[Inhoud]DE KONING GAAT TEN GRAVE.(Maart 1849.)„Mijne broeders! God alleen is groot!”Aldus luidde het woord, bijna anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker bij het graf van den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne broeders! God alleen is groot!”Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen der aarde, ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van mijn vleesch en been van mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch van mijn asch zijn, en dat ook voor hen de ure komt, waarin zij, die zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad hebben, tot elk van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam, op hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te spreken heeft: „Keer weder,gij menschenkind!”en hij keert weder. Maar wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld, dan in de laatste tijden, die wij hebben doorleefd.Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in deChamps Elyséeste Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam aan. Ik zag, en zie—het was een koning. Het wasLodewijk Filips, de koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de zoon vanPhilippe Égalité, bezitter van den troon vanLodewijk Capet. Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar zijn koninklijk paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid eens konings, in zijn met acht paarden bespannen rijtuig, te midden van den hem omringenden gouden hof- en scharlaken ruiterstoet en den bonten stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn weg schaarde. Daar snelde hij heen, de erfgenaam derCarolingen, derCapets, derValois, derBourbons, derNapoleons; daar snelde hij heen, de vorst, wiens voet op de leliën trad, die voor deBourbonsontloken,—om wiens hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelenNapoleonhadden gedragen. Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen[198]en prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te Versailles;—het schoonste, dat menschenhanden voor een koning hebben gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste is, dat menschenhandenhebbengebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van Versailles, waar alles schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat men u, o koning, gebouwd heeft! O koning! wie van de koningen der aarde kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.… Drie maanden verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór hem verdrevenBourbonenNapoleon, om zijns levens wil vluchten moest uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen aan zijn oog hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd.Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe koninklijke paleis. Het is waar, het verschil tusschen Versailles en Tilburg is zoo groot niet, als het verschil tusschen het paleis van Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin, ook het paleis van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne bestemming. Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dienWillem IIbij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare herinnering aan zijne in Engeland doorgebrachte kinderjaren moest zijn! Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg als koninklijke woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch vond mijne verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste bijzonderheden, naar het door hem gemaakte bestek daargesteld, weder; hem zag ik in al de grootheid van zijn koningsluister, in al de waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling niet alleen van het door hembeweldadigden verheerlijkt Tilburg, maar den wellust van een geheel volk, dat hem met het hart beminde; hem, die zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht een der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.… Drie weken verliepen, en koningWillem IIwas een lijk, dat onder de tranen der hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste rustplaats werd heen gevoerd!Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In gindschen doorluchtigen val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God is groot! hoe grooter de koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest, des te verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te boven gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij is, en de mensch is niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.”Wie had het gedacht?Lodewijk filips, de groote koning, viel;Willem II, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon gezeteld, ja, zat daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk de dichter terecht zeide, wij konden juichen:[199]„Stort elders oproer en verraadDe vorsten van hun wankle troonen,Hoe bleef de trouw van d’ onderzaatHier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!”Maar helaas!„Wat oproer noch verraad vermocht,Dat heeft de magt des doods gewrocht!”KoningWillem IIis niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en feller dan de klokkenklepels, die straks te zijner eer alom begonnen te kleppen, door den lande heen! De ijzeren tongen, die van stad tot stad en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven gezamelijk in de hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag, waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning is gestorven!Willem IIis niet meer!”Willem IIis niet meer! Die rouwgalm klonk ook indeplaats mijner woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. WatOranjevoor mij is, wat KoningWillem IIvoor mij was, wat elke vorst uit het huis vanOranje—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat huis den troon moest zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb het meermalen kenbaar gemaakt; ik heb er bepaalder van doen blijken ook in die nederige veldbloem, die ik vóór acht jaren, ter begroeting vanWillem II, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de provinciën van zijn land en de harten van zijne landgenooten heb gestrooid: „De Koning komt!” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo luttel jaren elders dezelfde stem, maar op geheel andere wijze, mijne ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd heen te gaan: „De Koning gaat ten grave!”De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in mij ontwaken om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien, gelijk ik bij zijn eersten tocht als Koning een enkel rozenblad op zijn weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood zich gereedelijk aan. Op den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg, de plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar verder naar zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij langs een niet ver afgelegen heide gaan. Hem van die heide af ten grave zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan. Aan het gedrang eener opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der toeschouwers en de stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te stuitend zijn geweest.Maaronder Gods vrijen hemel, in de stille natuur, op eene eenzameheidete midden van weinigen die gevoelden als ik, kwam mij de gedachte[200]om getuige van den laatsten gang des Konings te wezen niet alleen dragelijk, maar zelfs aanlokkelijk voor. Had ik den Koning niet zienkomen? Ik wilde hem nu ook ziengaan.Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten. Het rijtuig bracht mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner bestemming. Daar stapte ik het rijtuig uit. Het overige van den weg legde ik wandelende af.Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk helder. Was de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch telkens koesterend door de wolken heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de stem van denleeuwerikuit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan anders opmerkte, ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken gehoord. Van alle zijden opstijgende, zongen zij het lied, dat hun God hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding der natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets contrasteerends, en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang op dezen morgenstond. O, hoe verschildeditcontrast van het contrast met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood! Het was een contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den cirkel heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet!Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en dierenwereld wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille gepeinzen daarheen. Op eens wordt die stilte afgebroken. Hoor! het is een klokkentoon!„Klagend klinkt heur traag geluidTen bemosten toren uit,Waar de streng in wordt getrokken;Zuchtend is heur klank en dof,Als een toon van rouw en smarte,En zij valt hem zwaar op ’t harte,Wien zij de ooren trof.”Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren: het is ter eere van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber uitvaartlied begint. Bij dat geluid werd mijn geest al meer en meer in den geest der plechtigheid van dezen dag verplaatst en gestemd. Ik wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder van het kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te Tilburg het teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot, het bracht mij als door een tooverslag op het tooneel des rouws over. Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten der koninklijke weduwe; ik vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den toon van smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den zwarten stoet deed klinken.[201]En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats kon zijn, waar ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten nutte, door in mijn geest voor mij te laten heengaan al de beelden, die de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen van het verledene, voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik alsuit den grondzeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een heidegrond, die eertijds een legerkamp was geweest; de heide van Rijen, die de landlieden uit den omtrek nog hedenhet kamp van Rijennoemen. Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831 en later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door de legeroefeningen en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die later in de gevechten voor Hasselt en Leuven werd behaald. Zonderlinge afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna een woelig legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier vroeger heerschte! Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken van leven werd bespeurd, hadden binnen een klein bestek duizenden—en welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen hadden er geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmenDavidswaren er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat in het legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden. Ook hier had op elken eersten dag der week de stem des Evangelies aan de zonen van den krijg Vrede door het bloed des kruises verkondigd. Ook hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij het geluid van horen en trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim en Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping en der menschen:Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen;Men loov’ hem vroeg en spâ!Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de overwinning van Waterloo op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd; een ander dacht aan de wapenschouwing, die het uitspreken van het „Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit alles denken of er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling van geheel het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den overwinnaar van Quatrebras, den mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat zich op dat groot en schitterend tooneel in die dagen al grootsch en schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer de altijd groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de nog in al den glans der populariteit blinkende[202]koningskroon vanWillemIniet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe lief had hij op zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp, hoe lief was hem geheel het krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim dier betoovering schuilde, die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg scheen uit te breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de jaren van ’s Prinsenkrijgsmansleven, aldaar en daaromtrent gevoerd. Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en menschelijke deugden onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen drang en dwang der hof-etikette, van alle streken en treken der hof-diplomatie vrije soldatenleven was een leven naar zijn lust. Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning noch in zijn prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw te s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de veldtent in het kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk hare herbergzaamheid aanbood. Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare herinnering aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem eenSans-souciin de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner ruste in de ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt.Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende werking van Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen weg langs gereden, en nu klonk hier het gebulder van het kanon, dat de nadering van zijne lijkkoets langs dezen zelfden weg aankondigde.En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp van het sterfbed binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen van denveldtocht, van„den strijd, die minder dagenDan verwonnen steden telt.”Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt en Leuven behaald. Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik gedacht aan de zwaarwichtige ure, toen met de kroon en koningsmantel vanWillem Ide last der regeering op de schouders vanWillem IIwas overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik toen met het oog op des Konings eed ten dage der kroning, en de verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!”—Willem II! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die verwachtingen voldaan?Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o[203]mijn koning! zoo waarlijk helpe ons God!Willem IIheeft dit vertrouwen niet beschaamd:Willem IIis een goed Koning geweest. Hebben wij hem als Veldheer bewonderd en met hand en mond toegejuicht, als Koning hebben wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan het gejuich, dat rondom hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door zijne provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van zijn lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders wezen? Liefde is liefde’s wetsteen. Nu! de geheele regeering des Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord uit zijn mond: „Ik heb slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.” Des Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij spraken: „Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een vorst, die zijn volk boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans der koninklijke weduwe op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of KoningWillem IIzijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene met zich bracht; helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden trager behaald dan die, welke hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht: maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene wonde zooveel mogelijk zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen schatten ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het bloed uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal zijn bloed veil voor zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als hij het wenschte te maken. Kan een koning schooner getuigenis in het graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles: ik deed opmerken, welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei koningen bij hun uiteinde! O, hoe verre gaat danWillemde GoedeLodewijkden Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der grooten, de haat des volks, de vijandschap van geheel het buitenland, en op den achtergrond het schavot vanLodewijk XVI, als slachtoffer vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht. Bij het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en hofgezin, de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den landzaat, als van drie millioen kinderen bij het lijk des algemeenen Vaders; de liefde van den landzaat als de beste erfgave op het hoofd van zoon en kleinzoon overgebracht.Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der landbewoners uit den omtrek een gesprek aan. Het had niets opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid van den dag waren vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit aller mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken op, te onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld van goedhartigheid en liefde in het hart des ontslapen Konings ontdekten;[204]trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is medegedeeld, hoe de Koning nog, weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij zich een geruimen tijd met drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot de kleinen, tot de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke karaktertrekken, die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst. Die nederbuiging was in hem meer, dan eene berekende en afgesproken minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten vindt; hier was zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem, dat hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te behouden. Spraken krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van dien mantel, dien hij op zoo ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol liefde sprak uit de plooien van dien mond, waarmede men te recht gezegd heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”. Indien hij in meer dan één opzicht aanHendrik IVdeed denken, dien Frankrijk tot op dezen dagle bon Henrinoemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze populariteit, die hij zich had weten te verwerven. Zelden heeft een vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des konings met de minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was. Welke koning droeg ooit met meer recht den naam van beschermheer der kunsten? Welke koning had ooit meer aanspraak op den titel van weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar het eerste sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er bijvoegen, indien men de tranen der beweldadigden in eene urn vergaderen en die als eene lijkbus op zijn overschot plaatsen kon, dat dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn. O, ik weet niet, of ik niet te stout spreke; maar mij dunkt,Willem IIheeft in zijn korte levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon met doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de liefde des volks voor zijn Koning, de populariteit vanOranjein Nederland had geleden, toenWillem IIKoning werd. Een vreemdeling, die vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven, heeft den toenmaligen staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende eeuw heeft de volharding vanWillemden Zwijger Holland gered, in de negentiende heeft die vanWillem Ihet land in groot gevaar gebracht. Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen door al de wenschen, omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche land gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den rijke, zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte zijn naam niets dan een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen hebben hem die voorbeeldelooze populariteit doen verliezen.… Maar welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene edele onderwerping! Welk eene standvastigheid! ToenWillem Ide kroon nederlegde, hoorde men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging tegen de verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele klacht[205]Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit begrepen, en het stilzwijgen bewaard. Zelfs vertoonde zich in de bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen Koning betoond, eene zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het volk vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon den schijn zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te wezen”. Maar nu! was de toestand van Nederland zoodanig, als hier door een onpartijdig aanschouwer en opmerker wordt gezegd, welke bezwaren ontmoette danWillem IIniet van stonde aan op zijn pad! Welk een verschil tusschen de stemming des volks bij de troonsbeklimming van den souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden koning!—Wel nu, hadWillem Ihet voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den einde toe in dezelfde mate te behouden,Willem IIheeft, als de schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft tot en op den naam vanOranjewederom al die liefde weten terug te brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk verbonden was. Hij heeft alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet isla charte constitutionelle, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam derNassausmet de spreukJe maintiendrai, zijne aantrekkende en bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap in Nederland op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen vaststaat, liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des harten gegronde overtuiging, dat „zijn Koning hem van God gegeven is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks: hebt gij aan die verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van eenOranjevolbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het hulkje, dat zich aan u vertrouwde.Daarom is de dag van uwen dood een dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is de dag van uwe uitvaart een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat nu van Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de kunst des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft uitgestrooid; daarom klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van deLauwerszee, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft, en die ook in mijn hart boven die allen weêrklinkt.En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied.Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt een roode gloed. Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren der lansruiters. De trein genaakt.O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik mij bevond, waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein bevond zich bijna niemand. Recht zooals ik het had gewenscht en gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de indruk, dien de optocht op mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen; daarna eene afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoorCoets van[206]Baggen, die te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht had hem bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste te mogen aanbieden. Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in floers gewikkelde muziekinstrumenten, die zich, eenige honderde voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten hooren. Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna, door vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar overschot was bevat. Het was een indrukwekkend gezicht. De hemel van den wagen was van somber zwart met rein zilver afgezet, en verhief zich in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd: ik dacht aan het schoone woord vanBossuetaangaande de toerichtingen, „die tot aan de wolken de doorluchtige bewijzen verheffen van—ons niet”. Onder den hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een kussen met de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas geplukt, waren die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog niet verdord. Maar dat die kroon met geen enkelen traan van uwe onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zijdikwijlsvoor u een doornenkroon geweest, dat strekt u tot grootereer,dan alle lauweren u konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven versierd, het eereteeken van den rang, dien de held op het slagveld verwierf, en waarop de Koning uit dien hoofde bleef prijs stellen. Ter wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die, na in Spanje den troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en zonder Waterloo geen St. Helena! Hier de degen, die den Noord-Nederlandschen helden andermaal den weg naar Brussel opende, en die in Brussel het bulletin vanBelgiësonderwerpingzouhebben geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich tusschen Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den IJzeren Berg als een starre der zegepraal tusschen de wolken van denkruitdamphebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het veld der overwinning en van daar wederom huiswaarts heeft geleid! Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik zag, kon mij niet beletten meer te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest hetlijkkleedvan die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin rustenden doode te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar! Dat hoofd, dat zich zoo fier placht op te heffen, roerloos ter nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur verdoofd! Nog altijd diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten, roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen versierd; maar het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het geheel een beeld des doods; van dien dood, „die den geest der vorsten als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood, die koningen en bedelaars gelijk maakt, en den eersten recht geeft[207]den laatsten met de woorden bijJesajatoe te roepen:Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden!Ach, wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen had geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der Zuiderzee, in een ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze stofklomp, die welhaast een wolk van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de hoeven zijner paarden werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!”Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om zijn laatste peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden gedurende dat tijdvak niet al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee jaren beleefd, toen het reeds in de„kinderlijke wieg moest hobblen op de baren,Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.”Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmedeNapoleonhier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn voorvaderlijk erfgoed beroofde, elders den krijgsman in zijn leven bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd uit datzelfde Engeland, waar hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat hoofd de kroon van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te dragen, en nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware beproeving gebogen terug. Wel joeg de zegepraal van Leuven die nevelen weder uiteen, en daalde straks met den diadeem vanWillem Ide liefde van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de kleinste kroon kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord van de lippen gedwongen, dat uit zijn mond tot mij gebracht werd: het woord, waarbij hij verklaarde, dat men de uitdrukking „zoo gelukkig als een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht. Als ter voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener geschokte gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een dagelijksche dood” werd, een leven als onder het zwaard vanDamocles. Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was opgehangen.… daar valt dat zwaard neder … het treft dat dierbare hoofd.… dat hoofd, nimmer gewoon te bukken, heft zich nog eenige malen tot de worsteling op … vergeefs.… het wordt gedwongen te buigen.… het buigt zich voor den laatsten slag … het zinkt voor altijd op de koude borst.… KoningWillem IIis niet meer!Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste zacht op het rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft gespreid. Het ruste zacht in de schaduw der dankbare nagedachtenis, die het graf derNassaus, als een altijd geurende wierookwolk[208]omzweeft. Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of der veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken des volks rondom het graf stoort zulk een ruste niet?Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan in alle oostersche specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan bewaard! Slaap zacht onder de lauweren, die eene zachte hand voor uwe lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde traan van Haar, aan wie die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend kroost, dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook uit mijn hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en der liefde mede.En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst naar Oosterhout, dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar Delft, dan naar het graf.Rondom dat graf zouden al de dierbaarste betrekkingen des Konings zich vereenigen, om het de laatste eer te bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden zag ik den jeugdigen man, die thansWillem IIIheet.Willem III!Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren van voorheen, hoe ik meermalen, langs de straten mijner vaderstad gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee jongelingen in gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste kleinzonen des toenmaligen Konings, PrinsWillemen PrinsAlexander, die destijds kweekelingen deralma mater Leidensiswaren. Waarlijk, men had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om niet wel eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te wagen, en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien droom geworden? Ga naar het praalgraf derNassauste Delft, en vraag den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor PrinsAlexanderwerd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre van het hart zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te dankbaarder zijn wij voor PrinsWillem, dat zijn levensdroom zich aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeftde kroonverkregen, die hem voor de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene vraag, waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zalhijdier kroone wezen? Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken. En toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst vooruitloopen, en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige, een zijns vaders en onzes volks waardige kroonvoerder zijn! De omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, zijn al te aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet op zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans op hem rust. De dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen:Zie, hoe lief men hem had!Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft! Zou dit hem niet dringen om een goed Koning voor zijn[209]volk te wezen? Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aanSalomote Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes volks over den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van den Koning der koningen, bij wiens kruis wij heden in den geest staan, en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen, als besproeid, ledig tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit als een voorteeken aan!—hij heetWillem III.Accipio omen.Willem III!Welk een naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar te Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen naamgenoot stondt; er aan gedacht, toen gij thans nog overal Groot-Brittanje van den naam vanWillem IIIvervuld zaagt; er aan gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen naam verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en stamgenoot vanWillem IIIwaart.Willem III!wij bidden het van God, maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting niet! Wees voor Nederland als Koning, watWillem IIIals Stadhouder voor Nederland is geweest. HeeftWillem IIIvoor de republiek het werk bekroond, door de wijsheid van den Zwijger begonnen, door de dapperheid vanMauritsenFrederik Hendrikbevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het werk, dat KoningWillem IItot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij uw oog voortdurend op onzer vaderen God, op onzer kinderen Vader gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al zijne zonen?) een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o, mocht gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen.Christuste volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit den ouden tijd eenmaal tot een uwer vaderen gesproken, u toe te spreken, „Christuste volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die op dat pad de voorste is, is de eerste aller menschen, Gode het naaste en alleen een rechtschapen prins.” Amen! zeg ik thans met dubbelen nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij, o God der vaderen! doe gij om en doorJezus Christuszoo en zoo daartoe!Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van de omstandigheden, waaronderWillem IIIStadhouder der Unie werd. Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en dood, waarvan die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële proclamatie:Het heeft den Almachtige behaagdWillem IItot zich te roepen.—Willem IIIis Koning der Nederlanden.Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk koningschap. Elders worstelingen, die den vrede des lands in gevaar brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk, ook bij het behoud des vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien, wiens persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp van dubbelzinnige herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang[210]van de kroon des eenenNassausop het hoofd des anderen, en wat het schoonste is, de overgang van de liefde, die op des eenen hoofd rustte, althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland! moogt gij het nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het behoud van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve van onzen grond geweerd de invloed der voorstanders dier valschelijk genaamde vrijheid, dieKarelnaar Holyrood,Lodewijk Filipsnaar Claremont enLodewijk XVInaar het schavot op dePlace de Louis XVbracht. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel vertrouwen en liefde uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in den weg van God uw volk werd. En nooit ontga uw hart het aandenken aan die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de liefde van Nederland voorOranjete recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands kinderen, dat ’s lands vaderen tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des bloeds, die stem! want zij is geboren uit het bloed, dat de Vader des Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende met dat bloed, als met een onoplosbaar cement, Nederland enOranjetot één verbond! Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en wij zullen u een volk zijn gelijk gij hoopt.Willem I!Vader derNassaus! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij het open graf van dezen uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken, verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen, verstomme onze tong! Eer wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De koning is gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering zij gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente, die gij weder over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen, dat dezen feestdag der lente viert, moge het de voorbode, gelijk van een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van een nieuw leven vol vrede en voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.… o dan is de laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang opgelost, en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk morgenlied![211][Inhoud]TWEE MONUMENTEN.(1676–1841).Op den 25stenAugustus 1841 werd te Vlissingen een standbeeld ontbloot en ingewijd. Deze plechtigheid werd met schitterende feesten gevierd. Kanonnen bulderden; vlaggen en wimpels zwierden; een statelijke optocht ging om; eene welsprekende feestrede werd uitgesproken; eene kunstrijke cantate werd gezongen; kunstelooze zeemansliederen werden aangeheven: merkwaardige gedenkstukken werden ten toon gesteld; maaltijden werden gehouden; feestlichten werden ontstoken; volksspelen werden gegeven; handen wuifden; monden jubelden; oogen blonken; harten gloeiden. Vlissingen was eene groote feestzaal, waarnaar geheel het vaderland het belangstellend oog gericht hield.Het was het feest der inwijding van het standbeeld vanMichielAdriaansz.de Ruiter, Hertog, Ridder enz., Luitenant Admiraal Generaal van Holland en Westfriesland.In diezelfde dagen kwam uit de werkplaats, waaruit het beeld vanDe Ruiterwas voortgekomen, een ander gedenkteeken in stilte te Alkmaar aan. Van daar werd het door het verbaasde duin naar Egmonds zeekust vervoerd. Daar werd het op het wachtend voetstuk geheven, dat rondom den nieuwen lichttoren oprijst. Toen zag men den Nederlandschen leeuw, met den klauw om het kanon geklemd, het hoofd opsteken in den zeewind, dien het met verrukking in de rookende neusgaten ving.Het was het gedenkteeken ter eere vanJan Carel Josephus van Speyk, Ridder der Militaire Willemsorde, Luitenant ter Zee.Dit toevallig samentreffen moest ieder, die het vernam, opmerkelijk voorkomen. En wellicht ware er stof uit te putten voor eene vergelijking, welke het niet aan sprekende kontrasten ontbreken zou. Beide helden, uit geringen stam gesproten, en beide door koninklijken ridderslag geadeld; beide op zee groot geworden, en beide aldaar op het bed van eer gestorven; beide in hun leven met een groenen krans van eere gekroond, en beide in hun dood in een geurige lijkwâ van glorie gewikkeld; ja, om de overeenkomst te volmaken, beide in hun graf[212]door den weêrglans van eene koningskroon bestraald. De Amsterdamsche weesjongen, die zijn eersten sluimer in eene armenkrib sluimerde, sliep zijn jongsten slaap, totdat hem eene eigen sponde gespreid was, in het vorstelijk graf derNassau’s, aan de zijde van den grooten Zwijger; de Vlissingsche schipperszoon zag terzelfde plaatse, waar hij voor een stuiver daags in de lijnbaan gezwoegd had, onder duizend edele hoofden, waarop hij van zijn voetstuk nederzag, een gekroonden schedel ontbloot! En toch, niet treffender de overeenkomst die beide vereenigt, dan het verschil dat beide scheidt. Welk een afstand toch tusschen den Luitenant-Admiraal Generaal en den Luitenant ter zee,—tusschen het Opperhoofd van ’s Lands vloot en den Bevelhebber van eene kanonneerboot,—tusschen den negenenzestigjarigen held, die in de schaduw zijner lauweren, in vijftien groote zeeslagen gewonnen, ten grave daalde, en den negenentwintigjarigen jongeling, die in het winnen van zijn eersten lauwer bezweek,—tusschen den „Schrik des oceaans” en den Dappere, wiens zegevierende uitgang alleen den Schelde-oever deed beven!Deze en dergelijke trekken hadden niet kunnen missen ieder, die van de gelijktijdige oprichting der beide gedenkteekenen kennis droeg, te treffen. Maar ik voor mij verliet ze welhaast, om twee geheel andere beelden voor mijnen geest te zien verrijzen: het Nederland vanDe Ruiteren het Nederland vanvan Speyk: het Nederland van 1676 en het Nederland van 1841.Het Nederland vanDe Ruiteren het Nederland vanVan Speyk. Ik bid u, daarin iets anders en iets meer te zien, dan een ijdel spel met twee namen. Helaas! er ligt eene droevige waarheid in dat spel. De verhouding tusschenDe RuiterenVan Speykis maar al te zeer de schaal der verhouding, die tusschen beider Nederland bestaat: de Admiraalsvlagvan1676 tot den bootswimpel van 1831 gekrompen—ziet daar het beeld van ons vaderland bij den dood vanDe Ruiteren den dood vanVan Speyk!Wat dunkt u? indien dat metalen beeld op zijn voetstuk zoowel leven kon aannemen, als het te leven schijnt;—indien het den ijzeren blik op de zee kon vestigen, die aan zijne voeten breekt;—indien het over die zee zijne geliefde Statenvlag kon volgen;—o, hoe het wenschen zou, nooit op die hoogte gestegen te zijn! hoe het verlangen zou, wederom rustig neder te liggen op de tombe, waar het in de schaduw van zijne eigene en ’s Lands glorie zoo gelukkig sliep! hoe het den Pygmalion, die het in het leven riep, bidden zou, wederom steen te mogen worden; levenloos en ongevoelig steen! Of hoe, meent gij, zou het onzenDe Ruiterte moede zijn, als hij die schoone vloot, grootendeels onder zijn oog en hand verrezen, tot een handvol booten versmolten zag! als hij aanschouwen moest, hoe de vlag, die hij had doen eerbiedigen met siddering, nu gedoogd wordt met edelmoedigheid! als hij het moest aanzien, hoe de cirkel, door den boeg zijner schepen over de wereldzee getrokken, nu bijna geheel door de[213]sporen van andere bodems is uitgewischt! Indien hij er getuige van geweest ware, wat meent gij, zou de held van Soulsbay gevoeld hebben, wanneer hij de vaderlandsche schepen in de vaderlandsche havens gekerkerd had gezien, aldaar opgesloten, ik zeg niet door de duurgekochte overwinning, maar door het enkele bevelwoord van diezelfde Engelsche en Fransche vloten, waarvan hij meermalen de zee had schoongevaagd, alsHarpertzen’sberoemde bezem! Mij dunkt, ik hoor den mond, die eenmaal op het gezicht van den schrik, door de enkele verschijning van zijn Admiraalschipde Zeven Provinciënverwekt, zoovroolijkbraveerde, dat woord treurig herroepen: „De vijand heeftgeeneerbied meer voor de Zeven Provinciën!”Daarom, schoon eere doende aan de dankbaarheid van het nageslacht, dat inDe Ruiterden schepper van zijn blinkendsten roem en weligste welvaart vereert, om uwentwil verheugt het mij, dat de kunst, schoon zij uit ijzer goden scheppe, niet vermag u uit uw ijzeren slaap op te wekken; dat gij slechts eenbeeldzijt, heldengestalte vanMichiel Adriaanszoon de Ruiter!En toch! zie, het is alsof dat andere gedenkteeken,—het is alsof de leeuw van Egmond mij verwijt onrechtvaardig te zijn, en, om den wille van het Nederland vanDe Ruiter, het Nederland vanVan Speykte kort te doen. Ik hoop niet, dat verwijt verdiend te hebben. Het is de plicht van een kind, zijn moeder lief te hebben, al is zij oud en zwak geworden. Verre zij het van mij, ten gevalle van den roem van het verledene, de rechten van het tegenwoordige te verkorten, en de levendePolyxenate willen opofferen aan de schim van den doodenAchilles. Ik erken met allen, die het mij toevoeren: ook de jongste tijd had zijne heldere dagen. De jaren 1830 en 1831 waren een schoon oogenblik in onze geschiedenis, de schoonste tijdperken onzer vaderen waardig, en dat niet verdiend had, wegens de ongelukkige uitkomst, door hen zelve, die er eene werkzame rol in vervulden, verkleind, ja, bespot te worden. Nog behoeft het geslacht, dat aan den voet vanDe Ruiter’sstandbeeld vergaderd was, niet voor zijne schim te blozen. De helden van Hasselt en Leuven, de verdedigers van Antwerpen’s citadel, de dapperen van Algiers en Palembang, met den held aan het hoofd, die zich eene kroon van lauweren won, eer hij de juweelen kroon erfde, zijn niet onwaardig onder de oogen van den grooten Vlissinger te verschijnen. Ja, de grootmoedige vlootvoogd, die iedere dappere daad wist te waardeeren, ziet met een oog van welgevallen, niet ver van de prachtige tombe, waaronder hij slaapt, die nederige zuil verrijzen voor den jongen zeeman, die in zijn schoonen dood het beginsel huldigde, waarvan hij zelf het offer werd,—van het leven minder te achten dan de eere van ’s Lands vlag.En nogtans vergeve men het eenen Nederlander, die de daden der Vaderen niet vergeten kan, dat hij in het Nederland van 1841 het Nederland van 1676 niet herkent, en niet herkennen zou, al ware sedert het vuur niet weder uitgedoofd, dat in 1831 zoo helder ontbrandde;[214]al had de uitkomst niet bewezen, dat het slechts een schoone droom was, dien de dichter dweepte:Holland is twee eeuwen jonger,Dan het was vóór vijftig jaar.En nu, wat zal het namaals zijn? Hoe zal het Nederland van anderhalve eeuw later zich voordoen? Zal het aan dat van 1841, of van 1676 gelijken? Voorspelt ons de oprichting vanDe Ruiter’sbeeld, dat met hem het tijdperk van roem en voorspoed, hetwelk met hem ten grave ging, wederom zal opstaan? Mag ik een voorteeken zien in den helderen zonneschijn, die, op het oogenblik van het ontblooten des gedenkteekens, den regen verving, die tot dusverre het feest had verduisterd? O, hoe gaarne zou ik daarop hetaccipio omenzeggen! Hoe gaarne zou ik in den heldendood vanVan Speyk—de wedergade van den dood vanClaessens, die de wapenfeiten onzer vaderlandsche helden opent—den dageraad van eenen nieuwen morgen begroeten! hoeveel liever dan den avond, die den dag in denzelfden purpergloed ziet ondergaan, waaruit hij is opgerezen! Doch ik durf mij aan die zoete hoop niet toegeven; ik zie niet wat er mij recht toe laat. Moet ik de klagers onder ons gelooven, dan ligt de schuld aan.… ja, aan wie niet al? AanOranjevoornamelijk, wiens lot het schijnt te zijn, ten aanzien van ons zeewezen het voorwerp van een eeuwigdurend wantrouwen te zijn, dat nimmer gerechtvaardigd werd. Alsof de geschiedenis niet anders leerde; ja, alsof de jeugdige Prins-Kapitein, die, aan de zijde zijns Koninklijken Vaders, aan den voetvanDe Ruiter’sstandbeeld verscheen, niet bewees, dat KoningWillem IIeen echt nakomeling van de Kapiteinen-Generaal en Admiralen der Vereenigde Nederlanden is! Overigens onderneem ik niet, over de billijkheidvanwederzijdsche grieven of klachten te oordeelen. Maar wat ik weet of zie, het is dat de geest van de zeventiende eeuw, de geest vanDe Ruiter, van ons volk geweken is; het is dat de veroverde vendelen van den Tiendaagschen Veldtogt den sluimer niet verbergen kunnen, waarin de Nederlandsche Leeuw verzonken is; het is dat zijn weder-inslapen na zijn kort ontwaken, nog droeviger dan of hij in het geheel niet ontwaakt ware, bewijst, dat zijn slaap eene slaapziekte geworden is. Vergeefs geklaagd en gejammerd; vergeefs verweten en beschuldigd; vergeefs gehoond en geschimpt. De kracht der Zeven Provinciën huisde niet in het hout, waaruit de vloot gebouwd werd; hare geestdrift niet in de zeilen, die ze bevleugelden; hare dapperheid niet in het ijzer, dat ze beschermde. Neen! die kracht, die geestdrift, die dapperheid huisde in den geest van de ijzeren menschen, welke die houten vloot bemanden,—of, nog liever in den geest van het geheele volk, waaruit de bemanning voortkwam. Wat was in dien tijd een verloren schip, een verstrooid eskader, eene vernielde vloot zelfs? Weinige dagen—het wonder is gezien—weinige dagen waren genoegzaam om een handvol wrakken in eene geduchte zeemacht te herscheppen. Wat waren[215]in dien tijd tien helden, in éénen slag gesneuveld? Op dezelfde plaats, waar de een viel, stond een ander op, en met de vlag scheen de kunde en dapperheid van de Vice-Admiraal of Schout-bij-Nacht op den Kapitein over te gaan.De Ruitermocht bij het lijk vanMarten Harpertzen Trompuitroepen: „Ware ik vóór u gestorven!” hij wist niet, wat hij zeide; de kweekeling was bestemd den meester te overtreffen.—Vergeefs alzoo, vergeefs het in budgetten of reglementen, vergeefs het in geld of manschappen, vergeefs het in schepen of scheepsvolk gezocht;—de natie moet herboren worden, zoo onze zeemacht herrijzen zal. Want de zeemacht is de zenuw van den Staat, die met het lichaam der natie leeft of sterft.Maar hoe zal die wedergeboorte plaats grijpen? Wie zal een nieuwen geest in ons volk doen varen? Wie zal het krachtelooze lichaam tot een verjongd leven opwekken?Een ieder beantwoorde deze vraag, gelijk hij best kan.Mijnantwoord zal door menigeen met schouderophalen, door sommigen met spot beantwoord worden.—Het zij zoo! Ik heb geen beter te geven.Michiel adriaanszoon de ruiter!Het Vaderland, in bedevaart rondom uw standbeeld vergaderd, komt tot u om u raad te vragen, gelijk de oude volken het orakel van den god, wiens tempel en beeld zij bezochten. Welaan, wij vragen:Welk is het geheim van uwe en uwer tijdgenooten grootheid, waardoor ook wij wederom tot vorigen roem en bloei kunnen geraken?Zal hij antwoorden? Hij doe het dan met dat woord, dat, bij den slag van Schoonefeld gesproken, als zijne altoosdurende leuze beroemd werd:„Niet op onse maght, maar op Gods almaghtigen arm.”Wilt gij eene proeve nemen? Doet gelijk ik gedaan heb in de dagen van het De-Ruiters-feest: leest—neen, weest gerust, geen verhandelingen, geen vertoogen, geen verzen; maar leest eenvoudigHet Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter, beschreven doorGerardt brandt. Hoort daar den held zelven spreken! En hem niet alleen, hoort ook ’s Lands Staten! hoort het geheele volk! Hoort den toon van vroomheid—maar neen! het woordvroomheidwas toen nog één metdapperheid—hoort den toon van godsvrucht, waarop het geheele verkeer van den held met zijn volk, van den Staat met zijn dienaar, van de Overheid met hare onderdanen gestemd is. Waant daaronder, even als ik, in eene andere wereld te leven, eene andere taal te hooren, een ander volk te leeren kennen. En vraagt dan nog, of het orakel geantwoord heeft!Neen, ik heb mij bedrogen, en bid, mijn woord terug te mogen nemen. Ook niet in den geest der natie woont de kracht eens volks; het woont in de gunst en hulp van den Heer der heirscharen, die den geest der natiën verheft, en zij worden machtig, die den geest der volken wegneemt, en zij vallen. Men ijvere zoo veel men wil tegen de benaming vanGod van Nederland: wij willen om geen namen[216]twisten. Maar wat wij ons niet laten ontnemen, het is het geloof aan een natuurlijk en noodzakelijk verband tusschen de dienst en den zegen van den God van hemel en aarde. Al leerde ik dit niet uit den bijbel, ik zou het uit de geschiedenis des Vaderlands leeren.Eere dus aan allen, die in deze dagen verlangden, dat men deRuitereen beter gedenkteeken dan van metaal en steen zou oprichten in den verjongden bloei van ’s Lands zeemacht! Eere aan de bedoeling, die de stoffelijke middelen daartoe zocht aan te wijzen! Maar wij voor ons, die geene geschiedenis verstaan, dan gelijkBossuethaar schrijft, als de geschiedenis der Voorzienigheid,—wij voeren eene andere leuze; het is die, welke onze provincie op hare munten voert:Deus fortitudo et spes nostra.God onze sterkte en onze hope![217]
[Inhoud]DE KONING GAAT TEN GRAVE.(Maart 1849.)„Mijne broeders! God alleen is groot!”Aldus luidde het woord, bijna anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker bij het graf van den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne broeders! God alleen is groot!”Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen der aarde, ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van mijn vleesch en been van mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch van mijn asch zijn, en dat ook voor hen de ure komt, waarin zij, die zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad hebben, tot elk van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam, op hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te spreken heeft: „Keer weder,gij menschenkind!”en hij keert weder. Maar wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld, dan in de laatste tijden, die wij hebben doorleefd.Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in deChamps Elyséeste Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam aan. Ik zag, en zie—het was een koning. Het wasLodewijk Filips, de koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de zoon vanPhilippe Égalité, bezitter van den troon vanLodewijk Capet. Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar zijn koninklijk paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid eens konings, in zijn met acht paarden bespannen rijtuig, te midden van den hem omringenden gouden hof- en scharlaken ruiterstoet en den bonten stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn weg schaarde. Daar snelde hij heen, de erfgenaam derCarolingen, derCapets, derValois, derBourbons, derNapoleons; daar snelde hij heen, de vorst, wiens voet op de leliën trad, die voor deBourbonsontloken,—om wiens hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelenNapoleonhadden gedragen. Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen[198]en prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te Versailles;—het schoonste, dat menschenhanden voor een koning hebben gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste is, dat menschenhandenhebbengebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van Versailles, waar alles schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat men u, o koning, gebouwd heeft! O koning! wie van de koningen der aarde kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.… Drie maanden verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór hem verdrevenBourbonenNapoleon, om zijns levens wil vluchten moest uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen aan zijn oog hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd.Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe koninklijke paleis. Het is waar, het verschil tusschen Versailles en Tilburg is zoo groot niet, als het verschil tusschen het paleis van Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin, ook het paleis van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne bestemming. Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dienWillem IIbij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare herinnering aan zijne in Engeland doorgebrachte kinderjaren moest zijn! Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg als koninklijke woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch vond mijne verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste bijzonderheden, naar het door hem gemaakte bestek daargesteld, weder; hem zag ik in al de grootheid van zijn koningsluister, in al de waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling niet alleen van het door hembeweldadigden verheerlijkt Tilburg, maar den wellust van een geheel volk, dat hem met het hart beminde; hem, die zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht een der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.… Drie weken verliepen, en koningWillem IIwas een lijk, dat onder de tranen der hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste rustplaats werd heen gevoerd!Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In gindschen doorluchtigen val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God is groot! hoe grooter de koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest, des te verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te boven gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij is, en de mensch is niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.”Wie had het gedacht?Lodewijk filips, de groote koning, viel;Willem II, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon gezeteld, ja, zat daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk de dichter terecht zeide, wij konden juichen:[199]„Stort elders oproer en verraadDe vorsten van hun wankle troonen,Hoe bleef de trouw van d’ onderzaatHier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!”Maar helaas!„Wat oproer noch verraad vermocht,Dat heeft de magt des doods gewrocht!”KoningWillem IIis niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en feller dan de klokkenklepels, die straks te zijner eer alom begonnen te kleppen, door den lande heen! De ijzeren tongen, die van stad tot stad en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven gezamelijk in de hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag, waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning is gestorven!Willem IIis niet meer!”Willem IIis niet meer! Die rouwgalm klonk ook indeplaats mijner woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. WatOranjevoor mij is, wat KoningWillem IIvoor mij was, wat elke vorst uit het huis vanOranje—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat huis den troon moest zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb het meermalen kenbaar gemaakt; ik heb er bepaalder van doen blijken ook in die nederige veldbloem, die ik vóór acht jaren, ter begroeting vanWillem II, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de provinciën van zijn land en de harten van zijne landgenooten heb gestrooid: „De Koning komt!” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo luttel jaren elders dezelfde stem, maar op geheel andere wijze, mijne ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd heen te gaan: „De Koning gaat ten grave!”De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in mij ontwaken om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien, gelijk ik bij zijn eersten tocht als Koning een enkel rozenblad op zijn weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood zich gereedelijk aan. Op den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg, de plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar verder naar zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij langs een niet ver afgelegen heide gaan. Hem van die heide af ten grave zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan. Aan het gedrang eener opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der toeschouwers en de stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te stuitend zijn geweest.Maaronder Gods vrijen hemel, in de stille natuur, op eene eenzameheidete midden van weinigen die gevoelden als ik, kwam mij de gedachte[200]om getuige van den laatsten gang des Konings te wezen niet alleen dragelijk, maar zelfs aanlokkelijk voor. Had ik den Koning niet zienkomen? Ik wilde hem nu ook ziengaan.Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten. Het rijtuig bracht mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner bestemming. Daar stapte ik het rijtuig uit. Het overige van den weg legde ik wandelende af.Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk helder. Was de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch telkens koesterend door de wolken heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de stem van denleeuwerikuit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan anders opmerkte, ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken gehoord. Van alle zijden opstijgende, zongen zij het lied, dat hun God hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding der natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets contrasteerends, en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang op dezen morgenstond. O, hoe verschildeditcontrast van het contrast met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood! Het was een contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den cirkel heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet!Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en dierenwereld wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille gepeinzen daarheen. Op eens wordt die stilte afgebroken. Hoor! het is een klokkentoon!„Klagend klinkt heur traag geluidTen bemosten toren uit,Waar de streng in wordt getrokken;Zuchtend is heur klank en dof,Als een toon van rouw en smarte,En zij valt hem zwaar op ’t harte,Wien zij de ooren trof.”Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren: het is ter eere van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber uitvaartlied begint. Bij dat geluid werd mijn geest al meer en meer in den geest der plechtigheid van dezen dag verplaatst en gestemd. Ik wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder van het kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te Tilburg het teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot, het bracht mij als door een tooverslag op het tooneel des rouws over. Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten der koninklijke weduwe; ik vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den toon van smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den zwarten stoet deed klinken.[201]En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats kon zijn, waar ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten nutte, door in mijn geest voor mij te laten heengaan al de beelden, die de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen van het verledene, voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik alsuit den grondzeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een heidegrond, die eertijds een legerkamp was geweest; de heide van Rijen, die de landlieden uit den omtrek nog hedenhet kamp van Rijennoemen. Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831 en later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door de legeroefeningen en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die later in de gevechten voor Hasselt en Leuven werd behaald. Zonderlinge afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna een woelig legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier vroeger heerschte! Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken van leven werd bespeurd, hadden binnen een klein bestek duizenden—en welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen hadden er geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmenDavidswaren er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat in het legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden. Ook hier had op elken eersten dag der week de stem des Evangelies aan de zonen van den krijg Vrede door het bloed des kruises verkondigd. Ook hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij het geluid van horen en trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim en Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping en der menschen:Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen;Men loov’ hem vroeg en spâ!Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de overwinning van Waterloo op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd; een ander dacht aan de wapenschouwing, die het uitspreken van het „Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit alles denken of er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling van geheel het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den overwinnaar van Quatrebras, den mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat zich op dat groot en schitterend tooneel in die dagen al grootsch en schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer de altijd groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de nog in al den glans der populariteit blinkende[202]koningskroon vanWillemIniet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe lief had hij op zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp, hoe lief was hem geheel het krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim dier betoovering schuilde, die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg scheen uit te breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de jaren van ’s Prinsenkrijgsmansleven, aldaar en daaromtrent gevoerd. Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en menschelijke deugden onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen drang en dwang der hof-etikette, van alle streken en treken der hof-diplomatie vrije soldatenleven was een leven naar zijn lust. Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning noch in zijn prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw te s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de veldtent in het kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk hare herbergzaamheid aanbood. Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare herinnering aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem eenSans-souciin de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner ruste in de ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt.Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende werking van Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen weg langs gereden, en nu klonk hier het gebulder van het kanon, dat de nadering van zijne lijkkoets langs dezen zelfden weg aankondigde.En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp van het sterfbed binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen van denveldtocht, van„den strijd, die minder dagenDan verwonnen steden telt.”Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt en Leuven behaald. Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik gedacht aan de zwaarwichtige ure, toen met de kroon en koningsmantel vanWillem Ide last der regeering op de schouders vanWillem IIwas overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik toen met het oog op des Konings eed ten dage der kroning, en de verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!”—Willem II! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die verwachtingen voldaan?Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o[203]mijn koning! zoo waarlijk helpe ons God!Willem IIheeft dit vertrouwen niet beschaamd:Willem IIis een goed Koning geweest. Hebben wij hem als Veldheer bewonderd en met hand en mond toegejuicht, als Koning hebben wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan het gejuich, dat rondom hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door zijne provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van zijn lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders wezen? Liefde is liefde’s wetsteen. Nu! de geheele regeering des Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord uit zijn mond: „Ik heb slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.” Des Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij spraken: „Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een vorst, die zijn volk boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans der koninklijke weduwe op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of KoningWillem IIzijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene met zich bracht; helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden trager behaald dan die, welke hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht: maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene wonde zooveel mogelijk zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen schatten ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het bloed uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal zijn bloed veil voor zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als hij het wenschte te maken. Kan een koning schooner getuigenis in het graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles: ik deed opmerken, welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei koningen bij hun uiteinde! O, hoe verre gaat danWillemde GoedeLodewijkden Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der grooten, de haat des volks, de vijandschap van geheel het buitenland, en op den achtergrond het schavot vanLodewijk XVI, als slachtoffer vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht. Bij het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en hofgezin, de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den landzaat, als van drie millioen kinderen bij het lijk des algemeenen Vaders; de liefde van den landzaat als de beste erfgave op het hoofd van zoon en kleinzoon overgebracht.Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der landbewoners uit den omtrek een gesprek aan. Het had niets opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid van den dag waren vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit aller mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken op, te onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld van goedhartigheid en liefde in het hart des ontslapen Konings ontdekten;[204]trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is medegedeeld, hoe de Koning nog, weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij zich een geruimen tijd met drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot de kleinen, tot de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke karaktertrekken, die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst. Die nederbuiging was in hem meer, dan eene berekende en afgesproken minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten vindt; hier was zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem, dat hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te behouden. Spraken krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van dien mantel, dien hij op zoo ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol liefde sprak uit de plooien van dien mond, waarmede men te recht gezegd heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”. Indien hij in meer dan één opzicht aanHendrik IVdeed denken, dien Frankrijk tot op dezen dagle bon Henrinoemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze populariteit, die hij zich had weten te verwerven. Zelden heeft een vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des konings met de minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was. Welke koning droeg ooit met meer recht den naam van beschermheer der kunsten? Welke koning had ooit meer aanspraak op den titel van weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar het eerste sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er bijvoegen, indien men de tranen der beweldadigden in eene urn vergaderen en die als eene lijkbus op zijn overschot plaatsen kon, dat dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn. O, ik weet niet, of ik niet te stout spreke; maar mij dunkt,Willem IIheeft in zijn korte levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon met doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de liefde des volks voor zijn Koning, de populariteit vanOranjein Nederland had geleden, toenWillem IIKoning werd. Een vreemdeling, die vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven, heeft den toenmaligen staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende eeuw heeft de volharding vanWillemden Zwijger Holland gered, in de negentiende heeft die vanWillem Ihet land in groot gevaar gebracht. Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen door al de wenschen, omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche land gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den rijke, zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte zijn naam niets dan een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen hebben hem die voorbeeldelooze populariteit doen verliezen.… Maar welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene edele onderwerping! Welk eene standvastigheid! ToenWillem Ide kroon nederlegde, hoorde men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging tegen de verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele klacht[205]Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit begrepen, en het stilzwijgen bewaard. Zelfs vertoonde zich in de bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen Koning betoond, eene zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het volk vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon den schijn zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te wezen”. Maar nu! was de toestand van Nederland zoodanig, als hier door een onpartijdig aanschouwer en opmerker wordt gezegd, welke bezwaren ontmoette danWillem IIniet van stonde aan op zijn pad! Welk een verschil tusschen de stemming des volks bij de troonsbeklimming van den souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden koning!—Wel nu, hadWillem Ihet voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den einde toe in dezelfde mate te behouden,Willem IIheeft, als de schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft tot en op den naam vanOranjewederom al die liefde weten terug te brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk verbonden was. Hij heeft alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet isla charte constitutionelle, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam derNassausmet de spreukJe maintiendrai, zijne aantrekkende en bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap in Nederland op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen vaststaat, liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des harten gegronde overtuiging, dat „zijn Koning hem van God gegeven is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks: hebt gij aan die verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van eenOranjevolbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het hulkje, dat zich aan u vertrouwde.Daarom is de dag van uwen dood een dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is de dag van uwe uitvaart een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat nu van Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de kunst des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft uitgestrooid; daarom klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van deLauwerszee, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft, en die ook in mijn hart boven die allen weêrklinkt.En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied.Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt een roode gloed. Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren der lansruiters. De trein genaakt.O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik mij bevond, waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein bevond zich bijna niemand. Recht zooals ik het had gewenscht en gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de indruk, dien de optocht op mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen; daarna eene afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoorCoets van[206]Baggen, die te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht had hem bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste te mogen aanbieden. Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in floers gewikkelde muziekinstrumenten, die zich, eenige honderde voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten hooren. Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna, door vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar overschot was bevat. Het was een indrukwekkend gezicht. De hemel van den wagen was van somber zwart met rein zilver afgezet, en verhief zich in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd: ik dacht aan het schoone woord vanBossuetaangaande de toerichtingen, „die tot aan de wolken de doorluchtige bewijzen verheffen van—ons niet”. Onder den hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een kussen met de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas geplukt, waren die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog niet verdord. Maar dat die kroon met geen enkelen traan van uwe onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zijdikwijlsvoor u een doornenkroon geweest, dat strekt u tot grootereer,dan alle lauweren u konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven versierd, het eereteeken van den rang, dien de held op het slagveld verwierf, en waarop de Koning uit dien hoofde bleef prijs stellen. Ter wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die, na in Spanje den troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en zonder Waterloo geen St. Helena! Hier de degen, die den Noord-Nederlandschen helden andermaal den weg naar Brussel opende, en die in Brussel het bulletin vanBelgiësonderwerpingzouhebben geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich tusschen Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den IJzeren Berg als een starre der zegepraal tusschen de wolken van denkruitdamphebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het veld der overwinning en van daar wederom huiswaarts heeft geleid! Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik zag, kon mij niet beletten meer te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest hetlijkkleedvan die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin rustenden doode te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar! Dat hoofd, dat zich zoo fier placht op te heffen, roerloos ter nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur verdoofd! Nog altijd diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten, roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen versierd; maar het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het geheel een beeld des doods; van dien dood, „die den geest der vorsten als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood, die koningen en bedelaars gelijk maakt, en den eersten recht geeft[207]den laatsten met de woorden bijJesajatoe te roepen:Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden!Ach, wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen had geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der Zuiderzee, in een ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze stofklomp, die welhaast een wolk van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de hoeven zijner paarden werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!”Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om zijn laatste peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden gedurende dat tijdvak niet al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee jaren beleefd, toen het reeds in de„kinderlijke wieg moest hobblen op de baren,Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.”Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmedeNapoleonhier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn voorvaderlijk erfgoed beroofde, elders den krijgsman in zijn leven bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd uit datzelfde Engeland, waar hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat hoofd de kroon van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te dragen, en nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware beproeving gebogen terug. Wel joeg de zegepraal van Leuven die nevelen weder uiteen, en daalde straks met den diadeem vanWillem Ide liefde van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de kleinste kroon kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord van de lippen gedwongen, dat uit zijn mond tot mij gebracht werd: het woord, waarbij hij verklaarde, dat men de uitdrukking „zoo gelukkig als een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht. Als ter voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener geschokte gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een dagelijksche dood” werd, een leven als onder het zwaard vanDamocles. Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was opgehangen.… daar valt dat zwaard neder … het treft dat dierbare hoofd.… dat hoofd, nimmer gewoon te bukken, heft zich nog eenige malen tot de worsteling op … vergeefs.… het wordt gedwongen te buigen.… het buigt zich voor den laatsten slag … het zinkt voor altijd op de koude borst.… KoningWillem IIis niet meer!Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste zacht op het rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft gespreid. Het ruste zacht in de schaduw der dankbare nagedachtenis, die het graf derNassaus, als een altijd geurende wierookwolk[208]omzweeft. Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of der veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken des volks rondom het graf stoort zulk een ruste niet?Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan in alle oostersche specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan bewaard! Slaap zacht onder de lauweren, die eene zachte hand voor uwe lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde traan van Haar, aan wie die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend kroost, dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook uit mijn hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en der liefde mede.En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst naar Oosterhout, dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar Delft, dan naar het graf.Rondom dat graf zouden al de dierbaarste betrekkingen des Konings zich vereenigen, om het de laatste eer te bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden zag ik den jeugdigen man, die thansWillem IIIheet.Willem III!Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren van voorheen, hoe ik meermalen, langs de straten mijner vaderstad gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee jongelingen in gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste kleinzonen des toenmaligen Konings, PrinsWillemen PrinsAlexander, die destijds kweekelingen deralma mater Leidensiswaren. Waarlijk, men had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om niet wel eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te wagen, en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien droom geworden? Ga naar het praalgraf derNassauste Delft, en vraag den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor PrinsAlexanderwerd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre van het hart zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te dankbaarder zijn wij voor PrinsWillem, dat zijn levensdroom zich aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeftde kroonverkregen, die hem voor de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene vraag, waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zalhijdier kroone wezen? Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken. En toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst vooruitloopen, en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige, een zijns vaders en onzes volks waardige kroonvoerder zijn! De omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, zijn al te aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet op zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans op hem rust. De dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen:Zie, hoe lief men hem had!Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft! Zou dit hem niet dringen om een goed Koning voor zijn[209]volk te wezen? Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aanSalomote Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes volks over den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van den Koning der koningen, bij wiens kruis wij heden in den geest staan, en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen, als besproeid, ledig tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit als een voorteeken aan!—hij heetWillem III.Accipio omen.Willem III!Welk een naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar te Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen naamgenoot stondt; er aan gedacht, toen gij thans nog overal Groot-Brittanje van den naam vanWillem IIIvervuld zaagt; er aan gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen naam verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en stamgenoot vanWillem IIIwaart.Willem III!wij bidden het van God, maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting niet! Wees voor Nederland als Koning, watWillem IIIals Stadhouder voor Nederland is geweest. HeeftWillem IIIvoor de republiek het werk bekroond, door de wijsheid van den Zwijger begonnen, door de dapperheid vanMauritsenFrederik Hendrikbevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het werk, dat KoningWillem IItot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij uw oog voortdurend op onzer vaderen God, op onzer kinderen Vader gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al zijne zonen?) een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o, mocht gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen.Christuste volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit den ouden tijd eenmaal tot een uwer vaderen gesproken, u toe te spreken, „Christuste volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die op dat pad de voorste is, is de eerste aller menschen, Gode het naaste en alleen een rechtschapen prins.” Amen! zeg ik thans met dubbelen nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij, o God der vaderen! doe gij om en doorJezus Christuszoo en zoo daartoe!Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van de omstandigheden, waaronderWillem IIIStadhouder der Unie werd. Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en dood, waarvan die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële proclamatie:Het heeft den Almachtige behaagdWillem IItot zich te roepen.—Willem IIIis Koning der Nederlanden.Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk koningschap. Elders worstelingen, die den vrede des lands in gevaar brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk, ook bij het behoud des vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien, wiens persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp van dubbelzinnige herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang[210]van de kroon des eenenNassausop het hoofd des anderen, en wat het schoonste is, de overgang van de liefde, die op des eenen hoofd rustte, althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland! moogt gij het nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het behoud van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve van onzen grond geweerd de invloed der voorstanders dier valschelijk genaamde vrijheid, dieKarelnaar Holyrood,Lodewijk Filipsnaar Claremont enLodewijk XVInaar het schavot op dePlace de Louis XVbracht. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel vertrouwen en liefde uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in den weg van God uw volk werd. En nooit ontga uw hart het aandenken aan die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de liefde van Nederland voorOranjete recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands kinderen, dat ’s lands vaderen tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des bloeds, die stem! want zij is geboren uit het bloed, dat de Vader des Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende met dat bloed, als met een onoplosbaar cement, Nederland enOranjetot één verbond! Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en wij zullen u een volk zijn gelijk gij hoopt.Willem I!Vader derNassaus! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij het open graf van dezen uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken, verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen, verstomme onze tong! Eer wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De koning is gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering zij gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente, die gij weder over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen, dat dezen feestdag der lente viert, moge het de voorbode, gelijk van een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van een nieuw leven vol vrede en voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.… o dan is de laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang opgelost, en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk morgenlied![211]
DE KONING GAAT TEN GRAVE.(Maart 1849.)
„Mijne broeders! God alleen is groot!”Aldus luidde het woord, bijna anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker bij het graf van den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne broeders! God alleen is groot!”Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen der aarde, ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van mijn vleesch en been van mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch van mijn asch zijn, en dat ook voor hen de ure komt, waarin zij, die zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad hebben, tot elk van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam, op hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te spreken heeft: „Keer weder,gij menschenkind!”en hij keert weder. Maar wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld, dan in de laatste tijden, die wij hebben doorleefd.Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in deChamps Elyséeste Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam aan. Ik zag, en zie—het was een koning. Het wasLodewijk Filips, de koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de zoon vanPhilippe Égalité, bezitter van den troon vanLodewijk Capet. Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar zijn koninklijk paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid eens konings, in zijn met acht paarden bespannen rijtuig, te midden van den hem omringenden gouden hof- en scharlaken ruiterstoet en den bonten stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn weg schaarde. Daar snelde hij heen, de erfgenaam derCarolingen, derCapets, derValois, derBourbons, derNapoleons; daar snelde hij heen, de vorst, wiens voet op de leliën trad, die voor deBourbonsontloken,—om wiens hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelenNapoleonhadden gedragen. Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen[198]en prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te Versailles;—het schoonste, dat menschenhanden voor een koning hebben gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste is, dat menschenhandenhebbengebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van Versailles, waar alles schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat men u, o koning, gebouwd heeft! O koning! wie van de koningen der aarde kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.… Drie maanden verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór hem verdrevenBourbonenNapoleon, om zijns levens wil vluchten moest uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen aan zijn oog hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd.Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe koninklijke paleis. Het is waar, het verschil tusschen Versailles en Tilburg is zoo groot niet, als het verschil tusschen het paleis van Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin, ook het paleis van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne bestemming. Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dienWillem IIbij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare herinnering aan zijne in Engeland doorgebrachte kinderjaren moest zijn! Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg als koninklijke woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch vond mijne verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste bijzonderheden, naar het door hem gemaakte bestek daargesteld, weder; hem zag ik in al de grootheid van zijn koningsluister, in al de waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling niet alleen van het door hembeweldadigden verheerlijkt Tilburg, maar den wellust van een geheel volk, dat hem met het hart beminde; hem, die zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht een der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.… Drie weken verliepen, en koningWillem IIwas een lijk, dat onder de tranen der hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste rustplaats werd heen gevoerd!Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In gindschen doorluchtigen val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God is groot! hoe grooter de koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest, des te verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te boven gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij is, en de mensch is niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.”Wie had het gedacht?Lodewijk filips, de groote koning, viel;Willem II, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon gezeteld, ja, zat daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk de dichter terecht zeide, wij konden juichen:[199]„Stort elders oproer en verraadDe vorsten van hun wankle troonen,Hoe bleef de trouw van d’ onderzaatHier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!”Maar helaas!„Wat oproer noch verraad vermocht,Dat heeft de magt des doods gewrocht!”KoningWillem IIis niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en feller dan de klokkenklepels, die straks te zijner eer alom begonnen te kleppen, door den lande heen! De ijzeren tongen, die van stad tot stad en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven gezamelijk in de hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag, waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning is gestorven!Willem IIis niet meer!”Willem IIis niet meer! Die rouwgalm klonk ook indeplaats mijner woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. WatOranjevoor mij is, wat KoningWillem IIvoor mij was, wat elke vorst uit het huis vanOranje—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat huis den troon moest zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb het meermalen kenbaar gemaakt; ik heb er bepaalder van doen blijken ook in die nederige veldbloem, die ik vóór acht jaren, ter begroeting vanWillem II, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de provinciën van zijn land en de harten van zijne landgenooten heb gestrooid: „De Koning komt!” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo luttel jaren elders dezelfde stem, maar op geheel andere wijze, mijne ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd heen te gaan: „De Koning gaat ten grave!”De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in mij ontwaken om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien, gelijk ik bij zijn eersten tocht als Koning een enkel rozenblad op zijn weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood zich gereedelijk aan. Op den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg, de plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar verder naar zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij langs een niet ver afgelegen heide gaan. Hem van die heide af ten grave zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan. Aan het gedrang eener opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der toeschouwers en de stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te stuitend zijn geweest.Maaronder Gods vrijen hemel, in de stille natuur, op eene eenzameheidete midden van weinigen die gevoelden als ik, kwam mij de gedachte[200]om getuige van den laatsten gang des Konings te wezen niet alleen dragelijk, maar zelfs aanlokkelijk voor. Had ik den Koning niet zienkomen? Ik wilde hem nu ook ziengaan.Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten. Het rijtuig bracht mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner bestemming. Daar stapte ik het rijtuig uit. Het overige van den weg legde ik wandelende af.Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk helder. Was de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch telkens koesterend door de wolken heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de stem van denleeuwerikuit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan anders opmerkte, ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken gehoord. Van alle zijden opstijgende, zongen zij het lied, dat hun God hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding der natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets contrasteerends, en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang op dezen morgenstond. O, hoe verschildeditcontrast van het contrast met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood! Het was een contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den cirkel heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet!Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en dierenwereld wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille gepeinzen daarheen. Op eens wordt die stilte afgebroken. Hoor! het is een klokkentoon!„Klagend klinkt heur traag geluidTen bemosten toren uit,Waar de streng in wordt getrokken;Zuchtend is heur klank en dof,Als een toon van rouw en smarte,En zij valt hem zwaar op ’t harte,Wien zij de ooren trof.”Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren: het is ter eere van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber uitvaartlied begint. Bij dat geluid werd mijn geest al meer en meer in den geest der plechtigheid van dezen dag verplaatst en gestemd. Ik wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder van het kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te Tilburg het teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot, het bracht mij als door een tooverslag op het tooneel des rouws over. Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten der koninklijke weduwe; ik vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den toon van smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den zwarten stoet deed klinken.[201]En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats kon zijn, waar ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten nutte, door in mijn geest voor mij te laten heengaan al de beelden, die de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen van het verledene, voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik alsuit den grondzeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een heidegrond, die eertijds een legerkamp was geweest; de heide van Rijen, die de landlieden uit den omtrek nog hedenhet kamp van Rijennoemen. Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831 en later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door de legeroefeningen en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die later in de gevechten voor Hasselt en Leuven werd behaald. Zonderlinge afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna een woelig legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier vroeger heerschte! Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken van leven werd bespeurd, hadden binnen een klein bestek duizenden—en welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen hadden er geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmenDavidswaren er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat in het legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden. Ook hier had op elken eersten dag der week de stem des Evangelies aan de zonen van den krijg Vrede door het bloed des kruises verkondigd. Ook hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij het geluid van horen en trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim en Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping en der menschen:Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen;Men loov’ hem vroeg en spâ!Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de overwinning van Waterloo op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd; een ander dacht aan de wapenschouwing, die het uitspreken van het „Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit alles denken of er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling van geheel het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den overwinnaar van Quatrebras, den mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat zich op dat groot en schitterend tooneel in die dagen al grootsch en schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer de altijd groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de nog in al den glans der populariteit blinkende[202]koningskroon vanWillemIniet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe lief had hij op zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp, hoe lief was hem geheel het krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim dier betoovering schuilde, die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg scheen uit te breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de jaren van ’s Prinsenkrijgsmansleven, aldaar en daaromtrent gevoerd. Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en menschelijke deugden onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen drang en dwang der hof-etikette, van alle streken en treken der hof-diplomatie vrije soldatenleven was een leven naar zijn lust. Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning noch in zijn prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw te s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de veldtent in het kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk hare herbergzaamheid aanbood. Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare herinnering aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem eenSans-souciin de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner ruste in de ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt.Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende werking van Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen weg langs gereden, en nu klonk hier het gebulder van het kanon, dat de nadering van zijne lijkkoets langs dezen zelfden weg aankondigde.En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp van het sterfbed binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen van denveldtocht, van„den strijd, die minder dagenDan verwonnen steden telt.”Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt en Leuven behaald. Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik gedacht aan de zwaarwichtige ure, toen met de kroon en koningsmantel vanWillem Ide last der regeering op de schouders vanWillem IIwas overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik toen met het oog op des Konings eed ten dage der kroning, en de verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!”—Willem II! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die verwachtingen voldaan?Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o[203]mijn koning! zoo waarlijk helpe ons God!Willem IIheeft dit vertrouwen niet beschaamd:Willem IIis een goed Koning geweest. Hebben wij hem als Veldheer bewonderd en met hand en mond toegejuicht, als Koning hebben wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan het gejuich, dat rondom hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door zijne provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van zijn lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders wezen? Liefde is liefde’s wetsteen. Nu! de geheele regeering des Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord uit zijn mond: „Ik heb slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.” Des Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij spraken: „Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een vorst, die zijn volk boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans der koninklijke weduwe op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of KoningWillem IIzijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene met zich bracht; helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden trager behaald dan die, welke hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht: maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene wonde zooveel mogelijk zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen schatten ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het bloed uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal zijn bloed veil voor zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als hij het wenschte te maken. Kan een koning schooner getuigenis in het graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles: ik deed opmerken, welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei koningen bij hun uiteinde! O, hoe verre gaat danWillemde GoedeLodewijkden Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der grooten, de haat des volks, de vijandschap van geheel het buitenland, en op den achtergrond het schavot vanLodewijk XVI, als slachtoffer vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht. Bij het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en hofgezin, de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den landzaat, als van drie millioen kinderen bij het lijk des algemeenen Vaders; de liefde van den landzaat als de beste erfgave op het hoofd van zoon en kleinzoon overgebracht.Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der landbewoners uit den omtrek een gesprek aan. Het had niets opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid van den dag waren vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit aller mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken op, te onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld van goedhartigheid en liefde in het hart des ontslapen Konings ontdekten;[204]trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is medegedeeld, hoe de Koning nog, weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij zich een geruimen tijd met drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot de kleinen, tot de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke karaktertrekken, die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst. Die nederbuiging was in hem meer, dan eene berekende en afgesproken minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten vindt; hier was zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem, dat hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te behouden. Spraken krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van dien mantel, dien hij op zoo ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol liefde sprak uit de plooien van dien mond, waarmede men te recht gezegd heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”. Indien hij in meer dan één opzicht aanHendrik IVdeed denken, dien Frankrijk tot op dezen dagle bon Henrinoemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze populariteit, die hij zich had weten te verwerven. Zelden heeft een vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des konings met de minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was. Welke koning droeg ooit met meer recht den naam van beschermheer der kunsten? Welke koning had ooit meer aanspraak op den titel van weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar het eerste sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er bijvoegen, indien men de tranen der beweldadigden in eene urn vergaderen en die als eene lijkbus op zijn overschot plaatsen kon, dat dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn. O, ik weet niet, of ik niet te stout spreke; maar mij dunkt,Willem IIheeft in zijn korte levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon met doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de liefde des volks voor zijn Koning, de populariteit vanOranjein Nederland had geleden, toenWillem IIKoning werd. Een vreemdeling, die vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven, heeft den toenmaligen staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende eeuw heeft de volharding vanWillemden Zwijger Holland gered, in de negentiende heeft die vanWillem Ihet land in groot gevaar gebracht. Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen door al de wenschen, omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche land gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den rijke, zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte zijn naam niets dan een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen hebben hem die voorbeeldelooze populariteit doen verliezen.… Maar welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene edele onderwerping! Welk eene standvastigheid! ToenWillem Ide kroon nederlegde, hoorde men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging tegen de verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele klacht[205]Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit begrepen, en het stilzwijgen bewaard. Zelfs vertoonde zich in de bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen Koning betoond, eene zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het volk vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon den schijn zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te wezen”. Maar nu! was de toestand van Nederland zoodanig, als hier door een onpartijdig aanschouwer en opmerker wordt gezegd, welke bezwaren ontmoette danWillem IIniet van stonde aan op zijn pad! Welk een verschil tusschen de stemming des volks bij de troonsbeklimming van den souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden koning!—Wel nu, hadWillem Ihet voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den einde toe in dezelfde mate te behouden,Willem IIheeft, als de schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft tot en op den naam vanOranjewederom al die liefde weten terug te brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk verbonden was. Hij heeft alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet isla charte constitutionelle, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam derNassausmet de spreukJe maintiendrai, zijne aantrekkende en bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap in Nederland op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen vaststaat, liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des harten gegronde overtuiging, dat „zijn Koning hem van God gegeven is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks: hebt gij aan die verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van eenOranjevolbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het hulkje, dat zich aan u vertrouwde.Daarom is de dag van uwen dood een dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is de dag van uwe uitvaart een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat nu van Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de kunst des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft uitgestrooid; daarom klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van deLauwerszee, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft, en die ook in mijn hart boven die allen weêrklinkt.En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied.Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt een roode gloed. Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren der lansruiters. De trein genaakt.O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik mij bevond, waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein bevond zich bijna niemand. Recht zooals ik het had gewenscht en gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de indruk, dien de optocht op mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen; daarna eene afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoorCoets van[206]Baggen, die te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht had hem bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste te mogen aanbieden. Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in floers gewikkelde muziekinstrumenten, die zich, eenige honderde voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten hooren. Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna, door vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar overschot was bevat. Het was een indrukwekkend gezicht. De hemel van den wagen was van somber zwart met rein zilver afgezet, en verhief zich in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd: ik dacht aan het schoone woord vanBossuetaangaande de toerichtingen, „die tot aan de wolken de doorluchtige bewijzen verheffen van—ons niet”. Onder den hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een kussen met de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas geplukt, waren die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog niet verdord. Maar dat die kroon met geen enkelen traan van uwe onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zijdikwijlsvoor u een doornenkroon geweest, dat strekt u tot grootereer,dan alle lauweren u konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven versierd, het eereteeken van den rang, dien de held op het slagveld verwierf, en waarop de Koning uit dien hoofde bleef prijs stellen. Ter wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die, na in Spanje den troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en zonder Waterloo geen St. Helena! Hier de degen, die den Noord-Nederlandschen helden andermaal den weg naar Brussel opende, en die in Brussel het bulletin vanBelgiësonderwerpingzouhebben geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich tusschen Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den IJzeren Berg als een starre der zegepraal tusschen de wolken van denkruitdamphebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het veld der overwinning en van daar wederom huiswaarts heeft geleid! Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik zag, kon mij niet beletten meer te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest hetlijkkleedvan die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin rustenden doode te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar! Dat hoofd, dat zich zoo fier placht op te heffen, roerloos ter nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur verdoofd! Nog altijd diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten, roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen versierd; maar het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het geheel een beeld des doods; van dien dood, „die den geest der vorsten als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood, die koningen en bedelaars gelijk maakt, en den eersten recht geeft[207]den laatsten met de woorden bijJesajatoe te roepen:Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden!Ach, wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen had geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der Zuiderzee, in een ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze stofklomp, die welhaast een wolk van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de hoeven zijner paarden werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!”Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om zijn laatste peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden gedurende dat tijdvak niet al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee jaren beleefd, toen het reeds in de„kinderlijke wieg moest hobblen op de baren,Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.”Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmedeNapoleonhier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn voorvaderlijk erfgoed beroofde, elders den krijgsman in zijn leven bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd uit datzelfde Engeland, waar hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat hoofd de kroon van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te dragen, en nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware beproeving gebogen terug. Wel joeg de zegepraal van Leuven die nevelen weder uiteen, en daalde straks met den diadeem vanWillem Ide liefde van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de kleinste kroon kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord van de lippen gedwongen, dat uit zijn mond tot mij gebracht werd: het woord, waarbij hij verklaarde, dat men de uitdrukking „zoo gelukkig als een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht. Als ter voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener geschokte gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een dagelijksche dood” werd, een leven als onder het zwaard vanDamocles. Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was opgehangen.… daar valt dat zwaard neder … het treft dat dierbare hoofd.… dat hoofd, nimmer gewoon te bukken, heft zich nog eenige malen tot de worsteling op … vergeefs.… het wordt gedwongen te buigen.… het buigt zich voor den laatsten slag … het zinkt voor altijd op de koude borst.… KoningWillem IIis niet meer!Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste zacht op het rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft gespreid. Het ruste zacht in de schaduw der dankbare nagedachtenis, die het graf derNassaus, als een altijd geurende wierookwolk[208]omzweeft. Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of der veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken des volks rondom het graf stoort zulk een ruste niet?Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan in alle oostersche specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan bewaard! Slaap zacht onder de lauweren, die eene zachte hand voor uwe lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde traan van Haar, aan wie die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend kroost, dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook uit mijn hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en der liefde mede.En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst naar Oosterhout, dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar Delft, dan naar het graf.Rondom dat graf zouden al de dierbaarste betrekkingen des Konings zich vereenigen, om het de laatste eer te bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden zag ik den jeugdigen man, die thansWillem IIIheet.Willem III!Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren van voorheen, hoe ik meermalen, langs de straten mijner vaderstad gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee jongelingen in gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste kleinzonen des toenmaligen Konings, PrinsWillemen PrinsAlexander, die destijds kweekelingen deralma mater Leidensiswaren. Waarlijk, men had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om niet wel eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te wagen, en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien droom geworden? Ga naar het praalgraf derNassauste Delft, en vraag den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor PrinsAlexanderwerd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre van het hart zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te dankbaarder zijn wij voor PrinsWillem, dat zijn levensdroom zich aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeftde kroonverkregen, die hem voor de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene vraag, waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zalhijdier kroone wezen? Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken. En toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst vooruitloopen, en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige, een zijns vaders en onzes volks waardige kroonvoerder zijn! De omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, zijn al te aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet op zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans op hem rust. De dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen:Zie, hoe lief men hem had!Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft! Zou dit hem niet dringen om een goed Koning voor zijn[209]volk te wezen? Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aanSalomote Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes volks over den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van den Koning der koningen, bij wiens kruis wij heden in den geest staan, en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen, als besproeid, ledig tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit als een voorteeken aan!—hij heetWillem III.Accipio omen.Willem III!Welk een naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar te Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen naamgenoot stondt; er aan gedacht, toen gij thans nog overal Groot-Brittanje van den naam vanWillem IIIvervuld zaagt; er aan gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen naam verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en stamgenoot vanWillem IIIwaart.Willem III!wij bidden het van God, maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting niet! Wees voor Nederland als Koning, watWillem IIIals Stadhouder voor Nederland is geweest. HeeftWillem IIIvoor de republiek het werk bekroond, door de wijsheid van den Zwijger begonnen, door de dapperheid vanMauritsenFrederik Hendrikbevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het werk, dat KoningWillem IItot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij uw oog voortdurend op onzer vaderen God, op onzer kinderen Vader gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al zijne zonen?) een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o, mocht gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen.Christuste volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit den ouden tijd eenmaal tot een uwer vaderen gesproken, u toe te spreken, „Christuste volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die op dat pad de voorste is, is de eerste aller menschen, Gode het naaste en alleen een rechtschapen prins.” Amen! zeg ik thans met dubbelen nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij, o God der vaderen! doe gij om en doorJezus Christuszoo en zoo daartoe!Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van de omstandigheden, waaronderWillem IIIStadhouder der Unie werd. Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en dood, waarvan die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële proclamatie:Het heeft den Almachtige behaagdWillem IItot zich te roepen.—Willem IIIis Koning der Nederlanden.Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk koningschap. Elders worstelingen, die den vrede des lands in gevaar brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk, ook bij het behoud des vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien, wiens persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp van dubbelzinnige herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang[210]van de kroon des eenenNassausop het hoofd des anderen, en wat het schoonste is, de overgang van de liefde, die op des eenen hoofd rustte, althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland! moogt gij het nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het behoud van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve van onzen grond geweerd de invloed der voorstanders dier valschelijk genaamde vrijheid, dieKarelnaar Holyrood,Lodewijk Filipsnaar Claremont enLodewijk XVInaar het schavot op dePlace de Louis XVbracht. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel vertrouwen en liefde uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in den weg van God uw volk werd. En nooit ontga uw hart het aandenken aan die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de liefde van Nederland voorOranjete recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands kinderen, dat ’s lands vaderen tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des bloeds, die stem! want zij is geboren uit het bloed, dat de Vader des Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende met dat bloed, als met een onoplosbaar cement, Nederland enOranjetot één verbond! Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en wij zullen u een volk zijn gelijk gij hoopt.Willem I!Vader derNassaus! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij het open graf van dezen uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken, verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen, verstomme onze tong! Eer wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De koning is gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering zij gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente, die gij weder over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen, dat dezen feestdag der lente viert, moge het de voorbode, gelijk van een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van een nieuw leven vol vrede en voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.… o dan is de laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang opgelost, en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk morgenlied![211]
„Mijne broeders! God alleen is groot!”Aldus luidde het woord, bijna anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker bij het graf van den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne broeders! God alleen is groot!”
Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen der aarde, ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van mijn vleesch en been van mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch van mijn asch zijn, en dat ook voor hen de ure komt, waarin zij, die zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad hebben, tot elk van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam, op hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te spreken heeft: „Keer weder,gij menschenkind!”en hij keert weder. Maar wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld, dan in de laatste tijden, die wij hebben doorleefd.
Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in deChamps Elyséeste Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam aan. Ik zag, en zie—het was een koning. Het wasLodewijk Filips, de koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de zoon vanPhilippe Égalité, bezitter van den troon vanLodewijk Capet. Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar zijn koninklijk paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid eens konings, in zijn met acht paarden bespannen rijtuig, te midden van den hem omringenden gouden hof- en scharlaken ruiterstoet en den bonten stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn weg schaarde. Daar snelde hij heen, de erfgenaam derCarolingen, derCapets, derValois, derBourbons, derNapoleons; daar snelde hij heen, de vorst, wiens voet op de leliën trad, die voor deBourbonsontloken,—om wiens hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelenNapoleonhadden gedragen. Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen[198]en prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te Versailles;—het schoonste, dat menschenhanden voor een koning hebben gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste is, dat menschenhandenhebbengebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van Versailles, waar alles schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat men u, o koning, gebouwd heeft! O koning! wie van de koningen der aarde kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.… Drie maanden verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór hem verdrevenBourbonenNapoleon, om zijns levens wil vluchten moest uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen aan zijn oog hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd.
Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe koninklijke paleis. Het is waar, het verschil tusschen Versailles en Tilburg is zoo groot niet, als het verschil tusschen het paleis van Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin, ook het paleis van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne bestemming. Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dienWillem IIbij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare herinnering aan zijne in Engeland doorgebrachte kinderjaren moest zijn! Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg als koninklijke woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch vond mijne verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste bijzonderheden, naar het door hem gemaakte bestek daargesteld, weder; hem zag ik in al de grootheid van zijn koningsluister, in al de waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling niet alleen van het door hembeweldadigden verheerlijkt Tilburg, maar den wellust van een geheel volk, dat hem met het hart beminde; hem, die zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht een der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.… Drie weken verliepen, en koningWillem IIwas een lijk, dat onder de tranen der hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste rustplaats werd heen gevoerd!
Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In gindschen doorluchtigen val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God is groot! hoe grooter de koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest, des te verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te boven gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij is, en de mensch is niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.”
Wie had het gedacht?Lodewijk filips, de groote koning, viel;Willem II, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon gezeteld, ja, zat daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk de dichter terecht zeide, wij konden juichen:[199]
„Stort elders oproer en verraadDe vorsten van hun wankle troonen,Hoe bleef de trouw van d’ onderzaatHier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!”
„Stort elders oproer en verraad
De vorsten van hun wankle troonen,
Hoe bleef de trouw van d’ onderzaat
Hier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!”
Maar helaas!
„Wat oproer noch verraad vermocht,Dat heeft de magt des doods gewrocht!”
„Wat oproer noch verraad vermocht,
Dat heeft de magt des doods gewrocht!”
KoningWillem IIis niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en feller dan de klokkenklepels, die straks te zijner eer alom begonnen te kleppen, door den lande heen! De ijzeren tongen, die van stad tot stad en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven gezamelijk in de hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag, waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning is gestorven!Willem IIis niet meer!”
Willem IIis niet meer! Die rouwgalm klonk ook indeplaats mijner woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. WatOranjevoor mij is, wat KoningWillem IIvoor mij was, wat elke vorst uit het huis vanOranje—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat huis den troon moest zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb het meermalen kenbaar gemaakt; ik heb er bepaalder van doen blijken ook in die nederige veldbloem, die ik vóór acht jaren, ter begroeting vanWillem II, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de provinciën van zijn land en de harten van zijne landgenooten heb gestrooid: „De Koning komt!” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo luttel jaren elders dezelfde stem, maar op geheel andere wijze, mijne ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd heen te gaan: „De Koning gaat ten grave!”
De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in mij ontwaken om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien, gelijk ik bij zijn eersten tocht als Koning een enkel rozenblad op zijn weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood zich gereedelijk aan. Op den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg, de plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar verder naar zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij langs een niet ver afgelegen heide gaan. Hem van die heide af ten grave zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan. Aan het gedrang eener opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der toeschouwers en de stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te stuitend zijn geweest.Maaronder Gods vrijen hemel, in de stille natuur, op eene eenzameheidete midden van weinigen die gevoelden als ik, kwam mij de gedachte[200]om getuige van den laatsten gang des Konings te wezen niet alleen dragelijk, maar zelfs aanlokkelijk voor. Had ik den Koning niet zienkomen? Ik wilde hem nu ook ziengaan.
Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten. Het rijtuig bracht mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner bestemming. Daar stapte ik het rijtuig uit. Het overige van den weg legde ik wandelende af.
Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk helder. Was de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch telkens koesterend door de wolken heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de stem van denleeuwerikuit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan anders opmerkte, ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken gehoord. Van alle zijden opstijgende, zongen zij het lied, dat hun God hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding der natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets contrasteerends, en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang op dezen morgenstond. O, hoe verschildeditcontrast van het contrast met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood! Het was een contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den cirkel heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet!
Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en dierenwereld wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille gepeinzen daarheen. Op eens wordt die stilte afgebroken. Hoor! het is een klokkentoon!
„Klagend klinkt heur traag geluidTen bemosten toren uit,Waar de streng in wordt getrokken;Zuchtend is heur klank en dof,Als een toon van rouw en smarte,En zij valt hem zwaar op ’t harte,Wien zij de ooren trof.”
„Klagend klinkt heur traag geluid
Ten bemosten toren uit,
Waar de streng in wordt getrokken;
Zuchtend is heur klank en dof,
Als een toon van rouw en smarte,
En zij valt hem zwaar op ’t harte,
Wien zij de ooren trof.”
Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren: het is ter eere van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber uitvaartlied begint. Bij dat geluid werd mijn geest al meer en meer in den geest der plechtigheid van dezen dag verplaatst en gestemd. Ik wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder van het kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te Tilburg het teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot, het bracht mij als door een tooverslag op het tooneel des rouws over. Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten der koninklijke weduwe; ik vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den toon van smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den zwarten stoet deed klinken.[201]
En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats kon zijn, waar ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten nutte, door in mijn geest voor mij te laten heengaan al de beelden, die de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen van het verledene, voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik alsuit den grondzeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een heidegrond, die eertijds een legerkamp was geweest; de heide van Rijen, die de landlieden uit den omtrek nog hedenhet kamp van Rijennoemen. Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831 en later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door de legeroefeningen en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die later in de gevechten voor Hasselt en Leuven werd behaald. Zonderlinge afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna een woelig legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier vroeger heerschte! Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken van leven werd bespeurd, hadden binnen een klein bestek duizenden—en welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen hadden er geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmenDavidswaren er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat in het legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden. Ook hier had op elken eersten dag der week de stem des Evangelies aan de zonen van den krijg Vrede door het bloed des kruises verkondigd. Ook hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij het geluid van horen en trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim en Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping en der menschen:
Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen;Men loov’ hem vroeg en spâ!
Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen;
Men loov’ hem vroeg en spâ!
Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de overwinning van Waterloo op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd; een ander dacht aan de wapenschouwing, die het uitspreken van het „Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit alles denken of er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling van geheel het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den overwinnaar van Quatrebras, den mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat zich op dat groot en schitterend tooneel in die dagen al grootsch en schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer de altijd groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de nog in al den glans der populariteit blinkende[202]koningskroon vanWillemIniet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe lief had hij op zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp, hoe lief was hem geheel het krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim dier betoovering schuilde, die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg scheen uit te breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de jaren van ’s Prinsenkrijgsmansleven, aldaar en daaromtrent gevoerd. Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en menschelijke deugden onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen drang en dwang der hof-etikette, van alle streken en treken der hof-diplomatie vrije soldatenleven was een leven naar zijn lust. Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning noch in zijn prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw te s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de veldtent in het kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk hare herbergzaamheid aanbood. Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare herinnering aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem eenSans-souciin de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner ruste in de ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt.
Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende werking van Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen weg langs gereden, en nu klonk hier het gebulder van het kanon, dat de nadering van zijne lijkkoets langs dezen zelfden weg aankondigde.
En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp van het sterfbed binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen van denveldtocht, van
„den strijd, die minder dagenDan verwonnen steden telt.”
„den strijd, die minder dagen
Dan verwonnen steden telt.”
Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt en Leuven behaald. Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik gedacht aan de zwaarwichtige ure, toen met de kroon en koningsmantel vanWillem Ide last der regeering op de schouders vanWillem IIwas overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik toen met het oog op des Konings eed ten dage der kroning, en de verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!”—Willem II! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die verwachtingen voldaan?
Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o[203]mijn koning! zoo waarlijk helpe ons God!Willem IIheeft dit vertrouwen niet beschaamd:Willem IIis een goed Koning geweest. Hebben wij hem als Veldheer bewonderd en met hand en mond toegejuicht, als Koning hebben wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan het gejuich, dat rondom hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door zijne provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van zijn lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders wezen? Liefde is liefde’s wetsteen. Nu! de geheele regeering des Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord uit zijn mond: „Ik heb slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.” Des Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij spraken: „Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een vorst, die zijn volk boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans der koninklijke weduwe op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of KoningWillem IIzijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene met zich bracht; helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden trager behaald dan die, welke hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht: maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene wonde zooveel mogelijk zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen schatten ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het bloed uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal zijn bloed veil voor zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als hij het wenschte te maken. Kan een koning schooner getuigenis in het graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles: ik deed opmerken, welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei koningen bij hun uiteinde! O, hoe verre gaat danWillemde GoedeLodewijkden Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der grooten, de haat des volks, de vijandschap van geheel het buitenland, en op den achtergrond het schavot vanLodewijk XVI, als slachtoffer vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht. Bij het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en hofgezin, de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den landzaat, als van drie millioen kinderen bij het lijk des algemeenen Vaders; de liefde van den landzaat als de beste erfgave op het hoofd van zoon en kleinzoon overgebracht.
Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der landbewoners uit den omtrek een gesprek aan. Het had niets opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid van den dag waren vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit aller mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken op, te onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld van goedhartigheid en liefde in het hart des ontslapen Konings ontdekten;[204]trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is medegedeeld, hoe de Koning nog, weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij zich een geruimen tijd met drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot de kleinen, tot de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke karaktertrekken, die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst. Die nederbuiging was in hem meer, dan eene berekende en afgesproken minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten vindt; hier was zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem, dat hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te behouden. Spraken krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van dien mantel, dien hij op zoo ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol liefde sprak uit de plooien van dien mond, waarmede men te recht gezegd heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”. Indien hij in meer dan één opzicht aanHendrik IVdeed denken, dien Frankrijk tot op dezen dagle bon Henrinoemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze populariteit, die hij zich had weten te verwerven. Zelden heeft een vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des konings met de minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was. Welke koning droeg ooit met meer recht den naam van beschermheer der kunsten? Welke koning had ooit meer aanspraak op den titel van weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar het eerste sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er bijvoegen, indien men de tranen der beweldadigden in eene urn vergaderen en die als eene lijkbus op zijn overschot plaatsen kon, dat dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn. O, ik weet niet, of ik niet te stout spreke; maar mij dunkt,Willem IIheeft in zijn korte levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon met doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de liefde des volks voor zijn Koning, de populariteit vanOranjein Nederland had geleden, toenWillem IIKoning werd. Een vreemdeling, die vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven, heeft den toenmaligen staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende eeuw heeft de volharding vanWillemden Zwijger Holland gered, in de negentiende heeft die vanWillem Ihet land in groot gevaar gebracht. Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen door al de wenschen, omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche land gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den rijke, zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte zijn naam niets dan een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen hebben hem die voorbeeldelooze populariteit doen verliezen.… Maar welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene edele onderwerping! Welk eene standvastigheid! ToenWillem Ide kroon nederlegde, hoorde men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging tegen de verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele klacht[205]Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit begrepen, en het stilzwijgen bewaard. Zelfs vertoonde zich in de bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen Koning betoond, eene zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het volk vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon den schijn zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te wezen”. Maar nu! was de toestand van Nederland zoodanig, als hier door een onpartijdig aanschouwer en opmerker wordt gezegd, welke bezwaren ontmoette danWillem IIniet van stonde aan op zijn pad! Welk een verschil tusschen de stemming des volks bij de troonsbeklimming van den souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden koning!—Wel nu, hadWillem Ihet voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den einde toe in dezelfde mate te behouden,Willem IIheeft, als de schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft tot en op den naam vanOranjewederom al die liefde weten terug te brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk verbonden was. Hij heeft alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet isla charte constitutionelle, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam derNassausmet de spreukJe maintiendrai, zijne aantrekkende en bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap in Nederland op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen vaststaat, liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des harten gegronde overtuiging, dat „zijn Koning hem van God gegeven is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks: hebt gij aan die verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van eenOranjevolbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het hulkje, dat zich aan u vertrouwde.Daarom is de dag van uwen dood een dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is de dag van uwe uitvaart een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat nu van Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de kunst des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft uitgestrooid; daarom klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van deLauwerszee, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft, en die ook in mijn hart boven die allen weêrklinkt.
En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied.
Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt een roode gloed. Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren der lansruiters. De trein genaakt.
O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik mij bevond, waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein bevond zich bijna niemand. Recht zooals ik het had gewenscht en gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de indruk, dien de optocht op mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen; daarna eene afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoorCoets van[206]Baggen, die te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht had hem bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste te mogen aanbieden. Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in floers gewikkelde muziekinstrumenten, die zich, eenige honderde voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten hooren. Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna, door vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar overschot was bevat. Het was een indrukwekkend gezicht. De hemel van den wagen was van somber zwart met rein zilver afgezet, en verhief zich in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd: ik dacht aan het schoone woord vanBossuetaangaande de toerichtingen, „die tot aan de wolken de doorluchtige bewijzen verheffen van—ons niet”. Onder den hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een kussen met de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas geplukt, waren die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog niet verdord. Maar dat die kroon met geen enkelen traan van uwe onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zijdikwijlsvoor u een doornenkroon geweest, dat strekt u tot grootereer,dan alle lauweren u konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven versierd, het eereteeken van den rang, dien de held op het slagveld verwierf, en waarop de Koning uit dien hoofde bleef prijs stellen. Ter wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die, na in Spanje den troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en zonder Waterloo geen St. Helena! Hier de degen, die den Noord-Nederlandschen helden andermaal den weg naar Brussel opende, en die in Brussel het bulletin vanBelgiësonderwerpingzouhebben geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich tusschen Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den IJzeren Berg als een starre der zegepraal tusschen de wolken van denkruitdamphebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het veld der overwinning en van daar wederom huiswaarts heeft geleid! Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik zag, kon mij niet beletten meer te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest hetlijkkleedvan die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin rustenden doode te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar! Dat hoofd, dat zich zoo fier placht op te heffen, roerloos ter nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur verdoofd! Nog altijd diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten, roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen versierd; maar het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het geheel een beeld des doods; van dien dood, „die den geest der vorsten als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood, die koningen en bedelaars gelijk maakt, en den eersten recht geeft[207]den laatsten met de woorden bijJesajatoe te roepen:Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden!Ach, wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen had geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der Zuiderzee, in een ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze stofklomp, die welhaast een wolk van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de hoeven zijner paarden werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!”
Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om zijn laatste peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden gedurende dat tijdvak niet al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee jaren beleefd, toen het reeds in de
„kinderlijke wieg moest hobblen op de baren,Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.”
„kinderlijke wieg moest hobblen op de baren,
Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.”
Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmedeNapoleonhier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn voorvaderlijk erfgoed beroofde, elders den krijgsman in zijn leven bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd uit datzelfde Engeland, waar hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat hoofd de kroon van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te dragen, en nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware beproeving gebogen terug. Wel joeg de zegepraal van Leuven die nevelen weder uiteen, en daalde straks met den diadeem vanWillem Ide liefde van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de kleinste kroon kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord van de lippen gedwongen, dat uit zijn mond tot mij gebracht werd: het woord, waarbij hij verklaarde, dat men de uitdrukking „zoo gelukkig als een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht. Als ter voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener geschokte gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een dagelijksche dood” werd, een leven als onder het zwaard vanDamocles. Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was opgehangen.… daar valt dat zwaard neder … het treft dat dierbare hoofd.… dat hoofd, nimmer gewoon te bukken, heft zich nog eenige malen tot de worsteling op … vergeefs.… het wordt gedwongen te buigen.… het buigt zich voor den laatsten slag … het zinkt voor altijd op de koude borst.… KoningWillem IIis niet meer!
Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste zacht op het rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft gespreid. Het ruste zacht in de schaduw der dankbare nagedachtenis, die het graf derNassaus, als een altijd geurende wierookwolk[208]omzweeft. Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of der veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken des volks rondom het graf stoort zulk een ruste niet?
Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan in alle oostersche specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan bewaard! Slaap zacht onder de lauweren, die eene zachte hand voor uwe lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde traan van Haar, aan wie die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend kroost, dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook uit mijn hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en der liefde mede.
En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst naar Oosterhout, dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar Delft, dan naar het graf.Rondom dat graf zouden al de dierbaarste betrekkingen des Konings zich vereenigen, om het de laatste eer te bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden zag ik den jeugdigen man, die thansWillem IIIheet.
Willem III!Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren van voorheen, hoe ik meermalen, langs de straten mijner vaderstad gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee jongelingen in gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste kleinzonen des toenmaligen Konings, PrinsWillemen PrinsAlexander, die destijds kweekelingen deralma mater Leidensiswaren. Waarlijk, men had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om niet wel eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te wagen, en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien droom geworden? Ga naar het praalgraf derNassauste Delft, en vraag den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor PrinsAlexanderwerd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre van het hart zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te dankbaarder zijn wij voor PrinsWillem, dat zijn levensdroom zich aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeftde kroonverkregen, die hem voor de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene vraag, waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zalhijdier kroone wezen? Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken. En toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst vooruitloopen, en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige, een zijns vaders en onzes volks waardige kroonvoerder zijn! De omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, zijn al te aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet op zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans op hem rust. De dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen:Zie, hoe lief men hem had!Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft! Zou dit hem niet dringen om een goed Koning voor zijn[209]volk te wezen? Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aanSalomote Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes volks over den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van den Koning der koningen, bij wiens kruis wij heden in den geest staan, en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen, als besproeid, ledig tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit als een voorteeken aan!—hij heetWillem III.Accipio omen.Willem III!Welk een naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar te Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen naamgenoot stondt; er aan gedacht, toen gij thans nog overal Groot-Brittanje van den naam vanWillem IIIvervuld zaagt; er aan gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen naam verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en stamgenoot vanWillem IIIwaart.Willem III!wij bidden het van God, maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting niet! Wees voor Nederland als Koning, watWillem IIIals Stadhouder voor Nederland is geweest. HeeftWillem IIIvoor de republiek het werk bekroond, door de wijsheid van den Zwijger begonnen, door de dapperheid vanMauritsenFrederik Hendrikbevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het werk, dat KoningWillem IItot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij uw oog voortdurend op onzer vaderen God, op onzer kinderen Vader gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al zijne zonen?) een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o, mocht gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen.Christuste volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit den ouden tijd eenmaal tot een uwer vaderen gesproken, u toe te spreken, „Christuste volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die op dat pad de voorste is, is de eerste aller menschen, Gode het naaste en alleen een rechtschapen prins.” Amen! zeg ik thans met dubbelen nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij, o God der vaderen! doe gij om en doorJezus Christuszoo en zoo daartoe!
Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van de omstandigheden, waaronderWillem IIIStadhouder der Unie werd. Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en dood, waarvan die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële proclamatie:Het heeft den Almachtige behaagdWillem IItot zich te roepen.—Willem IIIis Koning der Nederlanden.
Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk koningschap. Elders worstelingen, die den vrede des lands in gevaar brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk, ook bij het behoud des vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien, wiens persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp van dubbelzinnige herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang[210]van de kroon des eenenNassausop het hoofd des anderen, en wat het schoonste is, de overgang van de liefde, die op des eenen hoofd rustte, althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland! moogt gij het nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het behoud van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve van onzen grond geweerd de invloed der voorstanders dier valschelijk genaamde vrijheid, dieKarelnaar Holyrood,Lodewijk Filipsnaar Claremont enLodewijk XVInaar het schavot op dePlace de Louis XVbracht. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel vertrouwen en liefde uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in den weg van God uw volk werd. En nooit ontga uw hart het aandenken aan die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de liefde van Nederland voorOranjete recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands kinderen, dat ’s lands vaderen tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des bloeds, die stem! want zij is geboren uit het bloed, dat de Vader des Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende met dat bloed, als met een onoplosbaar cement, Nederland enOranjetot één verbond! Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en wij zullen u een volk zijn gelijk gij hoopt.Willem I!Vader derNassaus! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij het open graf van dezen uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken, verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen, verstomme onze tong! Eer wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De koning is gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering zij gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente, die gij weder over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen, dat dezen feestdag der lente viert, moge het de voorbode, gelijk van een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van een nieuw leven vol vrede en voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.… o dan is de laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang opgelost, en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk morgenlied![211]
[Inhoud]TWEE MONUMENTEN.(1676–1841).Op den 25stenAugustus 1841 werd te Vlissingen een standbeeld ontbloot en ingewijd. Deze plechtigheid werd met schitterende feesten gevierd. Kanonnen bulderden; vlaggen en wimpels zwierden; een statelijke optocht ging om; eene welsprekende feestrede werd uitgesproken; eene kunstrijke cantate werd gezongen; kunstelooze zeemansliederen werden aangeheven: merkwaardige gedenkstukken werden ten toon gesteld; maaltijden werden gehouden; feestlichten werden ontstoken; volksspelen werden gegeven; handen wuifden; monden jubelden; oogen blonken; harten gloeiden. Vlissingen was eene groote feestzaal, waarnaar geheel het vaderland het belangstellend oog gericht hield.Het was het feest der inwijding van het standbeeld vanMichielAdriaansz.de Ruiter, Hertog, Ridder enz., Luitenant Admiraal Generaal van Holland en Westfriesland.In diezelfde dagen kwam uit de werkplaats, waaruit het beeld vanDe Ruiterwas voortgekomen, een ander gedenkteeken in stilte te Alkmaar aan. Van daar werd het door het verbaasde duin naar Egmonds zeekust vervoerd. Daar werd het op het wachtend voetstuk geheven, dat rondom den nieuwen lichttoren oprijst. Toen zag men den Nederlandschen leeuw, met den klauw om het kanon geklemd, het hoofd opsteken in den zeewind, dien het met verrukking in de rookende neusgaten ving.Het was het gedenkteeken ter eere vanJan Carel Josephus van Speyk, Ridder der Militaire Willemsorde, Luitenant ter Zee.Dit toevallig samentreffen moest ieder, die het vernam, opmerkelijk voorkomen. En wellicht ware er stof uit te putten voor eene vergelijking, welke het niet aan sprekende kontrasten ontbreken zou. Beide helden, uit geringen stam gesproten, en beide door koninklijken ridderslag geadeld; beide op zee groot geworden, en beide aldaar op het bed van eer gestorven; beide in hun leven met een groenen krans van eere gekroond, en beide in hun dood in een geurige lijkwâ van glorie gewikkeld; ja, om de overeenkomst te volmaken, beide in hun graf[212]door den weêrglans van eene koningskroon bestraald. De Amsterdamsche weesjongen, die zijn eersten sluimer in eene armenkrib sluimerde, sliep zijn jongsten slaap, totdat hem eene eigen sponde gespreid was, in het vorstelijk graf derNassau’s, aan de zijde van den grooten Zwijger; de Vlissingsche schipperszoon zag terzelfde plaatse, waar hij voor een stuiver daags in de lijnbaan gezwoegd had, onder duizend edele hoofden, waarop hij van zijn voetstuk nederzag, een gekroonden schedel ontbloot! En toch, niet treffender de overeenkomst die beide vereenigt, dan het verschil dat beide scheidt. Welk een afstand toch tusschen den Luitenant-Admiraal Generaal en den Luitenant ter zee,—tusschen het Opperhoofd van ’s Lands vloot en den Bevelhebber van eene kanonneerboot,—tusschen den negenenzestigjarigen held, die in de schaduw zijner lauweren, in vijftien groote zeeslagen gewonnen, ten grave daalde, en den negenentwintigjarigen jongeling, die in het winnen van zijn eersten lauwer bezweek,—tusschen den „Schrik des oceaans” en den Dappere, wiens zegevierende uitgang alleen den Schelde-oever deed beven!Deze en dergelijke trekken hadden niet kunnen missen ieder, die van de gelijktijdige oprichting der beide gedenkteekenen kennis droeg, te treffen. Maar ik voor mij verliet ze welhaast, om twee geheel andere beelden voor mijnen geest te zien verrijzen: het Nederland vanDe Ruiteren het Nederland vanvan Speyk: het Nederland van 1676 en het Nederland van 1841.Het Nederland vanDe Ruiteren het Nederland vanVan Speyk. Ik bid u, daarin iets anders en iets meer te zien, dan een ijdel spel met twee namen. Helaas! er ligt eene droevige waarheid in dat spel. De verhouding tusschenDe RuiterenVan Speykis maar al te zeer de schaal der verhouding, die tusschen beider Nederland bestaat: de Admiraalsvlagvan1676 tot den bootswimpel van 1831 gekrompen—ziet daar het beeld van ons vaderland bij den dood vanDe Ruiteren den dood vanVan Speyk!Wat dunkt u? indien dat metalen beeld op zijn voetstuk zoowel leven kon aannemen, als het te leven schijnt;—indien het den ijzeren blik op de zee kon vestigen, die aan zijne voeten breekt;—indien het over die zee zijne geliefde Statenvlag kon volgen;—o, hoe het wenschen zou, nooit op die hoogte gestegen te zijn! hoe het verlangen zou, wederom rustig neder te liggen op de tombe, waar het in de schaduw van zijne eigene en ’s Lands glorie zoo gelukkig sliep! hoe het den Pygmalion, die het in het leven riep, bidden zou, wederom steen te mogen worden; levenloos en ongevoelig steen! Of hoe, meent gij, zou het onzenDe Ruiterte moede zijn, als hij die schoone vloot, grootendeels onder zijn oog en hand verrezen, tot een handvol booten versmolten zag! als hij aanschouwen moest, hoe de vlag, die hij had doen eerbiedigen met siddering, nu gedoogd wordt met edelmoedigheid! als hij het moest aanzien, hoe de cirkel, door den boeg zijner schepen over de wereldzee getrokken, nu bijna geheel door de[213]sporen van andere bodems is uitgewischt! Indien hij er getuige van geweest ware, wat meent gij, zou de held van Soulsbay gevoeld hebben, wanneer hij de vaderlandsche schepen in de vaderlandsche havens gekerkerd had gezien, aldaar opgesloten, ik zeg niet door de duurgekochte overwinning, maar door het enkele bevelwoord van diezelfde Engelsche en Fransche vloten, waarvan hij meermalen de zee had schoongevaagd, alsHarpertzen’sberoemde bezem! Mij dunkt, ik hoor den mond, die eenmaal op het gezicht van den schrik, door de enkele verschijning van zijn Admiraalschipde Zeven Provinciënverwekt, zoovroolijkbraveerde, dat woord treurig herroepen: „De vijand heeftgeeneerbied meer voor de Zeven Provinciën!”Daarom, schoon eere doende aan de dankbaarheid van het nageslacht, dat inDe Ruiterden schepper van zijn blinkendsten roem en weligste welvaart vereert, om uwentwil verheugt het mij, dat de kunst, schoon zij uit ijzer goden scheppe, niet vermag u uit uw ijzeren slaap op te wekken; dat gij slechts eenbeeldzijt, heldengestalte vanMichiel Adriaanszoon de Ruiter!En toch! zie, het is alsof dat andere gedenkteeken,—het is alsof de leeuw van Egmond mij verwijt onrechtvaardig te zijn, en, om den wille van het Nederland vanDe Ruiter, het Nederland vanVan Speykte kort te doen. Ik hoop niet, dat verwijt verdiend te hebben. Het is de plicht van een kind, zijn moeder lief te hebben, al is zij oud en zwak geworden. Verre zij het van mij, ten gevalle van den roem van het verledene, de rechten van het tegenwoordige te verkorten, en de levendePolyxenate willen opofferen aan de schim van den doodenAchilles. Ik erken met allen, die het mij toevoeren: ook de jongste tijd had zijne heldere dagen. De jaren 1830 en 1831 waren een schoon oogenblik in onze geschiedenis, de schoonste tijdperken onzer vaderen waardig, en dat niet verdiend had, wegens de ongelukkige uitkomst, door hen zelve, die er eene werkzame rol in vervulden, verkleind, ja, bespot te worden. Nog behoeft het geslacht, dat aan den voet vanDe Ruiter’sstandbeeld vergaderd was, niet voor zijne schim te blozen. De helden van Hasselt en Leuven, de verdedigers van Antwerpen’s citadel, de dapperen van Algiers en Palembang, met den held aan het hoofd, die zich eene kroon van lauweren won, eer hij de juweelen kroon erfde, zijn niet onwaardig onder de oogen van den grooten Vlissinger te verschijnen. Ja, de grootmoedige vlootvoogd, die iedere dappere daad wist te waardeeren, ziet met een oog van welgevallen, niet ver van de prachtige tombe, waaronder hij slaapt, die nederige zuil verrijzen voor den jongen zeeman, die in zijn schoonen dood het beginsel huldigde, waarvan hij zelf het offer werd,—van het leven minder te achten dan de eere van ’s Lands vlag.En nogtans vergeve men het eenen Nederlander, die de daden der Vaderen niet vergeten kan, dat hij in het Nederland van 1841 het Nederland van 1676 niet herkent, en niet herkennen zou, al ware sedert het vuur niet weder uitgedoofd, dat in 1831 zoo helder ontbrandde;[214]al had de uitkomst niet bewezen, dat het slechts een schoone droom was, dien de dichter dweepte:Holland is twee eeuwen jonger,Dan het was vóór vijftig jaar.En nu, wat zal het namaals zijn? Hoe zal het Nederland van anderhalve eeuw later zich voordoen? Zal het aan dat van 1841, of van 1676 gelijken? Voorspelt ons de oprichting vanDe Ruiter’sbeeld, dat met hem het tijdperk van roem en voorspoed, hetwelk met hem ten grave ging, wederom zal opstaan? Mag ik een voorteeken zien in den helderen zonneschijn, die, op het oogenblik van het ontblooten des gedenkteekens, den regen verving, die tot dusverre het feest had verduisterd? O, hoe gaarne zou ik daarop hetaccipio omenzeggen! Hoe gaarne zou ik in den heldendood vanVan Speyk—de wedergade van den dood vanClaessens, die de wapenfeiten onzer vaderlandsche helden opent—den dageraad van eenen nieuwen morgen begroeten! hoeveel liever dan den avond, die den dag in denzelfden purpergloed ziet ondergaan, waaruit hij is opgerezen! Doch ik durf mij aan die zoete hoop niet toegeven; ik zie niet wat er mij recht toe laat. Moet ik de klagers onder ons gelooven, dan ligt de schuld aan.… ja, aan wie niet al? AanOranjevoornamelijk, wiens lot het schijnt te zijn, ten aanzien van ons zeewezen het voorwerp van een eeuwigdurend wantrouwen te zijn, dat nimmer gerechtvaardigd werd. Alsof de geschiedenis niet anders leerde; ja, alsof de jeugdige Prins-Kapitein, die, aan de zijde zijns Koninklijken Vaders, aan den voetvanDe Ruiter’sstandbeeld verscheen, niet bewees, dat KoningWillem IIeen echt nakomeling van de Kapiteinen-Generaal en Admiralen der Vereenigde Nederlanden is! Overigens onderneem ik niet, over de billijkheidvanwederzijdsche grieven of klachten te oordeelen. Maar wat ik weet of zie, het is dat de geest van de zeventiende eeuw, de geest vanDe Ruiter, van ons volk geweken is; het is dat de veroverde vendelen van den Tiendaagschen Veldtogt den sluimer niet verbergen kunnen, waarin de Nederlandsche Leeuw verzonken is; het is dat zijn weder-inslapen na zijn kort ontwaken, nog droeviger dan of hij in het geheel niet ontwaakt ware, bewijst, dat zijn slaap eene slaapziekte geworden is. Vergeefs geklaagd en gejammerd; vergeefs verweten en beschuldigd; vergeefs gehoond en geschimpt. De kracht der Zeven Provinciën huisde niet in het hout, waaruit de vloot gebouwd werd; hare geestdrift niet in de zeilen, die ze bevleugelden; hare dapperheid niet in het ijzer, dat ze beschermde. Neen! die kracht, die geestdrift, die dapperheid huisde in den geest van de ijzeren menschen, welke die houten vloot bemanden,—of, nog liever in den geest van het geheele volk, waaruit de bemanning voortkwam. Wat was in dien tijd een verloren schip, een verstrooid eskader, eene vernielde vloot zelfs? Weinige dagen—het wonder is gezien—weinige dagen waren genoegzaam om een handvol wrakken in eene geduchte zeemacht te herscheppen. Wat waren[215]in dien tijd tien helden, in éénen slag gesneuveld? Op dezelfde plaats, waar de een viel, stond een ander op, en met de vlag scheen de kunde en dapperheid van de Vice-Admiraal of Schout-bij-Nacht op den Kapitein over te gaan.De Ruitermocht bij het lijk vanMarten Harpertzen Trompuitroepen: „Ware ik vóór u gestorven!” hij wist niet, wat hij zeide; de kweekeling was bestemd den meester te overtreffen.—Vergeefs alzoo, vergeefs het in budgetten of reglementen, vergeefs het in geld of manschappen, vergeefs het in schepen of scheepsvolk gezocht;—de natie moet herboren worden, zoo onze zeemacht herrijzen zal. Want de zeemacht is de zenuw van den Staat, die met het lichaam der natie leeft of sterft.Maar hoe zal die wedergeboorte plaats grijpen? Wie zal een nieuwen geest in ons volk doen varen? Wie zal het krachtelooze lichaam tot een verjongd leven opwekken?Een ieder beantwoorde deze vraag, gelijk hij best kan.Mijnantwoord zal door menigeen met schouderophalen, door sommigen met spot beantwoord worden.—Het zij zoo! Ik heb geen beter te geven.Michiel adriaanszoon de ruiter!Het Vaderland, in bedevaart rondom uw standbeeld vergaderd, komt tot u om u raad te vragen, gelijk de oude volken het orakel van den god, wiens tempel en beeld zij bezochten. Welaan, wij vragen:Welk is het geheim van uwe en uwer tijdgenooten grootheid, waardoor ook wij wederom tot vorigen roem en bloei kunnen geraken?Zal hij antwoorden? Hij doe het dan met dat woord, dat, bij den slag van Schoonefeld gesproken, als zijne altoosdurende leuze beroemd werd:„Niet op onse maght, maar op Gods almaghtigen arm.”Wilt gij eene proeve nemen? Doet gelijk ik gedaan heb in de dagen van het De-Ruiters-feest: leest—neen, weest gerust, geen verhandelingen, geen vertoogen, geen verzen; maar leest eenvoudigHet Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter, beschreven doorGerardt brandt. Hoort daar den held zelven spreken! En hem niet alleen, hoort ook ’s Lands Staten! hoort het geheele volk! Hoort den toon van vroomheid—maar neen! het woordvroomheidwas toen nog één metdapperheid—hoort den toon van godsvrucht, waarop het geheele verkeer van den held met zijn volk, van den Staat met zijn dienaar, van de Overheid met hare onderdanen gestemd is. Waant daaronder, even als ik, in eene andere wereld te leven, eene andere taal te hooren, een ander volk te leeren kennen. En vraagt dan nog, of het orakel geantwoord heeft!Neen, ik heb mij bedrogen, en bid, mijn woord terug te mogen nemen. Ook niet in den geest der natie woont de kracht eens volks; het woont in de gunst en hulp van den Heer der heirscharen, die den geest der natiën verheft, en zij worden machtig, die den geest der volken wegneemt, en zij vallen. Men ijvere zoo veel men wil tegen de benaming vanGod van Nederland: wij willen om geen namen[216]twisten. Maar wat wij ons niet laten ontnemen, het is het geloof aan een natuurlijk en noodzakelijk verband tusschen de dienst en den zegen van den God van hemel en aarde. Al leerde ik dit niet uit den bijbel, ik zou het uit de geschiedenis des Vaderlands leeren.Eere dus aan allen, die in deze dagen verlangden, dat men deRuitereen beter gedenkteeken dan van metaal en steen zou oprichten in den verjongden bloei van ’s Lands zeemacht! Eere aan de bedoeling, die de stoffelijke middelen daartoe zocht aan te wijzen! Maar wij voor ons, die geene geschiedenis verstaan, dan gelijkBossuethaar schrijft, als de geschiedenis der Voorzienigheid,—wij voeren eene andere leuze; het is die, welke onze provincie op hare munten voert:Deus fortitudo et spes nostra.God onze sterkte en onze hope![217]
TWEE MONUMENTEN.(1676–1841).
Op den 25stenAugustus 1841 werd te Vlissingen een standbeeld ontbloot en ingewijd. Deze plechtigheid werd met schitterende feesten gevierd. Kanonnen bulderden; vlaggen en wimpels zwierden; een statelijke optocht ging om; eene welsprekende feestrede werd uitgesproken; eene kunstrijke cantate werd gezongen; kunstelooze zeemansliederen werden aangeheven: merkwaardige gedenkstukken werden ten toon gesteld; maaltijden werden gehouden; feestlichten werden ontstoken; volksspelen werden gegeven; handen wuifden; monden jubelden; oogen blonken; harten gloeiden. Vlissingen was eene groote feestzaal, waarnaar geheel het vaderland het belangstellend oog gericht hield.Het was het feest der inwijding van het standbeeld vanMichielAdriaansz.de Ruiter, Hertog, Ridder enz., Luitenant Admiraal Generaal van Holland en Westfriesland.In diezelfde dagen kwam uit de werkplaats, waaruit het beeld vanDe Ruiterwas voortgekomen, een ander gedenkteeken in stilte te Alkmaar aan. Van daar werd het door het verbaasde duin naar Egmonds zeekust vervoerd. Daar werd het op het wachtend voetstuk geheven, dat rondom den nieuwen lichttoren oprijst. Toen zag men den Nederlandschen leeuw, met den klauw om het kanon geklemd, het hoofd opsteken in den zeewind, dien het met verrukking in de rookende neusgaten ving.Het was het gedenkteeken ter eere vanJan Carel Josephus van Speyk, Ridder der Militaire Willemsorde, Luitenant ter Zee.Dit toevallig samentreffen moest ieder, die het vernam, opmerkelijk voorkomen. En wellicht ware er stof uit te putten voor eene vergelijking, welke het niet aan sprekende kontrasten ontbreken zou. Beide helden, uit geringen stam gesproten, en beide door koninklijken ridderslag geadeld; beide op zee groot geworden, en beide aldaar op het bed van eer gestorven; beide in hun leven met een groenen krans van eere gekroond, en beide in hun dood in een geurige lijkwâ van glorie gewikkeld; ja, om de overeenkomst te volmaken, beide in hun graf[212]door den weêrglans van eene koningskroon bestraald. De Amsterdamsche weesjongen, die zijn eersten sluimer in eene armenkrib sluimerde, sliep zijn jongsten slaap, totdat hem eene eigen sponde gespreid was, in het vorstelijk graf derNassau’s, aan de zijde van den grooten Zwijger; de Vlissingsche schipperszoon zag terzelfde plaatse, waar hij voor een stuiver daags in de lijnbaan gezwoegd had, onder duizend edele hoofden, waarop hij van zijn voetstuk nederzag, een gekroonden schedel ontbloot! En toch, niet treffender de overeenkomst die beide vereenigt, dan het verschil dat beide scheidt. Welk een afstand toch tusschen den Luitenant-Admiraal Generaal en den Luitenant ter zee,—tusschen het Opperhoofd van ’s Lands vloot en den Bevelhebber van eene kanonneerboot,—tusschen den negenenzestigjarigen held, die in de schaduw zijner lauweren, in vijftien groote zeeslagen gewonnen, ten grave daalde, en den negenentwintigjarigen jongeling, die in het winnen van zijn eersten lauwer bezweek,—tusschen den „Schrik des oceaans” en den Dappere, wiens zegevierende uitgang alleen den Schelde-oever deed beven!Deze en dergelijke trekken hadden niet kunnen missen ieder, die van de gelijktijdige oprichting der beide gedenkteekenen kennis droeg, te treffen. Maar ik voor mij verliet ze welhaast, om twee geheel andere beelden voor mijnen geest te zien verrijzen: het Nederland vanDe Ruiteren het Nederland vanvan Speyk: het Nederland van 1676 en het Nederland van 1841.Het Nederland vanDe Ruiteren het Nederland vanVan Speyk. Ik bid u, daarin iets anders en iets meer te zien, dan een ijdel spel met twee namen. Helaas! er ligt eene droevige waarheid in dat spel. De verhouding tusschenDe RuiterenVan Speykis maar al te zeer de schaal der verhouding, die tusschen beider Nederland bestaat: de Admiraalsvlagvan1676 tot den bootswimpel van 1831 gekrompen—ziet daar het beeld van ons vaderland bij den dood vanDe Ruiteren den dood vanVan Speyk!Wat dunkt u? indien dat metalen beeld op zijn voetstuk zoowel leven kon aannemen, als het te leven schijnt;—indien het den ijzeren blik op de zee kon vestigen, die aan zijne voeten breekt;—indien het over die zee zijne geliefde Statenvlag kon volgen;—o, hoe het wenschen zou, nooit op die hoogte gestegen te zijn! hoe het verlangen zou, wederom rustig neder te liggen op de tombe, waar het in de schaduw van zijne eigene en ’s Lands glorie zoo gelukkig sliep! hoe het den Pygmalion, die het in het leven riep, bidden zou, wederom steen te mogen worden; levenloos en ongevoelig steen! Of hoe, meent gij, zou het onzenDe Ruiterte moede zijn, als hij die schoone vloot, grootendeels onder zijn oog en hand verrezen, tot een handvol booten versmolten zag! als hij aanschouwen moest, hoe de vlag, die hij had doen eerbiedigen met siddering, nu gedoogd wordt met edelmoedigheid! als hij het moest aanzien, hoe de cirkel, door den boeg zijner schepen over de wereldzee getrokken, nu bijna geheel door de[213]sporen van andere bodems is uitgewischt! Indien hij er getuige van geweest ware, wat meent gij, zou de held van Soulsbay gevoeld hebben, wanneer hij de vaderlandsche schepen in de vaderlandsche havens gekerkerd had gezien, aldaar opgesloten, ik zeg niet door de duurgekochte overwinning, maar door het enkele bevelwoord van diezelfde Engelsche en Fransche vloten, waarvan hij meermalen de zee had schoongevaagd, alsHarpertzen’sberoemde bezem! Mij dunkt, ik hoor den mond, die eenmaal op het gezicht van den schrik, door de enkele verschijning van zijn Admiraalschipde Zeven Provinciënverwekt, zoovroolijkbraveerde, dat woord treurig herroepen: „De vijand heeftgeeneerbied meer voor de Zeven Provinciën!”Daarom, schoon eere doende aan de dankbaarheid van het nageslacht, dat inDe Ruiterden schepper van zijn blinkendsten roem en weligste welvaart vereert, om uwentwil verheugt het mij, dat de kunst, schoon zij uit ijzer goden scheppe, niet vermag u uit uw ijzeren slaap op te wekken; dat gij slechts eenbeeldzijt, heldengestalte vanMichiel Adriaanszoon de Ruiter!En toch! zie, het is alsof dat andere gedenkteeken,—het is alsof de leeuw van Egmond mij verwijt onrechtvaardig te zijn, en, om den wille van het Nederland vanDe Ruiter, het Nederland vanVan Speykte kort te doen. Ik hoop niet, dat verwijt verdiend te hebben. Het is de plicht van een kind, zijn moeder lief te hebben, al is zij oud en zwak geworden. Verre zij het van mij, ten gevalle van den roem van het verledene, de rechten van het tegenwoordige te verkorten, en de levendePolyxenate willen opofferen aan de schim van den doodenAchilles. Ik erken met allen, die het mij toevoeren: ook de jongste tijd had zijne heldere dagen. De jaren 1830 en 1831 waren een schoon oogenblik in onze geschiedenis, de schoonste tijdperken onzer vaderen waardig, en dat niet verdiend had, wegens de ongelukkige uitkomst, door hen zelve, die er eene werkzame rol in vervulden, verkleind, ja, bespot te worden. Nog behoeft het geslacht, dat aan den voet vanDe Ruiter’sstandbeeld vergaderd was, niet voor zijne schim te blozen. De helden van Hasselt en Leuven, de verdedigers van Antwerpen’s citadel, de dapperen van Algiers en Palembang, met den held aan het hoofd, die zich eene kroon van lauweren won, eer hij de juweelen kroon erfde, zijn niet onwaardig onder de oogen van den grooten Vlissinger te verschijnen. Ja, de grootmoedige vlootvoogd, die iedere dappere daad wist te waardeeren, ziet met een oog van welgevallen, niet ver van de prachtige tombe, waaronder hij slaapt, die nederige zuil verrijzen voor den jongen zeeman, die in zijn schoonen dood het beginsel huldigde, waarvan hij zelf het offer werd,—van het leven minder te achten dan de eere van ’s Lands vlag.En nogtans vergeve men het eenen Nederlander, die de daden der Vaderen niet vergeten kan, dat hij in het Nederland van 1841 het Nederland van 1676 niet herkent, en niet herkennen zou, al ware sedert het vuur niet weder uitgedoofd, dat in 1831 zoo helder ontbrandde;[214]al had de uitkomst niet bewezen, dat het slechts een schoone droom was, dien de dichter dweepte:Holland is twee eeuwen jonger,Dan het was vóór vijftig jaar.En nu, wat zal het namaals zijn? Hoe zal het Nederland van anderhalve eeuw later zich voordoen? Zal het aan dat van 1841, of van 1676 gelijken? Voorspelt ons de oprichting vanDe Ruiter’sbeeld, dat met hem het tijdperk van roem en voorspoed, hetwelk met hem ten grave ging, wederom zal opstaan? Mag ik een voorteeken zien in den helderen zonneschijn, die, op het oogenblik van het ontblooten des gedenkteekens, den regen verving, die tot dusverre het feest had verduisterd? O, hoe gaarne zou ik daarop hetaccipio omenzeggen! Hoe gaarne zou ik in den heldendood vanVan Speyk—de wedergade van den dood vanClaessens, die de wapenfeiten onzer vaderlandsche helden opent—den dageraad van eenen nieuwen morgen begroeten! hoeveel liever dan den avond, die den dag in denzelfden purpergloed ziet ondergaan, waaruit hij is opgerezen! Doch ik durf mij aan die zoete hoop niet toegeven; ik zie niet wat er mij recht toe laat. Moet ik de klagers onder ons gelooven, dan ligt de schuld aan.… ja, aan wie niet al? AanOranjevoornamelijk, wiens lot het schijnt te zijn, ten aanzien van ons zeewezen het voorwerp van een eeuwigdurend wantrouwen te zijn, dat nimmer gerechtvaardigd werd. Alsof de geschiedenis niet anders leerde; ja, alsof de jeugdige Prins-Kapitein, die, aan de zijde zijns Koninklijken Vaders, aan den voetvanDe Ruiter’sstandbeeld verscheen, niet bewees, dat KoningWillem IIeen echt nakomeling van de Kapiteinen-Generaal en Admiralen der Vereenigde Nederlanden is! Overigens onderneem ik niet, over de billijkheidvanwederzijdsche grieven of klachten te oordeelen. Maar wat ik weet of zie, het is dat de geest van de zeventiende eeuw, de geest vanDe Ruiter, van ons volk geweken is; het is dat de veroverde vendelen van den Tiendaagschen Veldtogt den sluimer niet verbergen kunnen, waarin de Nederlandsche Leeuw verzonken is; het is dat zijn weder-inslapen na zijn kort ontwaken, nog droeviger dan of hij in het geheel niet ontwaakt ware, bewijst, dat zijn slaap eene slaapziekte geworden is. Vergeefs geklaagd en gejammerd; vergeefs verweten en beschuldigd; vergeefs gehoond en geschimpt. De kracht der Zeven Provinciën huisde niet in het hout, waaruit de vloot gebouwd werd; hare geestdrift niet in de zeilen, die ze bevleugelden; hare dapperheid niet in het ijzer, dat ze beschermde. Neen! die kracht, die geestdrift, die dapperheid huisde in den geest van de ijzeren menschen, welke die houten vloot bemanden,—of, nog liever in den geest van het geheele volk, waaruit de bemanning voortkwam. Wat was in dien tijd een verloren schip, een verstrooid eskader, eene vernielde vloot zelfs? Weinige dagen—het wonder is gezien—weinige dagen waren genoegzaam om een handvol wrakken in eene geduchte zeemacht te herscheppen. Wat waren[215]in dien tijd tien helden, in éénen slag gesneuveld? Op dezelfde plaats, waar de een viel, stond een ander op, en met de vlag scheen de kunde en dapperheid van de Vice-Admiraal of Schout-bij-Nacht op den Kapitein over te gaan.De Ruitermocht bij het lijk vanMarten Harpertzen Trompuitroepen: „Ware ik vóór u gestorven!” hij wist niet, wat hij zeide; de kweekeling was bestemd den meester te overtreffen.—Vergeefs alzoo, vergeefs het in budgetten of reglementen, vergeefs het in geld of manschappen, vergeefs het in schepen of scheepsvolk gezocht;—de natie moet herboren worden, zoo onze zeemacht herrijzen zal. Want de zeemacht is de zenuw van den Staat, die met het lichaam der natie leeft of sterft.Maar hoe zal die wedergeboorte plaats grijpen? Wie zal een nieuwen geest in ons volk doen varen? Wie zal het krachtelooze lichaam tot een verjongd leven opwekken?Een ieder beantwoorde deze vraag, gelijk hij best kan.Mijnantwoord zal door menigeen met schouderophalen, door sommigen met spot beantwoord worden.—Het zij zoo! Ik heb geen beter te geven.Michiel adriaanszoon de ruiter!Het Vaderland, in bedevaart rondom uw standbeeld vergaderd, komt tot u om u raad te vragen, gelijk de oude volken het orakel van den god, wiens tempel en beeld zij bezochten. Welaan, wij vragen:Welk is het geheim van uwe en uwer tijdgenooten grootheid, waardoor ook wij wederom tot vorigen roem en bloei kunnen geraken?Zal hij antwoorden? Hij doe het dan met dat woord, dat, bij den slag van Schoonefeld gesproken, als zijne altoosdurende leuze beroemd werd:„Niet op onse maght, maar op Gods almaghtigen arm.”Wilt gij eene proeve nemen? Doet gelijk ik gedaan heb in de dagen van het De-Ruiters-feest: leest—neen, weest gerust, geen verhandelingen, geen vertoogen, geen verzen; maar leest eenvoudigHet Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter, beschreven doorGerardt brandt. Hoort daar den held zelven spreken! En hem niet alleen, hoort ook ’s Lands Staten! hoort het geheele volk! Hoort den toon van vroomheid—maar neen! het woordvroomheidwas toen nog één metdapperheid—hoort den toon van godsvrucht, waarop het geheele verkeer van den held met zijn volk, van den Staat met zijn dienaar, van de Overheid met hare onderdanen gestemd is. Waant daaronder, even als ik, in eene andere wereld te leven, eene andere taal te hooren, een ander volk te leeren kennen. En vraagt dan nog, of het orakel geantwoord heeft!Neen, ik heb mij bedrogen, en bid, mijn woord terug te mogen nemen. Ook niet in den geest der natie woont de kracht eens volks; het woont in de gunst en hulp van den Heer der heirscharen, die den geest der natiën verheft, en zij worden machtig, die den geest der volken wegneemt, en zij vallen. Men ijvere zoo veel men wil tegen de benaming vanGod van Nederland: wij willen om geen namen[216]twisten. Maar wat wij ons niet laten ontnemen, het is het geloof aan een natuurlijk en noodzakelijk verband tusschen de dienst en den zegen van den God van hemel en aarde. Al leerde ik dit niet uit den bijbel, ik zou het uit de geschiedenis des Vaderlands leeren.Eere dus aan allen, die in deze dagen verlangden, dat men deRuitereen beter gedenkteeken dan van metaal en steen zou oprichten in den verjongden bloei van ’s Lands zeemacht! Eere aan de bedoeling, die de stoffelijke middelen daartoe zocht aan te wijzen! Maar wij voor ons, die geene geschiedenis verstaan, dan gelijkBossuethaar schrijft, als de geschiedenis der Voorzienigheid,—wij voeren eene andere leuze; het is die, welke onze provincie op hare munten voert:Deus fortitudo et spes nostra.God onze sterkte en onze hope![217]
Op den 25stenAugustus 1841 werd te Vlissingen een standbeeld ontbloot en ingewijd. Deze plechtigheid werd met schitterende feesten gevierd. Kanonnen bulderden; vlaggen en wimpels zwierden; een statelijke optocht ging om; eene welsprekende feestrede werd uitgesproken; eene kunstrijke cantate werd gezongen; kunstelooze zeemansliederen werden aangeheven: merkwaardige gedenkstukken werden ten toon gesteld; maaltijden werden gehouden; feestlichten werden ontstoken; volksspelen werden gegeven; handen wuifden; monden jubelden; oogen blonken; harten gloeiden. Vlissingen was eene groote feestzaal, waarnaar geheel het vaderland het belangstellend oog gericht hield.
Het was het feest der inwijding van het standbeeld vanMichielAdriaansz.de Ruiter, Hertog, Ridder enz., Luitenant Admiraal Generaal van Holland en Westfriesland.
In diezelfde dagen kwam uit de werkplaats, waaruit het beeld vanDe Ruiterwas voortgekomen, een ander gedenkteeken in stilte te Alkmaar aan. Van daar werd het door het verbaasde duin naar Egmonds zeekust vervoerd. Daar werd het op het wachtend voetstuk geheven, dat rondom den nieuwen lichttoren oprijst. Toen zag men den Nederlandschen leeuw, met den klauw om het kanon geklemd, het hoofd opsteken in den zeewind, dien het met verrukking in de rookende neusgaten ving.
Het was het gedenkteeken ter eere vanJan Carel Josephus van Speyk, Ridder der Militaire Willemsorde, Luitenant ter Zee.
Dit toevallig samentreffen moest ieder, die het vernam, opmerkelijk voorkomen. En wellicht ware er stof uit te putten voor eene vergelijking, welke het niet aan sprekende kontrasten ontbreken zou. Beide helden, uit geringen stam gesproten, en beide door koninklijken ridderslag geadeld; beide op zee groot geworden, en beide aldaar op het bed van eer gestorven; beide in hun leven met een groenen krans van eere gekroond, en beide in hun dood in een geurige lijkwâ van glorie gewikkeld; ja, om de overeenkomst te volmaken, beide in hun graf[212]door den weêrglans van eene koningskroon bestraald. De Amsterdamsche weesjongen, die zijn eersten sluimer in eene armenkrib sluimerde, sliep zijn jongsten slaap, totdat hem eene eigen sponde gespreid was, in het vorstelijk graf derNassau’s, aan de zijde van den grooten Zwijger; de Vlissingsche schipperszoon zag terzelfde plaatse, waar hij voor een stuiver daags in de lijnbaan gezwoegd had, onder duizend edele hoofden, waarop hij van zijn voetstuk nederzag, een gekroonden schedel ontbloot! En toch, niet treffender de overeenkomst die beide vereenigt, dan het verschil dat beide scheidt. Welk een afstand toch tusschen den Luitenant-Admiraal Generaal en den Luitenant ter zee,—tusschen het Opperhoofd van ’s Lands vloot en den Bevelhebber van eene kanonneerboot,—tusschen den negenenzestigjarigen held, die in de schaduw zijner lauweren, in vijftien groote zeeslagen gewonnen, ten grave daalde, en den negenentwintigjarigen jongeling, die in het winnen van zijn eersten lauwer bezweek,—tusschen den „Schrik des oceaans” en den Dappere, wiens zegevierende uitgang alleen den Schelde-oever deed beven!
Deze en dergelijke trekken hadden niet kunnen missen ieder, die van de gelijktijdige oprichting der beide gedenkteekenen kennis droeg, te treffen. Maar ik voor mij verliet ze welhaast, om twee geheel andere beelden voor mijnen geest te zien verrijzen: het Nederland vanDe Ruiteren het Nederland vanvan Speyk: het Nederland van 1676 en het Nederland van 1841.
Het Nederland vanDe Ruiteren het Nederland vanVan Speyk. Ik bid u, daarin iets anders en iets meer te zien, dan een ijdel spel met twee namen. Helaas! er ligt eene droevige waarheid in dat spel. De verhouding tusschenDe RuiterenVan Speykis maar al te zeer de schaal der verhouding, die tusschen beider Nederland bestaat: de Admiraalsvlagvan1676 tot den bootswimpel van 1831 gekrompen—ziet daar het beeld van ons vaderland bij den dood vanDe Ruiteren den dood vanVan Speyk!
Wat dunkt u? indien dat metalen beeld op zijn voetstuk zoowel leven kon aannemen, als het te leven schijnt;—indien het den ijzeren blik op de zee kon vestigen, die aan zijne voeten breekt;—indien het over die zee zijne geliefde Statenvlag kon volgen;—o, hoe het wenschen zou, nooit op die hoogte gestegen te zijn! hoe het verlangen zou, wederom rustig neder te liggen op de tombe, waar het in de schaduw van zijne eigene en ’s Lands glorie zoo gelukkig sliep! hoe het den Pygmalion, die het in het leven riep, bidden zou, wederom steen te mogen worden; levenloos en ongevoelig steen! Of hoe, meent gij, zou het onzenDe Ruiterte moede zijn, als hij die schoone vloot, grootendeels onder zijn oog en hand verrezen, tot een handvol booten versmolten zag! als hij aanschouwen moest, hoe de vlag, die hij had doen eerbiedigen met siddering, nu gedoogd wordt met edelmoedigheid! als hij het moest aanzien, hoe de cirkel, door den boeg zijner schepen over de wereldzee getrokken, nu bijna geheel door de[213]sporen van andere bodems is uitgewischt! Indien hij er getuige van geweest ware, wat meent gij, zou de held van Soulsbay gevoeld hebben, wanneer hij de vaderlandsche schepen in de vaderlandsche havens gekerkerd had gezien, aldaar opgesloten, ik zeg niet door de duurgekochte overwinning, maar door het enkele bevelwoord van diezelfde Engelsche en Fransche vloten, waarvan hij meermalen de zee had schoongevaagd, alsHarpertzen’sberoemde bezem! Mij dunkt, ik hoor den mond, die eenmaal op het gezicht van den schrik, door de enkele verschijning van zijn Admiraalschipde Zeven Provinciënverwekt, zoovroolijkbraveerde, dat woord treurig herroepen: „De vijand heeftgeeneerbied meer voor de Zeven Provinciën!”
Daarom, schoon eere doende aan de dankbaarheid van het nageslacht, dat inDe Ruiterden schepper van zijn blinkendsten roem en weligste welvaart vereert, om uwentwil verheugt het mij, dat de kunst, schoon zij uit ijzer goden scheppe, niet vermag u uit uw ijzeren slaap op te wekken; dat gij slechts eenbeeldzijt, heldengestalte vanMichiel Adriaanszoon de Ruiter!
En toch! zie, het is alsof dat andere gedenkteeken,—het is alsof de leeuw van Egmond mij verwijt onrechtvaardig te zijn, en, om den wille van het Nederland vanDe Ruiter, het Nederland vanVan Speykte kort te doen. Ik hoop niet, dat verwijt verdiend te hebben. Het is de plicht van een kind, zijn moeder lief te hebben, al is zij oud en zwak geworden. Verre zij het van mij, ten gevalle van den roem van het verledene, de rechten van het tegenwoordige te verkorten, en de levendePolyxenate willen opofferen aan de schim van den doodenAchilles. Ik erken met allen, die het mij toevoeren: ook de jongste tijd had zijne heldere dagen. De jaren 1830 en 1831 waren een schoon oogenblik in onze geschiedenis, de schoonste tijdperken onzer vaderen waardig, en dat niet verdiend had, wegens de ongelukkige uitkomst, door hen zelve, die er eene werkzame rol in vervulden, verkleind, ja, bespot te worden. Nog behoeft het geslacht, dat aan den voet vanDe Ruiter’sstandbeeld vergaderd was, niet voor zijne schim te blozen. De helden van Hasselt en Leuven, de verdedigers van Antwerpen’s citadel, de dapperen van Algiers en Palembang, met den held aan het hoofd, die zich eene kroon van lauweren won, eer hij de juweelen kroon erfde, zijn niet onwaardig onder de oogen van den grooten Vlissinger te verschijnen. Ja, de grootmoedige vlootvoogd, die iedere dappere daad wist te waardeeren, ziet met een oog van welgevallen, niet ver van de prachtige tombe, waaronder hij slaapt, die nederige zuil verrijzen voor den jongen zeeman, die in zijn schoonen dood het beginsel huldigde, waarvan hij zelf het offer werd,—van het leven minder te achten dan de eere van ’s Lands vlag.
En nogtans vergeve men het eenen Nederlander, die de daden der Vaderen niet vergeten kan, dat hij in het Nederland van 1841 het Nederland van 1676 niet herkent, en niet herkennen zou, al ware sedert het vuur niet weder uitgedoofd, dat in 1831 zoo helder ontbrandde;[214]al had de uitkomst niet bewezen, dat het slechts een schoone droom was, dien de dichter dweepte:
Holland is twee eeuwen jonger,Dan het was vóór vijftig jaar.
Holland is twee eeuwen jonger,
Dan het was vóór vijftig jaar.
En nu, wat zal het namaals zijn? Hoe zal het Nederland van anderhalve eeuw later zich voordoen? Zal het aan dat van 1841, of van 1676 gelijken? Voorspelt ons de oprichting vanDe Ruiter’sbeeld, dat met hem het tijdperk van roem en voorspoed, hetwelk met hem ten grave ging, wederom zal opstaan? Mag ik een voorteeken zien in den helderen zonneschijn, die, op het oogenblik van het ontblooten des gedenkteekens, den regen verving, die tot dusverre het feest had verduisterd? O, hoe gaarne zou ik daarop hetaccipio omenzeggen! Hoe gaarne zou ik in den heldendood vanVan Speyk—de wedergade van den dood vanClaessens, die de wapenfeiten onzer vaderlandsche helden opent—den dageraad van eenen nieuwen morgen begroeten! hoeveel liever dan den avond, die den dag in denzelfden purpergloed ziet ondergaan, waaruit hij is opgerezen! Doch ik durf mij aan die zoete hoop niet toegeven; ik zie niet wat er mij recht toe laat. Moet ik de klagers onder ons gelooven, dan ligt de schuld aan.… ja, aan wie niet al? AanOranjevoornamelijk, wiens lot het schijnt te zijn, ten aanzien van ons zeewezen het voorwerp van een eeuwigdurend wantrouwen te zijn, dat nimmer gerechtvaardigd werd. Alsof de geschiedenis niet anders leerde; ja, alsof de jeugdige Prins-Kapitein, die, aan de zijde zijns Koninklijken Vaders, aan den voetvanDe Ruiter’sstandbeeld verscheen, niet bewees, dat KoningWillem IIeen echt nakomeling van de Kapiteinen-Generaal en Admiralen der Vereenigde Nederlanden is! Overigens onderneem ik niet, over de billijkheidvanwederzijdsche grieven of klachten te oordeelen. Maar wat ik weet of zie, het is dat de geest van de zeventiende eeuw, de geest vanDe Ruiter, van ons volk geweken is; het is dat de veroverde vendelen van den Tiendaagschen Veldtogt den sluimer niet verbergen kunnen, waarin de Nederlandsche Leeuw verzonken is; het is dat zijn weder-inslapen na zijn kort ontwaken, nog droeviger dan of hij in het geheel niet ontwaakt ware, bewijst, dat zijn slaap eene slaapziekte geworden is. Vergeefs geklaagd en gejammerd; vergeefs verweten en beschuldigd; vergeefs gehoond en geschimpt. De kracht der Zeven Provinciën huisde niet in het hout, waaruit de vloot gebouwd werd; hare geestdrift niet in de zeilen, die ze bevleugelden; hare dapperheid niet in het ijzer, dat ze beschermde. Neen! die kracht, die geestdrift, die dapperheid huisde in den geest van de ijzeren menschen, welke die houten vloot bemanden,—of, nog liever in den geest van het geheele volk, waaruit de bemanning voortkwam. Wat was in dien tijd een verloren schip, een verstrooid eskader, eene vernielde vloot zelfs? Weinige dagen—het wonder is gezien—weinige dagen waren genoegzaam om een handvol wrakken in eene geduchte zeemacht te herscheppen. Wat waren[215]in dien tijd tien helden, in éénen slag gesneuveld? Op dezelfde plaats, waar de een viel, stond een ander op, en met de vlag scheen de kunde en dapperheid van de Vice-Admiraal of Schout-bij-Nacht op den Kapitein over te gaan.De Ruitermocht bij het lijk vanMarten Harpertzen Trompuitroepen: „Ware ik vóór u gestorven!” hij wist niet, wat hij zeide; de kweekeling was bestemd den meester te overtreffen.—Vergeefs alzoo, vergeefs het in budgetten of reglementen, vergeefs het in geld of manschappen, vergeefs het in schepen of scheepsvolk gezocht;—de natie moet herboren worden, zoo onze zeemacht herrijzen zal. Want de zeemacht is de zenuw van den Staat, die met het lichaam der natie leeft of sterft.
Maar hoe zal die wedergeboorte plaats grijpen? Wie zal een nieuwen geest in ons volk doen varen? Wie zal het krachtelooze lichaam tot een verjongd leven opwekken?
Een ieder beantwoorde deze vraag, gelijk hij best kan.Mijnantwoord zal door menigeen met schouderophalen, door sommigen met spot beantwoord worden.—Het zij zoo! Ik heb geen beter te geven.
Michiel adriaanszoon de ruiter!Het Vaderland, in bedevaart rondom uw standbeeld vergaderd, komt tot u om u raad te vragen, gelijk de oude volken het orakel van den god, wiens tempel en beeld zij bezochten. Welaan, wij vragen:
Welk is het geheim van uwe en uwer tijdgenooten grootheid, waardoor ook wij wederom tot vorigen roem en bloei kunnen geraken?
Zal hij antwoorden? Hij doe het dan met dat woord, dat, bij den slag van Schoonefeld gesproken, als zijne altoosdurende leuze beroemd werd:
„Niet op onse maght, maar op Gods almaghtigen arm.”
Wilt gij eene proeve nemen? Doet gelijk ik gedaan heb in de dagen van het De-Ruiters-feest: leest—neen, weest gerust, geen verhandelingen, geen vertoogen, geen verzen; maar leest eenvoudigHet Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter, beschreven doorGerardt brandt. Hoort daar den held zelven spreken! En hem niet alleen, hoort ook ’s Lands Staten! hoort het geheele volk! Hoort den toon van vroomheid—maar neen! het woordvroomheidwas toen nog één metdapperheid—hoort den toon van godsvrucht, waarop het geheele verkeer van den held met zijn volk, van den Staat met zijn dienaar, van de Overheid met hare onderdanen gestemd is. Waant daaronder, even als ik, in eene andere wereld te leven, eene andere taal te hooren, een ander volk te leeren kennen. En vraagt dan nog, of het orakel geantwoord heeft!
Neen, ik heb mij bedrogen, en bid, mijn woord terug te mogen nemen. Ook niet in den geest der natie woont de kracht eens volks; het woont in de gunst en hulp van den Heer der heirscharen, die den geest der natiën verheft, en zij worden machtig, die den geest der volken wegneemt, en zij vallen. Men ijvere zoo veel men wil tegen de benaming vanGod van Nederland: wij willen om geen namen[216]twisten. Maar wat wij ons niet laten ontnemen, het is het geloof aan een natuurlijk en noodzakelijk verband tusschen de dienst en den zegen van den God van hemel en aarde. Al leerde ik dit niet uit den bijbel, ik zou het uit de geschiedenis des Vaderlands leeren.
Eere dus aan allen, die in deze dagen verlangden, dat men deRuitereen beter gedenkteeken dan van metaal en steen zou oprichten in den verjongden bloei van ’s Lands zeemacht! Eere aan de bedoeling, die de stoffelijke middelen daartoe zocht aan te wijzen! Maar wij voor ons, die geene geschiedenis verstaan, dan gelijkBossuethaar schrijft, als de geschiedenis der Voorzienigheid,—wij voeren eene andere leuze; het is die, welke onze provincie op hare munten voert:Deus fortitudo et spes nostra.God onze sterkte en onze hope![217]