ZESDE HOOFDSTUK.

43)Het Latijnsche „micare digitis.” Een der spelers steekt met eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen, zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli weergegeven in deLeipziger Illustr. Zeitung, 1852, s. 331, ff.44)Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den eersten waterval.45)Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.46)Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der pharao’s gemist.47)De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was haar gewijd.48)Diodorus I, 91.49)Amon, Moeth en Choensoe.50)„Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij de schuld op hem wentelen.” Diodorus, I, 91.51)Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd, en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de landengte van Suez.52)Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt werd.53)De takken van den mastikboom worden nog heden, om den aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.

43)Het Latijnsche „micare digitis.” Een der spelers steekt met eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen, zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli weergegeven in deLeipziger Illustr. Zeitung, 1852, s. 331, ff.

43)Het Latijnsche „micare digitis.” Een der spelers steekt met eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen, zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli weergegeven in deLeipziger Illustr. Zeitung, 1852, s. 331, ff.

44)Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den eersten waterval.

44)Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den eersten waterval.

45)Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.

45)Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.

46)Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der pharao’s gemist.

46)Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der pharao’s gemist.

47)De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was haar gewijd.

47)De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was haar gewijd.

48)Diodorus I, 91.

48)Diodorus I, 91.

49)Amon, Moeth en Choensoe.

49)Amon, Moeth en Choensoe.

50)„Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij de schuld op hem wentelen.” Diodorus, I, 91.

50)„Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij de schuld op hem wentelen.” Diodorus, I, 91.

51)Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd, en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de landengte van Suez.

51)Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd, en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de landengte van Suez.

52)Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt werd.

52)Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt werd.

53)De takken van den mastikboom worden nog heden, om den aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.

53)De takken van den mastikboom worden nog heden, om den aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.

Terwijl dit alles in de hut voorviel, waren de gids des konings en de jonge vrouw van den wagenmenner Mena gedwongen op de prinses te wachten. De zon had juist haar middaghoogte bereikt, toen Bent-Anat den tuin van den Paraschiet binnenging. De naakte kalkrotsen aan beide zijden van het dal, en de zandige bodem daartusschen schitterden met zulk een verblindende glans, dat het de oogen pijn deed. Er was geen handbreed schaduw te zien, en de waaierdragers, ook van het tweetal dat hier moest toeven, waren op bevel der prinses bij den wagen en den draagstoel achtergebleven. Beiden stonden een tijdlang zwijgend naast elkander; ten laatste zeide de schoone Nefert, terwijl zij hare ovale oogen vermoeid opsloeg: »Wat blijft Bent-Anat lang bij dien onreine! Ik verschroei hier. Wat zullen wij aanvangen?”

»Wachten!” sprak Paäker, keerde Nefert den rug toe, klom op een rotsblok, dat aan een der wanden uitstak, deed met zijn geoefend oog, dadelijk een verkenning, kwam tot haar terug en zeide: »Ik heb een beschaduwd plekje gevonden. Dáar!”

De vrouw van Mena keek in de richting, waarin hij wees en schudde ontkennend met haar kleine hoofd. De gouden sieraden van haar kapsel klingelden daarbij even hoorbaar tegen elkander, en eene koude huivering deed haar teeder lichaam beven, ondanks de gloeiende middaghitte.

»Sechet54)woedt in den hemel,” sprak Paäker. »Maak gebruikvan dit schaduwrijk plekje, al is het klein. Op dit uur werd reeds zoo menigeen doodelijk getroffen.”

»Dat weet ik,” antwoordde Nefert, en zij bedekte haar hals met hare handen. Daarop richtte zij hare schreden naar twee rotsplaten, die tegen elkander leunden als de bladen van een kaartenhuis. Dat was het bedoelde plekje, maar weinige voeten breed, dat tegen de zon eenige beschutting aanbood.

Paäker liep voor haar uit, wentelde een vierkant met vuursteen vermengd blok kalksteen naar deze steenen tent, verpletterde eenige schorpioenen, die hier eene schuilplaats hadden gezocht, en spreidde zijn hoofddoek over deze harde zitplaats uit, zeggende: »Hier zijt gij beschut.”

Nefert zette zich op den steen neder en keek den Mohar na, die langzaam en zwijgend voor haar op en neder ging. Dit onophoudelijk heen en weder wandelen van haar metgezel werd ten laatste onverdraaglijk voor hare gevoelige en overprikkelde zenuwen. Daarop riep zij, na het hoofd ijlings te hebben opgeheven, dat tot hiertoe op haar hand had gerust: »Wat ik u bidden mag, blijf toch staan!”

De gids gehoorzaamde terstond en keek naar het huis van den Paraschiet, terwijl hij haar den rug toekeerde.

Na eenige oogenblikken pauze zeide Nefert: »Spreek toch een woord tot mij!”

Toen draaide de Mohar zijn breed gezicht naar haar toe, en zij schrikte van den wilden gloed, die haar tegenstraalde uit den blik waarmede hij haar aanzag.

Nefert sloeg hare oogen neder. De gids antwoordde alleen: »Ik zwijg liever.” Daarop zette hij zijne wandeling voort, totdat de vrouw van Mena hem op nieuw toesprak.

»Ik weet,” zeide zij, »dat gij boos op mij zijt. Doch ik was nog maar een kind, toen ze mij met u verloofd hebben. Ben ik dan niet goed voor u geweest? Als uwe moeder mij bij onze kinderlijke spelen uw klein vrouwtje noemde, was ik werkelijk blijde, en dacht ik hoe heerlijk het zijn zou, wanneer ik uw huis, dat gij toch voor mij zoo prachtig deed vernieuwen, toen uw vader gestorven was, en uw schoonen tuin, en uwe edele paarden in uwe stallen, en al uwe slaven en slavinnen mijn eigendom zou mogen noemen.”

Paäker lachte, maar die lach klonk zóo gedwongen en beleedigend, dat het Nefert door de ziel sneed, en zij zacht voortging,op een toon alsof zij om verschooning vroeg: »Het heet dat gij boos zijt op ons, en nu verstaat gij mijne woorden zóo, alsof het mij om uwe rijke erfenis te doen was geweest. Maar ik heb u immers reeds gezegd, dat ik altijd veel van u hield. Herinnert ge u dan niet meer, hoe ik met u geweend heb om de kwade jongens in de school, en om de strengheid, uws vaders? Toen stierf uw oom —; gij zijt naar Azië vertrokken....”

»En gij,” viel Paäker haar hard en scherp in de rede, »hebt die verloving verbroken, en zijt de vrouw geworden van Mena, den wagenmenner. Dat alles weet ik; waartoe het weder opgehaald?”

»Omdat het mij leed doet, dat gij op mij toornig zijt en uwe goede moeder ons huis mijdt. Kondet ge maar begrijpen wat het is, wanneer de liefde eens in iemands borst ontwaakt en hem zoo geheel vervult, dat men zich niet meer alleen kan denken maar altijd bij en met en in de armen van een ander; wanneer het kloppen van ons hart ons in den slaap doet ontwaken, en wij zelfs in den droom niets anders zien dan dien eenige!”

»En dat zou ik niet geweten hebben!?” riep Paäker, terwijl hij de armen over elkander sloeg en vlak voor haar ging staan. »Ik zou dat niet geweten hebben? Alsof gij het dan niet geweest waart, die mij dit gevoel deedt kennen! Zoo vaak ik aan u dacht, was het mij of niet langer bloed maar gloeiend vuur mij door de aderen stroomde, die gij thans met gif hebt gevuld. Hier in deze borst, waarin uw beeld zich nog lieflijker vertoonde dan dat van Hathor in het allerheilige, ziet het er uit als op die zee in het land der Syriërs, die zij de doode noemen, die zee waarin alles sterft en elke levenskiem wordt verstikt.”

Paäkers oogen rolden bij deze woorden door zijn hoofd; driftiger klonk zijn stem, toen hij voortging: »Maar Mena staat dicht bij den koning, dichter dan ik, en uwe moeder....”

»Mijne moeder,” viel Nefert den toornige in de rede, en hare woorden getuigden van hevige gemoedsbeweging, »mijne moeder heeft geen echtgenoot voor mij gekozen. Ik zag Mena toen hij, als ware hij de zonnegod, op den wagen des konings daarheen reed. Hij merkte mij op en zag mij aan, en zijn blik drong als een lans in mijn hart. Toen hij mij aansprak op ’s konings verjaardag, was het mij alsof de Hathors mij met lieflijk klinkende snaren van gouden zonnestralen omweefden. En Mena gevoelde hetzelfde; hijzelf heeft het mij gezegd, toen hij de mijne was geworden. Om uwentwil sloeg mijne moeder zijn aanzoek af. Ik werd echter bleek en mager van verlangen naar hem, en hij verloor zijn frisschen moed en werd zoo treurig, dat het den koning in het oog viel, die hem vroeg wat hem toch zoo nederdrukte. Want Ramses heeft hem lief als zijn eigen zoon. Menaheeft den pharao bekend, dat de liefde zijne oogen verduisterde en zijne sterke handen verlamde, en nu deed de koning zelf aanzoek om mijne hand voor zijn trouwen dienaar. Mijne moeder gaf eindelijk toe en wij werden man en vrouw. Al het genot, dat de gezaligden smaken in de Aäloe-velden55), is flauw en armelijk bij de zaligheid, waarin wij ons baadden, niet als sterfelijke menschen, maar als hemelsche goden.”

Nefert had onder deze laatste woorden als eene verheerlijkte haar blikken naar den hemel gericht. Nu sloeg zij de oogen neder en vervolgde op zachten toon: »Daar braken de Cheta56)den vrede! De koning toog ten krijg en Mena met hem. Vijftienmaal was de maan opgegaan over ons geluk, en toen...”

»En toen verhoorden de goden mijn gebeden namen mijn offer aan,” vervolgde Paäker met bevende stem, »en rukten den roover van mijn geluk van uwe zijde weg, en verteerden uw hart en het zijne door de vlammen van het heimwee. Meent gij dat ge mij iets nieuws kunt vertellen? Nog eens was Mena vijftien dagen bij u; daarna is hij niet wedergekeerd uit den krijg, die in Azië hevig woedt.”

»Maar hij zal wederkeeren,” riep de jonge vrouw.

»Misschien ook niet!” zeide Paäker lachend. »De Cheta voeren scherpe wapenen en op den Libanon zijn vele gieren, die misschien in deze ure zijn lichaam verscheuren, gelijk gij mijn hart hebt vaneengereten.”

Nefert stond op. Deze taal trof hare fijngevoelige ziel, alsof zij door eene ruwe hand met een steen werd getroffen. Zij deed eene poging om hare schaduwrijke schuilplaats te verlaten en de prinses te volgen in het huis van den Paraschiet. Doch hare voeten weigerden haar den dienst, en bevend zonk zij weder op haar steenen zitplaats neer. Zij zocht woorden, maar haar tong scheen verlamd. Zij gevoelde zich zoo beklemd en verlaten, en te gelijk zoo diep verontwaardigd. In dezen onbeschrijfelijken toestand begaven haar de laatste krachten. Allerlei pijnlijke gewaarwordingen wisselden elkander af in haar binnenste, als woeste onstuimige golven, die al hooger en hooger stegen, haar de ademhaling bijna belemmerden en zich eindelijk lucht gaven in een hevig krampachtig snikken, dat haar geheele organisme schokte.Zij zag, zij hoorde niets meer; zij kon alleen bittere tranen schreien en gevoelen hoe diep ongelukkig zij was.

Paäker stond zwijgend tegenover haar.

Er zijn in het zuiden boomen, waaraan men naast verdroogde vruchten witte bloesems ziet hangen. Er zijn dagen waarop zich, te gelijk met de heldere zon, de bleeke sikkel der maan aan den hemel vertoont. Zoo gebeurt het soms, dat een menschelijk hart liefde en haat tegelijk gevoelt, en wel voor hetzelfde voorwerp. Neferts tranen vielen als dauw, hare diepe zuchten als manna in de naar wraak dorstende en hongerende ziel van den gids. Hij genoot van hare smart, en toch vervulde de aanblik harer edele gestalte hem met hartstochtelijke liefde, en werden zijne blikken als gekluisterd door hare lichamelijke schoonheid. Hij zou er de hemelsche zaligheid voor over hebben gehad, om haar nog slechts eens in zijne armen te mogen drukken, om nog eene enkele maal het woord der liefde van hare lippen op te vangen.

Na eenige pijnlijke minuten hield Nefert op te weenen. Met matten, bijna onverschilligen blik zag zij den Mohar aan, die nog altijd voor haar stond, en vroeg op zacht smeekenden toon: »Mijne tong verdroogt; haal mij toch een weinig water!”

»De prinses kan ieder oogenblik terugkeeren,” antwoordde Paäker.

»Maar ik versmacht,” zeide Nefert, en begon opnieuw in stilte te weenen.

Paäker haalde de schouders op en ging toen dieper het dal in, dat hij zoo goed kende als het huis zijns vaders. Daar toch lagen de graven van de voorvaderen zijner moeder, waarin hij als knaap bij volle en nieuwe maan gebeden had opgezegd en gaven op het altaar gelegd. Het was hem verboden de hut van den Paraschiet te betreden, maar hij wist dat nog geen honderd schreden van de plaats waar Nefert zat eene oude vrouw woonde, wier naam in slechten reuk stond. In haar rotshol zou wel een dronk water zijn te vinden. Half waanzinnig door alles wat er sedert de laatste minuten in zijne ziel was omgegaan en wat zijne oogen hadden gezien, vloog hij weg. Het was of zijn denkvermogen stilstond door de hartstochtelijke beweging van zijn bloed.

Hij vond de deur, die het hol van de oude bij nacht moest beschermen tegen de overvallen van roofgierige jakhalzen, wijd open. De bewoonster zat onder een bruin, gescheurd stuk zeildoek, dat aan den eenen kant aan de rots en aan den anderen aan twee ruwe stokken was vastgemaakt. Zij zocht een hoop lichte en donkere worteltjes uit, die in haar schoot lagen. Naast haar zag men een rad, dat tusschen een hooge houten gaffel draaide. Een kwikstaart, die aan een kettinkje vastzat, hield het in voortdurende beweging, doordat hij van de eene spaak op de anderesprong57). Een groote kater, zoo zwart als kool, zat naast haar te spinnen, en berook de koppen van raven en uilen, wie even te voren de oogen waren uitgestoken. Boven de deur merkte men twee in elkander gedoken sperwers op. De rook van verbrandde jeneverbessen, waardoor de uitwasemingen van allerlei vreemdsoortige bestanddeelen, hier aanwezig, onschadelijk moesten worden gemaakt, drong uit het hol naar buiten.

Toen Paäker naderde riep het wijf vragend naar binnen: »Kookt het was?”

Een onverstaanbaar gebrom liet zich als antwoord hooren.

»Doe er dan de apenoogen en de ibisvederen, en de linnen-lappen met de zwarte tooverteekens in58). Roer nog wat! Doof nu het vuur uit! Neem een kruik en haal water! Kom, haast je wat! Daar komt een bezoeker.”

Terstond kwam eene donkerzwarte negerin, die een gescheurden kleurloozen lap om haar magere lenden had geslagen, naar buiten. Zij zette een grooten aarden pot op haar grauw kroeshaar en ging Paäker voorbij, zonder hem, juist toen hij bij het hol kwam, aan te zien. De oude, een rijzige, maar door ouderdom gekromde vrouw, met een gelaat dat mogelijk eens schoon was geweest, doch zich nu vol rimpels en scherpe plooien vertoonde, maakte toebereidselen om den gids te ontvangen, daar zij een bonten doek over het hoofd bond, haar blauw-wollen kleed onder den hals dichttrok, en eene uitgerafelde mat over de raven- en uilenkoppen wierp. Paäker riep haar toe, doch zij hield zich doof en deed alsof zij hem niet hoorde. Eerst toen hij vlak bij haar stond, sloeg zij hare slimme bliksemende oogen op en sprak: »Een geluksdag, een witte dag, die hooge gasten brengt en groote eer!”

»Sta op,” zeide Paäker tot het wijf op bevelenden toon, zonder haar te groeten, maar een zilveren ring59)midden onder de wortelen in haar schoot werpende, »en geef mij voor goed geld wat water in eene zuivere kom.”

»Mooi, echt zilver,” hernam de oude, terwijl zij den ring, dien zij haastig uit de wortelen te voorschijn had gehaald, dichter onderhare oogen hield. »Dat is te veel voor water alleen, en te weinig voor mijne kostelijke dranken.”

»Wauwel niet, bedelaarster, maak voort!” riep Paäker, terwijl hij een tweeden ring uit zijn zak haalde en in haar schoot wierp.

»Gij hebt eene milde hand,” zeide de oude, en dat in zuivere taal, zooals onder de hoogere standen werd gesproken. »Vele deuren zullen zich voor u openen, want het goud is een looper die in alle sloten past. Gij wilt water voor die mooie ringen? Moet het dienen tegen schadelijke dieren, of wilt gij er een ster van den hemel door doen nederdalen? Misschien wenscht gij geheime paden te leeren kennen, want het is uw ambt den weg te wijzen. Zal het koud maken wat warm is, en het koude weder heet? Moet het in staat stellen in de harten te lezen en lieflijke droomen te verwekken? Begeert gij het water der kennis, om te zien of uw vriend dan wel uw vijand — ha! uw vijand sterven zal? Wilt gij een dronk hebben om uw geheugen te versterken? Of zal mijn water u onzichtbaar maken? Moet het ook den zesden teen van uw linkervoet wegnemen?”

»Gij kent mij dan?” vroeg Paäker.

»Hoe zou ik?” vroeg de heks. »Maar ik heb scherpe oogen, en weet uitnemend water te bereiden voor geringen en aanzienlijken!”

»Praatjes!” riep Paäker ongeduldig, en greep naar de zweep in zijn gordel. »Maak voort, want de vrouw voor wie....”

»Gij verlangt water voor eene vrouw?” viel de oude den Mohar in de rede. »Had ik dat kunnen denken! In den regel vragen de oude heeren meer naar de liefdedranken dan de jonge. Doch ik kan u hiermede dienen; ik zal u helpen.”

De oude ging na deze woorden in haar hol, en kwam een oogenblik daarna terug met een dun cylindervormig albasten fleschje in de hand. »Dit is het fleschje,” zeide zij, terwijl zij het den gids toestak. »De helft moet in het water gegoten en aan de vrouw gegeven worden. Helpt het niet bij den eersten dan toch zeker bij den tweeden keer. Een kind kan het water drinken, zonder dat het kwaad zal doen, en een grijsaard wordt er vroolijk van. Daar, ik zal het u voorproeven!” — En zij bevochtigde hare lippen met de witte vloeistof. »Het schaadt niet. Meer neem ik er toch niet van, anders mocht de oude heks eens verliefd op u worden, en dat zou het rijke heertje slecht bevallen, ha, ha! Helpt het drankje niet, dan ben ik genoeg betaald. Helpt het, dan brengt ge mij nog drie gouden ringen. En gij zult terugkomen, dat weet ik!”

Paäker had de heks roerloos aangehoord, maar nu greep hij zoo driftig naar het fleschje, als moest hij een machtigen tegenstander gaan overwinnen. Hij duwde het in zijn geldzak, wierphet wijf nog eenige ringen voor de voeten, en eischte andermaal, maar spoedig, een zuivere kan vol Nijlwater.

»Heeft mijnheer zoo’n haast?” prevelde de oude, terwijl zij het hol weder binnenging. »Hij vraagt mij of ik hem ken?Hemzeker! Maar zijn schatje? Waar mag het hier ergens verscholen zijn? Misschien de kleine Warda van den Paraschiet daarginds! Zij is mooi genoeg; maar zij ligt nu half verpletterd op de mat en sterft. Wij willen zien wat dat heertje voorheeft. Hij beviel mij niet toen ik jonger was; hij zal echter toch zijn doel bereiken, want hij is taai en ontziet niets.”

Terwijl zij deze en dergelijke woorden bij zich zelve mompelde, vulde zij eene nette schaal van verglaasd aardewerk, met gefiltreerd Nijlwater, dat zij uit een groote poreuze kruik schonk, legde op het heldere vocht een laurierblad, waarin twee met zeven strepen verbonden harten gekrast waren, en kwam er mede naar buiten.

Toen Paäker de schaal van haar aannam en het laurierblad bekeek, zeide de heks: »Reeds dit verbindt de harten. Drie is de man, vier is de vrouw, zeven het ondeelbare Chaach, chachach charcharachacha”60).

De heks zong dit bezweringsformulier niet zonder kunst, maar de Mohar scheen naar haar wartaal niet te luisteren, althans hij ging voorzichtig het dal weder in, en richtte zijne schreden naar de plaats waar de vrouw van Mena uitrustte. Vóor de rotsen, die hem voor Nefert onzichtbaar maakten, bleef hij staan, zette de schaal op een vlakken steen en haalde het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel. Zijne vingers beefden; zijne hersenen schenen beneveld door bedwelmende dampen; in zijne borst weerklonken wel duizend stemmen, die hem juichend schenen toe te roepen: »Grijp toe, handel, gebruik den drank, nu of nooit!” — Hij was temoede als een eenzaam wandelaar, die op zijn pad het testament vindt van een gestorven bloedverwant, op wiens vermogen hij hoopt, het testament waarin hij onterfd wordt. Zal hij het den rechter overleveren, of zal hij het verscheuren?

Paäker was niet alleen een uitwendig vrome, maar had ook tot dusver gemeend in alles naar de voorschriften van den voorvaderlijken godsdienst te handelen. Echtbreuk was eene zware zonde. Maar had hij dan op Nefert geene oudere rechten dan de koninklijke wagenmenner? Wie zich met de zwarte kunst inliet, moest volgens de wet met den dood worden gestraft61),en het wijf stond ter kwader naam bekend, wegens haar ellendig beroep. Doch had hij haar dan om die liefdedrank gevraagd? Was het niet mogelijk dat de zielen zijner afgestorvenen, dat de goden zelven, vermurwd door zijne gebeden en offers, bij toeval, ja, als door een wonder, hem het toovermiddel in handen hadden gegeven, aan de werking waarvan hij geen oogenblik twijfelde? Zijne metgezellen hielden hem voor een man, die spoedig besloten was, en in moeilijke gevallen handelde hij inderdaad met buitengewone voortvarendheid. Wat hem daarbij leidde was echter niet het bewijs van eene vlugge en gezonde werking zijner hersenen, maar meestal het gevolg van de uitkomst van een vraag- en antwoordspel. Want verschillende amuletten hingen om zijn hals en aan zijn gordel, alle door de hand eens priesters gewijd. Het waren voor hem bijzonder heilige voorwerpen van hooge waarde. Bleef het oog van den lazuursteen, dat met een gouden keten aan zijn gordel hing, wanneer men het op den grond wierp, zóó liggen, dat de gegraveerde zijde naar den hemel zag en de gladde onder lag, dan zeide het »ja”, en in het omgekeerde geval »neen”. In zijn geldtasch had hij altijd het beeldje van den god Apheroe met den kop van een jakhals62), den god die de wegen opent. Zoo vaak hij aan een kruisweg kwam, wierp hij dit beeldje voor zich uit en volgde hij de richting, naar welke de spitse snuit van den kop heenwees. In de meeste gevallen riep hij de hulp in van den zegelring van zijn overleden vader, een oud familiestuk, dat de opperpriester van Abydus op het heiligste onder de veertien graven van Osiris63)gelegd en met wonderkracht toegerust had. Deze bestond uit een gouden hand met eene breede zegelplaat, waarin men den naam kon lezen van den sedert lang vergoodden Thotmes III, door wien het kleinood aan Paäkers voorvaderen was geschonken. Als hij tot dien ring vragen wilde richten, raakte de Mohar met de punt van zijn bronzen dolk de gegraveerde naamteekens aan, waarvan drie betrekking hadden op de godheid, terwijl de andere de afbeeldingen waren van profane voorwerpen. Trof nu de punt een der eerste teekens, dan, meende hij, was zijn Osiris-geworden vader het eens met zijn voornemen; in het tegenovergesteld geval liet hij het varen. Dikwijls drukte hij den ringtegen zijn hart en wachtte dan op het eerste levende wezen, dat hij zou ontmoeten. Kwam het van zijne rechterzijde, dan hield hij het voor een opwekkenden, kwam het van zijne linker, voor een waarschuwenden bode zijns vaders.

Langzamerhand had Paäker in dit vragen een zeker stelsel gebracht. Al wat hij in de natuur ontmoette, bracht hij in verband met zichzelven en zijn levensloop. Het was roerend en te gelijk treurig om op te merken, hoe innig hij steeds met de zielen zijner afgestorvenen voortleefde. Zijne niet zeer hoogvliegende maar toch sterke verbeeldingskracht was in staat, zoo vaak hij haar liet werken, hem het beeld zijns vaders of van zijn vroeg gestorven ouderen broeder voor de oogen te tooveren, tastbaar duidelijk, juist zooals hij hen gekend had. Nooit echter bezwoer hij de nagedachtenis van zijne onvergetelijke dooden, om hen te gedenken met stillen weemoed, die lieflijke bloem aan den doornstruik der smart, maar altijd met een of ander zelfzuchtig doel. Het aanroepen van de vaderlijke schim was hem gebleken bij sommige vragen van bijzondere uitwerking te zijn, en het aanroepen van de broederlijke schim bij andere, en daarom wendde hij zich tot den een of ander, met de zekerheid van een geoefend timmerman, die zelden twijfelt wanneer hij den bijl en wanneer hij de zaag gebruiken moet. Hij hield het er voor, dat deze zijne handelwijze overeenkwam met den wil der goden, en daar hij overtuigd was dat de geesten zijner afgestorvenen na hunne rechtvaardiging waren overgegaan in Osiris, dat wil zeggen, dat zij als bestanddeelen van de wereldziel thans deel hadden aan het bestuur over alles, zoo offerde hij hun niet alleen in zijn familiegraf, maar ook in de tempels van de Nekropolis, die aan den dienst der voorvaderen waren gewijd, en bij voorkeur in het Seti-huis. Van Ameni en de andere priesters, die tot het heiligdom behoorden, dat onder diens toezicht stond, ontving de koninklijke gids gaarne raad en nam hij ook berisping dankbaar aan, en zoo leefde hij in de hoogmoedige overtuiging, die door zijne meesters geen oogenblik aan het wankelen werd gebracht, dat hij behoorde tot de ijverigste vromen in den lande, die den goden het welgevalligst waren. Bij elken tred als door bovenzinnelijke machten omgeven en geleid, gevoelde hij geen behoefte aan vrienden en vertrouwden. In het veld zoowel als in Thebe stond hij geheel op zichzelven en werd door de zijnen gehouden voor een ruw, trotsch en ongevoelig man, maar die een ijzeren wil had.

Paäker was in staat het beeld van verloren geliefden met dezelfde levendigheid voor zijne ziel te doen oprijzen, als de gestalten zijner afgestorvenen. Dat deed hij niet enkel in ontelbare stille nachten, maar evenzoo op lange tochten en ritten door dezwijgende woestijn. Op zulke visioenen volgden meestal hevige opwellingen van haat tegen den wagenmenner en eene reeks vurige gebeden, die alle het verderf van den laatste ten doel hadden. Toen hij dan ook de schaal met het water voor Nefert op de gladde rots zette en naar het fleschje met den liefdedrank greep, was zijne ziel zoo vol verlangen, dat er geene ruimte was voor haat. Intusschen kon de Mohar toch niet de bezorgdheid van zich weren, dat hij zich door het gebruik van een tooverdrank zwaar zou bezondigen. Daarom ondervroeg hij het orakel van zijn ring, alvorens de noodlottige druppels in het water te gieten. De dolk raakte geen der heilige teekens van het zegelopschrift. Onder andere omstandigheden zou hij dus zijn voornemen hebben opgegeven. Ditmaal stiet hij echter den dolk onwillig in de scheede, drukte den gouden ring aan zijn hart, lispelde den naam van zijn Osiris-geworden broeder, en wachtte nu op het eerste levend wezen, dat hem zou tegenkomen. Het liet niet lang op zich wachten, want van de berghelling tegenover hem vlogen twee witte gieren op met langzamen vleugelslag. Met angstige spanning volgde hij dezen in hun vlucht, al hooger en hooger. Een oogenblik lieten zij zich onbewegelijk door den luchtstroom dragen, beschreven een cirkel om elkander en zetten daarop koers naar de linkerzijde, om achter de bergen te verdwijnen. Zijn wensch was weder onvervuld gebleven. Haastig greep hij het fleschje om het weg te slingeren, maar de hartstocht, die in zijn binnenste woelde, had hem de heerschappij over zijn wil benomen. Daar rees het beeld van Nefert voor zijne ziel op, alsof zij hem vriendelijk wenkte. Geheimzinnige machten klemden zijne vingers al vaster en vaster aan het fleschje, en met den trots die hem eigen was, als hij tegenover zijne metgezellen stond, goot hij de helft van den liefdedrank in het water, greep de schaal op en naderde zijn offer.

Nefert had inmiddels haar schaduwrijke zitplaats verlaten en ging hem te gemoet. Zonder iets te zeggen, nam zij de schaal aan, en dronk zij die met welgevallen ledig tot den bodem. »Dank,” zeide zij, toen zij na het gulzig drinken weder bij adem gekomen was. »Dat heeft mij goedgedaan! Hoe frisch en hartig smaakte dat water! Maar uwe handen beven, en gij zijt zoo verhit door het harde loopen voor mij, gij arme!”

Bij deze woorden zag zij hem aan met den innigen gloed, die er in hare groote oogen lag, en stak hem hare rechterhand toe, die hij onstuimig aan zijne lippen drukte.

»Laat dit,” zeide zij lachend. »Zie, daar komt de prinses met een priester uit de hut van den onreine. Foei, wat hebt ge mij straks met uwe vreeselijke woorden doen schrikken! Nu ja, ik gaf u grond om toornig tegen mij te zijn; maar nu moet gijweer goed zijn, hoort ge, en ook uwe moeder weer bij de mijne brengen. Geen woord meer! Ik wil toch eens zien of neef Paäker mij gehoorzaamheid zal weigeren!”

Ondeugend hief zij den vinger tegen hem op; daarna weder ernstig wordende, sprak zij met een blik, die Paäker smartelijk maar tevens met een zalig gevoel tot in de ziel drong: »Kom, wees nu niet boos meer. Het is zoo heerlijk als men lief voor elkaar is.”

Na deze woorden liep zij naar de hut van den Paraschiet, terwijl Paäker beide handen tegen zijn borst drukte en in zich zelven zeide: »De drank werkt; zij zal de mijne worden. Heb dank, hemelsche goden!” — Doch dit gebed, dat hij nooit verzuimde uit te spreken, wanneer hem eenig geluk was wedervaren, stierf heden op zijne lippen weg. Hij zag zich zoo dicht bij het doel zijner wenschen. Daar lag de tooverbron, waarnaar hij jaren lang had gesmacht, voor zijne oogen. Nog enkele schreden en hij zou zich kunnen drenken uit haar vollen stroom van liefde en haat te gelijk.

Terwijl hij de vrouw van Mena volgde en het fleschje met angstvallige zorgvuldigheid in zijn gordel verborg, opdat toch geen enkel drupje verloren mocht gaan van het kostbare vocht, dat hij, overeenkomstig het voorschrift der oude, nog eens gebruiken moest, deden zich in zijn boezem waarschuwende stemmen vernemen, waarnaar hij gewoon was te luisteren als naar eene vaderlijke vermaning. Maar thans dreef hij er den spot mede, en gaf hij aan de stemming die hem beheerschte zichtbaar lucht, door met zijne rechterhand te zwaaien als een dronkaard, die, op weg naar het wijnvat, een zedeprediker afweert. De hartstocht hield hem nog zóo vast gevangen, dat de gedachte nauwelijks als een nevel in zijne ziel kon oprijzen: den korten stond, waarin een braaf man tot een misdadiger wordt, heb ik doorleefd. Hij had het tot hiertoe slechts gewaagd zijn smachtend verlangen naar liefde en haat in de verbeelding te bevredigen, het aan de godheid overlatende voor hem te handelen; doch nu had hij zijne zaak de goden uit de hand genomen, en was hij tot daden overgegaan, zonder hen, ja, huns ondanks. Daar gleed Hekt, de tooveres, strijkelings langs hem heen, om de vrouw te zien, waarvoor zij den liefdedrank had gegeven. Hij merkte haar op en schrikte. Het wijf was weldra achter een rots verdwenen en prevelde: »Zie me daar eens dien zesteenige! Het schijnt hem wel te bevallen in het erfdeel van Assa”64)!

Midden in het dal kwamen Nefert en de gids de prinses Bent-Anattegen en Pentaoer, die haar vergezelde. Toen de laatsten de hut van den Paraschiet verlieten, bleven zij zwijgend tegenover elkander staan. De koninklijke jonkvrouw drukte haar rechterhand op haar hart en dronk als eene dorstige met diepe ademhaling de reine lucht van het bergdal in. Het was alsof een centenaarslast van haar was afgewenteld, alsof zij verlost was van een schrikkelijk gevaar. Eindelijk richtte zij het woord tot haren metgezel, die ernstig naar den grond keek, en zeide: »Welk een ure!”

De hooge gestalte van Pentaoer verroerde zich niet, maar hij boog toestemmend zijn hoofd, als in een droom verzonken.

Bent-Anat zag hem nu voor het eerst in het volle daglicht, liet hare groote oogen vol bewondering op hem rusten en vroeg dan: »Zijt gij de priester, die mij gisteren, na mijn eerste bezoek in de hut, zoo bereidvaardig voor rein hebt verklaard?”

»Ik ben het,” antwoordde Pentaoer.

»Ik heb uwe stem herkend en ben u dankbaar, want gij waart het, die mijn moed hebt gesterkt, om, in weerwil van het verbod mijns zielzorgers, den drang mijns harten te volgen en herwaarts te gaan. Gij zult mij verdedigen, wanneer de andere mij zullen berispen!”

»Ik kwam echter hier om u onrein te verklaren.”

»Zoo zijt gij dan van meening veranderd?” vroeg Bent-Anat trotsch, en trekken van minachting vertoonden zich om hare lippen.

»Ik volg een hooger gebod, dat beveelt de oude inzettingen als heilig te handhaven. Wanneer de aanraking van een Paraschiet, zoo zegt men, de dochter van Ramses niet verontreinigt, wien dan? Want is er iemand wiens gewaad vlekkeloozer is dan het hare?”

»Maar die man daar is braaf, bij al zijne geringheid,” hernam Bent-Anat, »braaf, ondanks den smaad die zijn dagelijksch brood is, gelijk eere het onze! De negen groote goden mogen het mij vergeven, maar die daar woont is liefderijk, vroom en moedig; hij bevalt mij. En gij, die gisteren zijne bezoedelde aanraking met éen woord meendet te kunnen afwasschen, wat geeft u aanleiding hem heden onder de melaatschen terug te stooten?”

»De vermaning van een verlicht man, om van de oude inzettingen geen enkel gedeelte prijs te geven, omdat daardoor de keten, waaraan men toch reeds begint te vijlen, rammelend uit elkaar zou kunnen vallen.”

»Zoo legt gij dus op mij den smet der onreinheid op grond van een verouderde dwaling, terwille van de groote menigte, niet om de daad die ik heb verricht? Gij zwijgt? Antwoord mij nu openhartig en naar waarheid, wanneer gij werkelijk deman zijt waarvoor ik u tot hiertoe heb gehouden. Antwoord mij, want het geldt de rust mijner ziel!”

Pentaoer haalde zwaar adem, daarna gaf hij zijn door twijfel gefolterd gemoed lucht in deze diep gevoelde woorden, die eerst zacht, vervolgens al luider werden gesproken: »Gij dwingt mij uit te spreken, wat ik eigenlijk niet eens moest denken. Maar liever wil ik zondigen tegen de gehoorzaamheid dan tegen de waarheid, de reine dochter van den zonnegod, wier gelijkenis gij draagt, Bent-Anat. Of de Paraschiet onrein is door zijne geboorte of niet, wie ben ik, dat ik zulk een vraagstuk zou kunnen uitmaken? Doch ook ik heb evenals gij in hem een mensch gezien van gelijke beweging als wij, wien dezelfde heilige en reine gemoedsaandoeningen vervullen, die mij en de mijnen, u en ieder die van eene moeder is geboren, aangrijpen en vaak zoo zalig stemmen. Ik geloof dat de indruk van deze ure noch uwe noch mijne ziel bevlekt, maar veeleer gelouterd heeft. Dwaal ik, dan moge de veelnamige godheid het mij vergeven, wier adem ook in den Paraschiet leeft en zich beweegt, zoowel als in u en mij, de godheid waarin ik geloof, en waaraan ik steeds reiner en blijmoediger van hart mijne gebrekkige liederen wijden wil, wanneer zij mij zal leeren, dat al wat leeft en ademt, wat weent en jubelt, eene afbeelding is van haar reine wezen, en tot dezelfde vreugde en dezelfde smart geboren.”

De dichter had zijne blikken ten hemel geslagen; thans ontmoetten zij het fier en van blijdschap glinsterend oog der prinses, die hem vrijmoedig haar rechterhand toestak. Pentaoer kuste deemoedig haar gewaad. Zij sprak echter: »Niet alzoo! Leg zegenend uwe hand op de mijne! Gij zijt een man en waarlijk een priester. Thans laat ik mij gaarne de onreinheid welgevallen, want ook mijn vader wenscht, dat door ons om den wil des volks de instellingen uit den ouden tijd, zoolang men er nog aan hecht, in eere gehouden worden. Laat ons de goden gemeenschappelijk bidden, dat zij deze arme schepsels van den banvloek ontheffen. Hoe heerlijk zou het in de wereld zijn, wanneer de mensch den mensch liet blijven, wat de onsterfelijke goden hem gemaakt hebben! — Maar daar staan Paäker en Nefert nog altijd te wachten midden in de brandende zonnehitte. Volg mij!”

Zij ging met den priester vooruit, maar had nauwelijks eenige schreden gedaan of zij keerde zich om en vroeg: »Hoe heet gij?”

»Mijn naam is Pentaoer.”

»Zijt gij dan de dichter van het Seti-huis?”

»Zoo noemen ze mij.”

Bent-Anat bleef nog een oogenblik staan en keek hem aandachtig aan, als een bloedverwant, die wij voor het eerst vanaangezicht tot aangezicht zien, en zeide: »De goden hebben u buitengewone gaven geschonken, want uw blik reikt verder en dringt dieper door dan die van andere menschen, en gij verstaat de kunst om in woorden uit te drukken, wat wij slechts gevoelen. Gaarne volg ik u!”

Pentaoer bloosde als een knaap en zeide, terwijl Paäker en Nefert hem en zijne gezellin steeds naderkwamen: »Tot heden lag het leven voor mij als in eene schemering, maar deze ure toont het mij anders. Ik heb er de donkere schaduwzijde van leeren kennen, en,” voegde hij er zachtkens aan toe, »de heldere lichtzijde tevens.”

54)De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd.55)De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten.56)De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.57)Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres.58)Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegevenPapyrus magique Harrisis ongeveer uit den tijd van ons verhaal afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt gevonden, en van den toover-papyrus (in ’t Grieksch) te Berlijn aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.59)De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van ringen gaven.60)Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus.61)Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch,Sur un papyrus magique(Revue archéol. 1863); Chabas,Papyrus magique Harris; Devéria,Papyr judiciaire de Turin.62)Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet.63)Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de nabijheid van Osiris te rusten.64)De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk. Vert.

54)De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd.

54)De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd.

55)De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten.

55)De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten.

56)De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.

56)De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.

57)Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres.

57)Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres.

58)Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegevenPapyrus magique Harrisis ongeveer uit den tijd van ons verhaal afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt gevonden, en van den toover-papyrus (in ’t Grieksch) te Berlijn aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.

58)Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegevenPapyrus magique Harrisis ongeveer uit den tijd van ons verhaal afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt gevonden, en van den toover-papyrus (in ’t Grieksch) te Berlijn aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.

59)De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van ringen gaven.

59)De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van ringen gaven.

60)Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus.

60)Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus.

61)Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch,Sur un papyrus magique(Revue archéol. 1863); Chabas,Papyrus magique Harris; Devéria,Papyr judiciaire de Turin.

61)Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch,Sur un papyrus magique(Revue archéol. 1863); Chabas,Papyrus magique Harris; Devéria,Papyr judiciaire de Turin.

62)Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet.

62)Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet.

63)Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de nabijheid van Osiris te rusten.

63)Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de nabijheid van Osiris te rusten.

64)De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk. Vert.

64)De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk. Vert.

Een uur later hield Bent-Anat met haar gevolg stil voor de poort van het Seti-huis. Evenals een bal door een mannenhand geworpen, was een der voorloopers met groote sprongen den trein vooruitgevlogen, om den opperpriester te melden, dat de prinses in aantocht was. Zij stond alleen op haar wagen, die het gevolg vooruitreed. Pentaoer had eene plaats gevonden op den wagen van den gids. De overste der Horoscopen ontving den stoet aan de tempelpoort.

Daar de groote deuren der pylonen wijd geopend waren, was het vergund een blik te slaan in het voorhof van het heiligdom, dat met gladde steenplaten geplaveid, en aan de linker- en rechterzijde alsmede van achteren met zuilengangen omgeven was. De wanden en architraven, de zuilen en de holvormige kroonlijst, die het voorhof van boven afsloot, waren met bontkleurig beeldwerk beschilderd. In het midden stond een groot offeraltaar, waarop kyphi-ballen65), die de groote ruimte met een bedwelmenden geur vervulden, op spaanders van cederhout door het vuur werden verteerd. Rondom in een halven cirkel stonden meer dan honderd wit gekleedde priesters, met het aangezicht gekeerd naar de naderende prinses, en zongen hartroerende klaagliederen. Vele bewoners van de Nekropolis hadden zich geschaard aan beide zijden van de sphinxen, waartusschen Bent-Anat naar den tempelreed. Men vroeg niet wat het beduiden moest, dat juist nu klaagzangen werden aangeheven, want aan weeklachten en geheimzinnigheden was men hier gewoon.

»Heil het kind van Ramses!” »Knielt neder voor de zonnedochter Bent-Anat!” klonk het uit duizend monden, en de saamgevloeide menigte boog zich ter aarde, toen de koninklijke jonkvrouw kwam aanrijden.

De prinses steeg vóór het poortgebouw van den wagen, en volgde den eersten der Horoscopen, die haar ernstig en zwijgend aan den ingang van het heiligdom kwam begroeten. Toen zij gereed stond het voorhof te betreden, zwol het priesterlijk gezang op eens met eene vreeselijke donderende kracht. De heldere sopraanstemmen der tempelscholieren, gedragen door het gebrom der zware bassen, jammerden in hartstochtelijke weeklachten. Bent-Anat schrikte en hield een oogenblik haar voet terug. Daarop ging zij verder.

Maar achter den drempel der poort trad Ameni haar in den weg, bekleed met al de teekenen zijner waardigheid. Hij strekte zijn kromstaf uit, als om haar af te weren, en riep luide en met vuur: »De tegenwoordigheid van de reine dochter van Ramses brengt dit heiligdom zegen, maar deze herberg der goden sluit hare poorten voor de verontreinigden, zij mogen slaven zijn of vorsten. In den naam der hemelsche goden, waarvan gij afstamt, vraag ik u, Bent-Anat, zijt gij rein, of hebt gij u bevlekt en uwe vorstelijke hand bezoedeld door de aanraking van onreinen?”

De priester had zich geplaatst vlak voor de hooge gestalte van de prinses. Een helder rood overtoog de wangen der jonkvrouw; het suisde haar in de ooren als bruiste in hare nabijheid eene stormachtige zee, en haar boezem rees en daalde in hartstochtelijke beweging. Het koninklijk bloed vloeide onstuimig door hare aderen. Zij gevoelde dat men haar hier eene onwaardige rol liet spelen in een tooneelspel, dat met voordacht werd opgevoerd. Haar voornemen zichzelve als van onreinheid aan te klagen, was vergeten, en reeds opende zij de lippen, om den priester, wiens aanmatiging haar diep beleedigde, met kracht af te wijzen, toen Ameni de oogen opsloeg en haar aanstaarde, met al den ernst die in hem was.

Bent-Anat zweeg, doch zij weerstond den blik en beantwoordde dien trotsch en afwijzend.

De aderen op Ameni’s voorhoofd zwollen; toch wist hij de verontwaardiging, die in zijn binnenste opkwam als een zwarte dreigende donderwolk, te beheerschen, en zeide op een toon, die echter wel een weinig verschilde van zijne gewone deftigheid: »Ten tweede male vragen de goden u door mij, die hun vertegenwoordigerben: ‚Hebt gij deze heilige plaats betreden, opdat de onsterfelijken de onreinheid van u nemen, die uw lichaam en uwe ziel bevlekt?’”

Bent-Anat antwoordde kortaf en zich volkomen bewust van hetgeen zij zeide: »Mijn vader zal u het antwoord geven!”

»Niet mij,” hernam Ameni, »maar den goden zal hij het geven, in wier naam ik u thans beveel dit vlekkeloos heiligdom te verlaten, dat door uwe tegenwoordigheid wordt bezoedeld.”

De prinses huiverde bij deze woorden en zeide dof: »Ik ga.”

Reeds had zij den voet opgeheven, om naar de poort van den pylon terug te keeren, toen haar blik dien van den dichter ontmoette. Als een begenadigde, voor wiens oogen de grootste wonderen gebeuren, had hij daar gestaan tegenover de koninklijke jonkvrouw, onrustig en toch in verrukking, vol angst en toch met innerlijke zelfvoldoening. Scheen zij door deze vermetele daad niet den hemel te willen bestormen? En toch, die daad was geheel in overeenstemming met haar waar en groot karakter. Het kwam hem voor alsof Ameni, tot wien hij met zooveel eerbied en bewondering had opgezien, in het niet wegzonk, en toen zij zich gereed maakte den tempel te verlaten, weigerde zijne hand, die haar wilde tegenhouden, hem dezen dienst en zocht, terwijl Bent-Anat’s blik den zijnen ontmoette, de plaats van zijn snel kloppend hart.

Het kon den opperpriester niet moeielijk vallen in het ongeveinsd gelaat van deze twee te lezen. Hij gevoelde dat eene snel geknoopte band hunne zielen had saamgesnoerd, en de blik dien hij hen zag wisselen deed hem huiveren. Want de weerspannige had den dichter aangezien als eene zegepralende, die bijval vraagt, en de oogen van Pentaoer waren aan dit verlangen tegemoetgekomen. Na een oogenblik van beraad riep Ameni: »Bent-Anat!”

De prinses keerde zich om, en zag den priester ernstig en vragend aan. Ameni deed eene schrede voorwaarts, en plaatste zich tusschen haar en den dichter. »Gij daagt,” sprak hij op indrukwekkenden toon, »de goden uit ten strijd. Dat is stout! Maar het komt mij voor, dat gij tot zulk eene daad den moed hebt gehad, omdat gij rekent op een bondgenoot, die de onsterfelijken bijna even nabij staat als ik. Laat mij u daarom dit zeggen: Aan u, die als een kind op een dwaalspoor zijt geleid, mag veel vergeven worden; maar een dienaar der godheid” — en dit zeggende zag hij Pentaoer aan met onheilspellenden blik — »een priester, die in den strijd van willekeur tegen wet overloopt, die zijn plicht verzaakt en zijn eed vergeet, die kan u niet langer als een raadsman ter zijde staan. Al had de godheid hem ook met de rijkste gaven gezegend: hij is verdoemd! Wij bannen hem uit ons midden, wij vloeken hem, wij....”

Bent-Anat zag bij deze woorden nu eens Ameni aan, die beefde van ontroering, dan weder Pentaoer, die tegenover haar stond. Op haar gelaat wisselden het rood der verontwaardiging en doodelijke bleekheid elkander af, gelijk het licht en de schaduw op den bodem van een palmwoud, waarover in den middag een stormwind heenvaart. De dichter kwam haar een voetstap nader. Zij begreep dat hij spreken wilde, en door het gebeurde te verdedigen zich onmisbaar in het verderf zou storten. Innig medelijden en eene namelooze angst grepen haar aan, en eer Pentaoer zijn mond nog kon ontsluiten, zonk zij langzaam voor Ameni’s voeten neder en zeide zacht: »Ik heb gezondigd en mij bezoedeld, zooals gij zegt en Pentaoer mij ook heeft aangekondigd voor de hut van den Paraschiet. Geef mij mijne reinheid weder, Ameni, want ik ben onrein.”

Gelijk eene vlam, die door eene menschelijke hand wordt uitgebluscht, verdween de gloed uit de oogen van den opperpriester. Vriendelijk, ja met liefdevollen blik zag hij neder op de prinses. Hij zegende haar, geleidde haar tot voor het allerheiligste, liet haar dáar hullen in wierookwolken en zalven met de negen heiligste oliën, en gebood haar naar het koninklijk paleis terug te keeren. Hij voegde er bij, dat haar schuld nog niet volkomen was geboet; maar weldra zou zij vernemen door welke gebeden en heilige oefeningen zij van de goden, die hij in het allerheiligste des tempels zou ondervragen, hare reinheid terug kon ontvangen.

Gedurende deze ceremoniën hief het priesterkoor in den voorhof weder zijne klaagzangen aan. Het volk, dat vóor den tempel stond te luisteren naar deze liederen, stemde er van tijd tot tijd mede in door een gillenden jammerkreet; want reeds had zich de sombere mare van het gebeurde onder de menigte verbreid.

De zon begon langzaam naar het westen te neigen; de bezoekers van de doodenstad moesten weldra de Nekropolis verlaten, en nog altijd wilde Bent-Anat, op welker terugkomst het volk met ongeduld stond te wachten, niet te voorschijn komen. De een vertelde den ander, dat de dochter des konings vervloekt was geworden, omdat zij aan de zieke blanke en schoone Warda, bij de meesten geene onbekende, geneesmiddelen had gebracht. Onder de nieuwsgierigen, die hierheen gestroomd waren, bevonden zich vele balsemers, bouwlieden en menschen uit den minderen stand. De geest van verzet en oproer, waardoor het Egyptische volk in later tijd onder vreemde overheerschers zich zooveel lijden op den hals haalde, ontwaakte en nam toe bij de minuut. Men schold op den priesterlijken hoogmoed en zulk eene onzinnige en onwaardige inzetting. Een dronken soldaat, die weldra weder terugwandelde naar de kroeg, die hij zooeven had verlaten, wasde raddraaier. Hij nam het eerst een zwaren steen op, om dien tegen de met metaal beslagene tempelpoort te slingeren. Eenige jongens volgden al schreeuwend zijn voorbeeld: zelfs meer bejaarde mannen, aangehitst door het gehuil van fanatieke vrouwen, lieten zich verleiden tot het schelden en smijten met steenen.

In het Seti-huis weerklonken onafgebroken de priesterlijke liederen. Eindelijk, toen het geschreeuw der volksmenigte al luider en luider werd, opende zich de hoofdpoort. Ameni trad in vol ornaat met deftigen tred naar buiten, gevolgd door twintig Pastophoren, die godenbeelden en heilige symbolen op de schouder droegen. Terwijl hij voortging tot midden onder de menigte, zweeg alles. »Waarom stoort gij onze gebeden?” vroeg hij luid en kalm.

Een verward geroep door elkander, waarin zich alleen de dikwijls herhaalde naam van Bent-Anat liet onderscheiden, was het antwoord.

Ameni bewaarde zijne onverstoorbare bedaardheid, en zijn kromstaf opheffende riep hij: »Maakt plaats voor de dochter van Ramses. Zij heeft bij de goden, die zoowel de schuld van den aanzienlijkste als van den geringste onder u kennen, reinheid gezocht en gevonden. Zij beloonen de vromen, maar straffen de weerspannigen. Knielt neder en laat ons bidden, opdat zij u vergeving schenken en u met uwe kinderen zegenen.”

Ameni liet zich door een Pastophoor het heilige sistrum aangeven en hief het omhoog66). De priesters achter hem hieven eene plechtige hymne aan, en de menigte zonk op de knieën zonder zich te verroeren, tot het lied verstomde en de opperpriester uitriep: »De hemelsche goden zegenen u door mij, hun dienstknecht. Verlaat deze plaats en maakt ruimte voor de dochter van Ramses.”

Na dit gesproken te hebben ging hij in den voorhof terug, en de tempelwacht veegde de straat schoon die, tusschen de sphinxendoor naar den Nijl voerde, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten.

Toen Bent-Anat haar wagen besteeg, sprak Ameni: »Gij zijt een koningskind. Het huis uws vaders rust op de schouders van het volk. Ondermijn de oude instellingen, die het in banden houden, en de menigte zal in opstand komen als deze onzinnigen.”

Ameni trad achterwaarts. Bent-Anat schikte langzaam de teugels in haar hand. Intusschen spiegelde haar oog zich in dat van den dichter, die, geleund tegen een der deurpijlers, als in verrukking naar haar opzag. Zij liet met opzet haar zweep op den grond vallen, in de hoop dat hij die oprapen en haar overhandigen zou; doch hij bemerkte het niet. Een looper sprong toe en gaf het voorwerp aan de prinses, wier paarden ongeduldig trappelden en onder gehinnik zich in beweging zetten.

Pentaoer bleef als aan den pijler genageld staan, totdat het geratel der over de steenplaten van de sphinxenlaan rollende wagenwielen langzamerhand wegstierf, en de weerschijn van het gloeiend avondrood de oostelijke bergen kleurde met zachte purperen tinten. De klank van den slag op een metalen bekken, die in de verte kon worden gehoord, wekte den dichter uit zijne afgetrokkenheid. Hij bracht zijn linkerhand aan zijn hart en drukte de rechter tegen zijn voorhoofd, als wilde hij daarmede zijne her en der dwalende gedachten verzamelen. Het klankbekken riep hem tot zijn plicht, en wel tot de lessen in de redekunst die hij op dit uur voor de jonge priesters moest houden. Zwijgend richtte hij uit gewoonte zijne schreden naar den open hof, waar zijne leerlingen hem wachten; doch in plaats van gelijk anders op weg daarheen het onderwerp te overdenken, waarover hij wilde handelen, hielden zijn geest en zijn hart zich bezig met hetgeen hij in de laatste uren had doorleefd. Eén beeld, dat hem zoo zalig stemde, beheerschte al zijne voorstellingen; het was de beeltenis der onuitsprekelijk schoone vrouw, die in al den glans harer koninklijke waardigheid en bevende van fierheid zich om zijnentwil in het stof had geworpen. Het was hem alsof zij door die daad hem eene nieuwe vorstelijke waarde had verleend, alsof zij door haar blik hem met een hooger licht had beschenen, als ademde hij in reiner lucht en als hadden zijne voeten vleugelen aangeschoten.

In zulk eene stemming verscheen Pentaoer onder zijne toehoorders. Toen hij daar stond tegenover al die bekende gezichten, kwam hij tot bezinning en begreep hij wat hem te doen stond. Zijn meest geliefde leerling, de jonge Anana, overhandigde hem het boek, waarmede hij, vier en twintig uren geleden, beloofd had voort te gaan. Leunende tegen den wand van den hof, opende hij de papyrus-rol en tuurde op de schriftteekens. Hij gevoelde echter dat hij niet in staat was om te lezen. Met allekracht greep hij zich aan, zag naar boven en trachtte den draad weder te vinden, waar hij dien gisteren avond had afgebroken en thans weder moest opvatten; maar het scheen hem toe dat er tusschen gisteren en heden eene wijde zee lag, welker schuimende golfslag zijne herinnering en zijn denkvermogen geheel in de war bracht. Zijne leerlingen, die met de beenen kruislings onder het lijf op een stroomat tegenover hem zaten, zagen den zwijgenden anders zoo welsprekenden leeraar verwonderd aan. »Hij bidt,” fluisterde een jonge priester zijn buurman toe, en Anana zag met bezorgdheid, hoe de sterke handen zijns meesters zich zoo vast om de schriftrol klemden, dat de dunne stof waaruit ze bestond dreigde te verbrokkelen.

Eindelijk richtte Pentaoer zijn blik naar beneden. Hij had zijn onderwerp gevonden. Terwijl hij opzag was zijn oog gevallen op den naam des konings, die aan de overzijde op den wand stond geschilderd met den titel: »de goede god.” Hij knoopte den gang zijner gedachten aan deze woorden vast en legde zijne toehoorders de vraag ter beantwoording voor: »Hoe kunnen wij weten dat de godheid goed is?” Hij riep den eenen priester na den ander op, om dit thema te behandelen, alsof hij voor zijne toekomstige gemeente stond. Verschillende leerlingen namen het woord en spraken met meer of minder waarheid en warmte. De beurt kwam ten laatste aan Anana, die in goed gekozen woorden de doelmatige schoonheid prees van de bezielde en onbezielde schepping, waarin zich de goedheid van Amon67), Ra68), Ptah69)en de andere goden openbaarde.

Pentaoer luisterde naar den jongeling met de armen kruiselings over elkander, hem nu eens vragend aanziende, dan weder toestemmend knikkende. Toen de voordracht geëindigd was, knoopte hij aan deze zijne denkbeelden vast. Want nu begon hij zelf te spreken. Als gehoorzame valken op de stem dergenen, die ze ter jacht hebben afgericht, schoten de ideeën hem toe, en de godsdienstige geestdrift, die in zijn borst was ontwaakt, doortintelde met gloed en leven zijne rede, die zich verhief gelijk een adelaar, met steeds breeder en geweldiger vleugelslag. Nu eens als wegsmeltende van aandoening, dan weder juichende van verrukking, prees hij de heerlijkheid der natuur. Toen hij de eeuwige orde aller dingen verheerlijkte, en de ondoorgrondelijke wijsheid des wereldscheppers, en de voorzienigheid van den Eenen, die eenig is en groot en zonder gelijken, ja, toen vloeiden hem de woorden van de lippen als een kristalheldere stroom. »Zóo onvergelijkelijk,” dus besloot hij, »is de woonplaats, die de godheid ons gegeven heeft! Alles wat Hij, de Eenige, geschapen heeft, is doordrongen van zijn eigen wezen en het getuigt van zijne goedheid. Wie hem weet te vinden, ziet hem overal, hij geniet elke sekonde zijne heerlijkheid. Zoekt hem dan, en wanneer gij hem gevonden hebt, valt voor hem neder en zingt zijn lof. Maar prijst den allerhoogsten niet alleen uit dankbaarheid voor de heerlijkheid van de werken zijner handen, maar vooral daarvoor, dat hij ons met de vermogens heeft begaafd, om door hetgeen hij gemaakt heeft tot zalige verrukking te worden opgevoerd. Beklimt de toppen der bergen en overziet het land, dat aan uwe voeten ligt uitgestrekt; knielt neder wanneer het avondrood gloeit als robijnen en het morgenrood gloort als de rozen; gaat naar buiten in den nacht en ziet de sterren, hoe zij eeuwig en zonder stoornis in onmeetbare oneindige kringen de blauwe hemelzee op zilveren booten bevaren; neemt plaats nevens de wieg van het kind en bij den bloemknop, en ziet hoe de moeder zich heenbuigt over haar kleine en de heldere morgendauw op elk blaadje parelt. Maar wilt gij weten in welke richting de stroom der goddelijke goedheid zich in den volsten overvloed uitstort, waar de vereering van dien schepperhare rijkste gaven neerlegt en waar zijne heiligste altaren staan opgericht? Het is in uw eigen hart, zoo het althans rein is en van liefde vervuld. In zulke harten spiegelt de natuur zich af als in die tooverspiegels, in wier oppervlakten wij het schoone driemaal schoon aanschouwen. Dàar reikt het oog ver over stroom en boomgaarden en bergen heen, en overziet de geheele aarde. Daar schittert het morgen- en avondrood niet als rozen en robijnen, maar als de wangen van de godin der schoonheid zelve. Dáar bevaren de sterren niet zwijgend den hemel, maar onder het heerlijk ruischen der reinste accoorden. Dáar lacht het kind als een jeugdige god en de knop ontplooit zich tot een wonderbloem. Dáar breidt de dankbaarheid zich uit en wordt het gebed inniger, en wij werpen ons in de armen van een god die — hoe zal ik zijne heerlijkheid uitspreken! — die een god is, tot wien het verheven negental der groote goden hulpbehoevend opziet als ellendige bedelaars.”

Het klankbekken, dat het einde van het uur aankondigde, brak zijne rede af. Pentaoer zweeg en haalde diep adem. Gedurende eenige minuten verroerde zich geen zijner leerlingen. Eindelijk legde de dichter de papyrus-rol uit zijne hand, veegde zich het zweet van zijn gloeiend voorhoofd en richtte langzaam zijne schreden naar de deur van den hof, die toegang verleende tot het heilige tempelbosch. Reeds stond hij op den drempel, toen hij voelde dat iemand de hand op zijn schouder legde. Hij zag om. Achter hem stond Ameni en zeide koeltjes: »Gij hebt uwe hoorders in betoovering opgevoerd, mijn vriend! Jammer maar, dat u de harp ontbrak.”

Deze woorden van Ameni troffen het opgewekt gemoed van den dichter, als ijs dat op de borst van een koortslijder wordt gelegd. Hij wist wat deze toon in de stem zijns meesters te beteekenen had, want zoo pleegde hij slechte leerlingen en zondige priesters met woorden te straffen. Hem had hij echter nog nooit op deze wijze toegesproken.

»Gij schijnt inderdaad in uwe bedwelming vergeten te hebben,” ging de opperpriester ijskoud voort, »wat een leeraar in de school behoort te spreken. Eenige weken geleden hebt gij in mijne handen gezworen het mysterie te zullen bewaren, en heden biedt het geheim van den eenigen onnoembaren, de heiligste bezitting der ingewijden als eene goedkoope waar op de open markt aan ieder aan.”

»Gij snijdt met messen,” zeide Pentaoer.

»Als ze maar scherp zijn,” hernam de opperpriester, »en de onreine vlekken en het voortwoekerende onkruid in uwe ziel uitroeien. Gij zijt jong, te jong; doch niet als de teedere vruchtboom, die zich laat rechtbuigen en veredelen, maar als het gewoneooft op den grond, dat vergif wordt voor de kinderen die het oprapen, al ware de boom waarvan het viel ook nog zoo heilig. Niettegenstaande de meeste der ingewijden hunne stemmen er tegen verhieven, namen Gagaboe en ik u onder ons op. Dankbaar en vol geestdrift hebt ge mij gezworen, de wet op het mysterie in eere te zullen houden. Heden heb ik u voor het eerst uit den vrede der school in den kampstrijd des levens gebracht. En hoe hebt gij het veldteeken bewaard, dat gij moest omhoog houden en verdedigen?”

»Ik heb gedaan,” antwoordde Pentaoer, diep bewogen, »wat mij voorkwam waarheid en recht te zijn.”

»Recht is voor u even als voor ons, wat de wet voorschrijft. En wat is waarheid?”

»Niemand heeft nog haar sluier opgelicht,” zeide Pentaoer; »maar mijne ziel is geboren uit het bezielde lichaam van het al. Een deel van den onbedriegelijken geest der godheid leeft in mijne borst, en wanneer hij zich in mij werkzaam toont....”

»Hoe licht houden wij toch de stem der eigenliefde voor de stem der godheid!”

»Zou de god, die spreekt en werkt in mij als in u, als in ieder ander, zichzelf en zijne eigene stem niet herkennen?”

»Als de menigte u hoorde,” viel Ameni weder in, »dan zou ieder zich plaatsen op zijn kleinen troon, ieder de stem der godheid in zijn binnenste als zijne leidsvrouw beschouwen; dan verscheurden allen de wet en gaven de flarden prijs aan den oostewind, die ze naar de woestijn zou dragen.”

»Ik ben een wetende, dien gij zelf hebt geleerd den eenige te zoeken en te vinden. Het licht, in welks aanschouwing ik mij zalig voel, zou de menigte, ik loochen dit niet, met blindheid slaan, wanneer ik het haar toonde....”

»Nochtans verblindt gij onze leerlingen met dien gevaarlijken glans.”

»Ik voed hen op tot jongelieden, die ook eens wetenden zullen zijn.”

»En dat in gloeiende ontboezemingen van een van liefde dronken hart!”

»Ameni!”

»Ook ongeroepen sta ik voor u, als uw meester, verwijzende naar de wet, die altijd en in alles wijzer is dan een mensch alleen. Zelfs de koning, ondanks zijn pralende titels, beroemt zich allereerst eenbevestigerder wet te zijn. Voor haar moet zich niet minder de wetende buigen dan de gemeene man, dien wij leeren blindelings te gelooven. Als een vader sta ik voor u, die u van uwe kindsheid heeft lief gehad, en van geen zijner leerlingen grootere verwachtingen heeft gekoesterd danvan u. Is het dan wonder, dat ik u noch weder verliezen, noch de hoop die ik op u stelde prijs geven wil? Maak u gereed morgen ochtend vroeg onze stille woning te verlaten. Gij hebt uw leeraarsambt verbeurd. Het werkelijke leven zal u in de school nemen, en u eerst rijp maken voor de waardigheid van een ingewijde, die u door mijn toedoen te vroeg werd verleend. Gij zult uwe leerlingen verlaten zonder afscheid van hen te nemen, hoe zwaar u dit ook vallen mag. Als het Sothis-gesternte70)zal zijn opgegaan, komt gij mijne nadere aanwijzing halen, want gij zult in de eerstvolgende maanden de priesters in den tempel van Hatasoe hebben te leiden, ten einde bij de vervulling van dit ambt onder mijne oogen het vertrouwen terug te winnen, dat gij verbeurd hebt. Geen tegenspraak! Heden nacht ontvangt gij mijn zegen en onze volmacht; de opkomende zon zult gij begroeten op de terrassen van de nieuwe plaats uwer werkzaamheid. De Onuitsprekelijke moge zijn wet diep in uwe ziel prenten!”

Ameni begaf zich naar zijne vertrekken. Daar ging hij rusteloos op en neer. Op eene kleine tafel lag een spiegel. Hij keek in de glad gepolijste oppervlakte van het metaal en legde het weder op dezelfde plaats neder, als had hij een vreemd gelaat gezien, dat hem niet beviel. Wat hij in de laatste ure had doorleefd was wel in staat geweest hem te schokken, en zijn vertrouwen op menschen en toestanden te doen wankelen. De priesters aan gene zijde van den Nijl waren de geestelijke raadgevers van Bent-Anat. Hij had de prinses altijd hooren roemen als eene vrome, zeer begaafde jonkvrouw. Haar onvoorzichtig breken met de aloude inzetting scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om een lid van de familie van Ramses openlijk te deemoedigen. Doch nu moest hij voor zichzelf bekennen, dat hij deze jonge vrouw te laag geschat, dat hijzelf onhandig, ja misschien onverstandig jegens haar gehandeld had. Want hij kon het zich geen oogenblik ontveinzen, dat hare spoedige omkeering veeleer een gevolg was geweest van eene opwelling van haar innig medelijden, misschien zelfs van eene neiging haars harten, dan van de erkentenis, dat zij verkeerdhad gehandeld. Alleen in geval zij zich schuldig gevoelde, kon hij zonder gevaar van hare overtreding gebruik maken.

De opperpriester stond bovendien niet hoog genoeg om vrij te zijn van ijdelheid, en juist zijn eergevoel was diep beleedigd door dezen fieren tegenstand van de prinses. Toen hij Pentaoer beval haar te gaan bestraffen, had hij gehoopt diens eerzucht te prikkelen door het trotsch gevoel van macht te hebben over de machtigen der aarde. — En nu? Hoe had de jongeling, die hem met zooveel geestdrift bewonderde, de leerling, van wien hij meer dan van eenig ander mocht verwachten, zijn proef doorgestaan! Zijn levensideaal, de onbeperkte heerschappij van de priesterlijke idee over de geesten, en van de priesterschap over allen, zelfs over den koning, was tot hiertoe door dezen zeldzamen jongeling niet begrepen.

Toch moest hij het leeren begrijpen. »Hier,” sprak Ameni bij zichzelf, »als de laatste onder honderden die boven hem gesteld zijn, wordt de zucht tot verzet in deze hoogdravende ziel gewekt. In den tempel van Hatasoe zal hij te gebieden hebben over beneden hem staande priesters, die de offers moeten slachten en het wierookvat zwaaien. Door gehoorzaamheid van anderen te eischen, zal hij de noodzakelijkheid er van voor zichzelf leeren inzien. De rebel, wien een troon ten deel valt, wordt een tyran!” — »Pentaoer’s dichterlijke ziel,” zoo dacht hij verder, »heeft zich snel doen kluisteren door de schoonheid van Bent-Anat. En welke vrouw zou weerstand kunnen bieden aan dezen hoog begaafde, die schittert met de schoonheid van Ra Harmachis, en van wiens lippen de zoete taal vloeit van Techoeti71)! Zij mogen elkander niet wederzien, want geen band mag hem verbinden aan het huis van Ramses.”

Wederom wandelde hij op en neder, zijne alleenspraak dus voorzettende: »Wat mag dit zijn!? Gelijk palmen de lagere struiken, zoo overtroffen twee mijner leerlingen in geest en begaafdheden al hunne metgezellen. Ik voedde hen op tot mijne opvolgers, tot de erfgenamen van mijne hoop en mijn streven. — Mesoe72)werd afvallig, en Pentaoer moest hem volgen! Is mijn doel dan waarlijk slecht, daar het voor de edelen geene aantrekkelijkheid schijnt te bezitten? Maar neen! Deze gevoelen dat zij uit eene betere stof zijn gevormd dan hunne lotgenooten. Zij stellen zichzelf de wet en huiveren het hoogere te zien opgaan in het lagere. Ik denk er echter anders over, vermeng mij alseene ijzerhoudende beek van den Libanon met den grooten stroom en verf dien met mijne kleur.”


Back to IndexNext