II.

II.EEN ANTWOORDOP DEGEWICHTIGE VRAAG:Wat is het,dat eene zondaar zalig maakt?DOORJ. C. PHILPOT.

EEN ANTWOORDOP DEGEWICHTIGE VRAAG:Wat is het,dat eene zondaar zalig maakt?DOORJ. C. PHILPOT.

VOORREDE.Toen ik op verzoek van den Uitgever van het geschrift getiteld: „Zamenspraak enz.,” ondernam een aanhangsel te leveren en daarin een antwoord te geven op de gewigtige vraag: „Wat is het dat eene ziel zalig maakt?” welke vraag daar onbeslist is gelaten; dacht ik slechts weinige bladzijden te schrijven, zonder daarbij mijn naam te vermelden; maar al schrijvende bevond ik dat het onderwerp onder de hand in gewigt toenam en dat gedachten en denkbeelden in mijne ziel vloeiden. Ik gevoelde, in het bijzonder toen ik tot het tweede deel van mijn onderwerp kwam, de verlossing en zaligheid beschouwd als een inwendig bezit, dat ik er mij niet in weinige algemeene bewoordingen kon afmaken, maar dat het vereischte, wat ik niet kon leveren,—bladzijden uit het leven en de bevinding met zalving en kracht, zal het geschikt zijn om de behoeften van Gods beproefdefamiliete ontmoeten. Ik zag aan alle zijden verlossing als eene inwendige wezenlijkheid, onbekend, onbemind,ongezocht,verwaarloosd. Eenigen zag ik, die zich dienstknechten Gods noemden, ijverig genoeg voor de zaligheid uitwendig, gezond in de letter der waarheid en ernstig strijdende voor de leerstellingen der genade die, óf nooit spraken van de zaligheid inwendig, óf indien zij er al van gewaagden, er zich van af maakten met weinige magere volzinnen, die gewoonlijk zoo met dwalingen en misslagen vermengd waren, dat zij eenvoudige zielen slechts verwarden en aan het onderscheidende oog ontdekten, de onwetendheid en ledigheid van den prediker. Anderen die uit hunne opgeblazenheid en verwaandheid schenen te denken, dat „de wijsheid met hen sterven zoude,” (Job 12 vs. 2), zag ik sloopen wat God in zijn woord heeft opgebouwd,en opbouwen wat Hij heeft afgebroken. Deze waren leermeesters gezet op vormen, ceremoniën, ordonantiën,bidstonden, kerklidmaatschap, huiselijk gebed en duizend andere uiterlijke dingen, (allen goed op hunne plaats) alsof zij de inhoud en het wezen der levende godzaligheid waren. Anderen weder die zich bevindelijke predikanten noemden, zag ik of aan de eene hand de zonden als bewijzen van genade opbouwenófaan de andere hand eene algemeene haattegen de zonde, als een bewijs daarvan aanmerken. Dus zag ik de in- en uitgangen, het vallen en opstaan, de verborgen werkingen, het onzigtbare spoor, de innerlijke worstelingen en geheel dit bijzondere, diepe, gedurig veranderende, golvende pad, dat door Gods familie wordt betreden óf nimmer aangeroerd, óf indien al ondernomen dat in te gaan, zoo duister en verkeerd voorgesteld, dat eene levende ziel door al wat hij hoorde, meer bedroefd en verward dan getroost en bemoedigd werd. Ik zag insgelijks dat zelfs leeraars, die de merkteekenen droegen van hunne roeping door de genade en van hunne roeping tot de bediening(die of rustende waren op vroegere bevinding óf zoo als zij het noemden bevestigd waren in Christus; dat mij voorkomt eene bevestiging in zich zelf te zijn), weinig, indien iets, verschilden van de letter-Calvinisten dezer dagen.Alzoo terwijl eenigen goed kwaad en kwaad goed noemen, bitter voor zoet en zoet voor bitter gevende en anderen de schaduw voor het wezen en den vorm voor de kracht instellen, zag ik, dat degene die in de bres moesten staan,hunnezwaarden in de schede hadden gestoken en ze nimmer uittrokken tegen de vijanden van Christus, die in het gewaad van vriendenkomen. De vraag scheen te zijn: „Zijt gij een Arminiaan of een Calvinist?”indien de eerste, zoo zijt gij een vijand, indien de laatste een vriend. En alzoo worden de gevaarlijkste en listigste vijanden van levende Godzaligheid, in de legerplaats van Christus ontvangen, omdat zij het wachtwoord kunnen noemen en de kleeding van zijne soldaten dragen. Dus zie ik de waarheid over de straten struikelen, levende godzaligheid verwaarloosd, uiterlijke dingen hoog gewaardeerd, de schapen van Christus ongevoed en de bokken niet gescheiden. Zoodat ik mij gedrongen gevoelde met meer uitgebreidheid dan ik mij eerst voornam, te blijven staan bijinwendigezaligheid, schoon met de diepste bewustheid van mijne onbekwaamheid en onervarenheid, en er tevens mijnen naam bij te voegen, opdat het niet het nadeel en de verdenking mogt hebben, welke gewoonlijk aan naamlooze geschriften verbonden zijn. Zonder dus eenig oordeel te vellen ten gunste of tegen het geschrift, waarbij dit aanhangsel gevoegd is, noch er mij geheel mede te vereenigen, schoon ik het beschouw als een antwoord aan de Wesleijanen, met bekwaamheid en onpartijdigheid geschreven te zijn, wend ik deze zwakke poging aan om te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligenovergeleverd, en om de natuur dier verlossing aan te wijzen, welke men kennen en bezitten moet vóór men het koningrijk der hemelen kan ingaan.J. C. PHILPOT.

Toen ik op verzoek van den Uitgever van het geschrift getiteld: „Zamenspraak enz.,” ondernam een aanhangsel te leveren en daarin een antwoord te geven op de gewigtige vraag: „Wat is het dat eene ziel zalig maakt?” welke vraag daar onbeslist is gelaten; dacht ik slechts weinige bladzijden te schrijven, zonder daarbij mijn naam te vermelden; maar al schrijvende bevond ik dat het onderwerp onder de hand in gewigt toenam en dat gedachten en denkbeelden in mijne ziel vloeiden. Ik gevoelde, in het bijzonder toen ik tot het tweede deel van mijn onderwerp kwam, de verlossing en zaligheid beschouwd als een inwendig bezit, dat ik er mij niet in weinige algemeene bewoordingen kon afmaken, maar dat het vereischte, wat ik niet kon leveren,—bladzijden uit het leven en de bevinding met zalving en kracht, zal het geschikt zijn om de behoeften van Gods beproefdefamiliete ontmoeten. Ik zag aan alle zijden verlossing als eene inwendige wezenlijkheid, onbekend, onbemind,ongezocht,verwaarloosd. Eenigen zag ik, die zich dienstknechten Gods noemden, ijverig genoeg voor de zaligheid uitwendig, gezond in de letter der waarheid en ernstig strijdende voor de leerstellingen der genade die, óf nooit spraken van de zaligheid inwendig, óf indien zij er al van gewaagden, er zich van af maakten met weinige magere volzinnen, die gewoonlijk zoo met dwalingen en misslagen vermengd waren, dat zij eenvoudige zielen slechts verwarden en aan het onderscheidende oog ontdekten, de onwetendheid en ledigheid van den prediker. Anderen die uit hunne opgeblazenheid en verwaandheid schenen te denken, dat „de wijsheid met hen sterven zoude,” (Job 12 vs. 2), zag ik sloopen wat God in zijn woord heeft opgebouwd,en opbouwen wat Hij heeft afgebroken. Deze waren leermeesters gezet op vormen, ceremoniën, ordonantiën,bidstonden, kerklidmaatschap, huiselijk gebed en duizend andere uiterlijke dingen, (allen goed op hunne plaats) alsof zij de inhoud en het wezen der levende godzaligheid waren. Anderen weder die zich bevindelijke predikanten noemden, zag ik of aan de eene hand de zonden als bewijzen van genade opbouwenófaan de andere hand eene algemeene haattegen de zonde, als een bewijs daarvan aanmerken. Dus zag ik de in- en uitgangen, het vallen en opstaan, de verborgen werkingen, het onzigtbare spoor, de innerlijke worstelingen en geheel dit bijzondere, diepe, gedurig veranderende, golvende pad, dat door Gods familie wordt betreden óf nimmer aangeroerd, óf indien al ondernomen dat in te gaan, zoo duister en verkeerd voorgesteld, dat eene levende ziel door al wat hij hoorde, meer bedroefd en verward dan getroost en bemoedigd werd. Ik zag insgelijks dat zelfs leeraars, die de merkteekenen droegen van hunne roeping door de genade en van hunne roeping tot de bediening(die of rustende waren op vroegere bevinding óf zoo als zij het noemden bevestigd waren in Christus; dat mij voorkomt eene bevestiging in zich zelf te zijn), weinig, indien iets, verschilden van de letter-Calvinisten dezer dagen.

Alzoo terwijl eenigen goed kwaad en kwaad goed noemen, bitter voor zoet en zoet voor bitter gevende en anderen de schaduw voor het wezen en den vorm voor de kracht instellen, zag ik, dat degene die in de bres moesten staan,hunnezwaarden in de schede hadden gestoken en ze nimmer uittrokken tegen de vijanden van Christus, die in het gewaad van vriendenkomen. De vraag scheen te zijn: „Zijt gij een Arminiaan of een Calvinist?”indien de eerste, zoo zijt gij een vijand, indien de laatste een vriend. En alzoo worden de gevaarlijkste en listigste vijanden van levende Godzaligheid, in de legerplaats van Christus ontvangen, omdat zij het wachtwoord kunnen noemen en de kleeding van zijne soldaten dragen. Dus zie ik de waarheid over de straten struikelen, levende godzaligheid verwaarloosd, uiterlijke dingen hoog gewaardeerd, de schapen van Christus ongevoed en de bokken niet gescheiden. Zoodat ik mij gedrongen gevoelde met meer uitgebreidheid dan ik mij eerst voornam, te blijven staan bijinwendigezaligheid, schoon met de diepste bewustheid van mijne onbekwaamheid en onervarenheid, en er tevens mijnen naam bij te voegen, opdat het niet het nadeel en de verdenking mogt hebben, welke gewoonlijk aan naamlooze geschriften verbonden zijn. Zonder dus eenig oordeel te vellen ten gunste of tegen het geschrift, waarbij dit aanhangsel gevoegd is, noch er mij geheel mede te vereenigen, schoon ik het beschouw als een antwoord aan de Wesleijanen, met bekwaamheid en onpartijdigheid geschreven te zijn, wend ik deze zwakke poging aan om te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligenovergeleverd, en om de natuur dier verlossing aan te wijzen, welke men kennen en bezitten moet vóór men het koningrijk der hemelen kan ingaan.

J. C. PHILPOT.

Wel mag ieder overtuigd zondaar een waar voldoend antwoord verlangen, op eene vraag van zoodanig gewigt. Wel mag iedereen, die den alsem en de gal geproefd heeft, met den angel der zonde doorstoken is geworden, die zucht onder den vloek der wet en beeft onder het toekomende oordeel,—wel mag ieder dusdanige, schuldige, zelf-veroordeelende ellendige, de lippen kussen desgenen, die een regt antwoord geeft op de alles omvattende vraag: „Hoe zal de mensch rechtvaardig zijn bij God?” (Job. 9 vs. 2).

Om dan deze vraag regt te beantwoorden moeten wij de zaligheid onder twee hoofdpunten beschouwen.1º.De zaligheid beschouwd als eene daad buiten ons;2º.de zaligheid beschouwd als eene zaak in ons. Daar de eerste de laatste voorafgaat, zullen wij haar den verschuldigden voorrang geven. En daar niemand onderwijst gelijk God, en Hij is de Vader der lichten, de Fontein des levens en de alleen Wijze Jehovah, mogen beide schrijver en lezer genade ontvangen om tot Hem op te zien, „om de zalving die leert van alle dingen en ook waarachtig en geen leugen is.” (1 Joh. 2 vs. 27).

1.De zaligheid dan, moet beschouwd worden, teneersten als eene handeling buiten ons, als eene eeuwige onveranderlijke daad voortvloeijende uit het gemoed van Jehovah en geheel onafhankelijk van het schepsel. Te vooronderstellen dat eenig nieuw plan, eenig te voren ongedacht ontwerp, eenige verandering van voornemen, eenige verbetering van een oorspronkelijk onvolmaakt plan, plaats kunne nemen in het hart van Jehovah, is een van de grootste beleedigingen te werpen op de wijsheid en magt van den drieëenigen God, welke ooit het schepsel kan ten uitvoer brengen.

Indien Hij Alwijs is, zoo kan geene nieuwe gedachte in zijn gemoed oprijzen; indien Hij Almachtig is, dan kan geene onverwachte hinderpaal, geen onvoorzien toeval, noch opkomende gebeurtenis, zijn voornemen verijdelen en indien Hij de Bron en Oorsprong is van het geheele bestaan van het schepsel (Rom. XI vs. 36) zoo kan noch de wil, noch de magt van het schepsel sterker zijn dan Hij. Wij beschouwen Hem als de ervarenste Ingenieur, die vooruit met de meeste naauwkeurigheid, de beweging en het uitwerksel van ieder rad en van iedere tand van eenig nieuw stukmachinerie, kan berekenen. Wij noemen Hem de bekwaamste Generaal, die voor den veldslag iedere beweging, welke Hij denkt te volvoeren het best ontwerpt en die met de grootste nauwkeurigheid en den besten uitslag zijn oorspronkelijk plan ten uitvoer legt. Te misrekenen, in verwarring te geraken door eenige onvoorziene hinderpaal, op te houden wegens eenige onverwachte hindernis, doet een mensch kennen als een broddelaar. In zijne oorspronkelijke schatting mis te tasten, doet de kennis in twijfel trekken; niet in staat te zijn zijn plan te volvoeren, bewijst magteloosheid in een architect. Nu, zal een generaal een plan hebben, evenzoo een ingenieur en een architect en zal God geen plan hebben? Zullenwij iemands kennis afmeten naar de wijsheid van zijn plan en zijne magt naar deszelfs uitvoering, en zullen wij de wijsheid en de magt Gods niet in denzelfden weg afmeten? Zullen wij hem niet een zot en een dwaas noemen, die geen orde in zijne bezigheden heeft, geen goed overlegd plan in de uitoefening zijner zaken, geene bepaalde werkuren, geen vooraf beraamde reeks van werkzaamheden, en zullen wij niet beven om al deze dwaasheid aan God toe te schrijven? Eene Manchestersche katoenfabriek kon geene week doorwerken,indien het niet een vooraf bepaald stelsel van werking, geen geregeld plan had, waardoor aan ieder spinnewiel zijn werk,aan iedere hand zijne plaats wordt aangewezen. En toch zijn er menschen, van zulk eene stoute goddeloosheid, die aan den alleen wijzen God eene verwarring, eene wanorde, eene nalatigheid in het bestuur van de eeuwige bestemming des menschen toeschrijven, welke, indien ze in een groote stad in praktijk werd gebragt, onvermijdelijk zou ten gevolge hebben, dat hare drukke fabrieken werden gesloten,hare uitgestrekte bevolking werd verarmd en hare opgepropte straten in eene woning der draken en rustplaats der nachtuilen verkeerd werden.

Wij kunnen daarom niet ontkennen, dat al wat God doet, Hij zulks doet naar een plan van eeuwigheid vastgesteld in zijn eigen gemoed, zonder zijne wijsheid in de uitvinding, of zijne magt in de volvoering in twijfel te trekken. Indien dan al wat God doet, Hij doet „naar den raad van zijnen eigen wil,” zoo is het duidelijk dat de zaligheid of verdoemenis der zielen een deel moet uitmaken van zijn eeuwig voornemen. Indien alle dingen, die plaats hebben, vloeien in een voor hen gegraven kanaal, elkander opvolgen achtervolgens eene bepaalde orde en zoowel een deel uitmaken van Gods algemeeneregering, als elk rad bedraagt tot de beweging van eenig zamengesteld werktuig, dan moet de zaligheid begrepen zijn in een groot oorspronkelijk plan. Te zeggen dat God eenige dingen bepaalt en andere dingen niet; tijdelijke gebeurtenissen vaststelt, maar geene geestelijke; waakt over het vallen van een musch, maar de onsterfelijke ziel des menschen overgeeft aan bloot toeval en goed geluk, is onbeschaamder onderstelling, dan dat een onkundig landman, een van Watt's stoomwerktuigen beziende, zoude zeggen, deze ketel, dit rad, deze zuiger heeft Watt ontworpen, maar op al het overige heeft hij geen acht geslagen. Zijn grootsch verstand vergat dit deel van het werktuig en verzuimde dat; en dit keurig zamenstel en schoon geheel, is gedeeltelijk het voortbrengsel van vinding en vernuft, en gedeeltelijk van bloot toeval. Veel dwazer en onwetender nog spreken zij, die loochenen de zaligheid een volmaakt plan te zijn, overeenstemmend in elk deel, en harenoorsprong, voortgang en einde vindende in den wil en het voornemen van God alleen. Om reden wij de overeenstemming en schoonheid van het groote geheel niet kunnen waarnemen, om reden er tegenwerpingen en zwarigheden zijn, om reden wij het onderwerp en den grondslag van ieder deel niet kunnen bevatten, zijn wij daarom vrij om te ontkennen, dat de verlossing een groot in alles overeenstemmend plan is? Even goed mogt de bovengenoemde onkundige landman, aanmerking maken op elk rad en elke beweging der stoommachine, welker gebruik en schoonheid hij niet begrijpen kon. Indien verlossing als één geheel, een plan is, waarin de grootste harmonie heerscht, dan moeten ook al de deelen en takken van dezelfde natuur zijn. Zeg dat een deel niet harmonieert, en gij zegt dat het geheel zulks niet doet, want de harmonie van het geheel hangt af van de harmonie der deelen. Deze takkenof deelen dan eischen ons naauwgezet onderzoek en indien wij kunnen aantoonen dat ze volkomen zijn, zullen wij het doen van het geheel.

1º. De eerste tak dan van de verlossing is,de openbaring daardoor, van de heerlijkheid van den Drieëenigen Jehovah. Niets kan God zoo dierbaar zijn dan zijne eigene heerlijkheid. Niets minder dan de openbaring daarvan, kan het verheven oogmerk zijn van alle zijne daden. De oorsprong van alle geschapene wezens, van de verhevenste engel tot den kruipenden worm, kan slechts worden toegeschreven aan de zucht welke Jehovah koestert, om daardoor zijne eigene eeuwige heerlijkheid te openbaren. De verlossing, welke de grootste daad Gods is, moet daarom tot dezelfde bron worden opgespoord. „Tot prijsder heerlijkheid zijner genade,” zegt Paulus, (Eph. 1 vs. 6), „door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde,” en wederom vers 12: „opdat wij zouden zijn tot prijs zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten derbarmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid,” (Rom. 9: 23). Nu, indien de zaligheid geheel rust op den wil des menschen en tot hare eindelijke voorspoed afhangt van de magt en bekwaamheid van het schepsel, zoo is het bewezen dat er mogelijkheid bestond dat er geen enkele ziel behouden werd. Wat meer is, indien het daarvan afhangt, dan is er niet de minste twijfel in het hart van hen, die den gevallen staat des menschen ondervindelijk kennen, of niemand konde of wilde zalig worden. Tenzij dus de zaligheid een besloten, bepaald, onveranderlijk, onherroepelijk voornemen zij, zoo is het klaar dat God teleurgesteld kon worden, betrekkelijk de heerlijkheid, die Hij zich voorgesteld had, om daardoor zijnen grooten naam te verhoogen. En indienwij alleen maar toestaan, dat Hij het einde van het begin ziet en te voren weet elke gebeurtenis die plaats zal hebben, dat de arminianen erkennen, dan is het bewezen, dat, vooruitziende en bemerkende de teleurstelling van al zijne ontwerpen, Hij zou opgehouden en nooit het ontwerp verzonnen hebben. Wat meer is, om de gevolgtrekking nog een stap verder te nemen, indien God door den tegenstand van het schepsel beroofd kon worden, van den prijs zijnereigeneheerlijkheid, zou hij nooit deze wereld in aanwezen gebragt, noch den mensch uit het stof der aarde geformeerd hebben. Wij maken plannen, in welker uitkomst wij ons teleurgesteld vinden, omdat wij geene toekomende gebeurtenissen kunnen voorzien, maar indien wij begaafd waren met de voorkennis van alle dingen, zouden wij alleen zulke ondernemingen beginnen, van welke wij zeker waren dat ze ons gelukken zouden. Laat dus niemand die dwaasheid aan Godtoeschrijven, welke hij aan zijn medeschepsel niet zoude toekennen.

2º. Onze zwakke vermogens niet in staat zijnde, om Gods besluit als een welluidend geheel te beschouwen, zoo zijn wij genoodzaakt Hem eene opvolging van handelingen toe te schrijven, welke geen wezenlijk bestaan heeft in Hem die een eeuwigHedenis, dezelfde gisteren, heden en in eeuwigheid. Alzoo spreken wij over de liefde die God heeft tot zijne eigene heerlijkheid, als over de eerste daad in het plan der zaligheid en vanzijne eeuwige liefdeals van de tweede. Maar in zijn oneindig gemoed is noch eerste noch tweede,toekomendenoch verleden, vroeger noch later. Wanneer wij dan zeggen, dat deeeuwige liefdeeen tweede beweegoorzaak is van zaligheid, gebruiken wij de taal door ons zwak verstand gevorderd, en meenen daarmede niet aan God eenige zulke onvolmaaktheid toe te schrijven, als eene opvolgingvan beweegredenen in zich behelst.

Liefdedan is eene tweede oorzaak der verlossing. Maar indien Jehovah volmaakt enonveranderlijkis, moet zijne liefde van dezelfde natuur zijn. Hoe zuiverder, hoe onbewegelijker, hoeonveranderlijkerde liefde is, hoe nader zij aan de volmaaktheid komt. Onstandvastig te zijn, gedurig van voorwerp te veranderen, neerslagtig, ontmoedigd, verward, vervreemd of in eenig opzigt door uitwendige omstandigheden verkoeld te zijn, neemt de zuiverheid der liefde weg. De liefhebbende vrouw, die in spijt van slechte behandeling en onverschilligheid aan haren man kleeft,die hem lief heeft in oneer en schande, zijn beeld op haar hart draagt, schoon hij als een doodschuldige gevat of als een boosdoener wordt gevonnisd, verwekt onze bewondering als een voorbeeld van echtelijke liefde. De teedere moeder, die om haren ongebonden zoon jammert, en hare hoofdpeluw met tranen van liefde tot hem doornat, schoon haar hart innerlijk verscheurd is door zijnen ligtzinnigen wandel, bewonderen wij evenzoo als een voorbeeld van moederlijke gehechtheid. De sterkte, de onveranderlijke natuur, de zuiverheid, de belangeloosheid van deze twee voorbeelden van menschelijke liefde, gaat ons onwillekeurig ter harte. Zullen wij nu de zuiverheid en volmaaktheid van schepsels genegenheid afmeten bij eenen zekeren standaard, en dien regel ter zijde werpen met betrekking tot de goddelijke liefde? Indien de liefde Gods tot de menschenkinderen onbestendig is, veranderlijk, afhankelijk van omstandigheden, veroorzaakt door hun gedrag, afwisselend gegeven en ontnomen, dan moeten wij stoutweg zeggen, dat zij onvolmaakt is, en indien de liefde Gods onvolmaakt is, dan is God zelf evenzoo onvolmaakt. Maar indien God hen, die Hij lief heeft, eeuwig, oneindig volmaakt lief heeftdan moet Hij hen onveranderlijk lief hebben. Heeft God dan alle menschen lief? Heeft Hij Ezau, Faraö, Saul en Judas lief? Hij zegt ons zelf dat Hij Ezau haatte (Mal. 1: 3) en Paulus verklaart, dat deze haat was, vóór dat de kinderen geboren waren en vòòr zij iets goeds of kwaads gedaan hadden. (Rom. 9: 10-13). Wij moeten dan tot dit besluit komen, dat God eenigen lief heeft en anderen haat. Maar is er geen beweegoorzaak in de voorwerpen zelve? Zijn niet eenigen goed en anderen kwaad; eenigen gehoorzaam en anderen ongehoorzaam;verdienen niet eenigen liefde en anderen haat? Indien alle menschen gelijkelijk gevallen zijn, allen even slecht, even ingewikkeld in zonde enverdoemenis, kan er in hen geen oorspronkelijk verschil zijn. Indien eenigen behouden worden, anderen verloren gaan; indien eenigen eeuwig gelukkig, anderen eeuwig rampzalig worden; moeten wij naar de oorzaak van dit verschil zoeken, ergens elders dan in de personen zelf. En laat ons over de zaak zoo lang redekavelen als wij willen, indien wij eenmaal de oorspronkelijke zonde en de val des menschen toegeven, moeten wij altijd tot hetzelfde besluit komen, dat het verschil gemaakt tusschen de gezaligden en de verdoemden, niet in hen maar in God gevonden wordt, in één woord, dat Hij vrijelijk eenigen haat en vrijelijk anderen lief heeft.

3º. Maar het bestaan der liefde, kan enkel door daden openbaar worden. Liefde is een verborgen beginsel in den boezem, in zoover als het betrekking heeft op hendoorwien zij gekoesterd wordt; maar betrekkelijk hentotwien zij gevoeld wordt, kan zij alleen door uitwendige daden blijken. Dus is liefde de oorsprong van de zaligheid, even als de zaligheid de vrucht van liefde is. De eene is de oorzaak, de andere het uitwerksel; de eene de innerlijke beweegreden,de andere de uitwendige daad. Maar wij meten de liefde af bij de proeven, die zij doorstaat; bij de opofferingen die zij doet; bij het lijden dat zij ondergaat voor het voorwerp van toegenegenheid.Bij denzelfden standaard meten wij de liefde Gods af, tot de kinderen der menschen.Verlossingdaarom wordt bestendig in het Woord voorgesteld als het bewijs van de liefde van Christus; „Christus had de gemeente lief en heeft zich zelven voor haar overgegeven.” (Eph. 5: 25). „Die mij lief gehad heeft,” zegt Paulus, „en zich zelven voor mij overgegeven heeft.” (Gal. 2: 20). „Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons gesteld heeft.” (1 Joh. 3: 16). Indien dan verlossing de vrucht is van liefde, het gevolg en de uitdrukking daarvan, indien de liefde beperkt en bijzonder is, dan is de verlossing evenzoo beperkt en bijzonder. Het uitwerksel kan niet grooter zijn dan de oorzaak, noch de daad grooter dan de beweegreden.

Maar is verlossing eene volmaakte daad, een voleindigd werk? Indien het de uitvoering is van een oorspronkelijk plan en te gelijk uitgevoerd door God geopenbaard in vleesch, moet het zekerlijk zoo volmaakt zijn als deszelfs Auteur. Doch is een werk volmaakt dat onzeker en toevallig is, dat afhangt van de wispelturige eigenzinnigheid en den veranderlijken wil des menschen en dat nog wel van een gevallen mensch? Hing de schepping der wereld af van de medewerking des menschen? Kan hij een enkel grasscheutje doen groeijen,éénhaar wit of zwart maken? Is de medewerking des menschen gedoogd in eene enkele van Gods handelingen? Indien zoo iets mogelijk ware, zou dan niet het mengsel van schepsels werk het geheel bezoedelen en bederven? Indien de verlossing algemeen ware en slechts een deel zaligde, kan het een volmaakt werk genoemdworden? Indien verlossing ontspringt uit liefde, en de verlossing algemeen is, dan zal ook de liefde algemeen zijn; maar indien iemand verloren gaat, indien iemand in de hel is, voor wien Christus stierf, zal hunne verlossing ijdel zijn en al de liefde van Christus tot hen was te vergeefs. Hij betaalde hunne schuld, en nog staat hunne schuld open. Hij nam hunne zonden weg en nog blijven hunne zonden.Hij had hen lief, had magt om hen te verlossen, deed al wat Hij kon om hen van de hel te bevrijden, kwam op aarde met het opzettelijk voornemen om hunne zonden te dragen op het hout, stond voor hen op van den dooden en voer ten hemel als hunnen Hoogepriester en Voorspraak—en na dit alles kan Hij hen niet verlossen,—na geheel deze magtige oneindige, onmetelijke betooning van liefde, lijden, tranen, zuchten,doodsangsten bloed, sterven zij in hunne zonden en worden in de hel geworpen. Is Christus wezenlijk en waarachtig God? Heeft Hij al de eigenschappen der Godheid? Is Hij alwijs en almagtig? Ziet Hij het einde van het begin, en weet Hij alle dingen, die verleden, tegenwoordig en toekomend zijn? Wist Hij toen Hij aan het kruis hing wie behouden zou worden en wie verloren zou gaan? Dan,welkeene ijdele en nuttelooze betooning van liefde en lijden; wat eene noodelooze opeenhoping van smarten en doodsangsten, indien het uitwerksel van al wat Hij toen leed, afhing van den vrijen wil des menschen en millioenen nimmer voordeel zouden trekken uit alles wat Hij toen voor hen onderging. Maar stierf Christus voor de zonden des ganschen menschelijken geslachts? Dan droeg Hij de zonden der lieden van Sodom en Gomorra; van het leger van Faraö dat in de roode zee verdronk; van Korach, Dathan en Abiram welke de aarde verzwolg; van de zeven vervloekte volken van Canaän en van allen diein den algemeenen zondvloed omkwamen. Maar alle deze zijn in hunne zonden gestorven. Werd hun in de hel bekeering geschonken? Droeg Christus hunne zonden aan het kruis en ging Hij daarna in de hel met aanbiedingen van genade aan de verdoemden? Had de vrije wil eene andere gelegenheid, een ander heden der genade; verschaft het een ander getijde tot de uitoefening van haren magtigen invloed? Judas zegt ons (vers 7) „dat de zoodanigen zijn voorgesteld tot een voorbeeld, dragende de straf des eeuwigen vuurs,” Paulus zegt: „dat zij vernield zijn van den verderver.” (1 Cor. 10 vs. 10). Maar indien Christus voor allen stierf, zoo stierf Hij ook voor deze, en indien Hij voor deze stierf, zoo moet er eenig oogmerk zijn, er moet iets geschieden, eenig uitwerksel moet er voortkomen uit zijn dragen van hunne zonden. Indien Hij voor hen niet stierf, dan is de verlossing niet langer algemeen, wij ontdekken millioenen voor wie Christus niet gestorven is en eensklaps is er een einde gemaakt aan de algemeenheid van al die teksten, die zoo dikwijls worden aangehaald ten gunste der algemeene verzoening. Indien Hij voor hen stierf, dan trekken zij al of niet eenig voordeel uit zijnen dood. Indien zij er het minste voordeel uit trekken, dan worden er verlost, die reeds in de hel zijn, die in hunne zonden gestorven en onder den toorn Gods zijn vergaan. En indien eenigen, waarom niet allen? De smarten der hel zullen hen zekerlijk geleerd hebben, om hunnen vrijen wil beter tegebruikendan zij deden op aarde, en één uur ondervinding van den brandenden poel heeft hen doen instemmen, met de aanbiedingen van genade. Christus behoefde zoolang niet te vergeefs aan de deur hunner harten te kloppen, als Hij volgens de Wesleijaansche predikanten nu doet aan de harten hunner hoorders! Zij zeggen, indien de verdoemdendezelfde aanbiedingen van genade hadden als wij hoe gaarne zouden zij die omhelzen! Nu, indien Christus dan voor hen gestorven is, zoo is de hel reeds sedert lang ontvolkt van zijne aloude bewoners. Caïn, Faraö, Saul,Achitofel, Doëg,Ezau en duizend anderen, die de schrift voorstelt als vijanden Gods, zijn nu in den hemel, zingende het lied des Lams. Maar indien Christus voor hen niet gestorven is, dan is de verlossing niet algemeen, er is eene beperking gemaakt en zij is wat wij belijden, bijzonder.

Dus beschouwen en gelooven wij met de schriften der waarheid, dat Christus „zijn leven heeft afgelegd voor zijne schapen; eens werd overgegeven om de zonden te dragen van velen; het volk reinigde met zijn eigen bloed; de gemeente lief had en zich zelven voor haar overgaf”; en de zonden droeg van zijn uitverkoren geslacht in zijn eigen lichaam op het hout.Gelijk de namen van de kinderen Israëls opde borst des Hoogepriesters gedragen werden, (Exod. 28: 29) zoo gelooven wij dat Christus op zijn hart de namen droeg van zijne uitverkorenen, toen Hij aan het kruis hing en zijn bloed stortte voor al hunne zonden en ongeregtigheden. Hij betaalde hunne schuld tot den laatsten penning, voldeed aan de strengste eischen der eeuwige geregtigheid, leed in ligchaam en ziel het volle gewigt, de volle maat en het tal van de zonden van zijn volk en liet geen enkele hunner zonden, ongeboet en onverzoend. De Godheid gaf waarde en verdienste aan het lijden der menschheid, en dus werd Immanuël, God met ons, de algenoegzame Zaligmaker van allen die Hem gegeven, door Hem bemind en verlost waren.

4º. De laatste tak der zaligheid als eene uitwendige daad, die wij nog zullen beschouwen, is de toegerekende geregtigheid van den Zoon van God, zijnde totallen en over allen, die gelooven.

De wet van God, zijnde het afschrift van zijne eeuwige geregtigheid, kon niet straffeloos verbroken worden, dan dat God ophield God te zijn. Tenzij dus de wet volmaaktelijk werd gehoorzaamd, òf door den mensch wien hij gegeven was of door een Borg die in zijne plaats stond, zoo moest die heilige en regtvaardige wet al deszelfs straffen en vloeken in alle eeuwigheid over den overtreder uitstorten. Indien dit waar is, dan is Christus gekomen onder de wet en gehoorzaamde haar volkomelijk, of voor geheel het menschelijk geslacht of voor een gedeelte deszelven. Indien voor het geheel, dan worden alle menschen geregtvaardigd, alle menschen hebben de wet gehoorzaamd door hunnen Borg, allen staan voor God in Christus volmaakt, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks (Efez. 5: 27); de deuren des hemels zijn geopend voor allen, en geheel het geslacht van Adam, zal in huwelijksgewaad nederzitten aan de bruiloft des Lams. Maar indien dit de waarheid niet is en schoonallende wet hebben overtreden,slechtseen gedeeltebehouden wordt, dan moeten wij tot het besluit komen, dat alleen die geregtvaardigd worden voor wie Christus als een Borg de wet vervulde, en dat het Israël alleen is die in den Heere geregtvaardigd worden en zich zullen beroemen. (Jes. 45 vs.25).

2.Dusver hebben wij de verlossing geschetst als eene uitwendige daad,als iets gedaan voor ons en buiten ons. In deze gemeenschappelijke overeenkomst en onderhandeling hadden wij als werkende leden geen aandeel. Zij werden bepaald en uitgevoerd vóór wij eenig aanwezen hadden, uitsluitend in het voorbeschikkende gemoed van Jehovah. Gelijk de boom zijne botten uitgeeft, welke botten een bestaan hadden in den boom, vóór zij in zigtbaren groei kwamen, zoobrengthet predestinerend voornemen van dendrieëenigenGod ons in aanwezen, opdat wij de voordeelen mogen genieten van al hetgeen voor ons gedaan werd, toen wij nog slechte aanwezen hadden in het gemoed van Jehovah.

En dit leidt ons om te spreken over de zaligheid als een werk gewrochtinons, als eene magtige daad waardoor datgene wat oorspronkelijk en altijd het onze was, eene persoonlijke wezenlijkheid wordt, eene werkelijke bezitting, eene ontvangene erfenis, gelijk een erfgenaam wanneer hij meerderjarig wordt, het vermogen aanvaardt dat zijn eigendom was, lang voor hij in het bezit daarvan gesteld werd.

God is alwijs en daarom doet Hij geene overhaaste, noch onbedachtzame stappen. Gelijk het oorspronkelijke ontwerp der zaligheid door oneindige wijsheid werd uitgedacht, zoo zijn ook al de volgende trappen van uitvoering van dat plan, geregeld door dezelfde eindelooze wijsheid. „Met welke Hij overvloedig is geweest over ons,” zegt Paulus, „in alle wijsheid en voorzigtigheid.” God stelt dus zijn volk in zijne bedeelingen met hen, niet op eens in het bezit van al de zegeningen die Hij voor hen bewaard heeft. Hij heeft bij voorbeeld hunne zonden vergeven maar Hij stelt hen niet onmiddelijk in het bezit van die weldaad, wanneer Hij hen door zijne genade roept. Hij heeft hen eerst hunne behoefte daaraan te leeren. Hij heeft hunne harten voor de ontvangst daarvan te bereiden. Het is geen gemeen geschenk en Hij heeft hen te onderwijzen, hoe het te waarderen. Zij zijn verlost van toorn en eeuwige rampzaligheid, van zijn vreeselijk ongenoegen en schrikkelijke verontwaardiging tegen de zonde. Zij hebben noodig dat hun getoond worde en dat zij innerlijk gevoelenwaarvanenwaartoezij verlost zijn. En gelijk de eik niet in éénen dag tot zijnen vollenwasdom komt, maar jaren van zonneschijn en onweer, van felle winden en huilende stormen noodig heeft, om hem kracht en stevigheid, eenen diepen en uitgebreiden wortel te geven, zoowel als eenen verheven en met takken gevulden stam, zoo hebben Gods kinderen maanden en jaren van beproeving en verzoeking noodig, opdat zij nederwaarts diepen wortel schieten, en gezond en krachtig opwaarts groeijen mogen. Dus, vóór dat de ziel iets omtrent de verlossing weten kan, moet zij diep en ondervindelijk leeren, de natuur der zonde en van zich zelve als door haar bezoedeld en onteerd. Zij is hoogmoedig en moet vernederd worden; zorgeloos en moet wakker geschud worden; levend en moet gedood worden; vol en moetontledigdworden; geheel en moet gewond worden; bekleed en moet ontbloot worden. Zij is van nature eigengeregtig en zelfzuchtig, diep begraven in wereldsgezindheid en vleeschelijkheid; ten uiterste blind en onwetend; vervuld met vooroordeel, verwaandheid, eigendunk, vijandschap en zij haat al dat hemelsch en geestelijk is. De zonde in al derzelver verschillende vormen, is haar natuurlijk element. Begeerlijkheid, vleeschelijke lusten, wereldsch vermaak, zucht naar eer van menschen en onverzadelijke dorst naar zelfbevordering; eene volkomene overgifte aan alles wat nieuwe begeerten des harten kan streelen en bevredigen; eene uiterste verachting en afkeer van alles wat haar dolzinnig najagen van wat zij lief heeft, beteugelt of verijdelt, deze zijn eenige van de gedachte van deonvernieuwdenatuur des menschen. Opvoeding, zedelijk bedwang of de kracht der gewoonte mogen het ontbreken van inwendig bederf bedwingen, en een dam opwerpen tegen den woedenden stroom van inwonende zonde, zoodat het niet al zijne grenzen zal verbreken en het land verwoesten; maar geene zedelijke beteugeling kande menschelijke natuur veranderen. Een geketende tijger blijft een tijger. De moorman kan zijne huid niet veranderen, noch de luipaard zijne vlekken (Jer. 13: 23).

Den mensch juist het tegengestelde te maken van wat hij oorspronkelijk is; te maken dat hij God lief heeft in plaats van Hem te haten; Hem te vreezen in plaats van tegen Hem op te staan en te beven voor zijne geduchte Majesteit, in plaats van met dik verhevene schild Hem te bestrijden; om dit magtige werk te doen en deze wonderbare verandering te weeg te brengen, is er noodig, de inplanting van eene nieuwe natuur, door de onmiddelijke hand van God zelf. Natuurlijk licht, natuurlijke liefde, natuurlijke gehoorzaamheid, in één woord, alle natuurlijke godsdienst is hier nutteloos en krachteloos. De stroom te keeren verandert de natuur der wateren niet. Laat de loop van de modderige beek inplaats van naar het zuiden, naar het noorden geleid worden, het blijft eene modderige beek. Alzoo mag de oude natuur beteugeld, gewijzigd, en in nieuwe en in verschillende kanalen geleid worden, maar het is en blijft de oude natuur. En dit is de bediening van honderden, die zich dienstknechten van Christus en arbeiders in Zijnen wijngaard noemen, om houweel en spade tenemenen verscheidene kanalen te graven voor de wateren der oude natuur, en wanneer zij na veel moeite en arbeid, eenige weinigestroompjesin hunne naauwe kanalen hebben doen vloeijen, verwaardigen zij de vruchten van hun werk met de namen van „bekeering, wedergeboorte en een werk der genade.” Alzoo maakt de eene een kanaal in de Zondagschool, een ander graaft een breed kanaal voor het bijbelgenootschap, een derde maakt eene nieuwe opening voor besliste vroomheid en een vierde holt eene wijde groef uit voor eigengeregtigheid, onderden naam van Christelijke heiligheid. Maar na al hunne moeite en na al hunnen voorspoed in het leiden van de stroomen der natuur in deze nieuwe kanalen, is het nog de oude natuur, even gevallen, even onwetend, even blind, even vleeschelijk, even dood,even vol van vijandschap tegen God en even onbekwaam als ooit om het koningrijk der hemelen binnen te gaan. Om de buitenzijde der oude natuur te witten, te schilderen, te vergulden, te bekleeden, op te schikken, te versieren, in één woord, te hervormen, is de godsdienst van den dag. Honderde kerken en kapellen worden gebouwd, duizende predikatiën worden gedaan en millioenen gelds worden besteed, alleen met het doel om uit het ruwe blok hout der natuur, de gedaante, ledematen en gelaatstrekken van een mensch te formeren, en al deze arbeid brengt niets voort dan eene gedaante, een beeld, eene levenlooze gelijkenis van levende godzaligheid, welke eenen mond heeft maar niet spreekt, het heeft oogen, maar zij zien niet, ooren, maar zij hooren niet, handen, maar zij tasten niet,voeten, maar zij gaan niet en zij geeft geen geluid door hare keel. Kerkelijke en Dissenter, Orthodox enEvangelisch, Baptist, Independent en Methodist, allen slaan de handen ineen tot het goede werk. „De een helpt den ander en zegt tot zijn medgezel: wees sterk! En de werkmeester versterkt den goudsmid; die met den hamer glad maakt, dien, die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel het is goed: daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.” (Jes. 41: 6, 7.)

Maar hervorming is geen wedergeboorte, evenmin is eene verandering van leven, hetzelfde als eene verandering des harten. Er kan overvloed van ijver zijn, van vroomheid, van bestaanbaarheid van wandel,onderzoek des bijbels, verborgen en huiselijk gebed,kerk gaan onder de waarheid, godsdienstige gesprekken,naauwgezetheid in de voorschriften van het Nieuwe Testament en een groot vertoon van uitwendige vroomheid en heiligheid, waar geen vonk van goddelijk leven in de ziel gevonden wordt. De godsdienst des menschen is om het schepsel op te bouwen in goede werken, in vroomheid, in het hooren van Gods woord, in het lezen van godvruchtige schrijvers, in werkzaamheid, in al de onrustige drukte en den arbeid van vereenigingen en scholen. De godsdienst van God is, het schepsel neer te werpen in het stof van zelfvernedering en zelfverfoeijing. De mensch zoude de godsdienst onderwijzen gelijk hij rekenen en meetkunde onderwijst. Dezen regel moet geleerd, die som gemaakt, dit vraagstuk opgelost en die zwarigheid overwonnen worden en dus zal men vordering maken. Het vuur moet aangestoken, de blaasbalg gedreven worden, de stoom moet omhoog vliegen, de machine te werk gesteld, de voorgeschreven taak gedaan worden. Godsdienst is, volgens het aangenomen geloof, iets waartoe de mensch moet worden gedrongen. Hij moet op de eene of andere wijze godsdienstig gemaakt worden. Hij moet door de menschelijke beweegredenen of menschelijke overreding, gedreven of getrokken, bepraat of bedreigd, toe gelokt of gezweept worden. De godsdienst wordt hem voorgesteld als de rivier tusschen zijne ziel en den hemel. Hij wordt overreed, genoodigd, vermaand, gesmeekt om in deze rivier te springen. Hij moet er in loopen of als het ware er in gedrongen worden. Hij wordt er toe overtuigd en hij neemt de voorgeschreven sprong,hijwordt een belijder. Hij hoort; hij leest;hijbidt; hij ondersteunt de zaak; hij bedient de zondagschool; hij vormt zijne kleeding naar de uniform van het corps, waartoe hij behoort; hij dankt zijn geboord overhemd af,kamt het haar gelijk, en scheertzijne bakkebaarden; hij voorziet zijn hoofd met de belijdenis van de secte waarbij hij is aangesloten, spreekt zooals zij spreekt, gelooft zoo als zij gelooften, handelt zoo als zij handelt. En dit alles wordt „bekeering en besliste vroomheid” genoemd, terwijl er in de ziel van den armen ellendige, geen spoor van genade, geen greintje geestelijk geloof of geen vonkje goddelijk leven gevonden wordt. Doch, Gods weg is wijd verschillend van geheel dit ellendige, zoo algemeen heerschende stelsel; Hij bouwt niet op, voor en aleer Hij heeft gesloopt; Hij verlost de ziel niet, vóór Hij haar eerst heeft doen gevoelen, dat zij verloren is. Hij neemt niet, het hout en de stoppelen der oude natuur, om een fondament van te leggen, ook gebruikt Hij geen slijm in plaats van kalk om een verrot Babel op te bouwen. De wijze des menschen is, om hier een stuk hout en daar een steen te plaatsen, de eene hoek te vullen met een steen, de andere met een dakpan, en alzoo voortgaande, een toren te bouwen, welks top mogt reiken tot aan den hemel. De weg Gods is om neder te komen en hunne taal te verwarren, om iederen steen en elk stuk hout naar de vier winden des hemels te verstrooijen en niet een steen op den anderen te laten, die niet afgebroken zal worden. Hij is een naijverig God en wil geen deelgenoot hebben in het werk der zaligheid. Hij wil geen nieuwen wijn in oude lederen zakken doen, noch een nieuwen lap op een versleten kleed zetten. De vuile kleederen van Josua (Zach. 3: 4) moesten van hem weg genomen worden, voor hij met wisselkleederen bekleed werd. Alzoo gaat dooden vóór levend maken, armoede vóór rijkdom, bedelarij en den mesthoop vóór de erfenis van den troon der heerlijkheid; het graf van alle verwachting van de heuvelen en bergen, en het gruis van zelfverfoeijing voor de verheffing tot het zitten onder de prinsen.(Sam. 2: 6-8). Te zaaijen met tranen gaat voor het maaijen met gejuich, asch voor schoonheid, treuren voor de olie der vreugd en eenen benaauwden geest voor het gewaad des lofs. Zaligheid is geen uitwendige zaak. Het bestaat niet in de letter, maar in den geest; niet in een gezond geloof, zoo als men meent, maar in de genieting daarvan als een balsem in een verbroken hart. Dus wanneer wij de groote vraag beantwoorden: „Wat is het dat eene ziel zalig maakt?”,zoomoeten wij vooraf wel verstaan, dat het woord „zaligmaken” in zich bevat, een voorafgaanden staat, waarvan en waaruit het een herstelmiddel, eene ontkoming, eene bevrijding is. Dat zaligheid veronderstelt voorafgaande verlorenheid, verderf en ellende, en dat het eene bevrijding is van dit alles, stemt iedereen toe. Maar het wordt niet zoo gereedelijk toegestemd, of indien al bekend in woorden, toch niet verkondigd als eene fondamenteele waarheid, dat het is eenegevoeldeverlorenheid, eenegevoeldevernietiging, eenegevoelderampzaligheid, waaruit zaligheid eene ontkoming is. Ieder die de waarheid des Bijbels belijdt, stemt in woorden den val des menschen toe en dat zalig maken eene bevrijding is van de verschrikkelijke gevolgen van dien val. Maar dat men het innerlijk kennen en diep gevoelen moet; dat de ziel onder het gewigt daarvan ter neer gebogen en beladen moet zijn; dat de overtuiging van schuld, toorn en gevaar door bovennatuurlijke kracht in zijne ondervinding moet gewrocht worden en dat hij als het ware tusschen den bovensten molensteen der wet en den ondersten molensteen van een schuldig geweten moet worden vergruisd; deze groote en plegtige waarheden worden vermeden, bedekt en verzwegen door bijna allen die belijden den zondaar den weg naar Sion te wijzen. „Ga naar Christus; zie op Jezus; wijdt u zelf den Heere toe;leid eenen gelijkvormigen wandel; leest dezen en dien schrijver; woon de bekende pligten bij; wees werkzaam; sluit u aan bij onze vereeniging; wordt een lidmaat der kerk; hoor onzen leeraar; houdt huisgodsdienstoefening; zendt uwe kinderen naar de zondagschool; kweek naarstig de heiligmaking aan; haat alle zonde; waak tegen alle kwade hartstogten; oefen het geloof in verootmoediging;”deze en dergelijke vermaningen worden van duizende kansels met kwistige hand over zoekende zondaren uitgestrooid. Maar de natuur, de diepte, de magt, de gevoelens, de snijdende overtuigingen,het kermend roepen, de angstige foltering, de donkere uitzigten, de zinkende vertwijfeling, de uiterste hulpeloosheid, de dikke duisternis, het ellendige ongeloof, in één woord, al deze inwendige werkzaamheden, welke in een zoekend zondaar gevonden worden, worden door al de letterpredikers van den dag voorbij gegaan. Deze dingen worden toegestemd maar of geheel verzuimd of met minachting op gezinspeeld. Doch, indien wij weten willen wat het is, dat eene ziel verlost, zoo moeten wij den staat wetenwaaruithij verlost moet worden. Indien wij het begin niet hebben, zoo kunnen wij het midden noch het einde hebben. Maar onze hedendaagsche regtzinnige belijders en predikers hadden nooit een begin in hunne godsdienst. Zij waren vroom van hunne kindschheid; of zij hadden het voorregt van godsdienstige ouders; of zij werden op de Christelijke of Zondagschool opgebragt; of zij zaten onder een evangelie-prediker; of een goed boek viel hun in handen en maakte hen vroom; of zij werden ernstig en overtuigd van de noodzakelijkheid der godsdienst; of zij trouwden eenegodvruchtigevrouw of man en op die wijs werden zij ook godsdienstig. Zulke en dergelijke verhalen worden dagelijks in vrome couranten opgedischt, in gezelschappen of bidstonden medegedeeld en blindelings,naar den aard der liefde zoo als men het noemt, als echte bevinding en opregt werk der genade aangenomen. Maar waar is een uit duizend te vinden, die kan verhalen, hoe de Heere met hem begon, en wat zijne gevoelens waren onder zijne goddelijke onderwijzingen? Wie kan het pad beschrijven, waardoor hij geleid is geworden, de nederwerpen en de verheffingen, welke hij ondervonden heeft, de wisselingen, welke hij is doorgegaan, hoe hij trapsgewijze van vat in vat geledigd is geworden en de worstelingen welke hij ondervond? Wie, van duizend belijders kan gevoelig spreken over den alsem en de gal der zonde, den vergiftigen angel van schuld, de pijlen Gods in de conscientie, de vuilheid van een hopeloos bedorven en arglistig hart, het strijden, zinken en worstelen, de afwisselende hoop en vrees, de stralen van licht en de schaduwen der duisternis, de oogenblikken van vertrouwen en de spoedig wederkeerende moedeloosheid, en al de verschillende ondervindingen van eene ontwaakte ziel? Verfoeijing en walging van zich zelf in stof en asch, duistere voorboden van eeuwige straf, schreeuwen tot God uit de diepte van schuld, opgevolgd door tijden van treurig stilzwijgen,afwisselend berouw en hardheid des harten, nu overvallen door de zonde en dan weder treurende en zuchtende over zijne zwakheid er tegen; zulke oefeningen als deze, hoe weinigen spreken er van met gevoel, zalving en kracht, hetwelk bewijst dat zij die allen zijn doorgegaan? Of, wederom, den zwaren last der zonde, het neérdrukkend gevoel van bederf, de stroomen van ongeloof en godloochening, de vloeden van vuilheid, begeerlijkheid en hardnekkigheid, het schielijk invallen van godslasterende gedachten, vreeselijke verbeeldingen, dwaze gedachten, ijselijke vervloekingen, en al de opwellingen van den vuilen bodem van een zinnelijk en duivelsch hart, welken predikant uit duizend draagt de bewijzen inzijne prediking dat zulk een pad door hem betreden is geworden? Maar indien de verlossing eenen voorgaanden staat onderstelt waaruit men verlost wordt dan zeg ik, dat het kinderachtige dwaasheid is, te praten van verlost te zijn, indien wij niets bevindelijks weten waarvan wij verlost zijn. Daarom, indien iemand mij vraagt: „Wat is het dat eene ziel zaligmaakt?”antwoordik: „Waarom doet gij mij die vraag?”Vòòrmen iets van verlossing kan kennen, is er eene voorafgaande les te leeren. Indien gij deze niet geleerd hebt, hebt gij met de andere niets te maken. Gij mogt even goed de tiendeelige breuken denken te leeren, voor gij nog lezen geleerd hebt. Maar welk is de beweegreden waarom gij een antwoord op deze vraag verlangt? Om eenige begrippen te vormen, uw oordeel te scherpen, om u een sterk geloof eigen te maken? Indien dit de reden is, dan kan ik er mij met u niet over bezig houden. Gij hebt eerst eene andere les te leeren en aleer gij deze geleerd hebt, kan ik op uwe vraag niet antwoorden.

De zaligheid is een geschenk, het kostbaarste en rijkste geschenk dat de hand van een Drieëenig God wiens naam Liefde is, kan geven. Het is een legaat,eene erfenis, eene bezitting, een schat, eene eeuwige wezenlijkheid. Het volle bezit, het ruim genot, de volkomene beërving van dit voorbeschikte gewigt van heerlijkheid, is inderdaad bewaard tot eenen toekomstigen staat; maar de eerstelingen, de vroegrijpe druiven, de eerste daauwdroppen van de eeuwige erfenis, worden den uitverkorenen gegeven terwijl zij op aarde zijn. De eeuwigdurende genieting van de tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus, wordt in de Schrift altijd vergeleken bij een huwelijk. Dus lezen wij (Openb. 19: 7) van „het wijf des Lams” en „de bruiloft des Lams”,zoo wordt de kerk gezegd „tot den Koning gebragt te worden in gestikte kleederenvan gouden borduursel,” gelijk in oostersche landen de bruid door haren vader tot den bruidegom geleid werd (Gen. 29: 23). Maar wij lezen ook van „ondertrouw” welke altijd de viering van het huwelijk vooraf ging. „Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw,” (Jer. 2: 2); „ik heb ulieden toebereid om u als eene reine maagd, aanéénenman voor te stellen, namelijk Christus.” (2 Cor. 11: 2). Zoo was Jozef ondertrouwd met de maagd Maria eer zij zamenkwamen (Matt. 1: 18), dat is voor zij man en vrouw werden. Deze ondertrouw nu was eene onvermijdelijke voorbereiding tot het huwelijk, schoon het niet dezelfde zaak was. En daarom werd eene verloofde maagd gestraft als eene overspeelster, volgens de Livietische wet, (Deut. 22: 24), indien zij ontrouw was aan haren ondertrouwden man. De ondertrouw had in zich den aard van het huwelijk, schoon het niet dezelfde zaak was. De deelgenooten leefden niet te zamen en werden niet in elkanders bezit gesteld. Alzoo heeft de geestelijke ondertrouw plaats in dit leven en het geestelijk huwelijk in het toekomende leven; „Ik zal u mij ondertrouwen in geregtigheid en in gerigt en in goedertierenheid en in barmhartigheden en ik zal u mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen.”(Hosea 2: 18, 19). Dus, indien wij de zaligheid beschouwen, zoo zullen wij bevinden dat zij in drie deelen bestaat, inverledene,tegenwoordigeentoekomendezaligheid.Verledenezaligheid is onze namen geschreven te hebben in het boek des levens des Lama, van voor de grondlegging der wereld.Tegenwoordigezaligheid bestaat in de openbaring van Christus in de ziel, waarbij Hij zich haar ondertrouwt. Entoekomendezaligheid bestaat in de eeuwige genieting van Christus, wanneer de uitverkorenen aan het bruiloftsmaal van Christus zullen aanzitten enaltijd met den Heere zullen zijn. Gelijk nu niemand detoekomendezaligheid zal genieten, die geen deel heeft in deverledenezaligheid; met andere woorden, gelijk niemand ooit met Christus in de eeuwige heerlijkheid zal zijn, wiens naam niet is geschreven in het boek des levens van alle eeuwigheid, alzoo zal niemand detoekomendezaligheid genieten, die leeft en sterft zonder het genot van detegenwoordigezaligheid;—met andere woorden, niemand zal voor eeuwig met Christus in heerlijkheid leven, die Hij in dit leven niet ondertrouwd heeft, door openbaring van zich zelf aan zijne ziel. Naar de gewoonte der Joden gaf de man ten tijde zijner ondertrouw aan de bruid een stuk zilver tot een getuigenis, zeggende tot haar: „Ontvang dit stuk zilver als een onderpand dat gij op zulk een tijd mijne huisvrouw zult worden.” En daarop verwisselden de partijen hunne ringen. Deze ontmoeting van de verloofde partijen, die dan elkander voor het eerst zagen, is een liefelijk zinnebeeld van de eerste ontmoeting der ziel door Jezus. De jonge dochter had van den jongeling gehoord, maar tot dien tijd had zij hem nimmer gezien, even als zoekende zielen van Jezus hooren met het gehoor der ooren, voor hare oogen Hem zien. De sluijer was op haar aangezigt, (Gen. 24: 65), gelijk als de sluijer ligt op het hart (2 Cor. 3: 15), tot dat Jezus die in tweeën scheurt van boven tot beneden. De bruidegom gaf zijne ondertrouwde vrouw een stuk zilver, als een onderpand, dat alles wat hij had, het hare was. En alzoo geeft Christus aan de ziel, die hij zich ondertrouwt door zijne eigene openbaring, een onderpand, een teeken, eene getuigenis, welke in zich hebben, de eerstelingen en de verzekering der eeuwige heerlijkheid. De partijen wisselden hunne ringen als onderpanden van onderlingeliefde en eeuwige getrouwheid. En evenzoo openbaart Christus zich aan de ziel, in zijne stervende liefde; wederkeerige verpanding, wederkeerige beloften, wederkeerige verzekeringen en onderpanden van trouw en liefde, hebben plaats tusschen de ziel en Hem. „Deze zal zeggen ik ben des Heeren en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met zijne hand schrijven: Ik ben des Heeren.” (Jes. 45: 5). In deze tijden „in den dag van des konings bruiloft,” (Hoogl. 3: 11), is de taal der ziel. „Ik heb grooten lust in zijne schaduw en zit er onder, en zijne vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis en de liefde is zijne banier over mij.” (Hoogl. 2: 3, 4).Alleleerstellingen, begrippen geloofsbelijdenissen, ordonantiën en ceremoniën, bij gemis van deze geopenbaarde zaligheid, zijn als het stof in de weegschaal en als stoppelen voor den wind. Wat bijv. is uitverkiezing, afgescheiden van de openbaring aan mijne ziel, dat ik uitverkoren ben van voor de grondlegging der wereld? Wat is verlossing voor mij, indien het verzoenend bloed des Lams niet op mijne conscientie gesprengd is? Wat is de eeuwige liefde van den DrieëenigenJehovah, tenzij dat eeuwige liefde in mijn hart door den Heiligen Geest uitgestort zij? Wat is de volharding der heiligen, tenzij er een gezegend genot daarvan in het geweten zij, als eene persoonlijke wezenlijkheid? Deze dingen in den Bijbel geopenbaard te zien, is niets. Dezelve door een van Gods dienstknechten te hooren prediken is niets. De waarheid derzelve in mijn oordeel te ontvangen en eene onwankelbare toestemming daaraan te geven, is niets. Duizenden hebben dit alles gedaan die God lasteren in de hel. Maar eeuwige verkiezing,persoonlijke verlossing, toegerekende geregtigheid, onfeilbare liefde en al de andere schakels dezer gouden keten van den troon Gods nedergelaten inde ziel; de schoonheid, heerlijkheid en gelukzaligheid der verlossing in al derzelver takken, verledene, tegenwoordige en toekomende, geopenbaard te hebben in de ziel en op het geweten verzegeld, dit is alles, in alles. En dus alle twijfelingen en vreezen, alle overtuigingen van zonden, alle ontdekkingen van inwendige snoodheid, alle verschrikkende beschouwingen van God in het licht van eene verbrokene wet, alle kermingen, zuchten en tranen, alle bezwijkingen desharten, alle voorgevoel van den dood en het oordeel dat niet opleidt tot en uitloopt op eene toegepaste zaligheid en geopenbaarden Jezus, voor de mensch zijne oogen sluit in den dood, heeft niet meer met godsdienst te doen, dan het rammelen van de ketenen van een gevangene of de huilende razernij van een krankzinnige. De ziel des menschen moet verdoemd of gezaligd worden. En wat de inwendige godsdienst betreft, een mensch moet de zaligheid hebben als eene inwendige wezenlijkheid, als eene gekende, genotene, geproefde, gevoelde en getaste bezitting of hij zal nimmer het koningrijk der hemelen ingaan. Hij moge Kerkelijke of Afgescheidene zijn, Calvinist, of Arminiaan, Baptist of Independent, wat het zij of wie het zij, toch is al zijne belijdenis met betrekking tot de zaligheid niets meer, dan het fatsoen zijner kleeding, de hoogte zijner statuur of de kleur van zijn gelaat. Iedere zaak vanuitwendigenaard, wat meer is, de waarheid zelf, is een bed te kort en een deksel te smal. En dus al 's menschen gelijkvormigheid van leven, gezondheid van geloof,wandelen in deordinantiën,lange en standvastige belijdenis en alles van slechts uitwendigen aard, waarop duizenden tot de zaligheid berusten, kan niet meer de zonde wegnemen, de geregtigheid Gods bevredigen en de ziel regt op den hemel geven, dan den eed van eenvloeker of de ontuchtige redenen eener hoer.

Indien ons dan gevraagd wordt, „wat is het dat eene ziel zalig maakt?” antwoorden wij: dat het niet is, werken der regtvaardigheid, die wij gedaan hebben of kunnen doen; noch het gebruik van onzen vrijen wil, die alleen vrij is in het kiezen en beminnen van het kwade; noch in te stemmen met aangebodene genade, waartoe wij van nature geene kracht bezitten; noch waakzaamheid, gebed en vasten; noch zelfverloochening, gestrengheid en uitwendige heiligmaking; noch eenige pligten of vormen; noch, inéénwoord, eenige enkelvoudige zaak of eene menigte van zamengestelde zaken, die berusten op de natuurlijke wijsheid en sterkte des menschen. Noch, wederom is het hoofdkennis, noch vaste overtuiging der waarheid in het oordeel, noch zulke werkingen van het natuurlijk geweten, als ons overreden om eene zaligheid uit vrije genade in te willigen, noch een leven uitwendig gelijkvormig aan het Evangelie, noch lidmaatschap in eene evangelische kerk, noch natuurlijke gehechtheid aan de kinderen en dienstknechten Gods, noch ijver voor bevindelijke godsdienst, noch opofferingen gedaan om de waarheid te ondersteunen. Noch wederom bestaat de zaligheid in twijfelingen en vreezen, noch in wederwaardigheden, verzoekingen, werkingen der inwendige verdorvenheid, wettische verschrikkingen, aanvallen van zwaarmoedige vertwijfeling en hartverscheurende wanhoop. Al deze dingenvergezellen de zaligheiden worden gevonden in de erfgenamen der heerlijkheid; maar eenige derzelve of allen kunnen evenzoo in huichelaars, afvalligen en verworpenen gevonden worden. Evenmin bestaat de zaligheid inbegeerten, want „de luijaard begeert en heeft niet,” noch intranenwant „Ezau weende met een zeer groot en bitter geween,” (Gen. 17: 34), noch in enkelzoeken, want „velen zullenzoeken in te gaan en zullen niet kunnen,” (Luk. 13: 24), noch inwillenwant „het is niet desgenen die wil,” noch inloopen, „het is niet desgenen die loopt” en „in de loopbaan loopen allen, maar een alleen ontvangt den prijs.” Ook bestaat de zaligheid niet in uitwendige gaven, als preeken en bidden want een mensch kan „de hemelsche gaven smaken en toch zijn einde zijn tot verbranding,” (Hebr. 6 vs. 4,8), terwijl Saul profeteerde, Judas preekte en de zonen van Sceva duivelen uitwierpen in den naam van Jezus. Noch ook bestaat innatuurlijk geloof, want Simon Magus geloofde en werd gedoopt,noch innatuurlijke hoop,want daar is „de hoop des huichelaars die verdwijnen zal;” noch innatuurlijke vertroostingen, want daar is een „wandelen in de spranken van ons eigen vuur;” noch inijdel vertrouwen, want „de zot is oploopende toornig en zorgeloos;” noch in hetspreken over de godsdienst,want „een praatachtige dwaas zal vallen;” noch indat anderen wel over ons denken, daar Paulus eens goede gedachten had van Demas (Phillem. 24), „die de tegenwoordige wereld lief kreeg” (2 Tim. 4: 10), noch daarín,dat de kinderen Gods vereeniging met ons gevoelen, daar David „zoetelijk raadpleegde met Achitofel, en in zijn gezelschap wandelde ten huize Godes” (Ps. 55:15).Om alles te zamen te nemen, de zaligheid bestaat niet in iets van het vleesch, dat is iets aardsch, menschelijks en natuurlijks, want „het vleesch is niet nut” (Joh. 6: 63), en „niet de kinderen des vleesches die zijn kinderen Gods maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.” (Rom. 9: 8).Dus niemand kan zijne eigene ziel verlossen, noch God een rantsoen geven voor hem zelf of voor zijnen broeder (Ps. 49: 8), maar alle vleesch is gras, alleen bestemd om door den maaijer afgesneden en in den oven geworpen te worden.Wij komen dan tot dit besluit, waartoe God vroeger of later iedere uitverkorene ziel brengt, dat zij die gezaligdworden, gezaligd worden omdat Godhen zalig wil maken, „dat Hij barmhartig is, dien Hij barmhartig zijn wil” en die alleen (Rom. 9: 15); dat Hij hen behoudt niet uit eenige voorgeziene goedheid in hen, doch uit zijne eigene onderscheidende souvereine genade; dat Hij hen vrijwillig eeuwig en onveranderlijk lief heeft, en dat zij verlost,geregtvaardigd, levend gemaakt, geheiligd,bewaard en verheerlijkt worden, alleen omdat zij de voorwerpen zijn van onverdiende liefde van denDrieëenigenJehovah. Hier is dan het antwoord op de vraag: „Wat is het dat eene ziel zalig maakt?”1. Een aandeel te hebben in de verkiezende liefde van God den Vader, in het verlossende bloed en de regtvaardigende geregtigheid van God den Zoon, in de levendmakende en heiligende werkingen van God denHeiligen Geest. Dit is de erfenis den uitverkorenen verzegeld, als eeuwig de hunnen, door een in alles welgeordineerd en vast verbond. Dit is de zaligheiduitwendigen hij, die noch lot noch deel aan deze zaligheid heeft, zal in zijne zonden sterven onder den vreeselijken toorn van een heilig en regtvaardig God. Maar daar is: 2. ook de zaligheidinwendigwelke bestaat in de openbaring van Jezus in de ziel, waardoor uitverkiezende liefde, verzoenend bloed, regtvaardigende geregtigheid en eene eeuwige erfenis in de hemelen, worden verzegeld op de ziel en tot persoonlijk en onderwerpelijke wezenlijkheden worden gemaakt. Tot deze inwendige genieting der zaligheid zijn al de kinderen Gods voorverordineerd en niemand van hen sterft zonder meerder of minder aandeel er in.Eenigenvan hen zijn nu inderdaad in de verschrikkingen der wet gedompeld, anderen vreezende en bevende, anderen snijden zich af als huichelaars; anderen zijn kermende onder het gewigt der zonde,anderen overwonnen door de magt hunner begeerlijkheden, anderen worden gekweld door den duivel, anderen zijn kwijnende ter oorzake van den weg, en allen gewikkeld in eenen verschrikkelijken en zwaren strijd met den ouden mensch der zonde. Eenigen weder voelen hunne harten doorsneden van wege hunne afvalligheid, anderen verfoeijen zich zelf in stof en asch, anderen worden met vuisten geslagen door pijnlijke verzoekingen, anderen vervuld met opstand en gemelijkheid, anderen verward in de strikken des satans en anderen zittende in weerspannig stilzwijgen of genoegzaam door moedeloosheid overwonnen. Eenigen hebben nooit hunnen Zaligmaker gevonden, anderen hebben Hem verloren; eenigen hebben nooit vergeving en verlossing gevoeld en anderen zijn weder verstrikt onder het juk van gevangenschap; eenigen zijn opgesloten, anderen kunnen niet uitkomen; eenigen zijn hopende tegen hoop op hoop en anderen wantrouwende de bewijzen;eenigen worden al den dag geplaagd en elken morgen gekastijd en anderen zijn vreezende dat zij bastaarden zijn, omdat de roede Gods niet op hen ligt.

Maar gelijk het geheele huisgezin Gods een gemeen aandeel heeft aan de zaligheid dieuitwendigis, zoo stemmen zij allen overeen in dit punt betrekkelijk de zaligheid dieinwendigis, dat het eenebovennatuurlijkegodsdienst moet zijn, eenen geopenbaarden Zaligmaker, eene toegepaste regtvaardigheid, een besprengd geweten, een verzegeld pardon, eene uitgestorte liefde, eene genotene verlossing, die alleen bevredigen en zalig maken kan. En dus, al hunne ontblootingen, ontledigingen, kastijdingen, aanvechtingen, worstelingen, droefenissen, zuchtingen, kermingen en tranen;al hunne twijfelingen, vreezen,verschrikkingen, schuddingen, duisternis en moedeloosheid; al hunne beschouwingen van de regtvaardigheidGods in eene heilige wet; al hun rijzen en dalen, hunne wisselingen en veranderingen, schuld,veroordeeling en een pijnlijk gevoel van wege de zonde, met één woord, al hunne bevinding van de diepten van een hopeloos, slecht en goddeloos hart;alles, alles dient in de hand van den gezegenden Geest om hen tot dit punt te brengen, dat de zaligheid is in het bloed en de geregtigheid van Christusalleen, en dat deze zaligheid aan hen en in hen moetgeopenbaardworden, om hen van de vlammen der hel te bevrijden.

Maar, zegt de Arminiaan, indien de zaligheid zoodanig is als hier beschreven wordt, wat wordt er dan van de belangen der zedelijkheid, welke voorzorg is er genomen voor goede werken, welke zekerheid is er voor heiligheid des levens? Zal niet het geloof aan zijne uitverkiezing iemand vermetel, een vertrouwen in zijne eindelijke volharding hem zorgeloos maken en eene overtuiging dat hij zich niet uit het verbond kan zondigen, hem niet tot losbandigheid leiden? Hierop antwoorden wij: Ja, dat zal het, en het zijn de vruchten en uitwerkselen van de leerstellingen der genade, indien zij niet door de hand van Godinde ziel worden gewrocht, maar geleerd worden, zooals honderden haar leeren in het verstand en oordeel. Maar dit gevolg bewijst niet dat ze onwaar zijn, maar is eerder eene vervulling van Gods woord. „Hunne tafel,” dat is de leerstellingen uitgespreid voor hen, waaraan zij belijden te spijzigen,„worde voor hun aangezicht tot een strik en tot volle vergelding tot een' valstrik,” (Ps. 69: 23). Wij lezen van de eerste belijders, van „vlekken in hunne liefdemaaltijden, weidende zich zelf zonder vrees.” Deze dronken de leerstelling der uitverkiezing enz. in,onvermengdmet heilige vrees, onverzeld met een beven voor Gods Woord en een innerlijk ontzagvoor zijne vreeselijke Majesteit. Deze karakters nu worden gezegd„de genade te veranderen in ontuchtigheid en den eenigen Heerscher God en onzen Heere Jezus Christus te verloochenen,” dat is, door booze werken (Jud. 4,12). Maar om reden ongoddellijke menschen, de regte wegen des Heeren verkeeren en de waarheid misbruiken tot hun eigen verderf, volgt daaruit dat dezelfde uitwerkselen volgen waar dezelfde leer geestelijk geleerd en geestelijk ontvangen wordt? De stralen der zon trekken ziekte en koorts uit de pestachtige moerassen, en doen een lijk tot verrotting overgaan. Maar is de zon minder zuiver, zijn nare stralen minder schitterend, minder verkwikkend, is hare natuurlijke warmte minder koesterend voor groenten, vruchten en bloemen, omdat zij verrotting haalt uit hetgeen in zich zelf verrot is en bederf uit hetgeen in zich zelf bedorven is? En alzoo, omdat de leerstellingen der genade door een bedorven hart aangenomen, enkel dienen om deszelfs natuurlijk bederf uit te halen, volgt daarom niet dat het alzoo gesteld is, waar het woord des levens ontvangen wordt „in een eerlijk en goed hart” (Luk. 8: 15), dat is, in een hart eerlijk gemaakt door beschijning van hemelsch licht en goed of Godlievend door de indrukking van zijn Goddelijk beeld. In dezen bereiden bodem schietendeleerstellingen der genade diepen wortel en brengen, van tijd tot tijd bevochtigd door den daauw en de regen van den gezegenden Geest, overvloedige vrucht voort. Dus brengen zij voort: ten eersteninwendige vrucht. Van deze isde eerstebekeering, welke bestaat in eene verandering des harten, eene verandering van genegenheden, eene verandering van gevoelens,een keeren van vormelijkheid tot geestelijkheid, van vrije wil tot vrije genade, van eigengeregtigheid tot zelfverfoeijing, van huichelarijtot opregtheid, van zelfregtvaardiging tot zelfveroordeeling, van belijdenis tot kracht. De tweede isGoddelijke vrees, welke Gods hartdoorzoekende tegenwoordigheid teweegbrengt, zij beeft op zijn fronselen,zij ducht zijn ongenoegen, is bevreesd voor zijne oordeelen, gevoelt zijne kastijdende hand en zoekt boven alle dingen zijne gunst en het licht van zijn aanschijn. De derde isootmoedigheid, welke ontspruit uit eene kennis van God en van zich zelf en bestaat in eene geestelijke kennis van de bedriegelijkheid en goddeloosheid van het hart, in anderen uitnemender te achten dan zich zelf, in gevoel van de weinige wezenlijke godsdienst die wij nog bezitten, in belijdenis voor God en mensch van onze snoodheid, in te zitten aan Jezus voeten om door Hem te worden onderwezen, in de laagste plaats onder de kinderen Gods in te nemen, in een zuigeling te zijn in hulpeloosheid, zwakheid, dwaasheid en nietigheid. Eene vierde inwendige vrucht isGoddelijkedroefheid, die voortspruit uit een gezicht van eenen lijdenden Zaligmaker, zich openbaart in zich zelf te haten, de zonde te verfoeijen, te kermen over gedurigen afval, in zielesmart van zoo dikwijls verstrikt te zijn door driften en begeerlijkheden, en vergezelschapt is van zachtheid, smeltingen des harten, stroomingen van liefde tot den Verlosser en van verontwaardiging jegens ons zelf en ernstige begeerten om niet meer te zondigen. Eene vijfde vrucht ishoop, welke ontspringt uit wanhoop en in de ziel verwekt wordt door een geestelijke ontdekking van het medelijden, de barmhartigheid, de verdraagzaamheid, de liefde en de vriendelijkheid van den Vader der barmhartigheden en den God aller vertroostingen. Dit opent het hart in gebeden, doet deszelfs weerbarstigen aard smelten, verwijdt deszelfs enge, zelfzuchtige, bekrompene beschouwingen vanGod, houdt het vast als een zeker en houdend anker temidden van de stormen en orkanen, en bemoedigt het om te wachten aan de deur der barmhartigheid tot volkomene verlossing komt opdagen. Eene zesde vrucht isliefde, welke bestaat in liefde totGod, uit aanmerking van zijne teedere barmhartigheden en langmoedigheid te midden van en niettegenstaande al onze bedorvenheid, weerspannigheid, snoodheid en vreeselijke goddeloosheid; in liefde totChristusals een Zaligmaker zoo gepast voor onzen ellendigen toestand, als vuile bezoedelde verdoemeniswaardige ellendelingen; in liefde tot de beproefde,gekwelde en verzochtekinderen Godsals mede-lijders en mede-erfgenamen;in liefde totgezanten van Christusals boodschappers van goede tijding tot onze schuldige ziel, als tolken en uitleggers onzer bevinding, als uitdeelers van hemelsche verborgenheden en ontdekkers van de geheimen onzer harten (1 Cor. 14: 25); in liefde tot dewaarheidGods die ons vrij maakt; tot hetWoordGods,dat onze harten heeft ingenomen, en tot debeloftenGods, die ons van tijd tot tijd bemoedigd hebben.

Deze zijn slechts weinige van deinwendigevruchten welke de leerstellingen der genade geestelijk in onze zielen ontvangen, zonder eenigen twijfel voortbrengen.

Maar behalve deze zijn er ten tweedeuitwendige vruchten. De zoodanige zijn, afscheiding van eene goddelooze wereld, en afscheiding van eene belijdende wereld; eerlijkheid en vrijmoedigheid in de zaak derwaarheid; milddadigheid tot de armen en nooddruftigen van Gods volk; algemeene gelijkvormigheid van leven en omgang; afkeer van al de kunstgrepen van den handel, van leugens in ons beroep en bedrog in nering en hantering; afkeer van vleijen en gevleid te worden in één woord, een leven overeenkomstig de voorschriften en verorderingen des Evangelies.

Zoodanige zijn deinwendigeenuitwendigevruchten welke door de leerstellingen der genade aan de ziel toegepast door den gezegenden Geest worden voortgebragt. God zijnde de eenige fontein van leven, genade en vruchtbaarheid deelt der ziel die gebragt is in zijne gezegende tegenwoordigheid, om met Hem te wandelen, gemeenschap met Hem te hebben en toegang tot Hem te genieten, door dezen heiligen omgang, flaauwe blijken mede van gelijkvormigheid aan Hem.

En alzoo zijn, eeuwige verkiezing geopenbaard aan de ziel, persoonlijke zaligheid toegepast aan het hart, toegekerende geregtigheid verzegeld op het geweten en nimmer falende trouw van binnen bevestigd wel verre van tot losbandigheid te leiden, de eenige waarheden, die wezenlijke vruchten zullen voortbrengen. En integendeel, alle zelfverloochening, uitwendige heiligmaking, dooding des vleesches, lange gebeden, en alle de goede werken van de Arminiaansche catalogus zijn niets dan bedriegelijke namaaksels van de vruchten des Geestes en zullen daarom hunne misleide bezitters overlaten aan de regtvaardige wraak van Hem, die een verteerend vuur is.

AMEN.


Back to IndexNext