar men van de zon derfireworshippers—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel mogelijk in het brandpunt van onze bleeke dagmaan1plaats, met het gevoel van een wrange October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur stilzwijgend verwijt, dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig gloed voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist. Indien ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet! ik ben hier eenexotischeplant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen van zekere steenen, die bij een onweder uit de lucht komen vallen, waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op[120]aarde te komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een noodlottige vergissing van de een of andere warmer star op aarde verdwaald geraakt. Wie weet! misschien ben ik oorspronkelijk wel „een Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. Hoe het zij, het is droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten kwade duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente portie van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door in het winterhalfjaar mijn schâ zooveel mogelijk in te halen.

In den winter—

Dan zomert het binnen bij beukstam en veen,

Dan zomert het binnen bij beukstam en veen,

zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan ieder zijn eigen Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn gestarnte rollen als hij verkiest. Dan wordt men door geen tyrannieke wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen, zijn corpus altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren (kanonskogelmaat) van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd! Dan heb ik niet naar boven te zien, om mij te beklagen, dat de hond in den dierenriem noch niet dol van hitte, en de kreeft noch niet rood gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan maak ik met mijn thermometer mijn eigenzodiac, en schep naar verkiezing een Oostersche, ja, een Keerkringswarmte.

Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en daag u uit mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn redelijke en zedelijke lezer, in de stemming van algemeene menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer mij brengt, kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben, als ik mijn vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles bedriegelijk en aan verandering onderworpen; maar iets materieels als een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid niet. Altijd is hij heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft hem niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben, is in het najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst. Verkwisting put hem niet uit, want al heeft hij den vorigen dag stapels hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt weêr met dezelfde geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden hem de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele houding is vol vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den anderen kant de vatbaarheid voor de meeste der overige genoegens met den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om zich te verwarmen neemt met de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer onze rechten op een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer ik aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood niet weg te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die een zeer warm uiteinde hebben.[121]

Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de mogelijke gevolgen van zulk eenhartstochtnog een oogenblik op te schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek dat mij van dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn winterplichten of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook heb ik daartoe geen verzoeking. Want ik bid u instantelijk, mijn vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees voor koude, die sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van hen” een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat spiert de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het metaal de minerale wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de lucht doet; dat verhardt den mensch met den grond, waarop hij gaat. Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden winterdag, wanneer u van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.” En een schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel tintelen, als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wijpariëren, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal aantreffen? Gij gevoelt dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken vriend of armen buurman onbezocht zal laten. Herinner u mijn St. Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen de Koning zijn trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen, verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten, zonder omzien, en trok met een warm hart den vijandelijken winter tegen. En ofschoon de Novembermaand van 1830 al een zeer barre maand was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik geen oogenblik om mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie spot, u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn vrienden! die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels aan de sparren hingen, die ons verwarmden, en de soep aan den rand van den emmer bevroor, waaruit wij het maal onzes bescheidenen deels moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht werden, op den omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons Laplandsch verblijf beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier met name zou kunnen noemen, herinnert zich uit dien nacht iets van een wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer niet recht in de verkleumde armen droeg?

Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t voorbijgaan eens prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet toch ook weten, dat ik, met al mijn overgevoelige theoriën, een praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven, Mijneheeren! is de aanhalingin casuvan toepassing, daar er mijnkliëntten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard of vertroeteldwittebroodskindte worden gehouden.

Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen.[122]Maar ik kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en dank gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in zulk een aangename stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan wederstaan, een schoon velletje papier en een nieuw versneden pen te nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht te geven. Besteedt menig Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van de Muze, die hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is.Calescimus illo!En indien gij een menschlievend mensch zijt, die gaarne in eens anders vreugde deelt, dan moet het u goed doen, zoo dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming van een tevreden en dankbaar hart te vinden.

En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangenamecomfortablekamer. Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige oogenblikken, die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn boezem spint als de poes, die op de warme kruk? bij het vuur ligt.EdithaenJudithblijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder, zoo als wel eens gebeurt, als onrustige kometen door het huis te zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en op den hemel van de koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht naar de komedie te brengen, waar voor de zevende maalRatondoorBertrambij den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen worden. Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten, als anderen zich de moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling te dragen. Mijn kachel—doch daarvan heb ik reeds gesproken. Maar waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek!

Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de reden veel gemakkelijker te vinden is, danlucus a non lucendo. Reeds als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte hoes te loeren, die decausa movensder marionetten voor mij verborg. Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige verbeiding voor het doek, waaropder kunsten God aan ’t Y, veel te lang voor mijn ongeduld,verdiensten en deugd alleenbekroonde. Als jongeling hadden weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende omtrekken op een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige aantrekkelijkheid. Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting op eenig voorhangsel, dan op het dikke groene kleed, dat ginds mijn boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld scheidt. En toch, nooit vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men er u voor waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te vertrouwen. Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of de ijdelheid over de nietigheid der aardsche dingen spreidt. Althans sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden, den prijs beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit genomen, voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met het ontdekte en bekende te behelpen. Maar[123]dit moet ik tot eere van mijn Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel. Achter haar nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik haar ook immer opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening vallen, als ik den Auteur, dien ik aan haar schaduw onttrokken had, weêr aan haar bescherming toevertrouwde. Ja, mijn eenvoudige voorhang! Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten en droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der wetenschap, tot het Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt als een wolk hetElysium, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen toespreken!

Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook zóóveel voor mij!

„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn de ruime wereld door te trekken met even weinig deelneming, als een vogel door de lucht vliegt, of als Mr.Sharpin zijn reiskoetsItaliëdoorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in hunne studeerkamer, in eene maatschappij van boeken, en de macht verleend om rondom zich een papieren wereld te scheppen, waarvan zij de onafhankelijkste wetgevers zijn.”

Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven, dat mijn kleine boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn leven vervult.

Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis komen, komen op dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter beschreven:

Goeden avond, hartig wijf,Mijn geluk en lust!Dat mij vurig prangt aan ’t lijf,En mij welkom kust.Goeden avond!—Eerst nu ’t wiegkleed opgedektVan het speelziek wicht,Dat de handjes tot mij strekt,Reeds met de oogjes digt.Eerst mijn kussen omgedeeld.Tusschen al mijn kroost,Dat mij hand en wangen streelt,En mij kust en koost.

Goeden avond, hartig wijf,

Mijn geluk en lust!

Dat mij vurig prangt aan ’t lijf,

En mij welkom kust.

Goeden avond!—

Eerst nu ’t wiegkleed opgedekt

Van het speelziek wicht,

Dat de handjes tot mij strekt,

Reeds met de oogjes digt.

Eerst mijn kussen omgedeeld.

Tusschen al mijn kroost,

Dat mij hand en wangen streelt,

En mij kust en koost.

Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning terugkeerende niets te vragen heeft, dan:Judith!is mijn kamer in orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later sta ik voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn speelpopjes, mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite van mijn dagelijkschen arbeid beloonen. Die moeten[124]door hun gesnap mij den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het mislukt hun wel eens. Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand waaraan het geopend boek ontzonken is onder het hoofd, en in diep gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos de handen naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn maar enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen heb ik mij over mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen. Veeleer heeft zij alle reden van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een boekvertrek is—nooit dringen er dartele gasten binnen, om van mijn folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijnduodecimo’sbeschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen, dat er onder het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij staat, die met een zachte hand mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen zoo licht een geheele stoornis in de lektuur veroorzaakt.—Neen, als ik eens haar drempel ben overgetreden,sum totus in illo. Dan ben ik enkel boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin zij mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een Bibliothekaris geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester hebben kan, dan mij.

Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor liefde. Ik zou vruchteloos beproeven u een denkbeeld te geven van het genoegen, dat ik haar te danken heb.

Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn reispak aan te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon met driekleurige sjerp, fluweelen kalotje en saaietten pantoffels, door de hand vanEdithagewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een hooge stoel met breeden rug, lage zitting en bekleede armen. Na mij alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het teeken van vertrek.… het boek valt open.… en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom ik dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De zevenmijlslaarzen uit de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien iemand tegen mij zou kunnen reizen, moesten het de heksen van denBloksbergop haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo doe! De hoogste hoogte van denMontblancwordt door mij betreden, tot in de diepste laagte van denVesuviusdaal ik af; nu wasch ik mijn handen op denChimboraçoin de wolken, dan zoek ik in een duikersklok op den bodem der zee de schatten, waarvan dePeri’szingen. Nu nader ik tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;” dan zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren wordt; nu zie ik de aardeà vol d’oiseau, danà vue de taupe. Vreemde en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel met den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op arenden en klipgeiten, ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer aloë’s en kokosnoten, en[125]antiquariseer pyramides en andere kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien van mijn reisgenooten, zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzenVan Braamin de audiëntiezaal van den Keizer vanChina;Lamartineopent mij den toegang tot de Koningin vanPalmyra;Byronleidt mij in bijAlivanJanina; zelfs ontsluit LadyMontaguemij den harem des Sultans. En dat alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze zon der Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de Noordpool mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er kalm onder. Ik ben getuige van de vreeselijkste stormen, hoor de verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste dampen in, drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten aard-oven, zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk! Er bestaat tusschen mij en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van sympathie. Ik zou haar willen vergelijken met die vanMeleagervoor zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit onderscheid, dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan een pleizierige warmte veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen dreigen te verscheuren, kittelen de mijne op een aangename wijze; de angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken het mijne een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoetevoluptas tragicagedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom de wereld de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed doen.

Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij is en haar bewoners zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een aarde zoo als er geen is, en bewoners zooals er niet zijn. In haar schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met een tooverslag uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst. Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te verschalken; de Gelukkige Vallei is voor haar niet verborgen; de hal vanEblisweigert haar geen toegang; het eiland vanProsperodaagt voor haar uit de zee; het paleis vanMahomedontsluit zijn gouden poorten; de Cherub vanEdendraagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de Engelen ontzeggen haar niet een enkelen blik in hun zalige verblijven te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde wel schoon en goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel van Gods almacht en liefde: de vromeCamphuijzenheeft gelijk:

Och, waren alle menschen wijs,En deden daarbij wel,Deze aarde ware een paradijs.

Och, waren alle menschen wijs,

En deden daarbij wel,

Deze aarde ware een paradijs.

Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder reikt dan zijn oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter schepping te verplaatsen, waarvan het onvolmaakte der oude aarde is[126]afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in een zuiverder aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een eeuwige lente over de winters der aarde te troosten. Toch is het een wellust voor iemand, wiens verwachting verder reikt dan zijn gezicht, zich de nieuwe aarde te droomen, „nederdalende uyt den hemel, als een bruyt die haren manne verciert is;” of als Mozes in verrukking de woning in de lucht te aanschouwen, die men later in wezen hoopt te zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt ontwaken, dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een luchtreis te geleiden. Gelukkig wieDanteenTasso,ShakespeareenMoore,VondelenBilderdijk,KlopstockenSchillerkan oproepen, om hem op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie tot die hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart, door zijn ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie zich door hen moge laten omhoog voeren, als de schildpad door den arend in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef mij gaarne en gewillig aan hunne leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne droomen, ik smaak hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een heerlijk lustoord veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe gordijn visioenen verbergt, waarbij al wat er ooit schitterends van achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel is. Niemand zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om ten hemel op te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een aarde, die een verloren paradijs beweent en een herwonnen paradijs verwacht!

Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere gewesten, maar zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En welke menschen! Onder de wijssten, de edelsten, de grootsten, de welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen op een rij geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met mij te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun geest, den bloesem huns harten en het merg van hun vernuft te voeden. Gelukkige uren, die ik, onwaardige, in den kring dezer voortreffelijken doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling bieden zij mij aan! Nu is het mij, of ik mij op de markt vanAthenebevinde, en de donders vanDemosthenestegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij onder het gehoor vanTulliusover den schuldig-onschuldigenLigarius; straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in het stof wentelendeHecuba; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik ontspan mij met de snakerijen van den groot sprekendenThraso; elders wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch worstelperk omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die de kroon[127]des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen, ik ben getuige van de onschuldige dartelheid vanNausikaä, de ondeugende schalkheid vanEunika, of sta als rechter over de zangen vanMenalcasenDamoetas. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den klassieken bodem, om mij met mijn geest in later dagen te verplaatsen. Dan vergezel ikDanteop zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij doorRacinein de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine verbeelding zich opende; dan dool ik aan de zijde vanSchotland’sMeistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des dichters met een tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met bewondering inGöthe’sIfigeniaden geest van een jong leven in een beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan verrukken mij de heerlijke scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek overHooftsluite heengebogen, de balsemluchten vanFlorence; dan hoor ik, aanVondelslippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen kerstnacht klinken; dan roepen de zangen derVan Harens, als een droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij metBilderdijkin den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ikTollensonder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste menschengevoel, dat ooit een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag mij dus niet, of ik tot eenige, en tot welke school ik behoore. Vergun mij geen school te kiezen, maar eeneclecticuste blijven. Waar ik het schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, al is het onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te vinden. In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die van 1815.Aristotelesverbroedert zich metShakespeare,SocratesmetMirabeau,HoratiusmetVictor Hugo,QuinctilianusmetJean Paul. Kan het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook mij tot onpartijdigheid stemmen?

Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt, terwijl ik mij in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten verdiepe. O, het hart kan mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het met geen woorden beschrijven, wat ik gevoel, wanneer ik zoo dikwijls bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording uit mijn ziel gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart gelezen. Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker zie uitgesproken, dan ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij mij omgedragen, en beurtelings aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag bevestigd vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de droomen van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd, aanschouwelijker gemaald en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond van anderen het voor mijonuitsprekelijkehoor uitgesproken en alleen zeggen kan:Anch’ io!—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen dadelijke overeenkomst van gedachten tusschen[128]mij en mijn Auteur bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de voeten dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun lippen op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen wellust vindt, grooter zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder spiegels, waarin het verheven-goddelijke en schoon-menschelijke helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het hemelsch-majestueuse en het aardsch-bevallige lichter en welluidender geroerd worden; zuiverder wierookvazen, die voor het eeuwig-heerlijke en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden. O, wanneer ik alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft zich mijn geest bij de gedachte: „Wy syn Godts geslachte!” Hoe hoog klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van menschen-adel! Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een ander leven, maar het krijgt tevens voor mij als ware het een herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in moedeloosheid afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen daarvan reeds eenige trekken ontwaarde. Wanneer eenBossuet, zoo met recht de adelaar vanMeauxgenoemd, wiens arendsoog een blik op de ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig te worden, mij tot voor den troon des Eeuwigen voerde. WanneerFenelon, zoo treffend de zwaan vanKamerijkgeheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden scheen gevonden te hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der hoogste liefde. Wanneer onzeChrysostomus, wiens naam eerbied op mijn lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd wordt, het aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn menschenkind voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn Aartsvaderlijke tafereelen mij in den Schepper van hemel en aarde den God, wat zeg ik, den Vriend vanAbrahamaanschouwen en beminnen deed. Wanneer eenKlopstockin zijn Messias de verhevenheid van den Ziener vanPatmosmet den liefde-ademenden geest van denZebedeus-zoon scheen te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch beeld ineensmolt. Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die menschen het hemelsche nader tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die zij predikten omtrent de onlosmakelijke verwantschap tusschen God en den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen. In hunnen boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende gedachte!—bij den troon des Oneindigen eindigt!.… O, noem het overdrijving, noem het dweperij, zoo ge wilt, ik zal er niets anders op antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste eenmaal dat gevoel kennen moogt, als ik![129]

Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het menschelijke in hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers verhalen. Het is mij zoo wèl en goed, als door zulk een beschouwing het geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat daar buiten wel eens een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie dat er nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in wier bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier tranen nog vreemde smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen drogen kunnen. En waarom het ontkend, dat ik daarbij niet vrij van partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig schouderophalen Humoristen noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier van mijn hart die snaren het eerst en zuiverst klinken, die door hun vingers worden aangeslagen? O,Yorick! Yorick!hoe meesterlijk verstaat gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen en dalen, door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het mij aan, of gij mij al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en telkens uw eigen weg schijnt vergeten te zijn; gij kent toch den weg door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uw rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, vademen ver van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar mijn hart, en uw doel om dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik mij er aan, of hier en daar een enkel woord uw radde lippen ontvalt, dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden? Juist dat uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is, met de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons omkeert en leêgstort, juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook niet om onze bewondering en vergoding; gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend met al uw grootere en kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij een heerlijk man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En het is voor mij altijd een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen is:

Kom, bij ’t vuur de koude ontweken,Zal vriend Yorick voor ons preken.

Kom, bij ’t vuur de koude ontweken,

Zal vriend Yorick voor ons preken.

Vriend Yorick!helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit door mij gezien of gekend! Een vriend—ik hoop het—later door mij te zien en te kennen! met zoo vele anderen, met wie mij hier reeds de gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte viel hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote geesten, die hier in het afgietsel hunner schriften[130]voor mij vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar als levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw hemel en onder hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de aardsche menschen dikwijls reeds zoo wèl kan wezen!

Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast dragen dien naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene onder, die het niet beneden zich geacht hebben,Jonathaneen nederig plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch iets eigenaardigs, het werk van een vriend te lezen of te genieten. Daarvoor gaat het hart nog geheel anders open dan voor de stem, die wij nooit levende hoorden. Bij het openen van hun schriften is het alsof zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof hun stem ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van bewondering dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O, het is zoo gelukkig, met de hand op een bladzijde, waarop een groot talent schittert of een schoon gevoel spreekt, te kunnen zeggen: Deze is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, watTollensin zijn heerlijken rouwzang opBorgerzoo wèl uitdrukt:

Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten,Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd,En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten,Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd.

Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten,

Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd,

En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten,

Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd.

Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn Bibliotheek, en gij zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd, dat ik ten uwen opzichte mijn naam niet verloochenen, maar voor u eenJonathanzijn zal, die zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en de kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw vriendschap, die mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig maken! uw genie staat u borg voor de mijne, mij bevele een liefhebbend harte aan!

En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek vermeerderd worden—ik durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven. Welnu?… Zullen de overige schrijvers, die ge bevat, mijn heeren en meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren? Zullen zij mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring verstooten? Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn vermetelheid in de uitgave van dit boekske heb in te brengen, bij hen voor een verontschuldiging gelden zal. Er waren er, die meenden, dat de uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in een vorm die niet al te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart kon vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas, dat ik aan die inblazing gehoor[131]gaf.… toch was het, geloof ik, geen ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven hierin vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn eenzaam leven niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als ik.… gewenscht had, daardoor toch nog eenig nut stichten mocht. Kan ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men wijs en billijk handelen met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen niet belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders uit.… lieve lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele bloemen, die gij daardoor zult gestrooid hebben op het anders niet al te bloemrijke pad vanJonathan![132]

1Waarom niet?Byronzegt wel van de maan:Sun of the sleepless.↑

1Waarom niet?Byronzegt wel van de maan:Sun of the sleepless.↑

1Waarom niet?Byronzegt wel van de maan:Sun of the sleepless.↑

1Waarom niet?Byronzegt wel van de maan:Sun of the sleepless.↑

[Inhoud]OUDE VRIJSTERS.Ik kan zeer galant zijn.Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn zwart weduwnaarskleed, dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van een standbeeld, mij niet tot den geschikten persoon maakt om naar de gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, dat ik een van die overjaardepetit-maitresben, die van hun leeftijd een schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige onbeschaamdheid bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk een wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander soort van wezens, die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet bemerken willen, dat de Tijd, die onverbiddelijke Censor, hen reeds lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, en zich dus niet dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer éénkleurige haren weten te behoeden: of liever—want wie kan zeggen, dat hij zichzelven behoed heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt zijn hof te maken. Als ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was het altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem, of eenigen anderen trek van overeenkomst metBetsyhad. En indien ik, door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat niet minder haar dan mijzelven vereerde.Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer galant kan zijn.Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij dan niet in den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten met een voorkomen van ernst en gewicht, of het deRostravan Rome zelve waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring, waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon vergadert; zoek mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over[133]andere goede huismoeders hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren hoek, op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij mij in een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en beleefdheid toewijdende aan—een oude Vrijster!Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht vergeven, dat ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog uitbundiger meê vermaken, het zal u niet gelukken mij van daar weg te spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur van geestige en bittere aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril bekend en laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men.Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, eenbizarrensmaak heb en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij vergist u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens zoo lief, als anderen van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel liever met een moeder. Als ik mij tot deze wende en haar dadelijk met belangstelling naar hare lievelingen vrage—o, dan is voor mij een bron van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag het moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende uitdrukking van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig, welhaast een deelnemend toehoorder. Niet, omdat de kinderen, waarvan zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij zijn niet beter of slechter dan andere kinderen; maar, omdat demoedermij boeit en wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste en edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende liefde, uit het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt; als het verhevensymbolumvan den verhevensten godsdienst, de pelikaan met de bloedige borst, voor mijn oog gestalte en wezen verkrijgt; als de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en meer naar den achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen klapwiekt; o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit opgedroogden vloed van moederlijke welsprekendheid! En wist gij eens, welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd ben! Want de vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een verhaal van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming, waarmede ik haar aanhoore. En dan is het zoo aangenaam tot een oud vrijer te spreken, die er nooit een lofrede op zijn eigen kinderen tegenover plaatst, en haarPietjesbehendigheid in de schaduw stelt door van de nog veel grooter vlugheid van zijnJantjete spreken. Zie, het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen toeblinken en uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het jongste kind nu reeds meer spreekt, dan bij onze laatste ontmoeting.En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik boven het gezelschap harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke aanvallige schepselen! Ik heb een vriend, die vroeger een schoon buitengoed[134]had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen; maar nu gaat hij alle avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde uur, waarop hij vroeger het goed zelf rondging, ziet nog eens dezelfde boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, die eens de zijne waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar van die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn buitenplaats voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten afstaan, maar, om dit verlies zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken van hunne schoone droomen, zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen gevoelens hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest, dan is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en gevoele. Dan knik ik bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel de ganscheOpera féerievan mijn jeugd nog eens over, en scheide niet van de bezitters van mijnverlorenEden dan met het gevoel: „Hoe jong en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik jonge menschen en vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, lief. Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor mij zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de heldere wellen van menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de zilveren stemmen hooren klinken, die de harmonie des levens scheppen, en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner werken op aarde—een onschuldig vrouwenhart!Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren; maar zij zijn verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan mij leed doen, als ik in een gezelschap verschijne, haar terstond aan de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê men haar behandelt, al herkende ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar voorkomen. De Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames sluiten ze alsinvalidenuit haren kring; de Heeren, indien zij van pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen zich bij voorkeur tot defauteuils, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan de oude Jufvrouwen worden alleen de kruimelkens van den gezelschapsdisch toegeworpen.Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters voorbij, en vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij dunkt, dat is haar goed recht.Bilderdijkheeft in zijn dichtstukOude Vrijsters, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en in hare eer gesteld, om al het vuur zijner verontwaardiging te richten tegen dievieux garçons, die door hun ongeregeld leven de orde der maatschappij verbreken en de oorzaak zijn, dat zooveel onschuldige schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder huwelijks- en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht onder het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een zijner medeschepselen voor zijn[135]rekening had. Ik heb gezucht als ik dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame meer was, dan er behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij niet te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken.„Lieve Jufvrouw X!„Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw schuldenaar. Want ik had u mijn hand en hart moeten aanbieden. Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet te doen. Uw kieschheid waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt hebben aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen meester meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest zijn. Maar ik heb een andere vóór u gekend. En schoon deze thans een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan haar nog niet vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen beschikken.„Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u, kwitantie van deze kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens der diepste achting„Uw onderdanigen DienaarJonathan.”Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met mijn partij mijn rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen, Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid voor uw bevalligheden, talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk zijn, uit u allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever.Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar iets anders, iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is vaak haar voorkomen onbeduidend, haar kleed eenvoudig, hare manieren zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde maagd is een jong meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten. Als ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de anderen van den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke muren van hun blaauwe klimop-bloempjes berooven, holen en kelders van hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door de schietgaten steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende aan den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op, overdek de openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren met beschotten, vul de ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor stemmen galmen, bekers[136]klinken, en ben in een andere wereld overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt, daarop heeft een bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar het karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het knekelhuis weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan menschelijk-gevoelig, den omvang en grootheid van een ruïne alleen met het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst terug te komen: ik zie nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens naar mijn smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats haar op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare verschietende wenkbrauwen zwart, laat van haar hoofd lange zijden krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte en houding, en plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan.… maar neen! gij zoudt mij,droomer,uitlachen, indien ik voortging. Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige jeugd, even rijk aan liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en zoek voor de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is bekroond geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk in mijn oogen hoogstinteressantdoor wordt. Zeker schrijver zegt van een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van al deze gebroken harten kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen te verhalen hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets anders te lezen is, dan het altijd wederkeerende:hic jacet. Maar wat er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en gestreden, daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets; maar dat zegt mij mijn warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen er zijn onder haar, die het slachtoffer van mannelijke ontrouw en mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd door de hand, die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende weduwen, maar die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als zulke bejegent; dan breekt mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren, die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten contribueert, ook bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed te maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn, die den dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze gewonden hebben recht op uw olie en wijn!Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt, of zij dan nietsis, dan in zooverre zij ietsgeweestis. Stel u gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er enkelen zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van haar speelgoed niet scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen[137]aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel verschaalde bekers, die uitergernisvan onaangeroerd gebleven te zijn zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen, die het al te veel doen gevoelen, datMinervaeen gewapende godin is; of wel … St! st!Jonathan, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de oude vrijsters meer karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een groote en moeielijke les, waardig de hoofdinhoud van de tweede Tafel der goddelijke Wet te zijn: „Gy sult uwen naesten liefhebben als u selven.” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De getrouwe huismoeder, wier geheele bestaan zich in dat des geliefden Mans heeft opgelost, en voor wie het nog meer geluk dan plicht is alles te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer het beste vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich buiten het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot de nakoming van dat gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan de oude vrijster, die geen eigen plaats in den grond beslaat, maar zich als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren, of als een muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als eensoeur de charitéde voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde bewijzen wil; zij is in gevaar van, als „de Priester en de Levijt” in de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij te gaan, indien zij zich de les niet herinnert: „Gaat henen en doet gy des gelycx.” Maar indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een voorwerp gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien zij al de kracht van hare in één punt saamgedrongen genegenheid op een uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is het iets roerends, iets verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en buigbaarheid der rank alleen om den geliefden boom te vaster, te getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen, dan wordt haar groen de bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering van zijn stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar verwijdering, haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter schrijft:Ze is groot en schoon en door zichzelve levend,Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend,Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien;Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend.Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de menschen tot Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls heb ik er om getreurd, hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden begrijpen, en dan wel eens getwijfeld aan de verzekering van den grijzen Apostel: „Ende sijne geboden en sijn niet swaer.” Maar dan waren meermalen oude vrijsters mijneapologeten. Ik riep[138]ze mij voor den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der liefde, echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „niet en is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen,” en die om onzentwil „is arm geworden, daer hij rijck was;” wezens, in wie de zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woordIK, anders deradixvan alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die het zooverre gebracht hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „so wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren,” en „so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten,” en „so wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan;” goede geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief heeft. En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood over den twijfel van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met verdubbelden eerbied en liefde naar het goddelijke boek, dat tevens het menschelijkste aller boeken is, dat niets dan een liefhebbend hart eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik mijzelven, dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn zouden.Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op mijn papier, mijn goede, lieveEditha!Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleenMarthaas, „die haer bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ookMariaasonder, die „het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben uytgekozen.” Zij zijnJohannessenonder de vrouwen, en rusten altijd aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij hebben de aarde vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen en verlaten toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der wereld afsterven, om alleen voor den hemel te leven. Zij sluiten zich hier op aarde aan dien blinkenden stoet van Engelen aan, „die niet bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam volgen, waer het oock henen gaet.” Zij zijn het, die zich „toebereyden, om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelickChristo.” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is geworden van dat schoone lied vanLodensteyn;„Hoog, omhoog, het hart naar boven!Hier beneden is het niet.”Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u getuigen van het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag u wel aanbevelen, als gij den drempel van zulk een heiligdom overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb een afkeer van kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig Bethanie op mijn weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik het wierookvat mijner vereering hoog in de lucht![139]Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het altaar eens harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet wel, dat de wierook, daarop geurende, niet altijd zoo onvermengd en zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer aardsche banden heeft moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik weet wel, dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de „Rabbouni” dezerMagdalenaaswerd; maar ik weet ook, dat onze barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd eischt; ik weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele vrucht, naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook, dat hij tot een zondaresse, die zijn voeten met hare tranen baadde en met haar lokken afdroogde, gezegd heeft: „Uw gheloove heeft u behouden, gaet henen in vrede;” ik weet ook, datPetruseen boeteling enPauluseen van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „datter blijdschap is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en hebben!”.…En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren.[140]

OUDE VRIJSTERS.

Ik kan zeer galant zijn.Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn zwart weduwnaarskleed, dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van een standbeeld, mij niet tot den geschikten persoon maakt om naar de gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, dat ik een van die overjaardepetit-maitresben, die van hun leeftijd een schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige onbeschaamdheid bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk een wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander soort van wezens, die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet bemerken willen, dat de Tijd, die onverbiddelijke Censor, hen reeds lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, en zich dus niet dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer éénkleurige haren weten te behoeden: of liever—want wie kan zeggen, dat hij zichzelven behoed heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt zijn hof te maken. Als ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was het altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem, of eenigen anderen trek van overeenkomst metBetsyhad. En indien ik, door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat niet minder haar dan mijzelven vereerde.Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer galant kan zijn.Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij dan niet in den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten met een voorkomen van ernst en gewicht, of het deRostravan Rome zelve waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring, waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon vergadert; zoek mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over[133]andere goede huismoeders hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren hoek, op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij mij in een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en beleefdheid toewijdende aan—een oude Vrijster!Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht vergeven, dat ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog uitbundiger meê vermaken, het zal u niet gelukken mij van daar weg te spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur van geestige en bittere aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril bekend en laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men.Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, eenbizarrensmaak heb en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij vergist u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens zoo lief, als anderen van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel liever met een moeder. Als ik mij tot deze wende en haar dadelijk met belangstelling naar hare lievelingen vrage—o, dan is voor mij een bron van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag het moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende uitdrukking van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig, welhaast een deelnemend toehoorder. Niet, omdat de kinderen, waarvan zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij zijn niet beter of slechter dan andere kinderen; maar, omdat demoedermij boeit en wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste en edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende liefde, uit het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt; als het verhevensymbolumvan den verhevensten godsdienst, de pelikaan met de bloedige borst, voor mijn oog gestalte en wezen verkrijgt; als de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en meer naar den achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen klapwiekt; o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit opgedroogden vloed van moederlijke welsprekendheid! En wist gij eens, welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd ben! Want de vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een verhaal van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming, waarmede ik haar aanhoore. En dan is het zoo aangenaam tot een oud vrijer te spreken, die er nooit een lofrede op zijn eigen kinderen tegenover plaatst, en haarPietjesbehendigheid in de schaduw stelt door van de nog veel grooter vlugheid van zijnJantjete spreken. Zie, het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen toeblinken en uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het jongste kind nu reeds meer spreekt, dan bij onze laatste ontmoeting.En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik boven het gezelschap harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke aanvallige schepselen! Ik heb een vriend, die vroeger een schoon buitengoed[134]had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen; maar nu gaat hij alle avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde uur, waarop hij vroeger het goed zelf rondging, ziet nog eens dezelfde boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, die eens de zijne waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar van die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn buitenplaats voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten afstaan, maar, om dit verlies zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken van hunne schoone droomen, zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen gevoelens hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest, dan is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en gevoele. Dan knik ik bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel de ganscheOpera féerievan mijn jeugd nog eens over, en scheide niet van de bezitters van mijnverlorenEden dan met het gevoel: „Hoe jong en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik jonge menschen en vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, lief. Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor mij zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de heldere wellen van menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de zilveren stemmen hooren klinken, die de harmonie des levens scheppen, en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner werken op aarde—een onschuldig vrouwenhart!Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren; maar zij zijn verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan mij leed doen, als ik in een gezelschap verschijne, haar terstond aan de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê men haar behandelt, al herkende ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar voorkomen. De Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames sluiten ze alsinvalidenuit haren kring; de Heeren, indien zij van pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen zich bij voorkeur tot defauteuils, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan de oude Jufvrouwen worden alleen de kruimelkens van den gezelschapsdisch toegeworpen.Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters voorbij, en vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij dunkt, dat is haar goed recht.Bilderdijkheeft in zijn dichtstukOude Vrijsters, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en in hare eer gesteld, om al het vuur zijner verontwaardiging te richten tegen dievieux garçons, die door hun ongeregeld leven de orde der maatschappij verbreken en de oorzaak zijn, dat zooveel onschuldige schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder huwelijks- en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht onder het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een zijner medeschepselen voor zijn[135]rekening had. Ik heb gezucht als ik dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame meer was, dan er behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij niet te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken.„Lieve Jufvrouw X!„Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw schuldenaar. Want ik had u mijn hand en hart moeten aanbieden. Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet te doen. Uw kieschheid waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt hebben aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen meester meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest zijn. Maar ik heb een andere vóór u gekend. En schoon deze thans een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan haar nog niet vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen beschikken.„Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u, kwitantie van deze kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens der diepste achting„Uw onderdanigen DienaarJonathan.”Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met mijn partij mijn rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen, Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid voor uw bevalligheden, talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk zijn, uit u allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever.Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar iets anders, iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is vaak haar voorkomen onbeduidend, haar kleed eenvoudig, hare manieren zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde maagd is een jong meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten. Als ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de anderen van den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke muren van hun blaauwe klimop-bloempjes berooven, holen en kelders van hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door de schietgaten steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende aan den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op, overdek de openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren met beschotten, vul de ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor stemmen galmen, bekers[136]klinken, en ben in een andere wereld overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt, daarop heeft een bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar het karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het knekelhuis weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan menschelijk-gevoelig, den omvang en grootheid van een ruïne alleen met het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst terug te komen: ik zie nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens naar mijn smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats haar op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare verschietende wenkbrauwen zwart, laat van haar hoofd lange zijden krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte en houding, en plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan.… maar neen! gij zoudt mij,droomer,uitlachen, indien ik voortging. Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige jeugd, even rijk aan liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en zoek voor de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is bekroond geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk in mijn oogen hoogstinteressantdoor wordt. Zeker schrijver zegt van een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van al deze gebroken harten kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen te verhalen hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets anders te lezen is, dan het altijd wederkeerende:hic jacet. Maar wat er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en gestreden, daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets; maar dat zegt mij mijn warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen er zijn onder haar, die het slachtoffer van mannelijke ontrouw en mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd door de hand, die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende weduwen, maar die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als zulke bejegent; dan breekt mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren, die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten contribueert, ook bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed te maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn, die den dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze gewonden hebben recht op uw olie en wijn!Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt, of zij dan nietsis, dan in zooverre zij ietsgeweestis. Stel u gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er enkelen zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van haar speelgoed niet scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen[137]aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel verschaalde bekers, die uitergernisvan onaangeroerd gebleven te zijn zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen, die het al te veel doen gevoelen, datMinervaeen gewapende godin is; of wel … St! st!Jonathan, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de oude vrijsters meer karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een groote en moeielijke les, waardig de hoofdinhoud van de tweede Tafel der goddelijke Wet te zijn: „Gy sult uwen naesten liefhebben als u selven.” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De getrouwe huismoeder, wier geheele bestaan zich in dat des geliefden Mans heeft opgelost, en voor wie het nog meer geluk dan plicht is alles te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer het beste vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich buiten het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot de nakoming van dat gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan de oude vrijster, die geen eigen plaats in den grond beslaat, maar zich als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren, of als een muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als eensoeur de charitéde voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde bewijzen wil; zij is in gevaar van, als „de Priester en de Levijt” in de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij te gaan, indien zij zich de les niet herinnert: „Gaat henen en doet gy des gelycx.” Maar indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een voorwerp gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien zij al de kracht van hare in één punt saamgedrongen genegenheid op een uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is het iets roerends, iets verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en buigbaarheid der rank alleen om den geliefden boom te vaster, te getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen, dan wordt haar groen de bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering van zijn stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar verwijdering, haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter schrijft:Ze is groot en schoon en door zichzelve levend,Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend,Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien;Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend.Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de menschen tot Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls heb ik er om getreurd, hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden begrijpen, en dan wel eens getwijfeld aan de verzekering van den grijzen Apostel: „Ende sijne geboden en sijn niet swaer.” Maar dan waren meermalen oude vrijsters mijneapologeten. Ik riep[138]ze mij voor den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der liefde, echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „niet en is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen,” en die om onzentwil „is arm geworden, daer hij rijck was;” wezens, in wie de zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woordIK, anders deradixvan alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die het zooverre gebracht hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „so wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren,” en „so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten,” en „so wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan;” goede geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief heeft. En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood over den twijfel van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met verdubbelden eerbied en liefde naar het goddelijke boek, dat tevens het menschelijkste aller boeken is, dat niets dan een liefhebbend hart eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik mijzelven, dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn zouden.Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op mijn papier, mijn goede, lieveEditha!Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleenMarthaas, „die haer bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ookMariaasonder, die „het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben uytgekozen.” Zij zijnJohannessenonder de vrouwen, en rusten altijd aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij hebben de aarde vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen en verlaten toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der wereld afsterven, om alleen voor den hemel te leven. Zij sluiten zich hier op aarde aan dien blinkenden stoet van Engelen aan, „die niet bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam volgen, waer het oock henen gaet.” Zij zijn het, die zich „toebereyden, om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelickChristo.” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is geworden van dat schoone lied vanLodensteyn;„Hoog, omhoog, het hart naar boven!Hier beneden is het niet.”Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u getuigen van het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag u wel aanbevelen, als gij den drempel van zulk een heiligdom overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb een afkeer van kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig Bethanie op mijn weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik het wierookvat mijner vereering hoog in de lucht![139]Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het altaar eens harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet wel, dat de wierook, daarop geurende, niet altijd zoo onvermengd en zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer aardsche banden heeft moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik weet wel, dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de „Rabbouni” dezerMagdalenaaswerd; maar ik weet ook, dat onze barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd eischt; ik weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele vrucht, naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook, dat hij tot een zondaresse, die zijn voeten met hare tranen baadde en met haar lokken afdroogde, gezegd heeft: „Uw gheloove heeft u behouden, gaet henen in vrede;” ik weet ook, datPetruseen boeteling enPauluseen van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „datter blijdschap is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en hebben!”.…En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren.[140]

Ik kan zeer galant zijn.

Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn zwart weduwnaarskleed, dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van een standbeeld, mij niet tot den geschikten persoon maakt om naar de gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, dat ik een van die overjaardepetit-maitresben, die van hun leeftijd een schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige onbeschaamdheid bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk een wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander soort van wezens, die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet bemerken willen, dat de Tijd, die onverbiddelijke Censor, hen reeds lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, en zich dus niet dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer éénkleurige haren weten te behoeden: of liever—want wie kan zeggen, dat hij zichzelven behoed heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt zijn hof te maken. Als ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was het altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem, of eenigen anderen trek van overeenkomst metBetsyhad. En indien ik, door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat niet minder haar dan mijzelven vereerde.

Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer galant kan zijn.

Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij dan niet in den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten met een voorkomen van ernst en gewicht, of het deRostravan Rome zelve waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring, waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon vergadert; zoek mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over[133]andere goede huismoeders hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren hoek, op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij mij in een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en beleefdheid toewijdende aan—een oude Vrijster!

Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht vergeven, dat ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog uitbundiger meê vermaken, het zal u niet gelukken mij van daar weg te spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur van geestige en bittere aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril bekend en laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men.

Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, eenbizarrensmaak heb en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij vergist u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens zoo lief, als anderen van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel liever met een moeder. Als ik mij tot deze wende en haar dadelijk met belangstelling naar hare lievelingen vrage—o, dan is voor mij een bron van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag het moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende uitdrukking van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig, welhaast een deelnemend toehoorder. Niet, omdat de kinderen, waarvan zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij zijn niet beter of slechter dan andere kinderen; maar, omdat demoedermij boeit en wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste en edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende liefde, uit het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt; als het verhevensymbolumvan den verhevensten godsdienst, de pelikaan met de bloedige borst, voor mijn oog gestalte en wezen verkrijgt; als de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en meer naar den achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen klapwiekt; o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit opgedroogden vloed van moederlijke welsprekendheid! En wist gij eens, welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd ben! Want de vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een verhaal van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming, waarmede ik haar aanhoore. En dan is het zoo aangenaam tot een oud vrijer te spreken, die er nooit een lofrede op zijn eigen kinderen tegenover plaatst, en haarPietjesbehendigheid in de schaduw stelt door van de nog veel grooter vlugheid van zijnJantjete spreken. Zie, het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen toeblinken en uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het jongste kind nu reeds meer spreekt, dan bij onze laatste ontmoeting.

En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik boven het gezelschap harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke aanvallige schepselen! Ik heb een vriend, die vroeger een schoon buitengoed[134]had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen; maar nu gaat hij alle avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde uur, waarop hij vroeger het goed zelf rondging, ziet nog eens dezelfde boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, die eens de zijne waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar van die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn buitenplaats voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten afstaan, maar, om dit verlies zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken van hunne schoone droomen, zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen gevoelens hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest, dan is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en gevoele. Dan knik ik bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel de ganscheOpera féerievan mijn jeugd nog eens over, en scheide niet van de bezitters van mijnverlorenEden dan met het gevoel: „Hoe jong en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik jonge menschen en vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, lief. Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor mij zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de heldere wellen van menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de zilveren stemmen hooren klinken, die de harmonie des levens scheppen, en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner werken op aarde—een onschuldig vrouwenhart!

Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren; maar zij zijn verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan mij leed doen, als ik in een gezelschap verschijne, haar terstond aan de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê men haar behandelt, al herkende ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar voorkomen. De Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames sluiten ze alsinvalidenuit haren kring; de Heeren, indien zij van pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen zich bij voorkeur tot defauteuils, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan de oude Jufvrouwen worden alleen de kruimelkens van den gezelschapsdisch toegeworpen.

Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters voorbij, en vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij dunkt, dat is haar goed recht.Bilderdijkheeft in zijn dichtstukOude Vrijsters, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en in hare eer gesteld, om al het vuur zijner verontwaardiging te richten tegen dievieux garçons, die door hun ongeregeld leven de orde der maatschappij verbreken en de oorzaak zijn, dat zooveel onschuldige schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder huwelijks- en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht onder het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een zijner medeschepselen voor zijn[135]rekening had. Ik heb gezucht als ik dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame meer was, dan er behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij niet te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken.

„Lieve Jufvrouw X!„Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw schuldenaar. Want ik had u mijn hand en hart moeten aanbieden. Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet te doen. Uw kieschheid waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt hebben aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen meester meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest zijn. Maar ik heb een andere vóór u gekend. En schoon deze thans een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan haar nog niet vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen beschikken.„Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u, kwitantie van deze kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens der diepste achting„Uw onderdanigen DienaarJonathan.”

„Lieve Jufvrouw X!

„Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw schuldenaar. Want ik had u mijn hand en hart moeten aanbieden. Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet te doen. Uw kieschheid waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt hebben aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen meester meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest zijn. Maar ik heb een andere vóór u gekend. En schoon deze thans een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan haar nog niet vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen beschikken.

„Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u, kwitantie van deze kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens der diepste achting

„Uw onderdanigen DienaarJonathan.”

Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met mijn partij mijn rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen, Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid voor uw bevalligheden, talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk zijn, uit u allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever.

Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar iets anders, iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is vaak haar voorkomen onbeduidend, haar kleed eenvoudig, hare manieren zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde maagd is een jong meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten. Als ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de anderen van den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke muren van hun blaauwe klimop-bloempjes berooven, holen en kelders van hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door de schietgaten steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende aan den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op, overdek de openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren met beschotten, vul de ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor stemmen galmen, bekers[136]klinken, en ben in een andere wereld overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt, daarop heeft een bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar het karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het knekelhuis weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan menschelijk-gevoelig, den omvang en grootheid van een ruïne alleen met het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst terug te komen: ik zie nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens naar mijn smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats haar op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare verschietende wenkbrauwen zwart, laat van haar hoofd lange zijden krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte en houding, en plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan.… maar neen! gij zoudt mij,droomer,uitlachen, indien ik voortging. Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige jeugd, even rijk aan liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en zoek voor de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is bekroond geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk in mijn oogen hoogstinteressantdoor wordt. Zeker schrijver zegt van een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van al deze gebroken harten kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen te verhalen hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets anders te lezen is, dan het altijd wederkeerende:hic jacet. Maar wat er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en gestreden, daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets; maar dat zegt mij mijn warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen er zijn onder haar, die het slachtoffer van mannelijke ontrouw en mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd door de hand, die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende weduwen, maar die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als zulke bejegent; dan breekt mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren, die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten contribueert, ook bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed te maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn, die den dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze gewonden hebben recht op uw olie en wijn!

Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt, of zij dan nietsis, dan in zooverre zij ietsgeweestis. Stel u gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er enkelen zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van haar speelgoed niet scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen[137]aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel verschaalde bekers, die uitergernisvan onaangeroerd gebleven te zijn zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen, die het al te veel doen gevoelen, datMinervaeen gewapende godin is; of wel … St! st!Jonathan, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de oude vrijsters meer karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een groote en moeielijke les, waardig de hoofdinhoud van de tweede Tafel der goddelijke Wet te zijn: „Gy sult uwen naesten liefhebben als u selven.” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De getrouwe huismoeder, wier geheele bestaan zich in dat des geliefden Mans heeft opgelost, en voor wie het nog meer geluk dan plicht is alles te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer het beste vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich buiten het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot de nakoming van dat gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan de oude vrijster, die geen eigen plaats in den grond beslaat, maar zich als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren, of als een muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als eensoeur de charitéde voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde bewijzen wil; zij is in gevaar van, als „de Priester en de Levijt” in de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij te gaan, indien zij zich de les niet herinnert: „Gaat henen en doet gy des gelycx.” Maar indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een voorwerp gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien zij al de kracht van hare in één punt saamgedrongen genegenheid op een uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is het iets roerends, iets verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en buigbaarheid der rank alleen om den geliefden boom te vaster, te getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen, dan wordt haar groen de bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering van zijn stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar verwijdering, haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter schrijft:

Ze is groot en schoon en door zichzelve levend,Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend,Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien;Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend.

Ze is groot en schoon en door zichzelve levend,

Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend,

Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien;

Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend.

Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de menschen tot Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls heb ik er om getreurd, hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden begrijpen, en dan wel eens getwijfeld aan de verzekering van den grijzen Apostel: „Ende sijne geboden en sijn niet swaer.” Maar dan waren meermalen oude vrijsters mijneapologeten. Ik riep[138]ze mij voor den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der liefde, echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „niet en is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen,” en die om onzentwil „is arm geworden, daer hij rijck was;” wezens, in wie de zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woordIK, anders deradixvan alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die het zooverre gebracht hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „so wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren,” en „so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten,” en „so wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan;” goede geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief heeft. En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood over den twijfel van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met verdubbelden eerbied en liefde naar het goddelijke boek, dat tevens het menschelijkste aller boeken is, dat niets dan een liefhebbend hart eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik mijzelven, dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn zouden.

Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op mijn papier, mijn goede, lieveEditha!

Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleenMarthaas, „die haer bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ookMariaasonder, die „het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben uytgekozen.” Zij zijnJohannessenonder de vrouwen, en rusten altijd aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij hebben de aarde vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen en verlaten toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der wereld afsterven, om alleen voor den hemel te leven. Zij sluiten zich hier op aarde aan dien blinkenden stoet van Engelen aan, „die niet bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam volgen, waer het oock henen gaet.” Zij zijn het, die zich „toebereyden, om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelickChristo.” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is geworden van dat schoone lied vanLodensteyn;

„Hoog, omhoog, het hart naar boven!Hier beneden is het niet.”

„Hoog, omhoog, het hart naar boven!

Hier beneden is het niet.”

Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u getuigen van het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag u wel aanbevelen, als gij den drempel van zulk een heiligdom overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb een afkeer van kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig Bethanie op mijn weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik het wierookvat mijner vereering hoog in de lucht![139]

Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het altaar eens harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet wel, dat de wierook, daarop geurende, niet altijd zoo onvermengd en zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer aardsche banden heeft moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik weet wel, dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de „Rabbouni” dezerMagdalenaaswerd; maar ik weet ook, dat onze barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd eischt; ik weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele vrucht, naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook, dat hij tot een zondaresse, die zijn voeten met hare tranen baadde en met haar lokken afdroogde, gezegd heeft: „Uw gheloove heeft u behouden, gaet henen in vrede;” ik weet ook, datPetruseen boeteling enPauluseen van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „datter blijdschap is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en hebben!”.…

En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren.[140]


Back to IndexNext