325)Bij de beschrijving van den slag van Kadesch hebben wij ons in het algemeen gehouden aan het epos van Pentaoer, het nationale heldendicht der Egyptenaars. Aan het slot wordt de schrijver Pentaoer als de vervaardiger genoemd. Het werd zoo hoog gewaardeerd, dat men het te Loeqsor tweemaal en te Karnak eens in steen beitelde. Op papyrussen komt het meermalen voor, zooals op den papyrus-Sallier III en den papyrus Raifet, waarvan helaas! slechts fragmenten in de „salle historique” van het Louvre bewaard worden. De groote katastrophe, namelijk de redding van den verlaten koning uit de handen van de duizenden, wordt met de woorden van het epos ook op het Ramesseum (Thebe) en te Aboe Simbel (Nubië) herhaald. De beste vertaling van het heldendicht, gevolgd naar den meesterlijk herstelden tekst, hebben wij te danken aan den grooten, te vroeg gestorven Franschen Egyptoloog E. de Rougé. Men vindt haar inRecueil de travaux relatifs à la philologie et à l’archéologie Egyptiennes et Assyriennes. Fasc. I. 1870.Dr. W. Pleyte gaf in hetTheologisch tijdschriftvan 1869 eene Nederlandsche vertaling met toelichting en kaart.Vert.326)Voorstellingen van Ramses’ legerplaats zijn bewaard gebleven op de pylonen van den tempel van Loeqsor en het Ramesseum.327)Op de afbeelding van het kamp van Ramses II in het Ramesseum vindt men zoowel de onderdeelen van wagens als lastezels.328)Diodorus I, 47, en verschillende voorstellingen van den ten strijd optrekkenden koning.329)De zijde was ten minste in den tijd der Ptolemaeën aan de Egyptenaars bekend. De voor de Lagiden op het eiland Kos geweven doorzichtige bombyxstoffen waren vooral beroemd. Onder de Grieken is Aristoteles de eerste, die van zijde gewag maakt (Histor. anim. V, 17). Over de geschiedenis van de zijde kan men veel leerrijks te weten komen uit het werk van Pariset,Histoire de la Soie, 1862.330)Op de gedenkteekenen Cha-em-Oes, d.i. glans in Thebe geheeten. Hij was „Sam” of opperpriester van Memphis. Zijne mummie is bij de Apisgraven te Saqqarah door Mariëtte, bij de uitgraving van het Serapeum van Memphis, weergevonden.331)Herodotus (II, 102-106) verhaalt ons van de beeldhouwwerken, die Ramses II deed beitelen in de rots van het door hem onderworpen gebied, ter nagedachtenis aan zijne daden. Twee ervan heeft hijzelf gezien. Een is nog heden bewaard, en wel op eene rots bij Beyroet. Men kan daarvan afbeeldingen vinden in Lepsius,Denkmaler aus Aegypten und Aethiopiën, in eene verhandeling van denzelfde in de „Annali dell’ Instituto di correspondenza archeologica,” vol. X. Roma 1838, p. 12-19, en eene beschrijving van denz. in het „Bulletino dell’ Instituto d.C.A.” 1840 p. 33-39. Vgl. het opstel van Dr. C. Leemans: „Egyptische gedenkteekens van de krijgstochten van Sesostris in Azië” inAlgem. Konst- en Letterbode, 1854, No. 48 en 49.332)Zoo heetten inderdaad de paarden, die Ramses in den slag van Kadesch voerden.333)De Phoeniciërs worden reeds op gedenkteekenen uit de 18e dynastie Fenchoe genoemd.334)Zie boven bl.91.335)Naam van de Grieken in den tijd van den Trojaanschen oorlog. Zij komen in de opschriften uit den tijd van Ramses III voor als bondgenooten van de bewoners der eilanden in de Middellandsche zee tegen Egypte. De Dardaniërs, bewoners van het Trojaansche landschap Dardania, welker naam ook voor de Trojanen gebruikt wordt, komen naast de volken van Pisada (Pisidië), Masa (Mysië) en Ilioena (Ilion) in het epos van Pentaoer voor als bondgenooten der Cheta. Het is zeer waarschijnlijk, dat de vorsten van de Grieksche eilanden, die nabij de kusten van Klein-Azië gelegen waren, zich hebben aangesloten bij het groot verbond der volken van Westelijk Azië tegen de Egyptenaars.336)Hazewindhonden, afgericht voor de jacht op hazen, vindt men reeds in de alleroudste graven, bijv. bij den Mastaba te Meydoem, die tot den tijd van Snefroe behoort (4000 jaren v. Chr.) Over de honden, waarvan de Egyptenaars zich bedienden, handelt S. Birch in deTransactions of the society of biblical Archaeology, 1875, p. 172-195.De Mastaba of Moesatbet el Faroen, troon van Pharao, is een pyramidevormig gebouw te Saqqarah, door de Arabieren met dien naam onderscheiden, volgens de overlevering, dat een der oude Egyptische koningen het tot zijn troonzetel bestemde.Vert.
325)Bij de beschrijving van den slag van Kadesch hebben wij ons in het algemeen gehouden aan het epos van Pentaoer, het nationale heldendicht der Egyptenaars. Aan het slot wordt de schrijver Pentaoer als de vervaardiger genoemd. Het werd zoo hoog gewaardeerd, dat men het te Loeqsor tweemaal en te Karnak eens in steen beitelde. Op papyrussen komt het meermalen voor, zooals op den papyrus-Sallier III en den papyrus Raifet, waarvan helaas! slechts fragmenten in de „salle historique” van het Louvre bewaard worden. De groote katastrophe, namelijk de redding van den verlaten koning uit de handen van de duizenden, wordt met de woorden van het epos ook op het Ramesseum (Thebe) en te Aboe Simbel (Nubië) herhaald. De beste vertaling van het heldendicht, gevolgd naar den meesterlijk herstelden tekst, hebben wij te danken aan den grooten, te vroeg gestorven Franschen Egyptoloog E. de Rougé. Men vindt haar inRecueil de travaux relatifs à la philologie et à l’archéologie Egyptiennes et Assyriennes. Fasc. I. 1870.Dr. W. Pleyte gaf in hetTheologisch tijdschriftvan 1869 eene Nederlandsche vertaling met toelichting en kaart.Vert.
325)Bij de beschrijving van den slag van Kadesch hebben wij ons in het algemeen gehouden aan het epos van Pentaoer, het nationale heldendicht der Egyptenaars. Aan het slot wordt de schrijver Pentaoer als de vervaardiger genoemd. Het werd zoo hoog gewaardeerd, dat men het te Loeqsor tweemaal en te Karnak eens in steen beitelde. Op papyrussen komt het meermalen voor, zooals op den papyrus-Sallier III en den papyrus Raifet, waarvan helaas! slechts fragmenten in de „salle historique” van het Louvre bewaard worden. De groote katastrophe, namelijk de redding van den verlaten koning uit de handen van de duizenden, wordt met de woorden van het epos ook op het Ramesseum (Thebe) en te Aboe Simbel (Nubië) herhaald. De beste vertaling van het heldendicht, gevolgd naar den meesterlijk herstelden tekst, hebben wij te danken aan den grooten, te vroeg gestorven Franschen Egyptoloog E. de Rougé. Men vindt haar inRecueil de travaux relatifs à la philologie et à l’archéologie Egyptiennes et Assyriennes. Fasc. I. 1870.
Dr. W. Pleyte gaf in hetTheologisch tijdschriftvan 1869 eene Nederlandsche vertaling met toelichting en kaart.Vert.
326)Voorstellingen van Ramses’ legerplaats zijn bewaard gebleven op de pylonen van den tempel van Loeqsor en het Ramesseum.
326)Voorstellingen van Ramses’ legerplaats zijn bewaard gebleven op de pylonen van den tempel van Loeqsor en het Ramesseum.
327)Op de afbeelding van het kamp van Ramses II in het Ramesseum vindt men zoowel de onderdeelen van wagens als lastezels.
327)Op de afbeelding van het kamp van Ramses II in het Ramesseum vindt men zoowel de onderdeelen van wagens als lastezels.
328)Diodorus I, 47, en verschillende voorstellingen van den ten strijd optrekkenden koning.
328)Diodorus I, 47, en verschillende voorstellingen van den ten strijd optrekkenden koning.
329)De zijde was ten minste in den tijd der Ptolemaeën aan de Egyptenaars bekend. De voor de Lagiden op het eiland Kos geweven doorzichtige bombyxstoffen waren vooral beroemd. Onder de Grieken is Aristoteles de eerste, die van zijde gewag maakt (Histor. anim. V, 17). Over de geschiedenis van de zijde kan men veel leerrijks te weten komen uit het werk van Pariset,Histoire de la Soie, 1862.
329)De zijde was ten minste in den tijd der Ptolemaeën aan de Egyptenaars bekend. De voor de Lagiden op het eiland Kos geweven doorzichtige bombyxstoffen waren vooral beroemd. Onder de Grieken is Aristoteles de eerste, die van zijde gewag maakt (Histor. anim. V, 17). Over de geschiedenis van de zijde kan men veel leerrijks te weten komen uit het werk van Pariset,Histoire de la Soie, 1862.
330)Op de gedenkteekenen Cha-em-Oes, d.i. glans in Thebe geheeten. Hij was „Sam” of opperpriester van Memphis. Zijne mummie is bij de Apisgraven te Saqqarah door Mariëtte, bij de uitgraving van het Serapeum van Memphis, weergevonden.
330)Op de gedenkteekenen Cha-em-Oes, d.i. glans in Thebe geheeten. Hij was „Sam” of opperpriester van Memphis. Zijne mummie is bij de Apisgraven te Saqqarah door Mariëtte, bij de uitgraving van het Serapeum van Memphis, weergevonden.
331)Herodotus (II, 102-106) verhaalt ons van de beeldhouwwerken, die Ramses II deed beitelen in de rots van het door hem onderworpen gebied, ter nagedachtenis aan zijne daden. Twee ervan heeft hijzelf gezien. Een is nog heden bewaard, en wel op eene rots bij Beyroet. Men kan daarvan afbeeldingen vinden in Lepsius,Denkmaler aus Aegypten und Aethiopiën, in eene verhandeling van denzelfde in de „Annali dell’ Instituto di correspondenza archeologica,” vol. X. Roma 1838, p. 12-19, en eene beschrijving van denz. in het „Bulletino dell’ Instituto d.C.A.” 1840 p. 33-39. Vgl. het opstel van Dr. C. Leemans: „Egyptische gedenkteekens van de krijgstochten van Sesostris in Azië” inAlgem. Konst- en Letterbode, 1854, No. 48 en 49.
331)Herodotus (II, 102-106) verhaalt ons van de beeldhouwwerken, die Ramses II deed beitelen in de rots van het door hem onderworpen gebied, ter nagedachtenis aan zijne daden. Twee ervan heeft hijzelf gezien. Een is nog heden bewaard, en wel op eene rots bij Beyroet. Men kan daarvan afbeeldingen vinden in Lepsius,Denkmaler aus Aegypten und Aethiopiën, in eene verhandeling van denzelfde in de „Annali dell’ Instituto di correspondenza archeologica,” vol. X. Roma 1838, p. 12-19, en eene beschrijving van denz. in het „Bulletino dell’ Instituto d.C.A.” 1840 p. 33-39. Vgl. het opstel van Dr. C. Leemans: „Egyptische gedenkteekens van de krijgstochten van Sesostris in Azië” inAlgem. Konst- en Letterbode, 1854, No. 48 en 49.
332)Zoo heetten inderdaad de paarden, die Ramses in den slag van Kadesch voerden.
332)Zoo heetten inderdaad de paarden, die Ramses in den slag van Kadesch voerden.
333)De Phoeniciërs worden reeds op gedenkteekenen uit de 18e dynastie Fenchoe genoemd.
333)De Phoeniciërs worden reeds op gedenkteekenen uit de 18e dynastie Fenchoe genoemd.
334)Zie boven bl.91.
334)Zie boven bl.91.
335)Naam van de Grieken in den tijd van den Trojaanschen oorlog. Zij komen in de opschriften uit den tijd van Ramses III voor als bondgenooten van de bewoners der eilanden in de Middellandsche zee tegen Egypte. De Dardaniërs, bewoners van het Trojaansche landschap Dardania, welker naam ook voor de Trojanen gebruikt wordt, komen naast de volken van Pisada (Pisidië), Masa (Mysië) en Ilioena (Ilion) in het epos van Pentaoer voor als bondgenooten der Cheta. Het is zeer waarschijnlijk, dat de vorsten van de Grieksche eilanden, die nabij de kusten van Klein-Azië gelegen waren, zich hebben aangesloten bij het groot verbond der volken van Westelijk Azië tegen de Egyptenaars.
335)Naam van de Grieken in den tijd van den Trojaanschen oorlog. Zij komen in de opschriften uit den tijd van Ramses III voor als bondgenooten van de bewoners der eilanden in de Middellandsche zee tegen Egypte. De Dardaniërs, bewoners van het Trojaansche landschap Dardania, welker naam ook voor de Trojanen gebruikt wordt, komen naast de volken van Pisada (Pisidië), Masa (Mysië) en Ilioena (Ilion) in het epos van Pentaoer voor als bondgenooten der Cheta. Het is zeer waarschijnlijk, dat de vorsten van de Grieksche eilanden, die nabij de kusten van Klein-Azië gelegen waren, zich hebben aangesloten bij het groot verbond der volken van Westelijk Azië tegen de Egyptenaars.
336)Hazewindhonden, afgericht voor de jacht op hazen, vindt men reeds in de alleroudste graven, bijv. bij den Mastaba te Meydoem, die tot den tijd van Snefroe behoort (4000 jaren v. Chr.) Over de honden, waarvan de Egyptenaars zich bedienden, handelt S. Birch in deTransactions of the society of biblical Archaeology, 1875, p. 172-195.De Mastaba of Moesatbet el Faroen, troon van Pharao, is een pyramidevormig gebouw te Saqqarah, door de Arabieren met dien naam onderscheiden, volgens de overlevering, dat een der oude Egyptische koningen het tot zijn troonzetel bestemde.Vert.
336)Hazewindhonden, afgericht voor de jacht op hazen, vindt men reeds in de alleroudste graven, bijv. bij den Mastaba te Meydoem, die tot den tijd van Snefroe behoort (4000 jaren v. Chr.) Over de honden, waarvan de Egyptenaars zich bedienden, handelt S. Birch in deTransactions of the society of biblical Archaeology, 1875, p. 172-195.
De Mastaba of Moesatbet el Faroen, troon van Pharao, is een pyramidevormig gebouw te Saqqarah, door de Arabieren met dien naam onderscheiden, volgens de overlevering, dat een der oude Egyptische koningen het tot zijn troonzetel bestemde.Vert.
Vóor den aanvang van den slag337)waren bij elke troepenafdeeling gebeden uitgesproken en offers geslacht. Men had heilige godenbeelden in feestbarken voorbij de gelederen gedragen, en aan de soldaten wonderdoende reliquieën getoond. Herauten verkondigden, dat de opperpriesters bij de groote offers des konings gunstige voorteekenen had gevonden, en de Horoscopen hoop hadden gegeven op eene schitterende overwinning.
Ieder Egyptisch legioen zag met bijzonder vertrouwen op naar de standaarden met het beeld van een of ander heilig dier, of het symbool van de provincie, waaruit het afkomstig was. Doch ook ieder soldaat afzonderlijk voorzag zich van voorbehoedmiddelen en amuletten van allerlei aard. Deze droeg eene spreuk, die hulp kon verleenen, in een zakje verborgen om den hals of aan den arm, gene weder heilaanbrengende mystische oogen, en de meesten scarabeën aan hunne vingerringen. Velen achten zich het best beschermd door de haren of de vederen van een heilig dier, en niet weinigen lieten zich vrijwaren voor alle onheil door eene levende slang of kever, die zij zorgvuldig in het taschje van hun schortkleed of in hun spijszak verborgen.
Toen de koning, voor wien de beelden van den godentrias van Thebe, Amon, Mat en Choensoe, van den krijgsgod Menth en van de godin der overwinning Necheb, werden gedragen, de troepen monsterde, was hij gezeten in een draagstoel, die op de schouders van vier-en-twintig aanzienlijke jongelingen rustte. Zoodra hij naderde viel het gansche leger op de knieën en stond niet op voordat Ramses, na van den draagstoelte zijn afgedaald, voor aller oogen aan de goden een rook- en drankoffer had gebracht, en zijn zoon Chamoes, de opperpriester van Memphis, hem in naam der hemelsche goden de symbolen van leven en macht had overhandigd. Eindelijk zongen de priesterkoren lofliederen op den zonnegod Ra, en zijn zoon en vertegenwoordiger op aarde, den koning.
Toen de troepen opbraken, werd de hemel, die weinige uren te voren door zware wolken was bedekt, weder helder, en vertoonde zich het reeds verbleekend licht der sterren. Dit verschijnsel aan het firmament werd als een gunstig voorteeken beschouwd, en de priesters verkondigden het leger, dat evenals de naderende Ra de wolken voor zich uitdreef, zoo ook de koning zijne vijanden zou verstrooien.
De voetknechten trokken in de voorgeschrevene orde den vijand tegemoet, zonder trommelslag of trompetgeschal, ten einde de Aziaten niet te wekken. De wagenstrijders reden in lange rijen af, elk op een lichten tweeradigen, met twee paarden bespannen wagen. Ramses stelde zich aan het hoofd van dezen. Aan beide zijden van het vergulde voertuig dat hem droeg, zag men een schitterend met edelgesteenten bezet foudraal voor pijlen en bogen, Zijne schoone paarden waren rijk getuigd. Halzen en ruggen waren gedekt door purperen, met turkooizen bestikte schrabrakken, en op hunne hoofden was een sieraad geplaatst, dat veel op een kroon geleek, en waarvan eene menigte witte struisvederen nederwaaiden. Aan het einde van den ebbenhouten disselboom waren kleine, van kussens voorziene jukken aangebracht, die op de nekken der paarden rustten. Als spelend met hun lichten last, huppelden de glimmende slanke dieren voor den wagen. Zij trappelden op den grond met hunne kleine stevige hoeven, en bewogen hunne sierlijk gebogene zwanenhalzen met fierheid op en neer.
Achter zijn heer, die met de kroon van Opper- en Neder-Egypte was getooid, en een pantserrok338)droeg, waarover de breede purperkleurige draagband rondom zijne lenden was geslagen, stond Mena. Hij hield met de linkerhand de paarden strak in toom. Zijne rechterhand leunde op het schild, waarmede hij in den strijd zijn gebieder moest beschutten. Gelijk een door stormen nog vaster gewortelde eik, naast welken een slanke esch opwascht, zoo stond de pharao daar naast zijn wagenmenner.
De oostelijke horizont begon zich te kleuren met roodachtigetinten, toen zij de omheining van de legerplaats verlieten. Daar ter plaatse reed de gids Paäker den koning te gemoet, wierp zich vóor hem neder en kuste den bodem. Op de vraag van Ramses, waarom hij zonder zijn broeder kwam, gaf hij ten antwoord, dat deze plotseling ziek was geworden. De morgenschemering was oorzaak, dat de koning niet kon opmerken, hoe de wangen van den verrader, die niet gewoon was te liegen, nu eens rood en dan weder vaalbleek werden.
»Hoe staat het met den vijand?” vroeg Ramses.
»Hij weet,” antwoordde Paäker, »dat het weldra tot een slag zal komen, en trekt zijne tallooze volken in de legerplaatsen ten zuiden en ten oosten van de stad bijeen. Gelukt het u Kadesch van de noordzijde van achter aan te vallen, terwijl het voetvolk het leger der Aziaten van de zuidzijde aangrijpt, dan zal de vesting nog heden in uwe handen zijn. De bergengte, die gij moet doortrekken, om niet ontdekt te worden, is niet slecht.”
»Zijt gij ziek als uw broeder?” vroeg de koning, »Uw stem beeft.”
»Ik ben gezonder dan ooit,” antwoordde de Mohar.
»Wijs ons den weg!” beval Ramses.
Paäker gehoorzaamde. Zwijgend reden zij met een gevolg van tallooze wagenstrijders in de frissche morgenkoelte over de bedauwde vlakte, en zoo het gebergte in. Het met bogen en zwaarden gewapende korps van Ra marcheerde in de voorhoede en opende den weg. Nadat zij de smalle en drooge bedding van een stroom waren doorgetrokken, zagen zij voor zich een breed dal, dat links en rechts door bergen was ingesloten.
»De weg is goed,” zeide Ramses, terwijl hij zich tot Mena richtte. »De Mohar heeft van zijn vader geleerd zijn ambt goed te vervullen. Hij heeft ook voortreffelijke paarden. Nu eens wijst hij de gidsen van onze voorhoede den weg, dan weder is hij in onze nabijheid.”
»Het zijn geelvossen uit mijne stoeterij,” zeide Mena, en de aderen op zijn voorhoofd zwollen. »De opzichter zeide, dat Katoeti ze hem voor zijn vertrek heeft gezonden. Zij moeten voor Nefert’s wagen loopen, en heden ment hij ze om mij te trotseeren.”
»De vrouw is de uwe, laat hem de paarden,” antwoordde de koning goedig.
Opeens werd de morgenstilte gestoord door het geluid van bazuinen. Men zag niet uit welke richting het kwam, en toch klonk het niet uit de verte.
Ramses richtte zich op in al zijne lengte, en haalde de strijdbijl uit zijn gordel. De rossen staken de ooren op en Mena zeide: »Dat waren trompetten der Cheta; ik ken den toon.”
Achter het voertuig van Ramses reed een gesloten vierwielige wagen, waarin de koninklijke leeuwen naar het tooneel van den strijd werden gevoerd.
»De leeuwen los!” riep de koning, zoodra hij het krijgsgeschreeuw hoorde aanheffen, en spoedig daarop zag hij zijne door vijandelijke wagens doorbrokene voorhoede, het dal weder in en hem tegemoet vluchten. De roofdieren schudden woest de manen en sprongen brullend naast den wagen van hun meester. Mena zwaaide de zweep; de paarden steigerden en galoppeerden nu moedig tegen de vluchtenden, die door geen woorden tot stilstaan waren te brengen, en de hen vervolgende vijanden in.
»Waar is Paäker?” vroeg Ramses.
Doch de gids was verdwenen, als had de aarde hem plotseling met zijn wagen verslonden.
De vluchtende Egyptenaars en de vijandelijke wagenstrijders, die dood en verderf in hunne gelederen verspreiden, kwamen al nader en nader. De grond dreunde; de hoefslag der paarden en het ratelen der wielen klonk luider en luider, als het rollen van een snel opkomend onweder.
Nu verhief Ramses zijn stem en liet een oorlogskreet hooren, die als bazuingeschal door de rotsen ter linker- en rechterzijde werd herhaald. Zijne wagenstrijders stemden in met dien kreet. De vluchtenden kwamen nu een oogenblik tot staan, maar om terstond daarop met verdubbele snelheid een goed heenkomen te zoeken. Want onverwachts hoorde men ook het krijgsgeschreeuw en de trompetten van den vijand achter den koning. Uit een dwarsdal, waarop Ramses geen acht had geslagen, en waarin Paäker verdwenen was, stormden onafzienbare drommen wagenstrijders te voorschijn, die voordat de koning het beletten kon, de rijen der hem volgende strijders doorbraken, en hem van zijne hoofdmacht afsneden.
Ramses hoorde achter zich het geweldig gedruisch van den aangevangen strijd; vóor zich zag hij de zijnen vluchten en vallen, en den vijand, die met klimmende woede en steeds talrijker op hem aanstormde. Hij overzag het gansche gevaar en rekte zijne kolossale leden, als wilde hij beproeven, of zij opgewassen waren tegen een niet minder sterken tegenstander. Andermaal verhief hij zijne stem, doch nu zoo krachtig, dat zij het geschreeuw en gesteun der soldaten, het commando der aanvoerders, het gehinnik der paarden, het gekraak der wagens die verbrijzeld werden, het dof geluid van de door lansen en zwaarden getroffen schilden en helmen, kortom het oorverdoovend geraas van den slag luide overstemde. Hij hief den boog op en doorboorde met zijn eersten pijl een opperhoofd der Cheta.
Nu sprongen zijne leeuwen vooruit, en brachten verwarring onder de vijandelijke scharen, die hem van voren bedreigden. Want vele paarden der Cheta keerden zich op het gebrul der woedende roofdieren dadelijk om, wierpen de wagens omver en verhinderden het voortdringen hunner strijdgenooten.
Ramses schoot den eenen pijl na den anderen af, en Mena beschutte hem met het schild, wanneer een vijandelijk schot op hem werd gericht.
Thans hadden de rossen van den pharao den vijand bereikt en had zijne strijdbijl den eersten der Aziaten geveld. Rameri en drie andere zonen des konings streden aan zijne zijde op hunne wagens, en vóor hen de leeuwen. Wild was het gedrang, vreeselijk de woede der strijders; zinverbijsterend het gejoel van den slag, gelijk het bulderen der branding van den oceaan, die door een fellen orkaan tegen hooge granietrotsen wordt opgezweept.
Het was of Mena zich wist te verdubbelen, want terwijl hij in zijne linkerhand de teugels hield geklemd, waarmede hij de rossen nu eens vooruit deed snellen, dan achteruit trok, dan weder opzij wendde, al naar het noodig was in den drang van het gevecht, ontging hem geen enkele pijl, die op den koning werd gericht. Zijne oogen en zijn schild waren overal. De jonge held vertrok geen wenkbrauw, terwijl Ramses woedender nog dan zijne leeuwen onder steeds luider krijgsgeschreeuw en met vlammende blikken, zich, links en rechts er op inhouwende, al dieper en dieper waagde onder de drommen der vijanden.
In het schild van den wagenmenner staken reeds drie pijlen, die op Mena, niet op den koning waren gericht, en op de schacht van den eenen zag hij toevallig in Egyptisch schrift niet onduidelijk de woorden: »Dood aan Mena.”
Daar snorde een vierde pijl!
Hij volgde met de oogen de richting, van waar het wapen kwam, en terwijl een vijfde schot zijn schouder verwondde, riep hij den koning toe: »Wij zijn verraden! Zie daar, aan de overzijde! Paäker strijdt met de Cheta!”
De gids spande juist opnieuw zijn boog en kwam den wagen van Ramses zoo nabij, dat men hem verstaan kon, toen hij de pees aantrekkende, met krijschende stem uitriep: »Thans rekenen wij af, gij dief en roover! Nog is mijne bruid uwe vrouw, maar met dit schot maak ik Mena’s weduwe tot de mijne!”
Met geweldige kracht doorkliefde de pijl de lucht en trof den helm van den wagenmenner. Deze liet zijn schild zinken en bracht de hand aan zijn hoofd, dat dreunde van den schok. Hij hoorde Paäkers woedenden schaterlach, en voelde hoe een nieuwe pijl van zijn vijand hem door het handgewricht sneed. Zichzelvenniet meer meester, wierp hij de teugels ver van zich weg, greep zijn strijdbijl, sprong, zijn plicht en zichzelven vergetende, van den wagen en stormde op den gids los.
Paäker wachtte hem af met zijn opgeheven slagzwaard. Zijne lippen waren doodsbleek, zijne oogen bloedrood, zijne wijduitstaande neusvleugels bewogen zich als die van een snuivend paard, en met giftig schuim op zijn schreeuwenden mond, wierp hij zich op zijn doodvijand.
De koning zag beiden met elkander worstelen, doch hij kon in dezen strijd niet tusschen beiden komen, want de teugels, die Mena had vastgehouden, sleepten langs den grond, en onbestuurd trokken zijne paarden, de leeuwen volgende, hem met zich voort.
De meeste zijner strijdgenooten waren gevallen. Voor hem en achter hem woedde het vreeselijk gevecht; doch Ramses stond vast als een rots, dekte zich met Mena’s schild, en zwaaide zijne doodelijke strijdbijl.
Daar zag hij hoe Rameri zich met zijn tweespan dicht bij hem aansloot. De jongeling streed heldhaftig, en Ramses riep hem toe: »Goed zoo, gij kleinzoon van Seti!”
»Ik wil heden een nieuw zwaard verdienen!” antwoordde de kroeskop zijn vader, en spleet een vijand den schedel.
Doch reeds waren zij van alle zijden door vijandelijke wagens omringd. De vader zag, hoe Danaërs de paarden van den jongeling neerhieuwen, en hoe al zijne metgezellen, en onder hen de beste strijders, hunne paarden omwendden en op de vlucht sloegen.
Daar werd ook een zijner leeuwen met eene lans doorboord. Het edele dier zonk neder, met een gehuil van woede en smart, dat boven alles uit werd gehoord. Reeds was hij zelf door een pijl licht verwond, had een zwaardhouw zijn schild gespleten, en was de laatste pijl afgeschoten.
Hoewel hij nog altijd links en rechts dooden deed vallen, zag Ramses toch zijne laatste ure naderen. Zonder de worsteling te staken, verhief hij zijne stem om luide te bidden en Amon’s hulp met hartstochtelijke woorden in te roepen.
Terwijl hij alzoo in doodsgevaar den heer des hemels om bijstand smeekte, ziet, daar vertoonde zich midden in het strijdgewoel naast zijne paarden een Egyptenaar van hooge gestalte. Hij nam de teugels op, en terwijl hij den koning eerbiedig groette, sprong hij achter hem op den wagen.
Ramses beefde voor de eerste maal. Geschiedde hier een wonder? Had Amon zijn gebed verhoord? Terwijl hij eenigszins schuw den blik richtte op zijn nieuwen wagenmenner, en op zijn gelaat de trekken van den afgestorven Mohar, den vader vanden verrader Paäker, meende te herkennen, geloofde hij werkelijk, dat Amon diens gedaante had aangenomen, dat de god in eigen persoon tot hem was gekomen, om hem te redden.
»Er is hulp nabij!” riep zijn nieuwe wagenstrijder. »Nog maar een wijle stand gehouden, dan zijt gij gered, en voert gij de uwen ter overwinning!”
Toen verhief Ramses opnieuw zijn krijgsgeschreeuw. De dichtst bij zijnde Chetiet, die hem naderde, zonk ter aarde met verbrijzelden schedel, terwijl de raadselachtige helper aan zijne zijde hem nu eens met het schild, dat de koning hem had overgegeven, dekte, dan weder verschrikkelijke slagen uitdeelde.
Zoo gingen er met deze nieuwe worsteling eenige oogenblikken voorbij.
Daar liet zich weder boven het luid gewoel van den strijd trompetgeschal hooren. Ditmaal herkende Ramses zijne Egyptische hoornblazers, en van den lagen bergwand aan zijne rechterzijde wierpen, zonder zich over weg of steg te bekommeren, duizende lichtgewapende voetknechten van het legioen van Ptah onder aanvoering van Horus, zich in de flank der vijandelijke wagenstrijders.
De Egyptenaars zagen in welk gevaar de koning verkeerde. Met ware doodsverachting stormden zij op den vijand los, de wagenstrijders nederhouwende of op de vlucht jagende. Weldra stond de pharao gered onder de zijnen.
Maar de raadselachtige persoon, die hem in den nood had geholpen, was verdwenen. Hij was, door een pijl getroffen, ter aarde gezonken. Zoo is het einde van een mensch; en toch meende de koning, dat Amon zelf zijn redder was geweest.
Ramses gunde zichzelven, zijnen rossen en zijnen strijders maar een oogenblik rust; toen wendde hij zijn strijdwagen, reed den weg terug langs welken hij gekomen was, overviel de vijanden, die hem van zijne hoofdmacht hadden afgesneden, greep hen in den rug aan, terwijl zij nog worstelden met zijne reeds terugwijkende wagenstrijders, en voerde de meeste Aziaten, die aan de Egyptische pijlen en zwaarden ontkomen waren, als gevangenen mede.
Nadat hij zich wederom met zijne overige troepen vereenigd had, drong hij dieper in de vlakte door, stiet hier op Aziatische voetknechten en wagenstrijders, die met de zwaar gewapende Egyptenaars streden, en dreef hen in de wateren van den Orontes of van het meer van Kadesch. Het aanbreken van den nacht maakte een einde aan den strijd, die echter den volgenden morgen vroeg weder aanving.
Groote moedeloosheid had zich van de Aziatische bondgenooten meester gemaakt. Zich van de overwinning zeker wanendewaren zij naar het slagveld opgetrokken. De gids Paäker had hun immers zijn koning verraden? Toen de pharao uittrok waren de beste wagenstrijders der Cheta heimelijk achter de stad geschaard en tegen Ramses afgezonden door de noordelijke opening van het dal, waardoor hij tegen Kadesch optrok. Gelijktijdig waren andere uitgelezen troepen, in het geheel twee duizend vijfhonderd wagens, door een dwarsdal getrokken, dat zij in den nacht bezet hadden, ten einde hem in de flank te vallen. Al deze plannen waren uitgevoerd, en desniettemin hadden de Aziaten eene geduchte nederlaag geleden en hunne voornaamste helden verloren, waaronder Titoere, den kanselier, en Chiropasar, den boekenschrijver van den koning der Cheta339), die het zwaard zoo goed kon hanteeren als het schrijfriet, en bestemd was de zege der Aziaten te schilderen en tot de nakomelingschap over te brengen. Ramses had den een, en zijn onbekende metgezel in den strijd, den ander met eigene handen verslagen, en behalve deze nog vele andere aanvoerders der Cheta en hunner bondgenooten.
De koning werd als een god met gejuich en lofgezangen in het leger begroet. Zelfs de tempelboeren en de in Opper-Egypte gelichte burgers, die door Ani omgekocht en den langdurigen strijd moede waren, werden door de algemeene geestdrift medegesleept. Zij prezen vroolijk den grooten held en koning, den machtige, die den nek van elken weerspannige wist te buigen. Zij brachten hulde aan den gelukkigen uitslag.
Nu werden de dooden en gewonden op het slagveld opgezocht. Onder de laatsten had men ook Mena gevonden.
Rameri werd vermist; in de eerstvolgende dagen werd het bekend, dat hij als gevangene in handen der vijanden was gevallen. Hij werd terstond tegen de in Mena’s tent teruggehoudene dochter van den vorst der Danaërs uitgewisseld.
Paäker was verdwenen, maar de geelvossen, die hem in den strijd hadden gevoerd, werden ongedeerd vóor zijn verbrijzelden en met bloed bevlekten wagen gevonden.
De Egyptenaars bezetten Kadesch. Chetasar, de vorst der Cheta, wendde pogingen aan, in zijn eigen naam en dien zijner bondgenooten, om met den pharao in vredesonderhandeling te treden. Doch het stond bij Ramses vast, dat hij hen niet hier, maar aan de grenzen van Egypte zijne vredesvoorwaarden zou voorschrijven. Er bleef voor de overwonnenen geene keuze, en de plaatsvervanger van den koning der Cheta, — hijzelf was gewond, — benevens twaalf vorsten van de aanzienlijkste volken,die tegen den pharao in het veld waren getogen, moesten zich bij zijn zegetocht aansluiten. Men bewees hun alle eer, en behandelde hen, alsof zij de koning zelf waren. Maar zij waren toch niets meer en niets minder dan zijne gevangenen.
De pharao wenschte geen tijd te verliezen, want zijn hart was vervuld van zwaarmoedige voorgevoelens. Over zijn anders zoo zonnig gemoed had zich een sluier uitgebreid van somberheid, die hem te voren geheel vreemd was. Voor de eerste maal was hij aan den vijand verraden door een Egyptenaar, die hem zoo na stond.
De daad van Paäker had het blijmoedig vertrouwen van den pharao geschokt. Toen de vorst der Cheta om vrede smeekte, had hij niet onduidelijk laten blijken, dat Ramses in zijn eigen huis veel met geweld van wapenen zou moeten beslechten. De koning voelde zich tegen Ani, de priesterschap en allen die hij in Egypte had achtergelaten meer dan opgewassen, maar het smartte hem diep wantrouwen te moeten gevoelen, en de onzekerheid viel hem zwaarder te dragen dan het ongeluk. Daarom verlangde hij naar Egypte terug.
Ook om nog iets anders gevoelde hij tegenzin den krijg voort te zetten. Mena, dien hij liefhad als zijn eigen zoon, die zijne minste wenken begreep, die, zoodra hij den wagen betrad aan hem behoorde, als ware hij een deel van zijn lichaam, bestuurde zijne rossen niet meer. Hij was door eene uitspraak van de legeraanvoerders van zijn ambt ontzet geworden. Hijzelf had dit oordeel moeten bevestigen als rechtvaardig en zacht, want door zijn gebieder prijs te geven om eigen wraak uit te oefenen had de wagenmenner een daad gepleegd, die eigenlijk met den dood gestraft moest worden. Sedert zijne worsteling met Paäker had de koning Mena niet wedergezien, maar met deelneming luisterde hij naar allen, die hem gedurig kwamen berichten, dat de zwaar gewonde in beterschap toenam.
Het opgewekt, beslist en wakker karakter van den pharao was wars van alle droomerij. Niemand had hem, zelfs in uren van de zwaarste vermoeienis, ooit aangetroffen in sombere en nevelachtige mijmeringen. Thans kon hij bijwijle strak voor zich staren, als ware zijn geest omfloersd, en schrikte hij dikwijls wakker, als iemand die plotseling uit den slaap wordt gewekt, wanneer de buitenwereld hare eischen aan hem deed gelden. Ontelbare malen had hij den dood in het aangezicht gezien en zijne dreigende blikken getrotseerd als die van elk anderen vijand, doch ditmaal was het hem geweest, als had hij reeds de kille hand van den overmachtigen tegenstander aan zijn hart gevoeld.
Ook het gevoel van machteloosheid, dat zich van hem had meester gemaakt, toen hij aan de willekeur van zijne onbeteugeldepaarden was prijsgegeven, gelijk een blad dat door den wind wordt medegevoerd, en door een wonder gered werd, wilde hem maar niet verlaten. — Een wonder! — Was Amon werkelijk in menschelijke gedaante op zijn geroep verschenen; was hij inderdaad een zoon der goden en vloeide er goddelijk bloed in zijne aderen?
De hemelsche goden hadden hem buitengewone gunst bewezen, maar hij was toch niet meer dan een mensch; dat leerden hem de smarten zijner wonden, en de misleidingen, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden. Ja, hij moest zichzelven wel beschouwen als een veroordeelde, die genade had ontvangen in het oogenblik, waarop het vonnis zou worden voltrokken. Hij was een mensch als alle andere menschen, en hij wilde een mensch zijn. Hij verblijdde zich er over, dat ook voor hem de toekomst in nevelen was gehuld; dat hij tallooze zwakheden had, die hij deelde met hen die hij liefhad, vooral dat hij het bewustzijn in zich omdroeg, onder gelijke omstandigheden toch meer te vermogen dan al zijne tijdgenooten.
Spoedig na zijne overwinning brak Ramses met de vorsten der overwonnen volken in zijn gevolg naar Egypte op, nadat alle belangrijke bergpassen en vaste plaatsen in Syrië door zijne krijgslieden waren bezet. Hij zond twee zijner zonen naar Bent-Anat te Megiddo, om haar over zee naar Pelusium te brengen. Hij wist dat de bevelhebbers, die de havens der verste grondvesting in het oostelijkste gedeelte van zijn rijk bewaakten, hem trouw waren toegedaan. Tevens gaf hij zijne dochter bevel het schip niet te verlaten, tot hij zou aangekomen zijn, ten einde haar voor elken aanslag van den stadhouder te vrijwaren. Ook een groot deel van het oorlogsmaterieel en de meeste gekwetsten werden over zee naar Egypte gezonden.
337)Bij onze schildering van het geheele beloop van den slag hebben wij het epos van Pentaoer gevolgd.338)De overblijfselen van zulk een pantser, dat afkomstig is uit den tijd van den eersten Sheshenk (Sesonchis), die tot de 22e dynastie behoorde, worden in het Britsch museum bewaard. Het bestaat uit leder, waarop bronzen schubben bevestigd zijn.339)Op de afbeelding van den slag op de pylonen van het Ramesseum te Thebe, is boven een der gevallen Cheta deze naam en deze titel te lezen.
337)Bij onze schildering van het geheele beloop van den slag hebben wij het epos van Pentaoer gevolgd.
337)Bij onze schildering van het geheele beloop van den slag hebben wij het epos van Pentaoer gevolgd.
338)De overblijfselen van zulk een pantser, dat afkomstig is uit den tijd van den eersten Sheshenk (Sesonchis), die tot de 22e dynastie behoorde, worden in het Britsch museum bewaard. Het bestaat uit leder, waarop bronzen schubben bevestigd zijn.
338)De overblijfselen van zulk een pantser, dat afkomstig is uit den tijd van den eersten Sheshenk (Sesonchis), die tot de 22e dynastie behoorde, worden in het Britsch museum bewaard. Het bestaat uit leder, waarop bronzen schubben bevestigd zijn.
339)Op de afbeelding van den slag op de pylonen van het Ramesseum te Thebe, is boven een der gevallen Cheta deze naam en deze titel te lezen.
339)Op de afbeelding van den slag op de pylonen van het Ramesseum te Thebe, is boven een der gevallen Cheta deze naam en deze titel te lezen.
Sedert den beslissenden slag bij Kadesch waren er bijna drie maanden verloopen. Heden werd de pharao, met zijne als overwinnaars terugkeerende troepen, gewacht in het sterke Pelusium, den sleutel van Egypte voor alle legers, die uit het oosten kwamen340).
Er waren schitterende toebereidselen gemaakt om den koning te ontvangen, en hij die de maatregelen voor het feest leidde, met een ijver die dubbel verrassend was, omdat hij anders zoo kalm van aard scheen te zijn, was niemand minder dan de stadhouder Ani. Overal zag men zijn wagen, nu eens bij de werklieden, die de triumfbogen met frissche bloemen moesten tooien, dan weder bij de slaven, die de houten leeuwen langs de straten, opzettelijk voor deze gelegenheid vervaardigd, met kransen omslingerden. Het meest en het langst zag men hem bij het kolossale houten paleis, in korten tijd opgetimmerd op de plaats waar vroeger de Hyksos gelegerd waren341). Daar zou het eigenlijk welkomstfeest worden gevierd en de pharao voorloopig met de zijnen verblijf houden.
Door samenwerking van vele duizende menschenkrachten washet gelukt in weinige weken dit prachtig gebouw te voltooien342). Er ontbrak werkelijk niets, wat een koning, die aan weelderigen glans gewoon was, maar in eenig opzicht begeerlijk kon toeschijnen. Een hooge op zichzelf staande trap leidde uit een keurig aangelegden tuin, die als uit het niet te voorschijn was geroepen, naar eene voorzaal, waarachter de eigenlijke feestzaal gelegen was. Deze laatste was buitengewoon hoog opgetrokken. Het houten dakgewelf, dat duizende sterren op een blauwen grond vertoonde en het firmament voorstellen moest, rustte op zuilen, waarvan sommige de gedaante hadden van dadelpalmen, andere van ceders van den Libanon. De breede bladeren en de fijnvertakte naalden er aan, bestonden uit kunstig vastgehecht en beschilderd weefsel. De zuilen waren over de geheele breedte van de zaal aan elkander verbonden door blauwachtig gaas. Alleen midden aan den oostelijken achterwand van deze zaal was dit gaas saamgestoken in den vorm van eene schelp, die, bezaaid met groen en blauw vloeispaath, paarlemoer, plaatjes van spiegelblank Moscovisch glas en andere blinkende sieraden, zich als een baldachijn over den hoogen troon van den pharao uitbreidde. Deze koninklijke zetel had de gedaante van een schild dat door leeuwen werd bewaakt, die aan zijne beiden zijden als leuningen rustten. Het geheel werd gedragen door vier geboeide Aziatische vorsten, die onder het gewicht van dezen last schenen te bezwijken.
De vloer van deze feestzaal was bedekt met zware tapijten, die eene voorstelling moesten geven van den zeebodem; want men zag op den blauwen grond de meest verschillende gedaanten van mosselen, visschen en waterplanten. Hier stonden rondom sierlijke tafels wel driehonderd zetels voor de grooten van het rijk en de aanvoerders van het leger. Overal hingen ontelbare lampen in de gedaante van leliën en tulpen, en in de voorzaal stonden groote korven met rozen gereed, die bij de aankomst voor den koning moesten uitgestrooid worden.
Ook de slaapvertrekken van den koning en de zijnen warenprachtig gemeubeld. Rijk geborduurde purperen weefsels hingen als tapijten langs de wanden neer. De zoldering was gedekt door blauw-wit gaas, in doffen opgenomen, alsof het lichte boven het hoofd zwevende wolkjes waren. De grond was in plaats van met tapijten, met giraffen-vellen belegd.
Meer naar de zijde van de stad waren de barakken opgeslagen voor de garden en lijfwachten des konings, alsmede de vorstelijke stallen, die van het paleis gescheiden waren door den tuin, die het van alle zijden omgaf. Een afzonderlijk, fraai verguld en met bloemen versierd paviljoen was bestemd om de paarden te herbergen, die den koning in den slag gereden hadden, en door hem aan den zonnegod waren gewijd.
Op dit oogenblik doorwandelde de stadhouder Ani met vrouwe Katoeti deze in allerijl opgetrokken feestzalen.
»Mij dunkt dat alles goed geslaagd is,” zeide de weduwe.
»Eén ding alleen weet ik niet uit te maken,” antwoordde de stadhouder. »Wat moet ik het meest bewonderen: uw vindingrijke geest, of uw smaak?”
»Laten wij daarover thans niet spreken,” hernam de weduwe met een glimlach. »Indien ik in eenig opzicht lof verdien, dan is het voor mijn ijver om u te dienen. Wat moest er in dit moerassig oord343), waar de lucht vervuld is van hinderlijke insecten, al niet wordt uitgedacht, gewaagd, geordend en afgedaan, eer dit gebouw er stond! Nu is het voltooid, maar voor hoe lang?”
Ani zag naar den grond, terwijl hij herhaalde: »Voor hoe lang?” — Daarna ging hij aldus voort: »Eén groot waagstuk is reeds mislukt. Ameni is koel geworden en verroert zich niet meer. De troepen, waarop ik reken, zijn mij misschien nog toegedaan, maar veel te weinig in aantal. De Hebreën, die hier hunne kudden hoeden, en die ik voor mij heb gewonnen door hen van dwangarbeid te ontheffen, hebben nimmer wapenen gedragen. Bovendien, gij kent dit volk! Zij kussen de voeten van den roemrijken overwinnaar, al moesten zij ook om hem te naderen door het bloed hunner kinderen waden. Het ontbreekt mij aan vertrouwen. En behalve dit.... het is,... er heeft zich... nu ja, de sperwer, die de oude Hekt voor mij verzorgt, is juist heden zoo ziek en afgemat....”
»Hij zal zich morgen des te trotscher weer oprichten, als gij een man zijt,” zeide Katoeti, en hare oogen vonkelden van toorn. »Gij kunt thans niet meer terug! Hier in Pelusium neemt Ramses, die als een god door u ontvangen wordt, uw feest aan.Ik ken den koning! Hij is te trotsch om wantrouwend te zijn, en zoo ingenomen met zichzelven, dat hij niets moeielijker toegeeft, dan dat hij zich in een mensch, onverschillig of het een vriend is of een vijand, zou hebben vergist. Hij zal den man, die hijzelf, toen hij hem tot zijne stadhouder benoemde, voor den waardigsten in het land verklaarde, ongaarne verdoemen. Heden nog behoort zijn oor aan u, morgen reeds aan uwe vijanden, en er is in Thebe te veel geschied, dan dat het zou kunnen uitgewischt worden. Gij zijt den leeuw gelijk, die tusschen zijn wachter en de traliën staat. Laat gij thans den tijd ongebruikt voorbijgaan, dan zit gij in de kooi; maar voelt gij heden uw kracht en toont gij een leeuw te zijn, dan is het met hem die u temde gedaan!”
»Gij houdt niet op mij aan te zetten,” hernam Ani. »Maar wanneer nu, nadat Paäker’s zoo voortreffelijk uitgevoerd plan is mislukt, ook uw aanslag eens verkeerd uitvalt?”
»Zoo staat het met uw zaak niet slimmer dan thans,” antwoordde Katoeti. »De goden, niet de menschen besturen de elementen. Is het waarschijnlijk, dat gij zulk een prachtig gebouw met zooveel zorg zult hebben doen voltooien, om het te verbranden? Wij hebben en behoeven niemand, die van ons plan kennis draagt!”
»Maar wie zal den brand steken in de vertrekken, die door Nemoe en mijn stommen slaaf met stroo en pek zijn gevuld?” vroeg Ani.
»Ik,” antwoordde Katoeti vastbesloten, »en met mij nog iemand die van Ramses niets te verwachten heeft.”
»En wie zal dat zijn?”
»Paäker.”
»Is de Mohar dan hier?” vroeg de stadhouder verschrikt.
»Gij hebt hem zelf gezien.”
»Gij vergist u,” zeide Ani. »Ik zou ...”
»Herinnert gij u dien eenoogigen zwarte, met zijn grijs hoofd, die u gisteren mijn schrijven overbracht? — Dat is de zoon mijner zuster.”
De stadhouder bracht de hand aan zijn voorhoofd, en prevelde, terwijl eene rilling hem door de leden voer: »Die arme!”
»Hij is vreeselijk veranderd,” zeide Katoeti. »Hij had zich niet eens behoeven te verven, om zelfs voor zijne moeder onkenbaar te zijn. In het gevecht met Mena heeft hij een oog verloren. Een zwaardsteek van mijn schoonzoon verwondde zijne longen, zoodat hij moeilijk spreekt en ademhaalt. Het vleesch van zijne breede schouders is verdwenen, en zijne stevige beenen, waarop hij vroeger zoo pochte, zijn thans dunner dan die van een neger. Zonder aarzelen liet ik hem onder mijne dienaars verwijlen.Mijn aanslag kent hij nog niet, maar ik weet dat hij ons helpen zal, al bedreigden hem ook duizend dooden. Om der goden wil, draal en wankel nu niet langer! Wij zullen den boom voor u schudden, zorg gij slechts bij de hand te zijn, als het er morgen op aan zal komen de vruchten op te rapen. Eén ding echter moet ik verlangen. Beveel den opzichter der wijnschuren dat hij het druivennat niet spare, opdat de garde en de Sardische wachters ons niet storen. Ik weet dat gij bevel hebt gegeven, van de vijf schepen, die den inhoud van uwe wijnschuren hierheen brachten, maar drie te ontladen. Ik dacht dat de toekomstige beheerscher van Egypte ten minste niet zoo angstvallig spaarzaam zou zijn!”
Om Katoeti’s lippen speelde een trek van minachting, terwijl zij deze woorden sprak.
Ani merkte het op en zeide: »Gij houdt mij voor schroomvallig. Nu ja, ik stem het toe, het zou mij wel zoo lief zijn, wanneer ik kon maken dat vele dingen, die ik op uw aandrijven heb gedaan, niet gebeurd waren. Ik zou ook gaarne van dezen nieuwen aanslag afzien, hoe zorgvuldig wij alles ook bij den aanleg en de versiering van dit gebouw hebben voorbereid. Den wijn wil ik er aan geven. Inderdaad, er zijn wijnkruiken bij, die nog uit den tijd van mijn vader afkomstig zijn. Doch het moet zoo zijn. Gij hebt gelijk! Er is reeds te veel gebeurd, dat ’s konings toorn gaande zal maken. Gij zijt verstandig! Doe wat gij goed acht. Ik slaap na het feest in het kamp der Ethiopiërs.”
»Zij zullen u tot koning uitroepen, zoodra die overweldigers verbrand zijn,” riep Katoeti. »Als er maar eenigen schreeuwen, zoo volgen de anderen vanzelf, en al hebt gij Ameni ook vertoornd, hij huldigt u altijd nog liever dan Ramses. — Daar komt hij, zie, daarboven wapperen reeds de vanen!”
»Zij naderen,” zeide de stadhouder. »Nu nog éen ding! Zorg gij er persoonlijk voor, dat de prinses Bent-Anat de voor haar bestemde vertrekken betrekt. Zij mag niet in den brand omkomen.”
»Nog altijd dezelfde?” vroeg Katoeti schalks en toch niet zonder bitterheid lachende. »Wees niet bezorgd; hare vertrekken liggen gelijkvloers en zij zal gewaarschuwd worden.”
Ani zeide haar vaarwel. Hij wierp nog een blik in de groote zaal en sprak daarna zuchtende: »Mijn gemoed is beklemd; ik wenschte dat deze dag en nacht voorbij waren!”
»Het komt mij voor,” zeide Katoeti met een glimlach, »dat er veel overeenkomst is tusschen u en deze schoon versierde feestzaal, die er thans zoo verlaten, haast huiveringwekkend uitziet. Maar dat alles zal heden avond veranderen, wanneer zij met gasten gevuld is. Tot koning zijt gij geboren, en toch nog geen koning. Gij zult eerst geheel uzelf zijn, wanneer kroon en schepter u toebehooren.”
Ani dankte haar met een lachje en verliet haar. Katoeti prevelde echter voor zichzelve: »Bent-Anat zal met de overigen verbranden; ik heb geen lust de heerschappij over dezen met haar te deelen!”
Uit alle deelen van Egypte waren mannen en vrouwen saamgestroomd, om den terugkeerenden overwinnaar en zijne troepen aan de grenzen van zijn rijk te ontvangen344).
Elk eenigszins aanzienlijk priestercollege had Ramses eene deputatie tegemoet gezonden. Het college van de Nekropolis van Thebe zond vijf zijner medeleden, met den opperpriester Ameni en den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden Gagaboe, aan het hoofd. De in het wit gekleede dienaars der godheid naderden in statigen optocht de brug, die over den oostelijken, den Pelusinischen Nijlarm voerde in het eigenlijke, door de wateren van den heiligen stroom bevruchte Egypte345).
De trein werd geopend door de afgevaardigden van den eerwaardigen Ptah-tempel te Memphis, welken Mena, de eerste koning wiens hoofd de kroon van Opper- en Neder-Egypte sierde, reeds gesticht zou hebben, en tot welks opperhoofd de oudste zoon van Ramses, Chamoes, was benoemd. Hierop volgden zij, die door het niet minder eerwaardige Heliopolis waren afgezonden. Daarachter kwamen zij, die den rijkstempel en die de Nekropolis van Thebe vertegenwoordigden. Maar weinige leden dezer gezantschappen droegen het eenvoudig witte kleed van de dienaars der godheid, daar de meesten getooid waren met het panthervel der profeten. Elk hield een langen staf in de hand die met rozen, leliën en groen loof was omwonden. Velen droegen gouden armen met gebogene handen, in welker holte, bij de nadering des konings, kostbaar reukwerk zou worden ontstoken. Onder de afgevaardigden van de Amon-priesters van Thebe bevonden zich ook enkele aanzienlijke vrouwen346), die bij den dienst vanden god werkzaam waren. Daarbij zag men ook Katoeti, die kort geleden, op uitdrukkelijk verlangen van den stadhouder, onder haar was opgenomen.
De opperpriester Ameni liep nadenkend naast den profeet Gagaboe voort.
»Wat is toch alles gansch anders uitgekomen dan wij dachten en wenschten!” zeide de laatste zacht. »Wij zijn boden met verzegelde brieven; wie kent den inhoud?”
»Ik begroet Ramses met een blijmoedig hart,” antwoordde Ameni op beslisten toon. »Na alles wat hem voor Kadesch wedervoer, keert hij niet terug, gelijk hij was toen hij te veld trok. Hij weet nu wat hij aan Amon verschuldigd is. Zijn zeer geliefden zoon heeft hij reeds in dienst gesteld van den god van Memphis. Hij heeft beloofd prachtige tempels te bouwen, en den hemelschen goden rijke geschenken te geven. En Ramses is gewoon zijne geloften beter gestand te doen, dan die lachende zwakhoofd daar op den wagen.”
»Ik maak mij beangst over Ani,” zeide Gagaboe.
»De pharao zal hem niet straffen, zeker niet,” verzekerde de opperpriester. »En hij heeft niets van hem te vreezen, want dit wankelend riet is, zonder krachtigen steun, een speelbal der winden.”
»Wat groote dingen hebt gij toch niet van hem verwacht!”
»Nietvanhem, maardoorhem, als hij door ons werd geleid,” hernam Ameni zacht, maar met nadruk. »Dat ik hem opgaf, is geheel zijne eigene schuld. Hij heeft onzen eersten wensch, den dichter Pentaoer te sparen, in den wind geslagen; geen eedbreuk ontzien om ons te bedriegen, en een der heerlijkste werken der goden, want dat was de dichter, te vernietigen, om eene nietsbeduidende beleediging. Het valt moeilijker te strijden tegen arglistige zwakheid dan tegen redelijke kracht. Zouden wij den man, die ons Pentaoer ontstolen heeft, met eene kroon beloonen? Het valt ieder mensch zwaar een weg, dien men eenmaal heeft ingeslagen, te verlaten en een beteren te kiezen, een reeds half ten uitvoer gelegd plan op te geven om een ander te volgen, dat beter uitzichten opent. Doet hij het, dan loopt hij gevaar door de menschen van onbestendigheid beschuldigd te worden. Doch wij zien noch rechts noch links, en wanneer wij handelen in het algemeen belang, behoeven wij ons niet te houden binnen de perken, die door wet of gewoonte voor de daden van gewone menschen zijn gesteld. Wij treden terug even voor de bereiking van het doel; wij laten hem vallen, dien wij omhoog hieven, en verheffen den man, dien wij zelven hadden neergeworpen, tot de hoogste hoogte. Om kort te gaan, wij bekennen voor onszelven, en hebben ons sedert eeuwen aan die leer gehouden. Elkeweg is goed, die tot het groote doel voert, namelijk om der priesterschap de heerschappij over dit land te verzekeren. Ramses, door een wonder gered, die komt met de belofte om tempels te bouwen, zal zijn dorst naar groote daden niet meer als krijgsman maar als bouwmeester trachten te lesschen. Hij zal ons noodig hebben, en hem die ons noodig heeft, kunnen wij leiden. Ik huldig thans met blijdschap den zoon van Seti.”
Ameni had nog niet uitgesproken, toen de vlaggen aan de masten vóor de eerepoorten werden geheschen. Aan gene zijde van den Nijl gingen stofwolken op, en het geklank van bazuinen liet zich hooren. Daar vertoonden zich de paarden, die Ramses naar het slagveld hadden gereden. De koning mende ze zelf en zijn aangezicht straalde van vreugde, toen de zijnen hem aan de andere zijde van de brug met een onbeschrijfelijk gejuich begroetten, toen tienduizenden hem met tranen van ontroering en geestdrift ontvingen, en een regen van tallooze geurige bloemen en knoppen, van groen loof en palmtakken voor zijne voeten neder viel.
Ani ging allen die den pharao ontvingen vóor. Hij wierp zich deemoedig voor de paarden in het stof, kuste de aarde, en overhandigde den koning den op een zijden kussen liggenden gouden schepter, die hem zoolang was toevertrouwd.
De koning riep hem genadig tot zich, en toen Ani zijn gewaad greep om het te kussen, boog Ramses zich tot hem neder en raakte met zijne lippen het voorhoofd van zijn plaatsvervanger aan. Hij verzocht hem vervolgens zijn wagen te bestijgen en de teugels van zijne rossen in handen te nemen.
In ’s konings oogen parelden tranen van dankbaarheid. Men had hem dus niet misleid. Als een gelukaanbrengend en geliefd vader, niet als een straffend gebieder, kon hij het land weder betreden, voor welks grootheid en welvaart hij leefde. Tot in het diepst zijner ziel bewogen, ontving hij den welkomstgroet der priesters, en met hen bad hij voor het oog van de verzamelde volksmenigte.
Vervolgens liet hij zich naar het voltooide praalgebouw brengen. Vroolijk besteeg hij den hoogen voortrap. Boven gekomen, begroette hij vandaar de zich verdringende menigte zijner saamgestroomde onderdanen. Tweeduizend rijk getooide stieren en even zooveel tamme antilopen347), die als een dankoffer aan degoden voor zijn behouden terugkomst zouden geslacht worden, getemde leeuwen en luipaarden, vreemde boomen, op welker takken bontgevederde vogels zich wiegden, giraffen, wagens met struisvogels bespannen, dat alles en nog meer zag hij voorbij voeren, terwijl hij den stoet wachtte, die van de haven kwam, met Bent-Anat, in een draagstoel gezeten, aan het hoofd.
Ten aanzien van het geheele volk omarmde Ramses zijne dochter. Hij meende, dat hij zijne onderdanen moest laten deelen in het geluk en de hartelijke dankbaarheid, die hem vervulden. Zoo schoon als heden was zijn meest geliefd kind hem nog nooit voorgekomen. Zijn hart werd ontroerd, want zij herinnerde hem zijne gestorvene gemalin348), op welke zij hoe langer hoe meer scheen te gelijken.
De vrouw van Mena was hare vorstelijke vriendin gevolgd als draagster van haar waaier. Zij knielde voor den pharao, terwijl deze zich verheugde over het wederzien van zijne dochter. Thans merkte hij ook Nefert op, en beval haar vriendelijk op te staan, zeggende: »Wat moet ik heden al niet beleven! Ik heb ondervonden, dat hetgeen ik weleer voor het grootste geluk hield, toch nog overtroffen kan worden. En nu zie ik, dat ook het schoonste zich nog tot hooger schoonheid kan ontwikkelen. Mena’s ster is eene zon geworden.”
Bij deze woorden gedacht Ramses zijn wagenmenner. Een oogenblik rimpelde zich zijn voorhoofd, toen boog hij langzaam het hoofd, met nedergeslagen oogen. Bent-Anat kende deze beweging haars vaders. Zij was de voorbode van een dier vriendelijke, ook weleens ondeugende plannen, waarmede hij de zijnen placht te verrassen. Ditmaal zag hij echter langer dan gewoonlijk naar beneden.
Eindelijk hief hij het hoofd weder op, en liefderijk schitterden zijne groote oogen, toen hij zijne dochter vroeg: »Wat heeft uwe vriendin wel gezegd, toen zij hoorde dat haar gemaal eene vreemde schoone in zijne tent genomen en daar maanden lang geherbergd heeft? Ik vraag de volle waarheid, Bent-Anat!”
»Ik ben Mena dankbaar voor deze daad,” antwoordde de prinses, »die zeker licht te vergeven zal zijn, omdat gij er over spreekt met een glimlach, want zij bracht zijne vrouw tot mij. Hare moeder schold op haar echtgenoot met bittere hardheid, maar zij bleef gelooven in zijne trouw en verliet zijn huis, daar zij niet kon verdragen hem te hooren belasteren.”
»Is dat waar?” vroeg Ramses.
Nefert knikte toestemmend met het schoone hoofd, en een tweetal tranen rolde langs hare blozende wangen.
»Hoe goed moet hij zijn,” riep de koning, »wien de goden zulk een geluk laten te beurt vallen! Ceremoniemeester! Beveel Mena, dat hij mij heden aan tafel bediene, gelijk vóor den slag bij Kadesch. Hij wierp in het gevecht de teugels weg, toen hij zijn vijand zag; laat hij nu oppassen, dat hij met den beker niet hetzelfde doe, wanneer zijne geliefde meesteres349)hem aan den maaltijd met deze beide oogen zal aanzien. Gij vrouwen zult aan het maal deelnemen.”
Nefert zonk dankend voor den koning op de knieën, doch hij keerde zich van haar af, om de waardigheidsbekleeders te begroeten, die gekomen waren om hem te verwelkomen, en reed daarna naar den tempel, waar hij het slachten der offers bijwoonde, en zijne gelofte, namelijk dat hij uit dankbaarheid voor zijne redding uit doodsgevaar een prachtigen tempel te Thebe zou stichten, voor de priesterschap en geheel het volk plechtig herhaalde. De geestdrift waarmede hij ontvangen werd, waar hij zich ook vertoonde, was zonder wederga. Zijn weg voerde hem ook voorbij de haven en de tenten, waarin de gewonden verpleegd werden, die te scheep naar Egypte vooruitgezonden waren. Hij groette allen van zijn wagen met bijzondere vriendelijkheid.
De stadhouder Ani mende weder de paarden. Hij liet de edele dieren langzaam door de rijen der herstellenden stappen. Maar plotseling gaf hij de teugels een hevigen ruk. De paarden steigerden en waren met moeite weder rustig in gang te brengen. Getroffen zag Ramses om. Waar de paarden waren geschrikt, had ook hem eene huivering aangegrepen, want hij meende den persoon gezien te hebben, die te Kadesch zijn leven had gered.
Had de blik eener godheid de paarden doen schrikken? Moest het eene zinsbegoocheling heeten, of was zijn redder inderdaad een sterfelijk mensch, en als gewonde van het slagveld teruggekeerd? De man, die naast hem de teugels hield, had de oplossing kunnen geven, want Ani had Pentaoer herkend, en daarbij vol ontzetting in de teugels gegrepen.