138)De heilige teksten noemen God dikwijls den Eenen en den Eenigen. De pantheïstische leer der mysteriën wordt het duidelijkst uitgesproken in de teksten, die men in bijna alle koningsgraven te Thebe op de wanden van de ingangszalen vindt. Men heeft ze verzameld en bevonden, dat zij lofverheffingen van Ra bevatten, wiens vijf en zeventig voornaamste openbaringsvormen worden aangeroepen. Deze teksten, en het pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars heeft E. Naville in zijn werk „La litanie du soleil” grondig en voortreffelijk behandeld. De voornaamste bronnen voor de kennis van de geheime leer der Egyptische priesters zijn: de tekst van het Doodenboek; de hymne aan de zon, die te Boelaq wordt bewaard en door Stern en door Grebaut is verklaard en uitgegeven; de opschriften op de sarkophagen en aan de wanden van de tempels uit den tijd der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus’ verhandeling over Isis en Osiris: Jamblichus’ Egyptische mysteriën en de toespraak van Hermes Trismegistos aan de menschelijke ziel. De meer geavanceerde beschouwingen, die in dit gesprek voorkomen, schijnen eerst in het nieuwe rijk tot ontwikkeling te zijn gekomen. De Egyptische godsdienst is oorspronkelijk uitgegaan van een, in verhouding tot andere godsdiensten nog weinig ontwikkelden, Zonne- en Nijldienst.139)Teb temt. Bij gelijke opvatting schrijft Eusebius aan het heelal den vorm van een Grieksche Theta (Θ) toe.140)Godin van den zegen des oogstes.141)De Nijl.142)„De priesters,” zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië, „zorgen dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve de koningen, en de zoodanigen onder hen, die door deugd en wijsheid uitmunten.” De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op vele plaatsen.143)Zie boven, bl.91.144)Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend opschrift: „Ik ben het Al, het verledene, het tegenwoordige en het toekomstige. Geen sterveling heeft nog mijn sluier opgelicht.” Plutarchus,Isis en Osiris, c. 9. Het opschrift wordt met dezelfde woorden medegedeeld door Proclus in Plato’s Timaeus.145)Volgens opschriften te Abydus en de lofverheffingen van Ra te Biban el Moeloek.146)Naar dezelfde teksten.147)Naar Horapollo, die zegt: „De scarabeüs-kever wordt geboren uit het mannetje alleen.”148)Zie boven bl.178.149)Aangelegd door Ramses I, voortgezet door Seti I, voltooid door Ramses II. De overblijfselen van deze zaal met hare honderd vier en dertig zuilen zijn zonder wederga.150)Hoogepriester van Heliopolis.151)De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl.61.152)Naar den tekst bij de beroemde voorstellingen van de vier volken (Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het graf van Seti I.153)Deze verhandeling maakt het belangrijkst gedeelte uit van den papyrus-Ebers, uitgegeven bij W. Engelmann te Leipzig.154)Door de Grieken „Hermetische boeken” genoemd. De papyrus-Ebers is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door Clemens van Alexandrië: „Het boek van de artsenijen” wordt genoemd. Vrt.155)Het gebruik van menschenhersenen wordt in den papyrus-Ebers voorgeschreven, als geneesmiddel tegen eene oogziekte. Herophilus, een der eerste geleerden van het Alexandrijnsch museum, bestudeerde niet enkel de lijken van terechtgestelde misdadigers, maar hij nam ook proeven op levende boosdoeners. Hij beweerde, dat de vierde holte van de menschelijke hersenen de zetel was der ziel.156)In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars tweeërlei soort van schrift: het hiëroglyphische en het hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste schreef men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In de achtste eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl het hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens alleen om de taal te schrijven, die door het volk werd geschreven. Zie Em. de Rougé,Chrestomathie égyptienne; H. BrugschHieroglyphische Grammatik; Le Page Renouf,Hieroglyphicial grammar; Ebers,Ueber das hieroglyphische Schriftsystem, 2 Aufl. 1875 in deVorträge, door Virchow en Holtzendorf uitgegeven.157)Het tegenwoordige Erment, de naaste stad ten zuiden van Thebe, die men in eene dagreis bereiken kan.
138)De heilige teksten noemen God dikwijls den Eenen en den Eenigen. De pantheïstische leer der mysteriën wordt het duidelijkst uitgesproken in de teksten, die men in bijna alle koningsgraven te Thebe op de wanden van de ingangszalen vindt. Men heeft ze verzameld en bevonden, dat zij lofverheffingen van Ra bevatten, wiens vijf en zeventig voornaamste openbaringsvormen worden aangeroepen. Deze teksten, en het pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars heeft E. Naville in zijn werk „La litanie du soleil” grondig en voortreffelijk behandeld. De voornaamste bronnen voor de kennis van de geheime leer der Egyptische priesters zijn: de tekst van het Doodenboek; de hymne aan de zon, die te Boelaq wordt bewaard en door Stern en door Grebaut is verklaard en uitgegeven; de opschriften op de sarkophagen en aan de wanden van de tempels uit den tijd der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus’ verhandeling over Isis en Osiris: Jamblichus’ Egyptische mysteriën en de toespraak van Hermes Trismegistos aan de menschelijke ziel. De meer geavanceerde beschouwingen, die in dit gesprek voorkomen, schijnen eerst in het nieuwe rijk tot ontwikkeling te zijn gekomen. De Egyptische godsdienst is oorspronkelijk uitgegaan van een, in verhouding tot andere godsdiensten nog weinig ontwikkelden, Zonne- en Nijldienst.
138)De heilige teksten noemen God dikwijls den Eenen en den Eenigen. De pantheïstische leer der mysteriën wordt het duidelijkst uitgesproken in de teksten, die men in bijna alle koningsgraven te Thebe op de wanden van de ingangszalen vindt. Men heeft ze verzameld en bevonden, dat zij lofverheffingen van Ra bevatten, wiens vijf en zeventig voornaamste openbaringsvormen worden aangeroepen. Deze teksten, en het pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars heeft E. Naville in zijn werk „La litanie du soleil” grondig en voortreffelijk behandeld. De voornaamste bronnen voor de kennis van de geheime leer der Egyptische priesters zijn: de tekst van het Doodenboek; de hymne aan de zon, die te Boelaq wordt bewaard en door Stern en door Grebaut is verklaard en uitgegeven; de opschriften op de sarkophagen en aan de wanden van de tempels uit den tijd der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus’ verhandeling over Isis en Osiris: Jamblichus’ Egyptische mysteriën en de toespraak van Hermes Trismegistos aan de menschelijke ziel. De meer geavanceerde beschouwingen, die in dit gesprek voorkomen, schijnen eerst in het nieuwe rijk tot ontwikkeling te zijn gekomen. De Egyptische godsdienst is oorspronkelijk uitgegaan van een, in verhouding tot andere godsdiensten nog weinig ontwikkelden, Zonne- en Nijldienst.
139)Teb temt. Bij gelijke opvatting schrijft Eusebius aan het heelal den vorm van een Grieksche Theta (Θ) toe.
139)Teb temt. Bij gelijke opvatting schrijft Eusebius aan het heelal den vorm van een Grieksche Theta (Θ) toe.
140)Godin van den zegen des oogstes.
140)Godin van den zegen des oogstes.
141)De Nijl.
141)De Nijl.
142)„De priesters,” zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië, „zorgen dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve de koningen, en de zoodanigen onder hen, die door deugd en wijsheid uitmunten.” De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op vele plaatsen.
142)„De priesters,” zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië, „zorgen dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve de koningen, en de zoodanigen onder hen, die door deugd en wijsheid uitmunten.” De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op vele plaatsen.
143)Zie boven, bl.91.
143)Zie boven, bl.91.
144)Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend opschrift: „Ik ben het Al, het verledene, het tegenwoordige en het toekomstige. Geen sterveling heeft nog mijn sluier opgelicht.” Plutarchus,Isis en Osiris, c. 9. Het opschrift wordt met dezelfde woorden medegedeeld door Proclus in Plato’s Timaeus.
144)Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend opschrift: „Ik ben het Al, het verledene, het tegenwoordige en het toekomstige. Geen sterveling heeft nog mijn sluier opgelicht.” Plutarchus,Isis en Osiris, c. 9. Het opschrift wordt met dezelfde woorden medegedeeld door Proclus in Plato’s Timaeus.
145)Volgens opschriften te Abydus en de lofverheffingen van Ra te Biban el Moeloek.
145)Volgens opschriften te Abydus en de lofverheffingen van Ra te Biban el Moeloek.
146)Naar dezelfde teksten.
146)Naar dezelfde teksten.
147)Naar Horapollo, die zegt: „De scarabeüs-kever wordt geboren uit het mannetje alleen.”
147)Naar Horapollo, die zegt: „De scarabeüs-kever wordt geboren uit het mannetje alleen.”
148)Zie boven bl.178.
148)Zie boven bl.178.
149)Aangelegd door Ramses I, voortgezet door Seti I, voltooid door Ramses II. De overblijfselen van deze zaal met hare honderd vier en dertig zuilen zijn zonder wederga.
149)Aangelegd door Ramses I, voortgezet door Seti I, voltooid door Ramses II. De overblijfselen van deze zaal met hare honderd vier en dertig zuilen zijn zonder wederga.
150)Hoogepriester van Heliopolis.
150)Hoogepriester van Heliopolis.
151)De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl.61.
151)De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl.61.
152)Naar den tekst bij de beroemde voorstellingen van de vier volken (Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het graf van Seti I.
152)Naar den tekst bij de beroemde voorstellingen van de vier volken (Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het graf van Seti I.
153)Deze verhandeling maakt het belangrijkst gedeelte uit van den papyrus-Ebers, uitgegeven bij W. Engelmann te Leipzig.
153)Deze verhandeling maakt het belangrijkst gedeelte uit van den papyrus-Ebers, uitgegeven bij W. Engelmann te Leipzig.
154)Door de Grieken „Hermetische boeken” genoemd. De papyrus-Ebers is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door Clemens van Alexandrië: „Het boek van de artsenijen” wordt genoemd. Vrt.
154)Door de Grieken „Hermetische boeken” genoemd. De papyrus-Ebers is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door Clemens van Alexandrië: „Het boek van de artsenijen” wordt genoemd. Vrt.
155)Het gebruik van menschenhersenen wordt in den papyrus-Ebers voorgeschreven, als geneesmiddel tegen eene oogziekte. Herophilus, een der eerste geleerden van het Alexandrijnsch museum, bestudeerde niet enkel de lijken van terechtgestelde misdadigers, maar hij nam ook proeven op levende boosdoeners. Hij beweerde, dat de vierde holte van de menschelijke hersenen de zetel was der ziel.
155)Het gebruik van menschenhersenen wordt in den papyrus-Ebers voorgeschreven, als geneesmiddel tegen eene oogziekte. Herophilus, een der eerste geleerden van het Alexandrijnsch museum, bestudeerde niet enkel de lijken van terechtgestelde misdadigers, maar hij nam ook proeven op levende boosdoeners. Hij beweerde, dat de vierde holte van de menschelijke hersenen de zetel was der ziel.
156)In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars tweeërlei soort van schrift: het hiëroglyphische en het hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste schreef men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In de achtste eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl het hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens alleen om de taal te schrijven, die door het volk werd geschreven. Zie Em. de Rougé,Chrestomathie égyptienne; H. BrugschHieroglyphische Grammatik; Le Page Renouf,Hieroglyphicial grammar; Ebers,Ueber das hieroglyphische Schriftsystem, 2 Aufl. 1875 in deVorträge, door Virchow en Holtzendorf uitgegeven.
156)In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars tweeërlei soort van schrift: het hiëroglyphische en het hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste schreef men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In de achtste eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl het hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens alleen om de taal te schrijven, die door het volk werd geschreven. Zie Em. de Rougé,Chrestomathie égyptienne; H. BrugschHieroglyphische Grammatik; Le Page Renouf,Hieroglyphicial grammar; Ebers,Ueber das hieroglyphische Schriftsystem, 2 Aufl. 1875 in deVorträge, door Virchow en Holtzendorf uitgegeven.
157)Het tegenwoordige Erment, de naaste stad ten zuiden van Thebe, die men in eene dagreis bereiken kan.
157)Het tegenwoordige Erment, de naaste stad ten zuiden van Thebe, die men in eene dagreis bereiken kan.
Terwijl de beide vrienden uit het Seti-huis dit belangrijk onderhoud hadden, liep vrouwe Katoeti in de opene galerij voor het huis van haar schoonzoon, waar wij haar het eerst leerden kennen, onrustig op en neer. Een sneeuwwit katje hield haar op deze wandeling gezelschap, nu eens spelende met den sleep van haar eenvoudig lang gewaad, dan weder een sprong doende naar een voetstuk, dat vroeger een zilveren beeld had gedragen, voor weinige maanden verkocht, en waarop Nemoe zich thans had neergezet. Hij was bijzonder op dat plaatsje gesteld, omdat het hem van die hoogte alleen mogelijk was zijne meesteres en andere volwassene menschen in de oogen te zien.
»O wanneer gij mij bedrogen, mij misleid hebt!” zeide Katoeti met dreigende gebaren, toen zij zijn zetel voorbijkwam.
»Sla mij dan aan een haak en hengel met mij naar een krokodil. Ik voor mij ben alleen nieuwsgierig, hoe hij u het geld zal aanbieden.”
»Wilt gij mij andermaal zweren,” ging zijne meesteres voort, met koortsachtige gejaagdheid, »dat ge Paäker niet in mijn naam verzocht hebt ons te redden?”
»Ik zweer u duizend eeden!” zeide de kleine man. »Moet ik u ons gesprek van gisteren nog eens vertellen? Ik zeg u dat hij zelfs zijne landerijen en zijn huis met de hooge poort zou geven, voor éen vriendelijken blik uit Nefert’s oogen.”
»Indien Mena haar wilde lief hebben als hij!” zuchtte Katoeti, en zwijgend zette zij hare wandeling voort, terwijl de dwerg naar den ingang van den tuin zat te kijken. Plotseling bleef zij voor Nemoe staan, en zeide op zulk een somberen toon, dat Nemoe eene koude rilling door de leden voer: »Ik wenschte dat zij weduwe was.”
De dwerg maakte eene beweging met zijne hand, als moest hij zich verbergen voor een boozen blik. Doch gelijktijdig liet hij zich van zijn voetstuk op den grond zakken, roepende: »Daar houdt een wagen stil, en ik hoor het zwaar geblaf van zijn dog. Hij is het! Zal ik Nefert roepen?”
»Neen!” zeide Katoeti zacht, en greep de leuning van een stoel, als had zij een steun noodig.
De dwerg haalde de schouders op en kroop achter een groep bladplanten weg. Eenige minuten later stond Paäker voor zijne meesteres, die den Mohar kalm en zich bewust van hare waardigheid ontving. Geen trek op haar fijnbesneden gelaat verried de onrust van haar binnenste. Nadat de gids haar begroet had, zeide zij met neerbuigende vriendelijkheid: »Ik dacht wel dat gij komen zoudt. Neem plaats! Uw hart is gelijk aan dat uws vaders. Nu gij u weder verzoend hebt met ons, toont gij geheel en al een vriend te zijn.”
Paäker was gekomen, om zijne tante de geldsom aan te bieden, die zij noodig had tot lossing van de mummie haars mans. Hij was lang met zichzelf in strijd geweest, of hij dit niet liever aan zijne moeder zou overlaten. Maar deels een inwendige vrees, deels zijne ijdelheid hadden hem hiervan afgehouden. Hij pronkte zoo gaarne met zijn rijkdom, en hij mocht Katoeti wel eens doen gevoelen wat hij vermocht en welk een schoonzoon zij had afgewezen. Het liefst had hij het goud, dat hij besloten had haar te schenken, dadelijk uit zijn schatkamer genomen en het door zijne slaven voor zich uit laten dragen, gelijk de onderworpen vorsten deden, als zij hunne schattingen brachten. Dat ging echter niet, en daarom stak hij den grooten met een kostbaar edelgesteente versierden ring, dien koning Seti eens aan zijn vader had geschonken aan den vinger, en tooide hij zich met vele kleedergespen, borstspelden en ringen. Toen hij zich alvorens zijn huis te verlaten, in den spiegel beschouwde, zeide hij met bevrediging tot zichzelf, dat hij, zooals hij daar stond en ging, wel zooveel waard was als het geheele erfgoed van Mena. Sedert zijn onderhoud met den dwerg en diens uitlegging van zijn droom, lagen de wegen, die hij ter bereiking van zijn doel te bewandelen had, scherp afgebakend voor hem. Nefert’s moeder moest voor schande bewaard, met goud gewonnen en Mena naar de andere wereld gezonden worden. Tot zijne bondgenooten rekende hij vooreerst: zijne gewoonte om zonder omzien met kracht door te tasten, hetgeen hij bij voorkeur zijne onwankelbare vastberadenheid noemde, vervolgens de slimheid van den dwerg Nemoe, en eindelijk den liefdedrank.
Thans naderde hij Katoeti, zeker van zijne overwinning, als een koopman, die een kostbaar artikel gaat koopen, en weet dathij rijk genoeg is om het te betalen. Maar de waardige fiere houding van zijne tante bracht hem in verwarring. Hij had gedacht haar anders, haar met een gebroken hart en smeekende om hulp te zullen vinden. Hij had gehoopt na zijne grootmoedige daad den dank van Nefert tegelijk met dien harer moeder te zullen ontvangen. De schoone vrouw van Mena was echter afwezig, en Katoeti liet haar niet roepen, ook niet nadat hij naar haar welstand had gevraagd. De weduwe ging hem geen schrede te gemoet, en er verliep een geruime tijd met onverschillige gesprekken, tot Paäker haar op eens mededeelde: dat hij van de onverantwoordelijke daad haars zoons gehoord en besloten had, haar en haar huis, als de naaste bloedverwanten zijner moeder, voor eerloosheid te bewaren.
Katoeti hield deze lompheid voor oprechtheid, vergaf Paäker zijne thans al zeer weinig gepaste pronkzucht, en dankte hem in waardige, maar toch hartelijke woorden, meer nog om den wil harer kinderen dan om haar zelve, want van genen begon het leven pas, gelijk zij zeide, dat voor haar reeds was afgesloten.
»Gij zijt nog in uwe goede jaren,” zeide Paäker.
»Misschien in de beste,” antwoordde de weduwe, »ten minste voor mij, die het leven als eene taak, eene zware taak beschouw.”
»Het besturen van een goed, met zooveel schulden bezwaard, zal u zorgvolle uren geven, dat geloof ik wel.”
Katoeti boog toestemmend het hoofd en zeide treurig: »Dat alles zou nog wel te dragen zijn, wanneer ik niet gedoemd ware het arme kind jammerlijk te zien verkwijnen, zonder het te kunnen helpen of raden. Er was een tijd, dat gij haar gaarne tot uwe vrouw zoudt hebben gehad, en nu vraag ik u: was er in Thebe, ja in geheel Egypte een meisje, dat haar in schoonheid evenaarde? Was zij waard bemind te worden, en is zij het nog niet? Verdient zij, dat haar echtgenoot haar eenzaam laat gebrek lijden, dat hij haar geheel veronachtzaamt en, als had hij haar verstooten, eene vreemde vrouw in hare plaats in zijn tent neemt? — Ik lees op uw gelaat wat gij denkt. Gij schuift de schuld van al het gebeurde op mij. Uw hart vraagt: ‚Waarom hebt gij de verloving verbroken?’ En uw oprechte zin antwoordt: dat gij haar een beter lot zoudt hebben bereid.”
Bij deze woorden vatte de weduwe de hand van haar neef en ging met klimmende warmte voort: »Heden hebben wij u leeren kennen als den grootmoedigsten man in Thebe, want het onvergeeflijk onrecht u aangedaan, hebt gij met ongehoorde weldaden vergolden. Als knaap reeds waart gij ons lief en waard. De wensch uws vaders, die jegens ons als een liefderijk broeder gehandeld heeft zoolang hij leefde, is mij heilig en dierbaar geweest,en liever had ik mijzelve dan uwe goede moeder, mijne zuster, smarten veroorzaakt. Ik bewaarde mijn kind en voedde het op met alle zorgvuldigheid voor den jongen held, die in het verre Azië zijne dapperheid toonde, voor u en u alleen. Daar stierf uw vader, en ik verloor in hem mijn raadsman, mijn beschermer.”
»Ik weet alles,” viel Paäker haar in de rede en zag somber naar den grond.
»Wie kan het u dan verteld hebben?” vroeg de weduwe. »Want uwe moeder heeft, nadat gebeurd was wat niemand had kunnen gelooven, mij haar huis verboden en haar oor voor mij gesloten. De koning zelf deed aanzoek voor Mena, die hem nader aan het hart ligt dan zijn zoon. Toen ik sprak van uwe oudere rechten, toenbevalhij, en wie zou het wagen zich te verzetten tegen de bevelen van den heer van beider werelden, den zoon van den zonnegod? Koningen vergeten zoo spoedig! Hoe dikwijls stelde uw vader zijn leven voor hem in de waagschaal; hoevele wonden werden hem geslagen in zijn dienst! Om den wil uws vaders had hij u zulk een smaad, zulk een leed moeten sparen.”
»En heb ikzelf hem ook gediend, of niet?” vroeg Paäker, en zijne wangen kleurden zich donkerrood.
»Hij kende u nog weinig,” antwoordde Katoeti op verontschuldigenden toon. Daarop gaf zij weder eene andere buiging aan haar stem, en vroeg deelnemend: »Waarmede hebt gij in die dagen, — gij waart nog zoo jong, — toch zijne ontevredenheid gaande gemaakt, zijn afkeer, ja zijne....”
»Wat?” vroeg de gids, en hij beefde over al zijne leden.
»Zwijgen wij daarover,” ging de weduwe voort, om het zooeven gezegde te vergoeilijken. »De genade en ongenade eens konings zijn gelijk aan die der godheid. Men mag er zich in verheugen of men moet er zich voor buigen.”
»Waardoor dan toch heb ik Ramses reden gegeven tot ontevredenheid en afkeer? Ik wil het weten!” riep Paäker, met klimmende heftigheid.
»Gij maakt mij bang,” zeide de weduwe, trachtende hem neer te zetten. »Misschien stelde hij zich met uwe vernedering wel ten doel zijn gunsteling in Nefert’s oogen te verheffen.”
»Wat heeft hij gezegd?” riep de gids weder, en het klamme zweet droop hem van het bruine voorhoofd. Men zag niet anders dan het wit zijner rollende oogen.
Katoeti week voor hem terug, maar hij achtervolgde haar, greep haar aan en vroeg met heesche stem: »Wat heeft hij gezegd?”
»Paäker,” zeide de weduwe op klagenden en verwijtenden toon,»laat mij los! Het is in uw eigen belang, dat ik de woorden verzwijg, waarmede Ramses trachtte Nefert’s hart van u afkeerig te maken. Laat mij los, en bedenkt met wie gij spreekt!”
Doch Paäker omklemde haar arm te vaster met zijn hand, en herhaalde zijne vraag telkens dringender.
»Schaam u!” riep Katoeti. »Gij doet mij pijn. Laat mij los! — Gij wilt niet, voor dat gij weet wat hij zeide! Welaan uw wil zal geschieden. Maar enkel gedwongen komen deze woorden over mijne lippen. Hij zeide dat, indien hij niet wist dat uwe moeder Setchem eene brave vrouw was, hij u niet voor een zoon uws vader zou houden, daar gij hem zoo weinig gelijkt als een uil een adelaar.”
Paäker liet oogenblikkelijk de hand van de arme weduwe los, en zijne bleeke lippen prevelden: »Zoo — zoo — — — ”
»Nefert heeft u verdedigd, en ik deed het met haar, doch vruchteloos. Weeg dat harde woord niet te zwaar. Uw vader was een man zonder wederga, en Ramses vergeet niet, dat wij verwant zijn aan het oude koningshuis. Zijn grootvader, zijn vader en hij zijn parvenu’s en er leeft nog iemand, die beter aanspraak kan doen gelden op den troon der pharao’s dan hij.”
»De stadhouder Ani!” zeide Paäker met vaste stem.
Katoeti gaf een teeken van toestemming, naderde den gids en zeide zacht: »Ik geef mij in uwe handen, ofschoon ik weet dat gij ze tegen mij opheffen kunt. Gij zijt echter mijn natuurlijke bondgenoot; want dezelfde daad van Ramses, die u onteerde, heeft mij deelgenoote gemaakt van de plannen des stadhouders. U heeft de koning eene bruid, mij eene dochter ontstolen; uw ziel heeft hij met haat vervuld jegens den overmoedigen medeminnaar, mij goot hij vuur in het hart over het verloren levensgeluk van mijn kind. Ik gevoel iets van Hatasoe’s bloed in mijne aderen en mijn geest is sterk genoeg om mannen te besturen. Ik was het, die den nog sluimerenden wensch in de borst van den stadhouder deed ontwaken, die zijne oogen op den troon richtte, waarvoor de goden hem bestemd hebben. De dienaars der hemelsche goden, de priesters, zijn ons genegen. Wij hebben...”
Op dit oogenblik kwam er beweging in den tuin. Een slaaf stoof buiten adem den voorhof binnen en riep: »De stadhouder houdt stil voor de poort!”
Paäker stond als bedwelmd, doch spoedig kwam hij tot bezinning en wilde zich verwijderen. Katoeti hield hem echter terug, zeggende: »Ik ga Ani te gemoet; hij zal zich verblijden u te zien, want hij acht u hoog en was een vriend uws vaders.”
Nauwelijks had Katoeti de galerij verlaten, of de dwerg Nemoe trad achter de bladplanten te voorschijn, ging vlak voor Paäkerstaan en vroeg onbeschaamd: »Welnu, heb ik u gisteren goed ingelicht, of niet?”
Doch Paäker antwoordde niet; hij schoof het manneke met zijn voet op zij, en liep peinzend op en neer.
Katoeti kwam den stadhouder midden in den tuin tegen. Hij hield eene schriftrol in de eene hand en begroette haar reeds van verre met eene beweging van de andere, waaruit genoeg bleek, dat hij eene blijde tijding kwam brengen. De weduwe beschouwde haar vriend met bewondering; het kwam haar voor dat hij kloeker en jeugdiger was geworden, sedert zij hem het laatst had gezien. »Heil u,” riep zij hem half vertrouwelijk, half eerbiedig toe, waarbij zij hare handen met ontzag voor hem ophief, als droeg hij reeds de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. »Hebt gij het negental goden ontmoet158)of hebben de Hathors u in den slaap gekust? Dit is een heldere, een geluksdag; dat lees ik in uwe trekken.”
»Gij verstaat u op het uitleggen van schrift en teekenen!” gaf Ani vroolijk maar tevens waardig ten antwoord. »Nu, lees dan ook deze boodschap!”
Katoeti nam de papyrus-rol, die hij haar toereikte, doorlas den inhoud, en gaf haar daarna terug, zeggende: »De door u uitgeruste troepen hebben de legerscharen der verbondene Koeschiten159)geslagen, en brengen hunne gevangen vorsten met onmetelijke schatten en wel tienduizend krijgsgevangenen naar Thebe! Den goden zij dank!”
»En bovenal dank,” voegde Ani er bij, »omdat de veldheer Scheschenk, mijn zoogbroeder en vriend, behouden en ongewond onze krijgers terugvoert. Ik geloof, Katoeti, dat onze droombeelden heden vleesch en bloed beginnen te krijgen.”
»Zij wassen op tot helden!” riep de weduwe. »En uzelven, mijn gebieder, heeft de adem der godheid aangeblazen. Als een echte zoon van Ra wandelt gij hier naast mij. De moed vanMenth160)straalt uit uwe oogen, en om uw mond zweeft het lachje van den overwinnenden Horus161).”
»Geduld, geduld, mijne vriendin!” sprak Ani, ten einde den ijver der weduwe wat te matigen. »Thans is het meer dan ooit noodig vast te houden aan mijne oude grondstelling, om de kracht van mijne tegenpartij hooger en mijne eigene geringer te schatten, dan zij het verdienen. Nooit is mij iets gelukt, als ik de uitkomst zeker verwachtte, veel daarentegen wèl, waarvan ik vreesde dat het stellig mislukken zou. Wij zijn nog ter nauwernood aan het begin van hetgeen wij hopen.”
»Maar evenals een ongeluk, zoo komt ook het goede nooit alleen,” voegde Katoeti er bij.
»Dat ben ik volmaakt met u eens,” zeide Ani. »Ik meen opgemerkt te hebben, dat de gebeurtenissen in het leven altijd paarsgewijze optreden. Elk ongeluk heeft zijn metgezel, evenals elk geluk. Kunt gij mij eene tweede overwinning berichten?”
»Vrouwen winnen geen veldslagen,” hernam de weduwe lachend, »maar zij werven vrienden, en ik heb een machtig bondgenoot gewonnen!”
»Eene godheid of een leger?” vroeg de stadhouder.
»Iets tusschen beiden,” gaf zij ten antwoord. »Paäker, de koninklijke gids, heeft zich aan onze zijde geschaard. Hoor!” En hierop vertelde zij den stadhouder de geschiedenis van de liefde en den haat van haar neef.
Ani luisterde zwijgend toe en zeide toen met eene uitdrukking van onrust en bezorgdheid: »Deze man is een dienaar van Ramses en zal weldra weder tot hem in het leger terugkeeren. Menigeen mag onze plannen vermoeden, maar deze nieuwe deelgenoot van ons geheim zou een verrader kunnen worden. Gij dringt en drijft mij ontijdig voorwaarts! Duizend weltoegeruste vijanden zijn minder gevaarlijk, dan een onzekere bondgenoot...”
»Van Paäker kunnen wij zeker zijn,” zeide Katoeti op stelligen toon.
»Wie staat u voor hem borg?” vroeg de stadhouder.
»Hij zal geheel in uwe handen worden overgeleverd,” antwoordde Katoeti ernstig. »Mijn slimme dwerg Nemoe weet, dat hij in het geheim een misdaad heeft gepleegd, waarop bij de wet de doodstraf is gesteld.”
Het gelaat van den stadhouder klaarde op, nu hij op deze wijze werd gerustgesteld. »Dat verandert de zaak,” zeide hij. »Heeft hij een moord begaan?”
»Neen,” antwoordde Katoeti. »De dwerg heeft mij bezworen, dat hij u en u alleen zou mededeelen wat hij weet. Gij kunt gerust op hem staatmaken.”
»Goed goed,” zeide Ani, bedenkelijk het hoofd schuddende; »maar hij is onvoorzichtig, veel te onvoorzichtig! Gij zijt als de ruiters, die om eene weddenschap te winnen hun paard een sprong over lansen laten doen. Valt het in de scherpe punten, zoo wordt dit dier het slachtoffer! Gij laat het liggen en vervolgt uwen weg te voet.”
»Of wij worden tegelijk met het edele ros door de lansen doorboord,” zeide Katoeti ernstig. »Gij hebt meer te winnen en daarom ook meer te verliezen dan wij; maar ook de kleinste heeft zijn leven lief. Behoef ik u verder te zeggen, Ani, dat ik niet voor u werk, om door u iets te winnen, maar alleen omdat ge mij dierbaar zijt als een broeder, en ik in u den vertegenwoordiger zie van de vertreden rechten mijner voorvaderen?”
Ani reikte haar de hand en zeide: »Gij hebt ook met Bent-Anat als mijne vriendin gesproken? — Begrijp ik uw zwijgen goed?”
Katoeti boog met het hoofd, terwijl haar gelaat eene smartelijke uitdrukking aannam. Ani zeide echter: »Gisteren zou mij dit bewogen hebben van haar af te zien, maar heden heb ik weder moed gekregen. Als de Hathors mij bijstaan, zal ik haar nog wel voor mij kunnen winnen!”
Na deze woorden liep hij de weduwe vooruit naar de galerij, waar Paäker nog steeds onrustig op en neder wandelde. De gids boog zich diep voor den stadhouder, die zijn groet met eene deels trotsche, deels vriendelijke beweging van zijne hand beantwoordde. Toen hij zich op een leuningstoel had nedergevleid, heette hij Paäker welkom, als den zoon van een gestorven vriend en een bloedverwant van zijn huis. »De geheele wereld,” zeide hij, »roemt uwe onverschrokken dapperheid. Mannen gelijk gij zijn er niet veel, en mij ontbreken zij geheel. Ik wenschte wel dat ge mij nader stondt. Maar Ramses zal u niet willen missen ofschoon — ofschoon —. Evenwel, uw ambt is tweeledig; het vereischt moed en vaardigheid in de schrijfkunst. Niemand betwijfelt of gij de eerste bezit, maar wel de laatste. Het zwaard en het schrijfriet zijn zeer verschillende wapenen; het eerste vereischt eene stevige vuist, maar het laatste teedere vingers. De koning had vroeger op uwe berichten nog al wat aan te merken; is hij thans beter over u tevreden?”
»Ik wil het hopen,” antwoordde de gids. »Mijn broeder Horus is een geoefend schrijver en vergezelt mij op mijne tochten.”
»Dat is het ware!” zeide de stadhouder. »Als ik te bevelenhad, dan zou ik uwe manschappen driemaal verdubbelen: dan gaf ik u vier, vijf, zes schrijvers mede, waarover gij onbepaald zoudt kunnen bevelen. Aan dezen zoudt gij overvloedig stof kunnen leveren voor de berichten, die moeten worden ingezonden. Uw ambt vordert moed en omzichtigheid, en men vindt deze eigenschappen zelden in éen persoon vereenigd. Schrijfhelden zijn er bij honderden in de tempels te vinden.”
»Dat denk ik ook wel,” zeide Paäker.
Ani staarde peinzend naar den grond, en zeide vervolgens: »Ramses schijnt er bijzonder op gesteld u altijd met uw vader te vergelijken. Dat is onbillijk, want de gezaligde was eenig in zijn soort, de dapperste held en tegelijkertijd de fijnste schrijver. Gij wordt valsch beoordeeld, en dat doet mij leed, ja meer dan dat, want door uwe moeder zijt gij verwant aan mijne wel is waar arme, maar toch hoog aanzienlijke familie. Wij zullen zien, of ik u kan stellen op de plaats, die juist voor u het meest geschikt is. Voorloopig heeft men u in Syrië nog noodig, later trekt gij u, omdat het niet anders zijn kan naar den wil der eeuwige goden, op uw erfgoed terug. Gij hebt getoond een man te zijn, die den dood niet vreest en weet te dienen, en moogt uw rijkdom met uwe vrouw dus veilig genieten.”
»Ik heb echter geene vrouw,” zeide Paäker.
»Laat dan Katoeti,” hernam de stadhouder met een glimlach, »wanneer gij terugkeert, het schoonste meisje in het land voor u uitzoeken. Zij ziet dagelijks in den spiegel, en heeft dus een scherp oog voor vrouwelijke bekoorlijkheid.”
Dit gezegd hebbende stond Ani op, groette Paäker met buitengewone vriendelijkheid, gaf de weduwe zijne hand en zeide, terwijl hij de galerij verliet: »Zend mij heden nog het.... ja het doek door den dwerg Nemoe!”
Toen hij al in den tuin was, keerde hij zich nog eens om en riep Paäker toe: »Heden avond komen eenige vrienden bij mij eten, ik noodig u uit van de partij te zijn!”
De gids boog. Hij had een duister vermoeden, dat hij door onzichtbare draden werd omsponnen. Tot deze ure was hij er trotsch op geweest, dat hij zich geheel aan zijn ambt had gewijd, en als Mohar dappere daden verricht, en nu moest hij ondervinden dat dezelfde koning, wiens eereketen zijn hals sierde, hem minachtte, en hem misschien alleen om zijns vaders wil in zijn moeitevol en gevaarlijk ambt duldde, hetwelk hij vrijwillig en belangeloos op zich genomen had, in weerwil dat zijne rijkdommen hem naar Thebe lokten. Hij wist zeer goed, dat hij met het schrijfriet zeer onhandig omging, maar dit was geen reden om hem te minachten. Honderdmaal had hij gewenscht zijne positie zoo te kunnen inrichten, als Ani haar voor hem had afgeteekend.Nochtans was zijn verzoek om schrijvers te mogen houden door Ramses afgewezen. Wat hij wist te bespieden, was hem geantwoord, moest geheim gehouden worden; en niemand kon instaan voor de stilzwijgendheid van een tweede. Toen zijn broeder Horus groot was geworden, volgde deze hem als zijn gehoorzame dienaar, ook nog nadat hij eene vrouw had genomen, die in Thebe bij hunne moeder Setchem met haar kindje achterbleef. Op dit oogenblik bekleedde hij in Syrië Paäkers plaats, slecht zooals de gids meende, ofschoon hij vele bewijzen van goedkeuring ontving. Want hoe onbeduidend overigens, wist hij gladde taal vaardig te schrijven.
De man, die zoo zeer aan de eenzaamheid gewoon was, trok zich geheel in zichzelf terug en vergat alles om hem, ook de weduwe, die zich op een kussen had nedergevlijd en hem zwijgend gadesloeg. Hij tuurde in de ruimte, terwijl allerlei denkbeelden ordeloos zijn hoofd doorkruisten. Hij gevoelde zich vreeselijk verongelijkt, en het was of de noodzakelijkheid hem was opgelegd een schrikkelijk onheil over anderen te brengen. Alles wat hij thans ondervond was zoo onduidelijk en nevelachtig. Liefde en haat smolten in zijn binnenste samen. Doch met vaste, door geen twijfel geschokte zekerheid, hoopte hij op het bezit van Nefert. De goden stonden diep bij hem in schuld! Hoeveel opoffering had hij zich niet voor hen getroost, en hoe luttel waren de weldaden, die zij hem bewezen hadden! Hij kende maar éene vergoeding voor zijn verwoest levensgeluk, en daarop meende hij zoo zeker te kunnen rekenen, als op een kapitaal, dat hij tegen goede schuldbekentenissen had uitgezet. In deze ure vergalden bittere ervaringen de zoete hoop, waarmede hij zich had gevleid, en te vergeefs trachtte hij tot rust en klaarheid te komen. Op zulke kruiswegen kon hij van geen amulet, van geen vraag- en antwoordspel uitkomst verwachten. Het gold hier te overleggen en plannen te smeden, en toch vermocht hij geen enkele goede gedachte te vinden, geen aanslag te verzinnen.
Heftig bracht hij de hand aan zijn brandend voorhoofd, en dit deed hem ontwaken uit zijn somber gepeins. Op eens herinnerde hij zich waar hij zich bevond, en zoowel het gesprek dat hij met de moeder zijner geliefde gevoerd, als het woord dat zij tot hem gezegd had. Zeker, zij verstond de kunst mannen te leiden. »Zoo moge zij dan voor mij denken,” prevelde hij in zichzelf; »de uitvoering is mijne zaak.”
Langzaam ging hij naar haar toe en zeide: »Het blijft daarbij: wij zijn bondgenooten.”
»Tegen Ramses en voor Ani,” antwoordde zij, hem hare tengere rechterhand toestekende.
»Binnen weinige dagen breek ik op naar Syrië; gij kunt onderwijloverleggen welken last gij mij hebt op te dragen. Het geld voor uw zoon zal heden nog na zonsondergang bij u nedergelegd worden. Kan ik Nefert mijn groet brengen?”
»Op dit oogenblik niet, want zij is in den tempel om te bidden.”
»Morgen dan?”
»Gaarne, mijn lieve vriend! Het zal haar verblijden u te zien en u te danken.”
»Vaarwel Katoeti!”
»Noem mij moeder,” zeide de weduwe, en zond den vertrekkende nog een groet met haar sluier achterna.
158)De Egyptenaars laten hunne goden gewoonlijk in groepen, bijv. van drie (triaden) en negen, maar ook van acht, dertien en vijftien optreden. In het sprookje van de beide broeders verschijnen de negen goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen hem eene vrouw.159)Ethiopiërs.160)De krijgsgod der Egyptenaars.161)Zie boven, bl.91.
158)De Egyptenaars laten hunne goden gewoonlijk in groepen, bijv. van drie (triaden) en negen, maar ook van acht, dertien en vijftien optreden. In het sprookje van de beide broeders verschijnen de negen goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen hem eene vrouw.
158)De Egyptenaars laten hunne goden gewoonlijk in groepen, bijv. van drie (triaden) en negen, maar ook van acht, dertien en vijftien optreden. In het sprookje van de beide broeders verschijnen de negen goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen hem eene vrouw.
159)Ethiopiërs.
159)Ethiopiërs.
160)De krijgsgod der Egyptenaars.
160)De krijgsgod der Egyptenaars.
161)Zie boven, bl.91.
161)Zie boven, bl.91.
Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti op eene metalen schijf. Dadelijk verscheen er eene slavin, aan welke zij vroeg, of Nefert al uit den tempel was teruggekeerd.
»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort,” luidde het antwoord.
»Ik wacht haar hier,” beval de weduwe.
De slavin verwijderde zich en eenige minuten later kwam Nefert de galerij binnen.
»Gij hebt mij geroepen,” zeide zij, na hare moeder gegroet en zich op haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. Neem den waaier, Nemoe, en weer de vliegen van mij af!”
De dwerg zette zich voor haar op een kussen neder en begon den waaier, gevormd door struisvederen in een halvemaan gerangschikt, op en neder te bewegen. Doch Katoeti belette hem voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu, wij hebben elkaar alleen te spreken.”
Nemoe haalde de schouders op en stond weder op. Nefert zag echter hare moeder aan met een blik, waaraan deze geen weerstand kon bieden, en zeide op zulk een weeken toon, als hing er haar geluk of ongeluk van af: »Laat hem begaan. De vliegen hinderen mij zoo. Nemoe kan toch zwijgen.” Daarbij vatte zij het groote hoofd van den kleinen man tusschen hare handen, alsof het de kop van een schoothondje was. Toen riep zij de witte kat, die met een sierlijken sprong op haar schouder wipte, en daar met gekromden rug bleef staan, om zich door hare zachte vingers te laten streelen.
De dwerg zag zijne meesteres vragend aan; maar deze richtte zich tot hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige dingen met u te bespreken.”
»Zoo?” vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch niet door de vliegen laten steken. Nu dan, wanneer gij het verlangt....”
»Laat Nemoe dan blijven,” zeide Katoeti, en er lag in haar stem iets van den toon, waarop eene kindermeid een ongezeglijk kind zijn zin geeft. »Hij weet bovendien waarover wij te spreken hebben.”
»Ziet gij wel!” hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar wit katje kuste en den dwerg den waaier weder in de hand gaf.
De weduwe zag hare dochter met oprecht medelijden aan, kwam hare eene schrede nader, en gevoelde zich voor de duizendste maal verrast door den indruk van hare buitengewone bekoorlijkheid. »Arm kind,” zuchtte zij, »hoe gaarne zou ik u het schrikkelijke besparen, dat gij toch eens hooren, eens ondervinden moet. Laat nu dat kinderachtige spel met die kat; ik heb u dingen mede te deelen van vreeselijken ernst.”
»Spreek het maar uit,” antwoordde Nefert; »heden vrees ik ook het ergste niet. Mena’s gesternte, heeft de Horoscoop mij gezegd, stond midden onder het geluksteeken. In den Besa-tempel162)raadpleegde ik het orakel en vernam, dat het mijn man goed ging. Mijne ziel is geheel verruimd door mijne gebeden. Spreek slechts; ik weet het reeds: de brief van mijn broeder uit het leger behelsde niets goeds. Eergisteren avond hebt gij geweend, en gisteren zaagt ge er zoo slecht uit. Zelfs de granaten in uw haar stonden u niet.”
»Uw broeder,” sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij bitter verdriet, en wij zouden door hem tot eerloosheid zijn vervallen....”
»Wij? Tot eerloosheid?” vroeg Nefert en greep angstig naar haar katje.
»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze terug te winnen, verpandde hij de mummie zijns vaders....”
»Verschrikkelijk!” riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den koning moeten wenden! Ik zelve zal hem schrijven, en om Mena’s wil zal hij mij hooren. Ramses is groot en edel, en hij zal eene geheele familie, die hem zoo trouw aanhangt, niet tot schande laten vervallen, door de lichtzinnigheid van een dollen jongen. — Ja stellig, ik schrijf hem!”
Dat alles zeide zij op een toon van het kinderlijkst vertrouwen. Alsof deze aangelegenheid was afgedaan, beval zij Nemoe den waaier wat sneller te bewegen.
Verbazing en ontevredenheid over de onnatuurlijke kalmte van hare dochter, voerden strijd in het hart van Katoeti. Doch zijhield eene berisping op hare lippen terug, en zeide gelaten: »Wij zijn reeds geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij vernomen had welk gevaar ons dreigde, bood zijne hulp aan, vrijwillig, zonder daartoe aangezocht te zijn, uit de goedheid van zijn hart en uit trouwe gehechtheid.”
»Die goede Paäker!” riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij weet het, moeder, hoe ik hem altijd verdedigd heb. Ongetwijfeld heeft hij thans om mijnentwil zoo grootmoedig gehandeld.”
De jonge vrouw zeide dit lachend, en vatte haar katje weder bij den kop. Zij hield het koele snoetje van het beest tegen haar neus, liet zich door zijne groene oogen aanstaren en zeide, de spraak van een kind nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje163), hoe goed men is voor uwe kleine meesteres?”
Katoeti voelde zich opnieuw beleedigd door dat kinderlijk spel harer dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en gekheid maken, wanneer ik zulke ernstige dingen met u bespreek. Ik heb reeds lang opgemerkt, dat het lot van het huis, waartoe gij van vaders- en moederszijde behoort, u onverschillig is geworden, en toch zult gij onder mijn dak bescherming en liefde moeten zoeken, wanneer uw echtgenoot u....”
»Welnu, moeder?” vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte en sneller begon adem te halen.
Zoodra Katoeti bespeurde dat haar kind in beweging werd gebracht, gevoelde zij er berouw over, dat zij hare mededeeling niet voorzichtiger had ingeleid. Want zij had hare dochter lief en wist dat zij haar hart zou wonden. Daarom ging zij voort, op een toon van innige deelneming: »Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, dat de menschen goed voor u waren, en dat is waar. Gij verovert de harten geheel door uw persoon, alleen door te zijn zoo als gij zijt. Mena heeft u zeker ook hartelijk lief gehad, maar de scheiding, zegt het spreekwoord, is de vijandin van de trouw, en Mena heeft....”
»Wat heeft Mena?” viel Nefert andermaal hare moeder in de rede, en daarbij trilden de vleugels van haar fijnen neus.
»Mena heeft,” ging Katoeti op vasten en verontwaardigden toon voort, »de trouw en achting, die hij u verschuldigd was, geschonden en met voeten getreden....”
»Mena?” vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij wierp de kat vrij onzacht op den grond, en sprong van haar rustbed op.
»Ja, hij!” zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder schrijft, dat hij als aandeel in den buit geen zilver of goud, maarde schoone dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent heeft genomen; die eerlooze schelm!”
»Die eerlooze schelm!” riep Nefert, terwijl zij nog eens de laatste woorden harer moeder herhaalde.
Katoeti ging met schrik een paar schreden achteruit, want haar zacht, lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar bijkans onkenbaar veranderd. Zij zag er uit als een wonderschoone wraakgodin. Hare oogen fonkelden, haar adem was gejaagd, hare leden beefden, en met buitengewone kracht en behendigheid greep zij den dwerg Nemoe bij de hand, sleepte hem naar eene der deuren die toegang verleenden tot de binnenvertrekken, rukte haar open, duwde den dwerg over den drempel, wierp de deur achter hem in ’t slot, en trad daarop met doodsbleeke lippen hare moeder tegemoet.
»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?” riep zij, buiten zichzelve van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een eerlooze schelm! Neem dat woord terug, moeder! Neem het terug, of....”
Katoeti werd al bleeker en bleeker, en zeide, om het wat goed te maken: »Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch zijne trouwbelofte jegens u verbroken en u openlijk beschimpt.”
»En dat zal ik gelooven?” hernam Nefert met een honenden lach. »Dat zal ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven heeft, die zijns vaders mummie en de eer zijner familie verdobbelde; gelooven, nu de ware echte schelm het vertelt, dien een oorveeg van mijn man zou dooden? Zie mij aan, moeder! Dat zijn mijne oogen! En al ware dat postament daar Mena’s tent, en al waart gij Mena, en al leiddet gij de schoonste aller vrouwen aan de hand en sleeptet haar in uw verblijf, en al zagen deze mijne oogen het een en andermaal, dan zou ik toch lachen, gelijk ik nu lach, en zeggen: ‚Wie weet wat hij die schoone daar binnen te geven of te berichten heeft,’ en ik zou geen oogenblik twijfelen aan zijne trouw. Want uw zoon is valsch en Mena is oprecht. Osiris is Isis ontrouw geworden164), maar Mena mag de gunsteling zijn van duizend vrouwen, in zijne tent zal hij geen andere nemen dan mij.”
»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt,” antwoordde Katoeti bitter, »maar laat mij de mijne.”
»De uwe?” vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van den man, die u met weldaden heeft overladen, hoort gij allerliefst het slechtste en gemeenste! Hij zou een schurk zijn? Foei,moeder! Hoe kunt gij hem een eerloozen schelm noemen, die u met zijn goed naar welgevallen laat handelen!”
»Nefert!” riep Katoeti gejaagd. »Ik zal....”
»Doe wat gij wilt,” viel de beleedigde vrouw hare moeder in de rede, »maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die u niet belette zijn erfdeel ter wille van uw zoon en uwe eerzucht met schulden te bezwaren. Sedert eergisteren weet ik, dat wij niet rijk zijn. Ik heb er over nagedacht en mij afgevraagd, waar dan onze koeien en runderen, onze schapen en de inkomsten van onze pachters gebleven zijn. Het erfdeel van dien schelm was u niet te slecht! Maar dit zeg ik u: ik zou niet waard zijn de gade van den edelen Mena te heeten, wanneer ik duldde, dat men zijn naam onder zijn eigen dak belastert. Blijf bij uwe overtuiging, blijf er bij; doch weet dat dan een van ons beiden dit huis moet verlaten, gij of ik....”
Bij deze laatste woorden barstte Nefert in hevig snikken uit. Zij wierp zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar aangezicht in de kussens en snikte zonder te kunnen ophouden.
Katoeti stond achter haar als verpletterd en radeloos. Eene huivering voer door al hare leden. Was dat haar zacht en droomerig kind? Had ooit eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder te spreken? Was zij of was Nefert in haar recht: Deze vraag drong haar als met onweerstaanbare kracht naar het rustbed. Zij knielde naast de jonge vrouw neder, sloeg den arm om haar hals, drukte haar hoofd tegen dat van Nefert en fluisterde smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef uwe arme beklagenswaardige moeder, en doe de maat harer ellende niet overvloeien.”
Nefert stond op, kuste hare hand en ging zwijgend naar haar vertrek. Katoeti bleef alleen staan. Het was haar alsof de ijskoude vingers van eene doode hand haar hart omklemden, en zij fluisterde zacht in zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat keert zich ten goede, waarvan men zich het ergste heeft voorgesteld!”
Zij bracht de hand aan het voorhoofd, als kon zij niet gelooven, wat zij zich onmogelijk had kunnen voorstellen. Eene stem in haar binnenste zeide, dat zij hare dochter volgen moest. Doch in plaats van dit te doen verzamelde zij al haar moed, om nog eens alles, wat Nefert haar voor de voeten had geworpen, in haar geheugen terug te roepen. Geen enkel woord liet zij zich ontgaan, en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan alles verijdelen. Ter wille van Mena offert zij mij en de geheele wereld op. Mena en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild voeren, dan verraadt zij ons ongetwijfeld. Tot hiertoe geschiedde alles onder haar oog, zonder dat zij er iets van gewaar werd,maar heden is haar een licht opgegaan; een oog, een mond, een oor zijn geopend, die tot dusverre gesloten waren. Het is haar gegaan als den stomme, wien een hevige schrik plotseling het spraakvermogen teruggeeft. — Mijn geliefd kind zal mijne bewaakster worden en mijn rechter.”
Deze laatste woorden sprak zij niet uit, maar het oor in haar binnenste vernam ze. Omdat zij de stem, die haar dit toefluisterde, vreesde en de eenzaamheid haar beangstigde, riep zij den dwerg, en beval hem den draagstoel gereed te laten maken, daar zij den tempel wilde bezoeken en de gewonden, die uit Syrië herwaarts waren gezonden.
»En het doek van den stadhouder?” vroeg Nemoe.
»Was een voorwendsel” antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u te spreken over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen te zijn. Wat is dat?”
»Vraag het mij niet,” bad de kleine man; »ik mag het waarlijk niet verraden. Bij Besa, die ons dwergen beschermt165), het is beter als gij het nog niet te weten komt.”
»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen,” hernam Katoeti. »Ga nu tot Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel over te leveren, zoo.... zoo —, maar ach wat heb ik nog weg te geven, — zoo zal ik u dankbaar zijn. En wanneer wij ons doel bereikt hebben, dan laat ik u vrij en maak u rijk.”
Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal het doel zijn?”
»Gij weet wat Ani najaagt,” antwoordde de weduwe. »Wat mij betreft, ik heb maar éen wensch.”
»En die is?”
»Paäker in Mena’s plaats te zien.”
»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander,” sprak de dwerg, en verliet de galerij.
Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want als alles bij het oude blijft, en Mena terugkeert en rekenschap vraagt, dan.... dan. — Neen de gedachte is niet uit te staan; het mag niet gebeuren!”