LAATSTE HOOFDSTUK.

... sukkelde de troep voort over den spiegelgladden weg.

... sukkelde de troep voort over den spiegelgladden weg.

Alles zag er even vies en ellendig uit.

De koeien langs den weg, tot de knieën in 't water, hoestten alsof ze smoorverkouden waren.

Moe, met pijnlijke voeten en doornat liepen de twee jongens stilzwijgend naast elkaar voort en dachten aan huis.

Om twaalf uur ongeveer gebruikten allen in de openlucht een pover middagmaal. Nog later op den dag tracteerde de Koningin op een soort vocht, dat ze thee noemde, maar dat meer naar looi smaakte.

Eindelijk hield, tegen den avond, de regen op, de wolken braken en in 't westen vertoonde zich nog even de bloedroode schijf van de ondergaande zon. De vogels, die zich reeds tusschen de struiken te slapen hadden gezet, werden wakker en sjilpten en fladderden als van dankbaarheid voor dit korte oogenblik van licht en warmte.

De regendroppels schitterden in het roode licht als robijnen en de geheele aarde scheen voor een oogenblik overgoten met een rose vreugdeschijn.

Zelfs de neus van den Markies straalde met een ongewonen glans.

Met het vallen van den avond kwam de troep eindelijk op zijne bestemming aan. Het was een groote en deftige buitenplaats, waar de Markies genoodigd was eene voorstelling te geven. Een ijzeren hek gaf toegang tot de oprijlaan van statige beuken.

Tegen een der pijlers van het hek leunde een forsch gebouwd man, die daar blijkbaar op den troep wachtte. Het was „de Zwarte”. Hij liep vooruit naar het huis, waarvan alle vensters verlicht waren. Achter de neergelaten gordijnen zag men de schaduwen van een aantal menschen zich druk heen en weer bewegen. Doch bij de voordeur die open stond, was niemand te zien; in de groote vestibule ook geen mensch. Ze liepen door verscheidene kamers, alle schitterend verlicht,maar nergens ontmoetten ze een levend wezen. Het geleek wel het paleis van de Schoone Slaapster uit het sprookje.

De „Zwarte” bracht hen in een tamelijk groot vertrek met twee deuren en zeide:

„Deze kamer is tot kleedkamer bestemd, ge vindt hier alles wat ge noodig hebt en door die deur dáár komt ge achter op het tooneel. Alles is daar reeds voor de voorstelling in orde gemaakt.”

Daarop verdween hij.

„Kinderen,” sprak de Markies hierop, „het zal zeer moeilijk voor ons zijn een dragelijke voorstelling te geven met de weinige hulpmiddelen, die we nog na den brand hebben overgehouden. Toch zullen we beproeven onzen goeden naam zooveel mogelijk op te houden.”

„Voor de meisjes is het niet moeilijk; zij kunnen hunne verrichtingen op het slappe koord en hunne kunsten als slangenmenschen zonder noemenswaardige hulpmiddelen vertoonen.”

„De Koningin zal het publiek wel op eenige grappige liedjes willen onthalen.”

„Ik zelf heb nog wel een en ander waarmede het me gelukken zal mijne zeldzame goocheltoeren uit te voeren, maar wat moet er bij deze voorstelling van de beide kleine ongeluksvogels worden?”

„Ik heb nu al zóóveel rollen bedacht, waarin ik hoopte dat ge beiden zoudt uitblinken, maar de eenigsterol die je natuurlijk hebt gespeeld, was die van vuurduivels en die rol speelde je nu eigenlijk weer al te natuurlijk. Waarlijk, ik zou voor een oogenblik de vindingrijke verbeeldingskracht van een oorlogscorrespondent wenschen te bezitten, om iets te bedenken waarvoor jelui beiden nu eens wèl geschikt zijt.”

„Komaan! Optreden moeten jelui. We zullen je dus aan het publiek voorstellen als de Siameesche tweelingen. Dat is een rol, waarin je niets te zeggen en gelukkig ook niets te doen hebt. Ik durf dus bijna wel veronderstellen, dat jelui met dien rol eer zult inleggen.”

Daarop bond de Markies Paul en Dickie met een laken kunstig aan elkaar vast en zette elk een papieren ezelsmuts op 't hoofd. Zoo wachtten beiden met kloppend hart op de dingen, die komen zouden.

Eerst goochelde de Markies zoo goed en zoo kwaad het ging. Toen vertoonden de gezusters hare zeldzame toeren en daarna kwam de Koningin op en zong eenige liedjes, die grappig moesten heeten. Ze zong zoo onuitsprekelijk leelijk, dat, als men haar niet gezien had, men gevraagd zou hebben of er een varken aan 't schreeuwen was, dat uit een schip geheschen werd.

De heer des huizes riep dan ook al gauw: „Genoeg, genoeg!” en toen viel het gordijn.

„Dames en heeren,” zei de Markies, nadat het gordijn weer was opgehaald, „het laatste nummerhad helaas niet het uitbundige succes dat ik verwacht had, doch ik hoop, dat het wonder, dat ik nu ga vertoonen daverend door u zal worden toegejuicht. Het zijn de Siameesche tweelingen, twee kleine dwaze jongens, die ik op eene van mijn zwerftochten ontmoette en tot mij nam. Ze zijn in 't bezit van twee kleine eigenzinnige hoofden en vier kleine beenen, die graag wegloopen. Door een bijzondere leermethode, die ik zeer kan aanbevelen, heb ik hen tot gehoorzame knapen opgevoed. Ik beveel mijne tweelingen in de welwillendheid van het geachte publiek ten zeerste aan. Zij verdienen dit ten volle. Ik hoop hen over eenige seconden aan u voor te stellen.”

Toen de Markies zich nu even verwijderde om de tweelingen te halen, werd het publiek merkbaar ongeduldig, hetgeen zich uitte in een zenuwachtig schuifelen met de voeten, een zacht gegichel en een onderdrukt hoesten.

Daar kwam de Markies met de beide jongens en op 't zelfde oogenblik hoorde men van alle kanten de luide uitroepen: „Daar zijn ze! Daar zijn ze! Ze zijn 't! Mijn jongen!”

En de jongens?...

Inplaats van om hulp te roepen, zooals ze zich voorgenomen hadden, stonden ze daar stom van verbazing met gezichten, alsof ze uit een diepen slaap plotseling wakker waren gemaakt.

Vlak voor hen zaten hunne ouders...

Dickie was het eerst van zijne verbazing bekomen. Hij zag zijn vader en wou naar hem toe. Maar zijn tweeling zat nog aan hem vastgebonden en dus moesten beiden nog eenige minuten op het tooneel staan ten aanschouwe van allen, die in de zaal aanwezig waren, tot de Markies het laken had losgeknipt. Dit was een oogenblik van groote beproeving en bijna had de valsche schaamte, dat hij daar tegenover al die menschen zoo'n gek figuur maakte, Paul op zijn gewone onverschillige kwâjongensmanier van vroeger, doen uitroepen: „'k Geef er toch niks om!”

Maar gelukkig! Zijn beter ik bleef de baas over den ondeugenden Paul van vroeger. Met een verheugd gezicht verdroeg hij alle lachende, nieuwsgierige en medelijdende blikken, die op hen gevestigd waren. En dat waren er vele, want de heer Steenvoorde had uit dankbaarheid allen uitgenoodigd, die willens of onwillens een heilzamen invloed op Paul's karakter gehad hadden gedurende zijn voorgenomen „reis om de wereld.”

... stom van verbazing.

... stom van verbazing.

Daar zag men in de eerste plaats Roybon, die van gekookte en ongekookte appels hield, maar alleen dan wanneer ze betaald waren. In een groote leuningstoel zat deftig de achtbare burgemeester, die Paul tot gevangenisstraf veroordeeld had, omdat hij „zonder eenig middel van bestaan rondzwierf.” Op eerbiedigen afstand zat zijn klerk met het kale hoofd, dater meer dan ooit uitzag als een reusachtig kippenei. En dan een weinig verder daar zat Boks de molenaar, in een stuip van 't lachen, en zijn vroolijke vrouw schudde met hem mee met de handen in de zij, dik en vet van al het varkensvleesch met brood en aardappelen. De kleine nijdige man zonder nek, wiens schuur verbrand was, mankeerde ook niet, maar hij keek nu niet nijdig en daar, in een hoekje, daar zat waarlijk het magere burgemeestertje met zijn grafstem, wiens dorp zoo verontrust was door de verscheurende beren. Achter in de zaal stond „de Zwarte”in de deuropening, alsof hij op 't punt stond dadelijk weer op een geheimzinnige manier te verdwijnen.

Toen de beide tweelingen van hun banden bevrijd waren, sprongen ze over het voetlicht heen en vlogen met onstuimige vreugde hunne ouders om den hals, schreiend van dankbaarheid en lang bedwongen smart.

Pak-an blafte en sprong om hen heen, maar ze behoefden nu niet bang meer voor hem te zijn.

Alle vreemden verlieten nu, alsof ze 't afgesproken hadden, de zaal, om de ouders met hun teruggekeerde kinderen ongestoord van het wederzien te doen genieten. Alleen de burgemeester bleef nog even en zei tot Paul:

„Ik moet nog altijd antwoord hebben op een vraag. Nu kan je me dat zeker wel geven:Hoe is je naam en waar woon je?”

Paul keek eens naar de zoldering en zei toen langzaam:

„Paul Steenvoorde....” maar verder kwam hij niet.

„Wat is dat?” riep de burgemeester, „weet je het nu nòg niet?”

„Neen,” viel de heer Steenvoorde in, „de jongen weet werkelijk niet waar hij op 't oogenblik is, want we verhuisden hier naar buiten, den dag nadat hij wegliep.”

„Ah zoo!” zei de burgemeester, „dat is wat anders.”

„Maar Vader,” vroeg Paul, „wie was toch die man, die groote, zwarte man, die ons overal volgde?”

„Dat was een goede trouwe bediende van mij, mijn jongen, hij was hier in dit huis huisbewaarder zoolang het ledig stond. Hij was op weg naar mij toe, toen hij jou toevallig door den veldwachter zag opbrengen. Hij kende je niet, maar hoorde, dat mijn zoon vermist werd en begaf zich daarom zoo vroeg mogelijk in den morgen naar mijn huis, om mij te vertellen wat hij gezien had. Uit zijne beschrijving begreep ik dat jij het was en ik nam mij voor dadelijk naar je toe te gaan. Hij gaf mij echter een goeden raad. Hij zei: „Laat den jongen eens een poosje aan zijn lot over, dat zal een man van hem maken.” Ik volgde zijn raad en we spraken af, dat hij je onbemerkt zou volgen, dat hij zou oppassen, dat je geen kwaad overkwam en zou maken, dat je niemand eenigen overlast deed of kosten veroorzaakte. Hij hield me van alles op de hoogte en toen hij dacht, dat het genoeg was heeft hij je weer thuisgebracht.”

„Dus wisten de oude molenaar en de Markies beiden wie ik was?” riep Paul.

„Ja mijn jongen,” zei de heer Steenvoorde, „doch geloof me, het geschiedde alles tot je eigen bestwil.”

„O! o!” zei Paul na een oogenblik nadenken, „wat zullen ze allen om me lachen,” en hij lachte zelf met een vroolijken hartelijken lach.

„Neen Paul, lachen zullen ze niet, ze zullen je prijzen en bewonderen, dat je zoo'n flinke jongen geworden bent.”

Het overige van den avond was er feest voor allen. Beneden in de dienstbodenkamer en boven in de eetkamer stonden keurig gedekte tafels, met bloemen versierd, en allen vereenigden zich daar, om gezamenlijk de behouden terugkeer der beide jongens te vieren. Paul en Dickie zaten naast elkaar hand in hand en de heer Steenvoorde stelde een toost in op hun beider welzijn. Hij vroeg aan Roybon vergunning in 't vervolg voor de opvoeding van Dickie te mogen zorgen en hem, te zamen met Paul, alles te mogen laten leeren wat voor zijn volgend leven nuttig en noodig zou zijn. De beide vrienden zouden dan ook in 't vervolg steeds lief en leed te zamen kunnen deelen.

En Roybon? Hij stemde hier volgaarne in toe. Het was reeds lang zijn plan geweest de betrekking van veldwachter neer te leggen. Dit plan zou hij nu ten uitvoer brengen en met Dick in de nabijheid van den heer Steenvoorde gaan wonen.

„Pak-an en ik,” zoo zei hij, „kunnen dan meteen een oogje in 't zeil houden, als de jongens weer eens lust hebben er van door te gaan.”

De eenige, die niet in de algemeene vreugde deelde, was de Markies. Hij keek droevig en somber voor zich. Het huis waarin hij zich bevond, de menschenmet wie hij sprak, de geheele omgeving van rijkdom en weelde, alles herinnerde hem aan lang vervlogen tijden, die nooit konden terugkeeren. Hij bleef den nacht in het huis van de familie Steenvoorde doorbrengen en toen het uur van afscheid nemen den volgenden morgen gekomen was, riep zijn gastheer hem bij zich op zijn kamer.

„Ik ben u veel verschuldigd,” zoo sprak hij, „meer dan ik met geld betalen kan; zeg mij wat ge noodig hebt om onbezorgd te kunnen leven, zoodat ge u niet meer behoeft op te houden met dien rondreizenden kermistroep.”

„Gij zijt mij niets schuldig,” zei de Markies en keek den heer Steenvoorde daarbij ernstig met zijn droeve oogen aan. „Ik wou alleen dat er iemand geweest was, die hetzelfde voor mij had gedaan toen ik een knaap was.”

„Het komt me voor, dat ge niet voor kermisreiziger in de wieg gelegd zijt,” sprak Paul's vader.

„Kunt ge niet een anderen werkkring vinden?”

„Neen!” antwoordde de arme man, dat gaat niet, „ik kan mijn vrouw niet aan haar lot overlaten, ik ben te veel aan haar verplicht. Eens redde zij mij van den hongerdood, en voor een anderen werkkring is zij ongeschikt.”

En toen hernam hij na een korte poos van nadenken: „Ik wil u een voorstel doen. Leen mij zooveelgeld, dat ik mij weer eenige dieren kan koopen voor een menagerie.”

„Ik heb mijzelf veroordeeld een spellebaas te zijn, ik zal het ook blijven, maar ik wil trachten mijn rol als zoodanig goed te spelen.”

„Als ik een behoorlijke tent en de noodige hulpmiddelen heb, zie ik kans u binnen enkele jaren het geleende geld terug te geven. Dit is de eenige gunst, die ik van u vraag.”

„Ik zou u nog zoo gaarne op andere wijze mijne dankbaarheid toonen,” zei de heer Steenvoorde, „maar ik zie wel, dat ge in ernst meent wat ge zegt en ik durf u dus niet meer geld aanbieden uit vrees u te beleedigen. Hier is een wissel op mijn bankier in de stad en laten we nu afscheid nemen.”

De beide mannen drukten elkander de hand en de heer Steenvoorde geleidde zijn gast tot in de vestibule. Hier stonden Paul en Dickie. De Markies trad haastig op hen toe, bukte zich en kuste beiden.

Vóór de verbaasde jongens nog van hunne verrassing bekomen waren, viel de voordeur dicht en hij was verdwenen.

Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 5ALDENALDINBlz. 26[Niet in Bron.]„Blz. 27[Niet in Bron.],Blz. 34[Niet in Bron.],Blz. 42joujouwBlz. 43[Niet in Bron.]„Blz. 47[Niet in Bron.],Blz. 47[Niet in Bron.]„Blz. 48[Niet in Bron.],Blz. 56[Niet in Bron.],Blz. 72[Niet in Bron.]„Blz. 79[Niet in Bron.],Blz. 79[Niet in Bron.].Blz. 80vergenoegheidvergenoegdheidBlz. 82[Niet in Bron.],Blz. 82[Niet in Bron.],Blz. 96dood gewonedoodgewoneBlz. 100[Niet in Bron.]”Blz. 105binnengeloodsdbinnengeloodstBlz. 119voortbrenselenvoortbrengselenBlz. 123„[Verwijderd.]Blz. 132[Niet in Bron.]„Blz. 132[Niet in Bron.]”Blz. 133[Niet in Bron.]„Blz. 138[Niet in Bron.],Blz. 142[Niet in Bron.]”Blz. 150[Niet in Bron.]”Blz. 160[Niet in Bron.]„Blz. 162berehuidenberenhuidenBlz. 172spullebaasspellebaasBlz. 176[Niet in Bron.],Blz. 176[Niet in Bron.]”Blz. 177[Niet in Bron.]„Blz. 178[Niet in Bron.]”Blz. 186joujouwBlz. 206„[Verwijderd.]Blz. 206,.

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext