IV. De theevisite.

IV. De theevisite.Kleine Loe krijgt theevisite;Op het mooiste aangekleedZit ze in haar leuningstoeltje,Voor d’ ontvangst geheel gereed.Kleine Loe met haar poppen op theevisite.Op haar tafeltje staat alles.Op een blaadje ’t theeserviesHeel licht blauw met rozeknopjesEen geschenk van Tante Wies.Naast het blad op ’t tafelkleedje,Blauwe schaaltjes keurig net;Met gekleurde poppeschuimpjes,Bitterkoekjes en banket.Op heel kleine stoeltjes zitten:Joopje in ’t matrozenpak,Roosje in haar witte jurkjeBeiden heel op hun gemak.Voor de dames grooter stoelenNaast de kleintjes van de pop;Daarnaast staat een voetenbankjeEn daar zit het poesje op.O, daar komen de vriendinnenMet haar kindren op den arm.“Dag, Mevrouwtje, Wel hoe gaat het?Foei wat is ’t verbazend warm!”Zie je ’t nog gelukkig niet.Zie je ’t nog gelukkig niet.“Ja,” zegt Loe, “maar hier is ’t heerlijk,In de kamer is het koel—Gaat u zitten, lieve dames,Net voor ieder is een stoel.”“En, wat zal u nu gebruiken,Zeker wel een kopje thee?”—Heel graag, met veel melk en suiker.—Waarom kwam uw kind niet mee?”“Och,’t is ziek,” zucht Carolientje“Gist’ren brak ’t in eens zijn hoofd.”’k Heb zoo vreeselijk moeten schreien,Toen heeft Pa m’ een nieuw beloofd.”“Mijne heeft een arm gebroken.En dat is de schuld van Piet,”Zegt Phie, “maar met lange mouwenZie je ’t nog gelukkig niet.”“Ja, die broertjes zijn toch lastig,”Zegt heel neuswijs Antoinet.“Zoo gezellig onder meisjesHebben wij de meeste pret.”Tikketakke gaan de lepels,Suiker, melk en thee smaakt goed.Knibbelknabbel gaan de tandjes—En de meisjes zijn heel zoet.Zachtjes gaat de tuindeur open,Om een hoek gluurt broertje Bob.“Zeg, mag ik ook binnenkomen,Of heb jullie alles op?”Zachtjes gaat de tuindeur openZachtjes gaat de tuindeur openEn hij stapt parmantig binnen;Met hem komen Kees en Roel,Vragen ook, om thee met koekjesEn het wordt een dolle boel.”’k Wou nog wel een beetje suiker.”“Geef mij nog een kopje, Loe.”Bob en Kees en Roeltje likken,Eten nog een koekje toe.’t Duurt niet lang, of op is alles.Koekjes, melk en suiker, thee.—“Kom,” zegt Roeltje, “Nu den tuin in!”En de dames hollen mee.Romlig liggen nu de kopjesOp ’t bemorste tafelkleed,Waarvan poes de druppels opliktEn de koekjeskruimels eet.De verlaten poppekindrenStaren treurig voor zich uit,Want hun moeders stoeien buitenMet haar broertjes tot besluit.Twee poppen op stoel en poes op tafel.V. Barts Grootmoeder.Een vriendelijk thuis.“Bart! Bart, kom je? grootmoe roept je.” “Ja, ik kom hoor! kijk ereis Els, kijk, gaat ie niet fijn.”“Nou,” antwoordde Elsje met overtuiging. “Veel mooier dan die van Jaap laatst, niet?” Vergetend, waarom ze naar buiten kwam, bleef het kleine meisje met aandacht staan kijken naar den tol van haar broertje.“Nou, boodschap loopen?” vleide ze. Maar Bart had geen ooren voor haar en volgde aandachtig de beweging van den dikken, gelen tol, die zoo hard draaide, dat ’t leek of hij stil stond.“Kom, nou Bart,” vroeg Elsje weer, zich herinnerend “grootmoe zegt, dat je moet komen, om hout te hakken; anders gaat de kachel uit.” Meteen keerde ze zich om, huppelde terug naar het huisje bij den dijk en verdween in de kleine, groene deur.Grootmoe zat in een houten leunstoel, met de voeten op een krukje, voor de kleine potkachel, waarop een pan stond.Hoe vriendelijk keek ze op naar het kleine ding dat op haar toesprong. “Hij komt zoo.” zei Elsje, “brr, wat is het koud!”“Hij moet voortmaken,” antwoordde grootmoeder “anders is ie uit, als moeder thuis komt. Neen, blijf jij er maar af, kindje. Ik ben veel te bang voor brand.”staan kijken naar den tol.staan kijken naar den tol.“Ja,” zei Elsje. “U zou niet kunnen wegloopen, hè grootmoe?” en ze ging bij de oude vrouw staan en streek haar liefkoozend over de lamme beenen.“Maar ik dacht alleen aan jou, kindje,” antwoordde de goede vrouw en streek haar kleinkind over de zachte bruine haren. “Sla mijn doek even om en roep Bart nog eens; hij moet dadelijk komen.” Gewillig deed het vijfjarig meisje, wat grootmoe zei. “Toe dan Bart, dadelijk dan. De kachel gaat uit,” riep ze, zoo hard ze kon. Bart speelde op het straatje voor de deur: “Ach!”grauwde hij, “dat gezanik, ik kom immers al” nijdig pakte hij zijn tol op. “Wat heb ik aan een tol, als ik er niet eens even mee mag spelen. Wat is er nou,” gromde hij door, toen hij binnentrad. “Foei,” zei grootmoeder, “wat ben je norsch. Ik wou maar een paar houtjes voor de kachel; die wil je toch wel even halen.” “Ach,” bromde Bart, “dat gezeur altijd,” en met een boos gezicht ging hij het keukentje door, de achterdeur uit naar de schuur en koelde weldra zijn boosheid aan het hout, waarop hij flink los sloeg. Spoedig zong hij het hoogste lied er bij uit, een bewijs dat de tienjarige knaap, flinke longen en krachtige armen had. Met zijn armen vol hout kwam hij binnen en vulde de kachel bij, die weer begon te snorren.Elsje zat nu naast grootmoeder op een stoel, nam de aardappels aan, die zij schilde en wierp ze in den emmer met water: “Grootmoe vertelt, Bart,” zei ze. “Vertel u nu eens, waarom wij maar één grootmoeder hebben. Gisterenavond zei u, morgen zal ik ’t je zeggen,” zei Bart.“Goed, goed, ik zal ’t je vertellen.—Nou, je moet dan weten,” begon ze, “dat grootvader—jij hebt hem gekend, dien besten man.”—“Ja,” antwoordde Bart,“ik mocht altijd op zijn knie zitten en naar de scheepjes kijken, als ik met moeder en vader bij u kwam.” “Ik weet ’t niet meer,” zei Elsje. “Nee, jij was nog te klein,maar ik was al 7 jaar, toen grootvader dood ging.” Grootmoeder zuchtte: “Treurig, zoo treurig.” “Toen kon u nog loopen, hè grootmoe, langs ’t strand en met die groote ben met visch naar de stad. Ik weet ’t nog goed.” “Ja, je weet ’t nog goed,” bevestigde grootmoeder en veegde een traan af, die langs haar magere, bruine wang liep.“Maar toen ze je grootvader dood thuis brachten, toen ben ik zoo geschrokken en toen kon ik later niet meer loopen.” “Vertel u nou van die eene grootmoeder,” zei Bart.dan zocht hij schelpjes.dan zocht hij schelpjes.“Ja. Toen waren je vader en moeder nog heel klein. Zoo’n lieve, kleine dikzak, je vader; zoo lief en gezeggelijk. Hij speelde altijd in het tuintje voor het huis, daar kon hij de zee zien en de scheepjes; dan zocht hij schelpjes of kruide zand. Allemaal visschers woonden op onze rij en naast ons woonde Arie van Dobben en Elsje, die nog met ons hadden schoolgegaan. En die hadden zoo’n klein meiske Marijtje, jonger dan onze jongen en die twee speelden altijd samen. Zoo lief, ’t was een aardigheid.—Het was ook in ’t voorjaaren bar weer; al een paar dagen en nachten. Een storm! Die zee ging te keer. Je grootvader was thuis, maar Marijtjes vader nog niet. Op een morgen kwam het kleine ding binnenloopen, met een benauwd gezicht—Tante Bartje, moe roept, gauw! gauw!—Nou,—ik ging mee en de kinderen achter me aan. Daar lag die arme Els, benauwd en naar. Een andere buurvrouw om den dokter. Vader nam de kinderen mee en dienzelfden nacht stierf ze in mijn armen. Marijken bleef bij ons op haar vader wachten. Maar twee dagen later spoelde het wrakhout van de Elsa aan en haar vader kwam niet weer terug. Wat moest ’t arme kind? Natuurlijk hielden we het schaapje bij ons en ze wist later niet beter of ze was een zusje van Bart en Nelis en Anne en Mijntje, die later nog kwamen. En toen ze groot waren en vader in dienst was geweest en terug kwam en goed zijn brood had, als scheepstimmerman, nou—toen trouwde hij met Marijtje; en toen hadden ze samen maar één vader en moeder; begrijp je? en nou heb jelui alleen je grootje, dat dubbel van jelui houdt.”—“O,” zei Bart, “zie je nou wel. Jaap zei, dat het niet kon en moeder had het toch gezeid.” “Het kan; het is zoo en niet anders.” “En nou moeten we voor drie van u houden; dat doet moeder ook,” zei Elsje.“Ja, jelui moeder is een engel voor ons allemaal geweest. Zonder je moeder zou ik—”“O, is u weer bezig, moeder!”riep een vroolijke stem en een jonge vrouw met vriendelijk gezicht kwam de deur binnen. Ze trad dadelijk op grootje toe en kuste haar op het voorhoofd. Elsje sprong tegen haar open liet zich ook door haar zoenen. Bart zei alleen, “dag moeder,” en liep meteen weer naar buiten.“Bent u weer aan het vertellen en moet u me weer ophemelen!” vroeg moeder Lubbe aan de oude vrouw.“Nee, dat is nou maar gekheid. ’t Is de waarheid, kind. Je bent een zegen voor iedereen en ik dank den lieven Heer iederen dag, dat ik jou in huis heb genomen.”“En ik dan, wat zou ik geweest zijn zonder mijn goeie tweede moeder,” vroeg de jonge vrouw weer, terwijl ze haar goed afdeed en Elsje wat aanhaalde, die zich tegen haar aandrong.“Heb u de aardappelen al geschild?” vervolgde ze. “En waren de kinderen zoet. Was Bart gehoorzaam!”“Best hoor,” antwoordde grootmoeder, “en hoe was ’t met Mevrouw!” “O,’t gaat veel beter, maar ze mag nog niet loopen van den dokter en nou vroeg ze of ik morgen ochtend haar nog eens kwam helpen. Ze is jarig morgen en dan met de kinderen. Nou ik zeg, Mevrouw toen u nog een meisje was, hebt u ons zoo geholpen, ’t zou niet mooi wezen, als ik u nu niet hielp. U wil toch wel nog een dagje alleen blijven met de kinderen, Bart is nou toch thuis.” “Zeker, natuurlijk, voor zulke goeie menschen als Mevrouw van den burgemeester moet je ook wat overhebben. Ik zal me eigen wel redden met Bart. Wat bracht ze me niet altijd soepjes en lekkers, toen ik zoo ziek was en wat was ze blij, dat we hier ook kwamen wonen.” “Nou dat zeg ik ook,” antwoordde moeder weer. “Kom Elsje, help me gauw, als een kind. Breng de schillen naar de keuken, dan zal ik grootmoe helpen. Wat is ’t slecht weer en dat tegenPaschen, ik kon op den dijk haast niet blijven staan.” Elsje ging naar de keuken. Zij mocht de aardappels wasschen; op een stoof kon ze net bij de pomp. Bart speelde buiten met Krijn en Jaap, die in de andere twee huisjes woonden. Er stonden drie op het pad, dat schuin naar den dijk liep en aan den anderen kant in de weilanden uitkwam.Ik kon op den dijk haast niet blijven staan.Ik kon op den dijk haast niet blijven staan.Barts vader woonde er nog niet lang. Hij had werk gekregen op den werf in het dorp. De vaders van Krijn en Jaap waren boerenarbeiders. Krijn was 12 jaar en Jaap 13, maar ze gingen met hun drieën naar en van school in het dorp en mochten om twaalf uur bij Bartsvader op den werf hun boterham eten. Zoo speelden ze veel met elkander, al zaten ze niet in dezelfde klasse. Ze moesten wel een groot half uur loopen, dat was in den winter een heele tocht langs den dijk, maar ze waren gezond en flink. Bart zag wel een beetje tegen die groote jongens op, die nog al brutaal waren en wat vrijer, dan hij. Zijn vader en moeder keken nog al precies, die van de andere jongens letten niet zooveel op hen. Nu moest hij zijn nieuwen tol laten zien, dien hij van vader had gekregen, omdat zijn eerste gedragboekje op deze school zoo goed was geweest. Er liep voor elk huisje een stukje straat, daar kon je fijn op tollen, al was ’t wat smal.Onderaan den dijk had je niet zoo’n last van den wind, maar ze moesten toch soms schreeuwen om elkaar te verstaan. Ze pikten elkaar en lieten de tol in kuiltjes loopen en vermaakten zich, totdat moeder riep, dat Bart moest komen eten, omdat vader thuis was.“Het is een mooie tol, vader. Krijn en Jaap zeggen het ook,” was het eerste, wat Bart zei, toen hij binnen kwam.“Zoo komaan, gelukkig maar,” antwoordde vader, terwijl hij zijn handen wreef, en hij gaf Bart een klap op den schouder, “Au!” riep Bart. “U slaat zoo hard, met die groote handen.” “Groote handen,” zei vader lachend, “kijk Els! heeft vader groote handen! Geef me de vijf, meid, neen de tien. Samen in één hand van vader.” Elsje lachte en grootmoe lachte. “Vader is ook zoo sterk”zei ze, “en dat is maar goed ook.” “Kijk,” zei vader, tilde grootmoeder met stoel en al op en zettehaar bij de tafel. “Elsje is ook sterk,” zei het kleine ding, sjouwde de kruk, wipte grootmoes beenen er op en dekte ze weer toe.“Elsje is een braaf kind,” hernam vader, en tilde haar hoog in de lucht, tot ze het uitschaterde van pleizier.Toen gingen ze eten. “Morgen moeten jelui weer samen voor grootmoe zorgen,” zei moeder onder het opscheppen en vertelde aan vader, dat ze bij den burgemeester wat zou gaan helpen in de huishouding. “Mevrouw vond het wel wat erg, maar ik zei, toen u in ons dorp woonde, hebt u ons ook geholpen, is ’t niet.” “Je hebt gelijk hoor,” antwoordde vader, “’t zijn beste menschen, daar gaat niets van af. Wat zeit u, moeder.” “Ja, hoor,” antwoordde grootje.“Nou Bart, dan moet jij morgen er maar eens aan gelooven,” vervolgde vader weer. “Dat is ook lekker,” bromde Bart. “We zouen morgen naar Krijn zijn oom gaan in den polder, die heeft een groote boerderij en daar zijn allemaal kalveren en biggen.”“Tuut, tuut,” zei vader, “we zouen? Heb je het dan aan moeder gevraagd?”“Aan mij niet,” zei moeder.“Nou, ja, als u het goed vond,” bromde Bart.“Maar we vinden het niet goed. Het is wel jammer voor je, maar je kan nog wel een anderen dag. Je hebt nog na de Paasch ook vacantie. Grootmoe kan toch niet alleen blijven, wel?” “Och het is ook altijd,” begon Bart, maar voordat hij had uitgesproken zag hij grootmoeders gezicht en hoorde haar mompelen, “’t is jammer, voor je, maar, zie je,” en hij sloeg de oogen neer voor vaders blik, keek op zijn bord en zweeg.—“Het wordt nog slechter weer,” zei vader.“De wind staat recht op den dijk,” antwoordde moeder.“Geef je bord nog eens Bart, of lust je niet meer?”“Wij zijn den wind wel gewoon, hé moeder.” “Nou,” antwoordde grootje, “wij hebben heel wat storm meegemaakt, daar is dit niets bij.” En ze spraken verder over wind en storm en Bart zat stil te eten en dacht over morgen.Na het eten, terwijl moeder in de keuken de borden waschte en grootmoeder zat te breien aan een paar kniekousen met roode randen, die Bart zoo graag wou hebben, stoeide vader met zijn jongens, zooals hij Bart en Elsje noemde en klonk hun gelach en gejoel boven den wind uit, die toch luid om het huisje gierde en door den schoorsteen bulderde. Toen Elsje met een kleur als een boei in de bedstee in de keuken lag, zei ze wel even:“He, moesje hoor es, boe, boe gaat ’t. Mag de deur open blijven, tot ik slaap; ik ben bang voor dien wind.”“Ik zal ze op een kiertje zetten, hoor: ga maar gauw slapen. Straks komt Bart ook,” antwoordde moeder en stopte haar lekker toe. Vader las nog wat voor, totdat Bart ook naar bed moest en hij dacht niet aan morgen, voordat hij onder de dekens lag. “Wat moest hij tegen de jongens zeggen?” zoo viel hij in slaap.2. De verzoeking.Toen hij wakker werd, scheen de zon, “hè,”dacht Bart weer.—Prachtig weer, om uit te gaan. Zullie gaan natuurlijk.—Moeder kwam in de keuken, om water op ’t stel te zetten.“Zoo jongen, ben je wakker? Sta dan maar gauw op, dan kan je me helpen. Vader moet zoo weg.” “Morgen, Moe,” zei Bart en sprong het bed uit.—Als vader weg is—dacht hij—ga ik naar Krijn toe.Om half acht ging vader de deur uit. Eerst had hij grootmoe uit de bedstee getild en weer op haar stoel gezet; dat vond hij voor moeder te zwaar. Toen had Elsje in haar paars nachtjaponnetje nog even op zijn knie gezeten en een hapje met hem mee gegeten. Nu wuifde ze vader na door het zijraam, waarmee je op den dijk kon zien en waarvoor grootmoe ook zat. Bart was ook klaar met zijn boterham en toen vader uit het gezicht was, ging hij door de keuken de achterdeur uit, wip over het hekje van den kleinen moestuin en bij Krijn de achterdeur in. Baar stond Krijn bij zijn moeder in de keuken. “Ben je er al?” vroeg hij met zijn mond vol. “Moeder pakt me brood in.” “Heb je niets bij je,” vroeg Krijns moeder. “En moet je geen jas aan? ’t Is veel te guur en je krijgt nog wel regen ook.” Bart schudde van neen; hij had wel kunnen huilen: hij durfde niets zeggen, omdat hij zich niet goed kon houden. “Dag moeder,” zei Krijn en hij stapte de deur uit naar het huisje van Jaap.Op zijn knie gezeten.Op zijn knie gezeten.“Ik ga niet mee,” zei Bart nu bedrukt. “Hè, mag je niet, da’s gemeen,” was ’t antwoord, “je hoeft toch niet op je zusje te passen.”“Moeder is niet thuis vandaag,” antwoordde Bart. “Nou, je grootje is er toch. Wat zou dat? Kom ga maar mee!” “Grootmoeder kan niet alleen blijven,” antwoordde Bart terwijl hij zijn tranen inslikte.“Och, dat lamme mensch laat er ophoepelen,” antwoordde Krijn. Bart schrok er van; gelukkig dat vader en moeder ’t niet hoorden, anders zou hij niet meer met Krijn mogen loopen misschien. “Ze kan het toch niet helpen,” antwoordde hij aarzelend. “Is je vader al weg?” vroeg Krijn. “Ja,” knikte Bart. “Je moeder ook al?” “Neen, die nog niet.” “Nou, weet je wat, dan wachten we tot je moeder weg is en dan kom je stil door de achterdeur. Ze kan je toch niet naloopen.“Je bent ook zoo’n flauwerd. Ga nou gauw terug, dat je moeder niks merkt; ik wacht met Jaap bij de schuur.”Bart ging schoorvoetend naar huis terug. Zou hij dat doen? Als hij maar terug was vóór vader en moeder. Grootmoe zou ’t misschien niet eens vertellen. Ze kon nooit velen, dat vader erg knorde op hem. Zou hij het groot je vragen? Nee, dat toch maar niet; hij mocht niet van vader en moeder, dan zou grootmoe het ook niet willen.“Waar zat je toch?” vroeg moeder, toen hij de kamer weer binnen kwam. “Toe veeg jij even gauw de keuken aan en je zet om half vijf de aardappels op het stel. De boontjes staan in de pan, die moeten maar binnen op de kachel. Jelui brood staat klaar in de kast. Hoor es, wat steekt de wind weer op. Je mag blij wezen, dat je niet uit bent. De lucht is zoo donker geworden. Je moet maar niet buiten spelen ook, ga maar wat bouwen of lezen.”Bart deed wat moeder zei, zonder te antwoorden.“Nog iets moe?” vroeg hij, toen hij klaar was. “Neen, jongen. Ik ben ook klaar. Jongens, kijk eens!” Een hevige windvlaag deed het huisje schudden en de regen viel bij stroomen neer. “Kind, wat een weer,” zei grootmoeder. “Je mag je wel goed instoppen. Het was zoo mooi bedaard van morgen en nou begint het weer.”“Ja, ik zal maar gauw heengaan. Daar komt net de zon weer. Misschien hou ik het nog droog,” antwoordde moeder. “De lucht is anders pikzwart daar in de verte. ’t Is mooi lenteweer, hoor,” hernam grootmoe.“Nou, dag moeder, dag jongens. Lief zijn hoor. Misschienbreng ik wel wat lekkers voor jelui mee.” “Een paaschei moes,” vleide Elsje. “Misschien wel, als jelui zoet bent.”“Ik zal heel, heel zoet zijn, dag moesje,” zei Elsje.“Nou Bart en jij doet alles wat grootmoe zegt hoor.”Met hun drieën keken ze moeder na, die op den dijk zich nog eens omkeerde, naar de lucht wees en een leelijk gezicht trok.“Kijk, Moes rokken,” zei Elsje. “Straks waait haar doek nog weg. Zou ons huis niet om kunnen waaien?”“Wel nee,” zei Bart, “dat gebeurt nooit. Wel een pan van het dak.” “Dan wordt de zolder nat,” zei Elsje.Bart talmde en draaide wat. Hij durfde toch niet heengaan en ook niet tegen Krijn zeggen, dat hij niet kwam. Zou hij heengaan en grootmoe toch alleen laten met Elsje. En als ze hem zochten en grootmoe wist niet, waar hij was.—Elsje zou hem roepen.—Ze zou misschien naar het huisje van Krijn gaan.—“Moet je geen jas aan?”“Moet je geen jas aan?”“Hoor es, grootmoe, hè, alles schudt van den wind. En het is zoo donker,” merkte Elsje op.—Hij kon toch wel gauw terug komen. Hij hoefde alleen de aardappels op te zetten; de kachel brandde. Een schepje kolen kon Elsje er wel op gooien. Hij keek eens naar grootmoe. ’t Was toch naar, als je niet loopen kon. Hij wist nog, hoe grootmoe met de zware ben met visch liep en altijd in huis werkte. Toen hadden ze grootvader voor ’n paar jaar terug, dood thuis gebracht. Hij had andere menschen van een schip gered en toen een stuk wrakhout tegen zijn hoofd gekregen. Toen was grootmoeder erg ziek geworden en toen kon zeniet meer loopen. Moeder en vader zeien altijd, we moeten maar heel lief voor grootmoeder zijn.—Daar stonden Krijn en Jaap. Ze wenkten hem. “Moet u niet lezen, grootmoe,” vroeg Bart. “Ja,” zei grootmoeder, “dat is goed” en Bart bracht haar haar bril en haar boek. Elsje speelde met haar pop en wagentje. Het duurde niet lang of grootmoeder zat met het boek op schoot, geheel verdiept in het lezen, bij wijzend met den vinger en halfluid spellend. Bart kon nu best ongemerkt door de keuken weg gaan. Heel zachtjes deed hij de achterdeur open. Bulderend sloeg de wind naar binnen, gauw de deur dicht! Brr, wat was het koud. Krijn liep al op hem af. “Nou vooruit! wat laat je ons lang wachten. Moet je geen jas aan, heb je je brood?” Hij dacht niet anders of Bart ging mee. “Hij heb em stikum gesmeerd, natuurlijk,” lachte Jaap. “Heb ’t lamme, ouwe wijf ’t niet in de gaten gehad?” dat was Bart toch te kras. Hij schaamde zich, dat ze het tegen hem durfden zeggen, draaide zich om en snauwde: “ga jelui maar alleen hoor.” “Toe nou, flauwerd,” riep Krijn hem nog na, maar hijliep nog wat harder en verdween weer in de keuken. “Mispunt! lafferd!” hij hoorde het haast niet door den wind en trok de deur met een smak dicht. “Wat een slag,” zei grootmoe, “was je aan de buitendeur.” “Eventjes,” antwoordde Bart verlegen. “Nou, blijf maar binnen, hoor, het is veel te slecht weer.”3. De dijkbreuk.Het was net of de wind weer erger te keer ging. Weer begon het te regenen. “Foei, foei!” zei grootmoe en schudde het hoofd. “Wat spookt het.” Bart antwoordde niet meer; hij kreeg de kindercourant uit de kast, ging aan de tafel zitten met zijn handen onder zijn hoofd en zijn vingers in zijn ooren. Hij hoorde niets meer of deed net, of hij niets hoorde. Grootmoeder vervolgde haar lezing. Elsje zat naast haar voor het raam met haar pop op schoot en keek naar buiten, naar de koeien en paarden, die met dekken om al in het land liepen. Er kwam geen mensch meer over den dijk. Het werd maar steeds donkerder. Bart kon haast niet meer lezen bij de tafel. Zwarte wolken pakten zich samen en joegen in groote vaart door de lucht. Weldra kletterde de regen in stroomen neer, zoodat je haast niet in de verte kon zien. De wind nam in hevigheid toe en bulderde en gierde dat Elsje er bang van werd.Ze trok grootje aan haar mouw. “Grootmoe,” zei ze zacht. “Het is hier zoo stil en de wind schreeuwt zoo hard.”Grootmoeder legde haar boek op het tafeltje, datnaast haar stoel stond en trok Elsje naar zich toe. “Zal ik je eens wat vertellen?” zei ze vriendelijk. “Je moet niet bang zijn voor den wind. Jongens, jongens, ’t is wel heel erg,” vervolgde ze, toen een nieuwe windvlaag alles rammelen deed en de kachel ineens rood verfde.“Bart, doe het schuifje wat dicht. Bartje!” riep ze.Bart stond op en temperde de kachel wat. “Het waait ineens weer harder,” zei hij en ging ook bij het zijraam staan, om uit te kijken.Anders zag je nog wel menschen op het land bezig; nu was er niemand. De paarden en koeien waren bij elkaar gekropen, zoo dicht mogelijk tegen den dijk aan onder een groepje boomen, wat hen nog wel niet tegen den regen beschutten kon, maar zeker wel tegen den wind. Niemand op den dijk te zien. Wat joegen die wolken door de lucht, net of ze mekaar achterna zaten. Brr, het was griezelig weer. “We konden de lamp wel opsteken, grootmoe,” zei Elsje, “’t is zoo donker. Hè, ik word er bang van.” Ze drukte haar hoofdje tegen grootmoe aan en gluurde onder de haren door angstig naar buiten.“Grootmoe, kijk u eens,” riep Bart opeens. “Wat is dat daar tusschen het gras. Kijk, allemaal kletsnat van den regen, ’t lijkt wel een sloot.”“Ja,” antwoordde grootmoe, “het regent ook zoo, ’t lijkt wel groote schoonmaak daarboven. De grond kan het niet ineens verzwelgen.” “Kijk grootmoe, er komen golfjes in, hè, hoor es!” “Kom hier maar,” zei Grootmoe verschrikt door de vreeselijke windvlaag.—“De ruit kon wel eens inwaaien. Ga er niet zoo dichtbij staan. Hier kan je ook kijken.”“Het water komt al verder. Straks kan moeder er niet eens door als ze thuis komt,” merkte Bart op.“Welnee,” zei grootmoe, “dat duurt nog zoo lang. Als de regen temet ophoudt, trekt het wel weer weg.”“Anders moet ze maar een schuitje nemen, er zijn wel bij vader op de werf,” zei Bart weer, schertsend.“Het zakt zóó wel,” stelde grootmoeder gerust.“Maar nou nog niet. Het komt verder. Kijk die koeien, ’t is net of ze wegzinken in den grond. Ze probeeren weg te loopen, maar ze kunnen niet. Kijk, het paard wil tegen den dijk op. Wat spat dat water. Het gaat er onder, Grootje, ze verdrinken geloof ik.” Bart drong weer naar het raam, om beter te zien. “Het water staat tot aan het straatje en het golft tegen den dijk op, het komt al dichter bij.”“Grootmoe, kijk u eens!”“Grootmoe, kijk u eens!”“Och, jongen, ’t is toch niet zoo?” vroeg grootje wat angstig en zachtjes zei ze: “Er zal toch geen gat in den dijk geslagen zijn.” “Ga es kijken door het keukenraam,”vervoegde ze tegen Bart, “of het aan den anderen kant ook zoo is, bij Krijn zijn huis.” Donderend geweld in den schoorsteen, gieren en blazen, rammelen van de ruiten, allerlei onheilspellende geluiden. Elsje begon te snikken. “Lieve Heer!” stamelde grootmoeder, “het zal toch niet zoo zijn!”“Ik hoor schreeuwen,” zei Bart, “hoort u het ook?”“Dat is de wind,” antwoordde grootmoe. “Neen,” zei Bart, “toch niet” en hij ging naar de keuken, om daar door het raam te kijken, waar hij Krijns huis zien kon. Daar zag hij Krijns moeder met de rokken hoog opgeschort, op iederen arm een kind, ze trachtte tegen den wind op te komen en waadde tot de knieën door ’t water. “Vrouw Lubbe! vrouw Lubbe!” gilde ze, zoo hard ze kon. “Kom dan! het water!” meer kon Bart niet hooren. Daar kwam Jaaps moeder ook met kleine Koosje op den eenen en den hond onder den anderen arm. Ze gleden haast uit, maar ze liepen toch door en gingen naar den dijk toe. Bart trilde van angst. Wat moest hij doen. Grootmoe! zijn bloed stond stil van schrik. Het was vast niet van den regen. Het leek wel een rivier en het bruiste en golfde en kwam hooger en hooger. Bart keerde zich om. Was het verbeelding? Nee, toch niet, daar door de keukendeur, daar kwam het water met kleine golfjes naar binnen. Gauw, gauw, hij moest naar grootmoe. Nog was het droog tot bij de deur van de kamer; hij gooide de deur open. Rillend stond hij daar en kon haast niet spreken.“Grootje, grootje,” snikte hij, “het water staat in de keuken. Krijn en Jaap hun moeders zijn weggeloopenen wij zijn hier alleen,” snikkend viel hij grootmoeder om den hals. “Och Heere, Heere!” bad de oude vrouw, “loop gauw, neem Elsje mee, misschien kan je er nog door, gauw! gauw dan! Het is toch een gat in den dijk.””’t Kan niet grootmoe, en u dan,” vroeg Bart, en klemde zich aan haar vast. “Ga, Bart, voor het te laat is,” antwoordde grootje met trillende lippen. Maar het was al te laat. Daar kwam het water ook door de andere deur het kamertje in. “O Hemelsche Vader, help ons,” kreet de arme oude vrouw, “de kinders, de kinders! mijn arme Marijke, mijn goeie jongen, wat een verdriet!” en wanhopig vouwde ze haar handen. Elsje was op haar schoot geklommen, Bart zat op een stoel. Half versuft keken ze naar het water, dat maar aldoor naar binnen liep en al hooger en hooger steeg.“Grootje, kan het zoo hoog komen, dat we—dat we verdrinken?”vroeg Bart opeens en wachtte vol angst op het antwoord. “Ik weet ’t niet, jongen, ’t is in korten tijd zoo gestegen. Ik weet het niet. Mijn arme kinders!”4. Een flinke jongen.“Grootje, we moeten naar den zolder,” riep Bart, “zoo hoog komt het vast niet.” Meteen trok hij zijn kousen uit en stroopte zijn broeken op. “Gauw Elsje op mijn rug.” “Neen, neen, grootmoe nee!” kreet Elsje, maar nu zei grootmoeder streng. “Elsje moet met Bart mee gaan en zoet zijn.” “Komt grootmoe dan ook?” vroeg ze nog en liet zich wegdragen, door de kameren de keuken naar het laddertje, dat naar den zolder voerde. “Ik ben zoo bang,” schreide Elsje, “ik durf niet op den zolder.” “Stil nou,” zei Bart, “grootmoe komt ook. Wees nou zoet, ga even zitten, ik kom zoo terug.” Maar Elsje was bang, ze trapte op den vloer en gilde van angst en wilde de ladder weer af met Bart mee. “Ga je weg,” zei Bart, “je blijft daar, hoor!” en hij duwde haar weg en holde de ladder af, weer naar de kamer terug. “Grootmoe, ga op mijn rug zitten, gauw, ik ben sterk. Kijk het water is al zoo hoog. U zal verdrinken, toe dan,” smeekte hij. “Nee jongen, het is te zwaar, je zou omvallen en zelf omkomen, ga naar Elsje. God behoede je, mijn jongen.” Ze zoende Bart op beide wangen. De tranen sprongen in zijn oogen.Elsje moet met Bart meegaan.Elsje moet met Bart meegaan.“Het moet grootmoe, wat zouden vader en moeder zeggen? Gauw dan, voor het te laat is.” Hij pakte grootmoeders beenen en zij gaf zich eindelijk gewonnen. “Mijn beste jongen,” stamelde ze, “’t zal niet gaan, het zal niet gaan.” “Goed vasthouden, zoo, ja, vasthouden hoor, daar gaat het.” Grootmoeder zat op zijn rug, hij; wankelde even, maar bleef toch staan, boogzich voorover en voorzichtig, voetje voor voetje, ging hij naar de keuken met zijn lieven last. Grootmoeders rokken bengelden in het water, werden drijfnat, daar kon hij niets aan doen.“Goeie jongen, mijn lieve jongen,” mompelde grootje. “Gaat ’t wel? het is te zwaar.” Bart kon niet antwoorden. Hij zag vuurrood, maar kwam toch bij de ladder. Grootje pakte nu zelf de sporten beet en Bart hield zich ook stevig vast.“Grootmoe, grootmoe,” stond Elsje te roepen en stak haar handjes al uit, om ook te helpen. Daar was zij bij het luik. Nog een flinken zet. Grootmoe was op den zolder, waar Elsje dadelijk haar armpjes om grootmoeders hals sloeg.“Wat ga je doen Bart, blijf hier!” riep grootmoe buiten adem van de inspanning. Bart ging de ladder weer af. “Ik kan er nog door, ik haal nog een paar dekens en kleeren, anders heeft u het te koud.” “Och jongen, je verdrinkt, kom terug.”“Neen, ik kom terug, dadelijk, ik ben nou toch nat,” zei Bart en waadde door de keuken naar de bedstee. Twee dekens en een kussen haalde hij er uit en laadde het op zijn hoofd. Toen greep hij zijn jas en grootmoe’s Zondagsche japon. Allemaal op zijn hoofd, zoo ging hij terug. Het water kwam nu over zijn middel. De blokken van zijn bouwdoos dreven er op en grootmoeders stoel hobbelde heen en weer. “Bart! Bart dan toch!” riepen grootmoeder en Elsje. “Ja, ik kom.” Daar was hij weer bij de ladder. Elsje pakte al wat aan en sleepte het naar boven.“Niet weer—naar—beneden,” hakkelde grootje,al bibberend van koude en angst. “Doedat natte goed uit.” “Ja, ik heb mijn jas en hier is uw japon.” Bart deed zijn natte goed uit en trok de jas aan, toen hielp hij grootmoeder en legde de natte kleeren in een hoek. Hij spreidde één deken op den grond, legde het kussen er op en samen trokken de kinderen grootmoe op de deken. Toen dekten ze haar met de andere deken toe.“Kruip u er maar goed onder, dat u warm wordt.”“Jelui ook,” klappertandde grootje en de kinderen kropen dicht tegen haar aan onder de deken.De wind bulderde maar door en beneden hoorde je het klotsen van het water.“Nou komt het water toch niet meer,” zei Elsje,“neen hè?” “Wel nee,” zei Bart, “zoo hoog niet. Wat zullen moeder en vader wel denken. Ik zal wat uit het raam hangen, dan zien ze, dat we hier zijn. Zoo’n handdoek, hè grootmoe,” vroeg Bart.De oude vrouw kon niet praten, ze knikte maar.Bart trok een handdoek van de drooglijn. Er lag een stukje touw, dat deed hij in de lus. Heel voorzichtig, maakte hij het openslaande raam een eindje los en liet den handdoek naar buiten waaien, het touwtje deed hij in den ring van het haakje. Toen gauw het raam weer dicht.“Trek—zoo’n—paar—kousen aan,” hakkelde grootmoe weer, “en zoo’n broek, die zijn wel droog.” Ja, ze waren droog. Gelukkig maar. Bart trok den broek en kousen van de lijn aan en kroop weer bij grootmoe onder de deken. Nu waren ze een poos stil.“Ik heb honger,” zei Bart. “Jongen,” grootmoe aaide hem liefkoozend over het hoofd. Als hij nu toch eensweggegaan was met Krijn en Jaap. Dan zouden grootmoeder en Elsje zeker verdronken zijn. Hij rilde er van.—“Komt vader nog niet,” vroeg Elsje.“Ja, vader komt straks. Hij komt ons vast halen.”“Ja, ja,” knikte grootje, “vader komt ons halen.”—5. Voldoening.Bart had geen rust. Hij ging weer eens naar het venster. Het regende niet meer, maar je zag alleen water en hier en daar stak een punt of een boom een eindje uit. Het was een troosteloos gezicht. Een schuitje zag hij niet. Toen ging hij naar het luik. “Hier blijven,” riep grootje.“Ja, ik ga niet naar beneden, eventjes kijken.” Nog één sport van de ladder kwam er uit. Als het nu toch nog eens tot den zolder kwam. “Och nee, dat mocht niet. Toe vader kom dan toch.” Weer naar het venster. De wind leek wel wat te bedaren. Wat was dat in de verte. Hoorde hij klokken luiden. Ja, en dat daar, was ’t een schuitje. “Ja, ja! grootje daar komt vader! Ik zie een schuitje,” juichte Bart. Hij gooide het venster open en riep zoo hard hij kon: “Vader, vader!”Ze konden hem nog niet hooren in het schuitje en hij kon niet zien, of het vader was. Nu zag hij drie menschen. Eén stond overeind, twee roeiden heel hard. Ja, het was vader! en moeder stond.“Moeder! Vader!” gilde hij. Elsje stond nu naast hem en riep ook mee en moeder stak de armen omhoog on riep: “Bartje, Elsje!” “Alle drie,” riep Bart terug.“Grootje!” riep vader. “Ja, ook, grootje ook!”“God zij dank,” zei vader en liet de riemen los. Ze waren nu met het bootje vlak voor het zoldervenster.“Voorzichtig nou, wacht even,” riep vader tegen moeder, die schreiend naar boven greep en niet bemerkte, dat het bootje opzij ging. Toen heesch vader zich tegen het raam omhoog en sprong naar binnen. Hij drukte de kinderen in zijn armen, terwijl hij den zolder rond keek. “Moeder,” riep hij, “ik kom.” Hier pak aan! vervolgde hij tot den anderen man en reikte Elsje uit het raam aan, die dadelijk in moeders armen vloog.“Mijn schat, mijn engel,” zei moeder. Bart klom zelf naar beneden en werd ook opgevangen.“Jongen, beste jongen,” zei moeder en zoende hem.“Kalm aan,” zei de man “ga zitten, achteraan. De oude vrouw moet hier in het midden.” “Hier, doe om,” zei moeder en pakte beide kinderen in doeken, die ze bij zich had. Daar stond vader al met grootje in de deken gewikkeld.“Voorzichtig aan nu. Hou het schuitje wat tegen, vrouw Lubbe. Wacht, eerst het touw daarom! Zoo! Ja, geef haar nu maar aan. Zitten blijven, jongens! Wees maar niet bang, het gaat goed zoo.” Eén schok, daar zat grootje, tegen moeder aan op het middelste bankje. Vader gooide de andere deken ook in het schuitje, sprong er toen zelf in en nam de riemen weer. “De Heer zij gedankt,” stamelde grootmoeder, terwijl moeder de haren uit haar oogen streek en snikte, “Arme moeder, hoe bent u boven gekomen?”“Bart,” zei grootmoeder. “Bart heeft me gedragen.”“Goed zoo,” zei vader. “Brave jongen,” zei de andere man, en moeder knikte hem toe, maar Bart zei niets. Hij hield Elsje stijf vast en keek naar het huisje, en dacht: “Als ik toch eens was weg geloopen.”Een kop heerlijke bouillon.Een kop heerlijke bouillon.Heel voorzichtig stuurden de beide mannen de kleine boot die soms stootte tegen een boompje of een paal.Uitstekende boomen wezen den weg naar de sloot. Toen ze die eenmaal bereikt hadden, ging het sneller voort. Moeder schreide en aaide grootje af en toe en knikte haar en de kinderen toe. Daar zag het zwart van menschen in de verte. “Hoo ie hoo!” schreeuwde vader en zwaaide met zijn pet. Een luid gejuich steeg op, uit de menigte. “Ze zijn gered,” riep men elkaar toe. “De oude vrouw ook,” zei Krijns moeder die vooraanstond en dadelijk Elsje aanpakte. Meteen staken allen de handen uit. Iedereen wilde helpen en grootje aanpakken. “Nee,” zei vader, “dank jelui wel hoor. Ik zal moeder dragen.” Bart werd ook opgetild; een man droeg hem het dorp in. Als een loopend vuurtje ging het van mond tot mond. “Hij heeft zijn grootmoeder gered!”en in menig oog blonk een traan. Vergezeld van een groote menigte ging het in optocht naar het huis van den burgemeester. De goede burgervader liep vooruit en opende de deur. “Hierheen met je moeder, Lubbe. Breng haar naar boven, ze moet naar bed, anders wordt ze nog ziek.—Droge kleeren,” antwoordde de burgemeester, toen het dienstmeisje, dat met een warme kruik kwam aandragen, hem vroeg of er nog iets anders moest zijn. “Ga jelui gauw aan moeder zeggen, dat ze allemaal gered zijn,” vervolgde hij tegen zijn jongens, die ook kwamen kijken, en op dit gezegde dadelijk vroolijk naar binnen vlogen. Grootmoeder en Bart werden naar boven gedragen, van droge kleeren voorzien en in bed gestopt. Toen bracht het dienstmeisje hun een kop heerlijke bouillon en een paar boterhammen met koffie, wat ze zich allemaal best lieten smaken. Daarna moesten ze wat slapen, “dat was goed voor de schrik en alles,” zei moeder, die eerst met Elsje bij de Burgemeestersche was binnen geweest en nu kwam kijken bij grootje en Bart. Ze stopte haar jongen er eens goed onder en zoende hem hartelijk. “Mijn beste jongen,” zei ze. Plotseling sprong Bart overeind, sloeg zijn armen om moeders hals en hevig snikkend bracht hij er hortend en stootend uit. “Ik-had-stil-met Krijnen Jaap-willen-meegaan. Ik zal-het-nooit weer doen.” Eerst begreep moeder het niet en dacht, dat hij wat in de war was van alle angst. Ze was al vergeten, dat hij naar dien oom van Krijn zou gaan, maar toen werd het haar opeens duidelijk en ook zij stelde zich plotseling voor, wat er dan van moeder en Elsje had moeten worden. Ze werd er bleek van, maar zei alleen: “Gelukkig jongen, dat je het niet deed. Alles is nu goed. Ga gauw wat slapen, grootmoeder is al onder zeil.” Nogmaals kuste ze hem en met de tranen nog op de wangen viel hij in slaap.Hij droomde van water en nog eens water. Zag grootje er in zakken, zooals de koeien en paarden Elsje riep om hulp, maar hij kon niet bij haar komen want Krijn en Jaap hielden hem vast en riepen;“Wat geef je er om, ga mee!”Hij wilde zich losrukken en vloog overeind. Met verwilderde oogen keek hij rond niet dadelijk beseffend, waar hij was.Moeder stond met een heer voor zijn bed.“Zoo, heb je lekker geslapen, ventje? Ik zou er hem maar een dagje in houden.” Het was de dokter, zag hij nu. Hij werd beklopt en beluisterd en moest toen weer gaan liggen.Toen moeder den dokter had uitgelaten en weer bij het bed kwam, vroeg hij, hoe lang hij had geslapen.Bart voelde zich gelukkig.Bart voelde zich gelukkig.“Het is goede Vrijdag,” zei moeder, “gisteren middag ben je in slaap gevallen en morgen mag je er weer uit.” “En grootmoeder?” “Is ook in bed gebleven vandaag, maar ze is best hoor. Kijk ereis wat ik hier voor je heb. Een paar heerlijke boterhammen, eengroot stuk taart en een glas lekkere melk.”Dat smaakt overheerlijk. “Gaan we nu niet weer naar huis, moeder. Hoe is het met ons huis?” vroeg Bart.“O, het water daalt al, maar we zullen er vooreerst niet in kunnen. Wij zijn zoolang bij Jansen in en morgen komen Grootje en jij er ook en met Paschen gaan we met ons allen naar tante Mijntje, waar grootje zal blijven, totdat ons huis weer in orde is.”—“Het is jammer van alles. Zou het allemaal bedorven zijn?” vroeg Bart.“Dat hindert minder,” antwoordde vader, die ook eens naar hem kwam kijken. “Jelui bent allemaal gered en er is niemand omgekomen. Alleen eenige koeien en paarden. Arme dieren! en een paar varkens nog. We hebben den geheelen nacht doorgewerkt, maar nu is de dijk ook gestopt. Het zal nog wel een tijdje duren, eer we weer in huis kunnen en er zal misschien wel een en ander bedorven zijn, maar wij zijn nog allemaal bij elkaar. En wat ik ook zoo heerlijk vind, onze Bart heeft bewezen, dat hij een flinker jongen is, dan hij zelf heeft gedacht.”Ook vader zoende zijn jongen en Bart voelde zich gelukkig. “Die lieve, beste grootmoeder” mompelde hij.

IV. De theevisite.Kleine Loe krijgt theevisite;Op het mooiste aangekleedZit ze in haar leuningstoeltje,Voor d’ ontvangst geheel gereed.Kleine Loe met haar poppen op theevisite.Op haar tafeltje staat alles.Op een blaadje ’t theeserviesHeel licht blauw met rozeknopjesEen geschenk van Tante Wies.Naast het blad op ’t tafelkleedje,Blauwe schaaltjes keurig net;Met gekleurde poppeschuimpjes,Bitterkoekjes en banket.Op heel kleine stoeltjes zitten:Joopje in ’t matrozenpak,Roosje in haar witte jurkjeBeiden heel op hun gemak.Voor de dames grooter stoelenNaast de kleintjes van de pop;Daarnaast staat een voetenbankjeEn daar zit het poesje op.O, daar komen de vriendinnenMet haar kindren op den arm.“Dag, Mevrouwtje, Wel hoe gaat het?Foei wat is ’t verbazend warm!”Zie je ’t nog gelukkig niet.Zie je ’t nog gelukkig niet.“Ja,” zegt Loe, “maar hier is ’t heerlijk,In de kamer is het koel—Gaat u zitten, lieve dames,Net voor ieder is een stoel.”“En, wat zal u nu gebruiken,Zeker wel een kopje thee?”—Heel graag, met veel melk en suiker.—Waarom kwam uw kind niet mee?”“Och,’t is ziek,” zucht Carolientje“Gist’ren brak ’t in eens zijn hoofd.”’k Heb zoo vreeselijk moeten schreien,Toen heeft Pa m’ een nieuw beloofd.”“Mijne heeft een arm gebroken.En dat is de schuld van Piet,”Zegt Phie, “maar met lange mouwenZie je ’t nog gelukkig niet.”“Ja, die broertjes zijn toch lastig,”Zegt heel neuswijs Antoinet.“Zoo gezellig onder meisjesHebben wij de meeste pret.”Tikketakke gaan de lepels,Suiker, melk en thee smaakt goed.Knibbelknabbel gaan de tandjes—En de meisjes zijn heel zoet.Zachtjes gaat de tuindeur open,Om een hoek gluurt broertje Bob.“Zeg, mag ik ook binnenkomen,Of heb jullie alles op?”Zachtjes gaat de tuindeur openZachtjes gaat de tuindeur openEn hij stapt parmantig binnen;Met hem komen Kees en Roel,Vragen ook, om thee met koekjesEn het wordt een dolle boel.”’k Wou nog wel een beetje suiker.”“Geef mij nog een kopje, Loe.”Bob en Kees en Roeltje likken,Eten nog een koekje toe.’t Duurt niet lang, of op is alles.Koekjes, melk en suiker, thee.—“Kom,” zegt Roeltje, “Nu den tuin in!”En de dames hollen mee.Romlig liggen nu de kopjesOp ’t bemorste tafelkleed,Waarvan poes de druppels opliktEn de koekjeskruimels eet.De verlaten poppekindrenStaren treurig voor zich uit,Want hun moeders stoeien buitenMet haar broertjes tot besluit.Twee poppen op stoel en poes op tafel.

Kleine Loe krijgt theevisite;Op het mooiste aangekleedZit ze in haar leuningstoeltje,Voor d’ ontvangst geheel gereed.

Kleine Loe krijgt theevisite;Op het mooiste aangekleedZit ze in haar leuningstoeltje,Voor d’ ontvangst geheel gereed.

Kleine Loe krijgt theevisite;

Op het mooiste aangekleed

Zit ze in haar leuningstoeltje,

Voor d’ ontvangst geheel gereed.

Kleine Loe met haar poppen op theevisite.

Op haar tafeltje staat alles.Op een blaadje ’t theeserviesHeel licht blauw met rozeknopjesEen geschenk van Tante Wies.

Op haar tafeltje staat alles.Op een blaadje ’t theeserviesHeel licht blauw met rozeknopjesEen geschenk van Tante Wies.

Op haar tafeltje staat alles.

Op een blaadje ’t theeservies

Heel licht blauw met rozeknopjes

Een geschenk van Tante Wies.

Naast het blad op ’t tafelkleedje,Blauwe schaaltjes keurig net;Met gekleurde poppeschuimpjes,Bitterkoekjes en banket.

Naast het blad op ’t tafelkleedje,Blauwe schaaltjes keurig net;Met gekleurde poppeschuimpjes,Bitterkoekjes en banket.

Naast het blad op ’t tafelkleedje,

Blauwe schaaltjes keurig net;

Met gekleurde poppeschuimpjes,

Bitterkoekjes en banket.

Op heel kleine stoeltjes zitten:Joopje in ’t matrozenpak,Roosje in haar witte jurkjeBeiden heel op hun gemak.

Op heel kleine stoeltjes zitten:Joopje in ’t matrozenpak,Roosje in haar witte jurkjeBeiden heel op hun gemak.

Op heel kleine stoeltjes zitten:

Joopje in ’t matrozenpak,

Roosje in haar witte jurkje

Beiden heel op hun gemak.

Voor de dames grooter stoelenNaast de kleintjes van de pop;Daarnaast staat een voetenbankjeEn daar zit het poesje op.

Voor de dames grooter stoelenNaast de kleintjes van de pop;Daarnaast staat een voetenbankjeEn daar zit het poesje op.

Voor de dames grooter stoelen

Naast de kleintjes van de pop;

Daarnaast staat een voetenbankje

En daar zit het poesje op.

O, daar komen de vriendinnenMet haar kindren op den arm.“Dag, Mevrouwtje, Wel hoe gaat het?Foei wat is ’t verbazend warm!”

O, daar komen de vriendinnenMet haar kindren op den arm.“Dag, Mevrouwtje, Wel hoe gaat het?Foei wat is ’t verbazend warm!”

O, daar komen de vriendinnen

Met haar kindren op den arm.

“Dag, Mevrouwtje, Wel hoe gaat het?

Foei wat is ’t verbazend warm!”

Zie je ’t nog gelukkig niet.Zie je ’t nog gelukkig niet.

Zie je ’t nog gelukkig niet.

“Ja,” zegt Loe, “maar hier is ’t heerlijk,In de kamer is het koel—Gaat u zitten, lieve dames,Net voor ieder is een stoel.”

“Ja,” zegt Loe, “maar hier is ’t heerlijk,In de kamer is het koel—Gaat u zitten, lieve dames,Net voor ieder is een stoel.”

“Ja,” zegt Loe, “maar hier is ’t heerlijk,

In de kamer is het koel—

Gaat u zitten, lieve dames,

Net voor ieder is een stoel.”

“En, wat zal u nu gebruiken,Zeker wel een kopje thee?”—Heel graag, met veel melk en suiker.—Waarom kwam uw kind niet mee?”

“En, wat zal u nu gebruiken,Zeker wel een kopje thee?”—Heel graag, met veel melk en suiker.—Waarom kwam uw kind niet mee?”

“En, wat zal u nu gebruiken,

Zeker wel een kopje thee?”—

Heel graag, met veel melk en suiker.—

Waarom kwam uw kind niet mee?”

“Och,’t is ziek,” zucht Carolientje“Gist’ren brak ’t in eens zijn hoofd.”’k Heb zoo vreeselijk moeten schreien,Toen heeft Pa m’ een nieuw beloofd.”

“Och,’t is ziek,” zucht Carolientje“Gist’ren brak ’t in eens zijn hoofd.”’k Heb zoo vreeselijk moeten schreien,Toen heeft Pa m’ een nieuw beloofd.”

“Och,’t is ziek,” zucht Carolientje

“Gist’ren brak ’t in eens zijn hoofd.

”’k Heb zoo vreeselijk moeten schreien,

Toen heeft Pa m’ een nieuw beloofd.”

“Mijne heeft een arm gebroken.En dat is de schuld van Piet,”Zegt Phie, “maar met lange mouwenZie je ’t nog gelukkig niet.”

“Mijne heeft een arm gebroken.En dat is de schuld van Piet,”Zegt Phie, “maar met lange mouwenZie je ’t nog gelukkig niet.”

“Mijne heeft een arm gebroken.

En dat is de schuld van Piet,”

Zegt Phie, “maar met lange mouwen

Zie je ’t nog gelukkig niet.”

“Ja, die broertjes zijn toch lastig,”Zegt heel neuswijs Antoinet.“Zoo gezellig onder meisjesHebben wij de meeste pret.”

“Ja, die broertjes zijn toch lastig,”Zegt heel neuswijs Antoinet.“Zoo gezellig onder meisjesHebben wij de meeste pret.”

“Ja, die broertjes zijn toch lastig,”

Zegt heel neuswijs Antoinet.

“Zoo gezellig onder meisjes

Hebben wij de meeste pret.”

Tikketakke gaan de lepels,Suiker, melk en thee smaakt goed.Knibbelknabbel gaan de tandjes—En de meisjes zijn heel zoet.

Tikketakke gaan de lepels,Suiker, melk en thee smaakt goed.Knibbelknabbel gaan de tandjes—En de meisjes zijn heel zoet.

Tikketakke gaan de lepels,

Suiker, melk en thee smaakt goed.

Knibbelknabbel gaan de tandjes—

En de meisjes zijn heel zoet.

Zachtjes gaat de tuindeur open,Om een hoek gluurt broertje Bob.“Zeg, mag ik ook binnenkomen,Of heb jullie alles op?”

Zachtjes gaat de tuindeur open,Om een hoek gluurt broertje Bob.“Zeg, mag ik ook binnenkomen,Of heb jullie alles op?”

Zachtjes gaat de tuindeur open,

Om een hoek gluurt broertje Bob.

“Zeg, mag ik ook binnenkomen,

Of heb jullie alles op?”

Zachtjes gaat de tuindeur openZachtjes gaat de tuindeur open

Zachtjes gaat de tuindeur open

En hij stapt parmantig binnen;Met hem komen Kees en Roel,Vragen ook, om thee met koekjesEn het wordt een dolle boel.

En hij stapt parmantig binnen;Met hem komen Kees en Roel,Vragen ook, om thee met koekjesEn het wordt een dolle boel.

En hij stapt parmantig binnen;

Met hem komen Kees en Roel,

Vragen ook, om thee met koekjes

En het wordt een dolle boel.

”’k Wou nog wel een beetje suiker.”“Geef mij nog een kopje, Loe.”Bob en Kees en Roeltje likken,Eten nog een koekje toe.

”’k Wou nog wel een beetje suiker.”“Geef mij nog een kopje, Loe.”Bob en Kees en Roeltje likken,Eten nog een koekje toe.

”’k Wou nog wel een beetje suiker.”

“Geef mij nog een kopje, Loe.”

Bob en Kees en Roeltje likken,

Eten nog een koekje toe.

’t Duurt niet lang, of op is alles.Koekjes, melk en suiker, thee.—“Kom,” zegt Roeltje, “Nu den tuin in!”En de dames hollen mee.

’t Duurt niet lang, of op is alles.Koekjes, melk en suiker, thee.—“Kom,” zegt Roeltje, “Nu den tuin in!”En de dames hollen mee.

’t Duurt niet lang, of op is alles.

Koekjes, melk en suiker, thee.—

“Kom,” zegt Roeltje, “Nu den tuin in!”

En de dames hollen mee.

Romlig liggen nu de kopjesOp ’t bemorste tafelkleed,Waarvan poes de druppels opliktEn de koekjeskruimels eet.

Romlig liggen nu de kopjesOp ’t bemorste tafelkleed,Waarvan poes de druppels opliktEn de koekjeskruimels eet.

Romlig liggen nu de kopjes

Op ’t bemorste tafelkleed,

Waarvan poes de druppels oplikt

En de koekjeskruimels eet.

De verlaten poppekindrenStaren treurig voor zich uit,Want hun moeders stoeien buitenMet haar broertjes tot besluit.

De verlaten poppekindrenStaren treurig voor zich uit,Want hun moeders stoeien buitenMet haar broertjes tot besluit.

De verlaten poppekindren

Staren treurig voor zich uit,

Want hun moeders stoeien buiten

Met haar broertjes tot besluit.

Twee poppen op stoel en poes op tafel.

V. Barts Grootmoeder.Een vriendelijk thuis.“Bart! Bart, kom je? grootmoe roept je.” “Ja, ik kom hoor! kijk ereis Els, kijk, gaat ie niet fijn.”“Nou,” antwoordde Elsje met overtuiging. “Veel mooier dan die van Jaap laatst, niet?” Vergetend, waarom ze naar buiten kwam, bleef het kleine meisje met aandacht staan kijken naar den tol van haar broertje.“Nou, boodschap loopen?” vleide ze. Maar Bart had geen ooren voor haar en volgde aandachtig de beweging van den dikken, gelen tol, die zoo hard draaide, dat ’t leek of hij stil stond.“Kom, nou Bart,” vroeg Elsje weer, zich herinnerend “grootmoe zegt, dat je moet komen, om hout te hakken; anders gaat de kachel uit.” Meteen keerde ze zich om, huppelde terug naar het huisje bij den dijk en verdween in de kleine, groene deur.Grootmoe zat in een houten leunstoel, met de voeten op een krukje, voor de kleine potkachel, waarop een pan stond.Hoe vriendelijk keek ze op naar het kleine ding dat op haar toesprong. “Hij komt zoo.” zei Elsje, “brr, wat is het koud!”“Hij moet voortmaken,” antwoordde grootmoeder “anders is ie uit, als moeder thuis komt. Neen, blijf jij er maar af, kindje. Ik ben veel te bang voor brand.”staan kijken naar den tol.staan kijken naar den tol.“Ja,” zei Elsje. “U zou niet kunnen wegloopen, hè grootmoe?” en ze ging bij de oude vrouw staan en streek haar liefkoozend over de lamme beenen.“Maar ik dacht alleen aan jou, kindje,” antwoordde de goede vrouw en streek haar kleinkind over de zachte bruine haren. “Sla mijn doek even om en roep Bart nog eens; hij moet dadelijk komen.” Gewillig deed het vijfjarig meisje, wat grootmoe zei. “Toe dan Bart, dadelijk dan. De kachel gaat uit,” riep ze, zoo hard ze kon. Bart speelde op het straatje voor de deur: “Ach!”grauwde hij, “dat gezanik, ik kom immers al” nijdig pakte hij zijn tol op. “Wat heb ik aan een tol, als ik er niet eens even mee mag spelen. Wat is er nou,” gromde hij door, toen hij binnentrad. “Foei,” zei grootmoeder, “wat ben je norsch. Ik wou maar een paar houtjes voor de kachel; die wil je toch wel even halen.” “Ach,” bromde Bart, “dat gezeur altijd,” en met een boos gezicht ging hij het keukentje door, de achterdeur uit naar de schuur en koelde weldra zijn boosheid aan het hout, waarop hij flink los sloeg. Spoedig zong hij het hoogste lied er bij uit, een bewijs dat de tienjarige knaap, flinke longen en krachtige armen had. Met zijn armen vol hout kwam hij binnen en vulde de kachel bij, die weer begon te snorren.Elsje zat nu naast grootmoeder op een stoel, nam de aardappels aan, die zij schilde en wierp ze in den emmer met water: “Grootmoe vertelt, Bart,” zei ze. “Vertel u nu eens, waarom wij maar één grootmoeder hebben. Gisterenavond zei u, morgen zal ik ’t je zeggen,” zei Bart.“Goed, goed, ik zal ’t je vertellen.—Nou, je moet dan weten,” begon ze, “dat grootvader—jij hebt hem gekend, dien besten man.”—“Ja,” antwoordde Bart,“ik mocht altijd op zijn knie zitten en naar de scheepjes kijken, als ik met moeder en vader bij u kwam.” “Ik weet ’t niet meer,” zei Elsje. “Nee, jij was nog te klein,maar ik was al 7 jaar, toen grootvader dood ging.” Grootmoeder zuchtte: “Treurig, zoo treurig.” “Toen kon u nog loopen, hè grootmoe, langs ’t strand en met die groote ben met visch naar de stad. Ik weet ’t nog goed.” “Ja, je weet ’t nog goed,” bevestigde grootmoeder en veegde een traan af, die langs haar magere, bruine wang liep.“Maar toen ze je grootvader dood thuis brachten, toen ben ik zoo geschrokken en toen kon ik later niet meer loopen.” “Vertel u nou van die eene grootmoeder,” zei Bart.dan zocht hij schelpjes.dan zocht hij schelpjes.“Ja. Toen waren je vader en moeder nog heel klein. Zoo’n lieve, kleine dikzak, je vader; zoo lief en gezeggelijk. Hij speelde altijd in het tuintje voor het huis, daar kon hij de zee zien en de scheepjes; dan zocht hij schelpjes of kruide zand. Allemaal visschers woonden op onze rij en naast ons woonde Arie van Dobben en Elsje, die nog met ons hadden schoolgegaan. En die hadden zoo’n klein meiske Marijtje, jonger dan onze jongen en die twee speelden altijd samen. Zoo lief, ’t was een aardigheid.—Het was ook in ’t voorjaaren bar weer; al een paar dagen en nachten. Een storm! Die zee ging te keer. Je grootvader was thuis, maar Marijtjes vader nog niet. Op een morgen kwam het kleine ding binnenloopen, met een benauwd gezicht—Tante Bartje, moe roept, gauw! gauw!—Nou,—ik ging mee en de kinderen achter me aan. Daar lag die arme Els, benauwd en naar. Een andere buurvrouw om den dokter. Vader nam de kinderen mee en dienzelfden nacht stierf ze in mijn armen. Marijken bleef bij ons op haar vader wachten. Maar twee dagen later spoelde het wrakhout van de Elsa aan en haar vader kwam niet weer terug. Wat moest ’t arme kind? Natuurlijk hielden we het schaapje bij ons en ze wist later niet beter of ze was een zusje van Bart en Nelis en Anne en Mijntje, die later nog kwamen. En toen ze groot waren en vader in dienst was geweest en terug kwam en goed zijn brood had, als scheepstimmerman, nou—toen trouwde hij met Marijtje; en toen hadden ze samen maar één vader en moeder; begrijp je? en nou heb jelui alleen je grootje, dat dubbel van jelui houdt.”—“O,” zei Bart, “zie je nou wel. Jaap zei, dat het niet kon en moeder had het toch gezeid.” “Het kan; het is zoo en niet anders.” “En nou moeten we voor drie van u houden; dat doet moeder ook,” zei Elsje.“Ja, jelui moeder is een engel voor ons allemaal geweest. Zonder je moeder zou ik—”“O, is u weer bezig, moeder!”riep een vroolijke stem en een jonge vrouw met vriendelijk gezicht kwam de deur binnen. Ze trad dadelijk op grootje toe en kuste haar op het voorhoofd. Elsje sprong tegen haar open liet zich ook door haar zoenen. Bart zei alleen, “dag moeder,” en liep meteen weer naar buiten.“Bent u weer aan het vertellen en moet u me weer ophemelen!” vroeg moeder Lubbe aan de oude vrouw.“Nee, dat is nou maar gekheid. ’t Is de waarheid, kind. Je bent een zegen voor iedereen en ik dank den lieven Heer iederen dag, dat ik jou in huis heb genomen.”“En ik dan, wat zou ik geweest zijn zonder mijn goeie tweede moeder,” vroeg de jonge vrouw weer, terwijl ze haar goed afdeed en Elsje wat aanhaalde, die zich tegen haar aandrong.“Heb u de aardappelen al geschild?” vervolgde ze. “En waren de kinderen zoet. Was Bart gehoorzaam!”“Best hoor,” antwoordde grootmoeder, “en hoe was ’t met Mevrouw!” “O,’t gaat veel beter, maar ze mag nog niet loopen van den dokter en nou vroeg ze of ik morgen ochtend haar nog eens kwam helpen. Ze is jarig morgen en dan met de kinderen. Nou ik zeg, Mevrouw toen u nog een meisje was, hebt u ons zoo geholpen, ’t zou niet mooi wezen, als ik u nu niet hielp. U wil toch wel nog een dagje alleen blijven met de kinderen, Bart is nou toch thuis.” “Zeker, natuurlijk, voor zulke goeie menschen als Mevrouw van den burgemeester moet je ook wat overhebben. Ik zal me eigen wel redden met Bart. Wat bracht ze me niet altijd soepjes en lekkers, toen ik zoo ziek was en wat was ze blij, dat we hier ook kwamen wonen.” “Nou dat zeg ik ook,” antwoordde moeder weer. “Kom Elsje, help me gauw, als een kind. Breng de schillen naar de keuken, dan zal ik grootmoe helpen. Wat is ’t slecht weer en dat tegenPaschen, ik kon op den dijk haast niet blijven staan.” Elsje ging naar de keuken. Zij mocht de aardappels wasschen; op een stoof kon ze net bij de pomp. Bart speelde buiten met Krijn en Jaap, die in de andere twee huisjes woonden. Er stonden drie op het pad, dat schuin naar den dijk liep en aan den anderen kant in de weilanden uitkwam.Ik kon op den dijk haast niet blijven staan.Ik kon op den dijk haast niet blijven staan.Barts vader woonde er nog niet lang. Hij had werk gekregen op den werf in het dorp. De vaders van Krijn en Jaap waren boerenarbeiders. Krijn was 12 jaar en Jaap 13, maar ze gingen met hun drieën naar en van school in het dorp en mochten om twaalf uur bij Bartsvader op den werf hun boterham eten. Zoo speelden ze veel met elkander, al zaten ze niet in dezelfde klasse. Ze moesten wel een groot half uur loopen, dat was in den winter een heele tocht langs den dijk, maar ze waren gezond en flink. Bart zag wel een beetje tegen die groote jongens op, die nog al brutaal waren en wat vrijer, dan hij. Zijn vader en moeder keken nog al precies, die van de andere jongens letten niet zooveel op hen. Nu moest hij zijn nieuwen tol laten zien, dien hij van vader had gekregen, omdat zijn eerste gedragboekje op deze school zoo goed was geweest. Er liep voor elk huisje een stukje straat, daar kon je fijn op tollen, al was ’t wat smal.Onderaan den dijk had je niet zoo’n last van den wind, maar ze moesten toch soms schreeuwen om elkaar te verstaan. Ze pikten elkaar en lieten de tol in kuiltjes loopen en vermaakten zich, totdat moeder riep, dat Bart moest komen eten, omdat vader thuis was.“Het is een mooie tol, vader. Krijn en Jaap zeggen het ook,” was het eerste, wat Bart zei, toen hij binnen kwam.“Zoo komaan, gelukkig maar,” antwoordde vader, terwijl hij zijn handen wreef, en hij gaf Bart een klap op den schouder, “Au!” riep Bart. “U slaat zoo hard, met die groote handen.” “Groote handen,” zei vader lachend, “kijk Els! heeft vader groote handen! Geef me de vijf, meid, neen de tien. Samen in één hand van vader.” Elsje lachte en grootmoe lachte. “Vader is ook zoo sterk”zei ze, “en dat is maar goed ook.” “Kijk,” zei vader, tilde grootmoeder met stoel en al op en zettehaar bij de tafel. “Elsje is ook sterk,” zei het kleine ding, sjouwde de kruk, wipte grootmoes beenen er op en dekte ze weer toe.“Elsje is een braaf kind,” hernam vader, en tilde haar hoog in de lucht, tot ze het uitschaterde van pleizier.Toen gingen ze eten. “Morgen moeten jelui weer samen voor grootmoe zorgen,” zei moeder onder het opscheppen en vertelde aan vader, dat ze bij den burgemeester wat zou gaan helpen in de huishouding. “Mevrouw vond het wel wat erg, maar ik zei, toen u in ons dorp woonde, hebt u ons ook geholpen, is ’t niet.” “Je hebt gelijk hoor,” antwoordde vader, “’t zijn beste menschen, daar gaat niets van af. Wat zeit u, moeder.” “Ja, hoor,” antwoordde grootje.“Nou Bart, dan moet jij morgen er maar eens aan gelooven,” vervolgde vader weer. “Dat is ook lekker,” bromde Bart. “We zouen morgen naar Krijn zijn oom gaan in den polder, die heeft een groote boerderij en daar zijn allemaal kalveren en biggen.”“Tuut, tuut,” zei vader, “we zouen? Heb je het dan aan moeder gevraagd?”“Aan mij niet,” zei moeder.“Nou, ja, als u het goed vond,” bromde Bart.“Maar we vinden het niet goed. Het is wel jammer voor je, maar je kan nog wel een anderen dag. Je hebt nog na de Paasch ook vacantie. Grootmoe kan toch niet alleen blijven, wel?” “Och het is ook altijd,” begon Bart, maar voordat hij had uitgesproken zag hij grootmoeders gezicht en hoorde haar mompelen, “’t is jammer, voor je, maar, zie je,” en hij sloeg de oogen neer voor vaders blik, keek op zijn bord en zweeg.—“Het wordt nog slechter weer,” zei vader.“De wind staat recht op den dijk,” antwoordde moeder.“Geef je bord nog eens Bart, of lust je niet meer?”“Wij zijn den wind wel gewoon, hé moeder.” “Nou,” antwoordde grootje, “wij hebben heel wat storm meegemaakt, daar is dit niets bij.” En ze spraken verder over wind en storm en Bart zat stil te eten en dacht over morgen.Na het eten, terwijl moeder in de keuken de borden waschte en grootmoeder zat te breien aan een paar kniekousen met roode randen, die Bart zoo graag wou hebben, stoeide vader met zijn jongens, zooals hij Bart en Elsje noemde en klonk hun gelach en gejoel boven den wind uit, die toch luid om het huisje gierde en door den schoorsteen bulderde. Toen Elsje met een kleur als een boei in de bedstee in de keuken lag, zei ze wel even:“He, moesje hoor es, boe, boe gaat ’t. Mag de deur open blijven, tot ik slaap; ik ben bang voor dien wind.”“Ik zal ze op een kiertje zetten, hoor: ga maar gauw slapen. Straks komt Bart ook,” antwoordde moeder en stopte haar lekker toe. Vader las nog wat voor, totdat Bart ook naar bed moest en hij dacht niet aan morgen, voordat hij onder de dekens lag. “Wat moest hij tegen de jongens zeggen?” zoo viel hij in slaap.2. De verzoeking.Toen hij wakker werd, scheen de zon, “hè,”dacht Bart weer.—Prachtig weer, om uit te gaan. Zullie gaan natuurlijk.—Moeder kwam in de keuken, om water op ’t stel te zetten.“Zoo jongen, ben je wakker? Sta dan maar gauw op, dan kan je me helpen. Vader moet zoo weg.” “Morgen, Moe,” zei Bart en sprong het bed uit.—Als vader weg is—dacht hij—ga ik naar Krijn toe.Om half acht ging vader de deur uit. Eerst had hij grootmoe uit de bedstee getild en weer op haar stoel gezet; dat vond hij voor moeder te zwaar. Toen had Elsje in haar paars nachtjaponnetje nog even op zijn knie gezeten en een hapje met hem mee gegeten. Nu wuifde ze vader na door het zijraam, waarmee je op den dijk kon zien en waarvoor grootmoe ook zat. Bart was ook klaar met zijn boterham en toen vader uit het gezicht was, ging hij door de keuken de achterdeur uit, wip over het hekje van den kleinen moestuin en bij Krijn de achterdeur in. Baar stond Krijn bij zijn moeder in de keuken. “Ben je er al?” vroeg hij met zijn mond vol. “Moeder pakt me brood in.” “Heb je niets bij je,” vroeg Krijns moeder. “En moet je geen jas aan? ’t Is veel te guur en je krijgt nog wel regen ook.” Bart schudde van neen; hij had wel kunnen huilen: hij durfde niets zeggen, omdat hij zich niet goed kon houden. “Dag moeder,” zei Krijn en hij stapte de deur uit naar het huisje van Jaap.Op zijn knie gezeten.Op zijn knie gezeten.“Ik ga niet mee,” zei Bart nu bedrukt. “Hè, mag je niet, da’s gemeen,” was ’t antwoord, “je hoeft toch niet op je zusje te passen.”“Moeder is niet thuis vandaag,” antwoordde Bart. “Nou, je grootje is er toch. Wat zou dat? Kom ga maar mee!” “Grootmoeder kan niet alleen blijven,” antwoordde Bart terwijl hij zijn tranen inslikte.“Och, dat lamme mensch laat er ophoepelen,” antwoordde Krijn. Bart schrok er van; gelukkig dat vader en moeder ’t niet hoorden, anders zou hij niet meer met Krijn mogen loopen misschien. “Ze kan het toch niet helpen,” antwoordde hij aarzelend. “Is je vader al weg?” vroeg Krijn. “Ja,” knikte Bart. “Je moeder ook al?” “Neen, die nog niet.” “Nou, weet je wat, dan wachten we tot je moeder weg is en dan kom je stil door de achterdeur. Ze kan je toch niet naloopen.“Je bent ook zoo’n flauwerd. Ga nou gauw terug, dat je moeder niks merkt; ik wacht met Jaap bij de schuur.”Bart ging schoorvoetend naar huis terug. Zou hij dat doen? Als hij maar terug was vóór vader en moeder. Grootmoe zou ’t misschien niet eens vertellen. Ze kon nooit velen, dat vader erg knorde op hem. Zou hij het groot je vragen? Nee, dat toch maar niet; hij mocht niet van vader en moeder, dan zou grootmoe het ook niet willen.“Waar zat je toch?” vroeg moeder, toen hij de kamer weer binnen kwam. “Toe veeg jij even gauw de keuken aan en je zet om half vijf de aardappels op het stel. De boontjes staan in de pan, die moeten maar binnen op de kachel. Jelui brood staat klaar in de kast. Hoor es, wat steekt de wind weer op. Je mag blij wezen, dat je niet uit bent. De lucht is zoo donker geworden. Je moet maar niet buiten spelen ook, ga maar wat bouwen of lezen.”Bart deed wat moeder zei, zonder te antwoorden.“Nog iets moe?” vroeg hij, toen hij klaar was. “Neen, jongen. Ik ben ook klaar. Jongens, kijk eens!” Een hevige windvlaag deed het huisje schudden en de regen viel bij stroomen neer. “Kind, wat een weer,” zei grootmoeder. “Je mag je wel goed instoppen. Het was zoo mooi bedaard van morgen en nou begint het weer.”“Ja, ik zal maar gauw heengaan. Daar komt net de zon weer. Misschien hou ik het nog droog,” antwoordde moeder. “De lucht is anders pikzwart daar in de verte. ’t Is mooi lenteweer, hoor,” hernam grootmoe.“Nou, dag moeder, dag jongens. Lief zijn hoor. Misschienbreng ik wel wat lekkers voor jelui mee.” “Een paaschei moes,” vleide Elsje. “Misschien wel, als jelui zoet bent.”“Ik zal heel, heel zoet zijn, dag moesje,” zei Elsje.“Nou Bart en jij doet alles wat grootmoe zegt hoor.”Met hun drieën keken ze moeder na, die op den dijk zich nog eens omkeerde, naar de lucht wees en een leelijk gezicht trok.“Kijk, Moes rokken,” zei Elsje. “Straks waait haar doek nog weg. Zou ons huis niet om kunnen waaien?”“Wel nee,” zei Bart, “dat gebeurt nooit. Wel een pan van het dak.” “Dan wordt de zolder nat,” zei Elsje.Bart talmde en draaide wat. Hij durfde toch niet heengaan en ook niet tegen Krijn zeggen, dat hij niet kwam. Zou hij heengaan en grootmoe toch alleen laten met Elsje. En als ze hem zochten en grootmoe wist niet, waar hij was.—Elsje zou hem roepen.—Ze zou misschien naar het huisje van Krijn gaan.—“Moet je geen jas aan?”“Moet je geen jas aan?”“Hoor es, grootmoe, hè, alles schudt van den wind. En het is zoo donker,” merkte Elsje op.—Hij kon toch wel gauw terug komen. Hij hoefde alleen de aardappels op te zetten; de kachel brandde. Een schepje kolen kon Elsje er wel op gooien. Hij keek eens naar grootmoe. ’t Was toch naar, als je niet loopen kon. Hij wist nog, hoe grootmoe met de zware ben met visch liep en altijd in huis werkte. Toen hadden ze grootvader voor ’n paar jaar terug, dood thuis gebracht. Hij had andere menschen van een schip gered en toen een stuk wrakhout tegen zijn hoofd gekregen. Toen was grootmoeder erg ziek geworden en toen kon zeniet meer loopen. Moeder en vader zeien altijd, we moeten maar heel lief voor grootmoeder zijn.—Daar stonden Krijn en Jaap. Ze wenkten hem. “Moet u niet lezen, grootmoe,” vroeg Bart. “Ja,” zei grootmoeder, “dat is goed” en Bart bracht haar haar bril en haar boek. Elsje speelde met haar pop en wagentje. Het duurde niet lang of grootmoeder zat met het boek op schoot, geheel verdiept in het lezen, bij wijzend met den vinger en halfluid spellend. Bart kon nu best ongemerkt door de keuken weg gaan. Heel zachtjes deed hij de achterdeur open. Bulderend sloeg de wind naar binnen, gauw de deur dicht! Brr, wat was het koud. Krijn liep al op hem af. “Nou vooruit! wat laat je ons lang wachten. Moet je geen jas aan, heb je je brood?” Hij dacht niet anders of Bart ging mee. “Hij heb em stikum gesmeerd, natuurlijk,” lachte Jaap. “Heb ’t lamme, ouwe wijf ’t niet in de gaten gehad?” dat was Bart toch te kras. Hij schaamde zich, dat ze het tegen hem durfden zeggen, draaide zich om en snauwde: “ga jelui maar alleen hoor.” “Toe nou, flauwerd,” riep Krijn hem nog na, maar hijliep nog wat harder en verdween weer in de keuken. “Mispunt! lafferd!” hij hoorde het haast niet door den wind en trok de deur met een smak dicht. “Wat een slag,” zei grootmoe, “was je aan de buitendeur.” “Eventjes,” antwoordde Bart verlegen. “Nou, blijf maar binnen, hoor, het is veel te slecht weer.”3. De dijkbreuk.Het was net of de wind weer erger te keer ging. Weer begon het te regenen. “Foei, foei!” zei grootmoe en schudde het hoofd. “Wat spookt het.” Bart antwoordde niet meer; hij kreeg de kindercourant uit de kast, ging aan de tafel zitten met zijn handen onder zijn hoofd en zijn vingers in zijn ooren. Hij hoorde niets meer of deed net, of hij niets hoorde. Grootmoeder vervolgde haar lezing. Elsje zat naast haar voor het raam met haar pop op schoot en keek naar buiten, naar de koeien en paarden, die met dekken om al in het land liepen. Er kwam geen mensch meer over den dijk. Het werd maar steeds donkerder. Bart kon haast niet meer lezen bij de tafel. Zwarte wolken pakten zich samen en joegen in groote vaart door de lucht. Weldra kletterde de regen in stroomen neer, zoodat je haast niet in de verte kon zien. De wind nam in hevigheid toe en bulderde en gierde dat Elsje er bang van werd.Ze trok grootje aan haar mouw. “Grootmoe,” zei ze zacht. “Het is hier zoo stil en de wind schreeuwt zoo hard.”Grootmoeder legde haar boek op het tafeltje, datnaast haar stoel stond en trok Elsje naar zich toe. “Zal ik je eens wat vertellen?” zei ze vriendelijk. “Je moet niet bang zijn voor den wind. Jongens, jongens, ’t is wel heel erg,” vervolgde ze, toen een nieuwe windvlaag alles rammelen deed en de kachel ineens rood verfde.“Bart, doe het schuifje wat dicht. Bartje!” riep ze.Bart stond op en temperde de kachel wat. “Het waait ineens weer harder,” zei hij en ging ook bij het zijraam staan, om uit te kijken.Anders zag je nog wel menschen op het land bezig; nu was er niemand. De paarden en koeien waren bij elkaar gekropen, zoo dicht mogelijk tegen den dijk aan onder een groepje boomen, wat hen nog wel niet tegen den regen beschutten kon, maar zeker wel tegen den wind. Niemand op den dijk te zien. Wat joegen die wolken door de lucht, net of ze mekaar achterna zaten. Brr, het was griezelig weer. “We konden de lamp wel opsteken, grootmoe,” zei Elsje, “’t is zoo donker. Hè, ik word er bang van.” Ze drukte haar hoofdje tegen grootmoe aan en gluurde onder de haren door angstig naar buiten.“Grootmoe, kijk u eens,” riep Bart opeens. “Wat is dat daar tusschen het gras. Kijk, allemaal kletsnat van den regen, ’t lijkt wel een sloot.”“Ja,” antwoordde grootmoe, “het regent ook zoo, ’t lijkt wel groote schoonmaak daarboven. De grond kan het niet ineens verzwelgen.” “Kijk grootmoe, er komen golfjes in, hè, hoor es!” “Kom hier maar,” zei Grootmoe verschrikt door de vreeselijke windvlaag.—“De ruit kon wel eens inwaaien. Ga er niet zoo dichtbij staan. Hier kan je ook kijken.”“Het water komt al verder. Straks kan moeder er niet eens door als ze thuis komt,” merkte Bart op.“Welnee,” zei grootmoe, “dat duurt nog zoo lang. Als de regen temet ophoudt, trekt het wel weer weg.”“Anders moet ze maar een schuitje nemen, er zijn wel bij vader op de werf,” zei Bart weer, schertsend.“Het zakt zóó wel,” stelde grootmoeder gerust.“Maar nou nog niet. Het komt verder. Kijk die koeien, ’t is net of ze wegzinken in den grond. Ze probeeren weg te loopen, maar ze kunnen niet. Kijk, het paard wil tegen den dijk op. Wat spat dat water. Het gaat er onder, Grootje, ze verdrinken geloof ik.” Bart drong weer naar het raam, om beter te zien. “Het water staat tot aan het straatje en het golft tegen den dijk op, het komt al dichter bij.”“Grootmoe, kijk u eens!”“Grootmoe, kijk u eens!”“Och, jongen, ’t is toch niet zoo?” vroeg grootje wat angstig en zachtjes zei ze: “Er zal toch geen gat in den dijk geslagen zijn.” “Ga es kijken door het keukenraam,”vervoegde ze tegen Bart, “of het aan den anderen kant ook zoo is, bij Krijn zijn huis.” Donderend geweld in den schoorsteen, gieren en blazen, rammelen van de ruiten, allerlei onheilspellende geluiden. Elsje begon te snikken. “Lieve Heer!” stamelde grootmoeder, “het zal toch niet zoo zijn!”“Ik hoor schreeuwen,” zei Bart, “hoort u het ook?”“Dat is de wind,” antwoordde grootmoe. “Neen,” zei Bart, “toch niet” en hij ging naar de keuken, om daar door het raam te kijken, waar hij Krijns huis zien kon. Daar zag hij Krijns moeder met de rokken hoog opgeschort, op iederen arm een kind, ze trachtte tegen den wind op te komen en waadde tot de knieën door ’t water. “Vrouw Lubbe! vrouw Lubbe!” gilde ze, zoo hard ze kon. “Kom dan! het water!” meer kon Bart niet hooren. Daar kwam Jaaps moeder ook met kleine Koosje op den eenen en den hond onder den anderen arm. Ze gleden haast uit, maar ze liepen toch door en gingen naar den dijk toe. Bart trilde van angst. Wat moest hij doen. Grootmoe! zijn bloed stond stil van schrik. Het was vast niet van den regen. Het leek wel een rivier en het bruiste en golfde en kwam hooger en hooger. Bart keerde zich om. Was het verbeelding? Nee, toch niet, daar door de keukendeur, daar kwam het water met kleine golfjes naar binnen. Gauw, gauw, hij moest naar grootmoe. Nog was het droog tot bij de deur van de kamer; hij gooide de deur open. Rillend stond hij daar en kon haast niet spreken.“Grootje, grootje,” snikte hij, “het water staat in de keuken. Krijn en Jaap hun moeders zijn weggeloopenen wij zijn hier alleen,” snikkend viel hij grootmoeder om den hals. “Och Heere, Heere!” bad de oude vrouw, “loop gauw, neem Elsje mee, misschien kan je er nog door, gauw! gauw dan! Het is toch een gat in den dijk.””’t Kan niet grootmoe, en u dan,” vroeg Bart, en klemde zich aan haar vast. “Ga, Bart, voor het te laat is,” antwoordde grootje met trillende lippen. Maar het was al te laat. Daar kwam het water ook door de andere deur het kamertje in. “O Hemelsche Vader, help ons,” kreet de arme oude vrouw, “de kinders, de kinders! mijn arme Marijke, mijn goeie jongen, wat een verdriet!” en wanhopig vouwde ze haar handen. Elsje was op haar schoot geklommen, Bart zat op een stoel. Half versuft keken ze naar het water, dat maar aldoor naar binnen liep en al hooger en hooger steeg.“Grootje, kan het zoo hoog komen, dat we—dat we verdrinken?”vroeg Bart opeens en wachtte vol angst op het antwoord. “Ik weet ’t niet, jongen, ’t is in korten tijd zoo gestegen. Ik weet het niet. Mijn arme kinders!”4. Een flinke jongen.“Grootje, we moeten naar den zolder,” riep Bart, “zoo hoog komt het vast niet.” Meteen trok hij zijn kousen uit en stroopte zijn broeken op. “Gauw Elsje op mijn rug.” “Neen, neen, grootmoe nee!” kreet Elsje, maar nu zei grootmoeder streng. “Elsje moet met Bart mee gaan en zoet zijn.” “Komt grootmoe dan ook?” vroeg ze nog en liet zich wegdragen, door de kameren de keuken naar het laddertje, dat naar den zolder voerde. “Ik ben zoo bang,” schreide Elsje, “ik durf niet op den zolder.” “Stil nou,” zei Bart, “grootmoe komt ook. Wees nou zoet, ga even zitten, ik kom zoo terug.” Maar Elsje was bang, ze trapte op den vloer en gilde van angst en wilde de ladder weer af met Bart mee. “Ga je weg,” zei Bart, “je blijft daar, hoor!” en hij duwde haar weg en holde de ladder af, weer naar de kamer terug. “Grootmoe, ga op mijn rug zitten, gauw, ik ben sterk. Kijk het water is al zoo hoog. U zal verdrinken, toe dan,” smeekte hij. “Nee jongen, het is te zwaar, je zou omvallen en zelf omkomen, ga naar Elsje. God behoede je, mijn jongen.” Ze zoende Bart op beide wangen. De tranen sprongen in zijn oogen.Elsje moet met Bart meegaan.Elsje moet met Bart meegaan.“Het moet grootmoe, wat zouden vader en moeder zeggen? Gauw dan, voor het te laat is.” Hij pakte grootmoeders beenen en zij gaf zich eindelijk gewonnen. “Mijn beste jongen,” stamelde ze, “’t zal niet gaan, het zal niet gaan.” “Goed vasthouden, zoo, ja, vasthouden hoor, daar gaat het.” Grootmoeder zat op zijn rug, hij; wankelde even, maar bleef toch staan, boogzich voorover en voorzichtig, voetje voor voetje, ging hij naar de keuken met zijn lieven last. Grootmoeders rokken bengelden in het water, werden drijfnat, daar kon hij niets aan doen.“Goeie jongen, mijn lieve jongen,” mompelde grootje. “Gaat ’t wel? het is te zwaar.” Bart kon niet antwoorden. Hij zag vuurrood, maar kwam toch bij de ladder. Grootje pakte nu zelf de sporten beet en Bart hield zich ook stevig vast.“Grootmoe, grootmoe,” stond Elsje te roepen en stak haar handjes al uit, om ook te helpen. Daar was zij bij het luik. Nog een flinken zet. Grootmoe was op den zolder, waar Elsje dadelijk haar armpjes om grootmoeders hals sloeg.“Wat ga je doen Bart, blijf hier!” riep grootmoe buiten adem van de inspanning. Bart ging de ladder weer af. “Ik kan er nog door, ik haal nog een paar dekens en kleeren, anders heeft u het te koud.” “Och jongen, je verdrinkt, kom terug.”“Neen, ik kom terug, dadelijk, ik ben nou toch nat,” zei Bart en waadde door de keuken naar de bedstee. Twee dekens en een kussen haalde hij er uit en laadde het op zijn hoofd. Toen greep hij zijn jas en grootmoe’s Zondagsche japon. Allemaal op zijn hoofd, zoo ging hij terug. Het water kwam nu over zijn middel. De blokken van zijn bouwdoos dreven er op en grootmoeders stoel hobbelde heen en weer. “Bart! Bart dan toch!” riepen grootmoeder en Elsje. “Ja, ik kom.” Daar was hij weer bij de ladder. Elsje pakte al wat aan en sleepte het naar boven.“Niet weer—naar—beneden,” hakkelde grootje,al bibberend van koude en angst. “Doedat natte goed uit.” “Ja, ik heb mijn jas en hier is uw japon.” Bart deed zijn natte goed uit en trok de jas aan, toen hielp hij grootmoeder en legde de natte kleeren in een hoek. Hij spreidde één deken op den grond, legde het kussen er op en samen trokken de kinderen grootmoe op de deken. Toen dekten ze haar met de andere deken toe.“Kruip u er maar goed onder, dat u warm wordt.”“Jelui ook,” klappertandde grootje en de kinderen kropen dicht tegen haar aan onder de deken.De wind bulderde maar door en beneden hoorde je het klotsen van het water.“Nou komt het water toch niet meer,” zei Elsje,“neen hè?” “Wel nee,” zei Bart, “zoo hoog niet. Wat zullen moeder en vader wel denken. Ik zal wat uit het raam hangen, dan zien ze, dat we hier zijn. Zoo’n handdoek, hè grootmoe,” vroeg Bart.De oude vrouw kon niet praten, ze knikte maar.Bart trok een handdoek van de drooglijn. Er lag een stukje touw, dat deed hij in de lus. Heel voorzichtig, maakte hij het openslaande raam een eindje los en liet den handdoek naar buiten waaien, het touwtje deed hij in den ring van het haakje. Toen gauw het raam weer dicht.“Trek—zoo’n—paar—kousen aan,” hakkelde grootmoe weer, “en zoo’n broek, die zijn wel droog.” Ja, ze waren droog. Gelukkig maar. Bart trok den broek en kousen van de lijn aan en kroop weer bij grootmoe onder de deken. Nu waren ze een poos stil.“Ik heb honger,” zei Bart. “Jongen,” grootmoe aaide hem liefkoozend over het hoofd. Als hij nu toch eensweggegaan was met Krijn en Jaap. Dan zouden grootmoeder en Elsje zeker verdronken zijn. Hij rilde er van.—“Komt vader nog niet,” vroeg Elsje.“Ja, vader komt straks. Hij komt ons vast halen.”“Ja, ja,” knikte grootje, “vader komt ons halen.”—5. Voldoening.Bart had geen rust. Hij ging weer eens naar het venster. Het regende niet meer, maar je zag alleen water en hier en daar stak een punt of een boom een eindje uit. Het was een troosteloos gezicht. Een schuitje zag hij niet. Toen ging hij naar het luik. “Hier blijven,” riep grootje.“Ja, ik ga niet naar beneden, eventjes kijken.” Nog één sport van de ladder kwam er uit. Als het nu toch nog eens tot den zolder kwam. “Och nee, dat mocht niet. Toe vader kom dan toch.” Weer naar het venster. De wind leek wel wat te bedaren. Wat was dat in de verte. Hoorde hij klokken luiden. Ja, en dat daar, was ’t een schuitje. “Ja, ja! grootje daar komt vader! Ik zie een schuitje,” juichte Bart. Hij gooide het venster open en riep zoo hard hij kon: “Vader, vader!”Ze konden hem nog niet hooren in het schuitje en hij kon niet zien, of het vader was. Nu zag hij drie menschen. Eén stond overeind, twee roeiden heel hard. Ja, het was vader! en moeder stond.“Moeder! Vader!” gilde hij. Elsje stond nu naast hem en riep ook mee en moeder stak de armen omhoog on riep: “Bartje, Elsje!” “Alle drie,” riep Bart terug.“Grootje!” riep vader. “Ja, ook, grootje ook!”“God zij dank,” zei vader en liet de riemen los. Ze waren nu met het bootje vlak voor het zoldervenster.“Voorzichtig nou, wacht even,” riep vader tegen moeder, die schreiend naar boven greep en niet bemerkte, dat het bootje opzij ging. Toen heesch vader zich tegen het raam omhoog en sprong naar binnen. Hij drukte de kinderen in zijn armen, terwijl hij den zolder rond keek. “Moeder,” riep hij, “ik kom.” Hier pak aan! vervolgde hij tot den anderen man en reikte Elsje uit het raam aan, die dadelijk in moeders armen vloog.“Mijn schat, mijn engel,” zei moeder. Bart klom zelf naar beneden en werd ook opgevangen.“Jongen, beste jongen,” zei moeder en zoende hem.“Kalm aan,” zei de man “ga zitten, achteraan. De oude vrouw moet hier in het midden.” “Hier, doe om,” zei moeder en pakte beide kinderen in doeken, die ze bij zich had. Daar stond vader al met grootje in de deken gewikkeld.“Voorzichtig aan nu. Hou het schuitje wat tegen, vrouw Lubbe. Wacht, eerst het touw daarom! Zoo! Ja, geef haar nu maar aan. Zitten blijven, jongens! Wees maar niet bang, het gaat goed zoo.” Eén schok, daar zat grootje, tegen moeder aan op het middelste bankje. Vader gooide de andere deken ook in het schuitje, sprong er toen zelf in en nam de riemen weer. “De Heer zij gedankt,” stamelde grootmoeder, terwijl moeder de haren uit haar oogen streek en snikte, “Arme moeder, hoe bent u boven gekomen?”“Bart,” zei grootmoeder. “Bart heeft me gedragen.”“Goed zoo,” zei vader. “Brave jongen,” zei de andere man, en moeder knikte hem toe, maar Bart zei niets. Hij hield Elsje stijf vast en keek naar het huisje, en dacht: “Als ik toch eens was weg geloopen.”Een kop heerlijke bouillon.Een kop heerlijke bouillon.Heel voorzichtig stuurden de beide mannen de kleine boot die soms stootte tegen een boompje of een paal.Uitstekende boomen wezen den weg naar de sloot. Toen ze die eenmaal bereikt hadden, ging het sneller voort. Moeder schreide en aaide grootje af en toe en knikte haar en de kinderen toe. Daar zag het zwart van menschen in de verte. “Hoo ie hoo!” schreeuwde vader en zwaaide met zijn pet. Een luid gejuich steeg op, uit de menigte. “Ze zijn gered,” riep men elkaar toe. “De oude vrouw ook,” zei Krijns moeder die vooraanstond en dadelijk Elsje aanpakte. Meteen staken allen de handen uit. Iedereen wilde helpen en grootje aanpakken. “Nee,” zei vader, “dank jelui wel hoor. Ik zal moeder dragen.” Bart werd ook opgetild; een man droeg hem het dorp in. Als een loopend vuurtje ging het van mond tot mond. “Hij heeft zijn grootmoeder gered!”en in menig oog blonk een traan. Vergezeld van een groote menigte ging het in optocht naar het huis van den burgemeester. De goede burgervader liep vooruit en opende de deur. “Hierheen met je moeder, Lubbe. Breng haar naar boven, ze moet naar bed, anders wordt ze nog ziek.—Droge kleeren,” antwoordde de burgemeester, toen het dienstmeisje, dat met een warme kruik kwam aandragen, hem vroeg of er nog iets anders moest zijn. “Ga jelui gauw aan moeder zeggen, dat ze allemaal gered zijn,” vervolgde hij tegen zijn jongens, die ook kwamen kijken, en op dit gezegde dadelijk vroolijk naar binnen vlogen. Grootmoeder en Bart werden naar boven gedragen, van droge kleeren voorzien en in bed gestopt. Toen bracht het dienstmeisje hun een kop heerlijke bouillon en een paar boterhammen met koffie, wat ze zich allemaal best lieten smaken. Daarna moesten ze wat slapen, “dat was goed voor de schrik en alles,” zei moeder, die eerst met Elsje bij de Burgemeestersche was binnen geweest en nu kwam kijken bij grootje en Bart. Ze stopte haar jongen er eens goed onder en zoende hem hartelijk. “Mijn beste jongen,” zei ze. Plotseling sprong Bart overeind, sloeg zijn armen om moeders hals en hevig snikkend bracht hij er hortend en stootend uit. “Ik-had-stil-met Krijnen Jaap-willen-meegaan. Ik zal-het-nooit weer doen.” Eerst begreep moeder het niet en dacht, dat hij wat in de war was van alle angst. Ze was al vergeten, dat hij naar dien oom van Krijn zou gaan, maar toen werd het haar opeens duidelijk en ook zij stelde zich plotseling voor, wat er dan van moeder en Elsje had moeten worden. Ze werd er bleek van, maar zei alleen: “Gelukkig jongen, dat je het niet deed. Alles is nu goed. Ga gauw wat slapen, grootmoeder is al onder zeil.” Nogmaals kuste ze hem en met de tranen nog op de wangen viel hij in slaap.Hij droomde van water en nog eens water. Zag grootje er in zakken, zooals de koeien en paarden Elsje riep om hulp, maar hij kon niet bij haar komen want Krijn en Jaap hielden hem vast en riepen;“Wat geef je er om, ga mee!”Hij wilde zich losrukken en vloog overeind. Met verwilderde oogen keek hij rond niet dadelijk beseffend, waar hij was.Moeder stond met een heer voor zijn bed.“Zoo, heb je lekker geslapen, ventje? Ik zou er hem maar een dagje in houden.” Het was de dokter, zag hij nu. Hij werd beklopt en beluisterd en moest toen weer gaan liggen.Toen moeder den dokter had uitgelaten en weer bij het bed kwam, vroeg hij, hoe lang hij had geslapen.Bart voelde zich gelukkig.Bart voelde zich gelukkig.“Het is goede Vrijdag,” zei moeder, “gisteren middag ben je in slaap gevallen en morgen mag je er weer uit.” “En grootmoeder?” “Is ook in bed gebleven vandaag, maar ze is best hoor. Kijk ereis wat ik hier voor je heb. Een paar heerlijke boterhammen, eengroot stuk taart en een glas lekkere melk.”Dat smaakt overheerlijk. “Gaan we nu niet weer naar huis, moeder. Hoe is het met ons huis?” vroeg Bart.“O, het water daalt al, maar we zullen er vooreerst niet in kunnen. Wij zijn zoolang bij Jansen in en morgen komen Grootje en jij er ook en met Paschen gaan we met ons allen naar tante Mijntje, waar grootje zal blijven, totdat ons huis weer in orde is.”—“Het is jammer van alles. Zou het allemaal bedorven zijn?” vroeg Bart.“Dat hindert minder,” antwoordde vader, die ook eens naar hem kwam kijken. “Jelui bent allemaal gered en er is niemand omgekomen. Alleen eenige koeien en paarden. Arme dieren! en een paar varkens nog. We hebben den geheelen nacht doorgewerkt, maar nu is de dijk ook gestopt. Het zal nog wel een tijdje duren, eer we weer in huis kunnen en er zal misschien wel een en ander bedorven zijn, maar wij zijn nog allemaal bij elkaar. En wat ik ook zoo heerlijk vind, onze Bart heeft bewezen, dat hij een flinker jongen is, dan hij zelf heeft gedacht.”Ook vader zoende zijn jongen en Bart voelde zich gelukkig. “Die lieve, beste grootmoeder” mompelde hij.

Een vriendelijk thuis.“Bart! Bart, kom je? grootmoe roept je.” “Ja, ik kom hoor! kijk ereis Els, kijk, gaat ie niet fijn.”“Nou,” antwoordde Elsje met overtuiging. “Veel mooier dan die van Jaap laatst, niet?” Vergetend, waarom ze naar buiten kwam, bleef het kleine meisje met aandacht staan kijken naar den tol van haar broertje.“Nou, boodschap loopen?” vleide ze. Maar Bart had geen ooren voor haar en volgde aandachtig de beweging van den dikken, gelen tol, die zoo hard draaide, dat ’t leek of hij stil stond.“Kom, nou Bart,” vroeg Elsje weer, zich herinnerend “grootmoe zegt, dat je moet komen, om hout te hakken; anders gaat de kachel uit.” Meteen keerde ze zich om, huppelde terug naar het huisje bij den dijk en verdween in de kleine, groene deur.Grootmoe zat in een houten leunstoel, met de voeten op een krukje, voor de kleine potkachel, waarop een pan stond.Hoe vriendelijk keek ze op naar het kleine ding dat op haar toesprong. “Hij komt zoo.” zei Elsje, “brr, wat is het koud!”“Hij moet voortmaken,” antwoordde grootmoeder “anders is ie uit, als moeder thuis komt. Neen, blijf jij er maar af, kindje. Ik ben veel te bang voor brand.”staan kijken naar den tol.staan kijken naar den tol.“Ja,” zei Elsje. “U zou niet kunnen wegloopen, hè grootmoe?” en ze ging bij de oude vrouw staan en streek haar liefkoozend over de lamme beenen.“Maar ik dacht alleen aan jou, kindje,” antwoordde de goede vrouw en streek haar kleinkind over de zachte bruine haren. “Sla mijn doek even om en roep Bart nog eens; hij moet dadelijk komen.” Gewillig deed het vijfjarig meisje, wat grootmoe zei. “Toe dan Bart, dadelijk dan. De kachel gaat uit,” riep ze, zoo hard ze kon. Bart speelde op het straatje voor de deur: “Ach!”grauwde hij, “dat gezanik, ik kom immers al” nijdig pakte hij zijn tol op. “Wat heb ik aan een tol, als ik er niet eens even mee mag spelen. Wat is er nou,” gromde hij door, toen hij binnentrad. “Foei,” zei grootmoeder, “wat ben je norsch. Ik wou maar een paar houtjes voor de kachel; die wil je toch wel even halen.” “Ach,” bromde Bart, “dat gezeur altijd,” en met een boos gezicht ging hij het keukentje door, de achterdeur uit naar de schuur en koelde weldra zijn boosheid aan het hout, waarop hij flink los sloeg. Spoedig zong hij het hoogste lied er bij uit, een bewijs dat de tienjarige knaap, flinke longen en krachtige armen had. Met zijn armen vol hout kwam hij binnen en vulde de kachel bij, die weer begon te snorren.Elsje zat nu naast grootmoeder op een stoel, nam de aardappels aan, die zij schilde en wierp ze in den emmer met water: “Grootmoe vertelt, Bart,” zei ze. “Vertel u nu eens, waarom wij maar één grootmoeder hebben. Gisterenavond zei u, morgen zal ik ’t je zeggen,” zei Bart.“Goed, goed, ik zal ’t je vertellen.—Nou, je moet dan weten,” begon ze, “dat grootvader—jij hebt hem gekend, dien besten man.”—“Ja,” antwoordde Bart,“ik mocht altijd op zijn knie zitten en naar de scheepjes kijken, als ik met moeder en vader bij u kwam.” “Ik weet ’t niet meer,” zei Elsje. “Nee, jij was nog te klein,maar ik was al 7 jaar, toen grootvader dood ging.” Grootmoeder zuchtte: “Treurig, zoo treurig.” “Toen kon u nog loopen, hè grootmoe, langs ’t strand en met die groote ben met visch naar de stad. Ik weet ’t nog goed.” “Ja, je weet ’t nog goed,” bevestigde grootmoeder en veegde een traan af, die langs haar magere, bruine wang liep.“Maar toen ze je grootvader dood thuis brachten, toen ben ik zoo geschrokken en toen kon ik later niet meer loopen.” “Vertel u nou van die eene grootmoeder,” zei Bart.dan zocht hij schelpjes.dan zocht hij schelpjes.“Ja. Toen waren je vader en moeder nog heel klein. Zoo’n lieve, kleine dikzak, je vader; zoo lief en gezeggelijk. Hij speelde altijd in het tuintje voor het huis, daar kon hij de zee zien en de scheepjes; dan zocht hij schelpjes of kruide zand. Allemaal visschers woonden op onze rij en naast ons woonde Arie van Dobben en Elsje, die nog met ons hadden schoolgegaan. En die hadden zoo’n klein meiske Marijtje, jonger dan onze jongen en die twee speelden altijd samen. Zoo lief, ’t was een aardigheid.—Het was ook in ’t voorjaaren bar weer; al een paar dagen en nachten. Een storm! Die zee ging te keer. Je grootvader was thuis, maar Marijtjes vader nog niet. Op een morgen kwam het kleine ding binnenloopen, met een benauwd gezicht—Tante Bartje, moe roept, gauw! gauw!—Nou,—ik ging mee en de kinderen achter me aan. Daar lag die arme Els, benauwd en naar. Een andere buurvrouw om den dokter. Vader nam de kinderen mee en dienzelfden nacht stierf ze in mijn armen. Marijken bleef bij ons op haar vader wachten. Maar twee dagen later spoelde het wrakhout van de Elsa aan en haar vader kwam niet weer terug. Wat moest ’t arme kind? Natuurlijk hielden we het schaapje bij ons en ze wist later niet beter of ze was een zusje van Bart en Nelis en Anne en Mijntje, die later nog kwamen. En toen ze groot waren en vader in dienst was geweest en terug kwam en goed zijn brood had, als scheepstimmerman, nou—toen trouwde hij met Marijtje; en toen hadden ze samen maar één vader en moeder; begrijp je? en nou heb jelui alleen je grootje, dat dubbel van jelui houdt.”—“O,” zei Bart, “zie je nou wel. Jaap zei, dat het niet kon en moeder had het toch gezeid.” “Het kan; het is zoo en niet anders.” “En nou moeten we voor drie van u houden; dat doet moeder ook,” zei Elsje.“Ja, jelui moeder is een engel voor ons allemaal geweest. Zonder je moeder zou ik—”“O, is u weer bezig, moeder!”riep een vroolijke stem en een jonge vrouw met vriendelijk gezicht kwam de deur binnen. Ze trad dadelijk op grootje toe en kuste haar op het voorhoofd. Elsje sprong tegen haar open liet zich ook door haar zoenen. Bart zei alleen, “dag moeder,” en liep meteen weer naar buiten.“Bent u weer aan het vertellen en moet u me weer ophemelen!” vroeg moeder Lubbe aan de oude vrouw.“Nee, dat is nou maar gekheid. ’t Is de waarheid, kind. Je bent een zegen voor iedereen en ik dank den lieven Heer iederen dag, dat ik jou in huis heb genomen.”“En ik dan, wat zou ik geweest zijn zonder mijn goeie tweede moeder,” vroeg de jonge vrouw weer, terwijl ze haar goed afdeed en Elsje wat aanhaalde, die zich tegen haar aandrong.“Heb u de aardappelen al geschild?” vervolgde ze. “En waren de kinderen zoet. Was Bart gehoorzaam!”“Best hoor,” antwoordde grootmoeder, “en hoe was ’t met Mevrouw!” “O,’t gaat veel beter, maar ze mag nog niet loopen van den dokter en nou vroeg ze of ik morgen ochtend haar nog eens kwam helpen. Ze is jarig morgen en dan met de kinderen. Nou ik zeg, Mevrouw toen u nog een meisje was, hebt u ons zoo geholpen, ’t zou niet mooi wezen, als ik u nu niet hielp. U wil toch wel nog een dagje alleen blijven met de kinderen, Bart is nou toch thuis.” “Zeker, natuurlijk, voor zulke goeie menschen als Mevrouw van den burgemeester moet je ook wat overhebben. Ik zal me eigen wel redden met Bart. Wat bracht ze me niet altijd soepjes en lekkers, toen ik zoo ziek was en wat was ze blij, dat we hier ook kwamen wonen.” “Nou dat zeg ik ook,” antwoordde moeder weer. “Kom Elsje, help me gauw, als een kind. Breng de schillen naar de keuken, dan zal ik grootmoe helpen. Wat is ’t slecht weer en dat tegenPaschen, ik kon op den dijk haast niet blijven staan.” Elsje ging naar de keuken. Zij mocht de aardappels wasschen; op een stoof kon ze net bij de pomp. Bart speelde buiten met Krijn en Jaap, die in de andere twee huisjes woonden. Er stonden drie op het pad, dat schuin naar den dijk liep en aan den anderen kant in de weilanden uitkwam.Ik kon op den dijk haast niet blijven staan.Ik kon op den dijk haast niet blijven staan.Barts vader woonde er nog niet lang. Hij had werk gekregen op den werf in het dorp. De vaders van Krijn en Jaap waren boerenarbeiders. Krijn was 12 jaar en Jaap 13, maar ze gingen met hun drieën naar en van school in het dorp en mochten om twaalf uur bij Bartsvader op den werf hun boterham eten. Zoo speelden ze veel met elkander, al zaten ze niet in dezelfde klasse. Ze moesten wel een groot half uur loopen, dat was in den winter een heele tocht langs den dijk, maar ze waren gezond en flink. Bart zag wel een beetje tegen die groote jongens op, die nog al brutaal waren en wat vrijer, dan hij. Zijn vader en moeder keken nog al precies, die van de andere jongens letten niet zooveel op hen. Nu moest hij zijn nieuwen tol laten zien, dien hij van vader had gekregen, omdat zijn eerste gedragboekje op deze school zoo goed was geweest. Er liep voor elk huisje een stukje straat, daar kon je fijn op tollen, al was ’t wat smal.Onderaan den dijk had je niet zoo’n last van den wind, maar ze moesten toch soms schreeuwen om elkaar te verstaan. Ze pikten elkaar en lieten de tol in kuiltjes loopen en vermaakten zich, totdat moeder riep, dat Bart moest komen eten, omdat vader thuis was.“Het is een mooie tol, vader. Krijn en Jaap zeggen het ook,” was het eerste, wat Bart zei, toen hij binnen kwam.“Zoo komaan, gelukkig maar,” antwoordde vader, terwijl hij zijn handen wreef, en hij gaf Bart een klap op den schouder, “Au!” riep Bart. “U slaat zoo hard, met die groote handen.” “Groote handen,” zei vader lachend, “kijk Els! heeft vader groote handen! Geef me de vijf, meid, neen de tien. Samen in één hand van vader.” Elsje lachte en grootmoe lachte. “Vader is ook zoo sterk”zei ze, “en dat is maar goed ook.” “Kijk,” zei vader, tilde grootmoeder met stoel en al op en zettehaar bij de tafel. “Elsje is ook sterk,” zei het kleine ding, sjouwde de kruk, wipte grootmoes beenen er op en dekte ze weer toe.“Elsje is een braaf kind,” hernam vader, en tilde haar hoog in de lucht, tot ze het uitschaterde van pleizier.Toen gingen ze eten. “Morgen moeten jelui weer samen voor grootmoe zorgen,” zei moeder onder het opscheppen en vertelde aan vader, dat ze bij den burgemeester wat zou gaan helpen in de huishouding. “Mevrouw vond het wel wat erg, maar ik zei, toen u in ons dorp woonde, hebt u ons ook geholpen, is ’t niet.” “Je hebt gelijk hoor,” antwoordde vader, “’t zijn beste menschen, daar gaat niets van af. Wat zeit u, moeder.” “Ja, hoor,” antwoordde grootje.“Nou Bart, dan moet jij morgen er maar eens aan gelooven,” vervolgde vader weer. “Dat is ook lekker,” bromde Bart. “We zouen morgen naar Krijn zijn oom gaan in den polder, die heeft een groote boerderij en daar zijn allemaal kalveren en biggen.”“Tuut, tuut,” zei vader, “we zouen? Heb je het dan aan moeder gevraagd?”“Aan mij niet,” zei moeder.“Nou, ja, als u het goed vond,” bromde Bart.“Maar we vinden het niet goed. Het is wel jammer voor je, maar je kan nog wel een anderen dag. Je hebt nog na de Paasch ook vacantie. Grootmoe kan toch niet alleen blijven, wel?” “Och het is ook altijd,” begon Bart, maar voordat hij had uitgesproken zag hij grootmoeders gezicht en hoorde haar mompelen, “’t is jammer, voor je, maar, zie je,” en hij sloeg de oogen neer voor vaders blik, keek op zijn bord en zweeg.—“Het wordt nog slechter weer,” zei vader.“De wind staat recht op den dijk,” antwoordde moeder.“Geef je bord nog eens Bart, of lust je niet meer?”“Wij zijn den wind wel gewoon, hé moeder.” “Nou,” antwoordde grootje, “wij hebben heel wat storm meegemaakt, daar is dit niets bij.” En ze spraken verder over wind en storm en Bart zat stil te eten en dacht over morgen.Na het eten, terwijl moeder in de keuken de borden waschte en grootmoeder zat te breien aan een paar kniekousen met roode randen, die Bart zoo graag wou hebben, stoeide vader met zijn jongens, zooals hij Bart en Elsje noemde en klonk hun gelach en gejoel boven den wind uit, die toch luid om het huisje gierde en door den schoorsteen bulderde. Toen Elsje met een kleur als een boei in de bedstee in de keuken lag, zei ze wel even:“He, moesje hoor es, boe, boe gaat ’t. Mag de deur open blijven, tot ik slaap; ik ben bang voor dien wind.”“Ik zal ze op een kiertje zetten, hoor: ga maar gauw slapen. Straks komt Bart ook,” antwoordde moeder en stopte haar lekker toe. Vader las nog wat voor, totdat Bart ook naar bed moest en hij dacht niet aan morgen, voordat hij onder de dekens lag. “Wat moest hij tegen de jongens zeggen?” zoo viel hij in slaap.

“Bart! Bart, kom je? grootmoe roept je.” “Ja, ik kom hoor! kijk ereis Els, kijk, gaat ie niet fijn.”

“Nou,” antwoordde Elsje met overtuiging. “Veel mooier dan die van Jaap laatst, niet?” Vergetend, waarom ze naar buiten kwam, bleef het kleine meisje met aandacht staan kijken naar den tol van haar broertje.

“Nou, boodschap loopen?” vleide ze. Maar Bart had geen ooren voor haar en volgde aandachtig de beweging van den dikken, gelen tol, die zoo hard draaide, dat ’t leek of hij stil stond.

“Kom, nou Bart,” vroeg Elsje weer, zich herinnerend “grootmoe zegt, dat je moet komen, om hout te hakken; anders gaat de kachel uit.” Meteen keerde ze zich om, huppelde terug naar het huisje bij den dijk en verdween in de kleine, groene deur.

Grootmoe zat in een houten leunstoel, met de voeten op een krukje, voor de kleine potkachel, waarop een pan stond.

Hoe vriendelijk keek ze op naar het kleine ding dat op haar toesprong. “Hij komt zoo.” zei Elsje, “brr, wat is het koud!”

“Hij moet voortmaken,” antwoordde grootmoeder “anders is ie uit, als moeder thuis komt. Neen, blijf jij er maar af, kindje. Ik ben veel te bang voor brand.”

staan kijken naar den tol.staan kijken naar den tol.

staan kijken naar den tol.

“Ja,” zei Elsje. “U zou niet kunnen wegloopen, hè grootmoe?” en ze ging bij de oude vrouw staan en streek haar liefkoozend over de lamme beenen.

“Maar ik dacht alleen aan jou, kindje,” antwoordde de goede vrouw en streek haar kleinkind over de zachte bruine haren. “Sla mijn doek even om en roep Bart nog eens; hij moet dadelijk komen.” Gewillig deed het vijfjarig meisje, wat grootmoe zei. “Toe dan Bart, dadelijk dan. De kachel gaat uit,” riep ze, zoo hard ze kon. Bart speelde op het straatje voor de deur: “Ach!”grauwde hij, “dat gezanik, ik kom immers al” nijdig pakte hij zijn tol op. “Wat heb ik aan een tol, als ik er niet eens even mee mag spelen. Wat is er nou,” gromde hij door, toen hij binnentrad. “Foei,” zei grootmoeder, “wat ben je norsch. Ik wou maar een paar houtjes voor de kachel; die wil je toch wel even halen.” “Ach,” bromde Bart, “dat gezeur altijd,” en met een boos gezicht ging hij het keukentje door, de achterdeur uit naar de schuur en koelde weldra zijn boosheid aan het hout, waarop hij flink los sloeg. Spoedig zong hij het hoogste lied er bij uit, een bewijs dat de tienjarige knaap, flinke longen en krachtige armen had. Met zijn armen vol hout kwam hij binnen en vulde de kachel bij, die weer begon te snorren.

Elsje zat nu naast grootmoeder op een stoel, nam de aardappels aan, die zij schilde en wierp ze in den emmer met water: “Grootmoe vertelt, Bart,” zei ze. “Vertel u nu eens, waarom wij maar één grootmoeder hebben. Gisterenavond zei u, morgen zal ik ’t je zeggen,” zei Bart.

“Goed, goed, ik zal ’t je vertellen.—Nou, je moet dan weten,” begon ze, “dat grootvader—jij hebt hem gekend, dien besten man.”—“Ja,” antwoordde Bart,“ik mocht altijd op zijn knie zitten en naar de scheepjes kijken, als ik met moeder en vader bij u kwam.” “Ik weet ’t niet meer,” zei Elsje. “Nee, jij was nog te klein,maar ik was al 7 jaar, toen grootvader dood ging.” Grootmoeder zuchtte: “Treurig, zoo treurig.” “Toen kon u nog loopen, hè grootmoe, langs ’t strand en met die groote ben met visch naar de stad. Ik weet ’t nog goed.” “Ja, je weet ’t nog goed,” bevestigde grootmoeder en veegde een traan af, die langs haar magere, bruine wang liep.“Maar toen ze je grootvader dood thuis brachten, toen ben ik zoo geschrokken en toen kon ik later niet meer loopen.” “Vertel u nou van die eene grootmoeder,” zei Bart.

dan zocht hij schelpjes.dan zocht hij schelpjes.

dan zocht hij schelpjes.

“Ja. Toen waren je vader en moeder nog heel klein. Zoo’n lieve, kleine dikzak, je vader; zoo lief en gezeggelijk. Hij speelde altijd in het tuintje voor het huis, daar kon hij de zee zien en de scheepjes; dan zocht hij schelpjes of kruide zand. Allemaal visschers woonden op onze rij en naast ons woonde Arie van Dobben en Elsje, die nog met ons hadden schoolgegaan. En die hadden zoo’n klein meiske Marijtje, jonger dan onze jongen en die twee speelden altijd samen. Zoo lief, ’t was een aardigheid.—Het was ook in ’t voorjaaren bar weer; al een paar dagen en nachten. Een storm! Die zee ging te keer. Je grootvader was thuis, maar Marijtjes vader nog niet. Op een morgen kwam het kleine ding binnenloopen, met een benauwd gezicht—Tante Bartje, moe roept, gauw! gauw!—Nou,—ik ging mee en de kinderen achter me aan. Daar lag die arme Els, benauwd en naar. Een andere buurvrouw om den dokter. Vader nam de kinderen mee en dienzelfden nacht stierf ze in mijn armen. Marijken bleef bij ons op haar vader wachten. Maar twee dagen later spoelde het wrakhout van de Elsa aan en haar vader kwam niet weer terug. Wat moest ’t arme kind? Natuurlijk hielden we het schaapje bij ons en ze wist later niet beter of ze was een zusje van Bart en Nelis en Anne en Mijntje, die later nog kwamen. En toen ze groot waren en vader in dienst was geweest en terug kwam en goed zijn brood had, als scheepstimmerman, nou—toen trouwde hij met Marijtje; en toen hadden ze samen maar één vader en moeder; begrijp je? en nou heb jelui alleen je grootje, dat dubbel van jelui houdt.”—

“O,” zei Bart, “zie je nou wel. Jaap zei, dat het niet kon en moeder had het toch gezeid.” “Het kan; het is zoo en niet anders.” “En nou moeten we voor drie van u houden; dat doet moeder ook,” zei Elsje.

“Ja, jelui moeder is een engel voor ons allemaal geweest. Zonder je moeder zou ik—”

“O, is u weer bezig, moeder!”riep een vroolijke stem en een jonge vrouw met vriendelijk gezicht kwam de deur binnen. Ze trad dadelijk op grootje toe en kuste haar op het voorhoofd. Elsje sprong tegen haar open liet zich ook door haar zoenen. Bart zei alleen, “dag moeder,” en liep meteen weer naar buiten.

“Bent u weer aan het vertellen en moet u me weer ophemelen!” vroeg moeder Lubbe aan de oude vrouw.

“Nee, dat is nou maar gekheid. ’t Is de waarheid, kind. Je bent een zegen voor iedereen en ik dank den lieven Heer iederen dag, dat ik jou in huis heb genomen.”

“En ik dan, wat zou ik geweest zijn zonder mijn goeie tweede moeder,” vroeg de jonge vrouw weer, terwijl ze haar goed afdeed en Elsje wat aanhaalde, die zich tegen haar aandrong.

“Heb u de aardappelen al geschild?” vervolgde ze. “En waren de kinderen zoet. Was Bart gehoorzaam!”

“Best hoor,” antwoordde grootmoeder, “en hoe was ’t met Mevrouw!” “O,’t gaat veel beter, maar ze mag nog niet loopen van den dokter en nou vroeg ze of ik morgen ochtend haar nog eens kwam helpen. Ze is jarig morgen en dan met de kinderen. Nou ik zeg, Mevrouw toen u nog een meisje was, hebt u ons zoo geholpen, ’t zou niet mooi wezen, als ik u nu niet hielp. U wil toch wel nog een dagje alleen blijven met de kinderen, Bart is nou toch thuis.” “Zeker, natuurlijk, voor zulke goeie menschen als Mevrouw van den burgemeester moet je ook wat overhebben. Ik zal me eigen wel redden met Bart. Wat bracht ze me niet altijd soepjes en lekkers, toen ik zoo ziek was en wat was ze blij, dat we hier ook kwamen wonen.” “Nou dat zeg ik ook,” antwoordde moeder weer. “Kom Elsje, help me gauw, als een kind. Breng de schillen naar de keuken, dan zal ik grootmoe helpen. Wat is ’t slecht weer en dat tegenPaschen, ik kon op den dijk haast niet blijven staan.” Elsje ging naar de keuken. Zij mocht de aardappels wasschen; op een stoof kon ze net bij de pomp. Bart speelde buiten met Krijn en Jaap, die in de andere twee huisjes woonden. Er stonden drie op het pad, dat schuin naar den dijk liep en aan den anderen kant in de weilanden uitkwam.

Ik kon op den dijk haast niet blijven staan.Ik kon op den dijk haast niet blijven staan.

Ik kon op den dijk haast niet blijven staan.

Barts vader woonde er nog niet lang. Hij had werk gekregen op den werf in het dorp. De vaders van Krijn en Jaap waren boerenarbeiders. Krijn was 12 jaar en Jaap 13, maar ze gingen met hun drieën naar en van school in het dorp en mochten om twaalf uur bij Bartsvader op den werf hun boterham eten. Zoo speelden ze veel met elkander, al zaten ze niet in dezelfde klasse. Ze moesten wel een groot half uur loopen, dat was in den winter een heele tocht langs den dijk, maar ze waren gezond en flink. Bart zag wel een beetje tegen die groote jongens op, die nog al brutaal waren en wat vrijer, dan hij. Zijn vader en moeder keken nog al precies, die van de andere jongens letten niet zooveel op hen. Nu moest hij zijn nieuwen tol laten zien, dien hij van vader had gekregen, omdat zijn eerste gedragboekje op deze school zoo goed was geweest. Er liep voor elk huisje een stukje straat, daar kon je fijn op tollen, al was ’t wat smal.

Onderaan den dijk had je niet zoo’n last van den wind, maar ze moesten toch soms schreeuwen om elkaar te verstaan. Ze pikten elkaar en lieten de tol in kuiltjes loopen en vermaakten zich, totdat moeder riep, dat Bart moest komen eten, omdat vader thuis was.

“Het is een mooie tol, vader. Krijn en Jaap zeggen het ook,” was het eerste, wat Bart zei, toen hij binnen kwam.

“Zoo komaan, gelukkig maar,” antwoordde vader, terwijl hij zijn handen wreef, en hij gaf Bart een klap op den schouder, “Au!” riep Bart. “U slaat zoo hard, met die groote handen.” “Groote handen,” zei vader lachend, “kijk Els! heeft vader groote handen! Geef me de vijf, meid, neen de tien. Samen in één hand van vader.” Elsje lachte en grootmoe lachte. “Vader is ook zoo sterk”zei ze, “en dat is maar goed ook.” “Kijk,” zei vader, tilde grootmoeder met stoel en al op en zettehaar bij de tafel. “Elsje is ook sterk,” zei het kleine ding, sjouwde de kruk, wipte grootmoes beenen er op en dekte ze weer toe.“Elsje is een braaf kind,” hernam vader, en tilde haar hoog in de lucht, tot ze het uitschaterde van pleizier.

Toen gingen ze eten. “Morgen moeten jelui weer samen voor grootmoe zorgen,” zei moeder onder het opscheppen en vertelde aan vader, dat ze bij den burgemeester wat zou gaan helpen in de huishouding. “Mevrouw vond het wel wat erg, maar ik zei, toen u in ons dorp woonde, hebt u ons ook geholpen, is ’t niet.” “Je hebt gelijk hoor,” antwoordde vader, “’t zijn beste menschen, daar gaat niets van af. Wat zeit u, moeder.” “Ja, hoor,” antwoordde grootje.

“Nou Bart, dan moet jij morgen er maar eens aan gelooven,” vervolgde vader weer. “Dat is ook lekker,” bromde Bart. “We zouen morgen naar Krijn zijn oom gaan in den polder, die heeft een groote boerderij en daar zijn allemaal kalveren en biggen.”

“Tuut, tuut,” zei vader, “we zouen? Heb je het dan aan moeder gevraagd?”“Aan mij niet,” zei moeder.

“Nou, ja, als u het goed vond,” bromde Bart.

“Maar we vinden het niet goed. Het is wel jammer voor je, maar je kan nog wel een anderen dag. Je hebt nog na de Paasch ook vacantie. Grootmoe kan toch niet alleen blijven, wel?” “Och het is ook altijd,” begon Bart, maar voordat hij had uitgesproken zag hij grootmoeders gezicht en hoorde haar mompelen, “’t is jammer, voor je, maar, zie je,” en hij sloeg de oogen neer voor vaders blik, keek op zijn bord en zweeg.—“Het wordt nog slechter weer,” zei vader.

“De wind staat recht op den dijk,” antwoordde moeder.

“Geef je bord nog eens Bart, of lust je niet meer?”

“Wij zijn den wind wel gewoon, hé moeder.” “Nou,” antwoordde grootje, “wij hebben heel wat storm meegemaakt, daar is dit niets bij.” En ze spraken verder over wind en storm en Bart zat stil te eten en dacht over morgen.

Na het eten, terwijl moeder in de keuken de borden waschte en grootmoeder zat te breien aan een paar kniekousen met roode randen, die Bart zoo graag wou hebben, stoeide vader met zijn jongens, zooals hij Bart en Elsje noemde en klonk hun gelach en gejoel boven den wind uit, die toch luid om het huisje gierde en door den schoorsteen bulderde. Toen Elsje met een kleur als een boei in de bedstee in de keuken lag, zei ze wel even:“He, moesje hoor es, boe, boe gaat ’t. Mag de deur open blijven, tot ik slaap; ik ben bang voor dien wind.”“Ik zal ze op een kiertje zetten, hoor: ga maar gauw slapen. Straks komt Bart ook,” antwoordde moeder en stopte haar lekker toe. Vader las nog wat voor, totdat Bart ook naar bed moest en hij dacht niet aan morgen, voordat hij onder de dekens lag. “Wat moest hij tegen de jongens zeggen?” zoo viel hij in slaap.

2. De verzoeking.Toen hij wakker werd, scheen de zon, “hè,”dacht Bart weer.—Prachtig weer, om uit te gaan. Zullie gaan natuurlijk.—Moeder kwam in de keuken, om water op ’t stel te zetten.“Zoo jongen, ben je wakker? Sta dan maar gauw op, dan kan je me helpen. Vader moet zoo weg.” “Morgen, Moe,” zei Bart en sprong het bed uit.—Als vader weg is—dacht hij—ga ik naar Krijn toe.Om half acht ging vader de deur uit. Eerst had hij grootmoe uit de bedstee getild en weer op haar stoel gezet; dat vond hij voor moeder te zwaar. Toen had Elsje in haar paars nachtjaponnetje nog even op zijn knie gezeten en een hapje met hem mee gegeten. Nu wuifde ze vader na door het zijraam, waarmee je op den dijk kon zien en waarvoor grootmoe ook zat. Bart was ook klaar met zijn boterham en toen vader uit het gezicht was, ging hij door de keuken de achterdeur uit, wip over het hekje van den kleinen moestuin en bij Krijn de achterdeur in. Baar stond Krijn bij zijn moeder in de keuken. “Ben je er al?” vroeg hij met zijn mond vol. “Moeder pakt me brood in.” “Heb je niets bij je,” vroeg Krijns moeder. “En moet je geen jas aan? ’t Is veel te guur en je krijgt nog wel regen ook.” Bart schudde van neen; hij had wel kunnen huilen: hij durfde niets zeggen, omdat hij zich niet goed kon houden. “Dag moeder,” zei Krijn en hij stapte de deur uit naar het huisje van Jaap.Op zijn knie gezeten.Op zijn knie gezeten.“Ik ga niet mee,” zei Bart nu bedrukt. “Hè, mag je niet, da’s gemeen,” was ’t antwoord, “je hoeft toch niet op je zusje te passen.”“Moeder is niet thuis vandaag,” antwoordde Bart. “Nou, je grootje is er toch. Wat zou dat? Kom ga maar mee!” “Grootmoeder kan niet alleen blijven,” antwoordde Bart terwijl hij zijn tranen inslikte.“Och, dat lamme mensch laat er ophoepelen,” antwoordde Krijn. Bart schrok er van; gelukkig dat vader en moeder ’t niet hoorden, anders zou hij niet meer met Krijn mogen loopen misschien. “Ze kan het toch niet helpen,” antwoordde hij aarzelend. “Is je vader al weg?” vroeg Krijn. “Ja,” knikte Bart. “Je moeder ook al?” “Neen, die nog niet.” “Nou, weet je wat, dan wachten we tot je moeder weg is en dan kom je stil door de achterdeur. Ze kan je toch niet naloopen.“Je bent ook zoo’n flauwerd. Ga nou gauw terug, dat je moeder niks merkt; ik wacht met Jaap bij de schuur.”Bart ging schoorvoetend naar huis terug. Zou hij dat doen? Als hij maar terug was vóór vader en moeder. Grootmoe zou ’t misschien niet eens vertellen. Ze kon nooit velen, dat vader erg knorde op hem. Zou hij het groot je vragen? Nee, dat toch maar niet; hij mocht niet van vader en moeder, dan zou grootmoe het ook niet willen.“Waar zat je toch?” vroeg moeder, toen hij de kamer weer binnen kwam. “Toe veeg jij even gauw de keuken aan en je zet om half vijf de aardappels op het stel. De boontjes staan in de pan, die moeten maar binnen op de kachel. Jelui brood staat klaar in de kast. Hoor es, wat steekt de wind weer op. Je mag blij wezen, dat je niet uit bent. De lucht is zoo donker geworden. Je moet maar niet buiten spelen ook, ga maar wat bouwen of lezen.”Bart deed wat moeder zei, zonder te antwoorden.“Nog iets moe?” vroeg hij, toen hij klaar was. “Neen, jongen. Ik ben ook klaar. Jongens, kijk eens!” Een hevige windvlaag deed het huisje schudden en de regen viel bij stroomen neer. “Kind, wat een weer,” zei grootmoeder. “Je mag je wel goed instoppen. Het was zoo mooi bedaard van morgen en nou begint het weer.”“Ja, ik zal maar gauw heengaan. Daar komt net de zon weer. Misschien hou ik het nog droog,” antwoordde moeder. “De lucht is anders pikzwart daar in de verte. ’t Is mooi lenteweer, hoor,” hernam grootmoe.“Nou, dag moeder, dag jongens. Lief zijn hoor. Misschienbreng ik wel wat lekkers voor jelui mee.” “Een paaschei moes,” vleide Elsje. “Misschien wel, als jelui zoet bent.”“Ik zal heel, heel zoet zijn, dag moesje,” zei Elsje.“Nou Bart en jij doet alles wat grootmoe zegt hoor.”Met hun drieën keken ze moeder na, die op den dijk zich nog eens omkeerde, naar de lucht wees en een leelijk gezicht trok.“Kijk, Moes rokken,” zei Elsje. “Straks waait haar doek nog weg. Zou ons huis niet om kunnen waaien?”“Wel nee,” zei Bart, “dat gebeurt nooit. Wel een pan van het dak.” “Dan wordt de zolder nat,” zei Elsje.Bart talmde en draaide wat. Hij durfde toch niet heengaan en ook niet tegen Krijn zeggen, dat hij niet kwam. Zou hij heengaan en grootmoe toch alleen laten met Elsje. En als ze hem zochten en grootmoe wist niet, waar hij was.—Elsje zou hem roepen.—Ze zou misschien naar het huisje van Krijn gaan.—“Moet je geen jas aan?”“Moet je geen jas aan?”“Hoor es, grootmoe, hè, alles schudt van den wind. En het is zoo donker,” merkte Elsje op.—Hij kon toch wel gauw terug komen. Hij hoefde alleen de aardappels op te zetten; de kachel brandde. Een schepje kolen kon Elsje er wel op gooien. Hij keek eens naar grootmoe. ’t Was toch naar, als je niet loopen kon. Hij wist nog, hoe grootmoe met de zware ben met visch liep en altijd in huis werkte. Toen hadden ze grootvader voor ’n paar jaar terug, dood thuis gebracht. Hij had andere menschen van een schip gered en toen een stuk wrakhout tegen zijn hoofd gekregen. Toen was grootmoeder erg ziek geworden en toen kon zeniet meer loopen. Moeder en vader zeien altijd, we moeten maar heel lief voor grootmoeder zijn.—Daar stonden Krijn en Jaap. Ze wenkten hem. “Moet u niet lezen, grootmoe,” vroeg Bart. “Ja,” zei grootmoeder, “dat is goed” en Bart bracht haar haar bril en haar boek. Elsje speelde met haar pop en wagentje. Het duurde niet lang of grootmoeder zat met het boek op schoot, geheel verdiept in het lezen, bij wijzend met den vinger en halfluid spellend. Bart kon nu best ongemerkt door de keuken weg gaan. Heel zachtjes deed hij de achterdeur open. Bulderend sloeg de wind naar binnen, gauw de deur dicht! Brr, wat was het koud. Krijn liep al op hem af. “Nou vooruit! wat laat je ons lang wachten. Moet je geen jas aan, heb je je brood?” Hij dacht niet anders of Bart ging mee. “Hij heb em stikum gesmeerd, natuurlijk,” lachte Jaap. “Heb ’t lamme, ouwe wijf ’t niet in de gaten gehad?” dat was Bart toch te kras. Hij schaamde zich, dat ze het tegen hem durfden zeggen, draaide zich om en snauwde: “ga jelui maar alleen hoor.” “Toe nou, flauwerd,” riep Krijn hem nog na, maar hijliep nog wat harder en verdween weer in de keuken. “Mispunt! lafferd!” hij hoorde het haast niet door den wind en trok de deur met een smak dicht. “Wat een slag,” zei grootmoe, “was je aan de buitendeur.” “Eventjes,” antwoordde Bart verlegen. “Nou, blijf maar binnen, hoor, het is veel te slecht weer.”

Toen hij wakker werd, scheen de zon, “hè,”dacht Bart weer.—Prachtig weer, om uit te gaan. Zullie gaan natuurlijk.—

Moeder kwam in de keuken, om water op ’t stel te zetten.

“Zoo jongen, ben je wakker? Sta dan maar gauw op, dan kan je me helpen. Vader moet zoo weg.” “Morgen, Moe,” zei Bart en sprong het bed uit.—Als vader weg is—dacht hij—ga ik naar Krijn toe.

Om half acht ging vader de deur uit. Eerst had hij grootmoe uit de bedstee getild en weer op haar stoel gezet; dat vond hij voor moeder te zwaar. Toen had Elsje in haar paars nachtjaponnetje nog even op zijn knie gezeten en een hapje met hem mee gegeten. Nu wuifde ze vader na door het zijraam, waarmee je op den dijk kon zien en waarvoor grootmoe ook zat. Bart was ook klaar met zijn boterham en toen vader uit het gezicht was, ging hij door de keuken de achterdeur uit, wip over het hekje van den kleinen moestuin en bij Krijn de achterdeur in. Baar stond Krijn bij zijn moeder in de keuken. “Ben je er al?” vroeg hij met zijn mond vol. “Moeder pakt me brood in.” “Heb je niets bij je,” vroeg Krijns moeder. “En moet je geen jas aan? ’t Is veel te guur en je krijgt nog wel regen ook.” Bart schudde van neen; hij had wel kunnen huilen: hij durfde niets zeggen, omdat hij zich niet goed kon houden. “Dag moeder,” zei Krijn en hij stapte de deur uit naar het huisje van Jaap.

Op zijn knie gezeten.Op zijn knie gezeten.

Op zijn knie gezeten.

“Ik ga niet mee,” zei Bart nu bedrukt. “Hè, mag je niet, da’s gemeen,” was ’t antwoord, “je hoeft toch niet op je zusje te passen.”

“Moeder is niet thuis vandaag,” antwoordde Bart. “Nou, je grootje is er toch. Wat zou dat? Kom ga maar mee!” “Grootmoeder kan niet alleen blijven,” antwoordde Bart terwijl hij zijn tranen inslikte.

“Och, dat lamme mensch laat er ophoepelen,” antwoordde Krijn. Bart schrok er van; gelukkig dat vader en moeder ’t niet hoorden, anders zou hij niet meer met Krijn mogen loopen misschien. “Ze kan het toch niet helpen,” antwoordde hij aarzelend. “Is je vader al weg?” vroeg Krijn. “Ja,” knikte Bart. “Je moeder ook al?” “Neen, die nog niet.” “Nou, weet je wat, dan wachten we tot je moeder weg is en dan kom je stil door de achterdeur. Ze kan je toch niet naloopen.

“Je bent ook zoo’n flauwerd. Ga nou gauw terug, dat je moeder niks merkt; ik wacht met Jaap bij de schuur.”

Bart ging schoorvoetend naar huis terug. Zou hij dat doen? Als hij maar terug was vóór vader en moeder. Grootmoe zou ’t misschien niet eens vertellen. Ze kon nooit velen, dat vader erg knorde op hem. Zou hij het groot je vragen? Nee, dat toch maar niet; hij mocht niet van vader en moeder, dan zou grootmoe het ook niet willen.

“Waar zat je toch?” vroeg moeder, toen hij de kamer weer binnen kwam. “Toe veeg jij even gauw de keuken aan en je zet om half vijf de aardappels op het stel. De boontjes staan in de pan, die moeten maar binnen op de kachel. Jelui brood staat klaar in de kast. Hoor es, wat steekt de wind weer op. Je mag blij wezen, dat je niet uit bent. De lucht is zoo donker geworden. Je moet maar niet buiten spelen ook, ga maar wat bouwen of lezen.”

Bart deed wat moeder zei, zonder te antwoorden.

“Nog iets moe?” vroeg hij, toen hij klaar was. “Neen, jongen. Ik ben ook klaar. Jongens, kijk eens!” Een hevige windvlaag deed het huisje schudden en de regen viel bij stroomen neer. “Kind, wat een weer,” zei grootmoeder. “Je mag je wel goed instoppen. Het was zoo mooi bedaard van morgen en nou begint het weer.”

“Ja, ik zal maar gauw heengaan. Daar komt net de zon weer. Misschien hou ik het nog droog,” antwoordde moeder. “De lucht is anders pikzwart daar in de verte. ’t Is mooi lenteweer, hoor,” hernam grootmoe.

“Nou, dag moeder, dag jongens. Lief zijn hoor. Misschienbreng ik wel wat lekkers voor jelui mee.” “Een paaschei moes,” vleide Elsje. “Misschien wel, als jelui zoet bent.”

“Ik zal heel, heel zoet zijn, dag moesje,” zei Elsje.

“Nou Bart en jij doet alles wat grootmoe zegt hoor.”

Met hun drieën keken ze moeder na, die op den dijk zich nog eens omkeerde, naar de lucht wees en een leelijk gezicht trok.

“Kijk, Moes rokken,” zei Elsje. “Straks waait haar doek nog weg. Zou ons huis niet om kunnen waaien?”

“Wel nee,” zei Bart, “dat gebeurt nooit. Wel een pan van het dak.” “Dan wordt de zolder nat,” zei Elsje.

Bart talmde en draaide wat. Hij durfde toch niet heengaan en ook niet tegen Krijn zeggen, dat hij niet kwam. Zou hij heengaan en grootmoe toch alleen laten met Elsje. En als ze hem zochten en grootmoe wist niet, waar hij was.—Elsje zou hem roepen.—Ze zou misschien naar het huisje van Krijn gaan.—

“Moet je geen jas aan?”“Moet je geen jas aan?”

“Moet je geen jas aan?”

“Hoor es, grootmoe, hè, alles schudt van den wind. En het is zoo donker,” merkte Elsje op.—Hij kon toch wel gauw terug komen. Hij hoefde alleen de aardappels op te zetten; de kachel brandde. Een schepje kolen kon Elsje er wel op gooien. Hij keek eens naar grootmoe. ’t Was toch naar, als je niet loopen kon. Hij wist nog, hoe grootmoe met de zware ben met visch liep en altijd in huis werkte. Toen hadden ze grootvader voor ’n paar jaar terug, dood thuis gebracht. Hij had andere menschen van een schip gered en toen een stuk wrakhout tegen zijn hoofd gekregen. Toen was grootmoeder erg ziek geworden en toen kon zeniet meer loopen. Moeder en vader zeien altijd, we moeten maar heel lief voor grootmoeder zijn.—Daar stonden Krijn en Jaap. Ze wenkten hem. “Moet u niet lezen, grootmoe,” vroeg Bart. “Ja,” zei grootmoeder, “dat is goed” en Bart bracht haar haar bril en haar boek. Elsje speelde met haar pop en wagentje. Het duurde niet lang of grootmoeder zat met het boek op schoot, geheel verdiept in het lezen, bij wijzend met den vinger en halfluid spellend. Bart kon nu best ongemerkt door de keuken weg gaan. Heel zachtjes deed hij de achterdeur open. Bulderend sloeg de wind naar binnen, gauw de deur dicht! Brr, wat was het koud. Krijn liep al op hem af. “Nou vooruit! wat laat je ons lang wachten. Moet je geen jas aan, heb je je brood?” Hij dacht niet anders of Bart ging mee. “Hij heb em stikum gesmeerd, natuurlijk,” lachte Jaap. “Heb ’t lamme, ouwe wijf ’t niet in de gaten gehad?” dat was Bart toch te kras. Hij schaamde zich, dat ze het tegen hem durfden zeggen, draaide zich om en snauwde: “ga jelui maar alleen hoor.” “Toe nou, flauwerd,” riep Krijn hem nog na, maar hijliep nog wat harder en verdween weer in de keuken. “Mispunt! lafferd!” hij hoorde het haast niet door den wind en trok de deur met een smak dicht. “Wat een slag,” zei grootmoe, “was je aan de buitendeur.” “Eventjes,” antwoordde Bart verlegen. “Nou, blijf maar binnen, hoor, het is veel te slecht weer.”

3. De dijkbreuk.Het was net of de wind weer erger te keer ging. Weer begon het te regenen. “Foei, foei!” zei grootmoe en schudde het hoofd. “Wat spookt het.” Bart antwoordde niet meer; hij kreeg de kindercourant uit de kast, ging aan de tafel zitten met zijn handen onder zijn hoofd en zijn vingers in zijn ooren. Hij hoorde niets meer of deed net, of hij niets hoorde. Grootmoeder vervolgde haar lezing. Elsje zat naast haar voor het raam met haar pop op schoot en keek naar buiten, naar de koeien en paarden, die met dekken om al in het land liepen. Er kwam geen mensch meer over den dijk. Het werd maar steeds donkerder. Bart kon haast niet meer lezen bij de tafel. Zwarte wolken pakten zich samen en joegen in groote vaart door de lucht. Weldra kletterde de regen in stroomen neer, zoodat je haast niet in de verte kon zien. De wind nam in hevigheid toe en bulderde en gierde dat Elsje er bang van werd.Ze trok grootje aan haar mouw. “Grootmoe,” zei ze zacht. “Het is hier zoo stil en de wind schreeuwt zoo hard.”Grootmoeder legde haar boek op het tafeltje, datnaast haar stoel stond en trok Elsje naar zich toe. “Zal ik je eens wat vertellen?” zei ze vriendelijk. “Je moet niet bang zijn voor den wind. Jongens, jongens, ’t is wel heel erg,” vervolgde ze, toen een nieuwe windvlaag alles rammelen deed en de kachel ineens rood verfde.“Bart, doe het schuifje wat dicht. Bartje!” riep ze.Bart stond op en temperde de kachel wat. “Het waait ineens weer harder,” zei hij en ging ook bij het zijraam staan, om uit te kijken.Anders zag je nog wel menschen op het land bezig; nu was er niemand. De paarden en koeien waren bij elkaar gekropen, zoo dicht mogelijk tegen den dijk aan onder een groepje boomen, wat hen nog wel niet tegen den regen beschutten kon, maar zeker wel tegen den wind. Niemand op den dijk te zien. Wat joegen die wolken door de lucht, net of ze mekaar achterna zaten. Brr, het was griezelig weer. “We konden de lamp wel opsteken, grootmoe,” zei Elsje, “’t is zoo donker. Hè, ik word er bang van.” Ze drukte haar hoofdje tegen grootmoe aan en gluurde onder de haren door angstig naar buiten.“Grootmoe, kijk u eens,” riep Bart opeens. “Wat is dat daar tusschen het gras. Kijk, allemaal kletsnat van den regen, ’t lijkt wel een sloot.”“Ja,” antwoordde grootmoe, “het regent ook zoo, ’t lijkt wel groote schoonmaak daarboven. De grond kan het niet ineens verzwelgen.” “Kijk grootmoe, er komen golfjes in, hè, hoor es!” “Kom hier maar,” zei Grootmoe verschrikt door de vreeselijke windvlaag.—“De ruit kon wel eens inwaaien. Ga er niet zoo dichtbij staan. Hier kan je ook kijken.”“Het water komt al verder. Straks kan moeder er niet eens door als ze thuis komt,” merkte Bart op.“Welnee,” zei grootmoe, “dat duurt nog zoo lang. Als de regen temet ophoudt, trekt het wel weer weg.”“Anders moet ze maar een schuitje nemen, er zijn wel bij vader op de werf,” zei Bart weer, schertsend.“Het zakt zóó wel,” stelde grootmoeder gerust.“Maar nou nog niet. Het komt verder. Kijk die koeien, ’t is net of ze wegzinken in den grond. Ze probeeren weg te loopen, maar ze kunnen niet. Kijk, het paard wil tegen den dijk op. Wat spat dat water. Het gaat er onder, Grootje, ze verdrinken geloof ik.” Bart drong weer naar het raam, om beter te zien. “Het water staat tot aan het straatje en het golft tegen den dijk op, het komt al dichter bij.”“Grootmoe, kijk u eens!”“Grootmoe, kijk u eens!”“Och, jongen, ’t is toch niet zoo?” vroeg grootje wat angstig en zachtjes zei ze: “Er zal toch geen gat in den dijk geslagen zijn.” “Ga es kijken door het keukenraam,”vervoegde ze tegen Bart, “of het aan den anderen kant ook zoo is, bij Krijn zijn huis.” Donderend geweld in den schoorsteen, gieren en blazen, rammelen van de ruiten, allerlei onheilspellende geluiden. Elsje begon te snikken. “Lieve Heer!” stamelde grootmoeder, “het zal toch niet zoo zijn!”“Ik hoor schreeuwen,” zei Bart, “hoort u het ook?”“Dat is de wind,” antwoordde grootmoe. “Neen,” zei Bart, “toch niet” en hij ging naar de keuken, om daar door het raam te kijken, waar hij Krijns huis zien kon. Daar zag hij Krijns moeder met de rokken hoog opgeschort, op iederen arm een kind, ze trachtte tegen den wind op te komen en waadde tot de knieën door ’t water. “Vrouw Lubbe! vrouw Lubbe!” gilde ze, zoo hard ze kon. “Kom dan! het water!” meer kon Bart niet hooren. Daar kwam Jaaps moeder ook met kleine Koosje op den eenen en den hond onder den anderen arm. Ze gleden haast uit, maar ze liepen toch door en gingen naar den dijk toe. Bart trilde van angst. Wat moest hij doen. Grootmoe! zijn bloed stond stil van schrik. Het was vast niet van den regen. Het leek wel een rivier en het bruiste en golfde en kwam hooger en hooger. Bart keerde zich om. Was het verbeelding? Nee, toch niet, daar door de keukendeur, daar kwam het water met kleine golfjes naar binnen. Gauw, gauw, hij moest naar grootmoe. Nog was het droog tot bij de deur van de kamer; hij gooide de deur open. Rillend stond hij daar en kon haast niet spreken.“Grootje, grootje,” snikte hij, “het water staat in de keuken. Krijn en Jaap hun moeders zijn weggeloopenen wij zijn hier alleen,” snikkend viel hij grootmoeder om den hals. “Och Heere, Heere!” bad de oude vrouw, “loop gauw, neem Elsje mee, misschien kan je er nog door, gauw! gauw dan! Het is toch een gat in den dijk.””’t Kan niet grootmoe, en u dan,” vroeg Bart, en klemde zich aan haar vast. “Ga, Bart, voor het te laat is,” antwoordde grootje met trillende lippen. Maar het was al te laat. Daar kwam het water ook door de andere deur het kamertje in. “O Hemelsche Vader, help ons,” kreet de arme oude vrouw, “de kinders, de kinders! mijn arme Marijke, mijn goeie jongen, wat een verdriet!” en wanhopig vouwde ze haar handen. Elsje was op haar schoot geklommen, Bart zat op een stoel. Half versuft keken ze naar het water, dat maar aldoor naar binnen liep en al hooger en hooger steeg.“Grootje, kan het zoo hoog komen, dat we—dat we verdrinken?”vroeg Bart opeens en wachtte vol angst op het antwoord. “Ik weet ’t niet, jongen, ’t is in korten tijd zoo gestegen. Ik weet het niet. Mijn arme kinders!”

Het was net of de wind weer erger te keer ging. Weer begon het te regenen. “Foei, foei!” zei grootmoe en schudde het hoofd. “Wat spookt het.” Bart antwoordde niet meer; hij kreeg de kindercourant uit de kast, ging aan de tafel zitten met zijn handen onder zijn hoofd en zijn vingers in zijn ooren. Hij hoorde niets meer of deed net, of hij niets hoorde. Grootmoeder vervolgde haar lezing. Elsje zat naast haar voor het raam met haar pop op schoot en keek naar buiten, naar de koeien en paarden, die met dekken om al in het land liepen. Er kwam geen mensch meer over den dijk. Het werd maar steeds donkerder. Bart kon haast niet meer lezen bij de tafel. Zwarte wolken pakten zich samen en joegen in groote vaart door de lucht. Weldra kletterde de regen in stroomen neer, zoodat je haast niet in de verte kon zien. De wind nam in hevigheid toe en bulderde en gierde dat Elsje er bang van werd.

Ze trok grootje aan haar mouw. “Grootmoe,” zei ze zacht. “Het is hier zoo stil en de wind schreeuwt zoo hard.”

Grootmoeder legde haar boek op het tafeltje, datnaast haar stoel stond en trok Elsje naar zich toe. “Zal ik je eens wat vertellen?” zei ze vriendelijk. “Je moet niet bang zijn voor den wind. Jongens, jongens, ’t is wel heel erg,” vervolgde ze, toen een nieuwe windvlaag alles rammelen deed en de kachel ineens rood verfde.

“Bart, doe het schuifje wat dicht. Bartje!” riep ze.

Bart stond op en temperde de kachel wat. “Het waait ineens weer harder,” zei hij en ging ook bij het zijraam staan, om uit te kijken.

Anders zag je nog wel menschen op het land bezig; nu was er niemand. De paarden en koeien waren bij elkaar gekropen, zoo dicht mogelijk tegen den dijk aan onder een groepje boomen, wat hen nog wel niet tegen den regen beschutten kon, maar zeker wel tegen den wind. Niemand op den dijk te zien. Wat joegen die wolken door de lucht, net of ze mekaar achterna zaten. Brr, het was griezelig weer. “We konden de lamp wel opsteken, grootmoe,” zei Elsje, “’t is zoo donker. Hè, ik word er bang van.” Ze drukte haar hoofdje tegen grootmoe aan en gluurde onder de haren door angstig naar buiten.

“Grootmoe, kijk u eens,” riep Bart opeens. “Wat is dat daar tusschen het gras. Kijk, allemaal kletsnat van den regen, ’t lijkt wel een sloot.”

“Ja,” antwoordde grootmoe, “het regent ook zoo, ’t lijkt wel groote schoonmaak daarboven. De grond kan het niet ineens verzwelgen.” “Kijk grootmoe, er komen golfjes in, hè, hoor es!” “Kom hier maar,” zei Grootmoe verschrikt door de vreeselijke windvlaag.—“De ruit kon wel eens inwaaien. Ga er niet zoo dichtbij staan. Hier kan je ook kijken.”

“Het water komt al verder. Straks kan moeder er niet eens door als ze thuis komt,” merkte Bart op.

“Welnee,” zei grootmoe, “dat duurt nog zoo lang. Als de regen temet ophoudt, trekt het wel weer weg.”

“Anders moet ze maar een schuitje nemen, er zijn wel bij vader op de werf,” zei Bart weer, schertsend.

“Het zakt zóó wel,” stelde grootmoeder gerust.

“Maar nou nog niet. Het komt verder. Kijk die koeien, ’t is net of ze wegzinken in den grond. Ze probeeren weg te loopen, maar ze kunnen niet. Kijk, het paard wil tegen den dijk op. Wat spat dat water. Het gaat er onder, Grootje, ze verdrinken geloof ik.” Bart drong weer naar het raam, om beter te zien. “Het water staat tot aan het straatje en het golft tegen den dijk op, het komt al dichter bij.”

“Grootmoe, kijk u eens!”“Grootmoe, kijk u eens!”

“Grootmoe, kijk u eens!”

“Och, jongen, ’t is toch niet zoo?” vroeg grootje wat angstig en zachtjes zei ze: “Er zal toch geen gat in den dijk geslagen zijn.” “Ga es kijken door het keukenraam,”vervoegde ze tegen Bart, “of het aan den anderen kant ook zoo is, bij Krijn zijn huis.” Donderend geweld in den schoorsteen, gieren en blazen, rammelen van de ruiten, allerlei onheilspellende geluiden. Elsje begon te snikken. “Lieve Heer!” stamelde grootmoeder, “het zal toch niet zoo zijn!”

“Ik hoor schreeuwen,” zei Bart, “hoort u het ook?”

“Dat is de wind,” antwoordde grootmoe. “Neen,” zei Bart, “toch niet” en hij ging naar de keuken, om daar door het raam te kijken, waar hij Krijns huis zien kon. Daar zag hij Krijns moeder met de rokken hoog opgeschort, op iederen arm een kind, ze trachtte tegen den wind op te komen en waadde tot de knieën door ’t water. “Vrouw Lubbe! vrouw Lubbe!” gilde ze, zoo hard ze kon. “Kom dan! het water!” meer kon Bart niet hooren. Daar kwam Jaaps moeder ook met kleine Koosje op den eenen en den hond onder den anderen arm. Ze gleden haast uit, maar ze liepen toch door en gingen naar den dijk toe. Bart trilde van angst. Wat moest hij doen. Grootmoe! zijn bloed stond stil van schrik. Het was vast niet van den regen. Het leek wel een rivier en het bruiste en golfde en kwam hooger en hooger. Bart keerde zich om. Was het verbeelding? Nee, toch niet, daar door de keukendeur, daar kwam het water met kleine golfjes naar binnen. Gauw, gauw, hij moest naar grootmoe. Nog was het droog tot bij de deur van de kamer; hij gooide de deur open. Rillend stond hij daar en kon haast niet spreken.

“Grootje, grootje,” snikte hij, “het water staat in de keuken. Krijn en Jaap hun moeders zijn weggeloopenen wij zijn hier alleen,” snikkend viel hij grootmoeder om den hals. “Och Heere, Heere!” bad de oude vrouw, “loop gauw, neem Elsje mee, misschien kan je er nog door, gauw! gauw dan! Het is toch een gat in den dijk.”

”’t Kan niet grootmoe, en u dan,” vroeg Bart, en klemde zich aan haar vast. “Ga, Bart, voor het te laat is,” antwoordde grootje met trillende lippen. Maar het was al te laat. Daar kwam het water ook door de andere deur het kamertje in. “O Hemelsche Vader, help ons,” kreet de arme oude vrouw, “de kinders, de kinders! mijn arme Marijke, mijn goeie jongen, wat een verdriet!” en wanhopig vouwde ze haar handen. Elsje was op haar schoot geklommen, Bart zat op een stoel. Half versuft keken ze naar het water, dat maar aldoor naar binnen liep en al hooger en hooger steeg.

“Grootje, kan het zoo hoog komen, dat we—dat we verdrinken?”vroeg Bart opeens en wachtte vol angst op het antwoord. “Ik weet ’t niet, jongen, ’t is in korten tijd zoo gestegen. Ik weet het niet. Mijn arme kinders!”

4. Een flinke jongen.“Grootje, we moeten naar den zolder,” riep Bart, “zoo hoog komt het vast niet.” Meteen trok hij zijn kousen uit en stroopte zijn broeken op. “Gauw Elsje op mijn rug.” “Neen, neen, grootmoe nee!” kreet Elsje, maar nu zei grootmoeder streng. “Elsje moet met Bart mee gaan en zoet zijn.” “Komt grootmoe dan ook?” vroeg ze nog en liet zich wegdragen, door de kameren de keuken naar het laddertje, dat naar den zolder voerde. “Ik ben zoo bang,” schreide Elsje, “ik durf niet op den zolder.” “Stil nou,” zei Bart, “grootmoe komt ook. Wees nou zoet, ga even zitten, ik kom zoo terug.” Maar Elsje was bang, ze trapte op den vloer en gilde van angst en wilde de ladder weer af met Bart mee. “Ga je weg,” zei Bart, “je blijft daar, hoor!” en hij duwde haar weg en holde de ladder af, weer naar de kamer terug. “Grootmoe, ga op mijn rug zitten, gauw, ik ben sterk. Kijk het water is al zoo hoog. U zal verdrinken, toe dan,” smeekte hij. “Nee jongen, het is te zwaar, je zou omvallen en zelf omkomen, ga naar Elsje. God behoede je, mijn jongen.” Ze zoende Bart op beide wangen. De tranen sprongen in zijn oogen.Elsje moet met Bart meegaan.Elsje moet met Bart meegaan.“Het moet grootmoe, wat zouden vader en moeder zeggen? Gauw dan, voor het te laat is.” Hij pakte grootmoeders beenen en zij gaf zich eindelijk gewonnen. “Mijn beste jongen,” stamelde ze, “’t zal niet gaan, het zal niet gaan.” “Goed vasthouden, zoo, ja, vasthouden hoor, daar gaat het.” Grootmoeder zat op zijn rug, hij; wankelde even, maar bleef toch staan, boogzich voorover en voorzichtig, voetje voor voetje, ging hij naar de keuken met zijn lieven last. Grootmoeders rokken bengelden in het water, werden drijfnat, daar kon hij niets aan doen.“Goeie jongen, mijn lieve jongen,” mompelde grootje. “Gaat ’t wel? het is te zwaar.” Bart kon niet antwoorden. Hij zag vuurrood, maar kwam toch bij de ladder. Grootje pakte nu zelf de sporten beet en Bart hield zich ook stevig vast.“Grootmoe, grootmoe,” stond Elsje te roepen en stak haar handjes al uit, om ook te helpen. Daar was zij bij het luik. Nog een flinken zet. Grootmoe was op den zolder, waar Elsje dadelijk haar armpjes om grootmoeders hals sloeg.“Wat ga je doen Bart, blijf hier!” riep grootmoe buiten adem van de inspanning. Bart ging de ladder weer af. “Ik kan er nog door, ik haal nog een paar dekens en kleeren, anders heeft u het te koud.” “Och jongen, je verdrinkt, kom terug.”“Neen, ik kom terug, dadelijk, ik ben nou toch nat,” zei Bart en waadde door de keuken naar de bedstee. Twee dekens en een kussen haalde hij er uit en laadde het op zijn hoofd. Toen greep hij zijn jas en grootmoe’s Zondagsche japon. Allemaal op zijn hoofd, zoo ging hij terug. Het water kwam nu over zijn middel. De blokken van zijn bouwdoos dreven er op en grootmoeders stoel hobbelde heen en weer. “Bart! Bart dan toch!” riepen grootmoeder en Elsje. “Ja, ik kom.” Daar was hij weer bij de ladder. Elsje pakte al wat aan en sleepte het naar boven.“Niet weer—naar—beneden,” hakkelde grootje,al bibberend van koude en angst. “Doedat natte goed uit.” “Ja, ik heb mijn jas en hier is uw japon.” Bart deed zijn natte goed uit en trok de jas aan, toen hielp hij grootmoeder en legde de natte kleeren in een hoek. Hij spreidde één deken op den grond, legde het kussen er op en samen trokken de kinderen grootmoe op de deken. Toen dekten ze haar met de andere deken toe.“Kruip u er maar goed onder, dat u warm wordt.”“Jelui ook,” klappertandde grootje en de kinderen kropen dicht tegen haar aan onder de deken.De wind bulderde maar door en beneden hoorde je het klotsen van het water.“Nou komt het water toch niet meer,” zei Elsje,“neen hè?” “Wel nee,” zei Bart, “zoo hoog niet. Wat zullen moeder en vader wel denken. Ik zal wat uit het raam hangen, dan zien ze, dat we hier zijn. Zoo’n handdoek, hè grootmoe,” vroeg Bart.De oude vrouw kon niet praten, ze knikte maar.Bart trok een handdoek van de drooglijn. Er lag een stukje touw, dat deed hij in de lus. Heel voorzichtig, maakte hij het openslaande raam een eindje los en liet den handdoek naar buiten waaien, het touwtje deed hij in den ring van het haakje. Toen gauw het raam weer dicht.“Trek—zoo’n—paar—kousen aan,” hakkelde grootmoe weer, “en zoo’n broek, die zijn wel droog.” Ja, ze waren droog. Gelukkig maar. Bart trok den broek en kousen van de lijn aan en kroop weer bij grootmoe onder de deken. Nu waren ze een poos stil.“Ik heb honger,” zei Bart. “Jongen,” grootmoe aaide hem liefkoozend over het hoofd. Als hij nu toch eensweggegaan was met Krijn en Jaap. Dan zouden grootmoeder en Elsje zeker verdronken zijn. Hij rilde er van.—“Komt vader nog niet,” vroeg Elsje.“Ja, vader komt straks. Hij komt ons vast halen.”“Ja, ja,” knikte grootje, “vader komt ons halen.”—

“Grootje, we moeten naar den zolder,” riep Bart, “zoo hoog komt het vast niet.” Meteen trok hij zijn kousen uit en stroopte zijn broeken op. “Gauw Elsje op mijn rug.” “Neen, neen, grootmoe nee!” kreet Elsje, maar nu zei grootmoeder streng. “Elsje moet met Bart mee gaan en zoet zijn.” “Komt grootmoe dan ook?” vroeg ze nog en liet zich wegdragen, door de kameren de keuken naar het laddertje, dat naar den zolder voerde. “Ik ben zoo bang,” schreide Elsje, “ik durf niet op den zolder.” “Stil nou,” zei Bart, “grootmoe komt ook. Wees nou zoet, ga even zitten, ik kom zoo terug.” Maar Elsje was bang, ze trapte op den vloer en gilde van angst en wilde de ladder weer af met Bart mee. “Ga je weg,” zei Bart, “je blijft daar, hoor!” en hij duwde haar weg en holde de ladder af, weer naar de kamer terug. “Grootmoe, ga op mijn rug zitten, gauw, ik ben sterk. Kijk het water is al zoo hoog. U zal verdrinken, toe dan,” smeekte hij. “Nee jongen, het is te zwaar, je zou omvallen en zelf omkomen, ga naar Elsje. God behoede je, mijn jongen.” Ze zoende Bart op beide wangen. De tranen sprongen in zijn oogen.

Elsje moet met Bart meegaan.Elsje moet met Bart meegaan.

Elsje moet met Bart meegaan.

“Het moet grootmoe, wat zouden vader en moeder zeggen? Gauw dan, voor het te laat is.” Hij pakte grootmoeders beenen en zij gaf zich eindelijk gewonnen. “Mijn beste jongen,” stamelde ze, “’t zal niet gaan, het zal niet gaan.” “Goed vasthouden, zoo, ja, vasthouden hoor, daar gaat het.” Grootmoeder zat op zijn rug, hij; wankelde even, maar bleef toch staan, boogzich voorover en voorzichtig, voetje voor voetje, ging hij naar de keuken met zijn lieven last. Grootmoeders rokken bengelden in het water, werden drijfnat, daar kon hij niets aan doen.

“Goeie jongen, mijn lieve jongen,” mompelde grootje. “Gaat ’t wel? het is te zwaar.” Bart kon niet antwoorden. Hij zag vuurrood, maar kwam toch bij de ladder. Grootje pakte nu zelf de sporten beet en Bart hield zich ook stevig vast.

“Grootmoe, grootmoe,” stond Elsje te roepen en stak haar handjes al uit, om ook te helpen. Daar was zij bij het luik. Nog een flinken zet. Grootmoe was op den zolder, waar Elsje dadelijk haar armpjes om grootmoeders hals sloeg.

“Wat ga je doen Bart, blijf hier!” riep grootmoe buiten adem van de inspanning. Bart ging de ladder weer af. “Ik kan er nog door, ik haal nog een paar dekens en kleeren, anders heeft u het te koud.” “Och jongen, je verdrinkt, kom terug.”

“Neen, ik kom terug, dadelijk, ik ben nou toch nat,” zei Bart en waadde door de keuken naar de bedstee. Twee dekens en een kussen haalde hij er uit en laadde het op zijn hoofd. Toen greep hij zijn jas en grootmoe’s Zondagsche japon. Allemaal op zijn hoofd, zoo ging hij terug. Het water kwam nu over zijn middel. De blokken van zijn bouwdoos dreven er op en grootmoeders stoel hobbelde heen en weer. “Bart! Bart dan toch!” riepen grootmoeder en Elsje. “Ja, ik kom.” Daar was hij weer bij de ladder. Elsje pakte al wat aan en sleepte het naar boven.

“Niet weer—naar—beneden,” hakkelde grootje,al bibberend van koude en angst. “Doedat natte goed uit.” “Ja, ik heb mijn jas en hier is uw japon.” Bart deed zijn natte goed uit en trok de jas aan, toen hielp hij grootmoeder en legde de natte kleeren in een hoek. Hij spreidde één deken op den grond, legde het kussen er op en samen trokken de kinderen grootmoe op de deken. Toen dekten ze haar met de andere deken toe.

“Kruip u er maar goed onder, dat u warm wordt.”

“Jelui ook,” klappertandde grootje en de kinderen kropen dicht tegen haar aan onder de deken.

De wind bulderde maar door en beneden hoorde je het klotsen van het water.

“Nou komt het water toch niet meer,” zei Elsje,“neen hè?” “Wel nee,” zei Bart, “zoo hoog niet. Wat zullen moeder en vader wel denken. Ik zal wat uit het raam hangen, dan zien ze, dat we hier zijn. Zoo’n handdoek, hè grootmoe,” vroeg Bart.

De oude vrouw kon niet praten, ze knikte maar.

Bart trok een handdoek van de drooglijn. Er lag een stukje touw, dat deed hij in de lus. Heel voorzichtig, maakte hij het openslaande raam een eindje los en liet den handdoek naar buiten waaien, het touwtje deed hij in den ring van het haakje. Toen gauw het raam weer dicht.

“Trek—zoo’n—paar—kousen aan,” hakkelde grootmoe weer, “en zoo’n broek, die zijn wel droog.” Ja, ze waren droog. Gelukkig maar. Bart trok den broek en kousen van de lijn aan en kroop weer bij grootmoe onder de deken. Nu waren ze een poos stil.

“Ik heb honger,” zei Bart. “Jongen,” grootmoe aaide hem liefkoozend over het hoofd. Als hij nu toch eensweggegaan was met Krijn en Jaap. Dan zouden grootmoeder en Elsje zeker verdronken zijn. Hij rilde er van.—“Komt vader nog niet,” vroeg Elsje.

“Ja, vader komt straks. Hij komt ons vast halen.”

“Ja, ja,” knikte grootje, “vader komt ons halen.”—

5. Voldoening.Bart had geen rust. Hij ging weer eens naar het venster. Het regende niet meer, maar je zag alleen water en hier en daar stak een punt of een boom een eindje uit. Het was een troosteloos gezicht. Een schuitje zag hij niet. Toen ging hij naar het luik. “Hier blijven,” riep grootje.“Ja, ik ga niet naar beneden, eventjes kijken.” Nog één sport van de ladder kwam er uit. Als het nu toch nog eens tot den zolder kwam. “Och nee, dat mocht niet. Toe vader kom dan toch.” Weer naar het venster. De wind leek wel wat te bedaren. Wat was dat in de verte. Hoorde hij klokken luiden. Ja, en dat daar, was ’t een schuitje. “Ja, ja! grootje daar komt vader! Ik zie een schuitje,” juichte Bart. Hij gooide het venster open en riep zoo hard hij kon: “Vader, vader!”Ze konden hem nog niet hooren in het schuitje en hij kon niet zien, of het vader was. Nu zag hij drie menschen. Eén stond overeind, twee roeiden heel hard. Ja, het was vader! en moeder stond.“Moeder! Vader!” gilde hij. Elsje stond nu naast hem en riep ook mee en moeder stak de armen omhoog on riep: “Bartje, Elsje!” “Alle drie,” riep Bart terug.“Grootje!” riep vader. “Ja, ook, grootje ook!”“God zij dank,” zei vader en liet de riemen los. Ze waren nu met het bootje vlak voor het zoldervenster.“Voorzichtig nou, wacht even,” riep vader tegen moeder, die schreiend naar boven greep en niet bemerkte, dat het bootje opzij ging. Toen heesch vader zich tegen het raam omhoog en sprong naar binnen. Hij drukte de kinderen in zijn armen, terwijl hij den zolder rond keek. “Moeder,” riep hij, “ik kom.” Hier pak aan! vervolgde hij tot den anderen man en reikte Elsje uit het raam aan, die dadelijk in moeders armen vloog.“Mijn schat, mijn engel,” zei moeder. Bart klom zelf naar beneden en werd ook opgevangen.“Jongen, beste jongen,” zei moeder en zoende hem.“Kalm aan,” zei de man “ga zitten, achteraan. De oude vrouw moet hier in het midden.” “Hier, doe om,” zei moeder en pakte beide kinderen in doeken, die ze bij zich had. Daar stond vader al met grootje in de deken gewikkeld.“Voorzichtig aan nu. Hou het schuitje wat tegen, vrouw Lubbe. Wacht, eerst het touw daarom! Zoo! Ja, geef haar nu maar aan. Zitten blijven, jongens! Wees maar niet bang, het gaat goed zoo.” Eén schok, daar zat grootje, tegen moeder aan op het middelste bankje. Vader gooide de andere deken ook in het schuitje, sprong er toen zelf in en nam de riemen weer. “De Heer zij gedankt,” stamelde grootmoeder, terwijl moeder de haren uit haar oogen streek en snikte, “Arme moeder, hoe bent u boven gekomen?”“Bart,” zei grootmoeder. “Bart heeft me gedragen.”“Goed zoo,” zei vader. “Brave jongen,” zei de andere man, en moeder knikte hem toe, maar Bart zei niets. Hij hield Elsje stijf vast en keek naar het huisje, en dacht: “Als ik toch eens was weg geloopen.”Een kop heerlijke bouillon.Een kop heerlijke bouillon.Heel voorzichtig stuurden de beide mannen de kleine boot die soms stootte tegen een boompje of een paal.Uitstekende boomen wezen den weg naar de sloot. Toen ze die eenmaal bereikt hadden, ging het sneller voort. Moeder schreide en aaide grootje af en toe en knikte haar en de kinderen toe. Daar zag het zwart van menschen in de verte. “Hoo ie hoo!” schreeuwde vader en zwaaide met zijn pet. Een luid gejuich steeg op, uit de menigte. “Ze zijn gered,” riep men elkaar toe. “De oude vrouw ook,” zei Krijns moeder die vooraanstond en dadelijk Elsje aanpakte. Meteen staken allen de handen uit. Iedereen wilde helpen en grootje aanpakken. “Nee,” zei vader, “dank jelui wel hoor. Ik zal moeder dragen.” Bart werd ook opgetild; een man droeg hem het dorp in. Als een loopend vuurtje ging het van mond tot mond. “Hij heeft zijn grootmoeder gered!”en in menig oog blonk een traan. Vergezeld van een groote menigte ging het in optocht naar het huis van den burgemeester. De goede burgervader liep vooruit en opende de deur. “Hierheen met je moeder, Lubbe. Breng haar naar boven, ze moet naar bed, anders wordt ze nog ziek.—Droge kleeren,” antwoordde de burgemeester, toen het dienstmeisje, dat met een warme kruik kwam aandragen, hem vroeg of er nog iets anders moest zijn. “Ga jelui gauw aan moeder zeggen, dat ze allemaal gered zijn,” vervolgde hij tegen zijn jongens, die ook kwamen kijken, en op dit gezegde dadelijk vroolijk naar binnen vlogen. Grootmoeder en Bart werden naar boven gedragen, van droge kleeren voorzien en in bed gestopt. Toen bracht het dienstmeisje hun een kop heerlijke bouillon en een paar boterhammen met koffie, wat ze zich allemaal best lieten smaken. Daarna moesten ze wat slapen, “dat was goed voor de schrik en alles,” zei moeder, die eerst met Elsje bij de Burgemeestersche was binnen geweest en nu kwam kijken bij grootje en Bart. Ze stopte haar jongen er eens goed onder en zoende hem hartelijk. “Mijn beste jongen,” zei ze. Plotseling sprong Bart overeind, sloeg zijn armen om moeders hals en hevig snikkend bracht hij er hortend en stootend uit. “Ik-had-stil-met Krijnen Jaap-willen-meegaan. Ik zal-het-nooit weer doen.” Eerst begreep moeder het niet en dacht, dat hij wat in de war was van alle angst. Ze was al vergeten, dat hij naar dien oom van Krijn zou gaan, maar toen werd het haar opeens duidelijk en ook zij stelde zich plotseling voor, wat er dan van moeder en Elsje had moeten worden. Ze werd er bleek van, maar zei alleen: “Gelukkig jongen, dat je het niet deed. Alles is nu goed. Ga gauw wat slapen, grootmoeder is al onder zeil.” Nogmaals kuste ze hem en met de tranen nog op de wangen viel hij in slaap.Hij droomde van water en nog eens water. Zag grootje er in zakken, zooals de koeien en paarden Elsje riep om hulp, maar hij kon niet bij haar komen want Krijn en Jaap hielden hem vast en riepen;“Wat geef je er om, ga mee!”Hij wilde zich losrukken en vloog overeind. Met verwilderde oogen keek hij rond niet dadelijk beseffend, waar hij was.Moeder stond met een heer voor zijn bed.“Zoo, heb je lekker geslapen, ventje? Ik zou er hem maar een dagje in houden.” Het was de dokter, zag hij nu. Hij werd beklopt en beluisterd en moest toen weer gaan liggen.Toen moeder den dokter had uitgelaten en weer bij het bed kwam, vroeg hij, hoe lang hij had geslapen.Bart voelde zich gelukkig.Bart voelde zich gelukkig.“Het is goede Vrijdag,” zei moeder, “gisteren middag ben je in slaap gevallen en morgen mag je er weer uit.” “En grootmoeder?” “Is ook in bed gebleven vandaag, maar ze is best hoor. Kijk ereis wat ik hier voor je heb. Een paar heerlijke boterhammen, eengroot stuk taart en een glas lekkere melk.”Dat smaakt overheerlijk. “Gaan we nu niet weer naar huis, moeder. Hoe is het met ons huis?” vroeg Bart.“O, het water daalt al, maar we zullen er vooreerst niet in kunnen. Wij zijn zoolang bij Jansen in en morgen komen Grootje en jij er ook en met Paschen gaan we met ons allen naar tante Mijntje, waar grootje zal blijven, totdat ons huis weer in orde is.”—“Het is jammer van alles. Zou het allemaal bedorven zijn?” vroeg Bart.“Dat hindert minder,” antwoordde vader, die ook eens naar hem kwam kijken. “Jelui bent allemaal gered en er is niemand omgekomen. Alleen eenige koeien en paarden. Arme dieren! en een paar varkens nog. We hebben den geheelen nacht doorgewerkt, maar nu is de dijk ook gestopt. Het zal nog wel een tijdje duren, eer we weer in huis kunnen en er zal misschien wel een en ander bedorven zijn, maar wij zijn nog allemaal bij elkaar. En wat ik ook zoo heerlijk vind, onze Bart heeft bewezen, dat hij een flinker jongen is, dan hij zelf heeft gedacht.”Ook vader zoende zijn jongen en Bart voelde zich gelukkig. “Die lieve, beste grootmoeder” mompelde hij.

Bart had geen rust. Hij ging weer eens naar het venster. Het regende niet meer, maar je zag alleen water en hier en daar stak een punt of een boom een eindje uit. Het was een troosteloos gezicht. Een schuitje zag hij niet. Toen ging hij naar het luik. “Hier blijven,” riep grootje.

“Ja, ik ga niet naar beneden, eventjes kijken.” Nog één sport van de ladder kwam er uit. Als het nu toch nog eens tot den zolder kwam. “Och nee, dat mocht niet. Toe vader kom dan toch.” Weer naar het venster. De wind leek wel wat te bedaren. Wat was dat in de verte. Hoorde hij klokken luiden. Ja, en dat daar, was ’t een schuitje. “Ja, ja! grootje daar komt vader! Ik zie een schuitje,” juichte Bart. Hij gooide het venster open en riep zoo hard hij kon: “Vader, vader!”

Ze konden hem nog niet hooren in het schuitje en hij kon niet zien, of het vader was. Nu zag hij drie menschen. Eén stond overeind, twee roeiden heel hard. Ja, het was vader! en moeder stond.

“Moeder! Vader!” gilde hij. Elsje stond nu naast hem en riep ook mee en moeder stak de armen omhoog on riep: “Bartje, Elsje!” “Alle drie,” riep Bart terug.“Grootje!” riep vader. “Ja, ook, grootje ook!”

“God zij dank,” zei vader en liet de riemen los. Ze waren nu met het bootje vlak voor het zoldervenster.

“Voorzichtig nou, wacht even,” riep vader tegen moeder, die schreiend naar boven greep en niet bemerkte, dat het bootje opzij ging. Toen heesch vader zich tegen het raam omhoog en sprong naar binnen. Hij drukte de kinderen in zijn armen, terwijl hij den zolder rond keek. “Moeder,” riep hij, “ik kom.” Hier pak aan! vervolgde hij tot den anderen man en reikte Elsje uit het raam aan, die dadelijk in moeders armen vloog.

“Mijn schat, mijn engel,” zei moeder. Bart klom zelf naar beneden en werd ook opgevangen.

“Jongen, beste jongen,” zei moeder en zoende hem.

“Kalm aan,” zei de man “ga zitten, achteraan. De oude vrouw moet hier in het midden.” “Hier, doe om,” zei moeder en pakte beide kinderen in doeken, die ze bij zich had. Daar stond vader al met grootje in de deken gewikkeld.

“Voorzichtig aan nu. Hou het schuitje wat tegen, vrouw Lubbe. Wacht, eerst het touw daarom! Zoo! Ja, geef haar nu maar aan. Zitten blijven, jongens! Wees maar niet bang, het gaat goed zoo.” Eén schok, daar zat grootje, tegen moeder aan op het middelste bankje. Vader gooide de andere deken ook in het schuitje, sprong er toen zelf in en nam de riemen weer. “De Heer zij gedankt,” stamelde grootmoeder, terwijl moeder de haren uit haar oogen streek en snikte, “Arme moeder, hoe bent u boven gekomen?”

“Bart,” zei grootmoeder. “Bart heeft me gedragen.”

“Goed zoo,” zei vader. “Brave jongen,” zei de andere man, en moeder knikte hem toe, maar Bart zei niets. Hij hield Elsje stijf vast en keek naar het huisje, en dacht: “Als ik toch eens was weg geloopen.”

Een kop heerlijke bouillon.Een kop heerlijke bouillon.

Een kop heerlijke bouillon.

Heel voorzichtig stuurden de beide mannen de kleine boot die soms stootte tegen een boompje of een paal.

Uitstekende boomen wezen den weg naar de sloot. Toen ze die eenmaal bereikt hadden, ging het sneller voort. Moeder schreide en aaide grootje af en toe en knikte haar en de kinderen toe. Daar zag het zwart van menschen in de verte. “Hoo ie hoo!” schreeuwde vader en zwaaide met zijn pet. Een luid gejuich steeg op, uit de menigte. “Ze zijn gered,” riep men elkaar toe. “De oude vrouw ook,” zei Krijns moeder die vooraanstond en dadelijk Elsje aanpakte. Meteen staken allen de handen uit. Iedereen wilde helpen en grootje aanpakken. “Nee,” zei vader, “dank jelui wel hoor. Ik zal moeder dragen.” Bart werd ook opgetild; een man droeg hem het dorp in. Als een loopend vuurtje ging het van mond tot mond. “Hij heeft zijn grootmoeder gered!”en in menig oog blonk een traan. Vergezeld van een groote menigte ging het in optocht naar het huis van den burgemeester. De goede burgervader liep vooruit en opende de deur. “Hierheen met je moeder, Lubbe. Breng haar naar boven, ze moet naar bed, anders wordt ze nog ziek.—Droge kleeren,” antwoordde de burgemeester, toen het dienstmeisje, dat met een warme kruik kwam aandragen, hem vroeg of er nog iets anders moest zijn. “Ga jelui gauw aan moeder zeggen, dat ze allemaal gered zijn,” vervolgde hij tegen zijn jongens, die ook kwamen kijken, en op dit gezegde dadelijk vroolijk naar binnen vlogen. Grootmoeder en Bart werden naar boven gedragen, van droge kleeren voorzien en in bed gestopt. Toen bracht het dienstmeisje hun een kop heerlijke bouillon en een paar boterhammen met koffie, wat ze zich allemaal best lieten smaken. Daarna moesten ze wat slapen, “dat was goed voor de schrik en alles,” zei moeder, die eerst met Elsje bij de Burgemeestersche was binnen geweest en nu kwam kijken bij grootje en Bart. Ze stopte haar jongen er eens goed onder en zoende hem hartelijk. “Mijn beste jongen,” zei ze. Plotseling sprong Bart overeind, sloeg zijn armen om moeders hals en hevig snikkend bracht hij er hortend en stootend uit. “Ik-had-stil-met Krijnen Jaap-willen-meegaan. Ik zal-het-nooit weer doen.” Eerst begreep moeder het niet en dacht, dat hij wat in de war was van alle angst. Ze was al vergeten, dat hij naar dien oom van Krijn zou gaan, maar toen werd het haar opeens duidelijk en ook zij stelde zich plotseling voor, wat er dan van moeder en Elsje had moeten worden. Ze werd er bleek van, maar zei alleen: “Gelukkig jongen, dat je het niet deed. Alles is nu goed. Ga gauw wat slapen, grootmoeder is al onder zeil.” Nogmaals kuste ze hem en met de tranen nog op de wangen viel hij in slaap.

Hij droomde van water en nog eens water. Zag grootje er in zakken, zooals de koeien en paarden Elsje riep om hulp, maar hij kon niet bij haar komen want Krijn en Jaap hielden hem vast en riepen;“Wat geef je er om, ga mee!”Hij wilde zich losrukken en vloog overeind. Met verwilderde oogen keek hij rond niet dadelijk beseffend, waar hij was.

Moeder stond met een heer voor zijn bed.

“Zoo, heb je lekker geslapen, ventje? Ik zou er hem maar een dagje in houden.” Het was de dokter, zag hij nu. Hij werd beklopt en beluisterd en moest toen weer gaan liggen.

Toen moeder den dokter had uitgelaten en weer bij het bed kwam, vroeg hij, hoe lang hij had geslapen.

Bart voelde zich gelukkig.Bart voelde zich gelukkig.

Bart voelde zich gelukkig.

“Het is goede Vrijdag,” zei moeder, “gisteren middag ben je in slaap gevallen en morgen mag je er weer uit.” “En grootmoeder?” “Is ook in bed gebleven vandaag, maar ze is best hoor. Kijk ereis wat ik hier voor je heb. Een paar heerlijke boterhammen, eengroot stuk taart en een glas lekkere melk.”

Dat smaakt overheerlijk. “Gaan we nu niet weer naar huis, moeder. Hoe is het met ons huis?” vroeg Bart.

“O, het water daalt al, maar we zullen er vooreerst niet in kunnen. Wij zijn zoolang bij Jansen in en morgen komen Grootje en jij er ook en met Paschen gaan we met ons allen naar tante Mijntje, waar grootje zal blijven, totdat ons huis weer in orde is.”—“Het is jammer van alles. Zou het allemaal bedorven zijn?” vroeg Bart.

“Dat hindert minder,” antwoordde vader, die ook eens naar hem kwam kijken. “Jelui bent allemaal gered en er is niemand omgekomen. Alleen eenige koeien en paarden. Arme dieren! en een paar varkens nog. We hebben den geheelen nacht doorgewerkt, maar nu is de dijk ook gestopt. Het zal nog wel een tijdje duren, eer we weer in huis kunnen en er zal misschien wel een en ander bedorven zijn, maar wij zijn nog allemaal bij elkaar. En wat ik ook zoo heerlijk vind, onze Bart heeft bewezen, dat hij een flinker jongen is, dan hij zelf heeft gedacht.”

Ook vader zoende zijn jongen en Bart voelde zich gelukkig. “Die lieve, beste grootmoeder” mompelde hij.


Back to IndexNext