Chapter 7

Ruïne van het kasteel Landskron.Ruïne van het kasteel Landskron.Een der oudste gebouwen is wel het tegenwoordige stadhuis, dat uit de eerste helft der zestiende eeuw dagteekent en vroeger de zetel was van de oostenrijksche regeering. Het gebouw heeft twee verdiepingen, door eene sterk uitspringende kroonlijst gescheiden. De benedenverdieping heeft eene open galerij, waarvan de wijde bogen op massieve pijlers rusten. De vertrekken der eerste verdieping ontvangen hun licht door breede vensters, in drie vakken verdeeld, waarvan het middelste hooger is dan de zijramen. Een dier vensters komt uit op een balkon van ijzeren traliewerk, dat in later tijd is aangebracht. Daar naast bevindt zich een bel voor de openbare bekendmakingen. De achtkantige traptoren heeft een portaal, versierd met gekanneleerde zuilen en medaillons met portretten van romeinsche keizers. Naar het schijnt, bestond de bovenverdieping oorspronkelijk uit twee groote zalen, beiden, met eenige zijvertrekken, bestemd voor de twee regeeringscolleges. Later heeft men een dezer zalen, ten einde in de behoeften van den dienst te voorzien, in verschillende kamers gesplitst. Op een der muren ziet men eene vergulde groep, voorstellende de gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen. De andere, nog ongeschonden zaal maakt door haar grootsche afmetingen een majestueusen indruk; deze zaal werd in 1884, op last van generaal Mantouffel, stadhouder van Elzas-Lotharingen, gerestaureerd en met fraai houtwerk versierd. De muren en de zoldering werden op nieuw beschilderd en verguld, even als het gewelf van de benedengalerij. Op de snijpunten der balken ziet men cartouches met de wapens der steden van den Elzas; boven de deur prijkt het wapen van Ensisheim met den vroegeren oostenrijkschen arend naast den tweekoppigen adelaar van het nieuwe duitsche rijk. De ruiten der vensters zijn rond, naar het oud gothische model. Enkele gothische détails uitgezonderd, draagt het gebouw in zijn geheel den stempel van den stijl der duitsche renaissance, hetgeen ook volkomen past bij het jaartal 1535, dat op verschillende plaatsen in den steen is gebeiteld.In het stedelijk archief worden, nevens de registers van den burgerlijken stand, de overblijfselen bewaard van een meteoorsteen, die in de vijftiende eeuw te Ensisheim uit de lucht is gevallen. Volgens de registers van den burgerlijken stand, die sedert den negenden Juni 1582, dat is dus sedert ruim driehonderd jaren, geregeld zijn bijgehouden, was het getal geboorten, dat in gewone tijden tien of twaalf per maand bedroeg, in 1642, tegen het einde van den dertigjarigen oorlog, gedaald tot een of twee. Bij het doorsnuffelen van deze oude papieren vonden wij, onder andere curieuse stukken, een klacht van herbergiers, in het jaar 1787 ingebracht tegen de tappers of kroeghouders, omdat zij, in strijd met de stedelijke keur, aan hunne klanten meer dan enkel brood en kaas te eten gaven.—De meteoorsteen werd vroeger in de kerk bewaard, en van daar naar het stadhuis overgebracht. Het gewicht van dien steen bedraagt tegenwoordig niet meer dan vijf-en-vijftig pond, in plaats van drie tot vier quintalen, als op het oogenblik van zijn val. Een groot stuk van den steen werd aan het museum van Colmar afgestaan; voorts hebben een aantal aanzienlijke personages, die Ensisheim doortrokken, te beginnen met Keizer Karel V tot de generaals der geallieerde legers in 1815, er ook voor en na fragmenten van medegenomen.Volgens het in 1840 verschenen boek van pastoor Merklen, getiteld:Ensisheim, jadis ville impériale et ancien siège de la Régence archiducale des pays antérieurs d’Autriche, ou Histoire de la ville d’Ensisheim, avec un précis des évènements les plus mémorables qui se sont passés en Alsace,—volgens dat boek met dien wijdloopigen titel, zou de herinnering aan het nederkomen van dien meteoorsteen, waarvan wij de overblijfselen voor ons zien, zijn vereeuwigd door het volgende opschrift in de oudste kerk der stad:Tausend vierhundertNeunzig zwey,Hört man allhier ein neyGeschrey:Dass zunächst drauss vor der stadt,Den 7tenWintermonat,Ein grosser Stein, beym hellen TagGefallen von einem Donnerschlag,Aus dem Gewilk, drithalb zentner schwer,Von Isen Farb; brach man in herMit statischer Procession. SehrViel schlag man mit GewaltDavon 1492.Dat wil zeggen: Ten jare duizend-vierhonderd-twee-en-negentig vernam men hier een ongewone tijding: dat buiten, vlak voor de stad, op den zevenden van wintermaand, een groote steen, op klaarlichten dag, bij een donderslag uit de lucht was gevallen, ter zwaarte van derdehalf centenaar en van eene kleur als ijzer; hij werd met statige processie binnen de stad gehaald; met geweld werden er zeer veel stukken afgeslagen.In het koor van de thans afgebroken kerk vond men nog twee andere opschriften, het eene in het latijn, het andere in het fransch, waarin mede van dezen meteoorsteen melding werd gemaakt. Wij deelen alleen het fransche opschrift mede, dat eene eenigszins vrije vertaling van het latijnsche is:En deux mois on a vuDeux prodiges divers:Dans l’un tomba du ciel cettePierre effroyable;El l’on vit au suivant trois soleilsDans les airs.C’est ainsi que le ciel, aux mortelsFavorable,Par un penchant secret, dans sa justeFureur,Se plaît à nous montrer les traitsDe sa douceur.Ik behoef wel niet op te merken, dat meteoorsteenen tegenwoordig niet meer zulk eene buitengewone zeldzaamheid zijn. In het museum van de Akademie van Wetenschappen te Stockholm heb ik er een gezien van het eiland Diskö, bij de westkust van Groenland, afkomstig, die de hoogte had van een volwassen mensch bij een meter dikte. Tweemaal in het jaar, in de maanden Augustus en November, snijdt onze aarde, in de oneindige ruimte, twee banen van meteoren. Dat zijn de zwermen van vallende sterren, die wij in heldere nachten kunnen waarnemen. Het volk heeft, in zijne dichtende fantazie, aan de meteoren van de maand Augustus den naam gegeven van Sint-Laurenstranen, ter eere van den heilige, wiens feest in die maand wordt gevierd. Op den zeven-en-twintigsten November van het vorige jaar (1885), tusschen zes en acht uren des avonds, was het aantal vallende sterren, in den Elzas zichtbaar, zoo groot dat men ze niet tellen kon: het verschijnsel maakte op sommige oogenblikken den indruk van een groot vuurwerk. Naar de sterrekundigen ons verzekeren, zouden deze meteoren afkomstig zijn van de komeet van Biela.Ensisheim wordt voor het eerst genoemd in een charter van het jaar 768; in een giftbrief van jaar 823 komt de stad voor onder den naam van Einsigesheim, dat in een ander stuk Ensiclesheim wordt geschreven. Onder het oostenrijksche bestuur was de stad de hoofdplaats van het landgraafschap van den Opper-Elzas en de zetel van de regeering, wierrechtsgebiedde beide Breisgauen, het Schwarzwald en de vier zwitsersche woudsteden omvatte. De graven van Habsburg hebben hier het kasteel Königsburg gebouwd, waarvan nu geen spoor meer te vinden is. Behalve andere voorrechten en privilegiën, bezat de stad ook het muntrecht. In 1469 werd bepaald, dat van de uitspraken der schepenbank van Ensisheim in beroep kon worden gekomen bij het hooggerechtshof te Mechelen, de hoogste rechtbank voor de landen van de zoogenoemde Bourgondische kreits; later werd dit appel overgebracht naar Innsbrück in Tyrol en eindelijk bij het keizerlijk kamergericht te Spiers. Gedurende den dertigjarigen oorlog werd het ongelukkige stedeke driemaal genomen en geplunderd. Bij den vrede van Munster werd Ensisheim aan Frankrijk afgestaan; van 1657 tot 1674 zetelde hier het hoogste regeeringscollege, de souvereine raad van den Elzas.De geschiedenis van dien souvereinen raad van den Elzas werd door twee raadsheeren in het hof van appel te Colmar, de heeren de Neyremand en Pillot, in een zeer interessant boek beschreven. Toen de aartshertog Ferdinand van Oostenrijk, de broeder van Karel V, door den Keizer werd belast met het bestuur over de zoogenoemde vóór-oostenrijksche landen (vorder-österreichischen Lande), organiseerde hij de regeering op een geheel nieuwen voet, met twee afdeelingen of kamers, waarvan de eene meer bepaaldelijk met de rechtspleging, de andere met het beheer der financiën werd belast. Na den vrede van Munster vestigde de koning van Frankrijk in 1649 te Breisach, dat toen, hoewel aan den rechter Rijnoever gelegen, tot zijn rijk behoorde, “eene koninklijke souvereine Kamer, in de plaats en ter vervanging van de oostenrijksche regeering, vroeger te Ensisheim zetelende.” Ondanks velerlei moeielijkheden en botsingen bleef die Kamer tot in 1657 in werking. De zeer stellig duitschgezinde adel van den Elzas, de voormalige rijkssteden en de massa der bevolking, die zeer tegen haar zin bij Frankrijk was ingelijfd, bleven nog jaren achtereen hunne onderlinge geschillen onderwerpen aan de uitspraak van het keizerlijk kamergericht te Spiers, in plaats van zich tot de fransche magistraten te wenden. De koning van Frankrijk, Lodewijk XIV, die vast besloten was, het kortelings veroverde land te behouden en door verdere veroveringen af te ronden, stelde er prijs op, de genegenheid zijner nieuwe onderdanen te winnen. In zijn tijd was het nog niemand in de gedachte gekomen, dat de staatkundige eenheid van een land in de eerste plaats afhangt van de administratieve eenvormigheid, of dat die eenheid noodwendig vordert dat voor alle deelen des lands, hoe verschillend ook door bevolking, door historie en traditie, door zeden en gewoonten, voor alle steden en dorpen precies dezelfde regelen moeten gelden. Integendeel: nog niet beheerscht door abstracte theoriën, hield men zich veeleer overtuigd dat bestaande plaatselijke gewoonten, rechten en inzettingen, in de historie geworteld, zooveel mogelijk moesten worden ontzien en geëerbiedigd, en dat, waar een nieuwe toestand veranderingen noodig maakte, die veranderingen zich zoo veel doenlijk aan het bestaande moesten aansluiten. Van die waarheid doordrongen, hief Lodewijk XIV de koninklijke Kamer van Breisach op en verving haar door een souvereinen Raad. Deze raad, die bij een edict van 1657 werd ingesteld en georganiseerd, moest, krachtens ’s konings uitdrukkelijk bevel, het bestuur voeren: “op dezelfde wijze en in denzelfden vorm als door de oostenrijksche regeering geschiedde en overeenkomstig de wetten en ordonnanciën van de keizers en aartshertogen, alsmede de algemeene en plaatselijke keuren, brieven en privilegiën, zonder eenige verandering of nieuwigheid”—Bij een schrijven, gedagteekend uit Metz, den 22stenSeptember, waarvan het origineel in de archieven van de prefectuur te Colmar berust, noodigde de groote koning den bisschop van Bazel uit, om bij de opening van den souvereinen raad tegenwoordig te zijn op den dag bepaald “door den heer Colbert, intendant van justitie en financiën in het genoemde land”. Ten gevolge van kleine moeielijkheden en tegenkantingen, liep het nog tot den vierden November,eer de souvereine Raad in zijne nieuwe residentie kon worden geïnstalleerd.Antiek huis te Ensisheim.Antiek huis te Ensisheim.Op weinige schreden afstands van het raadhuis, waar de souvereine Raad vroeger zijne zittingen hield, verrijst de centrale gevangenis, weleer het college der Jezuïeten. In 1614 door den aartshertog Maximiliaan gesticht, zijn deze gebouwen meermalen van bestemming veranderd. Bij de verdrijving der Jezuïten in 1764 werd hun college aanvankelijk een werkhuis voor landloopers en vagebonden. Tijdens de oorlogen der revolutie diende het tot militair hospitaal en tevens tot gevangenis voor politieke misdadigers. In 1801 werd het op nieuw een werkhuis; deze inrichting werd in 1814 opgeheven, en nu werd het gebouw ingericht tot strafgevangenis voor mannelijke en vrouwelijke misdadigers, die tot langer dan een jaar kerkerstraf waren veroordeeld. Sedert 1823 worden de vrouwen te Hagenau, in een afzonderlijk gebouw opgesloten.De gevangenis maakt—het kan en behoort ook niet anders—geen aangenamen indruk. Verbeeld u eene groep gebouwen, die van drie zijden eene binnenplaats omringen, welke aan de vierde zijde door hooge muren is afgesloten. Onder langs dien muur loopt eene galerij, waar een schildwacht met geladen geweer op en neder wandelt. Eene afdeeling soldaten is steeds op post in het wachthuis naast den hoofdingang. Alle vensters zijn van ijzeren traliën voorzien; een klein luik in de zware deur geeft den cipier de gelegenheid om, eer hij de deur opent, te zien wie zich aanmeldt. Binnentredende bevindt ge u in een donker, somber portaal, dat toegang geeft naar het bureauvan den kommandant, en dat aan de zijde van de binnenplaats door eene tweede deur is afgesloten. Daar heeft een moedige bewaarder de opgestane gevangenen tegengehouden, toen, in den oorlog van 1870, de fransche troepen het land ontruimden en de militaire wacht in de gevangenis was ingetrokken.Gevangenen bezig met het leggen der fondamenten voor de cellulaire gevangenis te Ensisheim.Gevangenen bezig met het leggen der fondamenten voor de cellulaire gevangenis te Ensisheim.De kommandant der gevangenis, die de welwillendheid heeft ons de geheele inrichting in alle bijzonderheden te laten zien en alle inlichtingen te verschaffen, brengt ons ook naar de binnenplaats, waar wij verschillende groepen van gevangenen aan den arbeid zien, bezig met het leggen der fondamenten voor eene nieuwe cellulaire gevangenis. Dit gebouw moet tweehonderd cellen voor eenzame opsluiting bevatten. Men heeft aanvankelijk geaarzeld, dit werk aan de gevangenen zelven op te dragen: maar eindelijk werd toch besloten de proef te nemen, die tot dusver naar wensch is geslaagd. Terwijl wij langs hen heen gaan, groeten de ongelukkigen ons en nemen eerbiedig hun muts af. Sommigen houwen steenen; anderen metselen of vervoeren materialen; nog anderen zijn bezig met afbreken.In de werkplaatsen binnen het gebouw, die over de verschillende verdiepingen zijn verdeeld, houden de veroordeelden zich onledig met het vervaardigen van brillen, meubelen, lijsten voor spiegels en schilderijen, kleederen, schoenen, vlechtwerk. In elke werkzaal geschiedt de arbeid voor rekening van een aannemer, die de noodige gereedschappen en de grondstof levert. Een gedeelte van het werkloon, dat aan het bestuur over de gevangenis wordt uitgekeerd, komt ten goede van de veroordeelden. Volgens de daarvoor vastgestelde bepalingen kunnen zij, met dit verdiende geld, hunne kost verbeteren. Al deze werkzalen zijn steeds gesloten. Wenscht ge binnen gelaten te worden, dan klopt ge even aan de deur; de zaalopzichter, met een sabel op zij, draait het slot open en laat u in. Die zaalopzichters zijn bijna zonder uitzondering gewezen onderofficieren. Zij moeten nauwkeurig toezien, dat er van de onder hun opzicht geplaatste gevangenen geen enkel in de zaal ontbreekt, en zorgen voor de stipte handhaving der orde.Het trof mij, dat de meeste gevangenen een, men zou bijna kunnen zeggen, gunstig uiterlijk hadden. De werkelijk gemeene, terugstootende fysionomiën, waarop de ondeugd haar stempel heeft gedrukt, zijn betrekkelijk zeldzaam. Hunne kleeding herinnert aan het werkpak der duitsche soldaten, en bestaat uit eene muts, een mouwvest en pantalon van grijze kleur. Dank zij de strenge tucht en het nauwlettend toezicht, is alles in volmaakte orde en heerscht er overal in de werkzalen eene ongestoorde kalmte en rust. Slechts enkele veroordeelden dragen boeien aan de handen en voeten. Zij, die weigeren te arbeiden, worden naar eene afzonderlijke zaal gevoerd, waar zij den ganschen dag, onder streng toezicht, op eene rij, onbewegelijk moeten blijven staan. Daar zijn sommige onhandelbare naturen, op wie die straf telkens moet worden toegepast. Maar voor de meesten blijkt de geregelde arbeid een werkzaam middel tot verbetering en zedelijke opheffing.In de centrale gevangenis te Ensisheim heeft bepaaldelijk de vervaardiging van allerlei soort van lijstwerk en vlechtwerk een buitengewonen graad van volkomenheid bereikt. Nergens elders, zelfs niet in de gevangenissen te Berlijn, betalen de aannemers zulke hooge prijzen voor vloermatten of voor lijsten en ander houtwerk. De smaakvolle en sierlijke bewerking der produkten uit de gevangenis van Ensisheim is ook in het buitenland wel bekend; tot zelfs in de groote hoofdsteden, zoo als Parijs, Londen en Constantinopel, vinden die artikelen aftrek; zij worden, op bestelling, rechtstreeks door de aannemers derwaarts verzonden.Schenk mij nu, ten slotte, een weinig statistiek kwijt.—In het vorige jaar werden, in het rijksland Elzas-Lotharingen, van 1 April 1884 tot 31 Maart 1885, vierduizend-tweehonderd-twee-en-negentig personen tot eenvoudige gevangenisstraf veroordeeld; daaronder waren drieduizend-zeshonderd-twee-en-dertig mannen en zeshonderd-zestig vrouwen. Het getal aanwezige gevangenen bedroeg gemiddeld negenhonderd-vier-en-tachtig personen, waaronder achthonderd-negen-en-dertig vrouwen en honderd-vijf-en-veertig mannen. Voor de preventieve gevangenen geeft de statistiek een gemiddeld getal van honderd-drie-en-negentig gedetineerden: er werden achtduizend-driehonderd-acht-en-twintig ontslagen en achtduizend-tweehonderd-zes-en-zestig opgenomen.—Vergeleken bij den dienst van het vorige jaar, valt er eene aanmerkelijke verbetering waar te nemen, want het getal vonnissen is van twintigduizend-zeshonderd-drie-en-tachtig gedaald tot achttienduizend-honderd-twee-en-dertig; het getal dagen van opsluiting van een-millioen-honderd-een-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig tot een-millioen-vijftigduizend-achthonderd-zes-en-dertig; het gemiddelde getal gevangenen van drieduizend-achttien op tweeduizend-achthonderd-een-en-zeventig.(Wordt vervolgd.)1ZieDe Aarde, jaargang 1885,bladz.208.2Luistert, wat ik u wil zeggen:—De klok heeft tien geslagen.—Zorgt voor uw vuur en licht:—Dat God en Maria u behoeden!3Drinkt gij water uit uw beker over tafel, dat maakt uw maag koud. Drink met mate ouden fijnen wijn, zoo raad ik u, en laat mij water blijven.

Ruïne van het kasteel Landskron.Ruïne van het kasteel Landskron.

Ruïne van het kasteel Landskron.

Ruïne van het kasteel Landskron.

Een der oudste gebouwen is wel het tegenwoordige stadhuis, dat uit de eerste helft der zestiende eeuw dagteekent en vroeger de zetel was van de oostenrijksche regeering. Het gebouw heeft twee verdiepingen, door eene sterk uitspringende kroonlijst gescheiden. De benedenverdieping heeft eene open galerij, waarvan de wijde bogen op massieve pijlers rusten. De vertrekken der eerste verdieping ontvangen hun licht door breede vensters, in drie vakken verdeeld, waarvan het middelste hooger is dan de zijramen. Een dier vensters komt uit op een balkon van ijzeren traliewerk, dat in later tijd is aangebracht. Daar naast bevindt zich een bel voor de openbare bekendmakingen. De achtkantige traptoren heeft een portaal, versierd met gekanneleerde zuilen en medaillons met portretten van romeinsche keizers. Naar het schijnt, bestond de bovenverdieping oorspronkelijk uit twee groote zalen, beiden, met eenige zijvertrekken, bestemd voor de twee regeeringscolleges. Later heeft men een dezer zalen, ten einde in de behoeften van den dienst te voorzien, in verschillende kamers gesplitst. Op een der muren ziet men eene vergulde groep, voorstellende de gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen. De andere, nog ongeschonden zaal maakt door haar grootsche afmetingen een majestueusen indruk; deze zaal werd in 1884, op last van generaal Mantouffel, stadhouder van Elzas-Lotharingen, gerestaureerd en met fraai houtwerk versierd. De muren en de zoldering werden op nieuw beschilderd en verguld, even als het gewelf van de benedengalerij. Op de snijpunten der balken ziet men cartouches met de wapens der steden van den Elzas; boven de deur prijkt het wapen van Ensisheim met den vroegeren oostenrijkschen arend naast den tweekoppigen adelaar van het nieuwe duitsche rijk. De ruiten der vensters zijn rond, naar het oud gothische model. Enkele gothische détails uitgezonderd, draagt het gebouw in zijn geheel den stempel van den stijl der duitsche renaissance, hetgeen ook volkomen past bij het jaartal 1535, dat op verschillende plaatsen in den steen is gebeiteld.

In het stedelijk archief worden, nevens de registers van den burgerlijken stand, de overblijfselen bewaard van een meteoorsteen, die in de vijftiende eeuw te Ensisheim uit de lucht is gevallen. Volgens de registers van den burgerlijken stand, die sedert den negenden Juni 1582, dat is dus sedert ruim driehonderd jaren, geregeld zijn bijgehouden, was het getal geboorten, dat in gewone tijden tien of twaalf per maand bedroeg, in 1642, tegen het einde van den dertigjarigen oorlog, gedaald tot een of twee. Bij het doorsnuffelen van deze oude papieren vonden wij, onder andere curieuse stukken, een klacht van herbergiers, in het jaar 1787 ingebracht tegen de tappers of kroeghouders, omdat zij, in strijd met de stedelijke keur, aan hunne klanten meer dan enkel brood en kaas te eten gaven.—De meteoorsteen werd vroeger in de kerk bewaard, en van daar naar het stadhuis overgebracht. Het gewicht van dien steen bedraagt tegenwoordig niet meer dan vijf-en-vijftig pond, in plaats van drie tot vier quintalen, als op het oogenblik van zijn val. Een groot stuk van den steen werd aan het museum van Colmar afgestaan; voorts hebben een aantal aanzienlijke personages, die Ensisheim doortrokken, te beginnen met Keizer Karel V tot de generaals der geallieerde legers in 1815, er ook voor en na fragmenten van medegenomen.

Volgens het in 1840 verschenen boek van pastoor Merklen, getiteld:Ensisheim, jadis ville impériale et ancien siège de la Régence archiducale des pays antérieurs d’Autriche, ou Histoire de la ville d’Ensisheim, avec un précis des évènements les plus mémorables qui se sont passés en Alsace,—volgens dat boek met dien wijdloopigen titel, zou de herinnering aan het nederkomen van dien meteoorsteen, waarvan wij de overblijfselen voor ons zien, zijn vereeuwigd door het volgende opschrift in de oudste kerk der stad:

Tausend vierhundertNeunzig zwey,Hört man allhier ein neyGeschrey:Dass zunächst drauss vor der stadt,Den 7tenWintermonat,Ein grosser Stein, beym hellen TagGefallen von einem Donnerschlag,Aus dem Gewilk, drithalb zentner schwer,Von Isen Farb; brach man in herMit statischer Procession. SehrViel schlag man mit GewaltDavon 1492.

Tausend vierhundertNeunzig zwey,Hört man allhier ein neyGeschrey:Dass zunächst drauss vor der stadt,Den 7tenWintermonat,Ein grosser Stein, beym hellen TagGefallen von einem Donnerschlag,Aus dem Gewilk, drithalb zentner schwer,Von Isen Farb; brach man in herMit statischer Procession. SehrViel schlag man mit GewaltDavon 1492.

Tausend vierhundert

Neunzig zwey,

Hört man allhier ein ney

Geschrey:

Dass zunächst drauss vor der stadt,

Den 7tenWintermonat,

Ein grosser Stein, beym hellen Tag

Gefallen von einem Donnerschlag,

Aus dem Gewilk, drithalb zentner schwer,

Von Isen Farb; brach man in her

Mit statischer Procession. Sehr

Viel schlag man mit Gewalt

Davon 1492.

Dat wil zeggen: Ten jare duizend-vierhonderd-twee-en-negentig vernam men hier een ongewone tijding: dat buiten, vlak voor de stad, op den zevenden van wintermaand, een groote steen, op klaarlichten dag, bij een donderslag uit de lucht was gevallen, ter zwaarte van derdehalf centenaar en van eene kleur als ijzer; hij werd met statige processie binnen de stad gehaald; met geweld werden er zeer veel stukken afgeslagen.

In het koor van de thans afgebroken kerk vond men nog twee andere opschriften, het eene in het latijn, het andere in het fransch, waarin mede van dezen meteoorsteen melding werd gemaakt. Wij deelen alleen het fransche opschrift mede, dat eene eenigszins vrije vertaling van het latijnsche is:

En deux mois on a vuDeux prodiges divers:Dans l’un tomba du ciel cettePierre effroyable;El l’on vit au suivant trois soleilsDans les airs.C’est ainsi que le ciel, aux mortelsFavorable,Par un penchant secret, dans sa justeFureur,Se plaît à nous montrer les traitsDe sa douceur.

En deux mois on a vuDeux prodiges divers:Dans l’un tomba du ciel cettePierre effroyable;El l’on vit au suivant trois soleilsDans les airs.C’est ainsi que le ciel, aux mortelsFavorable,Par un penchant secret, dans sa justeFureur,Se plaît à nous montrer les traitsDe sa douceur.

En deux mois on a vu

Deux prodiges divers:

Dans l’un tomba du ciel cette

Pierre effroyable;

El l’on vit au suivant trois soleils

Dans les airs.

C’est ainsi que le ciel, aux mortels

Favorable,

Par un penchant secret, dans sa juste

Fureur,

Se plaît à nous montrer les traits

De sa douceur.

Ik behoef wel niet op te merken, dat meteoorsteenen tegenwoordig niet meer zulk eene buitengewone zeldzaamheid zijn. In het museum van de Akademie van Wetenschappen te Stockholm heb ik er een gezien van het eiland Diskö, bij de westkust van Groenland, afkomstig, die de hoogte had van een volwassen mensch bij een meter dikte. Tweemaal in het jaar, in de maanden Augustus en November, snijdt onze aarde, in de oneindige ruimte, twee banen van meteoren. Dat zijn de zwermen van vallende sterren, die wij in heldere nachten kunnen waarnemen. Het volk heeft, in zijne dichtende fantazie, aan de meteoren van de maand Augustus den naam gegeven van Sint-Laurenstranen, ter eere van den heilige, wiens feest in die maand wordt gevierd. Op den zeven-en-twintigsten November van het vorige jaar (1885), tusschen zes en acht uren des avonds, was het aantal vallende sterren, in den Elzas zichtbaar, zoo groot dat men ze niet tellen kon: het verschijnsel maakte op sommige oogenblikken den indruk van een groot vuurwerk. Naar de sterrekundigen ons verzekeren, zouden deze meteoren afkomstig zijn van de komeet van Biela.

Ensisheim wordt voor het eerst genoemd in een charter van het jaar 768; in een giftbrief van jaar 823 komt de stad voor onder den naam van Einsigesheim, dat in een ander stuk Ensiclesheim wordt geschreven. Onder het oostenrijksche bestuur was de stad de hoofdplaats van het landgraafschap van den Opper-Elzas en de zetel van de regeering, wierrechtsgebiedde beide Breisgauen, het Schwarzwald en de vier zwitsersche woudsteden omvatte. De graven van Habsburg hebben hier het kasteel Königsburg gebouwd, waarvan nu geen spoor meer te vinden is. Behalve andere voorrechten en privilegiën, bezat de stad ook het muntrecht. In 1469 werd bepaald, dat van de uitspraken der schepenbank van Ensisheim in beroep kon worden gekomen bij het hooggerechtshof te Mechelen, de hoogste rechtbank voor de landen van de zoogenoemde Bourgondische kreits; later werd dit appel overgebracht naar Innsbrück in Tyrol en eindelijk bij het keizerlijk kamergericht te Spiers. Gedurende den dertigjarigen oorlog werd het ongelukkige stedeke driemaal genomen en geplunderd. Bij den vrede van Munster werd Ensisheim aan Frankrijk afgestaan; van 1657 tot 1674 zetelde hier het hoogste regeeringscollege, de souvereine raad van den Elzas.

De geschiedenis van dien souvereinen raad van den Elzas werd door twee raadsheeren in het hof van appel te Colmar, de heeren de Neyremand en Pillot, in een zeer interessant boek beschreven. Toen de aartshertog Ferdinand van Oostenrijk, de broeder van Karel V, door den Keizer werd belast met het bestuur over de zoogenoemde vóór-oostenrijksche landen (vorder-österreichischen Lande), organiseerde hij de regeering op een geheel nieuwen voet, met twee afdeelingen of kamers, waarvan de eene meer bepaaldelijk met de rechtspleging, de andere met het beheer der financiën werd belast. Na den vrede van Munster vestigde de koning van Frankrijk in 1649 te Breisach, dat toen, hoewel aan den rechter Rijnoever gelegen, tot zijn rijk behoorde, “eene koninklijke souvereine Kamer, in de plaats en ter vervanging van de oostenrijksche regeering, vroeger te Ensisheim zetelende.” Ondanks velerlei moeielijkheden en botsingen bleef die Kamer tot in 1657 in werking. De zeer stellig duitschgezinde adel van den Elzas, de voormalige rijkssteden en de massa der bevolking, die zeer tegen haar zin bij Frankrijk was ingelijfd, bleven nog jaren achtereen hunne onderlinge geschillen onderwerpen aan de uitspraak van het keizerlijk kamergericht te Spiers, in plaats van zich tot de fransche magistraten te wenden. De koning van Frankrijk, Lodewijk XIV, die vast besloten was, het kortelings veroverde land te behouden en door verdere veroveringen af te ronden, stelde er prijs op, de genegenheid zijner nieuwe onderdanen te winnen. In zijn tijd was het nog niemand in de gedachte gekomen, dat de staatkundige eenheid van een land in de eerste plaats afhangt van de administratieve eenvormigheid, of dat die eenheid noodwendig vordert dat voor alle deelen des lands, hoe verschillend ook door bevolking, door historie en traditie, door zeden en gewoonten, voor alle steden en dorpen precies dezelfde regelen moeten gelden. Integendeel: nog niet beheerscht door abstracte theoriën, hield men zich veeleer overtuigd dat bestaande plaatselijke gewoonten, rechten en inzettingen, in de historie geworteld, zooveel mogelijk moesten worden ontzien en geëerbiedigd, en dat, waar een nieuwe toestand veranderingen noodig maakte, die veranderingen zich zoo veel doenlijk aan het bestaande moesten aansluiten. Van die waarheid doordrongen, hief Lodewijk XIV de koninklijke Kamer van Breisach op en verving haar door een souvereinen Raad. Deze raad, die bij een edict van 1657 werd ingesteld en georganiseerd, moest, krachtens ’s konings uitdrukkelijk bevel, het bestuur voeren: “op dezelfde wijze en in denzelfden vorm als door de oostenrijksche regeering geschiedde en overeenkomstig de wetten en ordonnanciën van de keizers en aartshertogen, alsmede de algemeene en plaatselijke keuren, brieven en privilegiën, zonder eenige verandering of nieuwigheid”—Bij een schrijven, gedagteekend uit Metz, den 22stenSeptember, waarvan het origineel in de archieven van de prefectuur te Colmar berust, noodigde de groote koning den bisschop van Bazel uit, om bij de opening van den souvereinen raad tegenwoordig te zijn op den dag bepaald “door den heer Colbert, intendant van justitie en financiën in het genoemde land”. Ten gevolge van kleine moeielijkheden en tegenkantingen, liep het nog tot den vierden November,eer de souvereine Raad in zijne nieuwe residentie kon worden geïnstalleerd.

Antiek huis te Ensisheim.Antiek huis te Ensisheim.

Antiek huis te Ensisheim.

Antiek huis te Ensisheim.

Op weinige schreden afstands van het raadhuis, waar de souvereine Raad vroeger zijne zittingen hield, verrijst de centrale gevangenis, weleer het college der Jezuïeten. In 1614 door den aartshertog Maximiliaan gesticht, zijn deze gebouwen meermalen van bestemming veranderd. Bij de verdrijving der Jezuïten in 1764 werd hun college aanvankelijk een werkhuis voor landloopers en vagebonden. Tijdens de oorlogen der revolutie diende het tot militair hospitaal en tevens tot gevangenis voor politieke misdadigers. In 1801 werd het op nieuw een werkhuis; deze inrichting werd in 1814 opgeheven, en nu werd het gebouw ingericht tot strafgevangenis voor mannelijke en vrouwelijke misdadigers, die tot langer dan een jaar kerkerstraf waren veroordeeld. Sedert 1823 worden de vrouwen te Hagenau, in een afzonderlijk gebouw opgesloten.

De gevangenis maakt—het kan en behoort ook niet anders—geen aangenamen indruk. Verbeeld u eene groep gebouwen, die van drie zijden eene binnenplaats omringen, welke aan de vierde zijde door hooge muren is afgesloten. Onder langs dien muur loopt eene galerij, waar een schildwacht met geladen geweer op en neder wandelt. Eene afdeeling soldaten is steeds op post in het wachthuis naast den hoofdingang. Alle vensters zijn van ijzeren traliën voorzien; een klein luik in de zware deur geeft den cipier de gelegenheid om, eer hij de deur opent, te zien wie zich aanmeldt. Binnentredende bevindt ge u in een donker, somber portaal, dat toegang geeft naar het bureauvan den kommandant, en dat aan de zijde van de binnenplaats door eene tweede deur is afgesloten. Daar heeft een moedige bewaarder de opgestane gevangenen tegengehouden, toen, in den oorlog van 1870, de fransche troepen het land ontruimden en de militaire wacht in de gevangenis was ingetrokken.

Gevangenen bezig met het leggen der fondamenten voor de cellulaire gevangenis te Ensisheim.Gevangenen bezig met het leggen der fondamenten voor de cellulaire gevangenis te Ensisheim.

Gevangenen bezig met het leggen der fondamenten voor de cellulaire gevangenis te Ensisheim.

Gevangenen bezig met het leggen der fondamenten voor de cellulaire gevangenis te Ensisheim.

De kommandant der gevangenis, die de welwillendheid heeft ons de geheele inrichting in alle bijzonderheden te laten zien en alle inlichtingen te verschaffen, brengt ons ook naar de binnenplaats, waar wij verschillende groepen van gevangenen aan den arbeid zien, bezig met het leggen der fondamenten voor eene nieuwe cellulaire gevangenis. Dit gebouw moet tweehonderd cellen voor eenzame opsluiting bevatten. Men heeft aanvankelijk geaarzeld, dit werk aan de gevangenen zelven op te dragen: maar eindelijk werd toch besloten de proef te nemen, die tot dusver naar wensch is geslaagd. Terwijl wij langs hen heen gaan, groeten de ongelukkigen ons en nemen eerbiedig hun muts af. Sommigen houwen steenen; anderen metselen of vervoeren materialen; nog anderen zijn bezig met afbreken.

In de werkplaatsen binnen het gebouw, die over de verschillende verdiepingen zijn verdeeld, houden de veroordeelden zich onledig met het vervaardigen van brillen, meubelen, lijsten voor spiegels en schilderijen, kleederen, schoenen, vlechtwerk. In elke werkzaal geschiedt de arbeid voor rekening van een aannemer, die de noodige gereedschappen en de grondstof levert. Een gedeelte van het werkloon, dat aan het bestuur over de gevangenis wordt uitgekeerd, komt ten goede van de veroordeelden. Volgens de daarvoor vastgestelde bepalingen kunnen zij, met dit verdiende geld, hunne kost verbeteren. Al deze werkzalen zijn steeds gesloten. Wenscht ge binnen gelaten te worden, dan klopt ge even aan de deur; de zaalopzichter, met een sabel op zij, draait het slot open en laat u in. Die zaalopzichters zijn bijna zonder uitzondering gewezen onderofficieren. Zij moeten nauwkeurig toezien, dat er van de onder hun opzicht geplaatste gevangenen geen enkel in de zaal ontbreekt, en zorgen voor de stipte handhaving der orde.

Het trof mij, dat de meeste gevangenen een, men zou bijna kunnen zeggen, gunstig uiterlijk hadden. De werkelijk gemeene, terugstootende fysionomiën, waarop de ondeugd haar stempel heeft gedrukt, zijn betrekkelijk zeldzaam. Hunne kleeding herinnert aan het werkpak der duitsche soldaten, en bestaat uit eene muts, een mouwvest en pantalon van grijze kleur. Dank zij de strenge tucht en het nauwlettend toezicht, is alles in volmaakte orde en heerscht er overal in de werkzalen eene ongestoorde kalmte en rust. Slechts enkele veroordeelden dragen boeien aan de handen en voeten. Zij, die weigeren te arbeiden, worden naar eene afzonderlijke zaal gevoerd, waar zij den ganschen dag, onder streng toezicht, op eene rij, onbewegelijk moeten blijven staan. Daar zijn sommige onhandelbare naturen, op wie die straf telkens moet worden toegepast. Maar voor de meesten blijkt de geregelde arbeid een werkzaam middel tot verbetering en zedelijke opheffing.

In de centrale gevangenis te Ensisheim heeft bepaaldelijk de vervaardiging van allerlei soort van lijstwerk en vlechtwerk een buitengewonen graad van volkomenheid bereikt. Nergens elders, zelfs niet in de gevangenissen te Berlijn, betalen de aannemers zulke hooge prijzen voor vloermatten of voor lijsten en ander houtwerk. De smaakvolle en sierlijke bewerking der produkten uit de gevangenis van Ensisheim is ook in het buitenland wel bekend; tot zelfs in de groote hoofdsteden, zoo als Parijs, Londen en Constantinopel, vinden die artikelen aftrek; zij worden, op bestelling, rechtstreeks door de aannemers derwaarts verzonden.

Schenk mij nu, ten slotte, een weinig statistiek kwijt.—In het vorige jaar werden, in het rijksland Elzas-Lotharingen, van 1 April 1884 tot 31 Maart 1885, vierduizend-tweehonderd-twee-en-negentig personen tot eenvoudige gevangenisstraf veroordeeld; daaronder waren drieduizend-zeshonderd-twee-en-dertig mannen en zeshonderd-zestig vrouwen. Het getal aanwezige gevangenen bedroeg gemiddeld negenhonderd-vier-en-tachtig personen, waaronder achthonderd-negen-en-dertig vrouwen en honderd-vijf-en-veertig mannen. Voor de preventieve gevangenen geeft de statistiek een gemiddeld getal van honderd-drie-en-negentig gedetineerden: er werden achtduizend-driehonderd-acht-en-twintig ontslagen en achtduizend-tweehonderd-zes-en-zestig opgenomen.—Vergeleken bij den dienst van het vorige jaar, valt er eene aanmerkelijke verbetering waar te nemen, want het getal vonnissen is van twintigduizend-zeshonderd-drie-en-tachtig gedaald tot achttienduizend-honderd-twee-en-dertig; het getal dagen van opsluiting van een-millioen-honderd-een-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig tot een-millioen-vijftigduizend-achthonderd-zes-en-dertig; het gemiddelde getal gevangenen van drieduizend-achttien op tweeduizend-achthonderd-een-en-zeventig.

(Wordt vervolgd.)

1ZieDe Aarde, jaargang 1885,bladz.208.2Luistert, wat ik u wil zeggen:—De klok heeft tien geslagen.—Zorgt voor uw vuur en licht:—Dat God en Maria u behoeden!3Drinkt gij water uit uw beker over tafel, dat maakt uw maag koud. Drink met mate ouden fijnen wijn, zoo raad ik u, en laat mij water blijven.

1ZieDe Aarde, jaargang 1885,bladz.208.

2Luistert, wat ik u wil zeggen:—De klok heeft tien geslagen.—Zorgt voor uw vuur en licht:—Dat God en Maria u behoeden!

3Drinkt gij water uit uw beker over tafel, dat maakt uw maag koud. Drink met mate ouden fijnen wijn, zoo raad ik u, en laat mij water blijven.


Back to IndexNext